Procedure : 2016/2219(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0355/2016

Ingediende teksten :

A8-0355/2016

Debatten :

PV 13/12/2016 - 13
CRE 13/12/2016 - 13

Stemmingen :

PV 14/12/2016 - 9.15
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0502

VERSLAG     
PDF 1087kWORD 170k
28.11.2016
PE 587.429v02-00 A8-0355/2016

over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie ter zake 2015

(2016/2219(INI))

Commissie buitenlandse zaken

Rapporteur: Josef Weidenholzer

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking
 ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid
 BIJLAGE I
 BIJLAGE II
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie ter zake 2015

(2016/2219(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Handvest van de Verenigde Naties, van kracht sinds 24 oktober 1945,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) en andere mensenrechtenverdragen en ‑instrumenten van de Verenigde Naties (VN), in het bijzonder het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, die op 16 december 1966 in New York zijn aangenomen,

–  gezien de belangrijkste internationale mensenrechtenverdragen, waaronder het VN‑Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, waarbij de EU partij is,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties van 18 december 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW)(1),

–  gezien het VN‑Verdrag inzake de rechten van het kind en de resolutie van het Parlement van 27 november 2014 over het 25‑jarig bestaan van het VN‑Verdrag inzake de rechten van het kind(2),

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden van 18 december 1990(3),

–  gezien de VN‑Verklaring over het recht op ontwikkeling(4),

–  gezien de Verklaring van de Verenigde Naties over de rechten van inheemse volkeren en het slotdocument van 25 september 2014 van de plenaire zitting op hoog niveau van de Algemene Vergadering, de zogeheten Wereldconferentie over inheemse volkeren(5),

–  gezien de verklaring en het actieprogramma van Wenen die op 25 juni 1993 zijn aangenomen(6),

–  gezien de verklaring en het actieprogramma van Peking (1995)(7), het actieprogramma van de Internationale Conferentie over bevolking en ontwikkeling (ICPD) (1994)(8) en de resultaten van hun toetsingsconferenties,

–  gezien de beginselen van Parijs van de Verenigde Naties inzake nationale mensenrechteninstellingen (NHRI's)(9),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien artikel 25 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie inzake de rechten van ouderen,

–  gezien het Europees Verdrag voor de rechten van de mens,

–  gezien de artikelen 2, 3, 8, 21 en 23 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de publicatie van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) van 28 juni 2016, getiteld "Gedeelde visie, gemeenschappelijke actie: een sterker Europa – Een algemene strategie voor de Europese Unie op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid"(10),

–  gezien het strategisch kader en het actieplan van de EU inzake mensenrechten en democratie, die op 25 juni 2012 door de Raad Buitenlandse Zaken zijn aangenomen(11),

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 8 december 2009 inzake de bevordering van de naleving van het internationaal humanitair recht (IHR)(12) en de geactualiseerde EU‑richtsnoeren inzake de bevordering van de naleving van het IHR(13),

–  gezien het EU‑actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015‑2019), dat op 20 juli 2015 door de Raad is aangenomen(14),

–  gezien de EU‑richtsnoeren inzake mensenrechten,

–  gezien de richtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging(15),

–  gezien de richtsnoeren ter bevordering en bescherming van de uitoefening van alle mensenrechten door lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (LGBTI's)(16), die op 24 juni 2013 door de Raad zijn aangenomen,

–  gezien de richtsnoeren voor interparlementaire delegaties van het Europees Parlement over het bevorderen van de mensenrechten en democratie bij hun bezoeken buiten de Europese Unie(17),

–  gezien het jaarverslag van de EU over mensenrechten en democratie in de wereld in 2015, dat op 20 juni 2016 door de Raad is aangenomen(18),

–  gezien het actieplan getiteld "Gender Equality and Women's Empowerment: Transforming the Lives of Girls and Women through EU External Relations 2016‑2020" (Gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen: het leven van meisjes en vrouwen via de externe betrekkingen van de EU veranderen (2016‑2010), genderactieplan, GAP II), dat op 26 oktober 2015 door de Raad is aangenomen(19),

–  gezien de conclusies van de Raad van 16 juni 2016 over de gelijkheid van LHBTI(20) en de lijst van maatregelen van de Commissie ter bevordering van de gelijkheid van LGBTI (2016‑2019)(21),

–  gezien de conclusies van de Raad van 26 mei 2015 over gender in ontwikkeling(22),

–  gezien de Europese Migratieagenda van 13 mei 2015(23) en de conclusies van de Raad over migratie van 20 juli(24), 14 september 2015(25) en 22 september 2015(26),

–  gezien Besluit 2015/260 van de Raad van 17 februari 2015 houdende verlenging van het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de mensenrechten(27),

–  gezien de conclusies van de Raad van 5 december 2014 over de bevordering en bescherming van de rechten van het kind(28),

–  gezien de conclusies van de Raad van 14 mei 2012 getiteld "Increasing the Impact of EU Development Policy: an Agenda for Change" (Het EU‑ontwikkelingsbeleid trefzekerder maken: een agenda voor verandering)(29),

–  gezien de herziene indicatoren van de EU voor de alomvattende aanpak voor de uitvoering door de EU van de resoluties 1325 en 1820 van de VN‑Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid, die op 20 september 2016 door de Raad zijn aangenomen(30),

–  gezien het Verdrag van Istanbul van de Raad van Europa van 11 mei 2011 inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld(31),

–  gezien het besluit van de Raad van 21 maart 2011 betreffende het Internationaal Strafhof en tot intrekking van Gemeenschappelijk Standpunt 2003/444/GBVB(32),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de VV/HV van 18 november 2015 over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid(33),

–  gezien het actieplan van Valletta van 11 en 12 november 2015(34),

–  gezien de resolutie van de VN‑Veiligheidsraad van 13 oktober 2015 over de werkmethoden met betrekking tot vrouwen, vrede en veiligheid(35),

–  gezien de resolutie van de VN‑Veiligheidsraad van 19 juni 2008 over seksueel geweld als oorlogsmisdaad(36),

–  gezien de resolutie van de VN‑Veiligheidsraad van 31 oktober 2000 over vrouwen, vrede en veiligheid(37),

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 18 december 2014 over de bescherming van migranten(38),

–  gezien zijn spoedresoluties over gevallen van schending van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat,

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over het Trustfonds voor Afrika van de EU: de gevolgen voor ontwikkelingshulp en humanitaire hulp(39),

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2016 over de bestrijding van mensenhandel in de externe betrekkingen van de EU(40),

–  gezien zijn resolutie van 28 april 2016 over aanvallen op ziekenhuizen en scholen (schendingen van het internationaal humanitair recht)(41),

–  gezien zijn resolutie van 12 april 2016 over de situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU‑aanpak van migratie(42),

–  gezien zijn resolutie van 4 februari 2016 over de stelselmatige massamoord op religieuze minderheden door "ISIS/Da'esh"(43),

–  gezien zijn resolutie van 17 december 2015 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2014 en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie(44),

–  gezien zijn resolutie van 10 september 2015 over migratie en vluchtelingen in Europa(45),

–  gezien zijn resolutie van 8 oktober 2015 over de vernieuwing van het EU‑actieplan voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen in het kader van ontwikkeling(46),

–  gezien zijn resolutie van 8 oktober 2015 over de doodstraf(47),

–  gezien zijn resolutie van 8 september 2015 over mensenrechten en technologie: het effect van inbreuk- en bewakingssystemen op de mensenrechten in derde landen(48),

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2015 over het jaarverslag van de hoge vertegenwoordiger van de Europese Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid aan het Europees Parlement(49),

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2015 over de prioriteiten van de EU voor de VN‑Mensenrechtenraad in 2015(50),

–  gezien zijn resolutie van 18 september 2014 over de situatie in Irak en Syrië, en het IS‑offensief, inclusief de vervolging van minderheden(51),

–  gezien zijn resolutie van 27 februari 2014 over de inzet van gewapende drones(52),

–  gezien zijn resolutie van 10 oktober 2013 over discriminatie op grond van kaste(53) en het verslag van 28 januari 2016 over minderheden en discriminatie op grond van kaste van de speciale VN‑rapporteur voor minderhedenkwesties(54),

–  gezien zijn resolutie van 13 juni 2013 over vrijheid van pers en media in de wereld(55),

–  gezien zijn resolutie van 11 december 2012 over een strategie voor digitale vrijheid in het buitenlandbeleid van de EU(56),

–  gezien zijn resolutie van 17 november 2011 over steun van de EU voor het Internationaal Strafhof: aangaan van uitdagingen en overwinnen van moeilijkheden(57),

–  gezien zijn resolutie van 7 juli 2011 over het externe beleid van de EU ter bevordering van democratie(58),

–  gezien zijn resolutie van 17 juni 2010 over het EU‑beleid ten aanzien van mensenrechtenverdedigers(59),

–  gezien de richtsnoeren van de Verenigde Naties inzake bedrijfsleven en mensenrechten tot uitvoering van het kader "Protect, Respect and Remedy", die door de VN‑Mensenrechtenraad in resolutie 17/4 van 6 juli 2011 zijn bekrachtigd(60),

–  gezien het jaarverslag 2015 van het Europees Fonds voor Democratie(61),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8‑0355/2016),

A.  overwegende dat de EU zich er op grond van artikel 21 VEU toe verbindt een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) uit te bouwen volgens de beginselen die aan de oprichting van de Unie ten grondslag liggen en gericht op de wereldwijde verspreiding van die beginselen: democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en ondeelbaarheid van mensenrechten en fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht;

B.  overwegende dat de handelspolitiek van de Unie krachtens artikel 207 VWEU moet stoelen op de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de EU;

C.  overwegende dat in artikel 3 VEU het volgende wordt bevestigd: "In de betrekkingen met de rest van de wereld handhaaft de Unie haar waarden en belangen en zet zich ervoor in, en draagt zij bij tot de bescherming van haar burgers. Zij draagt bij tot de vrede, de veiligheid, de duurzame ontwikkeling van de aarde, de solidariteit en het wederzijds respect tussen de volkeren, de vrije en eerlijke handel, de uitbanning van armoede en de bescherming van de mensenrechten, in het bijzonder de rechten van het kind, alsook tot de strikte eerbiediging en ontwikkeling van het internationaal recht, met inbegrip van de inachtneming van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties";

D.  overwegende dat de eerbiediging, bevordering en vrijwaring van de ondeelbaarheid en universaliteit van de mensenrechten behoren tot de centrale doelstellingen van het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU, zoals bepaald in de mensenrechtenclausule van alle overeenkomsten van de EU met derde landen;

E.  overwegende dat de eerbiediging van mensenrechten, vrede, veiligheid en ontwikkeling nauw met elkaar verbonden zijn en elkaar onderling versterken;

F.  overwegende dat het beleid ter ondersteuning van mensenrechten en democratie dient te worden geïntegreerd in alle EU‑beleidslijnen met een buitenlandse dimensie, zoals ontwikkeling, migratie, veiligheid, terrorismebestrijding, nabuurschapsbeleid, uitbreiding en handel, in het bijzonder door de randvoorwaarden inzake mensenrechten toe te passen;

G.  overwegende dat interne en externe samenhang op het gebied van mensenrechten van essentieel belang is voor de geloofwaardigheid van het EU‑mensenrechtenbeleid in het buitenland, en overwegende dat een betere samenhang tussen het intern en extern beleid van de EU, alsook tussen de verschillende aspecten van haar extern beleid, een absolute vereiste is voor een succesvol en doeltreffend EU‑beleid op het gebied van mensenrechten en democratisering; overwegende dat de EU door een betere samenhang in staat moet zijn om al in de beginfase van mensenrechtenschendingen sneller en efficiënter te reageren; overwegende dat samenhang vooral een uitdaging blijkt voor het huidige migratiebeleid;

H.  overwegende dat de waarden van vrijheid, eerbiediging van de mensenrechten en het beginsel van periodieke en eerlijke verkiezingen essentiële elementen zijn van democratie; overwegende dat democratische regimes niet alleen gekenmerkt worden door het organiseren van eerlijke en vrije verkiezingen, maar ook door transparant bestuur dat ter verantwoording kan worden geroepen, eerbiediging van de rechtsstaat, vrijheid van meningsuiting, eerbiediging van de mensenrechten, aanwezigheid van een onafhankelijk gerechtelijk apparaat en eerbiediging van het internationaal recht en de internationale overeenkomsten inzake de mensenrechten;

I.  overwegende dat de eerbiediging van de mensenrechten wereldwijd onder druk staat en dat de universaliteit van de mensenrechten ernstig in twijfel wordt getrokken door een aantal autoritaire regimes; overwegende dat er wereldwijd talloze pogingen worden ondernomen om de ruimte van het maatschappelijk middenveld in te perken, onder meer in multilaterale fora; overwegende dat niet-naleving van de mensenrechten nadelige gevolgen heeft voor het individu, voor zijn of haar verwanten en voor de samenleving;

J.  overwegende dat de EU een essentiële rol heeft gespeeld in de aanneming van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, waarmee wordt gestreefd naar de verwezenlijking van mensenrechten voor eenieder;

K.  overwegende dat de Raad op 20 juli 2015 een nieuw actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015-2019) heeft aangenomen om de EU in staat te stellen deze uitdagingen tegemoet te treden aan de hand van een meer gericht, systematisch en gecoördineerd gebruik van haar mensenrechteninstrumenten; overwegende dat dit actieplan dient te worden uitgevoerd in samenhang met het genderactieplan 2016‑2020;

L.  overwegende dat de VV/HV heeft verklaard dat de mensenrechten één van haar overkoepelende prioriteiten zullen zijn en dat zij van plan is de mensenrechten te gebruiken als een leidraad voor al haar betrekkingen met derde landen; overwegende dat zij tevens heeft bevestigd dat de EU zich zal inzetten om de mensenrechten in alle aspecten van de buitenlandse betrekkingen "zonder uitzondering" te bevorderen;

M.  overwegende dat het streven van de EU naar een doeltreffend multilateralisme, met een centrale rol voor de VN, een integraal onderdeel vormt van het extern beleid van de Unie en geworteld is in de overtuiging dat een multilateraal systeem op basis van universele regels en waarden de beste manier is om de wereldwijde crises, uitdagingen en bedreigingen het hoofd te bieden; overwegende dat betrekkingen met derde landen in het kader van alle bilaterale en multilaterale fora tot de meest doeltreffende instrumenten behoren voor het aanpakken van mensenrechtenkwesties in derde landen;

N.  overwegende dat de reguliere zittingen van de VN‑Mensenrechtenraad (UNHRC), de benoeming van speciale rapporteurs, de universele periodieke doorlichting (UPR) en de speciale procedures voor specifieke situaties in landen of thematische kwesties allemaal bijdragen aan de internationale inspanningen ter bevordering en eerbiediging van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat;

O.  overwegende dat de EU het voor de bevordering van de mensenrechten en het aanpakken van mensenrechtenschendingen als een van haar hoofdprioriteiten beschouwt om een nauwe samenwerking tot stand te brengen met het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenverdedigers in derde landen;

P.  overwegende dat het Parlement zich in zijn resolutie van 22 oktober 2013 over lokale autoriteiten en het maatschappelijk middenveld: toezeggingen van Europa ter ondersteuning van duurzame ontwikkeling(62) erg bezorgd toont over de moeilijkheden die maatschappelijke organisaties ondervinden, benadrukt hoe belangrijk het is een systeem van toezicht uit te werken voor het evalueren van vooruitgang qua beleid en regelgeving, en aandringt op de bevordering van een gunstig klimaat voor maatschappelijke organisaties; overwegende dat de laatste tijd in vele landen strikte wetgeving met betrekking tot ngo's is aangenomen, waarin buitenlandse organisaties als ongewenst worden bestempeld wanneer zij als een bedreiging voor de grondwettelijke orde, defensie of veiligheid worden gezien, en overwegende dat alleen al in 2015 wereldwijd 185 milieu- en mensenrechtenactivisten werden vermoord, waarvan 66 % in Latijns-Amerika;

Q.  overwegende dat steeds meer landen, vooral in Azië, het Midden-Oosten en Afrika, gebruikmaken van een reisverbod om te verhinderen dat mensenrechtenverdedigers internationale evenementen zouden bijwonen;

R.  overwegende dat in de artikelen 18 en 19 van de UVRM wordt erkend dat eenieder recht op vrijheid van gedachte, geweten, godsdienst en vrijheid van mening en meningsuiting heeft en dat dit recht de vrijheid omvat om zonder inmenging een mening te koesteren en om door alle middelen en ongeacht grenzen inlichtingen en denkbeelden op te sporen, te ontvangen en door te geven; overwegende dat er een sterke stijging is van het aantal gevallen van vervolging waarvan de gronden uitsluitend zijn terug te voeren op het vreedzaam uitoefenen van het recht op vrijheid van mening, godsdienstbeleving en meningsuiting;

S.  overwegende dat in artikel 20 van de UVRM wordt erkend dat eenieder recht op vrijheid van vreedzame vereniging en vergadering heeft; overwegende dat resolutie 21/16 van de VN‑Mensenrechtenraad staten wijst op hun plicht om de rechten van individuen op vreedzame vereniging en vrijheid van vergadering, zowel online als offline, te eerbiedigen en ten volle te beschermen, en overwegende dat de vrijheid van denken, geweten, godsdienst en overtuiging moet worden ondersteund door middel van interreligieuze en interculturele dialogen;

T.  overwegende dat in de Verdragen van Genève en de aanvullende protocollen daarbij wordt voorzien in de basisregels van het IHR en de mensenrechten, en dat deze regels centraal staan in elk humanitair optreden; overwegende dat de bescherming van burgers en ontheemden in conflictgebieden moet worden gewaarborgd in totale neutraliteit en onpartijdigheid, en dat de onafhankelijkheid van de hulp voorop moet staan;

U.  overwegende dat de illegale bezetting van een grondgebied een aanhoudende schending van het internationaal recht vormt, en dat de bezettingsmacht uit hoofde van het IHR de verantwoordelijkheid draagt voor de burgerbevolking van dat grondgebied;

V.  overwegende dat bewijsmateriaal van oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid moeilijk intact te houden is – in het bijzonder in tijden van ongekende vluchtelingenstromen, op de vlucht voor geweld; overwegende dat het intact houden van bewijsmateriaal van essentieel belang is om daders voor de rechter te brengen;

W.  overwegende dat pogingen om de VS‑gevangenis in Guantánamo Bay te sluiten zijn mislukt en er in 2015 amper 20 gedetineerden zijn vrijgelaten of overgeplaatst;

X.  overwegende dat wereldwijd steeds meer mensen op de vlucht zijn voor oorlog, gewapende conflicten en andere mensonterende omstandigheden, en dat deze vluchtelingenstromen en verschillende vormen van migratie zowel voor de EU als in mondiale termen een aanzienlijke uitdaging vormen waarvoor onmiddellijke, doeltreffende en duurzame oplossingen moeten worden gevonden die stroken met onze gedeelde Europese waarden; overwegende dat met de humanitaire hulp van de Commissie, als grootste mondiale donor, bijstand wordt geboden aan vluchtelingen en ontheemden in meer dan 30 landen;

Y.  overwegende dat de strijd tegen mensensmokkel, mensenhandel en arbeidsuitbuiting van migranten reacties vergt op korte, middellange en lange termijn, waaronder maatregelen om criminele netwerken te ontwrichten en criminelen voor de rechter te brengen, het verzamelen en analyseren van gegevens, maatregelen om slachtoffers te beschermen en irreguliere migranten terug te sturen, alsook samenwerking met derde landen, in combinatie met langetermijnstrategieën, om iets te doen aan de vraag naar verhandelde en gesmokkelde personen en aan de onderliggende oorzaken van migratie die ervoor zorgen dat mensen in handen van criminele smokkelaars vallen;

Z.  overwegende dat gerechtigheid van essentieel belang is om de eerbiediging van de mensenrechten te bevorderen en dat de EU en haar lidstaten van bij de oprichting onvoorwaardelijke voorstanders zijn van het Internationaal Strafhof (ICC) door de universaliteit van het Statuut van Rome te bevorderen en de integriteit ervan te verdedigen ter versteviging van de onafhankelijkheid van het ICC;

AA.  overwegende dat er tot nu toe al substantiële vooruitgang is geboekt met betrekking tot de afschaffing van de doodstraf; overwegende dat de doodstraf in vele landen is opgeschort en er in andere landen wetgevingsmaatregelen zijn genomen om dit te verwezenlijken; overwegende dat er in 2015 een drastische stijging heeft plaatsgevonden van het totale aantal executies, waarvan bijna 90 % in slechts drie landen werd uitgevoerd, namelijk Iran, Pakistan en Saudi-Arabië; overwegende dat Belarus het enige land in Europa is dat de doodstraf niet heeft afgeschaft;

AB.  overwegende dat gelijkheid tussen mannen en vrouwen een Europese kernwaarde vormt die verankerd is in het juridische en politieke kader van de EU en tevens centraal staat in de Agenda 2030 van de VN; overwegende dat geweld en discriminatie ten aanzien van vrouwen en meisjes de afgelopen jaren dramatisch zijn toegenomen, in het bijzonder in oorlogsgebied en onder autoritaire regimes;

AC.  overwegende dat volgens Unicef wereldwijd 250 miljoen kinderen in landen wonen die getroffen zijn door conflicten en bijna 50 miljoen kinderen hetzij ontheemd zijn door geweld, oorlog en de bijbehorende gruwel, terreurdaden en oproer, hetzij hun land hebben verlaten, en dat velen nog steeds te lijden hebben onder alle vormen van discriminatie, geweld, uitbuiting, misbruik, dwangarbeid, armoede en ondervoeding;

AD.  overwegende dat volgens Unicef één op 200 kinderen wereldwijd vluchteling is, dat bijna een derde van de kinderen die buiten hun geboorteland wonen vluchteling is en dat het aantal kindvluchtelingen tussen 2005 en 2015 is verdubbeld;

AE.  overwegende dat in artikel 25 van de UVRM wordt bepaald dat eenieder recht heeft op een levensstandaard die hoog genoeg is voor de gezondheid en het welzijn van zichzelf en zijn gezin, en dat moeder en kind recht hebben op bijzondere zorg en bijstand, waaronder medische verzorging; overwegende dat toegang tot onderwijs, voeding en gezondheidszorg voor alle kinderen dient te worden gegarandeerd; overwegende dat resolutie 26/28(36) van de UNHRC een oproep bevat om de volgende vergadering van het Sociaal Forum van de UNHRC toe te spitsen op toegang tot geneesmiddelen in het kader van het recht van eenieder op het hoogst mogelijke niveau van lichamelijke en geestelijke gezondheid; overwegende dat in de statuten van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) wordt gesteld dat het een van de grondrechten van ieder mens is om het hoogst mogelijke niveau van gezondheid te genieten, zonder onderscheid naar ras, godsdienst, politieke overtuiging, economische of sociale situatie;

AF.  overwegende dat autoriteiten de rechten van kinderen die van een of beide ouders zijn gescheiden, moeten eerbiedigen, overeenkomstig het VN‑Verdrag inzake de rechten van het kind;

AG.  overwegende dat geweld tegen en illegale vervolging van minderheden, waaronder LGBTI's, op vele plaatsen in de wereld blijven voortduren en dat discriminatie op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs, werkgelegenheid en andere domeinen schering en inslag is;

AH.  overwegende dat er van over de hele wereld nog steeds meldingen komen van schendingen van burgerrechten, politieke, economische, sociale en culturele rechten, alsook van milieuschade als gevolg van wanpraktijken van een aantal actoren uit de particuliere sector; overwegende dat er een duidelijk verband bestaat tussen corruptie, belastingontduiking, illegale kapitaalstromen en schendingen van de mensenrechten;

AI.  overwegende dat de VN‑richtsnoeren inzake bedrijfsleven en mensenrechten betrekking hebben op alle landen en op alle ondernemingen, of deze nu transnationaal zijn of niet, onafhankelijk van hun omvang, sector, locatie, eigenaars en structuur, maar dat doeltreffende controle- en sanctiemechanismen een uitdaging blijven bij de mondiale tenuitvoerlegging van de VN‑richtsnoeren; overwegende dat terdege rekening moet worden gehouden met de specifieke kenmerken van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) en dat een flexibele aanpak ten aanzien van maatschappelijk verantwoord ondernemen moet worden gekozen die is aangepast aan hun mogelijkheden;

AJ.  overwegende dat de Commissie in oktober 2015 haar nieuwe handelsstrategie "Handel voor iedereen" heeft gepubliceerd, waarin zij haar streven te kennen geeft om handel te gebruiken als middel om de mensenrechten in derde landen te bevorderen;

AK.  overwegende dat de EU in 2015 is begonnen met het uitwerken van regelgeving om de handel in mineralen die conflicten in de hand werkt aan te pakken;

AL.  overwegende dat de organisatie van nationale en internationale sportevenementen als de Olympische Spelen en de wereldkampioenschappen voetbal niet mag worden gebruikt voor politieke doeleinden, maar moet verlopen aan de hand van een volledige eerbiediging van alle mensenrechten, zoals verankerd in het Olympisch Handvest, en dat deze evenementen gericht moeten zijn op een harmonieuze ontwikkeling van de mensheid, met het oog op de bevordering van een vreedzame samenleving waarin de bescherming van de mensenrechten en de menselijke waardigheid hoog op de agenda staan, zonder discriminatie op basis van gronden als nationaliteit, ras, godsdienst, politieke voorkeur, geslacht, genderidentiteit, seksuele gerichtheid of geslachtskenmerken;

AM.  overwegende dat de klimaatverandering de meest fundamentele mensenrechten aantast, zoals de toegang tot water, natuurlijke hulpbronnen en voedsel;

Een centrale plaats voor de mensenrechten in het externe beleid van de EU

1.  toont er zich uiterst bezorgd over dat de bevordering en eerbiediging van mensenrechten en democratische waarden wereldwijd onder druk staan en dat de universaliteit van de mensenrechten ernstig in twijfel wordt getrokken in vele delen van de wereld, waaronder in autoritaire regimes en door terroristische groeperingen als Da'esh;

2.  uit zijn diepe bezorgdheid over de talloze en steeds toenemende pogingen om de ruimte van het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenverdedigers in te perken, over de toenemende beperkingen op de vrijheid van vergadering en meningsuiting, en over het stijgende aantal tegen het maatschappelijk middenveld gerichte repressieve wetten dat wereldwijd wordt aangenomen in landen als Rusland, Turkije en China, onder meer onder het mom van terrorismebestrijding (via de invoering van antiterrorismewetgeving en maatregelen met betrekking tot noodsituaties en veiligheid), aangezien zij vaak een negatief effect hebben op de mensenrechten en frequent worden misbruikt om de bevolking te onderdrukken; wijst er nogmaals op dat dergelijke wetgeving op geen enkele wijze mag worden gebruikt om de ruimte waarin organisaties uit het maatschappelijk middenveld hun activiteiten kunnen ontplooien in te perken; vraagt om dit misbruik en deze schendingen expliciet te veroordelen;

3.  benadrukt ten stelligste dat de EU zich ertoe verbindt te streven naar een GBVB en alle andere beleidsdomeinen met een externe dimensie die berusten op de bevordering van democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties, het internationaal recht inzake mensenrechten en het internationaal humanitair recht; herhaalt dat deze beginselen ook inherent zijn aan het externe optreden buiten het GBVB, bijvoorbeeld binnen het ontwikkelings- en humanitair beleid;

4.  verzoekt alle EU‑instellingen en de EU‑lidstaten zich daadwerkelijk in te zetten voor hun beloften om de democratie en de rechtsstaat te bevorderen, de mensenrechten en fundamentele vrijheden, waaronder het recht om zich op vreedzame wijze te ontwikkelen, te beschermen en te verwezenlijken, en de mensenrechten centraal te stellen in de EU‑betrekkingen met alle derde landen – met inbegrip van de strategische partners van de EU – en op alle niveaus;

5.  richt zich nogmaals tot de lidstaten om het goede voorbeeld te geven, door met één stem te spreken ter verdediging van de ondeelbaarheid, onderlinge afhankelijkheid, onderlinge samenhang en universaliteit van de mensenrechten, en vooral door alle internationale door de VN vastgestelde mensenrechteninstrumenten te ratificeren;

6.  benadrukt dat de EU, als ze in externe betrekkingen een geloofwaardige speler wil zijn, moet zorgen voor een betere samenhang tussen haar intern en extern beleid met betrekking tot mensenrechten en democratische waarden (waarbij mensenrechtenstrategieën om de rechten van LGBTI's te bevorderen en te beschermen van cruciaal belang zijn) en moet streven naar een systematisch consistente en coherente tenuitvoerlegging van het EU‑mensenrechtenbeleid;

7.  vestigt de aandacht op zijn verbintenis op lange termijn om de mensenrechten te bevorderen en de democratische waarden uit te dragen, zoals onder meer blijkt uit de jaarlijkse uitreiking van de Sacharovprijs voor de vrijheid van denken, het werk van de Subcommissie mensenrechten op het gebied van democratieondersteuning en verkiezingswaarnemingen en van het Europees Fonds voor Democratie, de maandelijkse plenaire debatten en resoluties over gevallen waarin de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat geschonden zijn en de vele parlementaire delegaties;

8.  is diep verontrust door het grote aantal mensenrechtenverdedigers dat tegenwoordig onder vuur ligt; verzoekt de EU, en de VV/HV in het bijzonder, een beleid vast te stellen om moord op mensenrechtenverdedigers stelselmatig en op ondubbelzinnige wijze te veroordelen, net als elke poging om hen te onderwerpen aan allerlei vormen van geweld, vervolging, bedreiging, intimidatie, verdwijning, gevangenneming of willekeurige arrestatie, om zich krachtig uit te spreken tegen al wie dergelijke wreedheden begaat of laat gebeuren, en om intensiever aan publieksdiplomatie te doen, waarbij mensenrechtenverdedigers klaar en duidelijk worden gesteund, ook wanneer deze in multilaterale fora komen getuigen; verzoekt de EU voor dit beleid richtsnoeren aan te reiken, aangezien dit de samenhang bevordert van de huidige EU‑prioriteiten zoals uiteengezet in de verschillende bestaande EU‑richtsnoeren; spoort de EU‑delegaties en de diplomatieke vertegenwoordigingen van de lidstaten aan mensenrechtenverdedigers actief te blijven steunen, in het bijzonder door op stelselmatige wijze toe te zien op processen, opgesloten mensenrechtenverdedigers te bezoeken en in voorkomend geval verklaringen af te leggen over individuele zaken; roept op tot het opzetten van een systeem voor effectief toezicht op de ruimte voor het maatschappelijk middenveld met duidelijke benchmarks en indicatoren; wijst nogmaals op het belang van het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR), dat dringende rechtstreekse financiële en materiële bijstand verleent aan mensenrechtenverdedigers die gevaar lopen, en van het noodfonds, dat de EU‑delegaties in staat stelt om rechtstreeks ad‑hoctoelagen te verstrekken aan mensenrechtenverdedigers die voor hun leven vrezen;

9.  verzoekt de EU en haar lidstaten om de oprichting van nationale mensenrechteninstellingen (NHRI's) te bevorderen, in overeenstemming met de VN‑beginselen van Parijs, met een toereikend mandaat en afdoende middelen en deskundigheid om de mensenrechten te kunnen vrijwaren en de eerbiediging ervan te kunnen verzekeren;

10.  wijst erop dat de interparlementaire betrekkingen tussen de Unie en haar partnerlanden moeten worden gestimuleerd binnen het kader van een oprechte dialoog op basis van wederzijds begrip en vertrouwen, met als doel de mensenrechten op doeltreffende wijze te bevorderen;

Het strategisch kader en het nieuwe actieplan van de EU inzake mensenrechten en democratie

11.  is verheugd over de aanneming van het tweede EU‑actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015‑2019) en dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan om de maatregelen die erin vervat zitten volledig, op consistente en transparante wijze en tijdig uit te voeren en democratieondersteuning verder te versterken; onderstreept dat consensus en coördinatie tussen de EU en haar lidstaten nodig zijn om een samenhangende tenuitvoerlegging van het actieplan te verzekeren en spoort de lidstaten ertoe aan de tenuitvoerlegging en evaluatie van het actieplan meer in handen te nemen; benadrukt dat de lidstaten verslag moeten uitbrengen over de manier waarop ze het actieplan hebben uitgevoerd;

12.  benadrukt dat de EU voor het verwezenlijken van de ambitieuze doelstellingen uit het tweede actieplan in voldoende middelen en deskundigheid moet voorzien, zowel wat betreft specifiek personeel voor delegaties, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) als beschikbare middelen voor projecten;

13.  beschouwt een vrije burgermaatschappij als één van de fundamenten voor de bescherming en ondersteuning van mensenrechten en democratische waarden en is daarom verontrust over de inperking van de openbare ruimte voor het maatschappelijk middenveld en over de toenemende aanvallen op mensenrechtenverdedigers en journalisten wereldwijd; is ingenomen met de opname van een doelstelling om de druk op de bewegingsruimte van het maatschappelijk middenveld aan te pakken en dringt er bij de EU op aan om duidelijk afgelijnde maatregelen te treffen; spoort alle partijen die betrokken zijn bij het extern optreden van de EU aan bestaande hiaten op het vlak van de bescherming van de mensenrechten en de democratische vrijheden op te sporen en aan te pakken, en intensiever samen te werken met het maatschappelijk middenveld, parlementen, politieke partijen en plaatselijke overheden en met regionale en internationale organisaties op het terrein; vestigt de aandacht op het feit dat het actieplan geen afzonderlijke doelstelling bevat voor de bevordering van democratische normen in partnerlanden; verzoekt de Commissie EU‑richtsnoeren voor democratieondersteuning uit te werken;

Jaarverslag van de EU

14.  is ingenomen met de pogingen om het thematisch onderdeel van het jaarverslag over mensenrechten en democratie te verbeteren, beknopter en systematischer te maken en het breder beschikbaar te maken voor het grote publiek; herhaalt zijn overtuiging dat het jaarverslag krachtiger moet worden door een objectievere benadering, waarbij in het verslag naast verwezenlijkingen en beste praktijken ook zeer specifieke problemen en beperkingen aan bod komen waarmee men in derde landen is geconfronteerd, en er in het verslag ook aanbevelingen worden gedaan voor corrigerende maatregelen en informatie wordt gegeven over maatregelen van de EDEO om deze problemen te verhelpen; blijft bij zijn standpunt dat de landenverslagen die deel uitmaken van het jaarverslag zo weinig mogelijk beschrijvend moeten zijn, een beeld moeten geven van de uitvoering van de landenstrategieën voor mensenrechten en democratie en een overzicht moeten bieden van de gevolgen die de acties van de EU op het terrein hebben;

15.  herhaalt zijn oproep om stelselmatig en uitgebreid verslag uit te brengen over de getroffen maatregelen, de bereikte resultaten en de politieke conclusies naar aanleiding van acties die voortvloeien uit resoluties van het Parlement over gevallen van schending van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat; dringt erop aan dat inbreuken op de mensenrechten een snelle en passende reactie krijgen, zelfs in de beginfase van dergelijke schendingen; is in dat opzicht ingenomen met de follow‑up door de EDEO, binnen de Subcommissie mensenrechten, van resoluties inzake debatten over gevallen van schending van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat; verzoekt nogmaals om een uitvoerig schriftelijk antwoord van de Commissie en de EDEO op de resolutie van het Parlement betreffende het jaarverslag over mensenrechten en democratie, aangezien dit van belang is voor een systematische en diepgaande follow‑up van alle punten die door het Parlement aan de orde zijn gesteld, alsook voor het parlementaire toezicht; verzoekt de VV/HV nogmaals tijdens twee plenaire zittingen per jaar in debat te gaan met de leden van het Europees Parlement, de eerste maal op het moment dat het EU‑jaarverslag wordt voorgesteld, en de tweede maal in een reactie op het verslag van het Parlement;

Speciale vertegenwoordiger van de EU (SVEU) voor de mensenrechten

16.  wijst nogmaals op het belang van een krachtiger en flexibeler mandaat voor de SVEU om de doeltreffendheid, samenhang en zichtbaarheid van de EU in het uitdragen van mensenrechten en democratische beginselen over de hele wereld te verbeteren; roept er nogmaals toe op om hier een permanent mandaat van te maken; is bovendien van mening dat de SVEU het recht moet hebben in het openbaar te spreken en dat hij initiatiefrecht, meer zichtbaarheid en passende middelen en deskundigheid dient te krijgen;

