Procedure : 2016/0126(NLE)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0354/2016

Ingediende teksten :

A8-0354/2016

Debatten :

PV 30/11/2016 - 14
CRE 30/11/2016 - 14

Stemmingen :

PV 01/12/2016 - 6.10
CRE 01/12/2016 - 6.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0465

VERSLAG     ***
PDF 400kWORD 62k
28.11.2016
PE 592.131v03-00 A8-0354/2016

over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting namens de Europese Unie van de overeenkomst tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Unie over de bescherming van persoonlijke informatie in verband met de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten

(08523/2016 – C8-0329/2016 – 2016/0126(NLE))

Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

Rapporteur: Jan Philipp Albrecht

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 BEKNOPTE MOTIVERING
 ADVIES van de Commissie juridische zaken
 BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE BUITENLANDSE ZAKEN
 PROCEDURE VAN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting namens de Europese Unie van de overeenkomst tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Unie over de bescherming van persoonlijke informatie in verband met de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten

(08523/2016 – C8-0329/2016 – 2016/0126(NLE))

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (08523/2016),

–  gezien de overeenkomst tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Unie over de bescherming van persoonlijke informatie in verband met de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten (08557/2016),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 16 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0329/2016),

–  gezien de brief van de Commissie buitenlandse zaken,

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie juridische zaken (A7-0354/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Verenigde Staten van Amerika.


BEKNOPTE MOTIVERING

1. Op verzoek van het Europees Parlement nam de Raad op 3 december 2010 een besluit aan waarbij de Commissie werd gemachtigd tot het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika inzake de bescherming van persoonsgegevens bij doorgifte en verwerking daarvan met het oog op het voorkomen, onderzoeken, opsporen of vervolgen van strafbare feiten, waaronder terrorisme, in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken (hierna: "overkoepelende overeenkomst"). De Commissie opende op 28 maart 2011 onderhandelingen met het Amerikaanse ministerie van Justitie. Tijdens het verloop van de onderhandelingen werd het Parlement regelmatig geïnformeerd overeenkomstig artikel 218, lid 10, VWEU en uw rapporteur heeft een reeks werkdocumenten opgesteld om de debatten in de Commissie LIBE vlotter te doen verlopen.

2. De tekst van de overeenkomst werd op 8 september 2015 geparafeerd. Na de goedkeuring van de wet inzake gerechtelijk beroep (Judicial Redress Act) door het Amerikaanse congres op 24 februari 2016 besloot de Raad op 18 juli 2016 het Europees Parlement te verzoeken zijn goedkeuring te hechten aan de sluiting van de overeenkomst overeenkomstig artikel 218, lid 6, onder a), punt v), en hij diende dit verzoek in bij het Parlement op 12 september 2016.

3. Het doel van de overeenkomst is te zorgen voor een hoogwaardige bescherming van de grondrechten en vrijheden van personen, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer bij de verwerking van persoonsgegevens wanneer persoonsgegevens voor bovengenoemde doeleinden worden doorgegeven en verwerkt door bevoegde autoriteiten in de Europese Unie en haar lidstaten en door de VS.

