Procedure : 2016/2100(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0001/2017

Ingediende teksten :

A8-0001/2017

Debatten :

PV 13/02/2017 - 14
CRE 13/02/2017 - 14

Stemmingen :

PV 14/02/2017 - 8.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0027

VERSLAG     
PDF 560kWORD 107k
12.1.2017
PE 589.234v02-00 A8-0000/2017

over het jaarverslag over het mededingingsbeleid van de EU

(2016/2100(INI))

Commissie economische en monetaire zaken

Rapporteur: Tibor Szanyi

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie internationale handel
 ADVIES van de Commissie interne markt en consumentenbescherming
 ADVIES van de Commissie vervoer en toerisme
 ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het jaarverslag over het mededingingsbeleid van de EU

(2016/2100(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het verslag van de Commissie van 15 juni 2016 over het mededingingsbeleid in 2015 (COM(2016)0393) en het begeleidende werkdocument van de diensten van de Commissie van dezelfde datum,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), met name de artikelen 39, 42 en 101 tot 109,

–  gezien Protocol nr. 26 bij het VWEU betreffende diensten van algemeen belang,

–  gezien Protocol nr. 2 bij het VWEU betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien het door de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) ontwikkelde universele kader voor de duurzaamheidsbeoordeling van voedsel- en landbouwsystemen (SAFA),

–  gezien de relevante regels, richtsnoeren, resoluties, mededelingen en documenten van de Commissie over mededinging,

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect(1),

–  gezien zijn resolutie van 23 juni 2016 over het voortgangsverslag hernieuwbare energie(2),

–  gezien zijn resolutie van 14 september 2016 over sociale dumping in de Europese Unie(3),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 over het Jaarverslag over het mededingingsbeleid van de EU in 2014(4), en zijn resolutie van 10 maart 2015 over het Jaarverslag over het mededingingsbeleid van de EU in 2013(5),

–  gezien het besluit van de Commissie van 6 mei 2015 om op grond van artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad (C(2015)3026) een onderzoek in te stellen naar de elektronische handel,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa" van 6 mei 2015 (COM(2015)0192),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Een kaderstrategie voor een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering" van 25 februari 2015 (COM(2015)0080),

–  gezien Verordening (EU) 2015/751 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties(6),

–  gezien Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard(7),

–  gezien Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen(8),

–  gezien het Witboek "Naar een effectievere EU-concentratiecontrole" van 9 juli 2014 (COM(2014)0449),

–  gezien de antwoorden van de Commissie op de schriftelijke vragen E-000344/2016, E-002666/2016 en E-002112/2016 van het Parlement,

–  gezien zijn resolutie van 11 november 2015 over luchtvaart(9), met name de paragrafen 6, 7 en 11 met betrekking tot de herziening van Verordening (EG) nr. 868/2004 om eerlijke mededinging in de externe luchtvaartbetrekkingen van de EU te waarborgen en de concurrentiepositie van de luchtvaartsector in de EU te versterken, oneerlijke concurrentie doeltreffender tegen te gaan, wederkerigheid te waarborgen en oneerlijke praktijken uit te bannen, waaronder marktverstorende subsidies en staatssteun aan luchtvaartmaatschappijen uit bepaalde derde landen, waarbij financiële transparantie een essentieel element is in de clausule over eerlijke mededinging om dit gelijke speelveld te waarborgen,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad(10),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1218/2010 van de Commissie van 14 december 2010 betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op bepaalde groepen specialisatieovereenkomsten(11),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de adviezen van de Commissie internationale handel, de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie vervoer en toerisme en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0001/2017),

A.  overwegende dat een stevig en doeltreffend EU-mededingingsbeleid altijd al een hoeksteen van de interne markt is geweest, aangezien het economische efficiëntie stimuleert, een gunstig klimaat creëert voor groei, innovatie en technologische vooruitgang, en tegelijkertijd de prijzen drukt;

B.  overwegende dat het EU-mededingingsbeleid een essentieel instrument is om de fragmentering van de interne markt te bestrijden en dus ook om een gelijk speelveld voor bedrijven in de hele EU te creëren en in stand te houden;

C.  overwegende dat de Europese Unie, onder leiding van de Commissie, zowel in de EU, als wereldwijd een "cultuur van mededinging" moet bevorderen;

D.  overwegende dat het mededingingsbeleid een instrument ter bescherming van de Europese democratie is, omdat het een buitensporige concentratie van de economische en financiële macht in de handen van slechts enkelen, wat een bedreiging zou vormen voor de onafhankelijkheid van de Europese politieke macht ten aanzien van de grote industriële en bankconcerns, onmogelijk maakt;

E.  overwegende dat een goede toepassing van de mededingingsregels (met inbegrip van de antitrustregels) conform de socialemarkteconomie een bovenmatige concentratie van economische en financiële macht in de handen van een klein aantal particuliere ondernemingen voorkomt en daarnaast de actoren aanspoort door ze een stimulans te bieden om dynamisch en vernieuwend te zijn en zich te onderscheiden op de markten;

F.  overwegende dat het beleid voor billijke mededinging markten doeltreffend en open houdt, hetgeen resulteert in lagere prijzen, het ontstaan van nieuwe actoren, kwalitatief hoogwaardiger producten en diensten, en een grotere keuze voor consumenten, én onderzoek en innovatie, economische groei en veerkrachtigere bedrijven bevordert;

G.  overwegende dat het mededingingsbeleid een aanzienlijke bijdrage kan en moet leveren aan belangrijke beleidsprioriteiten, zoals het aanzwengelen van innovatie, kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid, de strijd tegen klimaatverandering, duurzame groei en ontwikkeling, investeringen, hulpbronnenefficiëntie, consumentenbescherming en volksgezondheid, naast versterking van de interne markt, met bijzondere aandacht voor de digitale interne markt en de energie-unie;

H.  overwegende dat een succesvol mededingingsbeleid niet uitsluitend gericht mag zijn op verlaging van de consumentenprijzen, maar dat daarin ook het innoverend vermogen en investeringen van de Europese economie en de bijzondere concurrentiesituatie van kleine en middelgrote ondernemingen in het oog moeten worden gehouden;

I.  overwegende dat het EU-mededingingsbeleid mede bepaald wordt door de waarden van sociale billijkheid, politieke onafhankelijkheid, transparantie en inachtneming van de rechtsregels;

J.  overwegende dat het mededingingsbeleid van de EU samenhangt met andere grote beleidsgebieden van de EU, met name het fiscale, industriële en digitale beleid, waarvan de coördinatie als doel heeft de naleving van de in de Verdragen opgenomen fundamentele beginselen te waarborgen, in het bijzonder transparantie en eerlijkheid;

K.  overwegende dat belastingontduiking, belastingfraude en belastingparadijzen de belastingbetaler in de EU jaarlijks miljarden euro's kosten (sommige schattingen spreken zelfs van 1 biljoen EUR) aan misgelopen belastingopbrengsten, en dat deze praktijken op de interne markt leiden tot concurrentievervalsing tussen bedrijven die hun belastingverplichtingen wel vervullen en bedrijven die er niet aan voldoen;

L.  overwegende dat mondiale samenwerking op het gebied van handhaving van mededingingsregels eraan bijdraagt om tegenstrijdigheden in corrigerende maatregelen en resultaten van handhavingsacties te voorkomen, en bedrijven helpt om hun nalevingskosten te drukken;

M.  overwegende dat de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de besluitvormingsprocedure van de Commissie er een verschillende interpretatie van het concept "economische activiteit" op na houden, afhankelijk van of het om de regels van de interne markt of de mededingingsregels gaat; overwegende dat deze verwarrende praktijk een helder begrip van het lastige concept "economische activiteit" nog verder bemoeilijkt;

N.  overwegende dat een duidelijk, coherent en werkbaar regelgevingsklimaat in de zin van aanpassing van het mededingingsrecht aan de specifieke kenmerken van de landbouwsector kan bijdragen tot versterking van de positie van landbouwers in de voedselvoorzieningsketen door de machtsverschillen tussen exploitanten aan te pakken, de marktefficiëntie te verhogen en te zorgen voor een gelijk speelveld op de interne markt;

O.  overwegende dat moeilijk kan worden voorspeld op welke wijze, hoe hevig en wanneer economische crises zich voordoen, en dat een marktgeoriënteerd GLB steun moet verlenen aan landbouwers en dat er aanvullende tijdelijke vrijstellingen van de mededingingsregels nodig zijn, in geval van ernstige marktverstoringen; overwegende dat de Commissie tijdens de zuivelcrisis besloten heeft om als laatste redmiddel gebruik te maken van artikel 222 van de GMO-verordening om collectieve planning door erkende producentenorganisaties vrij te stellen van de toepassing van het mededingingsrecht;

P.  overwegende dat het mededingingsbeleid alléén niet adequaat is om oneerlijke handelspraktijken (UTP's) in de voedselvoorzieningsketen aan te pakken;

Q.  overwegende dat artikel 102 van het VWEU duidelijk vermeldt dat het rechtstreeks of zijdelings opleggen van onbillijke handelspraktijken aan andere sectoren van de voedselketen een schending van dit Verdrag inhoudt;

R.  overwegende dat de taskforce voor de landbouwmarkten (AMTF) is opgezet om de positie van de landbouwers in de voedselvoorzieningsketen te verbeteren door de mogelijkheden na te gaan om hun positie te versterken, inclusief wettelijke mogelijkheden om contractuele betrekkingen aan te gaan en om collectieve acties van landbouwers te organiseren; overwegende dat in voorkomend geval rekening moet worden gehouden met de conclusies van die taskforce, met het oog op toekomstig overleg en te nemen maatregelen;

1.  is verheugd over het jaarverslag van de Commissie over het mededingingsbeleid, dat aantoont dat een degelijk EU-mededingingsbeleid ertoe kan bijdragen dat weer voldoende geïnvesteerd en geïnnoveerd gaat worden door middel van het tot stand brengen van een billijk investeringsklimaat; verheugt zich over de aandacht in het verslag aan de bijdrage van het mededingingsbeleid aan de wegneming van belemmeringen en verstorende staatssteunmaatregelen ten voordele van de interne markt; herhaalt verder dat de toekomst van Europa moet stoelen op innovatie, een socialemarkteconomie en hulpbronnenefficiëntie, waarmee voor een hoge levensstandaard voor alle Europese burgers wordt gezorgd;

Integratie van de interne markt

2.  juicht het doel van de Commissie toe om voor burgers en bedrijven nieuwe kansen te creëren, en herinnert eraan dat het vrije verkeer van kapitaal, diensten, goederen en personen de vier vrijheden van de interne markt vormen en dat de toepassing daarvan van vitaal belang is om de EU dichter bij haar burgers te brengen; benadrukt dat de interne markt zonder een slagkrachtig EU-mededingingsbeleid haar volledige potentieel niet kan waarmaken; verheugt zich over het gebruik door de Commissie van de verschillende tot haar beschikking staande instrumenten, met inbegrip van de controle van concentraties, de strijd tegen het misbruik van een dominante positie en tegen mededingingsverstorende praktijken, het bestrijden van kartels, de controle van staatssteun, de coördinatie met de nationale en, waar van toepassing, de regionale mededingingsautoriteiten, en de sectoronderzoeken;

3.  wijst er nogmaals op dat in een doeltreffend mededingingsbeleid rekening moet worden gehouden met de bijzondere marktvoorwaarden voor kleine en middelgrote ondernemingen, voor micro-ondernemingen en voor start-ups, en dat hierin de bescherming van de rechten van werknemers en billijke belastingen moeten worden gewaarborgd;

4.  verzoekt de lidstaten en de EU-instellingen om prioriteit te verlenen aan de versterking van de interne markt zonder het Verenigd Koninkrijk door volledige naleving van de EU-mededingingswetgeving te waarborgen en door de samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van belastingen te vergroten; merkt verder op dat Brexit het EU-mededingingsbeleid negatief zou kunnen beïnvloeden; beklemtoont in het bijzonder het risico op dubbel werk bij procedures, waardoor de administratieve kosten zouden worden opgedreven en de onderzoeksprocessen vertraging zouden kunnen oplopen;

5.  herhaalt dat billijke belastingconcurrentie essentieel is voor de integriteit van de interne markt van de EU, en dat alle marktdeelnemers derhalve aan hun belastingverplichtingen moeten voldoen en belasting moet worden betaald op de plaats waar de winst wordt gemaakt; beklemtoont dat de Lux Leaks-onthullingen de EU tot de erkenning hebben gebracht dat ze, teneinde op de interne markt voor meer billijke mededinging te zorgen, behoefte heeft aan eenvoudige en transparante belastingregelgeving en -wetgeving, en dat een halt moet worden toegeroepen aan oneerlijke belastingconcurrentie door de lidstaten (met inbegrip van de illegale belastingvoordelen die zij toekennen), omdat deze in een 'moral hazard' en extra belastingdruk voor eerlijke belastingbetalers resulteren en een rem zetten op de oprichting van nieuwe kmo's, ook gezien het feit dat nieuwkomers op de markt en kmo's die slechts in één land opereren slechter af zijn dan multinationals, die hun winsten kunnen verplaatsen of middels een waaier aan besluiten en instrumenten die alleen hen ter beschikking staan aan andere vormen van agressieve belastingplanning kunnen doen; benadrukt de noodzaak om alle gevallen waar het nastreven van illegale belastingoptimalisatie door multinationals kan worden vermoed, grondig te onderzoeken; is tegelijkertijd ingenomen met het diepgaande onderzoek door de Commissie naar met de mededinging strijdige praktijken, zoals selectieve belastingvoordelen en systemen voor 'excess profit rulings', en juicht de resultaten van de onlangs gehouden onderzoeken toe waarbij duidelijk is geworden dat selectieve belastingkortingen in strijd zijn met de EU‑bepalingen inzake staatssteun; onderstreept de noodzaak van brede toegang voor de Commissie tot informatie om de aanzet te kunnen geven tot meer onderzoeken naar verdachte zaken; verzoekt de Commissie duidelijke richtsnoeren op te stellen in verband met belastinggerelateerde staatssteun en daarbij ook aandacht te besteden aan oneerlijke mededinging, en haar bevoegdheden uit hoofde van het mededingingsrecht ten volle te benutten om de lidstaten te helpen schadelijke belastingpraktijken op een efficiënte manier aan te pakken; herhaalt dat ook meer moet worden gedaan aan de agressieve belastingpraktijken; benadrukt dat vooral de tussen de belastingautoriteiten van de lidstaten uitgewisselde informatie over fiscale rulings en afspraken inzake verrekenprijzen beslissend zijn; betreurt dat de lidstaten het Directoraat-Generaal Mededinging de toegang tot deze informatie weigeren; beveelt aan dat de nationale autoriteiten de onderlinge uitwisseling van informatie verbeteren, en verzoekt de lidstaten informatie over hun tax rulings openbaar te maken en stelt voor hierbij, in voorkomend geval, voor een regionale uitsplitsing te zorgen; is van mening dat de besluiten van de Commissie, die een duidelijke methodologie hebben vastgelegd voor de berekening van de waarde en de onverdiende concurrentievoordelen die ondernemingen genieten door niet-correcte rulings, een goede rechtsgrondslag vormen voor verdere convergentie;

6.  benadrukt dat corruptie bij overheidsopdrachten ernstige marktverstorende gevolgen heeft voor het Europese concurrentievermogen; herhaalt dat het plaatsen van overheidsopdrachten tot de overheidsactiviteiten behoort die het meest gevoelig zijn voor corruptie; wijst erop dat in bepaalde lidstaten door de EU gefinancierde aanbestedingen een groter risico inhouden op corruptie dan nationaal gefinancierde aanbestedingen; herinnert eraan dat op maat gesneden uitnodigingen tot inschrijving vaak worden gebruikt om de marktconcurrentie af te zwakken; verzoekt de Commissie haar inspanningen ter preventie van misbruik van EU-fondsen voort te zetten en verantwoordingsplicht bij overheidsopdrachten aan te moedigen; dringt aan op de oprichting van een Europees Openbaar Ministerie, dat de noodzakelijke bevoegdheden moet krijgen om vermeende misdaden met EU-fondsen beter te onderzoeken;

7.  benadrukt dat de staatssteunzaken alleen geen definitief einde kunnen maken aan de oneerlijke fiscale concurrentie in de lidstaten; beveelt derhalve het volgende aan: de invoering van een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB), die concurrentieverstoringen zal helpen elimineren en ervoor zal zorgen dat er geen niet-belaste winst de EU uitvloeit, de openbaarmaking van relevante informatie over fiscale rulings, een herziening van de btw-richtlijn om fraude te voorkomen, en de verplichting voor grote multinationals om hun omzet en winst per land openbaar te maken, en verzoekt de lidstaten hun belastingpraktijken en wederzijdse meldingsplichten transparanter te maken; herhaalt dat het nodig is het pakket maatregelen ter bestrijding van belastingontwijking, de regels over informatie-uitwisseling tussen EU-lidstaten en het snellereactiemechanisme tegen btw-fraude ten uitvoer te leggen om eerlijke concurrentie te garanderen;

8.  is van mening dat eerlijke concurrentie kan worden belemmerd door fiscale planning; is verheugd over de aanbeveling van de Commissie om de definitie van "vaste inrichting" aan te passen, zodat bedrijven de belastingplicht in landen waar zij economische activiteiten ontplooien niet kunstmatig kunnen omzeilen; is van mening dat in deze definitie ook rekening moet worden gehouden met de specifieke situatie van de digitale sector, zodat ondernemingen die volledig gedematerialiseerde activiteiten ontplooien, geacht worden een vaste inrichting in een lidstaat te hebben als ze een significante digitale aanwezigheid hebben in de economie van die lidstaat;

9.  benadrukt dat het nodig is om ook op lidstaatniveau de regels van de interne markt te handhaven en schendingen aan te pakken om de fragmentering van de interne markt tegen te gaan;

10.  dringt erop aan het enkele contactpunt te verbeteren en daarbij rekening te houden met de ervaring die met het mini-éénloketsysteem voor digitale producten is opgedaan; merkt op dat kleine en micro-ondernemingen zelfs met het mini-één-loketsysteem soms nog met een aanzienlijke administratieve last worden geconfronteerd;

11.  beklemtoont dat de interne markt verder moet worden versterkt door de resterende belemmeringen en obstakels weg te nemen; is van oordeel dat een solide kader voor begrotingsconvergentie en convergentie met betrekking tot de overheidsfinanciën de economische cohesie en het concurrentievermogen van de EU zal versterken en haar capaciteit om de wereldwijde concurrentie aan te gaan, zal verbeteren;

12.  herinnert de Commissie eraan dat het voor de soepele werking van de interne markt van de EU absoluut noodzakelijk is dat het nationale en regionale autoriteiten toegestaan wordt op te treden in situaties die voortvloeien uit geografische moeilijkheden die de groei van de markt op economisch of sociaal gebied verhinderen;