17.  benadrukt het belang van systematische steun voor het maatschappelijk middenveld, in combinatie met oprecht en diepgaand overleg, als voorbereiding op de bezoeken van de SVEU aan partnerlanden; is in dat opzicht verheugd dat de SVEU hechte contacten onderhoudt met mensenrechtenverdedigers en het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van plaatselijke vertegenwoordigers, jongeren en kinderen, alsook met betrokken internationale organisaties, voorafgaand aan, tijdens en bij de follow-up van een bezoek aan een derde land, en benadrukt hoe belangrijk het is dat deze banden in stand worden gehouden en steeds hechter worden en dat er duidelijke en transparante follow‑upmechanismen nodig zijn; schaart zich volledig achter de keuze van de SVEU om zich tijdens zijn mandaat bij wijze van centrale prioriteit te concentreren op de bevordering en bescherming van een open ruimte voor het maatschappelijk middenveld en voor mensenrechtenverdedigers; verzoekt de SVEU om na zijn bezoeken op regelmatige basis verslag uit te brengen aan het Parlement; betreurt dat de werkzaamheden en de impact van de SVEU slechts gedeeltelijk toegankelijk zijn via een evaluatie van het jaarverslag over mensenrechten, zijn accounts op sociale media en beschikbare toespraken; betreurt tevens dat er geen officiële informatie over zijn activiteiten en plannen, noch voortgangsverslagen of evaluaties beschikbaar zijn;

18.  spoort de SVEU ertoe aan om systematisch te blijven pleiten voor de mensenrechtenprioriteiten van de EU en om het engagement van de EU bij alle relevante regionale en internationale mensenrechtenorganisaties en ‑mechanismen te vergroten; verzoekt de Raad er een algemeen beginsel van te maken om in het mandaat van de toekomstige geografische SVEU's systematisch op te nemen dat moet worden samengewerkt met de SVEU voor de mensenrechten;

Landenstrategieën inzake mensenrechten en democratie en de rol van EUdelegaties

19.  is verheugd dat democratie werd toegevoegd aan de landenstrategieën inzake mensenrechten, als noodzakelijk element van elke uitgebreide analyse van de situatie op het gebied van mensenrechten en democratie in partnerlanden;

20.  wijst er nogmaals op hoe belangrijk het is om op alle niveaus van beleidsvorming ten aanzien van derde landen rekening te houden met deze landenstrategieën, onder meer bij de voorbereiding van politieke dialogen op hoog niveau, mensenrechtendialogen, landenstrategiedocumenten en jaarlijkse actieprogramma's;

21.  herhaalt dat er overeenstemming moet zijn tussen de landenstrategieën inzake mensenrechten en democratie en EU‑maatregelen die in elk land naargelang van de specifieke situatie zullen worden genomen, en dat de landenstrategieën meetbare voortgangsindicatoren dienen te bevatten die in voorkomend geval kunnen worden aangepast; wijst erop dat de landenstrategieën permanent moeten worden beoordeeld; dringt aan op een verdere verbetering van de samenwerking, communicatie en uitwisseling van gegevens tussen EU‑delegaties, ambassades van de lidstaten en EU‑instellingen bij het opstellen en uitvoeren van de landenstrategieën; herhaalt zijn eis dat de leden van het Europees Parlement toegang moeten krijgen tot de landenstrategieën en informatie moeten krijgen over de manier waarop de EU deze strategieën ten uitvoer legt en dat deze moeten worden aangeboden in een vorm die de leden ertoe in staat stelt hun controletaak naar behoren uit te voeren;

22.  wijst op de noodzaak van een samenhangend en zichtbaar EU‑beleid inzake het maatschappelijk middenveld en van een duidelijker begrip met betrekking tot het gebruik van publieksdiplomatie; pleit ervoor om landenstrategieën inzake mensenrechten en democratie en stappenplannen te publiceren en werk te maken van effectieve feedback, follow‑up van zaken en informatie-uitwisseling;

23.  is ingenomen met de aanwijzing van contactpunten voor de mensenrechten en/of genderkwesties in alle EU‑delegaties en wijst nogmaals op zijn aanbeveling aan de VV/HV en de EDEO om duidelijke operationele richtsnoeren uit te werken in verband met de rol van contactpunten voor de mensenrechten; dringt erop aan dat het werk van de contactpunten voor de mensenrechten ook wordt ondersteund door het diplomatieke personeel van de lidstaten; verzoekt dat het werk van de contactpunten voor de mensenrechten onafhankelijk en vrij is van politieke inmenging en intimidatie door nationale autoriteiten van derde landen, met name in hun contacten met mensenrechtenactivisten en het maatschappelijk middenveld; staat erop dat al het personeel van EU‑delegaties opleiding krijgt over de inhoud van de EU‑richtsnoeren over mensenrechten;

24.  is verheugd over de toegenomen begroting en de gestroomlijnde procedures van het EIDHR voor de periode 2014‑2020 en dringt erop aan dat de geplande toewijzing voor de tussentijdse evaluatie van het EIDHR blijft behouden voor de rest van het huidig meerjarig financieel kader; wijst nogmaals op de noodzaak van samenhang en complementariteit tussen de verschillende financieringsinstrumenten van de EU, en herhaalt dat alle instrumenten die de mensenrechten dienen op deze wijze moeten worden versterkt;

25.  dringt aan op een jaarlijkse goedkeuring van jaarlijkse actieprogramma's voor het EIDHR in plaats van, zoals onlangs nog, een tweejaarlijks goedkeuring (2016‑2017), om maximale flexibiliteit te waarborgen in reactie op veranderende situaties en optimale complementariteit te garanderen met de andere EU‑financieringsinstrumenten voor het externe optreden;

Mensenrechtendialogen en overleg

26.  spreekt nogmaals zijn steun uit voor specifieke mensenrechtendialogen en stelt vast dat ze een efficiënt en doeltreffend instrument voor bilaterale betrekkingen en samenwerking kunnen zijn, op voorwaarde dat beide partijen de mogelijkheid krijgen inhoudelijke kwesties aan te snijden en politieke boodschappen van betekenis over te brengen, dat deze dialogen resultaatgericht zijn en een consequente follow‑up krijgen en dat hierin niet louter informatie wordt uitgewisseld over beste praktijken en problemen; verzoekt de EU om in alle mensenrechtendialogen systematisch discussies op te nemen over de situatie van de rechten van vrouwen en kinderen;

27.  is zich ervan bewust dat het belangrijk is ook met landen die gekenmerkt worden door ernstige mensenrechtenproblemen specifieke mensenrechtendialogen aan te gaan; onderstreept echter dat de EU duidelijke politieke conclusies moet trekken wanneer deze mensenrechtendialogen niet de verhoopte resultaten opleveren; waarschuwt ervoor discussies over mensenrechten niet op het tweede plan te schuiven in politieke dialogen op hoog niveau;

28.  benadrukt dat discussies over mensenrechten nooit ondergeschikt mogen zijn aan andere belangen in politieke discussies op hoog niveau; herhaalt zijn oproep aan het adres van de EDEO om een mechanisme te ontwikkelen voor het evalueren van mensenrechtendialogen, met als doel ze te kunnen verbeteren; is van mening dat alternatieve instrumenten ter ondersteuning van de bevordering van mensenrechten moeten worden gebruikt indien deze dialogen in een bepaald land voortdurend mislukken;

29.  spoort de EDEO aan stelselmatig voorbereidende dialogen te voeren met het maatschappelijk middenveld, ook op lokaal niveau, met als doel deze rechtstreeks te laten doorsijpelen in de mensenrechtendialogen; benadrukt hoe belangrijk het is dat de VV/HV en de EDEO individuele zaken van mensenrechtenverdedigers systematisch aankaarten tijdens mensenrechtendialogen; verzoekt de EDEO stelselmatig na te gaan of de toezeggingen die tijdens mensenrechtendialogen zijn gedaan ook worden nagekomen en om systematisch bijeen te komen met organisaties uit het maatschappelijk middenveld om hen op de hoogte te houden;

EU-richtsnoeren inzake mensenrechten

30.  is verheugd over de EU‑richtsnoeren inzake mensenrechten als een waardevol EU‑instrument van het buitenlands beleid inzake mensenrechten waarin praktische aanwijzingen zijn opgenomen voor EU‑delegaties en de diplomatieke vertegenwoordigingen van de lidstaten; herhaalt zijn oproep om onverwijld nieuwe EU‑richtsnoeren voor de bevordering en bescherming van de rechten van het kind aan te nemen;

31.  wijst er met klem op hoe belangrijk het is de uitvoering van de richtsnoeren voortdurend te evalueren aan de hand van duidelijke benchmarks; dringt er bij de Commissie op aan om een grondige evaluatie van de toepassing van de richtsnoeren door EU‑delegaties en diplomatieke vertegenwoordigingen van de lidstaten in alle derde landen uit te voeren en te publiceren om mogelijke verschillen en lacunes in de toepassing ervan op te sporen en te verhelpen; is van mening dat het personeel van de EDEO en de EU‑delegaties stelselmatig en op doeltreffende wijze moet worden opgeleid om ervoor te zorgen dat de richtsnoeren naar behoren worden toegepast;

De strijd tegen alle vormen van discriminatie

32.  veroordeelt alle vormen van discriminatie in de meest krachtige bewoordingen, met inbegrip van discriminatie op grond van ras, kleur, geslacht, seksuele geaardheid, genderidentiteit, taal, cultuur, godsdienst of overtuiging, sociale afkomst, kaste, geboorte, leeftijd, handicap of gelijk welke andere status; herhaalt zijn oproep voor een sterker Europees beleid en krachtigere Europese diplomatie die erop gericht zijn alle vormen van discriminatie uit te bannen en elke gelegenheid te baat te nemen om zich ernstig bezorgd te tonen over dergelijke discriminatie; dringt er bij de EU voorts op aan te blijven ijveren voor de ratificatie en volledige tenuitvoerlegging van alle relevante VN‑Verdragen, zoals het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie en het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap; is verheugd over het werk van de EDEO met betrekking tot het opstellen van een antidiscriminatiehandboek;

Missies en operaties van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB)

33.  brengt de belofte van de EU in herinnering om mensenrechten- en genderaspecten te integreren in missies van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, overeenkomstig de cruciale resoluties 1325 en 1820 van de VN‑Veiligheidsraad betreffende vrouwen, vrede en veiligheid en de recent aangenomen resolutie 2242 van de VN‑Veiligheidsraad waarin vrouwen een centrale rol toebedeeld krijgen in alle inspanningen voor het aanpakken van wereldwijde problemen; herhaalt in dit verband zijn oproep aan de EU en haar lidstaten om in het proces van de totstandbrenging van duurzame verzoening de stelselmatige deelname van vrouwen als essentieel onderdeel van een vredesproces te ondersteunen; verzoekt de EU in dit verband om op internationaal niveau te ijveren voor de erkenning van de toegevoegde waarde van de deelname van vrouwen aan de preventie en oplossing van conflicten, alsook aan vredeshandhaving, humanitaire hulpverlening en wederopbouw na afloop van conflicten;

34.  benadrukt dat het GVDB een instrument is dat niet alleen de Europese veiligheid waarborgt, maar ook deel uitmaakt van de instrumenten voor het buitenlands beleid van de EU en derhalve moet worden gebruikt de mensenrechten en democratie in derde landen nog meer te bevorderen;

35.  dringt aan op een verdere Europese militaire integratie om de paraatheid en flexibiliteit van de Europese strijdkrachten te verbeteren, zodat ze kunnen reageren op dreigingen en in gevallen van ernstige schendingen van de mensenrechten, genocide of etnische zuiveringen; benadrukt in dit verband dat het concept "verantwoordelijkheid om te beschermen" moet worden geconsolideerd in het internationaal recht en dat de EU, als gemeenschap van waarden, de leiding moet nemen bij initiatieven en zinvolle acties om burgers te beschermen, ook wanneer zij worden bedreigd door hun eigen staat;

36.  onderstreept dat migrantensmokkel verband houdt met mensenhandel en een ernstige schending vormt van de rechten van de mens; herinnert eraan dat het opzetten van missies, zoals de militaire operatie van de Europese Unie in het zuidelijke deel van het centrale Middellandse Zeegebied (EUNAVFOR MED operation SOPHIA), een doeltreffende methode is om migrantensmokkel te bestrijden; verzoekt de Unie dit soort operaties voort te zetten en te intensiveren;

37.  verzoekt de Raad Buitenlandse Zaken en de VV/HV de hoofden van EU‑missies en bevoegde EU‑vertegenwoordigers (hoofden van civiele EU‑operaties, bevelhebbers van militaire EU‑operaties en speciale EU‑vertegenwoordigers) te vragen gevallen van ernstige schending van het IHR te melden en te ijveren voor het volgen van de gedragscode met betrekking tot maatregelen van de Veiligheidsraad tegen genocide, misdaden tegen de menselijkheid of oorlogsmisdaden, waarmee de VN‑lidstaten zich ertoe verbinden het optreden van de Veiligheidsraad ter voorkoming of beëindiging van dergelijke misdaden te steunen; dringt erop aan om in alle civiele en militaire operaties van de EU waarbij sprake is van contact met kinderen beleidsmaatregelen voor de bescherming van kinderen te integreren;

38.  vraagt dat de EU intensiever samenwerkt met de VN in de context van het formuleren van een gemeenschappelijke strategische visie op veiligheid op basis van de nieuwe mondiale strategie van de EU voor buitenlands en veiligheidsbeleid enerzijds en de evaluatie van de VN van de eigen vredesoperaties en architectuur voor vredesopbouw anderzijds; staat erop dat er met de VN wordt samengewerkt voor het versterken van de rol en de capaciteit van regionale en subregionale organisaties met betrekking tot vredeshandhaving, conflictpreventie, civiel en militair crisisbeheer en conflictoplossing, en dat procedures om het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid in te schakelen ter ondersteuning van VN‑operaties, onder meer door de inzet van EU‑gevechtstroepen of door capaciteitsopbouw en initiatieven in het kader van de hervorming van de veiligheidssector, verder worden uitgewerkt, terwijl mensenrechten en gender worden geïntegreerd in de werkzaamheden van de missie en de operatie;

Multilateraal engagement voor de mensenrechten

39.  stelt nogmaals klaar en duidelijk dat alle door VN‑verdragen beschermde mensenrechten universeel, ondeelbaar, van elkaar afhankelijk en met elkaar verbonden zijn, zoals overeengekomen in de verklaring en het actieprogramma van Wenen van 1993, en dat de eerbiediging van deze rechten moet worden afgedwongen; wijst nogmaals op de verbintenis van de Unie om in het kader van de VN internationaal recht te bevorderen en uit te werken; benadrukt dat het belangrijk is dat de lidstaten alle door de VN vastgestelde internationale mensenrechteninstrumenten ratificeren, met inbegrip van de instrumenten die verankerd zijn in het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en met name in het facultatief protocol houdende de vaststelling van klachten- en onderzoeksmechanismen, in overeenstemming met artikel 21 VEU;

40.  onderstreept de noodzaak van EU‑leiderschap om aan te dringen op hervormingen van de VN met het oog op het versterken van de impact en de kracht van het op regels gebaseerde multilaterale stelsel en het zorgen voor een efficiëntere bescherming van de mensenrechten en de bevordering van het internationaal recht; herhaalt voorts hoe belangrijk het is te waarborgen dat de EU actief en consequent deelneemt aan de mensenrechtenmechanismen van de VN, met name de Derde Commissie, de Algemene Vergadering (AVVN) en de UNHRC, teneinde de geloofwaardigheid van de EU te vergroten; steunt de inspanningen van de EDEO, de EU‑delegaties in New York en Genève en de lidstaten om de samenhang van het EU‑standpunt inzake mensenrechtenkwesties binnen de VN verder te vergroten; spoort de EU aan de praktijk van regio-overschrijdende initiatieven te intensiveren, op te treden als initiatiefnemer en mede-indiener van resoluties en nauw toe te zien op de procedure van de universele periodieke doorlichting (UPR); veroordeelt het feit dat in de UNHRC vaak landen zitting nemen waarvan bewezen is dat zij verantwoordelijk zijn voor ernstige mensenrechtenschendingen en verzoekt de EU‑lidstaten hun stemgedrag in de UNHRC openbaar te maken; verzoekt de EU en haar lidstaten in dit verband ervoor te zorgen dat het gelijke belang van rechten zichtbaar is in hun stemgedrag en zich bij de stemming over UNHRC-resoluties te baseren op de inhoud in plaats van op de indieners van deze teksten; onderstreept het belang en de noodzaak van een permanente vertegenwoordiging van de EU in alle multilaterale fora en van een grotere zichtbaarheid voor het optreden van de EU;

41.  verzoekt de EU bijzondere aandacht te besteden aan de omstreden gebieden van haar oostelijk nabuurschap, waar ongeveer vijf miljoen mensen leven zonder daadwerkelijke bescherming van hun mensenrechten en zonder toegang tot de rechter; verzoekt de EU deze kwestie bovenaan de bilaterale agenda te plaatsen om oplossingen te vinden met de betrokken staten, en gebruik te maken van haar volledige arsenaal aan instrumenten om concrete oplossingen te ondersteunen om de mensenrechten in deze entiteiten te bevorderen en er het werk van mensenrechtenverdedigers te steunen;

Bevordering van een vrije ruimte voor het maatschappelijk middenveld en ondersteuning van mensenrechtenverdedigers

42.  spreekt zijn krachtige veroordeling uit van aanvallen, intimidatie, arrestaties, moord, pesterijen of onderdrukking ten aanzien van aanklagers, rechters, advocaten, academici en journalisten of van leden van andere beroepsgroepen die qua onafhankelijkheid en professionele vrijheid van essentieel belang zijn voor het opbouwen van een democratische samenleving;

43.  betreurt het toenemende aantal aanvallen tegen milieuactivisten en mensenrechtenverdedigers overal ter wereld; verzet zich hevig tegen straffeloosheid met betrekking tot moord op deze mensen en verzoekt de EDEO zich te scharen achter eisen om de verantwoordelijken voor het gerecht te brengen;

44.  veroordeelt ten stelligste dat er de laatste tijd in vele landen over de hele wereld strikte ngo-wetgeving is ingevoerd die tot een verzwakking van het maatschappelijk middenveld leidt en zich leent tot willekeurige toepassing, met straffen zoals vrijheidsberoving, de bevriezing van activa en een inreisverbod voor ngo-personeel, met name ten aanzien van ngo's die financiering van buitenlandse overheden ontvangen;

45.  veroordeelt ten stelligste dat autoriteiten reisverboden opleggen als middel om de onafhankelijke stemmen van mensenrechtenverdedigers en activisten, advocaten en journalisten het zwijgen op te leggen en benadrukt dat deze maatregelen vaak willekeurig en zonder gerechtelijke motivering worden genomen;

46.  beklemtoont de rol van EU‑delegaties bij het opnieuw bekrachtigen en bevorderen van de cruciale rol van het maatschappelijk middenveld in een democratie en bij het scheppen van een gunstig klimaat voor het maatschappelijk middenveld en vraagt hen zoveel mogelijk transparantie aan de dag te leggen en naar inclusie te streven in hun samenwerking met organisaties uit het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenverdedigers; betreurt daarom dat tien jaar na de goedkeuring van de EU‑richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers de contactgegevens van contactpunten voor de mensenrechten / verbindingsfunctionarissen voor mensenrechtenverdedigers nog steeds niet op alle websites van EU‑delegaties terug te vinden zijn;

47.  verzoekt de VV/HV en de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU om in de agenda van de Raad Buitenlandse Zaken op regelmatige basis plaats te maken voor een debat over de inspanningen van de EU ten aanzien van de vrijlating van mensenrechtenverdedigers, hulpverleners, journalisten, politieke activisten en anderen, en om jaarlijks een openbare vergadering van de Raad Buitenlandse Zaken te organiseren, waarin de steeds kleiner wordende ruimte voor het maatschappelijk middenveld en de gevangenneming van mensenrechtenverdedigers op de agenda staan, alsook om deze zaken bij elke gelegenheid ter sprake te brengen in contacten met de desbetreffende gesprekspartners, met inbegrip van de zaken die aan bod komen in resoluties van het Parlement naar aanleiding van debatten over schendingen van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat;

48.  verzoekt de internationale gemeenschap politieke leiders voor het gerecht te brengen indien zij zich schuldig maken aan machtsmisbruik door het stelselmatig inzetten van het politie- en militaire apparaat om stemmen van verzet tegen (het verlengen van) hun leiderschap het zwijgen op te leggen;

Migranten, vluchtelingen, asielzoekers en intern ontheemden (IDP's)

49.  verklaart zich solidair met de vluchtelingen en migranten die in groten getale te lijden hebben onder ernstige schendingen van de mensenrechten als slachtoffer van conflicten, bestuurlijke tekortkomingen en netwerken voor mensenhandel; spreekt zijn afkeuring uit over het dramatisch aantal personen dat de dood heeft gevonden op de Middellandse Zee; is uiterst bezorgd over het toenemende aantal mensenrechtenschendingen ten aanzien van vluchtelingen, irreguliere migranten en asielzoekers op weg naar Europa; benadrukt dat de vrouwen en kinderen onder de vluchtelingen, asielzoekers en migranten zonder papieren bijzonder kwetsbaar zijn op migratieroutes en in de EU zelf; doet een dringende oproep tot het nemen van maatregelen om de samenhang in het migratiebeleid te verbeteren en benadrukt dat er behoefte is aan een holistische benadering om duurzame en coherente oplossingen voor de lange termijn te vinden die berusten op internationale normen en beginselen inzake mensenrechten en waarmee de onderliggende oorzaken van de vluchtelingencrisis worden aangepakt; onderstreept dat er solidariteit nodig is om migranten en vluchtelingen te beschermen, in overeenstemming met op mensenrechten gebaseerd EU‑beleid; benadrukt in dit verband hoe belangrijk het is een onderscheid te maken tussen vluchtelingen en migranten;

50.  onderstreept dat conflicten, oorlogen, falend bestuur en het gebrek aan eerbiediging van de mensenrechten en democratie belangrijke oorzaken zijn van migratie en ontheemding; benadrukt dat gastlanden moeten zorgen voor een volledige toegang tot gratis, openbare en kwaliteitsvolle dienstverlening voor onderwijs en gezondheidszorg, met inbegrip van de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, toegang tot de arbeidsmarkt en tot huisvesting die voldoet aan de behoeften van vluchtelingen; beklemtoont dat de bereidheid van migranten en vluchtelingen om te integreren, in combinatie met een geschikt welzijnsbeleid, van wezenlijk belang is voor integratie; verzoekt de EU meer inspanningen te leveren om Libanon en Jordanië te ondersteunen, aangezien deze twee landen een ongezien aantal vluchtelingen opvangen die vaak te maken krijgen met meervoudige bedreigingen;

51.  benadrukt dat het noodzakelijk is de samenwerking met landen van herkomst en doorreislanden te versterken ter bevordering van een gestructureerd beheer van migratiestromen en van maatregelen om de onderliggende oorzaken van emigratie aan te pakken; onderstreept dat het cruciaal is de strijd aan te gaan met groepen die zich bezighouden met migrantensmokkel; wijst erop dat de EU de betrokken landen moet aansporen het Protocol van Palermo tegen migrantensmokkel te ondertekenen; herinnert aan de verbintenissen waarover op de top van Valletta overeenstemming is bereikt;

52.  benadrukt dat er dringend behoefte is aan de ontwikkeling en invoering van een uitgebreid, samenhangend en goed gecoördineerd gemeenschappelijk Europees asielstelsel waarin de verantwoordelijkheid wordt verdeeld over de lidstaten;

53.  verzoekt de EU en de lidstaten volledige transparantie aan de dag te leggen met betrekking tot de middelen die aan derde landen worden toegekend voor de samenwerking op het gebied van migratie, en mee te delen welke waarborgen zijn vastgesteld om ervoor te zorgen dat veiligheidsdiensten, politiediensten en rechtsstelsels die betrokken zijn bij mensenrechtenschendingen niet direct of indirect voordeel halen uit een dergelijke samenwerking;

54.  neemt kennis van het recente Commissievoorstel voor een EU‑lijst van veilige landen van herkomst, tot wijziging van de richtlijn asielprocedures;

55.  onderkent dat de doeltreffendheid van het terugkeerstelsel van de Unie voor verbetering vatbaar is, in aanmerking genomen dat in 2014 slechts 36 % van de onderdanen van derde landen die de Unie moesten verlaten daadwerkelijk is teruggekeerd;

56.  is van oordeel dat er in plaats van bilaterale overeenkomsten tussen lidstaten en derde landen beter nieuwe EU‑overnameovereenkomsten zouden worden gesloten om ervoor te zorgen dat overnames doeltreffender verlopen en de coherentie van het terugkeerbeleid op Europees niveau wordt gewaarborgd;

57.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te waarborgen dat de tenuitvoerlegging van de terugkeerrichtlijn gepaard gaat met naleving van de procedures, normen en fundamentele mensenrechten die de EU in staat stellen een humane en waardige behandeling van teruggekeerde migranten te waarborgen, in overeenstemming met het beginsel van non‑refoulement; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan om bijzondere aandacht te besteden aan asielaanvragen die verband houden met mogelijke politieke vervolging, om te voorkomen dat personen worden teruggestuurd die mogelijk te maken kunnen krijgen met een schending van de mensenrechten in hun land van herkomst of in een derde land;

58.  herhaalt zijn verzoek aan de EU om ervoor te zorgen dat alle overeenkomsten op het gebied van migratie, samenwerking en overname met landen buiten de EU stroken met de internationale mensenrechten, het vluchtelingenrecht en het internationaal zeerecht, alsook met de beginselen en waarden van de EU; verzoekt de lidstaten het internationale beginsel van non‑refoulement in acht te nemen, in overeenstemming met het internationaal recht; vraagt dat toezichtsmechanismen zodanig worden geïntegreerd dat kan worden beoordeeld wat de gevolgen voor de mensenrechten zijn van samenwerking op het gebied van migratie met landen buiten de EU en van maatregelen inzake grenscontrole; dringt erop aan dat de mensenrechten in alle activiteiten van Frontex worden geïntegreerd en bewaakt; verzoekt de EU actief deel te nemen aan het debat over de term "klimaatvluchteling", met inbegrip van een mogelijke juridische definitie ervan in het internationaal recht;

59.  dringt bovendien aan op een clausule waarin wordt aangegeven dat deze overeenkomsten kunnen worden opgeschort totdat de partijen daadwerkelijk voldoende waarborgen bieden ten aanzien van de individuele beoordeling van asielaanvragen en, meer in het algemeen, de eerbiediging van de mensenrechten van migranten, asielzoekers en vluchtelingen;

60.  wijst er nogmaals op dat het beginsel van non-refoulement in Europese en internationale wateren moet worden nageleefd, zoals is bevestigd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en in bestaande EU‑wetgeving; herinnert aan het engagement om parallel met een betere bescherming van de buitengrenzen van de EU ook adequate legale en veilige migratiekanalen te ontwikkelen; verzoekt de Unie en de meest ontwikkelde derde landen partnerschapsovereenkomsten met andere landen te sluiten ter bevordering van gezinshereniging en mobiliteit voor alle vaardigheidsniveaus, ook de minst gekwalificeerde;

61.  verzoekt de lidstaten om het aangenomen gemeenschappelijke asielpakket en de gemeenschappelijke migratiewetgeving van de EU na te leven en volledig ten uitvoer te leggen, met name om kwetsbare asielzoekers zoals kinderen, vrouwen, ouderen en LGBTI's te beschermen tegen geweld en discriminatie tijdens de asielprocedure, en om te voorzien in passende opleiding voor de lidstaten om geschikte en redelijke procedures mogelijk te maken; verzoekt de lidstaten deel te nemen aan hervestigingsprogramma's, toegang te geven tot gezinshereniging en humanitaire visa te verlenen; benadrukt dat het belangrijk is iets te doen aan de administratieve en politieke belemmeringen voor een snelle uitvoering van de verbintenissen inzake herplaatsing; begrijpt dat de veilige terugkeer van degenen die na individuele beoordeling van hun asielaanvraag niet voor bescherming in de Unie in aanmerking komen, moet worden uitgevoerd;

62.  is diep verontrust over het groeiende aantal kinderen onder de vluchtelingen en over de situatie van kinderen zonder begeleider en kinderen die vermist of van hun familie gescheiden zijn; dringt er bij de lidstaten op aan de snelle hereniging van minderjarigen zonder begeleider met familieleden tot absolute prioriteit te verheffen; benadrukt dat het belangrijk is kinderen toegang te bieden tot gezondheidszorg en onderwijs als onderdeel van EU‑programma's om de onderliggende oorzaken van migratie aan te pakken; verzoekt de lidstaten een einde te maken aan de opsluiting van kinderen, rekening te houden met de belangen van het kind in alle procedures en te zorgen voor de bescherming van kinderen overeenkomstig het internationaal recht; wijst op het belang van het toewijzen van adequate middelen om kinderen onder de vluchtelingen en de migranten te beschermen tegen geweld, uitbuiting en misbruik; verzoekt de Commissie te waarborgen dat minderjarigen zonder begeleider niet verdwijnen en een strategie te ontwikkelen om in de toekomst te voorkomen dat minderjarige migranten zonder begeleider vermist raken op EU‑grondgebied en om vermiste kinderen terug te vinden;

63.  erkent dat LGBTI-asielzoekers tijdens hun reis en bij aankomst in het land waar zij asiel aanvragen vaak worden blootgesteld aan bijkomende gevaren in de vorm van bijvoorbeeld intimidatie, uitsluiting, seksueel geweld of andere vormen van geweld; herinnert eraan dat LGBTI's in een aantal landen die zijn aangemerkt als "veilig" voor asielzoekers worden gediscrimineerd of dat homoseksualiteit er zelfs strafbaar is; benadrukt dat kwetsbare groepen bijkomende waarborgen nodig hebben en verzoekt staten ervoor te zorgen dat LGBTI-vluchtelingen worden beschermd overeenkomstig het IHR;

64.  wijst erop dat het belangrijk is te investeren in preventieve maatregelen, en wel door de ontwikkeling van strategieën voor integratie en sociale inclusie; benadrukt dat het noodzakelijk is om specifieke programma's voor deradicalisering en re‑integratie ten uitvoer te leggen met terugkerende migranten als doelgroep;

65.  vestigt de aandacht op de problematische situatie van vluchtelingen in de buurlanden van Syrië en is van mening dat het belangrijk is dat de EU alles in het werk stelt om ervoor te helpen zorgen dat vluchtelingen in deze landen verzekerd zijn van behoorlijke leefomstandigheden, en met name van de toegang tot gezondheidszorg, onderwijs en werkgelegenheid;

66.  wijst op de dramatische situatie van intern ontheemden (IDP's), met name van het enorme aantal IDP's in Irak en Syrië, alsook het toenemende aantal IDP's in Oekraïne, die in 2015 in totaal met 1,4 miljoen waren; benadrukt dat ook het mogelijke lot van IDP's moet worden erkend en een plaats moet krijgen in programma's met betrekking tot vluchtelingen in een regio; verzoekt de Commissie, de lidstaten en de internationale gemeenschap maatregelen te nemen om hun situatie op het terrein te verbeteren en ervoor te zorgen dat ontheemden huisvesting, voedsel, gezondheidszorg en onderwijs krijgen;

67.  herinnert eraan dat alleen al in 2015 volgens het Internal Displacement Monitoring Centre (IDMC) 19,3 miljoen mensen ontheemd raakten als gevolg van milieurampen; herinnert eraan dat deze vorm van ontheemding vooral plaatsvindt in zuidelijke regio's; wijst erop dat 85 % van die ontheemdingen plaatsvindt in ontwikkelingslanden, voornamelijk binnen één land of delen van landen;

Mensenhandel

68.  verzoekt de EU de strijd tegen de mensenhandel uit te roepen tot prioriteit van het extern beleid en daarbij zowel de vraag- als de aanbodzijde van het verschijnsel aan te pakken, bijzondere aandacht te besteden aan de bescherming van slachtoffers en te zorgen voor een betere communicatie en samenwerking met de relevante spelers in de strijd tegen mensenhandel; herhaalt nogmaals dat alle lidstaten Richtlijn 2011/36/EU en de EU‑strategie voor de uitroeiing van mensenhandel ten uitvoer moeten leggen;

69.  herinnert eraan dat criminele netwerken profiteren van de toenemende migratiedruk, het gebrek aan veilige migratiekanalen en de kwetsbaarheid van migranten en vluchtelingen, met name vrouwen, meisjes en kinderen, om hen tot slachtoffer te maken van mensensmokkel, mensenhandel, slavernij en seksuele uitbuiting;

70.  dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan aandacht te besteden aan het identificeren van vluchtelingen en migranten als slachtoffers van mensenhandel of als slachtoffers van schendingen en misbruik in het kader van smokkel; dringt in deze context aan op opleidingen voor grenswachters om een zorgvuldige identificatie te kunnen waarborgen, hetgeen essentieel is voor het verwezenlijken van de rechten waarop slachtoffers wettelijk recht hebben;

71.  is ingenomen met de uitbreiding van de middelen voor de operaties Triton en Poseidon; neemt kennis van de lancering van de EUNAVFOR MED operation SOPHIA tegen mensensmokkelaars en mensenhandelaren in het Middellandse Zeegebied en is voorstander van de versterking van het beheer van de buitengrenzen van de Unie;

72.  verzoekt de EU en de lidstaten het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden te ratificeren en ten uitvoer te leggen;

Het verband tussen ontwikkeling, democratie en mensenrechten

73.  uit zijn diepe bezorgdheid over de toename van extreme armoede en ongelijkheid in bepaalde delen van de wereld waardoor de volledige uitoefening van alle mensenrechten in het gedrang komt; is van mening dat de eerbiediging van de mensenrechten en het recht op ontwikkeling intrinsiek met elkaar verbonden zijn; benadrukt dat de eerbiediging van mensenrechten, met inbegrip van sociale en economische rechten, gelijkheid tussen mannen en vrouwen, goed bestuur, de eerbiediging van de democratie en de rechtsstaat, vrede en veiligheid absolute voorwaarden zijn voor de uitroeiing van armoede en ongelijkheid;

74.  toont zich verheugd over de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling; beklemtoont dat EU‑ontwikkelingssamenwerking met derde landen gericht moet zijn op de totstandbrenging van een internationaal klimaat dat bevorderlijk is voor de verwezenlijking van sociale en economische rechten, en dringt aan op de tenuitvoerlegging van de VN‑Verklaring over het recht op ontwikkeling van 1986; wijst nogmaals op het cruciale belang van het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling (PCD), zoals verankerd in artikel 208 VWEU, om de eerbiediging van de mensenrechten tot stand te brengen; verzoekt de EU ervoor te zorgen dat PCD door middel van de noodzakelijke richtsnoeren, effectbeoordelingen en toezichts- en verslagleggingsmechanismen daadwerkelijk doorklinkt in het beleid van de EU en van de lidstaten; is van mening dat de tenuitvoerlegging van beleidscoherentie voor ontwikkeling (PCD), zoals verankerd in artikel 208 VWEU, en duidelijk omschreven kaders in alle EU‑instrumenten en mensenrechtenmechanismen van cruciaal belang zijn om de Agenda 2030 te verwezenlijken, te zorgen voor de inclusie van gemarginaliseerde en kwetsbare groepen en een op mensenrechten gebaseerde benadering te integreren; dringt aan op een betere coherentie en coördinatie van alle externe beleidsmaatregelen en -instrumenten van de EU bij de tenuitvoerlegging van de op rechten gebaseerde benadering; verzoekt de lidstaten om binnen het kader van hun bevoegdheden maatregelen te nemen en zich hierbij te houden aan de toezeggingen op het gebied van ontwikkeling die zij zijn aangegaan en aan het EU‑beleid ter zake; verzoekt de Commissie het gebruik van het instrumentarium voor een op rechten gebaseerde benadering in delegaties te evalueren en een overzicht van deze evaluatie aan het Parlement voor te leggen;

75.  brengt in herinnering dat in het EU‑ontwikkelingsbeleid een op rechten gebaseerde benadering wordt ingevoerd, die tot doel heeft de mensenrechtenbeginselen te integreren in de operationele ontwikkelingsactiviteiten van de EU en van toepassing is op regelingen voor het synchroniseren van de activiteiten op het gebied van mensenrechten en ontwikkelingssamenwerking, zowel in de hoofdkantoren als op het terrein; pleit voor een bredere verspreiding van het instrumentarium van de op rechten gebaseerde benadering onder onze partners, waaronder lokale autoriteiten, het maatschappelijk middenveld en de particuliere sector, en voor een nauwlettend toezicht door de Commissie op de toepassing ervan;

76.  is van oordeel dat mensenrechten voor iedereen de rode draad moeten vormen bij het behalen van alle doelstellingen en streefcijfers van de agenda 2030; pleit voor een inclusief en op rechten gebaseerd kader van indicatoren voor duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen waarin rekening wordt gehouden met mensenrechten, dat op nationaal en internationaal niveau moet worden opgezet om een grote mate van transparantie en verantwoordingsplicht in dit opzicht te waarborgen, zodat de voor ontwikkeling bestemde middelen ook daadwerkelijk terechtkomen bij mensen in nood;

77.  bevestigt nogmaals dat het mondiale probleem van armoede en van aan ondervoeding gerelateerde en verwaarloosde ziekten dringend moet worden aangepakt; verzoekt om een ambitieuze politieke strategie voor de lange termijn en een actieplan inzake wereldgezondheid, innovatie en toegang tot geneesmiddelen waarin onder meer aandacht uitgaat naar investeringen in onderzoek en ontwikkeling, zodat het recht op een levensstandaard die hoog genoeg is om de gezondheid en het welzijn van elk individu te verzekeren, wordt gewaarborgd zonder discriminatie op grond van ras, godsdienst, politieke overtuiging, economische of sociale omstandigheden, genderidentiteit of seksuele geaardheid;

78.  uit zijn bezorgdheid over pogingen om middelen die bestemd zijn voor armoedebestrijding en ontwikkeling – waarmee ook concrete tenuitvoerlegging wordt gegeven aan beleid dat uiteindelijk bedoeld is voor de bescherming van de mensenrechten – voor niet-ontwikkelingsgerelateerde doelen te gebruiken; benadrukt dat ontwikkelingshulp gericht moet zijn op de uitbanning van armoede en niet louter een instrument mag worden voor het controleren van migratie, en herinnert aan het belang van duurzame-ontwikkelingsdoelstelling 16 inzake vrede, rechtvaardigheid en sterke instellingen voor het nastreven van verbeteringen op het vlak van de mensenrechten en doeltreffend democratisch bestuur; is van mening dat de transparantie van EU‑hulpverlening en de verantwoordingsplicht van de begunstigde landen alleen kunnen worden gewaarborgd als er een anticorruptieclausule wordt opgenomen in alle ontwikkelingsprogramma's, en dat de consolidering van de rechtsstaat, goed bestuur, institutionele capaciteit met behulp van begrotingssteun, democratische participatie en representatieve besluitvorming, stabiliteit, sociale rechtvaardigheid en inclusieve en duurzame groei, waardoor het mogelijk wordt de gegenereerde rijkdom op een billijke manier te herverdelen, hoofddoelstellingen zouden moeten zijn van al het externe beleid van de EU; waarschuwt voor populisme, extremisme en misbruik van de grondwet waarmee mensenrechtenschendingen worden gelegitimeerd;

79.  stelt vast dat er als gevolg van de toenemende humanitaire behoeften een aanhoudend financieringstekort blijft bestaan met betrekking tot humanitaire hulp en dat de tekortkomingen in het Wereldvoedselprogramma tot gevolg hebben dat er wordt gesnoeid in de voedselvoorraden; verzoekt de VN‑lidstaten, alsook de EU en haar lidstaten om ten minste hun financiële toezeggingen na te komen; stelt in dit verband vast dat de meeste EU‑lidstaten niet voldoen aan hun toezegging om 0,7 % van hun bbp aan ontwikkelingshulp te spenderen, maar is niettemin blij met de EU‑toezeggingen in verband met humanitaire hulp en civiele bescherming, waarvan de EU en haar lidstaten de grootste donor zijn;

80.  is verheugd over het nieuw Europees extern investeringsplan (EIP) en het trustfonds voor Afrika die tot doel hebben de onderliggende oorzaken van armoede, ongelijkheid en irreguliere migratie aan te pakken door groei en werkgelegenheid te genereren, alsook aan te sporen tot eerbiediging van de mensenrechten en particuliere investeringen in Afrika en het nabuurschap van de EU te stimuleren; vraagt dat het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling tijdelijk wordt ingezet in de buurlanden van de EU om bij te dragen aan de stabilisering van deze landen;

81.  is ingenomen met de opname van een hoofdstuk over ontwikkeling in het jaarverslag van de EU over mensenrechten en democratie in de wereld in 2015 en dringt erop aan dat dit ook voor de toekomstige jaarverslagen de gangbare praktijk wordt.

