Procedure : 2016/2033(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0307/2016

Ingediende teksten :

A8-0307/2016

Debatten :

PV 23/11/2016 - 16
CRE 23/11/2016 - 16

Stemmingen :

Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0453

VERSLAG     
PDF 423kWORD 71k
19.10.2016
PE 582.077v02-00 A8-0307/2016

over wegen naar een definitief btw-stelsel en bestrijding van btw-fraude

(2016/2033(INI))

Commissie economische en monetaire zaken

Rapporteur: Werner Langen

Rapporteurs voor advies (*):

Nedzhmi Ali, Commissie begrotingscontrole

Juan Fernando López Aguilar, Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken:

(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 54 van het Reglement

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie begrotingscontrole
 ADVIES van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over wegen naar een definitief btw-stelsel en bestrijding van btw-fraude

(2016/2033(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het actieplan betreffende de btw dat de Commissie op 7 april 2016 heeft gepubliceerd(1),

  gezien speciaal verslag nr. 24/2015 van de Europese Rekenkamer van 3 maart 2016 getiteld "De aanpak van intracommunautaire btw-fraude: er zijn meer maatregelen nodig",

–  gezien Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde,

  gezien zijn resolutie van 13 oktober 2011 over de toekomst van de btw(2),

  gezien het voorstel voor een richtlijn betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (COM(2012)0363),

–  gezien het voorstel voor een verordening van de Raad tot instelling van het Europees Openbaar Ministerie (COM(2013)0534),

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2014 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot instelling van het Europees Openbaar Ministerie(3),

–  gezien het voorstel voor een verordening betreffende het EU-Agentschap voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust) (COM(2013)0535),

–  gezien zijn resolutie van 29 april 2015 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot instelling van het Europees Openbaar Ministerie(4),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de adviezen van de Commissie begrotingscontrole en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0307/2016),

A.  overwegende dat de grenscontroles voor intracommunautaire handel zijn afgeschaft in het kader van de interne markt, die op 1 januari 1993 tot stand werd gebracht, en dat het sinds 1993 bestaande btw-stelsel van de Europese Unie volgens de artikelen 402 tot 404 van de vigerende btw-richtlijn slechts een voorlopig karakter heeft en een overgangsregeling vormt;

B.  overwegende dat de Raad overeenkomstig artikel 113 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) met eenparigheid van stemmen richtlijnen moet vaststellen met het oog op de voltooiing van het gemeenschappelijke btw-stelsel en met name de geleidelijke beperking of intrekking van de afwijkingen van dit stelsel;

C.  overwegende dat de Commissie verplicht is om de vier jaar bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in te dienen over de werking van het bestaande btw-stelsel en met name over de werking van de overgangsregeling;

D.  overwegende dat de btw, die in 2014 bijna 1 biljoen EUR opbracht, een belangrijke en toenemende bron van inkomsten voor de lidstaten is en bijdraagt aan de eigen middelen van de EU, en dat de totale ontvangsten van de EU uit de btw 17 667 miljoen EUR bedroegen en 12,27 % uitmaakten van de totale inkomsten van de EU in 2014(5);

E.  overwegende dat het bestaande btw-stelsel, met name wanneer het door grote ondernemingen wordt toegepast op grensoverschrijdende transacties, gevoelig is voor fraude, strategieën gericht op belastingontwijking, het niet innen van btw als gevolg van insolventie en het onjuist berekenen van de btw; overwegende dat de geraamde "btw-kloof" jaarlijks rond 170 miljard EUR bedraagt en dat betere digitale technologieën beschikbaar komen om deze kloof te helpen dichten;

F.  overwegende dat alleen intracommunautaire ploffraude (ook wel carrouselfraude genoemd) volgens een studie van de Commissie(6) al goed is voor een derving van btw-inkomsten van ongeveer 45 tot 53 miljard EUR per jaar;

G.  overwegende dat er verschillen tussen de lidstaten bestaan in de doeltreffendheid waarmee zij in staat zijn btw-fraude en -ontwijking aan te pakken, aangezien de btw-kloof uiteenloopt van minder dan 5 % tot meer dan 40 %, afhankelijk van het land;

H.  overwegende dat volgens schattingen van Europol tussen de 40 en 60 miljard EUR van de jaarlijkse btw-derving van de lidstaten wordt veroorzaakt door georganiseerde criminele groepen en dat 2 % van deze groepen verantwoordelijk is voor 80 % van de intracommunautaire ploffraude;

I.  overwegende dat de berekening van de inkomstenderving als gevolg van grensoverschrijdende btw-fraude een bijzonder lastige taak is gezien het feit dat slechts twee lidstaten, het Verenigd Koninkrijk en België, hierover statistieken bijhouden en verspreiden;

J.  overwegende dat verschillende lidstaten onlangs drie succesvolle en opeenvolgende Vertigo-operaties hebben uitgevoerd onder coördinatie van Eurojust en Europol, waarbij een carrouselfraude van in totaal 320 miljoen EUR aan het licht kwam;

K.  overwegende dat het bestaande btw-stelsel met name in het grensoverschrijdende verkeer hoge administratieve kosten veroorzaakt, die duidelijk zouden kunnen worden verlaagd, vooral voor kleine en middelgrote ondernemingen, onder meer door middel van vereenvoudigingsmaatregelen met gebruik van hulpmiddelen voor digitale aangifte en gemeenschappelijke databases;

L.  overwegende dat er veel ruimte is voor verbetering wat betreft het verlagen van administratieve en ook fiscale barrières, die met name gevolgen hebben voor projecten van grensoverschrijdende samenwerking;

M.  overwegende dat de btw een verbruiksbelasting is die berust op een stelsel van gespreide betalingen waarop de belastingplichtigen zelf controle kunnen uitoefenen, en die pas bij de eindverbruiker geheven moet worden om de neutraliteit ervan voor bedrijven te kunnen waarborgen; overwegende dat het aan de lidstaten is om de btw-heffing in de praktijk zo te regelen dat de btw door de eindverbruiker wordt afgedragen;

N.  overwegende dat 23 jaar na de invoering van de btw-richtlijn de zogeheten status-quo-uitzonderingsregelingen niet meer van deze tijd zijn, met name gezien de moderne digitale economie;

O.  overwegende dat de Commissie in de afgelopen twee decennia meer dan 40 inbreukprocedures tegen meer dan twee derde van de lidstaten heeft ingeleid, omdat zij bepalingen in de richtlijn hadden overtreden;

P.  overwegende dat er geen meerderheid kan worden gevonden voor een definitieve btw-regeling die berust op het oorsprongslandbeginsel, omdat in dat geval een sterkere harmonisering van de belastingtarieven nodig zou zijn om zware concurrentieverstoringen te voorkomen;

Q.  overwegende dat de bestrijding van belastingfraude tot de belangrijkste uitdagingen op fiscaal gebied behoort waar de lidstaten voor staan;

R.  overwegende dat btw-fraude een zeer schadelijke praktijk is die aanzienlijke bedragen aan de begrotingen van de lidstaten onttrekt en hun inspanningen om de overheidsfinanciën te consolideren ondergraaft;

S.  overwegende dat de grensoverschrijdende btw-fraude de lidstaten en de Europese belastingbetaler jaarlijks nagenoeg 50 miljard EUR kost;

T.  overwegende dat btw-fraude velerlei vormen en facetten kent, snel evolueert en vele economische sectoren treft, en dat snelle aanpassing van de desbetreffende wetgeving daarom geboden is om tot een duurzaam en eenvoudig btw-stelsel te komen waarmee fraude en het potentieel verlies van belastinginkomsten kunnen worden voorkomen;

U.  overwegende dat de btw-carrousel de meest gebruikte frauduleuze techniek is; overwegende dat deze techniek, die zeer vaak wordt toegepast in de sectoren elektronische onderdelen, mobiele telefonie en textiel, erin bestaat goederen "rondjes te laten draaien" tussen diverse ondernemingen in verschillende lidstaten en daarbij te profiteren van het feit dat er geen belasting wordt geheven op de intracommunautaire levering van goederen;

V.  overwegende dat krachtiger en onafgebroken samenwerking tussen de lidstaten dringend geboden is teneinde alomvattende en integrale strategieën tegen fraude te ontwikkelen, gezien met name de huidige begrotingskrapte in de EU en de toename van e-handel en internetverkoop, waardoor de territoriale greep op de btw-inning is verzwakt;

W.  overwegende dat de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie en de lidstaten een essentieel element vormt van de beleidsagenda van de Unie, bedoeld om het vertrouwen van de burgers te versterken en te doen toenemen en om te garanderen dat hun geld correct wordt gebruikt;

X.  overwegende dat btw-fraude tot inkomstensderving voor de lidstaten en dus ook voor de EU leidt, een verstoord fiscaal klimaat creëert dat met name voor kleine en middelgrote bedrijven nadelig is, en gebruikt wordt door criminele organisaties die profiteren van bestaande verschillen tussen de wettelijke regelingen van de lidstaten en hun bevoegde toezichthoudende autoriteiten;

Y.  overwegende dat de Europese Rekenkamer in haar speciaal verslag nr. 24/2015 concludeert dat btw-fraude meestal beschouwd moet worden als criminele praktijk waar een einde aan moet worden gemaakt;

Z.  overwegende dat het Europees Hof van Justitie in zaak C-105/14, Taricco e.a., stelt dat het begrip "fraude" als gedefinieerd in artikel 1 van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen ook btw-ontvangsten omvat;

1.  is verheugd over het voornemen van de Commissie om uiterlijk in 2017 een definitief btw-stelsel voor te stellen dat eenvoudig, rechtvaardig, robuust, efficiënt en minder fraudegevoelig is;

2.  benadrukt dat voor de goede werking van de digitale interne markt een eenvoudig btw-stelsel met minder vrijstellingen nodig is;

3.  is van mening dat het wetenschappelijke advies dat ten grondslag ligt aan de voorstellen van de Commissie voor het actieplan, een aantal waardevolle aanbevelingen bevat; benadrukt dat de lijst van voorstellen van de Commissie voor een robuust, eenvoudig en minder fraudegevoelig btw-stelsel niet uitputtend is;