13.  wijst op de noodzaak om fiscale en sociale dumping, niet-correcte fiscale planning en belastingontwijking te bestrijden, zodat eerlijke concurrentie op de interne markt kan worden gewaarborgd;

14.  dringt er bij de Commissie op aan de uitvoering van één Europese spoorwegruimte te voltooien, te zorgen voor volledige transparantie in de geldstromen tussen infrastructuurbeheerders en spoorwegondernemingen, en na te gaan of elke lidstaat een sterke en onafhankelijke nationale regelgevende instantie heeft;

15.  dringt er bij de Raad op aan om het voorstel van de Commissie inzake de harmonisatie van de gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCTB) snel goed te keuren;

16.  is van mening dat de toetreding tot de euro door de lidstaten die tot op heden nog niet zijn overgegaan op de eenheidsmunt de vrije concurrentie binnen de interne markt zou versterken;

De digitale interne markt

17.  juicht de strategie van de Commissie voor de digitale interne markt toe en beklemtoont de cruciale rol van het mededingingsbeleid voor de voltooiing daarvan; ondersteunt daarnaast de inspanningen van de Commissie om het EU-mededingingsbeleid volledig van toepassing te maken op de digitale interne markt, aangezien concurrentie er toe leidt dat consumenten meer keuze hebben en bovendien een gelijk speelveld creëert, en betreurt dat het ontbreken van een Europees digitaal kader erop duidt dat men er niet in is geslaagd de belangen van kleine en grote aanbieders op één lijn te brengen; beklemtoont dat de marktmodellen die van oudsher in het mededingingsbeleid worden gehanteerd voor de digitale interne markt vaak niet doeltreffend genoeg zijn; dringt erop aan meer rekening te houden met de nieuwe bedrijfsmodellen van digitale ondernemingen; herhaalt dat een eengemaakte digitale interne markt tot honderdduizenden nieuwe banen kan leiden en jaarlijks 415 miljard EUR aan de economie van de EU kan toevoegen;

18.  beklemtoont dat de strategie van de Commissie voor de digitale interne markt alleen haar geloofwaardigheid kan behouden als dit college alle andere hangende kartelonderzoeken zorgvuldig, en met waarborging van de kwaliteit, afrondt; roept op tot een snellere behandeling van de zaken, zodat er zo snel mogelijk resultaten kunnen worden geboekt; is daarom ingenomen met de aanvullende mededeling met punten van bezwaar die de Commissie heeft toegezonden over de productvergelijkingsdienst, alsook met de mededeling met punten van bezwaar in de Android-zaak; verzoekt de Commissie om alle in haar onderzoeken vastgestelde zorgpunten op vastbesloten wijze te blijven analyseren, met inbegrip van andere gebieden (hotels, plaatselijke zoekopdrachten, vluchten) waarop de zoekmachine bepaalde resultaten bevoordeelt, teneinde voor een gelijk speelveld te zorgen voor alle marktdeelnemers op de digitale markt; dringt aan op een onderzoek naar de dominante platforms voor hotelboekingen;  verwelkomt het sectoronderzoek inzake elektronische handel van de Commissie, waarvan de voorlopige resultaten bepaalde bedrijfspraktijken in deze sector vaststellen die de mededinging online zouden kunnen beperken; is daarnaast verheugd over de inzet van de Commissie voor een Europese digitale interne markt en over haar voorstel over geoblocking en andere vormen van discriminatie op basis van de nationaliteit en woonplaats van de klant; vraagt de Commissie ambitieus te werk te gaan bij het elimineren van illegale obstakels voor mededinging online, teneinde ervoor te zorgen dat de Europese consument online onbelemmerd kan kopen bij verkopers in een andere lidstaat; is derhalve van mening dat er gerichte maatregelen nodig zijn om de toegang tot goederen en diensten te verbeteren, met name door een eind te maken aan niet-gerechtvaardigde geoblockingpraktijken en oneerlijke prijsdiscriminatie op basis van geografische ligging of nationaliteit, die vaak de vorming van monopolies tot gevolg hebben en ertoe kunnen leiden dat consumenten gaan overwegen hun toevlucht te nemen tot illegale inhoud; dringt daarnaast aan op het toekennen van een label aan websites op EU-niveau om het bestaan en de kwaliteit van de aangeboden goederen of diensten te waarborgen, en de mededinging billijker te maken en de consumentenbescherming te verbeteren;

20.  is van mening dat de intensivering van de participatie van kmo's centraal moet staan in de inspanningen om een eengemaakte digitale interne markt te bevorderen en benadrukt dat de potentiële impact van elk initiatief moet worden beoordeeld, met name in het geval van initiatieven die elektronische handel promoten, en dat de status van vaste inrichting voor de digitale sector moet worden verduidelijkt met betrekking tot de mogelijkheid voor kmo's om voordeel te halen uit de digitale interne markt;

21.  brengt in herinnering dat netneutraliteit van het grootste belang is om ervoor te zorgen dat er niet wordt gediscrimineerd tussen internetdiensten en dat de mededinging volledig wordt gewaarborgd, waarbij onder netneutraliteit het beginsel wordt verstaan dat al het internetverkeer gelijk wordt behandeld, zonder discriminatie, beperking of inmenging, ongeacht de afzender, ontvanger, soort, inhoud, apparatuur, dienst of toepassing;

22.  wijst in het bijzonder op de toename van het aantal nieuwe, op digitale technologieën stoelende bedrijven, met name bedrijven die applicaties voor het internet en mobiele telefoons aanbieden, naast bestaande ondernemers, hetgeen tot nieuwe manieren heeft geleid waarop consumenten goederen en diensten kunnen vinden, vergelijken en kiezen op de interne markt, waarmee zij dus weloverwogen keuzes kunnen maken op basis van hun eigen behoeften en wensen;

23.  beklemtoont dat de deeleconomie de Europese consument een groot aantal innovatieve producten en diensten oplevert; wijst erop dat de platforms voor de deeleconomie ervoor hebben gezorgd dat bestaande dominante spelers worden uitgedaagd om een meer concurrerend klimaat te scheppen voor zowel consumenten als bedrijven; herhaalt dat de Commissie niet alleen de fiscale aspecten, het administratieve kader en de veiligheidsaspecten moet onderzoeken, maar ook die aspecten die met mededinging te maken hebben, en de obstakels moet elimineren die verhinderen dat bedrijven op de markt actief worden, teneinde een gelijk speelveld te creëren; benadrukt dat deze soort economie reeds meerdere jaren bestaat, en dat eventuele onregelmatigheden met het oog op wettelijke consistentie op EU-niveau moeten worden opgelost, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel; benadrukt de noodzaak om in het kader van de eengemaakte digitale markt een hoog niveau van consumenten- en persoonsgegevensbescherming te waarborgen; dringt er bij de Commissie op aan een gereedschapskist te ontwikkelen, omdat dit voor de talrijke vormen en varianten van de deeleconomie een onmisbaar instrument is om op EU-niveau en in de afzonderlijke lidstaten steun te krijgen, alsook om deze toe te passen, en aan geloofwaardigheid en vertrouwen te laten winnen, en erop toe te zien dat dit regelgevingskader voor facilitering en ondersteuning niet tot verstoring van de mededinging leidt; verzoekt de Commissie opnieuw aandacht aan deze zorgpunten te besteden zodat de voordelen van deze bedrijfsmodellen voor de maatschappij reëler kunnen worden binnen wettelijke kaders;

24.  verzoekt de Commissie om de beschikbare instrumenten van het mededingingsrecht uitgebreid te toetsen op hun doeltreffendheid voor het digitale tijdperk, en deze - indien nodig - verder te ontwikkelen;

25.  benadrukt dat het juist in een dynamische sector als de digitale economie van fundamenteel belang is dat procedures in het kader van het mededingingsrecht snel worden afgerond, teneinde te voorkomen dat bedrijven met een dominante positie de markt naar hun hand kunnen blijven zeten;

26.  verzoekt de Commissie rekening te houden met de groeiende convergentie in de digitale markten, door vergelijkbare diensten, zoals "instant messaging"-apps, te vergelijken met equivalente diensten van de algemene telecommunicatiesector;

27.  is er verheugd over dat de Commissie onderzoeken instelt naar de mededinging ondermijnende praktijken van bepaalde bedrijven, in het bijzonder internet- en telecomreuzen en andere media-ondernemingen, filmstudio's en tv-distributeurs; vraagt de Commissie alle procedures in verband met mededingingsondermijnende praktijken die op inbreuken op de EU-antitrustregels neerkomen, versneld af te wikkelen;

28.  verwelkomt het recente besluit van de Commissie om in de zaak betreffende de toekenning van staatssteun aan Apple terugbetaling te eisen, hetgeen een keerpunt vormt in de aanpak van illegale staatssteun in de vorm van belastingvoordelen; wijst er overigens op dat de EU behoefte heeft aan strengere wetgeving inzake fiscale rulings, waarin ook wordt voorzien in een doeltreffend systeem en een schuldinvorderingsprocedure ten behoeve van de eigen middelen van de EU-begroting; verzoekt de Commissie elke inbreuk te bestraffen, teneinde eerlijke concurrentie op de interne markt te waarborgen;

29.  verzoekt de Commissie een voorstel te presenteren voor een regelgevingsstrategie, en daarbij rekening te houden met de convergentie van de technologieën en, in het bijzonder, de vermenigvuldiging van platformen; wijst erop dat daartoe de vooraf bepaalde sectorale regelingen het volgende met elkaar moeten verzoenen: de verdediging van het pluralisme, de vrijheid van meningsuiting, de bescherming van persoonsgegevens, de bescherming van de autonomie en de keuzevrijheid van de consument, de gelijke promotie van concurrerende aanbiedingen in Europa en met elkaar overeenstemmende aanbiedingen voor de Europese kampioenen in de internationale mededinging; dringt erop aan iets te doen aan de ongelijkheden in de krachtsverhoudingen tussen en de onderlinge afhankelijkheid van economische operatoren, teneinde te komen tot een rechtvaardige waardeverdeling;

30.  is verheugd dat er meer rekening wordt gehouden met de netwerkeffecten en de accumulatie en analyse van gegevens bij de vaststelling van de marktmacht op de digitale markten; is van mening dat gegevens een grote rol spelen in de digitale economie en daarom moeten worden meegenomen in beoordelingen uit hoofde van het mededingingsrecht;

31.  is van oordeel dat mededinging in de zoekmachine- en telecommunicatiesectoren essentieel is, niet alleen om voor innovatie en investeringen in netwerken en de digitale economie te zorgen, maar ook voor betaalbare prijzen en de mogelijkheid voor de consument om een keuze te maken uit meerdere diensten; vraagt de Commissie dan ook mededinging in deze sectoren te garanderen, waaronder met betrekking tot internetdiensten en de toekenning van spectrum; is in dit verband verheugd over het voornemen van de Commissie om bij de toepassing van de richtsnoeren inzake staatssteun voor breedbandnetwerken welwillend rekening te houden met de strategische doelstellingen van het pakket inzake telecommunicatie; is verheugd over het besluit van de Commissie om de fusie van de aanbieders van mobieletelefoondiensten O2 en Three in het Verenigd Koninkrijk tegen te houden ten bate van de Europese consumenten; herhaalt het belang van de toepassing van het Europees wetboek voor elektronische communicatie en de uitbreiding van de connectiviteit in de hele EU;

32.  is van oordeel dat het afschaffen van de roamingkosten in de EU niet volstaat en dat bellen binnen de EU op hetzelfde niveau moet worden geregeld als lokaal bellen; vraagt de Commissie een wetgevingsvoorstel in te dienen voor bellen binnen de EU;

33.  is van mening dat de maatregelen voor het afschaffen van de kosten voor roaming voor consumenten in de EU op de lange termijn niet volstaan om de interne markt verder te verdiepen, en dat er stimulansen moeten worden gecreëerd om bellen binnen de EU op hetzelfde niveau te brengen als lokaal bellen door investeringen in volledig Europese of gedeelde netwerk te vergemakkelijken; verzoekt de Commissie om uitgebreid met de netwerkexploitanten en relevante belanghebbenden te overleggen over de meest efficiënte manier waarop kosten voor bellen binnen de EU kunnen worden teruggebracht tot het niveau van lokaal bellen en tegelijkertijd investeringen kunnen worden aangemoedigd en het wereldwijde concurrentievermogen en de innovatie kunnen worden gegarandeerd;

34.  verzoekt de Commissie haar beleids- en financiële instrumenten in te zetten en de uitwisseling van beste praktijken tussen lidstaten aan te moedigen om investeringen te bevorderen in verschillende traditionele sectoren en in kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) die de trein van de digitale industriële revolutie dreigen te missen;

35.  onderstreept dat de Europese Unie alle bedrijven (zoals bedrijven met een dominant marktaandeel en start-ups) moet aanmoedigen om te innoveren;

36.  roept de Commissie op dezelfde standvastigheid aan de dag te leggen bij het lopende onderzoek naar McDonald's, en bij het namen van maatregelen naar aanleiding van de resultaten daarvan;

Staatssteun

37.  juicht de herziening van de staatssteunregels toe en zou graag zien dat hierover een specifiek jaarverslag aan het Parlement wordt toegezonden; herinnert de lidstaten eraan dat het doel was de steunmaatregelen meer te richten op duurzame economische groei op de lange termijn, het scheppen van nieuwe, kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid en sociale cohesie, terwijl voor een gelijk speelveld en een goede werking van de socialemarkteconomie wordt gezorgd; beklemtoont dat de lidstaten een verhoogde verantwoordelijkheid hebben wanneer zij steun toekennen zonder voorafgaande kennisgeving aan de Commissie; benadrukt dat de Commissie het mededingingsrecht van een toereikende rechtsgrondslag dient te voorzien om het toerisme, dat een belangrijk onderdeel van de economie van de EU vormt, aan te zwengelen, en dat de financiering van de publieke organisaties voor toerisme derhalve onder een algemene groepsvrijstelling moet vallen; verzoekt de Commissie transacties die de lidstaten op het laatste moment sluiten aan controles te onderwerpen, ongeacht de politieke druk die door laatstgenoemden wordt uitgeoefend; wijst de Commissie er verder nog eens op dat voorkomen moet worden dat bepaalde regeringen te kwader trouw EU-middelen verkeerd besteden (zoals voorkomt);

38.  beklemtoont dat nationale of regionale stimulansen een van de beleidsinstrumenten zijn om diensten die van cruciaal belang zijn voor de ondersteuning van de economische en sociale omstandigheden in geïsoleerde, afgelegen of perifere regio's en eilanden in de Unie in stand te houden, maar dat ook rekening moet worden gehouden met de ervaringen die in het verleden zijn opgedaan en dat de stimulansen in kwestie niet in strijd mogen zijn met de beginselen van de interne markt; beklemtoont dat de connectiviteit van perifere eilandregio's ook van cruciaal belang is en is ingenomen met de opneming van sociale steun voor vervoer ten behoeve van bewoners van afgelegen gebieden in de algemene groepsvrijstellingsverordening, waar het probleem van connectiviteit wordt erkend; verzoekt de Commissie in het kader van de lopende herziening van de algemene groepsvrijstellingsverordening ten volle rekening te houden met de specifieke kenmerken van de Europese ultraperifere gebieden, zoals vastgelegd in artikel 349 van het VWEU, aangezien connectiviteit essentieel is voor de lokale kmo's in de ultraperifere gebieden, en het bovendien niet waarschijnlijk is dat dit de mededinging op de interne markt zal beïnvloeden;

39.  is verheugd over de mededeling van de Commissie betreffende het begrip 'staatssteun' als onderdeel van het initiatief voor de modernisering van het staatssteunbeleid; erkent de voordelen van de vereenvoudigde regels, die zekerheid bieden voor overheidsdiensten en bedrijven; verzoekt de Commissie tegelijkertijd verboden vormen van staatssteun, die grote negatieve gevolgen voor de interne markt hebben, nauwkeuriger te onderzoeken;

40.  verzoekt de Commissie, naar aanleiding van belangrijke veranderingen in de jurisprudentie en handhavingspraktijk, en om de rechtszekerheid en voorspelbaarheid te waarborgen, zo snel mogelijk een document met richtsnoeren over het begrip 'staatssteun' te presenteren;

41.  verzoekt de Commissie een routekaart voor minder, maar beter gerichte staatssteun op te stellen met als doel ruimte te creëren om staatssteun te verminderen door de belastingen te verlagen, waarmee stimulansen voor nieuwe bedrijven en eerlijke concurrentie in de plaats komen van steun voor oude structuren en gevestigde marktdeelnemers;

42.  verzoekt de Commissie zich constructief op te stellen ten aanzien van staatssteun en rekening te houden met het feit dat verschillende lidstaten op verschillende beleidsbehoeften moeten reageren op basis van hun situatie, omvang, natuurlijke en andere rijkdommen, en hun economische en sociale ontwikkeling;

43.  onderstreept dat wanneer staatssteun wordt gebruikt om diensten van algemeen belang te bevorderen, de voordelen voor de consumenten en burgers centraal moeten staan en niet die voor individuele bedrijven of publieke entiteiten;

44.  verzoekt de Commissie de hernationalisering van openbare diensten in de EU-lidstaten nauwlettend in de gaten te houden en illegale staatssteun in de vorm van compensaties voor openbare diensten te voorkomen;

45.  verzoekt de Commissie bij internationale organisaties op het gebied van mededinging, zoals het Internationaal Mededingingsnetwerk, aan te dringen op een geharmoniseerde definitie van staatssteun;

46.  benadrukt dat, teneinde voor een naar behoren werkende energie-unie te zorgen en te voorkomen dat regels inzake staatssteun niet worden nageleefd en EU-middelen worden misbruikt, alle gevallen van staatssteun en onregelmatigheden rond overheidsopdrachten in verband met energie- en milieu-investeringen, zoals het controversiële project voor de uitbreiding van de kerncentrale Paks in Hongarije, grondig moeten worden gecontroleerd en onderzocht;

47.  benadrukt dat - zoals de Commissie voor de zesde keer in haar jaarverslag over het mededingingsbeleid aangeeft - de tijdelijke staatssteun in de financiële sector nodig was om het mondiale financiële systeem te stabiliseren, maar snel moet worden verminderd of volledig beëindigd en aan een toetsing worden onderworpen wanneer de bankenunie eenmaal voltooid is; verzoekt de Commissie en de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) ervoor te zorgen dat alle wetgeving inzake consumentenbescherming, zoals MiFID en IDD, in de hele interne markt op consistente wijze wordt toegepast, en verzoekt hen erop toe te zien dat bij de toepassing van deze wetgevingshandelingen geen sprake is van regelgevingsarbitrage; verzoekt de Commissie de mogelijkheid te overwegen om de toekenning van staatssteun aan banken te koppelen aan de voorwaarde dat krediet wordt verstrekt aan kmo's;

