Procedure : 2015/2110(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0284/2016

Ingediende teksten :

A8-0284/2016

Debatten :

PV 24/10/2016 - 16
CRE 24/10/2016 - 16

Stemmingen :

PV 25/10/2016 - 7.3
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0403

VERSLAG     
PDF 404kWORD 77k
7.10.2016
PE 571.738v02-00 A8-0284/2016

over de bestrijding van corruptie en de opvolging van de resolutie van de Bijzondere Commissie georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen (CRIM)

(2015/2110(INI))

Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

Rapporteur: Laura Ferrara

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking
 ADVIES van de Commissie begrotingscontrole
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de bestrijding van corruptie en de opvolging van de resolutie van de Bijzondere Commissie georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen (CRIM)

(2015/2110(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, artikel 67 en de artikelen 82 t/m 89 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name de artikelen 5, 6, 8, 17, 32, 38 en 41, de artikelen 47 t/m 50, en artikel 52,

–  gezien de conclusies van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 16 juni 2015 over de vernieuwde interneveiligheidsstrategie van de EU 2015-2020,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 25-26 juni 2015 op het gebied van veiligheid,

–  gezien de relevante verdragen van de Verenigde Naties, in het bijzonder het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde misdaad en het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van corruptie (UNCAC),

–  gezien het Verdrag inzake de strafrechtelijke bestrijding van corruptie en het Verdrag inzake de civielrechtelijke bestrijding van corruptie van de Raad van Europa, die respectievelijk op 27 januari en 4 november 1999 ter ondertekening zijn opengesteld te Straatsburg, en de resoluties (98) 7 en (99) 5 tot oprichting van de Groep van staten tegen corruptie (GRECO), die het Comité van ministers van de Raad van Europa respectievelijk op 5 mei 1998 en 1 mei 1999 heeft aangenomen,

–  gezien de aanbeveling CM/Rec (2014) 7 over de bescherming van informanten, die het Comité van ministers van de Raad van Europa op 30 april 2014 heeft aangenomen,

–  gezien het Verdrag van de OESO inzake de bestrijding van omkoping van buitenlandse ambtenaren in internationale zakelijke transacties, dat ter ondertekening is opengesteld te Parijs op 17 december 1997, de aanbevelingen daarbij en de laatste monitoringsverslagen per land,

–  gezien Richtlijn 2013/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 augustus 2013 over aanvallen op informatiesystemen en tot intrekking van Kaderbesluit 2005/222/JBZ,

–  gezien Richtlijn 2014/42/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie,

–  gezien Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken,

–  gezien Richtlijn 2014/62/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de strafrechtelijke bescherming van de euro en andere munten tegen valsemunterij en ter vervanging van Kaderbesluit 2000/383/JBZ van de Raad,

–  gezien Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie,

–  gezien Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht,

–  gezien Verordening (EU) 2015/847 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1781/2006,

–  gezien Verordening (EU) nr. 513/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, van het instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en crisisbeheersing, en tot intrekking van Besluit 2007/125/JBZ van de Raad,

–  gezien Verordening (EU) 2015/2219 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor opleiding op het gebied van rechtshandhaving (CEPOL) en tot vervanging en intrekking van Besluit 2005/681/JBZ van de Raad,

–  gezien Besluit 2007/845/JBZ van de Raad van 6 december 2007 betreffende de samenwerking tussen de nationale bureaus voor de ontneming van vermogensbestanddelen op het gebied van de opsporing en de identificatie van opbrengsten van misdrijven of andere vermogensbestanddelen die hun oorsprong vinden in misdrijven,

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad van 29 november 2012 tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 wat betreft de financiering van Europese politieke partijen (COM(2012)0712),

–  gezien Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad,

–  gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming),

–  gezien Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn,

–  gezien het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (COM(2012)0363),

–  gezien het voorstel voor een verordening van de Raad tot instelling van het Europees Openbaar Ministerie (COM(2013)0534),

–  gezien het arrest van het Europees Hof van Justitie in zaak C-105/14 (Taricco e.a.), waarin het Hof stelt dat het begrip "fraude" als gedefinieerd in artikel 1 van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen ook btw-ontvangsten omvat,

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het EU-Agentschap voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust) (COM(2013)0535),

–  gezien zijn resolutie van 29 april 2015 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot instelling van het Europees Openbaar Ministerie(1),

–  gezien het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad inzake terrorismebestrijding,

–  gezien Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en tot vervanging en intrekking van de Besluiten 2009/371/JBZ, 2009/934/JBZ, 2009/935/JBZ, 2009/936/JBZ en 2009/968/JBZ van de Raad,

–  gezien het verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement getiteld "EU-corruptiebestrijdingsverslag", van 3 februari 2014 (COM(2014)0038),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad getiteld "De Europese veiligheidsagenda" van 28 april 2015 (COM(2015)0185),

–  gezien het SOCTA-rapport van Europol (dreigingsevaluatie van de georganiseerde criminaliteit) van maart 2013, en het IOCTA-rapport (dreigingsevaluatie van de georganiseerde internetcriminaliteit) van 30 september 2015,

–  gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 over de Europese veiligheidsagenda(2),

–  gezien zijn resolutie van 23 oktober 2013 over georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen: aanbevelingen inzake de benodigde acties en initiatieven (eindverslag)(3),

–  gezien de studies van de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement over de kosten van non-beleid van de EU op het gebied van georganiseerde misdaad en corruptie,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie begrotingscontrole (A8-0284/2016),

A.  overwegende dat de georganiseerde misdaad een wereldwijde dreiging vormt en als zodanig een gezamenlijk en gecoördineerd optreden van de EU en haar lidstaten vereist;

B.  overwegende dat het tot op heden ontbreekt aan een volledig beeld van de complexiteit van criminele organisaties en van het daaruit voortvloeiende gevaar van infiltraties van criminele organisaties in het sociale, economische, politieke, institutionele en bedrijfsleven van de lidstaten;

C.  overwegende dat georganiseerde criminele groepen hebben laten zien dat zij geneigd zijn hun activiteiten te diversifiëren en daar zeer bedreven in zijn, door zich aan te passen aan verschillende geografische, economische en sociale contexten en daarbij gebruik te maken van zwaktes en kwetsbaarheden, waarbij zij tegelijkertijd actief zijn op meerdere markten en profiteren van de verschillende bepalingen van de rechtsstelsels van de afzonderlijke lidstaten om hun activiteiten tot bloei te brengen en maximale winst te boeken;

D.  overwegende dat de criminele organisaties hun werkwijze hebben aangepast en een beroep doen op de steun van professionals, bankinstellingen, ambtenaren en politici die, zonder tot de criminele organisatie te behoren, de activiteiten ervan op diverse niveaus ondersteunen;

E.  overwegende dat criminele organisaties blijk hebben gegeven van een groot aanpassingsvermogen, ook door de voordelen van de nieuwe technologieën in hun voordeel te gebruiken;

F.  overwegende dat de gevaarlijke aard van de intimiderende macht die uitgaat van enkel het behoren tot een criminele organisatie geen prioriteit is in vergelijking met de bestrijding van de zogeheten doelmisdaden (de misdaden waarvoor een criminele organisatie is opgericht) en dat hierdoor op Europees niveau een leemte in de wetgeving en op operationeel vlak is ontstaan die de grensoverschrijdende activiteiten van georganiseerde criminele groepen in de hand werkt;

G.  overwegende dat de georganiseerde misdaad, naast de overduidelijke gevaren die de geweldsuitingen van criminele organisaties met zich meebrengen voor het openbaar beleid en de openbare veiligheid, even ernstige problemen veroorzaakt doordat deze doordringt in de legale economie en door de bijbehorende corruptie van ambtenaren, hetgeen leidt tot infiltratie in openbare instellingen en het openbaar bestuur;

H.  overwegende dat de illegale opbrengsten van de door criminele organisaties begane misdaden op grote schaal worden witgewassen en in de legale Europese economie terechtkomen; overwegende dat dit kapitaal, zodra het wordt geherinvesteerd in de legale economie, wegens de zeer ontwrichtende effecten ervan een ernstige bedreiging vormt voor de vrijheid om economische activiteiten te ontplooien en de vrije mededinging;

I.  overwegende dat criminele groepen toetreden tot de politiek en het bestuur om toegang te krijgen tot de financiële middelen van de overheid en om de activiteiten van de overheid te beïnvloeden met medeweten van politici, ambtenaren en het bedrijfsleven; overwegende dat de beïnvloeding van politiek en bestuur met name voorkomt op het gebied van aanbestedingen en de uitvoering van publieke werken, de overheidsfinanciering, de verwijdering van schroot en afval, en contracten gericht op de aankoop van allerlei goederen en het beheer van diensten;

J.  herinnert eraan dat de georganiseerde misdaad winst als primair doel heeft; wijst erop dat de rechtshandhaving daarom de nadruk moet kunnen leggen op de financiering ervan, die vaak intrinsiek samenhangt met corruptie, fraude, namaak en smokkel;

K.  overwegende dat klokkenluiders een centrale rol spelen in de strijd tegen corruptie, aangezien zij gevallen van fraude aan het licht kunnen brengen die anders geheim zouden worden gehouden; overwegende dat klokkenluiden als een van de meest doeltreffende manieren wordt beschouwd om wangedrag te voorkomen of te stoppen, of het aan het licht te brengen als het al heeft plaatsgevonden;

L.  overwegende dat de Europese wetgeving nooit zo mag worden uitgelegd dat zij de activiteiten van klokkenluiders zou beperken;

M.  overwegende dat georganiseerde misdaad, corruptie en het witwassen van geld ernstige bedreigingen vormen voor de economie van de EU, doordat deze fenomenen de belastingontvangsten van de lidstaten en de EU in haar geheel aanzienlijk doen dalen, en voor de controleerbaarheid van openbare door de EU gefinancierde projecten, omdat criminele organisaties activiteiten ontplooien in diverse sectoren, waarvan er vele onder toezicht van de overheid staan;

N.  overwegende dat in 2014 melding werd gemaakt van 1 649 frauduleuze onregelmatigheden met gevolgen voor de Europese begroting voor een bedrag van 538,2 miljoen EUR, zowel qua uitgaven als qua ontvangsten, maar dat er geen officiële gegevens bestaan over het percentage van deze fraude dat aan de georganiseerde misdaad kan worden toegeschreven;

Inleiding

1.  herhaalt de standpunten en aanbevelingen die tot uitdrukking zijn gebracht in zijn resolutie van 23 oktober 2013 over georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen; herhaalt in het bijzonder zijn verzoek om de aanneming van een Europees actieplan tegen georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen, dat om resultaten te kunnen afwerpen over toereikende financiële middelen en gekwalificeerd personeel moet beschikken;

2.  is ingenomen met het 18-maandenprogramma van de Raad van de Europese Unie voor het Nederlandse, Slowaakse en Maltese voorzitterschap, waarin een alomvattende en geïntegreerde benadering van georganiseerde misdaad hoog op de agenda staat; wijst erop dat de bestrijding van fraude, corruptie en witwaspraktijken een prioriteit moet zijn van het beleid van de EU-instellingen en dat de politiële en justitiële samenwerking tussen de lidstaten daartoe cruciaal is;