Toepassingsgebied van de overeenkomst

4. Uw rapporteur vindt het belangrijk erop te wijzen dat de overkoepelende overeenkomst geen rechtsgrondslag biedt voor doorgiften van persoonsgegevens. Deze rechtsgrondslag voor gegevensdoorgiften is te vinden in de bestaande overeenkomsten tussen de EU en de VS of de bilaterale overeenkomsten tussen de lidstaten en de VS of in de nationale wetten inzake de uitwisseling van persoonsgegevens (bijv. de internationale overeenkomsten inzake PNR, TFTP of wederzijdse rechtshulp). De overkoepelende overeenkomst vormt een aanvulling van de beschermingen en waarborgen die deze overeenkomsten bieden en ze verruimt en harmoniseert de rechten van betrokkenen. Maar aangezien de Juridische Dienst van het Parlement in zijn advies van 14 januari 2015 een aantal punten had aangestipt die nadere toelichting konden gebruiken, verwijst uw rapporteur naar de verklaring die de Commissie(1) heeft afgelegd in de context van de goedkeuringsprocedure van het Parlement. Een van de toelichtingen betreft de laatste zinsnede van artikel 5, lid 3 (“er wordt geen verdere vergunning [voor gegevensdoorgiften] vereist”). Met deze clausule wordt niet voorzien in een feitelijk adequaatheidsbesluit, maar wordt louter vastgesteld dat er , zoals reeds het geval is, geen andere rechtsgrond vereist is dan de in artikel 3, lid 1, genoemde overeenkomst. De Commissie stelde voorts dat het vermoeden van overeenstemming met de toepasselijke regels inzake internationale doorgifte niet automatisch maar wel voorwaardelijk is, dat het kan worden aangevochten en dat het de bevoegdheden van de gegevensbeschermingsautoriteiten onverlet laat.

5. Overeenkomstig artikel 3 zal de overeenkomst van toepassing zijn op doorgiften van persoonsgegevens tussen de rechtshandhavingsinstanties van de EU of de lidstaten en de Amerikaanse rechtshandhavingsinstanties met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten, waaronder terrorisme. Ze heeft betrekking op alle gegevensdoorgiften tussen deze autoriteiten, ongeacht de nationaliteit of de woonplaats van de betrokkene. Ze heeft ook betrekking op persoonsgegevens die door particuliere entiteiten op het grondgebied van een partij worden doorgegeven aan de bevoegde autoriteiten van de andere partij voor deze doeleinden, gebaseerd op een internationale overeenkomst.

6. De overeenkomst heeft geen betrekking op de uitwisseling van gegevens tussen de nationale veiligheidsautoriteiten, aangezien deze buiten de bevoegdheden van de Unie vallen. Ze heeft evenmin betrekking op transatlantische doorgiften tussen particuliere entiteiten (bijv. in het kader van contractuele clausules of het Privacyschild EU-VS) noch op de latere toegang in de VS tot deze persoonsgegevens door een Amerikaanse rechtshandhavingsinstantie of nationale veiligheidsinstantie.

7. In de overeenkomst wordt ook bepaald dat elke partij uitvoering geeft aan bepalingen ervan zonder willekeurig of ongerechtvaardigd te discrimineren tussen haar eigen onderdanen en die van de andere verdragsluitende partij. Volgens de Commissie vormt deze bepaling een versterking van andere bepalingen van de overeenkomst, zoals de bepalingen die waarborgen voor de betrokkenen bieden (d.i. toegang, rectificatie en administratief beroep) aangezien ze ervoor zorgt dat Europese burgers, in principe, dezelfde behandeling zullen genieten als VS-onderdanen waar het gaat om de praktische toepassing van deze bepalingen (artikel 4).

Voornaamste elementen van de overkoepelende overeenkomst

8. De overeenkomst bevat bepalingen die de basisbeginselen van gegevensbescherming vastleggen, namelijk:

9. Beperkingen inzake doel en toepassing van doorgegeven persoonsgegevens (artikel 6). Persoonsgegevens mogen worden verwerkt voor specifieke doeleinden waarvoor toestemming is verleend door de rechtsgrondslag voor de doorgifte. Verdere verwerking door een andere of dezelfde rechtshandhavingsinstanties, regelgevende of administratieve autoriteiten is toegestaan, mits dit niet onverenigbaar met het initiële doel van de doorgifte. De doorgevende autoriteit kan bijkomende voorwaarden stellen voor de doorgifte en de latere verwerking in de mate dat het toepasselijk wettelijk kader deze mogelijkheid biedt.

