Procedure : 2016/2047(BUD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0287/2016

Ingediende teksten :

A8-0287/2016

Debatten :

PV 25/10/2016 - 13
CRE 25/10/2016 - 13

Stemmingen :

PV 26/10/2016 - 6.2
CRE 26/10/2016 - 6.2
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0411

VERSLAG     
PDF 829kWORD 158k
13.10.2016
PE 589.175v03-00 A8-0287/2016(Deel 1)

over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017

(11900/2016 – C8-0373/2016 – 2016/2047(BUD))

Deel 1: Ontwerpresolutie

Begrotingscommissie

Rapporteurs:   Jens Geier (afdeling III – Commissie)

  Indrek Tarand (overige afdelingen)

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken
 ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking
 ADVIES van de Commissie internationale handel
 ADVIES van de Commissie begrotingscontrole
 ADVIES van de Commissie economische en monetaire zaken
 ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
 ADVIES van de Commissie interne markt en consumentenbescherming
 ADVIES van de Commissie vervoer en toerisme
 ADVIES van de Commissie regionale ontwikkeling
 ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling
 ADVIES van de Commissie visserij
 ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs
 ADVIES van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
 ADVIES van de Commissie constitutionele zaken
 ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017 (11900/2016 – C8-0373/2016 – 2016/2047(BUD))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen(1),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(3) (de "MFK-verordening"),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4),(IIA),

-  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de tussentijdse evaluatie/herziening van het meerjarig financieel kader 2014-2020 (COM(2016)0603),

–  gezien zijn resolutie van 9 maart 2016 over de algemene richtsnoeren voor de voorbereiding van de begroting 2017, afdeling III - Commissie(5),

–  gezien zijn resolutie van 14 april 2016 over de raming van de inkomsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2017(6),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over de "Voorbereiding van de postelectorale herziening van het MFK 2014-2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel"(7);

–  gezien het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, goedgekeurd door de Commissie op 18 juli 2016 (COM(2016)0300),

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, vastgesteld door de Raad op 12 september 2016 en toegezonden aan het Europees Parlement op 14 september 2016 (11900/2016 – C8-0373/2016),

–  gezien artikel 88 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0287/2016),

A.  overwegende dat in een situatie waarin de middelen beperkt zijn het des te meer geboden is om begrotingsdiscipline te betrachten en efficiënt en doeltreffend met de gelden om te gaan;

B.  overwegende dat de dialoog tussen het Parlement en de Commissie als bedoeld in artikel 318 VWEU een prestatiegerichte cultuur binnen de Commissie, waartoe ook grotere transparantie en meer verantwoordingsplicht behoren, dient te bevorderen;

Afdeling III

Algemeen overzicht

1.  benadrukt dat de begroting 2017 moet worden beschouwd in de bredere context van de tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader (MFK); benadrukt dat een evenwicht gevonden moet worden tussen prioriteiten op lange termijn en nieuwe uitdagingen, en onderstreept daarom dat de begroting 2017 in overeenstemming moet zijn met de doelstellingen van EU-2020, die de hoofdvisie en overkoepelende prioriteit voor de begroting belichamen;

2.  herhaalt er vast van overtuigd te zijn dat, met name in de huidige context, initiatieven als de schorsing van de ESI-fondsen door de Europese Commissie, als voorzien in artikel 23, lid 15, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 (Verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen - VGB)(8), niet alleen oneerlijk en buitenproportioneel zijn, maar ook politiek onhoudbaar;

3.  benadrukt dat het Parlement in zijn lezing van de begroting 2017 ten volle aandacht besteedt aan de politieke prioriteiten die met overweldigende meerderheid zijn aangenomen in bovengenoemde resolutie van 9 maart 2016 over de algemene richtsnoeren en in zijn resolutie van 6 juli 2016 over de "Voorbereiding van de postelectorale herziening van het MFK 2014-2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel";

4.  benadrukt dat vrede en stabiliteit kernwaarden zijn die door de Unie gehandhaafd moeten worden; is van mening dat het Goede-Vrijdagakkoord, dat van cruciaal belang is voor de vrede en de verzoening in Noord-Ierland, gehandhaafd moet blijven; benadrukt dat specifieke maatregelen genomen moeten worden om steun te waarborgen voor de regio's die het zwaarst getroffen worden in geval van een onderhandelde uittreding uit de Unie, nadat het Verenigd Koninkrijk artikel 50 van het Verdrag van Lissabon heeft ingeroepen, overeenkomstig de wens van zijn bevolking;

5.  benadrukt dat de Unie zich momenteel voor een aantal ernstige noodsituaties en nieuwe uitdagingen geplaatst ziet, die niet voorzien konden worden ten tijde van de voorbereidingen voor het MFK 2014-2020; is ervan overtuigd dat bijkomende financiële middelen van de begroting van de Unie ingezet moeten worden om de politieke uitdagingen aan te gaan en de Unie in staat te stellen oplossingen te bieden en op zo kort mogelijke termijn en op doeltreffende wijze te reageren op deze crises, en dat hier de hoogste prioriteit aan toegekend moet worden; is van mening dat hiertoe de politieke vastberadenheid getoond moet worden om nieuwe kredieten vast te leggen in 2017 en tot aan het einde van de programmeringsperiode;

6.  benadrukt dat de begroting 2017 moet kunnen voldoen aan de behoeften op het gebied van de migratieproblematiek en de trage economische groei, na de economische crisis; wijst erop dat er ook meer financiering moet worden toegewezen aan onderzoeks- en infrastructuurprojecten, alsmede aan de bestrijding van de jeugdwerkloosheid;

7.  herinnert eraan dat het Parlement onmiddellijk zijn goedkeuring heeft gehecht aan de aanvullende financiering die nodig was voor het aanpakken van de huidige vluchtelingen- en migratieproblematiek, en daarbij de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling is blijven steunen, maar er altijd op is blijven aandringen dat deze crisis geen voorrang mag krijgen boven andere belangrijke beleidsterreinen van de Unie, met name wat betreft het scheppen van fatsoenlijk en hoogwaardig werk en de ontwikkeling van ondernemingen en ondernemerschap voor slimme, duurzame en inclusieve groei; wijst erop dat het plafond van rubriek 3 bij lange na niet toereikend is om te zorgen voor afdoende financiering voor de interne dimensie van de huidige migratie- en vluchtelingenproblematiek en benadrukt de noodzaak van het hanteren van een omvattende en op mensenrechten gebaseerde benadering, waarbij migratie wordt gekoppeld aan ontwikkeling en de integratie van arbeidsmigranten, asielzoekers en vluchtelingen, alsmede de uitvoering van prioritaire programma's, zoals culturele programma's, wordt gewaarborgd; benadrukt dat, teneinde de benodigde bijkomende financiering op dit terrein te waarborgen, de Commissie in de ontwerpbegroting 2017 (OB) een beroep deed op een ongekende hoeveelheid middelen van de speciale instrumenten van het MFK, alsmede op een aanzienlijke gebruikmaking als "uiterste redmiddel" van de marge voor onvoorziene uitgaven, hetgeen door de Raad is goedgekeurd;

8.  herhaalt zijn standpunt dat verzoeken om bijkomende financiering voor het aanpakken van de huidige migratie- en vluchtelingenproblematiek niet ten koste mogen gaan van de bestaande externe maatregelen van de Unie, met inbegrip van het ontwikkelingsbeleid; herhaalt dat het opzetten van de faciliteit voor vluchtelingen in Turkije (FRT), trustfondsen en andere ad-hocinstrumenten niet gefinancierd mag worden door bezuinigingen op andere bestaande instrumenten; is bezorgd over het feit dat de instelling van ad-hocinstrumenten buiten de EU-begroting een bedreiging kan vormen voor de eenheid van de begroting, en over het feit dat daarmee de begrotingsprocedure, die gekenmerkt wordt door betrokkenheid van en toezicht door het Parlement, wordt omzeild; betwijfelt ten zeerste dat het plafond van rubriek 4 (Europa als wereldspeler) toereikend is om een duurzaam en doeltreffend antwoord te bieden op de huidige externe uitdagingen, waaronder de huidige migratie- en vluchtelingenproblematiek;

9.  herhaalt zijn stellige mening dat de financiering van nieuwe initiatieven met middelen van de begroting van de Unie niet ten koste mag gaan van bestaande programma's en beleidsmaatregelen van de Unie, en roept op tot het vinden van duurzame vormen van financiering voor nieuwe initiatieven; is bezorgd dat de voorbereidende actie inzake defensieonderzoek, waarmee een bedrag van 80 miljoen EUR voor de komende drie jaar gemoeid zal zijn, in de huidige begroting van het MFK geperst zal worden; is ervan overtuigd dat, aangezien de begroting van de Unie nu reeds over te weinig middelen beschikt, de lidstaten voor aanvullende middelen moeten zorgen voor operaties, administratieve kosten, voorbereidende acties en proefprojecten op het gebied van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid; is van mening dat de lidstaten hiertoe gebruik moeten maken van de tussentijdse evaluatie/herziening van het MFK; benadrukt dat er duidelijkheid moet komen over de financiering op lange termijn van onderzoek op het gebied van gemeenschappelijke defensie;

10.  herinnert eraan dat de Unie het COP 21-akkoord heeft geratificeerd en een deel van haar financiële middelen moet reserveren voor de daaruit voortvloeiende internationale verplichtingen; wijst erop dat volgens de raming voor het begrotingsjaar 2017 aan dit doel 19,2 % van de begroting moet worden toegewezen; dringt er bij de Commissie met klem op aan dit doel na te streven en zelfs een doelstelling van 20 % vast te stellen, in aansluiting op de toezegging van de Commissie om klimaatmaatregelen in het huidige MFK te integreren;

11.  maakt alle door de Raad voorgestelde verlagingen van de OB ongedaan; begrijpt de redenen voor de voorgestelde verlagingen niet en bestrijdt het door de Raad uitgesproken voornemen om in sommige rubrieken kunstmatige marges te creëren, zoals in subrubriek 1a (Concurrentievermogen voor groei en banen) en rubriek 4 (Europa als wereldspeler), vooral gezien het feit dat dergelijke marges hoe dan ook te klein zouden zijn om te kunnen reageren op onvoorziene omstandigheden of crises;

12.  wijst erop dat de lezing van de Raad de afgelopen vijf jaar niet bleek overeen te komen met de feitelijke uitvoering van de begroting van de Unie en dat, gezien alle gewijzigde begrotingen, aanzienlijk meer middelen nodig waren op elk van de definitieve begrotingen; roept de Raad daarom op zijn positie in het bemiddelingscomité te wijzigen om ervoor te zorgen dat er meteen vanaf het begin afdoende financiering beschikbaar is voor de begroting 2017;

13.  kondigt aan dat het Parlement, met het oog op het afdoende financieren van deze dringende behoeften, en gezien de zeer krappe marges binnen het MFK in 2017, de verhogingen van de bedragen op de OB zal financieren door alle beschikbare marges volledig te gebruiken en meer gebruik te maken van de marge voor onvoorziene uitgaven;

14.  compenseert volledig alle verlagingen in verband met het Europees fonds voor strategische investeringen (EFSI) binnen de Connecting Europe Facility (CEF) en Horizon 2020 ter hoogte van 1 240 miljoen EUR aan vastleggingen voor 2017 door middel van nieuwe kredieten die bij de tussentijdse herziening van het MFK beschikbaar moeten komen; dringt aan op een doeltreffende reactie op de jeugdwerkloosheid in de Unie; verhoogt daarom de middelen voor het Werkgelegenheidsinitiatief voor jongeren met een aanvullend bedrag van 1 500 miljoen EUR aan vastleggingskredieten om de voortzetting ervan mogelijk te maken; is van mening dat in het kader van de tussentijdse herziening van het MFK gezorgd moet worden voor passende bijkomende financiering voor deze belangrijke programma's van de Unie;

15.  verwacht dat de Raad deze visie zal delen en dat tijdens het begrotingsoverleg vlot overeenstemming zal worden bereikt, om de Unie in staat te stellen te doen wat nodig is en doeltreffend te reageren op de uitdagingen die zich zullen aandienen;

16.  stelt het totale bedrag aan kredieten voor 2017 vast op 161,8 miljard EUR aan vastleggingskredieten en 136,8 miljard EUR aan betalingskredieten;

Subrubriek 1a – Concurrentievermogen voor groei en banen

17.  wijst erop dat subrubriek 1a opnieuw zwaar aangepakt wordt in de lezing van de Raad, aangezien 52 % van de door de Raad gewenste verlagingen van de vastleggingen binnen deze rubriek vallen; vraagt zich daarom af hoe de politieke prioriteit van de Raad voor banen en groei in deze lezing tot uiting komt;

18.  is het zeer oneens met deze bezuinigingen in een rubriek die de Europese meerwaarde symboliseert en zorgt voor meer groei en banen voor de burgers; besluit daarom alle verlagingen van de Raad ongedaan te maken;

19.  besluit om uitvoering te geven aan zijn in juni 2015 uitgesproken voornemen om de gevolgen van het opzetten van het EFSI voor Horizon 2020 en CEF in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure zo minimaal mogelijk te houden, door het oorspronkelijke EFSI-profiel van de lijnen voor Horizon 2020 en CEF die zijn verlaagd om middelen te leveren voor het EFSI-garantiefonds volledig te herstellen tot het eerdere niveau; benadrukt het belang van het grootste programma van de Unie voor onderzoek en innovatie, Horizon 2020, dat goede ideeën vertaalt in producten en diensten en daarmee zorgt voor groei en banen; vraagt om de benodigde aanvullende vastleggingskredieten van 1,24 miljard EUR boven de OB; verwacht dat in het kader van de tussentijdse herziening van het MFK een algemeen akkoord bereikt zal worden over dit spoedeisende onderwerp; wijst erop dat EFSI moet worden verbeterd met het oog op een zo hoog mogelijke efficiëntie en doeltreffendheid, door te waarborgen dat het additionaliteitsbeginsel wordt geëerbiedigd, door de geografische en sectorale onevenwichtigheden te verminderen en door de transparantie bij de besluitvorming te verbeteren;

20.  besluit om in overeenstemming met zijn vaste prioriteiten banen en groei, en na zorgvuldige beoordeling van de absorptiecapaciteit, een aantal selecte verhogingen boven het niveau van de OB voor stellen voor de programma's COSME, Progress, Marie Curie, de Europese Onderzoeksraad, EURES en Erasmus+; wijst erop dat deze verhogingen gefinancierd kunnen worden uit de beschikbare marge van deze subrubriek;

21.  verhoogt derhalve het niveau van de vastleggingskredieten voor rubriek 1a boven de OB met 69,367 miljoen EUR (uitgezonderd het EFSI, proefprojecten en voorbereidende acties);

Subrubriek 1b – Economische, sociale en territoriale samenhang

22.  benadrukt dat ongeveer een derde van de jaarlijkse begroting van de Unie gericht is op economische, sociale en territoriale samenhang; onderstreept dat het cohesiebeleid het voornaamste investeringsbeleid en een hulpmiddel van de Unie is om de ongelijkheden tussen de regio's van de EU terug te dringen, en dat het een belangrijke rol speelt bij de verwezenlijking van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei;

23.  is het niet eens met de verlagingen die de Raad voorstelt van 3 miljoen EUR aan vastleggingskredieten en, erger nog, 199 miljoen EUR aan betalingskredieten voor rubriek 1b, met inbegrip van ondersteunende lijnen; roept de Raad op uit te leggen hoe deze verlagingen in overeenstemming zijn met de doelstelling van het leveren van "de nodige kredieten om een vlotte uitvoering van de nieuwe programma's in het vierde jaar van het meerjarig financieel kader 2014-2020 mogelijk te maken"; herinnert eraan dat het niveau van de betalingen als voorgesteld door de Commissie voor deze rubriek reeds 23,5 % lager is dan op de begroting 2016; benadrukt dan ook dat bijkomende verlagingen van de betalingen niet kunnen worden gerechtvaardigd of aanvaard;

24.  roept op tot een evaluatie van de effecten van het Uniebeleid op basis van effectbeoordelingsverslagen om vast te stellen tot op welke hoogte het heeft bijgedragen aan onder andere het verminderen van economische verschillen, de ontwikkeling van concurrerende en gediversifieerde regionale economieën en het stimuleren van duurzame groei en banen;

25.  is verontrust over de aanzienlijke vertragingen bij de tenuitvoerleggingscyclus van het ESIF, wat waarschijnlijk uiterst nadelige gevolgen zal hebben voor de tijdige verwezenlijking van resultaten ter plaatse, maar ook dreigt te leiden tot het opnieuw ontstaan van een achterstand aan onbetaalde rekeningen in de tweede helft van het huidige MFK; dringt er bij de betreffende lidstaten op aan de resterende beheers-, betalings- en certificeringsinstanties onverwijld aan te wijzen en alle andere oorzaken van de vertragingen bij de tenuitvoerlegging van de programma's aan te pakken; wijst op de voorstellen van de Commissie voor verdere vereenvoudiging op dit terrein en is van mening dat de lidstaten zo snel mogelijk alles in het werk moeten stellen om te waarborgen dat de programma's op kruissnelheid kunnen komen; roept derhalve op tot meer synergieën en complementariteit tussen het beleid inzake overheidsinvesteringen van de begrotingen van de lidstaten en van de Unie, en de maatregelen gericht op het bevorderen van groei en duurzame werkgelegenheid, hetgeen de hoeksteen vormt van de Unie;

26.  neemt kennis van het Commissievoorstel tot vaststelling van het steunprogramma voor structurele hervormingen met een totaalbedrag van 142 800 000 EUR, en benadrukt dat deze financiering moet worden toegekend met het oog op de versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang;

27.  betreurt dat de Commissie in 2017 geen vastleggingskredieten voor het Werkgelegenheidsinitiatief voor jongeren (YEI) heeft voorgesteld als gevolg van de vervroegde financiering ervan in 2014-2015; herhaalt groot voorstander te zijn van voortzetting van het YEI; besluit als eerste stap en in overeenstemming met de verordening betreffende het Europees Sociaal Fonds(9), dat voorziet in de mogelijkheid van een dergelijke verlenging, om de kredieten voor het YEI te verhogen met 1 500 miljoen EUR aan vastleggingskredieten en 500 miljoen EUR aan betalingskredieten, om een passend antwoord te bieden op de jeugdwerkloosheid, daarbij aansluitend bij de resultaten van de evaluatie door de Commissie van de tenuitvoerlegging van het YEI; wijst erop dat, overeenkomstig de verzoeken van het Parlement, een algemeen akkoord over toereikende bijkomende financiering van het YEI voor de resterende duur van deze programmeringsperiode bereikt moet worden in het kader van de komende tussentijdse herziening van het MFK; dringt er bij de lidstaten op aan hun uiterste best te doen om vaart te zetten achter de uitvoering ter plaatse van het initiatief zodat jonge Europeanen hier meteen voordeel bij hebben;

28.  besluit de verlagingen door de Raad van de vastleggingen en de betalingen van begrotingslijnen op de OB ongedaan te maken; verhoogt in subrubriek 1b de vastleggingskredieten met 1 500 miljoen EUR en de betalingskredieten met 500 miljoen EUR boven de OB voor het YEI, en met 4 miljoen EUR aan vastleggingen en 2 miljoen EUR aan betalingen voor het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen, waarmee het huidige maximum voor de vastleggingen wordt overschreden met 1 486 798 635 EUR;

29.  benadrukt dat subrubriek 1b het grootste deel bevat van de huidige uitstaande verplichtingen (RAL), die begin september 2016 neerkwamen op 151 119 miljoen EUR, hetgeen de uitvoering van nieuwe programma's in gevaar brengt;

30.  benadrukt de belangrijke bijdrage van het cohesiebeleid met betrekking tot de effectieve toepassing van genderbewust budgetteren; verzoekt de Commissie steun te verlenen aan maatregelen om passende instrumenten vast te stellen om gendergelijkheid te verwezenlijken, zoals stimulerende structuren die de structuurfondsen gebruiken om genderbewust budgetteren op nationaal niveau te bevorderen;

Rubriek 2 – Duurzame groei: Natuurlijke hulpbronnen

31.  wijst erop dat de Raad de kredieten voor rubriek 2 heeft verlaagd met ‑179,5 miljoen EUR aan vastleggingen en ‑198 miljoen EUR aan betalingen, voor administratieve bijstand, operationele technische bijstand (zoals het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en het LIFE-programma), operationele lijnen uit hoofde van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF), dat van wezenlijk belang is voor het behoud van de landbouw in levensvatbare gebieden, en gedecentraliseerde agentschappen; wijst erop dat de zwaarste bezuinigingen ten laste komen van plattelandsontwikkeling; is van mening dat de nota van wijzigingen de basis moet blijven voor een betrouwbare herziening van de ELGF-kredieten; neemt daarom opnieuw de bedragen van de OB op;

32.  kijkt uit naar de presentatie van de nota van wijzigingen voor het pakket voor noodhulp, met name voor de zuivelsector, en spreekt zijn krachtige steun uit voor de landbouwsector in de Unie; verhoogt daarom de kredieten met 600 miljoen EUR boven de OB, teneinde de gevolgen van de crisis in de zuivelsector en van het Russische embargo voor de melksector op te vangen;

33.  is ingenomen met de toewijzingen uit hoofde van Horizon 2020 voor onderzoek en innovatie in verband met landbouw, om een toereikende voorziening te garanderen van veilige en kwalitatief hoogwaardige levensmiddelen en andere producten op biologische basis; benadrukt dat prioriteit moet worden gegeven aan projecten die zich richten op primaire producenten;

34.  benadrukt dat de tenuitvoerlegging van het nieuwe GVB een geheel nieuwe vorm van visserijbeheer inhoudt, zowel voor de lidstaten als voor de vissers, en herinnert aan de moeilijkheden die zich hebben voorgedaan in eerdere begrotingsjaren waarin de kredieten verlaagd werden;

35.  verwelkomt de verhoging van 30,9 miljoen EUR aan vastleggingen op de OB voor het LIFE-programma, maar betreurt tegen deze achtergrond dat ook dit jaar het LIFE-programma met een totaalbedrag van 493,7 miljoen EUR slechts 0,3 % van de gehele OB uitmaakt;

36.  wijst met name op de eerdere problemen als gevolg van het gebrek aan betalingskredieten voor het LIFE-programma, waardoor de juiste uitvoering van dit programma werd belemmerd en vertraagd;

37.  besluit om, in overeenstemming met zijn EU-2020-doelstellingen en zijn internationale verplichtingen inzake de aanpak van de klimaatverandering, een verhoging voor het LIFE+-programma voor te stellen tot boven het niveau van de OB;

38.  verhoogt daarom de vastleggingskredieten met 619,8 miljoen EUR en de betalingskredieten met 611,3 miljoen EUR (uitgezonderd proefprojecten en voorbereidende acties), waarbij er een marge van 19,4 miljoen EUR blijft onder het maximum voor de vastleggingen in rubriek 2;

Rubriek 3 – Veiligheid en burgerschap

39.  benadrukt dat het Parlement de huidige migratieproblematiek als belangrijkste agendapunt handhaaft; verwelkomt het voorstel van de Commissie voor een bijkomend bedrag van 1,8 miljard EUR om de migratieproblematiek in de Unie aan te pakken, bovenop het bedrag dat oorspronkelijk was geprogrammeerd voor 2017; is van mening dat deze grote afwijking van de oorspronkelijke programmering erop wijst dat een verhoging van de maxima van rubriek 3 vereist is; benadrukt dat de Commissie voorstelt deze verhoging grotendeels te financieren door gebruik te maken van het flexibiliteitsinstrument (voor 530 miljoen EUR, waarmee de voor dit jaar beschikbare financiering volledig is gebruikt) en de marge voor onvoorziene uitgaven (voor 1 160 miljoen EUR); verzoekt geen verdere verhogingen van middelen voor beleid in verband met migratie, gezien het ongekende niveau van financiering voor met migratie verband houdende maatregelen (in totaal 5,2 miljard EUR in 2017 in de rubrieken 3 en 4 en in de vorm van gebruikmaking van het Europees Ontwikkelingsfonds) en de voorliggende voorstellen voor het toepassen van flexibiliteit; wil tegelijkertijd weerstand bieden tegen pogingen om de financiering voor acties van de Unie op dit terrein te verlagen;

40.  herhaalt dat de flexibiliteit van de begroting beperkt is en slechts een oplossing op korte termijn kan zijn; is ervan overtuigd dat een verhoging van het plafond van rubriek 3 een toekomstgericht en moedig antwoord vormt op deze langdurige vluchtelingen- en migratieproblematiek, die het gehele continent raakt en voorlopig niet lijkt af te zwakken; is van mening dat alle recente begrotingsbeslissingen om te zorgen voor nieuwe kredieten op dit terrein feitelijk laten zien dat het maximum hiervoor herzien moet worden;

41.  verwelkomt de verhoging van de financiering voor AMIF (1,6 miljard EUR) en ISF (0,7 miljard EUR), gezien de huidige veiligheids- en migratieproblematiek; is van mening dat de verhoging voor AMIF het des te noodzakelijker maakt om te zorgen voor een eerlijke en transparante verdeling van jaarlijkse financiële middelen tussen de verschillende programma's en doelstellingen van de fondsen, en voor meer duidelijkheid over de wijze waarop deze middelen besteed zullen worden;

42.  wijst erop dat op 15 maart 2016 een nieuw instrument voor noodhulp binnen de Unie is goedgekeurd, met een indicatief bedrag van 700 miljoen EUR voor drie jaar (2016-2018), dat reeds tot snelle resultaten ter plaatse heeft geleid in de vorm van noodhulpmaatregelen naar aanleiding van de humanitaire behoeften van een groot aantal vluchtelingen en migranten die in de lidstaten aankomen; herhaalt echter zijn standpunt dat er in de toekomst moet worden gezorgd voor een duurzamer juridisch en budgettair kader, zodat er humanitaire steun binnen de Unie beschikbaar kan worden gesteld; dringt aan op het houden van een geregelde dialoog met de Commissie over de werking en financiering, nu en in de toekomst, van dit instrument, op basis van volledige transparantie van informatie en effectbeoordelingsverslagen;