Handel, het bedrijfsleven en mensenrechten

82.  dringt aan op de snelle, doeltreffende en brede tenuitvoerlegging van de VN‑richtsnoeren inzake het bedrijfsleven en mensenrechten; spoort alle VN‑lidstaten, met inbegrip van de EU‑lidstaten, aan nationale actieplannen uit te werken en ten uitvoer te leggen; is van mening dat handel en mensenrechten hand in hand kunnen gaan en dat voor het bedrijfsleven een belangrijke rol is weggelegd wat de bevordering van mensenrechten en democratie betreft;

83.  herhaalt dat met spoed op alle niveaus, zowel nationaal, Europees als internationaal, op aanhoudende, doeltreffende en samenhangende wijze moet worden gehandeld om mensenrechtenschendingen en corrupte praktijken door internationale ondernemingen daadwerkelijk aan te pakken wanneer ze zich voordoen en ervoor te zorgen dat deze ondernemingen ter verantwoording kunnen worden geroepen, onder meer door iets te doen aan de juridische problemen die het gevolg zijn van het extraterritoriale karakter van bedrijven en hun handelingen;

84.  verzoekt de VN, de EU en haar lidstaten het probleem van landroof en de behandeling van landrechtenverdedigers, die vaak het slachtoffer zijn van vergeldingsmaatregelen, onder meer via dreigementen, intimidatie, willekeurige arrestaties, geweld en moord, aan te kaarten bij multinationale en Europese ondernemingen;

85.  is zeer verheugd over de start van de voorbereidende werkzaamheden voor een bindend VN‑verdrag inzake bedrijfsleven en mensenrechten; betreurt obstructieve houdingen met betrekking tot dit proces en verzoekt de EU en haar lidstaten op constructieve wijze aan deze onderhandelingen deel te nemen;

86.  wijst nogmaals op de verschillende maar aanvullende rollen van landen en bedrijven met betrekking tot de bescherming van de mensenrechten; herinnert er met klem aan dat landen, in geval van schendingen van de mensenrechten, de slachtoffers toegang moeten geven tot een doeltreffende voorziening in rechte; brengt in dit verband in herinnering dat de eerbiediging van de mensenrechten door derde landen, waaronder het waarborgen van effectieve voorziening in rechte voor alle slachtoffers van dergelijke schendingen, een essentieel onderdeel vormt van de externe betrekkingen van de EU met deze landen; waardeert dat de EU een leidende rol heeft gespeeld bij de onderhandelingen over en de tenuitvoerlegging van een aantal initiatieven voor mondiale verantwoordelijkheid, die gepaard gaan met de bevordering en eerbiediging van internationale normen; is verheugd over de conclusies van de Raad van 20 juni 2016 over het bedrijfsleven en mensenrechten en over het verzoek van de Raad om toegang tot voorziening in rechte op te nemen in de nationale actieplannen (NAP's) inzake het bedrijfsleven en mensenrechten;

87.  herhaalt dat er aandacht nodig is voor de bijzondere kenmerken van kmo's, die voornamelijk op lokaal en regionaal niveau en binnen specifieke sectoren actief zijn; acht het daarom van fundamenteel belang dat er in het beleid inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) van de Unie, met inbegrip van de nationale MVO-actieplannen, naar behoren rekening wordt gehouden met de specifieke vereisten van kmo's, dat dit beleid strookt met het "denk eerst klein"-principe en dat de informele en intuïtieve benadering van MVO die door kmo's wordt gehanteerd erkenning krijgt; verzet zich andermaal tegen alle maatregelen die tot meer administratieve of financiële lasten voor kmo's kunnen leiden, maar spreekt zijn steun uit voor maatregelen die kmo's in staat stellen gezamenlijk op te treden;

88.  richt zich tot de Commissie en de lidstaten om op alle niveaus beleidscoherentie met betrekking tot het bedrijfsleven en mensenrechten te waarborgen, in het bijzonder wat het handelsbeleid van de EU betreft; verzoekt de Commissie en de lidstaten regelmatig verslag uit te brengen over de maatregelen die zijn genomen om voor een daadwerkelijke bescherming van de mensenrechten te zorgen in de context van bedrijfsactiviteiten;

89.  dringt nogmaals sterk aan op de stelselmatige opname van mensenrechtenclausules in alle internationale overeenkomsten, met inbegrip van handels- en investeringsovereenkomsten, die zijn gesloten of zullen worden gesloten tussen de EU en derde landen; wijst bovendien op de noodzaak van mechanismen voor voorafgaande controle, die worden ingezet voordat een kaderovereenkomst wordt gesloten en die als fundamenteel onderdeel van de overeenkomst een voorwaarde vormen voor de sluiting ervan, alsook mechanismen voor controle achteraf waarmee concreet gevolg kan worden gegeven aan schendingen van deze clausules, zoals passende sancties als uiteengezet in de mensenrechtenclausules van de overeenkomst, waaronder (tijdelijke) opschorting van de overeenkomst;

90.  dringt erop aan dat er regelingen worden uitgewerkt om de naleving van de mensenrechten door zowel landen als ondernemingen te waarborgen, en dat er klachtenregelingen tot stand worden gebracht voor wie zijn rechten geschonden ziet door handels- en investeringsovereenkomsten;

91.  neemt kennis van het wetgevingsvoorstel van de Commissie van 28 september 2016 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 428/2009 betreffende de controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik, dat erop is gericht deze controle te versterken, aangezien bepaalde goederen en technologieën kunnen worden misbruikt om de mensenrechten ernstig te schenden;

92.  is verheugd dat er eensgezindheid is over een actualisering van de EU‑regeling voor controle op de uitvoer met betrekking tot goederen die gebruikt kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, en dringt aan op een daadwerkelijke en volledige tenuitvoerlegging van deze cruciale wetgeving; spoort de EU en haar lidstaten aan om derde landen te stimuleren vergelijkbare wetgeving aan te nemen en om een initiatief te lanceren voor het bevorderen van een internationaal kader inzake folterwerktuigen en de doodstraf; is ingenomen met het initiatief voor een regeling tot oprichting van een systeem van zorgvuldigheidseisen in de toeleveringsketen voor de verantwoorde winning van mineralen uit conflictgebieden; is verheugd over het voorstel van de Commissie om de EU‑wetgeving inzake de controle op de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik te actualiseren; benadrukt dat het voor het Parlement prioritair is mensenrechten te hanteren als criterium voor uitvoervergunningen en verzoekt de lidstaten eindelijk overeenstemming te bereiken over een omschakeling naar een moderner, flexibeler en sterker op mensenrechten gebaseerd uitvoerbeleid; verzoekt de lidstaten striktere en meer op de mensenrechten gebaseerde controles op de wapenuitvoer te verrichten, met name in het geval van landen waarvan is bewezen dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan gewelddadige binnenlandse onderdrukking en mensenrechtenschendingen;

93.  is verheugd over de goedkeuring van de nieuwe handelsstrategie van de Commissie, getiteld "Handel voor iedereen", waarin zij ernaar streeft mensenrechten te integreren in het handelsbeleid en de positie van de EU als handelsblok te gebruiken om de mensenrechten in derde landen op te krikken; benadrukt dat dit een volledige consistentie en complementariteit van initiatieven op het gebied van handels- en buitenlands beleid vergt, met inbegrip van een nauwe samenwerking tussen de verschillende directoraten-generaal, de EDEO en de autoriteiten van de lidstaten; neemt kennis van de plannen van de Commissie om de Europese economische diplomatie te versterken en benadrukt dat handelsbeleid ook moet bijdragen aan duurzame groei in derde landen; verzoekt de Commissie alle belanghebbende partijen te betrekken bij de discussie over het regelgevingskader en de zakelijke verplichtingen in landen waar particuliere en openbare investeringen waarschijnlijk zullen toenemen; dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat projecten die door de EIB worden ondersteund in overeenstemming zijn met het EU‑beleid en pleit voor betere controles achteraf ter beoordeling van de economische, sociale en milieueffecten van door de EIB ondersteunde projecten;

94.  is verheugd over de nieuwe verordening betreffende een schema van algemene preferenties (SAP), die op 1 januari 2014 in werking is getreden, en beschouwt deze als een zeer belangrijk instrument voor het EU‑handelsbeleid ter bevordering van de mensen- en arbeidsrechten, milieubescherming en goed bestuur in kwetsbare ontwikkelingslanden; waardeert met name dat in het kader van SAP+ verleende handelsvoordelen inherent en wettelijk afhankelijk zijn van de permanente uitvoering van de internationale mensenrechtenverdragen; is ingenomen met de publicatie van het eerste tweejaarlijkse verslag van de Commissie over de stand van zaken met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de SAP+‑regeling en met de dialoog die met het Parlement is gevoerd alvorens het verslag werd gepubliceerd; stelt vast dat er melding is gemaakt van schendingen van fundamentele arbeidsnormen in een aantal landen met SAP+‑status en dringt aan op een echte handhaving van de SAP+‑regeling; verzoekt de Commissie na te gaan of het mogelijk is het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof op te nemen in de lijst van verdragen die vereist zijn voor de SAP+‑status, en richt zich tot SAP+‑aanvragers die geen partij zijn bij dit statuut om het te ratificeren;

95.  is verheugd dat bijzonder voordelige handelspreferenties zijn toegekend aan 14 landen in het kader van de nieuwe SAP+‑regeling, die sinds 1 januari 2014 in werking is getreden, en is evenzeer verheugd over de naleving van 27 internationale verdragen (waaronder verdragen over fundamentele mensenrechten en arbeidsrechten), waarop sterk werd aangedrongen;

96.  dringt nogmaals sterk aan op uitgebreide, voorafgaande mensenrechteneffectbeoordelingen, waarin op inhoudelijke wijze rekening wordt gehouden met de standpunten van het maatschappelijk middenveld, voor alle handels- en investeringsovereenkomsten;

97.  is weliswaar ingenomen met de aanneming van nieuwe richtsnoeren inzake de analyse van de invloed van mensenrechten op de effectbeoordelingen van handelsgerelateerde beleidsinitiatieven(63), maar is erg verontrust door de kwaliteit van de mensenrechtenoverwegingen in de duurzaamheidseffectbeoordeling van de investeringsbeschermingsovereenkomst EU‑Myanmar en door het feit dat de Commissie geen mensenrechteneffectbeoordeling heeft verricht voor de vrijhandelsovereenkomst EU‑Vietnam; spreekt nogmaals zijn steun uit voor een uitgebreide beoordeling die wordt verricht als onderdeel van de evaluatie achteraf van deze overeenkomsten;

98.  verzoekt de EU de eerbiediging van de vrijheid van godsdienst en overtuiging op te nemen in mensenrechteneffectbeoordelingen die worden verricht voordat de EU besluit om nieuwe handels- en investeringsovereenkomsten te sluiten;

Sport en mensenrechten

99.  maakt zich zorgen over de toekenning van de organisatie van megasportevenementen aan landen met een erg povere staat van dienst wat mensenrechten betreft, bijvoorbeeld de FIFA-Wereldbeker van 2018 in Rusland en die van 2022 in Qatar en de Olympische Spelen van 2022 in Peking, alsook over mensenrechtenschendingen als gevolg van megasportevenementen, waaronder gedwongen uitzettingen zonder raadpleging of vergoeding van de betrokken bewoners, de uitbuiting van kwetsbare groepen als kinderen en arbeidsmigranten, die als slavernij kan worden aangemerkt, en het monddood maken van organisaties uit het maatschappelijk middenveld die dergelijke mensenrechtenschendingen aan de kaak stellen; verzoekt het Internationaal Olympisch Comité en de Wereldvoetbalbond (FIFA) hun praktijken in overeenstemming te brengen met de idealen van de sport door waarborgen in te stellen om alle mensenrechtenschendingen in verband met megasportevenementen te voorkomen, om toezicht te houden op dergelijke schendingen en te voorzien in rechtsmiddelen; dringt aan op de ontwikkeling van een EU‑beleidskader inzake sport en mensenrechten; verzoekt de EU en haar lidstaten te overleggen met nationale sportfederaties, actoren uit het bedrijfsleven en organisaties uit het maatschappelijk middenveld over de voorwaarden voor hun deelname aan dergelijke evenementen;

Personen met een handicap

100.  is verheugd over de nieuwe doelstellingen 12 en 16, en met name doelstelling 16, letter f, in de conclusies van de Raad over het actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015‑2019) en verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de tenuitvoerlegging van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap systematisch ter sprake wordt gebracht in mensenrechtendialogen met derde landen; merkt op dat rekening moet worden gehouden met de specifieke aard van de behoeften van personen met een handicap in het kader van inspanningen ter bestrijding van discriminatie; dringt erop aan dat de doeltreffendheid van projecten op het gebied van handicaps grondig wordt beoordeeld en dat op passende wijze wordt overlegd met gehandicaptenorganisaties bij de planning en uitvoering van deze projecten;

101.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat personen met een handicap daadwerkelijk kunnen genieten van het recht op vrij verkeer in openbare ruimten en dus gelijke kansen hebben om deel te nemen aan het openbare leven;

102.  vraagt nadrukkelijk om de mensenrechten van personen met een handicap te integreren in het gehele externe beleid en alle externe maatregelen van de EU, met name in het migratie- en vluchtelingenbeleid van de EU, zodat een passend antwoord wordt geboden op hun specifieke behoeften, aangezien zij meervoudige discriminatie ondervinden; brengt in herinnering dat vrouwen en kinderen met een handicap te kampen hebben met meervoudige discriminatie en vaak een groter risico lopen om het slachtoffer te worden van geweld, misbruik, mishandeling of uitbuiting; is een sterke voorstander van de aanbeveling een genderperspectief te integreren in alle EU‑strategieën inzake handicaps, ook in het externe beleid en optreden;

103.  spoort de VV/HV aan steun te blijven verlenen aan het ratificerings- en uitvoeringsproces van het VN‑Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap in landen die dit verdrag nog niet hebben geratificeerd of ten uitvoer hebben gelegd; merkt op dat de EU het goede voorbeeld moet geven door zelf het VN‑Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap daadwerkelijk toe te passen; verzoekt de EU een leidende rol te vervullen bij de uitvoering van een inclusieve Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, die ervoor zou zorgen dat niemand wordt uitgesloten, zoals aanbevolen door het Comité voor het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap in de afsluitende opmerkingen van zijn verslag over de uitvoering van het verdrag in de EU;

Rechten van vrouwen en kinderen

104.  is ingenomen met de goedkeuring van het genderactieplan (2016‑2020), dat een uitgebreide lijst bevat van acties ter verbetering van de situatie van vrouwen op het gebied van gelijke rechten en empowerment; benadrukt dat het genderactieplan samen met het actieplan inzake mensenrechten en democratie moet worden uitgevoerd, om ervoor te zorgen dat vrouwenrechten als zodanig worden erkend; is ook blij met de goedkeuring van het strategisch engagement voor gendergelijkheid (2016‑2019), ter bevordering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen en van de rechten van vrouwen overal ter wereld; bevestigt nogmaals dat er met betrekking tot de rechten van vrouwen geen toegevingen mogen worden gedaan uit achting voor specifieke voorschriften van een godsdienst of overtuiging; vraagt dat de EU vaart zet achter de tenuitvoerlegging van de verplichtingen en toezeggingen op het vlak van vrouwenrechten in het kader van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW), het actieprogramma van Peking, de verklaring van Caïro inzake bevolking en ontwikkeling en de respectieve beoordelingen van hun resultaten, en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling; benadrukt hoe belangrijk het is dat er geen afbreuk wordt gedaan aan het acquis van de actieprogramma's van Peking en Caïro betreffende de toegang tot onderwijs en gezondheidszorg als een fundamenteel mensenrecht en de bescherming van seksuele en reproductieve rechten, en dat wordt gewaarborgd dat vrouwelijke slachtoffers van verkrachting in functie van oorlog alle noodzakelijke, veilige medische en psychologische zorgen krijgen toegediend, met inbegrip van veilige abortus, overeenkomstig het IHR; wijst erop dat gezinsplanning, de gezondheid van moeders, een gemakkelijke toegang tot anticonceptie en veilige abortus en toegang tot het volledige scala aan seksuele en reproductieve gezondheidsdiensten belangrijke factoren zijn om vrouwenlevens te redden en om kinder- en moedersterfte terug te dringen; beklemtoont dat deze beleidsmaatregelen centraal moeten staan in de ontwikkelingssamenwerking met derde landen; beklemtoont dat de verdediging van de rechten van vrouwen, de vrijwaring van de eerbiediging van hun menselijke waardigheid en de uitbanning van geweld en discriminatie ten aanzien van vrouwen van essentieel belang zijn om hun mensenrechten te verwezenlijken; benadrukt het recht van alle personen om vrij te beslissen over zaken die verband houden met hun seksualiteit en hun seksuele en reproductieve gezondheid; erkent in dit opzicht de onvervreemdbare rechten van vrouwen om autonoom besluiten te nemen, onder meer over de toegang tot gezinsplanning;

105.  herhaalt zijn veroordeling van alle vormen van misbruik en geweld ten aanzien van vrouwen en kinderen en van geweld op basis van gender, waaronder de schadelijke praktijken van huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken, vrouwelijke genitale verminking, uitbuiting en slavernij, huiselijk geweld en het gebruik van seksueel geweld als oorlogswapen; is van mening dat geweld jegens vrouwen ook een psychologische weerslag heeft en benadrukt dat het noodzakelijk is genderoverwegingen te integreren die onder meer de actieve participatie van vrouwen bij humanitaire hulp bevorderen en die beschermingsstrategieën omvatten tegen seksueel en gendergebaseerd geweld, alsook basisgezondheidsmaatregelen bestaande uit seksuele en reproductieve gezondheidsdiensten; benadrukt dat de Commissie en de lidstaten niet alleen de strijd moeten aangaan met alle vormen van geweld ten aanzien van vrouwen, maar in de eerste plaats ook de toegang tot onderwijs moeten bevorderen en genderstereotypering moeten bestrijden, zowel voor meisjes als voor jongens en vanaf jonge leeftijd; verzoekt de EU en haar lidstaten het Verdrag van Istanbul met spoed te ratificeren om samenhang te garanderen tussen het interne en externe optreden van de EU inzake geweld tegen vrouwen en meisjes en gendergebaseerd geweld; is verheugd over het voorstel dat de Commissie op 4 maart 2016 naar voren heeft geschoven om de EU te laten toetreden tot het Verdrag van Istanbul, het eerste juridisch bindende internationale instrument dat erop is gericht geweld tegen vrouwen te voorkomen en te bestrijden; is van mening dat dit het interne en externe beleid van de EU doeltreffender en samenhangender zal maken en op internationaal niveau zal zorgen voor een grotere verantwoordelijkheid en rol voor de EU met betrekking tot het bestrijden van geweld tegen vrouwen en gendergerelateerd geweld; dringt er bij de Commissie en de Raad op aan hun uiterste best te doen om ervoor te zorgen dat de EU het Verdrag van Istanbul kan ondertekenen en sluiten, en tegelijkertijd de 14 lidstaten die dat nog niet hebben gedaan aan te sporen dit verdrag te ondertekenen en te ratificeren en ervoor te zorgen dat dit verdrag naar behoren ten uitvoer wordt gelegd; wijst erop dat moet worden gewaarborgd dat zorgverleners, de politie, openbare aanklagers, rechters, diplomaten en vredeshandhavers, zowel binnen de EU als in derde landen, naar behoren worden opgeleid om slachtoffers van geweld, met name vrouwen en kinderen, te helpen en te ondersteunen in conflictsituaties en bij operaties op het terrein;

106.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over mensenrechtenschendingen ten aanzien van vrouwen en kinderen in vluchtelingenkampen en opvangcentra, waar onder meer gevallen van seksueel geweld en ongelijke behandeling van vrouwen en kinderen worden gemeld; verzoekt de EDEO met klem aan te dringen op strengere regels en goede praktijken in derde landen; benadrukt dat vrouwen en kinderen die zijn misbruikt in conflictsituaties toegang moeten krijgen tot gezondheidszorg en psychologische bijstand, overeenkomstig het internationaal recht, en dat kinderen in vluchtelingenkampen, conflictgebieden en gebieden die worden getroffen door extreme armoede en extreme milieuomstandigheden onderwijs, gezondheidszorg en voedsel moeten blijven krijgen;

107.  merkt op dat in maatregelen om gendergerelateerd geweld aan te pakken ook aandacht moet worden besteed aan onlinegeweld, waaronder dreigementen, pesterijen en intimidatie, en dat hierbij ook moet worden gewerkt aan de totstandbrenging van een onlineomgeving die veilig is voor vrouwen en meisjes;

108.  is ingenomen met de goedkeuring en steunt de tenuitvoerlegging van de recente resolutie 2242 van de VN‑Veiligheidsraad, waarin vrouwen een centrale rol toebedeeld krijgen in alle inspanningen voor het aanpakken van wereldwijde uitdagingen, en waarin wordt aangedrongen op bijkomende inspanningen om de agenda's inzake vrouwen, vrede en veiligheid in alle verschillende dimensies van vredeshandhaving te integreren; benadrukt hoe belangrijk een evenwaardige, volledige en actieve participatie van vrouwen is bij het voorkomen en oplossen van conflicten, alsook in het proces van vredesonderhandelingen en vredesopbouw; pleit voor de invoering van een quotaregeling ter bevordering van de participatie van vrouwen op alle politieke niveaus;

109.  betreurt ten zeerste dat Roma, en met name Romavrouwen, nog steeds te lijden hebben onder wijdverspreide discriminatie en zigeunerhaat, waardoor de cyclus van benadeling, uitsluiting, segregatie en marginalisering draaiende wordt gehouden; verzoekt de EU en de lidstaten om de mensenrechten van Roma volledig te eerbiedigen door het recht op onderwijs, gezondheidsdiensten, werk, huisvesting en sociale bescherming te waarborgen;

110.  is erg teleurgesteld over het gebrek aan gendergelijkheid in politieke kringen en de ondervertegenwoordiging van vrouwen in de politieke, sociale en economische besluitvorming, waardoor mensenrechten en democratie worden ondermijnd; is van mening dat regeringen moeten streven naar gendergelijkheid in processen voor het opbouwen en in stand houden van democratie en dat ze elke vorm van genderdiscriminatie in de samenleving moeten bestrijden; benadrukt dat de verslagen van verkiezingswaarnemingsmissies nauwkeurige richtsnoeren bevatten die de EU van dienst kunnen zijn in politieke dialogen met derde landen ter verbetering van de deelname van vrouwen aan verkiezingsprocessen en het democratische leven van dat land;

111.  betreurt dat in sommige landen nog steeds beperkingen worden opgelegd aan de deelname van vrouwen aan verkiezingen;

112.  betreurt dat vrouwen wereldwijd enorme moeilijkheden blijven ondervinden om een fatsoenlijke baan te vinden en te behouden, zoals blijkt uit het verslag "Women at work 2016" van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO);

113.  betreurt dat het glazen plafond voor vrouwen in de bedrijfswereld, de loonkloof tussen mannen en vrouwen en het gebrek aan steun vanuit de samenleving voor vrouwelijke ondernemers, nog steeds wereldwijd voorkomen; dringt aan op initiatieven om de positie van vrouwen verder te versterken, in het bijzonder op het gebied van zelfstandig ondernemerschap en kmo's;

114.  herinnert eraan dat toegang tot onderwijs, beroepsopleiding en microkredieten essentieel is voor de versterking van de positie van vrouwen en het voorkomen van de schending van hun mensenrechten;

115.  spoort vrouwen aan actief te worden in vakbonden en andere organisaties, omdat dit ertoe zal bijdragen dat genderaspecten hun intrede zullen doen in arbeidsvoorwaarden;

116.  spoort de lidstaten, de Commissie en de EDEO aan zich toe te spitsen op de economische en politieke emancipatie van vrouwen in ontwikkelingslanden door hun betrokkenheid bij het bedrijfsleven en bij de uitvoering van regionale en plaatselijke ontwikkelingsprojecten te bevorderen;

117.  verzoekt de Commissie en de lidstaten genderbudgettering toe te passen in alle relevante EU‑financiering;

118.  roept op om in vrouwen en jongeren te investeren, aangezien dit een doeltreffende manier is om armoede, en met name armoede onder vrouwen, te bestrijden;

119.  is diep verontrust dat de snel toenemende dreiging van antimicrobiële resistentie (AMR) naar verwachting de belangrijkste doodsoorzaak ter wereld zal worden en dat met name kwetsbare en zwakke personen in ontwikkelingslanden hiervan het slachtoffer zullen worden; verzoekt de Commissie onverwijld een echt doeltreffende strategie voor volksgezondheid te ontwikkelen, die onder meer het volgende omvat:– vaststelling van de oorzaken van ziekten, diagnostiek en de manieren waarop resistente bacteriën zich verspreiden via toerisme en handel,

– vaststelling van optimale internationale, nationale en regionale noodmaatregelen na een "uitbraak" van bacteriën die niet kunnen worden gestopt en de geïntegreerde en gecoördineerde voorbereiding van dergelijke maatregelen,

– de ontwikkeling van de strengste, op hoeveelheid gebaseerde regelgeving inzake het gebruik van antibiotica in alle regio's van de wereld, in combinatie met adequate en doeltreffende handhavingsmaatregelen,

– de ontwikkeling en uitvoering van het grootste voorlichtingsprogramma ooit over de dreiging die uitgaat van AMR, met behulp van alle middelen, met name de sociale media;

Rechten van het kind

120.  herhaalt dat er dringend behoefte is aan een universele ratificatie en doeltreffende tenuitvoerlegging van het Verdrag inzake de rechten van het kind en de bijbehorende facultatieve protocollen, vraagt dat de EU systematisch overleg pleegt met bevoegde lokale en internationale kinderrechtenorganisaties en in haar politieke en mensenrechtendialogen met derde landen wijst op de verplichting van landen die partij zijn bij het verdrag om het ten uitvoer te leggen; is blij met de ratificatie van het verdrag door Zuid-Sudan en Somalië; herhaalt zijn oproep aan de Commissie en de VV/HV om op zoek te gaan naar manieren en methoden waardoor de EU kan toetreden tot het VN‑Verdrag inzake de rechten van het kind;

121.  vraagt dat de EU de EU‑UNICEF-toolkit "kinderrechten integreren in ontwikkelingssamenwerking" blijft bevorderen via haar externe delegaties en het personeel van EU‑delegaties degelijk blijft opleiden op dit gebied; vestigt de aandacht op de ernstige kwestie van niet-geregistreerde kinderen die in een ander land dan het thuisland van hun ouders zijn geboren, een kwestie die bijzonder prangend is met betrekking tot vluchtelingen, en verzoekt de EU deze kwestie in voorkomend geval aan de orde stellen in haar politieke dialogen met derde landen; verzoekt de Commissie beleid te ontwikkelen inzake de bescherming van kinderen van gedetineerde ouders en hier in internationale fora voor te ijveren, zodat een einde wordt gemaakt aan de discriminatie en stigmatisering van deze kinderen; benadrukt dat er nog steeds miljoenen kinderen aan ondervoeding lijden en dat dit voor velen onder hen onomkeerbare gevolgen op lange termijn inhoudt en zelfs de dood tot gevolg kan hebben; verzoekt de Commissie en de internationale gemeenschap innovatieve methoden in te voeren om ondervoeding op doeltreffende wijze aan te pakken, met name bij kinderen, door op maximale wijze gebruik te maken van de volledige voedselketen, dus onder meer via samenwerkingsverbanden tussen overheden, bedrijven en individuen, en met alle andere beschikbare middelen, met name de sociale media;

122.  wijst erop dat er internationale bijstand nodig is om te proberen vrouwen en kinderen die nog steeds gevangen worden gehouden door Da'esh en andere terroristische of paramilitaire organisaties op te sporen en te bevrijden, alsook om binnen de Europese Unie en wereldwijd specifieke programma's te bevorderen voor de behandeling van wie gevangen heeft gezeten; uit zijn bezorgdheid over het ronselen van kinderen en de deelname van kinderen aan terroristische en militaire activiteiten; benadrukt dat het noodzakelijk is beleidsmaatregelen vast te stellen als leidraad voor de zoektocht naar en de bevrijding, rehabilitatie en re-integratie van deze kinderen; benadrukt dat het noodzakelijk is beleidsmaatregelen te bevorderen voor de ontwapening, rehabilitatie en re-integratie van kindsoldaten; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om een voorstel in te dienen voor een uitgebreide strategie en een actieplan voor de rechten van het kind voor de komende vijf jaar, zodat kinderrechten in zowel het extern als het intern EU-beleid tot prioriteit worden verheven en de rechten van kinderen worden bevorderd, met name door er mee voor te zorgen dat kinderen toegang hebben tot water, sanitaire voorzieningen, gezondheidszorg en onderwijs, ook in conflictgebieden en vluchtelingenkampen;

De rechten van ouderen

123.  is verheugd over doelstelling 16, onder g), van het actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015-2019), die gericht is op bewustmaking met betrekking tot de mensenrechten en specifieke behoeften van ouderen; is bezorgd over de negatieve gevolgen van discriminatie op grond van leeftijd; benadrukt de bijzondere uitdagingen waarmee ouderen te maken krijgen bij de uitoefening van hun mensenrechten, bijvoorbeeld wanneer ze toegang willen krijgen tot sociale bescherming en gezondheidszorg; verzoekt de lidstaten de huidige herziening van het Internationaal actieplan van Madrid inzake vergrijzing aan te grijpen om de toepassing van bestaande instrumenten in kaart te brengen en mogelijke lacunes aan te wijzen; roept de EU en haar lidstaten op actief betrokken te zijn bij de open werkgroep van de VN inzake ouderdom en zich meer in te spannen om de rechten van ouderen te beschermen en te bevorderen, onder meer door te overwegen een nieuw rechtsinstrument te ontwikkelen;

Rechten van lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (LGBTI's)

124.  is diep verontrust door de toename van geweld en discriminatie ten aanzien van LGBTI's; spreekt zijn krachtige veroordeling uit over de recente toename van discriminerende wetten en daden van geweld ten aanzien van personen op basis van hun seksuele gerichtheid, genderidentiteit en geslachtskenmerken, en over het feit dat 73 landen homoseksualiteit nog steeds strafbaar stellen (onder meer door LGBTI's aan te klagen wegens "losbandig gedrag"), waarvan 13 landen(64) waar de doodstraf is toegestaan, en dat transgenderidentiteiten nog steeds strafbaar zijn in 20 landen; is ernstig bezorgd over de zogenaamde "propagandawetten" die gericht zijn op de beperking van de vrijheid van meningsuiting en vereniging van LGBTI's en diegenen die hun rechten ondersteunen; verzoekt alle landen die dergelijke wetten hebben deze bepalingen in te trekken; veroordeelt krachtig dat de vrijheid van vergadering en vereniging van LGBTI-groepen en verdedigers van hun rechten in toenemende mate aan banden wordt gelegd en dat zij voorwaarden krijgen opgelegd die hun werking bemoeilijken, hetgeen ook geldt voor evenementen en protesten zoals pride-optochten, waarbij in sommige gevallen sprake is van gewelddadig optreden van de autoriteiten tegen de demonstranten; bevestigt opnieuw dat deze fundamentele vrijheden een cruciale rol spelen in de werking van democratische samenlevingen en dat staten verantwoordelijk zijn om te waarborgen dat deze rechten worden geëerbiedigd en dat al wie deze rechten uitoefent op bescherming kan rekenen; vraagt de EDEO voorrang te geven aan maatregelen in landen waar LGBTI's te maken krijgen met geweld, moord, misbruik en discriminatie en deze maatregelen te versterken door dergelijke praktijken te veroordelen overeenkomstig de EU-richtsnoeren inzake de doodstraf en de EU‑richtsnoeren inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, en door op dit gebied te blijven samenwerken met de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de rechten van de mens; benadrukt hoe belangrijk het is het werk van verdedigers van de mensenrechten van LGBTI's te ondersteunen, via een verhoging van de steun en middelen voor doeltreffende programmering, door campagnes te organiseren, ook met financiering uit hoofde van het EIDHR, om het publiek bewust te maken van discriminatie en geweld ten aanzien van LGBTI's, en door ervoor te zorgen dat noodhulp wordt geboden aan al wie dergelijke steun nodig heeft; verzoekt de EU‑delegaties en de betreffende instellingen deze rechten en fundamentele vrijheden actief te bevorderen;

125.  is ingenomen met de richtsnoeren van de Raad Buitenlandse Zaken voor de bevordering en bescherming van de uitoefening van alle mensenrechten door LGBTI's, die op 24 juni 2013 zijn aangenomen; verzoekt de EDEO en de Commissie aan te dringen op een meer strategische en systematische toepassing van de richtsnoeren, onder meer door bewustmaking en opleiding van EU‑personeel in derde landen, zodat de kwestie van LGBTI-rechten op doeltreffende wijze ter sprake wordt gebracht in politieke en mensenrechtendialogen met derde landen en in multilaterale fora; benadrukt hoe belangrijk het is de EU-richtsnoeren voor de bevordering en bescherming van de uitoefening van alle mensenrechten ruim te verspreiden onder LGBTI's; dringt aan op concrete maatregelen om de samenhang tussen het interne en externe beleid van de EU inzake LGBTI-rechten te vergroten;

