Procedure : 2016/0192(NLE)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0321/2016

Ingediende teksten :

A8-0321/2016

Debatten :

Stemmingen :

PV 14/12/2016 - 9.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0492

AANBEVELING     ***
PDF 347kWORD 47k
10.11.2016
PE 587.521v02-00 A8-0321/2016

over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Noorwegen betreffende wederzijdse toegang tot de visserij in het Skagerrak voor vaartuigen die de vlag van Denemarken, Noorwegen en Zweden voeren

(10711/2016 – C8-0332/2016 – 2016/0192(NLE))

Commissie visserij

Rapporteur: Jørn Dohrmann

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 BEKNOPTE MOTIVERING
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Noorwegen betreffende wederzijdse toegang tot de visserij in het Skagerrak voor vaartuigen die de vlag van Denemarken, Noorwegen en Zweden voeren

(10711/2016 – C8-0332/2016 – 2016/0192(NLE))

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (10711/2016),

–  gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Noorwegen betreffende wederzijdse toegang tot de visserij in het Skagerrak voor vaartuigen die de vlag van Denemarken, Noorwegen en Zweden voeren (11692/2014),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 43, lid 2, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a) (v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0332/2016),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–   gezien zijn niet-wetgevingsresolutie van [......] over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Noorwegen betreffende wederzijdse toegang tot de visserij in het Skagerrak voor vaartuigen die de vlag van Denemarken, Noorwegen en Zweden voeren,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie visserij (A8-0321/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en het Koninkrijk Noorwegen.


BEKNOPTE MOTIVERING

Op 7 augustus 1967 trad tussen Denemarken, Noorwegen en Zweden een overeenkomst in werking betreffende wederzijdse toegang tot de visserij in het Skagerrak en het Kattegat. Op grond van deze overeenkomst, die werd aangevuld door de bilaterale visserijovereenkomst tussen de Europese Unie en Noorwegen van 1980, verleenden deze drie landen elkaar toegang tot de visserij in het gebied tot vier zeemijl vanaf hun respectieve basislijnen van het Skagerrak en het Kattegat. Bovendien werd in de overeenkomst bepaald dat het betrokken gebied voor de toepassing van dergelijke visserij als volle zee werd beschouwd. Bij deze overeenkomst werden dus de betrekkingen tussen de staten als vlaggenstaten en als kuststaten vastgesteld.

Deze overeenkomst van 1966 hield rekening met de specifieke geografische omstandigheden van het Skagerrak en het Kattegat voor de visserij en erkende de historische rechten van vissers uit de drie betrokken landen om in dit kleine gebied te vissen. Om die reden bestond de overeenkomst van 1966 uit slechts drie artikelen, waarbij in het eerste het betrokken gebied werd afgebakend en in het tweede het recht op toegang werd omschreven en het streven naar harmonisatie van voorschriften werd uitgesproken.

Met de toetreding van Denemarken en Zweden tot de EU in respectievelijk 1973 en 1995 werd de Commissie verantwoordelijk voor het beheer van deze overeenkomst namens die twee lidstaten. Overleg over de uit deze overeenkomst voortvloeiende regelingen vond plaats parallel aan het overleg in het kader van de bilaterale visserijovereenkomst van 1980.

De overeenkomst van 1966 bleef in eerste instantie gedurende een periode van 35 jaar (tot 2002) van kracht en werd daarna twee keer met vijf jaar verlengd (tot 2012).

Naar aanleiding van recente ontwikkelingen in het internationale visserijrecht en, in het bijzonder, de invoering van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 1982 en de VN-overeenkomst inzake visbestanden van 1995, kwam Noorwegen tot het oordeel dat de bestaande overeenkomst niet meer in overeenstemming was met de huidige bepalingen inzake het recht van de zee. Noorwegen was vooral bezorgd over de bepalingen inzake controle. Het land was bovendien van oordeel dat de overeenkomst niet in overeenstemming was met de beginselen van de normale kuststaatbevoegdheid overeenkomstig het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, en niet strookte met moderne instandhoudings- en beheersbeginselen.

Op 29 juli 2009 heeft het Noorse Ministerie van Buitenlandse Zaken de Deense autoriteiten, als depositaris van de overeenkomst, er formeel van op de hoogte gesteld dat het de overeenkomst wenste op te zeggen, overeenkomstig artikel 3, lid 3, van de overeenkomst. Bijgevolg is de overeenkomst van 1966 op 7 augustus 2012 vervallen.

Daarop is Noorwegen formele onderhandelingen aangegaan met de Commissie (die optreedt namens de Unie), met het oog op de sluiting van een vervangende overeenkomst inzake de wederzijdse toegang tot de visserij in het Skagerrak en het Kattegat. Die nieuwe overeenkomst werd op 24 oktober 2013 geparafeerd en op 15 januari 2015 ondertekend. De overeenkomst is in overeenstemming met het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee en met daarmee samenhangende bepalingen in andere overeenkomsten.

In de nieuwe overeenkomst blijft de exclusieve toegang voor vaartuigen uit Denemarken, Noorwegen en Zweden tot elkaars wateren buiten vier zeemijl, gemeten vanaf de basislijnen, behouden. De overeenkomst garandeert voor de twee lidstaten en Noorwegen blijvende wederzijdse toegang tot de respectieve wateren van de andere partijen in het Skagerrak en het Kattegat en voorziet tevens in de vaststelling van krachtige instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de visserij in het gebied. Bovendien voorziet de overeenkomst in de vaststelling van controlemaatregelen in overeenstemming met de beginselen van de normale kuststaatbevoegdheid, zoals die reeds bestaan voor de visserij in de Noordzee.

Standpunt van de rapporteur

Van oudsher vissen vissers niet in bepaalde wateren, maar vissen zij op bepaalde visbestanden of op bepaalde vissoorten en in wateren waar die visbestanden of vissoorten zich bevinden, en volgen zij migrerende soorten. Deze traditie bestaat al langer dan er staten zijn en er territoriale wateren en, veel later, exclusieve economische zones worden erkend.

Het Kattegat en het Skagerrak zijn hiervan typische voorbeelden. Zweedse, Deense en Noorse vissers vissen in ieder geval al sinds de middeleeuwen gezamenlijk in deze wateren op dezelfde visbestanden. Het feit dat twee landen lidstaten zijn geworden doet niet af aan het uitgangspunt dat vissers uit de drie landen gebruik moeten kunnen maken van hun historisch recht om in het Skagerrak en het Kattegat te vissen. Het is van het grootste belang dat deze historische visrechten gerespecteerd worden.

Het gemeenschappelijk visserijbeleid van de EU voorziet in een systeem voor het beheer van de visstand in de wateren die onder dit beleid vallen en eerbiedigt op die manier de historische rechten van vissers. Deze overeenkomst draagt bij aan de bescherming van de historische visrechten in dit gebied en draagt tevens bij aan de tenuitvoerlegging van het herziene gemeenschappelijke visserijbeleid in het Kattegat en het Skagerrak.

Het Europees Parlement dient zijn goedkeuring te hechten aan deze overeenkomst.


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

9.11.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

19

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marco Affronte, Clara Eugenia Aguilera García, Renata Briano, Alain Cadec, Richard Corbett, Diane Dodds, Linnéa Engström, Ian Hudghton, Carlos Iturgaiz, Werner Kuhn, António Marinho e Pinto, Gabriel Mato, Norica Nicolai, Liadh Ní Riada, Ulrike Rodust, Ruža Tomašić, Peter van Dalen, Jarosław Wałęsa

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Ole Christensen, Jørn Dohrmann, Francisco José Millán Mon

Juridische mededeling