10. Kwaliteit en integriteit van gegevens (artikel 8) en bewaartermijnen (artikel 12). Persoonlijke informatie wordt bijgehouden met een zodanige nauwkeurigheid, relevantie, actualiteit en volledigheid als noodzakelijk en passend is voor de rechtmatige verwerking van de gegevens. Bovendien gelden voor de verwerking specifieke bewaartermijnen om ervoor te zorgen dat persoonsgegevens niet langer dan noodzakelijk worden verwerkt. De bewaartermijn moet worden vastgesteld in de rechtsgrondslag voor de verwerking. De partijen maken deze termijnen openbaar of voor het publiek toegankelijk.

11. Regels inzake verdere doorgiften, zowel naar binnenlandse autoriteiten van de verdragsluitende partij (bijv. de Franse politie die met de Duitse politie informatie deelt die zij van de Amerikaanse FBI heeft ontvangen) als naar autoriteiten van derde landen of een internationale organisatie die niet door de overeenkomst gebonden is (artikel 7). In dit laatste geval is de voorafgaande toestemming van de rechtshandhavingsinstantie die de informatie aanvankelijk heeft doorgegeven, vereist.

12. Wat betreft de verwerking van persoonsgegevens anders dan met betrekking tot specifieke gevallen, onderzoeken of vervolgingen (bulkgegevens), bepaalt de overkoepelende overeenkomst dat alle specifieke overeenkomsten die doorgifte in bulk van persoonsgegevens mogelijk maken, de normen en voorwaarden moeten vastleggen waaronder deze verwerking in bulk mag plaatsvinden, met name wat betreft de verwerking van gevoelige gegevens, verdere doorgiften en bewaartermijnen. Deze gegevensdoorgiften in bulk, met name die van gevoelige gegevens, kan vragen doen rijzen over de verenigbaarheid met het EU-kader voor gegevensbescherming zoals uitgelegd door het Hof van Justitie. Maar aangezien de overkoepelende overeenkomst geen rechtsgrond vormt voor dergelijke doorgiften in bulk moet deze kwestie worden verduidelijkt in de context van de respectieve doorgifte-overeenkomsten. Het Parlement heeft dan ook in 2014 besloten het advies van het HvJ-EU te vragen over de verenigbaarheid van de PNR-overeenkomst tussen de EU en Canada met het Handvest. Deze zaak is nog hangende.

13. In de overkoepelende overeenkomst worden ook de rechten van natuurlijke personen vastgelegd (informatie, toegang, rectificatie, uitwissing) en rechten inzake administratieve en gerechtelijke beroepsmogelijkheden. Alle deze rechten worden uitgeoefend overeenkomstig het recht van het land waar ze worden ingeroepen (met inbegrip van de afwijkingen).

14. Een van de belangrijkste nieuwigheden van de overkoepelende overeenkomst is dat de burgers van elke partij beroep in rechte zullen kunnen instellen wegens i) weigering van toegang, ii) weigering van rectificatie of iii) onrechtmatige openbaarmaking door de autoriteiten van de andere partij. Alle deze rechten worden uitgeoefend overeenkomstig het recht van het land waar ze worden ingeroepen (met inbegrip van de afwijkingen). Om een oplossing te bieden voor het gebrek aan rechten voor niet-VS-burgers keurde het Amerikaanse congres op 24 februari 2016 de wet inzake gerechtelijk beroep (Judicial Redress Act) goed. Op grond van deze wet zullen een aantal gronden voor gerechtelijk beroep ook gaan gelden voor burgers van "gedekte landen” (bijv. de lidstaten). Deze rechten worden evenwel niet toegekend aan niet-EU-burgers van wie de gegevens aan de VS zijn doorgegeven. Deze verschillende behandeling van EU-onderdanen en niet-EU-onderdanen die door de Amerikaanse wet inzake gerechtelijk beroep is ingesteld, heeft vragen opgeworpen. Maar de Commissie heeft verduidelijkt dat er andere rechtsgronden voor beroep in de VS ter beschikking staan voor alle betrokkenen in de EU waarvan de gegevens voor rechtshandhavingsdoeleinden worden doorgegeven, ongeacht hun nationaliteit of woonplaats.