48.  herinnert aan zijn standpunt ten aanzien van het huidige onderzoek van de Commissie naar uitgestelde belastingvorderingen en -kredieten (DTA's/DTC's) ten gunste van de bankensector in diverse lidstaten; is van mening dat DTA's en DTC's met terugwerkende kracht moeten worden goedgekeurd op grond van staatssteunregels als ze aan expliciete voorwaarden gekoppeld zijn in verband met financieringsdoelstellingen voor de reële economie;

49.  betreurt dat de Commissie geen actie heeft ondernomen om de gevallen van misbruik aan te pakken die tijdens de herstructurering van private banken hebben plaatsgevonden, waaronder schendingen ten nadele van eigenaren van kleine deposito's en kleine financiële producten, zoals preferente aandelen, die in veel gevallen werden verhandeld zonder dat de EU-wetgeving volledig werd nageleefd; verzoekt de Commissie iets te doen aan de wijdverbreide gevolgen van de misleidende verkoop van financiële producten, die aan het licht kwam tijdens de herstructurering van banken die werden getroffen door de economische crisis;

50.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie te onderzoeken of de bankensector sinds het begin van de crisis heeft geprofiteerd van impliciete subsidies en staatssteun door de verstrekking van onconventionele liquiditeitssteun;

51.  merkt op dat de Europese Rekenkamer fouten bij de toekenning van staatssteun heeft geconstateerd bij ongeveer een vijfde van de gecontroleerde projecten die medegefinancierd werden door de cohesieprogramma's en waarbij sprake was van staatssteun in de periode 2010-2014(12); merkt op dat een derde van deze fouten financiële impact had en wordt geacht te hebben bijgedragen aan het foutenpercentage in het cohesiebeleid; is derhalve van mening dat er ruimte voor verbetering is bij de aanpak van de niet-naleving van de regels inzake staatssteun in het kader van het cohesiebeleid; is van mening dat het met name noodzakelijk is om de kennis van de regels inzake staatssteun in de begunstigde landen te verbeteren, teneinde fouten te vermijden die te goeder trouw worden gemaakt en de registratie van onregelmatigheden te verbeteren om de kwestie beter in beeld te kunnen brengen;

52.  is van mening dat op lokaal en nationaal niveau meer inzicht nodig is in het classificeren van illegale staatssteun; is verheugd over de recente besluiten van de Commissie die preciseren welke staatssteunmaatregelen de lidstaten ten uitvoer kunnen leggen zonder toetsing aan de staatssteunregels door de Commissie; beschouwt deze besluiten als nuttige richtsnoeren voor lokale en gemeentelijke projecten, die de administratieve lasten verminderen en tegelijkertijd meer rechtszekerheid bieden;

53.  verzoekt de Commissie de interpretatie van de relevante mededingingsvoorschriften te herzien in het licht van de richtlijn inzake depositogarantiestelsels, zodat de door de Europese wetgever vastgestelde instrumenten voor een tijdige stabilisatie daadwerkelijk kunnen worden gebruikt;

54.  benadrukt het belang van de door de Commissie gevoerde onderzoeken op het gebied van staatssteun van fiscale aard, die de noodzakelijke ondersteuning bieden voor de Europese en internationale fiscale agenda, in het bijzonder in de strijd tegen agressieve fiscale optimalisatie;

55.  verzoekt de Commissie meer middelen toe te wijzen aan het onderzoeken van fiscale rulings die aanleiding geven tot zorgen op het gebied van staatssteun, en dergelijke onderzoeken op systematische wijze te benaderen; neemt er nota van dat de Commissie de ondoorzichtige fiscale regelingen die sommige lidstaten met bepaalde multinationals zijn overeengekomen als illegale staatssteun beschouwt omdat ze mededingingsvervalsing binnen de interne markt vormen; is verder verheugd over het toegenomen bewustzijn van de onderlinge verbanden tussen het fiscaal beleid en de administratieve praktijken op het gebied van belastingheffing enerzijds en het mededingingsbeleid anderzijds; verzoekt de Commissie een samenvatting te publiceren van de belangrijkste fiscale rulings van het voorgaande jaar, op basis van informatie die is opgenomen in een beveiligd centraal register, met inbegrip van ten minste een beschrijving van de in de fiscale ruling behandelde kwesties en een beschrijving van de gebruikte criteria ter bepaling van een voorafgaande prijsafspraak en de lidstaat of lidstaten die hierdoor waarschijnlijk het meest zullen worden getroffen;

56.  verzoekt de Commissie te overwegen sancties op te leggen in gevallen van illegale staatssteun, naast de terugbetaling van de oorspronkelijke staatssteun; is van mening dat dergelijke sancties moeten worden opgelegd aan de staat of het betrokken bedrijf of beide, zodat situaties worden voorkomen waarin de lidstaat die schuldig wordt bevonden aan de overtreding van de regels inzake staatssteun wordt gestraft door middel van het terugvorderen van de oorspronkelijke betaling;

Antitrust, kartelzaken en fusies

57.  juicht het toe dat de Commissie werkt aan richtsnoeren betreffende haar procedures en permanente beoordeling van het EU-wetgevingskader;

58.  benadrukt het belang van het beëindigen van kartels voor Europese burgers en Europese bedrijven, en met name kmo's; moedigt de Commissie aan om de administratieve procedures in dit opzicht te stroomlijnen om deze sneller te laten verlopen;

59.  is van mening dat de voorgestelde fusies van 's werelds grootste agrochemische en zaadbedrijven het risico met zich meebrengt dat de prijzen van zaden zullen stijgen en dat er minder keuze zal zijn aan op de agro-ecologische omstandigheden aangepaste variëteiten; benadrukt dat wanneer deze fusies doorgaan 61 % van de wereldzaadmarkt en 65 % van de mondiale pesticidenmarkt in handen zullen zijn van slechts drie bedrijven;

60.  verzoekt de Commissie haar actie op mondiaal niveau te versterken om ervoor te zorgen dat mededingingsregels van derde landen niet botsen met EU-bepalingen ten koste van Europese bedrijven;

61.  vraagt de Commissie om, in alle gevallen dat er voldoende bewijs is voor een inbreuk op de regels van het kartelrecht, krachtdadig en doeltreffend op te treden; wijst erop dat het mededingingsbeleid toelaat dat concurrenten samenwerken op het gebied van innovatie zonder dat die samenwerking wordt misbruikt voor mededingingsbeperkende doeleinden; neemt nota van de vijf besluiten van vorig jaar in het kader waarvan boetes ten belope van in totaal ongeveer 365 miljoen EUR werden opgelegd, zoals vastgelegd in het werkdocument van de Commissie dat bij haar verslag over het mededingingsbeleid van 2015 werd gevoegd;

62.  is van mening dat de thans geldende boeteregeling bij overtredingen zou kunnen worden aangevuld met verdergaande sancties tegen de verantwoordelijken; verzoekt de Commissie de mogelijkheid te overwegen om kartelboetes aan te vullen met persoonlijke sancties voor de besluitnemers binnen de betrokken ondernemingen, evenals met individuele straffen voor werknemers die feitelijk verantwoordelijk zijn voor de schending van de mededingingswetgeving door hun bedrijf, waarmee zij derhalve directeuren kan aanpakken of, in voorkomend geval, boetes kan opleggen;

63.  is van mening dat het gebruik van steeds hogere boetes als enige antitrust-instrument wellicht te bot is; benadrukt dat een beleid van hoge boetes niet mag worden gebruikt als alternatieve manier van begrotingsfinanciering; is voorstander van een benadering waarbij slecht gedrag wordt bestraft met sancties met een daadwerkelijk afschrikkende werking, met name voor recidivisten, en goed gedrag wordt beloond;

64.  neemt er kennis van dat het aantal gemelde fusies in 2015 aanzienlijk gestegen is; dringt er derhalve op aan de bevoegde diensten de noodzakelijke middelen te geven (door middel van een interne overplaatsing van personeel), teneinde ze in staat te stellen door te gaan met het effectief aanpakken van deze situatie;

65.  is verheugd over de onlangs door de Commissie gestarte raadplegingsprocedure over bepaalde procedurele en juridische aspecten van de EU-concentratiecontrole; dringt er bij de Commissie op aan om in het kader van de beoogde herziening van de Europese concentratieverordening zorgvuldig na te gaan of de huidige evaluatiepraktijk in voldoende mate rekening houdt met de situatie op de digitale markten en de internationalisering van de markten; is van mening dat de criteria voor het openen van de concentratiecontroleprocedure vooral voor wat betreft de digitale economie moeten worden aangepast;

66.  deelt de zorgen over de huidige onderhandelingen over de fusie tussen Bayer AG en Monsanto Company Inc.; vestigt de aandacht op het feit dat de geplande fusie, als ze doorgaat, tot een Europese en mondiale oligopolie zou leiden; wijst erop dat deze fusie kan leiden tot een monopolie op de zaad- en pesticidenmarkten, die belangrijk zijn voor de landbouwsector; verzoekt de Commissie dan ook deze fusie vooraf aan een effectbeoordeling te onderwerpen en hoort graag van de Commissie welke timing haar hierbij voor ogen staat;

67.  is van opvatting dat de overnameprijs als criterium moet dienen om een concentratiecontroleprocedure te openen, aangezien uit fusies op de digitale markten is gebleken dat omzetdrempels niet toereikend zijn;

68.  moedigt de Commissie aan een wetgevingsvoorstel in te dienen dat een Europees kader voor de coördinatie van de nationale mededingingsautoriteiten bij de controle van concentraties instelt;

69.  dringt er nogmaals bij de Commissie op aan nauwlettend toe te zien op de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2014/104/EU betreffende schadevorderingen wegens inbreuken op het mededingingsrecht door de lidstaten; wijst erop dat deze richtlijn uiterlijk op 27 december 2016 naar behoren moet zijn omgezet; betreurt ten zeerste dat de omzetting tot dusver zeer moeizaam verloopt en dat tal van lidstaten nog steeds geen wetsontwerp hebben ingediend; verzoekt de Commissie de lidstaten in haar hoedanigheid van hoedster van de Verdragen te herinneren aan hun verplichtingen;

Sectorale aspecten

70.  is ingenomen met de kaderstrategie van de Commissie voor een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering, en onderschrijft de vijf onderling verbonden beleidsdimensies van de strategie; beklemtoont dat het aan de lidstaten is hun eigen energiemix te bepalen;

71.  juicht het toe dat tegen meerdere bedrijven, waaronder Gazprom en Bulgargaz, antitrustonderzoeken gestart zijn, teneinde voor marktintegratie in de energie-unie te zorgen; betreurt het evenwel dat sommige lidstaten gas kopen via offshorebedrijven, omdat dit een typisch voorbeeld van belastingontwijking is en niet verenigbaar met de goede werking van de energie-unie; benadrukt bovendien dat het van belang is te voorkomen dat marktstructuren worden opgericht die de daadwerkelijke mededinging in de energiesector zouden kunnen belemmeren;

72.  neemt er nota van dat de Commissie werkt aan de marktintegratie van hernieuwbare-energiebronnen, teneinde mededingingsverstoringen te voorkomen; wijst overigens op de wettelijk bindende toezeggingen die door de lidstaten zijn gedaan op de COP21 over klimaatverandering, die niet kunnen worden geconcretiseerd zonder tastbare (overheids)maatregelen voor het bevorderen en financieren van de productie en het gebruik van hernieuwbare energie;

73.  benadrukt dat het Europese mededingingsbeleid een groot potentieel heeft om hogere milieu- en sociale normen te bevorderen; betreurt het dat de Hongaarse regering de mededinging in de sector hernieuwbare energie verstoort door hoge belastingen te heffen en het gebruik van energie-efficiënte en hernieuwbare energietechnologieën te voorkomen; verzoekt de Commissie het gebruik van hernieuwbare energie in Europa te blijven ondersteunen, om de milieudoelstellingen te behalen die zijn vastgesteld in Europa 2020, de tienjarenstrategie voor groei van de Europese Unie; verzoekt de Commissie de opname van milieu-, sociale en arbeidsvoorschriften in procedures voor overheidsopdrachten te blijven ondersteunen;

74.  roept de Commissie op Verordening (EU) nr. 267/2010 van de Commissie betreffende vrijstelling voor bepaalde overeenkomsten met betrekking tot de verzekeringssector integraal te verlengen, aangezien dit (de uitwisseling van informatie die nodig is voor het inschatten van risico’s en de gemeenschappelijke dekking van risico’s) de wettelijke zekerheid en het concurrentievermogen van de sector verhoogt, nieuwe ondernemingen helpt de markt te betreden en de keuze voor de consumenten en de kwaliteit van de economische verhoudingen vergroot;

75.  wijst op de noodzaak om begrips- en beleidsmatig onderscheid te maken tussen de mededingingsregels en het sociaal beleid van de betrokken lidstaat; erkent dat het de plicht van elke overheid is om in te grijpen om energiearmoede onder haar burgers te vermijden;

76.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de belastingen op energieproducten te verminderen en de energiearmoede doeltreffend aan te pakken;

77.  herinnert eraan dat het energiesysteem een infrastructuurnetwerk is dat een bijzondere behandeling vereist waarin ook het verbruik van zelfopgewekte energie moet worden toegestaan en bevorderd;

78.  merkt op dat bestaande overheidsmonopolies, zoals de gokmonopolies, kunnen leiden tot oneerlijke praktijken die de mededinging beperken; vestigt de aandacht op het risico dat de regeringen van de lidstaten de voorkeur kunnen geven aan bepaalde bedrijven en zo een zeer mededingingsondermijnende omgeving kunnen creëren door vergunningen te verlenen zonder aanbestedingen voor concessies of door middel van niet-transparante, dubieuze concessies; verzoekt de Commissie de bestaande overheidsmonopolies strikt te monitoren, evenals de wettigheid van de concessies, teneinde te voorkomen dat de mededinging op buitensporige wijze wordt verstoord;

79.  verzoekt de Commissie wijzigingen voor te stellen in Verordening (EG) nr. 261/2004 om ervoor te zorgen dat luchtreizigers op vluchten vanuit een derde land dezelfde bescherming genieten, ongeacht of de luchtvaartmaatschappij in de EU gevestigd is of niet;

80.  herinnert eraan dat artikel 42 van het VWEU aan de landbouwsector een bijzondere status toekent op het gebied van het mededingingsrecht, en dat die status is bekrachtigd bij de laatste hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) via het toestaan van een aantal afwijkingen of vrijstellingen van het bepaalde in artikel 101 van het VWEU; is van mening dat de huidige landbouwcrisis de reeds zwakke positie van landbouwers in de voedselvoorzieningsketen verslechtert;

81.  is van mening dat de collectieve activiteiten van de producentenorganisaties en hun verenigingen, zoals productieplanning en verkooponderhandelingen en, in voorkomend geval, onderhandelingen over de contractbepalingen, noodzakelijk zijn voor het verwezenlijken van de GLB-doelstellingen van artikel 39 van het VWEU, en derhalve verenigbaar moeten worden geacht met artikel 101 van het VWEU; merkt op dat de huidige afwijkingen niet maximaal worden gebruikt en dat de onduidelijkheid van die afwijkingen, de problemen bij de implementatie ervan en het gebrek aan een uniforme toepassing door de nationale mededingingsautoriteiten betekenen dat landbouwers onvoldoende rechtszekerheid hebben, waardoor deze zichzelf niet kunnen organiseren, en het goed functioneren van de interne markt ondermijnen; roept de Commissie derhalve op de beschikbare instrumenten te verbeteren door ervoor te zorgen dat het mededingingsbeleid beter rekening houdt met de specifieke aard van de landbouwsector en door de reikwijdte van de algemene afwijking voor landbouw, de specifieke regels voor zuivel, olijfolie, rund- en kalfsvlees en akkerbouwgewassen, en de individuele vrijstellingen uit hoofde van artikel 101, lid 3, van het VWEU, afdoende te verduidelijken;

82.  verzoekt de Commissie oneerlijke handelspraktijken in de voedselvoorzieningsketen, die nadelig zijn voor zowel boeren, als consumenten, aan te pakken, en hiertoe op EU-niveau bindende regelgevende maatregelen te nemen; verzoekt de Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten iets te doen aan de bezorgdheid over de gecumuleerde impact - aan de bovenkant van de toeleveringsketen, alsook op detailhandelaars en consumenten - van de snelle concentratie in de distributiesector op nationaal niveau en de ontwikkeling van allianties van grote distributeurs op Europees niveau; is van mening dat deze structurele ontwikkeling tot prijsvolatiliteit en dalende inkomens voor boeren zou kunnen leiden, en is bezorgd over mogelijke strategische aanpassingen, verminderde mededinging en kleinere marges voor investeringen in innovatie in de voedselvoorzieningsketen;

83.  benadrukt dat het mededingingsrecht de belangen van de consument beschermt, maar geen rekening houdt met de belangen van de landbouwproducenten; benadrukt dat de belangenbehartiging van de landbouwproducenten in het mededingingsrecht even zwaar moet wegen als die van de consumenten, door billijke voorwaarden voor concurrentie en toegang tot de interne markt te garanderen om investeringen, werkgelegenheid en innovatie op de landbouwmarkten te stimuleren, alsmede de levensvatbaarheid van de landbouwbedrijven en de evenwichtige ontwikkeling van plattelandsgebieden in de EU;

84.  wijst er met nadruk op dat het begrip "juiste prijs" niet moet worden beschouwd als de laagst mogelijke prijs voor de consument, maar dat een prijs ook redelijk moet zijn en een correcte beloning voor elke schakel van de voedselvoorzieningsketen mogelijk moet maken;

85.  verzoekt de Commissie om aan het Parlement en de Raad verslag uit te brengen over de mate waarin landbouwers in de verschillende lidstaten gebruik maken van de uitzonderingen uit hoofde van artikel 225 van de GMO-verordening en om nadere verduidelijking van de reikwijdte van dergelijke uitzonderingen alsmede de individuele vrijstellingen van mededingingsregels krachtens artikel 101, lid 3, VWEU; verzoekt de Commissie om met name te verduidelijken of aangegane duurzaamheidsovereenkomsten in de voedselvoorzieningsketen om te voorzien in maatschappelijke behoeften en waarvan de maatregelen verder gaan dan de statutaire vereisten, kunnen worden vrijgesteld van het mededingingsrecht als zij bijdragen tot verbetering van de productie en bevordering van innovatie en de consument ten goede komen;

86.  verzoekt de Commissie een ruimere benadering te kiezen bij de definitie van een "dominante positie” en het misbruik van een dergelijke positie door een landbouwbedrijf of meerdere landbouwbedrijven die door een horizontaal akkoord met elkaar verbonden zijn, rekening houdend met de mate van concentratie en de beperkingen als gevolg van de onderhandelingsmacht van de toeleverende, verwerkende en detailhandelsectoren;

87.  stelt dat het concept van de "relevante markt" in het kader van de interne landbouwmarkt zou moeten evolueren, die in eerste instantie geanalyseerd zou moeten worden op het niveau van de Unie voordat dit op een lager niveau gebeurt, teneinde de doelstelling van concentratie van het landbouwaanbod niet in gevaar te brengen door het activiteitengebied van landbouwondernemingen op restrictieve wijze af te schermen;