43.  verzoekt om aanvullende financiering voor extra personeel voor Europol, met het oog op de verhoogde dreigingsniveaus in verschillende lidstaten en de gelijktijdige uitdagingen van migratiebeheer en de strijd tegen terrorisme en georganiseerde criminaliteit, met als doel de oprichting van een 24 uur per dag actieve cel voor terrorismebestrijding, die de bevoegde autoriteiten van de lidstaten voorziet van inlichtingen; is van mening dat deze verhoging ook moet dienen ter verbetering van de bestrijding van mensensmokkel, met speciale aandacht voor onbegeleide minderjarigen en de bestrijding van cybercriminaliteit (extra personeel voor het Europees Centrum voor de bestrijding van cybercriminaliteit (EC3)), alsmede ter uitbreiding van het personeel in de Italiaanse en Griekse hotspots; herinnert eraan dat Europol momenteel beschikt over slechts drie personeelsleden voor acht vaste en bijkomende niet-vaste hotspots, alleen al in Italië; acht dit aantal te laag om Europol in staat te stellen zijn taken te vervullen op het gebied van de bestrijding van mensensmokkel, terrorisme en andere ernstige grensoverschrijdende criminaliteit;

44.  verwelkomt de invoering van een nieuwe begrotingslijn voor de levering van financiering voor de slachtoffers van terrorisme; steunt de beschikbaarstelling van middelen om tegemoet te komen aan de vele behoeften van slachtoffers, waaronder medische behandeling, psychosociale hulp en financiële steun; is van mening dat bij maatregelen die worden voorgesteld in verband met de terroristische dreiging de behoeften van onschuldige slachtoffers van terrorisme al te vaak vergeten worden of secundair worden geacht;

45.  veroordeelt de verlagingen door de Raad van een groot aantal programma's op het gebied van cultuur, media, burgerschap, grondrechten en volksgezondheid ter hoogte van in totaal 24,3 miljoen EUR aan vastleggingskredieten; beschouwt het als een veeg teken dat de Raad de cultuurprogramma's wil verlagen om middelen vrij te maken voor de huidige vluchtelingen- en migratieproblematiek; betreurt dat veel van deze verlagingen op willekeurige wijze lijken te zijn toegepast, waarbij geen rekening wordt gehouden met uitstekende uitvoeringspercentages; is van mening dat ook kleine verlagingen al een bedreiging vormen voor de resultaten van programma's en de vlotte tenuitvoerlegging van acties van de Unie; maakt daarom alle verlagingen van de bedragen op de OB ongedaan;

46.  dringt aan op een verhoging van de financiering voor een aantal acties in het kader van de programma's Creatief Europa en Europa voor de burger waar reeds lange tijd te weinig middelen aan zijn toegewezen; is ervan overtuigd dat deze programma's van groter belang zijn dan ooit, zowel wat betreft het stimuleren van de bijdrage van de culturele en creatieve sectoren aan werkgelegenheid en groei als wat betreft het aanmoedigen van de actieve participatie van burgers aan de beleidsvorming en -uitvoering van de Unie; begrijpt niet hoe de Raad het kan rechtvaardigen de financiering voor kmo's in de culturele en creatieve sectoren te willen verlagen, aangezien de garantiefaciliteit voor de culturele en creatieve sector, waarvoor reeds middelen waren gereserveerd, in juni 2016 van start is gegaan en een uitstekend voorbeeld vormt van een innovatieve oplossing voor een geval van ernstig marktfalen, door capaciteit op te bouwen en bescherming tegen kredietrisico's te bieden voor financiële tussenpersonen die leningen verstrekken in de culturele en creatieve sectoren;

47.  onderstreept dat de programma's van de Unie op het gebied van cultuur, onderwijs, jongeren en burgerschap een duidelijke Europese meerwaarde bieden en synergieën tot stand brengen met het integratiebeleid voor migranten en vluchtelingen; verzoekt de instellingen van de Unie dan ook te zorgen voor een passende verhoging van de middelen voor rechtstreeks beheerde programma's, zoals Creatief Europa, alsook voor de relevante begrotingslijnen met betrekking tot de structuur- en investeringsfondsen;

48.  merkt op dat moet worden voorzien in de nodige begrotingsgaranties voor de voorbereidende activiteiten voor het Europees jaar van het cultureel erfgoed (2018);

49.  herinnert eraan dat het EU-mechanisme voor civiele bescherming een van de hoekstenen vormt van de solidariteit in de Unie; benadrukt dat de Unie een "faciliterende rol" speelt om maatregelen van de lidstaten ter voorkoming van, paraatheid voor en respons op rampen te steunen, te coördineren of aan te vullen; neemt kennis van de kleine stijging van de vastleggingen voor dit programma;

50.  verwelkomt de invoering van een begrotingslijn voor het EU-fonds voor opsporing en redding, dat dient voor de uitvoering van opsporings- en reddingsacties door de lidstaten, gecoördineerd op Unieniveau, met name op de Middellandse Zee; is van mening dat het opzetten van een specifiek fonds een betere oplossing biedt dan het voortdurend verhogen van de middelen voor Frontex of de onlangs opgerichte Europese grens- en kustwacht;

51.  verwelkomt de invoering van een begrotingslijn ter ondersteuning van het Europees burgerinitiatief (EBI), een nieuw instrument om burgers te betrekken bij het besluitvormingsproces van de Unie en de Europese democratie te verdiepen; is van mening dat het in de OB voorgestelde niveau van vastleggingskredieten te laag is; besluit deze begrotingslijn te verhogen;

52.  merkt op dat de Commissie een bedrag van 840 000 EUR aan vastleggingskredieten voorstelt voor het afzonderlijke begrotingsonderdeel voor het EBI, dat vorig jaar is ingevoerd, en wijst erop dat er voldoende middelen moeten worden uitgetrokken om het gebruik van dit instrument te bevorderen, aangezien het een waardevol instrument voor participerende democratie is;

53.  is ingenomen met de verhoging van de middelen voor communicatie door de vertegenwoordigingen van de Commissie, burgerdialogen en partnerschapsacties met kredieten voor 2017 ten bedrage van 17,036 miljoen EUR aan vastleggingskredieten en 14,6 miljoen EUR aan betalingskredieten, aangezien het initiatieven betreft die erop gericht zijn de Europese burgers te bereiken, hun vertrouwen te winnen en hun inzicht in de politiek en het beleid van de Unie te vergroten;

54.  benadrukt dat het gezamenlijke secretariaat van het transparantieregister moet worden voorzien van voldoende en passende administratieve en financiële middelen om zijn taken uit te voeren, na de goedkeuring van het nieuwe interinstitutionele akkoord over het transparantieregister;

55.  wijst erop dat het in zijn lezing (uitgezonderd proefprojecten en voorbereidende acties) het maximum van rubriek 3 overschrijdt met 71,28 miljoen EUR aan vastleggingen, en de betalingskredieten met 1 857,7 miljoen EUR verhoogt; stelt voor om deze verhogingen onder het maximum te financieren, gezien het ontbreken van een marge in de OB, en tegelijkertijd gebruik te maken van de marge voor onvoorziene uitgaven voor een aantal essentiële kostenposten in verband met migratie;

Rubriek 4 – Europa als wereldspeler

56.  wijst erop dat de externe acties van de Unie tegen de achtergrond van de aanhoudende vluchtelingen- en migratieproblematiek te maken hebben met een voortdurend toenemende behoefte aan financiering, die de huidige omvang van rubriek 4 verre te boven gaat; vraagt zich daarom ernstig af of de maxima van rubriek 4 toereikend zijn om te zorgen voor afdoende financiering voor de externe dimensie van de migratie- en vluchtelingencrisis; betreurt dat de Commissie met het oog op het financieren van nieuwe initiatieven als het Fonds voor vluchtelingen in Turkije (FRT) er in haar OB voor heeft gekozen te bezuinigen op andere programma's als het Instrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) en het Instrument voor vrede en stabiliteit (IcSP); benadrukt dat dit niet ten koste mag gaan van beleid op andere terreinen; besluit daarom de verschuiving van een aanzienlijke hoeveelheid financiële middelen van deze twee instrumenten die onder meer de achterliggende oorzaken van migratiestromen aanpakken voor een groot deel te beperken; herinnert eraan dat de bestrijding van armoede de hoofddoelstelling van het ontwikkelingsbeleid van de Unie moet blijven; betreurt dat kredieten voor humanitaire hulp en voor het mediterrane gedeelte van het Europees nabuurschapsinstrument (ENI) lager zijn dan die op de begroting 2016, ondanks het evidente belang ervan voor het aanpakken van het grote aantal externe uitdagingen; betreurt de ongerechtvaardigde verlagingen door de Raad;

57.  besluit daarom alle door de Raad voorgestelde verlagingen van rubriek 4 ongedaan te maken; besluit tevens de bedragen van 2016 te herstellen voor de mediterrane lijnen van het ENI en voor humanitaire hulp; besluit verder de verlagingen die de Commissie voorstelt van het DCI en het IcSP te beperken; acht het van essentieel belang de sleutelrol van de Unie en de financiële steun in het kader van de ondersteuning van het vredesproces in het Midden-Oosten, de Palestijnse Autoriteit en de UNRWA, alsmede voor de lijnen voor het oostelijk partnerschap van het ENI te handhaven; benadrukt het belang van het Europees instrument voor de democratie en de mensenrechten (EIDHR);

58.  besluit tot verhoging van de macrofinanciële bijstand die aanzienlijk is verlaagd ten opzichte van 2016; is van mening dat een hoger financieringsniveau dan voorgesteld nodig zal zijn om te waarborgen dat alle toekomstige leningaanvragen kunnen worden ingewilligd;

59.  spreekt zijn volledige steun uit voor het FRT en stelt voor om een deel van de bijdrage van de Unie die gepland is voor 2017 reeds te financieren in 2016, gezien het goede uitvoeringspercentage en de ruime marges die nog beschikbaar zijn op de begroting 2016; roept daarom op tot een verhoging van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA II) met 400 miljoen EUR door middel van een gewijzigde begroting voor 2016, en daartoe gebruik te maken van de marge voor onvoorziene uitgaven; plaatst hetzelfde bedrag in de reserve op de begroting 2017, in afwachting van een omvattend akkoord over alternatieve financiering voor het FRT, waarmee de ongekende druk op andere externe financieringsinstrumenten moet worden verlicht;

60.  wijst er met bezorgdheid op dat, ondanks hun actualiteit en aanzienlijke omvang, de trustfondsen van de EU en het FRT nagenoeg onzichtbaar zijn op de begroting van de Unie; roept op tot het integreren van deze instrumenten op een wijze die transparanter is en beter recht doet aan de eenheid van de begroting van de Unie en aan de bevoegdheden van de begrotingsautoriteit, en voert hiertoe nieuwe begrotingslijnen in; roept de Commissie tevens op aan te tonen dat het gebruik van financiële instrumenten in het kader van de trustfondsen er niet toe leidt dat kredieten voor andere doelstellingen worden gebruikt dan waren vastgesteld overeenkomstig hun oorspronkelijke rechtsgrondslagen; wijst erop dat het streven naar het genereren van nationale bijdragen ter aanvulling van de begroting van de Unie tot nu toe jammerlijk is mislukt; benadrukt daarom dat bij toekomstige verzoeken om een bijdrage van de EU-begroting aan de trustfondsen het Parlement alleen zal toestemmen indien een vergelijkbaar bedrag is geleverd in de vorm van bijdragen van de lidstaten; verzoekt de lidstaten daarom hun toezeggingen zo snel mogelijk gestand te doen;

61.  wijst erop dat voor het garantiefonds voor externe acties, dat wanbetalingen dekt in verband met leningen en leninggaranties aan derde landen of in verband met projecten in derde landen, volgens het verslag van de Commissie betreffende door de algemene begroting gedekte garanties (COM(2016)576 final), aanvullende financiële middelen nodig zijn om het streefbedrag te bereiken, om welke reden een voorziening van 228,04 miljoen EUR in de OB is opgenomen; is bezorgd dat deze vereisten extra druk opleveren op de toch al zeer krappe maxima in rubriek 4;

62.  verwelkomt de voorstellen van de Commissie in verband met het nieuwe kader voor nieuwe migratiepartnerschappen en het extern investeringsplan; spreekt echter zijn bezorgdheid uit over het creëren van mogelijke nieuwe "satellieten" buiten de Uniebegroting; wijst er nogmaals op dat behoud van volledige parlementaire controle op de Uniebegroting van essentieel belang is; dringt met klem aan op eerbiediging van het beginsel van eenheid van de begroting; staat op het standpunt dat de financiering van de nieuwe prioriteit niet ten koste mag gaan van bestaande projecten van de Unie; is van mening dat gebruik gemaakt moet worden van aanvullende flexibiliteit ter verwezenlijking van een ambitieus kader voor het bevorderen van investeringen in Afrika en het nabuurschap van de EU, in de vorm van afdoende, nieuwe kredieten;

63.  herhaalt zijn verzoek om de begrotingslijn voor de speciale vertegenwoordigers van de EU op een begrotingsneutrale manier over te dragen van de GBVB-begroting naar de administratieve begroting van de EDEO om de diplomatieke activiteiten van de Unie verder te consolideren;

64.  verhoogt met het oog hierop het niveau van de vastleggingskredieten voor rubriek 4 boven de OB met 497,9 miljoen EUR en van de betalingskredieten met 495,1 miljoen EUR (uitgezonderd proefprojecten en voorbereidende acties en met inbegrip van de verplaatsing van de speciale vertegenwoordigers van de EU naar de begroting van de EDEO);

65.  acht het noodzakelijk de kredieten op de begrotingslijn voor de Turks-Cypriotische gemeenschap te verhogen (+ 3 miljoen EUR) om een beslissende bijdrage te leveren aan de voortzetting en intensivering van de missie van het Comité vermiste personen op Cyprus en om het door de twee gemeenschappen opgezette technische comité voor cultureel erfgoed te ondersteunen, en zo het vertrouwen en de verzoening tussen de twee gemeenschappen te bevorderen;

Rubriek 5 – Administratie; Overige rubrieken – administratieve uitgaven en ondersteunende uitgaven voor onderzoek

66.  acht de door de Raad voorgestelde verlagingen ongerechtvaardigd en schadelijk en herstelt de bedragen van de OB voor alle administratieve uitgaven van de Commissie, met inbegrip van administratieve uitgaven en ondersteunende uitgaven voor onderzoek in de rubrieken 1 tot en met 4;

67.  besluit, in het licht van recente onthullingen en teneinde het vertrouwen van de burgers van de Unie te herwinnen en de geloofwaardigheid van de instellingen van de Unie te herstellen, 20 % van de kredieten van de tijdelijke vergoedingen voor voormalige leden van de Commissie in de reserve te plaatsen totdat de Commissie een strengere gedragscode voor commissarissen heeft vastgesteld om belangenconflicten en draaideurconstructies te voorkomen;

68.  is van mening dat interinstitutionele administratieve samenwerking kan zorgen voor efficiëntie, door kennis, capaciteiten en hulpbronnen van een instelling beschikbaar te stellen aan de andere instellingen; vraagt daarom een systeem in te voeren om de administratieve lasten tot een minimum te beperken, de kwaliteit van de dienstverlening op een aanvaardbaar niveau te houden, de belangrijkste verantwoordelijke instelling te voorzien van de nodige begrotingsmiddelen en de samenwerking van de andere instellingen te stimuleren door hun aandeel in de marginale kosten van de operatie te beperken, en aldus besluiten voor een goed financieel beheer op het niveau van de instellingen te doen aansluiten bij het algemeen goed beheer van de begroting;

Agentschappen

69.  steunt in beginsel de ramingen van de Commissie voor de budgettaire behoeften van de agentschappen; wijst erop dat de Commissie de aanvankelijk gevraagde kredieten van de meeste agentschappen reeds aanzienlijk heeft verlaagd; is daarom van mening dat de bijkomende verlagingen die de Raad voorstelt de goede werking van de agentschappen in gevaar zou brengen en hen zou beletten de taken uit te voeren die hun zijn toebedeeld;

70.  verwelkomt de toekenning van meer middelen aan doeltreffende JBZ-agentschappen, met name de agentschappen die werkzaam zijn op het gebied van migratie en veiligheid; benadrukt dat deze agentschappen bij een uitbreiding van hun mandaat moeten kunnen beschikken over voldoende middelen (onder meer voor investeringen in nieuwe technologieën) en personeel;

71.  is van mening dat, gezien de huidige uitdagingen op het gebied van veiligheid en met het oog op de noodzaak van een gecoördineerd Europees optreden, sommige van deze verhogingen ontoereikend zijn en besluit om een verhoging door te voeren van de kredieten voor de Europese Politiedienst (Europol), de Europese eenheid voor justitiële samenwerking, het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen (eu-LISA) en het Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging (Enisa);

72.  benadrukt dat de begrotingsmiddelen en het aantal posten waarover het Europese grens- en kustwachtagentschap beschikt op dit moment weliswaar toereikend lijken, maar dat zorgvuldig in de gaten gehouden moet worden hoe de behoeften van het agentschap wat betreft operationele middelen en personeel zich ontwikkelen, zodat het agentschap ook in de toekomst naar behoren kan functioneren;

73.  benadrukt specifiek dat er afdoende menselijke en materiële hulpbronnen moeten worden toegewezen aan het recent opgerichte Europees Centrum voor terrorismebestrijding, EC3 en IRU, onder meer in verband met gezamenlijke operationele planning en dreigingsevaluatie, om te zorgen voor een versterkte gecoördineerde aanpak tussen de lidstaten ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit, cybercriminaliteit en internetcriminaliteit, terrorisme en andere zware criminaliteit; vraagt om bijkomende middelen voor gezamenlijke onderzoeksteams;

74.  herinnert aan de geplande verbetering en interoperabiliteit van de verschillende JBZ-informatiesystemen, als aangekondigd door de Commissie in haar mededeling over het toekomstig kader voor krachtigere en slimmere informatiesystemen voor grenzen en veiligheid van 6 april 2016; dringt erop aan ruimte te creëren voor afdoende middelen om deze technische oplossingen snel en efficiënt te kunnen invoeren;

75.  verwelkomt de opname op de begroting 2017 van afdoende middelen ter ondersteuning van de omvorming op lange termijn van Frontex in een Europees grens- en kustwachtagentschap en de omvorming van EASO in een volwaardig asielagentschap; benadrukt dat de middelen voor het Europese grens- en kustwachtagentschap op dit moment weliswaar toereikend lijken, maar dat zorgvuldig in de gaten gehouden moet worden hoe de behoeften van het agentschap wat betreft operationele middelen en personeel zich ontwikkelen, zodat het agentschap ook in de toekomst naar behoren kan functioneren;

76.  besluit daarnaast om de kredieten voor het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) te verhogen ten opzichte van 2016, gezien de verslechterende humanitaire situatie in het zuidelijke nabuurschap van Europa, het toegenomen aantal asielzoekers en vooral gezien het voornemen om het mandaat van het bureau verder uit te breiden dan de Commissie voorstelt;

77.  herhaalt niet te kunnen instemmen met de benadering van de Commissie en de Raad voor het personeel van de agentschappen en wijzigt daarom een aanzienlijk aantal organigrammen; benadrukt eens te meer dat elk agentschap 5 % van de posten, gespreid over 5 jaar, moet schrappen zoals overeengekomen in het IIA, maar dat de nieuwe posten die nodig zijn om extra taken te verrichten als gevolg van nieuwe beleidsontwikkelingen en de nieuwe regelgeving sinds 2013, gepaard moeten gaan met bijkomende middelen en moeten worden geteld buiten de doelstelling van het IIA om het personeelsbestand te verminderen; benadrukt daarom dat het gekant is tegen het concept van een herschikkingspool tussen de agentschappen, maar bevestigt bereid te zijn posten vrij te maken door te komen tot meer efficiëntie, dit via meer administratieve samenwerking tussen agentschappen of in voorkomend geval zelfs via fusies, alsook via het delen van bepaalde functies met de Commissie of een ander agentschap;

78.  benadrukt dat aanzienlijke bezuinigingen op operationeel en personeelsgebied verwezenlijkt kunnen worden indien agentschappen die vanuit meer locaties werken (ENISA, eu-LISA, ERA) slechts één vestigingsplaats krijgen; is van mening dat de huidige operationele behoeften van die agentschappen het uitvoeren van dergelijke wijzigingen wenselijk maken; benadrukt dat het verhuizen van de Europese Bankautoriteit (EBA) vanuit Londen en het fuseren daarvan met in ieder geval één van de twee andere toezichthoudende autoriteiten kan leiden tot aanzienlijke kostenbesparingen bij de twee agentschappen; verzoekt de Commissie een voorstel ter zake te formuleren;

Proefprojecten en voorbereidende acties (PP's en VA's)

79.  besluit na een grondige analyse van de ingediende PP's en VA's, tegen de achtergrond van de mate van succes van de lopende projecten en acties, de initiatieven die al gedekt zijn door bestaande rechtsgronden buiten beschouwing latend en ten volle rekening houdend met de beoordeling door de Commissie van de uitvoerbaarheid van de projecten, een compromispakket goed te keuren met een beperkt aantal PP's en VA's, mede gelet op de beperkte marges die beschikbaar zijn en de maxima voor PP's en VA's;

Speciale instrumenten

80.  herinnert aan het belang van de reserve voor noodhulp (EAR) om snel te kunnen reageren op specifieke behoeften aan hulp voor derde landen bij onvoorziene gebeurtenissen, en wijst op zijn eerdere verzoek om een aanzienlijke verhoging van het hiervoor beschikbare bedrag, als onderdeel van de herziening van het MFK; wijst erop dat de zeer snelle benutting van de hulp in 2016, die waarschijnlijk geen mogelijkheid van kredietoverdracht zal overlaten, aangeeft dat dit speciale instrument ontoereikend zal zijn om alle bijkomende behoeften in 2017 te dekken; verhoogt daarom de kredieten tot een jaarlijkse toewijzing van 1 miljard EUR, in afwachting van een besluit over de jaarlijkse toewijzing aan de EAR, dat genomen moet worden in het kader van de tussentijdse herziening van het MFK;

81.  herstelt de OB wat betreft de reserves voor het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering en het Solidariteitsfonds van de Europese Unie om de beschikbaarstelling van middelen uit deze speciale instrumenten gemakkelijker te maken;

Betalingen

82.  is bezorgd over de omvangrijke verlaging van de betalingskredieten op de OB ten opzichte van de begroting 2016; is van mening dat dit wijst op vertragingen bij de tenuitvoerlegging die niet alleen zorgwekkend zijn voor de uitvoering van het Uniebeleid maar ook dreigen te leiden tot het opbouwen van een achterstand van onbetaalde rekeningen aan het einde van de huidige programmeringsperiode; is van mening dat deze kwestie in het kader van de herziening van het MFK moet worden opgelost; betreurt verder de verlaging door de Raad van de betalingen, ondanks de ruime marges die beschikbaar zijn onder de maxima;

83.  beklemtoont dat op verzoek van het Parlement een betalingsplan is overeengekomen om de achterstand bij de nog niet betaalde aan het cohesiebeleid gerelateerde betalingsclaims voor de periode 2007-2013 tegen het eind van 2016 te reduceren tot een "normaal" niveau van 2 miljard EUR; wijst erop dat eind 2015 voor de periode 2007-2013 een bedrag van ten minste 8,2 miljard EUR aan nog niet betaalde rekeningen met betrekking tot het cohesiebeleid is vastgesteld, maar dat het in de bedoeling ligt dit bedrag tegen het eind van 2016 terug te brengen tot minder dan 2 miljard EUR; is van oordeel dat de drie instellingen voor de periode 2016-2020 een bindend gemeenschappelijk betalingsplan zouden moeten opstellen; dringt erop aan dat een dergelijk nieuw betalingsplan gebaseerd moet zijn op goed financieel beheer en een duidelijke strategie moet bieden om te voldoen aan alle betalingsbehoeften in alle rubrieken tot het einde van het huidige MFK, en een "verborgen achterstand" moet voorkomen die wordt veroorzaakt door een kunstmatige vertraging van de uitvoering van bepaalde meerjarige programma's en andere beperkende maatregelen zoals de vermindering van voorfinancieringspercentages;

84.  besluit de betalingen van de OB te herstellen voor alle lijnen die de Raad heeft verlaagd en verhoogt de betalingskredieten op alle lijnen waarvan de vastleggingskredieten zijn gewijzigd;

Prestatiegebaseerd begroten

85.  herinnert aan zijn resolutie van 3 juli 2013 over het geïntegreerd internecontrolekader(10) waarin het Parlement te kennen gaf de opvatting van de Rekenkamer te delen dat het niet zinvol is prestaties te willen meten zonder eerst de begroting op basis van prestatie-indicatoren​ te hebben opgesteld(11)​, en om een prestatiegebaseerd begrotingsmodel vroeg waarbij elke begrotingslijn vergezeld gaat van aan prestatie-indicatoren te meten doelstellingen en resultaten;

86.  verwelkomt de programmaverklaringen voor de operationele uitgaven die bij de OB zijn gevoegd, waarmee voor een deel tegemoet wordt gekomen aan het verzoek van het Parlement omtrent doelstellingen, resultaten en indicatoren; merkt op dat deze verklaringen de gebruikelijke methode van activiteitsgestuurd begroten met enkele prestatiegegevens aanvullen;

87.  benadrukt dat het voor de vereenvoudiging van de interne beheersinstrumenten bij de Commissie nodig is dat de directeuren-generaal bij de Commissie bij de vaststelling van hun beheersplannen en hun jaarlijkse werkverslagen vasthouden aan de politieke doelstellingen en indicatoren zoals in de programmaverklaringen voor de operationele uitgaven vermeld, en dat de Commissie haar evaluatieverslag bedoeld in artikel 318 VWEU hierop baseert;

Overige afdelingen

Afdeling I - Europees Parlement

88.  laat het totale niveau van zijn begroting voor 2017, zoals goedgekeurd door de plenaire vergadering op 14 april 2016, ongewijzigd op 1 900 873 000 EUR; voert begrotingsneutrale technische aanpassingen door om zijn recente besluiten in de begroting te verwerken en maakt de reserve vrij voor de begrotingslijn betreffende het vervoer van leden, personen en goederen;