4.  is verheugd over de recente mededeling van de Commissie van 7 april 2016 en haar voornemen om verdere maatregelen tegen mogelijke fraude te nemen en werk te maken van de verdere ontwikkeling van het bestaande btw-stelsel;

5.  is van mening dat het verbeteren van het bestaande stelsel ook belangrijk is en verlangt fundamentele hervormingen waarmee de problemen van het bestaande stelsel, en met name het Europese probleem van de btw-inning, worden weggenomen of althans duidelijk verminderd;

6.  is van mening dat de Commissie alle mogelijke opties op dezelfde wijze en zonder vooringenomenheid moet toetsen en aan de wetgevingsprocedure onderwerpen;

7.  stelt vast dat gezamenlijke inspanningen van de lidstaten nodig zijn om overeenstemming over een definitief btw-stelsel te bereiken;

8.  erkent dat eenparigheid een noodzakelijke voorwaarde zal zijn voor een overeenkomst over een beter werkend btw-stelsel en verzoekt derhalve om een duidelijke visie ten aanzien van eenvoud en minder uitzonderingen in combinatie met een pragmatische aanpak, waarbij rekening wordt gehouden met de belangen van de zich snel ontwikkelende digitale economie;

9.  stelt vast dat een gecoördineerd fiscaal beleid van de lidstaten en een verbetering van de snelheid en frequentie van hun uitwisseling van informatie over intracommunautaire handel onontbeerlijk zijn om belastingontduiking en -vermijding doeltreffender te bestrijden en de bestaande "btw-kloof" eindelijk te dichten;

10.  moedigt de Commissie en overheidsinstanties aan nieuwe technologieën te verkennen en te testen, zoals de "distributed ledger"-technologie en real-time toezicht, als onderdeel van een RegTech-agenda met het oog op een forse vermindering van de bestaande grote "btw-kloof" in de Unie;

11.  benadrukt dat het de verantwoordelijkheid van de belastingdiensten van de afzonderlijke lidstaten is om ervoor te zorgen dat de btw op een eenvoudige en kmo-vriendelijke manier wordt betaald, wat kan worden vergemakkelijkt door een versterkte samenwerking tussen de nationale autoriteiten;

12.  is van mening dat de samenwerking en de uitwisseling van informatie tussen de afzonderlijke belastingdiensten van de lidstaten in het verleden ontoereikend zijn geweest en dat ook de activiteiten van Eurofisc tot dusverre geen bevredigende resultaten hebben opgeleverd; is van mening dat de via Eurofisc uitgewisselde informatie beter op fraude gericht moet zijn; kijkt uit naar het komende Commissievoorstel om het functioneren van Eurofisc te verbeteren;

13.  merkt op dat het btw-informatie-uitwisselingssysteem (VIES) een nuttig instrument is gebleken voor het bestrijden van fraude, doordat het de belastingdiensten de mogelijkheid biedt gegevens over handelaren in meerdere landen op elkaar af te stemmen, maar dat er nog steeds tekortkomingen bestaan in de uitvoering van dit systeem, met name wat betreft de tijdigheid van de verstrekte informatie, de snelheid waarmee op vragen wordt geantwoord en de reactiesnelheid bij het vaststellen van fouten; beveelt de lidstaten daarom aan voldoende aandacht te besteden aan het aanpakken van deze tekortkomingen;

14.  wijst erop dat de door nationale autoriteiten aan Eurofisc verstrekte gegevens niet zodanig worden gefilterd dat uitsluitend verdachte zaken worden overgedragen, waardoor de optimale werking van de groep wordt belemmerd; steunt het initiatief van verschillende lidstaten die pleiten voor het invoeren van nationale instrumenten voor risicoanalyse, die het mogelijk zouden maken de gegevens te filteren zonder het risico te lopen dat verdachte zaken in een lidstaat worden geëlimineerd, en Eurofisc in staat zouden stellen snel op te treden tegen grensoverschrijdende btw-fraude;

15.  benadrukt dat het de verantwoordelijkheid van de belastingdiensten van de afzonderlijke lidstaten is om ervoor te zorgen dat de btw op een correcte en eenvoudige wijze wordt betaald;

16.  herinnert eraan dat de lidstaten grotendeels afhankelijk zijn van de informatie die zij van andere lidstaten ontvangen over de intracommunautaire handel om de btw op hun grondgebied te kunnen heffen; wenst dat de bevoegde instanties met name hun btw- en accijnsgegevens onderling automatisch uitwisselen en van betrouwbare en gebruiksvriendelijke IT-mogelijkheden, zoals elektronische standaardformulieren, gebruikmaken om grensoverschrijdende leveringen van goederen en diensten aan de eindverbruiker te registreren; is in dit verband van mening dat het gebruik van btw-locatienummers (VLN's), waarbij klanten geen voorbelasting kunnen aftrekken als de btw wordt vermeld op een factuur zonder geldig VLN, nuttig kan zijn;

17.  is van mening dat een gebrek aan vergelijkbare gegevens en voldoende relevante indicatoren om de prestaties van de lidstaten te meten gevolgen heeft voor de doeltreffendheid van het EU-systeem voor de aanpak van intracommunautaire btw-fraude, en verzoekt derhalve de belastingdiensten in coördinatie met de Commissie een gemeenschappelijk systeem in te stellen om de omvang van de intracommunautaire fraude in te schatten en vervolgens doelstellingen vast te stellen om deze terug te dringen, aangezien dit de beoordeling van de prestaties van de lidstaten bij het aanpakken van dit probleem mogelijk zou maken;

18.  verzoekt de lidstaten ook de uitwisseling van informatie met gerechtelijke en rechtshandhavingsautoriteiten, zoals Europol en OLAF, te vergemakkelijken, zoals aanbevolen door de Rekenkamer;

19.   merkt op dat douaneregeling 42, die voorziet in een btw-vrijstelling voor goederen die in een lidstaat worden ingevoerd wanneer deze vervolgens worden doorgevoerd naar een andere lidstaat, fraudegevoelig is gebleken; merkt op dat doeltreffende kruiscontroles van de gegevens van belastingdiensten en de informatie van douaneautoriteiten cruciaal zijn om dit soort fraude op te sporen en uit te bannen; verzoekt de lidstaten en de Commissie derhalve op te treden om de informatiestroom tussen de belastingdiensten en douaneautoriteiten ten aanzien van volgens douaneregeling 42 ingevoerde producten te vergemakkelijken, zoals aanbevolen door de Europese Rekenkamer;

20.  onderschrijft de in het actieplan geformuleerde doelstelling om een uniforme Europese btw-ruimte tot stand te brengen, die als steunpilaar voor een sterkere en eerlijkere interne markt moet fungeren en moet bijdragen aan het bevorderen van fiscale rechtvaardigheid, duurzame consumptie, de werkgelegenheid, groei, investeringen en het concurrentievermogen, en tegelijkertijd de mogelijkheid van btw-fraude beperkt;

21.  verzoekt in dit verband om een volledige opname van diensten in het nieuwe stelsel, zodra dit mogelijk is, en vraagt er met name om financiële diensten onderhevig te maken aan btw;

22.  deelt de opvatting van de Commissie dat het definitieve btw-stelsel dient te berusten op het beginsel van belastingheffing in het land van bestemming van goederen en diensten, omdat het oorsprongslandbeginsel niet haalbaar is gebleken;

23.  is voorstander van de veralgemening van het beginsel van het land van bestemming in het kader van verkoop op afstand aan particulieren, alsook van de invoering van geharmoniseerde maatregelen ten voordele van kleine ondernemingen;

24.  wenst dat bij de invoering van een definitief btw-stelsel de technologische vooruitgang in de digitale wereld wordt ingebouwd in de bestaande belastingmodellen, om zo het btw-stelsel fit te maken voor de 21e eeuw;

25.  stelt vast dat de vele verschillende btw-tarieven die momenteel naast elkaar bestaan, grote onzekerheid creëren voor grensoverschrijdend opererende ondernemingen, met name in de dienstensector, en voor kmo's; stelt vast dat er ook onzekerheid bestaat over de vraag wie er verantwoordelijk is voor de inning van de btw, het bewijs van intracommunautaire levering, het risico op betrokkenheid bij ploffraude, cashflowkwesties en de verschillende btw-tarieven voor verschillende productcategorieën in hetzelfde land; verzoekt de Commissie derhalve voor medio 2017 de gevolgen van ploffraude te onderzoeken; verzoekt de lidstaten het eens te worden over meer convergentie van de btw-tarieven;

26.  verzoekt de Commissie de gevolgen te evalueren van het niet harmoniseren van de belastingtarieven op EU-niveau, met name bij grensoverschrijdende activiteiten, en de mogelijkheden te onderzoeken om deze belemmeringen weg te nemen;

27.  steunt de door de Commissie voorgestelde optie om de lijst van goederen en diensten waarop een verlaagd tarief van toepassing is, zoals goedgekeurd door de Raad, regelmatig te herzien; wenst dat op deze lijst rekening wordt gehouden met politieke prioriteiten, zoals sociale, gender-, gezondheids-, milieu-, voedings- en culturele aspecten;

28.  is van mening dat het volledig afschaffen van de minimumtarieven - wat de Commissie als alternatief voorstelt - tot aanzienlijke concurrentieverstoringen en problemen op de interne markt kan leiden; is van mening dat de behoefte aan een grotere harmonisering, die nodig is voor de goede werking van de interne markt, in aanmerking moet worden genomen;

29.  verlangt dat wordt nagegaan of een uniforme Europese lijst kan worden vastgesteld met goederen en diensten waarvoor een verlaagd tarief geldt, om daarmee een alternatief te vinden voor het huidige stelsel van verlaagde btw-tarieven; zo zou de efficiëntie van het btw-stelsel aanzienlijk kunnen worden verbeterd en wordt een systeem mogelijk dat beter gestructureerd is dan nu het geval is;