88.  is van mening dat voor de landbouwers in alle productiesectoren het recht op collectieve onderhandelingen, met inbegrip van het recht om minimumprijzen overeen te komen, moet worden gewaarborgd;

89.  is van mening dat de landbouwers zich ten volle moeten inzetten voor en gebruik moeten maken van het potentieel van producentenorganisaties, inclusief producentencoöperatieven, hun verenigingen en interbranche-organisaties; dringt er bij de Commissie op aan dergelijke collectieve zelfhulporganisaties aan te moedigen om meer vaardigheden te verwerven en efficiëntiewinst te boeken door de regels die op hen van toepassing zijn te verduidelijken en te vereenvoudigende om hun onderhandelingscapaciteit te versterken en hun concurrentievermogen te vergroten met inachtneming van de beginselen die zijn vastgesteld in artikel 39 VWEU;

90.  dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat de bepalingen van artikel 222 van de GMO-verordening in tijden van ernstige marktverstoringen snel worden geactiveerd en de efficiëntie van deze maatregel nader te beoordelen wanneer deze wordt toegepast in de zuivelsector om verdere tijdelijke aanpassingen van het mededingingsrecht en -procedures voor te stellen in tijden van ernstige marktverstoringen;

91.  is verheugd over de recente publicatie van de richtsnoeren voor de toepassing van deze specifieke bepalingen; is echter van mening dat hun wettelijke reikwijdte te beperkt is en dat de criteria waaraan moet worden voldaan te streng en heterogeen zijn van sector tot sector om de nodige rechtszekerheid en duidelijkheid te verschaffen aan landbouwers die wensen te profiteren van dergelijke vrijstellingen;

92.  is van mening dat een classificatie als relevante markt niet past bij de huidige situatie in de olijfoliesector en stelt derhalve voor de olijfoliemarkt voor consumenten te beschouwen als een interne markt, om de tenuitvoerlegging van de bepalingen van artikel 169 van de GMO-verordening te verbeteren;

93.  is van mening dat het vanwege de variaties in de olijfolieproductie, meestal als gevolg van weersomstandigheden, en om de doelstellingen van de leden van producentenorganisaties of verenigingen van producentenorganisaties zeker te stellen, noodzakelijk is rekening te houden met gevallen waarin producentenorganisaties gedwongen zijn olijfolie van niet-leden te kopen, waarbij moet worden gewaarborgd dat deze activiteiten ondergeschikt zijn aan de afzet van de producten van hun eigen leden;

94.  stelt voor de reikwijdte van de voorschriften van artikel 170 betreffende de rundvleesproductie uit te breiden tot de sector veemesterij, teneinde een doeltreffendere tenuitvoerlegging te waarborgen;

95.  is in genomen met het feit dat er, nu de suikerquota worden afgeschaft, een contractueel kader(13) blijft bestaan tussen bietenproducenten, hun organisaties en de suikerbedrijven, waardoor zij met name kunnen onderhandelen over de waardeverdelingsclausules naar gelang de marktontwikkelingen voor suiker of andere grondstoffen; verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat deze mogelijkheid wordt geboden aan alle exploitanten in de sector om de doelstellingen van de GMO-verordening te verwezenlijken, en zo te zorgen voor een juist evenwicht tussen de rechten en plichten van suikerbedrijven en bietenproducenten;

96.  verzoekt de Commissie te beoordelen in hoeverre distributeurs druk uitoefenen op de bedrijven die hun huismerken produceren;

97.  herhaalt het standpunt van het Parlement(14) dat positief staat tegenover de goedkeuring van een wetgevingskader op EU-niveau om oneerlijke handelspraktijken in de voedselvoorzieningsketen aan te pakken; benadrukt dat deze wetgeving ervoor moet zorgen dat EU-landbouwers en -consumenten de kans krijgen om te profiteren van billijke ver- en aankoopvoorwaarden.

98.  is van mening dat de volledige en bevredigende naleving van het "Zuivelpakket"(15) essentieel is voor het versterken van de zuivelsector en verzoekt de Commissie voor te stellen het "Zuivelpakket" te verlengen tot na medio 2020 en te onderzoeken of de regels ervan kunnen worden uitgebreid tot overige landbouwsectoren;

99.  neemt nota van de conclusies van de studie getiteld "Economic impact of modern retail on choice and innovation in the EU food sector" van het Directoraat-Generaal Concurrentie, met inbegrip van het mogelijke bestaan van een negatief verband tussen innovatie en de marktpenetratie van producten onder eigen merken op de levensmiddelenmarkt; verzoekt de Commissie het Parlement op de hoogte te stellen van de omvang van de lopende besprekingen om te bepalen of dit negatieve verband de innovatie en het aantal verschillende producten dat beschikbaar is voor consumenten beperkt en wat de gevolgen hiervan op de lange termijn zouden zijn voor de toeleveringsketen en de situatie van landbouwers;

100.  wijst opnieuw op de noodzaak om het EU-mededingingskader geleidelijk verder te ontwikkelen, zodat in de monitoring van de voedselketen in Europa ook de SAFA-indicatoren (duurzaamheidsbeoordeling van voedsel- en landbouwsystemen) van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) worden opgenomen, waaronder eerlijke prijzen en transparante contracten (S.2.1.1.) en rechten van leveranciers (S2.2.1);

101.  beklemtoont dat het excessief belasten van industrieën de mededinging gemakkelijk kan verstoren en daarmee in zou druisen tegen de belangen van de consument;

102.  vraagt om een verdere ontwikkeling van het Europees instrument voor de bewaking van de voedselprijzen om de signalering van crises in de agrolevensmiddelenindustrie te verbeteren aan de hand van betere en verder uitgesplitste gegevens; wijst in dit verband op de noodzaak om landbouwersverenigingen te betrekken bij het definiëren en verzamelen van gegevens;

103.  verzoekt de Commissie volledig rekening te houden met de mogelijke marktverstorende gevolgen van handelsovereenkomsten met derde landen voor landbouwproducenten in Europa, gezien hun kwetsbare financiële situatie en hun belangrijke rol in onze samenleving; is van mening dat de Commissie bijzondere aandacht zou moeten besteden aan overeenkomsten met landen die aanzienlijk minder voorschriften met betrekking tot landbouw en gezondheid hebben dan de EU;

104.  verzoekt de Commissie de aard en de inhoud van verstoringen in de detailhandel te onderzoeken en daarbij te kijken naar de mogelijke gevolgen van territoriale leveringsbeperkingen voor detailhandelaren, omdat verstoringen tot marktfragmentatie leiden en tot de mogelijkheid dat grote supermarkten die de markt domineren de mededinging binnen de toeleveringsketens verstoren; benadrukt dat het belangrijk is dat alle belanghebbenden relevante informatie verschaffen; dringt er bij de Commissie op aan weer zaken met betrekking tot opgelegde verkoopprijzen te gaan onderzoeken;

105.  is van mening dat de Commissie de samenhang tussen het mededingingsbeleid en het vervoersbeleid verder moet versterken; merkt op dat in Speciaal verslag nr. 21/2014 van de Europese Rekenkamer staat dat de connectiviteit in Europa, met uitzondering van in de specifieke gevallen van luchthavens in afgelegen gebieden, gebaseerd moet zijn op economische duurzaamheid; betreurt het dat de investeringen in luchthavens niet altijd de verwachte effecten hebben gehad; verzoekt de Commissie derhalve een lijst op te stellen met de succesvolle en de niet-succesvolle luchthavenprojecten; verzoekt de Commissie om Verordening (EG) nr. 868/2004 te herzien om de concurrentiepositie van de Europese luchtvaartindustrie te verbeteren, oneerlijke concurrentie doeltreffender tegen te gaan, wederkerigheid te waarborgen en oneerlijke praktijken uit te bannen, waaronder subsidies en staatssteun aan de luchtvaartmaatschappijen uit bepaalde derde landen; verzoekt de Commissie te onderzoeken of bepaalde praktijken – op basis van de bestaande bilaterale luchtvaartovereenkomsten tussen lidstaten en niet-EU-landen – schadelijk zijn voor eerlijke mededinging tussen luchtvaartmaatschappijen en luchthavens en ingaan tegen de belangen van Europese consumenten; verzoekt de Commissie verder om die praktijken doeltreffend aan te pakken die het vermogen van de Europese consumenten ondermijnen om diverse onlinekanalen te gebruiken, met inbegrip van vergelijkingsdiensten via metadata en reisbureaus op het internet;

106.  verzoekt de Commissie en de lidstaten meer politieke wil aan de dag te leggen voor de verdere ontwikkeling en versterking van de interne vervoersmarkt en de totstandkoming van een gelijk speelveld om open en eerlijke mededinging tussen publieke en private ondernemingen in de sectoren vervoer, post en toerisme te waarborgen, met inachtneming van andere beleidsdomeinen, doelstellingen en beginselen van de EU, waaronder de sociale dimensie, wat van belang is voor een soepel functionerende interne vervoersmarkt;

107.  benadrukt het belang van connectiviteit en vervoersinfrastructuur voor het voortbestaan, de economische groei en de openbare en particuliere dienstverlening in afgelegen en perifere gebieden;

108.  hoopt daarom op de voltooiing van het uitgebreide TEN-V-netwerk;

109.  wijst erop dat het feit dat de rechten van werknemers in de vervoerssector efficiënter tegen misbruik moeten worden beschermd, niet als voorwendsel mag worden gebruikt om de vrije mededinging tussen ondernemingen uit verschillende lidstaten aan banden te leggen; verzoekt de Commissie bij het opstellen van wetten die een grote invloed hebben op de werking van de interne vervoersmarkt, de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit te eerbiedigen;

110.  vestigt de aandacht op de uitdagingen waarvoor de exploitanten van postdiensten zich geplaatst zien als gevolg van de totstandbrenging van de digitale interne markt; benadrukt dat de slaagkansen van dit ambitieuze project, vooral op het gebied van onlinehandel, in grote mate afhangen van de vorm die de pakketbezorgingsmarkt aanneemt; wijst erop dat eerlijke en gelijke grensoverschrijdende concurrentievoorwaarden moeten worden gewaarborgd voor private en publieke ondernemingen die commerciële diensten aanbieden;

111.  beklemtoont dat elk mededingingsbeleid de sociale rechten van alle werknemers in de betrokken sectoren moet eerbiedigen;

112.  wijst er met klem op dat de lidstaten de EU-wetgeving op het gebied van vervoer vaak slecht uitvoeren en zich niet aan de beginselen van de Verdragen houden, met name wanneer de centrale overheid het monopolie heeft in de vervoersector; verzoekt de Commissie, respectievelijk de lidstaten de bestaande EU-wetgeving naar behoren ten uitvoer te leggen en te handhaven, wat essentieel is voor het goed functioneren van de interne markt, zodat er extra voordelen kunnen ontstaan voor het bedrijfsleven en de industrie, de burgers, de sociale voorwaarden voor werknemers en het milieu;

113.  wijst erop dat het van belang is fysieke, technische en regelgevingsobstakels tussen lidstaten te slechten teneinde versnippering binnen de interne markt te voorkomen en grensoverschrijdende mobiliteit te vergemakkelijken, en zo de mededinging te stimuleren;

114.  vestigt de aandacht van de Commissie op de indirecte belemmeringen voor de mededinging die het gevolg zijn van verschillen in regelgeving op het gebied van belastingen, veiligheid, rij- en rusttijden, typegoedkeuring en passagiersrechten;

115.  is verheugd over de steeds grotere rol van digitale technologieën in de sectoren vervoer en toerisme, wat de mededinging bevordert, banen schept, ervoor zorgt dat kmo's gemakkelijker toegang krijgen tot grotere markten en tastbare voordelen oplevert voor de consument; wijst erop dat de digitalisering en de welkome ontwikkeling van de deeleconomie aanzienlijke veranderingen teweeg zullen brengen voor het bedrijfsklimaat in de sector en dat er een passend en duidelijk juridisch kader nodig is om de vruchten van het digitaliseringsproces te kunnen plukken;

116.  benadrukt dat ondernemingen die op basis van nieuwe bedrijfsmodellen werken, een positieve invloed hebben op de Europese vervoers- en toerismemarkt, met name doordat zij diensten toegankelijker maken en de kwaliteit ervan verbeteren;

117.  is ingenomen met het voornemen van de Commissie om met diverse belangrijke landen en regio's in de wereld te onderhandelen over externe luchtvaartovereenkomsten; meent dat dit niet alleen de markttoegang zal verbeteren, maar ook nieuwe zakelijke kansen zal scheppen voor een Europese luchtvaartsector met een leidende mondiale positie, kwalitatief hoogwaardige banen zal creëren, strikte veiligheidsnormen in stand zal houden, rekening zal houden met de rechten van werknemers in de sector en gunstig zal zijn voor de consument; onderstreept dat het Europees Parlement in die onderhandelingen een belangrijke rol te spelen heeft;

118.  verzoekt de Commissie om bij de onderhandelingen over die externe luchtvaartovereenkomsten een clausule inzake eerlijke mededinging op te nemen om een gelijk speelveld te waarborgen;

119.  is van mening dat in het kader van de havendiensten moet worden gezorgd voor een steeds opener, concurrerender en transparanter regelgevingskader voor publieke havens in Europa, alsook voor extra banenkansen;

120.  meent dat de toegenomen mededinging als gevolg van de geleidelijke openstelling van de EU-markt voor het goederenvervoer over de weg gunstig kan zijn voor de consument, maar veroordeelt het nadrukkelijk dat bepaalde maatregelen die sommige lidstaten toepassen de integriteit van de interne markt op dit gebied ondergraven; staat achter de Commissie in haar optreden tegen dergelijke maatregelen;

121.  hoopt dat die openstelling van de markt voor het goederenvervoer niet tot meer sociale dumping zal leiden en betreurt ook het verschijnsel van de postbusbedrijven;

122.  betreurt eveneens dat er in het EU-beleid onvoldoende aandacht is voor lichte bedrijfsvoertuigen, hoewel die steeds vaker worden gebruikt om de correcte toepassing van de arbeidswetgeving en de regels inzake veiligheid en milieubescherming te omzeilen;

123.  verzoekt de Commissie oligopolistiche prijsdumpingtendensen in het oog te houden, met name in de luchtvaartsector en in het busvervoer over lange afstand en het lijnbusvervoer, en staat erop dat het EU-recht correct wordt toegepast en dat er eerlijke mededingingsvoorwaarden voor de diverse vervoerswijzen worden geschapen;

124.  verzoekt om een snelle afronding van de onderhandelingen over het vierde spoorwegpakket en is van mening dat dit de spoorwegsector verder open zal stellen voor mededinging en efficiënter zal maken, terwijl de kwaliteit en continuïteit van openbaredienstverplichtingen gewaarborgd worden;

125.  is ingenomen met de goedkeuring van de technische pijler van het vierde spoorwegpakket en meent dat dit de spoorwegveiligheid zal verbeteren en tegelijkertijd dankzij de interoperabiliteit de technische belemmeringen voor mededinging zal wegnemen;

126.  benadrukt het belang van toerisme als essentiële factor voor economische groei en werkgelegenheid en verzoekt de Commissie een proactieve benadering te volgen ter bevordering van het concurrentievermogen van de Europese toeristische sector en van een gunstig klimaat voor de groei en ontwikkeling ervan;

127.  beklemtoont dat de postdiensten en vooral grensoverschrijdende pakketbezorging van essentieel belang zijn voor de ontwikkeling van de elektronische handel in de hele Europese Unie; is verheugd dat de Commissie een antitrustonderzoek naar de elektronische handel heeft gestart en spoort haar aan toezicht te blijven houden op de ontwikkeling van de post- en pakketmarkten.

128.  wijst erop dat er duurzame, toegankelijke en veilige vervoersprojecten moeten worden gefinancierd die de werking van het hele Europese vervoerssysteem kunnen helpen verbeteren;

129.  wenst dat Europese fondsen zoals de Connecting Europe Facility, de cohesiefondsen, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en Horizon 2020, gebruikt worden om de Europese vervoersinfrastructuur te ontwikkelen en de kwantiteit en de kwaliteit van diensten te verbeteren;

130.  verzoekt de lidstaten voldoende aandacht te besteden aan de voltooiing van grensoverschrijdende infrastructuurprojecten en hun belangrijkste vervoersplannen met hun buurlanden te coördineren;

131.  vindt het belangrijk dat innovatieve financiële instrumenten, zoals het Europees Fonds voor strategische investeringen, die projecten in de vervoerssector ter ondersteuning van de groei en het concurrentievermogen kunnen financieren, ten volle worden benut; wijst er echter op dat de middelen voor het EFSI-Garantiefonds geen invloed mogen hebben op de budgetten voor CEF en Horizon 2020, die essentiële instrumenten zijn om een gemeenschappelijke markt tot stand te brengen in de vervoerssector;

132.  benadrukt dat de volledige openstelling van de markt voor het spoorwegvervoer een aantal voordelen kan opleveren voor exploitanten en reizigers uit alle lidstaten; merkt echter op dat bij dat proces rekening moet worden gehouden met de ongelijke staat van ontwikkeling van de spoorweginfrastructuur in de verschillende lidstaten; beklemtoont dat in het volgend meerjarig financieel kader de huidige investeringsniveaus behouden moeten blijven om de verschillen in spoorweginfrastructuur weg te werken;

133.  wijst erop dat het feit dat de rechten van werknemers in de vervoerssector efficiënter tegen misbruik moeten worden beschermd, niet als voorwendsel mag worden gebruikt om de vrije mededinging tussen ondernemingen uit verschillende lidstaten aan banden te leggen; verzoekt de Commissie bij het opstellen van wetten die een grote invloed hebben op de werking van de interne vervoersmarkt, de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit te eerbiedigen;

134.  moedigt de Commissie aan om de analysemethoden mee te delen die worden gebruikt voor de bepaling van nieuwe relevante markten in het licht van de digitalisering van de economie en in het bijzonder het fenomeen van de convergentie van technologieën en het commerciële gebruik van persoonsgegevens op grote schaal;

135.  roept de lidstaten op om, teneinde het daadwerkelijke concurrentievermogen tussen de Europese wegtransportbedrijven te garanderen, alle concessies voor wegen die grenzen aan stedelijke gebieden te beëindigen indien deze concessies betaling van tolgelden met zich meebrengen;

136.  vraagt de Commissie de vermeende gevallen van btw-fraude in de varkensvleesindustrie te onderzoeken; betreurt het dat de Commissie nog geen onderzoek naar deze kwestie heeft opgestart, ondanks de klachten die zij ontving van landbouwersverenigingen;

137.  is van mening dat gebruikers geen commissielonen horen te betalen voor giro-/zichtrekeningen en spaarrekeningen tenzij daar specifieke diensten aan verbonden zijn;

