Procedure : 2015/2103(INL)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0005/2017

Ingediende teksten :

A8-0005/2017

Debatten :

PV 15/02/2017 - 14
CRE 15/02/2017 - 14

Stemmingen :

PV 16/02/2017 - 6.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0051

VERSLAG     
PDF 583kWORD 114k
24.1.2017
PE 582.443v01-00 A8-0005/2017

met aanbevelingen aan de Commissie over civielrechtelijke regels inzake robotica

(2015/2103(INL))

Commissie juridische zaken

Rapporteur: Mady Delvaux

(Initiatief – Artikel 46 van het Reglement)

Rapporteurs voor advies (*):

Georg Mayer, Commissie vervoer en toerisme

Michał Boni, Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

(*)  Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 54 van het Reglement

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 BIJLAGE BIJ DE ONTWERPRESOLUTIE:GEDETAILLEERDE AANBEVELINGEN BETREFFENDE DE INHOUD VAN HET VERLANGDE VOORSTEL
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie vervoer en toerisme
 ADVIES van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
 ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken
 ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
 ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie
 ADVIES van de Commissie interne markt en consumentenbescherming
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

met aanbevelingen aan de Commissie over civielrechtelijke regels inzake robotica

(2015/2103(INL))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 225 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de Richtlijn inzake productaansprakelijkheid 85/374/EEG,

–  gezien de artikelen 46 en 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0005/2017),

Inleiding

A.   overwegende dat van Mary Shelley's monster van Frankenstein tot de klassieke legende van Pygmalion, van het verhaal van de Praagse Golem tot de robot van Karel Čapek – die de term bedacht – mensen gefantaseerd hebben over de mogelijkheid om intelligente machines te bouwen, veelal met een menselijke gestalte;

B.   overwegende dat de mensheid nu op de drempel staat van een tijdperk waarin steeds geavanceerdere robots, bots, androïden en andere vormen van kunstmatige intelligentie (artificial intelligence - AI) klaarstaan om een nieuwe industriële revolutie te ontketenen, die wellicht geen enkel segment van de samenleving onberoerd zal laten, en dat het dan ook van essentieel belang is dat de wetgevende macht alle juridische en ethische gevolgen en effecten hiervan in aanmerking neemt, zonder de innovatie te beknotten;

C.  overwegende dat er een algemeen aanvaarde definitie van robot en AI moet komen die flexibel is en innovatie niet in de weg staat;

D.   overwegende dat de verkoop van robots tussen 2010 en 2014 gemiddeld met 17% per jaar gestegen is en in 2014 zelfs met 29%, de hoogste toename ooit in één jaar, waarbij de leveranciers van auto-onderdelen en de elektra/elektronica-industrie de belangrijkste drijvende kracht achter de groei waren; overwegende dat de jaarlijkse octrooiaanvragen voor robottechnologie de afgelopen tien jaar verdrievoudigd zijn;

E.   overwegende dat de werkgelegenheidscijfers de afgelopen tweehonderd jaar als gevolg van de technologische ontwikkeling gestadig opgelopen zijn; overwegende dat de ontwikkeling van robotica en AI het potentieel heeft om levens en werkmethodes grondig te veranderen, voor besparingen te zorgen, de efficiëntie en veiligheid te verhogen en een beter niveau van diensten te bieden, en dat robotica en AI op de korte tot middellange termijn zeer waarschijnlijk voordelen in de zin van efficiëntie en besparingen zullen meebrengen, niet alleen op het gebied van productie en handel, maar ook voor vervoer, medische zorg, reddingsoperaties, onderwijs en landbouw, en het mogelijk zullen maken om gevaarlijke situaties aan te pakken zonder mensen te hoeven inzetten, zoals bijvoorbeeld bij het schoonmaken van met gif verontreinigde locaties;

F.  overwegende dat de vergrijzing, die het gevolg is van de gestegen levensverwachting dankzij betere levensomstandigheden en de vorderingen van de moderne geneeskunde, behoort tot de grootste politieke, maatschappelijke en economische uitdagingen van de 21e eeuw voor Europa; overwegende dat in 2025 meer dan 20 % van de Europeanen 65 of ouder zal zijn, en dat vooral het aantal personen van 80 jaar of ouder snel toeneemt, waardoor het evenwicht tussen de generaties in onze samenlevingen fundamenteel zal veranderen; overwegende dat het in het belang van de samenleving is dat ouderen zo lang mogelijk gezond en actief blijven;