30.  is van mening dat minder vrijstellingen belangrijk zijn om btw-fraude te bestrijden en dat een eenvoudig btw-stelsel met een zo laag mogelijk tarief de beste en efficiëntste manier is om fraude aan te pakken;

31.  is van mening dat het gecompliceerde huidige systeem aanmerkelijk kan worden vereenvoudigd als het aantal goederen en diensten waarvoor verlaagde tarieven gelden wordt verminderd en bepaalde goederen en diensten waarvoor verlaagde tarieven gelden door de lidstaten gezamenlijk op EU-niveau worden vastgesteld, waarbij de lidstaten de tarieven kunnen bepalen, zolang deze verenigbaar zijn met de minimumtarieven in de btw-richtlijn en niet leiden tot een risico op oneerlijke mededinging;

32.  wenst dat producten volgens het beginsel van het bestemmingsland fiscaal identiek worden behandeld, ongeacht de vorm waarin en het platform waarop zij aangeschaft worden en ongeacht of zij digitaal of fysiek worden geleverd;

33.  merkt op dat het tegenwoordig een groot probleem is voor kmo's dat lidstaten verschillende interpretaties hanteren van producten en diensten; verzoekt de Commissie derhalve duidelijker te zijn bij het vaststellen van definities en deze duidelijker te onderscheiden;

34.  verzoekt de lidstaten om particuliere en openbare ondernemingen in domeinen waarin zij met elkaar concurreren, qua btw gelijk te behandelen;

35.  brengt in herinnering dat het stelsel van gespreide btw-betaling als model voor indirecte belastingen is gekozen in het kader van het BEPS-project van de OESO (actie 1), omdat het doeltreffend is op het gebied van inning en omdat de marktdeelnemers er, door de aard van het stelsel, zelf controle over hebben;

36.  merkt op dat de artikelen 199 en 199 bis van de btw-richtlijn de mogelijkheid bieden om tijdelijk een gericht "reverse-charge-mechanisme" toe te passen voor grensoverschrijdende transacties en bepaalde binnenlandse sectoren met een hoog risico;

37.  verzoekt de Commissie de gevolgen van het "reverse-charge-mechanisme" grondig te bestuderen en te onderzoeken of deze procedure eenvoudiger is voor kmo's en de btw-fraude beperkt;

38.  verzoekt de Commissie door middel van proefprojecten het effect van de "reverse-charge-procedure" te evalueren, niet alleen voor afzonderlijke sectoren die bijzonder fraudegevoelig zijn, wat betreft voordelen, nalevingskosten, fraude, doeltreffendheid en uitvoeringsproblemen en voor- en nadelen op lange termijn, zoals door sommige lidstaten gevraagd en inmiddels expliciet door de Commissie bevestigd, ook al is dit tot nu toe niet in haar actieplan opgenomen;

39.  is van mening dat bij de algemene toepassing van het bestemmingslandbeginsel de nationale belastingdiensten meer verantwoordelijkheid op zich moeten nemen voor de naleving van de belastingplicht en het dichten van mazen in de regelgeving; is het eens met de Commissie dat er nog voldoende ruimte is om de strijd tegen btw-fraude te verbeteren door middel van conventionele administratieve maatregelen en verbetering van de personele capaciteiten van de lidstaten op het gebied van belastinginning en inspectie; benadrukt dat het noodzakelijk is om de belastingcontroles en sancties voor de grootste fraudeurs te versterken; verzoekt de Commissie hiervoor toereikende financiële en technische ondersteuning te verlenen;

40.  is van mening dat de Commissie nauw toezicht moet houden op de prestaties van de nationale belastingdiensten en hun onderlinge coördinatie moet verbeteren;

41.  is verheugd over de aankondiging van de Commissie dat zij het mini-éénloketsysteem wil uitbreiden tot een volwaardig enkel contactpunt; wijst erop dat het cruciaal is dat dit contactpunt gebruikersvriendelijk is en in alle 28 lidstaten even efficiënt werkt; merkt op dat de invoering van één enkel contactpunt de administratieve lasten die voorkomen dat ondernemingen grensoverschrijdend actief zijn, zou verlichten en de kosten voor kmo's zou beperken(7);

42.  stelt vast dat één enkel contactpunt beslist noodzakelijk is om de toepassing van het bestemmingslandbeginsel te garanderen en de kans op fraude te verkleinen; verzoekt om verbeteringen in het enkele contactpunt op basis van de opgedane ervaring met het mini-éénloketsysteem voor digitale producten; merkt op dat kleine en micro-ondernemingen bij toepassing van het nieuwe bestemmingslandbeginsel zelfs met een mini-éénloketsysteem te maken kunnen krijgen met aanzienlijke administratieve lasten; is daarom verheugd over het in het btw-actieplan van de Commissie opgenomen voorstel tot invoering van een gemeenschappelijke, EU-brede vereenvoudigingsmaatregel (btw-drempel); wenst dat duidelijk wordt gedefinieerd welke lidstaat bij grensoverschrijdende transacties verantwoordelijk is voor de belastingcontrole; is verheugd over het voornemen van de Commissie om de ontheffing voor partijen van geringe waarde af te schaffen als onderdeel van haar actieplan voor de btw;

43.  erkent dat de verschillende btw-stelsels in de Europese Unie ook kunnen worden gezien als non-tarifaire belemmering op de interne markt en benadrukt dat het mini-éénloketsysteem voor de btw een goede manier is om deze belemmering weg te nemen en met name kmo's te ondersteunen bij hun grensoverschrijdende activiteiten; erkent dat er nog enkele kleine problemen zijn met het mini-éénloketsysteem voor de btw; verzoekt de Commissie de betaling van verschuldigde btw door bedrijven in de hele EU verder te vergemakkelijken;

44.  neemt nota van het arrest van het Europees Hof van Justitie in zaak C-97/09 (Ingrid Schmelz/Finanzamt Waldviertel); neemt nota van de 28 verschillende drempels voor btw-vrijstelling; neemt nota van de hieruit voortvloeiende financiële problemen van kmo's en micro-ondernemingen die volgens hun nationale btw-regels zouden zijn vrijgesteld; verzoekt de Commissie verdere studies uit te voeren met betrekking tot het vaststellen van een drempel voor de btw-vrijstelling voor micro-ondernemingen;

45.  wenst dat alle voorstellen worden bekeken om de administratieve lasten als gevolg van de omzetbelasting voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen tot een minimum te beperken; moedigt de Commissie in dit verband aan ook internationale beste praktijken te bekijken, zoals de gouden-kaart-regelingen in Singapore en Australië, en erkent dat het risico op fraude bij sommige leveranciers zeer laag is;

46.  is ingenomen met de aankondiging van de Commissie dat zij in 2017 een kmo-pakket op btw-gebied zal indienen; beveelt echter aan het nieuwe kader geleidelijk uit te voeren, aangezien dit zal leiden tot aanvullende administratieve kosten (IT-infrastructuur, btw-procedures);

47.  wijst op het complexe systeem voor aangifte dat zorgt voor een hoge druk op kmo's en zo grensoverschrijdende handel ontmoedigt; verzoekt de Commissie in haar kmo-pakket een voorstel op te nemen voor een gemeenschappelijk systeem voor btw-aangifte en geharmoniseerde rapportagevereisten en -termijnen;

48.  benadrukt de noodzaak van een geharmoniseerde btw-omgeving voor business-to-business- en business-to-consumer-verkopen op afstand; merkt op dat de btw-drempel in de verschillende lidstaten niet met hetzelfde succes wordt toegepast als gevolg van een gebrekkige coördinatie;

49.  benadrukt dat een nieuw vereenvoudigd btw-stelsel op zodanige wijze moet worden ontworpen dat kmo's de regels voor de grensoverschrijdende handel gemakkelijk kunnen naleven en in elke lidstaat steun kunnen krijgen bij de aanpassing aan deze regels en het omgaan met de btw-procedures;

50.  wenst dat op korte termijn een compleet en voor het publiek toegankelijk internetportaal wordt opgezet, waarop ondernemingen en eindverbruikers op eenvoudige wijze overzichtelijke informatie kunnen vinden over de btw-tarieven die gelden voor afzonderlijke producten en diensten in de lidstaten; dringt erop aan dat het taalgebruik en het ontwerp van dit portaal begrijpelijk en duidelijk moeten zijn; herhaalt dat het ervan overtuigd is dat dankzij hulp aan ondernemingen om de btw-regels die in de lidstaten van toepassing zijn goed te begrijpen, de maatregelen tegen btw-fraude verder zouden worden versterkt; merkt ook op dat gecertificeerde belastingsoftware zou kunnen helpen het risico op specifieke vormen van fraude en andere onregelmatigheden te beperken en eerlijke ondernemingen die binnenlandse en grensoverschrijdende transacties uitvoeren zekerheid kan bieden; verzoekt de Commissie bovendien ten behoeve van de nationale belastingdiensten richtsnoeren op te stellen over de classificatie van transacties met betrekking tot het toe te passen btw-tarief om de nalevingskosten en het aantal juridische geschillen te beperken; verzoekt de lidstaten openbare informatiesystemen op te zetten, zoals een webportaal voor de btw, om betrouwbare informatie beschikbaar te maken;

51.  verzoekt de Commissie een lijst op te stellen met geactualiseerde informatie over de btw-regels in elke afzonderlijke lidstaat; benadrukt tegelijkertijd dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor het melden van hun regels en tarieven bij de Commissie;

52.  merkt op dat wat de verkopen in het kader van de e-handel betreft het gebrek aan harmonisatie ten aanzien van de btw-drempel leidt tot hoge transactiekosten voor kmo's die actief zijn op het gebied van de e-handel, wanneer zij per ongeluk of door onoplettendheid de drempel overschrijden;

53.  verzoekt de lidstaten de Commissie snel te voorzien van informatie over de btw-tarieven, speciale vereisten en vrijstellingen in hun land; verzoekt de Commissie deze informatie te verzamelen en te verstrekken aan ondernemingen en consumenten;

54.  is van mening dat voor de plannen voor een btw-hervorming die de Commissie in het actieplan heeft aangekondigd, een uitgebreide, kwalitatief betrouwbare effectbeoordeling nodig is, waarbij de wetenschap, de belastingdiensten, kmo's en het bedrijfsleven in de EU betrokken moeten worden;