89.  hecht zijn goedkeuring aan de wijzigingen van zijn personeelsformatie en de bijbehorende begrotingskredieten om in te spelen op de extra behoeften van de fracties; compenseert deze verhogingen volledig door de kredieten van de reserve voor onvoorziene uitgaven en de begrotingslijn betreffende de inrichting van gebouwen te verlagen;

90.  herinnert aan zijn politieke besluit om de fracties uit te zonderen van de doelstelling tot vermindering van de personeelsformatie met 5 %, zoals benadrukt in zijn resoluties over de begrotingen 2014(12), 2015(13) en 2016(14);

91.  vermindert de personeelsformatie van zijn secretariaat-generaal(15) voor 2017 met 60 posten (doelstelling tot vermindering met 1 %), overeenkomstig het akkoord van 14 november 2015 met de Raad over de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016; herinnert eraan dat met de budgettaire gevolgen van deze maatregel reeds rekening is gehouden in de raming;

92.  vermindert zijn personeelsformatie met nog eens 20 posten in verband met het einde van de overdracht van posten als vastgelegd in de samenwerkingsovereenkomst met het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's; benadrukt dat er geen kredieten van het Parlement verlaagd hoeven te worden, aangezien deze posten ook niet waren begroot;

93.  moedigt de secretarissen-generaal van het Europees Parlement, het Comité van de Regio's en het Europees Economisch en Sociaal Comité aan samen te werken aan de opstelling van mogelijke verdere regelingen voor het delen van ondersteunende kantoordiensten tussen de drie instellingen; verzoekt de secretarissen-generaal ook te onderzoeken of synergie-effecten kunnen worden gerealiseerd door samenwerking tussen ondersteunende kantoorfuncties en diensten tussen het Parlement, de Raad en de Commissie;

94.  handhaaft in zijn personeelsformatie voor 2017 de 35 nieuwe posten ter versterking van de veiligheid van de instellingen, als gevraagd in OGB 3/2016; stelt deze posten vrij van de vermindering met 5 %, aangezien ze betrekking hebben op nieuwe activiteiten van het Parlement;

95.  herhaalt dat de uitvoering van de personeelsinkrimping niet ten koste mag gaan van de goede werking van het Parlement en de uitoefening door het Parlement van zijn belangrijkste bevoegdheden, en evenmin zijn uitmuntendheid op het gebied van wetgeving of de kwaliteit van de arbeidsvoorwaarden van de leden en het personeel mag aantasten;

96.  is van mening dat, gezien de vele problemen die zich hebben voorgedaan bij de interne begrotingsprocedure van dit jaar, een herziening van hoofdstuk 9 en relevante onderdelen van andere hoofdstukken van zijn Reglement onvermijdelijk is, om te bereiken waartoe het Europees Parlement heeft opgeroepen in zijn resolutie van 14 april 2016 over de raming van de inkomsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2017, te weten dat "alle relevante informatie met betrekking tot alle stadia van de begrotingsprocedure op tijdige, duidelijke en voldoende gedetailleerde en gespecificeerde wijze aan de leden van het Bureau en de Begrotingscommissie gepresenteerd moet worden, om het Bureau, de Begrotingscommissie en de fracties in staat te stellen goed overleg te voeren en hun besluiten te baseren op een volledig beeld van de situatie en de behoeften van de begroting van het Parlement";

97.  stelt de eis dat, overeenkomstig paragraaf 15 van zijn resolutie van 14 april 2016 over de raming van de inkomsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2017, de begroting voor het eerst in het kader van de begrotingsprocedure voor het begrotingsjaar 2018 wordt opgesteld op basis van bestaande behoeften en niet op basis van een systeem van coëfficiënten;

98.  herinnert eraan dat de administratie zich ertoe heeft verplicht een begrotingsplanning op middellange en lange termijn in te dienen, met een duidelijk onderscheid tussen uitgaven voor investeringen en operationele uitgaven in verband met de werking van de instelling, met inbegrip van zijn statutaire verplichtingen; verwacht daarom dat het voorontwerp van raming voor 2018 in hetzelfde formaat zal worden gepresenteerd;

99.  herinnert aan het verslag-Fox-Häfner(16), waarin de kosten van de geografische spreiding van het Parlement worden geraamd op 156 miljoen tot 204 miljoen EUR, oftewel 10 % van de begroting van het Parlement; wijst op de vaststelling dat 78 % van alle dienstreizen van statutair personeel van het Parlement een direct gevolg is van deze geografische spreiding; beklemtoont dat de milieugevolgen van de geografische spreiding geraamd worden op tussen de 11 000 en 19 000 ton aan CO2-emissies; benadrukt het negatieve beeld dat deze spreiding bij het publiek opwekt en roept daarom op tot de vaststelling van een routekaart voor het verwezenlijken van een enkele vestigingsplaats en een vermindering van de desbetreffende begrotingslijnen;

100.  betreurt dat, ondanks herhaalde verzoeken van de Begrotingscommissie, de strategie op de middellange en lange termijn voor de gebouwen van het Parlement niet beschikbaar is voor een inhoudelijke behandeling door de commissie;

Afdeling IV - Hof van Justitie

101.  betreurt dat de Raad de forfaitaire verlaging optrekt van 2,5 % tot 3,8 %, wat neerkomt op een verlaging met -3,4 miljoen EUR en niet strookt met de extreem hoge bezettingsgraad van de posten bij het Hof (98 % eind 2015); herstelt daarom de forfaitaire verlaging tot het niveau op de OB, om het Hof in staat te stellen zijn taken uit te voeren in de context van een voortdurend toenemend aantal zaken;

102.  besluit verder de bedragen van de OB te herstellen met betrekking tot nog eens zes begrotingsposten die de Raad heeft verlaagd in de titels I en II van de begroting van het Hof, en die vooral ernstige gevolgen zouden hebben voor de prioriteiten van het Hof op taalkundig en veiligheidsgebied;

103.  is ontevreden met de unilaterale verklaring van de Raad en de bijbehorende bijlage inzake de vermindering van het personeel met 5 % in het standpunt van de Raad over de OB 2017, inhoudende dat het Hof zijn personeelsformatie moet inkrimpen met nog eens 19 posten; benadrukt dat het bij deze 19 posten gaat om de 12 en 7 posten die het Parlement en de Raad tijdens de begrotingsprocedures van respectievelijk 2015 en 2016 hadden toegekend met het oog op bijkomende behoeften, en dringt er daarom op aan dat deze 19 posten niet teruggegeven hoeven te worden, mede aangezien het Hof de vermindering van het personeel met 5 % reeds heeft verwezenlijkt door 98 posten in te leveren in de periode 2013-2017;

Afdeling V - Rekenkamer

104.  herstelt de forfaitaire verlaging tot het aanvankelijke niveau van 2,6 %, om de Rekenkamer in staat te stellen te voldoen aan haar behoeften in verband met het personeelsbestand;

105.  herstelt nog eens vijf door de Raad verlaagde begrotingsposten van de Rekenkamer, zodat zij haar werkprogramma kan uitvoeren en de geplande auditverslagen kan opstellen;

106.  herstelt voor een deel de OB voor wat betreft drie begrotingsposten overeenkomstig de voorstellen voor besparingen gedaan door de Rekenkamer zelf;

Afdeling VI - Europees Economisch en Sociaal Comité

107.  herstelt de forfaitaire verlaging tot het aanvankelijke niveau van 4,5 % om aan de behoeften van het Europees Economisch en Sociaal Comité te voldoen en deze instelling in staat te stellen de aanhoudende inkrimping van het personeel in het kader van de samenwerkingsovereenkomst tussen het Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van februari 2014 op te vangen;

108.  herstelt de door de Commissie op de OB geschrapte 12 posten en bijbehorende kredieten, in overeenstemming met bovengenoemde samenwerkingsovereenkomst, waarmee het feitelijke aantal posten dat van het Europees Economisch en Sociaal Comité naar het Parlement is overplaatst wordt weerspiegeld;

109.  besluit verder de post betreffende aanvullende dienstverlening voor de vertaaldienst aan te passen tot het door de instelling zelf geraamde niveau, en daarbij de overdracht van 36 posten van het Europees Economisch en Sociaal Comité naar het Parlement overeenkomstig bovengenoemde samenwerkingsovereenkomst deels te compenseren;

Afdeling VII - Comité van de Regio's

110.  herstelt de door de Commissie op de OB geschrapte acht posten en bijbehorende kredieten, in overeenstemming met bovengenoemde samenwerkingsovereenkomst, waarmee het feitelijke aantal posten dat van het Comité van de Regio's naar het Parlement is overplaatst wordt weerspiegeld;

111.  herstelt daarnaast de door de Commissie op de OB geschrapte kredieten met betrekking tot kantooruitgaven en IT-toelagen van de leden van het Comité tot het door het Comité geraamde niveau, om een afdoende financiering van de kantooruitgaven en IT-toelagen van de leden van het Comité van de Regio's te waarborgen;

112.  betreurt de verlagingen van de begrotingspost "inrichting van dienstruimten" door de Commissie op de OB en besluit deze post te herstellen tot het door het Comité zelf geraamde niveau om tegemoet te komen aan de toegenomen behoeften op veiligheidsgebied, ervoor te zorgen dat de gebouwen in goede staat blijven en voldoen aan de wettelijke verplichtingen, en om de energie-efficiëntie te verbeteren;

113.  herstelt volledig de door de Commissie op de OB naar beneden bijgestelde kredieten in verband met de communicatieactiviteiten van de fracties, om een afdoende financiering van de communicatieactiviteiten van de fracties van het Comité te waarborgen;

Afdeling VIII - Europees Ombudsman

114.  stelt vast dat de Raad de ontwerpbegroting van de Ombudsman met 195 000 EUR heeft verlaagd; benadrukt dat deze verlaging een onevenredige last vormt voor de zeer beperkte begroting van de Ombudsman en ernstige gevolgen heeft voor het vermogen van de instelling om de Europese burgers efficiënt van dienst te zijn; maakt daarom alle verlagingen door de Raad ongedaan om de Ombudsman in staat te stellen zijn mandaat uit te oefenen en zijn verplichtingen na te komen;

Afdeling IX - Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming

115.  betreurt dat de Raad de OB van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming met 395 000 EUR heeft verlaagd; wijst erop dat dit haaks staat op het feit dat het Parlement en de Raad bijkomende taken hebben toegekend aan de instelling en de capaciteit van deze instelling om de Europese instellingen doeltreffend bij te staan in gevaar zou brengen; maakt daarom alle verlagingen door de Raad ongedaan om de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming in staat te stellen zijn mandaat uit te oefenen en zijn verplichtingen na te komen;

Afdeling X - Europese Dienst voor extern optreden

116.  herstelt alle door de Raad verlaagde lijnen;

117.  besluit daarnaast een begrotingslijn in te voeren voor een strategische communicatiecapaciteit, overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van maart 2015, en de EDEO te voorzien van afdoende personeel en instrumenten om de uitdaging van desinformatie van derde landen en niet-statelijke actoren tegemoet te treden;

118.  verwelkomt de schriftelijke toezeggingen van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid inzake de aanpak van de huidige onevenwichtige samenstelling van het EDEO-personeel wat betreft diplomaten van de lidstaten en vast EU-personeel op bepaalde posities en inzake een herziening van het personeelsbeleid van de EDEO in de loop van 2017; roept de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid op om het Parlement uiterlijk in het voorjaar van 2017 op de hoogte te brengen van de genomen stappen, nog voor het begin van de volgende begrotingsprocedure;

o

o o

119.  is ervan overtuigd dat de begroting van de Unie een bijdrage kan leveren om niet alleen de gevolgen maar ook de onderliggende oorzaken van de crises waarmee de Unie momenteel wordt geconfronteerd op doeltreffende wijze aan te pakken; is evenwel van mening dat onvoorziene gebeurtenissen met een Uniebrede dimensie moeten worden aangepakt door de inspanningen te bundelen en extra middelen op het niveau van de Unie ter beschikking te stellen, en niet door vroegere verbintenissen op losse schroeven te stellen of terug te grijpen naar de illusie van louter nationale oplossingen; benadrukt daarom dat de flexibiliteitsbepalingen er zijn om een dergelijke gezamenlijke en snelle respons mogelijk te maken en dat deze ten volle moeten worden benut om de strikte beperkingen van de MFK-maxima op te vangen;

120.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, samen met de amendementen op het ontwerp van algemene begroting, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de overige instellingen en de betrokken organen, alsmede aan de nationale parlementen.

(1)

PB L 163 van 23.6.2007, blz. 17.

(2)

PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(3)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.

(4)

PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(5)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0080.

(6)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0132.

(7)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0309.

(8)

Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

(9)

Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470)

(10)

PB C 75 van 26.2.2016, blz. 100.

(11)

Bijdrage van Kersti Kaljulaid op de door CONT op 22 april 2013 gehouden hoorzitting over het geïntegreerd internecontrolekader.

(12)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0437.

(13)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0036.

(14)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0376.

(15)

Aangezien er een politiek besluit is om de fracties van deze berekening uit te sluiten, wordt deze vermindering toegepast op het gedeelte van het secretariaat-generaal in het organigram.

(16)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0498.


ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken (8.9.2016)

aan de Begrotingscommissie

inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017

(2016/2047(BUD))

Rapporteur voor advies: Neena Gill

SUGGESTIES

De Commissie buitenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  neemt kennis van de verhoging van de middelen in vastleggingskredieten onder rubriek 4, maar beschouwt deze als verre van toereikend gezien de huidige politieke en veiligheidssituatie in onze nabije omgeving en daarbuiten; dringt aan op een verhoging boven het in het MFK vastgestelde maximum voor rubriek 4 door gebruik te maken van de bestaande flexibiliteitsmechanismen, wat noodzakelijk is om een duurzaam en doeltreffend antwoord te kunnen bieden op de vele uitdagingen van externe oorsprong waar de EU mee te kampen heeft, met inbegrip van de migratie- en vluchtelingencrisis;

2.  wijst op de beloften die de EU op de conferentie in Londen over het steunen van Syrië en in het kader van de Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije heeft gedaan, en drukt bezorgdheid uit over de gevolgen die deze beloften zullen hebben voor de externe financieringsinstrumenten en de begroting voor humanitaire hulp; staat weliswaar achter deze beloften maar benadrukt dat de nakoming daarvan niet ten koste mag gaan van andere prioritaire gebieden en beleidsmaatregelen voor de lange termijn; pleit met name voor een verhoging van de middelen voor het Europees Nabuurschapsinstrument (ENI), dat een cruciale rol speelt bij het ondersteunen van de stabiliteit in de zuidelijke en oostelijke buurlanden van Europa; vestigt nadrukkelijk de aandacht op Tunesië, dat aantoont dat de overgang naar democratie in de regio succesvol kan zijn, maar dat potentieel fragiel blijft; wijst erop dat de voornaamste doelstelling van het Europees Nabuurschapsbeleid groei en werkgelegenheid is, vooral voor pas afgestudeerden, en dringt aan op meer ENI-steun voor werkgelegenheid voor jongeren in de buurlanden; acht het van essentieel belang de sleutelrol van de EU bij het ondersteunen van het vredesproces in het Midden-Oosten, de Palestijnse Autoriteit en de UNRWA te behouden;

3.  benadrukt dat verdere ondersteuning verzekerd moet worden voor kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten, zodat zij politieke, economische en sociale hervormingen kunnen goedkeuren en ten uitvoer leggen; brengt in herinnering dat de eerbiediging van de mensenrechten, de fundamentele vrijheden en de rechtsstaat van essentieel belang is voor het uitbreidingsproces; merkt op dat voor de budgettering van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA) een op prestaties gebaseerde benadering werd gebruikt;

4.  onderstreept dat de crisisbestrijdingsmechanismen van de EU, gezien de dynamische ontwikkelingen op het vlak van de mondiale veiligheid en de humanitaire situatie, moeten worden versterkt; verwerpt de voorgestelde besparingen op het instrument, dat bijdraagt aan vrede en stabiliteit, nadrukkelijk, en beklemtoont dat een verzwakking van het unieke EU-instrument voor crisisbestrijding, crisisparaatheid en conflictpreventie een strategische fout zou zijn; wijst erop hoe belangrijk het is voldoende middelen uit te trekken voor de begroting van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB), waarmee civiele crisisbeheersingsmissies – die bijdragen aan de opbouw van vrede en veiligheid wereldwijd – worden gefinancierd;

5.  staat positief tegenover het voorstel voor een voorbereidende actie op het vlak van defensieonderzoek volgend op een proefproject van het Europees Parlement, omdat dit zou kunnen zorgen voor meer samenwerking tussen de lidstaten inzake veiligheid en defensie;

6.  benadrukt de belangrijke rol van het Europees Instrument voor democratie en mensenrechten en van de steun die via dit instrument wordt verleend voor verkiezingswaarneming, en onderstreept dat eerbiediging van de mensenrechten, democratie en de rechtsstaat van essentieel belang zijn voor de stabiliteit en welvaart in de wereld; is ingenomen met de verhoging van de middelen voor dit instrument, dat verder moet worden versterkt;

7.  roept op om meer te investeren in de zichtbaarheid van het buitenlands beleid van de EU, teneinde de effecten van de financiering op dit gebied te vergroten;

8.  herhaalt zijn verzoek om de begrotingslijn voor de speciale vertegenwoordigers van de EU op een begrotingsneutrale manier over te dragen van de GBVB-begroting naar de administratieve begroting van de EDEO om de diplomatieke activiteiten van de EU verder te consolideren;

9.  onderstreept dat uitwisselingsprogramma's voor jongeren behoren tot de meest succesvolle maatregelen om interculturele vaardigheden te vergroten en het begrip en de verbondenheid tussen mensen en landen te stimuleren; vestigt daarom nadrukkelijk de aandacht op de fondsen die jaarlijks vanuit het ENI, het IPA2 en het PI overgedragen worden naar het programma Erasmus+.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

30.8.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

50

6

5

Bij de eindstemming aanwezige leden

Lars Adaktusson, Michèle Alliot-Marie, Nikos Androulakis, Francisco Assis, Petras Auštrevičius, Elmar Brok, James Carver, Aymeric Chauprade, Andi Cristea, Mark Demesmaeker, Georgios Epitideios, Anna Elżbieta Fotyga, Eugen Freund, Michael Gahler, Iveta Grigule, Richard Howitt, Sandra Kalniete, Manolis Kefalogiannis, Tunne Kelam, Afzal Khan, Janusz Korwin-Mikke, Andrey Kovatchev, Eduard Kukan, Ilhan Kyuchyuk, Ryszard Antoni Legutko, Arne Lietz, Sabine Lösing, Andrejs Mamikins, David McAllister, Tamás Meszerics, Pier Antonio Panzeri, Demetris Papadakis, Vincent Peillon, Alojz Peterle, Tonino Picula, Kati Piri, Andrej Plenković, Cristian Dan Preda, Jozo Radoš, Sofia Sakorafa, Jacek Saryusz-Wolski, Jaromír Štětina, Charles Tannock, Ivo Vajgl, Hilde Vautmans, Boris Zala

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Laima Liucija Andrikienė, Neena Gill, Takis Hadjigeorgiou, Liisa Jaakonsaari, Othmar Karas, Javi López, Igor Šoltes, Dubravka Šuica, Eleni Theocharous, Ernest Urtasun, Janusz Zemke

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Heidi Hautala, Ernest Maragall, Marian-Jean Marinescu, Antonio Tajani


ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (6.9.2016)

aan de Begrotingscommissie

inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017

(2016/2047(BUD))

Rapporteur: Nirj Deva

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  onderstreept dat de ambitieuze agenda 2030 en de 17 doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, met name doelstelling 3: gezondheid, doelstelling 4: onderwijs, en doelstelling 5: gendergelijkheid, die de Unie en de lidstaten in september 2015 hebben onderschreven, vereisen dat de ontwikkelingshulp uit de EU-begroting ten minste op het in het MFK voorziene niveau gehandhaafd wordt en dat de nadruk blijft liggen op langetermijninspanningen om armoede uit te roeien, zoals bepaald in artikel 208 VWEU;

2.  vraagt de Commissie en de lidstaten dringend erop toe te zien dat financieringsmechanismen en begrotingslijnen aan alle overeengekomen verplichtingen uit hoofde van de Agenda 2030 beantwoorden; verzoekt de EU en haar lidstaten zich onverwijld opnieuw te verbinden tot het streefcijfer van 0,7% van het bni voor officiële ontwikkelingshulp (ODA) en een tijdschema voor te leggen waarbinnen zij de ODA geleidelijk willen opvoeren om die 0,7% uiterlijk in 2030 te bereiken;

3.  verzoekt de Commissie het streven van de Unie naar samenwerking met de particuliere sector en met financiële instellingen bij ontwikkelingssamenwerking waar mogelijk mee te nemen in haar begrotingsvoorstellen; benadrukt dan ook de mogelijkheden om nieuwe bronnen voor ontwikkeling een hefboomwerking te geven door middel van publiek-private partnerschappen, blending en andere innoverende methodes, met inachtneming van ontwikkelingseffectiviteit, mensenrechtenbeginselen en billijke uitkomstgerichte resultaten; ziet uit naar de gedetailleerde voorstellen voor het opzetten van een investeringsplan voor Afrika, dat mensgericht moet zijn en waarin de nadruk zou moeten liggen op capaciteitsopbouw en technische bijstand, industrialisering, handel en investeringskansen, toegang tot energie en infrastructuurvereisten; benadrukt de belangrijke rol die het Parlement moet vervullen bij het ondersteunen en controleren van een dergelijk investeringsplan;

4.  dringt aan op investering in projecten ter versterking van gerichte training voor professionals over gendergerelateerd geweld en schadelijke praktijken, evenals projecten die gemeenschapsbetrokkenheid stimuleren, gezien het feit dat 2017 het Europees jaar zal zijn van bestrijding van geweld tegen vrouwen;

5.  houdt eraan vast dat prioriteiten en financiering moeten zijn afgestemd op de transcontinentale aard van gendergerelateerd geweld en ontwikkelingsvraagstukken; de financiering van projecten moet daarom een investering zijn in een coherente inzet van de EU om hele continenten te bestrijken, zodat de toezegging in de SWD inzake Gendergelijkheid in actie kan worden omgezet;

6.  benadrukt dat de alarmerende omvang van de behoeften op humanitair gebied als gevolg van de crisis in Syrië en andere tot dusver ongekende conflicten het nodig maakt de noodhulpreserve (boven de MFK-plafonds) en het flexibiliteitsinstrument maximaal te gebruiken en tevens de marge in rubriek IV aan te spreken om de humanitaire crisis te op te vangen; vreest dat de nieuwe financieringsmechanismen die van invloed zijn op de ontwikkelingsfondsen een vage doelstelling hebben en betreurt het gemis aan betrokkenheid van de zijde van het Europees Parlement; herhaalt sterk te zijn gekant tegen het gebruik van ontwikkelingsmiddelen voor andere doeleinden dan ontwikkelingsdoelstellingen; dringt bij de EU aan op versterking van haar capaciteit om veiligheid aan ontwikkeling te koppelen bij de uitvoering van het EU-ontwikkelingsbeleid; houdt bovendien vast aan de noodzaak van een deugdelijke financiering voor de begrotingslijnen voor humanitaire hulp;

7.  is van mening dat het invoeren van speciale fondsen zodanig moet plaatsvinden dat op flexibele wijze kan worden ingespeeld op noodsituaties en meerwaarde wordt geboden ten opzichte van bestaande financieringsbronnen, en dat om deze reden gebruik moet worden gemaakt van verse middelen; roept de lidstaten nadrukkelijk op om hun toezeggingen gestand te doen en de in het vooruitzicht gestelde bedragen te betalen;

8.  onderstreept dat de koppeling veiligheid/ontwikkeling moet worden aangepakt, en dat ontwikkelingsdoelstelling (SDG) 16 van de Ontwikkelingsagenda voor 2030 moet worden waargemaakt; herinnert er niettemin aan dat financiering die niet voor DAC in aanmerking komt, uit andere bronnen moet komen dan het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking of het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF);

9.  betreurt de bezuinigingen op de DCI -begrotingslijn voor menselijke ontwikkeling ten opzichte van de begroting 2016 voor de financiering van EU-beleidsprioriteiten; beschouwt dit als strijdig met fundamentele beginselen van ontwikkelingseffectiviteit en verlangt daarom terugkeer naar de begrotingsniveaus van 2016;

10.  acht het van het allergrootste belang langdurige humanitaire crises aan te pakken en het accent te leggen op preventie, opbouw van veerkracht en samenwerking met de talrijke belanghebbenden, teneinde het wereldwijde tekort aan middelen voor humanitaire hulp te helpen overbruggen; meent dat potentiële synergieën tussen regeringen, maatschappelijk bestel en de particuliere sector moeten worden verkend met vermijding van averechtse interactie, als evenzovele bevorderlijke factoren voor paraatheid, preventie en veerkracht;

11.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie om de steun aan ontwikkeling van de lokale particuliere sector in partnerlanden te verhogen en dringt erop aan de desbetreffende toewijzing van middelen zo vroeg mogelijk in de begroting van het volgend jaar op te nemen, maar niet ten koste van de steun voor andere ontwikkelingsactoren zoals maatschappelijke organisaties; benadrukt dat het belangrijk is om een klimaat te helpen scheppen waarin kmo's tot bloei kunnen komen conform de VN-richtsnoeren inzake het bedrijfsleven en de mensenrechten, en wel door de opbouw van wetgevingscapaciteit en een krachtige rechtsstaat, krachtige banksystemen en -regelgeving, functionerende belastingstelsels, en grotere transparantie en verantwoordingsplicht;

12.  benadrukt dat de ontwikkelingsbegroting voor 2017 de aandacht van de Unie voor kwetsbare staten, minst ontwikkelde landen, jeugdwerkloosheid en vrouwen en meisjes die gendergerelateerd geweld en schadelijke praktijken moeten verduren of zich in conflictsituaties bevinden, consequenter moet weerspiegelen; acht de verlaging in de op menselijke ontwikkeling gerichte begrotingslijnen voor het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking ongerijmd tegenover deze behoeften en de verbintenis van de EU om ten minste 20% van haar ODA aan sociale basisdiensten toe te wijzen, met het accent op onderwijs en gezondheidszorg;