138.  herhaalt zijn zorgen (zoals ook geuit in zijn resolutie van 11 juni 2013 over sociale huisvesting in de Europese Unie) over de restrictieve definitie van sociale huisvesting door de Commissie in het kader van het mededingingsbeleid; verzoekt de Commissie deze definitie te verduidelijken op basis van een uitwisseling van de beste praktijken en ervaringen tussen de lidstaten, rekening houdend met het feit dat sociale huisvesting in de verschillende lidstaten, regio's en lokale gemeenschappen op uiteenlopende wijze wordt beschouwd en beheerd;

139.  betreurt dat de Commissie er niet in is geslaagd snel en doortastend te reageren op pogingen van sommige lidstaten om de vrije mededinging in de vervoerssector te beperken; vraagt dat die praktijken worden afgeschaft en dat alle mogelijke maatregelen worden genomen om gelijke toegang onder dezelfde voorwaarden tot de interne markt te garanderen voor alle ondernemingen uit alle lidstaten die in die sector actief zijn;

140.  is van mening dat het belangrijk is om de mededinging in de inter-Europese markt voor financiële diensten, waaronder verzekeringsdiensten, te waarborgen, hetgeen vereist dat deze diensten grensoverschrijdend moeten kunnen worden verworven;

141.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie de resultaten van de lopende onderzoeken naar mededingingspraktijken in de levensmiddelen-, energie-, vervoers- en mediasector vrij te geven;

142.  maakt zich zorgen over de gevolgen voor de wegvervoerssector van de door de Commissie voorgestelde wijzigingen van Richtlijn 96/71/EG; wijst erop dat pogingen om de minimumlonen te harmoniseren niet in overeenstemming zijn met het subsidiariteitsbeginsel, zouden leiden tot discriminatie van ondernemingen uit bepaalde lidstaten op de interne markt en de vrijheid van dienstverlening in de EU ernstig zouden kunnen ondermijnen;

143.  verwerpt de vereiste dat een gebruiker een adres moet opgeven in de lidstaat waar de financiële instelling of verzekeringsmaatschappij in kwestie is gevestigd om een overeenkomst met deze entiteit te kunnen sluiten, aangezien dit onverenigbaar is met het doel van een interne retailmarkt voor financiële diensten;

144.  vraagt om een onmiddellijk onderzoek naar zorgen met betrekking tot de mededinging in de Formule 1;

145.  verzoekt de Commissie bij het ontwikkelen en uitvoeren van het mededingingsbeleid rekening te houden met het feit dat micro-, kleine en middelgrote ondernemingen het grootste deel van de bedrijven in de EU uitmaken; benadrukt in dit verband de noodzaak van gebruiksvriendelijke mededingingsregels voor kleinere ondernemingen die online en grensoverschrijdend willen opereren op de interne markt;

146.  herinnert de Commissie eraan dat het nog altijd gangbaar is dat betaalkaarten buiten gebruik worden gesteld wanneer de houder naar een andere lidstaat verhuist, en vraagt dat er op dit gebied maatregelen worden getroffen, waaronder waarschuwing van de nationale autoriteiten;

147.  benadrukt dat het noodzakelijk is om de toegang tot geneesmiddelen te waarborgen door de misbruiken in de farmaceutische industrie te bestrijden; wijst op de noodzaak om het gebruik van generieke geneesmiddelen, indien beschikbaar, uit te breiden in de gezondheidsstelsels van de lidstaten;

148.  benadrukt dat de toegang tot contanten via geldautomaten een essentiële dienst is die zonder discriminatie, wanpraktijken en mededingingsverstorende praktijken moet worden verleend en bijgevolg niet buitensporig veel mag kosten;

149.  beklemtoont de noodzaak van het bestrijden van oneerlijke collectieve boycots, die gedefinieerd worden als een situatie waarin een groep concurrenten overeenkomen een daadwerkelijke of potentiële concurrent uit te sluiten, als zijnde beperkingen van mededingingsbeperkende strekking;

150.  uit zijn zorgen over de draaideurschandalen bij mededingingsautoriteiten van de EU, en met name het geval van de voormalige commissaris belast met mededinging Neelie Kroes, die niet alleen zal lobbyen voor Uber, maar ook in verband is gebracht met de Bahama Leaks;

Naar efficiëntere nationale mededingingsautoriteiten in de EU

151.  verwelkomt de gedecentraliseerde handhaving van de EU-mededingingsregels in Europa, maar is van oordeel dat de doeltreffendheid van de bescherming van de burgers en bedrijven tegen mededingingsondermijnende activiteiten niet uitsluitend moet afhangen van de lidstaat waarin zij wonen, respectievelijk gevestigd zijn; is van oordeel dat Verordening (EG) nr. 1/2003 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels een essentiële bijdrage heeft geleverd aan de totstandbrenging van gelijke concurrentievoorwaarden voor ondernemingen op de gehele interne markt van de Europese Unie; benadrukt echter dat er nog steeds sprake is van verschillen tussen de nationale systemen en de nationale mededingingsautoriteiten wat betreft onafhankelijkheid, het opleggen van boetes en clementieregelingen; is van mening dat doeltreffende en gelijke procedurele bepalingen inzake de tenuitvoerlegging van de Europese antitrustwetgeving van essentieel belang zijn om rechtszekerheid voor consumenten en ondernemingen te waarborgen; verzoekt de mededingingsautoriteiten van de lidstaten de mogelijkheden voor Europese samenwerking in het kader van het European Competition Network (ECN) ten volle te benutten;

152.  acht het in dit verband dan ook essentieel dat de nationale mededingingsautoriteiten over de nodige middelen en instrumenten beschikken om de EU-mededingingsregels doeltreffend te handhaven, met inbegrip van het gereedschap om inbreuken op te sporen, aan te pakken en te bestraffen én clementieregelingen, die cruciaal zullen zijn als we willen dat bedrijven in heel Europa wat kartels betreft open kaart spelen;

153.  herhaalt dat de onafhankelijkheid van de nationale mededingingsautoriteiten een conditio sine qua non is, en dat dit ook betekent dat zij over de middelen moeten beschikken die nodig zijn voor het uitvoeren van hun taak;

154.  toont zich in dit verband verheugd over het door de Commissie gestarte raadplegingsproces, dat waarschijnlijk zal uitmonden in een wetgevingsvoorstel over de versterking van de handhavings- en sanctie-instrumenten van de nationale mededingingsautoriteiten in de vorm van het zogenaamde ECN+; herhaalt dat handhaving door meerdere autoriteiten in dezelfde of gerelateerde zaken leidt tot een risico op overlapping en mogelijk inconsistent optreden dat de rechtszekerheid beperkt en onnodige kosten veroorzaakt voor ondernemingen; vraagt de Commissie derhalve een voorstel voor EU-actie te presenteren, teneinde te waarborgen dat de nationale mededingingsautoriteiten de mededingingsregels doeltreffender doen toepassen op coherente en convergente wijze, met het oog op het realiseren van het volledige potentieel van het gedecentraliseerde systeem van handhaving van de EU-mededingingsregels; dringt erop aan het Parlement hierbij volledig te betrekken in het kader van de medebeslissingsprocedure;

155.  benadrukt dat in het tijdperk van de mondialisering internationale samenwerking tussen mededingingsautoriteiten onontbeerlijk is; is derhalve voorstander van een actieve participatie van de Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten in het Internationaal Mededingingsnetwerk; roept de Commissie op na te gaan of het mogelijk is met meer derde landen mededingingsovereenkomsten te sluiten, die de uitwisseling van informatie tussen de bij een onderzoek betrokken mededingingsautoriteiten mogelijk maken; benadrukt dat de tot dusver met Zwitserland en Canada gesloten mededingingsovereenkomsten in dit verband als voorbeeld kunnen dienen voor andere, gelijksoortige overeenkomsten; is daarnaast van mening dat internationale handels- en investeringsovereenkomsten een sterk mededingingshoofdstuk moeten hebben;

156.  nodigt de Commissie uit, zonder afbreuk te doen aan de onafhankelijkheid van de nationale mededingingsautoriteiten, de verschillende niveaus van nationale sancties in verband met inbreuken in de lidstaten te beoordelen en de mogelijkheid en wenselijkheid te onderzoeken van het stroomlijnen van deze verschillen;

157.  acht het van essentieel belang dat de Commissie zich blijft inzetten voor een betere samenwerking tussen de nationale mededingingsautoriteiten van de EU;

158.  is verheugd over de meer economische benadering van de mededingingswetgeving door de Commissie, ook op het gebied van diensten van algemeen economisch belang; is het eens met de Commissie dat marktfalen een inherente voorwaarde is voor het bestaan van een dienst van algemeen economisch belang; merkt echter op dat in academische kringen een debat wordt gevoerd over welk soort marktfalen de aanmerking als dienst van algemeen economisch belang kan rechtvaardigen;

159.  beklemtoont dat de onafhankelijkheid van het DG Concurrentie van het allergrootste belang is voor het behalen van zijn doelstellingen; vraagt nog eens om een strikte scheiding tussen de diensten die richtsnoeren formuleren en de diensten die verantwoordelijk zijn voor de toepassing van die richtsnoeren; verzoekt de Commissie voldoende financiële en personele middelen toe te wijzen aan DG Mededinging; dringt erop aan de Commissie voldoende technisch onderlegd personeel ter beschikking te stellen voor onderzoeken naar high-techbedrijven; vraagt de Commissie met klem de ethische regels voor het team van leidende economen van DG Mededinging in overeenstemming te brengen met de praktijken voor andere ambtenaren van de Commissie;

Democratische versterking van het mededingingsbeleid

160.  is verheugd over de inspanningen van mevrouw Vestager, de huidige commissaris belast met mededinging, om een regelmatige gestructureerde dialoog te voeren met het Parlement, en met name met de Commissie economische en monetaire zaken en de mededingingswerkgroep; vraagt de Commissie uitgebreidere feedback te leveren op de specifieke verzoeken die werden gedaan in het jaarverslag van het Parlement over het mededingingsbeleid; is van mening dat een toegewijde, gestructureerde dialoog kan bijdragen tot een grondigere follow-up van de respectievelijke jaarverslagen over het mededingingsbeleid;

161.  verheugt zich over de initiatieven van de Commissie om het publiek te raadplegen in het kader van de controle van concentraties en nodigt de Commissie uit de resultaten te bespreken met het Parlement;

162.  roept op tot uitbreiding van de dialoog tussen de Europese instellingen en de nationale mededingingsautoriteiten, in het bijzonder via overleg met de parlementaire commissies van het Europees Parlement;

163.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om in bindende wettelijke regelingen richtsnoeren voor sancties te integreren;

Internationale dimensie van het mededingingsbeleid

164.  is verheugd over het feit dat de Commissie zich mondiaal inzet voor een open en constructieve uitwisseling op het gebied van mededingingskwesties; is verheugd over de geboekte vooruitgang ten aanzien van mededingingsbepalingen in enkele vrijhandelsovereenkomsten, maar benadrukt ook dat de Commissie haar werkzaamheden moet voortzetten om bepalingen inzake mededinging en staatssteun op te nemen in de onderhandelingen over alle vrijhandelsovereenkomsten;

165.  benadrukt dat eerlijke concurrentie op het gebied van handel, diensten en investeringen een positief effect heeft op de economische en sociale ontwikkeling van de EU en de handelspartners van de EU; verzoekt de Commissie en de Raad spoedig hun werkzaamheden af te ronden betreffende de modernisering van de handelsbeschermingsinstrumenten, die noodzakelijk zijn om eerlijke concurrentie in de EU te garanderen, en is van mening dat in handelsovereenkomsten de kwestie van oneerlijke handelspraktijken van derde landen systematisch aan bod moet komen;

166.  verzoekt de Commissie samen te werken met de handelspartners om ervoor te zorgen dat hun markten meer open staan voor bedrijven uit de EU, met name op het gebied van energie, vervoer, telecommunicatie, overheidsopdrachten en diensten, met inbegrip van diensten die in het kader van gereglementeerde beroepen worden uitgeoefend;

167.  verzoekt de Commissie in alle handelsovereenkomsten ambitieuze bepalingen inzake mededinging op te nemen en effectief te controleren of de partijen deze bepalingen naar behoren eerbiedigen met betrekking tot alle regels, met inbegrip van bepalingen inzake overheidssteun, en met betrekking tot alle economische actoren, met inbegrip van staatsbedrijven;

168.  benadrukt dat het belangrijk is ontwikkelingslanden te steunen bij hun inspanningen om de mededingingsregels te bevorderen en in de praktijk toe te passen;

169.  verzoekt de Commissie de inspanningen te steunen voor de oprichting van een uitgebreide, gebruiksvriendelijke databank van de bepalingen inzake mededinging in vrijhandelsovereenkomsten, die kan worden beheerd door het secretariaat van de WTO;

170.  is ingenomen met de vooruitgang die tijdens de Ministeriële Conferentie van de WTO in Nairobi werd geboekt met betrekking tot de vermindering van uitvoersubsidies, die tot doel heeft eerlijke concurrentie op de internationale markten voor landbouwproducten te waarborgen; benadrukt in verband hiermee dat de landbouwsector gevoelig is en dat duidelijke en doeltreffende maatregelen moeten worden genomen, onder meer in het kader van de WTO-overeenkomsten, opdat de producenten op de internationale markten concurrentieel kunnen blijven;

171.  herhaalt dat gelijke toegang tot hulpbronnen, met inbegrip van energiebronnen, een grote impact heeft op eerlijke en gelijke mededinging op de wereldmarkt, en verzoekt de Commissie in handelsovereenkomsten bepalingen op te nemen die de toegang tot dergelijke hulpbronnen verbeteren, waaronder bepalingen over anti-mededingingspraktijken van staatsbedrijven en niet-discriminatie en transit;

172.  benadrukt dat het mededingingsbeleid een belangrijk onderdeel is van de interne markt zoals voorzien in het Verdrag; herhaalt dat een concurrerende en volledig functionerende interne markt nodig is om duurzame groei, werkgelegenheid en innovatie in de EU te stimuleren en dat inspanningen die erop gericht zijn eerlijke concurrentie in de hele EU in stand te houden in het belang zijn van consumenten, start‑ups en kmo's; is van oordeel dat de handhaving van Europese wetgeving niet verzwakt mag worden doordat de Commissie haar toevlucht neemt tot EU‑pilot in plaats van formele inbreukprocedures aanhangig te maken, en dat het noodzakelijk is om de concurrentie veilig te stellen;

173.  spoort de Commissie aan haar inspanningen ter bevordering van eerlijke mededinging niet alleen te richten op in het oog springende zaken tegen bekende grote bedrijven; herinnert de Commissie eraan dat het waarborgen van eerlijke mededinging ook belangrijk is voor het midden- en kleinbedrijf;

174.  pleit voor een grotere keuzevrijheid voor consumenten; is van oordeel dat het recht op gegevensoverdraagbaarheid, dat is vastgelegd in de algemene verordening gegevensbescherming, een goede manier is om zowel de rechten van consumenten als de mededinging te versterken; benadrukt dat onderzocht moet worden hoe interoperabiliteit tussen digitale netwerken via open standaarden en interfaces gewaarborgd kan worden;

175.  verzoekt de Commissie te onderzoeken waarom onafhankelijke detailhandelaren op grond van het mededingingsrecht wel kunnen samenwerken vanuit fysieke winkels, maar zich schuldig maken aan oneerlijke mededinging als zij samenwerken binnen de e-handel, en verzoekt de Commissie om aan deze situatie een einde te maken;

176.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de EU‑regels inzake overheidsopdrachten tijdig ten uitvoer worden gelegd, met name de invoering van elektronische aanbestedingen en de nieuwe bepalingen ter bevordering van de opdrachten in percelen, omdat een snelle tenuitvoerlegging belangrijk is om innovatie en concurrentie te bevorderen en kmo's op aanbestedingsmarkten te ondersteunen;

177.  verzoekt de Commissie de vorming van monopolies of gesloten waardeketens door middel van normalisatie te voorkomen; is van mening dat voorzien moet worden in een beroepsmechanisme op basis waarvan normen herzien kunnen worden als deze het concurrentievermogen dreigen aan te tasten;

178.  uit zijn bezorgdheid over de verregaande concentratie in bepaalde sectoren, zoals de chemische sector, ten gevolge van recente fusies; verzoekt de Commissie om uit te leggen hoe zij markttoegang, met name voor start-ups, wil garanderen; verzoekt de Commissie te onderzoeken of de marktpositie van een onderneming als gevolg van informatie en gegevens, de behandeling van die informatie en gegevens en het aantal gebruikers moeten worden meegewogen als testcriteria voor concentratiecontrole; dringt erop aan dat er wordt nagedacht over de vraag of het samenvoegen van gegevens en informatie, met name over klanten, kan leiden tot concurrentieverstoring;

179.  is van oordeel dat concurrentie in de sector telecommunicatie van groot belang is om innovatie en investeringen in netwerken te stimuleren en consumenten een grotere diversiteit aan diensten te bieden; is van oordeel dat een snelle stijging van het aantal breedbandverbindingen van groot belang is voor de voltooiing van de interne digitale markt; juicht in dit verband toe dat de Commissie bij de toepassing van de richtsnoeren voor breedband en staatssteun rekening zal houden met de in het telecompakket genoemde doelstellingen voor strategische connectiviteit;

180.  herinnert aan het laatste verslag van de Europese Rekenkamer over niet‑naleving van de regels inzake staatssteun in het kader van het cohesiebeleid, waarin melding wordt gemaakt van een aanzienlijk aantal fouten met betrekking tot de regels inzake staatssteun en waarin de Rekenkamer een aantal aanbevelingen doet; uit zijn bezorgdheid over de bevindingen van de Rekenkamer, omdat de geconstateerde tekortkomingen nadelige gevolgen hebben voor de goede werking van de interne markt, en verzoekt de Commissie om uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Rekenkamer en om haar inspanningen ter voorkoming van niet‑naleving te intensiveren;

181.  steunt de maatregelen van de Commissie op het gebied van de handhaving van de antikartelwetgeving, zoals de onlangs genomen maatregelen in de voedseldetailhandel en de maatregelen betreffende optische schijfeenheden, met als doel eerlijke prijzen voor consumenten te garanderen;

182.  wijst erop dat op de interne markt producten aan consumenten worden verkocht onder dezelfde merknaam en in dezelfde verpakking, maar met ingrediënten die per partij verschillen; roept de Commissie op om te onderzoeken of hier sprake is van een handelspraktijk met negatieve gevolgen voor lokale producenten, vooral kmo's, en of dit leidt tot discriminatie van consumenten doordat producten van lagere kwaliteit in de handel worden gebracht;

183.  herinnert eraan dat het Parlement in zijn resolutie over het jaarverslag over het mededingingsbeleid van de EU in 2014 de Commissie heeft opgeroepen allianties van grote distributeurs in Europa nauwlettend in de gaten te houden, en is verheugd over de bereidheid van de Commissie om de impact van deze allianties op de producenten en consumenten binnen het Europees mededingingsnetwerk te bespreken;

°

°   °

184.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale, en indien van toepassing regionale, mededingingsautoriteiten.