15. Wat betreft de mogelijke uitzonderingen in het kader van sectie 552a, lid j), punt 2), van de Amerikaanse “Privacy Act” zijn de rechten van betrokkenen die bij de overkoepelende overkomst zijn toegekend, onvoorwaardelijk geformuleerd en dus kunnen de Amerikaanse autoriteiten geen uitzonderingen in het kader van de Amerikaanse Privacy Act inzake rechtshandhavingsgegevensbanken inroepen om EU-burgers een effectief gerechtelijk beroep te ontzeggen, zoals momenteel het geval is voor de rechtshandhavingsgegevensbanken voor PNR- of TFTP-gegevens. Dit is ook de rechtsopvatting van de Commissie in haar verklaring.

16. In de overkoepelende overeenkomst wordt bepaald dat de partijen over één of meer openbare toezichthoudende autoriteiten dienen te beschikken die onafhankelijke toezichthoudende taken en bevoegdheden uitoefenen, met inbegrip van toetsing, onderzoek en interventie, in voorkomend geval op hun eigen initiatief. bevoegd zijn om klachten van individuen in ontvangst te nemen over de maatregelen ter uitvoering van de overkoepelende overeenkomst en dienaangaande handelend op te treden; bevoegd zijn om bij rechtsschendingen ter zake van de overkoepelende overeenkomst in voorkomend geval vervolging of tuchtmaatregelen voor te stellen. Het EU-kader voor gegevensbescherming voorziet in externe autoriteiten die onafhankelijk zijn van de onder toezicht staande entiteit, om te waarborgen dat zij kunnen handelen zonder enige beïnvloeding van buitenaf, rechtstreeks of indirect. De overkoepelende overeenkomst vereist dat de toezichthoudende autoriteiten onafhankelijke toezichthoudende taken en bevoegdheden uitoefenen.

17. Tot slot is de overkoepelende overeenkomst onderworpen aan periodieke gezamenlijke evaluaties, waarvan de eerste niet later dan drie jaar na de datum van inwerkingtreding van de overkoepelende overeenkomst plaatsvindt en de volgende op gezette tijden. In de respectieve delegaties zitten vertegenwoordigers zowel van gegevensbeschermingsautoriteiten als van rechtshandhavingsautoriteiten. De conclusies van de gezamenlijke evaluatie worden openbaar gemaakt.

18. Uw rapporteur komt tot het besluit dat de overeenkomst een grote stap vooruit betekent voor de bescherming van persoonsgegevens die worden doorgegeven tussen de EU en de VS in het kader van rechtshandhavingsactiviteiten. Het is misschien niet de beste overeenkomst die kan worden gesloten, maar het is zeker de best mogelijke in de huidige situatie. Bovendien worden de rechten van betrokkenen noch beperkt noch aangetast door deze overeenkomst, aangezien zij geen rechtsgrond vormt voor gegevensdoorgiften. Ze voegt alleen maar nieuwe rechten en beschermingen toe aan de bestaande kaders voor gegevensdoorgiften in de context van de samenwerking tussen de EU en de VS op het gebied van rechtshandhaving.

19. Daarom stelt de rapporteur voor dat de leden van de parlementaire Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken hun bijval geven aan dit verslag en dat het Europees Parlement hieraan zijn goedkeuring hecht.

(1)

[verwijzing in te voegen zodra de verklaring van de Commissie beschikbaar is]


ADVIES van de Commissie juridische zaken (9.11.2016)

aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

over de Overeenkomst tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Unie over de bescherming van persoonlijke informatie in verband met de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten

(08523/2016) – C8-0329/2016 – 2016/0126(NLE))

Rapporteur voor advies: Angel Dzhambazki

BEKNOPTE MOTIVERING

Op 2 mei 2016 legde de Commissie een voorstel voor aan de Raad voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van een Overeenkomst tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Unie over de bescherming van persoonlijke informatie in verband met de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten [2016/0126 (NLE) - COM (2016)237 final], ook bekend als de “Raamovereenkomst”.