55.  benadrukt dat de belastingwetgeving onder de exclusieve bevoegdheden van de lidstaten valt; benadrukt dat een groep van ten minste negen lidstaten overeenkomstig artikel 329, lid 1, VWEU een nauwere samenwerking kan aangaan; verzoekt de Commissie voorstellen voor een nauwere samenwerking te steunen die gericht zijn op het bestrijden van fraude en het beperken van de administratieve lasten op btw-gebied;

56.  is van mening dat een oplossing in het kader van de OESO de voorkeur verdient boven afzonderlijke maatregelen, die moeten worden geharmoniseerd met de aanbevelingen van de OESO en het actieplan inzake grondslaguitholling en winstverschuiving (BEPS);

57.  is ingenomen met het Commissievoorstel "EU-actieplan inzake e-overheid 2016-2020: Voor een snellere digitalisering van overheidsdiensten";

58.  merkt op dat het nieuwe actieplan nog verdere stappen omvat naar een doelmatiger, fraudebestendig definitief regime dat beter is afgestemd op ondernemingen in het tijdperk van de digitale economie en de elektronische handel;

59.  steunt het Commissievoorstel voor een systeem waarin de btw op grensoverschrijdende verkoop (goederen en diensten) wordt geïnd door de belastingdienst van het land van herkomst, volgens het tarief dat van toepassing is in het land van consumptie, en wordt overgeboekt naar het land waarin de goederen of diensten uiteindelijk worden gebruikt;

60.  onderstreept het belang van een wetgevingsvoorstel om het gemeenschappelijk elektronisch mechanisme voor registratie en betaling van btw uit te breiden naar de grensoverschrijdende onlineverkoop van fysieke producten aan consumenten, teneinde de administratieve last voor bedrijven die grensoverschrijdende transacties uitvoeren te verlagen, aangezien dit een van de grootste problemen is waar zij mee kampen;

61.  verzoekt de Commissie om iets te doen aan de administratieve lasten die voor bedrijven voortvloeien uit de verschillen tussen de btw-stelsels, door wetgevingsvoorstellen in te dienen om het huidige "mini-éénloketsysteem" uit te breiden naar fysieke producten die online worden verkocht, wat zou betekenen dat ondernemingen één aangifte kunnen doen en btw kunnen betalen in hun eigen lidstaat;

62.  vraagt de lidstaten om hun nationale belastingstelsels te vereenvoudigen, logischer op te zetten en hechter te doortimmeren, teneinde de naleving te vergemakkelijken, fraude en ontduiking te voorkomen, te ontmoedigen en te bestraffen, en de doeltreffendheid van de btw-inning te verbeteren;

63.  noemt het verontrustend dat het doel van vereenvoudiging van het verantwoordingssysteem voor de btw als een van de eigen middelen nog niet geheel is bereikt; herinnert aan de noodzaak van verdere vereenvoudiging van het beheerssysteem rond de eigen middelen om de mogelijkheden van fouten en fraude te verminderen; noemt het spijtig dat het nieuwe actieplan niet ingaat op het effect op de eigen btw-middelen;

64.  wijst erop dat de btw-kloof van de lidstaten en de geschatte derving van niet-geïnde btw in de Unie in 2015 gezorgd hebben voor een verlies van 170 miljard EUR, en onderstreept dat de gemiddelde geschatte btw-derving in 13 van de 26 in 2014 onderzochte lidstaten hoger was dan 15,2 %; verzoekt de Commissie ten volle gebruik te maken van haar uitvoerende bevoegdheden om de lidstaten zowel te controleren als te helpen; wijst erop dat effectief optreden om de btw-kloof te verkleinen een onderling afgestemde en multidisciplinaire aanpak vereist, omdat die kloof niet alleen uit fraude voortkomt maar uit een combinatie van factoren, waaronder faillissement en insolventie, statistische fouten, te late betaling, en belastingontduiking en -vermijding; vraagt de Commissie nogmaals om snel werk te maken van wetgeving met betrekking tot een minimaal beschermingsniveau voor klokkenluiders in de EU, teneinde fraude beter te kunnen onderzoeken en voorkomen, en financiële steun te verlenen voor grensoverschrijdende onderzoeksjournalistiek, waarvan de doeltreffendheid duidelijk is aangetoond door de schandalen van "Luxleaks", "Dieselgate" en de "Panama Papers";

65.  hekelt de btw-fraude, en in het bijzonder de zogenaamde carrousel- of ploffraude, die de concurrentie verstoort en aanzienlijke bedragen aan de nationale begrotingen onttrekt, en schadelijk is voor de begroting van de Unie; vindt het verontrustend dat de Commissie geen betrouwbare gegevens heeft omtrent carrouselfraude met de btw; verzoekt de Commissie daarom een gecoördineerde inspanning van de lidstaten op touw te zetten om een gezamenlijk systeem voor het verzamelen van statistieken over dergelijke carrouselfraude in te stellen; wijst erop dat zulk een systeem gebaseerd zou kunnen worden op in sommige lidstaten reeds gehanteerde praktijken;

66.  vraagt de Commissie dringend aanstalten te maken met de invoering van een gemeenschappelijk systeem waarmee de omvang van de btw-fraude binnen de EU zich zuiverder laat inschatten door statistische gegevens hierover bij elkaar te brengen, zodat de lidstaten hun respectieve prestaties kunnen beoordelen aan de hand van precieze en betrouwbare indicatoren die verband houden met de vermindering van de btw-opbrengst binnen de EU en de toename van fraudedetectie en daarmee samenhangende belastingnavordering; is van mening dat nieuwe auditmethodes, zoals de enkelvoudige audit of gezamenlijke audits, zich ook moeten uitstrekken tot grensoverschrijdende transacties;

67.  benadrukt dat de tenuitvoerlegging van nieuwe strategieën en een efficiënter gebruik van de bestaande EU-structuren belangrijk zijn om btw-fraude krachtiger te kunnen bestrijden; onderstreept dat grotere transparantie die een behoorlijke toetsing toelaat, en een meer gestructureerde en "risico-gebaseerde" benadering essentieel zijn om frauduleuze opzetten en corruptie te kunnen ontdekken en verhinderen;

68.  betreurt het dat de lidstaten ondanks hun administratieve samenwerking bij het bestrijden van btw-fraude nog steeds niet doeltreffend greep krijgen op btw-ontduiking en fraudeconstructies binnen de EU en geen goed zicht hebben op grensoverschrijdende transacties of verkoop; benadrukt de noodzaak van een vereenvoudigd, doeltreffend en toegankelijk btw-systeem dat alle lidstaten in staat stelt hun btw-last te verlichten en btw-fraude te bestrijden; verzoekt de Commissie daarom vaker controlebezoeken af te leggen aan lidstaten, die op basis van risico worden geselecteerd, wanneer zij administratieve samenwerkingsovereenkomsten beoordeelt; verzoekt de Commissie bovendien in haar beoordeling van administratieve regelingen de nadruk te leggen op het wegnemen van juridische belemmeringen die administratieve, rechterlijke en wetshandhavingsautoriteiten op nationaal en EU-niveau ervan weerhouden informatie uit te wisselen; verzoekt de Commissie daarnaast om de lidstaten aan te bevelen een gezamenlijke risicoanalyse in te voeren, die onder meer een analyse van sociale netwerken omvat, om ervoor te zorgen dat de informatie-uitwisseling via Eurofisc effectief op fraude is gericht; verzoekt de lidstaten te voorzien in doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties en het huidige systeem voor de uitwisseling van informatie te verbeteren;

69.  stelt met nadruk dat Eurofisc versterking nodig heeft, zodat informatie sneller kan worden uitgewisseld; merkt op dat er nog steeds problemen zijn met betrekking tot de juistheid, volledigheid en tijdigheid van de informatie; houdt samenhang in het optreden en coördinatie in de strategieën van fiscale, gerechtelijke en politiële autoriteiten van de lidstaten en Europese organen zoals Europol, Eurojust en OLAF, die zich bezighouden met bestrijding van fraude, georganiseerde misdaad en witwaspraktijken, voor noodzakelijk; spoort alle betrokken partijen aan om eenvoudige en begrijpelijke modellen voor het delen van informatie in real time nader in beschouwing te nemen, zodat op bestaande of zich nieuw aandienende fraudeconstructies prompt kan worden gereageerd of ingespeeld;

70.  acht het van essentieel belang dat alle lidstaten aan Eurofisc deelnemen op alle werkterreinen ervan, teneinde een doeltreffende bestrijding van btw-fraude mogelijk te maken;

71.  verzoekt de Commissie met voorstellen te komen die doeltreffende vergelijkende controles tussen de douane- en belastinggegevens mogelijk moeten maken, en zich in haar toezicht op de lidstaten vooral te richten op maatregelen die wijzen op een snellere beantwoording van informatieverzoeken en op de betrouwbaarheid van het systeem voor de uitwisseling van btw-gegevens (VIES);

72.  verzoekt de Commissie om de lidstaten die dat nog niet hebben gedaan aan te moedigen een tweeledig btw-nummer in te voeren (btw-nummer voor ondernemers die deel wensen te nemen aan de intracommunautaire handel dat afwijkt van het nationale btw-nummer), de controles als genoemd in artikel 22 van Verordening (EU) nr. 904/2010 uit te voeren, en handelaren kosteloos van advies te dienen;

73.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de geautomatiseerde inklaringssystemen van de lidstaten een automatische controle op btw-identificatienummers mogelijk maken en uitvoeren;

74.  dringt er bij de Commissie op aan om een wijziging van de btw-richtlijn voor te stellen met het oog op verdere harmonisering van de btw-aangiftevereisten in de verschillende lidstaten met betrekking tot levering van goederen en diensten binnen de EU;