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0310.

(2)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0292.

(3)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0346.

(4)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0004.

(5)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0051.

(6)

PB L 123 van 19.5.2015, blz. 1.

(7)

PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1.

(8)

PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.

(9)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0394.

(10)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(11)

PB L 335 van 18.12.2010, blz. 43.

(12)

Speciaal verslag nr. 24/2016 van de Europese Rekenkamer: 'Meer inspanningen nodig om te zorgen voor grotere bekendheid en voor naleving van de staatssteunregels in het kader van het cohesiebeleid'- http://www.eca.europa.eu/Lists/ECADocuments/SR16_24/SR_STATE_AIDS_EN.pdf

(13)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1166 van de Commissie 17 mei 2016 tot wijziging van bijlage X bij Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de aankoopvoorwaarden voor bieten in de suikersector met ingang van 1 oktober 2017.

(14)

Resolutie van het Europees Parlement van 7 juni 2016 over oneerlijke handelspraktijken in de voedselvoorzieningsketen (P8_TA(2016)0250).

(15)

Verordening (EU) nr. 261/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 234/2007 van de Raad, wat de contractuele betrekkingen in de sector melk en zuivelproducten betreft.


TOELICHTING

Het mededingingsbeleid is van oudsher een van de belangrijkste beleidsterreinen van de EU en van cruciaal belang voor de goede werking van de interne markt. Anno 2016 heeft de Europese Unie meer dan ooit behoefte aan een krachtig en doeltreffend geïmplementeerd mededingingsbeleid.

Wanneer de mededingingsregels rigoureus in acht worden genomen, heeft dat talrijke voordelen voor de Europese burgers. Het geeft hen toegang tot een brede waaier aan producten en diensten van hoge kwaliteit. Het zorgt voor gelijke randvoorwaarden voor bedrijven die in de hele EU actief zijn en voorkomt de bovenmatige concentratie van economische en financiële macht in de handen van een klein aantal actoren. Het stimuleert kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid, groei, innovatie en investeringen. Het garandeert dat alle bedrijven zich aan hun verplichtingen houden en hun belastingen betalen, en dat geen enkel bedrijf een voorkeursbehandeling krijgt. Dit proces werkt andersom overigens op identieke wijze. Hoe meer bedrijven en lidstaten zich met opzet niet aan deze regels houden, des te schadelijker is dit voor de consument, het bedrijfsleven en de interne markt in het algemeen. Elk illegaal belastingvoordeel of elke andere vorm van staatssteun, elke antitrustpraktijk en elk protectionistisch, innovatiebelemmerend regeringsbesluit heeft vérstrekkende gevolgen voor het leven van de Europese burgers.

Met name in deze periode, waarin de grootste bedreiging voor het Europese integratieproces vanuit de EU zelf komt in de vorm van populistische euroscepsis, kan het niet aanpakken van oneerlijke fiscale regelingen voor grote bedrijven bij de bevolking tot meer wantrouwen ten opzichte van de EU leiden.

Het EU-mededingingsbeleid is niet bedoeld en kan ook niet alle uitdagingen van de Unie oplossen, maar beschikt wel over veel potentieel om op een flink aantal gebieden aanzienlijke verbeteringen tot stand te brengen. Gelukkig zien we hiervan ook reeds voorbeelden in de praktijk. De grondige onderzoeken van de Commissie naar praktijken die haaks staan op de mededingingsregels, zoals preferentiële belastingvoordelen, maken duidelijk dat het de EU ernst is én dat ze doeltreffend kan zijn.

Onlangs heeft de Commissie meerdere gevallen blootgelegd waarin multinationals - vaak met hulp van lidstaten - het betalen van miljarden euro's aan nationale belastingen hebben weten te vermijden. Dit is uitermate alarmerend en betekent dat de gevallen van vermeende staatssteun nog nauwkeuriger tegen het licht moeten worden gehouden én dat het afgelopen moet zijn met de op-maat-gesneden belastingregelingen, zoals groeibelastingkredieten en systemen voor rulings inzake 'excess profit'. Om de interne markt te versterken en bij de overheidsfinanciën tot meer discipline te komen, is het daarnaast noodzakelijk een fiscale unie tot stand te brengen.

In dit verband is het belangrijk te verwijzen naar het werk van de speciale commissies TAXE en TAXE II, gezien het feit dat hun inspanningen gericht op het achterhalen van de praktijken van de lidstaten op het vlak van tax rulings en op het ontwikkelen van maatregelen voor het bestrijden van oneerlijke belastingconcurrentie en belastingontduiking in de EU volledig aansloten bij het werk van de Commissie. De TAXE-commissies hebben belastingontduiking en belastingfraude actief aangepakt en - met het oog op het herstellen van rechtvaardigheid op fiscaal vlak - meerdere opzienbarende onthullingen gedaan en aanbevelingen geformuleerd. De Commissie was hierbij een cruciale partner van het Parlement en om positieve resultaten te kunnen blijven behalen is de actieve samenwerking tussen de Commissie en het Europees Parlement, zowel ten aanzien van mededinging, als met betrekking tot belastingkwesties, een 'must'.

Het mededingingsbeleid levert ook een aanzienlijke bijdrage aan de huidige EU-beleidsprioriteiten en versterkt de interne markt, met bijzondere aandacht voor de digitale interne markt en de energie-unie.

Aangezien de digitale interne markt tot honderdduizenden nieuwe banen kan leiden en 415 miljard EUR per jaar aan de economie van de EU kan toevoegen, moeten de lidstaten iets doen aan obstakels zoals de problemen bij de breedbandtoegang tot het internet en infrastructuur. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de burgers en het bedrijfsleven, in het bijzonder kmo's en start-ups, niet met online-obstakels worden geconfronteerd die hen erbij hinderen volledig te profiteren van onlinediensten en digitale technologieën.

De nationale regelgevende instanties op hun beurt moeten ervoor waken belemmeringen te creëren voor onlineplatforms en innovatieve bedrijven van de deeleconomie, die over het potentieel beschikken om honderdduizenden banen te scheppen en de consument betaalbare diensten aan te bieden. In plaats van een geheel of gedeeltelijk verbod op onlineplatforms uit te vaardigen (zoals in het geval van het Amerikaanse onlinevervoersbedrijf Uber in België, Duitsland, Hongarije en Nederland), zouden de lidstaten er beter aan doen de bestaande positieve voorbeelden te volgen en te onderzoeken welke regelgevingsopties hier het best bij aansluiten.

De Commissie moet daarnaast haar onderzoeken naar mededingingsondermijnende activiteiten in de digitale en onlinesector voortzetten en de afwikkeling van alle lopende procedures in verband met antitrust- en belastingdossiers aanzienlijk versnellen, teneinde ervoor te zorgen dat kmo's en digitale start-ups met evenwichtiger en billijker mededingingsomstandigheden worden geconfronteerd, op een markt die vaak door multinationale technologiegiganten wordt bepaald.

Rapporteur roept de Commissie op de mededinging in de telecommunicatiesector te waarborgen, en daarbij bijzondere aandacht te schenken aan de toewijzing van spectrum, teneinde voor betaalbare prijzen te zorgen en de consument in staat te stellen te kiezen uit meerdere diensten. In dit concept past het ook regelgeving te formuleren voor duur bellen binnen de EU, als de volgende noodzakelijke stap in de richting van afschaffing van de heffingen voor roaming in de Unie.

De energie-unie, nog zo'n prioritair project van de EU, hangt ook af van het vermogen van de Commissie om voor eerlijke mededinging te zorgen, met het oog op betaalbaarheid, duurzaamheid en het verwezenlijken van de energie- en milieudoelstellingen van de EU voor 2020. Dit betekent derhalve dat gevallen van staatssteun en onregelmatigheden bij openbare aanbestedingen in het kader van investeringen in de energie- en milieusector (zoals de omstreden uitbreiding van de Pak-kerncentrale in Hongarije) nauwlettend in de gaten moeten worden gehouden en grondig moeten worden onderzocht.

In zijn algemeenheid worden de inspanningen van de Commissie gericht op het voorkomen en aanpakken van mededingingsondermijnend gedrag toegejuicht. De onlangs herwerkte staatssteunregels zijn het resultaat van deze inspanningen. De lidstaten moeten er echter aan worden herinnerd dat het doel was de steunmaatregelen meer te richten op economische groei, kwalitatief hoogwaardige nieuwe werkgelegenheid en sociale cohesie. Ook zij gezegd dat hoewel de tijdelijke staatssteun in de financiële sector destijds nodig was, deze nu snel moet worden verminderd of volledig beëindigd wil men de bankenunie voltooien. De Commissie moet de regels en procedures betreffende staatsteun in de financiële sector verduidelijken.

De lopende, uiterst zichtbare onderzoeken en de boetes die worden opgelegd, laten zien hoe effectief het optreden van de Commissie is. Om mededingingsondermijnend gedrag en inbreuken op de mededingingswetgeving te kunnen voorkomen, moeten de nationale mededingingsautoriteiten echter meer op de voorgrond treden. Hiervoor is het essentieel dat zij onafhankelijker kunnen opereren en over de noodzakelijke middelen en instrumenten beschikken om de EU-mededinginsgregels doeltreffend te handhaven.

In weerwil van de tastbare resultaten die worden geboekt, ondervinden de Europese consumenten en belastingbetalers nog altijd de uiterst negatieve gevolgen van de mededingingsondermijnende praktijken van zowel de particuliere, als de publieke sector. Deze praktijken hebben een rechtstreekse negatieve uitwerking op het niveau van innovatie, en ze ondergraven daarnaast het vertrouwen in de EU en de interne markt. Na de keuze van het Verenigd Koninkrijk voor uittreding uit de EU is het aan ons om het vertrouwen van de Europese burgers, bedrijven en investoren in de interne markt te vergroten, en het hooghouden van de beginselen van eerlijke mededinging is een van de belangrijkste manieren op dit doel te verwezenlijken. In dit verband moet de nauwe samenwerking tussen de Commissie, de nationale mededingingsautoriteiten en het Parlement voortgezet en verder versterkt worden.


ADVIES van de Commissie internationale handel (10.11.2016)

aan de Commissie economische en monetaire zaken

inzake het jaarverslag over het mededingingsbeleid van de EU

(2016/2100(INI))

Rapporteur voor advies: Adam Szejnfeld

SUGGESTIES

De Commissie internationale handel verzoekt de ten principale bevoegde Commissie economische en monetaire zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  benadrukt dat eerlijke concurrentie op het gebied van handel, diensten en investeringen een positief effect heeft op de economische en sociale ontwikkeling van de EU en de handelspartners van de EU; verzoekt de Commissie en de Raad spoedig hun werkzaamheden af te ronden betreffende de modernisering van de handelsbeschermingsinstrumenten, die noodzakelijk zijn om eerlijke concurrentie in de EU te garanderen, en is van mening dat in handelsovereenkomsten de kwestie van oneerlijke handelspraktijken van derde landen systematisch aan bod moet komen;

2.  verzoekt de Commissie samen te werken met de handelspartners om ervoor te zorgen dat hun markten meer open staan voor bedrijven uit de EU, met name op het gebied van energie, vervoer, telecommunicatie, overheidsopdrachten en diensten, met inbegrip van diensten die in het kader van gereglementeerde beroepen worden uitgeoefend;

3.  verzoekt de Commissie in alle handelsovereenkomsten ambitieuze bepalingen inzake mededinging op te nemen en effectief te controleren of de partijen deze bepalingen naar behoren eerbiedigen met betrekking tot alle regels, met inbegrip van bepalingen inzake overheidssteun, en met betrekking tot alle economische actoren, met inbegrip van staatsbedrijven;

4.  benadrukt dat de doeltreffende uitvoering van het mededingingsbeleid van de EU samenwerking vergt met mededingingsautoriteiten buiten de EU, met name in de opkomende economieën;

5.  benadrukt dat het belangrijk is ontwikkelingslanden te steunen bij hun inspanningen om de mededingingsregels te bevorderen en in de praktijk toe te passen;

6.  is ingenomen met de actieve deelname van de Commissie aan multilaterale mededingingsorganisaties zoals het International Competition Network, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, de Conferentie van de Verenigde Naties voor handel en ontwikkeling, en de Wereldhandelsorganisatie; benadrukt dat mondiale samenwerking op het gebied van mededingingstoezicht helpt om inconsistenties op te lossen en resultaten van handhaving te verhogen, en de kosten van bedrijven voor naleving helpt verminderen;

7.  verzoekt de Commissie de inspanningen te steunen voor de oprichting van een uitgebreide, gebruiksvriendelijke databank van de bepalingen inzake mededinging in vrijhandelsovereenkomsten, die kan worden beheerd door het secretariaat van de WTO;

8.  is ingenomen met de vooruitgang die tijdens de Ministeriële Conferentie van de WTO in Nairobi werd geboekt met betrekking tot de vermindering van uitvoersubsidies, die tot doel heeft eerlijke concurrentie op de internationale markten voor landbouwproducten te waarborgen; benadrukt in verband hiermee dat de landbouwsector gevoelig is en dat duidelijke en doeltreffende maatregelen moeten worden genomen, onder meer in het kader van de WTO-overeenkomsten, opdat de producenten op de internationale markten concurrentieel kunnen blijven;

9.  herhaalt dat gelijke toegang tot hulpbronnen, met inbegrip van energiebronnen, een grote impact heeft op eerlijke en gelijke mededinging op de wereldmarkt, en verzoekt de Commissie in handelsovereenkomsten bepalingen op te nemen die de toegang tot dergelijke hulpbronnen verbeteren, waaronder bepalingen over anti-mededingingspraktijken van staatsbedrijven en niet-discriminatie en transit.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

10.11.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

31

5

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Laima Liucija Andrikienė, Maria Arena, Tiziana Beghin, David Borrelli, David Campbell Bannerman, Daniel Caspary, Salvatore Cicu, Santiago Fisas Ayxelà, Christofer Fjellner, Karoline Graswander-Hainz, Ska Keller, Jude Kirton-Darling, Bernd Lange, David Martin, Anne-Marie Mineur, Sorin Moisă, Alessia Maria Mosca, Franz Obermayr, Artis Pabriks, Franck Proust, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Inmaculada Rodríguez-Piñero Fernández, Marietje Schaake, Helmut Scholz, Joachim Schuster, Joachim Starbatty, Adam Szejnfeld, Hannu Takkula, Iuliu Winkler, Jan Zahradil

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Klaus Buchner, Nicola Danti, Syed Kamall, Frédérique Ries, Fernando Ruas, Jarosław Wałęsa

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Philippe Loiseau


ADVIES van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (29.11.2016)

aan de Commissie economische en monetaire zaken

inzake het jaarverslag over het mededingingsbeleid van de EU

(2016/2100(INI))

Rapporteur voor advies: Andreas Schwab

SUGGESTIES

De Commissie interne markt en consumentenbescherming verzoekt de ten principale bevoegde Commissie economische en monetaire zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  benadrukt dat het mededingingsbeleid een belangrijk onderdeel is van de interne markt zoals voorzien in het Verdrag; herhaalt dat een concurrerende en volledig functionerende interne markt nodig is om duurzame groei, werkgelegenheid en innovatie in de EU te stimuleren en dat inspanningen die erop gericht zijn eerlijke concurrentie in de hele EU in stand te houden in het belang zijn van consumenten, start-ups en kmo's; is van oordeel dat de handhaving van Europese wetgeving niet verzwakt mag worden doordat de Commissie haar toevlucht neemt tot EU-pilot in plaats van formele inbreukprocedures aanhangig te maken, en dat het noodzakelijk is om de concurrentie veilig te stellen;

2.  is van mening dat de bevoegdheidsverdeling tussen de Europese instellingen en de onafhankelijkheid van de Commissie om de mededinging op de interne markt te reguleren volledig moeten worden geëerbiedigd; onderstreept dat besluiten vastgesteld moeten worden op basis van feiten en in overeenstemming met de doelstellingen van het mededingingsbeleid van de EU;

3.  spoort de Commissie aan haar inspanningen ter bevordering van eerlijke mededinging niet alleen te richten op in het oog springende zaken tegen bekende grote bedrijven; herinnert de Commissie eraan dat het waarborgen van eerlijke mededinging ook belangrijk is voor het midden- en kleinbedrijf;

4.  benadrukt dat het EU-mededingingsrecht en de mededingingsautoriteiten moeten zorgen voor gelijke concurrentievoorwaarden voor bedrijven en keuzemogelijkheden voor consumenten op de digitale interne markt; is ingenomen met het feit dat de Commissie onderzoek doet naar bepaalde concurrentieverstorende praktijken bij een aantal bedrijven; dringt er bij de Commissie op aan een debat op gang te brengen over de vraag in hoeverre de van oudsher aan het mededingingsrecht ten grondslag liggende ideeën nog aansluiten bij de specifieke omstandigheden en nieuwe uitdagingen van de digitale economie, en verzoekt de Commissie een beleid te voeren dat gericht is op actieve, doeltreffende en snelle handhaving van de mededingingsregels, om misbruik van een machtspositie op de interne markt te voorkomen en op die manier innovatie en innovatieve bedrijfsmodellen te bevorderen en Europese consumenten in staat te stellen gebruik te maken van alle mogelijkheden die een werkelijk eengemaakte digitale markt biedt; verzoekt de Commissie deze belangrijke procedures die al zo lang lopen zo snel mogelijk af te ronden;

5.  pleit voor een grotere keuzevrijheid voor consumenten; is van oordeel dat het recht op gegevensoverdraagbaarheid, dat is vastgelegd in de algemene verordening gegevensbescherming, een goede manier is om zowel de rechten van consumenten als de mededinging te versterken; benadrukt dat onderzocht moet worden hoe interoperabiliteit tussen digitale netwerken via open standaarden en interfaces gewaarborgd kan worden;

6.  dringt aan op actieve monitoring van eventuele mededingingskwesties op het gebied van ongerechtvaardigde geoblocking en andere beperkingen met betrekking tot onlineverkoop; betreurt dat de meeste e-handel plaatsvindt binnen de nationale grenzen en dat er in deze sector geen sprake is van een echte interne markt zonder nationale belemmeringen; is ingenomen met het lopende onderzoek naar e-handel, en wenst dat dit onderzoek grondig wordt uitgevoerd en op korte termijn wordt afgerond en hoopt dat het nuttige informatie zal opleveren voor toekomstige maatregelen in het kader van de strategie voor een digitale eengemaakte markt en voor grensoverschrijdende handel; spoort de Commissie aan een bedrijfsklimaat te creëren waarin de ontwikkeling van innovatieve ideeën gewaarborgd wordt;

7.  verzoekt de Commissie te onderzoeken waarom onafhankelijke detailhandelaren op grond van het mededingingsrecht wel kunnen samenwerken vanuit fysieke winkels, maar zich schuldig maken aan oneerlijke mededinging als zij samenwerken binnen de e-handel, en verzoekt de Commissie om aan deze situatie een einde te maken;

