Procedure : 2013/0013(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0368/2016

Ingediende teksten :

A8-0368/2016

Debatten :

PV 12/12/2016 - 10
CRE 12/12/2016 - 10

Stemmingen :

PV 14/12/2016 - 9.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0496

AANBEVELING VOOR DE TWEEDE LEZING     ***II
PDF 365kWORD 55k
6.12.2016
PE 592.186v02-00 A8-0368/2016

betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de vaststelling van een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1192/69 van de Raad betreffende de gemeenschappelijke regels voor de normalisatie van de rekeningstelsels van de spoorwegondernemingen

(11197/1/2016 – C8-0424/2016 – 2013/0013(COD))

Commissie vervoer en toerisme

Rapporteur: Merja Kyllönen

AMENDEMENTEN
ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 PROCEDURE VAN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de vaststelling van een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1192/69 van de Raad betreffende de gemeenschappelijke regels voor de normalisatie van de rekeningstelsels van de spoorwegondernemingen

(11197/1/2016 – C8-0424/2016 – 2013/0013(COD))

(Gewonde wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (11197/1/2016 – C8‑0424/2016),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 juli 2013(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 8 oktober 2013(2),

–  gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(3) inzake het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2013)0026),

–  gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 76 van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie vervoer en toerisme (A8‑0368/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.  constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

4.  verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen, nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)

PB C 327 van 12.11.2013, blz. 122.

(2)

PB C 356 van 5.12.2013, blz. 92.

(3)

Aangenomen teksten van 26.2.2014, P7_TA(2014)0152.


TOELICHTING

1. De marktpijler van het vierde spoorwegpakket

De marktpijler van het vierde spoorwegpakket omvat drie wetgevingsvoorstellen:

1.  een voorstel tot wijziging van Richtlijn 2012/34/EU tot instelling van één Europese spoorwegruimte met betrekking tot de openstelling van de markt voor het binnenlands passagiersvervoer per spoor en het beheer van de spoorweginfrastructuur;

2.  een voorstel tot wijziging van Verordening nr. 1370/2007 met betrekking tot openstelling van de markt voor het binnenlands passagiersvervoer per spoor;

3.  een voorstel tot intrekking van Verordening nr. 1192/69 betreffende de gemeenschappelijke regels voor de normalisatie van de rekeningstelsels van de spoorwegondernemingen.

2. Het Commissievoorstel tot intrekking van Verordening nr. 1192/69

Verordening nr. 1192/69 betreffende de gemeenschappelijke regels voor de normalisatie van de rekeningstelsels van de spoorwegondernemingen, die de Commissie voorstelt in te trekken, biedt lidstaten de mogelijkheid spoorwegondernemingen compensatie te verlenen voor de betaling van verplichtingen die exploitanten van andere vervoerswijzen om diverse redenen niet hoeven te dragen.

Deze verplichtingen kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op speciale betalingen bij arbeidsongevallen, die een spoorwegonderneming moet dragen maar die bij andere vervoerswijzen door de staat worden gedragen, pensioenen voor spoorwegwerknemers die gezien bepaalde zware taken vaak eerder met pensioen gaan, of betalingen voor de kosten van gelijkvloerse kruisingsinstallaties. De soorten compensatie voor deze verplichtingen zijn verdeeld in 15 categorieën ("klassen") die het specifieke toepassingsgebied en de berekeningsprincipes vaststellen, zoals opgenomen in de diverse bijlagen bij Verordening nr. 1192/69.

Verordening nr. 1192/69 dateert van vóór de liberalisering van de spoorwegmarkt, toen de ontwikkeling van het spoorvervoer in Europa zich vooral binnen de lidstaatgrenzen afspeelde, met geïntegreerde ondernemingen die zowel spoorvervoerdiensten exploiteerden als de spoorweginfrastructuur beheerden. Destijds had de verordening tot doel spoorwegondernemingen en ondernemingen die andere vervoerswijzen exploiteren op voet van gelijkheid te behandelen op het punt van sociale en externe kosten. Bovendien was de relatie tussen de overheid en de spoorwegondernemingen die meestal in handen waren van de staat, nog niet in een beheersovereenkomst geregeld, en bestond er een veel directere eigendomsband tussen beide partijen. Gezien haar oorspronkelijke doel bevat de verordening een lijst met een opsomming van de spoorwegondernemingen die vroeger in handen waren van de staat. Deze lijst werd wegens de toetreding van nieuwe lidstaten meermaals aangepast en omvat thans 40 ondernemingen.

De Commissie stelt vast dat sinds 2007 vier lidstaten regelmatig gebruik maken van deze verordening: België, Duitsland, Ierland en Polen. In slechts 3 van de 15 klassen werden betalingen verricht. De Commissie is van mening dat, na meerdere spoorwegpakketten die de spoorwegsector hebben hervormd, de verordening niet meer past in de huidige regelgevingscontext en zorgt voor discriminatie tussen de spoorwegondernemingen die in de lijst zijn opgenomen (en dus in aanmerking komen voor compensaties) en deze die niet in de lijst zijn opgenomen.

3. Standpunt van de rapporteur

Zoals de Commissie aangeeft past de verordening niet meer in de huidige regelgevingscontext. De rapporteur kan dit standpunt van de Commissie volledig onderschrijven. Ook is de rapporteur het ermee eens dat de huidige tekst van de verordening discriminerend is omdat de mogelijkheid van compensatie aan slechts 40 in de bijlage gespecificeerde ondernemingen wordt geboden. De huidige verordening in stand te laten is daarom geen optie, tenzij de lijst van spoorwegondernemingen continu zou worden bijgewerkt.