G.  overwegende dat de huidige trend op de lange termijn in de richting van de ontwikkeling van slimme, autonome machines zal gaan, die getraind kunnen worden en zelfstandig beslissingen kunnen nemen, hetgeen niet slechts economische voordelen meebrengt maar ook een aantal twijfels wat hun rechtstreekse en onrechtstreekse effecten op de samenleving als geheel betreft;

H.  overwegende dat lerende machines immense economische en innovatieve voordelen voor de samenleving opleveren omdat dit het vermogen om gegevens te analyseren sterk verbetert, maar tegelijk ook nieuwe uitdagingen creëert om niet-discriminatie, degelijke verwerking, transparantie en begrijpelijkheid in het besluitvormingsproces te waarborgen;

I.  overwegende dat economische veranderingen en de impact op de werkgelegenheid als gevolg van robotica en lerende machines moeten worden geëvalueerd; overwegende dat de inzet van robotica, ondanks de onmiskenbare voordelen, veranderingen op de arbeidsmarkt teweeg kunnen brengen en er daarom moet worden nagedacht over de toekomst van onderwijs, werkgelegenheid en sociaal beleid;

J.  overwegende dat een breed gebruik van robots niet automatisch tot het vervangen van banen hoeft te leiden, maar dat laaggekwalificeerd werk in arbeidsintensieve sectoren wellicht eerder geautomatiseerd zal worden; overwegende dat deze tendens productieprocessen zou kunnen terugbrengen naar de EU; overwegende dat uit onderzoek is gebleken dat de werkgelegenheid aanzienlijk sneller groei in sectoren waar meer gebruik wordt gemaakt van computers; overwegende dat de automatisering van banen het potentieel heeft om mensen te verlossen van monotoon werk en hen in staat stelt zich op creatievere en zinvollere taken te richten; overwegende dat automatisering regering verplicht te investeren in onderwijs en andere hervormingen om het soort vaardigheden dat de werknemers van morgen nodig hebben te verbeteren;

K.  overwegende dat de ontwikkeling van robotica en AI er tegelijkertijd toe kan leiden dat een groot deel van het werk dat nu door mensen wordt gedaan, overgenomen wordt door robots, en dat dit vragen oproept over de toekomstige werkgelegenheid, de draagkracht van socialezekerheidsstelsels en de lacune in de pensionbijdragen, als de huidige belastinggrondslag gehandhaafd blijft, omdat rijkdom en invloed mogelijk minder gelijk verdeeld worden, terwijl ten behoeve van het behoud van de sociale samenhang en de welvaart moet worden nagegaan of het mogelijk is belasting te heffen op werk dat door een robot wordt verricht of een vergoeding te verlangen voor gebruik en onderhoud van een robot, en wel in de context van de financiering van steun en omscholing van ongeschoolde werknemers wier banen zijn versmald of geschrapt;

L.  overwegende dat gezien de toenemende verdeeldheid in de samenleving en een krimpende middenklasse, in aanmerking moet worden genomen dat de ontwikkeling van robotica kan leiden tot een hoge concentratie van rijkdom en invloed in de handen van een minderheid;

M.  overwegende dat de ontwikkeling van robotica en AI het landschap van de arbeidswereld duidelijk zal beïnvloeden, waardoor nieuwe aansprakelijkheidskwesties kunnen ontstaan en andere kunnen verdwijnen; overwegende dat de wettelijke verantwoordelijkheid moet worden verduidelijkt, zowel ten aanzien van het bedrijfsmodel als ten aanzien van het ontwerppatroon van werknemers, voor het geval zich noodgevallen of problemen voordoen;

N.  overwegende dat de tendens in de richting van automatisering van degenen die betrokken zijn bij de ontwikkeling en het in de handel brengen van AI-toepassingen vereist dat zij van meet af aan veiligheid en ethiek laten meewegen, en dat zij bereid zijn om wettelijke aansprakelijkheid te aanvaarden voor de kwaliteit van de door hen geproduceerde technologie;