Het voorstel werd aan de Raad voorgelegd nadat het US Congres de Judicial Redress Act van 2015 had aangenomen. Volgens deze wet is het Amerikaanse Department of Justice bevoegd landen aan te wijzen of economische samenwerkingsorganisaties wier burgers een civiele vordering kunnen instellen tegen Amerikaanse overheidsinstanties om toegang tot of wijziging van gegevens te vorderen die bij die instanties berusten dan wel te ageren tegen onwettige onthulling van gegevensbestanden die door een buitenlandse overheid aan de Verenigde Staten in verband met de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten zijn geleverd.

Op 18 juli 2016 besloot de Raad de goedkeuring van het Europees Parlement te vragen voor de ontwerpbesluit van de Raad tot sluiting van bovengenoemde overeenkomst.

De Commissie juridische zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken voor te stellen dat het Europees Parlement zijn goedkeuring geeft, om de volgende redenen.

a) De voorgestelde overeenkomst berust op de juiste rechtsgrondslag

Artikel 16 juncto artikel 218, lid 6, a) van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) vormen tezamen de juiste rechtsgrondslag voor het voorstel.

Volgens artikel 16, lid 1 VWEU heeft eenieder recht op bescherming van zijn persoonsgegevens, en artikel 16, lid 2, geeft het Europees Parlement en de Raad de bevoegdheid om volgens de gewone wetgevingsprocedure regels vast te leggen voor de bescherming van personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens. Artikel 218, lid 6, (a) bepaalt dat de Raad voor sluiting van een internationale overeenkomst de goedkeuring van het Europees Parlement nodig heeft onder meer wanneer de overeenkomst gebieden waarop betreft de gewone wetgevingsprocedure van toepassing is.

Het doel van deze overeenkomst is te zorgen voor een hoog niveau van bescherming van persoonlijke informatie en voor intensivering van de samenwerking tussen de Verenigde Staten en de Europese Unie en haar lidstaten, op het gebied van de voorkoming, het onderzoek, de opsporing of de vervolging van strafbare feiten, waaronder terrorisme (artikel 1).

De beoogde overeenkomst strekt voornamelijk tot aanbrengen van een breed kader van beschermingsregels en waarborgen die zullen gelden voor overdracht van persoonsgegevens met het oog op strafrechtelijke handhaving tussen de Verenigde Staten, enerzijds, en de Europese Unie of haar lidstaten, anderzijds. Concreet bevat de overeenkomst bepalingen inzake non-discriminatie (artikel 4); beperkingen op gegevensgebruik (artikel 6); voorafgaande toestemming voor verdere doorgifte (artikel 7); procedures voor behoud van kwaliteit en integriteit van informatie (artikel 8) informatiebeveiliging (artikel 9); kennisgeving van een incident op het gebied van informatiebeveiliging (artikel 10) bijhouden van bestanden (artikel 11) bewaartermijn (artikel 12) bijzondere categorieën persoonsgegevens (artikel 13) maatregelen ter bevordering van de verantwoordingsplicht (artikel 14); recht van kennisneming en rectificatie (artikelen 16 en 17) administratief en rechterlijk beroep ingeval van geweigerde toegang tot of wijziging van persoonsgegevens of bestanden dan wel onrechtmatige openbaarmaking daarvan (artikelen 18 en 19); en doeltreffend toezicht en samenwerking tussen toezichthoudende autoriteiten (artikelen 21 en 22).

