Procedure : 2016/2028(IMM)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0312/2016

Ingediende teksten :

A8-0312/2016

Debatten :

Stemmingen :

PV 25/10/2016 - 5.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0397

VERSLAG     
PDF 250kWORD 43k
20.10.2016
PE 584.083v02-00 A8-0312/2016

over het verzoek om verdediging van de voorrechten en immuniteiten van Mario Borghezio

(2016/2028(IMM))

Commissie juridische zaken

Rapporteur: Angel Dzhambazki

ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verzoek om verdediging van de voorrechten en immuniteiten van Mario Borghezio

(2016/2028(IMM))

Het Europees Parlement,

–  gezien het verzoek van Mario Borghezio om verdediging van zijn voorrechten en immuniteiten in het kader van een strafzaak voor de rechtbank van Milaan (RGNR No 41838/13, RG GIP No 12607/14), dat op 5 januari 2016 werd ingediend, en van de ontvangst waarvan op 1 februari 2016 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

–  na Mario Borghezio te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 5, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 8 en 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien artikel 1(a) van de Italiaanse wet nr. 205/1993,

–  gezien artikel 5, lid 2, en de artikelen 7 en 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0312/2016),

A.  overwegende dat Mario Borghezio als lid van het Europees Parlement heeft verzocht om verdediging van zijn immuniteit uit hoofde van de artikelen 8 en 9 van Protocol No 7, in het kader van een strafrechtelijke procedure voor de rechtbank van Milaan; overwegende dat de heer Borghezio volgens de kennisgeving van het Openbaar Ministerie verdacht wordt van racistische uitspraken tijdens een radio-uitzending, hetgeen strafbaar is gesteld bij artikel 1(a) van de Italiaanse wet nr. 205/1993;

B.  overwegende dat de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie elkaar wederzijds uitsluiten(2); overwegende dat het hier alleen gaat om discriminerende uitlatingen van een lid van het Europees Parlement; overwegende daarom dat de toepasselijkheid van alleen artikel 8 vanzelfsprekend is;

C.  overwegende dat volgens artikel 8 van het Protocol tegen de leden van het Europees Parlement geen opsporing kan plaatsvinden, en zij evenmin kunnen worden aangehouden of vervolgd op grond van de mening of de stem, die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht.

D.  overwegende dat het Hof van Justitie heeft uitgemaakt dat een mening slechts door de immuniteit wordt gedekt indien zij door een Europees afgevaardigde is uitgebracht „in de uitoefening van zijn ambt”, zodat een verband wordt vereist tussen de meningsuiting en het parlementaire ambt. overwegende dat dit verband rechtstreeks moet zijn en duidelijk(3);

E.  overwegende dat de heer Borghezio in die radio-uitzending om commentaar werd gevraagd op de benoeming en de bekwaamheid van een nieuwe minister in de Italiaanse regering, namelijk de pas benoemde minister voor integratie;

F.  overwegende dat de gewraakte feiten zoals die blijken uit de documenten en de verklaringen van de heer Borghezio tijdens de hoorzitting, erop wijzen dat de door gewraakte uitlatingen geen rechtstreeks en voor de hand liggend verband vertonen met diens parlementaire activiteiten;

G.  overwegende dat de hem toegeschreven uitspraken de toon die normaliter in het politieke debat wordt gebezigd verre te buiten gaan en bovendien volstrekt niet passen bij het parlementaire bedrijf; overwegende dat die uitlatingen in strijd zijn met artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en daardoor niet kunnen worden geacht in de uitoefening van zijn taak als lid van het Europees Parlement te zijn gedaan;

H.  overwegende dat Mario Borghezio daarom niet kan worden geacht te hebben gehandeld in de uitoefening van zijn taak als lid van het Europees Parlement;

I.  overwegend dat het Hof van Justitie heeft uitgemaakt dat wanneer voor een nationale rechter een procedure is ingeleid tegen een lid van het Europees Parlement, en voor deze rechter wordt aangevoerd dat een procedure is ingeleid ter verdediging van de immuniteit en voorrechten van dat parlementslid, zoals voorzien in het Reglement, hij de behandeling van de zaak moet aanhouden en het Parlement verzoeken zo snel mogelijk advies uit te brengen(4); overwegende dat de rechtbank van Milaan, waar de procedure tegen de heer Borghezio was ingesteld, de behandeling niet heeft willen aanhouden en ondanks het beroep van de heer Borghezio op de relevante rechtspraak van het Hof van Justitie heeft laten doorgaan;

1.  besluit de voorrechten en immuniteiten van Mario Borghezio niet te verdedigen;

2.  betreurt dat de rechtbank van Milaan de procedure tegen de heer Borghezio ondanks de relevante rechtspraak van het Hof van Justitie niet heeft aangehouden;

3.  verwacht van de Italiaanse autoriteiten dat zij zich altijd houden aan de door het Hof geformuleerde regel dat de bevoegde rechter de procedure moet aanhouden wanneer er een verzoek is gedaan tot verdediging van de voorrechten en immuniteiten van een lid van het Europees Parlement;

4.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteiten van de Italiaanse Republiek en aan Mario Borghezio.

(1)

Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI:EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.

(2)

Gevoegde zaken C-200/07 en C-201/45, Marra, reeds aangehaald, punt 45.

(3)

Zaak C-163/10, Patriciello, reeds aangehaald, punten 33 en 35.

(4)

Gevoegde zaken C-200/07 en C-201/43, Marra, reeds aangehaald, punt 43.


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

12.10.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

15

4

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Joëlle Bergeron, Marie-Christine Boutonnet, Jean-Marie Cavada, Kostas Chrysogonos, Therese Comodini Cachia, Mady Delvaux, Enrico Gasbarra, Mary Honeyball, Gilles Lebreton, António Marinho e Pinto, Emil Radev, Evelyn Regner, Pavel Svoboda, Axel Voss, Tadeusz Zwiefka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Pascal Durand, Heidi Hautala, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Virginie Rozière

Juridische mededeling