3.  wenst zijn aandacht te vestigen op specifieke gebieden waaraan in de huidige omstandigheden prioriteit moet worden verleend;

Zorgen voor de correcte omzetting van de bestaande regels, toezicht op de toepassing en beoordeling van de doeltreffendheid ervan

4.  herinnert eraan dat in het kader van de bestrijding van georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen de lidstaten de bestaande EU- en internationale instrumenten moeten omzetten en toepassen;

5.  verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk de beoordeling van de maatregelen ter omzetting van deze instrumenten af te ronden, het Parlement volledig op te hoogte te brengen van de uitkomst hiervan en indien noodzakelijk inbreukprocedures te starten; verzoekt de Commissie met name te komen met een beoordelingsverslag van de omzetting van Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit en van Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht;

6.  roept de lidstaten op de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken correct om te zetten, aangezien dit instrument een sleutelrol speelt bij het versterken van de politiële en justitiële samenwerking in de EU;

7.  spoort de lidstaten ertoe aan om de vierde antiwitwasrichtlijn onverwijld om te zetten;

8.  beveelt aan dat de EU vast lid van de GRECO wordt; wenst dat de EU deelneemt aan het Open Government Partnership, aan haar rapportageverplichtingen voldoet uit hoofde van het VN-Verdrag tegen corruptie, waarbij zij partij is, en steun geeft aan de technische bijstand van het VN-Bureau voor drugs- en misdaadbestrijding (UNODC) op grond van bovengenoemd VN-Verdrag; dringt er bij de Commissie op aan om zo snel mogelijk een voortgangsverslag over de voorbereidingen van het EU-lidmaatschap van de GRECO bij het Parlement in te dienen, met inbegrip van een studie naar de juridische uitdagingen en mogelijke oplossingen op dit gebied;

9.  betreurt dat de Commissie haar tweede corruptiebestrijdingsverslag, dat begin 2016 had moeten worden uitgebracht, nog niet heeft gepubliceerd; verzoekt de Commissie dit verslag zo spoedig mogelijk in te dienen: herhaalt dat corruptiebestrijdingsverslagen niet beperkt moeten blijven tot de situatie in de lidstaten, maar ook een hoofdstuk over de instellingen van de Europese Unie moeten bevatten; verzoekt de Commissie dan ook om een passende manier te vinden om toe te zien op corruptie in de EU-instellingen, ‑organen en -agentschappen;

10.  verzoekt de Commissie de mogelijkheid te onderzoeken om de verschillende toezichtmechanismen op Unieniveau, waaronder het mechanisme voor samenwerking en toetsing, het corruptiebestrijdingsverslag van de EU en het EU-scorebord van Justitie, te combineren in een breder kader voor toezicht op de rechtsstaat, dat zou kunnen worden toegepast op alle lidstaten en de instellingen, organen en agentschappen van de Europese Unie; is in dit verband van mening dat de EU-instellingen het goede voorbeeld moeten geven door de hoogste transparantienormen te bevorderen en afschrikwekkende en effectieve sancties aan overtreders op te leggen; roept de Commissie op lobbying te reguleren en sancties voor belangenconflicten op te leggen;

11.  herinnert aan de noodzaak van een pluridisciplinaire aanpak om georganiseerde misdaad effectief te kunnen voorkomen en bestrijden; wijst in dat verband op de rol van het netwerk inzake misdaadpreventie van de Europese Unie en op de noodzaak van financiële ondersteuning voor dat netwerk;

12.  beveelt aan dat de Commissie een studie verricht naar de meest geavanceerde nationale wetgevingsmaatregelen inzake de bestrijding van georganiseerde misdaad en corruptie, om doeltreffende en geavanceerde Europese wetgeving te ontwikkelen; vraagt de Europese Commissie een studie te verrichten naar de onderzoekspraktijken van de lidstaten ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit, waarbij de aandacht voornamelijk dient uit te gaan naar het gebruik van instrumenten als het aftappen van telefoongesprekken, afluisteren door middel van plaatsing van afluisterapparatuur, doorzoekingen, verlengde inverzekeringstelling, verlengde inbeslagneming, undercoveroperaties en gecontroleerde en gesurveilleerde leveringen;

13.  roept de lidstaten op zich sterker in te zetten voor een cultuur van legaliteit, in het bijzonder aangezien het opvoeden van nieuwe generaties EU-burgers de belangrijkste en meest doeltreffende vorm van preventie is, met name door specifieke acties op scholen te bevorderen;

Prioriteiten en operatieve structuren voor de bestrijding van georganiseerde misdaad en corruptie

14.  is van mening dat bij de huidige EU-beleidscyclus ter bestrijding van georganiseerde misdaad, de nadruk moet worden gelegd op de bestrijding van misdaden vanwege het behoren tot een criminele organisatie en niet uitsluitend van zogeheten doelmisdaden (misdaden waarvoor dergelijke organisaties zijn opgericht); acht het met name noodzakelijk om het behoren tot een criminele organisatie afzonderlijk van het plegen van doelmisdaden strafbaar te stellen; herhaalt dat de bestrijding van witwassen, corruptie en mensenhandel tot een van de prioriteiten van deze beleidscyclus moet worden gemaakt in het kader van een daadwerkelijk Europese corruptiebestrijdingsstrategie;

15.  wenst dat prioriteiten worden gesteld die verenigbaar zijn met het EU-beleid ter voorkoming van criminaliteit en met het economisch, sociaal, werkgelegenheids- en onderwijsbeleid van de EU, en dat het Parlement hierbij volledig wordt betrokken;

16.  verzoekt om de oprichting van een speciale afdeling bij Europol voor de bestrijding van georganiseerde criminele groepen die gelijktijdig op verschillende gebieden actief zijn; is van mening dat de lidstaten binnen het huidige institutionele kader veilige en doeltreffende mechanismen moeten opzetten om ervoor te zorgen dat onderzoek naar georganiseerde misdaad naar behoren wordt gecoördineerd en dat het wederzijdse vertrouwen tussen rechtshandhavingsinstanties in de lidstaten wordt gevoed;

Een sterker wetgevingskader

17.  verzoekt de Commissie om op basis van de evaluatie van de omzetting en toepassing van de huidige regels te komen met wetgevingsmaatregelen om eventuele leemten bij de bestrijding van georganiseerde misdaad en corruptie op te vullen en de grensoverschrijdende justitiële samenwerking te verbeteren; verzoekt de Commissie in het bijzonder:

(a)  de bestaande wetgeving te herzien om doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties in te voeren en de gemeenschappelijke definities van misdrijven nader te specificeren, waaronder die van “deelname aan een criminele organisatie of vereniging”, mogelijk als een gestructureerde groep die een bepaalde tijd bestaat en is samengesteld uit twee of meer personen die samenwerken met als doel direct of indirect enige vorm van financieel en/of materieel voordeel te behalen, en die de maatschappelijke en economische samenhang van de EU en haar lidstaten ernstig ondermijnt;

(b)   een herzien wetgevingsvoorstel in te dienen ter bestrijding van milieumisdrijven om de strafrechtelijke maatregelen tegen illegale afvalverbranding aan te scherpen en het illegaal storten van “opkomende verontreinigende stoffen” te beschouwen als een strafbaar feit dat kan worden bestraft met strafrechtelijke sancties in de zin van Richtlijn 2008/99/EG;

18.  verzoekt de Commissie om de uitwerking van minimumvoorschriften betreffende de vaststelling van misdaden en sancties; verzoekt in het bijzonder om:

(a)  algemene, transversaal toepasbare definities van "ambtenaar", “fraude” en “corruptie”; herinnert eraan dat in het kader van de onderhandelingen over de PIF‑richtlijn, definities van deze termen in de richtlijn zijn opgenomen maar uitsluitend voor de toepassing van deze richtlijn; merkt op dat deze onderhandelingen momenteel geblokkeerd zijn in de Raad en vraagt om een zo spoedig mogelijke hervatting ervan;

(b)  een nieuw wetgevingsvoorstel over een bijzonder type criminele organisatie waarvan de deelnemers voordeel behalen uit de intimiderende macht van de binding aan de organisatie en de daaruit volgende onderwerping en zwijgplicht, gebruikt om misdrijven te plegen, om direct of indirect de leiding of ten minste de controle over economische activiteiten, concessies, vergunningen, overheidsopdrachten en openbare diensten te verkrijgen of zichzelf of anderen onwettige geldelijke of andere voordelen te verschaffen;

(c)  een wetgevingsvoorstel tot oprichting van een speciaal Europees programma ter bescherming van getuigen en informanten die in gerechtelijke procedures rapporteren over criminele organisaties en organisaties zoals omschreven onder b);

(d)  een wetgevingsvoorstel met gemeenschappelijke regels voor de bescherming van klokkenluiders; wenst dat een dergelijk voorstel vóór eind 2017 wordt ingediend;

(e)  aanvullende wetgevingsvoorstellen ter versterking van de rechten van verdachten of beklaagden in strafzaken, onder andere met betrekking tot voorlopige hechtenis, om het recht op een eerlijk proces te waarborgen, zoals erkend in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

(f)  specifieke wetgeving om de uitvoer van radioactieve stoffen en gevaarlijk afval en de illegale handel in fauna en flora te bestrijden, aangezien de criminaliteit in verband met in het wild levende dieren en planten en op het gebied van bosbouw, en de smokkel en uitvoer van radioactieve stoffen en gevaarlijk afval naar derde landen, volgens milieubeschermingsorganisaties en ngo's een grote rol spelen in de financiering van georganiseerde misdaad;

Doeltreffendere politiële en justitiële samenwerking op EU-niveau

19.  stelt vast dat georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen meestal een grensoverschrijdende dimensie hebben, die een nauwe samenwerking tussen bevoegde nationale autoriteiten onderling en tussen nationale autoriteiten en de betrokken EU‑agentschappen vereist;

20.  is van mening dat politiële en justitiële samenwerking, in de vorm van uitwisseling van informatie tussen nationale autoriteiten, essentieel is om doeltreffende maatregelen te kunnen nemen om corruptie en georganiseerde misdaad te bestrijden;

21.  verzoekt de Commissie om concrete maatregelen te lanceren met het oog op een betere Europese coördinatie van de strijd tegen georganiseerde misdaad, corruptie en witwaspraktijken en te zorgen voor een groter bewustzijn van het menselijk leed en de sociale en economische schade die deze fenomenen veroorzaken;

22.  betreurt dat de grensoverschrijdende justitiële en politiële samenwerking zich kenmerkt door buitensporig lange bureaucratische procedures, waardoor deze minder doeltreffend verloopt en de strijd tegen de georganiseerde misdaad, corruptie en witwaspraktijken op EU-niveau aan kracht dreigt te verliezen; verzoekt de lidstaten de grensoverschrijdende politiële en justitiële samenwerking en hun informatie-uitwisseling onderling en via Europol en Eurojust te versterken, uit te breiden en de doeltreffendheid ervan te verhogen, en te voorzien in adequate opleiding en technische ondersteuning, onder andere door middel van Cepol en het Europees netwerk voor justitiële opleiding, de wederzijdse toelaatbaarheid van bewijsmateriaal tussen de lidstaten te bevorderen, en ervoor te zorgen dat gezamenlijke onderzoeksteams vaker worden ingezet;