Opmerkelijk is dat in artikel 1 wordt gestipuleerd dat de Raamovereenkomst op zichzelf geen rechtsgrondslag vormt voor eender welke doorgifte van persoonlijke informatie en dat te allen tijde een afzonderlijke rechtsgrondslag vereist zal zijn.

b) De beoogde overeenkomst waarborgt een hoog beschermingsniveau voor het grondrecht op persoonsgegevens en draagt bij aan de rechtszekerheid

De vele waarborgen en garanties zoals hierboven omschreven zijn indien correct toegepast adequaat om een hoog beschermingsniveau te verzekeren voor het recht op bescherming van persoonsgegevens, als bedoeld in artikel 8 van het Handvest en artikel 16 VWEU, en om aan de rechtspraak van het Hof van Justitie inzake gegevensbescherming te voldoen. In dit verband is van belang dat de beoogde overeenkomst, in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie in het arrest Shrems (C-362/14, EU:C:2015:650) de partijen voorschrijft in hun toepasselijke rechtskader hun burgers de mogelijkheid te bieden om gerechtelijk beroep in te stellen met betrekking tot weigering van toegang tot van wijziging van bestanden dan wel onrechtmatige, openbaarmaking van dergelijke informatie

artikel 19). In ieder geval moeten de instellingen die betrokken zullen zijn in bij de uitvoering van de overeenkomst en bij onderhandelingen over toekomstige overeenkomsten omtrent overdracht van persoonsgegevens terdege letten op en te rade gaan bij de rechtspraak van het Hof in het reeds aangehaald arrest Schrems, en in het arrest Digital Rights Ireland e.a. (C-293/12 en C-594/12, EU:C:2014:238), alsook uiteraard in toekomstige rechtspraak van het Hof, waaronder ook diens ophanden advies over de overeenkomst tussen Canada en de Europese Unie inzake overdracht en verwerking van passagiersgegevens.

De beoogde overeenkomst biedt een raamwerk voor de bescherming van persoonsgegevens dat aan de rechtszekerheid bijdraagt. De overeenkomst zal waar nodig de gegevensbeschermingsclausules aanvullen in bestaande en toekomstige overeenkomsten voor gegevensoverdracht of nationale bepalingen waarbij dergelijke overdracht wordt toegestaan (artikel 5). Dit betekent een beduidende verbetering ten opzichte van de huidige situatie waarin persoonlijke informatie naar de Verenigde Staten wordt doorgegeven op grond van rechtsinstrumenten die doorgaans geen of slechts zwakke bepalingen op het gebied van gegevensbescherming bevatten. Belangrijker nog is dat de overeenkomst een rode lijn trekt waar het beschermingsniveau in toekomstige overeenkomsten omtrent overdracht van persoonsgegevens met het oog op strafrechtelijke handhaving tussen de Verenigde Staten en de Europese Unie en/of haar lidstaten niet onder mag komen. Voorts schept de overeenkomst ook een belangrijk precedent voor eventuele soortgelijke overeenkomsten met andere internationale partners.

Ook is van belang dat partijen zich verplichten de nodige maatregelen te nemen voor tenuitvoerlegging van deze overeenkomst, met inbegrip van, in het bijzonder, hun daarin opgenomen respectieve verplichtingen inzake toegang, rectificatie en administratieve en gerechtelijke beroepsmogelijkheden voor natuurlijke personen, zodat hun respectieve gegevensbeschermingswetgeving kan worden geacht een gelijkwaardige bescherming te bieden (artikel 5). De overeenkomst verplicht de partijen om periodiek gezamenlijke evaluaties uit te voeren van het beleid en de procedures voor de uitvoering van de overeenkomst en de doeltreffendheid daarvan. De eerste gezamenlijke evaluatie vindt plaats niet later dan drie jaar na de datum van inwerkingtreding van de overeenkomst. Er wordt duidelijk gestipuleerd dat de conclusies van de gezamenlijke evaluatie openbaar worden gemaakt (artikel 23). De rapporteur is van mening dat het Parlement tijdig moet worden geïnformeerd omtrent elke maatregel die uit hoofde van deze bepaling wordt genomen en omtrent de resultaten van de gezamenlijke evaluatie, om alle hem openstaande actie te kunnen ondernemen die het geboden acht.

c) De beoogde overeenkomst zal verbetering brengen in samenwerking met de Verenigde Staten op gebied van rechtshandhaving.