13.  is ten zeerste verontrust over het ontoereikende niveau van de kredieten voor de begrotingslijnen voor ontwikkelingssamenwerking voor Azië en het Midden-Oosten, met name gezien de externe en interne druk en instabiliteit in landen als Bangladesh, Pakistan, Irak, Jemen, Ethiopië en Somalië;

14.  vraagt de Commissie en de lidstaten dringend om de ontwikkelingslanden te steunen bij het opzetten van degelijke en veerkrachtige socialezekerheids- en gezondheidszorgsystemen; roept de Commissie op om te blijven werken aan betere toegang tot medicijnen in arme landen; wijst opnieuw op de noodzaak om te investeren in de bestrijding van veronachtzaamde ziekten; vraagt de Commissie in dit verband om vervolgaandacht voor de Ebola-epidemie;

15.  roept de Commissie op erop toe te zien dat de financiering van de aanpassing aan de gevolgen van klimaatverandering en van andere klimaatacties in kwetsbare derde landen als aanvulling blijft dienen van de financiering van acties via ontwikkelingssamenwerkingsinstrumenten; deze klimaatfinanciering wordt meegeteld voor de naleving van de verbintenissen op het gebied van klimaatfinanciering van de Unie, maar vormt een aanvulling op en wordt niet beschouwd als ontwikkelingsfinanciering.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

31.8.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

21

2

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Louis Aliot, Beatriz Becerra Basterrechea, Ignazio Corrao, Manuel dos Santos, Doru-Claudian Frunzulică, Nathan Gill, Charles Goerens, Enrique Guerrero Salom, Heidi Hautala, Maria Heubuch, György Hölvényi, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Stelios Kouloglou, Arne Lietz, Linda McAvan, Norbert Neuser, Cristian Dan Preda, Lola Sánchez Caldentey, Eleni Theocharous, Paavo Väyrynen, Bogdan Brunon Wenta, Rainer Wieland, Anna Záborská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Brian Hayes, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Liliana Rodrigues


ADVIES van de Commissie internationale handel (1.9.2016)

aan de Begrotingscommissie

inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017

(2016/2047(BUD))

Rapporteur voor advies: Reimer Böge

SUGGESTIES

De Commissie internationale handel verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  wijst erop dat de Unie een steeds ambitieuzere handelsagenda heeft, zoals vastgesteld in de "Handel voor iedereen"-strategie, wat leidt tot een toegenomen werkdruk voor DG Handel; benadrukt dat extra inspanningen moeten worden geleverd om het toezicht (onder meer door het maatschappelijk middenveld) vooraf, tussentijds en achteraf op de uitvoering en de effecten van de door de Unie gesloten handelsovereenkomsten te versterken, en dat er nood is aan passende publieke voorlichting en verspreiding van informatie hierover, teneinde de uitvoering en handhaving van de verplichtingen van de Unie en haar handelspartners te waarborgen, met name op het gebied van armoedebestrijding, duurzame ontwikkeling en eerbiediging van de mensenrechten; is zich bewust van de negatieve gevolgen van de geplande CETA- en TTIP-overeenkomsten voor de eigen middelen; benadrukt evenwel dat de middelen voor "hulp voor handel"-initiatieven moeten worden verhoogd en dat voldoende middelen moeten worden toegewezen om te waarborgen dat DG Handel over voldoende personeel beschikt om het toenemende aantal gelijktijdige onderhandelingen en toezichtsactiviteiten uit te voeren;

2.  benadrukt dat het dringend noodzakelijk is om, in het kader van de herziening van het MFK, ook ten aanzien van de handelsagenda de begroting van de Unie en de structuur ervan fundamenteel te hervormen, en dringt er bij de Commissie op aan om, in samenspraak met de Raad en het Europees Parlement, actie te ondernemen;

3.  wijst erop dat de burgers van de Unie in toenemende mate vragen om grotere betrokkenheid bij en inspraak in het handelsbeleid van de Unie en dat de Commissie van deze belangstelling van de burgers een prioriteit heeft gemaakt; benadrukt in dit verband dat het van cruciaal belang is voldoende middelen toe te wijzen om burgers actief bij de besluitvorming betreffende het handelsbeleid van de Unie te betrekken, via actieve participatie, bijeenkomsten met belanghebbenden, online en offline voorlichtingsinitiatieven en de vertaling van infopagina's, onderhandelingsteksten en officiële standpunten; dringt er bij de lidstaten, aangezien zij het zijn die de onderhandelingsmandaten formuleren, op aan een actievere rol op zich te nemen bij het uitleggen van de toegevoegde waarde van het handelsbeleid van de Unie, en in hun eigen nationale begrotingen in voldoende middelen voor deze voorlichting te voorzien;

4.  benadrukt dat internationale handel een belangrijk instrument in het buitenlands beleid van de Unie is dat, indien het wordt ondersteund door de benodigde financiering en wordt uitgevoerd door middel van samenhangende politieke, economische, handels- en ontwikkelingsstrategieën, kan bijdragen tot duurzame ontwikkeling, met name in ontwikkelingslanden, waardoor de Unie een actieve rol kan spelen bij het aanpakken van de oorzaken van migratie;

5.  benadrukt dat de handelsgerelateerde technische ondersteuning en economische bijstand die in het kader van het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) worden verstrekt aan onze nauwe partners van het Oostelijk Partnerschap alsook aan de landen van na de Arabische Lente een belangrijke bijdrage leveren aan de stabiliteit in deze regio's; is bijgevolg bezorgd over de voorgestelde bezuinigingen op de mediterrane as alsook op de bijstand aan Palestina en de UNRWA; herhaalt dat in partnerlanden bovenal moet worden gestreefd naar concrete en duurzame verbeteringen van de levensomstandigheden van gewone mensen;

6.  betreurt de voorgestelde aanzienlijke bezuinigingen op de macrofinanciële bijstand in vergelijking met het uitzonderlijk hoge niveau hiervan in 2016, gezien het feit dat veel partnerlanden nog steeds kampen met ernstige economische moeilijkheden; is van mening dat een hoger financieringsniveau dan voorgesteld nodig zal zijn om te waarborgen dat alle toekomstige leningaanvragen kunnen worden ingewilligd; benadrukt dat MFB-leningen en de eraan verbonden terugbetalingsvoorwaarden niet mogen leiden tot nieuwe afhankelijkheid voor de ontvangende landen;

7.  is bezorgd over het toenemende gebruik van garanties en financiële instrumenten buiten de begroting van de Unie om het hoofd te bieden aan vele crises, die deels uit de begroting van de Unie worden gefinancierd door te bezuinigen op programma's in rubriek IV; wijst erop dat de lidstaten er niet in slagen de bijdragen van de Unie op de twee trustfondsen af te stemmen waardoor hun potentiële effect wordt beperkt; benadrukt dat dergelijke financieringsinstrumenten de vastgestelde criteria inzake doeltreffendheid van de hulp, zoals eigen verantwoordelijkheid en onderlinge afstemming, moeten eerbiedigen en een uitzondering moeten blijven omdat zij niet vooraf moeten worden goedgekeurd door het Europees Parlement en dus geen democratische legitimiteit hebben; herhaalt dat deze instrumenten uiteindelijk in de begroting van de Unie moeten worden opgenomen om goede democratische controle toe te laten;

8.  is ingenomen met de aankondiging van de Commissie dat zij in het najaar van 2016 met een voorstel zal komen voor een extern investeringsplan als onderdeel van het kader voor nieuwe migratiepartnerschappen; is van mening dat het externe investeringsplan nieuwe investeringsmogelijkheden voor Europese ondernemingen zal bieden in de ontwikkeling van derde landen en zal bijdragen tot de duurzame politieke en economische stabilisering van het Europese nabuurschap; betreurt dat de toekomstige voorstellen niet zijn opgenomen in het ontwerp van algemene begroting voor 2017; benadrukt dat de oprichting van het nieuwe fonds niet ten koste mag gaan van de reeds ondergefinancierde programma's uit rubriek IV, maar dat gebruik moet worden gemaakt van de fondsen en van de expertise en de beheercapaciteiten van de Europese Investeringsbank;

9.  wijst op de voorgestelde verhoging van de vastleggingskredieten en de aanzienlijke verruiming van de betalingskredieten voor het partnerschapsinstrument; is bezorgd over het feit dat afzonderlijke handelsbevorderingsprojecten die in het kader van dit instrument worden uitgevoerd geen aanvulling vormen op de bestaande lokale en regionale programma's, maar hiervoor juist oneerlijke concurrentie vormen; verzoekt de Commissie de bestaande instrumenten ter bevordering van de internationalisering van kmo's te beoordelen en te verbeteren wat betreft de coherentie ervan met andere Europese instrumenten ter ondersteuning van kmo's, zoals Cosme, alsook wat betreft subsidiariteit, niet-overlapping en complementariteit met de programma's van de lidstaten; dringt er bij de Commissie op aan tijdig voorstellen in te dienen voor de tussentijdse evaluatie van deze programma's teneinde de efficiëntie en doeltreffendheid ervan te verbeteren.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

31.8.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

27

8

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Maria Arena, David Campbell Bannerman, Daniel Caspary, Salvatore Cicu, Marielle de Sarnez, Santiago Fisas Ayxelà, Karoline Graswander-Hainz, Yannick Jadot, Ska Keller, Jude Kirton-Darling, David Martin, Emmanuel Maurel, Emma McClarkin, Anne-Marie Mineur, Sorin Moisă, Alessia Maria Mosca, Franz Obermayr, Artis Pabriks, Franck Proust, Inmaculada Rodríguez-Piñero Fernández, Tokia Saïfi, Marietje Schaake, Helmut Scholz, Joachim Schuster, Joachim Starbatty, Adam Szejnfeld, Hannu Takkula, Iuliu Winkler

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Reimer Böge, Edouard Ferrand, Seán Kelly, Stelios Kouloglou, Gabriel Mato, Georg Mayer, Bolesław G. Piecha, Jarosław Wałęsa


ADVIES van de Commissie begrotingscontrole (28.9.2016)

aan de Begrotingscommissie

inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017

(2016/2047(BUD))

Rapporteur voor advies: Martina Dlabajová

SUGGESTIES

De Commissie begrotingscontrole verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat waar de middelen schaars zijn het des te meer geboden is om begrotingsdiscipline te betrachten en efficiënt en effectief met de gelden om te gaan;

B.  overwegende dat de voornaamste doelstelling van de ontwerpbegroting 2017 moet zijn te zorgen dat de Uniebegroting van de nodige middelen wordt voorzien, zodat een grotere bijdrage voor werkgelegenheid, groei, investeringen en solidariteit ook kan worden waargemaakt, en op blijvende uitdagingen en nieuwe ontwikkelingen en de daaruit voortvloeiende gevolgen zoals uitblijvend economisch herstel en toenemende ongelijkheid, immigratie, humanitaire hulp en veiligheid kan worden gereageerd;

C.  roept op tot een grondige bezinning over belastingheffing op het niveau van de Unie en pleit voor de invoering van een of meerdere nieuwe en werkelijk eigen middelen voor de financiering van de prioriteiten van de Unie (investeringsprojecten, Horizon 2020 enz.).

D.  overwegende dat de dialoog tussen het Parlement en de Commissie als bedoeld in artikel 318 VWEU een prestatiegerichte cultuur binnen de Commissie, waartoe ook grotere transparantie en meer verantwoordingsplicht behoren, dient te bevorderen;

Programmaverklaring voor operationele uitgaven bij de begroting 2017

1.  herinnert aan zijn resolutie van 3 juli 2013 over het geïntegreerd internecontrolekader(1) waarin het Parlement te kennen gaf de opvatting van de Rekenkamer te delen dat het niet zinvol is prestaties te willen meten zonder eerst de begroting op basis van prestatie-indicatoren​ te hebben opgesteld(2)​, en om een prestatiegebaseerd begrotingsmodel vroeg waarbij elke begrotingslijn vergezeld gaat van aan prestatie-indicatoren te meten doelstellingen en resultaten;

2.  verwelkomt de programmaverklaringen voor de operationele uitgaven die bij de ontwerpbegroting 2017 zijn gevoegd, waarmee voor een deel tegemoet wordt gekomen aan het verzoek van het Parlement omtrent doelstellingen, resultaten en indicatoren; merkt op dat deze verklaringen de gebruikelijke methode van Activity Based Budgeting met enkele prestatiegegevens aanvullen;

3.  houdt eraan vast dat het Parlement, als onderdeel van de begrotingsautoriteit, het recht heeft zijn standpunt kenbaar te maken over die doelstellingen en indicatoren en over de verenigbaarheid ervan met de in de Verdragen genoemde EU-prioriteiten en met de strategische documenten zoals de Europa 2020-strategie, en alvorens de begroting goed te keuren de Europese meerwaarde van elke begrotingslijn dient te toetsen;

4.  houdt staande dat het voor de vereenvoudiging van de interne beheersinstrumenten bij de Commissie nodig is dat de directeuren-generaal bij de Commissie bij de vaststelling van hun beheersplannen en hun jaarlijkse werkverslagen vasthouden aan de politieke doelstellingen en indicatoren zoals in de programmaverklaringen voor de operationele uitgaven vermeld, en dat de Commissie haar evaluatieverslag bedoeld in artikel 318 VWEU hierop baseert;

5.  betuigt zijn zorg over de betalingsachterstand (RAL) die nog steeds uiterst hoge waarden laat zien en die indruist tegen de geest van de Verdragen die een evenwichtige begroting verlangen; vraagt de Commissie en de lidstaten rigoureus de prioriteiten te kiezen die moeten worden gefinancierd en de projecten die geen duidelijke meerwaarde uitwijzen, op te geven;

Tussentijdse herziening

6.  is van mening dat de tussentijdse herziening van het MFK, die tegen eind 2016 door de Commissie zal worden gepresenteerd, de eerste en beste gelegenheid is voor een structurele aanpak van een aantal ernstige crises en van het hoge RAL-niveau, aandacht voor nieuwe politieke ontwikkelingen die ten tijde van de vaststelling van het MFK niet waren voorzien, en beoordeling en toetsing van de doelmatigheid van de reeds gefinancierde programma's; vraagt de Commissie om geschikte oplossingen te zoeken voor de volgende kwesties: (i) (i) aanpassing van sectorale beleidsvelden die door de EU worden gefinancierd; (ii) (ii) wezenlijke vorderingen met de vereenvoudiging van zowel materiële als procedurele kwesties rond het gebruik van de Uniebegroting; (iii) (iii) waarborgen dat financiële instrumenten (FI's) terdege zijn gericht op de beste resultaten; verzoekt de Commissie met klem een voorstel te doen voor een zodanige herziening van de MFK-verordening dat aan alle resulterende respectieve budgettaire consequenties zoals de RAL tegemoet wordt gekomen;

7.  verzoekt de Commissie het Europees Parlement tijdig voor de tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) voorstellen voor te leggen over de wijze waarop politieke langetermijndoelstellingen als de Europa 2020-strategie te verenigen is met het toekomstige MFK van na 2020;

Financiële correcties en terugvorderingen

8.  wijst erop dat het totale bedrag aan financiële correcties en terugvorderingen die de Commissie oplegt aan lidstaten die nalaten goede systemen toe te passen, in 2015 circa 3 499 miljoen EUR bedroeg, wat minder is dan in 2014 (4 728 miljoen EUR); verzoekt de Commissie duidelijk aan te geven welke in 2015 teruggevorderde bedragen in de rekeningen van de Unie als ontvangsten zijn geboekt of zijn gecompenseerd, met vermelding van de begrotingslijn waartoe zij behoorden, en welke gevolgen de in 2016 besliste financiële correcties en terugvorderingen kunnen hebben voor de betalingsbehoeften voor de begroting 2017;

9.  vraagt de Commissie en de lidstaten dringend voor meer transparantie met betrekking tot terugvorderingen te zorgen, in het bijzonder ten aanzien van het jaar waarin de betaling is verricht, het jaar waarin de desbetreffende fout is vastgesteld en het jaar waarin de terugvorderingen of financiële correcties in de toelichting bij de rekeningen zijn bekendgemaakt;

Sectoraal beleid

10.  ziet de sectorale beleidsaanpassing nog vóór de tussentijdse herziening als eerste stap naar een werkelijke hervorming van het MFK na 2020 volgens nieuwe regels en principes die recht doen aan de verwachte behoeften en prioriteiten voor het derde decennium van de 21e eeuw; vraagt de Commissie om de Uniebegroting aan te passen in de zin van een sterkere concentratie op de elementaire EU-prioriteiten zoals geactualiseerd, waaronder ook de synergiën daartussen;

11.  herinnert eraan dat "maatschappelijke uitdaging 6" in het Horizon 2020-programma (Europa in een veranderende wereld – inclusieve, innovatieve en reflexieve samenlevingen), met name wat betreft mens- en sociale wetenschappen, door het Parlement werd geïntroduceerd tijdens de uitwerking van Horizon 2020 en als prioriteit werd bestempeld; herinnert eraan dat dit onderdeel belangrijk is voor de gebieden waarop de Unie in het bijzonder het hoofd moet bieden aan problemen zoals de strijd tegen de werkloosheid, armoede, radicalisering, terrorisme, de begeleiding van migranten, economisch en monetair bestuur en de strijd tegen ongelijkheid; is daarom bang dat tijdens de tenuitvoerleggingsfase van het programma, mens- en sociale wetenschappen niet langer bovenaan de lijst met prioriteiten zullen staan door het wegvallen van het specifieke leiderschap en door een verlaging van de vastleggingskredieten met 40 %, terwijl de algemene begroting van Horizon 2020 in het kader van het MFK 2014-2020 is verhoogd;

12.  onderstreept dat het slagingspercentage van de eerste 100 oproepen van Horizon 2020 14 % bedraagt (tegenover 20 % van het gehele FP7). Slechts 20 % van het voor kmo's bestemde budget werd toegewezen (5 % bijdrage uit het kmo-instrument), 38 % van de geslaagde kandidaten waren nieuwkomers en zeer weinigen gaan van de eerste fase naar de tweede door. Dat voert tot de conclusie dat de tweede en de derde fase, die vragen om een haalbaarheidsstudie naar echte innovatie en verdere commercialisering, aan potentieel verliezen. Daarnaast moet de rol van kmo's worden verstevigd.

13.  bovendien liggen de landen in Oost- en Centraal-Europa in slagingspercentage en financieringsaandeel ver achter op de westelijke en noordelijke lidstaten; dringt aan op meer technische hulp waar deze nodig is en delen van goede praktijken; vereenvoudigde en begrijpelijke synergie tussen Horizon 2020 en ESIF/EFSI is eveneens raadzaam;

14.  herinnert eraan dat de Uniebegroting als belangrijke versneller moet werken voor middellange- en lange-termijninvesteringsactiviteiten, ook bij het tegengaan van toenemende ongelijkheid en volledig nieuwe sociale problemen; merkt op dat de Uniebegroting krachtiger steun zou kunnen bieden aan investeringen op gebieden die de Unie meer cohesie kunnen geven en minder kwetsbaar maken voor externe schokken, zoals projecten rond energie, mobiliteit, IT en O&O, waaraan eveneens sociale aspecten en implicaties verbonden zijn die efficiënt moeten worden geaccentueerd;

15.  verzoekt de begrotingsautoriteiten de inspanningen van de Unie ter voorkoming en bestrijding van fraude, corruptie en andere illegale activiteiten die de financiële belangen van de Unie schaden, te benadrukken; dringt er nogmaals bij de Commissie op aan de lidstaten adequate technische hulp te bieden en de uitwisseling van goede praktijken te stimuleren, bij wijze van preventieve maatregel tegen onregelmatigheid en fouten bij het gebruik van de EU-fondsen, en acht het dan ook bezwaarlijk dat de Commissie voorstelt financiële middelen die voor zulke technische hulp waren uitgetrokken opnieuw te bestemmen voor activiteiten van geheel andere aard;

Vereenvoudiging en transparantie

16.  onderstreept dat de huidige en de recente praktijk leert dat voortzetting van de vereenvoudiging van het proces voor aanwending en verkrijging van Uniefondsen door gebruikers hard nodig is; is van mening dat hoe eenvoudiger de regels zijn, hoe uniformer zij worden, en hoe kleiner het risico van onopzettelijke fouten en verzuimen is, des te duidelijker en gezaghebbender worden de regels en des te minder blijft er ruimte voor illegale en criminele activiteiten rond het proces; merkt op dat hoe eenvoudiger en transparanter het proces, hoe minder ruimte voor oneigenlijke toewijzing en verdeling van de Uniefondsen;

17.  wanneer de toegankelijkheid van EU-financiering eenvoudiger en meer transparant wordt gemaakt zou daarvan meer gebruik worden gemaakt met alle zichtbare en heilzame effecten van dien in de lidstaten;

18.  merkt op dat overregulering en onnodige optuiging de belangrijkste obstakels zijn voor de ontvangers van steun uit de Europese Structuur- en Investeringsfondsen (ESIF's) en voor de betrokken auditorganen; vraagt de Commissie en de lidstaten dringend de administratieve lasten en druk op de steunontvangers te verminderen, bv. door middel van de eenvormige auditstrategie; is evenwel bezorgd over de trage overname van vereenvoudigingsmaatregelen door de lidstaten en roept de Commissie op de nationale autoriteiten hierbij te hulp te komen;

19.  wijst erop dat volledige transparantie waarborgt dat de gelden met volledige inachtneming van de regels zullen worden aangewend; maakt zich zorgen over de transparantie rond grote, door de Unie gefinancierde projecten, vooral waar het gaat om de gegevens omtrent de onderaannemers; vraagt de Commissie om in systemen te voorzien die een grotere transparantie bieden, ook voor de gelden die aan derde landen worden uitgekeerd;

Toegevoegde waarde van de financiële steun van Unie

20.  benadrukt dat het belangrijk is een op meetbare resultaten gerichte cultuur in de EU-uitgaven centraal te stellen; benadrukt dat prestatie- en outputgerelateerde beoordeling waar nodig een leidend beginsel moet worden; verwelkomt het initiatief van de Commissie voor een resultaatgerichte EU-begroting als eerste stap naar een prestatiegebaseerde budgettering; vraagt de Commissie en de lidstaten dringend ervoor te zorgen dat de beperkte financiële middelen zo doeltreffend mogelijk worden gebruikt, bv. door bij de uitvoering van projecten niet meer zozeer te letten op kwantitatieve criteria zoals RAL en RAC als wel op kwaliteitscriteria zoals resultaten, doelmatigheid, efficiëntie en meerwaarde;

Financiële instrumenten

21.  merkt op dat financiële structureringsinstrumenten (FEI), indien gericht ingezet voor een juiste projecttypologie en voor redelijke doeleinden instrumenten kunnen zijn voor een effectieve toewijzing van Unie-gelden en het potentieel hebben om in de toekomst tot de beste mainstreampraktijken te gaan behoren voor verdeling van begrotingsuitgaven; dringt er bij de Commissie op aan de transparantie bij het gebruik van financiële structureringsinstrumenten (FEI) te verbeteren, regelmatig verslag uit te brengen over de hefboomeffecten, de verliezen en de risico's, en een kosten-batenanalyse te presenteren van de FEI ten opzichte van directere vormen van projectfinanciering; vraagt de Commissie doeltreffende bewakingssystemen in te voeren om de vraag naar financiële instrumenten in de lidstaten te analyseren, ter vermijding van overkapitalisatie waardoor gelden worden vastgelegd die niet aan de uitvoering van EU-beleid bijdragen, zoals de Rekenkamer in zijn Speciaal verslag 5/2015 heeft gesignaleerd.

22.  stelt met zorg vast dat blijkens de EFSI-uitvoeringscijfers de investeringen zich voor het merendeel op de vijf belangrijkste economieën in de EU concentreren, hetgeen afbreuk doet aan de strategische EU-doelstelling van meer cohesie.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

26.9.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

21

1

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Nedzhmi Ali, Inés Ayala Sender, Ryszard Czarnecki, Dennis de Jong, Martina Dlabajová, Luke Ming Flanagan, Jens Geier, Ingeborg Gräßle, Verónica Lope Fontagné, Georgi Pirinski, Petri Sarvamaa, Claudia Schmidt, Bart Staes, Marco Valli, Derek Vaughan, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Cătălin Sorin Ivan, Andrey Novakov, Julia Pitera, Miroslav Poche, Richard Sulík

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

John Stuart Agnew, Edouard Ferrand

(1)

  PB C 75 van 26.2.2016, blz. 100.

(2)

  Bijdrage van Kersti Kaljulaid op de door CONT op 22 april 2013 gehouden hoorzitting over het geïntegreerd internecontrolekader.