23.  verzoekt de lidstaten om alle noodzakelijke en relevante gegevens over personen die zijn veroordeeld vanwege een misdrijf dat verband houdt met de georganiseerde misdaad in de bestaande Europese gegevensbanken systematisch aan te vullen, te gebruiken en uit te wisselen en een beroep te doen op de EU-agentschappen Europol en Eurojust om deze informatie-uitwisseling te vergemakkelijken; roept in dit verband op tot het stroomlijnen van de infrastructuur om veilige communicatie en een doelmatig gebruik van alle bestaande instrumenten van Europol te garanderen, onder volledige eerbiediging van de Europese wetgeving inzake gegevensbescherming;

24.  benadrukt dat er dringend een efficiënter systeem voor communicatie en informatie-uitwisseling tussen justitiële autoriteiten in de EU moet worden opgezet om de traditionele instrumenten voor wederzijdse rechtsbijstand in strafzaken waar nodig te vervangen; verzoekt de Commissie om de noodzaak van wetgevingsmaatregelen op dit gebied te beoordelen en een deugdelijk EU-systeem voor de informatie-uitwisseling tussen justitiële autoriteiten uit de EU op te zetten;

25.  verzoekt de lidstaten om systematisch alle noodzakelijke en relevante PNR-gegevens over personen die banden hebben met de georganiseerde misdaad uit te wisselen;

Beslaglegging op de tegoeden van criminele organisaties en bevordering van de inzet ervan voor maatschappelijke doeleinden

26.  is van mening dat het toepassen van een gemeenschappelijke methode om de activa van criminele organisaties in de EU in beslag te nemen, een afschrikwekkende maatregel is voor criminelen; verzoekt de lidstaten Richtlijn 2014/42/EU betreffende de confiscatie van vermogen afkomstig van misdrijven snel om te zetten; verzoekt de Commissie om zo spoedig mogelijk een wetgevingsvoorstel in te dienen om te zorgen voor de wederzijdse erkenning van de bevriezings- en confiscatiebevelen in het kader van de nationale maatregelen ter bescherming van vermogen;

27.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de EU-maatregelen te versterken voor;

(a)  de opsporing, de bevriezing en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven door, onder andere, het strafbaar stellen van de overdracht van het eigendom van vermogens of vermogensbestanddelen om bevriezings- of confiscatiemaatregelen te voorkomen en de aanvaarding van het eigendom van of de beschikking over die vermogens, of door te zorgen voor confiscatie indien het niet tot een veroordeling komt;

(b)  de bevordering van het beheer van bevroren en geconfisqueerde voorwerpen en de inzet ervan voor maatschappelijke doeleinden en als compensatie voor de familieleden van slachtoffers en ondernemingen die het slachtoffer zijn van woekerpraktijken en zwendel;

(c)  de ontwikkeling van administratieve, politiële en justitiële samenwerking om vermogensbestanddelen afkomstig van criminele activiteiten in de hele Unie op te sporen, in beslag te nemen en te confisqueren, en de versterking van de positie van de nationale bureaus voor de ontneming van vermogensbestanddelen, die voldoende middelen toegekend moeten krijgen;

28.  verzoekt de lidstaten met klem om op dit gebied de samenwerking en de uitwisseling van beste praktijken te doen toenemen via de bestaande platformen, zoals onder andere het Raadgevend Comité coördinatie fraudebestrijding (COCOLAF);

Voorkoming van de infiltratie van georganiseerde misdaad en corruptie in de legale economie

29.  wijst erop dat door middel van corruptie, in het bijzonder in het kader van openbare aanbestedingen en publiek-private partnerschappen, de georganiseerde misdaad de legale economie makkelijker kan infiltreren;

30.  verzoekt om de invoering van een volledig EU-stelsel voor elektronische aanbestedingen, om het risico op corruptie bij openbare aanbestedingen te verkleinen;

31.  verzoekt de lidstaten en de Europese instellingen instrumenten voor toezicht op openbare aanbestedingen in te voeren, “zwarte lijsten” op te stellen van ondernemingen die bewezen banden met de georganiseerde misdaad onderhouden en/of betrokken zijn bij corrupte praktijken en deze uit te sluiten van elke commerciële relatie met de overheid en van het ontvangen van EU-middelen; vraagt de lidstaten op nationaal niveau gespecialiseerde structuren op te richten om criminele organisaties op te sporen en openbare aanbestedende entiteiten die bij corruptiepraktijken en het witwassen van geld betrokken zijn uit te sluiten; benadrukt dat het aanleggen van een "zwarte lijst" bedrijven doeltreffend kan ontmoedigen om corrupte activiteiten te ondernemen en hen een goede stimulans biedt om hun interne integriteitsprocedures te verbeteren en te versterken; verzoekt de lidstaten om een "anti-georganiseerde-misdaad-certificering" in te voeren voor ondernemingen en de desbetreffende informatie op EU-niveau automatisch uit te wisselen;

32.  wijst erop dat 21 lidstaten het pakket met richtlijnen inzake openbare aanbestedingen nog niet hebben omgezet; is van mening dat regels inzake openbare aanbestedingen essentieel zijn om te zorgen voor transparantie en verantwoording op een van de gebieden waarop het risico van corruptie het grootst is;

33.  wijst erop dat transparante, voor toetsing vatbare boekhoudregels in alle lidstaten moeten worden gegarandeerd, niet alleen bij centrale overheden, maar ook op regionaal en lokaal niveau;

34.  uit zijn bezorgdheid over de gangbare praktijk van criminele ondernemingen die bij het witwassen van geld betrokken zijn, om voor openbare aanbestedingen voor grote werken offertes tegen afbraakprijzen in te dienen; vraagt de Commissie een economische beoordeling op te nemen van de voorstellen voor de ondernemingen die begunstigde zijn van overheidsopdrachten en voor onderaannemers;

35.  wijst erop dat het witwassen van geld via complexe bedrijfsstructuren en de integratie van die structuren in legale economische activiteiten een bedreiging kunnen vormen voor de openbare orde in het betrokken land; verzoekt de lidstaten om maatregelen vast te stellen om de transparantie van monetaire verrichtingen te vergroten en de traceerbaarheid van verrichtingen tot aan natuurlijke personen te verbeteren om zo financiering van misdaad en terrorisme te kunnen traceren ("follow the money"‑beginsel), zonder kleine en middelgrote ondernemingen daar onnodig mee te belasten; verzoekt de lidstaten om maatregelen te nemen die het moeilijker maken om complexe en massieve structuren van onderling verbonden vennootschappen op te zetten, die vanwege hun ondoorzichtige karakter kunnen worden misbruikt om misdaad‑ of terreuractiviteiten en andere ernstige misdrijven te financieren;

36.  verzoekt de Commissie en de lidstaten met klem om van ondernemingen te eisen dat zij hun volledige bedrijfsstructuur en begunstigde eigenaren bekendmaken alvorens opdrachten aan hen te gunnen, om te vermijden dat zij ondernemingen ondersteunen die zich schuldig maken aan agressieve belastingplanning, belastingfraude en -ontwijking en corruptie;

37.  merkt op dat het aankopen van eigendommen in de EU-lidstaten een manier is om de opbrengsten van criminele activiteiten wit te wassen, waarbij criminelen het daadwerkelijke eigendom verhullen via fictieve vennootschappen in het buitenland; dringt er bij de lidstaten op aan om ervoor te zorgen dat buitenlandse vennootschappen die een eigendomstitel willen verwerven op hun grondgebied aan dezelfde transparantienormen moeten voldoen als vennootschappen die zijn opgericht in het eigen rechtsgebied;

38.  wijst erop dat de financiële crisis de druk op Europese overheden heeft verhoogd; wenst, in het kader van de huidige economische uitdagingen, dat de integriteit en transparantie bij overheidsuitgaven beter worden gewaarborgd;

39.  dringt er bij de lidstaten op aan de maatregelen te nemen die nodig zijn om te zorgen voor transparantie bij besluiten over bouw- en andere vergunningen op regionaal en lokaal niveau;

40.  wijst erop dat, ingevolge artikel 325 VWEU, de lidstaten en de Europese Commissie de juridische verplichting hebben om fraude te bestrijden en is verheugd over de fraudebestrijdingsbepalingen die in de wetgevingsvoorstellen met een financiële impact worden opgenomen;

41.  uit zijn bezorgdheid over de toename van btw-fraude, in het bijzonder de zogenaamde carrouselfraude; verzoekt alle lidstaten om deel te nemen aan Eurofisc, en wel op alle werkterreinen daarvan, teneinde de uitwisseling van informatie die nuttig is voor bestrijding van dit soort fraude te vergemakkelijken;

42.  verzoekt de lidstaten specifieke wetgeving vast te stellen en passende maatregelen te nemen om de activiteiten te voorkomen en te beteugelen van professionals, bankinstellingen, functionarissen en politici op alle niveaus die, zonder tot een criminele organisatie te behoren, de activiteiten ervan op diverse niveaus ondersteunen; in dit verband:

(a)  beveelt de lidstaten en de Europese instellingen aan de roulatie van ambtenaren te bevorderen om corruptie en de infiltratie van de georganiseerde misdaad te voorkomen;

(b)  pleit voor dwingende regels waarmee wordt vastgesteld dat personen die zijn veroordeeld voor of hebben deelgenomen aan georganiseerde misdaad, witwaspraktijken, corruptie of andere ernstige strafbare feiten, misdrijven tegen de overheid, misdrijven in verband met lidmaatschap van een criminele organisatie of corruptie, niet verkozen kunnen worden of kunnen werken bij of voor de overheid, met inbegrip van de instellingen, organen en agentschappen van de Europese Unie;

(c)  vraagt om strafrechtelijke sancties voor leidinggevenden en banken die in bewezen zaken hebben deelgenomen aan het witwassen van grote hoeveelheden geld; vraagt de Commissie een voorstel in te dienen om volledige transparantie te waarborgen van bancaire stromen van natuurlijke personen en van rechtspersonen en trusts;

43.  is van mening dat regels op Europees niveau nodig zijn die ervoor zorgen dat alle financieringsbronnen van politieke partijen worden gecontroleerd en gevolgd om na te gaan of ze legaal zijn;

44.  pleit voor de aanscherping van wetgevingsbepalingen die moeten zorgen voor grotere transparantie en traceerbaarheid van geldstromen, in het bijzonder bij het beheer van EU-middelen, onder andere door middel van voorafgaande onderzoeken en een uiteindelijke beoordeling of de middelen naar behoren zijn gebruikt; verzoekt de lidstaten om nationale verklaringen over hun controlesystemen in te dienen; verzoekt de Commissie:

(a)   betalingen te corrigeren bij onregelmatigheden in het gebruik van EU-middelen door de lidstaten;

(b)  instellingen en ondernemingen die schuldig zijn bevonden aan frauduleus misbruik van EU-middelen, tijdelijk van de toegang tot EU-middelen uit te sluiten;

(c)  nauw toezicht te houden op het gebruik van EU-middelen en regelmatig verslag uit te brengen aan het Europees Parlement;