Deze overeenkomst zal een aanzienlijk effect hebben op de samenwerking met de Verenigde Staten op het gebied van politie en rechtshandhaving. Dankzij de invoering van een gemeenschappelijk en alomvattend kader van regels en waarborgen op het gebied van gegevensbescherming, zullen de EU of haar lidstaten, enerzijds, en de misdaadbestrijdingsautoriteiten van de VS, anderzijds, doeltreffender met elkaar kunnen samenwerken. De overeenkomst zal ook de sluiting vergemakkelijken van toekomstige overeenkomsten met de VS inzake de doorgifte van gegevens op het gebied van strafrechtelijke handhaving, aangezien er waarborgen inzake gegevensbescherming overeen zijn gekomen waarover dus niet weer steeds hoeft te worden onderhandeld. Ten slotte kan de vaststelling van gemeenschappelijke normen op dit terrein van samenwerking een aanzienlijke bijdrage leveren tot het herstel van vertrouwen in trans-Atlantische gegevensstromen.

*******

De Commissie juridische zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie juridische zaken het Parlement aan te bevelen zijn goedkeuring te hechten aan het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting namens de Europese Unie van de Overeenkomst tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Unie over de bescherming van persoonlijke informatie in verband met de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten.

PROCEDURE VAN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Titel

Overeenkomst tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Unie over de bescherming van persoonlijke informatie in verband met de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten

Document- en procedurenummers

08523/2016 – C8-0329/2016 – COM(2016)02372016/0126(NLE)

Commissie ten principale

 

LIBE

 

 

 

 

Advies uitgebracht door

       Datum bekendmaking

JURI

12.9.2016

Rapporteur voor advies

       Datum benoeming

Angel Dzhambazki

11.7.2016

Datum goedkeuring

8.11.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

18

1

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Joëlle Bergeron, Marie-Christine Boutonnet, Jean-Marie Cavada, Kostas Chrysogonos, Therese Comodini Cachia, Mady Delvaux, Rosa Estaràs Ferragut, Enrico Gasbarra, Mary Honeyball, Gilles Lebreton, António Marinho e Pinto, Julia Reda, Evelyn Regner, Pavel Svoboda, Axel Voss, Tadeusz Zwiefka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Daniel Buda, Pascal Durand, Angel Dzhambazki, Stefano Maullu, Virginie Rozière


BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE BUITENLANDSE ZAKEN

Ref: D(2016)51448

Claude Moraes

Voorzitter

Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

Geachte voorzitter,

Op 12 september 2016 werd een voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van een Overeenkomst tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Unie over de bescherming van persoonlijke informatie in verband met de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten (2016/0126(NLE)) ter goedkeuring verwezen naar het Europees Parlement.

Tijdens hun vergadering van 27 oktober 2016 hebben de coördinatoren van de Commissie buitenlandse zaken (AFET) besloten dat een advies van AFET inzake bovengenoemde overeenkomst aan uw commissie en uw rapporteur zou worden verstrekt in de vorm van een brief. In mijn hoedanigheid van voorzitter van de Commissie buitenlandse zaken heb ik het genoegen u dit advies te doen toekomen.

Eerst en vooral moet worden benadrukt dat de parafering van deze overeenkomst, vijf jaar nadat door de Raad op 3 december 2010 een besluit is aangenomen waardoor de Commissie werd gemachtigd deze onderhandelingen op te starten, een succes mag worden genoemd, zeker in de huidige context van internationale inspanningen in de strijd tegen terrorisme.