ADVIES van de Commissie economische en monetaire zaken (6.9.2016)

aan de Begrotingscommissie

inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017

(2016/2047(BUD))

Rapporteur voor advies: Markus Ferber

SUGGESTIES

De Commissie economische en monetaire zaken verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  Calls for the 2017 draft budget to reflect and support the priorities outlined in the European Semester, specifically relaunching investments, in particular for innovation, growth and job creation, pursuing sustainable structural reforms to modernise European economies, conducting responsible fiscal policies, and increasing competitiveness, thereby also promoting the growth and competitiveness of SMEs;

2.  In that regard, notes with particular concern the continuing high levels of youth unemployment, despite the fact that the Union has returned to modest economic growth;

3.  Recalls the key role played by the European Fund for Strategic Investments (EFSI) in mobilising private sector financing and new sources of finance in investments crucial for the competitiveness and economic recovery of the Union; emphasises the need to finance new investments in line with the criteria set out in Regulation (EU) 2015/1017 of the European Parliament and of the Council(1), in particular additionality, sustainability and territorial and social cohesion;

4.  Takes the view that it is essential to boost public investment in order to preserve and enhance the quality of health and education systems and the quality of services provided for the public, as well as in order to create favourable conditions for economic development;

Civil-society capacity building in the area of financial services

5.  Notes that after five years, entities benefiting from funding of the civil-society capacity building in the area of financial services remain dependent on EU funding with EU grants consistently representing more than 50 % of their respective budgets; emphasises that such entities should continue to demonstrate their added value by achieving a higher degree of self-funding; notes that a co-financing rate above 50% exists for the funding of several non-industry representatives; points out that the Commission proposal which continues the funding arrangements for civil-society capacity building should be adopted before the end of the year to allow for continuous funding;

6.  Calls for continued investment in structural funds across all regions, including transition areas, in order not to interrupt the effects of measures and efforts already implemented;

ESAs and supervision

7.  Points out the present and future role of the three European Supervisory Authorities (ESAs) in relation to Union-level financial and banking supervision, the capital markets union, the promotion of supervisory convergence, the establishment of the single rulebook in banking and other financial services, and the assessment of the risks to financial stability and the banking union; emphasises that the 2017 draft budget must provide sufficient resources for the ESAs to fulfil their mandate; highlights the need for the ESAs to be adequately financed and staffed in order to be able to perform the tasks assigned to them; points out that sufficient resources should be allocated to the area of investor and consumer protection;

8.  Points out, however, that in the case of EBA, sufficient resources should be provided for in the 2017 and any future draft budget to prepare for a relocation away from London, such relocation to take place when the United Kingdom and the European Union finish negotiations pursuant to Article 50 of the Treaty on the European Union and the UK withdraws from the European Union;

9.  Emphasises that the ESAs must stick strictly to the tasks assigned to them by the Union legislator and must not seek to de facto broaden their mandate beyond those assignments;

10.  Stresses that in the field of digitalisation of financial services, particularly with regards to distributed ledger technology (DLT), a build-up of technical expertise is urgently needed in order to be better able to react rapidly to potential challenges; therefore expressly supports the funding of a horizontal task force on DLT;

Tax issues and Fiscalis 2020

11.  Points out that in light of the legislative revisions with regard to the exchange of information in the field of taxation between national tax authorities, the legal basis for the Fiscalis 2020 programme may need to be revised in order to properly reflect those changes and to fight tax fraud, tax evasion and aggressive tax planning.

12.  Supports the continuation of the pilot project on capacity building, programmatic development and communication in the context of the fight against tax avoidance, tax evasion and tax fraud, launched in 2016.

13.  Deplores the fact that Eurostat does not provide up to date data on the Europe 2020 indicators despite several reminders from the European Parliament; is critical of the fact that the user-friendliness of Eurostat's website continues to leave significant room for improvement; calls on Eurostat to make improvements in that regard and to ensure that all objectives from the European Statistical Programme are in fact accomplished.

EFRAG

14.  Calls on the Commission to continue the reform of the European Financial Reporting Advisory Group (EFRAG), in particular with regard to its task and responsibilities, thereby also strengthening the Union's influence in international accounting standard-setting.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

1.9.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

43

7

6

Bij de eindstemming aanwezige leden

Gerolf Annemans, Burkhard Balz, Hugues Bayet, Pervenche Berès, Udo Bullmann, Esther de Lange, Anneliese Dodds, Markus Ferber, Sven Giegold, Neena Gill, Sylvie Goulard, Roberto Gualtieri, Brian Hayes, Danuta Maria Hübner, Cătălin Sorin Ivan, Petr Ježek, Barbara Kappel, Othmar Karas, Georgios Kyrtsos, Alain Lamassoure, Philippe Lamberts, Werner Langen, Olle Ludvigsson, Fulvio Martusciello, Marisa Matias, Bernard Monot, Luděk Niedermayer, Stanisław Ożóg, Pirkko Ruohonen-Lerner, Alfred Sant, Pedro Silva Pereira, Peter Simon, Theodor Dumitru Stolojan, Paul Tang, Ernest Urtasun, Marco Valli, Tom Vandenkendelaere, Cora van Nieuwenhuizen, Miguel Viegas, Jakob von Weizsäcker, Marco Zanni

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Enrique Calvet Chambon, Matt Carthy, David Coburn, Mady Delvaux, Ramón Jáuregui Atondo, Syed Kamall, Thomas Mann, Siegfried Mureşan, Eva Paunova, Joachim Starbatty, Tibor Szanyi, Antonio Tajani, Romana Tomc, Miguel Urbán Crespo

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Ernest Maragall

(1)

Regulation (EU) 2015/1017 of the European Parliament and of the Council of 25 June 2015 on the European Fund for Strategic Investments, the European Investment Advisory Hub and the European Investment Project Portal and amending Regulations (EU) No 1291/2013 and (EU) No 1316/2013 — the European Fund for Strategic Investments (OJ L 169, 1.7.2015, p. 1).


ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (2.9.2016)

aan de Begrotingscommissie

inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017

(2016/2047(BUD))

Rapporteur voor advies: Giovanni La Via

SUGGESTIES

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  Recalls that a high level of environmental and health protection in the Union is a precondition for economic prosperity, and that food and feed safety and mechanisms to help protect against natural and man-made disasters are of core value to all European citizens and, hence, to the European Parliament;

2.  Observes that Member States should view environment and climate-friendly policies, measures and projects as an opportunity to improve public health and promote growth;

3.  Points out the crucial importance of investments in research and innovation in several areas which are under the remit of the Committee on the Environment, Public Health and Food Safety, and stresses that it is essential for the draft budget for 2017 to appropriately reflect the fact that such investments are a priority; points out that the sustainable growth and innovation capacity of small and medium-sized enterprises (SMEs) in the Union is one of the main competitive advantages that the Union has in globalised markets;

4.  Acknowledges that a substantial part of the draft budget for 2017 (especially of heading 3) has to be dedicated to the challenges that the Union is currently facing, especially to addressing the migration and security crises; points out, however, that the substantial European added value of the policies and financing instruments in the remit of the Committee on the Environment, Public Health and Food Safety has to be borne in mind by the budgetary authorities when deciding on the draft budget for 2017 and urges the Council in particular to refrain from making any cuts in respect of policies and financing instruments within the remit of that committee which have clearly demonstrable Union added value;

5.  Welcomes the Paris Agreement concluded in December 2015 and underlines that the Union budget must support the fulfilment of the objectives of that Agreement and the Union's long-term climate goals; recalls that the Paris Agreement requires that finance flows be made consistent with a pathway towards low greenhouse gas emissions and climate-resilient development; stresses the commitment by developed countries to mobilise climate finance to developing countries from public and private sources and underlines the need to scale up predictable, new and additional climate finance in line with that Agreement; calls on the Commission to undertake a full evaluation of the consequences of the Paris Agreement for the Union budget in due time to allow it to be considered for revision, and to develop a dedicated, automatic Union finance mechanism, providing additional and adequate support towards the Union's fair share in delivering the USD 100 billion international climate finance goal;

6.  Underlines that the review of the MFF creates an excellent opportunity to ensure that the target of spending 20 % on climate-related actions is reached; notes that the Commission's climate mainstreaming methodology indicates that 19,2 % of total commitment appropriations proposed in the draft budget for 2017 are climate-related, compared to 20,8 % in 2016; calls on the Commission to ensure that the mechanism of climate action mainstreaming is put fully into operation and that the current method of tracking such spending is improved;

7.  Recalls, furthermore, that the Union is also committed to implementing the United Nations Convention's Strategic Plan for Biodiversity and underlines that it should dedicate sufficient resources to fulfilling its commitments in that respect; notes in this regard that 8,2 % of total commitment appropriations proposed in draft budget for 2017 are related to reversing the decline in biodiversity, compared to 9 % in 2016; calls on the Commission to provide further explanation for the apparent fall in both climate and biodiversity-related spending as a proportion of the overall budget;

8.  Recalls the added value that ecosystems and biodiversity bring to the European environment, and calls therefore for sufficient resources to be allocated in the draft budget for 2017 to ensure the long-term protection of biodiversity; reminds the Commission and the Member States, therefore, of their obligation under Article 8 of the Habitats Directive to ensure an adequate level of financing for the conservation measures needed to restore the species and habitats in Natura 2000 sites to a favourable conservation status;

9.  Underlines the importance of mainstreaming biodiversity protection in the development, implementation and funding of all Union policies and considers transparency of Member States' spending on nature protection and biodiversity conservation to be equally important for the consistency and coherence of Union expenditure;

10.  Calls on the Commission to ensure that Union financial resources do not contain subsidies that are harmful for the climate, do not lock in fossil fuel infrastructure, such as fossil fuel subsidies, do not support activities which are harmful to biodiversity, and do not damage ecosystems; calls on the Commission furthermore to introduce an effective method of tracking biodiversity spending in the Union budget;

LIFE

11.  Recalls that LIFE is the Union's financial instrument supporting environmental, nature conservation and climate action projects throughout the Union;

12.  Recalls, in particular, that climate action is a key, cross-sector priority, as set out in the Europe 2020 Strategy and in Commission's agenda for 'Jobs, Growth, Fairness and Democratic change' and emphasizes that the specific sub-programme for climate action under the LIFE programme supports the Union's role and key legislation (including the development of the EU emissions trading scheme), and paves the way for the transition to a low carbon economy by 2050; recalls that at least 20 % of the Union budget has to be climate-related, with contributions from different policies;

13.  Regrets, however, against this background and while welcoming the increase of EUR 30,9 million in commitments in the draft budget for 2017 in the LIFE budget, that, this year again, the LIFE programme, with a total funding of EUR 493,7 million, constitutes a share of only 0,3 % of the whole draft budget for 2017;

14.  Highlights the previous problems entailed by the lack of payment appropriations for the LIFE programme, which impeded and delayed its proper implementation;

15.  Welcomes the project-level tracking system for LIFE put in place by the Commission; notes that project-level performance information has been collected since 2015 and will be used for the mid-term evaluation and aggregated at programme level; acknowledges that the tracking system is expected to be fully operational for the second LIFE multi-annual work programme 2017-2020;

Public health, food safety and civil protection

16.  Takes note of the proposed EUR 64,5 million in commitments (+3,8 % compared to 2016) and EUR 57,7 million in payments (-17,8 % compared to 2016) for health under the draft budget for 2017; regrets that this represents, as in previous years, a share of only 0,04 % in commitments in the draft budget for 2017 and a share of only 1,5 % of heading 3 (in commitments), and does not fully reflect the importance of health as a value in itself and as a prerequisite to promote growth;

17.  Welcomes the fact that a joint action on health technology assessment shall start in 2016 and shall contribute directly to the Commission's objective of achieving a 'deeper and fairer internal market with a strengthened industrial base'; acknowledges that financially this is the largest action ever co-funded from the health programme with EUR 12 million co-funding;

18.  Highlights that the Union has the highest standards for food safety in the world; takes note of the proposed EUR 256,2 million in commitments (+1,3 % compared to 2016) and EUR 234,5 million in payments (-3,1 % compared to 2016) for food and feed under the draft budget for 2017; regrets that this represents a share of only 0,16 % in commitments in the draft budget for 2017 and a share of only 6 % of heading 3, and that it does not fully reflect the importance of food and feed safety in the Union; underlines that the activities related to ensuring effective, efficient and reliable controls, as well as funding emergency measures related to animal and plant health have suffered decreases in payment appropriations of 10,4 % and 11,1 % respectively, in comparison to 2016; considers that these decreases have the potential to undermine the prevention and the reduction of the incidence of animal and plant diseases and the implementation of effective official controls in the area;

19.  Recalls that the Union Civil Protection Mechanism represents a cornerstone of Union solidarity; underlines that the Union plays an 'enabling role' to support, coordinate or supplement the actions of the Member States in the prevention of, preparedness for, and response to disasters; notes the slight increase in the commitments for this programme;

Decentralised agencies

20.  Recalls the paramount role of decentralised agencies in carrying out technical, scientific or managerial tasks that substantially help the Union's institutions to make and implement policies; recalls, moreover, the very important tasks of the agencies which are under the remit of the Committee on the Environment, Public Health and Food Safety (EEA, ECHA, ECDC, EFSA, EMA) and the paramount importance of their enhanced cooperation to perform these tasks, both for the Union institutions and citizens; highlights in this respect, that it is of paramount importance that these agencies receive adequate human and financial resources, properly taking into account a case-by-case evaluation of the respective needs of each agency; expresses, nevertheless, its concerns that staff reductions in EEA (-3 posts), ECHA (-5 posts), ECDC (-4 posts), EFSA (-7 posts) and EMA (-6 posts), could negatively impact their contribution to the implementation of Union policies; highlights also that for fee-financed agencies, establishment plan posts that are needed to support the delivery of fee-financed tasks should be considered separately, recognising that they are demand driven and do not place an additional burden on the Union budget;

21.  Notes, with regard to the fee-earning agencies, that the Union contribution remains stable or decreases; recalls that fee income from industry may be prone to market fluctuations and that dependence on other revenue sources therefore introduces an element of unpredictability in the funding structure of agencies; highlights both the difficulty to accurately forecast the amount of fees to be collected- leading to possible shortfall against forecast of fee revenue and the need to ensure the availability of the necessary funding to those agencies; calls on consideration to be given to a 5 % prudency margin in ECHA fee estimates;

22.  Recalls that in view of the publication, on 15 June 2016, of two draft legal acts, which set the criteria to identify endocrine disruptors, the Commission has asked the relevant agencies to immediately start preparatory work to accelerate the process once the criteria are in force; highlights, therefore, that it is crucial that adequate financial and human resources are at the disposal of EFSA and ECHA;

23.  Recognises, moreover, that unforeseen costs for EMA may arise in 2017 or beyond as a consequence of the negative answer given by the British people in a referendum in June 2016 on whether the United Kingdom should remain a member of the Union (so-called Brexit) and therefore, it would seem prudent to allow EMA to use any possible positive budgetary outturn of 2016 in future years; notes also that EMA may in the course of 2017 need to seek the support of the budgetary authorities to make additional budgetary funds available to meet those exceptional costs;

Pilot projects and preparatory actions

24.  Stresses that pilot projects and preparatory actions are very valuable tools to initiate new activities and policies; reiterates that several ideas of the Committee on the Environment, Public Health and Food Safety have been implemented successfully in the past as pilot projects or preparatory actions; stresses that the scope for new pilot projects and preparatory actions has been reduced by the lack of commitment appropriations available, and the lack of margin in heading 3; considers that it is likely, therefore that that committee must make careful use of those instruments in 2017.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

1.9.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

53

9

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marco Affronte, Margrete Auken, Pilar Ayuso, Zoltán Balczó, Catherine Bearder, Biljana Borzan, Soledad Cabezón Ruiz, Nessa Childers, Birgit Collin-Langen, Mireille D’Ornano, Seb Dance, Jørn Dohrmann, Ian Duncan, Stefan Eck, Bas Eickhout, Eleonora Evi, Karl-Heinz Florenz, Francesc Gambús, Elisabetta Gardini, Gerben-Jan Gerbrandy, Jens Gieseke, Julie Girling, Sylvie Goddyn, Françoise Grossetête, Andrzej Grzyb, György Hölvényi, Anneli Jäätteenmäki, Jean-François Jalkh, Karin Kadenbach, Kateřina Konečná, Giovanni La Via, Peter Liese, Susanne Melior, Massimo Paolucci, Bolesław G. Piecha, Pavel Poc, Frédérique Ries, Michèle Rivasi, Daciana Octavia Sârbu, Annie Schreijer-Pierik, Dubravka Šuica, Tibor Szanyi, Claudiu Ciprian Tănăsescu, Estefanía Torres Martínez, Nils Torvalds, Jadwiga Wiśniewska, Damiano Zoffoli

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Clara Eugenia Aguilera García, Paul Brannen, Caterina Chinnici, Albert Deß, Herbert Dorfmann, Martin Häusling, Ulrike Müller, Alojz Peterle, Bart Staes, Tom Vandenkendelaere, Carlos Zorrinho

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Olle Ludvigsson, Gabriel Mato, Anthea McIntyre, Martina Werner


ADVIES van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (6.9.2016)

aan de Begrotingscommissie

inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017

(2016/2047(BUD))

Rapporteur voor advies: Liisa Jaakonsaari

SUGGESTIES

De Commissie interne markt en consumentenbescherming verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  Notes that the responsibility of the Committee on the Internal Market and Consumer Protection (IMCO) in the budget procedure covers budget lines in titles 2 (Internal market, Industry, Entrepreneurship and SMEs), 14 (Taxation and customs union) and 33 (Justice and consumer protection);

2.  Recalls that a strengthened and well-functioning single market is fundamental for the Union’s capacity to absorb shocks; stresses that the Union’s budget must support the transition to a circular economy and an inclusive, accessible, diverse and competitive Digital Single Market;

3.  Underlines the importance of a strong consumer policy that reinforces consumer safety and awareness and adjusts consumer rights to societal, technological and economic changes, such as big data and the internet of things, the circular economy, the so-called collaborative economy and e-commerce; recalls, in this context, the importance of consumer empowerment and education, as well as of product safety and market surveillance in the internal market, including the Digital Single Market; stresses that new challenges to consumer policy should be addressed through the allocation of an appropriate budget;

4.  Welcomes the fact that, in the 2017 budgetary procedure, most of IMCO's main priorities in the areas of the single market, the customs union and consumer protection have been properly taken into account with adequate levels of appropriations allocated;

5.  Welcomes appropriations for the COSME programme, a key instrument to support entrepreneurship and investment in growth and jobs, as a priority;

6.  Is concerned, however, at the reduction in the COSME budget line 02 02 02 ‘Improving access to finance for SMEs - equity and debt’, as SMEs and microentreprises still face difficulties in finding appropriate funding; believes that an efficient financial framework, including increased venture capital availability and fully applying the ‘Think Small First’ principle, will foster research, innovation, adoption of circular economy business models, scale-up and internationalisation of SMEs and microentreprises, which in turn will help increase competitiveness, support growth and create jobs;

7.  Underlines the need to secure adequate financing for the Enterprise Europe Network in 2017 in order to foster growth of SMEs and help them to overcome challenges relating to access to the single market as well as the global market;

8.  Recalls the need to finance the multilingual tool for the Online Dispute Resolution (ODR) platform; emphasises that well-functioning ODR systems can encourage consumer trust and strengthen cross-border e-commerce;

9.  Welcomes the allocation of funds for the modernisation of the customs union, which supports the timely implementation of the Union Customs Code and the development of the electronic customs systems, leading to effective tools for combating fraud and guaranteeing both consumer protection and fair competition; regrets, however, the Council’s position regarding the allocation for budget line 14 02 01 "Supporting the functioning and modernisation of the Customs Union", which may place at risk adequate funding for crucial modernisation tools for the Customs Union;

10.  Supports the continuation of funding for the Single Market Forum, which is instrumental in the creation of better market conditions for European companies, and intends to monitor the situation with a view to ensuring that it is appropriately financed from the budget line 02 02 01;

11.  Stresses the important role of standardisation for the single market, which ensures the interoperability of products and services and enhances the competitiveness of companies; underlines that standards should be set in a market-driven, open and inclusive way, with consumer and stakeholder involvement, in order to be easily implementable by SMEs; welcomes the continuation of the budgetary support in 2017 that guarantees the financial sustainability and efficiency and effectiveness of the standardisation activities performed by European Committee for Standardisation (CEN), the European Committee for Electrotechnical Standardisation (CENELEC) and the European Telecommunications Standards Institute (ETSI);

12.  Acknowledges the allocation of financing for internal market governance tools, including SOLVIT; recalls the importance of strengthening and streamlining existing tools for SMEs in order to simplify their cross-border expansion; urges the Commission and the Member States to place greater emphasis on streamlining and improving Product Contact Points and Points of Single Contact; believes that further efforts are also needed to ensure that these tools operate well together, with a view to maximising the added value of allocated resources; encourages the initiative for a Single Digital Gateway;

13.  Asks for the financing of new pilot projects entitled ‘Dynamic development of cross-border e-commerce through efficient parcel delivery solutions’ to collect information on best practice in the area of parcel delivery, and ‘Algorithmic Awareness Building Initiative’, which aims to increase algorithmic transparency, raise awareness for the benefit of citizens and our democracies and contribute to the development of the Digital Single Market, and ‘Application of web accessibility requirements in web-authoring tools and platforms by default’ (Web Access By Default) to encourage and support the adoption of accessibility requirements of the European Standard.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

5.9.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

23

6

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Dita Charanzová, Carlos Coelho, Lara Comi, Daniel Dalton, Nicola Danti, Evelyne Gebhardt, Antanas Guoga, Sergio Gutiérrez Prieto, Liisa Jaakonsaari, Philippe Juvin, Antonio López-Istúriz White, Margot Parker, Eva Paunova, Marcus Pretzell, Virginie Rozière, Christel Schaldemose, Andreas Schwab, Olga Sehnalová, Catherine Stihler, Róża Gräfin von Thun und Hohenstein, Mylène Troszczynski, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Lucy Anderson, Birgit Collin-Langen, Filiz Hyusmenova, Emma McClarkin, Julia Reda, Marc Tarabella, Josef Weidenholzer

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Pál Csáky, Judith Sargentini, Michaela Šojdrová


ADVIES van de Commissie vervoer en toerisme (1.9.2016)

aan de Begrotingscommissie

inzake het ontwerp van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017

(2016/2047(BUD))

Rapporteur voor advies: Isabella De Monte

SUGGESTIES

De Commissie vervoer en toerisme verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  herinnert eraan dat vervoersinfrastructuren, met inbegrip van grensoverschrijdende vervoersinfrastructuren, van essentieel belang zijn voor het vrije verkeer van personen, goederen en diensten waarop de interne markt stoelt, en dat dit vrije verkeer zowel een krachtige katalysator is voor integratie, de groei van de werkgelegenheid en de ontwikkeling van duurzaam toerisme in de Unie als een sleutelfactor voor de prestaties van de Europese handel en industrie, en tegelijkertijd bijdraagt tot de bescherming van het klimaat, het milieu en de kwaliteit van leven; is van oordeel dat de vervoersinfrastructuur aan bepaalde kwaliteitscriteria moet voldoen om betere consumentenveiligheid en -bescherming te waarborgen;

2.  benadrukt dat het vervoersbeleid, en dan in het bijzonder het beleid met betrekking tot het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-V), een van de meest ambitieuze en succesvolle beleidslijnen van de Unie is; wijst erop dat het TEN-V-netwerk een zeer belangrijke rol speelt in het handelsverkeer binnen de Unie en met naburige landen, en daarmee bijdraagt tot de welvaart van de burgers; wijst daarom andermaal op het belang van toereikende financiering voor de ontbrekende schakels en de grensoverschrijdende verbindingen, in het bijzonder van buiten gebruik gestelde of ontmantelde regionale spoorverbindingen, en voor het opheffen van knelpunten van het TEN-V-netwerk; onderstreept hoe belangrijk het is om de vervoersnetwerken van alle regio's in de EU, waaronder afgelegen berg- en eilandgebieden, te verbinden en een oplossing te bieden voor problemen zoals het gebrek aan passende infrastructuur en toegankelijkheid en de lage interoperabiliteit tussen de centrale, oostelijke en westelijke delen van de EU;

3.  betreurt de substantiële verlaging van de begroting voor het aanpakken van knelpunten, het bevorderen van de interoperabiliteit van het spoorwegnetwerk en het overbruggen van ontbrekende schakels, voor efficiënt en duurzaam vervoer, alsmede voor de integratie en interconnectie van vervoerswijzen, en benadrukt in dit verband dat het van vitaal belang is dat de begroting voor deze gebieden volledig wordt hersteld;

4.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie om ontbrekende schakels in het spoornetwerk, op te nemen in de oproep tot het indienen van voorstellen voor 2016; verzoekt de Commissie om projectontwikkelaars en de voor deze projecten verantwoordelijke autoriteiten van de nodige adviezen te voorzien om ervoor te zorgen dat de ingediende voorstellen van hoge kwaliteit zijn; acht het in dit verband noodzakelijk om uit de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF) en andere financieringsbronnen ad-hocfinanciering te verstrekken voor grensoverschrijdende ontbrekende schakels die een hoge Europese meerwaarde vertegenwoordigen op het gebied van werkgelegenheid, toerisme en duurzaamheid en die regio's welke historisch via het spoor aan elkaar waren geklonken, weer met elkaar verbinden;

5.  merkt op dat het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) tot dusver nog niet de verwachte resultaten heeft opgeleverd wat betreft vervoerinfrastructuur; beklemtoont derhalve, als de belangrijkste prioriteiten voor de begroting voor 2017, dat de kredieten van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, die zijn herschikt voor de vorming van het EFSI-garantiefonds, moeten worden hersteld; wijst erop dat het belangrijk is dat er zo spoedig mogelijk voldoende middelen worden uitgetrokken om onmiddellijk een oproep tot het indienen van voorstellen uit te schrijven, aangezien CEF-projecten langetermijnprojecten zijn met een looptijd van verscheidene jaren;

6.  is verheugd over het algemene welslagen van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen en vraagt de Commissie om prioriteit te geven aan het uitschrijven van een derde oproep tot het indienen van voorstellen waarbij gebruik wordt gemaakt van de resterende begroting voor de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, teneinde ook de resterende vastleggingen te plannen;

7.  wijst op de massale inschrijving van projecten en de vele projecten van hoge kwaliteit die in 2014-2015 vanwege de krappe EU-begroting werden afgewezen en merkt op dat er, naast de middelen die voortkomen uit de terugvordering van overgedragen middelen, nog meer middelen kunnen worden geabsorbeerd;

8.  herinnert eraan dat punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(1) (Interinstitutioneel Akkoord) voorziet in 10% flexibiliteit om de begroting voor de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen tijdens de jaarlijkse begrotingsprocedures te verhogen; verzoekt de Commissie, overeenkomstig het Interinstitutioneel Akkoord, om een verhoging van de volledige begroting voor de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, met inbegrip van een verhoging van de cohesiebegroting van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen;

9.  wijst erop dat er twee vervoersbeleidsterreinen zijn die nauw verband houden met de ontwikkeling van infrastructuur, te weten het opzetten van het Europees beheersysteem voor het spoorverkeer (ERTMS) en het bevorderen van maritieme snelwegen en binnenlandse vaarwegen, die gericht zijn op het ontlasten van de wegvervoerscorridors en die het equivalent op het water van het wegvervoer kunnen vormen; benadrukt dat het van het grootste belang is voor de duurzaamheid van het vervoer in de Unie om bij het goederenvervoer en het personenverkeer over te stappen van wegvervoer op spoorvervoer en vervoer over zee en de binnenwateren; onderstreept derhalve dat er voldoende financiële middelen beschikbaar moeten worden gesteld voor de ontwikkeling van het ERTMS en de bevordering van maritieme snelwegen en binnenwateren;