45.  is van mening dat de Commissie de grootst mogelijke integriteit moet nastreven in de aanbestedingsprocedures voor de uitvoering van door de EU gefinancierde projecten; herinnert eraan dat het van wezenlijk belang is toezicht te houden op de resultaten van projecten in samenwerking met organisaties uit het maatschappelijk middenveld en plaatselijke autoriteiten ter verantwoording te roepen, teneinde te bepalen of EU‑middelen correct worden gebruikt en corruptie wordt aangepakt;

46.  herinnert eraan dat transparantie de meest doeltreffende manier is om misbruik en fraude te bestrijden; vraagt de Commissie de wetgeving op dit vlak te verbeteren door de publicatie van de gegevens van alle begunstigden van Europese fondsen, met inbegrip van de gegevens van onderaannemers, verplicht te stellen;

47.  verzoekt de Commissie wetgeving vast te stellen ter vereenvoudiging van bureaucratische administratieve procedures en zo de transparantie te verhogen en corruptie te bestrijden;

48.  verzoekt de Europese Commissie toe te zien op het percentage onderhandse gunningen van overheidsopdrachten in de lidstaten en de wettige omstandigheden waarin nationale besturen deze gunningen het vaakst gebruiken, en daarover verslag uit te brengen aan het Parlement;

49.  beveelt de lidstaten aan om bij het gebruik van hun EU-middelen te streven naar efficiënte transparantie-, toezichts- en verantwoordingsmechanismen; is van mening dat, aangezien de positieve effecten van de EU-middelen berusten op processen op het nationale en het EU-niveau om de transparantie, het effectieve toezicht en de verantwoordingsplicht te verzekeren, moet worden nagegaan hoe het toezicht en de evaluatie kunnen worden omgevormd tot een voortdurend proces, dat niet alleen na de feiten plaatsvindt; is van mening dat de Rekenkamer in dat opzicht een grotere rol moet worden toebedeeld;

50.  is van mening dat er kwalitatieve en kwantitatieve, onderling vergelijkbare indicatoren moeten worden ontwikkeld voor het meten van de impact van de EU-middelen en om te helpen bepalen of de middelen in kwestie tot de verwezenlijking van de beoogde doelstellingen hebben geleid, en dat er stelselmatig gekwantificeerde gegevens moeten worden verzameld en gepubliceerd;

Europees Openbaar Ministerie (EOM)

51.  is van mening dat het Europees Openbaar Ministerie (EOM) een centrale rol moet spelen in de strijd tegen corruptie in de Europese Unie; herhaalt zijn verzoek om de oprichting op zo kort mogelijke termijn, met deelname van zoveel mogelijk lidstaten, van een doeltreffend EOM dat onafhankelijk is van de nationale regeringen en de EU‑instellingen en beschermd is tegen politieke inmenging en druk;

52.  herhaalt het belang van duidelijk omschreven verantwoordelijkheden en bevoegdheden voor de nationale officieren van justitie en het toekomstige Europees Openbaar Ministerie, evenals voor Eurojust en OLAF, om eventuele bevoegdheidsconflicten te vermijden; verzoekt om de toewijzing van de nodige financiële en personele middelen aan het toekomstige Europees Openbaar Ministerie, in overeenstemming met de taken die het moet vervullen; is van mening dat het EOM bevoegd moet zijn om alle PIF‑misdrijven te vervolgen, waaronder btw-fraude; roept de lidstaten er in dit verband toe op zich te houden aan het arrest dat door het Europees Hof van Justitie is gewezen in de zaak Taricco (C–105/14) en de onderhandelingen bij de Raad over de PIF-richtlijn zo spoedig mogelijk opnieuw op te starten;

53. betreurt dat de voortdurende onderhandelingen bij de Raad het uitgangspunt van een onafhankelijk en effectief EOM ondermijnen;

54. verzoekt de Commissie te beoordelen of een herziening van het mandaat van het toekomstige EOM nodig is om het bevoegdheden toe te kennen, na de oprichting ervan, om de georganiseerde misdaad te kunnen bestrijden;

Specifieke gebieden waarop actie moet worden ondernomen

Namaak

55.  veroordeelt de toegenomen namaak van goederen, geneesmiddelen en agrovoedingsproducten in de EU, waarbij distributienetwerken beheerd door de grensoverschrijdende georganiseerde misdaad betrokken zijn; verzoekt de Commissie en de lidstaten om de noodzakelijke maatregelen te nemen om de namaak van goederen, geneesmiddelen en agrovoedingsproducten te voorkomen en te bestrijden; verzoekt de Commissie en de lidstaten systematisch gegevens te verzamelen over gevallen van fraude en namaak om informatie te verkrijgen over de omvang en de frequentie ervan, en beste praktijken uit te wisselen om deze verschijnselen te identificeren en te bestrijden;

56.  verzoekt de Commissie en de lidstaten andere methoden te overwegen om voedselfraude te voorkomen en te ontmoedigen, zoals "naming and shaming" door middel van een Europees register van levensmiddelen- en geneesmiddelenbedrijven die veroordeeld zijn voor fraude;

57.  dringt aan op de uitbreiding van de huidige traceerbaarheidssystemen en de consequente omzetting van de in basisverordening (EG) nr. 178/2002 voorziene volledige traceerbaarheid met betrekking tot levensmiddelen, voedermiddelen, voedselproducerende dieren en alle stoffen die bestemd zijn om in een levensmiddel of voedermiddel te worden verwerkt of waarvan verwacht kan worden dat zij hiervoor worden gebruikt;

Drugshandel

58.  wijst erop dat drugshandel criminele groepen veel geld oplevert en moet worden bestreden door middel van zowel repressieve als preventieve maatregelen; verzoekt de lidstaten en de bevoegde instanties om de band tussen de drugsmarkt en andere criminele activiteiten aan te pakken, alsook de gevolgen die deze heeft op de legale economie en handel, zoals vastgesteld door Europol en het EWDD in het verslag over de drugsmarkt van 2016;

59.  herinnert de Commissie eraan dat zij de voortgang van de tenuitvoerlegging van het EU-actieplan inzake drugs van 2013-2016 dient te evalueren; verzoekt de Commissie om op basis van die evaluatie een nieuw actieplan voor de periode 2017-2020 voor te stellen;

60.  stelt vast dat een evaluatie van nieuw beleid inzake softdrugs een prioriteit vormt en is van mening dat strategieën van decriminalisering of legalisering moeten worden beschouwd als middel om criminele organisaties doeltreffend te bestrijden; wenst dat de EU deze kwestie in zowel haar interne als externe beleid opneemt door alle relevante internationale en EU-organisaties en de instellingen van alle betrokken landen bij het politieke debat te betrekken;

Gokken en gemanipuleerde sportwedstrijden (matchfixing)

61.  herinnert eraan dat criminele organisaties vaak gebruikmaken van het legale en illegale gokcircuit en van gemanipuleerde sportwedstrijden (matchfixing) om geld wit te wassen; veroordeelt de criminele belangen rond deze fenomenen, en spoort de Commissie en de lidstaten aan wetgeving te behouden of voor te stellen ter bestrijding en voorkoming ervan door het manipuleren van sportevenementen strafbaar te stellen; verzoekt de lidstaten om op transparante en doeltreffende wijze samen te werken met sportorganisaties en om de communicatie en samenwerking met Eurojust en Europol te versterken om deze fenomenen te bestrijden;

Belastingparadijzen

62.  wijst erop dat er ieder jaar in de EU een bedrag van 1 biljoen EUR verloren gaat door belastingontduiking en -ontwijking; benadrukt dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan belastingparadijzen en landen met niet-transparante of schadelijke belastingpraktijken, die een groot probleem vormen met nadelige gevolgen voor alle Europese burgers;

63.  is ingenomen met het internationale akkoord binnen de G20 over de toepassing van een nieuwe wereldwijde norm voor grotere transparantie op belastinggebied, die in overeenstemming is met de strenge norm die reeds door de EU wordt toegepast; verzoekt om een spoedige tenuitvoerlegging daarvan en effectief toezicht op belastingfraude en belastingontwijking op internationaal niveau; uit zijn tevredenheid over het feit dat op EU-niveau de Europese Commissie in februari 2016 een overeenkomst heeft ondertekend over de uitwisseling van fiscale informatie met landen zoals Andorra en Monaco en dat in 2015 de Commissie reeds overeenkomsten heeft gesloten met Zwitserland, Liechtenstein en San Marino;

64.  herinnert aan de verantwoordelijkheid van de EU om belastingregels die belastingontduiking door transnationale ondernemingen en individuele personen vergemakkelijken, te bestrijden, en om derde landen te helpen illegale middelen te repatriëren en daders te vervolgen; benadrukt dat de EU in alle relevante internationale fora prioriteit moet geven aan de bevordering van de strijd tegen belastingparadijzen, het bankgeheim en witwassen, van de opheffing van excessief beroepsgeheim, en van de verwezenlijking van openbare verslaglegging per land door multinationals en openbare registers van de begunstigde eigenaren van ondernemingen; wijst erop dat belastingparadijzen plaatsen bij uitstek zijn voor het innen en witwassen van de opbrengsten uit criminele activiteiten, en benadrukt dan ook de noodzaak van een gecoördineerde aanpak op EU-niveau;

65.  verzoekt de Commissie om de ernstige gevolgen van het faciliteren van corruptie beter onder de aandacht te brengen, de mogelijkheid na te gaan van een alomvattend plan ter afschrikking van financiële overdrachten naar niet-EU landen die de anonimiteit van corrupte personen beschermen, en haar economische en diplomatieke banden met zulke landen opnieuw te overdenken;

Milieucriminaliteit

66.  uit zijn bezorgdheid over de toename van illegale milieugerelateerde activiteiten die verband houden met of voortvloeien uit georganiseerde, maffia-achtige criminele activiteiten, zoals de illegale handel in en het illegaal storten van afval , met inbegrip van giftig afval, en de vernietiging van natuurlijk erfgoed; herinnert aan zijn aanbeveling om een gemeenschappelijk actieplan uit te werken om dit soort misdrijven te voorkomen en te bestrijden; wijst op de noodzaak om de bestaande regels betreffende natuurbehoud en milieubescherming te handhaven, onder meer door het uitvoeren van anti-misdaadcontroles bij ondernemingen en onderaannemers die begunstigden zijn van uit de EU-begroting gefinancierde opdrachten voor grote infrastructuurwerken;

67.  verzoekt de Commissie toezicht te houden op en een beoordeling uit te voeren van de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht, om te waarborgen dat de lidstaten effectieve, evenredige en afschrikwekkende straffen opleggen voor alle vormen van onwettig gedrag met nadelige gevolgen voor de volksgezondheid of het milieu; verzoekt het netwerk van de Europese Unie voor de tenuitvoerlegging en handhaving van de milieuwetgeving (IMPEL) om het Parlement periodiek op de hoogte te houden van de maatregelen van de lidstaten met het oog op de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2008/99/EG;

68.  wijst erop dat de georganiseerde misdaad gebruik maakt van bouwondernemingen die gespecialiseerd zijn in grondverzet, om geld wit te wassen en giftige, milieuvervuilende stoffen illegaal te lozen; vraagt de Commissie om deze praktijken te voorkomen door anti-misdaadcontroles uit te voeren bij ondernemingen en onderaannemers die begunstigden zijn van uit de EU-begroting gefinancierde opdrachten voor grote infrastructuurwerken;