126.  spoort de EU-instellingen en de lidstaten aan te blijven bijdragen aan het debat over de erkenning van het huwelijk of geregistreerd partnerschap van personen van hetzelfde geslacht door dit naar voren te schuiven als een kwestie van politieke, sociale, mensen- en burgerrechten; is verheugd dat een toenemend aantal landen het recht een gezin te stichten door middel van een huwelijk, geregistreerd partnerschap en adoptie eerbiedigen zonder discriminatie op grond van seksuele oriëntatie, en verzoekt de Commissie en de lidstaten voorstellen uit te werken voor de wederzijdse erkenning van deze samenlevingsvormen en van gezinnen met partners van hetzelfde geslacht in de gehele EU, zodat gelijke behandeling met betrekking tot werkgelegenheid, vrij verkeer, belasting en sociale zekerheid wordt gewaarborgd en de inkomens van gezinnen en kinderen worden beschermd;

Rechten van inheemse volkeren en van personen die tot minderheden behoren

127.  stelt met grote bezorgdheid vast dat inheemse volkeren nog steeds een bijzonder risico op discriminatie lopen en vooral kwetsbaar zijn voor politieke, economische, milieugerelateerde en arbeidsgerelateerde verandering en ontwrichting; wijst erop dat de meesten van deze mensen onder de armoededrempel leven en nauwelijks of geen toegang hebben tot politieke vertegenwoordiging en besluitvorming, hetgeen in strijd is met hun recht op vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming als gewaarborgd in de VN‑Verklaring inzake de rechten van inheemse volkeren en erkend in de Europese consensus inzake ontwikkeling van 2005; maakt zich in het bijzonder zorgen over meldingen van wijdverspreide en toenemende mensenrechtenschendingen ten aanzien van inheemse volkeren, waaronder de vervolging, de willekeurige arrestatie en het vermoorden van mensenrechtenverdedigers, alsook gedwongen ontheemding, landroof en mensenrechtenschendingen door bedrijven;

128.  stelt tot zijn grote verontrusting vast dat inheemse volkeren in het bijzonder te lijden hebben onder schendingen van de mensenrechten die verband houden met de winning van hulpbronnen; verzoekt de Commissie en de EDEO strenge rechtskaders en wetgevingsinitiatieven te ondersteunen die gericht zijn op het waarborgen van transparantie en goed bestuur in de mijnbouw en in andere sectoren die natuurlijke hulpbronnen aanboren, en daardoor ook van de eerbiediging van vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming van de plaatselijke bevolking en de VN‑Verklaring inzake de rechten van inheemse volkeren; verzoekt de EU‑delegaties de dialoog met inheemse volkeren op het terrein verder te intensiveren om mensenrechtenschendingen te signaleren en te voorkomen;

129.  benadrukt dat nationale minderheidsgroepen specifieke behoeften hebben en dat daarom in alle facetten van het economische, sociale, politieke en culturele leven moet worden gestreefd naar een volledige en daadwerkelijke gelijkheid tussen personen die tot een nationale minderheid behoren en personen die tot de meerderheid behoren; dringt er bij de Commissie op aan tijdens het volledige verloop van het uitbreidingsproces nauwlettend toe te zien op de tenuitvoerlegging van bepalingen ter bescherming van de rechten van personen die tot nationale minderheden behoren;

De rechten van personen die op grond van kaste worden gediscrimineerd

130.  veroordeelt de aanhoudende mensenrechtenschendingen ten aanzien van personen die het slachtoffer zijn van hiërarchische kastenstelsels en van discriminatie op grond van kaste, zoals de ontzegging van gelijkheid en van toegang tot het rechtssysteem en werk, alsook de permanente segregatie en op kaste gebaseerde belemmeringen wat de verwezenlijking van fundamentele mensenrechten en ontwikkeling betreft; is erg verontrust door het alarmerend aantal gewelddadige aanvallen op Dalits op grond van kaste en door geïnstitutionaliseerde discriminatie die ongestraft blijft; herhaalt zijn oproep voor de ontwikkeling van EU‑beleid inzake discriminatie op grond van kaste en verzoekt de EU elke gelegenheid te baat te nemen om zich ernstig verontrust te tonen over discriminatie op grond van kaste;

Internationaal Strafhof (ICC) / overgangsjustitie

131.  wijst nogmaals op de universaliteit van het ICC en spreekt opnieuw zijn volledige steun uit voor de werkzaamheden van het hof; benadrukt de belangrijke rol die voor het ICC is weggelegd om een einde te maken aan de straffeloosheid ten aanzien van plegers van de ernstigste misdrijven die de internationale gemeenschap aanbelangen, en gerechtigheid te bieden aan slachtoffers van oorlogsmisdaden, misdrijven tegen de menselijkheid en genocide; blijft alert met betrekking tot pogingen om de legitimiteit of de onafhankelijkheid van het ICC te ondermijnen;

132.  herinnert aan zijn resolutie waarin de leden van de VN‑Veiligheidsraad worden opgeroepen hun steun uit te spreken voor verwijzing door de Veiligheidsraad naar het Internationaal Strafhof om een onderzoek in te stellen naar schendingen die in Irak en Syrië door de zogenoemde IS/Da'esh zijn gepleegd jegens christenen (Chaldeeërs/Syriërs/Assyriërs), jezidi's en andere religieuze en etnische minderheden;

133.  is verheugd over de door Oekraïne afgelegde verklaring waarin de jurisdictie van het ICC wordt aanvaard voor sinds 20 februari 2014 in het land gepleegde misdaden, aangezien met deze verklaring voor de aanklager van het ICC het pad wordt geëffend om af te wegen of het hof een onderzoek kan instellen naar wanpraktijken die tijdens het gewapend conflict zijn begaan, ook al is Oekraïne nog geen ICC-lidstaat;

134.  is ingenomen met de conclusies van de Raad inzake de steun van de EU aan overgangsjustitie, en waardeert het EU-beleidskader inzake steun aan overgangsjustitie, waarbij de EU de eerste regionale organisatie is die een dergelijk beleid vaststelt; verzoekt de EU, haar lidstaten en haar speciale vertegenwoordigers het ICC, de handhaving van zijn beslissingen en de strijd tegen straffeloosheid met betrekking tot misdrijven die onder het Statuut van Rome vallen actief te bevorderen, en spreekt er zijn ernstige bezorgdheid over uit dat tal van aanhoudingsbevelen nog steeds niet zijn uitgevoerd; spoort de EU en haar lidstaten aan met het ICC samen te werken en krachtige diplomatieke en politieke steun te blijven geven aan inspanningen om de betrekkingen tussen het ICC en de VN te versterken en uit te breiden, met name in de context van de VN‑Veiligheidsraad, alsook maatregelen te nemen om niet-medewerking met het ICC te voorkomen en anders doeltreffend in te grijpen; herhaalt zijn oproep aan de EU om een gemeenschappelijk standpunt aan te nemen inzake het misdrijf agressie en de Kampala-amendementen, en verzoekt de lidstaten hun nationale wetgeving in overeenstemming te brengen met de definities als uiteengezet in de Kampala-amendementen en de samenwerking met het ICC te verbeteren; betreurt de minachting ten aanzien van het ICC waarvan verscheidene landen blijk geven door zich te onttrekken of door te dreigen zich te zullen onttrekken aan de jurisdictie van het ICC;

135.  herhaalt zijn oproep voor de invoering van de functie van speciale vertegenwoordiger van de EU voor internationale rechtspraak en internationaal humanitair recht om deze onderwerpen de aandacht en zichtbaarheid te geven die ze verdienen, om de EU‑agenda daadwerkelijk vooruit te helpen en de toezeggingen van de EU inzake de strijd tegen straffeloosheid en vóór het ICC te integreren in het hele buitenlands beleid van de EU;

136.  verzoekt de EU en haar lidstaten om het ICC van voldoende financiering te voorzien en om hun steun aan het internationaal strafrechtelijk systeem, met inbegrip van overgangsjustitie, te versterken;

Internationaal humanitair recht (IHR)

137.  veroordeelt het gebrek aan eerbiediging van het IHR en spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de alarmerende toename van nevenschade in gewapende conflicten overal ter wereld en van dodelijke aanvallen op ziekenhuizen, scholen, humanitaire konvooien en andere burgerdoelwitten; toont zich erg verontrust door de groeiende invloed van acties van niet-overheidsactoren in conflicten overal ter wereld en dringt er bij de EU op aan alle beschikbare instrumenten aan te wenden om naleving van het IHR door overheids- en niet‑overheidsactoren te verbeteren; is verheugd over de belofte van de EU en de lidstaten aan het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC) om de oprichting van een effectief mechanisme voor het bevorderen van de naleving van het IHR volop te steunen en verzoekt de VV/HV verslag uit te brengen aan het Parlement inzake haar doelstellingen en strategie om deze belofte gestand te doen; dringt er bij de internationale gemeenschap op aan een internationale conferentie bijeen te roepen ter voorbereiding van een nieuw internationaal mechanisme voor het opsporen, verzamelen en openbaar maken van gegevens over schendingen van het IHR, met inbegrip van aanvallen op ziekenhuizen, medisch personeel en ziekenwagens; is van mening dat een dergelijk mechanisme kan voortbouwen op het bestaande mechanisme voor kinderen en gewapende conflicten (CAAC); verzoekt de VV/HV ieder jaar een openbare lijst van vermeende daders van aanvallen op scholen en ziekenhuizen te presenteren, zodat passende EU‑maatregelen kunnen worden geformuleerd om dergelijke aanvallen een halt toe te roepen;

138.  betreurt dat zeven lidstaten het Verdrag inzake clustermunitie nog niet hebben geratificeerd; verzoekt de EU en haar lidstaten een wereldwijd verbod op het gebruik van witte fosfor te steunen, met name door de sluiting van een nieuw protocol bij het Conventionelewapensverdrag waarin het gebruik van dergelijke wapens wordt verboden;

139.  verzoekt de lidstaten de belangrijkste instrumenten van het IHR en andere rechtsinstrumenten die van invloed zijn op het IHR te ratificeren; is zich bewust van het belang van de EU-richtsnoeren inzake de bevordering van de naleving van het IHR en herhaalt zijn verzoek aan de VV/HV en de EDEO om de tenuitvoerlegging van de richtsnoeren te herzien in het licht van de tragische gebeurtenissen in het Midden-Oosten, met name in het kader van de wijdverbreide en systematische straffeloosheid voor grove schendingen van het IHR en het recht inzake de mensenrechten; verzoekt de EU steun te bieden aan initiatieven voor het verspreiden van kennis over het IHR en van goede praktijken wat de toepassing ervan betreft, en roept de EU op alle beschikbare bilaterale instrumenten op doeltreffende wijze in te zetten om de naleving van het IHR door haar partners te bevorderen, onder meer door politieke dialoog; herhaalt zijn verzoek aan de lidstaten om zich aan te sluiten bij internationale initiatieven om te voorkomen dat scholen door gewapende groeperingen worden aangevallen en voor militaire doeleinden worden gebruikt door de Verklaring inzake veilige scholen te onderschrijven, die als doel heeft een einde te maken aan de talrijke militaire aanvallen op scholen tijdens gewapende conflicten;

140.  dringt er bij de internationale gemeenschap op aan een internationale conferentie te beleggen voor het opstellen van nieuwe internationaal bindende regels om het IHR opnieuw aan te passen aan de nieuwe realiteit van oorlogvoering, zodat de doeltreffendheid van internationale humanitaire regels wordt vergroot;

141.  verzoekt de VV/HV nogmaals een initiatief op te starten om een EU‑wapenembargo op te leggen aan landen die beschuldigd worden van ernstige aantijgingen inzake schendingen van het IHR, met name in verband met het bewust tot doelwit maken van civiele infrastructuur; benadrukt dat het blijven verlenen van vergunningen voor de verkoop van wapens aan dergelijke landen in strijd is met Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008; vraagt de lidstaten te overwegen gevangenen uit Guantánamo in de EU op te nemen; benadrukt dat de gevangenis van Guantánamo Bay zo snel mogelijk moet wordt gesloten;

Vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst of overtuiging

142.  veroordeelt, overeenkomstig artikel 10 VWEU, alle daden van geweld en vervolging, onverdraagzaamheid en discriminatie op basis van ideologie, godsdienst of overtuiging; uit zijn ernstige bezorgdheid over de aanhoudende meldingen van geweld en vervolging, onverdraagzaamheid en discriminatie ten aanzien van religieuze of levensbeschouwelijke minderheden overal ter wereld; benadrukt dat het recht op vrijheid van gedachte, geweten, godsdienst of overtuiging een fundamenteel mensenrecht is dat nauw samenhangt met andere mensenrechten en fundamentele vrijheden en het recht om te geloven of niet te geloven omvat, evenals het recht om al dan niet uiting te geven aan een godsdienst of overtuiging en het recht om een overtuiging naar keuze aan te nemen, te wijzigen en ervan afstand te doen of het opnieuw aan te nemen, zoals verankerd in artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, en in artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens; verzoekt de EU en haar lidstaten politieke gesprekken aan te gaan opdat wetgeving inzake godslastering wordt ingetrokken; verzoekt de EU en haar lidstaten te waarborgen dat minderheden overal ter wereld worden geëerbiedigd en beschermd, ook in het Midden-Oosten, waar atheïsten en minderheden van jezidi's, christenen en moslims worden vervolgd door Da'esh en andere terroristische groeperingen; betreurt het misbruiken van een godsdienst of overtuiging voor terroristische doeleinden;

143.  steunt de verbintenis van de EU om het recht op vrijheid van godsdienst of overtuiging te bevorderen in internationale en regionale fora, waaronder de VN, de OVSE, de Raad van Europa en andere regionale mechanismen, en spoort de EU aan haar jaarlijkse resolutie over vrijheid van godsdienst of overtuiging te blijven indienen bij de VN en steun te blijven geven aan het mandaat van de speciale VN‑rapporteur voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging; spoort de VV/HV en de EDEO aan om een permanente dialoog aan te gaan met ngo's, groepen met een bepaald geloof of een bepaalde overtuiging en religieuze leiders;

144.  geeft zijn volledige steun aan de werkwijze van de EU om in de UNHRC en op de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN) het initiatief te nemen voor thematische resoluties over de vrijheid van godsdienst en overtuiging, spoort de EU aan het mandaat van de speciale VN‑rapporteur voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging te steunen en dringt er bij landen die momenteel niet ingaan op een verzoek voor een bezoek van de speciale VN‑rapporteur voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging op aan dit vooralsnog te doen;

145.  verzoekt de EU haar bestaande instrumenten aan te scherpen en eventuele andere instrumenten binnen haar mandaat vast te stellen om te waarborgen dat religieuze minderheden wereldwijd effectief worden beschermd;

146.  dringt aan op concrete maatregelen om te waarborgen dat de EU‑richtsnoeren ter bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging daadwerkelijk ten uitvoer worden gelegd, onder meer door: te zorgen voor een stelselmatige en consequente opleiding van EU‑personeel in hoofdkantoren en delegaties; verslag uit te brengen over situaties per land en lokale situaties; en nauw samen te werken met lokale actoren, in het bijzonder met leiders van groepen met een bepaald geloof of een bepaalde overtuiging;

147.  stelt met ernstige bezorgdheid vast dat de positie van gemeenschappen met een bepaalde godsdienst of overtuiging in sommige delen van de wereld wordt bedreigd, waarbij volledige geloofsgemeenschappen verdwijnen of op de vlucht slaan;

148.  wijst erop dat de christenen momenteel overal ter wereld het meest van alle religieuze groepen worden lastiggevallen en geïntimideerd, ook in Europa, waar christelijke vluchtelingen regelmatig worden vervolgd op religieuze gronden, en dat enkele van de oudste christelijke gemeenschappen gevaar lopen te verdwijnen, met name in Noord-Afrika en het Midden-Oosten;

149.  spoort de internationale gemeenschap en de EU aan minderheden bescherming te bieden en veilige zones tot stand te brengen; dringt aan op erkenning, zelfbestuur en bescherming voor etnische en religieuze minderheden die in gebieden wonen waar ze historisch altijd sterk aanwezig zijn geweest en vreedzaam met elkaar hebben samengeleefd – bijvoorbeeld in het Sinjargebergte (jezidi's) en de vlakte van Nineve (Chaldeeërs/Syriërs/Assyriërs); dringt aan op speciale bijstand om te proberen (massa)graven te beschermen in gebieden waar conflicten aan de gang zijn of waren, teneinde de stoffelijke overschotten op te graven en forensisch te onderzoeken, zodat de stoffelijke overschotten van de slachtoffers op een fatsoenlijke manier kunnen worden begraven of kunnen worden vrijgegeven aan de familie; dringt aan op de totstandbrenging van een speciaal fonds om initiatieven voor het veiligstellen van bewijsmateriaal te helpen financieren, zodat vermoedelijke misdaden tegen de menselijkheid kunnen worden onderzocht en vervolgd; dringt aan op maatregelen van de EU en haar lidstaten om met spoed een groep deskundigen aan te stellen voor het verzamelen van al het bewijsmateriaal met betrekking tot internationale misdaden, met inbegrip van genocide, die momenteel waar dan ook ter wereld worden gepleegd tegen religieuze en etnische minderheden, onder meer ook voor het beschermen van massagraven in gebieden waar conflicten aan de gang zijn of waren, ter voorbereiding van internationale vervolging van de verantwoordelijken;

Vrijheid van meningsuiting online en offline en via audiovisuele en andere mediabronnen

150.  benadrukt dat mensenrechten en fundamentele vrijheden universeel zijn en in alle uitingsvormen wereldwijd moeten worden verdedigd;

151.  benadrukt het belang van vrijheid van meningsuiting en de onafhankelijkheid en pluriformiteit van de media als fundamentele elementen op de weg naar democratie, en beklemtoont dat de positie van burgers en het maatschappelijk middenveld moet worden versterkt om transparantie en verantwoordingsplicht in de overheidssector te waarborgen;

152.  maakt zich zorgen over de toename van het aantal arrestaties en intimidatiepogingen ten aanzien van journalisten in tal van landen en benadrukt dat deze praktijken een zware belemmering vormen voor de persvrijheid; dringt er bij de EU en de internationale gemeenschap op aan onafhankelijke journalisten en bloggers te beschermen, de digitale kloof te dichten en de onbeperkte toegang tot informatie en communicatie, evenals de ongecensureerde toegang tot het internet (digitale vrijheid), te bevorderen;

153.  uit zijn ernstige bezorgdheid over de proliferatie en verspreiding van monitoring-, bewakings-, censuur- en filtertechnologieën, hetgeen een toenemend gevaar vormt voor democratie- en mensenrechtenactivisten in autocratische landen;

154.  veroordeelt ten stelligste dat een toenemend aantal mensenrechtenverdedigers te maken krijgt met digitale bedreigingen, waaronder gecompromitteerde gegevens door inbeslagname van apparatuur, bewaking op afstand en data leakage; veroordeelt de praktijk van online bewaking en hacking voor het vergaren van informatie die kan worden gebruikt in rechtszaken of lastercampagnes, alsook in rechtszaken wegens laster;

155.  spreekt zijn krachtige veroordeling uit over autoriteiten die controle uitoefenen op het internet, de media en de academische wereld, alsook over de toegenomen intimidatie, pesterijen en willekeurige arrestaties waarmee mensenrechtenverdedigers, advocaten en journalisten worden geconfronteerd;

156.  verwerpt beperkende maatregelen met betrekking tot digitale communicatie, waaronder het opdoeken van websites en het blokkeren van persoonlijke accounts door autoritaire regimes met de bedoeling de vrijheid van meningsuiting aan banden te leggen en als een manier om oppositiestemmen het zwijgen op te leggen en het maatschappelijk middenveld te onderdrukken; verzoekt de EU en haar lidstaten om regimes die de digitale communicatie van hun critici en tegenstanders beperken publiekelijk te veroordelen;

157.  beklemtoont hoe belangrijk het is om in alle mogelijke betrekkingen met derde landen, waaronder toetredingsonderhandelingen, handelsbesprekingen, mensenrechtendialogen en diplomatieke betrekkingen, op te komen voor onbeperkte toegang tot het internet, en om informatie over mensenrechten en democratie zo toegankelijk mogelijk te maken voor mensen over de hele wereld;

158.  is bezorgd over de toename van haatzaaiende uitlatingen, met name op socialemediaplatforms; verzoekt de Commissie vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld te betrekken bij deze kwestie, om te waarborgen dat er in onderhandelingen over gedragscodes rekening wordt gehouden met hun standpunten; spreekt ten stelligste zijn afkeuring uit over het verspreiden van haatzaaiende uitlatingen die aanzetten tot geweld en terreur;

159.  dringt erop aan meer steun te bieden op het gebied van de bevordering van de vrijheid van de media, de bescherming van onafhankelijke journalisten, bloggers en klokkenluiders, het dichten van de digitale kloof en het vergemakkelijken van de onbeperkte toegang tot informatie en communicatie, alsook het vrijwaren van een ongecensureerde toegang tot het internet (digitale vrijheid);

160.  dringt aan op een actieve ontwikkeling en verspreiding van technologieën die bijdragen tot de bescherming van de mensenrechten en die bevorderend zijn voor de digitale vrijheden en rechten, alsook de veiligheid en privacy van mensen;

161.  verzoekt de EU gratis software en opensourcesoftware in gebruik te nemen en andere actoren aan te sporen hetzelfde te doen, daar zulke software zorgt voor verbeterde veiligheid en een betere eerbiediging van de mensenrechten;

162.  roept de Commissie en de lidstaten op in alle internationale fora, waaronder het Forum voor internetbeheer van de VN, de G8, de G20, de OVSE en de Raad van Europa, aandacht te vragen voor de vrijheid van meningsuiting online, de digitale vrijheden en het belang van een vrij en open internet;

Terrorismebestrijding

163.  spreekt nogmaals zijn ondubbelzinnige veroordeling van terrorisme uit, alsook zijn volledige steun ten aanzien van maatregelen die gericht zijn op de uitroeiing van terroristische organisaties, met name Da'esh, een groepering die een onmiskenbare bedreiging voor de regionale en internationale veiligheid vormt, maar wijst er tegelijkertijd op dat in deze maatregelen het internationaal recht inzake de mensenrechten altijd volledig moet worden geëerbiedigd; steunt de tenuitvoerlegging van resolutie 2178 (2014) van de VN‑Veiligheidsraad over de bestrijding van dreigingen die uitgaan van buitenlandse terroristische strijders, en van de leidende beginselen van Madrid inzake het tegengaan van de toestroom van buitenlandse terroristische strijders;

164.  wijst er nogmaals op dat in het EU‑actieplan inzake mensenrechten en democratie wordt beklemtoond dat de eerbiediging van de vrijheid van mening en meningsuiting moet worden geïntegreerd in ontwikkelingsbeleid en programma's die verband houden met terrorisme, waaronder het gebruik van digitale bewakingstechnologieën; onderstreept dat de lidstaten volop gebruik moeten maken van de bestaande instrumenten voor het aanpakken van de radicalisering van Europese burgers en effectieve programma's moeten ontwikkelen waarmee terroristische en extremistische propaganda en rekruteringsmethoden kunnen worden tegengegaan, met name online, en waarmee wordt gewerkt aan de preventie van radicalisering; benadrukt dat er zo snel mogelijk een gecoördineerd EU‑beleid moet komen en dringt erop aan dat de lidstaten samenwerken op gevoelige gebieden, met name de uitwisseling van informatie en inlichtingen;

165.  vraagt dat de EU met de VN blijft samenwerken inzake de bestrijding van terrorismefinanciering, onder meer door gebruik te maken van bestaande mechanismen voor het aanwijzen van terroristische personen en organisaties, en dat ze mechanismen voor de bevriezing van tegoeden op wereldschaal blijft versterken, zonder afbreuk te doen aan de internationale normen voor eerlijke rechtsbedeling en de rechtsstaat; verzoekt de Commissie en de lidstaten met spoed een effectieve dialoog aan te gaan over dit onderwerp met staten die terroristische organisaties financieren of ondersteunen, of die hun burgers hierbij geen strobreed in de weg leggen;

De doodstraf

166.  wijst nogmaals op het EU‑standpunt van nultolerantie ten aanzien van de doodstraf en herhaalt dat de EU zich sinds lang verzet tegen de doodstraf, foltering en wrede, onmenselijke en onterende behandeling en bestraffing, in alle gevallen en onder alle omstandigheden;

167.  is ingenomen met de afschaffing van de doodstraf in Fiji, Suriname, Mongolië en de Amerikaanse staat Nebraska;

168.  stelt met grote bezorgdheid vast dat een aantal landen de afgelopen jaren opnieuw is begonnen met het uitvoeren van terechtstellingen; betreurt dat politieke leiders in andere landen overwegen de doodstraf opnieuw in te voeren; spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over de gemelde toename van het aantal doodvonnissen in 2015 wereldwijd, met name in China, Egypte, Iran, Nigeria, Pakistan en Saudi-Arabië; herinnert de autoriteiten in deze landen eraan dat ze partij zijn bij het Verdrag inzake de rechten van het kind, uit hoofde waarvan de doodstraf voor misdaden begaan door iemand die nog geen 18 jaar oud is strikt wordt verboden;

169.  maakt zich in het bijzonder zorgen over het toenemende aantal doodvonnissen dat wordt uitgesproken in massaprocessen, zonder enige waarborging van minimumnormen voor een eerlijke rechtsgang zoals vereist op grond van het internationaal recht;

170.  veroordeelt de toename van het aantal doodvonnissen voor drugsdelicten ten stelligste en dringt erop aan dat de doodstraf en standrechtelijke executies voor dergelijke delicten niet worden toegepast;

171.  verzoekt de landen die de doodstraf hebben afgeschaft of sinds lang een moratorium hebben ingesteld op de uitvoering van doodvonnissen, standvastig te blijven in hun verbintenissen en de doodstraf niet opnieuw in te voeren; verzoekt de EU om samenwerking en diplomatie te blijven inzetten in alle mogelijke fora wereldwijd om een pleidooi te houden tegen de doodstraf en er tegelijkertijd voor te zorgen dat het recht op een onpartijdig gerecht volledig wordt geëerbiedigd voor al wie een terechtstelling te wachten staat; benadrukt hoe belangrijk het is dat de EU toezicht blijft houden op de omstandigheden waaronder mensen worden terechtgesteld in landen waar de doodstraf bestaat, om erop toe te zien dat de lijst van terdoodveroordeelden openbaar wordt gemaakt en de lichamen aan de families worden teruggegeven;

172.  beklemtoont dat het belangrijk is dat de EU haar beleid voor de mondiale afschaffing van de doodstraf in de schijnwerpers blijft plaatsen, in overeenstemming met de in 2013 herziene EU‑richtsnoeren over de doodstraf, en dat ze argumenten blijft aanvoeren tegen de doodstraf; verzoekt de EU om verder te blijven werken aan de wereldwijde afschaffing ervan, op zoek te gaan naar nieuwe manieren om hiervoor te ijveren en in het kader van het EIDHR steun te verlenen aan maatregelen ter preventie van doodvonnissen of terechtstellingen; vraagt dat de EU‑delegaties activiteiten blijven organiseren om het bewustzijn hierover aan te wakkeren;

Strijd tegen foltering en mishandeling

173.  toont zich diep bezorgd over de aanhoudende praktijk van foltering en mishandeling ten aanzien van personen in hechtenis, onder meer om bekentenissen af te dwingen die vervolgens worden gebruikt in strafprocessen die manifest tekortschieten op het vlak van internationale normen inzake rechtvaardige behandeling;

174.  betreurt de wijdverbreide praktijk van foltering en mishandeling jegens andersdenkenden in de samenleving om hen het zwijgen op te leggen, alsook jegens kwetsbare groepen als etnische, taalkundige en religieuze minderheden, LGBTI's, vrouwen, kinderen, asielzoekers en migranten;

175.  veroordeelt de foltering en mishandeling die door Da'esh en andere terroristische of paramilitaire organisaties worden veroorzaakt in de sterkst mogelijke bewoordingen; drukt zijn solidariteit uit met de families en gemeenschappen van alle slachtoffers die getroffen zijn door dit geweld; veroordeelt de praktijken van Da'esh en andere terroristische of paramilitaire organisaties waarbij minderheden worden gediscrimineerd of in het vizier worden genomen; verzoekt de EU, haar lidstaten en de internationale gemeenschap een grotere inspanning te leveren ten aanzien van de dringende noodzaak om elk verder lijden op doeltreffende wijze te voorkomen;

176.  vindt de detentieomstandigheden en de staat van de gevangenissen in een aantal landen zeer zorgwekkend; acht het van essentieel belang dat alle vormen van foltering en mishandeling, waaronder psychische foltering, ten aanzien van gevangenen worden bestreden en dat meer wordt gedaan voor de naleving van het internationaal recht ter zake, met name wat betreft de toegang tot gezondheidszorg en geneesmiddelen; veroordeelt resoluut alle schendingen van dit recht en is van oordeel dat het niet behandelen van gevangenen voor ziekten als hepatitis of hiv neerkomt op het niet verlenen van hulp aan personen in nood;

177.  dringt er gezien de niet aflatende stroom meldingen van algemeen gangbare standrechtelijke executies, folterpraktijken en mishandeling over de hele wereld bij de EDEO op aan om in dialogen op alle niveaus en in alle fora een grotere inspanning te leveren met betrekking tot de strijd van de EU tegen standrechtelijke executies, foltering en andere mishandeling, in overeenstemming met de richtsnoeren voor een EU‑beleid ten aanzien van derde landen inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing;

178.  dringt er bij de EDEO op aan op systematische wijze zijn bezorgdheid te laten blijken over foltering en mishandeling in politieke en mensenrechtendialogen met de betrokken landen en in publieke verklaringen, en verzoekt de EU‑delegaties en de ambassades van de lidstaten op het terrein toezicht te houden op gevallen van foltering en mishandeling en concrete maatregelen te nemen om deze compleet uit te bannen, de strafprocessen die hiermee verband houden te observeren en alle beschikbare instrumenten in te zetten om de betrokken personen bij te staan;

Drones

179.  geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over de inzet van gewapende drones buiten het internationale rechtskader; dringt er bij de lidstaten op aan inzake gewapende drones duidelijke beleidslijnen en rechtsposities te formuleren en herhaalt zijn oproep voor een gemeenschappelijk standpunt van de EU inzake het gebruik van gewapende drones, waarin de mensenrechten en het IHR worden geëerbiedigd en waarin kwesties zoals het rechtskader, evenredigheid, verantwoordingsplicht, de bescherming van burgers en transparantie aan bod komen; dringt er nogmaals bij de EU op aan om een verbod uit te vaardigen op de ontwikkeling, de productie en het gebruik van volledig autonome wapens waarmee aanvallen zonder menselijke tussenkomst kunnen worden uitgevoerd; dringt er bij de EU op aan zich te verzetten en een verbod uit te vaardigen tegen de praktijk van buitengerechtelijk en doelgericht doden en zich ertoe te verbinden passende maatregelen te treffen, overeenkomstig de binnenlandse en internationale wettelijke verplichtingen, wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat een individu of entiteit binnen haar rechtsgebied in verband zou kunnen worden gebracht met onwettig doelgericht doden in het buitenland; verzoekt de VV/HV, de lidstaten en de Raad gewapende drones en volledig autonome wapens op te nemen in relevante Europese en internationale regelingen voor ontwapening en wapenbeheersing, en dringt er bij de lidstaten op aan deze regelingen te hanteren en te versterken; verzoekt de EU om bij het inzetten van gewapende drones meer transparantie en verantwoordingsplicht te waarborgen vanwege haar lidstaten, boven alles ten aanzien van derde landen, wat de rechtsgrondslag voor hun gebruik en de operationele verantwoordelijkheid betreft, teneinde rechterlijke toetsing van droneaanvallen mogelijk te maken en ervoor te zorgen dat slachtoffers van onrechtmatige droneaanvallen toegang hebben tot doeltreffende voorzieningen in rechte;

180.  benadrukt dat er een EU‑verbod is op de ontwikkeling, de productie en het gebruik van volledig autonome wapens waarmee aanvallen zonder menselijke tussenkomst kunnen worden uitgevoerd; roept de EU op zich te verzetten en een verbod uit te vaardigen tegen de praktijk van onwettig doelgericht doden;

181.  verzoekt de Commissie het Parlement naar behoren op de hoogte te houden van het gebruik van EU‑middelen voor alle onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten die verband houden met de constructie van drones, zowel voor civiele als militaire doeleinden; dringt aan op mensenrechteneffectbeoordelingen van toekomstige projecten voor de ontwikkeling van drones;

182.  benadrukt dat de invloed die technologieën hebben op de verbetering van de mensenrechten moet worden geïntegreerd in EU‑beleid en ‑programma's met het oog op een betere bescherming van de mensenrechten en een sterkere bevordering van democratie, de rechtsstaat, goed bestuur en vreedzame conflictoplossing;

Ondersteuning van democratie en verkiezingen en verkiezingswaarnemingsmissies

183.  herinnert eraan dat een vrije ruimte voor het maatschappelijk middenveld, de vrijheid van meningsuiting, vergadering en vereniging en de eerbiediging van de rechtsstaat centrale elementen zijn voor eerlijke en democratische verkiezingen; verzoekt de EU erop toe te zien dat lokale ngo's over de ruimte beschikken om het verloop van verkiezingen op gerechtvaardigde wijze waar te nemen en erop toe te zien; onderstreept dat corruptie een bedreiging vormt voor de gelijkwaardige uitoefening van mensenrechten en de democratische processen ondermijnt; is van mening dat de EU het belang van integriteit, verantwoordingsplicht en een degelijk beheer van overheidszaken moet beklemtonen in alle dialogen met derde landen, zoals bepaald in het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie (UNCAC); herinnert eraan dat de EU zich aan de toezegging moet houden die ze heeft gemaakt ten aanzien van haar partners, met name in de buurlanden, om economische, sociale en politieke hervormingen te steunen, de mensenrechten te beschermen en te helpen bij de invoering van de rechtsstaat, aangezien dit de beste manier is om de internationale orde te versterken en de stabiliteit in haar buurlanden te waarborgen; beklemtoont in dit verband dat de herziening van het nabuurschapsbeleid de gelegenheid bij uitstek was om opnieuw te verklaren dat de verdediging van universele waarden en de bevordering van mensenrechten centrale doelstellingen van de Unie zijn; herinnert eraan dat de ervaringen die zijn opgedaan door de EU, politici, academici, de media, ngo's en het maatschappelijk middenveld en de lessen die zijn getrokken uit de overgang naar democratie in het kader van het uitbreidings- en nabuurschapsbeleid op een positieve manier kunnen bijdragen aan de vaststelling van beproefde methoden die kunnen worden gebruikt voor de ondersteuning en consolidering van andere democratiseringsprocessen over de hele wereld; is in dit verband ingenomen met het werk van het Europees Fonds voor Democratie en EU‑programma's ter ondersteuning van organisaties uit het maatschappelijk middenveld, met name het EIDHR;

184.  pleit ervoor dat de EU een bredere benadering van democratiseringsprocessen ontwikkelt, aangezien verkiezingswaarnemingen slechts één dimensie vormen van een langere en bredere cyclus; herhaalt dat politieke transitie en democratisering enkel duurzaam en succesvol kunnen zijn wanneer ze samengaan met de eerbiediging van mensenrechten en gelijke toegang tot het democratisch proces voor vrouwen, personen met een handicap en andere gemarginaliseerde groepen, de bevordering van gerechtigheid, transparantie, verantwoordingsplicht, verzoening, de rechtsstaat, economische en sociale ontwikkeling, maatregelen om extreme armoede tegen te gaan en de totstandbrenging van democratische instellingen; benadrukt dat de EU het bestrijden van corruptie in landen die democratiseringsprocessen doormaken tot prioriteit moet verheffen, aangezien dit verschijnsel de bescherming en bevordering van goed bestuur in de weg staat, georganiseerde misdaad stimuleert en in verband staat met verkiezingsfraude;

185.  is verheugd over de gezamenlijke mededeling over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid, en herinnert eraan dat, zoals bepaald in het VEU, de betrekkingen tussen de EU en haar buurlanden gebaseerd moeten zijn op de waarden van de Unie, waaronder mensenrechten en democratie; benadrukt dat een bijdrage aan de stabilisering van het nabuurschap hand in hand gaat met de bevordering van democratie, de rechtsstaat, goed bestuur en mensenrechten;

186.  benadrukt dat de EU democratische en doeltreffende mensenrechteninstellingen en het maatschappelijk middenveld in buurlanden moet blijven ondersteunen; wijst in dit verband in positieve zin op de niet‑aflatende inzet van het Europees Fonds voor Democratie in het oostelijke en zuidelijke nabuurschap van de EU om de eerbiediging van grondrechten, fundamentele vrijheden en democratische beginselen te bevorderen;

187.  benadrukt dat het uitbreidingsbeleid een van de krachtigste instrumenten is om de eerbiediging van democratische beginselen en mensenrechten te versterken; verzoekt de Commissie steun te blijven verlenen aan de versterking van een democratische politieke cultuur, de eerbiediging van de rechtsstaat, de onafhankelijkheid van de media en de rechterlijke macht, en de bestrijding van corruptie in kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten;

188.  verzoekt de Commissie en de EDEO hun volledige steun te blijven verlenen aan democratische processen in uitvoering in derde landen, alsook aan politieke dialoog tussen partijen uit regering en oppositie, en het maatschappelijk middenveld; dringt aan op het belang van een consequente follow-up van aanbevelingen van de verkiezingswaarnemingsmissies als onderdeel van het engagement van de EU ter ondersteuning van democratie en als onderdeel van de landenstrategieën inzake mensenrechten voor de betrokken landen; vraagt om nauwere coördinatie en samenwerking tussen het Parlement en de Commissie/de EDEO om een follow-up van de tenuitvoerlegging van deze aanbevelingen te waarborgen en ervoor te zorgen dat gebruik wordt gemaakt van de gerichte financiële en technische bijstand die de EU zou kunnen bieden; verzoekt de Commissie een algemene beoordeling te geven van de procedures voor toezicht op verkiezingen;

189.  verzoekt de Raad en de EDEO in het geografische onderdeel van het EU‑jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld een specifiek hoofdstuk op te nemen – voor de betreffende landen – over de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen die zijn vastgesteld in het kader van de verkiezingswaarnemingsmissies; herinnert aan de toezegging die in het actieplan is geformuleerd door de EDEO, de Commissie en de lidstaten om op een meer vastberaden en consequente manier in derde landen overleg te plegen met verkiezingsinstanties, parlementaire instellingen en organisaties uit het maatschappelijk middenveld, om zo een bijdrage te leveren aan de versterking van hun positie en daardoor ook het democratisch proces te helpen versterken;

190.  verzoekt de Commissie erop toe te zien dat haar verkiezingsactiviteiten – bestaande uit waarneming en bijstand – worden gecombineerd met vergelijkbare ondersteuning voor andere belangrijke actoren binnen een democratisch stelsel, zoals politieke partijen, parlementen, plaatselijke overheden, onafhankelijke media en het maatschappelijk middenveld;

191.  verzoekt de EU te blijven werken aan de vaststelling van beste praktijken op dit gebied, onder meer in de context van conflictpreventiemaatregelen, bemiddeling en de bevordering van dialoog, teneinde een samenhangende, flexibele en geloofwaardige EU‑benadering te ontwikkelen;

192.  erkent het succesvolle werk van de EDEO en EU‑delegaties bij het voltooien van de tweede generatie democratie-analyses en de vorderingen op het gebied van actieplannen inzake democratie, en verzoekt de VV/HV erop toe te zien dat de actieplannen worden omgezet in concrete ondersteuning van democratie op het terrein;

193.  verzoekt de EDEO voort te bouwen op de ervaring die is opgedaan in het kader van de democratie-analyses om voorbereidingen te treffen opdat deze analyses in haar buitenlands optreden worden geïntegreerd, en merkt op dat het toevoegen van de component democratie aan de landenstrategieën inzake mensenrechten en democratie weliswaar wordt toegejuicht, maar dat dit niet voldoende is om een echt volledig beeld te krijgen van de democratie in een partnerland;

194.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger en de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten.