10.  is van oordeel dat de optimale integratie en interconnectie van de verschillende vervoerswijzen en intermodale verbindingen, samen met de ontwikkeling van goederencorridors, essentiële elementen zijn voor de verschuiving van goederenvervoer over de weg naar goederenvervoer per spoor en de vergroting van de duurzaamheid van het spoorvervoer;

11.  is ingenomen met de vaststelling van de technische pijler van het vierde spoorwegpakket; wijst erop dat het Europees Spoorwegbureau een grotere rol kan spelen op het gebied van certificering en infrastructuurontwikkeling, en uit dien hoofde over passende begrotingsmiddelen moet beschikken; benadrukt dat in de spoorwegsector permanent moet worden gewerkt aan onderzoek en innovatie en wenst in dit verband dat er voldoende financiële middelen beschikbaar worden gesteld voor de Gemeenschappelijke Onderneming Shift2Rail, het herstel van regionale grensoverschrijdende verbindingen en het onderhoud van de spoorweginfrastructuur;

12.  is ingenomen met de eerste uitnodiging tot het indienen van voorstellen in het kader van het gemeenschappelijk initiatief "Shift2Rail"; verzoekt het bestuursorgaan, en de Commissie in het bijzonder, om de tenuitvoerlegging van het werkprogramma van dit initiatief te versnellen teneinde de tijd die verloren is gegaan bij de vaststelling van het initiatief terug te winnen en om speciale aandacht te besteden aan het oplossen van enkele fundamentele problemen met betrekking tot de interoperabiliteit van het Europees spoornetwerk;

13.  onderstreept dat met de herziening van Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad(2) wordt beoogd de bevoegdheden van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA) te verruimen; benadrukt dat het van groot belang is dat er voldoende middelen worden uitgetrokken voor het EASA om ervoor te zorgen dat deze nieuwe verantwoordelijkheden met succes worden benut;

14.  onderstreept daarnaast dat het EASA in vijf jaar tijd inmiddels 5% van de posten heeft geschrapt, zoals overeengekomen in het Interinstitutioneel Akkoord; is daarom van mening dat de bijkomende verlagingen die de Raad voorstelt de goede werking van het EASA in gevaar kunnen brengen en het agentschap kunnen beletten de taken uit te voeren die er door de wetgevingsautoriteit aan zijn of zullen worden toebedeeld; onderstreept verder dat de nieuwe posten bij het EASA, die noodzakelijk zijn om aanvullende taken te verrichten als gevolg van nieuwe beleidsontwikkelingen en nieuwe wetgeving, niet mogen worden meegerekend bij de vaststelling van verminderingsdoelstellingen;

15.  beklemtoont dat de posten bij het EASA (met inbegrip van de bijbehorende pensioenen) die volledig door het bedrijfsleven worden gefinancierd en derhalve geen gevolgen hebben voor de begroting van de Unie, niet het voorwerp mogen worden van de inkrimping van het personeel, met inbegrip van het Interinstitutioneel Akkoord;

16.  benadrukt dat het EASA zelf moet kunnen besluiten om het aantal volledig door het bedrijfsleven gefinancierde posten gedurende het begrotingsjaar te verhogen, afhankelijk van schommelingen in de werklast, d.w.z. de behoeften van de sector; onderstreept dat de begrotingsautoriteit daartoe, in aanvulling op het aantal posten dat wordt gefinancierd uit vergoedingen en rechten die reeds zijn goedgekeurd middels de vaststelling van de EASA-begroting, ook het percentage (binnen een marge naar boven van 10%) van de extra posten moet aangeven die de raad van bestuur op voorstel van het agentschap mag creëren om te reageren op onvoorziene ontwikkelingen in de marktvraag; onderstreept bovendien dat het besluit van de raad van bestuur dient te zijn gebaseerd op een schriftelijk vastgelegde evaluatie van de onvoorziene werklast en de efficiëntiecriteria;

17.  benadrukt dat in voldoende financiering voor de tenuitvoerlegging van de onderdelen van het ATM-onderzoek voor het gemeenschappelijk Europees luchtruim (SESAR) moet worden voorzien om luchtverkeerbeheersfuncties te kunnen leveren die essentieel worden geacht voor de verbetering van de prestaties van het luchtverkeerbeheerssysteem van de Unie;

18.  herinnert aan het belang van het aanpakken van de vluchtelingen- en migrantenkwestie en wijst nogmaals op de rol die het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA) hierin zou kunnen spelen, onder meer ten aanzien van de bescherming van de buitengrenzen van de Unie; merkt op dat het mandaat van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid is uitgebreid om de samenwerking met de nationale autoriteiten en het Europees grens- en kustwachtagentschap te versterken; benadrukt dat er voldoende financiële middelen beschikbaar moeten worden gesteld om te zorgen dat optimaal gebruik kan worden gemaakt van geavanceerde technologieën, de uitwisseling van informatie met inachtneming van de beginselen inzake de bescherming van persoonsgegevens, en de opleiding van personeel;

19.  onderstreept het belang van de COP21-vervoersdoelstellingen als het gaat om het bestrijden van de klimaatverandering; benadrukt dat er financiële middelen beschikbaar moeten worden gesteld om de verschuiving van het wegvervoer naar het spoorvervoer alsook het vervoer over water en over de binnenwateren te waarborgen en moedigt de lidstaten aan in slim, duurzaam en toegankelijk geïntegreerd openbaar vervoer te investeren; adviseert om tevens aandacht te laten uitgaan naar de vermindering van geluidsoverlast in het vervoer, zodat er een kwalitatief hoogwaardige omgeving kan worden geboden aan de burgers; benadrukt voorts dat de externe kosten van vervoer moeten worden verminderd, en daarmee ook de druk op komende overheidsbegrotingen;

20.  benadrukt dat efficiënt groen logistiek beheer voor alle vervoerswijzen in de Unie in belangrijke mate kan bijdragen tot de bestrijding van de congestie van het verkeer en de beperking van de CO2-emissies; stimuleert de Commissie om de digitalisering in de logistiek, zoals initiatieven voor het bundelen van vrachten, te bevorderen; wijst erop dat maritieme snelwegen van fundamenteel belang zijn voor de logistiek en dat havens en verbindingen met het achterland de belangrijkste knooppunten zijn van multimodaal vervoer;

21.  wijst op de belangrijke rol die voor digitale technologieën is weggelegd als het gaat om de ontwikkeling van veilig, efficiënt, intermodaal en duurzaam vervoer en mobiliteitsbeheer; stimuleert de Commissie om, in het belang van alle burgers, toeristen en bedrijven in de Unie, met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's), de ontwikkeling van digitalisering en automatisering voor alle vervoerswijzen te ondersteunen, evenals de ontwikkeling van innovatieve oplossingen, zoals gedeelde mobiliteit in steden en plattelandsgebieden die via het openbaar vervoer met elkaar zijn verbonden;

22.  benadrukt hoe belangrijk het is dat er in 2017 voldoende middelen worden uitgetrokken voor Galileo en de Europese overlaydienst voor geostationaire navigatie (EGNOS), teneinde ervoor te zorgen dat de Commissie kan voldoen aan haar verplichtingen inzake de veiligheid en efficiëntie in de luchtvaart, het weg- en spoorvervoer en het vervoer over zee; wijst andermaal op het belang van het snel en ononderbroken aanbieden van GNSS-diensten (diensten van het mondiaal satellietnavigatiesysteem) voor slimme wegen en verbonden voertuigen, slim wagenparkbeheer en goederen- en verkeersbeheer, zoals ATM, ERTMS en eCall;

23.  verzoekt de Commissie steun te verlenen aan diverse opties voor de financiering van maatregelen die erop gericht zijn om de vervoersdiensten, voertuigen, infrastructuur en intermodale knooppunten toegankelijk te maken, alsook van andere maatregelen ter verbetering van de toegankelijkheid voor personen met een beperking;

24.  stimuleert de Commissie om initiatieven te ondersteunen die tot doel hebben de verkeersveiligheid te verbeteren en die zowel kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstelling om het aantal verkeersdoden tegen 2020 met de helft te verminderen als tot een beduidende vermindering van het aantal ernstig gewonden;

25.  is van mening dat de beveiliging van vervoersmiddelen en -infrastructuur een kernprioriteit is en dat daarvoor de nodige financiering beschikbaar moet worden gesteld;

26.  wenst dat er, gezien het economisch belang van het toerisme voor kmo's en groene banen in Europa en de noodzaak tot verdere verbetering van de aantrekkelijkheid en het concurrentievermogen ervan tegen de achtergrond van de felle mondiale concurrentie, een rechtstreekse begrotingslijn voor toerisme wordt ingevoerd in de begroting van de Unie voor 2017, zoals in het verleden ook het geval was; roept de Commissie op ervoor te zorgen dat de gids voor de financieringsmogelijkheden van de EU voor de toeristische sector 2014-2020 in alle EU-talen wordt vertaald; vraagt de Commissie een jaarlijks overzicht te presenteren van de door de verschillende EU-fondsen medegefinancierde projecten op het gebied van toerisme;

27.  pleit voor de vaststelling van een alomvattende strategie voor de toeristische sector waarin alle aspecten aan bod komen die noodzakelijk zijn voor een innovatieve en concurrerende toeristische sector, zoals financiering van de sector, professionele ontwikkeling, toegankelijkheid, infrastructuur, een visumregeling, digitalisering en promotie;

28.  onderstreept het belang van landelijke gebieden, berg-, eiland- en kustgebieden en afgelegen gebieden voor de verdere ontwikkeling van duurzaam toerisme in Europa; is van mening dat er middelen beschikbaar moeten worden gesteld voor de promotie van de lokale cultuur en biodiversiteit van deze gebieden en van toeristische locaties die vrij zijn van massatoerisme; is van mening dat er specifieke regelingen moeten worden ontwikkeld om personen met beperkte mobiliteit of een andere beperking onbelemmerde toegang te bieden tot de toeristische voorzieningen in Europa.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

1.9.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

42

2

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Daniela Aiuto, Lucy Anderson, Inés Ayala Sender, Georges Bach, Izaskun Bilbao Barandica, Deirdre Clune, Michael Cramer, Andor Deli, Karima Delli, Isabella De Monte, Ismail Ertug, Jacqueline Foster, Tania González Peñas, Dieter-Lebrecht Koch, Stelios Kouloglou, Miltiadis Kyrkos, Bogusław Liberadzki, Peter Lundgren, Marian-Jean Marinescu, Georg Mayer, Cláudia Monteiro de Aguiar, Jens Nilsson, Markus Pieper, Salvatore Domenico Pogliese, Gabriele Preuß, Christine Revault D’Allonnes Bonnefoy, Dominique Riquet, Massimiliano Salini, Claudia Țapardel, Keith Taylor, Pavel Telička, István Ujhelyi, Wim van de Camp, Elissavet Vozemberg-Vrionidi, Janusz Zemke, Roberts Zīle, Kosma Złotowski, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Ivo Belet, Michael Gahler, Karoline Graswander-Hainz, Werner Kuhn, Jozo Radoš, Henna Virkkunen

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Urszula Krupa

(1)

  PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(2)

  Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG (PB L 79 van 19.3.2008, blz. 1.)


ADVIES van de Commissie regionale ontwikkeling (8.9.2016)

aan de Begrotingscommissie

inzake het ontwerp van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017

(2016/2047(BUD))

Rapporteur voor advies: Derek Vaughan

SUGGESTIES

De Commissie regionale ontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  erkent de inspanningen van de Commissie ter ontwikkeling van de strategie voor "een resultaatgerichte EU-begroting"; vraagt de Commissie EU-financiering verder te vereenvoudigen, waarbij altijd rekening wordt gehouden met het evenredigheidsbeginsel, met een gepast evenwicht tussen vereenvoudiging en controle, vooral met betrekking tot de uitvoering en het beheer van door de EU gefinancierde projecten, met name op regionaal en lokaal niveau; benadrukt in dit verband dat de Commissie een gestroomlijnde benadering van de gehele levenscyclus van door de EU gefinancierde projecten moet toepassen, waarbij met name wordt ingezet op tijdige betalingen, meetbare resultaten en geactualiseerde indicatoren;

2.  wenst dat de ontwerpbegroting 2017 een afspiegeling is van de in het Europees semester vastgestelde prioriteiten en deze ondersteunt, met name de investeringen voor innovatie, groei en het scheppen van banen aanzwengelen, convergentie bevorderen, duurzame en sociaal evenwichtige structurele hervormingen doorvoeren om de Europese economieën te moderniseren en concurrentiëler te maken, en een begrotingsbeleid voeren dat zorgt voor investeringen en duurzame groei;

3.  benadrukt dat ongeveer een derde van de jaarbegroting van de Unie gericht is op economische, sociale en territoriale samenhang; onderstreept dat het cohesiebeleid het voornaamste investeringsbeleid en een hulpmiddel van de Unie is om de ongelijkheden tussen alle regio's van de EU terug te dringen, en dat het een belangrijke rol speelt bij de verwezenlijking van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei;

4.  merkt bezorgd op dat in de ontwerpbegroting 2017 voor rubriek 1b (economische, sociale en territoriale samenhang) is voorzien in een enorme daling in betalingskredieten (37,3 miljard EUR, hetgeen een daling van 23,5 % inhoudt ten opzichte van 2016); merkt evenwel op dat de vastleggingskredieten wel 53,6 miljard EUR bedragen (een stijging van 5,4 % ten opzichte van 2016); is van mening dat de voorgestelde betalingen niet toereikend zijn om het niveau van de in deze rubriek benodigde betalingen het hoofd te kunnen bieden; wijst erop dat deze situatie de volledige uitvoering van de programma's in het gedrang brengt en het vertrouwen van de burgers in het beleid van de Unie kan ondermijnen;

5.  neemt kennis van het persbericht van de Commissie van 30 juni 2016 over de ontwerpbegroting 2017, waarin wordt gesteld dat, op basis van de relatief trage opname van bepaalde uitgavenprogramma's, met name op het gebied van het cohesiebeleid, de Commissie ervan uitgaat in 2017 minder facturen te zullen ontvangen dan in 2016; verzoekt de Commissie het Parlement hierover meer informatie te verstrekken en na te gaan of het risico bestaat dat deze verlaging van de betalingskredieten opnieuw kan leiden tot een aanzienlijke betalingsachterstand vanaf 2017;

6.  trekt de aandacht op de groeiende kloof tussen vastleggingen en betalingskredieten in rubriek 1b van de ontwerpbegroting 2017: van 2 miljard EUR in 2016 naar 16,3 miljard EUR in 2017; benadrukt dat aangezien het uitvoeringspercentage van de Europese structuur- en investeringsfondsen naar verwachting in 2017 zal toenemen, voldoende budgettaire middelen noodzakelijk zijn om aan die stijging te voldoen; wijst erop dat de late aanwijzing van instanties voor de operationele programma's kan leiden tot een vertraging van de betalingen in 2017; is uiterst bezorgd over het feit dat deze situatie negatieve gevolgen zal hebben voor de betalingsachterstand, met name door de mogelijke opeenhoping van onbetaalde facturen tijdens de tweede helft van het meerjarig financieel kader;

7.  is ervan overtuigd dat geannuleerde kredieten in alle rubrieken en in het bijzonder in rubriek 1b als gevolg van een gerechtvaardigde gehele of gedeeltelijke niet-uitvoering, opnieuw ter beschikking moeten worden gesteld tijdens de jaarlijkse begrotingsprocedure; verzoekt de Commissie hiertoe reeds in het kader van de begroting 2017 voorstellen in te dienen;

8.  verzoekt de Commissie haar betalingsplan, dat is opgesteld om de betalingsachterstand te verminderen en een herhaling ervan te voorkomen, bij te werken en aan te passen, en daarbij ook rekening te houden met de grotere betalingsbehoeften die voortvloeien uit de technische aanpassing overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020, en dit voor te leggen aan het Parlement;

9.  herhaalt dat de fondsen onder rubriek 1b het belangrijkste hulpmiddel voor de lokale en regionale overheden zijn om onverwachte uitdagingen, zoals de migratiecrisis, aan te pakken; vraagt de Commissie in dit verband op doeltreffende en flexibelere wijze met de lidstaten samen te werken om op hun verzoek programma's te wijzigen en zo te komen tot voldoende betalingskredieten en een betere coördinatie tussen de ESI-fondsen; wijst in deze context op de uiteenlopende gevolgen die de vluchtelingencrisis heeft gehad op lokaal en regionaal niveau; stelt voor dat de extra middelen als gevolg van de technische aanpassing worden toegewezen aan gebieden met een hoge Europese toegevoegde waarde, zoals werkgelegenheid voor jongeren en duurzame investeringen, teneinde groei te stimuleren en ook de ongelijkheden in de Unie te beperken;

10.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan permanent evaluaties te verrichten van de operationele programma's in uitvoering en in geval van een gebrek aan efficiëntie, waarbij de laatste categorie moet worden gewijzigd en afgestemd op een doeltreffender en doelmatiger beheer van de ESI-fondsen om de beoogde doelstellingen te verwezenlijken;

11.  herinnert eraan dat de Commissie in overeenstemming met artikel 7 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad in 2016 samen met de jaarlijkse technische aanpassing voor 2017 de totale toewijzingen van alle lidstaten in het kader van de doelstelling "Investeren in groei en werkgelegenheid" van het cohesiebeleid voor de jaren 2017 tot 2020 heeft herzien; merkt op dat het gevolg van de aanpassing een stijging van 4,6 miljard EUR in de maxima voor 2017-2020 voor de vastleggingen in het kader van rubriek 1b is; benadrukt de gevolgen van deze aanpassing voor de begroting 2017;

12.  wijst op de belangrijke rol van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) om financiering uit de particuliere sector aan te trekken alsook nieuwe financieringsbronnen voor investeringen die van cruciaal belang zijn voor het Europese concurrentievermogen en het economisch herstel; wijst erop dat moet worden gezorgd voor meer samenhang, synergie en complementariteit tussen de ESI-fondsen, het EFSI en andere door de EU gefinancierde en nationale programma's om de Europa 2020-doelstellingen te verwezenlijken en investeringen te stimuleren; vraagt de Commissie maatregelen te treffen teneinde de zichtbaarheid van ESI-fondsprojecten en investeringen in het kader van het EFSI en andere door de EU gefinancierde programma's te verhogen;

13.  neemt kennis van het Commissievoorstel tot vaststelling van het steunprogramma voor structurele hervormingen met een totaalbedrag van 142 800 000 EUR, en benadrukt dat deze financiering moet worden toegekend met het oog op de versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang;

14.  benadrukt de belangrijke bijdrage van het cohesiebeleid met betrekking tot de effectieve toepassing van genderbewust budgetteren; verzoekt de Commissie steun te verlenen aan maatregelen om passende instrumenten vast te stellen om gendergelijkheid te verwezenlijken, zoals stimulerende structuren die de structuurfondsen gebruiken om genderbewust budgetteren op nationaal niveau te bevorderen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

8.9.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

27

1

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Pascal Arimont, Franc Bogovič, Victor Boştinaru, Steeve Briois, Andrea Cozzolino, Rosa D’Amato, Michela Giuffrida, Ivan Jakovčić, Marc Joulaud, Constanze Krehl, Louis-Joseph Manscour, Martina Michels, Iskra Mihaylova, Jens Nilsson, Andrey Novakov, Stanislav Polčák, Fernando Ruas, Monika Smolková, Maria Spyraki, Ramón Luis Valcárcel Siso, Matthijs van Miltenburg, Lambert van Nistelrooij, Derek Vaughan, Kerstin Westphal, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Jan Olbrycht, Dimitrios Papadimoulis

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Czesław Hoc, Karol Karski, Julia Reda, Tatjana Ždanoka


ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (1.9.2016)

aan de Begrotingscommissie

inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017

(2016/2047(BUD))

Rapporteur voor advies: Peter Jahr

SUGGESTIES

De Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  neemt kennis van de voorgestelde 58,9 miljard EUR aan vastleggingskredieten en betreurt deze verlaging van 5,7% ten opzichte van 2016 (waarbij de gevolgen van de herprogrammering geneutraliseerd zijn), alsmede van de 55,2 miljard EUR aan betalingskredieten (+0,2%) in de ontwerpbegroting (OB) 2017 voor rubriek 2;

2.  betreurt het dat er gezien het door het meerjarig financieel kader (MFK) 2014-2020 opgelegde plafond voor rubriek 2 in 2017 waarschijnlijk bespaard zal worden op grote uitgavenposten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), waaronder plattelandsontwikkeling, rechtstreekse betalingen en marktmaatregelen;

3.  betreurt in het bijzonder de voorgestelde besparingen op vastleggings- en betalingskredieten op het gebied van plattelandsontwikkeling; betreurt derhalve de verlaging van de vastleggingskredieten met 23,1 % en de betalingskredieten met 4,6 %; merkt op dat de hogere vastleggingen voor 2016 het gevolg waren van de herprogrammering van vastleggingen van 2014 naar de begrotingsjaren 2015 en 2016; benadrukt dat de financiering van plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) een hoge toegevoegde waarde heeft voor de economie en de publieke voorzieningen van plattelandsgebieden in de gehele Unie en er onder meer voor kan zorgen dat banen behouden blijven en nieuwe banen geschapen worden;

4.  is ingenomen met het in juli 2016 aangekondigde steunpakket voor landbouwers en beschouwt dit als een stap in de richting van een beter beheer van de productie; betreurt evenwel dat het bedrag dat wordt toegewezen aan maatregelen op het niveau van de Unie in verhouding tot het bedrag dat wordt toegewezen aan nationale maatregelen te laag is, als het de bedoeling is om de productie op het niveau van de Unie te beheren om het gevaar van renationalisatie af te wenden en een eerlijk speelveld te garanderen; is van oordeel dat structurele maatregelen gepland moeten worden en in de begrotingen van de komende jaren moeten worden opgenomen;

5.  vestigt de aandacht op de doelstellingen inzake de verbetering van het concurrentievermogen en de duurzaamheid van de landbouw van de Unie, en wenst dat er middelen worden uitgetrokken om deze doelstellingen te verwezenlijken; herinnert aan het potentieel van het landbouwbeleid op het vlak van nieuwe banen, technische en sociale innovatie en duurzame ontwikkeling, in het bijzonder in plattelandsgebieden waar dit beleid de regionale ontwikkeling bevordert;

6.  veroordeelt de jaarlijkse dalingen van de vastleggingen en uitgaven voor plattelandsontwikkeling;

7.  stelt tot zijn spijt vast dat in OB 2017 een enorm verlaagde niet-toegewezen marge van 0,64 miljard EUR onder rubriek 2 wordt ingeruimd; dringt erop aan, niettegenstaande dringende zaken in andere begrotingsrubrieken, dat de toegewezen marge voor onvoorziene uitgaven van 0,65 miljard EUR voor rubriek 2 behouden blijft om de aanhoudende crisis op landbouwmarkten en eventuele toekomstige crises en dikwijls optredende prijsschommelingen tegen te gaan; wijst erop dat het Russische embargo het gevolg is van een besluit betreffende het buitenlands beleid, dat geleid heeft tot de crisis en waarvan de landbouwers nu de gevolgen moeten dragen; staat er daarom op dat de volledige marge in rubriek 2 behouden blijft;

8.  merkt op dat de landbouw in de Unie de afgelopen jaren met meerdere crises te maken heeft gehad; verzoekt de Commissie dan ook het systeem voor crisisfinanciering te herzien en een nieuw instrument in te voeren waarmee snel politiek ingrijpen in crisissituaties mogelijk wordt zonder dat dit ten koste gaat van de jaarlijkse rechtstreekse betalingen;

9.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de prijsschommelingen van landbouwproducten en dan vooral in de zuivelsector, die negatieve gevolgen hebben voor het inkomen van landbouwers, steeds in het oog te houden en daar waar nodig snel en doeltreffend in te grijpen, en daarbij de landbouwers rechtstreeks in staat te stellen dergelijke prijsschommelingen tegen te gaan;

10.  benadrukt dat het van wezenlijk belang is dat middelen die gereserveerd zijn voor onderzoek in de agrovoedingssector, met name uit de begroting voor Horizon 2020, als zodanig volledig beschikbaar blijven om innovatie in de landbouwsector te stimuleren;

11.  betreurt dat doelstellingen van de voorgestelde maatregelen niet volledig zijn verwezenlijkt; verwerpt de voorgestelde besparingen op de begroting voor interventies op de landbouwmarkten in vergelijking met 2016; is van mening dat voortdurende financiële inspanningen nodig zijn om de crisis te bestrijden; verzoekt de Commissie de noodmaatregelen in verband met zowel de afzetproblemen als de gevolgen van het Russische embargo uit te breiden; is bezorgd dat nadere interventies op de markten nodig zullen zijn; is van oordeel dat bij alle maatregelen en interventies meer rekening gehouden moet worden met de specifieke situatie in en de uiteenlopende behoeften van de verschillende lidstaten;

12.  dringt erop aan dat de lidstaten onverwijld een steunprogramma ten uitvoer leggen om de melkproductie te verminderen; is van oordeel dat de lidstaten hun maatregelen moeten coördineren, om de concurrentie tussen melkproducenten uit de verschillende lidstaten te verminderen; is van oordeel dat productiebeheer het best op het niveau van de Unie kan plaatsvinden, omdat op die manier een eerlijk speelveld wordt gerealiseerd;

13.  wijst op de gevolgen van de afschaffing van de melkquota en is van mening dat voorbereidende maatregelen nodig zijn om marktonevenwichtigheden na de afschaffing van de suikerquota in september 2017 te voorkomen;

14.  is ingenomen met de voortgezette steun voor de schoolmelkregeling van 75 miljoen EUR in de OB voor 2017; verwerpt de besparingen van 20 miljoen EUR op de regeling voor schoolfruit en schoolgroenten; wijst nogmaals op het vitale belang van beide programma's voor landbouwers en lidstaten, en onderstreept hun belang gezien de huidige crisis en de mate van ondervoeding bij kinderen in de Unie; verzoekt de Commissie de bureaucratische rompslomp in verband met beide regelingen te verminderen;