O.   overwegende dat Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad(1) (de algemene verordening gegevensbescherming) een juridisch kader vormt voor de bescherming van persoonsgegevens; overwegende dat andere aspecten betreffende toegang tot gegevens en de bescherming van persoonsgegevens en de privacy wellicht nog aan de orde moeten worden gesteld, aangezien de privacy in het geding kan komen als applicaties en apparatuur met elkaar en met databanken communiceren zonder menselijke tussenkomst;

P.   overwegende dat de ontwikkelingen in robotica en AI op zo'n manier kunnen en moeten worden gestuurd dat zij de waardigheid, autonomie en het recht op zelfbeschikking van het individu beschermen, met name op het gebied van zorg en gezelschap en in de context van medische toepassingen, het "repareren" of "verbeteren" van mensen;

Q.   overwegende dat uiteindelijk de mogelijkheid bestaat dat AI op de lange termijn het menselijk denkvermogen inhaalt;

R.  overwegende dat verdere ontwikkeling en groter gebruik van geautomatiseerde en algoritmische besluitvorming onherroepelijk invloed heeft op de keuzes die een privépersoon (een bedrijf of een internetgebruiker) en een bestuurlijke, gerechtelijke of andere publieke autoriteit maakt bij het nemen van een besluit op het gebied van consumenten-, ondernemings- of administratieve zaken; overwegende dat er veiligheidsmaatregelen en de mogelijkheid van controle en verificatie door mensen moeten worden ingebouwd in het proces van geautomatiseerde en algoritmische besluitvorming;

S.  overwegende dat verschillende buitenlandse rechtsgebieden, zoals de VS, Japan, China en Zuid-Korea, regelgeving met betrekking tot robotica en AI overwegen en tot op zekere hoogte reeds hebben aangenomen, en overwegende dat sommige lidstaten eveneens zijn gaan nadenken over het eventueel opstellen van wettelijke normen of het uitvoeren van wetswijzigingen om rekening te kunnen houden met opkomende toepassingen van deze technologieën;

T.   overwegende dat de Europese sector baat zou kunnen hebben bij een efficiënte, coherente en transparante benadering van de regelgeving op EU-niveau, waarmee voorspelbare en voldoende duidelijke voorwaarden worden vastgesteld waaronder ondernemingen toepassingen kunnen ontwikkelen en hun bedrijfsmodel op Europese schaal kunnen plannen, terwijl tegelijkertijd gewaarborgd wordt dat de Unie en de lidstaten de controle houden over het vaststellen van de regelgevingsnormen, zodat wordt voorkomen dat anderen, d.w.z. de derde landen die bij de ontwikkeling van robotica en AI de voorhoede vormen, de normen vaststellen en voorschrijven;

Algemene beginselen

U.   overwegende dat de wetten van Asimov(2) geacht moeten worden gericht te zijn op de ontwerpers, producenten en bedieners van robots, met inbegrip van robots met ingebouwde autonomie en zelflerend vermogen, daar deze wetten niet kunnen worden omgezet in een machinale code;

V.  overwegende dat een serie regels die met name betrekking hebben op aansprakelijkheid, transparantie en ethiek en de intrinsiek Europese en universele humanistische waarden weerspiegelen welke de bijdrage van Europa tot de samenleving kenmerken, nuttig zou zijn; overwegende dat dergelijke regels niet van invloed mogen zijn op het proces van onderzoek, innovatie en ontwikkeling op het gebied van robotica;

W.   overwegende dat de Unie een essentiële rol zou kunnen vervullen bij het vaststellen van de fundamentele ethische beginselen die moeten worden nageleefd bij de ontwikkeling, de programmering en het gebruik van robots en AI, en bij het opnemen van dergelijke beginselen in EU-regelgeving en gedragscodes, met het doel de technologische revolutie een zodanige vorm te geven dat deze de mensheid dient en dat de voordelen van geavanceerde robotica en AI op grote schaal beschikbaar zijn, terwijl potentiële valkuilen zoveel mogelijk vermeden worden;