(1)

  http://www.un.org/womenwatch/daw/cedaw/cedaw.htm.

(2)

  Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0070.

(3)

  http://www.ohchr.org/EN/ProfessionalInterest/Pages/CMW.aspx.

(4)

  A/RES/41/128.

(5)

  http://www.un.org/en/ga/search/view_doc.asp?symbol=A/RES/69/2.

(6)

  http://www.ohchr.org/EN/ProfessionalInterest/Pages/Vienna.aspx.

(7)

  http://www.un.org/womenwatch/daw/beijing/pdf/BDPfA%20E.pdf.

(8)

  http://www.unfpa.org/sites/default/files/pub-pdf/programme_of_action_Web%20ENGLISH.pdf.

(9)

  http://www.ohchr.org/Documents/Publications/PTS-4Rev1-NHRI_en.pdf.

(10)

  https://europa.eu/globalstrategy/en/global-strategy-foreign-and-security-policy-european-union.

(11)

  http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-11855-2012-INIT/nl/pdf.

(12)

  https://www.consilium.europa.eu/uedocs/cmsUpload/111817.pdf.

(13)

  http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:52009XG1215(01)&from=EN.

(14)

  http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-10897-2015-INIT/nl/pdf.

(15)

  http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:52013IP0279&from=EN.

(16)

  http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/en/foraff/137584.pdf.

(17)

  http://www.europarl.europa.eu/document/activities/cont/201203/20120329ATT42170/20120329ATT42170EN.pdf.

(18)

  http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-10255-2016-INIT/nl/pdf.

(19)

  http://www.consilium.europa.eu/en/meetings/fac/2015/10/st13201-en15_pdf/.

(20)

  http://www.consilium.europa.eu/nl/press/press-releases/2016/06/16-epsco-conclusions-lgbti-equality/.

(21)

  http://ec.europa.eu/justice/discrimination/files/lgbti_actionlist_en.pdf.

(22)

  http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-9242-2015-INIT/nl/pdf.

(23)

  http://ec.europa.eu/dgs/home-affairs/what-we-do/policies/european-agenda-migration/background-information/docs/communication_on_the_european_agenda_on_migration_nl.pdf.

(24)

  http://www.consilium.europa.eu/nl/press/press-releases/2015/07/20-fac-migration-conclusions/.

(25)

  http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-12002-2015-REV-1/nl/pdf.

(26)

  http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-12098-2015-INIT/nl/pdf.

(27)

  http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:32015D0260&from=EN.

(28)

  http://register.consilium.europa.eu/doc/srv?l=nl&f=ST%2015559%202014%20INIT.

(29)

  http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/EN/foraff/130243.pdf.

(30)

  http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-12525-2016-INIT/nl/pdf.

(31)

  https://rm.coe.int/CoERMPublicCommonSearchServices/DisplayDCTMContent?documentId=090000168008482e.

(32)

  http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2011:076:0056:0058:nl:PDF.

(33)

  http://eeas.europa.eu/enp/documents/2015/151118_joint-communication_review-of-the-enp_en.pdf.

(34)

  http://www.consilium.europa.eu/en/meetings/international-summit/2015/11/action_plan_en_pdf/.

(35)

  http://www.securitycouncilreport.org/atf/cf/%7B65BFCF9B-6D27-4E9C-8CD3-CF6E4FF96FF9%7D/s_res_2242.pdf.

(36)

  http://www.securitycouncilreport.org/atf/cf/%7B65BFCF9B-6D27-4E9C-8CD3-CF6E4FF96FF9%7D/CAC%20S%20RES%201820.pdf.

(37)

  http://www.un.org/en/ga/search/view_doc.asp?symbol=S/RES/1325(2000).

(38)

  http://www.un.org/en/ga/search/view_doc.asp?symbol=A/RES/69/167.

(39)

  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0337.

(40)

  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0300.

(41)

  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0201.

(42)

  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0102.

(43)

  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0051.

(44)

  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0470.

(45)

  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0317.

(46)

  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0350.

(47)

  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0348.

(48)

  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0288.

(49)

  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0075.

(50)

  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0079.

(51)

  Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0027.

(52)

  Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0172.

(53)

  Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0420.

(54)

  http://www.ohchr.org/EN/HRBodies/HRC/RegularSessions/Session31/Documents/A_HRC_31_56_en.doc.

(55)

  Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0274.

(56)

  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0470.

(57)

  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0507.

(58)

  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0334.

(59)

  Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0226.

(60)

  A/HRC/RES/17/4.

(61)

  https://www.democracyendowment.eu/annual-report/.

(62)

  Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0432.

(63)

  http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2015/july/tradoc_153591.pdf.

(64)

  Saudi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten, Nigeria, Somalië, Mauritanië, Sudan, Sierra Leone, Jemen, Afghanistan, Pakistan, Qatar, Iran en de Maldiven.


ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (9.11.2016)

aan de Commissie buitenlandse zaken

inzake het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie ter zake 2015

(2016/2219(INI))

Rapporteur voor advies: Cristian Dan Preda

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de ten principale bevoegde Commissie buitenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is er sterk van overtuigd dat ontwikkeling en mensenrechten met elkaar samenhangen, en dat de eerbiediging, bescherming en verwezenlijking van de mensenrechten, met inbegrip van sociale, economische en politieke rechten, randvoorwaarden zijn voor het terugdringen van armoede en ongelijkheid en het behalen van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's) voor iedereen; is in dit verband van oordeel dat armoede en onderontwikkeling een daadwerkelijke uitoefening van de mensenrechten in de weg staan;

2.  onderstreept dat de internationale gemeenschap momenteel voor een van de grootste uitdagingen staat wat de vluchtelingencrisis betreft; is verheugd over de totstandbrenging van nieuwe EU-instrumenten om de grondoorzaken van migratie aan te pakken, en onderstreept dat mensenrechten en menselijke waardigheid een centrale plaats moeten innemen in het EU-migratiebeleid; brengt in herinnering dat het recht om het eigen land te verlaten is vastgelegd in artikel 13 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de VN en dat de mensenrechten van migranten volledig moeten worden geëerbiedigd in landen van herkomst, doorreis en bestemming, ook in detentiecentra;

3.  is van oordeel dat mensenrechten voor iedereen de rode draad moeten vormen bij het behalen van alle doelstellingen en streefcijfers van de agenda 2030; pleit voor een kader van inclusieve en op rechten gebaseerde SDG-indicatoren met een mensenrechtendimensie, dat op nationaal en internationaal niveau zou moeten worden opgezet om een grote mate van transparantie en verantwoordingsplicht in dit opzicht te waarborgen, zodat de voor ontwikkeling bestemde middelen ook daadwerkelijk terechtkomen bij mensen in nood;

4.  onderstreept dat SDG 16 inzake het waarborgen van vrede, gerechtigheid en inclusieve samenlevingen van cruciaal belang is; benadrukt dat de eerbiediging van de mensenrechten essentieel is om een democratiseringsproces te doen slagen en dat de consolidatie van de rechtsstaat, behoorlijk bestuur, institutionele capaciteit met het gebruik van begrotingssteun, democratische participatie en representatieve besluitvorming, stabiliteit, sociale rechtvaardigheid en inclusieve en duurzame groei, die een billijke herverdeling van de gegenereerde rijkdom mogelijk maken, hoofddoelstellingen zouden moeten zijn van al het externe beleid van de EU; waarschuwt voor populisme, extremisme en misbruik van de grondwet waarbij mensenrechtenschendingen worden gelegitimeerd;

5.  brengt in herinnering dat in het EU-ontwikkelingsbeleid een op rechten gebaseerde benadering wordt ingevoerd, die ten doel heeft de mensenrechtenbeginselen te integreren in de operationele ontwikkelingsactiviteiten van de EU en van toepassing is op regelingen voor het synchroniseren van de activiteiten op het gebied van mensenrechten en ontwikkelingssamenwerking, zowel in de hoofdkantoren als op het terrein; pleit voor een bredere verspreiding van het instrumentarium voor een op rechten gebaseerde benadering onder onze partners, waaronder lokale autoriteiten, het maatschappelijk middenveld en de particuliere sector, en voor een nauwlettend toezicht door de Commissie op de toepassing ervan;

6.  uit zijn bezorgdheid over pogingen om middelen die bestemd zijn voor armoedebestrijding en ontwikkeling – waarmee ook concrete tenuitvoerlegging wordt gegeven aan beleid dat uiteindelijk bedoeld is voor de bescherming van de mensenrechten – voor niet-ontwikkelingsgerelateerde doelen te gebruiken;

7.  herinnert aan het cruciale belang van het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling, zoals verankerd in artikel 208 VWEU, bij het zorgen voor de eerbiediging van de mensenrechten; roept de EU ertoe op ervoor te zorgen dat door middel van de noodzakelijke richtsnoeren, effectbeoordelingen en toezichts- en verslagleggingsmechanismen, beleidscoherentie voor ontwikkeling daadwerkelijk doorklinkt in het beleid van de EU en van de lidstaten; dringt aan op een verbetering van de coherentie en coördinatie van alle externe beleidsmaatregelen en -instrumenten van de EU bij de toepassing van de op rechten gebaseerde benadering; verzoekt de lidstaten om binnen hun bevoegdheidssfeer te handelen in overeenstemming met de verplichtingen die zij zijn aangegaan op het gebied van ontwikkeling en met het Europees beleid ter zake;

8.  verzoekt de Raad, de Commissie en de lidstaten het beginsel van mensenrechten voor allen systematisch op te nemen in politieke dialogen en handelsbesprekingen met ontwikkelingslanden, en ervoor te zorgen dat samenwerking met derde landen wordt gekoppeld aan de geboekte vooruitgang wat betreft de daadwerkelijke bevordering van democratie en mensenrechten; spoort de Commissie ertoe aan de opname van onvoorwaardelijke mensenrechten- en sociale en milieuclausules verder te bevorderen in onderhandelingen over internationale overeenkomsten, met inbegrip van economische partnerschapsovereenkomsten, en om zich te buigen over een systeem voor het opleggen van sancties en een verhaalmechanisme voor slachtoffers wanneer aantoonbaar wordt verzuimd de mensenrechten te eerbiedigen; dringt er met name op aan dat de toekomstige overeenkomst met de ACS-landen een versterking inhoudt van de bestaande mensenrechtendialoog; verzoekt de EU ngo's en het maatschappelijk middenveld actief te betrekken bij de beleidsvorming om de doeltreffendheid van de mensenrechtenbepalingen te waarborgen, het nemen van eigen verantwoordelijkheid te garanderen en elke vorm van instrumentalisering van mensenrechten te voorkomen;

9.  is zich bewust van de cruciale rol die voor EU-delegaties is weggelegd bij de bevordering van mensenrechten in derde landen en de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van het externe mensenrechtenbeleid van de EU; verzoekt de Commissie het gebruik van het instrumentarium voor een op rechten gebaseerde benadering in delegaties te evalueren en een overzicht van deze evaluatie aan het Parlement voor te leggen;

10.  herinnert eraan dat de particuliere sector een belangrijke partner is voor het verwezenlijken van de SDG's; benadrukt hoe belangrijk het is te waarborgen dat multinationale ondernemingen verantwoording afleggen en sociale, mensenrechten- en milieunormen en -beginselen naleven wanneer in een land activiteiten worden ontplooid; is van mening dat dit kan worden geoptimaliseerd door meer publiek-private partnerschappen te sluiten; roept de EU en de lidstaten in dit verband op om de mensenrechteneffecten van de ontwikkelingsgerelateerde activiteiten van de particuliere sector regelmatig te beoordelen, en zich binnen de Mensenrechtenraad van de VN actief in te zetten voor een internationaal verdrag waarmee transnationale ondernemingen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor schendingen van de mensenrechten;

11.  wijst er nogmaals op dat conflict en kwetsbaarheid negatieve gevolgen hebben voor het leven van miljoenen mensen en dat mensenrechtenschendingen door middel van terrorisme overal gangbaar zijn geworden; benadrukt dat er een betere koppeling tot stand moet worden gebracht tussen veiligheidsmaatregelen in het kader van het buitenlands beleid, humanitaire hulp en een langetermijnrespons op het vlak van ontwikkeling; spoort de EU ertoe aan om de bescherming van slachtoffers van misdaad en geweld op te nemen in ontwikkelingsprogramma's voor derde landen en om optimale werkwijzen ter bestrijding van corruptie uit te wisselen met derde landen, aangezien corruptie de deur gewoonlijk openzet voor straffeloosheid en vaak de grondslag vormt voor onrecht ten aanzien van slachtoffers;

12.  benadrukt dat de maatschappelijke, economische en politieke inclusie van eenieder, ongeacht leeftijd, geslacht, seksuele gerichtheid, ras, etniciteit, of religie, met inbegrip van eerlijke toegang voor iedereen tot verbeterde nationale gezondheidsstelsels, moet worden bevorderd; verzoekt de EU-instellingen discriminatie op grond van kaste op gelijke wijze aan de orde te stellen als andere discriminatiegronden; wijst nogmaals op het engagement van de EU om steun te verlenen aan kwetsbare en gemarginaliseerde groepen, met inbegrip van mensen met een handicap, overeenkomstig het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, en dringt aan op een grondige beoordeling van de doeltreffendheid van projecten op het gebied van handicaps alsook op een passende betrokkenheid van gehandicaptenorganisaties bij de planning en uitvoering van deze projecten; benadrukt voorts het belang van SDG 5 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie en geweld tegen vrouwen en meisjes en van het schenken van bijzondere aandacht aan de belangrijke rol van vrouwelijke mensenrechtenbeschermers;

13.  wijst er nogmaals op dat met betrekking tot de mijnbouw het juridisch arsenaal moet worden versterkt, zowel upstream als downstream, om een betere traceerbaarheid van mineralen te garanderen; verzoekt de EU om mensenrechtenschendingen die verband houden met de uitbuiting door multinationale ondernemingen uit de EU van natuurlijke hulpbronnen in ontwikkelingslanden te voorkomen, en steun te verlenen voor strenge rechtskaders en initiatieven die gericht zijn op transparantie en goed bestuur in de mijnbouw en in andere sectoren voor natuurlijke hulpbronnen; steunt de wereldwijde initiatieven ter bestrijding van corruptie, zoals het initiatief inzake transparantie van winningsindustrieën (EITI); brengt in herinnering dat inheemse volkeren in het bijzonder te lijden hebben onder mensenrechtenschendingen die verband houden met de winning van hulpbronnen en dat hun recht op vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming moet worden geëerbiedigd;

14.  stelt tot zijn grote verontrusting vast dat er zich volgens de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) wereldwijd ongeveer 21 miljoen mannen, vrouwen en kinderen in een of andere vorm van slavernij bevinden en dat melding is gemaakt van herhaalde schendingen van fundamentele arbeidsnormen in een aantal landen met SAP+-status; benadrukt dat de internationale arbeidsnormen moeten worden geëerbiedigd, overeenkomstig de Agenda voor waardig werk van de IAO, en is van oordeel dat arbeidsrechten centraler moeten staan in de externe betrekkingen van de EU; roept op tot de daadwerkelijke tenuitvoerlegging en handhaving van SAP+, onder toezicht van het maatschappelijk middenveld en door middel van een transparant verslagleggingsmechanisme; verzoekt de EIB voorts meer aandacht te besteden aan de gevolgen van haar werkzaamheden voor de mensenrechten en de arbeidsrechten, en stelt met het oog hierop voor mensenrechtenbenchmarks op te nemen in haar projectbeoordelingen;

15.  is ingenomen met het feit dat er een hoofdstuk betreffende ontwikkeling is opgenomen in het jaarverslag van de EU en hoopt dat dit ook in de toekomstige jaarverslagen zal gebeuren.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

8.11.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

19

3

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Louis Aliot, Nicolas Bay, Beatriz Becerra Basterrechea, Ignazio Corrao, Raymond Finch, Enrique Guerrero Salom, Maria Heubuch, György Hölvényi, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Arne Lietz, Linda McAvan, Norbert Neuser, Cristian Dan Preda, Elly Schlein, Eleni Theocharous, Bogdan Brunon Wenta, Anna Záborská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Marina Albiol Guzmán, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Bernd Lucke, Judith Sargentini, Patrizia Toia

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Maria Grapini


ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (10.11.2016)

aan de Commissie buitenlandse zaken

inzake het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie ter zake 2015

(2016/2219(INI))

Rapporteur voor advies: Beatriz Becerra Basterrechea

SUGGESTIES

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie buitenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

–  gezien Protocol nr. 1 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie, en Protocol nr. 2 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien zijn resolutie van 8 maart 2016 over de situatie van vrouwelijke vluchtelingen en asielzoekers in de EU,

–  gezien het gezamenlijke werkdocument van de diensten van de Commissie over "gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen: het leven van meisjes en vrouwen via de externe betrekkingen van de EU veranderen (2016-2020)",

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul),

–  gezien resoluties 1325, 2242, 1820, 1888, 1889 en 1960 van de VN‑Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid,

–  gezien het VN‑verdrag van 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

–  gezien het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 1951 en het Protocol daarbij van 1967,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind,

–  gezien het verslag uit 2015 van de speciale rapporteur van de VN inzake geweld tegen vrouwen en de oorzaken en gevolgen ervan, Rashida Manjoo,

–  gezien de resultaten van de zestigste bijeenkomst van de VN‑Commissie voor de Status van de Vrouw, die plaatsvond in de hoofdzetel van de Verenigde Naties in New York van 14 tot en met 24 maart 2016,

–  gezien het verslag van de Wereldgezondheidsorganisatie van 2013 over mondiale en regionale ramingen van geweld tegen vrouwen,

Α.  overwegende dat geweld tegen vrouwen en meisjes wereldwijd een van de meest voorkomende schendingen van de mensenrechten is, alle lagen van de bevolking treft, ongeacht leeftijd, opleidingsniveau, inkomen, maatschappelijke positie en land van herkomst of verblijf, en een doorslaggevend obstakel voor de gelijkheid van vrouwen en mannen is; overwegende dat in bepaalde landen dergelijke gevallen van geweld aanzienlijk in aantal zijn toegenomen;

B.  overwegende dat vrouwen en meisjes in veel delen van de wereld nog altijd het slachtoffer worden van gendergerelateerd geweld, zoals verkrachting, mensenhandel, gedwongen huwelijken, eerwraak, genitale mutilatie, slavernij, wrede en onmenselijke straffen die kunnen worden aangemerkt als foltering en andere schendingen van hun grondrechten op leven, vrijheid, rechtvaardigheid, waardigheid, veiligheid en vrijheid, evenals hun recht op geestelijke en lichamelijke integriteit en seksuele en reproductieve zelfbeschikking;

C.  overwegende dat niet alle vrouwen en kinderen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld of seksueel gerelateerde misdrijven toegang hebben tot passende ondersteuning, mentale gezondheidsdiensten of rechtsstelsels die met dergelijke misdrijven kunnen omgaan;

D.  overwegende dat, volgens de Wereldgezondheidsorganisatie, ongeveer 35 % van de vrouwen in de wereld te maken heeft gehad met fysiek en/of seksueel geweld, en dat dit percentage geen rekening houdt met gevallen die niet door vrouwen zijn gemeld en gegevens die nooit zijn verzameld;

E.  overwegende dat de op vrouwen gebruikte methoden in landen waar de doodstraf wordt toegepast gelijkstaan aan foltering en de lichamelijke vernedering van het slachtoffer inhouden;

F.  overwegende dat de eerbiediging van de mensenrechten en de rechten van vrouwen en meisjes in het bijzonder wereldwijd onder druk staat, en dat de universaliteit van de mensenrechten steeds vaker en op ernstige wijze in twijfel wordt getrokken door een aantal autoritaire regimes; overwegende dat extreemrechtse bewegingen en bewegingen tegen gendergelijkheid regelmatig pogingen doen om de rechten van vrouwen om over hun lichaam te beschikken, de LGBTI-rechten en de grondrechten van vluchtelingen en asielzoekers te beperken;

G.  overwegende dat de EU zich ertoe heeft verplicht gendergelijkheid te bevorderen en voor gendermainstreaming te zorgen in al haar activiteiten;

H.  overwegende dat gendergelijkheid voor vrouwen en meisjes een basisvoorwaarde is voor de uitoefening van hun mensenrechten en essentieel is voor de toepassing van gendermainstreaming door middel van nationale strategische programma's;

I.  overwegende dat gendermainstreaming in het handelsbeleid van de EU al deel uitmaakt van de EU‑strategie voor gendergelijkheid;

J.  overwegende dat tijdens gewapende conflicten vrouwelijke en minderjarige vluchtelingen, asielzoekers en staatlozen tot de meest kwetsbare groepen in de samenleving behoren en dat ontheemde tienermeisjes tijdens humanitaire crises aan beduidend meer risico's worden blootgesteld;

K.  overwegende dat sommige Europese landen de afgelopen jaren een minder tolerante houding hebben aangenomen ten opzichte van migranten, vluchtelingen en asielzoekers; overwegende dat de EU het goede voorbeeld moet geven en de samenhang tussen haar intern en extern beleid moet waarborgen; overwegende dat de lidstaten de Europese wetgeving in de nationale wetgeving moeten omzetten;

L.  overwegende dat seksuele en reproductieve gezondheid en rechten gebaseerd zijn op fundamentele mensenrechten en essentiële aspecten van de menselijke waardigheid vormen; overwegende dat deze nog niet overal ter wereld gewaarborgd zijn;

M.  overwegende dat vrouwen overal ter wereld bijzonder worden getroffen door de gevolgen van het klimaat-, milieu- en energiebeleid, waardoor de bestrijding van de genderongelijkheid samenhangt met de bestrijding van de klimaatverandering;

N.  overwegende dat vrouwen en meisjes met een handicap of die tot culturele, traditionele, taalkundige of religieuze minderheden of tot een minderheid op het gebied van gender of seksuele geaardheid behoren, een groter risico lopen op geweld, misbruik, verwaarlozing en meervoudige vormen van discriminatie omdat zij een handicap hebben, tot een minderheid behoren en van het vrouwelijk geslacht zijn;

O.  overwegende dat twee derde van de 960 miljoen analfabeten in de wereld vrouwen en meisjes zijn(1); overwegende dat de onderwijsstelsels van vele landen meisjes nog altijd ernstig benadelen en uitsluiten; overwegende dat meisjes en vrouwen heel vaak niet worden toegelaten tot hoogwaardig onderwijs en dat zij vaak worden gedwongen hun studie op te geven als zij trouwen of kinderen krijgen;

P.  overwegende dat in een verklaring uit 2005 de VN‑Veiligheidsraad de VN‑lidstaten ertoe heeft opgeroepen zijn resolutie 1325 ten uitvoer te blijven leggen door de ontwikkeling van nationale actieplannen of andere nationale strategieën; overwegende dat momenteel slechts 60 VN‑lidstaten, waarvan 17 EU‑lidstaten, dergelijke nationale actieplannen hebben ontwikkeld en in de praktijk hebben gebracht;

Q.  overwegende dat drie vijfde van de miljard mensen die onder de armoedegrens leven, vrouw is;

R.  overwegende dat de economische emancipatie van vrouwen een manier is om de daadwerkelijke uitoefening van hun grondrechten te versterken en verruimen;

1.  is van mening dat vrouwen een grotere rol moeten spelen in de processen voor en nationale en internationale instellingen die betrokken zijn bij conflictpreventie en de bevordering van de mensenrechten en democratische hervormingen, en benadrukt dat de systematische participatie van vrouwen als onmisbaar onderdeel van vredesprocessen en wederopbouw na conflicten moet worden ondersteund; benadrukt dat de deelname van vrouwen aan conflictoplossingsgesprekken cruciaal is om de rechten en deelname van vrouwen te bevorderen en dat dit een eerste stap is naar hun volledige inclusie in toekomstige overgangsprocessen; verzoekt de Commissie, de hoge vertegenwoordiger en de lidstaten om de rol van vrouwen in elk kader voor conflictoplossing en vredesopbouw waarbij de EU betrokken is, te bevorderen;

2.  veroordeelt ten sterkste het voortdurende gebruik van verkrachting en andere vormen van seksueel en gendergerelateerd geweld tegen vrouwen en meisjes als oorlogswapen; roept alle landen, en in het bijzonder de EU‑lidstaten, die dit nog niet hebben gedaan ertoe op om onmiddellijk nationale actieplannen te ontwikkelen en zo resolutie 1325 van de VN‑Veiligheidsraad ten uitvoer te leggen, alsook strategieën uit te werken om het geweld tegen vrouwen onverwijld aan te pakken; verzoekt dat er wereldwijd werk wordt gemaakt van de uitvoering van resolutie 1325 van de VN‑Veiligheidsraad; benadrukt dat de missies van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid en de opleidingen, technische en bijstandsmissies van de EU in derde landen moeten bijdragen aan de bestrijding van seksueel en gendergerelateerd geweld; benadrukt dat conflicten op een vreedzame manier moeten worden opgelost en dat vrouwen moeten worden betrokken bij de kern van de onderhandelingen en acties;

3.  erkent dat meisjes en vrouwen bijzonder worden benadeeld en een bijzonder risico lopen, en dat speciale aandacht moet uitgaan naar de toegang van meisjes en vrouwen tot onderwijs en tot seksuele en reproductieve gezondheid en de hiermee samenhangende rechten, om hen in staat te stellen een leven te leiden vrij van alle vormen van geweld, evenals naar het schrappen van discriminatoire wetgeving en het uitbannen van discriminatoire praktijken en naar het versterken van de positie van meisjes en vrouwen wereldwijd;

4.  roept de internationale gemeenschap ertoe op zich ertoe te verbinden om de veiligheid van vrouwen en meisjes vanaf het begin van elke noodsituatie of crisis preventief te waarborgen, door het risico op seksueel en gendergerelateerd geweld op adequate wijze tegen te gaan, door aan bewustmaking te doen, door de toegang tot de rechter voor vrouwen en meisjes in en na afloop van conflictsituaties te verbeteren, door de verantwoordingsplicht te versterken en ervoor te zorgen dat de daders van dergelijke gewelddaden worden vervolgd, aangezien straffeloosheid, waaronder bij officiële strijdkrachten, een obstakel blijft om de vicieuze cirkel van seksueel geweld in sommige landen te doorbreken, en door de toegang tot het volledige scala aan seksuele en reproductieve gezondheidsdiensten te waarborgen, met inbegrip van veilige en legale abortus voor slachtoffers van verkrachting tijdens oorlogen;

5.  spreekt zijn afkeuring uit over het feit dat de doodstraf, in landen waar die wordt toegepast, bij vrouwen wordt voltrokken op een wijze die gelijkstaat met marteling (zoals steniging) en gepaard gaat met lichamelijke vernedering van de slachtoffers (zoals bij publieke ophanging), om andere vrouwen te intimideren; veroordeelt alle vormen van genderspecifieke foltering ten sterkste, met name steniging en eermoord;

6.  stelt dat geweld tegen vrouwen en gendergerelateerd geweld een schending van de grondrechten en een extreme vorm van discriminatie zijn, die tegelijkertijd de oorzaak en het gevolg zijn van genderongelijkheid in de EU en daarbuiten;

7.  is zwaar ontstemd over het feit dat de slachtoffers van mensenhandel voor seksuele uitbuiting in 98 % van de gevallen vrouwen en meisjes zijn; verzoekt de lidstaten meer inspanningen te leveren om deze praktijk, die een schending van de grondrechten van vrouwen en meisjes vormt, te bestrijden;

8.  benadrukt dat religieuze en culturele verschillen en verschillen op het gebied van tradities in geen enkel geval een rechtvaardiging zijn voor discriminatie en vormen van geweld, in het bijzonder ten aanzien van vrouwen en meisjes, zoals genitale verminking, seksueel misbruik, vrouwenmoord, vroegtijdige en gedwongen huwelijken, huiselijk geweld, moord en geweld wegens eer of andere vormen van foltering en moord zoals steniging;

9.  bevestigt opnieuw dat vrouwelijke genitale verminking een ernstige schending van de mensenrechten vormt en specifieke aandacht moet krijgen in de dialoog van de EU met derde landen waar deze praktijk vaak wordt uitgevoerd; brengt in herinnering dat vrouwelijke genitale verminking ernstige langetermijngevolgen heeft voor de gezondheid van vrouwen, en bijgevolg ook voor ontwikkeling;

10.  merkt op dat maatregelen om gendergerelateerd geweld aan te pakken ook op onlinegeweld moeten worden gericht, met inbegrip van dreigementen, pesterijen en intimidatie, en een voor vrouwen en meisjes veilige onlineomgeving tot stand moeten brengen;

11.  herhaalt dat het al sinds lang onder alle omstandigheden tegenstander van de doodstraf is, en verzoekt om een onmiddellijk moratorium op terechtstellingen in die landen waar de doodstraf nog steeds wordt toegepast;

12.  verzoekt om de analyse van regiospecifieke gegevens met betrekking tot gendergerelateerd geweld teneinde genomen maatregelen beter af te stemmen op de verbetering van de omstandigheden van vrouwen in specifieke regio's;

13.  is verheugd over het voorstel van de Commissie van 4 maart 2016 om de EU te laten toetreden tot het Verdrag van Istanbul, het eerste juridisch bindende internationale instrument dat erop is gericht geweld tegen vrouwen te voorkomen en te bestrijden; is van mening dat dit het interne en externe beleid van de EU doeltreffender en samenhangender zal maken en de verantwoordelijkheid en de rol van de EU zal versterken met betrekking tot het bestrijden van geweld tegen vrouwen en gendergerelateerd geweld op internationaal niveau; spoort de Commissie en de Raad aan ervoor te zorgen dat de EU dit verdrag kan ondertekenen en sluiten, de 14 lidstaten die dat nog niet hebben gedaan aan te moedigen dit verdrag te ondertekenen en te ratificeren, en ervoor te zorgen dat dit verdrag op gepaste wijze ten uitvoer wordt gelegd;

14.  verzoekt de Commissie onverwijld een Europese strategie inzake de bestrijding van gendergerelateerd geweld te presenteren, die een wetgevingsinstrument omvat om alle vormen van geweld tegen vrouwen in de EU te voorkomen en bestrijden;

15.  betreurt het gebrek aan preventief beleid betreffende gendergerelateerd geweld, de gebrekkige steun aan de slachtoffers, en het feit dat in veel landen een groot aantal daders onbestraft blijven; verzoekt de EDEO goede praktijken uit te wisselen met derde landen betreffende wetgevingsprocedures en opleidingsprogramma's voor de politie, justitieel personeel en ambtenaren; spoort de EU ertoe aan steun te verlenen aan organisaties uit het maatschappelijk middenveld die zich inzetten voor de mensenrechten en gendergelijkheid in derde landen, en nauw samen te werken met internationale organisaties die actief zijn op het gebied van gendergelijkheid, om synergieën tot stand te brengen en de positie van vrouwen te versterken;

16.  erkent dat de gemiddelde leeftijd waarop meisjes in de prostitutie terechtkomen tussen 12 en 14 jaar is, en dat prostitutie en seksuele uitbuiting in hoge mate gendergerelateerde kwesties zijn evenals een vorm van gendergerelateerd geweld die in strijd is met mensenrechtenbeginselen, waarvan gendergelijkheid een grondbeginsel is; verzoekt de internationale gemeenschap concrete maatregelen te ontwikkelen om de vraag naar vrouwen, meisjes, mannen en jongens in de prostitutie terug te dringen, als belangrijke strategie om mensenhandel te voorkomen en te verminderen;

17.  verzoekt om de tenuitvoerlegging van wettelijke en beleidsmaatregelen die rechtstreeks op daders gericht zijn teneinde de vraag naar seksuele uitbuiting te verminderen en personen in de prostitutie uit de strafrechtelijke sfeer te halen en hen ondersteunende diensten te bieden, waaronder degelijke sociale, juridische en psychologische bijstand voor personen die uit de prostitutie willen stappen;

18.  benadrukt dat genderstereotypen een van de belangrijkste factoren zijn bij schendingen van vrouwenrechten en ongelijkheid tussen vrouwen en mannen, en onderstreept het belang van de bestrijding van genderstereotypen die de ondergeschikte positie van vrouwen in de samenleving versterken en een van de voornaamste oorzaken vormen van de ongelijkheid van mannen en vrouwen, de schending van de rechten van vrouwen en gendergerelateerd geweld; benadrukt dat er bewustwordingscampagnes op touw moeten worden gezet voor alle lagen van de maatschappij, dat er strategieën moeten worden vastgesteld om de rol van vrouwen te versterken en mannen te betrekken, dat er meer gebruik moet worden gemaakt van de media en dat genderaangelegenheden moeten worden opgenomen in het onderwijs en in alle EU‑beleid en ‑initiatieven, met name op het gebied van het externe beleid, ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp; verzoekt de EDEO en de Commissie om de betrokkenheid van mannen en jongens bij informatie- en bewustmakingscampagnes over de rechten van vrouwen, zowel als doelgroep als als actoren van verandering, te versterken; merkt op dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan grondwettelijke, wettelijke en regelgevende bepalingen die vrouwen op basis van hun geslacht discrimineren;