15.  dringt erop aan dat alle inkomsten van de Uniebegroting uit bestemmingsontvangsten of afkomstig van terugbetalingen in verband met onregelmatigheden in het kader van de landbouw in 2015/2016 voor rubriek 2 behouden blijven;

16.  is ingenomen met de verhoging van de middelen voor actiefondsen van de producentenorganisaties; verzet zich tegen de enorme besparingen op steun aan voorlopig erkende producentengroeperingen; is verheugd over de verlenging van de uitzonderlijke maatregelen voor de fruit- en groentesector, met name gezien de crisis en het Russische embargo die de producenten zwaar hebben getroffen; dringt erop aan dat deze maatregelen van kracht blijven zolang het Russische embargo voortduurt en dat ze worden uitgebreid tot alle getroffen landbouw- en veeteeltsectoren; is van mening dat de melksector bijzondere aandacht behoeft, omdat het Russische embargo de situatie van de landbouwers nog onzekerder maakt, omdat de prijsdaling die inzette na de afschaffing van de quotaregeling door het embargo wordt versterkt;

17.  is ingenomen met de toewijzingen uit hoofde van Horizon 2020 voor onderzoek en innovatie in verband met landbouw, om een toereikende voorziening te garanderen van veilige en kwalitatief hoogwaardige levensmiddelen en andere producten op biologische basis; benadrukt dat prioriteit moet worden gegeven aan projecten die zich richten op primaire producenten;

18.  verzoekt de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat de middelen die in de begroting voor 2017 zijn toegewezen aan de reserve voor crises in de landbouwsector en vervolgens niet uitgegeven worden, voor het volgende begrotingsjaar volledig in rubriek 2 behouden blijven voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers, als voorzien in Verordening (EU) nr. 1306/2013; benadrukt dat de landbouwers die het meest door de huidige crisis zijn getroffen financiële en technische ondersteuning moeten krijgen met het oog op omschakeling;

19.  wijst op de noodzaak middelen beschikbaar te stellen om de economische verliezen van de landbouwers vanwege marktcrises of andere oorzaken te compenseren; wijst nogmaals op de noodzaak de beschikbare marges in rubriek 2 hiervoor te gebruiken;

20. benadrukt de noodzaak van een flinke verhoging van de kredieten bedoeld voor de bestrijding dierziekten en plantenplagen (momenteel 20 miljoen EUR), omdat dit bedrag onvoldoende is om te kunnen reageren op de terugkeer van ziekten zoals Xylella fastidiosa en de vogelgriep, en op de opkomst van besmettelijke nodulaire dermatitis, een nieuwe veeziekte die al voorkomt in Griekenland en Bulgarije en die dreigt over te slaan naar diverse andere landen. dringt er daarom op aan meer middelen uit te trekken om de economische verliezen die landbouwers hebben geleden als gevolg van marktcrises, sanitaire of fytosanitaire crisis, bv. Xylella fastidiosa, te compenseren, met name in de olijventeelt en de olijfoliesector, de preventiemaatregelen in de Unie op te voeren, de verspreiding van deze verwoestende ziekte een halt toe te roepen, de sector te herstructureren en wetenschappelijk onderzoek naar deze bacterie en de wijze waarop deze wordt overgebracht te versterken; wijst nogmaals op de noodzaak de beschikbare marges in rubriek 2 hiervoor te gebruiken; is van oordeel dat compensatie voor uitroeiingsmaatregelen ook het herstel van landbouwecosystemen, zoals de bodem, moet omvatten alsmede de verwezenlijking van robuuste biologische diversiteit, in het bijzonder het waarborgen van genetische diversiteit van plantgoed en dieren, waarbij in het ideale geval sprake is van resistentie tegen of een bestand zijn tegen de ziekte of plaag; is van mening iedere verstrekte steun ten doel moet hebben evenwichtige, biologisch diverse landbouwecosystemen en landschappen te waarborgen die beter bestand zijn tegen toekomstige aanvallen; verzoekt de Commissie en de Raad alle nodige maatregelen te nemen om de verslechtering van die markten tegen te gaan;

21.  is het niet eens met het besluit van de Commissie om de middelen voor vrijwillige gekoppelde steun te verhogen, omdat dit leidt tot marktverstoringen tussen de lidstaten op bepaalde landbouwmarkten; is het ook niet eens met de verlaging van de steun voor jonge landbouwers;

22.  verzoekt de Commissie om waarnemingsposten in het leven te roepen voor vlees en andere producten die gevoelig zijn voor prijsschommelingen, zodat prognoses kunnen worden opgesteld en overproductie kan worden vermeden;

23.  is ingenomen met de lichte verhoging van de middelen voor steun aan de bijenteelt, en dringt aan op een verdere verhoging van deze middelen, daar het Parlement deze activiteit altijd als prioriteit voor de toekomst van de landbouw en voor het behoud van de biodiversiteit heeft aangemerkt;

24.  dringt er bij de Commissie op aan de grote prijsschommelingen van landbouwproducten, die negatieve gevolgen hebben voor het inkomen van landbouwers, in het oog te houden en daar waar nodig snel en doeltreffend in te grijpen;

25.  pleit ervoor dat de doelstellingen inzake de verbetering van het concurrentievermogen en de duurzaamheid van de Europese landbouw worden nagestreefd en verlangt dat er middelen worden uitgetrokken om deze doelstellingen te verwezenlijken;

26.  is het niet eens met het besluit van de Commissie om de indiening van de ontwerpbegroting 2017 met meer dan een maand uit te stellen vanwege het referendum in het VK, omdat een dergelijk uitstel de begrotingsprocedure ernstig vertraagt;

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

30.8.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

35

5

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

John Stuart Agnew, Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, Paul Brannen, Daniel Buda, Nicola Caputo, Matt Carthy, Viorica Dăncilă, Michel Dantin, Albert Deß, Herbert Dorfmann, Edouard Ferrand, Luke Ming Flanagan, Beata Gosiewska, Martin Häusling, Jan Huitema, Peter Jahr, Jarosław Kalinowski, Urszula Krupa, Zbigniew Kuźmiuk, Philippe Loiseau, Mairead McGuinness, Giulia Moi, Ulrike Müller, Maria Noichl, Marijana Petir, Jens Rohde, Bronis Ropė, Jordi Sebastià, Jasenko Selimovic, Maria Lidia Senra Rodríguez, Czesław Adam Siekierski, Marc Tarabella, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Bas Belder, Franc Bogovič, Maria Heubuch, Karin Kadenbach, Norbert Lins, Gabriel Mato, Anthea McIntyre, Sofia Ribeiro, Annie Schreijer-Pierik, Tibor Szanyi, Hannu Takkula, Estefanía Torres Martínez, Ramón Luis Valcárcel Siso


ADVIES van de Commissie visserij (1.9.2016)

aan de Begrotingscommissie

inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017

(2016/2047(BUD))

Rapporteur voor advies: Nils Torvalds

SUGGESTIES

De Commissie visserij verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  herinnert eraan dat de GVB-doelen alleen doeltreffend kunnen worden bereikt als er een toereikend budget is; wijst erop dat de begroting geconcentreerd is in Afdeling III en titel 11 "Maritieme zaken en visserij"; merkt op dat het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV), waarvoor beperkte middelen beschikbaar zijn in vergelijking met andere EU-fondsen, en de verplichte bijdragen aan de regionale organisaties voor het beheer van de visserij en overeenkomsten inzake duurzame visserij het grootste deel van de begroting uitmaken, en dat de aanhoudende afname van kredieten voor laatstgenoemde begrotingslijn dringend tot een halt moet worden gebracht om de verwachtingen ten aanzien van de uitbreiding van het netwerk van overeenkomsten met derde landen te kunnen waarmaken;

2.  herinnert aan het belang van een Uniebegroting die in overeenstemming is met de verklaarde beleidsdoelstellingen voor de werkgelegenheid, de bedrijven en het ondernemerschap; wijst er met klem op dat visserij en maritieme zaken ook bronnen van werkgelegenheid en groei zijn en actief bijdragen aan de ruimtelijke ordening en het beheer van de natuurlijke hulpbronnen;

3.  wijst met klem op het belang van de sociale en economische dimensie van de visserij voor plaatselijke gemeenschappen en bepaalde maritieme, kust- en eilandregio's die voornamelijk afhankelijk zijn van visserijactiviteiten; beseft dat het noodzakelijk is voldoende financiële ruimte te behouden om kustvloten en ambachtelijke en kleinschalige vloten te kunnen financieren;

4.  benadrukt dat visserij en maritieme zaken een belangrijke economische, sociale en milieudimensie hebben en een essentiële rol spelen in de blauwe economie;

5.  benadrukt dat het GVB ook bijdraagt tot de sociale cohesie in de ultraperifere regio's en op voor de kust gelegen eilanden; wijst erop dat de visserijbedrijven in die regio's en eilanden in sommige gevallen gehinderd worden door bijkomende kosten en daarom speciale erkenning en steun moeten krijgen overeenkomstig artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, net als regio's die te kampen hebben met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen die erkenning en steun overeenkomstig artikel 174 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie genieten;

6.  benadrukt dat de tenuitvoerlegging van het nieuwe GVB een heel nieuwe vorm van visserijbeheer inhoudt, zowel voor de lidstaten als voor de vissers, en herinnert aan de moeilijkheden die zich hebben voorgedaan in eerdere begrotingsjaren waarin de kredieten verlaagd werden;

7.  wijst erop dat er voldoende financiële ondersteuning moet zijn, zonder dat gekort wordt op de kredieten voor controle op de visserijactiviteiten en de desbetreffende investeringen aan boord en in de havens teneinde de naleving van de aanlandingsplicht te waarborgen en te vergemakkelijken;

8.  onderstreept dat de modernisering van het visserijcontrolebeleid haar beslag moet krijgen via de modernisering van de viswerktuigen, en dat dit niet gedaan kan worden als het budget niet omhoog gaat;

9.  benadrukt dat het van belang is te zorgen voor passende financiële middelen en ten minste de voor het verzamelen van gegevens bestemde kredieten van het lopende begrotingsjaar te behouden, dat cruciaal is om rationele en wetenschappelijk onderbouwde besluiten met betrekking tot het visserijbeleid te kunnen nemen;

10.  benadrukt hoe belangrijk het is te investeren in de analyse en verspreiding, in de hele bevoorradingsketen, van economische kennis over en inzicht in de markt voor visserij en aquacultuur, en dat hiervoor op de begrotingslijn voor marktonderzoek de nodige vastleggingskredieten moeten worden gewaarborgd om de geraamde voorgenomen betalingen te kunnen dekken;

11.  benadrukt dat prioriteit moet worden toegekend aan werkgelegenheidsprojecten (met name via het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief), aan innoverende projecten en aan de diversificatie van plaatselijke economieën, zodat hun visserijactiviteiten meer toegevoegde waarde genereren, bijvoorbeeld door de etikettering van producten of het visserijtoerisme te bevorderen, alsook aan de bescherming en het herstel van visbestanden en mariene ecosystemen;

12.  maakt van de situatie van de jeugdwerkgelegenheid in de sector een beleidsprioriteit; wijst er met klem op dat het de taak van de lidstaten is, al het mogelijke te doen om de toegang voor jongeren tot de verschillende beroepen in de visserij te vergemakkelijken met alle middelen waarover ze beschikken, waaronder de Structuurfondsen;

13.  wijst erop dat de tenuitvoerlegging van de begroting van de Unie voor 2017 zal samenvallen met de tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader 2014-2020 en dat het begrotingsjaar 2017 dus het juiste moment is om ervoor te zorgen dat de Unie voldoende middelen binnenkrijgt om doeltreffend interne en externe maatregelen te kunnen nemen en over de noodzakelijke kredieten te beschikken om te kunnen voorzien in de financieringsbehoeften van het GVB;

14.  herinnert eraan dat een flink aantal bedrijvers van de gemengde visserij getroffen zullen worden door de verplichte aanlanding van bijvangsten per 1 januari 2017, en verzoekt in dit verband om een specifieke begrotingslijn voor hulp bij de naleving van deze verplichting teneinde het onderzoek naar en ontwikkeling van meer selectief vistuig veilig te stellen en te stimuleren;

15.  wijst erop dat alle operationele programma's inzake visserij onlangs door de lidstaten zijn vastgesteld en dat de Commissie en de nationale overheden dus in het begrotingsjaar 2017 haast moeten maken met maatregelen om de tijdige tenuitvoerlegging van de betrokken projecten te waarborgen; is van mening dat de begroting van de Unie moet voorzien in een passend niveau van betalings- en vastleggingskredieten om te voorkomen dat er betalingsproblemen ontstaan en dat er in visserijmaatregelen moet worden gesnoeid;

16.  verzoekt de Commissie nogmaals het Parlement elk jaar een voortgangsverslag te doen toekomen van alle vastleggingen en betalingen, uitgesplitst per lidstaat, om zich ervan te vergewissen dat de diverse maxima van het EFMZV geëerbiedigd zijn;

17.  vraagt DG MARE om in het kader van de partnerschapsovereenkomsten inzake duurzame visserij (PODV) de sectorale steun nauwgezet te volgen door gedetailleerde matrices in te voeren overeenkomstig de indicatoren die in de programmaverklaringen zijn voorgesteld;

18.  wijst erop dat het Europees Bureau voor visserijcontrole (EBVC) zijn rol alleen kan vervullen als het voldoende technische, economische, personele en financiële middelen krijgt; verzoekt de Commissie te zorgen voor voldoende geld voor de EBVC-kredieten, zodat het de nieuwe taken die het in het kader van het hervormde gemeenschappelijke visserijbeleid en het voorstel voor een pakket inzake een Europese grens- en kustwacht krijgt toebedeeld, kan vervullen; herinnert eraan dat het noodzakelijk is alle agentschappen die te maken hebben met de migratiecrisis vrij te stellen van de beoogde personeelsinkrimping met 5 %;

19.  stelt voor de begroting van het EBVC te verhogen zodat het kan beantwoorden aan de nieuwe opdrachten die voortvloeien uit het maatregelenpakket voor een Europese kust- en grenswacht.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

31.8.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

16

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marco Affronte, Clara Eugenia Aguilera García, Alain Cadec, Richard Corbett, Carlos Iturgaiz, António Marinho e Pinto, Gabriel Mato, Remo Sernagiotto, Ricardo Serrão Santos, Isabelle Thomas, Jarosław Wałęsa

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Izaskun Bilbao Barandica, José Blanco López, Nicola Caputo, Ole Christensen, Ian Duncan, Czesław Hoc, Cláudia Monteiro de Aguiar, Maria Lidia Senra Rodríguez, Nils Torvalds


ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs (6.9.2016)

aan de Begrotingscommissie

inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017

(2016/2047(BUD))

Rapporteur voor advies: Bogdan Andrzej Zdrojewski

SUGGESTIES

De Commissie cultuur en onderwijs verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  merkt op dat de Commissie vertraging heeft opgelopen bij het indienen van het ontwerp van algemene begroting voor 2017 en dat de werkzaamheden van het Parlement hierdoor ernstig worden ondermijnd; is van oordeel dat dergelijke vertragingen in de toekomst vermeden moeten worden;

2.   neemt kennis van de verhoging die in het ontwerp van begroting voor 2017 wordt voorgesteld voor de programma's Erasmus+, Creatief Europa en Europa voor de burger; benadrukt dat investeringen in deze beleidsdomeinen – mits ze doelgericht zijn – kunnen bijdragen tot de strategische doelstelling van Europa 2020, namelijk het bevorderen van slimme, duurzame en inclusieve groei, en tot de doelstelling van de EU-jongerenstrategie, te weten actieve participatie en inclusie van jongeren in de maatschappij, en tevens een strategische investering zijn in mensen als een cruciale factor voor groei en welvaart;

3.  is ingenomen met de ondertekening van de overeenkomst waarmee de financiële garantiefaciliteit van Creatief Europa van start gaat, dat één van de cruciale middelen is voor het verbeteren van de toegang tot leningen voor kmo's en organisaties die werkzaam zijn in de culturele en creatieve sector, alsook één van de belangrijkste middel voor het garanderen van de vereiste billijke vergoeding voor makers; is ingenomen met het geïntegreerde opleidingsprogramma dat de garantiefaciliteit bankiers en financiële tussenpersonen aanbiedt; adviseert met klem alle noodzakelijke maatregelen in de loop van 2016 te treffen, zodat de garantiefaciliteit zo snel mogelijk op kruissnelheid kan komen;

4.   onderstreept dat de programma's van de Unie op het gebied van cultuur, onderwijs, jongeren en burgerschap meerwaarde bieden en synergieën tot stand brengen met het integratiebeleid voor migranten en vluchtelingen; verzoekt de instellingen van de Unie dan ook te reageren met een passende verhoging van de middelen voor rechtstreeks beheerde programma's, zoals Creatief Europa, alsook voor de relevante begrotingslijnen in de structuur- en investeringsfondsen;

5.   verklaart nogmaals van mening te zijn dat het jongerenhoofdstuk van Erasmus+ een symbolisch leermobiliteitsprogramma is dat jongeren toerust met de vaardigheden en competenties die nodig zijn om nieuwe uitdagingen het hoofd te bieden; onderstreept dat 10% van de totale begroting voor het programma toegewezen moet worden aan dit hoofdstuk, zoals aangegeven in de basishandeling;

6.   wijst erop – in het licht van de nieuwe maatschappelijke uitdagingen voor Europa – dat de Europese aanpak van gemeenschappelijke Europese uitdagingen moet worden versterkt door grootschalige innovatieprojecten te ondersteunen die worden uitgevoerd door Europese netwerken van maatschappelijke organisaties op het gebied van onderwijs, opleiding en jongeren;

7.   betreurt het dat in de ontwerpbegroting voor 2017 geen extra vastleggingskredieten zijn opgenomen voor het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief; verzoekt de lidstaten en de Commissie erop toe te zien dat dit initiatief in 2017 wordt voortgezet;

8.   onderstreept dat het Erasmusprogramma in 2017 dertig jaar bestaat; verlangt derhalve dat voldoende middelen worden toegewezen, zodat deze feestelijke gelegenheid kan worden aangegrepen om de voordelen van het programma voor Europa en zijn burgers verder onder de aandacht te brengen; roept belanghebbenden, waaronder jongerenorganisaties en andere onderwijsaanbieders, derhalve op om brede betrokkenheid te tonen, zodat een breed publiek in Europa kan worden bereikt;

9.   merkt op dat de Commissie geen marge heeft gelaten voor verdere verhogingen met betrekking tot de financiering van proefprojecten en voorbereidende acties onder rubriek 3; wijst erop dat er een marge is onder rubriek 1a; onderstreept hoeveel mogelijkheden proefprojecten en voorbereidende acties hebben om acties binnen beleidsterreinen van de Unie te testen en nieuwe innoverende initiatieven in te voeren die kunnen uitmonden in permanente EU-acties;

10.  benadrukt dat een effectief EU-communicatiebeleid de pluriformiteit en geloofwaardigheid van de media moet vergroten en een echte dialoog met de burgers moet bevorderen, en dat het ontwerp van begroting hiervoor in voldoende ondersteuning moet voorzien; wijst in dit verband op de positieve rol van de pan-Europese netwerken, samengesteld uit lokale en nationale media, zoals Euranet Plus, en vraagt om een begrotingsgarantie die de voortzetting van de lopende activiteiten en stabiele financiering waarborgt;

11.  onderstreept, in de context van de huidige migratie- en vluchtelingencrisis en terroristische dreiging, de rol van de culturele diplomatie; verwelkomt de gezamenlijke mededeling van de Commissie getiteld "Een Europese strategie voor internationale culturele betrekkingen"; merkt in dit verband op dat voldoende middelen toegekend moeten worden om cultuur een krachtig instrument in dienst van het buitenlands beleid van de Unie te maken opdat de EU een sterkere mondiale speler wordt;

12.  merkt op dat moet worden voorzien in de nodige begrotingsgaranties met betrekking tot de voorbereidende activiteiten voor het Europees jaar van het cultureel erfgoed (2018).

13.  onderstreept het belang van statistisch onderzoek en toegang tot vergelijkbare gegevensbronnen voor een effectieve monitoring en analyse van de culturele, economische en maatschappelijke invloed van cultuur- en onderwijsbeleid; herinnert in dit verband aan de noodzaak om voldoende middelen voor deze doelstelling toe te wijzen;

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

5.9.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

20

2

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Andrea Bocskor, Silvia Costa, Mircea Diaconu, Jill Evans, Petra Kammerevert, Svetoslav Hristov Malinov, Stefano Maullu, Luigi Morgano, Momchil Nekov, Michaela Šojdrová, Sabine Verheyen, Julie Ward, Bogdan Brunon Wenta, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Milan Zver, Krystyna Łybacka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Rosa D’Amato, Eider Gardiazabal Rubial, Zdzisław Krasnodębski, Ernest Maragall, Martina Michels, Hannu Takkula

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Gerolf Annemans, Raymond Finch


ADVIES van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (2.9.2016)

aan de Begrotingscommissie

inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017

(2016/2047(BUD))

Rapporteur voor advies: Monica Macovei

SUGGESTIES

De Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  neemt kennis van de verhoging van de vastleggingskredieten met 5,4 % en de verhoging van de betalingskredieten met 25,1 % in rubriek 3 van de begroting van de Unie ten opzichte van 2016; is ingenomen met het feit dat in de begroting voor 2017 de nadruk ligt op toekenning van voldoende middelen om op doeltreffende wijze op de migratiecrisis te kunnen reageren; is ingenomen met de toezeggingen van de Commissie om de noodzakelijke middelen beschikbaar te stellen om de buitengrenzen van de EU doeltreffend te beheren en controleren, om de veiligheid binnen en buiten de Unie te versterken, om de lidstaten te steunen op het gebied van de opvang van personen die internationale bescherming behoeven en om de oorzaken van migratie in landen van herkomst en doorreis aan te pakken; wijst er evenwel op dat de voorgestelde 5,2 miljard EUR voor 2017 onder de rubrieken 3 en 4 voor de aanpak van de uitdagingen in verband met de vluchtelingen- en migratiecrisis en de ernstige bedreiging van de veiligheid van Europese burgers door ernstige georganiseerde misdaad, terrorisme en cybercriminaliteit van complexe en grensoverschrijdende aard minder dan 3,5 % van de totale begroting van de Unie vertegenwoordigt, hetgeen weinig is gezien de enorme belangen die er voor de EU op het spel staan; is van oordeel dat de Unie solidariteit moet tonen met personen die daadwerkelijk in nood zijn; is van oordeel dat er voldoende middelen beschikbaar moeten worden gesteld voor het behoud van de fundamentele waarden van de Unie, zoals de eerbiediging van de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten;

2.  dringt aan op herziening van de plafonds voor de rubrieken 3 en 4 bij de tussentijdse herziening van het MFK door de Commissie, om vanaf 2017 een krachtiger, flexibeler en duurzamer antwoord op de huidige humanitaire en migratieproblemen te kunnen bieden; pleit voor vereenvoudiging van het Financieel Reglement en de financiële procedures, voor een eerlijke, transparante en controleerbare verdeling van beschikbare middelen, en voor controles op de besteding van Europese middelen;

3.  benadrukt dat de huidige inspanningen van de Unie om de vluchtelingen- en migratiestromen te beheren zorgvuldig moeten worden afgestemd op de specifieke behoeften en kwetsbaarheden van de steeds grotere aantallen ontheemde vrouwen en meisjes; pleit voor het reserveren van middelen in zowel rubriek 3 als rubriek 4 voor humanitaire doeleinden, om een multisectorale aanpak te waarborgen, en voor een correcte toepassing van de minimumnormen voor levensreddende diensten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid, preventie en bestrijding van seksueel en gendergerelateerd geweld en training van maatschappelijk werkers en medisch personeel langs de hele Europese vluchtelingenroute;

4.  verwacht dat er vanwege politieke instabiliteit en conflicten in een groot aantal regio's nog geen einde zal komen aan de migratiestromen; is ingenomen met de mededeling van de Commissie over een nieuw partnerschapskader met derde landen in het kader van de Europese migratieagenda; dringt aan op een snelle uitvoering van de voorstellen, om de oorzaken van migratie aan te pakken met volledige inachtneming van de waarden waarop de Unie is gegrondvest;

5.  brengt in herinnering dat de billijke en transparante verdeling van de beschikbare middelen over de diverse doelstellingen van het Fonds voor asiel, migratie en integratie voor het Parlement een van de prioriteiten was tijdens de onderhandelingen die hebben geleid tot de instelling van dat fonds; verzoekt de Commissie derhalve het aantal begrotingsonderdelen in het kader van het Fonds voor asiel, migratie en integratie te verhogen, om te zorgen voor een beter inzicht in en transparantie van de wijze waarop de financiële middelen die toegewezen worden aan de diverse doelstellingen en dus aan de bijbehorende begrotingsonderdelen, worden besteed; verzoekt de Commissie met name om in alle toekomstige ontwerpbegrotingen een onderscheid te maken tussen uitgaven die bestemd zijn ter bevordering van billijke en doeltreffende terugkeerstrategieën en uitgaven voor legale migratie en het bevorderen van de effectieve integratie van onderdanen van derde landen, zoals voorgesteld in het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken inzake de begroting 2015(1);

6.  is verheugd over de inzet van het flexibiliteitsinstrument en de gebruikmaking van de marge voor onvoorziene uitgaven in rubriek 3 voor een bedrag van 1,7 miljard EUR, maar maakt zich zorgen over het feit dat er in 2017 geen ruimte meer is voor flexibiliteit; stelt vast dat de acties in rubriek 4 slechts ten dele gefinancierd worden uit de begroting van de Unie; verzoekt de lidstaten om hun toezeggingen gestand te doen en verzoekt de Commissie om de uitvoering van de overeenkomsten zo veel mogelijk te bevorderen;