X.   overwegende dat de Unie zou moeten kiezen voor een geleidelijke, pragmatische en voorzichtige aanpak van het soort dat bepleit werd door Jean Monnet(3) als het gaat om toekomstige initiatieven op het vlak van robotica en AI, om te voorkomen dat de innovatie niet gehinderd wordt;

Y.   overwegende dat het gezien het stadium dat in de ontwikkeling van robotica en AI is bereikt, verstandig zou zijn om te beginnen met vraagstukken betreffende de civielrechtelijke aansprakelijkheid;

Aansprakelijkheid

Z.  overwegende dat dankzij de indrukwekkende technologische vooruitgang van de afgelopen tien jaar de huidige robots niet alleen in staat zijn handelingen uit te voeren die typisch en uitsluitend menselijk waren, maar dat zij door de ontwikkeling van bepaalde autonome en cognitieve kenmerken – bijvoorbeeld de vaardigheid om lering te trekken uit ervaringen en quasi-onafhankelijke beslissingen te nemen – steeds meer gaan lijken op actoren die met hun omgeving samenwerken en in staat zijn deze significant te wijzigen; overwegende dat de wettelijke verantwoordelijkheid voor schadelijke handelingen van robots in dit verband een essentieel vraagstuk wordt;

AA.   overwegende dat de autonomie van een robot kan worden gedefinieerd als de vaardigheid om beslissingen te nemen en deze in de buitenwereld uit te voeren, onafhankelijk van externe controle of invloed; overwegende dat deze autonomie van zuiver technologische aard is en dat de mate ervan afhangt van de vraag hoe geavanceerd de interactie van de robot met zijn omgeving volgens het ontwerp moet zijn;

AB.   overwegende dat hoe autonomer robots zijn, hoe minder zij kunnen worden beschouwd als eenvoudige werktuigen die door andere actoren (zoals de fabrikant, de bediener, de eigenaar, de gebruiker) gehanteerd worden; overwegende dat dit weer tot de vraag leidt of de gewone aansprakelijkheidsregels volstaan of dat er nieuwe beginselen en regels nodig zijn om duidelijkheid te scheppen omtrent de wettelijke aansprakelijkheid van de verschillende actoren als het gaat om verantwoordelijkheid van de handelingen en omissies van robots waar de oorzaak niet kan worden teruggevoerd op een specifieke menselijke actor en of de handelingen of omissies van robots die tot schade hebben geleid, voorkomen hadden kunnen worden;

AC.   overwegende dat de autonomie van robots uiteindelijk tot de vraag leidt als wat zij in het licht van de bestaande wettelijke categorieën moeten worden beschouwd of dat er een nieuwe categorie moet worden gecreëerd, met eigen specifieke kenmerken en implicaties;

AD.   overwegende dat het huidige juridisch kader niet voorziet dat robots aansprakelijk kunnen worden gesteld voor handelen of niet-handelen waardoor schade ten aanzien van derden wordt veroorzaakt; overwegende dat de bestaande regels inzake aansprakelijkheid gelden voor gevallen waar de oorzaak van het handelen of niet-handelen van een robot teruggevoerd kan worden op een specifieke menselijke actor, zoals de fabrikant, de bediener, de eigenaar of de gebruiker, en waar die actor het schadelijke optreden van de robot had kunnen voorzien en voorkomen; overwegende dat fabrikanten, bedieners, eigenaren of gebruikers bovendien strikt aansprakelijk gehouden kunnen worden voor het handelen of niet-handelen van een robot;

AE.  overwegende dat productaansprakelijkheid – als de fabrikant van een product aansprakelijk is voor het slecht functioneren ervan – en de regels inzake aansprakelijkheid voor schadelijke handelingen – als de gebruik van een product aansprakelijk is voor gedrag dat tot schade leidt – volgens het huidige juridisch kader ook van toepassing zijn op schade die door robots of AI is veroorzaakt;

AF.   overwegende dat in het scenario waar robots autonome beslissingen kunnen nemen, de traditionele regels niet zullen volstaan om wettelijke aansprakelijkheid voor door een robot veroorzaakte schade te laten gelden, aangezien zij het niet mogelijk maken om de partij te identificeren die verantwoordelijk is voor het bieden van compensatie en om deze partij te verplichten de veroorzaakte schade te vergoeden;