19.  herinnert eraan dat kindhuwelijken, vroegtijdige en gedwongen huwelijken en de niet-toepassing van een minimale wettelijke huwelijksleeftijd een schending van de rechten van het kind en een belemmering voor de versterking van de positie van de vrouw, vormen;

20.  stelt dat de autoriteiten onderwijsprogramma's moeten ontwikkelen die gericht zijn op mannen en jongeren, met als doel mannen en jongens als partners te betrekken en alle soorten gendergerelateerd geweld te voorkomen en geleidelijk aan uit te bannen en de empowerment van vrouwen te bevorderen;

21.  benadrukt dat de toegang van vrouwen en meisjes tot alle opleidingsniveaus moet worden verbeterd en dat barrières in het onderwijs moeten worden weggenomen, in het bijzonder in de armste en meest gemarginaliseerde gemeenschappen, en dat beroepsonderwijs voor vrouwen en opleidingsprogramma's op het gebied van gendergelijkheid voor onderwijsprofessionals in derde landen moeten worden ondersteund, aangezien is bewezen dat door onderwijs de vooruitzichten van vrouwen en meisjes aanzienlijk vooruitgaan; roept de EU ertoe op in al haar diplomatieke, handels- en ontwikkelingssamenwerkingsactiviteiten rekening te houden met deze prioriteit en beveelt aan om genderbudgettering te overwegen en toe te passen bij alle programma's en maatregelen die financiering bieden voor de scholing en opleiding van vrouwen en meisjes; wijst op de noodzaak van continuïteit wat betreft onderwijs voor kinderen, jongeren en vrouwen in vluchtelingenkampen en conflictzones, evenals in ziekenhuizen;

22.  spoort alle lidstaten ertoe aan om meer vaart te zetten achter de tenuitvoerlegging van de verplichtingen en toezeggingen op het gebied van vrouwenrechten in het kader van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW), deel van het actieprogramma van Peking, en om organisaties van het maatschappelijk middenveld die werken aan de bevordering van gendergelijkheid te steunen;

23.  is bezorgd over de industrie van draagmoederschap, waarin vrouwenlichamen als grondstoffen worden gebruikt op de internationale reproductieve markt, en betreurt dat in deze industrie kwetsbare vrouwen, voornamelijk uit het zuidelijk halfrond, op grote schaal worden uitgebuit;

24.  spreekt zijn afkeuring uit over het feit dat jaarlijks wereldwijd meer dan 500 000 vrouwen tijdens de bevalling(2) sterven en dat de seksuele en reproductieve rechten van vrouwen vaak worden geschonden; benadrukt dat goede en betaalbare gezondheidszorg en universele eerbiediging van en toegang tot seksuele en reproductieve voorlichting en rechten bijdragen tot prenatale zorg en de mogelijkheid om risicovolle geboortes te vermijden en zuigelingen- en kindersterfte te verlagen;

25.  spoort de EU en de lidstaten aan het onvervreemdbaar recht van vrouwen en meisjes op bescherming tegen fysiek letsel te erkennen en het recht om vrij beslissingen te nemen, vooral wat betreft het recht op toegang tot diensten voor vrijwillige gezinsplanning, gezondheid van moeders en veilige en legale abortus, waarmee vele vrouwenlevens kunnen worden gered, evenals het recht om niet het slachtoffer te worden van geweld, met inbegrip van vrouwelijke genitale verminking, vroege en gedwongen huwelijken en verkrachting binnen het huwelijk;

26.  verzoekt de EU en de internationale gemeenschap om actief te werken aan de nieuwe duurzameontwikkelingsdoelstelling inzake gendergelijkheid (SDG 5) en hierin meer middelen te investeren, en tegelijkertijd het belang te blijven benadrukken van de toegang tot een alomvattende seksuele opvoeding en universele toegang tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten;

27.  betreurt het feit dat vrouwen wereldwijd enorme moeilijkheden blijven ondervinden om een fatsoenlijke baan te vinden en te behouden, zoals blijkt uit het verslag "Women at work 2016" van de Internationale Arbeidsorganisatie;

28.  betreurt dat het glazen plafond voor vrouwen in de bedrijfswereld, de loonkloof tussen mannen en vrouwen en het gebrek aan steun vanuit de maatschappij voor vrouwelijke ondernemers, nog steeds wereldwijd sterk verspreid zijn; verzoekt om initiatieven om de positie van vrouwen, en in het bijzonder zelfstandige vrouwen of vrouwen bij kmo's, te versterken;

29.  betreurt dat vrouwen al te vaak worden gediscrimineerd ten opzichte van mannen bij de toegang tot financiële middelen, zoals bankleningen; benadrukt dat is aangetoond dat de versterking van de positie van vrouwen in het bedrijfsleven cruciaal is voor het stimuleren van de economie en, op lange termijn, voor het bestrijden van armoede;

30.  pleit ervoor dat de ontwikkeling en aanneming van een bindend internationaal instrument op VN‑niveau betreffende gendergerelateerd geweld wordt overwogen, uitgerust met een eigen toezichtsorgaan; beveelt aan om genderbudgettering te overwegen en toe te passen bij alle programma's en maatregelen die financiering bieden voor de scholing en opleiding van vrouwen en meisjes;

31.  verzoekt de Commissie en de EU‑lidstaten genderbudgettering op te nemen in alle relevante EU‑financiering;

32.  wijst op de noodzaak om te waarborgen dat gezondheidswerkers, de politie, openbare aanklagers, rechters, diplomaten en vredeshandhavers, zowel binnen de EU als in derde landen, goed opgeleid zijn om slachtoffers van geweld, met name vrouwen en kinderen, te helpen en te steunen in conflictsituaties en bij acties ter plaatse;

33.  betreurt dat huwelijken tussen een volwassene en een minderjarig meisje van soms jonger dan negen jaar (kindbruiden) in sommige derde landen wettelijk toegestaan zijn;

34.  brengt in herinnering dat gendergelijkheid niet alleen betrekking heeft op mannen en vrouwen, maar op de gehele LGBTI-gemeenschap;

35.  is bezorgd over het feit dat extreem rechtse en tegen gendergelijkheid gerichte bewegingen de afgelopen jaren in een aantal landen terrein hebben gewonnen; merkt op dat deze bewegingen zich tegen bestaande verworvenheden op het gebied van vrouwenrechten, gendergelijkheid en migrantenrechten verzetten, en tot doel hebben wetgeving en maatregelen ter bescherming van LGBTI's tegen haatmisdrijven en discriminatie, te blokkeren;

36.  betreurt en veroordeelt het feit dat er derde landen zijn waar homoseksualiteit als een misdrijf wordt beschouwd waar zelfs de doodstraf op kan staan. verzoekt de EU en de lidstaten het genot van alle mensenrechten door LGBTI's krachtig te bevorderen en te beschermen in hun buitenlands beleid;

37.  wijst erop dat bij de humanitaire hulp van de EU stelselmatiger aandacht moet worden besteed aan genderkwesties;

38.  betreurt ten sterkste het gebrek aan gendergelijkheid in politieke kringen en de ondervertegenwoordiging van vrouwen in de politieke besluitvorming, waardoor de mensenrechten en de democratie worden ondermijnd; is van mening dat regeringen moeten streven naar gendergelijkheid bij processen voor de opbouw en het behoud van democratie en dat ze elke vorm van genderdiscriminatie in de samenleving moeten bestrijden; benadrukt dat de verslagen van verkiezingswaarnemingsmissies nauwkeurige richtsnoeren bevatten voor de politieke dialoog van de EU met derde landen om de deelname van vrouwen aan verkiezingsprocessen en het democratische leven van een land te verbeteren;

39.  herinnert eraan dat het EU-actieplan voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen in het kader van ontwikkeling (GAP) een van de fundamentele instrumenten is waarover de EU beschikt om de gendergelijkheid in derde landen te verbeteren, en is derhalve van mening dat het tweede genderactieplan (GAP2) de vorm moet krijgen van een mededeling van de Commissie; verzoekt de Commissie rekening te houden met de resolutie van het Parlement over de verlenging van het genderactieplan (GAP);

40.  verzoekt de EU om haar internationaal handelsbeleid te herzien en een benadering na te streven waarbij mensen-, arbeids-, consumenten en milieurechten centraal staan en als basis dienen voor transnationale en nationale handel en investeringen;

41.  verzoekt de EU met klem ervoor te zorgen dat waarborgen inzake gendergelijkheid en fundamentele mensenrechten, in het bijzonder voor vrouwen en meisjes, deel uitmaken van nationale mensenrechtenstrategieën en politieke dialogen en worden opgenomen in alle economische en handelsovereenkomsten van de EU met derde landen als juridisch bindende bepalingen; wenst dat overeenstemming met de kernwaarden van de EU tot voorwaarde voor begrotingssteun wordt gemaakt;

42.  wijst erop dat Europese bedrijven die wereldwijd actief zijn een belangrijke rol bij de bevordering van gendergelijkheid kunnen spelen, aangezien zij als model kunnen fungeren;

43.  wijst op het belang van het invoeren van positieve maatregelen, zoals het invoeren van quota, ter bevordering van de participatie van vrouwen in politieke organen en het democratisch proces en de economische besluitvorming;

44.  pleit voor het gebruik van gendergevoelige kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren en de tijdige verzameling van naar geslacht uitgesplitste gegevens als onderdeel van het monitorings- en evaluatieproces van het nieuwe genderactieplan;

45.  betreurt het feit dat de deelname van vrouwen aan verkiezingen in sommige landen nog steeds wordt beperkt;

46.  benadrukt dat de internationale gemeenschap de situatie van vrouwen met een handicap als een prioriteit heeft aangemerkt; brengt de conclusies van het Bureau van de hoge commissaris van de VN voor de mensenrechten in herinnering, waarin werd verklaard dat beleidsmaatregelen en programma's ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en meisjes met een handicap moeten worden opgesteld in nauwe samenwerking met personen met een handicap zelf, met erkenning van hun autonomie, en met organisaties voor gehandicapten; beklemtoont de behoefte aan systematisch toezicht op instellingen en adequate opleidingen voor zorgverleners; dringt erop aan dat de EU de bestrijding van discriminatie op grond van handicap tot vast onderdeel maakt van haar externe beleid en ontwikkelingssamenwerking, met inbegrip van het Europees instrument voor democratie en mensenrechten;

47.  veroordeelt de schendingen van de mensenrechten waarmee de vrouwen in de bezette euro-mediterrane gebieden worden geconfronteerd, met name in de vorm van pesterijen en seksueel geweld, mechanismen die door de bezettingsstrijdkrachten worden gebruikt om de gehele maatschappij in haar strijd om het legitieme recht op zelfbeschikking te intimideren; vestigt de aandacht op de rol die vrouwen spelen bij vredeshandhaving, het bevorderen van dialoog en conflictoplossing om een einde te maken aan de schendingen van de vrouwenrechten in de euro-mediterrane gebieden en hen te beschermen tegen elke vorm van geweld, met inbegrip van geweld door buitenlandse bezettingsstrijdkrachten;

48.  verzoekt de lidstaten waarin de migratiecrisis heeft geleid tot een aanzienlijke aantasting van de bescherming van de vrouwenrechten toezicht te houden op vluchtelingencentra en hun directe omgeving om zo daden van geweld, met inbegrip van seksueel geweld, te voorkomen en de daders voor het gerecht te brengen;

49.  wijst op de kwetsbaarheid van migranten, vluchtelingen en asielzoekers, in het bijzonder vrouwen, jongeren en leden van gemarginaliseerde groepen, en op de dringende noodzaak om veilige en legale migratiekanalen te ontwikkelen, en de toegang tot gezinshereniging, gratis openbaar onderwijs, gezondheidsdiensten, in het bijzonder seksuele en reproductieve gezondheidszorg, werkgelegenheid, huisvesting en psychologische steun te waarborgen en humanitaire visa toe te staan; roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat de rechten die aan vrouwelijke migranten of vluchtelingen worden toegekend, zoals het recht op toegang tot een visum, het recht om legaal in een land te verblijven en sociale rechten, individueel worden toegekend en niet op basis van de burgerlijke of huwelijkse staat van de vrouw in kwestie;

50.  benadrukt dat door de massale trek van migranten en asielzoekers vrouwen en meisjes onevenredig worden blootgesteld aan gendergerelateerd geweld en gendergerelateerde discriminatie in landen van doorreis en bestemming; merkt op dat sommige vrouwen en meisjes die migrant of vluchteling zijn, het slachtoffer worden van seksueel geweld door migrantensmokkelaars alsook van mensenhandel; verzoekt de EU‑agentschappen en de rechtshandhavingsdiensten van de lidstaten hun personeel te leren omgaan met de specifieke behoeften en kwetsbaarheden van vrouwen en meisjes op de vlucht;

51.  betreurt ten zeerste dat Roma, en met name Romavrouwen, blijven lijden onder wijdverspreide discriminatie en zigeunerhaat, hetgeen de benadeling, uitsluiting, segregatie en marginalisering van deze groep versterkt; verzoekt de EU en de lidstaten om de mensenrechten van Roma volledig te eerbiedigen door hun recht op onderwijs, gezondheidsdiensten, werk, huisvesting en sociale bescherming te verzekeren;

52.  roept op om in vrouwen en jongeren te investeren, aangezien dit een doeltreffende manier is om armoede, en met name armoede onder vrouwen, te bestrijden;

53.  wijst erop dat het belangrijk is om de loonkloof tussen mannen en vrouwen te blijven aanpakken en om sneller de streefcijfers van de Commissie te bereiken met betrekking tot het aantal vrouwen in topfuncties;

54.  verzet zich tegen elke vorm van wetgeving, regelgeving of druk vanuit de overheid om de vrijheid van meningsuiting onnodig in te perken, in het bijzonder van vrouwen en andere gendercategorieën;

55.  betreurt dat vrouwen ondervertegenwoordigd zijn in de economische, politieke en sociale besluitvorming; is van mening dat de vertegenwoordiging van vrouwen in de politieke, economische en sociale besluitvorming een kwestie van grondrechten en democratie is; beveelt aan om pariteitsystemen en genderquota in te voeren als wettelijke tijdelijke maatregel om de deelname van vrouwen aan politieke organen en het democratisch proces, met name als kandidaat, te bevorderen, en raadt aan om wetgeving goed te keuren om dezelfde doelstellingen te bereiken voor grote openbare en privébedrijven;

56.  moedigt de lidstaten, de Commissie en de EDEO aan zich toe te spitsen op de economische en politieke emancipatie van vrouwen in ontwikkelingslanden en daarbij hun betrokkenheid bij het bedrijfsleven en bij de uitvoering van regionale en plaatselijke ontwikkelingsprojecten te bevorderen;

57.  pleit voor de actieve deelname van vrouwen aan vakbonden en andere organisaties, omdat dit ertoe zal bijdragen dat genderkwesties in arbeidsvoorwaarden worden opgenomen;

58.  roept ertoe op de rechten van ouderen, met name oudere vrouwen, te versterken door alle vormen van discriminatie te bestrijden en hen te helpen een fatsoenlijk en veilig leven te leiden als volwaardig lid van de maatschappij.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

8.11.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

26

5

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Daniela Aiuto, Maria Arena, Beatriz Becerra Basterrechea, Malin Björk, Vilija Blinkevičiūtė, Anna Maria Corazza Bildt, Iratxe García Pérez, Anna Hedh, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Florent Marcellesi, Krisztina Morvai, Maria Noichl, Marijana Petir, Pina Picierno, João Pimenta Lopes, Liliana Rodrigues, Ernest Urtasun, Ángela Vallina, Elissavet Vozemberg-Vrionidi, Jadwiga Wiśniewska, Anna Záborská, Jana Žitňanská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Izaskun Bilbao Barandica, Linnéa Engström, Rosa Estaràs Ferragut, Mariya Gabriel, Constance Le Grip, Marc Tarabella, Julie Ward

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

John Stuart Agnew, Doru-Claudian Frunzulică

(1)

http://www.unfpa.org/sites/default/files/pub-pdf/swp08_eng.pdf

(2)

  Bron: UNICEF:


BIJLAGE I

INDIVIDUAL CASES RAISED BY THE EUROPEAN PARLIAMENT BETWEEN JANUARY AND DECEMBER 2015

COUNTRY

Individual

BACKGROUND

ACTION TAKEN BY THE PARLIAMENT

AFGHANISTAN

Seven Hazari people (two women, four men and a little girl)

 

 

In its Resolution, adopted on 26 November 2015, the European Parliament:

- Strongly condemns the barbaric murder and beheading of seven Hazari people (two women, four men and a little girl) in the south-eastern Afghan province of Zabul on the border with Pakistan;

- Condemns the attacks by the Taliban, Al Qaeda, ISIL and other terrorist groups against Afghan civilians, the Afghan National Defence and Security Forces, democratic institutions and civil society, which are causing record numbers of casualties; stresses that protection of the Hazara community, as a group particularly vulnerable to Taliban and Daesh/ISIL terrorist violence, should be a priority for the Afghan Government;

- Extends its condolences to the bereaved families, particularly of the recent victims of horrific killings in the Hazara community;

- Calls for support for the Afghan authorities to take swift and appropriate action to ensure that the killers of innocent civilians are brought to justice and to reaffirm the rule of law in the country;

- Calls on the Afghan authorities to ensure that security force personnel implicated in serious human rights violations, including those having command responsibility over forces committing abuses, are credibly and impartially investigated and disciplined or prosecuted as appropriate;

 

Letters of concern were sent on 11 March and 24 November 2015.

 

ALGERIA

Rachid Aouine, Youssef Sultani, Abdelhamid Brahimi and Ferhat Missa

 

 

 

 

 

 

 

Mohamed Rag

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Khencha Belkacem,

Brahimi Belelmi, Mazouzi Benallal, Azzouzi Boubakeur, Korini Belkacem, Bekouider Faouzi, Bensarkha Tahar and Djaballah Abdelkader

 

 

 

 

Four labour rights activists, Rachid Aouine, Youssef Sultani, Abdelhamid Brahimi and Ferhat Missa, members of the CNDDC in the town of El Oued, were arrested and charged for instigating a gathering. Two of them were acquitted, but Rachid Aouine was sentenced and Youssef Sultani is free facing trial.

 

Mohamed Rag, a labour rights activist from the National Committee for the Defence of the Rights of the Unemployed (Comité National pour la Défense des Droits des Chômeurs, CNDDC) in the town of Laghouat, was arrested on 22 January 2015 and sentenced to 18 months in prison and a fine of DZD 20 000 for ‘assaulting a security force agent in the exercise of his duties’, and whereas his sentence was confirmed upon appeal on 18 March 2015.

 

On 28 January 2015 in the town of Laghouat, eight labour rights activists, members of the CNDDC – Khencha Belkacem, Brahimi Belelmi, Mazouzi Benallal, Azzouzi Boubakeur, Korini Belkacem, Bekouider Faouzi, Bensarkha Tahar and Djaballah Abdelkader – were arrested when they assembled in front of the city court to demand that Mohamed Rag be released. These eight activists were subsequently sentenced last March to one year in prison with a 6-month suspended sentence and a fine of DZD 5000.

 

In its Resolution, adopted on 30 April 2015, the European Parliament:

- Expresses its concern at the arrest and detention of activists Rachid Aouine, Mohamed Rag, Khencha Belkacem, Brahimi Belelmi, Mazouzi Benallal, Azzouzi Boubakeur, Korini Belkacem, Bekouider Faouzi, Bensarkha Tahar and Djaballah Abdelkader, as they are being detained in spite of the fact that their activities are fully permissible under Algerian law and in line with the international human rights instruments which Algeria has ratified;

- Calls also on the Algerian authorities to ensure and guarantee the right to freedom of expression, association and peaceful assembly, and to take appropriate steps to ensure the safety and security of civil society activists and human rights defenders and their freedom to pursue their legitimate and peaceful activities;

- Recalls the recommendation to the Algerian Government by the United Nations Special Rapporteur on the promotion and protection of the right to freedom of opinion and expression to revoke the decree of 18 June 2001 banning peaceful protests and all forms of public demonstration in Algiers and to establish a system of simple notification rather than prior authorisation for public demonstrations;

- Calls on the Algerian authorities to repeal Law 12-06 on associations and to engage in a genuine dialogue with civil society organisations in order to frame a new law that is in conformity with international human rights standards and the Algerian Constitution;

 

ANGOLA

José Marcos Mavungo

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Arão Bula Tempo

 

 

 

 

 

 

 

 

Rafael Marques

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Luaty Beirão

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Captain Zenóbio Lázaro Muhondo Zumba

 

 

 

Followers of the religious sect Luz do Mundo

 

On 14 March 2015 human rights activist José Marcos Mavungo was arrested without a warrant, and on 28 August 2015 prosecutor António Nito asked the court in the Angolan province of Cabinda to sentence Mavungo to 12 years imprisonment on the charge of inciting rebellion, despite no evidence being presented that he had committed any crime.

 

Lawyer Arão Bula Tempo was arrested on the same day for alleged involvement in the organisation of the same protest. Arão Bula Tempo was subsequently released on 13 May 2015 pending his trial on sedition charges.

 

Journalist and human rights activist Rafael Marques was condemned on 28 May 2015 to a 6-month jail term suspended for two years for the publication in 2011 of the book, ‘Blood Diamonds: Corruption and Torture in Angola’, which detailed more than 100 killings and hundreds of cases of torture allegedly perpetrated by security guards and soldiers in the diamond fields of the Lundas region; whereas the complaints submitted by Marques to the Public Prosecutor concerning human rights violations in the Lundas region were not subject to investigation.

 

15 youth activists were arrested between 20 and 24 June 2015 in connection with a private political discussion, detained and indicted for “preparing acts pursuant to a coup d’etat”. Among these activists was Luaty Beirão, who is an Angolan rapper known for his political activism.

To protest against the charge and his continued imprisonment, Beirão had gone on hunger strike.

 

Captain Zenóbio Lázaro Muhondo Zumba was subsequently arrested on 30 June 2015 on the grounds of alleged links with the 15 activists arrested.

 

On 16 April 2015, police and defence forces killed scores of pilgrims on Mount Sumi, in Angola’s central highlands, to avenge the deaths of eight police officers, allegedly at the hands of members of a Christian sect known as Luz do Mundo.

 

In a botched operation, the police officers were killed as they attempted to arrest the sect leader, José Kalupeteka, during worship. More than 3,000 followers, from many parts of the country, had camped at Mount Sumi for the sect’s summit.

 

In its Resolution, adopted on 10 September 2015, the European Parliament:

- Calls on the Angolan authorities to immediately and unconditionally release all human rights defenders, including Marcos Mavungo and the 15+1 activists arrested in June 2015, and to drop all charges against them; calls also for the immediate and unconditional release of any other activists, prisoners of conscience or political opponents arbitrarily arrested and detained solely for their political views, journalistic work or participation in peaceful activities;

- Urges the authorities to ensure that no acts of torture or ill-treatment are performed on the detainees and to guarantee full protection and access to their families and lawyers;

- Calls on the Angolan authorities to immediately put an end to cases of arbitrary arrest, illegal detentions and torture by the police and security forces; reiterates that prompt, impartial and thorough investigations must be carried out into all allegations of human rights violations, including torture, by police and security forces and that the perpetrators be brought to justice;

- Urges the Angolan judicial authorities to assert their independence from any political instrumentalisation and to ensure the protection of rights recognised by legal instruments, such as access to justice and the right to a fair trial;

- Urges the Angolan Government to conduct an urgent, transparent and credible inquiry into the Huambo massacre, and to provide support to the survivors who have been displaced; echoes the UN calls for an international and independent complementary investigation;

- Remains concerned that measures to combat violence against women and children have not been implemented; calls on the authorities to strengthen the fight against harmful traditional practices, such as the stigmatisation of children accused of sorcery;

 

Regarding the situation of Luaty Beirão, a letter of concern was sent on 20 October 2015.

AZERBAJIAN

Leyla Yunus, Arif Yunus, Rasul Jafarov and Rasim Aliyev

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Intigam Aliyev

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Rauf Mirkadirov

 

 

 

 

 

 

Ilgar Mammadov

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Anar Mammadli

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Omar Mammadov,

Abdul Abilov, Elsever Murselli

 

 

 

 

 

Khadija Ismayilova,

Tofiq Yaqublu,

Nijat Aliyev, Araz Guliyev, Parviz Hashimli, Seymur Hezi, Hilal Mammadov and Taleh Khasmammadov

 

Emin Milli

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Emin Huseynov

 

Leyla Yunus is the well-known director of the Institute for Peace and Democracy. She has been imprisoned together with her husband, the historian Arif Yunus, and Rasul Jafarov, the chair of Azerbaijan’s Human Rights Club on apparent politically motivated charges. Leyla Yunus has been subjected to acts of violence in prison committed by her cellmate, and no measures have been taken to punish the cellmate or to ensure the protection of Ms Yunus. In addition, Ms Yunus’s health has deteriorated in prison and no suitable medical care has been provided.

 

Intigam Aliyev is the chair of Azerbaijan’s Legal Education Society and a human rights lawyer who has defended more than 200 cases before the European Court of Human Rights in the areas of infringement of freedom of speech, the right to a fair trial and electoral law in Azerbaijan, was arrested on 8 August 2014 and subjected to three month’s detention on criminal charges.

 

Rauf Mirkadirov is an investigative journalist with the leading Russian-language newspaper ‘Zerkalo’ who held on pre-trial detention on charges of treason.

 

The European Court of Human Rights (ECHR) has issued numerous rulings in cases of breaches of human rights in Azerbaijan, the latest being on 22 May 2014 in the case of Ilgar Mammadov, chair of the Republican Alternative Civic Movement (REAL); in which despite it being ruled that his detention was politically motivated, the authorities refused to release him.

 

Anar Mammadli is the chair of the Election Monitoring and Democracy Studies Centre (EMDS), Both were sentenced to prison terms of, respectively, 5 years and 6 months and 3 years and 6 months, on charges ranging from tax evasion to illegal entrepreneurship.

 

Social media activists Omar Mammadov, Abdul Abilov and Elsever Murselli were sentenced to between 5 and 5.5 years’ imprisonment on charges of drug possession, none of them having access to a lawyer of their own choosing and all complaining of ill-treatment in police custody.

 

8 activists of the non-governmental youth movement NIDA were convicted on charges of hooliganism, drug possession and possession of explosives, as well as intent to cause public disorder.

 

Emin Milli is a writer and dissident from Azerbaijan, Milli was imprisoned in 2009 for two and a half years for his critical views about the government. He was conditionally released in November 2010, after serving 16 months of his sentence, in part due to strong international pressure on the government of Azerbaijan.

 

Emin Huseynov is an Azerbaijani journalist and chairman of the country’s leading media rights group, the Institute for Reporters’ Freedom and Safety (IRFS). Huseynov was forced into hiding in August 2014, amidst widespread repression of journalists and human rights activists, and was sheltered in the Swiss embassy in Baku until 12 June, when he travelled to Switzerland on a humanitarian visa. His application for asylum was approved four months later.

 

In its Resolution, adopted on 10 September 2015, the European Parliament:

- Calls for the immediate and unconditional release from jail of all political prisoners, human rights defenders, journalists and other civil society activists, including Khadija Ismayilova, Leyla Yunus and Arif Yunus, Anar Mammadli, Rasul Jafarov, Intigam Aliyev, Rauf Mirkadirov, Omar Mammadov, Tofiq Yaqublu, Nijat Aliyev, Araz Guliyev, Parviz Hashimli, Seymur Hezi, Hilal Mammadov, Taleh Khasmammadov and Ilgar Mammadov, in line with the judgment of the European Court of Human Rights (ECHR), and calls for all charges against them to be dropped and for the full restoration of their political and civil rights and public image;

- Calls for a prompt investigation into the death of the journalist and IRFS chair Rasim Aliyev; notes with concern the allegations put forward by a group of journalists that Mr Aliyev died because he had not received appropriate assistance from the doctors assigned to him in the hospital;

- Urges the government of Azerbaijan to fully cooperate with and implement the recommendations of the Council of Europe’s Venice Commission and Commissioner for Human Rights, the UN special procedures in regard to human rights defenders, the rights of freedom of association and peaceful assembly, freedom of expression and arbitrary detention, with the aim of amending its legislation and adapting its practices in full conformity with the conclusions of the experts;

- Calls on the government of Azerbaijan to immediately end its crackdown on civil society and human rights work, ensuring that independent civil society groups and activists can operate without undue hindrance or fear of persecution, including by repealing the laws severely restricting civil society, unfreezing bank accounts of non-governmental groups and their leaders, and allowing access to foreign funding;

- Deplores the continued actions taken by the Azerbaijani government to curb contacts between civil society groups, youth activists and intellectuals in Armenia and Azerbaijan, which are of extreme importance for bridging the long hostility between the two countries; in this regard, again recalls the important work done in this area by Leyla and Arif Yunus;

- Calls on the Azerbaijani authorities to respect freedom of the press and media, both in legislation and in practice and both online and offline, to guarantee freedom of expression in line with international standards and to end censorship of criticism of the government via media outlets;

- Calls on the EU authorities to conduct a thorough investigation into the corruption allegations against President Aliyev and members of his family revealed by the work of the investigative journalist Khadija Ismaylova;

BAHRAIN

Nabeel Rajab

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Abdulhadi-al-Khawaja

 

 

 

Ibrahim Sharif

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Naji Fateel

 

Zainab Al-Khawaja

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zainab Al-Khawaja

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Sheikh Ali Salman

 

Nabeel Rajab is the President of the Bahrain Centre for Human Rights (BCHR) and Deputy Secretary General of the International Federation for Human Rights (FIDH). He was convicted to three years in prison in August 2012 on charges of calling for and participating in ‘illegal gatherings’ and ‘disturbing public order’ between February and March 2011. His sentence was reduced to two years in prison on appeal. Before this imprisonment Mr Rajab was repeatedly detained for peacefully expressing criticism of the government during the pro-democracy protests that erupted Bahrain in 2011.

 

On Friday 29 November 2013 Nabeel Rajab had served three-quarters of his two year sentence and had become legally eligible for release. A third request for early release was submitted on 21 January 2014 to the Court, but was rejected.

The United Nations Working Group on Arbitrary Detention has described the detention of Mr Nabeel Rajab as arbitrary.

 

Nabeel Rajab was arrested on 1 October 2014 after his visit to the Subcommittee on Human Rights of the European Parliament on accusations of posting tweets about a group of his countrymen allegedly cooperating with IS/Daesh. He was charged with insulting a public institution and the army.

 

Abdulhadi-al-Khawaja, who has Danish nationality, is the founder of the BCHR and the regional coordinator of Front Line Defenders and Ibrahim Sharif is the Secretary General of the National Democratic Action Society. On 22 June 2011, they were sentenced to life in prison by a special military court. The legal process came to a conclusion after 3 years of appeals and the sentences were upheld.

 

Naji Fateel is a Bahraini human rights activist and a member of the Board of Directors of the Bahraini human rights NGO Bahrain Youth Society for Human Rights (BYSHR). He has been imprisoned since 2007, tortured and also under death threats during the period of the Bahraini uprising (dated February 2011)

 

Zainab Al-Khawaja is a human rights defender and leading social media activist in Bahrain. She has been a crucial figure in the pro-democracy uprising that started in Bahrain in February 2011. She has suffered legal harassment, arrest, imprisonment, denial of procedural rights, and undertaken hunger strikes in defence of human rights in Bahrain.

 

Sheikh Ali Salman is the Secretary General of Bahrain’s main opposition party al-Wefaq. He was sentenced to four years in prison in the context of anti-government protests which erupted in 2011 at the height of the region’s ‘Arab Spring’ uprisings. His lawyers have reportedly been prevented by the court from presenting oral arguments and have not been provided with any meaningful opportunity to examine the evidence. A group of United Nations independent experts, part of what is known as the Special Procedures of the Human Rights Council, have urged the Bahraini authorities to release Sheikh Ali Salman

 

In its Resolution, adopted on 9 July 2015, the European Parliament:

- Calls for the dropping of charges and immediate and unconditional release of all human rights defenders, political activists and other individuals detained and charged with alleged violations related to the rights of expression, peaceful assembly and association,

including Nabeel Rajab, Sheikh Ali Salman and the ‘Bahrain 13’;

- Calls on the Bahraini authorities to pursue the national consensus dialogue with a view to finding lasting and inclusive national reconciliation and sustainable political solutions for the crisis; notes that in a sustainable political process legitimate and peaceful criticisms should be expressed freely; reminds the Bahraini authorities, in this context, that engaging the Shia majority and its peaceful political representatives on the basis of human dignity, respect and fairness should be an indispensable element of any credible strategy for national reconciliation and sustainable reform;

- Welcomes the early release from prison of opposition leader Ibrahim Sharif in June 2015 after he was given a royal pardon; believes this decision to be a welcome and important step in the process of promoting trust and confidence in Bahrain;

 

Regarding the situation of Sheikh Ali Salman, a letter of concern was sent on 14 January 2015.

BANGLADESH

Hana Shams Ahmed

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Taslima Nasreen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Faisal Arefin Dipan

 

 

 

 

 

Niladri Chatterjee, alias Niloy Neel, Faisal Arefin Dipan, Ananta Bijoy Das, Washiqur Rahman Babu and Abhijit Roy

 

 

 

 

 

 

 

Ahmed Rajib Haider

 

Hana Shams Ahmed is the coordinator of the International Chittagong Hill Tracts Commission (CHTC). On 27 August 2014 she and her friend were brutally attacked by 8 to 10 members of Somo Odhikar Andolon during a private visit to Shoilopropat in Bandarban in the Chittagong Hill Tracts. Four members of the police Detective Branch (DB) who were supposedly providing them with security did not intervene, and even disappeared while the assault was taking place.

Taslima Nasreen is a Sakharov Prize winner known for her powerful writings on the oppression of women and her unflinching criticism of religion, despite her forced exile and multiple fatwas calling for her death. Because of her thoughts and ideas some of her books are banned in Bangladesh, and she has been banned from Bengal, both from Bangladesh and the West Bengal part of India. In the face of continuing threats, Nasreen has had to leave her homeland and sight refuge in Europe several times. Religious fundamentalists have called for the writer to be put to death. A court issued a warrant for her arrest and threatened to confiscate her assets.

The National Human Rights Commission of Bangladesh in 2014 supported her right to return home. A campaigner against religious extremism in all religions, Nasreen urged support for the secular movements in Bangladesh to counteract the rise of Islamic fundamentalism, in a visit to the European Parliament in June 2013. In November 2013, she participated in the Sakharov Prize Network Conference.

Faisal Arefin Dipan, a publisher at the Jagriti Prokashoni publishing house, was brutally murdered with machetes inside his office in Dhaka.

Niladri Chatterjee, alias Niloy Neel, Faisal Arefin Dipan, Ananta Bijoy Das, Washiqur Rahman Babu and Abhijit Roy were five secular bloggers and journalists murdered in Bangladesh in 2015 for having used their fundamental right to free speech on political, social and religious issues. Islamist extremist groups have claimed responsibility for several killings.

 

Prominent blogger Ahmed Rajib Haider was murdered in 2013.

 

In its Resolution, adopted on 26 November 2015, the European Parliament:

- Condemns the increasing attacks of Islamist extremists against secularist writers, bloggers, religious minorities and foreign aid workers; deplores the loss of life and offers its sincere condolences to the victims and their families;

- Calls on the Bangladesh authorities to further condemn the ongoing horrendous acts against freedom of expression and to act to bring an immediate end to all acts of violence, harassment, intimidation and censorship against journalists, bloggers and civil society;

- Urges the Bangladesh Government to take the necessary measures to prevent more killings by taking effective measures to protect writers, publishers and other people who have received threats, not only by providing special physical protection to those who are potential targets of violence, but also by opening public debates that challenge extremist views of all kinds;

- Calls on the Bangladesh authorities to restore the full independence of the media, to drop all charges against publishers and journalists who have published content critical of the government, to allow the immediate re-opening of all media houses which were closed, and to restore immediately full and unhindered access to all forms of publications, including electronic ones;

 

A letter of concern was sent on 17 April 2015.

BELARUS

Maksim Piakarski, Vadzim Zharomski and Viachaslau Kasinerau

 

Youth activists Maksim Piakarski, Vadzim Zharomski and Viachaslau Kasinerau have been detained and are being prosecuted on suspicion of ‘malicious hooliganism’ as disproportionate, and have been suffering violence.