Het standpunt van het Parlement in eerste lezing werd op 26 februari 2014 vastgesteld. Indertijd was het Europees Parlement voorstander van intrekking van de verordening maar het verlangde een termijn van twee jaar voor het van kracht worden van de intrekking.

Na de vaststelling van het standpunt van het Parlement in eerste lezing zijn er van oktober 2015 tot april 2016 onder resp. het Luxemburgse en het Nederlandse voorzitterschap van de Raad interinstitutionele onderhandelingen gevoerd met het oog op een akkoord in vervroegde tweede lezing. Na zes trialoogrondes bereikte het onderhandelingsteam van het Parlement op 19 april 2016 een akkoord met het voorzitterschap van de Raad. De tekst van het akkoord werd aan de Commissie vervoer en toerisme (TRAN) voorgelegd en op 12 juli 2016 goedgekeurd. Op basis van de goedkeuring door TRAN heeft de voorzitter van TRAN in zijn brief aan de voorzitter van het Comité van permanente vertegenwoordigers (COREPER I) aangegeven dat hij de plenaire vergadering zal aanbevelen zonder wijzigingen in te stemmen met het standpunt van de Raad in eerste lezing, mits dit overeenkomt met het akkoord dat tussen de twee instellingen is bereikt. Na juridisch-linguïstische verificatie heeft de Raad op 17 oktober 2016 zijn standpunt in eerste lezing goedgekeurd, in overeenstemming met het akkoord.

Bij de vroegtijdige onderhandelingen in tweede lezing en raadplegingen met belanghebbenden stelde de rapporteur vast dat er nog steeds een overgangstermijn nodig is met het oog op de compensatie voor gelijkvloerse kruisingsinstallaties (klasse IV) omdat sommige lidstaten deze verordening nog steeds toepassen voor betaling van compensatie voor gelijkvloerse kruisingsinstallaties. In de toekomst kunnen de lidstaten de compensatie voor kosten van kruisingsinstallaties blijven betalen op grond van artikel 8 van Richtlijn 2012/34/EU. Wellicht hebben zij evenwel tijd nodig om hun nationale wetgeving en administratieve bepalingen aan te passen teneinde rekening te houden met de intrekking van Verordening (EEG) nr. 1192/69.

De aanbeveling van de rapporteur luidt dan ook om met het voorstel van de Commissie tot intrekking van de verordening in te stemmen, met uitzondering van de bepalingen inzake de normalisatie van de rekeningstelsels voor onder bijlage IV bij die verordening vallende klasse‑IV-gevallen. Die bepalingen moeten tot en met 31 december 2017 blijven gelden. Daardoor krijgen de lidstaten tijd om hun wetgeving aan te passen op het punt van de compensatie voor bepaalde kruisingsinstallaties.

De rapporteur wil benadrukken dat alle lidstaten zich aan de eerdere wetgevende handelingen moeten houden en de omzetting van richtlijn 2012/34/EU zonder verder uitstel ter hand moeten nemen.

4. Aanbeveling

Aangezien het standpunt van de Raad in eerste lezing overeenkomt met het in de interinstitutionele onderhandelingen bereikte akkoord, beveelt de rapporteur aan om hier zonder verdere wijzigingen mee in te stemmen.


PROCEDURE VAN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Titel

Intrekking van Verordening (EEG) nr. 1192/69 betreffende de gemeenschappelijke regels voor de normalisatie van de rekeningstelsels van de spoorwegondernemingen

Document- en procedurenummers

11197/1/2016 – C8-0424/2016 – 2013/0013(COD)

Datum eerste lezing EP – P-nummer

26.2.2014                     P7-0152/2014

Voorstel van de Commissie

COM(2013)0026 - C7-0026/2013

Datum bekendmaking ontvangst standpunt van de Raad in eerste lezing

27.10.2016

Commissie ten principale

       Datum bekendmaking

TRAN

27.10.2016

 

 

 

Rapporteurs

       Datum benoeming

Merja Kyllönen

13.10.2014

 

 

 

Behandeling in de commissie

10.11.2016

 

 

 

Datum goedkeuring

5.12.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

42

3

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Daniela Aiuto, Lucy Anderson, Marie-Christine Arnautu, Inés Ayala Sender, Georges Bach, Deirdre Clune, Michael Cramer, Andor Deli, Karima Delli, Isabella De Monte, Ismail Ertug, Jacqueline Foster, Bruno Gollnisch, Tania González Peñas, Dieter-Lebrecht Koch, Merja Kyllönen, Miltiadis Kyrkos, Bogusław Liberadzki, Peter Lundgren, Marian-Jean Marinescu, Georg Mayer, Gesine Meissner, Renaud Muselier, Jens Nilsson, Salvatore Domenico Pogliese, Tomasz Piotr Poręba, Gabriele Preuß, Christine Revault D’Allonnes Bonnefoy, Dominique Riquet, Massimiliano Salini, David-Maria Sassoli, Claudia Schmidt, Keith Taylor, Pavel Telička, István Ujhelyi, Wim van de Camp, Janusz Zemke, Roberts Zīle

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Daniel Dalton, Fabio De Masi, Maria Grapini, Werner Kuhn, Ramona Nicole Mănescu, Matthijs van Miltenburg

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Jeroen Lenaers

Datum indiening

6.12.2016

Juridische mededeling