Alleen al het feit dat de partijen beter gaan samenwerken en hierbij een hoog niveau van gegevensbescherming zullen waarborgen, is uitermate positief voor het aanpakken van gemeenschappelijke problemen aan beide zijden van de Atlantische Oceaan. De Commissie buitenlandse zaken is met name voorstander van de substantiële verbetering met betrekking tot de bescherming die wordt geboden inzake alle persoonsgegevens van betrokkenen uit de EU die voor strafrechtelijke doeleinden worden uitgewisseld met de Verenigde Staten. De commissie stelt tevens op prijs dat Europese burgers dezelfde behandeling zullen genieten als burgers van de VS wat de praktische toepassing van de overeenkomst betreft (zie artikel 4).

Daarnaast wens ik echter te benadrukken dat bijzondere voorzichtigheid aan de dag moet worden gelegd met betrekking tot het waarborgen van een hoog niveau van beveiliging van door de partijen uitgewisselde persoonsgegevens (zie artikel 9). Bovendien moeten de passende maatregelen die kunnen worden genomen ter beperking van schade die wordt veroorzaakt door incidenten (zie artikel 10) verder worden gedefinieerd, waarbij de bescherming van betrokkenen uit de EU in acht wordt genomen en het EU-Handvest van de grondrechten wordt geëerbiedigd.

Verder is het positief dat in de overeenkomst wordt bepaald dat de partijen toezichthoudende autoriteiten in het leven zullen roepen om controle uit te oefenen op de uitvoering van de overeenkomst, toezicht te houden op klachten van burgers en bij schendingen vervolging voor te stellen. Graag wens ik te benadrukken dat het optreden van deze autoriteiten erg nuttig zal zijn voor de periodieke gezamenlijke evaluaties.

Derhalve heb ik het genoegen u mee te delen dat de Commissie buitenlandse zaken adviseert de goedkeuring voor de sluiting van deze overeenkomst te steunen.

Hoogachtend,

Elmar Brok

Kopie:  Jan Philipp Albrecht, Rapporteur


PROCEDURE VAN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Titel

Overeenkomst tussen de Verenigde Staten en de EU betreffende de bescherming van persoonsgegevens met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten

Document- en procedurenummers

08523/2016 – C8-0329/2016 – COM(2016)02372016/0126(NLE)

Datum raadpleging / verzoek om goedkeuring

19.7.2016

 

 

 

Commissie ten principale

       Datum bekendmaking

LIBE

12.9.2016

 

 

 

Medeadviserende commissies

       Datum bekendmaking

AFET

12.9.2016

JURI

12.9.2016

 

 

Geen advies

       Datum besluit

AFET

27.10.2016

 

 

 

Rapporteurs

       Datum benoeming

Jan Philipp Albrecht

12.9.2016

 

 

 

Behandeling in de commissie

8.11.2016

 

 

 

Datum goedkeuring

24.11.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

41

4

6

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jan Philipp Albrecht, Heinz K. Becker, Caterina Chinnici, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Frank Engel, Cornelia Ernst, Tanja Fajon, Monika Flašíková Beňová, Lorenzo Fontana, Mariya Gabriel, Sylvie Guillaume, Jussi Halla-aho, Monika Hohlmeier, Brice Hortefeux, Sophia in ‘t Veld, Eva Joly, Barbara Kudrycka, Cécile Kashetu Kyenge, Marju Lauristin, Juan Fernando López Aguilar, Monica Macovei, Roberta Metsola, Claude Moraes, József Nagy, Péter Niedermüller, Soraya Post, Branislav Škripek, Helga Stevens, Traian Ungureanu, Bodil Valero, Harald Vilimsky, Josef Weidenholzer, Cecilia Wikström, Kristina Winberg, Tomáš Zdechovský

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Janice Atkinson, Kostas Chrysogonos, Anna Maria Corazza Bildt, Miriam Dalli, Daniel Dalton, Maria Grapini, Petra Kammerevert, Jeroen Lenaers, Nuno Melo, Angelika Mlinar, Morten Helveg Petersen, Salvatore Domenico Pogliese, Barbara Spinelli, Josep-Maria Terricabras, Axel Voss

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Agnieszka Kozłowska-Rajewicz

Datum indiening

28.11.2016

Juridische mededeling