 

In its Resolution, adopted on 10 September 2015, the European Parliament:

- Remains deeply concerned by the human rights and fundamental freedoms situation in Belarus, as well as by the shortcomings observed during previous elections by independent international observers and the active persecution of the opposition leaders after the elections;

- Welcomes the recent release of the remaining political prisoners; calls on the Belarusian Government to rehabilitate the released political prisoners and to fully restore their civil and political rights; stresses that this could be a potential first step towards improving relations between the European Union and Belarus; points out, however, that similar steps in the past were rather token gestures and neither contributed to improving the situation of Belarusian society nor improved relations with the EU;

- Expects the authorities to stop the harassment of independent media for political reasons;

- Expresses its concern about the recent detention and ongoing criminal prosecution of youth activists Maksim Piakarski, Vadzim Zharomski and Viachaslau Kasinerau on suspicion of ‘malicious hooliganism’ as disproportionate, and strongly condemns the violence they have suffered;

BURUNDI

Bob Rugurika

 

Three elderly Italian nuns, Lucia Pulici, Olga Raschietti and Bernadetta Boggian

 

 

 

 

 

 

 

 

Pierre Claver Mbonimpa

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Marguerite Barankitse, Antoine Kaburahe and Bob Rugurika

 

On 20 January 2015 the Burundian authorities arrested and detained the human rights defender Bob Rugurika, director of Radio Publique Africaine (RPA), following his refusal to reveal his sources days after his radio station broadcast a series of investigative reports concerning the killing in September 2014 of three elderly Italian nuns, Lucia Pulici, Olga Raschietti and Bernadetta Boggian, in Kamenge, a town north of Bujumbura.

Pierre Claver Mbonimpa is a leading human rights defender and President of the Association for the Protection of Human Rights and Detained Persons (Association pour la protection des droits humains et des personnes détenues, APRODH) who was arrested on 15 May 2014 and later charged with ‘threatening the external security of the state’ and ‘threatening the internal security of the state by causing public disorder’ and has been in pre-trial detention since he was taken in for questioning.

 

Mr Mbonimpa’s work in the defence of democracy and human rights in Burundi over the past two decades and more has earned him several international awards and widespread recognition domestically and beyond. The charges against him relate to comments he made on Radio Publique Africaine (RPA) on 6 May 2014 that the youth wing of the ruling party CNDD-FDD, also known as the Imbonerakure, is being armed and sent to the Democratic Republic of Congo (DRC) for military training.

 

The arrest of Pierre Mbonimpa is representative of the mounting risks facing human rights defenders, the harassment of activists and journalists and the arbitrary arrest of opposition party members, which according to human rights groups and the UN Assistant Secretary-General for Human Rights have largely been carried out by the Imbonerakure.

According to the OHCHR and other human rights organisations, politically motivated human rights violations, human rights abuses and acts of violence were carried out in the country during both the pre-election and the post-election periods, targeting opposition activists, human rights defenders and journalists in particular, including Pierre Claver Mbonimpa, whose son was found dead after having been arrested by the police, Marguerite Barankitse, Antoine Kaburahe and Bob Rugurika.

 

In its Resolution, adopted on 12 February 2015, the Parliament:

- Condemns the unjustified detention of Bob Rugurika and calls for his immediate and unconditional release; calls on the authorities at the same time to continue their investigations into the tragic killing of the three Italian nuns and to bring those responsible to justice; calls equally for the setting-up of an independent inquiry into the killing of the three nuns;

- Denounces all human rights violations in Burundi and the introduction of restrictive laws ahead of the country’s 2015 presidential and parliamentary elections, in particular those having a damaging impact on the opposition, the media and civil society by restricting the freedoms of expression and association and the freedom to hold meetings;

- Calls on the Burundian authorities to ensure an appropriate and fair balance between freedom of the media, including the freedom of journalists to investigate and report on crimes, and the need to ensure the integrity of criminal investigations;

- Calls on the Burundian Government to allow a genuine and open political debate in the run-up to the 2015 elections and to respect the Roadmap and Code of Conduct negotiated under UN auspices and signed by all Burundian political leaders; recalls that the Burundian constitution states: ‘The President of the Republic is elected for a five-year term renewable once. No one can serve for more than two terms as president’;

- Calls on the Burundian Government to respect the electoral calendar, and to include the opposition parties in the monitoring of the elections, including the phase of partial registration of new voters as agreed between the Independent National Electoral Commission (CENI) and the political parties at the voters’ registration evaluation meeting of 29-30 January 2015;

- Urges the Burundian Government to take measures to control the youth wing of the CNDD-FDD party and prevent it from intimidating and attacking perceived opponents, and to ensure that those responsible for abuses are brought to justice; calls for an independent international investigation into the claims that the CNDD-FDD is supplying its youth wing with arms and training; urges the leaders of the opposition parties to prevent violence against their opponents;

 

In its Resolution, adopted on 17 December 2015, the European Parliament:

- Calls for an immediate end to violence, human rights violations and political intimidation of opponents and for the immediate disarmament of all armed groups allied to political parties, in strict accordance with international law and human rights;

- Urges all parties to establish the necessary conditions for rebuilding trust and fostering national unity, and calls for the immediate resumption of an inclusive and transparent national dialogue, including the government, opposition parties and civil society representatives;

- Stresses that such dialogue, aimed at achieving lasting peace, security and stability, and at restoring democracy and the rule of law, in the interest of the citizens of Burundi, should be based on the Arusha Agreement and the Burundian Constitution, which requires compliance with international law and treaties;

- Reminds the Burundian authorities of their obligation to ensure security in its territory and guarantee human rights, civil and political rights and fundamental freedoms, as provided for in the Burundian Constitution, the African Charter on Human and Peoples’ Rights and in other international and regional human rights instruments;

- Urges the Burundian authorities to encourage the establishment of the truth about the mass crimes committed between 1962 and 2008, through judicial and non-judicial measures, such as a truth and reconciliation commission and special tribunals, promoting national reconciliation;

- Expresses its grave concern at the number of victims and cases of serious human rights violations reported since the beginning of the crisis; urges the competent authorities to undertake a rigorous and prompt investigation into the circumstances and motives behind these crimes and to ensure that those responsible are brought to justice; reiterates that there can be no impunity for those responsible for violations or serious abuses of human rights; calls on the authorities to ensure that schools remain a safe haven for learning; calls on the ICC Prosecutor to closely monitor the situation in Burundi and supports her declaration of 6 November 2015;

- Calls for the safe return of journalists and human rights defenders in exile, the reopening of the media that were closed after the failed coup attempt of 13 and 14 May 2015 and for the charges against those journalists accused of having taken part, directly or indirectly, in the abortive coup to be dropped;

CAMBODIA

Sam Rainsy and Kem Sokha

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Senator Hong Sok Hour and CNRP activists and organisers

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Khem Sapath

 

Sam Rainsy and Kem Sokha are the Cambodia National Rescue Party (CNRP) leaders who were summoned to appear at the Phnom Penh Municipal Court on 14 January 2014 for questioning. Sam Rainsy and Kem Sokha may be convicted of incitement to civil unrest. The King amnestied Sam Rainsy on 14 July 2013, making it possible for him to return to Cambodia; however, his right to vote and run in the elections was not restored.

On 13 November 2015 the Cambodian authorities issued an arrest warrant for Sam Rainsy, who was summoned by a court to appear for questioning on 4 December 2015 in relation to a post published on his public Facebook page by an opposition senator, Hong Sok Hour, who has been under arrest since August 2015 on charges of forgery and incitement after posting on Sam Rainsy’s Facebook page a video containing an allegedly false document relating to the 1979 border treaty with Vietnam.

On 30 October 2015 opposition party deputy leader Kem Sokha was removed from his position as First Vice-President of the National Assembly by the ruling Cambodian People’s Party (CPP) during a session boycotted by the CNRP

 

In its Resolution, adopted on 26 November 2015, the European Parliament:

- Urges the Cambodian authorities to revoke the arrest warrant and drop all charges issued against opposition leader Sam Rainsy and CNRP members of the National Assembly and Senate, including Senator Hong Sok Hour and CNRP activists and organisers, to allow them to work freely without fear of arrest or persecution, and to end political use of the courts to prosecute people on politically-motivated and trumped-up charges;

- Calls on the National Assembly to reinstate Sam Rainsy immediately and to restore his parliamentary immunity;

- Urges the Government of Cambodia to recognise the legitimate and useful role played by civil society, trade unions and the political opposition in contributing to Cambodia’s overall economic and political development;

- Encourages the government to work towards strengthening democracy and the rule of law and to respect human rights and fundamental freedoms, which includes fully complying with the constitutional provisions concerning pluralism and freedom of association and expression;

- Urges the government to abrogate the Law on Associations and Non-Governmental Organisations, the recent promulgation of which has given state authorities arbitrary powers to shut down and block the creation of human rights organisations and has already begun deterring human rights defence work in Cambodia;

- Urges the government and parliament to ensure genuine and serious consultation with all those affected by draft legislation such as the Trade Union, Cybercrime and Telecommunications Laws and to ensure that the texts are in line with Cambodia’s human rights obligations and commitments under domestic and international law;

- Calls on the Cambodian Government to end arbitrary detentions and suspicious disappearances and allow voluntary and human rights organisations to operate freely; calls on the Cambodian Government to seriously investigate the disappearance of Khem Sapath;

- Calls on the relevant government authorities to drop the prosecution of human rights defenders under other laws in force which are being used to persecute them for their human rights work, and to immediately and unconditionally release all those jailed on politically motivated and trumped up charges;

CHINA

Tenzin Delek Rinpoche

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ilham Tohti

 

Tenzin Delek Rinpoche, a highly respected Tibetan religious leader, was held in prison for over 13 years, serving a life sentence for a crime he did not commit. For years, he worked to develop social, medical, educational and religious institutions for Tibetan nomads in the area, as an advocate for environmental conservation in the face of indiscriminate logging and mining projects, and as a mediator between Tibetans and Chinese.

Because of his efforts to preserve Tibetan identity, the Chinese authorities viewed him as a threat to their control in the region. He died on 12 July 2015.

Ilham Tohti is a well-regarded ethnic Uyghur economist and peaceful critic of the Chinese government. In 2014, he has been sentenced to life in prison after being convicted of separatism.

 

In its Resolution, adopted on 16 December 2015, the European Parliament:

- Notes that under the leadership of President Xi, the Chinese government is showing a growing assertiveness both internally and externally; points out that the country’s civil rights activists, lawyers, journalists, bloggers, academics and other representatives of civil society are now finding their freedom curbed in a way that has not been seen for years; observes that China’s human rights record remains a matter of serious concern;

- Notes that a strong contradiction exists between the official Chinese aspiration to the universality of human rights and the worsening human rights situation; notes that the recent worsening of the situation of human rights and freedoms in China started in 2013 and has intensified an already existing crackdown over the population, limiting the space for expression and peaceful advocacy for civil society even further; is deeply worried at the arrest, trial and sentencing of numerous civil rights activists, human rights defenders and government critics and at the fact that more than 100 human rights lawyers and activists have been detained or questioned by Chinese police; calls on the Chinese authorities to release those in custody and to ensure that they can exercise their profession without hindrance;

- Urges the EU to continue pressing for an improvement of the human rights situation in China whenever dialogues are held at any level and to include human rights clauses in any bilateral treaty agreed with China;

- Remains highly concerned that China is currently the world’s largest executioner and continues to impose the death penalty in secret on thousands of people annually, without regard to international minimum standards on the use of the death penalty; emphasises once again that abolition of the death penalty contributes to the enhancement of human dignity and the progressive development of human rights;

- Remains concerned at the persisting severe restrictions on freedom of expression, association, assembly, and religion, as well on the activities of human rights organisations;

- Criticises China’s highly restrictive media environment and tightly controlled digital domain, where foreign, including European, web content is blocked and domestic content deemed politically threatening is routinely deleted and censored; strongly protests against the high number of Chinese citizens jailed for offences involving freedom of expression, especially on the internet;

- Is deeply concerned that the Chinese government is continuing its hardline policies against the Tibetan people, especially by rejecting the Dalai Lama’s ‘Middle Way Approach’ which seeks neither independence nor separation but a genuine autonomy within the framework of the Constitution of the PRC; calls for the Chinese government to re-enter into a dialogue with Tibetan representatives; protests against the marginalisation of Tibetan culture by the CPC, and urges the Chinese authorities to respect the freedoms of expression, association and religion of the Tibetan people; deplores the deterioration of the humanitarian situation in Tibet, which has led to an increase in self-immolation cases; notes with concern the recently passed criminalisation measures relating to self-immolation aimed at punishing those allegedly associated with self-immolators; deplores the forceful resettlement of over 2 million Tibetan nomads and herders since 2006 in the so-called ‘New Socialist Village’, as they are cut off from medical care, education and prosperity; is equally concerned at the ongoing transfer of Han Chinese populations into Tibet; expresses its concern regarding the cases of torture, disappearance and arbitrary detention and the denial of access to medical care for prisoners, including monk Tenzin Delek Rinpoche and 10 other prominent Tibetan prisoners; demands a detailed investigation of all death in prison cases;

 

Regarding the situation of Ilham Tohti, a letter of concern was sent on 23 June 2015.

DEMOCRATIC REPUBLIC OF CONGO (DRC)

Yves Makwambala and Fred Bauma

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Christopher Ngoyi, Jean-Claude Muyambo, Vano Kiboko and Cyrille Dowe

 

 

Yves Makwambala and Fred Bauma are two detained human rights activists. Both are still being detained in Makala prison in Kinshasa and are charged with belonging to an association formed for the purpose of attacking people and property, conspiring against the head of state, and attempting to either destroy or change the ‘constitutional regime’ and to incite people to take up arms against state authority. The authorities have also charged Fred Bauma with disturbing the peace, and Yves Makwambala with publicly offending the head of state, while they were exercising their freedom of expression, peaceful assembly and association.

 

As soon as the protests started the authorities began a crackdown on human rights activists and opposition politicians who had demonstrated peacefully against the provision, including Christopher Ngoyi, Jean-Claude Muyambo, Vano Kiboko and Cyrille Dowe, who are still being detained for what appear to be politically motivated reasons

 

 

In its Resolution, adopted on 9 July 2015, the European Parliament:

- Calls on the DRC authorities to release Yves Makwambala and Fred Bauma immediately and unconditionally, and to drop all charges against them and other Filimbi leaders as well as any other activists, prisoners of conscience and political opponents arbitrarily arrested and detained solely for their political views or for participating in peaceful activities;

- Supports the National Assembly of the DRC’s calls for the rapid reaching of a political solution that allows the members of Filimbi and other peaceful civil society associations to exercise their freedom of expression and association without fear of being pursued or persecuted;

- Urges the authorities to ensure that the detainees have not been, and are not being, subjected to any acts of torture or ill-treatment, and to guarantee full protection and access to their families and lawyers;

- Is strongly concerned about the continuous attempts to limit freedom of expression, peaceful assembly and association and the increased breaches of these freedoms by the authorities, given that the right political climate is indispensable if a successful electoral cycle is to be achieved in the DRC in the next year;

- Finds it particularly regrettable that these violations specifically target opposition leaders and youth movements;

- Calls on the DRC authorities to ensure that the aforementioned freedoms are immediately and unconditionally upheld, especially in the electoral period, as guaranteed by the DRC’s constitution and international human rights law;

- Urges the DRC judicial authorities to assert their independence from any political instrumentalisation and to ensure the protection of rights recognised by legal instruments, such as access to justice and the right to a fair trial;

EGYPT

Ibrahim Halawa

 

 

Ibrahim Halawa is an Irish citizen who has been detained for more than two years on charges of attending an illegal protest on 16 and 17 august 2013 while on a family holiday in Cairo, during which protesters allegedly caused deaths and criminal damage. Ibrahim Halawa was 17 years old – and therefore still a juvenile under Egyptian and international law – at the time of his arrest. He was arrested along with his three sisters, having sought refuge in the Al-Fateh mosque when violence erupted during a demonstration. His three sisters were subsequently released by the authorities.

 

The prosecutor has failed to provide evidence that Ibrahim Halawa was involved in a single act of violence during the protests. His trial has been repeatedly postponed and adjourned by the Egyptian Court, most recently on 15 December 2015. He was not charged for a year after his arrest and he is awaiting, along with 493 individuals, the majority of whom are adults, a mass trial due to take place on 19 December 2015, without any guarantee of the minimum standards for a free and fair trial being applied, and will potentially face the death penalty if convicted.

 

Ibrahim Halawa is being detained for peacefully exercising his rights to freedom of expression and assembly and is considered by Amnesty International as a prisoner of conscience. He faces extremely harsh prison conditions, which include alleged acts of torture and other cruel, inhuman and degrading treatment upon arrest and in detention, and has been denied medical and legal assistance. According to his family and legal representatives, Ibrahim Halawa has been on hunger strike in protest.

 

In its Resolution, adopted on 17 December 2015, the European Parliament:

- Expresses its deep concern about the unacceptable breach of basic human rights arising from the arbitrary detention of Irish citizen Ibrahim Halawa, and calls on the Egyptian authorities to immediately and unconditionally release him to the Irish authorities pursuant to a presidential decree issued in November 2014 under Egyptian Law 140;

- Expresses its deepest concern at the deteriorating condition of Ibrahim Halawa due to his hunger strike and his alleged poor conditions in prison; calls on the Egyptian authorities to ensure, as a matter of priority, that the good health and well-being of Ibrahim Halawa are maintained while he remains in prison; demands that all allegations of torture and maltreatment of Ibrahim Halawa be thoroughly and independently investigated;

- Asks the Egyptian authorities to ensure that Article 10 of the International Covenant on Civil and Political Rights, which states that ‘all persons deprived of their liberty shall be treated with humanity and with respect for the inherent dignity of the human person’, is respected;

- Reminds the Egyptian authorities that Egypt is bound by indisputable international obligations under the Convention on the Rights of the Child as they apply to Ibrahim Halawa; demands that the Egyptian authorities categorically rule out the threat of the death penalty should Ibrahim Halawa be convicted, given that he was arrested as a juvenile;

- Is extremely concerned about the failure of the Egyptian authorities to uphold the right to a fair trial for Ibrahim Halawa and his 493 co-defendants, in particular the lack of opportunity to review or challenge their continued detention and the charges against them, the repeated denial of access to lawyers and the excessive pre-trial detention period, which violates Egypt’s domestic and international obligations;

- Remains convinced that it will be extremely difficult for Ibrahim Halawa’s lawyers to mount an individual defence in the event that his case is heard as part of a mass trial of all defendants arrested in connection with the August 2013 protests;

- Strongly condemns the use of a mass trial in the judicial process and calls on the Egyptian authorities to abide by international law and safeguard the highest international standards with regard to the right to a fair trial and due process; calls on the Egyptian authorities to release those detained for peacefully exercising their right to freedom of expression, assembly and association as enshrined in the Egyptian constitution and other international conventions to which Egypt is a party; expresses its profound preoccupation with the severe deterioration of the media environment; condemns the trials against and conviction of Egyptian and foreign journalists, in absentia;

KYRGYZSTAN

Azimjon Askarov

 

Azimjon Askarov is a prisoner of conscience pending a full, impartial and fair investigation, including into his allegations of torture and ill-treatment.

 

In its Resolution, adopted on 15 January 2015, the European Parliament:

- Reminds the Kyrgyz Parliament of its international obligations and of the Partnership and Cooperation Agreement with the European Union, which includes full respect for human rights as an essential element of the partnership and calls for the withdrawal of the draft law on ‘dissemination of information about non-traditional sexual relations’ currently under review in parliament;

- Notes that the draft law passed its first reading and must be voted on twice more before going to the President for signature, and stresses that the adoption of any legislation on ‘non-traditional relations’ should not run counter to Kyrgyzstan’s human rights obligations and commitments;

- Calls on the Kyrgyz authorities to reaffirm publicly that all people in Kyrgyzstan have the right to live free from discrimination and violence based on their sexual orientation and gender identity and that any acts to the contrary are illegal and will be prosecuted;

- Calls on the Kyrgyz Parliament to follow the recommendations made by the Parliamentary Assembly of the Council of Europe in Resolution 1984 (2014) on the Request for Partner for Democracy status, in particular recommendations 15.24, 15.25 and 15.26;

- Calls on the Kyrgyz Parliament to respect its constitution, including Article 16, which states that ‘laws that deny or derogate human and civil rights and freedoms shall not be adopted in the Kyrgyz Republic’, and Articles 31, 33 and 34, which affirm freedom of speech, freedom of information and freedom of assembly, and to reject draft bill 6-11804/14;

- Calls on the Kyrgyz authorities to take all the measures needed to ensure that human rights defenders can carry on their work of promoting and protecting human rights without hindrance;

- Calls on the Kyrgyz authorities to ensure that allegations of torture and inhuman and degrading treatment are investigated promptly and efficiently and that perpetrators are brought to justice; calls, furthermore, for the release of all prisoners of conscience, with regard in particular to Azimjon Askarov pending a full, impartial and fair investigation, including into his allegations of torture and ill-treatment;

 

A letter of concern on the situation of LGBTI rights was sent on 26 February 2015. Regarding the situation of Azimjon Askarov, a letter of concern was sent on 23 July 2015.

MALAYSIA

Nurul Izzah

 

 

Anwar Ibrahim

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zulkiflee Anwar Ulhaque (Zunar)

Khalid Ismath

Azmi Sharom

 

 

 

 

 

 

Matthias Chang

Khairuddin Abu

Hassan

 

 

 

 

Lena Hendry

Maria Chin Abdullah

 

 

Nurul Izzah, opposition Member of Parliament in Malaysia

Anwar Ibrahim is a former opposition leader sentenced on charges of sodomy in February 2015 following a politically motivated prosecution which resulted in criminal proceedings that failed to meet international standards of fair trial. He has been denied appropriate medical care.

 

Malaysian cartoonist Zulkiflee Anwar Ulhaque (Zunar) is facing charges under the Sedition Act following critical tweets against the government with regard to the sentencing of Anwar Ibrahim; whereas blogger Khalid Ismath and academic Azmi Sharom face similar charges;

 

Lawyer Matthias Chang and politician Khairuddin Abu Hassan, both political dissidents, were arrested following their investigations into these allegations.

 

Lena Hendry and Maria Chin Abdullah are human rights activists.

 

In its Resolution, adopted on 17 December 2015, the European Parliament:

- Deplores the deteriorating human rights situation in Malaysia and in particular the crackdown on civil society activists, academics, media and political activists; expresses concern with regard to the spike in the number of people facing charges or arrest under the Sedition Act;

- Urges the Malaysian Government to immediately release all political prisoners, including former opposition leader Anwar Ibrahim, and to provide them with appropriate medical care, and to drop politically motivated charges, including those against cartoonist Zulkiflee Anwar Haque (Zunar), blogger Khalid Ismath, academic Azmi Sharom, political dissidents Khairuddin Abu Hassan and Matthias Chang, and human rights activists Lena Hendry and Maria Chin Abdullah;

- Underlines the importance of independent and transparent investigations into the graft allegations, and of full cooperation with the investigators; urges the Malaysian Government to refrain from putting pressure on the Malaysian Anti-Corruption Commission and media;

- Calls on the Malaysian Government to ratify key international human rights conventions, including the ICCPR, the ICESCR, the CAT, the ICERD, ILO Convention 169, the ICC Rome Statute, as well as the 1951 Convention Relating to the Status of Refugees and its optional protocol;

- Urges the EU Delegation to Malaysia to step up efforts to finance projects on freedom of expression and reforming repressive laws, and to use all appropriate tools, including the European Instrument for Democracy and Human Rights, to protect human rights defenders; urges the withdrawal of the anti-sodomy law and calls on the EEAS, in line with the EU guidelines on the protection and promotion of the rights of LGBTI persons, to step up its work on the rights of LGBTI people in Malaysia who face violence and persecution, and to aim in particular towards the decriminalisation of homosexuality and transgenderism;

 

MALDIVES

Mohamed Nasheed

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ahmed Adeeb

Mohamed Nazim

Tholhath Ibrahim

 

 

 

Mahfooz Saeed

 

 

 

 

Ahmed Rilwan

 

 

 

 

 

Sheikh Imran Abdulla

 

On 13 March 2015 Mohamed Nasheed, the first democratically elected president of the Maldives, was sentenced to 13 years in prison on politically motivated charges, and whereas this was condemned by the UN Working Group on Arbitrary Detention; whereas his trial was marred by irregularities; whereas other former officials, including former vice-president Ahmed Adeeb and former defence ministers Mohamed Nazim and Tholhath Ibrahim, have also been arrested and imprisoned.

Mahfooz Saeed, a human rights lawyer and member of the legal team of former president Mohamed Nasheed.

Ahmed Rilwan, is a journalist critical of the government who ‘disappeared’ in August 2014, is still missing and is now feared dead.

Sheikh Imran Abdulla is a political prisoner.

 

In its Resolution, adopted on 17 December 2015, the European Parliament:

- Deplores the crackdown on political opponents; calls on the Government of the Maldives to release, immediately and unconditionally, former president Mohamed Nasheed, former vice-president Ahmed Adeeb and former defence ministers Tholhath Ibrahim and Mohamed Nazim, together with Sheikh Imran Abdulla and other political prisoners, and to clear them of all charges; is also concerned about the former president’s deteriorating health;

- Reiterates its gross dissatisfaction with the serious irregularities in the trial of former president Mohamed Nasheed;

- Calls on the Maldivian Government to guarantee full impartiality of the judiciary and to respect due process of law and the right to a fair, impartial and independent trial; stresses the need to depoliticise the country’s judiciary and security services;

- Calls on the Government of the Maldives to respect and fully support the right to protest and the right to freedom of expression, association and assembly, and not to seek to restrict those rights; also calls on the Government of the Maldives to end impunity for vigilantes who have used violence against people promoting religious tolerance, peaceful protesters, critical media and civil society; calls on the Maldives to respect fully its international obligations;

- Calls on the Maldivian Government to safeguard the rights of pro-democracy campaigners, moderate Muslims, supporters of secularism, and those who oppose the promotion of Wahhabi-Salafist ideology in the Maldives, and to ensure their right to participate in all areas of public life in the Maldives;

- Recalls that media freedom is the cornerstone of a functioning democracy; calls on the Maldivian Government and authorities to ensure adequate protection of journalists and human rights defenders who face threats and attacks on account of their legitimate work, and, in this context, to allow a proper investigation into the disappearance of Ahmed Rilwan, the assault on Mahfooz Saeed and the attacks and threats against journalists, members of civil society, and independent institutions;

NIGERIA

Mass displacement of children

 

 

 

 

In its Resolution, adopted on 8 October 2015, the European Parliament:

- Deplores the acts which have led to the mass displacement of innocent children and calls for immediate coordinated international action to assist the work of UN agencies and NGOs in preventing displaced children and youths from being subjected to sexual slavery, other forms of sexual violence and kidnappings and from being forced into armed conflict against civilian, government and military targets in Nigeria by the Boko Haram terrorist sect; stresses the paramount need to duly protect children’s rights in Nigeria, a country in which over 40 % of the total population is aged between 0 and 14;

- Believes that in the cases of children formerly associated with Boko Haram or other armed groups, non-judicial measures should be considered as an alternative to prosecution and detention;

- Calls on the President of Nigeria and his newly appointed Federal Government to adopt strong measures to protect the civilian population, to put special emphasis on the protection of women and girls, to make women’s rights and children’s rights a priority when fighting extremism, to provide help for victims and to prosecute wrongdoers, and to ensure women’s participation in decision-making at all levels;

- Calls on the Nigerian Government to launch, as promised by President Buhari, an urgent, independent and thorough investigation into crimes under international law and other serious human rights violations by all parties to the conflict;

- Urges the President of the Federal Republic to address the challenges involved in abiding by all campaign promises and the latest statements, the most important of which are defeating the terrorist threat, making respect for human rights and humanitarian law a central pillar of military operations, bringing back the Chibok girls and all other abducted women and children alive and unharmed, addressing the ever growing problem of malnutrition, and fighting corruption and impunity in order to deter future abuses and work towards justice for every victim;

- Urges the Nigerian authorities and the international community to work closely together and to increase efforts to reverse the continuous trend towards the further displacement of people; welcomes the determination expressed at the Niamey Regional Summit of 20 and 21 January 2015 by the 13 participating countries, and in particular the commitment of Chad, together with Cameroon and Niger, to engage in the fight against the terrorist threats of Boko Haram; calls on the Multinational Joint Task Force (MNJTF) to observe international human rights and humanitarian law conscientiously in its operations against Boko Haram; reiterates that a military approach alone will not suffice to counter the Boko Haram insurgency;

- Calls on the Nigerian Government to take measures to facilitate the return of displaced persons, especially children, to guarantee their safety, and to assist NGOs in their efforts to improve conditions in the camps for people displaced by the conflict by, inter alia, improving hygiene and sanitation in order to prevent the possible spread of disease;

PAKISTAN

the Peshawar school students (140 people, including 134 school children)

 

 

 

In its Resolution, adopted on 15 January 2015, the European Parliament:

- Strongly condemns the brutal massacre of schoolchildren perpetrated by Pakistani Taliban splinter group Tehreek-e-Taliban (TTP) as an act of horror and cowardice, and expresses its condolences to the families of the victims of the Peshawar school attack and its support to the people and the authorities of Pakistan;

- Expects the Government of Pakistan to take urgent and effective measures, in keeping with internationally recognised standards of the rule of law, to address the security threat posed by all militant groups operating within Pakistan and the surrounding region, without exception; underlines that no form of terrorism or extremism should be supported by the authorities;

- Calls on the Government of Pakistan to ensure the safety of schools and to make sure that children, regardless of gender, are never intimidated while going to school; believes the government should show significantly stronger determination and strengthen its efforts to arrest and prosecute TTP militants and others who target schools for violence, failing which its international credibility will be undermined;

- Calls on the Government of Pakistan to reserve anti-terrorism laws for acts of terror, instead of being using them to try ordinary criminal cases; regrets strongly the recourse to fast-track military justice which lacks minimal conditions of international standards of the rule of law, and underlines that the prolonged granting of GSP+ preferences is linked to the accomplishment of certain basic standards enshrined in UN and ILO conventions;

- Urges the Pakistani Government to abide by the recently ratified international agreements on human rights, including the International Covenant on Civil and Political Rights and the United Nations Convention Against Torture and Other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment, which oblige the authorities to ensure basic fair trials prohibiting them from using military courts to try civilians when the regular courts are functioning;

 

Letters of concern were sent on 2 February and 12 February 2015.

PARAGUAY

Pregnant girls

 

 

In its Resolution, adopted on 11 June 2015, the European Parliament:

- Reaffirms its condemnation of all forms of abuse and violence against women and girls, especially the use of sexual violence as a weapon of war, and domestic violence; calls on Paraguay to ensure that women and girls have access to safe and legal abortion, at a minimum, when their health and life are in danger, where there is severe foetal impairment and in cases of rape and incest;

- Expresses its strong concern about the high number of child pregnancies in Paraguay; urges the Paraguayan authorities to meet their international obligations and to protect human rights by ensuring that all girls have access to all possible information and medical services for the management of high-risk pregnancies resulting from rape;

- Urges the Paraguayan authorities to conduct an independent and impartial investigation into the aforementioned rape and to bring the perpetrator to justice; calls on the Paraguayan authorities to release the girl’s mother immediately; welcomes the proposal by members of the Paraguayan congress to raise the maximum prison sentence for the rape of a minor from 10 years to 30 years;

RUSSIA

Aleksei Navalny

(and his brother Oleg Navalny)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Boris Nemtsov

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Anna Politkovskaya, Alexander Litvinenko,

Stanislav Markelov,

Anastasia Baburova,

Natalya Estemirova and

Sergei Magnitsky

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Eston Kohver, Oleg Sentsov and Olexandr Kolchenko

 

Aleksei Navalny is an opposition leader who were sentenced to 10-day jail terms. Moreover, Aleksei Navalny has been placed under house arrest for two months and on 5 March 2014 was fitted with an electronic bracelet to monitor his activities.

Alexei Navalny has consistently exposed massive corruption within the highest levels of the Russian state apparatus; whereas his first court verdict imposing a five-year sentence on him in July 2013 was seen as political. He was placed under house arrest for two months in February 2014, and was fitted with an electronic bracelet to monitor his activities in March 2014.

 

Alexei Navalny won 27 % of the vote in the September 2013 Moscow mayoral elections, thus confirming himself as one of the most prominent faces of the Russian opposition to the Kremlin.

 

Alexei Navalny’s second court verdict had been due on 15 January 2015, but inexplicably the court brought the date forward to 30 December 2014, when most Russians were focused on the New Year holiday; whereas the same technique of bringing the date forward was used with Mikhail Khodorkovsky.

 

Boris Nemtsov, the former Deputy Prime Minister of the Russian Federation, the former Governor of Nizhny Novgorod, a preeminent reformist of the post-Soviet Russian society and economy and one of the leaders of Russia’s liberal and democratic opposition, was murdered near the Kremlin two days before a demonstration scheduled for 1 March 2015, which he was organising, against the effects of the economic crisis and the conflict in Ukraine

 

Boris Nemtsov, a prominent opposition leader, a founder and leader of the political movement Solidarnost and a leading critic of President Vladimir Putin and of the war in Ukraine who committed his life to a more democratic, prosperous, open Russia and to strong partnerships between Russia and its neighbours and partners.

 

In the weeks before his assassination Boris Nemtsov was investigating Russia’s participation in the Donbas conflict and had the intention of publishing a report on the issue; whereas five men have been arrested over the killing of Boris Nemtsov.

 

 

 

 

Journalist Anna Politkovskaya, Alexander Litvinenko, who was allegedly murdered in the United Kingdom, lawyer Stanislav Markelov, journalist Anastasia Baburova, human rights defender Natalya Estemirova, lawyer Sergei Magnitsky, are also unresolved politically motivated murders and suspicious deaths perpetrated in Russia since 1998.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Estonian police officer Eston Kohver was abducted in September 2014 from Estonian territory by the FSB and subsequently illegally detained in Russia, an action which constitutes a clear and serious violation of international law.

 

The Ukrainian film-maker Oleg Sentsov and the civic activist Olexandr Kolchenko, who opposed the illegal annexation of the Crimean Peninsula by Russia, were arrested in May 2014 in relation to alleged activities conducted in Crimea. They were treated as Russian citizens despite holding Ukrainian citizenship.

 

In the case of both Oleg Sentsov and Olexandr Kolchenko there have been allegations of torture and severe mistreatment leading to the illegal extraction of depositions which have subsequently been given legal value.

 

Oleg Sentsov and Olexandr Kolchenko were tried in a military court for crimes over which civilian courts have full jurisdiction. The trial was marred by numerous and grave procedural violations.