75.  betreurt het dat het voorstel van de Commissie inzake hoofdelijke aansprakelijkheid bij grensoverschrijdende handel niet is aangenomen door de Raad; wijst erop dat dit afbreuk doet aan de afschrikking van transacties met frauduleuze handelaren; stelt vast dat de btw-richtlijn niet in alle lidstaten op gelijke wijze ten uitvoer wordt gelegd wat betreft de periode voor indiening van lijsten, met hogere administratieve lasten voor handelaren die zaken doen in meerdere lidstaten als gevolg; roept de Raad daarom op het Commissievoorstel inzake hoofdelijke aansprakelijkheid aan te nemen;

76.  spoort de Commissie en de lidstaten aan zich op internationaal niveau actiever op te stellen, de samenwerking met niet-EU-landen te versterken en een doeltreffende btw-inning af te dwingen, zodat er normen en strategieën voor de samenwerking worden vastgesteld die hoofdzakelijk berusten op de beginselen van transparantie, goed bestuur en uitwisseling van informatie; moedigt de lidstaten aan informatie uit te wisselen die zij van niet-EU-landen ontvangen, om de handhaving van de btw-inning, met name in de e-handel, te vergemakkelijken;

77.  dringt er bij de Raad op aan de btw op te nemen in het toepassingsgebied van de richtlijn betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (de PIF-richtlijn), teneinde zo snel mogelijk tot een akkoord ter zake te komen;

78.  dringt er bij de Commissie op aan om, zo nodig ook met behulp van gezamenlijke onderzoeksteams, onderzoek te blijven doen naar de inkomsten die criminele organisaties via btw-fraude verkrijgen, en een omvattende, gemeenschappelijke, multidisciplinaire strategie op te stellen om een einde te maken aan de bedrijfsmodellen van criminele organisaties die gebaseerd zijn op btw-fraude;

79.  acht het van cruciaal belang dat er één sterk en onafhankelijk Europees Openbaar Ministerie (EOM) wordt ingesteld dat bevoegd is tot het opsporen, vervolgen en voor de rechter brengen van daders van strafbare feiten, waaronder btw-fraude, die de belangen van de Unie schaden, als gedefinieerd in bovengenoemde PIF-richtlijn, en is van oordeel dat minder krachtige oplossingen nadelig zullen zijn voor de begroting van de Unie; wijst er voorts op dat gewaarborgd moet worden dat de verdeling van de bevoegdheden tussen het EOM en de met onderzoek belaste autoriteiten van de lidstaten er niet toe leidt dat strafbare feiten met aanzienlijke gevolgen voor de begroting van de Unie buiten de bevoegdheden van het EOM vallen;

80.  verzoekt alle lidstaten ramingen te publiceren van de verliezen die te wijten zijn aan in de EU begane btw-fraude, werk te maken van de zwakke punten van Eurofisc en hun beleid inzake btw-verlegging voor goederen en diensten beter te coördineren;

81.  acht het essentieel dat de lidstaten multilaterale controles uitvoeren (gecoördineerde controles door twee of meer lidstaten van de fiscale aansprakelijkheid van een of meer met elkaar in verband staande belastingplichtigen), omdat dit een nuttig instrument is bij het bestrijden van btw-fraude;

82.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de lidstaten.

(1)

COM(2016)0148.

(2)

Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0436.

(3)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0234.

(4)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0173.

(5)

Europese Commissie, financieel verslag 2014.

(6)

http://ec.europa.eu/taxation_customs/sites/taxation/files/resources/documents/common/publications/studies/ey_study_destination_principle.pdf

(7)

COM(2016)0148.


TOELICHTING

Het btw-stelsel dat sinds 1993 in de Europese Unie bestaat, is gedacht als overgangsregeling. Dit betekent dat "de belastingheffing in het handelsverkeer tussen de lidstaten" moet worden vervangen door een definitieve regeling, die berust op het beginsel dat de levering van goederen en de verrichting van diensten in de lidstaat van oorsprong worden belast. De Raad moet passende richtlijnen vaststellen met het oog op de aanvulling van het gemeenschappelijke btw-stelsel en "met name de geleidelijke beperking of intrekking van de afwijkingen van dit stelsel". De Commissie moet om de vier jaar bij het Europees Parlement en de Raad een verslag indienen over de werking van het gemeenschappelijke btw-stelsel in de lidstaten en met name over de werking van de overgangsregeling.

Met haar mededeling van 7 april 2016 over een actieplan betreffende de btw, waarin gesteld wordt dat nu de tijd voor hervormingen is gekomen, maakt de Commissie een einde aan een lange periode van vertraging op de weg naar een uniforme Europese btw-ruimte.

Met een opbrengst van bijna 1 biljoen EUR in 2014 is de btw in de EU een belangrijke en toenemende bron van inkomsten. Dit bedrag vertegenwoordigt ongeveer 7 % van het bruto binnenlands product van de EU. Daarnaast put de Europese Unie ook eigen middelen uit de btw. Het bestaande btw-stelsel was van meet af aan fraudegevoelig, en ondanks allerlei initiatieven is het tot nu toe niet gelukt de fraude terug te dringen. De Commissie schat de totale "btw-kloof" als gevolg van fraude op rond 170 miljard EUR per jaar, waarvan alleen de grensoverschrijdende fraude al minstens 50 miljard EUR uitmaakt.

Een bijzondere hinderpaal bij de hervorming van het btw-stelsel is de vereiste eenparigheid van de lidstaten gebleken. De lidstaten, die nog steeds hun oude basisstelsel verdedigen en ook onvoldoende werk maken van hun verplichting om door middel van controles fraude tegen te gaan, hebben fundamentele hervormingen tot dusverre vertraagd of geblokkeerd.

Over de mogelijke hervormingen is door een internationaal erkende consultingfirma een uitgebreid advies uitgebracht, waarin in totaal vijf opties worden gepresenteerd. Met twee van deze opties zou al op korte termijn een merkbare vermindering van de grensoverschrijdende btw-fraude kunnen worden gerealiseerd. Ook heeft de Rekenkamer een verslag gepubliceerd waarin de bestaande uitzonderingen kritisch worden behandeld en wordt voorgesteld om een nultarief alleen voor levensmiddelen toe te staan en voor het overige de minimumtarieven verregaand te harmoniseren. In de eerste maanden van 2016 bestond er geen minimumtarief van 15 %, omdat de Commissie het voorstel tot verlenging te laat had ingediend.

In haar actieplan deelt de Commissie mee dat zij een wetgevingsvoorstel voor een definitief btw-stelsel zal indienen dat berust op het beginsel van belastingheffing in het bestemmingsland van de goederen en diensten. Daarmee laat de Commissie het aanvankelijk gewenste oorsprongslandbeginsel definitief los, dat wegens tal van problemen en concurrentieverstoringen klaarblijkelijk niet haalbaar was. Dit betekent concreet dat het belastingvoorschrift op grond waarvan de leverancier van producten de btw van zijn klant int, wordt uitgebreid naar grensoverschrijdende transacties, zodat de mogelijkheden voor btw-fraude duidelijk kleiner worden.

In haar mededeling schrijft de Commissie: "Er is vooral behoefte aan politiek leiderschap om een einde te maken aan deze diepgewortelde belemmeringen die de vooruitgang in het verleden hebben geblokkeerd, en om eindelijk de nodige hervormingen door te voeren om fraude te bestrijden, de administratieve hindernissen uit de weg te ruimen en de kosten van de regelgeving te verlagen, zodat Europese bedrijven het makkelijker krijgen." Door de complexiteit van het stelsel, zo de Commissie, is het voor lidstaten ook moeilijk om de naleving te garanderen.

De Commissie is van mening dat EU-ondernemingen een concurrentienadeel hebben ten opzichte van aanbieders uit derde landen, die dankzij de fiscale vrijstelling voor de invoer van kleine zendingen hun producten btw-vrij aan consumenten in de EU kunnen leveren. Daarom heeft de Commissie een voorstel aangekondigd om de btw voor grensoverschrijdende e-commerce te moderniseren en te vereenvoudigen, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen. De centrale punten zijn de invoering van een éénloketmechanisme voor de onlineverkoop van materiële goederen aan eindverbruikers, de invoering van een gemeenschappelijke EU-brede vereenvoudigingsmaatregel ter ondersteuning van kleinere start-ups in de e-commerce en de afschaffing van de btw-vrijstelling voor de invoer van kleine zendingen van niet-EU-leveranciers.

Om dit te bereiken, stelt de Commissie voor om de samenwerking binnen de EU en met derde landen te verbeteren, waarop ook de Rekenkamer aandringt, omdat tot nu toe onvoldoende gebruik is gemaakt van de instrumenten die in het kader van de administratieve samenwerking bestaan. Volgens haar kan niet worden volstaan met het Eurofisc-netwerk, dat qua opzet niet ambitieus genoeg is. De maatregelen richten zich o.a. op de samenwerking tussen de 28 belastingdiensten en douaneautoriteiten in de Unie en op vrijwillige afspraken tussen ondernemingen en belastingdiensten.

Op de agenda van de Commissie staan tevens tijdelijke uitzonderingsregelingen voor lidstaten om nationale en structurele fraude aan te pakken. Daarom hebben enkele lidstaten die in sterkere mate met btw-fraude te maken hebben, al langer geëist dat er tijdelijk een algemene reverse-charge-procedure wordt toegepast, waardoor afgeweken kan worden van de algemene beginselen van de btw-richtlijn.

Met betrekking tot de ontwikkeling van een gemoderniseerd btw-tariefbeleid benadrukt de Commissie dat de btw-richtlijn nu al algemene regels bevat voor de vrijheid van lidstaten om btw-tarieven vast te stellen, en dat deze regels bovenal zijn bedoeld om de "neutraliteit, eenvoud en werkbaarheid van het btw-stelsel" te garanderen. De nationale wetgevers stellen onafhankelijk hun standaard btw-tarief op alle belastbare leveringen van goederen en diensten vast en nemen gezamenlijk een besluit over het te hanteren minimumtarief. Voor bepaalde in de btw-richtlijn opgesomde goederen en diensten zijn twee verlaagde tarieven, ter hoogte van 5 % of meer, toegestaan. Niet meer van deze tijd zijn 23 jaar na de invoering van de btw-richtlijn de "status-quo-uitzonderingsregelingen", die uit de oprichtingsperiode c.q. de toetredingsjaren stammen en soms tarieven van duidelijk onder 5 % mogelijk maken.