Cybercriminaliteit

69.  herinnert eraan dat cybercriminaliteit als instrument wordt gebruikt bij witwas- en namaakpraktijken; wijst erop dat deze vorm van criminaliteit een belangrijke bron van inkomsten vormt voor talrijke criminele organisaties en dat de wetgeving van de Unie en de samenwerking tussen de lidstaten en met de agentschappen van de Unie op dit gebied moeten worden versterkt; stelt met bezorgdheid vast dat criminele organisaties er door middel van frauduleus internetgebruik voor illegale doeleinden zoals de bevordering van drugshandel en mensenhandel, in zijn geslaagd het volume van hun illegale handel te vergroten;

Georganiseerde misdaad en terrorisme

70.  herinnert eraan dat de toenemende convergentie en banden tussen de georganiseerde misdaad en het terrorisme, evenals de banden tussen criminele en terroristische organisaties, een steeds grotere bedreiging vormen voor de Unie; verzoekt de lidstaten te waarborgen dat de financiering en ondersteuning van terrorisme door middel van georganiseerde misdaad strafbaar wordt gesteld en dat de onderlinge banden tussen georganiseerde misdaad en terroristische activiteiten en financiering van terrorisme uitdrukkelijker in aanmerking worden genomen door de autoriteiten van lidstaten in strafrechtelijke procedures;

71.  benadrukt dat de illegale handel in vuurwapens, olie, drugs, en wilde dieren en planten, en de smokkel van migranten, sigaretten en nagemaakte goederen, kunstwerken en andere cultuurgoederen door georganiseerde misdaadnetwerken zijn uitgegroeid tot een bijzonder lucratieve manier voor terroristische groeperingen om financiering te vinden; neemt kennis van de presentatie door de Commissie van een actieplan tegen illegale handel in en gebruik van vuurwapens en explosieven; dringt erop aan dat actieplan snel uit te voeren; verzoekt de lidstaten de nodige maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat terroristische organisaties en criminele netwerken geen baat hebben bij de handel in goederen, en om daarbij onnodige administratieve lasten voor marktdeelnemers te vermijden;

72.  herinnert eraan dat deelname aan criminele activiteiten verband kan houden met terreurmisdaden; herinnert eraan dat volgens het VN-Bureau voor drugs en criminaliteit (UNODC), drugshandel, het verkeer van illegale vuurwapens, de grensoverschrijdende georganiseerde misdaad en het witwassen van geld integrale aspecten van het terrorisme zijn geworden; is van mening dat de EU-wetgeving ter bestrijding van de georganiseerde misdaad en witwassen moet worden aangescherpt om terrorisme doeltreffend te kunnen bestrijden, ook gezien de banden tussen terroristische groeperingen en georganiseerde criminele groepen, die gebaseerd zijn op wederzijds voordeel;

Georganiseerde misdaad en mensenhandel en -smokkel

73.  maakt zich zorgen over de toenemende professionalisering van mensensmokkel en over het feit dat dankzij de aanhoudende vluchtelingenstromen naar Europa de winsten van netwerken die actief zijn op het gebied van mensenhandel en mensensmokkel voortdurend stijgen; verzoekt de Commissie en de lidstaten de internationale samenwerking ter bestrijding van mensenhandel te intensiveren, om mensensmokkel uit te bannen en de invloed van mensenhandelnetwerken te minimaliseren;

74.  herinnert eraan dat de Europese Unie op het gebied van mensenhandel over een specifiek rechts- en beleidskader beschikt om de samenwerking te optimaliseren en van mensenhandel een prioriteit te maken voor organen en agentschappen als Europol en Eurojust; is ingenomen met de conclusies van het eerste voortgangsverslag over de strijd tegen mensenhandel; verzoekt de Commissie om op basis daarvan zo snel mogelijk een strategie voor de periode na 2016 uit te werken;

75.  veroordeelt de infiltratie door de georganiseerde misdaad van organen belast met het beheer van de middelen voor de opvang van migranten, en roept op tot specifieke maatregelen ter bestrijding van mensensmokkel en -handel, die in handen zijn van complexe netwerken van criminele groepen in de landen van oorsprong, doorreis en bestemming van de slachtoffers;

76.  benadrukt de dringende noodzaak om de ernstige arbeidsuitbuiting van migranten in de Unie aan te pakken; erkent dat het ontbreken van reguliere migratiekanalen en belemmeringen voor de toegang tot de rechter enkele van de oorzaken van mensenhandel zijn; merkt eveneens op dat de Richtlijn werkgeverssancties belangrijke bepalingen bevat om arbeidsuitbuiting van irreguliere onderdanen uit derde landen aan te pakken, maar dat die bepalingen steunen op het bestaan van eerlijke, doeltreffende en toegankelijke klachtenmechanismen op nationaal niveau en dat de toepassing ervan zeer beperkt blijft;

De externe dimensie

77.  verzoekt de EU de consolidatie van de overheid en de invoering van adequate rechtskaders ter bestrijding van corruptie in alle landen verder te ondersteunen, in het bijzonder in landen die een conflict hebben doorgemaakt of zich in een overgangssituatie bevinden en zwakke overheidsinstellingen hebben; benadrukt dat regionale en gespecialiseerde politiële en justitiële netwerken in ontwikkelingslanden moeten worden versterkt, waarbij passende normen inzake gegevensbescherming en privacy altijd worden gegarandeerd, en dat de optimale werkmethoden en knowhow van Europol, Eurojust en het Europees justitieel netwerk moeten worden gedeeld; onderstreept dat regelgeving en rechtshandhaving moeten worden verbeterd en de bescherming van klokkenluiders moet worden bevorderd zodat plegers van strafbare feiten daarvoor aansprakelijk kunnen worden gesteld, en dat een adequaat stelsel moet worden ingevoerd ter bescherming van klokkenluiders, zowel binnen als buiten de EU; benadrukt in het bijzonder dat een direct meldingsmechanisme nodig is voor burgers in landen die EU-steun ontvangen die onregelmatigheden in door de EU gefinancierde hulpprogramma's aankaarten;

78.  merkt met bezorgdheid op dat de meest relevante internationale overeenkomsten en initiatieven ter bestrijding van corruptie en illegale geldstromen in de tenuitvoerleggingsfase niet tot concrete resultaten leiden; herinnert eraan dat de ontwikkeling van een corruptiebestrijdingsstrategie in het kader van het buitenlands beleid van wezenlijk belang is om corruptie en financiële misdaad doeltreffend te kunnen bestrijden; verzoekt de EU zich in haar externe beleid in de eerste plaats in te zetten voor de correcte omzetting en tenuitvoerlegging van het VN-Verdrag tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, en van alle andere toepasselijke internationale instrumenten die gericht zijn op de bestrijding van corruptie en witwassen;

79.  verzoekt de Commissie er door middel van voortdurend toezicht voor te zorgen dat EU‑hulp niet direct of indirect aan corruptie bijdraagt; meent ook dat hulp beter moet worden afgestemd op de absorptiecapaciteit en de algemene ontwikkelingsbehoeften van het ontvangende land om te voorkomen dat hulpmiddelen op grote schaal worden verkwist en aan corruptie verloren gaan; roept de EU op om corruptie rechtstreeks te bestrijden door middel van programmering en landenstrategiedocumenten en begrotingssteun te verbinden aan duidelijke doelstellingen ter bestrijding van corruptie; benadrukt hiertoe de noodzaak om sterke mechanismen in te voeren om toezicht te houden op de tenuitvoerlegging ervan; verzoekt de Commissie een krachtige, holistische en brede strategie te ontwikkelen voor corruptierisicomanagement in ontwikkelingslanden om te voorkomen dat ontwikkelingshulp bijdraagt aan corruptie, en de antifraudestrategie van 2013 volledig in de praktijk te brengen, in het bijzonder bij de tenuitvoerlegging van de EU-steun in al zijn vormen, waaronder het EOF en trustfondsen, en bij de uitbesteding van ontwikkelingsprojecten aan derde partijen; merkt met bezorgdheid op dat de EU-aanpak op het vlak van corruptie in ACS-landen in weinig strategische begeleiding voorziet ter versterking van nationale stelsels om corruptie te voorkomen en te bestrijden; is van mening dat de Europese Dienst voor extern optreden en het directoraat-generaal Internationale Samenwerking en Ontwikkeling hun aanpak om corruptie in ontwikkelingslanden doeltreffend te bestrijden beter op elkaar moeten afstemmen;

80.  herhaalt het belang van samenhang tussen het interne en het externe beleid van de EU en wijst erop dat de bestrijding van georganiseerde misdaad moet worden opgenomen in ontwikkelings- en veiligheidsstrategieën om de stabiliteit in ontwikkelingslanden te herstellen;

81.  benadrukt dat de eerbiediging van het recht van mensen om over hun eigen economische, voedings- en landbouwstelsels te besluiten, de oplossing is in de strijd tegen criminele activiteiten die honger en armoede veroorzaken; spoort de internationale gemeenschap ertoe aan actief het hoofd te bieden aan financiële speculatie met betrekking tot voedingsmiddelen, zoals de aankoop van uitgestrekte landbouwgebieden tegen lage prijzen en landroof door grote multinationale agro‑ondernemingen, gezien de nadelige gevolgen voor kleine producenten;

82.  roept ontwikkelingslanden ertoe op om in het kader van hun corruptiebestrijdingsprogramma's de transparantie en verantwoordingsplicht te versterken in hulpmiddelencontracten, de financiële verslaglegging en controle van jaarrekeningen van bedrijven, en de inning en toewijzing van inkomsten;

83.  roept de EU ertoe op landen die rijk zijn aan hulpbronnen meer steun te geven bij de tenuitvoerlegging van de beginselen van het initiatief inzake transparantie van winningsindustrieën (EITI) voor sterkere transparantie en verantwoordingsplicht in de olie-, gas- en mijnbouwsector; is groot voorstander van de invoering van een doeltreffend rechtskader ter ondersteuning van de juiste toepassing van de EITI-beginselen door de bedrijven die actief zijn in de toeleveringsketens van de olie-, gas‑ en mijnbouwsector;

84.  draagt zijn Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken op om gevolg te geven aan de aanbevelingen die zijn gedaan in zijn resoluties over corruptiebestrijding; verzoekt de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken de wetgevingsmaatregelen van de Commissie op dit gebied binnen twee jaar te toetsen, in het licht van de eerder genoemde aanbevelingen;

85.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0173.

(2)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0269.

(3)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0444.


ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (25.4.2016)

aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

inzake de bestrijding van corruptie en opvolging van de resolutie van de Bijzondere Commissie georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen (CRIM)

(2015/2110(INI))

Rapporteur voor advies: Ignazio Corrao

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de ten principale bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  stelt vast dat de georganiseerde misdaad een grensoverschrijdende dimensie heeft en een breed scala aan criminele activiteiten omvat, waaronder drugssmokkel, smokkel van migranten, witwassen, handel in nagemaakte goederen, vuurwapens, wilde dieren en planten en cultureel erfgoed; betreurt dat corruptie en witwassen overeenkomen met 5 % van het jaarlijks mondiaal bbp en dat in ontwikkelingslanden de middelen die door illegale geldstromen – met inbegrip van corruptie – verloren gaan, naar schatting tien keer het bedrag aan de aan deze landen verleende officiële ontwikkelingshulp (ODA) vertegenwoordigen; verzoekt de EU ontwikkelingslanden of arme landen te helpen prioriteit te geven aan maatregelen tegen corruptie en georganiseerde misdaad en sterke lokale en nationale stelsels en instellingen in te voeren ter bestrijding van corruptie in hun ontwikkelingsagenda's, bijvoorbeeld door de invoering van onafhankelijke en adequate regelgevings- en rechtshandhavingsstelsels en belastingautoriteiten, maar eveneens door de ondersteuning van ngo's, onafhankelijke media en parlementen; benadrukt de behoefte aan een breed kader waaraan internationale en regionale organisaties, overheidsactoren, de particuliere sector en het maatschappelijk middenveld actief moeten deelnemen op basis van transparantie en wederzijdse verantwoording;

2.  herinnert eraan dat in de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling wordt erkend dat corruptie in al haar vormen moet worden bestreden en landen worden opgeroepen om illegale geldstromen, omkoping en corruptie uit te bannen en te werken aan doeltreffende en transparante instellingen met verantwoordingsplicht; herhaalt dat illegale geldstromen, die worden geschat op 1 biljoen USD per jaar, belangrijke belemmeringen vormen voor de inzet van binnenlandse inkomsten voor ontwikkeling, en middelen doen wegvloeien die in ontwikkelingslanden zouden moeten worden geïnvesteerd; brengt in herinnering dat corruptie zowel directe als indirecte negatieve gevolgen heeft voor de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, doordat hierdoor de projectkosten stijgen voor zowel de particuliere als de publieke sector; merkt echter op dat de kosten van corruptie niet alleen in economische termen kunnen worden berekend en dat deze kosten heel hoog zijn, in het bijzonder in ontwikkelingslanden, hetgeen het vertrouwen van burgers in de openbare autoriteiten en democratische instellingen zoals de rechterlijke macht en de politie ondermijnt, de ongelijkheden die de armste en kwetsbaarste bevolkingsgroepen disproportioneel raken doet toenemen, geweld en onveiligheid verergert en de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp vermindert;

3.  vraagt de EU dringend om politiek wilskrachtig en vastberaden op te treden tegen belastingvermijding en -ontduiking, in overeenstemming met het beginsel van beleidssamenhang in de ontwikkelingssamenwerking zoals vastgelegd in artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; herinnert aan de verantwoordelijkheid van de EU om belastingregels die belastingontduiking door transnationale ondernemingen en individuele personen vergemakkelijken, te bestrijden, en om derde landen te helpen illegale middelen te repatriëren en daders te vervolgen; benadrukt dat transparantie de hoeksteen moet vormen van elke corruptiebestrijdingsstrategie en dat de EU in alle relevante internationale fora prioriteit moet geven aan de bevordering van de strijd tegen belastingparadijzen, het bankgeheim en witwassen, de opheffing van excessief beroepsgeheim, de verwezenlijking van openbare verslaglegging per land door multinationals en openbare registers van de begunstigde eigenaren van ondernemingen; verzoekt de EU eveneens een actievere rol te spelen bij de verstrekking van financiële en technische bijstand aan ontwikkelingslanden voor de verwezenlijking van deze doelstellingen, waaronder automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied en de aansluiting bij opkomende mondiale normen; spoort de EU aan economische of handelsovereenkomsten met landen die door ten minste een van de EU-lidstaten als belastingparadijs worden beschouwd, ongedaan te maken; benadrukt de noodzaak van een onderzoek naar de gevolgen van de belastingstelsels van de EU-lidstaten voor ontwikkelingslanden om illegale geldstromen doeltreffend te kunnen bestrijden; onderstreept dat overeenkomsten tot het vermijden van dubbele belasting illegale geldstromen in de hand kunnen werken; vraagt de EU dringend om toe te zien op een eerlijke verdeling van de heffingsbevoegdheid bij het onderhandelen over belasting‑ en investeringsverdragen met ontwikkelingslanden; verzoekt de EU hiertoe met ontwikkelingslanden te onderhandelen over belastingovereenkomsten op basis van de modelovereenkomst van het deskundigencomité van de Verenigde Naties inzake internationale samenwerking op belastinggebied, waarin de rechten in verband met bronbelasting worden uitgebreid;

4.  verzoekt de EU de consolidatie van de overheid en de invoering van adequate rechtskaders ter bestrijding van corruptie in alle landen verder te ondersteunen, in het bijzonder in landen die een conflict hebben doorgemaakt of zich in een overgangssituatie bevinden en zwakke overheidsinstellingen hebben; benadrukt dat regionale en gespecialiseerde politiële en justitiële netwerken in ontwikkelingslanden moeten worden versterkt, waarbij passende normen inzake gegevensbescherming en privacy altijd worden gegarandeerd, en dat de optimale werkmethoden en knowhow van Europol, Eurojust en het Europees justitieel netwerk moeten worden gedeeld; onderstreept dat regelgeving en rechtshandhaving moeten worden verbeterd en de bescherming van klokkenluiders moet worden bevorderd zodat plegers van strafbare feiten daarvoor aansprakelijk kunnen worden gesteld, en dat een adequaat stelsel moet worden ingevoerd ter bescherming van klokkenluiders, zowel binnen als buiten de EU; benadrukt in het bijzonder dat een direct meldingsmechanisme nodig is voor burgers in landen die EU-steun ontvangen die onregelmatigheden in door de EU gefinancierde hulpprogramma's aankaarten;

5.  merkt met bezorgdheid op dat de meest relevante internationale overeenkomsten en initiatieven ter bestrijding van corruptie en illegale geldstromen in de tenuitvoerleggingsfase niet tot concrete resultaten leiden; herinnert eraan dat de ontwikkeling van een corruptiebestrijdingsstrategie in het kader van het buitenlands beleid van wezenlijk belang is om corruptie en financiële misdaad doeltreffend te kunnen bestrijden; verzoekt de EU zich in haar externe beleid als prioriteit in te zetten voor de correcte omzetting en tenuitvoerlegging van het VN-Verdrag tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, en van alle andere toepasselijke internationale instrumenten die gericht zijn op de bestrijding van corruptie en witwassen;

6.  verzoekt de Commissie er door middel van voortdurend toezicht voor te zorgen dat EU‑hulp niet direct of indirect aan corruptie bijdraagt; meent ook dat hulp beter moet worden afgestemd op de absorptiecapaciteit en de algemene ontwikkelingsbehoeften van het ontvangende land om te voorkomen dat hulpmiddelen op grote schaal worden verkwist en aan corruptie verloren gaan; roept de EU op om corruptie rechtstreeks te bestrijden door middel van programmering en landenstrategiedocumenten en begrotingssteun te verbinden aan duidelijke doelstellingen ter bestrijding van corruptie; benadrukt hiertoe de noodzaak om sterke mechanismen in te voeren om toezicht te houden op de tenuitvoerlegging ervan; verzoekt de Commissie een krachtige, holistische en brede strategie te ontwikkelen voor corruptierisicomanagement in ontwikkelingslanden om te voorkomen dat ontwikkelingshulp bijdraagt aan corruptie, en de antifraudestrategie van 2013 volledig in de praktijk te brengen, in het bijzonder bij de tenuitvoerlegging van de EU-steun in al zijn vormen, waaronder het EOF en trustfondsen, en bij de uitbesteding van ontwikkelingsprojecten aan derde partijen; merkt met bezorgdheid op dat de EU‑aanpak op het vlak van corruptie in ACS-landen in weinig strategische begeleiding voorziet ter versterking van nationale stelsels om corruptie te voorkomen en te bestrijden; is van mening dat de Europese Dienst voor extern optreden en het directoraat-generaal Internationale Samenwerking en Ontwikkeling hun aanpak om corruptie in ontwikkelingslanden doeltreffend te bestrijden beter op elkaar moeten afstemmen;

7.  drukt zijn bezorgdheid uit over de banden tussen bepaalde multinationale ondernemingen en georganiseerde misdaad in derde landen waarbij de mensenrechten van activisten, maatschappelijke leiders, vakbondsleiders en werknemers worden geschonden; roept de EU op de activiteiten van multinationale ondernemingen waarin Europees kapitaal omgaat, te onderzoeken, en de controle over en het toezicht op de activiteiten van deze ondernemingen te versterken; is van mening dat bedrijven verplicht over een managementsysteem tegen corruptie moeten beschikken, met inbegrip van adequate waarschuwingsmechanismen in de gehele toeleveringsketen, om in aanmerking te komen voor projecten die EU-middelen ontvangen;

8.  herhaalt het belang van samenhang tussen het interne en het externe beleid van de EU en wijst erop dat de bestrijding van georganiseerde misdaad moet worden opgenomen in ontwikkelings- en veiligheidsstrategieën om de stabiliteit in ontwikkelingslanden te herstellen;

9.  benadrukt dat de eerbiediging van het recht van mensen om over hun eigen economische, voedings- en landbouwstelsels te besluiten, de oplossing is in de strijd tegen criminele activiteiten die honger en armoede veroorzaken; spoort de internationale gemeenschap ertoe aan actief het hoofd te bieden aan financiële speculatie met betrekking tot voedingsmiddelen, zoals de aankoop van uitgestrekte landbouwgebieden tegen lage prijzen en landroof door grote multinationale agro-ondernemingen, gezien de nadelige gevolgen voor kleine producenten;

10.  benadrukt het belang van het beginsel van de universele rechtspraak in de strijd tegen georganiseerde misdaad; verwerpt de beperkingen hierop die de regeringen van bepaalde lidstaten hebben ingevoerd, waardoor de mogelijkheden van rechters om onderzoek in te stellen naar misdrijven die buiten het grondgebied van hun lidstaat zijn begaan, ernstig worden beknot; verzoekt de EU met klem ervoor te ijveren dat economische, financiële en milieumisdrijven onder de universele rechtsmacht komen te vallen;

11.  stelt vast dat een evaluatie van nieuw beleid inzake softdrugs een prioriteit vormt en is van mening dat strategieën van decriminalisering of legalisering moeten worden beschouwd als middel om criminele organisaties doeltreffend te bestrijden; verzoekt dat de EU deze kwestie in zowel haar interne als externe beleid opneemt door alle relevante internationale en EU-organisaties en de instellingen van alle betrokken landen bij het politieke debat te betrekken;

12.  merkt op dat de winningsindustrie, nutsbedrijven, de ontwikkeling van infrastructuur, de gezondheidssector en de onderwijssector bijzonder corruptiegevoelig zijn; herinnert er in het bijzonder aan dat niet-transparante overheidsaanbestedingen en toeleveringsketens mogelijkheden kunnen bieden voor corruptiegerelateerde illegale geldstromen; is dan ook van mening dat corruptiebestrijdingsmaatregelen eveneens moeten worden ingezet voor de modernisering van aanbestedingspraktijken;