 

In its Resolution, adopted on 15 January 2015, the European Parliament:

- Expresses its deepest concern at the fact that, in Russia, the law is being used as a political instrument; underlines that the conviction of the prominent lawyer, anti-corruption campaigner and social activist Alexei Navalny, imposing a 3.5-year suspended sentence on him and a 3.5-year prison sentence on his brother, Oleg Navalny, was based on unsubstantiated charges; strongly deplores that the prosecution seems to be politically motivated;

- Notes with concern that, even though Alexei Navalny is being kept out of prison, his brother Oleg Navalny is currently imprisoned, and that this is giving rise to concern with regard to the possible political use of a family member to intimidate and silence one of Russia’s opposition leaders, Alexei Navalny; recalls that Alexei’s brother, Oleg, the father of two small children and a former executive of the state-owned postal service, has never played a role in the Russian opposition movement;

- Urges the Russian judicial and law-enforcement authorities to carry out their duties in an impartial and independent manner, free of political interference and to ensure that the judicial proceedings in the Navalny cases, and all the other investigations and trials against opposition activists, meet the internationally accepted standards; stresses the importance of ensuring that judicial decisions are free from political interference, independent, and are taken in full compliance with the rule of law;

- Fully backs the campaign against corruption in Russia initiated by Alexei Navalny, and supports the efforts of Russian people to find a settlement ensuring democracy, political pluralism, unity and respect for human rights;

 

In its Resolution, adopted on 12 March 2015, the European Parliament:

- Strongly condemns the killing of Boris Nemtsov in the most significant political assassination in recent Russian history, in which he was shot dead near the Kremlin, in an area with video cameras, police and security services;

- Pays tribute to Boris Nemtsov, a prominent opposition leader, a founder and leader of the political movement Solidarnost and a leading critic of President Vladimir Putin and of the war in Ukraine who committed his life to a more democratic, prosperous, open Russia and to strong partnerships between Russia and its neighbours and partners; extends its deepest condolences to Boris Nemtsov’s family and friends, members of the opposition and the Russian people; condemns the Russian leadership’s decision to prevent some EU diplomats and national delegations from attending his funeral, thereby impeding the EU’s attempt to pay tribute to brave Russian citizens standing for universal values;

- Points out that his killing is one of a growing number of unresolved politically motivated murders and suspicious deaths perpetrated in Russia since 1998, which include those of investigative journalist Anna Politkovskaya, Alexander Litvinenko, who was allegedly murdered in the United Kingdom, lawyer Stanislav Markelov, journalist Anastasia Baburova, human rights defender Natalya Estemirova, lawyer Sergei Magnitsky, and now politician Boris Nemtsov;

- Calls on the authorities of the Russian Federation to stop the shameful propaganda and information war against its neighbours, the Western world and its own people, which is turning Russia into a state characterised by repression, hate speech and fear, where nationalist euphoria is built on the annexation of Crimea and an escalating war in Ukraine, where the rights of the Crimean Tatars are violated and where the Kremlin, in breach of international law, is cultivating and provoking hatred and fighting; condemns the new propaganda war being waged against democratic and fundamental values, which are presented as being alien to Russian society; recalls that both the European Union and the Russian Federation have committed, in numerous international declarations and treaties, to protecting universal democratic values and fundamental rights; stresses the importance of having political opposition forces, in order to ensure a constant debate and exchange of views and ideas in politics and in law-making processes in Russia;

- Calls on the Russian authorities to stop all pressure, repressive acts and intimidation – both political and judicial – against opposition leaders, civil society representatives and independent media, allowing them to act freely in line with the basic principles of the Russian constitution;

- Deeply deplores the Russian authorities’ failure to respond to the criticism both inside the Russian Federation and on the international scene of the Law on Foreign Agents, and their adoption instead of amendments which restrict even further the possibilities for non-commercial organisations to act and are discriminatory by their nature; strongly calls on Russia to review the relevant legislation with a view to meeting its international obligations in the area of human rights and democratic freedoms;

- Calls on the Russian authorities to immediately release all recognised political prisoners;

- Calls on the Russian authorities, as a matter of urgency, to release Nadiya Savchenko and to respect her immunity as a member of the Verkhovna Rada of Ukraine and of the PACE, who was abducted in the territory of Ukraine and is being illegally detained in a Russian jail; underlines the fact that Russia bears responsibility for her very fragile state of health; expresses its deep concern about her health condition and urges the Russian judicial authorities to apply humanitarian law;

- Calls on the Russian authorities to immediately return the wreckage of the Tu-154 Polish Government aeroplane and all of its black boxes to Poland; underlines the fact that the level of dependence of the Russian judiciary on the authorities undermines any impartial and honest investigation;

 

In its Resolution, adopted on 10 September 2015, the European Parliament:

- Strongly condemns the judgment handed down by the Pskov regional court as well as the entire trial of Estonian police officer Eston Kohver, who was sentenced to 15 years’ imprisonment after his abduction in 2014 from the territory of Estonia, which is part of the EU; considers the case to be in breach of international law and of elementary standards of justice;

- Urges the Russian Federation to act in accordance with its international obligations, to release Eston Kohver immediately and to guarantee his safe return to Estonia;

- Expresses its deeply held belief that from the very beginning Eston Kohver was not afforded the right to a fair trial, given that there was no public hearing of the case, that the Estonian consul was not allowed to be present at the hearings, that Eston Kohver was deprived of adequate legal aid, that – moreover – he was refused visits from his wife and family, and that he has been ordered to undergo unfounded psychiatric examination, the details of which remain unknown;

- Strongly condemns the illegal sentencing and imprisonment of Oleg Sentsov and Olexandr Kolchenko; calls on the Russian Federation to release them immediately and guarantee their safe return to Ukraine; demands that the Russian authorities immediately investigate, in an impartial and effective manner, the allegations of torture made by defendants and witnesses in the case, which were rejected by the prosecutor during the trial; calls for this investigation also to be opened to international observers;

- Calls for the release of all illegally detained Ukrainian citizens, including Nadiya Savchenko, this being in line with the agreed Package of Measures for the Implementation of the Minsk Agreements and the commitment to release all hostages and all those detained in connection with the conflict in Ukraine;

- Deplores the fact that in the Russian Federation law and justice are being used as political instruments in breach of international law and standards, thus allowing the sentencing of the Ukrainian film-maker Oleg Sentsov and of Olexandr Kolchenko to 20 years’ and 10 years’ imprisonment respectively for expressing their views reflecting an active pro-Ukrainian position against the illegal annexation of Crimea by the Russian Federation; points out, in any case, that they should not have been tried in a military court and that all testimony gained through torture and other illegal methods should be excluded;

RUSSIA/ UKRAINE

Nadiya Savchenko

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Oleg Sentsov and Khaizer Dzhemilev

 

Ms Savchenko, born in 1981, has a distinguished military career behind her, having been the only female soldier in the Ukrainian peacekeeping troops in Iraq and the first female to enrol at Ukraine’s Air Force Academy, and volunteered to take part in the fighting in eastern Ukraine as part of the Aidar Battalion, where she was then captured

The pro-Russian militants of the so-called ‘People’s Republic of Luhansk’ in the territory of eastern Ukraine illegally kidnapped Lieutenant Nadiya Savchenko, military pilot and former officer of the Ukrainian armed forces, on the territory of Ukraine on 18 June 2014, detained her, and then illegally transferred her to the Russian Federation.

Ukrainian film director Oleg Sentsov and Khaizer Dzhemilev, Ukrainian citizens illegally detained in Russia.

 

In its Resolution, adopted on 30 April 2015, the European Parliament:

- Calls for the immediate and unconditional release of Nadiya Savchenko; condemns the Russian Federation for the illegal kidnapping, the detention in prison for nearly one year and the investigation of Nadiya Savchenko; demands that the Russian authorities respect their international commitment in the framework of the Minsk Agreements and in particular the agreed ‘Complex of measures for the implementation of the Minsk Agreements’; considers that Russia has no legal basis or jurisdiction to take any action against Nadiya Savchenko, such as detention, investigation or bringing charges against her;

- Is of the opinion that Nadiya Savchenko’s detention as a prisoner of war in a prison in Russia is a violation of the Geneva Convention; underlines that those responsible for her illegal detention in Russia may face international sanctions or legal proceedings for their actions;

- Reminds the Russian authorities that Ms Savchenko remains in an extremely fragile state of health and that they are directly responsible for her safety and well-being; calls on the Russian authorities to allow impartial international doctors access to Ms Savchenko, while ensuring that any medical or psychological examinations are done only with Ms Savchenko’s consent and taking into consideration the consequences of her being on hunger strike for a very long period; calls on Russia to allow international humanitarian organisations to have permanent access to her;

- Calls for the immediate release of all other Ukrainian citizens, including Ukrainian film director Oleg Sentsov and Khaizer Dzhemilev, illegally detained in Russia;

SAUDI ARABIA

Raif Badawi, and his lawyer Waleed Abu al-Khair

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ali Mohammed al-Nimr

 

Raif Badawi, a blogger and human rights activist, was charged with apostasy and sentenced by the Criminal Court of Jeddah in May 2014 to 10 years in prison, 1 000 lashes and a fine of SAR 1 million (EUR 228 000) after creating the website ‘Free Saudi Liberals Network’ for social, political and religious debate which was deemed to be an insult to Islam; whereas the sentence also bans Mr Badawi from using any media outlets and from travelling abroad for 10 years after his release from prison.

On 9 January 2015, Mr Badawi received his first set of 50 lashes in front of the al-Jafali mosque in Jeddah, resulting in wounds so profound that when he was taken to a prison clinic for a medical check-up, it was found by the doctors that he would not be able to withstand another round of lashes.

Judicial verdicts imposing corporal punishment, including flogging, are strictly prohibited under international human rights law, including the UN Convention against Torture and Other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment, which Saudi Arabia has ratified.

On 6 July 2014, Raif Badawi’s lawyer, prominent human rights defender Waleed Abu al-Khair, was sentenced by the Specialised Criminal Court to 15 years in prison, to be followed by a 15-year travel ban, after setting up the human rights organisation ‘Monitor of Human Rights in Saudi Arabia’.

Ali Mohammed al-Nimr, who is 21 years old and is a nephew of a prominent dissident, was sentenced in May 2015 to capital punishment, reportedly by beheading followed by crucifixion, by Saudi Arabia’s Supreme Court on criminal charges including sedition, rioting, protesting robbery and belonging to a terror cell whereas Ali al-Nimr was under the age of 18 – and thus still a juvenile – at the time he was arrested while demonstrating for democracy and equal rights in Saudi Arabia. He was sentenced to death on account of the protests in the mostly Shia Eastern Province of Saudi Arabia. It is alleged by reliable sources that Ali al-Nimr was tortured and forced to sign his confession. He has been denied any guarantees of a safe trial and due legal process in compliance with international law;

 

In its Resolution, adopted on 12 February 2015, the European Parliament:

- Strongly condemns the flogging of Raif Badawi as a cruel and shocking act by the Saudi Arabian authorities; calls on the Saudi authorities to put a stop to any further flogging of Raif Badawi and to release him immediately and unconditionally, as he is considered a prisoner of conscience, detained and sentenced solely for exercising his right to freedom of expression; calls on the Saudi authorities to ensure that his conviction and sentence, including his travel ban, are quashed;

- Calls on the Saudi authorities to ensure that Raif Badawi be protected from torture and other ill-treatment, and be given any medical attention he may require, as well as immediate and regular access to his family and lawyers of his choice;

- Calls on the Saudi authorities to release unconditionally Raif Badawi’s lawyer, and all human rights defenders and other prisoners of conscience detained and sentenced for merely exercising their right to freedom of expression;

- Condemns firmly all forms of corporal punishment as unacceptable and degrading treatment contrary to human dignity and voices concern about states’ use of flogging, strongly calling for its strict abolition; calls on the Saudi authorities to respect the prohibition of torture, as is most notably enshrined in the UN Convention against Torture and Other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment, which Saudi Arabia has signed and ratified; calls on Saudi Arabia to sign the International Covenant on Civil and Political Rights;

- Urges the Saudi authorities to abolish the Specialised Criminal Court, set up in 2008 to try terrorism cases but increasingly used to prosecute peaceful dissidents on apparently politically motivated charges and in proceedings that violate the fundamental right to a fair trial;

- Calls on the Saudi authorities to allow independent press and media and ensure freedom of expression, association and peaceful assembly for all inhabitants of Saudi Arabia; condemns the repression of activists and protesters when they demonstrate peacefully; stresses that the peaceful advocacy of basic legal rights or making critical remarks using social media are expressions of an indispensable right;

 

In its Resolution, adopted on 8 October 2015, the European Parliament:

- Strongly condemns the sentencing of Ali Mohammed al-Nimr to the death penalty; reiterates its condemnation of the use of the death penalty and strongly supports the introduction of a moratorium on the death penalty, as a step towards abolition;

- Calls on the Saudi Arabian authorities, and in particular His Majesty the King of Saudi Arabia, Salman bin Abdulaziz Al Saud, to halt the execution of Ali Mohammed al-Nimr and to grant a pardon or commute his sentence; calls on the European External Action Service and the Member states to use all their diplomatic tools and efforts to immediately stop this execution;

- Urges the Saudi authorities to abolish the Specialised Criminal Court, set up in 2008 to try terrorism cases but increasingly used to prosecute peaceful dissidents on apparently politically motivated charges and in proceedings that violate the fundamental right to a fair trial;

- Calls on the Government of Saudi Arabia to ensure a prompt and impartial investigation into the alleged acts of torture and to ensure that Ali Mohammed al-Nimr is given any medical attention he may require and regular access to his family and lawyers;

 

Regarding the situation of Raif Badawi, letters of concern were sent on 2 February and 20 November 2015.

SOUTH SUDAN

89 children (possibly, hundreds more)

 

 

In its Resolution, adopted on 12 March 2015, the European Parliament:

- Is deeply concerned by the worsening security and humanitarian situation in South Sudan which could destabilise the whole East Africa region; calls urgently on all sides to stop the violence, cease human rights violations, form a transitional government of national unity, and allow for full access to humanitarian assistance; calls on the parties to end attacks on educational and public buildings and stop using schools for military purposes, including for the recruitment of child soldiers; recalls, in this connection, its support for the Guidelines for Protecting Schools and Universities from Military Use during Armed Conflict;

- Expresses deep disappointment that after more than a year of negotiations under the auspices of IGAD, no significant progress has been made; urges all parties to the conflict to reach a power-sharing agreement and fully supports the ongoing negotiation process, calling for an unconditional, complete and immediate ceasefire and end to all hostilities and to the immediate cessation of the recruitment and mobilisation of civilians; calls for efforts to find a way of achieving lasting peace and stability; urges the government and the rebel sides to engage in unconditional and all-inclusive political talks in good faith with a view to the successful conclusion of the negotiations; urges the continuation of efforts by the AU and IGAD to promote inclusive dialogue and mediation;

- Calls for the immediate release and safe return of all children recruited by armed forces since the beginning of the conflict in December 2013; reminds urgently all parties involved in the conflict that the recruitment and use of children in armed forces and groups is a grave violation of international law;

- Recalls the commitment made in 2009, and renewed in 2012, by the South Sudanese authorities to end the recruitment and use of children in conflict, to release all children associated with government security forces, to provide services for the reunification and reintegration of their families, and to investigate grave violations against children; deplores the fact that this commitment has not been fully respected; calls on the parties to fully implement the guidelines set out in the action plan;

- Calls on the Government of South Sudan to conduct prompt, thorough, impartial and independent investigations into human rights abuses with a view to prosecuting and holding accountable individuals suspected of crimes under international law and serious violations of human rights, including the abduction and recruitment of children in armed conflict and sexual violence against women and children;

- Calls on the Government of South Sudan to urgently finalise legislative amendments which criminalise the recruitment and use of children, to use this legislation to prosecute offenders and to finalise the implementation of international agreements, including the 2002 Optional Protocol to the Convention on the Rights of the Child and to accede to the Rome Statute of the International Criminal Court;

- Calls on the Government of South Sudan to reject legislation that would restrict the sectors in which NGOs and associations can carry out their work, which would severely inhibit the development of society and humanitarian relief efforts;

- Calls on the Government of South Sudan to fulfil its responsibility to provide for its people and encourage international donors to increase support for the aid effort and, given the scale and urgency of the needs, calls on the international community to convene a new international donor conference for South Sudan when all conditions for peace have been met and a mechanism of proper distribution of revenues is established;

SUDAN

Two pastors: Pastor Michael Yat and Pastor Peter Yen Reith

 

Pastor Michael Yat of the South Sudan Presbyterian Evangelical Church was taken into custody by the Sudanese National Intelligence Service (NISS) after preaching at the Khartoum North Church, a branch of the Sudan Presbyterian Evangelical Church, during a visit to Sudan on 21 December 2014. He was arrested immediately after a sermon in which he reportedly condemned the controversial sale of church land and property and the treatment of Christians in Sudan.

Pastor Peter Yen Reith was arrested on 11 January 2015 after delivering a letter to the Sudanese Religious Affairs Office asking after Pastor Michael and wanting to know more about his arrest;

Both men were held incommunicado until 1 March 2015, and on 4 May 2015 both were charged with multiple offences under the Sudanese Penal Code of 1991, including; joint criminal acts (Article 21), undermining the constitutional system (Article 51), waging war against the state (Article 50), espionage (Article 53), unlawfully obtaining or disclosing official documents (Article 55), agitating hatred (Article 64), disturbing the peace (Article 69) and blasphemy (Article 125).

 

In its Resolution, adopted on 9 July 2015, the European Parliament:

- Calls on the Sudanese authorities to drop all charges against Pastor Michael Yat and Pastor Peter Yen Reith and calls for their immediate and unconditional release; meanwhile calls on the Government of Sudan to ensure that pending their release the two pastors are not subjected to torture or other ill-treatment and that their physical and mental integrity is duly respected;

- Reminds the Sudanese authorities of their obligations at national and international level to protect freedom of religion and belief; reaffirms that freedom of religion, conscience and belief is a universal human right that needs to be protected everywhere and for everyone; strongly condemns all forms of violence and intimidation that impair the right to have or not to have, or to adopt, a religion of one’s choice, including the use of threats, physical force or penal sanctions to compel believers or non-believers to renounce their religion or to convert;

- Calls on the Government of Sudan to repeal all legislation that discriminates on the grounds of religion and to protect the identity of minority groups, including those of all faiths;

- Condemns the harassment of Christians and interference in church affairs; urges the Government of Sudan to desist from such activity; calls on Sudan to repeal the apostasy laws and to stop closing churches and other religious sites;

- Calls on the Government of Sudan to reform the country’s legal system, in accordance with international human rights standards, in order to protect fundamental human rights and freedoms and ensure the protection of every individual’s human rights, particularly with regard to discrimination against women, religious minorities and disadvantaged groups;

SWAZILAND

Thulani Maseko and Bheki Makhubu

 

Thulani Maseko, a lawyer working for the Trade Union Congress of Swaziland, was arrested on 17 March 2014 after writing an article criticising the lack of independence of the judicial system in Swaziland. On 19 March 2015, following the publication of a prison letter denouncing his conditions of detention, he was brought before a disciplinary committee in prison without the presence of a lawyer and was then forcefully moved to solitary confinement; whereas, although he has challenged this decision, no date has yet been announced for his High Court hearing.

Bheki Makhubu, a columnist and editor-in-chief of The Nation, considered to be the country’s sole independent newspaper, was arrested on charges of ‘scandalising the judiciary’ and ‘contempt of court’ following the publication of the article criticising the judicial system.

On 17 July 2014, Thulani Maseko and Bheki Makhubu were convicted for contempt of court by the High Court of Swaziland and sentenced to two years’ imprisonment, a ruling which seems disproportionate compared with the usual sentence – 30 days’ imprisonment with the option of paying a fine – imposed in similar cases; whereas the judge presiding the trial, Mpendulo Simelane, had been named in one of the articles published by Mr Maseko’s newspaper, and whereas this represents a clear conflict of interest and an impediment to a fair trial.

 

In its Resolution, adopted on 21 May 2015, the European Parliament:

- Calls for the immediate and unconditional release of Mr Maseko and Mr Makhubu, given that their imprisonment relates directly to the legitimate exercise of their right to freedom of expression and opinion; calls also for the immediate and unconditional release of all prisoners of conscience and political prisoners, including Mario Masuku, President of the People’s United Democratic Movement, and Maxwell Dlamini, Secretary-General of the Swaziland Youth Congress; condemns the harsh conditions of detention of both prisoners and calls on the authorities of Swaziland to guarantee their physical and psychological integrity in all circumstances;

- Notes that the sentence handed down to Mr Maseko and Mr Makhubu is much more severe than other sentences in similar cases, and considers this to be a clear attempt to silence the activists and serve as a deterrent to others, as stated by the responsible judge; demands that the Government of Swaziland bring an immediate end to the authorities’ intimidation of journalists, lawyers, independent-minded judges, trade union officials and parliamentarians, who have been threatened with violence, arrest, prosecution or other forms of pressure as a consequence of their advocacy of human rights, respect for the rule of law or political reforms;

- Calls on the Government of Swaziland to engage in genuine dialogue with unions about legislative reforms that will ensure respect for workers’ rights, in line with international obligations;

- Calls on the Swaziland authorities to take concrete measures to respect and promote freedom of expression, guarantee democracy and plurality, and establish a legislative framework allowing the registration, operation and full participation of political parties, in line with international and regional human rights obligations and the Constitution of Swaziland, notably Article 24 thereof;

SYRIA/ IRAQ

Kidnapping of Bishops Yohanna Ibrahim and Paul Yazigi

 

The Bishops Yohanna Ibrahim and Paul Yazigi were kidnapped by armed rebels in Aleppo Province, Syria, on 22 April 2013. The case remains unresolved.

 

In its Resolution, adopted on 12 March 2015, the European Parliament:

- Strongly condemns ISIS/Daesh and its egregious human rights abuses that amount to crimes against humanity and war crimes according to the Rome Statute of the International Criminal Court (ICC), and which could be called genocide; is extremely concerned at this terrorist group’s deliberate targeting of Christians, Yezidis, Turkmen, Shi’ites, Shabak, Sabeans, Kaka’e and Sunnis who do not agree with their interpretation of Islam, as part of its attempts to exterminate any religious minorities from the areas under its control; underlines that there must be no impunity for the perpetrators of these acts and that those responsible should be referred to the ICC; recalls, in this context, the unresolved kidnapping of Bishops Yohanna Ibrahim and Paul Yazigi by armed rebels in Aleppo Province, Syria, on 22 April 2013.

A letter of concern was sent on 16 October 2015.

SYRIA

Mazen Darwish

 

Mazen Darwish, a Syrian journalist and activist and president of the Syrian Centre for Media and Freedom of Expression, has been imprisoned since 2012, as have Hani Al-Zaitani and Hussain Ghrer, for their work defending freedom of expression; whereas Mazen Darwish was reportedly subjected to severe torture and ill-treatment and on 6 May 2015 was taken to an unknown location; whereas Mazen Darwish has been awarded the 2015 UNESCO Press Freedom Prize, as well as other important international awards, such as the Preis der Lutherstädte – ‘Das unerschrockene Wort’ 2015, the Bruno-Kreisky-Preis für Verdienste um die Menschenrechte 2013, and the PEN-Pinter Prize 2014; whereas the continued imprisonment of Mazen Darwish, Hani Al-Zaitani and Hussain Ghrer is further evidence of the repressive nature of Bashar al-Assad’s regime in Syria

 

 

 

In its Resolution, adopted on 11 June 2015, the European Parliament:

- Calls on the Syrian authorities to immediately and unconditionally release and drop all charges against Mazen Darwish and all those detained, convicted and/or sentenced for peacefully exercising their right to freedom of expression and association, as well as all human rights defenders and political rights activists arbitrarily deprived of their liberty on the basis of their human rights activities.

- Urges the Syrian authorities to disclose the fate and the whereabouts of the three men immediately, and to ensure that they are protected from torture and ill-treatment, allowed immediate contact with their families and lawyers, and provided with any medical attention they may require.

THAILAND

Rohingya refugees

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Journalists Chutima ‘Oi’ Sidasathian and Alan Morison

 

 

 

 

In its Resolution, adopted on 21 May 2015, the European Parliament:

- Expresses its deepest concern over the plight of Rohingya refugees and the humanitarian crisis taking place at the moment on the high seas and in the territorial waters between Myanmar, Bangladesh, Thailand and Indonesia, and is shocked by the findings following the recent exhumation of dozens of bodies from mass gravesites near human trafficking camps in southern Thailand; extends its condolences to the families of the victims;

- Calls on the Thai authorities to hold immediate, full and credible criminal investigations into the mass graves of Rohingya Muslims and, if necessary with UN assistance, to ensure that those responsible are brought to justice;

 

In its Resolution, adopted on 8 October 2015, the European Parliament:

- Welcomes the acquittal on 1 September 2015 by the Phuket Provincial Court of the journalists Chutima ‘Oi’ Sidasathian and Alan Morison;

 

TURKEY

Journalists and media executives, including Ekrem Dumanlı and

Hidayet Karaca

 

 

 

 

 

Frederike Geerdink and

Mehmet Ülger

 

Ekrem Dumanlı, editor-in-chief of the Zaman newspaper, and Hidayet Karaca, general manager of the Samanyolu broadcasting group were arrested by the Turkish police along with other journalists and media executives on 14 December 2014.

On 6 January 2015 the Dutch correspondent Frederike Geerdink and Mehmet Ülger both Dutch journalists were arrested, interrogated at a police station and released later on.

 

In its Resolution, adopted on 15 January 2015, the European Parliament:

- Condemns the recent police raids and the detention of a number of journalists and media representatives in Turkey on 14 December 2014; stresses that these actions call into question respect for the rule of law and freedom of the media, which is a core principle of democracy;

- Recalls that a free and pluralistic press is an essential component of any democracy, as are due process, presumption of innocence and judicial independence; stresses, therefore, the need, as regards this latest round of arrests, in all cases (i) to provide ample and transparent information on the allegations against the defendants, (ii) to grant the defendants full access to the incriminating evidence and full defence rights, and (iii) to ensure the proper handling of the cases to establish the veracity of the accusations without delay and beyond reasonable doubt; reminds the Turkish authorities that the utmost care must be taken when dealing with the media and journalists, as freedom of expression and freedom of the media remain central to the functioning of a democratic and open society;

 

VENEZUELA

Mayor Antonio Ledezma

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kluivert Roa

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Leopoldo López

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Daniel Ceballos

 

On 19 February 2015 Antonio Ledezma, twice democratically elected Mayor of the Metropolitan District of Caracas and one of the opposition leaders, was arbitrarily detained by heavily armed officers of the Bolivarian Intelligence Service (Sebin), who failed to produce an arrest warrant or any evidence of his having committed an offence; whereas following his detention Antonio Ledezma was charged with conspiracy and association to commit crimes – offences punishable by severe prison sentences in Venezuela – and imprisoned at the Ramo Verde military prison

On 24 February 2015 the 14-year-old student Kluivert Roa was shot dead during a demonstration about the scarcity of food and medicine in San Cristóbal, in Táchira State, becoming the first victim since the authorisation of the use of firearms to quell protests.

Leopoldo López is the opposition leader who was arbitrarily detained on 18 February 2014 on charges of conspiracy, instigating violent demonstrations, arson and damage to property. Since his detention he has suffered physical and psychological torture and undergone solitary confinement.

Daniel Ceballos and Vicencio Scarano are opposition mayors, and Salvatore Lucchese is a police officer. They have been arrested for failing to end protests and civil rebellion in their cities, and have been sentenced to several years in prison. In addition, Juan Carlos Caldera, Ismael García and Richard Mardo who are opposition congressmen are facing investigations and trial proceedings aimed at their suspension and disqualification from Congress.

 

In its Resolution, adopted on 12 March 2015, the European Parliament:

- Recalls its deep concern about the deteriorating situation in Venezuela and condemns the use of violence against protesters; calls on the Venezuelan authorities to immediately release Antonio Ledezma, Leopoldo López, Daniel Ceballos and all peaceful protesters, students and opposition leaders arbitrarily detained for exercising their right to freedom of expression and their fundamental rights, in line with the demands made by several UN bodies and international organisations; calls on the Venezuelan authorities to withdraw the unfounded accusations against them;

- Calls on the Venezuelan authorities to ensure that Antonio Ledezma, Leopoldo López, Daniel Ceballos and all other political prisoners are given any medical attention they may require, as well as immediate, private and regular access to their families and to lawyers of their choice; is deeply concerned about the deterioration in the condition of prisoners;

- Calls on the Venezuelan Government to cease the political persecution and repression of the democratic opposition and the violations of freedom of expression and of demonstration, and urges an end to media censorship; reminds the authorities that opposition voices are imperative for a democratic society;

- Condemns the shooting of Kluivert Roa and six other students, and expresses its condolences to their families; calls on the government to revoke the recently published resolution 8610, which allows security forces to use potentially lethal force, with a firearm or another potentially lethal weapon, to subdue civilian protests, overriding Article 68 of the Venezuelan Constitution;

- Calls on the Venezuelan Government to comply with its own constitution and international obligations in respect of the independence of the judiciary, the right to freedom of expression, association and peaceful assembly, and political pluralism, which are cornerstones of democracy; calls on the Venezuelan Government to create an environment in which human rights defenders and independent non-governmental organisations can carry out their legitimate work in promoting human rights and democracy; stresses that, as a non-permanent member of the UN Security Council, the Venezuelan Government has a particular responsibility to comply with the rule of law and with international law;

- Calls on the Venezuelan Government to ensure that accusations are investigated swiftly and impartially, with no margin of impunity and with full respect for the principle of presumption of innocence and for due legal process; recalls that respect for the principle of separation of powers is fundamental in a democracy and that the justice system cannot be used as a political weapon; calls on the Venezuelan authorities to ensure the security of all citizens in the country, regardless of their political views and affiliations;

ZIMBABWE

Itai Dzamara, his wife Sheffra Dzamara, and his lawyer Kennedy Masiye

 

On 9 March 2015 Itai Dzamara, a prominent Zimbabwean human rights activist, leader of the Occupy Africa Unity Square movement and dissident of President Mugabe, was reportedly abducted by five unidentified armed men in the suburbs of Harare. His whereabouts remain unknown and there is serious concern for his safety and the protection of his rights.

In the months prior to his abduction, Mr Dzamara had led a number of peaceful protests against the deteriorating political and economic situation in Zimbabwe. Two days before, Mr Dzamara addressed a political rally organised by the opposition party Movement for Democratic Change – Tsvangirai (MDC-T), calling for mass protests against the worsening repression and economic situation in the country, petitioning President Mugabe to resign and calling for reforms to the electoral system.

Until now the government has remained silent on Mr Dzamara’s disappearance, which has raised suspicion among the public that the state might be responsible; whereas the ruling party ZANU-PF is denying his forced disappearance and denounces it as an act staged by opposition parties.

A High Court judgment of 13 March 2015 ordered the Zimbabwean authorities to mount a search for Mr Dzamara and report progress to the court every two weeks until his whereabouts are determined; whereas this High Court order has been ignored by the authorities responsible for acting upon it, and the state authorities have yet to comply with this ruling.

Mr Dzamara had been assaulted on several occasions by supporters of the ruling party ZANU-PF and uniformed police officers. In November 2014 about 20 uniformed police handcuffed and beat Mr Dzamara to unconsciousness, also assaulting his lawyer, Kennedy Masiye.

 

In its Resolution, adopted on 21 May 2015, the European Parliament:

- Strongly condemns the forced disappearance of human rights defender Itai Dzamara and calls for his immediate and unconditional release;

- Urges the Government of Zimbabwe to take all necessary measures to find Mr Dzamara and bring all those responsible to justice; calls on the government to fully comply with the High Court order directing them to search for Mr Dzamara;

- Calls on the Zimbabwean authorities to ensure the safety and security of his wife and family, and his colleagues and supporters;

- Urges the Zimbabwean authorities to investigate allegations of excessive use of force and other human rights abuses by police and state officials, and to hold them to account;

- Recalls the overall responsibility of the Zimbabwean Government for ensuring the safety of all its citizens; calls upon the authorities of Zimbabwe to implement the provisions of the Universal Declaration of Human Rights, the African Charter on Human and Peoples’ Rights and regional human rights instruments ratified by Zimbabwe;

- Urges the Zimbabwean Government and President Mugabe to comply with their international obligations and the provisions of the international treaties that have been signed by Zimbabwe and that guarantee respect for the rule of law and the fulfilment of civil and political rights;


BIJLAGE II

LIST OF RESOLUTIONS

List of resolutions adopted by the European Parliament during the year 2015 and relating directly or indirectly to human rights violations in the world

Country

Date of adoption in plenary

Title

Africa

Algeria

30.04.2015

Imprisonment of human and workers' rights activists in Algeria

Angola

10.09.2015

Angola

Burundi

12.02.2015

Burundi, the case of Bob Rugurika

Burundi

17.12.2015

Situation in Burundi

Central African Republic

08.10.2015

Central African Republic

DRC

09.07.2015

The Democratic Republic of Congo (DRC), in particular the case of two detained human rights activists Yves Makwambala and Fred Bauma

Egypt

17.12.2015

Ibrahim Halawa potentially facing the death penalty

Nigeria

30.04.2015

Situation in Nigeria

Nigeria

08.10.2015

The mass displacement of children in Nigeria as a result of Boko Haram attacks

South Sudan

12.03.2015

South Sudan, including recent child abductions

Sudan

09.07.2015

Situation of two Christian pastors in Sudan

Swaziland

21.05.2015

The case of Thulani Maseko and Bheki Makhubu in Swaziland

Tanzania

12.03.2015

Tanzania, notably the issue of land grabbing

Zimbabwe

21.05.2015

The case of Itai Dzarana in Zimbabwe

Americas

Paraguay

11.06.2015

Paraguay: the legal aspects related to the child pregnancy

USA

11.02.2015

US Senate report on the use of torture by the CIA

Venezuela

12.03.2015

Situation in Venezuela

Asia

Afghanistan

26.11.2015

Afghanistan, in particular the killings in Zabul

Bangladesh

26.11.2015

Freedom of expression in Bangladesh

Cambodia

09.07.2015

Cambodia's draft laws on NGOs and trade unions

Cambodia

26.11.2015

Cambodia

China

16.12.2015

EU-China relations

Kyrgyzstan

15.01.2015

Kyrgyzstan: homosexual propaganda bill

Malaysia

17.12.2015

Malaysia

Maldives

17.12.2015

Situation in the Maldives

Nepal

11.06.2015

Situation in Nepal following the earthquakes

Pakistan

15.01.2015

Pakistan, in particular the situation following the Peshawar school attack

Thailand

21.05.2015

The plight of Rohingya refugees and the mass graves in Thailand

Thailand

08.10.2015

Situation in Thailand

Europe

Azerbaijan

10.09.2015

Azerbaijan

Belarus

10.09.2015

Situation in Belarus

Bosnia

09.07.2015

Srebrenica Commemoration

Cyprus

12.02.2015

Mass graves of missing persons in Ornithi village, in the occupied part of Cyprus

Russia

15.01.2015

Russia, in particular the case of Alexei Navalny

Russia

12.03.2015

Murder of the Russian opposition leader Boris Nemtsov and the state of democracy in Russia

Russia/Ukraine

30.04.2015

The case of Nadiya Savchenko

Russia

10.09.2015

Russia – in particular the case of Eston Kohver, Oleg Santsov, and Alexander Kolchenko

Turkey

15.01.2015

Freedom of expression in Turkey: Recent arrests of journalists, media executives and systematic pressure against media

Turkey

15.04.2015

Armenian genocide 100th anniversary

Middle East

Bahrain

09.07.2015

Bahrain, in particular the case of Nabeel Rajab

Saudi-Arabia

12.02.2015

Saudi Arabia, the case of Raif Badawi

Saudi-Arabia

08.10.2015

Saudi Arabia: The case of Ali Mohammed al-Nimr

Syria/Iraq

12.02.2015

Humanitarian crisis in Iraq and Syria, in particular in the IS context

Syria/Iraq

12.03.2015

Recent attacks and abductions by ISIS/Daesh in the Middle East, notably of Assyrians

Syria

30.04.2015

The situation of the Yarmouk refugee camp in Syria

Syria

11.06.2015

Syria, the situation in Palmyra and the case of Mazen Darwish

Yemen

09.07.2015

Situation in Yemen

Cross-cutting issues

28th Session of the UNHRC

12.03.2015

EU’s priorities for the UN Human Rights Council in 2015

Persecution of Christians

30.04.2015

Persecution of the Christians around the world, in relation to the killing of students in Kenya by terror group Al-Shabaab

European Endowment for Democracy

09.07.2015

Evaluation of activities of the European Endowment for Democracy (EED)

European Neighbourhood Policy

09.07.2015

Review of the European neighbourhood policy

Human rights and technology

08.09.2015

‘Human rights and technology: the impact of intrusion and surveillance systems on human rights in third countries’

Right to Water

08.09.2015

Follow up to the European citizens' initiative Right2Water

Migration

10.09.2015

Migration and refugees in Europe

Death penalty

08.10.2015

The death penalty

Gender equality

08.10.2015

Renewal of the EU Plan of action on Gender equality and Women's empowerment in development

Trade and torture

27.10.2015

Trade in certain goods which could be used for capital punishment, torture or other cruel, inhuman or degrading treatment or punishment

Migration

02.12.2015

Special report of the European Ombudsman in own-initiative inquiry concerning Frontex

World Humanitarian Summit

16.12.2015

Preparing for the World Humanitarian Summit: Challenges and opportunities for humanitarian assistance

Arms export

17.12.2015

Arms export: implementation of the Common Position 2008/944/CFSP


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

14.11.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

42

5

9

Bij de eindstemming aanwezige leden

Michèle Alliot-Marie, Francisco Assis, Petras Auštrevičius, Amjad Bashir, Bas Belder, Mario Borghezio, Klaus Buchner, Georgios Epitideios, Knut Fleckenstein, Eugen Freund, Michael Gahler, Sandra Kalniete, Tunne Kelam, Afzal Khan, Eduard Kukan, Arne Lietz, Barbara Lochbihler, Ramona Nicole Mănescu, Francisco José Millán Mon, Alojz Peterle, Tonino Picula, Kati Piri, Alyn Smith, Jaromír Štětina, Charles Tannock, Miguel Urbán Crespo, Ivo Vajgl, Elena Valenciano, Geoffrey Van Orden, Hilde Vautmans

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Laima Liucija Andrikienė, Andrzej Grzyb, Mike Hookem, Liisa Jaakonsaari, Javi López, Juan Fernando López Aguilar, Norica Nicolai, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Marietje Schaake, Helmut Scholz, Traian Ungureanu, Paavo Väyrynen, Marie-Christine Vergiat

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Maria Arena, Edouard Ferrand, Karoline Graswander-Hainz, Heidi Hautala, Hans-Olaf Henkel, Peter Jahr, Karin Kadenbach, Maria Noichl, Lola Sánchez Caldentey, Antonio Tajani, Josef Weidenholzer, Bogdan Brunon Wenta, Patricija Šulin

Juridische mededeling