7.  is ingenomen met de oprichting van een coördinatiecentrum voor bijstand aan slachtoffers van terrorisme (2 miljoen EUR), bedoeld om belemmeringen zoals een gebrek aan kennis en onvoldoende ontwikkeling van vaardigheden weg te nemen, door belangrijke operationele deskundigen, advocaten van slachtoffers en hulporganisaties uit heel Europa samen te brengen, om de prioriteiten en belangrijkste onderwerpen in verband met slachtoffers van terrorisme in kaart te brengen en, waar dan ook, gecoördineerde ondersteuning te kunnen bieden aan slachtoffers van terrorisme, en binnen de infrastructuur voor noodhulpverlening een slachtoffergerichte aanpak te realiseren;

8.  is bezorgd over het feit dat de instelling van financieringsinstrumenten buiten de EU-begroting een bedreiging kan vormen voor de eenheid van de begroting en over het feit dat daarmee de begrotingsprocedure, die gekenmerkt wordt door betrokkenheid van en toezicht door het Parlement, wordt omzeild;

9.  is verheugd over de middelen die worden voorgesteld voor het AMIF (1,6 miljard EUR) en het ISF (0,7 miljard EUR); is van mening dat het door deze verhoging nog noodzakelijker wordt om te zorgen voor een eerlijke en transparante verdeling van middelen tussen de verschillende programma's en doelstellingen van de fondsen; steunt de totale financiering (3 miljard EUR) voor de oprichting van het Europese grens- en kustwachtagentschap, het nieuwe inreis-/uitreissysteem, het nieuwe gemeenschappelijk Europees asielstelsel en voor het opzetten van het instrument voor snelle en doeltreffende humanitaire noodhulp in de Unie;

10.  verlangt dat Frontex zijn grondrechtenfunctionaris voldoende middelen en personeel beschikbaar stelt voor het opzetten van een klachtenmechanisme en de verdere ontwikkeling en tenuitvoerlegging van de strategie voor toezicht op en het waarborgen van de bescherming van de grondrechten;

11.  benadrukt dat de begrotingsmiddelen en het aantal posten waarover het Europese grens- en kustwachtagentschap beschikt op dit moment weliswaar toereikend schijnen, maar dat zorgvuldig in de gaten gehouden moet worden hoe de behoeften van het agentschap wat betreft operationele middelen en staf zich ontwikkelen, zodat het agentschap ook in de toekomst naar behoren kan functioneren; stelt voor de rangen van tijdelijke ambten te verhogen om tegemoet te komen aan de complexiteit van de nieuwe taken van het agentschap uit hoofde van de herziene verordening;

12.  stelt vast dat de door de Commissie voor het EASO voorgestelde begrotings- en personele middelen voorzien in de behoeften van dit bureau; benadrukt dat het van belang is dat deze middelen en dit personeelsbestand niet teruggebracht worden en aangepast worden als er opnieuw sprake is van een grotere toestroom van migranten;

13.  steunt de toekenning van meer middelen aan doeltreffende JBZ-agentschappen, met name agentschappen op het gebied van migratie en veiligheid, en verlangt dat de doelstelling van vermindering van het aantal personeelsleden van de Unie met 5 % niet geldt voor deze agentschappen; benadrukt dat relevante agentschappen bij een uitbreiding van hun mandaat moeten kunnen beschikken over voldoende middelen en personeel; is ingenomen met de inspanningen van het Europees Centrum voor de bestrijding van cybercriminaliteit (EC3) van Europol op het gebied van de bestrijding van seksuele exploitatie van kinderen op internet en benadrukt dat er op dit gebied meer personele middelen moeten worden ingezet; benadrukt dat de financiering van Eurojust moet worden aangepast om dit agentschap beter in staat te stellen het hoofd te bieden aan de enorm stijgende werklast op gebieden zoals terrorismebestrijding, cybercriminaliteit, migrantensmokkel en andere vormen van ernstige grensoverschrijdende criminaliteit; verzoekt om een nadere gedetailleerde verduidelijking van de stijging van 73 miljoen EUR (92 %) van de begroting voor eu-LISA voor het inreis-/uitreissysteem, de interoperabiliteit van informatiesystemen en de herziening van de Dublin-wetgeving, alsmede om een toelichting op de opsplitsing van de kredieten tussen de begrotingen voor eu-LISA en het ISF;

14.  benadrukt dat een gecoördineerde aanpak van de lidstaten op het gebied van de bestrijding van georganiseerde misdaad, terrorisme, cybercriminaliteit en andere vormen van zware criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie belangrijker is dan ooit; is van oordeel dat er meer middelen beschikbaar moeten worden gesteld voor scholing op het niveau van de Unie in het kader van politiële en justitiële samenwerking, met name met betrekking tot de activiteiten van het Europees grens- en kustwachtagentschap, en benadrukt dat Eurojust en Europol moeten kunnen beschikken over voldoende operationele middelen, onder meer om te kunnen investeren in nieuwe technologieën; wijst in het bijzonder op de behoefte van Europol aan voldoende personele en operationele middelen; is van oordeel dat er meer posten nodig zijn om onder meer de identificatie van slachtoffers te verbeteren, georganiseerde netwerken van personen die zich schuldig maken aan seksueel misbruik te ontmantelen en ervoor te zorgen dat online- en offline-materiaal dat misbruik bevat sneller kan worden opgespoord en geanalyseerd en dat sneller aangifte kan worden gedaan;

15.  maakt zich in dit kader grote zorgen over de kwetsbaarheid van niet-begeleide minderjarigen, die bijzondere zorg behoeven, en jonge vrouwen tijdens de migratiecrisis; wijst op de moeilijke situatie van niet-begeleide minderjarigen in vluchtelingenkampen, die gevaar lopen het slachtoffer te worden van misbruik of mensenhandel, en pleit voor de ontwikkeling, met gebruikmaking van de noodfondsen, van krachtige instrumenten om snel verbetering te brengen in de huidige situatie; acht het van belang dat meer geld beschikbaar wordt gesteld voor kinderhulplijnen, om vermissing van kinderen te voorkomen en deze kinderen te beschermen;

16.  is verheugd dat er meer middelen beschikbaar worden gesteld voor de ontwikkeling van de Europese databank inzake nieuwe drugs van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (EWDD); verzoekt de Commissie er bij de begrotingsplanning voor te zorgen dat het EWDD voldoende middelen worden toegewezen voor de tenuitvoerlegging van de beoogde wijziging van de verordening tot oprichting van het EWDD inzake het systeem voor vroegtijdige waarschuwing en de risicobeoordeling van nieuwe psychoactieve stoffen;

17.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging (Enisa) van voldoende middelen wordt voorzien om de extra taken uit te voeren die het door de EU-wetgeving, en met name de richtlijn netwerk- en informatiebeveiliging (NIB), heeft gekregen, en om uitvoering te kunnen geven aan zijn taken op het gebied van de voorkoming en bestrijding van cybercriminaliteit;

18.  neemt kennis van de verhoging van de begrotingslijnen "Toezien op de bescherming van rechten en burgers meer zeggenschap geven" en "Bestrijding van discriminatie en bevordering van gelijkheid", in het kader van het programma "Rechten, gelijkheid, burgerschap" en verwacht van de Commissie dat zij nieuwe oproepen zal doen tot het indienen van voorstellen, met name om, onder meer in de digitale omgeving, het hoogst mogelijke niveau van bescherming van de grondrechten te waarborgen en om lokale actoren te steunen bij de bevordering van democratie, de rechtsstaat en de grondrechten, bijvoorbeeld door een fonds op te zetten voor organisaties die subsidies verstrekken ter bevordering van de democratie;

19.  is van mening dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen migratie en terrorisme in Europa; dringt aan op nieuwe financiële middelen om de radicalisering van jongeren in de Unie te bestrijden; is van mening dat dit kan worden verwezenlijkt door integratie te bevorderen en discriminatie, racisme en vreemdelingenhaat te bestrijden; roept op tot de toewijzing van specifieke middelen om de toenemende homofobie en transfobie in de lidstaten aan te pakken; pleit voor steunprojecten bedoeld om de positie van vrouwen en meisjes in de meest betrokken gemeenschappen te versterken;

20.  roept nogmaals op tot toewijzing van specifieke middelen om een einde te maken aan het toenemend antisemitisme en de toenemende islamofobie, afrofobie en Romahaat in de lidstaten; dringt met name aan op ondersteuning door de Unie van projecten die bedoeld zijn om de positie van vrouwen en meisjes in de betrokken gemeenschappen te versterken, zoals voorgesteld in het advies van LIBE inzake de begroting 2016(2);

21.  benadrukt dat de begroting van de Unie voor het gendergelijkheidsbeleid en de bestrijding van gendergerelateerd geweld verhoogd moet worden; verzoekt de Commissie uitleg te geven over de verlaging van de kredieten voor het Europees Instituut voor gendergelijkheid;

22.  dringt aan op meer steun voor het EWDD in verband met de geplande vaststelling van de verordening betreffende nieuwe psychoactieve stoffen, met bijkomende taken voor het agentschap;

23.  wijst op het belang van het programma "Justitie" voor de verdere ontwikkeling van de Europese ruimte van recht en de verbetering van de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning; verzoekt de Unie steun te verlenen aan scholing en bewustmakingscampagnes, gericht op het verbeteren van de toegang tot de rechter voor alle Europeanen en op bevordering en ondersteuning van slachtoffers, met name slachtoffers van mensenhandel en gendergerelateerd geweld;

24.  dringt erop aan dat de verstrekking van middelen van de Unie voor ontwikkeling en humanitaire hulp niet gekoppeld wordt aan het vermogen of de bereidheid van de partnerlanden om mee te werken aan migratiebeheer, bijvoorbeeld via overnameclausules;

25.  stelt met klem dat projecten die in strijd zijn met de grondrechten van migranten en die legitimiteit verlenen aan dictatoriale regimes niet gesteund moeten worden;

26.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat toewijzing van middelen van de twee fondsen voor binnenlandse zaken aan diverse beleidsgebieden geschiedt op een manier die ten volle rekening houdt met de toezeggingen van de Unie en de lidstaten om de grondrechten van migranten te beschermen en te waarborgen; benadrukt dat projecten die in strijd zijn met de grondrechten van migranten niet gesteund moeten worden; is van oordeel dat de middelen van de Unie ingezet moeten worden om op proactieve wijze steun te verlenen aan een op rechten stoelende benadering van migratie.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

31.8.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

43

6

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jan Philipp Albrecht, Heinz K. Becker, Michał Boni, Caterina Chinnici, Rachida Dati, Frank Engel, Cornelia Ernst, Tanja Fajon, Monika Flašíková Beňová, Ana Gomes, Nathalie Griesbeck, Sylvie Guillaume, Jussi Halla-aho, Monika Hohlmeier, Brice Hortefeux, Sophia in ‘t Veld, Barbara Kudrycka, Marju Lauristin, Juan Fernando López Aguilar, Monica Macovei, Roberta Metsola, Claude Moraes, Soraya Post, Judith Sargentini, Birgit Sippel, Csaba Sógor, Traian Ungureanu, Marie-Christine Vergiat, Udo Voigt, Josef Weidenholzer, Cecilia Wikström, Kristina Winberg, Tomáš Zdechovský

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Anna Maria Corazza Bildt, Gérard Deprez, Angelika Mlinar, Emilian Pavel, Christine Revault D’Allonnes Bonnefoy, Barbara Spinelli, Kazimierz Michał Ujazdowski, Daniele Viotti, Axel Voss

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Amjad Bashir, Fabio Massimo Castaldo, Daniel Dalton, Jørn Dohrmann, Elisabetta Gardini, Danuta Jazłowiecka, Georg Mayer, Maria Noichl, Keith Taylor, Marco Valli

(1)

Paragraaf 12 van het advies aan de Begrotingscommissie.

(2)

Paragraaf 12 van het advies aan de Begrotingscommissie.


ADVIES van de Commissie constitutionele zaken (6.9.2016)

aan de Begrotingscommissie

inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017

(2016/2047(BUD))

Rapporteur voor advies: György Schöpflin

SUGGESTIES

De Commissie constitutionele zaken verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.   wijst op de door de Commissie voorgestelde verhoging van de kredieten voor rubriek 3, namelijk een verhoging van 5,4 % aan vastleggingskredieten en van 25,1 % aan betalingskredieten ten opzichte van de begroting 2016; is ingenomen met het feit dat deze verhoging 1,8 miljard EUR boven het bedrag ligt dat oorspronkelijk was geprogrammeerd om een antwoord te geven op het migratievraagstuk; merkt op dat de Commissie in rubriek 3 in geen enkele marge voorziet en voorstelt 530 miljoen EUR uit het flexibiliteitsinstrument en 1 164,4 miljoen EUR uit de marge voor onvoorziene uitgaven te gebruiken om het hoofd te bieden aan de huidige asiel- en migratiecrisis;

2.  is met name ingenomen met de voorgestelde verhoging van 4,3 % aan vastleggingskredieten en 10,7 % aan betalingskredieten voor het programma "Europa voor de burger" ten opzichte van de begroting 2016, omdat dit programma bijdraagt tot een grotere burger- en democratische participatie op het niveau van de Unie, meer betrokkenheid van zowel jongeren als ouderen bij de Unie en meer inzicht van de burgers in de Unie en haar beleid, geschiedenis en diversiteit;

3.  merkt op dat de Commissie een bedrag van 840 000 EUR aan vastleggingskredieten voorstelt voor het afzonderlijke begrotingsonderdeel voor het Europees burgerinitiatief, dat vorig jaar in het leven is geroepen, en wijst erop dat er voldoende middelen moeten worden uitgetrokken om het gebruik van dit instrument te bevorderen, aangezien dit een waardevol instrument voor participerende democratie is;

4.   benadrukt dat het belangrijk is instrumenten ter verbetering van e-overheid, e-bestuur, elektronisch stemmen en e-participatie en ter bevordering van digitaal burgerschap en de rechten van de burgers van de Unie verder te ontwikkelen door online "burgeractiviteiten" te ontwikkelen die transparantie, verantwoordingsplicht, responscapaciteit, betrokkenheid, raadpleging, inclusie, toegankelijkheid, participatie, subsidiariteit en sociale cohesie verbeteren;

5.  is ingenomen met de verhoging van de middelen voor communicatie door de vertegenwoordigingen van de Commissie, burgerdialogen en partnerschapsacties met kredieten voor 2017 ten bedrage van 17 036 miljoen EUR aan vastleggingskredieten en 14,6 miljoen EUR aan betalingskredieten, aangezien het initiatieven betreft die erop gericht zijn de hand te reiken aan de Europese burgers, hun vertrouwen te winnen en hun inzicht in de politiek en het beleid van de Unie te vergroten;

6.  benadrukt dat het gezamenlijke secretariaat van het transparantieregister moet worden voorzien van voldoende en passende administratieve en financiële middelen om zijn taken uit te voeren, na de aanneming van het nieuw interinstitutionele akkoord over het transparantieregister.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

5.9.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

20

2

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Mercedes Bresso, Fabio Massimo Castaldo, Richard Corbett, Danuta Maria Hübner, Ramón Jáuregui Atondo, Constance Le Grip, Jo Leinen, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Paulo Rangel, György Schöpflin, Pedro Silva Pereira, Barbara Spinelli, Josep-Maria Terricabras, Kazimierz Michał Ujazdowski, Rainer Wieland

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Max Andersson, Gerolf Annemans, Pervenche Berès, Charles Goerens, Jérôme Lavrilleux, Viviane Reding, Helmut Scholz

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Claudiu Ciprian Tănăsescu


ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (6.9.2016)

aan de Begrotingscommissie

inzake het ontwerp van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017

(2016/2047(BUD))

Rapporteur voor advies: Viorica Dăncilă

SUGGESTIES

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat er, overeenkomstig de gezamenlijke verklaring van het Parlement, de Raad en de Commissie van november 2013, genderelementen moeten worden geïntegreerd in de jaarlijkse begrotingsprocedures; overwegende dat genderbewuste budgettering door geen van de EU-instellingen consequent wordt toegepast;

B.  overwegende dat het Daphne-programma, door zowel bewustmakingscampagnes te financieren als projecten die de meest kwetsbare doelgroepen bereiken, een essentiële rol speelt bij het bestrijden van geweld tegen kinderen, jongeren en vrouwen in de EU, en dat het Parlement herhaaldelijk heeft verzocht om ervoor te zorgen dat het profiel van de Daphne-programma's optimaal behouden blijft;

C.  overwegende dat het Parlement in het verleden heeft opgeroepen tot uitbreiding van het personeelsbestand van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE), zodat het instituut zijn nieuwe, extra taak van Europees waarnemingscentrum voor gendergerelateerd geweld kan vervullen;

D.  overwegende dat men tijdens de economische recessie van 2008 de besparingsmaatregelen zag toenemen, en dat deze maatregelen in de lidstaten werden toegepast in een poging om de economie te stabiliseren;

1.  is verheugd dat gendergelijkheid als een horizontale beleidsdoelstelling van de EU-begroting wordt aangehouden in EU-fondsen en -programma's; herinnert eraan dat besluiten over inkomsten en uitgaven andere gevolgen hebben voor mannen dan voor vrouwen; onderstreept derhalve dat genderbewuste budgettering een belangrijk instrument is om genderongelijkheid te bestrijden; wenst dat genderbewuste budgettering wordt toegepast in strategieën ter verbetering van de doeltreffendheid van de bevordering van gendergelijkheid, zowel op het niveau van de Unie als op nationaal niveau, onder meer in de vorm van kwantificeerbare begrotingstoewijzingen, gendereffectbeoordelingen met betrekking tot de verschillende gevolgen die besluiten over uitgaven hebben voor mannen en vrouwen, alsook resultaatindicatoren, teneinde de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen; dringt voorts aan op maximale transparantie ten aanzien van de financiële middelen die in het kader van gendergelijkheid worden toegewezen;

2.  vraagt om de agenda "resultaatgerichte begroting" aan te grijpen als een kans om bij de begrotingsuitgaven met elke bestede euro een geïntegreerde bevordering van gendergelijkheid te bewerkstelligen;

3.  onderstreept dat banen, groei en investeringen de overkoepelende prioriteit blijven van de EU-begroting voor 2017; vestigt de aandacht op de bestaande gendergerelateerde doelstellingen van de Europa 2020-strategie, namelijk de verhoging van de arbeidsparticipatie van vrouwen van de huidige schamele 63,5 % tot 75 %, gelijke loonvoorwaarden voor vrouwelijke en mannelijke werknemers, een gelijke vertegenwoordiging van vrouwen in nationale parlementen en een gelijk aandeel van vrouwen in het bestuur van grote ondernemingen, doelstellingen die alle nog verre van verwezenlijkt zijn;

4.  benadrukt dat in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen voldoende financiering beschikbaar moet worden gesteld voor maatregelen ter bevordering en ondersteuning van kwalitatief hoogstaand onderwijs, inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en werkgelegenheid voor vrouwen en meisjes, teneinde hun kansen op kwalitatief hoogwaardige banen, vervolgopleidingen, leerlingenplaatsen en stages te vergroten; merkt op dat er meer financiële middelen moeten worden toegewezen aan vrouwen en meisjes die hun eigen zaak willen opzetten, en dat er meer financiering beschikbaar moet worden gesteld voor ondernemerschap;

5.  wenst dat uit de fondsen van de Unie middelen worden toegewezen voor de bevordering van vrouwenrechten en gendergelijkheid via het onderwijs en gezondheidsdiensten, en dan met name diensten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheidszorg en rechten, empowerment van meisjes en politieke vertegenwoordiging van vrouwen;

6.  wenst dat het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) en het Europees Sociaal Fonds (ESF) in het kader van de begroting voor 2017 worden ingezet voor het financieren van kwalitatieve, toegankelijke en betaalbare kinderopvang in gebieden die worden gekarakteriseerd door een gebrek aan dergelijke voorzieningen, om zo de doelstellingen van Barcelona te helpen verwezenlijken en bij te dragen aan het combineren van werk en gezin;

7.  wijst erop dat gendersegregatie tot de factoren behoort die het sterkst bijdragen tot de loonverschillen tussen mannen en vrouwen in de EU (16,1 % in 2014), en daarmee tot de gemiddelde genderkloof op het gebied van pensioenen in de EU (40,2 % in 2014); merkt op dat er meer financiële middelen beschikbaar moeten worden gesteld voor de bevordering van de participatie van vrouwen en meisjes in sectoren zoals wetenschap, technologie, engineering, wiskunde en ICT, gebieden waarop ze momenteel ondervertegenwoordigd zijn, als een instrument om de loonkloof te dichten, de economische onafhankelijkheid van vrouwen te bevorderen en hun positie op de arbeidsmarkt te verbeteren;

8.  merkt op dat de financiële crisis in de lidstaten tot bezuinigingen op diensten en uitkeringen van de overheid heeft geleid; wijst erop dat vrouwen het zwaarst door deze bezuinigingen worden getroffen; wijst op de toegenomen financiële onzekerheid, die voortvloeit uit atypische arbeidsvormen en tijdelijke arbeidsovereenkomsten, en op de grotere aantallen oudere vrouwen en alleenstaande moeders die in armoede leven; wenst derhalve dat in het kader van de begroting voor 2017 in alle lidstaten ESF-middelen worden gemobiliseerd, om zo, door te investeren in het combineren van werk en gezin, meer vrouwen aan werk te helpen en hun sociaaleconomische situatie te verbeteren; wenst dat genderbewuste budgettering consequent wordt toegepast;

9.  wijst erop dat geprobeerd wordt om met de begroting voor 2017 een doeltreffend Europees antwoord te geven op het migratievraagstuk; benadrukt dat er middelen moeten worden toegewezen voor de specifieke ondersteuning van vrouwelijke vluchtelingen en asielzoekers in de EU, en voor de bevordering van hun integratie, het waarborgen van medische zorg, met inbegrip van de mogelijkheid tot veilige abortus voor vrouwen en meisjes die tijdens gewapende conflicten het slachtoffer zijn geworden van verkrachting, en het uitoefenen van toezicht op de situatie van deze vluchtelingen en asielzoekers, onder meer in de vorm van vakopleidingen, flexibele taalcursussen, onderwijs- en gezondheidsvoorzieningen en kwaliteitsvolle faciliteiten voor kinderopvang, teneinde vrouwelijke vluchtelingen te helpen om te integreren in hun gastland; meent in het bijzonder dat er voorzieningen op maat moeten worden aangeboden, waaronder ruimten die geschikt zijn voor moeders en hun kinderen, en is van mening dat bijzondere aandacht moet worden geschonken aan vrouwen en meisjes die ten prooi zijn gevallen aan geweld, met inbegrip van VGV;

10.  vindt het betreurenswaardig dat het Daphne-programma niet langer als een afzonderlijk begrotingsonderdeel wordt beschouwd; is ingenomen met de kleine verhoging van de geplande toewijzingen in het kader van de specifieke doelstelling van het Daphne-programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap"; herinnert eraan dat de geplande toewijzingen minder hoog liggen dan die van de vorige programmeringsperiode; herhaalt de oproep dat er voldoende financiële steun moet worden verleend aan het Daphne-programma, dat de zichtbaarheid van het programma behouden moet blijven en dat de toegewezen financiële middelen ten volle en op doeltreffende wijze moeten worden benut; benadrukt hoe belangrijk het is dat de financiële middelen van het Daphne-programma op transparante wijze zowel basisorganisaties in de lidstaten bereiken die ervaring hebben met de omgang met slachtoffers en kwetsbare personen, als proactieve bewustmakingscampagnes;

11.  dringt aan op meer maatregelen die rechtstreeks op kansarme groepen vrouwen gericht zijn en inhouden dat geïnvesteerd wordt in hoogwaardige openbare diensten en, meer bepaald, dat gezorgd wordt voor kwalitatief hoogwaardige diensten op het gebied van kinderopvang, bejaardenzorg en zorg voor andere afhankelijke personen, en verzoekt om daadwerkelijke transparantie inzake de begroting van de financiële middelen (ESF, Progress, Daphne) die bestemd zijn voor gendergelijkheidsbeleid;

12.  dringt aan op de vaststelling van strategieën ter verbetering van de doeltreffendheid van de bevordering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen; benadrukt dat er meer middelen specifiek moeten worden toegewezen aan de bestrijding van alle vormen van geweld en discriminatie jegens vrouwen en meisjes;

13.  betreurt het voorstel om het aantal personeelsleden van EIGE te verminderen; herhaalt zijn eerdere verzoek om meer financiële middelen toe te wijzen aan EIGE en het personeelsbestand van het instituut uit te breiden, zodat het zijn nieuwe, extra taak van Europees waarnemingscentrum voor gendergerelateerd geweld – een taakuitbreiding waar het Europees Parlement op heeft aangedrongen – kan vervullen;

14.  betreurt de voorgestelde bezuinigingen op het gebied van humanitaire hulp en ontwikkelingssamenwerking, aangezien deze gebieden van bijzonder belang zijn als het gaat om vrouwen en gendergelijkheid.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

1.9.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

17

1

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Beatriz Becerra Basterrechea, Malin Björk, Vilija Blinkevičiūtė, Anna Maria Corazza Bildt, Iratxe García Pérez, Mary Honeyball, Elisabeth Köstinger, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Angelika Mlinar, Angelika Niebler, Maria Noichl, Margot Parker, Marijana Petir, João Pimenta Lopes, Terry Reintke, Liliana Rodrigues, Jordi Sebastià, Ernest Urtasun, Anna Záborská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Clare Moody, Julie Ward

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Emilian Pavel


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

11.10.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

29

7

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Nedzhmi Ali, Jonathan Arnott, Jean Arthuis, Richard Ashworth, Reimer Böge, Lefteris Christoforou, Jean-Paul Denanot, Gérard Deprez, José Manuel Fernandes, Eider Gardiazabal Rubial, Jens Geier, Esteban González Pons, Ingeborg Gräßle, Iris Hoffmann, Monika Hohlmeier, Bernd Kölmel, Zbigniew Kuźmiuk, Vladimír Maňka, Ernest Maragall, Siegfried Mureşan, Jan Olbrycht, Urmas Paet, Paul Rübig, Petri Sarvamaa, Patricija Šulin, Eleftherios Synadinos, Indrek Tarand, Isabelle Thomas, Inese Vaidere, Daniele Viotti, Auke Zijlstra

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Afzal Khan, Claudia Țapardel, Derek Vaughan

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Daniela Aiuto, Lynn Boylan, Edouard Ferrand

Juridische mededeling