13.  roept ontwikkelingslanden ertoe op om in het kader van hun corruptiebestrijdingsprogramma's de transparantie en verantwoordingsplicht te versterken in hulpmiddelencontracten, de financiële verslaglegging en controle van jaarrekeningen van bedrijven, en de inning en toewijzing van inkomsten;

14.  roept de EU ertoe op landen die rijk zijn aan hulpbronnen meer steun te geven bij de tenuitvoerlegging van de beginselen van het initiatief inzake transparantie van winningsindustrieën (EITI) voor sterkere transparantie en verantwoordingsplicht in de olie-, gas- en mijnbouwsector; is groot voorstander van de invoering van een doeltreffend rechtskader ter ondersteuning van de juiste toepassing van de EITI-beginselen door de bedrijven die actief zijn in de toeleveringsketens van de olie-, gas- en mijnbouwsector.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

20.4.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

25

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Beatriz Becerra Basterrechea, Ignazio Corrao, Nirj Deva, Doru-Claudian Frunzulică, Charles Goerens, Heidi Hautala, Maria Heubuch, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Linda McAvan, Maurice Ponga, Cristian Dan Preda, Lola Sánchez Caldentey, Elly Schlein, Pedro Silva Pereira, Davor Ivo Stier, Paavo Väyrynen, Bogdan Brunon Wenta, Anna Záborská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Marina Albiol Guzmán, Brian Hayes, Paul Rübig, Patrizia Toia

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Amjad Bashir, Tiziana Beghin, Miroslav Poche


ADVIES van de Commissie begrotingscontrole (22.4.2016)

aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

inzake de bestrijding van corruptie en opvolging van de resolutie van de Bijzondere Commissie georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen (CRIM)

(2015/2110(INI))

Rapporteur voor advies: Julia Pitera

SUGGESTIES

De Commissie begrotingscontrole verzoekt de ten principale bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

–  gezien de aanbeveling in zijn resolutie van 23 oktober 2013 over georganiseerde misdaad, corruptie en het witwassen van geld: aanbevelingen inzake de benodigde acties en initiatieven,

  gezien de informatie in het "Corruptiebestrijdingsverslag van de EU" van de Commissie van 3 februari 2014 (COM(2014)0038),

–  gezien het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (COM(2012)0363),

A.  overwegende dat de omvang van georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen in de Europese Unie en de rest van de wereld toeneemt en schadelijke gevolgen heeft voor de veiligheid van de Europese burgers en de belangen van Europese ondernemingen, hetgeen kan leiden tot het ondergraven van het vertrouwen van het publiek in de democratie en de EU-instellingen;

B.  overwegende dat georganiseerde misdaad, corruptie en het witwassen van geld ernstige bedreigingen vormen voor de economie van de EU, doordat deze fenomenen de belastingontvangsten van de lidstaten en de EU in haar geheel aanzienlijk doen dalen, en voor de controleerbaarheid van openbare door de EU gefinancierde projecten, omdat criminele organisaties activiteiten ontplooien in diverse sectoren, waarvan er vele onder de controle van de overheid staan;

C.  overwegende dat de bescherming van de financiële belangen van de EU moet waarborgen dat de ontvangsten en uitgaven van de begroting bijdragen aan het verwezenlijken van de prioriteiten en doelstellingen van de EU en aan het vergroten van het vertrouwen van de burgers door ze te waarborgen dat hun geld wordt besteed op een wijze die volledig overeenstemt met de doelstellingen en het beleid van de EU;

D.  overwegende dat in 2014 melding werd gemaakt van 1 649 frauduleuze onregelmatigheden met gevolgen voor de Europese begroting voor een bedrag van 538,2 miljoen EUR, zowel qua uitgaven als qua ontvangsten, maar dat er geen officiële gegevens bestaan over het percentage van deze fraude dat aan de georganiseerde misdaad kan worden toegeschreven;

E.  overwegende dat de Commissie met het oog op de verbetering van de bestaande maatregelen ter bestrijding van fraude, corruptie, witwaspraktijken en andere illegale activiteiten die de financiële belangen van de Unie schaden, zoals de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PIF-overeenkomst), twee voorstellen heeft ingediend voor strafrechtelijke instrumenten, te weten de PIF-richtlijn en de verordening tot instelling van het Europees Openbaar Ministerie, die erop gericht zijn te zorgen voor doeltreffender onderzoek en een betere bescherming van de belastinggelden in de EU-ruimte van vrijheid, veiligheid en recht;

F.  overwegende dat de bestrijding van fraude, corruptie en witwaspraktijken en de invordering van inkomsten die afkomstig zijn van criminele activiteiten binnen het beleid van de EU-instellingen prioriteiten moeten zijn, en dat daarom politiële en justitiële samenwerking tussen de lidstaten cruciaal is;

G.  overwegende dat het vermogen van criminele organisaties om hun activiteiten aan te passen aan verschillende territoriale en sociale situaties hen in staat stelt hun activiteiten te diversifiëren en aanzienlijke winsten te behalen uit drugssmokkel, mensenhandel, handel in afvalstoffen en illegale immigratie en op legale markten te infiltreren, waarbij zij opereren in een grijs gebied met medewerking van corrupte medewerkers van bedrijven en ambtenaren;

H.  overwegende dat de diversiteit van de rechts- en administratieve stelsels van de lidstaten voor uitdagingen zorgt als het gaat om de bestrijding van georganiseerde misdaad en het witwassen van geld;

1.  stelt vast dat het fenomeen georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen van geld meestal een grensoverschrijdende dimensie heeft, wat, teneinde dit fenomeen uit te roeien, nauwe samenwerking van bevoegde nationale autoriteiten onderling en met de Europese instellingen en het gebruik van nationale databanken vereist, ondersteund door EU-instrumenten en een Europees actieplan;

2.  dringt aan op de vaststelling op Europees niveau van een gemeenschappelijke definitie van het begrip georganiseerde misdaad, omdat dat een belangrijke stap is om de bestrijding van dit fenomeen kracht bij te zetten;

3.  benadrukt dat het Europees actieplan om de georganiseerde misdaad, corruptie en het witwassen van geld uit te roeien, over voldoende financiële middelen moet beschikken om doeltreffend te zijn, zonder dat de naleving van de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit wordt ondergraven;

4.  onderkent dat de Commissie een ruim scala aan maatregelen heeft voorgesteld om deze misdrijven tegen te gaan en dat sommige daarvan al ten uitvoer gelegd zijn (met name automatische informatie-uitwisseling en een antiwitwasrichtlijn); spoort de lidstaten aan ten volle gebruik te maken van de reeds vastgestelde maatregelen en acht het ook van groot belang dat gemeenschappelijke onderzoekstechnieken worden bevorderd om georganiseerde criminaliteit in kaart te brengen en dat hiervoor specifieke nationale structuren in het leven worden geroepen en er tevens, in samenwerking met Europol, een operationeel netwerk wordt ontwikkeld voor informatie-uitwisseling;

5.  maakt zich zorgen over de toenemende professionalisering van mensensmokkel en over het feit dat dankzij de aanhoudende vluchtelingenstromen naar Europa de winsten van netwerken die actief zijn op het gebied van mensenhandel en mensensmokkel voortdurend stijgen; verzoekt de Commissie en de lidstaten de internationale samenwerking ter bestrijding van mensenhandel te intensiveren, om mensenhandel uit te bannen en de invloed van mensensmokkelnetwerken te minimaliseren;

6.  wijst erop dat Griekenland in 2015 ongeveer 655 miljoen EUR heeft ontvangen uit nationale programma's en de instrumenten voor noodhulp in verband met de vluchtelingencrisis; dringt er bij de Commissie op aan te waarborgen dat deze middelen op passende wijze worden besteed en het Parlement over haar bevindingen te informeren;

7.  wijst erop dat, ingevolge artikel 325 VWEU, de lidstaten en de Europese Commissie de juridische verplichting hebben om fraude te bestrijden en is verheugd over de fraudebestrijdingsbepalingen die in de wetgevingsvoorstellen met een financiële impact worden opgenomen;

8.  uit zijn bezorgdheid over de toename van btw-fraude, in het bijzonder de zogenaamde carrouselfraude; verzoekt alle lidstaten om deel te nemen aan Eurofisc, en wel op alle werkterreinen daarvan, teneinde de uitwisseling van informatie die nuttig is voor bestrijding van dit soort fraude te vergemakkelijken;

9.  is verheugd over de mededeling van de Commissie van 24 februari 2016, waarin ze een actieplan ter hervorming van het btw-stelsel voorstelt; vraagt de Commissie bepalingen ter bestrijding van grensoverschrijdende btw-fraude erin op te nemen; herinnert eraan dat de EU volgens schattingen van de Commissie ongeveer 50 miljard EUR per jaar misloopt ten gevolge van dergelijke fraude;

10.  beklemtoont in dit verband de noodzaak van een akkoord tussen het Parlement en de Raad over de richtlijn betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PIF-richtlijn); constateert dat de totstandkoming van een dergelijk akkoord uitsluitend wordt belemmerd door het feit dat de Raad zich verzet tegen vooruitgang met betrekking tot de opname van btw in het toepassingsgebied van de richtlijn; dringt er bij de Raad op aan om zijn standpunt te heroverwegen in het licht van de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak Taricco (C-105/14), waarin het standpunt van het Parlement ten aanzien van het recht duidelijk wordt bekrachtigd;

11.  neemt kennis van de doorlopende besprekingen in de Raad over de ontwerpverordening tot oprichting van een Europees Openbaar Ministerie (EPPO), die een wezenlijk onderdeel vormt van het actieplan; wijst erop dat het Europees Openbaar Ministerie, met het oog op het op doeltreffende wijze opsporen, vervolgen en voor het gerecht brengen van plegers van misdrijven in de zin van de PIF-richtlijn, ruime bevoegdheden moet hebben voor het vervolgen van misdaden die de financiële belangen van de EU schaden, ongeacht de uiteindelijke structuur van het Openbaar Ministerie; vraagt de lidstaten de noodzakelijke personele en financiële middelen ter beschikking te stellen voor de oprichting van het Europees Openbaar Ministerie;

12.  wijst erop dat er ieder jaar in de EU een bedrag van 1 biljoen EUR verloren gaat door belastingontduiking en -ontwijking; benadrukt dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan belastingparadijzen en landen met niet-transparante of schadelijke belastingpraktijken, die een groot probleem vormen met nadelige gevolgen voor alle Europese burgers;

13.  is ingenomen met het internationale akkoord binnen de G20 over de toepassing van een nieuwe wereldwijde norm voor grotere transparantie op belastinggebied, die in overeenstemming is met de strenge norm die reeds door de EU wordt toegepast; verzoekt om een spoedige tenuitvoerlegging daarvan en effectief toezicht op belastingfraude en belastingontwijking op internationaal niveau; uit zijn tevredenheid over het feit dat op EU-niveau de Europese Commissie in februari 2016 een overeenkomst heeft ondertekend over de uitwisseling van fiscale informatie met landen zoals Andorra en Monaco en dat in 2015 de Commissie reeds overeenkomsten heeft gesloten met Zwitserland, Liechtenstein en San Marino;