8.  merkt op dat miljoenen ondernemingen, waaronder veel Europese kmo's, dankzij onlineplatformen kunnen profiteren van de voordelen van e-handel; is van mening dat het, om eerlijke mededingingsvoorwaarden te waarborgen, noodzakelijk is dat er vergelijkbare regels komen voor vergelijkbare digitale diensten; is van mening dat de nieuwe bedrijfsmodellen die gehanteerd worden door platformen en intermediairs op het gebied van de deeleconomie belangrijke vragen opwerpen, bijvoorbeeld wat betreft de toepasselijkheid van EU-wetgeving en nationale wetgeving, relaties tussen bedrijven, de afdracht van belastingen en erkenning van arbeidsrechten; verzoekt de Commissie en de lidstaten derhalve om zich hierover te buigen;

9.  vindt dat de Commissie een onderzoek moet instellen naar concurrentievervalsende praktijken door lidstaten en regionale en lokale overheden ten aanzien van intermediairs op het gebied van de deeleconomie; benadrukt dat er bijzondere aandacht moet worden besteed aan buitensporige regeldruk, onevenredige toepassing van bestaande regels op niet-vergelijkbare bedrijfsmodellen en de wettigheid van regelrechte verboden;

10.  wijst er nogmaals op dat Richtlijn 2014/104/EU betreffende schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht tijdig en naar behoren moet worden omgezet; betreurt ten zeerste dat de omzetting in nationaal recht zo traag verloopt en dat veel lidstaten zelfs nog geen voorstel voor uitvoeringswetgeving hebben goedgekeurd; spoort de Commissie daarom met klem aan om de omzetting van de richtlijn nauwlettend te volgen, deze kwestie met de lidstaten op te nemen en jaarlijks verslag uit te brengen over in het kader van deze richtlijn aanhangig gemaakte procedures; benadrukt dat de toegang tot de rechter, waaronder de mogelijkheid van het instellen van een procedure voor collectief verhaal, essentieel is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het EU-mededingingsbeleid;

11.  is tevreden dat de Commissie overweegt meer instrumenten in te voeren ter versterking van de inspanningen ter bevordering van eerlijke mededinging; kijkt uit naar het voorstel van de Commissie inzake ECN+ en dringt aan op volledige betrokkenheid van het Parlement in het kader van de gewone wetgevingsprocedure; is van oordeel dat doeltreffende instrumenten om verstoring van de mededinging tegen te gaan cruciaal zijn voor de goede werking van de interne markt, en dat absoluut gewaarborgd moet worden dat consumenten en ondernemingen erop kunnen vertrouwen dat de EU-mededingingsregels in de hele Unie consistent worden toegepast; benadrukt dat het EU-recht in alle lidstaten op dezelfde manier moet worden gehandhaafd; is van mening dat er met name Europese minimumnormen nodig zijn op het vlak van clementieregelingen, sancties en de onafhankelijkheid van nationale mededingingsautoriteiten; wijst op de mogelijkheid die de Commissie heeft om onderzoeksinstrumenten in het leven te roepen, waarmee zij, los van de informatie die door de lidstaten wordt aangeleverd, onderzoek kan doen naar mogelijk illegale staatssteun;

12.  benadrukt dat coördinatie op belastinggebied een van de pijlers is waarop het concurrentievermogen van de interne markt berust, en herhaalt dat alle marktdeelnemers aan hun belastingverplichtingen moeten voldoen; is ingenomen met het diepgaande onderzoek door de Commissie naar met de mededinging strijdige praktijken, zoals selectieve belastingvoordelen en excess profit rulings in bepaalde lidstaten, die mogelijk in strijd zijn met de EU-bepalingen inzake staatssteun, en is ingenomen met de besluiten inzake staatssteun die de Commissie in dit kader recentelijk heeft genomen; wijst er evenwel op dat deze besluiten zich niet richtten tegen de ondernemingen, maar tegen de voorwaarden die door de lidstaten worden geboden en waarvan de Commissie vindt dat die niet in overeenstemming zijn met de EU-regels inzake staatssteun; roept de Commissie op om hier rekening mee te houden en gelijksoortige gevallen op dezelfde wijze tegemoet te treden;

13.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de EU-regels inzake overheidsopdrachten tijdig ten uitvoer worden gelegd, met name de invoering van elektronische aanbestedingen en de nieuwe bepalingen ter bevordering van de opdrachten in percelen, omdat een snelle tenuitvoerlegging belangrijk is om innovatie en concurrentie te bevorderen en kmo's op aanbestedingsmarkten te ondersteunen;

14.  verzoekt de Commissie de vorming van monopolies of gesloten waardeketens door middel van normalisatie te voorkomen; is van mening dat voorzien moet worden in een beroepsmechanisme op basis waarvan normen herzien kunnen worden als deze het concurrentievermogen dreigen aan te tasten;

15.  uit zijn bezorgdheid over de verregaande concentratie in bepaalde sectoren, zoals de chemische sector, ten gevolge van recente fusies; verzoekt de Commissie om uit te leggen hoe zij markttoegang, met name voor start-ups, wil garanderen; verzoekt de Commissie te onderzoeken of de marktpositie van een onderneming als gevolg van informatie en gegevens, de behandeling van die informatie en gegevens en het aantal gebruikers moeten worden meegewogen als testcriteria voor concentratiecontrole; dringt erop aan dat er wordt nagedacht over de vraag of het samenvoegen van gegevens en informatie, met name over klanten, kan leiden tot concurrentieverstoring;

16.  is van oordeel dat concurrentie in de sector telecommunicatie van groot belang is om innovatie en investeringen in netwerken te stimuleren en consumenten een grotere diversiteit aan diensten te bieden; is van oordeel dat een snelle stijging van het aantal breedbandverbindingen van groot belang is voor de voltooiing van de interne digitale markt; juicht in dit verband toe dat de Commissie bij de toepassing van de richtsnoeren voor breedband en staatssteun rekening zal houden met de in het telecompakket genoemde doelstellingen voor strategische connectiviteit;

17.  herinnert aan het laatste verslag van de Europese Rekenkamer over niet-naleving van de regels inzake staatssteun in het kader van het cohesiebeleid, waarin melding wordt gemaakt van een aanzienlijk aantal fouten met betrekking tot de regels inzake staatssteun en waarin de Rekenkamer een aantal aanbevelingen doet; uit zijn bezorgdheid over de bevindingen van de Rekenkamer, omdat de geconstateerde tekortkomingen nadelige gevolgen hebben voor de goede werking van de interne markt, en verzoekt de Commissie om uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Rekenkamer en om haar inspanningen ter voorkoming van niet-naleving te intensiveren;

18.  verzoekt de Commissie in dit kader om een correcte handhaving van de algemene groepsvrijstellingsverordening (Verordening (EU) nr. 651/2014)) die in juli 2014 in werking is getreden, te waarborgen; is ingenomen met het feit dat de algemene groepsvrijstellingsverordening momenteel wordt herzien; herinnert eraan dat er rechtsonzekerheid bestaat over de vraag of de toewijzing van overheidsmiddelen aan organisaties in de toeristische sector in haar huidige vorm voldoet aan de EU-regels voor staatssteun; verzoekt de Commissie om de lidstaten te adviseren over de verstrekking van staatssteun ter ondersteuning van het toerisme als belangrijke economische factor op de interne markt; benadrukt dat er in de algemene groepsvrijstellingsverordening een nieuwe vrijstelling moet worden opgenomen;

19.  steunt de maatregelen van de Commissie op het gebied van de handhaving van de antikartelwetgeving, zoals de onlangs genomen maatregelen in de voedseldetailhandel en de maatregelen betreffende optische schijfeenheden, met als doel eerlijke prijzen voor consumenten te garanderen;

20.  wijst erop dat op de interne markt producten aan consumenten worden verkocht onder dezelfde merknaam en in dezelfde verpakking, maar met ingrediënten die per partij verschillen; roept de Commissie op om te onderzoeken of hier sprake is van een handelspraktijk met negatieve gevolgen voor lokale producenten, vooral kmo's, en of dit leidt tot discriminatie van consumenten doordat producten van lagere kwaliteit in de handel worden gebracht;

21.  herinnert eraan dat het Parlement in zijn resolutie over het jaarverslag over het mededingingsbeleid van de EU in 2014 de Commissie heeft opgeroepen allianties van grote distributeurs in Europa nauwlettend in de gaten te houden, en is verheugd over de bereidheid van de Commissie om de impact van deze allianties op de producenten en consumenten binnen het Europees mededingingsnetwerk te bespreken;

22.  is ingenomen met de stappen die de Commissie tot nu toe heeft ondernomen om oneerlijke handelspraktijken in de voedselvoorzieningsketen tegen te gaan; is ingenomen met de analyse die momenteel door de diensten van de Commissie wordt uitgevoerd om te bepalen of eigen merken van distributeurs concurrentievervalsende voordelen kunnen opleveren op de markt, en roept de Commissie op het Parlement op de hoogte te stellen van de resultaten van dit onderzoek; is van oordeel dat een kader op EU-niveau waarin algemene beginselen worden vastgesteld en waarin rekening wordt gehouden met beste praktijken, en vrijwillige regelingen, zoals het initiatief voor de toeleveringsketen, de juiste koers vormen;

23.  verzoekt de Commissie in haar mededingingsbeleid ruimte te bieden voor bepaalde vormen van samenwerking tussen onafhankelijke leveranciers van voedingsmiddelen, om oneerlijke handelspraktijken van supermarkten te voorkomen en tegen te gaan.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

29.11.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

29

2

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Dita Charanzová, Carlos Coelho, Anna Maria Corazza Bildt, Daniel Dalton, Dennis de Jong, Pascal Durand, Vicky Ford, Ildikó Gáll-Pelcz, Evelyne Gebhardt, Maria Grapini, Sergio Gutiérrez Prieto, Robert Jarosław Iwaszkiewicz, Liisa Jaakonsaari, Morten Løkkegaard, Marlene Mizzi, Jiří Pospíšil, Virginie Rozière, Christel Schaldemose, Olga Sehnalová, Igor Šoltes, Ivan Štefanec, Mylène Troszczynski, Mihai Ţurcanu, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Lucy Anderson, Anna Hedh, Kaja Kallas, Roberta Metsola, Dariusz Rosati, Adam Szejnfeld, Marc Tarabella, Theodoros Zagorakis

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Bill Etheridge, Andrey Kovatchev


ADVIES van de Commissie vervoer en toerisme (14.11.2016)

aan de Commissie economische en monetaire zaken

inzake het jaarverslag over het mededingingsbeleid van de EU

(2016/2100(INI))

Rapporteur voor advies: Jacqueline Foster

SUGGESTIES

De Commissie vervoer en toerisme verzoekt de ten principale bevoegde Commissie economische en monetaire zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  verzoekt de Commissie en de lidstaten meer politieke wil aan de dag te leggen voor de verdere ontwikkeling en versterking van de interne vervoersmarkt en de totstandkoming van een gelijk speelveld om open en eerlijke mededinging tussen publieke en private ondernemingen in de sectoren vervoer, post en toerisme te waarborgen, met inachtneming van andere beleidsdomeinen, doelstellingen en beginselen van de EU, waaronder de sociale dimensie, wat van belang is voor een soepel functionerende interne vervoersmarkt;

2.  benadrukt het belang van connectiviteit en vervoersinfrastructuur voor het voortbestaan, de economische groei en de openbare en particuliere dienstverlening in afgelegen en perifere gebieden;

3.  hoopt daarom op de voltooiing van het uitgebreide TEN-V-netwerk;

4.  wijst erop dat het feit dat de rechten van werknemers in de vervoerssector efficiënter tegen misbruik moeten worden beschermd, niet als voorwendsel mag worden gebruikt om de vrije mededinging tussen ondernemingen uit verschillende lidstaten aan banden te leggen; verzoekt de Commissie bij het opstellen van wetten die een grote invloed hebben op de werking van de interne vervoersmarkt, de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit te eerbiedigen;

5.  vestigt de aandacht op de uitdagingen waarvoor de exploitanten van postdiensten zich geplaatst zien als gevolg van de totstandbrenging van de digitale interne markt; benadrukt dat de slaagkansen van dit ambitieuze project, vooral op het gebied van onlinehandel, in grote mate afhangen van de vorm die de pakketbezorgingsmarkt aanneemt; wijst erop dat eerlijke en gelijke grensoverschrijdende concurrentievoorwaarden moeten worden gewaarborgd voor private en publieke ondernemingen die commerciële diensten aanbieden;

6.  beklemtoont dat elk mededingingsbeleid de sociale rechten van alle werknemers in de betrokken sectoren moet eerbiedigen;

7.  wijst er met klem op dat de lidstaten de EU-wetgeving op het gebied van vervoer vaak slecht uitvoeren en zich niet aan de beginselen van de Verdragen houden, met name wanneer de centrale overheid het monopolie heeft in de vervoersector; verzoekt de Commissie en de lidstaten de bestaande EU-wetgeving naar behoren ten uitvoer te leggen en te handhaven, wat essentieel is voor het goed functioneren van de interne markt, zodat er extra voordelen kunnen ontstaan voor het bedrijfsleven en de industrie, de burgers, de sociale voorwaarden voor werknemers en het milieu;

8.  wijst erop dat het van belang is fysieke, technische en regelgevingsobstakels tussen lidstaten te slechten teneinde versnippering binnen de interne markt te voorkomen en grensoverschrijdende mobiliteit te vergemakkelijken, en zo de mededinging te stimuleren;

9.  vestigt de aandacht van de Commissie op de indirecte belemmeringen voor de mededinging die het gevolg zijn van verschillen in regelgeving op het gebied van belastingen, veiligheid, rij- en rusttijden, typegoedkeuring en passagiersrechten;

10.  is verheugd over de steeds grotere rol van digitale technologieën in de sectoren vervoer en toerisme, wat de mededinging bevordert, banen schept, ervoor zorgt dat kmo's gemakkelijker toegang krijgen tot grotere markten en tastbare voordelen oplevert voor de consument; wijst erop dat de digitalisering en de welkome ontwikkeling van de deeleconomie aanzienlijke veranderingen teweeg zullen brengen voor het bedrijfsklimaat in de sector en dat er een passend en duidelijk juridisch kader nodig is om de vruchten van het digitaliseringsproces te kunnen plukken;

11.  benadrukt dat ondernemingen die op basis van nieuwe bedrijfsmodellen werken, een positieve invloed hebben op de Europese vervoers- en toerismemarkt, met name doordat zij diensten toegankelijker maken en de kwaliteit ervan verbeteren;

12.  is ingenomen met het voornemen van de Commissie om met diverse belangrijke landen en regio's in de wereld te onderhandelen over externe luchtvaartovereenkomsten; meent dat dit niet alleen de markttoegang zal verbeteren, maar ook nieuwe zakelijke kansen zal scheppen voor een Europese luchtvaartsector met een leidende mondiale positie, kwalitatief hoogwaardige banen zal creëren, strikte veiligheidsnormen in stand zal houden, rekening zal houden met de rechten van werknemers in de sector en gunstig zal zijn voor de consument; onderstreept dat het Europees Parlement in die onderhandelingen een belangrijke rol te spelen heeft;

13.  verzoekt de Commissie om bij de onderhandelingen over die externe luchtvaartovereenkomsten een clausule inzake eerlijke mededinging op te nemen om een gelijk speelveld te waarborgen;

14.  spoort de Commissie aan de samenhang te bevorderen, ook op het gebied van EU-subsidies, tussen luchthavens die geografisch gezien dicht bij elkaar, maar in verschillende landen liggen;

15.  is van mening dat in het kader van de havendiensten moet worden gezorgd voor een steeds opener, concurrerender en transparanter regelgevingskader voor publieke havens in Europa, alsook voor extra banenkansen;

16.  meent dat de toegenomen mededinging als gevolg van de geleidelijke openstelling van de EU-markt voor het goederenvervoer over de weg gunstig kan zijn voor de consument, maar veroordeelt het nadrukkelijk dat bepaalde maatregelen die sommige lidstaten toepassen de integriteit van de interne markt op dit gebied ondergraven; staat achter de Commissie in haar optreden tegen dergelijke maatregelen;

17.  hoopt dat die openstelling van de markt voor het goederenvervoer niet tot meer sociale dumping zal leiden en betreurt ook het verschijnsel van de postbusbedrijven;

18.  betreurt eveneens dat er in het EU-beleid onvoldoende aandacht is voor lichte bedrijfsvoertuigen, hoewel die steeds vaker worden gebruikt om de correcte toepassing van de arbeidswetgeving en de regels inzake veiligheid en milieubescherming te omzeilen;

19.  verzoekt de Commissie oligopolistiche prijsdumpingtendensen in het oog te houden, met name in de luchtvaartsector en in het busvervoer over lange afstand en het lijnbusvervoer, en staat erop dat het EU-recht correct wordt toegepast en dat er eerlijke mededingingsvoorwaarden voor de diverse vervoerswijzen worden geschapen;

20.  verzoekt om een snelle afronding van de onderhandelingen over het vierde spoorwegpakket en is van mening dat dit de spoorwegsector verder open zal stellen voor mededinging en efficiënter zal maken, terwijl de kwaliteit en continuïteit van openbaredienstverplichtingen gewaarborgd worden;

21.  is ingenomen met de goedkeuring van de technische pijler van het vierde spoorwegpakket en meent dat dit de spoorwegveiligheid zal verbeteren en tegelijkertijd dankzij de interoperabiliteit de technische belemmeringen voor mededinging zal wegnemen;

22. benadrukt het belang van toerisme als essentiële factor voor economische groei en werkgelegenheid en verzoekt de Commissie een proactieve benadering te volgen ter bevordering van het concurrentievermogen van de Europese toeristische sector en van een gunstig klimaat voor de groei en ontwikkeling ervan;

23.  beklemtoont dat de postdiensten en vooral grensoverschrijdende pakketbezorging van essentieel belang zijn voor de ontwikkeling van de elektronische handel in de hele Europese Unie; is verheugd dat de Commissie een antitrustonderzoek naar de elektronische handel heeft gestart en spoort haar aan toezicht te blijven houden op de ontwikkeling van de post- en pakketmarkten.