De Commissie wijst erop dat de lidstaten door de lange termijnen die gemoeid zijn met het realiseren van veranderingen in de EU-wetgeving, in het verleden de regels vaak hebben geschonden en dat de Commissie tot dusver meer dan 40 inbreukprocedures heeft ingeleid tegen meer dan twee derde van de lidstaten. Voorgesteld wordt daarom met een hervorming te komen die de lidstaten meer vrijheid biedt en de EU onnodige procesvoering bespaart. Of dit haaks staat op de concurrentieneutraliteit van het btw-stelsel of tot oneerlijke belastingpraktijken leidt, heeft de Commissie niet onderzocht.

De btw is een verbruiksbelasting die door de eindverbruiker moet worden afgedragen. Een van de centrale principes die voor de btw gelden is het neutraliteitsbeginsel, dat inhoudt dat ondernemingen waar mogelijk geen btw-lasten moeten dragen en dat in beginsel alle commerciële transacties belast dienen te worden, zodat uitzonderingen slechts in beperkte mate toegestaan mogen worden.

Alle hervormingsplannen voor de btw moeten worden onderworpen aan uitgebreide, kwalitatief betrouwbare effectbeoordelingen, waarbij de wetenschap, de belastingdiensten en het bedrijfsleven uit de EU moeten worden betrokken, zodat ondernemingen al tijdens de onderhandelingen, maar ook tijdens de uitvoeringsfase op nationaal niveau hun administratieve lasten duidelijk kunnen verminderen.

Conclusie

De voorgestelde initiatieven en het tijdschema zijn zeker geen beslissende doorbraak. In plaats van een al meer dan 20 jaar bestaand overgangsstelsel fundamenteel te hervormen, stelt de Commissie zich tevreden met voorstellen voor een versterkte samenwerking, de hoop op meer onderling vertrouwen tussen de belastingdiensten, "agenda-setting" en verdere evaluaties.

Een permanent btw-stelsel zou kunnen ontstaan als de reverse-charge-procedure in heel Europa van toepassing zou worden op alle transacties tussen ondernemingen. In dit model zijn de heffing en de teruggave van voorbelasting volledig overbodig. Waar geen geld stroomt, bestaat geen enkele kans op fraude. De concurrentie zou daardoor aanzienlijk minder worden verstoord.

Bovendien zouden ondernemers bij financiering en administratieve taken kunnen profiteren van forse lastenverlichtingen. De facturering zou aanzienlijk eenvoudiger worden. Ondernemers zouden de voorbelasting niet meer moeten "voorfinancieren". De concurrentienadelen ten opzichte van grote ondernemingen, die de teruggave van voorbelasting als financieringsinstrument kunnen gebruiken, zouden kleiner worden. Verder zou in veel gevallen een derving van omzetbelasting als gevolg van een faillissement kunnen worden voorkomen.

Als over de hele linie de reverse-charge-procedure wordt toegepast, zou dit bovendien tot een vereenvoudiging en harmonisering van het stelsel leiden, omdat de huidige parallelle toepassing van normale belastingheffing, belastingheffing op daadwerkelijke inkomsten en de reverse-charge-procedure in aanzienlijk mindere mate zou voorkomen. Ook het grensoverschrijdende verkeer, dat momenteel uiteenlopende voorwaarden kent met betrekking tot de regels voor vereenvoudiging en de verplichting tot registratie, zou worden gefaciliteerd.

Het valt niet te begrijpen waarom de Commissie zo gereserveerd staat tegenover algemene toepassing van deze procedure. In bijzonder fraudegevoelige branches in bepaalde lidstaten is deze procedure al zeer succesvol gebleken. Het is dus niet aangetoond dat het systeem op grotere schaal niet zou functioneren.


ADVIES van de Commissie begrotingscontrole (6.7.2016)

aan de Commissie economische en monetaire zaken

inzake "Naar een definitief btw-stelsel en bestrijding van btw-fraude"

(2016/2033(INI))

Rapporteur voor advies: Nedzhmi Ali

(*)  Procedure met medeadviserende commissie - Artikel 54 van het Reglement

SUGGESTIES

De Commissie begrotingscontrole verzoekt de ten principale bevoegde Commissie economische en monetaire zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat de bestrijding van belastingfraude tot de belangrijkste uitdagingen op fiscaal gebied behoort waar de lidstaten voor staan;

B.  overwegende dat btw-fraude een zeer schadelijke praktijk is die aanzienlijke bedragen aan de begrotingen van de lidstaten onttrekt en hun inspanningen om de overheidsfinanciën te consolideren ondergraaft;

C.  overwegende dat de grensoverschrijdende btw-fraude de lidstaten en de Europese belastingbetaler jaarlijks nagenoeg 50 miljard EUR kost;

D.  overwegende dat btw-fraude velerlei vormen en facetten kent en snel evolueert, en vele economische sectoren treft, en dat snelle aanpassing van de desbetreffende wetgeving daarom geboden is om tot een duurzaam en eenvoudig btw-stelsel te komen waarmee fraude en het potentieel verlies van belastinginkomsten kunnen worden voorkomen;

E.  overwegende dat de btw-carrousel in dit verband de meest gebruikte frauduleuze techniek is; overwegende dat deze techniek vaak wordt toegepast in de sectoren handel in elektronische onderdelen, mobiele telefonie en textiel en bestaat erin goederen "rondjes te laten draaien" tussen verschillende vennootschappen in verschillende lidstaten en daarbij te profiteren van het feit dat er geen belasting wordt geheven op de levering van intracommunautaire goederen;

F.  overwegende dat krachtiger en onafgebroken samenwerking tussen de lidstaten dringend geboden is teneinde alomvattende en integrale strategieën tegen fraude te ontwikkelen fraude, gezien met name de huidige begrotingskrapte in de EU en de toename van e-handel en internetverkoop die de territoriale greep op de btw-inning verzwakken;

G.  overwegende dat de bescherming van de financiële belangen van de EU een centraal element is in de beleidsagenda van de EU die gericht is op versterking en vergroting van het vertrouwen van haar burgers;

1.  verwelkomt het nieuwe btw-actieplan als centraal initiatief dat lang op zich heeft laten wachten en dat een impuls moet geven aan en gelijk oplopen met de uitvoering van de politieke prioriteit "Een verdiepte en eerlijkere interne markt" dankzij de Digitale binnenmarktstrategie en de gemeenschappelijke btw-ruimte; benadrukt dat de aanpak van de btw-kloof en van belastingfraude een grote prioriteit moet zijn voor de EU en de lidstaten; onderstreept het belang van een meer diepgaande en gelijkwaardige eengemaakte markt om fiscale rechtvaardigheid, duurzame consumptie, werkgelegenheid, groei, investering en concurrentie te bevorderen; is van mening dat het nieuwe actieplan aan een uitgebreide effectbeoordeling moet worden onderworpen;

2.  is ingenomen met het Commissievoorstel "EU-actieplan inzake e-overheid 2016-2020: Voor een snellere digitalisering van overheidsdiensten";

3.  merkt op dat het nieuwe actieplan nog verdere stappen omvat naar een doelmatiger, fraudebestendig definitief regime dat beter is afgestemd op ondernemingen in het tijdperk van digitale economie en elektronische handel;

4.  herinnert de Commissie eraan dat btw een regressieve belasting is die lage-inkomensgroepen het hardst treft; herinnert zowel de Commissie als de lidstaten er daarom aan dat zij daar rekening mee moeten houden bij het bepalen van tarieven voor goederen die deze lage-inkomensgroepen veel gebruiken;

5.  spoort de Commissie aan tot handelen om de effectiviteit van btw-stelsels te verhogen en betere naleving van de btw-regels te verzekeren; juicht toe dat het "land van bestemming", d.w.z. het land waar de goederen of diensten worden verbruikt, als onderliggend beginsel in het definitieve btw-stelsel zal gelden waardoor, volgens ramingen, de grensoverschrijdende btw-fraude met 40 miljard EUR per jaar zou afnemen; spoort de Commissie aan de btw-richtlijn in die zin te wijzigen dat de importeur in de lidstaat van bestemming hoofdelijk aansprakelijk is voor gederfde btw;

6.  steunt het Commissievoorstel voor een systeem waarin btw op grensoverschrijdende verkoop (goederen en diensten) wordt geïnd door de belastingdienst van het land van herkomst, volgens het tarief dat van toepassing is in het land van consumptie, en wordt overgeboekt naar het land waarin de goederen of diensten uiteindelijk worden gebruikt;

7.  merkt op dat het huidige btw-stelsel nog altijd versnipperd is en leidt tot aanzienlijke administratieve lasten, met name voor kmo's en internetbedrijven; vraagt de Commissie om wijzigingen in de btw-richtlijn voor te stellen waardoor een technologisch neutrale toepassing van de btw-regels mogelijk wordt, zodat de fysieke en de digitale versies van een bepaald product op dezelfde manier worden behandeld; verzoekt de Commissie om onnodige administratieve lasten, vooral voor kmo's, tot een minimum te beperken; steunt het Commissievoorstel voor een btw-vrije voet om start-ups en micro-ondernemingen te helpen;

8.  onderstreept het belang van een wetgevingsvoorstel om het gemeenschappelijk elektronisch mechanisme voor registratie en betaling van btw uit te breiden naar de grensoverschrijdende onlineverkoop van fysieke producten aan consumenten teneinde de administratieve last voor bedrijven die grensoverschrijdende transacties uitvoeren te verlagen, aangezien dit een van de grootste problemen is waar zij mee kampen;

9.  verzoekt de Commissie om iets te doen aan de administratieve last van bedrijven die voortvloeit uit de verschillen tussen de btw-stelsels, door wetgevingsvoorstellen in te dienen om het huidige "mini-éénloketsysteem" uit te breiden naar fysieke producten die online worden verkocht, wat zou betekenen dat ondernemingen één aangifte kunnen doen en btw kunnen betalen in hun eigen lidstaat;