14.  herinnert eraan dat transparantie de meest doeltreffende manier is om misbruik en fraude te bestrijden; vraagt de Commissie de wetgeving op dit vlak te verbeteren door de publicatie van de gegevens van alle begunstigden van Europese fondsen, met inbegrip van de gegevens van onderaannemers, verplicht te maken;

15.  is van mening dat het toepassen van een gemeenschappelijke methode om de activa van misdaadorganisaties in de EU in beslag te nemen, een afschrikwekkende maatregel is voor criminelen; verzoekt de bevoegde autoriteiten van de lidstaten om op dit gebied optimale praktijken uit te wisselen via de bestaande platformen, zoals onder meer het Raadgevend Comité coördinatie fraudebestrijding (COCOLAF) en andere; verzoekt de lidstaten om de richtlijn betreffende de confiscatie van vermogen afkomstig van misdrijven met spoed om te zetten en het hergebruik van geconfisqueerd vermogen voor maatschappelijke doeleinden te bevorderen, in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel, en een Europees programma te steunen gericht op de uitwisseling van goede praktijken op het gebied van het beheer van geconfisqueerde vermogensbestanddelen en de bevordering van het hergebruik daarvan voor maatschappelijke doeleinden;

16.  verzoekt de lidstaten te werken aan administratieve, politiële en justitiële samenwerking om vermogensbestanddelen afkomstig van criminele activiteiten in de hele Unie op te sporen met het oog op de inbeslagname en confiscatie daarvan, waarbij de positie van de bureaus voor de ontneming van vermogensbestanddelen versterkt moet worden door deze passende middelen toe te kennen;

17.  wijst op het feit dat misdaadorganisaties met andere entiteiten samenwerken en bepaalde activiteiten naar hun hand kunnen zetten in collusie met "witteboorden"-criminelen (personen verbonden aan ondernemingen en banken, onder wie ambtenaren op alle besluitvormingsniveaus) die geen lid zijn van misdaadorganisaties, maar de belangen ten gunste van beide partijen vertegenwoordigen;

18.  vraagt de lidstaten op nationaal niveau gespecialiseerde structuren op te richten om criminele organisaties op te sporen en openbare aanbestedende entiteiten die bij corruptiepraktijken en het witwassen van geld betrokken zijn uit te sluiten;

19.  wijst erop dat de georganiseerde misdaad gebruik maakt van bouwondernemingen die gespecialiseerd zijn in grondverzet, om geld wit te wassen en giftige, milieuvervuilende stoffen illegaal te lozen; vraagt de Commissie om deze praktijken te voorkomen door anti‑misdaadcontroles uit te voeren met betrekking tot ondernemingen en onderaannemers die begunstigden zijn van uit de begroting van de Unie gefinancierde overheidsopdrachten voor grote infrastructuurwerken;

20.  uit zijn bezorgdheid over de gangbare praktijk van criminele ondernemingen die bij het witwassen van geld betrokken zijn, om voor openbare aanbestedingen voor grote werken offertes tegen afbraakprijzen in te dienen; vraagt de Commissie een economische beoordeling op te nemen van de voorstellen voor de ondernemingen die begunstigde zijn van overheidsopdrachten en voor onderaannemers;

21.  spoort de lidstaten aan om de vierde AML-richtlijn (vierde antiwitwasrichtlijn) met spoed te ratificeren, om te zorgen voor een gelijk speelveld tussen de verschillende juridische constructies, waaronder rechtspersonen zoals stichtingen en met trusts vergelijkbare juridische regelingen;

22.  herinnert aan de essentiële rol van banken met betrekking tot het witwassen van geld en vraagt de Commissie in dit verband een voorstel te doen voor de absolute transparantie van bancaire stromen van natuurlijke personen en van rechtspersonen en trusts;

23.  vraagt dat de banklicentie wordt ingetrokken van instellingen die in bewezen zaken betrokken zijn bij het witwassen van grote hoeveelheden geld;

24.  is bezorgd over het feit dat in 2014 71,15 % van de uitgaven voor bezoekersgroepen in contanten werd uitbetaald: wijst op de studie van de Rekenkamer waarin gewezen werd op de hoge risico's die verbonden zijn aan contante uitbetaling van de vergoedingen aan bezoekersgroepen; dringt erop aan dat het contant betalen van vergoedingen aan bezoekersgroepen volledig wordt afgeschaft;

25.  verzoekt de EU om het lidmaatschap aan te vragen van de Groep van staten tegen corruptie (GRECO) van de Raad van Europa en om te voldoen aan haar rapportageverplichtingen uit hoofde van het VN-Verdrag tegen corruptie, waarbij de EU partij is; verzoekt de Commissie om zo snel mogelijk haar tweede verslag over corruptie in de EU voor te leggen en daarin ook informatie op te nemen over de EU-instellingen zelf, die in het eerste rapport ontbrak, of, als het tweede verslag de komende maanden nog niet zal worden gepubliceerd, als addendum bij het eerste verslag een afzonderlijk verslag in te dienen over de EU-instellingen;

26.  uit zijn tevredenheid over het feit dat het Parlement, de Raad en de Commissie in december 2014 na vier jaar discussiëren een akkoord hebben bereikt over de hervorming op het gebied van gegevensbescherming in de EU, waarbij onder meer de bescherming van de gegevens van natuurlijke personen en de samenwerking tussen wetshandhavingsinstanties in de EU-lidstaten worden versterkt;

27.  wijst erop dat de EU-instellingen met ingang van januari 2014 de verplichting hebben interne regels voor klokkenluiders in te voeren die hen tegen vergeldingsacties beschermen, teneinde ervoor te zorgen dat ernstig wangedrag of onrecht binnen het EU‑bestuur aan het licht wordt gebracht; betreurt het dat sommige instellingen deze regels nog niet hebben geïmplementeerd; spoort niettemin de EU-lidstaten aan een Europees beschermingsprogramma in te stellen voor klokkenluiders en getuigen;

28.  wijst erop dat programma's als Hercules, Fiscalis, Pericles en het door de Europese Commissie in februari 2013 ingediende voorstel voor een richtlijn ter bescherming van de financiële belangen van de EU en van de euro tegen valsemunterij ontworpen zijn om illegale, internationale en grensoverschrijdende criminele activiteiten te bestrijden en dringt aan op rationalisering daarvan en op betere onderlinge coördinatie;

29.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat de lidstaten minder middelen ter beschikking stellen voor de bestrijding van de illegale tabakshandel; vraagt de Commissie bij de ondertekening van nieuwe overeenkomsten met de tabaksindustrie te bepalen dat het aandeel van de inkomsten van deze overeenkomsten voor de lidstaten in hun begroting wordt vastgelegd voor maatregelen ter bestrijding van de smokkel van illegale tabaksproducten;

30.  is ingenomen met het 18-maandenprogramma van de Raad van de Europese Unie voor het Nederlandse, Slowaakse en Maltese voorzitterschap, waarin een alomvattende en geïntegreerde benadering van georganiseerde misdaad hoog op de agenda staat alsook de bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt, onder meer met de werkzaamheden inzake de aanstelling van het Europees Openbaar Ministerie, regelgeving op het vlak van gegevensbescherming en de bevordering en bescherming van de rechtsstaat en de grondrechten.

31.  benadrukt dat het belangrijk is dat politici meer verantwoording afleggen; pleit voor dwingende regels die vaststellen dat personen die zijn veroordeeld voor of hebben deelgenomen aan georganiseerde misdaad, witwaspraktijken, corruptie of andere ernstige strafbare feiten niet verkozen kunnen worden als lid van het Europees Parlement en niet benoemd kunnen worden in een functie binnen andere EU-instellingen of -organen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

20.4.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

24

1

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Nedzhmi Ali, Inés Ayala Sender, Zigmantas Balčytis, Dennis de Jong, Martina Dlabajová, Luke Ming Flanagan, Ingeborg Gräßle, Bogusław Liberadzki, Verónica Lope Fontagné, Dan Nica, Georgi Pirinski, Petri Sarvamaa, Claudia Schmidt, Bart Staes, Michael Theurer, Marco Valli, Derek Vaughan, Anders Primdahl Vistisen, Tomáš Zdechovský

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Richard Ashworth, Caterina Chinnici, Cătălin Sorin Ivan, Benedek Jávor, Karin Kadenbach, Marian-Jean Marinescu, Markus Pieper, Julia Pitera, Miroslav Poche, Patricija Šulin

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Georg Mayer


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

3.10.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

48

3

5

Bij de eindstemming aanwezige leden

Martina Anderson, Michał Boni, Caterina Chinnici, Frank Engel, Cornelia Ernst, Tanja Fajon, Laura Ferrara, Kinga Gál, Nathalie Griesbeck, Jussi Halla-aho, Filiz Hyusmenova, Sophia in ‘t Veld, Eva Joly, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Barbara Kudrycka, Cécile Kashetu Kyenge, Marju Lauristin, Juan Fernando López Aguilar, Monica Macovei, Claude Moraes, Alessandra Mussolini, Péter Niedermüller, Judith Sargentini, Birgit Sippel, Branislav Škripek, Csaba Sógor, Helga Stevens, Traian Ungureanu, Bodil Valero, Harald Vilimsky, Beatrix von Storch, Josef Weidenholzer, Cecilia Wikström, Kristina Winberg, Tomáš Zdechovský

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Laura Agea, Hugues Bayet, Fabio Massimo Castaldo, Anna Maria Corazza Bildt, Dennis de Jong, Marek Jurek, Jean Lambert, Jeroen Lenaers, Andrejs Mamikins, Angelika Mlinar, Christine Revault D’Allonnes Bonnefoy, Barbara Spinelli, Kazimierz Michał Ujazdowski, Axel Voss

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Georges Bach, Arne Lietz, Norbert Lins, Georg Mayer, Georgi Pirinski, Viviane Reding, Mylène Troszczynski


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

48

+

ALDE

Nathalie Griesbeck, Filiz Hyusmenova, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar, Cecilia Wikström

ECR

Monica Macovei

EFDD

Laura Agea, Fabio Massimo Castaldo, Laura Ferrara

ENF

Georg Mayer, Harald Vilimsky

GUE/NGL

Martina Anderson, Cornelia Ernst, Barbara Spinelli, Dennis de Jong

PPE

Georges Bach, Michał Boni, Anna Maria Corazza Bildt, Frank Engel, Kinga Gál, Barbara Kudrycka, Jeroen Lenaers, Norbert Lins, Alessandra Mussolini, Viviane Reding, Csaba Sógor, Traian Ungureanu, Axel Voss, Tomáš Zdechovský

S&D

Hugues Bayet, Caterina Chinnici, Tanja Fajon, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Cécile Kashetu Kyenge, Marju Lauristin, Arne Lietz, Juan Fernando López Aguilar, Andrejs Mamikins, Claude Moraes, Péter Niedermüller, Georgi Pirinski, Christine Revault D'Allonnes Bonnefoy, Birgit Sippel, Josef Weidenholzer

Verts/ALE

Eva Joly, Jean Lambert, Judith Sargentini, Bodil Valero

3

-

EFDD

Beatrix von Storch, Kristina Winberg

ENF

Mylène Troszczynski

5

0

ECR

Jussi Halla-aho, Marek Jurek, Branislav Škripek, Helga Stevens, Kazimierz Michał Ujazdowski

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Juridische mededeling