24.  wijst erop dat er duurzame, toegankelijke en veilige vervoersprojecten moeten worden gefinancierd die de werking van het hele Europese vervoerssysteem kunnen helpen verbeteren;

25.  wenst dat Europese fondsen zoals de Connecting Europe Facility, de cohesiefondsen, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en Horizon 2020, gebruikt worden om de Europese vervoersinfrastructuur te ontwikkelen en de kwantiteit en de kwaliteit van diensten te verbeteren;

26.  verzoekt de lidstaten voldoende aandacht te besteden aan de voltooiing van grensoverschrijdende infrastructuurprojecten en hun belangrijkste vervoersplannen met hun buurlanden te coördineren;

27.  vindt het belangrijk dat innovatieve financiële instrumenten, zoals het Europees Fonds voor strategische investeringen, die projecten in de vervoerssector ter ondersteuning van de groei en het concurrentievermogen kunnen financieren, ten volle worden benut; wijst er echter op dat de middelen voor het EFSI-Garantiefonds geen invloed mogen hebben op de budgetten voor CEF en Horizon 2020, die essentiële instrumenten zijn om een gemeenschappelijke markt tot stand te brengen in de vervoerssector;

28.  benadrukt dat de volledige openstelling van de markt voor het spoorwegvervoer een aantal voordelen kan opleveren voor exploitanten en reizigers uit alle lidstaten; merkt echter op dat bij dat proces rekening moet worden gehouden met de ongelijke staat van ontwikkeling van de spoorweginfrastructuur in de verschillende lidstaten; beklemtoont dat in het volgend meerjarig financieel kader de huidige investeringsniveaus behouden moeten blijven om de verschillen in spoorweginfrastructuur weg te werken.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

10.11.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

29

10

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Daniela Aiuto, Lucy Anderson, Marie-Christine Arnautu, Georges Bach, Izaskun Bilbao Barandica, Deirdre Clune, Michael Cramer, Luis de Grandes Pascual, Andor Deli, Karima Delli, Isabella De Monte, Ismail Ertug, Jacqueline Foster, Bruno Gollnisch, Merja Kyllönen, Miltiadis Kyrkos, Peter Lundgren, Cláudia Monteiro de Aguiar, Renaud Muselier, Jens Nilsson, Markus Pieper, Salvatore Domenico Pogliese, Gabriele Preuß, Dominique Riquet, Massimiliano Salini, David-Maria Sassoli, Claudia Schmidt, Jill Seymour, Claudia Țapardel, Pavel Telička, István Ujhelyi, Wim van de Camp, Roberts Zīle, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Maria Grapini, Ramona Nicole Mănescu, Matthijs van Miltenburg

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Virginie Rozière


ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (29.11.2016)

aan de Commissie economische en monetaire zaken

inzake het jaarverslag over het mededingingsbeleid van de EU

(2016/2100(INI))

Rapporteur voor advies: Michel Dantin

SUGGESTIES

De Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Commissie economische en monetaire zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

–  gezien de artikelen 39 en 42 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)(1),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad(2)(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1218/2010 van de Commissie van 14 december 2010 betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op bepaalde groepen specialisatieovereenkomsten(4)(5),

A.  overwegende dat in artikel 42 VWEU aan de landbouwsector een bijzonder statuut wordt toegekend met betrekking tot de toepassing van het mededingingsrecht;

B.  overwegende dat in artikel 39, lid 1, onder b) VWEU is bepaald dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) tot doel heeft de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren, met name door de verhoging van het hoofdelijk inkomen van hen die in de landbouw werkzaam zijn;

C.  overwegende dat de EU-landbouwsector hoofdzakelijk bestaat uit kleine familiebedrijven die minder goed in staat zijn zich aan te passen aan marktschokken en veranderingen op de markt; overwegende dat de landbouwsector gekenmerkt wordt door een gebrek aan flexibiliteit op het vlak van het aanbodbeheer door de lange productiecycli, wat leidt tot een structureel zwakke positie van landbouwers in de voedselvoorzieningsketen;

D.  overwegende dat de landbouwmarkten gekenmerkt worden door toegenomen volatiliteit van de landbouwprijzen en dat zij een ongekende crisis doormaken, in het bijzonder in de zuivelsector, wat nog eens benadrukt wordt door de structureel zwakke positie van de landbouwers in de voedselvoorzieningsketen;

E.  overwegende dat de inkomens van landbouwers steeds meer worden bepaald door hun positie in de voedselvoorzieningsketen, en dat de landen waar de landbouwsector beter is georganiseerd het minst getroffen worden door de landbouwcrisis;

F.  overwegende dat samenwerking tussen landbouwers gericht is op versterking van hun onderhandelingspositie, zodat zij een hoger aandeel van de toegevoegde waarde van hun producten kunnen verkrijgen, en dat samenwerking bijdraagt tot een groter concurrentievermogen, grotere zichtbaarheid en betere bescherming van landbouwers, en hen tevens helpt te voorzien in de steeds grotere maatschappelijke behoeften;

G.  overwegende dat er in de laatste hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) naar gestreefd is het gewicht van de landbouwers in de voedselvoorzieningsketen te vergroten door hun een reeks afwijkingen en vrijstellingen op artikel 101 VWEU toe te staan; overwegende dat het Parlement bij de GLB-hervorming innoverende en ambitieuze voorstellen heeft gedaan met betrekking tot de aanpassing van het mededingingsrecht aan de landbouwmarkten;

H.  overwegende dat een duidelijk, coherent en werkbaar regelgevingsklimaat in termen van aanpassing van het mededingingsrecht aan de specifieke kenmerken van de landbouwsector kan bijdragen tot versterking van de positie van landbouwers in de voedselvoorzieningsketen door de machtsverschillen tussen exploitanten aan te pakken, de marktefficiëntie te verhogen en te zorgen voor een gelijk speelveld op de interne markt;

I.  overwegende dat moeilijk kan worden voorspeld op welke wijze, hoe hevig en wanneer economische crises zich voordoen en dat een marktgeoriënteerd GLB steun moet verlenen aan landbouwers en dat er aanvullende tijdelijke vrijstellingen van de mededingingsregels nodig zijn, in geval van ernstige marktverstoringen; overwegende dat de Commissie tijdens de zuivelcrisis besloten heeft om als laatste redmiddel gebruik te maken van artikel 222 van de GMO-verordening om collectieve planning door erkende producentenorganisaties vrij te stellen van de toepassing van het mededingingsrecht;

J.  overwegende dat het mededingingsbeleid alleen niet adequaat is om oneerlijke handelspraktijken (UTP's) in de voedselvoorzieningsketen aan te pakken;

K.  overwegende dat de taskforce voor de landbouwmarkten (AMTF) is opgezet om de positie van de landbouwers in de voedselvoorzieningsketen te verbeteren door de mogelijkheden na te gaan om hun positie te versterken, inclusief wettelijke mogelijkheden om contractuele betrekkingen aan te gaan en om collectieve acties van landbouwers te organiseren; overwegende dat in voorkomend geval rekening moet worden gehouden met de conclusies van die taskforce, met het oog op toekomstig overleg en te nemen maatregelen;

Algemene opmerkingen

1.  benadrukt dat het mededingingsrecht de belangen van de consument beschermt, maar geen rekening houdt met de belangen van de landbouwproducenten; benadrukt dat de belangenbehartiging van de landbouwproducenten in het mededingingsrecht even zwaar moet wegen als die van de consumenten, door billijke voorwaarden voor concurrentie en toegang tot de interne markt te garanderen om investeringen, werkgelegenheid en innovatie op de landbouwmarkten te stimuleren, alsmede de levensvatbaarheid van de landbouwbedrijven en de evenwichtige ontwikkeling van plattelandsgebieden in de EU;

2.  wijst er met nadruk op dat het begrip "juiste prijs" niet moet worden beschouwd als de laagst mogelijke prijs voor de consument, maar dat een prijs ook redelijk moet zijn en een correcte beloning voor elke schakel van de voedselvoorzieningsketen mogelijk moet maken;

3.  is van mening dat de huidige landbouwcrisis nieuwe initiatieven vergt om beschikbare instrumenten te verbeteren en ervoor te zorgen dat er in het mededingingsbeleid meer rekening wordt gehouden met het specifieke karakter van de landbouw en met de diversiteit van de landbouwsectoren overeenkomstig artikel 39 VWEU;

4.  betreurt het dat de huidige afwijkingen niet maximaal worden gebruikt en is van mening dat zij onduidelijk, ambigu en moeilijk te implementeren zijn en dat zij op uiteenlopende wijze worden toegepast door nationale mededingingsautoriteiten, waardoor landbouwers zichzelf niet kunnen organiseren en het goed functioneren van de interne markt wordt ondermijnd

5.  verzoekt de Commissie om aan het Parlement en de Raad verslag uit te brengen over de mate waarin landbouwers in de verschillende lidstaten gebruik maken van de uitzonderingen uit hoofde van artikel 225 van de GMO-verordening en om nadere verduidelijking van de reikwijdte van dergelijke uitzonderingen alsmede de individuele vrijstellingen van mededingingsregels krachtens artikel 101, lid 3, VWEU; verzoekt de Commissie om met name te verduidelijken of aangegane duurzaamheidsovereenkomsten in de voedselvoorzieningsketen om te voorzien in maatschappelijke behoeften en waarvan de maatregelen verder gaan dan de statutaire vereisten, kunnen worden vrijgesteld van het mededingingsrecht als zij bijdragen tot verbetering van de productie en bevordering van innovatie en de consument ten goede komen;

6.  verzoekt de Commissie een ruimere benadering te kiezen bij de definitie van een "dominante positie” en het misbruik van een dergelijke positie door een landbouwbedrijf of meerdere landbouwbedrijven die door een horizontaal akkoord met elkaar verbonden zijn, rekening houdend met de mate van concentratie en de beperkingen als gevolg van de onderhandelingsmacht van de toeleverende, verwerkende en detailhandelsectoren;

7.  stelt dat het concept van de "relevante markt" in het kader van de interne landbouwmarkt zou moeten evolueren, die in eerste instantie geanalyseerd zou moeten worden op het niveau van de Unie voordat dit op een lager niveau gebeurt, teneinde de doelstelling van concentratie van het landbouwaanbod niet in gevaar te brengen door het activiteitengebied van landbouwondernemingen op restrictieve wijze af te schermen;

8.  is van mening dat de collectieve activiteiten van alle producentenorganisaties en hun verenigingen, zoals de productieplanning en de verkooponderhandelingen en, in voorkomend geval, onderhandelingen over de contractbepalingen, positief zijn voor de landbouwsector wanneer zij tot doel hebben de GLB-doelstellingen van artikel 39 VWEU te verwezenlijken, en derhalve zouden deze activiteiten verenigbaar moeten worden geacht met artikel 101 VWEU;

9.  is van mening dat voor de landbouwers in alle productiesectoren het recht op collectieve onderhandelingen, met inbegrip van het recht om minimumprijzen overeen te komen, moet worden gewaarborgd;

10.  is van mening dat de landbouwers zich ten volle moeten inzetten voor en gebruik moeten maken van het potentieel van producentenorganisaties, inclusief producentencoöperatieven, hun verenigingen en interbranche-organisaties; dringt er bij de Commissie op aan dergelijke collectieve zelfhulporganisaties aan te moedigen om meer vaardigheden te verwerven en efficiëntiewinst te boeken door de regels die op hen van toepassing zijn te verduidelijken en te vereenvoudigende om hun onderhandelingscapaciteit te versterken en hun concurrentievermogen te vergroten met inachtneming van de beginselen die zijn vastgesteld in artikel 39 VWEU;

11.  dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat de bepalingen van artikel 222 van de GMO-verordening in tijden van ernstige marktverstoringen snel worden geactiveerd en de efficiëntie van deze maatregel nader te beoordelen wanneer deze wordt toegepast in de zuivelsector om verdere tijdelijke aanpassingen van het mededingingsrecht en -procedures voor te stellen in tijden van ernstige marktverstoringen;

Analyses per sector

12.  wijst op de kansen die de artikelen 169, 170 en 171 van de GMO-verordening bieden voor de contractuele onderhandelingen in de olijfolie-, de rundvlees- en de akkerbouwsector;

13.  is verheugd over de recente publicatie van de richtsnoeren voor de toepassing van deze specifieke bepalingen; is echter van mening dat hun wettelijke reikwijdte te beperkt is en dat de criteria waaraan moet worden voldaan te streng en heterogeen zijn van sector tot sector om de nodige rechtszekerheid en duidelijkheid te verschaffen aan landbouwers die wensen te profiteren van dergelijke vrijstellingen;

14.  is van mening dat een classificatie als relevante markt niet past bij de huidige situatie in de olijfoliesector en stelt derhalve voor de olijfoliemarkt voor consumenten te beschouwen als een interne markt, om de tenuitvoerlegging van de bepalingen van artikel 169 van de GMO-verordening te verbeteren;

15.  is van mening dat het vanwege de variaties in de olijfolieproductie, meestal als gevolg van weersomstandigheden, en om de doelstellingen van de leden van producentenorganisaties of verenigingen van producentenorganisaties zeker te stellen, noodzakelijk is rekening te houden met gevallen waarin producentenorganisaties gedwongen zijn olijfolie van niet-leden te kopen, waarbij moet worden gewaarborgd dat deze activiteiten ondergeschikt zijn aan de afzet van de producten van hun eigen leden;

16.  stelt voor de reikwijdte van de voorschriften van artikel 170 betreffende de rundvleesproductie uit te breiden tot de sector veemesterij, teneinde een doeltreffendere tenuitvoerlegging te waarborgen;

17.  is bijzonder bezorgd over de situatie in de zuivelsector en is van mening dat de sector moet worden geassisteerd bij de overgang na het afbouwen van het melkquotasysteem en moet worden aangemoedigd efficiënter te reageren op marktbewegingen en prijsschommelingen; is derhalve van mening dat de volledige en bevredigende tenuitvoerlegging van het "melkpakket”(6) van essentieel belang is voor de versterking van de zuivelsector, met name om collectieve onderhandelingen over de contractvoorwaarden veilig te stellen; verzoekt de Commissie voor te stellen het "melkpakket" te verlengen tot na medio-2020 en voor te stellen de bepalingen ervan uit te breiden tot overige landbouwsectoren;

18.  is in genomen met het feit dat er, nu de suikerquota worden afgeschaft, een contractueel kader(7) blijft bestaan tussen bietenproducenten, hun organisaties en de suikerbedrijven, waardoor zij met name kunnen onderhandelen over de waardeverdelingsclausules naar gelang de marktontwikkelingen voor suiker of andere grondstoffen; verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat deze mogelijkheid wordt geboden aan alle exploitanten in de sector om de doelstellingen van de GMO-verordening te verwezenlijken, en zo te zorgen voor een juist evenwicht tussen de rechten en plichten van suikerbedrijven en bietenproducenten;

Betrekkingen met de voedselvoorzieningsketen

19.  verzoekt de Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten om op effectieve wijze te reageren op de bezorgdheid die geuit wordt over de gecumuleerde impact van, enerzijds, de snelle concentratie van de distributie op nationaal niveau en, anderzijds, de ontwikkeling van internationale en Europese allianties van grote distributeurs, zowel aan het begin van de voedselvoorzieningsketen als op de detailhandel en de consumenten; is van mening dat die structurele ontwikkeling bezorgdheid wekt over mogelijke strategische aanpassingen, verminderde mededinging en kleinere marges voor investeringen in innovatie in de voedselvoorzieningsketen;

20.  neemt nota van de conclusies van de studie "Economic impact of modern retail on choice and innovation in the EU food sector" van het directoraat-generaal Concurrentie, met inbegrip van de bevinding dat er wellicht een negatief verband bestaat tussen innovatie en de marktpenetratie van producten onder eigen merken op de levensmiddelenmarkt;

21.  verzoekt de Commissie aan het Parlement mede te delen wat haar standpunt is ten aanzien van de conclusies van de studie en met name de langetermijnconsequenties van deze trend voor de gehele voedselvoorzieningsketen en voor de situatie van de landbouwers in de keten;

22.  verzoekt de Commissie te beoordelen in hoeverre distributeurs druk uitoefenen op de bedrijven die hun huismerken produceren;

23.  herhaalt het standpunt van het Parlement(8) dat positief staat tegenover de goedkeuring van een wetgevingskader op EU-niveau om oneerlijke handelspraktijken in de voedselvoorzieningsketen aan te pakken; benadrukt dat deze wetgeving ervoor moet zorgen dat EU-landbouwers en -consumenten de kans krijgen om te profiteren van billijke ver- en aankoopvoorwaarden.  

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

29.11.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

37

4

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

John Stuart Agnew, Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, Daniel Buda, Michel Dantin, Paolo De Castro, Albert Deß, Diane Dodds, Herbert Dorfmann, Norbert Erdős, Edouard Ferrand, Luke Ming Flanagan, Beata Gosiewska, Martin Häusling, Anja Hazekamp, Esther Herranz García, Jan Huitema, Elisabeth Köstinger, Urszula Krupa, Zbigniew Kuźmiuk, Philippe Loiseau, Florent Marcellesi, Mairead McGuinness, James Nicholson, Maria Noichl, Marijana Petir, Jens Rohde, Bronis Ropė, Jasenko Selimovic, Maria Lidia Senra Rodríguez, Tibor Szanyi, Marc Tarabella, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Bas Belder, Franc Bogovič, Jakop Dalunde, Anthea McIntyre, Sofia Ribeiro, Annie Schreijer-Pierik, Ricardo Serrão Santos, Miguel Viegas

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Carlos Iturgaiz

(1)

Deze suggestie moet als een visum worden opgenomen in de ontwerpresolutie als zij door de commissie ten principale wordt goedgekeurd.

(2)

Deze suggestie moet als een visum worden opgenomen in de ontwerpresolutie als zij door de commissie ten principale wordt goedgekeurd.

(3)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(4)

Deze suggestie moet als een visum worden opgenomen in de ontwerpresolutie als zij door de commissie ten principale wordt goedgekeurd.

(5)

PB L 335 van 18.12.2010, blz. 43.

(6)

Verordening (EU) nr. 261/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 234/2007 van de Raad, wat de contractuele betrekkingen in de sector melk en zuivelproducten betreft.

(7)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1166 van de Commissie 17 mei 2016 tot wijziging van bijlage X bij Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de aankoopvoorwaarden voor bieten in de suikersector met ingang van 1 oktober 2017.

(8)

Resolutie van het Europees Parlement van 7 juni 2016 over oneerlijke handelspraktijken in de voedselvoorzieningsketen (P8_TA(2016)0250).


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

8.12.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

33

6

5

Bij de eindstemming aanwezige leden

Burkhard Balz, Hugues Bayet, Pervenche Berès, Udo Bullmann, Esther de Lange, Fabio De Masi, Anneliese Dodds, Markus Ferber, Jonás Fernández, Neena Gill, Sylvie Goulard, Roberto Gualtieri, Brian Hayes, Petr Ježek, Othmar Karas, Alain Lamassoure, Werner Langen, Sander Loones, Fulvio Martusciello, Bernard Monot, Luděk Niedermayer, Dimitrios Papadimoulis, Sirpa Pietikäinen, Dariusz Rosati, Pirkko Ruohonen-Lerner, Alfred Sant, Pedro Silva Pereira, Peter Simon, Theodor Dumitru Stolojan, Paul Tang, Ramon Tremosa i Balcells, Ernest Urtasun, Marco Valli, Jakob von Weizsäcker

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

David Coburn, Ildikó Gáll-Pelcz, Eva Joly, Joachim Starbatty, Tibor Szanyi

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Salvatore Cicu, Jan Huitema, Seán Kelly, Mairead McGuinness, Jens Nilsson

Juridische mededeling