10.  vraagt de lidstaten om hun nationale belastingstelsels te vereenvoudigen, consequenter te maken en hechter te doortimmeren, teneinde de naleving te vergemakkelijken, fraude en ontduiking te ontmoedigen en te bestraffen, en de doeltreffendheid van de btw-inning te verbeteren;

11.  noemt het verontrustend dat het doel van vereenvoudiging van het verantwoordingssysteem voor de btw als een van de eigen middelen nog niet geheel is bereikt; herinnert aan de noodzaak van verdere vereenvoudiging van het beheerssysteem rond de eigen middelen om de mogelijkheden van fouten en fraude te verminderen; noemt het spijtig dat het nieuwe actieplan niet ingaat op het effect op de eigen btw-middelen;

12.  onderkent dat met de vaststelling in juli 2013 van de beide richtlijnen inzake facultatieve en tijdelijke toepassing van de verleggingsregeling voor leveringen van bepaalde fraudegevoelige goederen en diensten(1) respectievelijk een snellereactiemechanisme tegen btw-fraude(2) verdere vorm en versterking gebracht is in het systeem ter bestrijding van btw-fraude;

13.  vraagt de lidstaten hun beleid rond de verleggingsregeling beter te coördineren om een verplichte uitwisseling van juiste en begrijpelijke informatie in te voeren; vraagt de Commissie nader te onderzoeken en beter te beoordelen op welke manier de toepassing van de btw-verleggingsregeling kan worden uitgebreid naar de levering van goederen tussen bedrijven, zoals reeds het geval is bij digitale goederen en diensten, om zo te voorkomen dat btw-fraude nieuwe vormen aanneemt in plaats van carrouselfraude en om een toename van de administratieve lasten voor kmo's tegen te gaan;

14.  wijst erop dat de btw-kloof en de geschatte derving van niet-geïnde btw in 2015 gezorgd hebben voor een verlies van 170 miljard EUR en onderstreept het feit dat de gemiddelde geschatte btw-derving in 13 van de 26 in 2014 onderzochte lidstaten hoger was dan 15,2 %; verzoekt de Commissie ten volle gebruik te maken van haar uitvoerende bevoegdheden om de lidstaten zowel te controleren als te helpen; wijst erop dat effectief optreden om de btw-kloof te verkleinen een onderling afgestemde en multidisciplinaire aanpak vereist, omdat die kloof niet alleen uit fraude voortkomt maar uit een combinatie van factoren waaronder faillissement en insolventie, statistische fouten, te late betaling, en belastingontduiking en -vermijding; vraagt de Commissie nogmaals om snel werk te maken van wetgeving met betrekking tot een minimaal beschermingsniveau voor klokkenluiders in de EU en financiële steun te bieden aan grensoverschrijdende onderzoeksjournalistiek, waarvan de doeltreffendheid is aangetoond door de schandalen van "Luxleaks", "Dieselgate" en de "Panama Papers", om zo fraude beter te kunnen onderzoeken en voorkomen;

15.  meent dat er bijzondere aandacht moet uitgaan naar de beoordeling van de strategie tegen de btw-belastingkloof in het kader van het Europees Semester aangezien dit voor de lidstaten een instrument is om de oorzaken van die kloof, de segmenten van de economie die vatbaar zijn voor fraude, de macro-economische effecten die er op het spel staan, en het daarmee samenhangende effect op de eigen middelen van de EU aan te kunnen wijzen;

16.  hekelt de btw-fraude, en in het bijzonder de zogenaamde carrousel- of ploffraude, die de concurrentie verstoort en aanzienlijke bedragen aan de nationale begrotingen onttrekt, en schadelijk is voor de begroting van de Unie; acht het bevreemdend dat de Commissie geen betrouwbare gegevens heeft omtrent carrouselfraude met de btw; verzoekt de Commissie daarom een gecoördineerde inspanning van lidstaten op touw te zetten om een gezamenlijk systeem voor het verzamelen van statistieken over carrouselfraude met de btw in te stellen; wijst erop dat zulk een systeem gebaseerd zou kunnen worden op in sommige lidstaten reeds gehanteerde praktijken;

17.  vraagt de Commissie dringend aanstalten te maken met de invoering van een gemeenschappelijk systeem waarmee de omvang van de btw-fraude binnen de EU zich zuiverder laat inschatten door het verzamelen van statistische gegevens over fraude op het gebied van intracommunautaire btw, waardoor de lidstaten hun respectieve prestaties kunnen beoordelen aan de hand van precieze en betrouwbare indicatoren die verband houden met de vermindering van de btw-opbrengst binnen de EU en de toename van fraudedetectie en daarmee samenhangende belastingnavordering; is van mening dat nieuwe auditmethodes zoals de enkelvoudige audit of gezamenlijke audits zich ook moeten uitstrekken tot grensoverschrijdende transacties;

18.  benadrukt dat de tenuitvoerlegging van nieuwe strategieën en een efficiënter gebruik van de bestaande EU-structuren belangrijk zijn om btw-fraude krachtiger te kunnen bestrijden; onderstreept dat grotere transparantie die een behoorlijke toetsing toelaat, en een meer gestructureerde en "risico-gebaseerde" benadering essentieel zijn om frauduleuze opzetten en corruptie te kunnen ontdekken en verhinderen;

19.  vindt het spijtig dat de administratieve samenwerking tussen de lidstaten bij het bestrijden van btw-fraude nog steeds geen doeltreffende greep krijgt op btw-ontduiking en fraudeconstructies binnen de EU en geen goed zicht houdt op grensoverschrijdende transacties of verkoop; benadrukt de noodzaak van een versimpeld en toegankelijk btw-systeem voor alle lidstaten om de btw-last te verlichten en btw-fraude te bestrijden; verzoekt de Commissie daarom vaker controlebezoeken af te leggen aan lidstaten, die op basis van risico worden geselecteerd, wanneer zij administratieve samenwerkingsovereenkomsten beoordeelt; verzoekt de Commissie bovendien in haar beoordeling van administratieve regelingen de nadruk te leggen op het wegnemen van juridische belemmeringen die administratieve, rechterlijke en wetshandhavingsautoriteiten op zowel nationaal als EU-niveau ervan weerhouden informatie uit te wisselen; verzoekt de Commissie daarnaast om de lidstaten aan te bevelen een gezamenlijke risicoanalyse in te stellen, die onder meer een analyse van sociale netwerken omvat, om ervoor te zorgen dat de informatie-uitwisseling in Eurofisc effectief op fraude is gericht; verzoekt de lidstaten te voorzien in doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties en de huidige systemen voor de uitwisseling van informatie te verbeteren;

20.  stelt met nadruk dat Eurofisc versterking nodig heeft zodat de informatie-uitwisseling kan worden bespoedigd; merkt op dat er nog steeds problemen zijn met betrekking tot de juistheid, volledigheid en tijdigheid van de informatie; houdt samenhang in het optreden en coördinatie in de strategieën van fiscale, gerechtelijke en politiële autoriteiten van de lidstaten en Europese organen zoals Europol, Eurojust en OLAF, die zich bezighouden met bestrijding van fraude, georganiseerde misdaad en witwaspraktijken, voor noodzakelijk; spoort alle betrokken partijen aan om eenvoudige en begrijpelijke modellen voor het delen van informatie in real time nader in beschouwing te nemen, zodat op bestaande of zich nieuw aandienende fraudeconstructies prompt kan worden gereageerd of ingespeeld;

21.  acht het van essentieel belang dat alle lidstaten zich houden aan Eurofisc op alle werkterreinen ervan, teneinde een doeltreffende bestrijding van btw-fraude mogelijk te maken;

22.  verzoekt de Commissie met voorstellen te komen die doeltreffende vergelijkende controles tussen de douane- en belastinggegevens mogelijk moeten maken, en haar toezicht op de lidstaten vooral te richten op een snellere beantwoording van informatieverzoeken en op de betrouwbaarheid van het systeem voor de uitwisseling van btw-gegevens (VIES);

23.  verzoekt de Commissie lidstaten die dat nog niet hebben gedaan aan te moedigen een tweeledig btw-nummer in te voeren (btw-nummer voor ondernemers die deel wensen te nemen aan de intracommunautaire handel dat afwijkt van het nationale btw-nummer), de controles als genoemd in artikel 22 van Verordening (EU) nr. 904/2010 uit te voeren, en handelaren kosteloos van advies te dienen;

24.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de geautomatiseerde inklaringssystemen van de lidstaten een automatische controle op btw-identificatienummers mogelijk maken en uitvoeren;

25.  dringt er bij de Commissie op aan om een wijziging van de btw-richtlijn voor te stellen met het oog op verdere harmonisering van de btw-aangiftevereisten in de verschillende lidstaten met betrekking tot levering van goederen en diensten binnen de EU;

26.  betreurt dat het voorstel van de Commissie inzake hoofdelijke aansprakelijkheid bij grensoverschrijdende handel niet is aangenomen door de Raad; wijst erop dat dit afbreuk doet aan de afschrikking van transacties met frauduleuze handelaren; stelt vast dat de btw-richtlijn niet in alle lidstaten op gelijke wijze ten uitvoer wordt gelegd wat betreft de periode voor indiening van lijsten, met hogere administratieve lasten voor handelaren die zaken doen in meerdere lidstaten als gevolg; roept de Raad daarom op het Commissievoorstel inzake hoofdelijke aansprakelijkheid aan te nemen;

27.  stelt dat OLAF en Europol toegang behoren te krijgen tot VIES en Eurofisc en dat de lidstaten hun voordeel moeten kunnen doen met de door deze organen geleverde informatie waardoor hun strijd tegen georganiseerde misdaad op transnationaal niveau aan doelmatigheid kan winnen; is van mening dat OLAF duidelijke bevoegdheden en middelen moet hebben om btw-fraude binnen de EU te onderzoeken;

28.  benadrukt dat zowel de richtlijn inzake bescherming van de financiële belangen van de Unie (PIF-richtlijn) als de verordening tot oprichting van het Europees Openbaar Ministerie (EOM-verordening) een aanvulling op en een versteviging van het wettelijke kader zouden vormen en aanzienlijke versterking zouden brengen in de strijd tegen fraude; herhaalt zijn standpunt dat uitvaardiging van de PIF-richtlijn en de EOM-verordening dringend geboden is, en dat zij beide de schadelijkste gevallen van btw-fraude zoals internationale oplichting in bendeverband in hun werkingssfeer moeten omvatten; benadrukt dat het uitsluiten van btw van de werkingssfeer van deze voorstellen een grote stap achteruit zou betekenen, aangezien btw-fraude onder het huidige rechtskader – d.w.z. de PIF-overeenkomst – valt, zoals het Hof van Justitie onlangs heeft beslist in zijn arresten van 8 september 2015, Taricco (zaak C-105/14);

29.  spoort de Commissie en de lidstaten aan meer actief te zijn op internationaal niveau en de samenwerking met niet-EU-landen te versterken en een doeltreffende btw-inning te handhaven, zodat er standaarden en strategieën van samenwerking worden vastgesteld die hoofdzakelijk berusten op de beginselen van transparantie, goed bestuur en uitwisseling van informatie; moedigt de lidstaten aan informatie uit te wisselen die zij van niet-EU-landen ontvangen om de handhaving van de btw-inning, met name in de e-handel, te vergemakkelijken.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

4.7.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

19

3

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Nedzhmi Ali, Louis Aliot, Inés Ayala Sender, Dennis de Jong, Luke Ming Flanagan, Ingeborg Gräßle, Monica Macovei, Dan Nica, Georgi Pirinski, Claudia Schmidt, Igor Šoltes, Bart Staes, Michael Theurer, Marco Valli, Tomáš Zdechovský, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Iris Hoffmann, Cătălin Sorin Ivan, Marian-Jean Marinescu, Andrey Novakov, Julia Pitera, Patricija Šulin

(1)

Richtlijn 2013/43/EU van de Raad van 22 juli 2013 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft een facultatieve en tijdelijke toepassing van de verleggingsregeling voor leveringen van bepaalde fraudegevoelige goederen en diensten.

(2)

Richtlijn 2013/42/EU van de Raad van 22 juli 2013 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft een snellereactiemechanisme tegen btw-fraude.


ADVIES van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (8.7.2016)

aan de Commissie economische en monetaire zaken

inzake "Naar een definitief btw-stelsel en bestrijding van btw-fraude"

(2016/2033(INI))

Rapporteur voor advies(*): Juan Fernando López Aguilar

(*)  Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 54 van het   Reglement

SUGGESTIES

De Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie economische en monetaire zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

–  gezien het voorstel voor een richtlijn betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (COM(2012)0363),

–  gezien het voorstel voor een verordening van de Raad tot instelling van het Europees Openbaar Ministerie (COM(2013)0534),

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2014 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot instelling van het Europees Openbaar Ministerie(1),

–  gezien het voorstel voor een verordening betreffende het EU-Agentschap voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust) (COM(2013)0535),

–  gezien de interimverslagen van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie juridische zaken (A8-0055/2015),

A.  overwegende dat de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie en de lidstaten een essentieel element vormt van de beleidsagenda van de Unie, bedoeld om het vertrouwen van de burgers te versterken en te doen toenemen en om te garanderen dat hun geld correct wordt gebruikt;

B.  overwegende dat btw-fraude leidt tot inkomensverlies voor de lidstaten en dus ook voor de EU, leidt tot een verstoord fiscaal klimaat dat met name voor kleine en middelgrote bedrijven nadelig is, en gebruikt wordt door criminele organisaties die profiteren van bestaande verschillen tussen de wettelijke regelingen van de lidstaten en hun bevoegde toezichthoudende autoriteiten;

C.  overwegende dat volgens schattingen van Europol tussen de 40 miljard en 60 miljard EUR aan jaarlijks gederfde btw-ontvangsten van de lidstaten veroorzaakt wordt door georganiseerde criminele groepen en dat 2 % van deze groepen verantwoordelijk is voor 80 % van de intracommunautaire ploffraude (MTIC);

D.  overwegende dat de Europese Rekenkamer in haar Speciaal verslag nr. 24/2015 concludeert dat btw-fraude meestal beschouwd moet worden als criminele praktijk waar een einde aan moet worden gemaakt;

E.  overwegende dat het Europees Hof van Justitie in zaak C-105/14, Taricco e.a., stelt dat het begrip "fraude" als gedefinieerd in artikel 1 van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen ook btw-ontvangsten omvat;

1.  dringt er bij de Raad op aan de btw op te nemen in het toepassingsgebied van de richtlijn betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (de PIF-richtlijn), teneinde zo snel mogelijk tot een akkoord ter zake te komen;

2.  acht het essentieel dat de lidstaten informatie uitwisselen en hun strategieën coördineren om lacunes in de aanpak van btw-fraude doeltreffend te dichten; is van mening dat de invoering van nationale instrumenten voor risicoanalyse de efficiëntie van deze informatie-uitwisseling kan helpen verbeteren; is voorts van oordeel dat er meer inspanningen moeten worden verricht om de nationale strategieën af te stemmen op de strategieën van Europese agentschappen en organen zoals Europol, Eurojust en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en dat nagedacht moet worden over het wegnemen van de juridische belemmeringen voor informatie-uitwisseling;

3.  dringt er bij de Commissie op aan om, onder meer daar waar nodig met gebruikmaking van gezamenlijke onderzoeksteams, onderzoek te blijven doen naar de inkomsten die criminele organisaties via btw-fraude verkrijgen, en een omvattende, gemeenschappelijke, multidisciplinaire strategie op te stellen om een einde te maken aan de bedrijfsmodellen van criminele organisaties die gebaseerd zijn op btw-fraude;

4.  verzoekt de lidstaten alle passende wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen om de traceerbaarheid van geldstromen en de transparantie van banken te waarborgen, teneinde te voorkomen dat inkomsten uit btw-fraude opnieuw geïnvesteerd worden;

5.  acht het van cruciaal belang dat er één sterk en onafhankelijk Europees Openbaar Ministerie wordt ingesteld (EOM) dat bevoegd is tot het opsporen, vervolgen en voor de rechter brengen van daders van strafbare feiten, waaronder btw-fraude, die de belangen van de Unie schaden, als gedefinieerd in bovengenoemde PIF-richtlijn, en is van oordeel dat minder krachtige oplossingen nadelig zullen zijn voor de begroting van de Unie; wijst er voorts op dat gewaarborgd moet worden dat de verdeling van de bevoegdheden tussen het EOM en de met onderzoek belaste autoriteiten van de lidstaten er niet toe leidt dat strafbare feiten met aanzienlijke gevolgen voor de begroting buiten de bevoegdheden van het EOM vallen;

6.  verzoekt alle lidstaten ramingen te publiceren van de verliezen die als gevolg van in de EU begane btw-fraude worden geleden, en hun beleid inzake btw-verlegging voor goederen en diensten beter te coördineren;

7.  acht het essentieel dat de lidstaten multilaterale controles uitvoeren (gecoördineerde controles door twee of meer lidstaten van de fiscale aansprakelijkheid van een of meerdere met elkaar in verband staande belastingplichtigen) als nuttig instrument bij het bestrijden van btw-fraude.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

27.6.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

42

3

5

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jan Philipp Albrecht, Heinz K. Becker, Michał Boni, Caterina Chinnici, Rachida Dati, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Frank Engel, Tanja Fajon, Laura Ferrara, Monika Flašíková Beňová, Lorenzo Fontana, Mariya Gabriel, Kinga Gál, Ana Gomes, Nathalie Griesbeck, Sylvie Guillaume, Jussi Halla-aho, Monika Hohlmeier, Brice Hortefeux, Filiz Hyusmenova, Iliana Iotova, Eva Joly, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Barbara Kudrycka, Marju Lauristin, Barbara Matera, Roberta Metsola, Louis Michel, Claude Moraes, József Nagy, Judith Sargentini, Birgit Sippel, Branislav Škripek, Csaba Sógor, Helga Stevens, Traian Ungureanu, Kristina Winberg

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Anna Maria Corazza Bildt, Dennis de Jong, Gérard Deprez, Anna Hedh, Petr Ježek, Petra Kammerevert, Jean Lambert, Gilles Lebreton, Andrejs Mamikins, Salvatore Domenico Pogliese, Christine Revault D’Allonnes Bonnefoy, Barbara Spinelli

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Georg Mayer

(1)

Aangenomen teksten P7_TA(2014)0234.


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

11.10.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

47

5

5

Bij de eindstemming aanwezige leden

Gerolf Annemans, Pervenche Berès, Udo Bullmann, Esther de Lange, Anneliese Dodds, Markus Ferber, Jonás Fernández, Sven Giegold, Neena Gill, Roberto Gualtieri, Brian Hayes, Gunnar Hökmark, Danuta Maria Hübner, Cătălin Sorin Ivan, Petr Ježek, Barbara Kappel, Georgios Kyrtsos, Alain Lamassoure, Philippe Lamberts, Werner Langen, Bernd Lucke, Olle Ludvigsson, Ivana Maletić, Fulvio Martusciello, Marisa Matias, Costas Mavrides, Bernard Monot, Luděk Niedermayer, Stanisław Ożóg, Dimitrios Papadimoulis, Sirpa Pietikäinen, Pirkko Ruohonen-Lerner, Alfred Sant, Molly Scott Cato, Pedro Silva Pereira, Theodor Dumitru Stolojan, Kay Swinburne, Michael Theurer, Ramon Tremosa i Balcells, Ernest Urtasun, Marco Valli, Tom Vandenkendelaere, Cora van Nieuwenhuizen, Miguel Viegas, Beatrix von Storch, Jakob von Weizsäcker, Pablo Zalba Bidegain, Sotirios Zarianopoulos

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Alain Cadec, Ashley Fox, Sophia in ‘t Veld, Thomas Mann, Emmanuel Maurel, Siôn Simon, Joachim Starbatty, Tibor Szanyi, Romana Tomc

Juridische mededeling