AG.  overwegende dat de tekortkomingen van het huidige juridisch kader tevens duidelijk zichtbaar zijn op het gebied van contractuele aansprakelijkheid, daar machines die zijn ontworpen om hun partners te kiezen, over contractuele voorwaarden te onderhandelen, overeenkomsten te sluiten en te beslissen of en hoe deze moeten worden uitgevoerd, de traditionele regels onuitvoerbaar maken, en dat dit aantoont dat er nieuwe, efficiënte en eigentijdse regels nodig zijn die moeten aansluiten bij de technologische ontwikkeling en de innovatie van de afgelopen tijd en het gebruik daarvan op de markt;

AH.   overwegende dat wat niet-contractuele aansprakelijkheid betreft Richtlijn 85/374/EEG van de Raad(4) uitsluitend van toepassing is in geval van schade die is veroorzaakt door fabricagefouten van een robot en mits de benadeelde persoon de concrete schade, de fout in het product en het causaal verband tussen schade en fout kan aantonen, en dat daarom het kader van strikte of algemene aansprakelijkheid wellicht niet volstaat;

AI.   overwegende dat het huidige juridisch kader, ongeacht de reikwijdte van Richtlijn 85/374/EEG, niet zou volstaan om de schade te dekken die door de nieuwe generatie robots wordt veroorzaakt, daar zij kunnen worden uitgerust met een aanpassings- en leervermogen dat een zekere onvoorspelbaarheid van hun gedrag meebrengt, en daar deze robots lering zouden trekken uit hun eigen, uiteenlopende ervaringen en op unieke en onvoorspelbare wijze met hun omgeving zouden reageren;

Algemene beginselen voor de ontwikkeling van robotica en kunstmatige intelligentie voor civiel gebruik

1.  verzoekt de Commissie gemeenschappelijke EU-definities voor te stellen van fysieke cybersystemen, autonome systemen, slimme autonome robots en hun subcategorieën door de volgende kenmerken van een slimme robot in aanmerking te nemen:

–  verwerven van autonomie via sensoren en/of het uitwisselen van gegevens met zijn omgeving (interconnectiviteit) en ruilen en analyseren van die gegevens;

–  vermogen om zelf te leren van ervaringen en door interactie (optioneel criterium);

–  ten minste een kleine fysieke drager;

–  vermogen om zijn gedrag en handelen aan zijn omgeving aan te passen;

–  afwezigheid van leven in biologische zin;

2.  is van mening dat er waar relevant en nodig voor specifieke categorieën robots een uitvoerig EU-systeem voor de registratie van geavanceerde robots op de interne markt van de Unie moet worden ingevoerd, en verzoekt de Commissie criteria vast te stellen voor de classificatie van robots die geregistreerd zouden moeten worden; spoort de Commissie in dit verband aan na te gaan of het wenselijk is dat het registratiesysteem en het register worden beheerd door een daartoe aangewezen EU-agentschap voor robotica en kunstmatige intelligentie;

3.  benadrukt dat de ontwikkeling van robottechnologieën gericht moet zijn op het aanvullen van menselijke vaardigheden en niet op het vervangen van mensen; acht het van essentieel belang om bij de ontwikkeling van robotica en AI te waarborgen dat de mens onder alle omstandigheden de controle over intelligente machines houdt; is van mening dat speciale aandacht moet worden besteed aan het feit dat er een gevoelsrelatie kan ontstaan tussen mens en robot – vooral bij kwetsbare groepen, zoals kinderen, ouderen en personen met een beperking – en wijst op de vragen die rijzen in verband met de verstrekkende emotionele of fysieke gevolgen die deze gevoelsrelatie kan hebben voor de menselijke gebruiker;

4.   stelt met nadruk dat een aanpak op EU-niveau de ontwikkeling kan bevorderen door versnippering van de interne markt te voorkomen, en onderstreept tevens dat het principe van wederzijdse erkenning belangrijk blijft bij het grensoverschrijdende gebruik van robots en roboticasystemen; herinnert eraan dat met keuring, certificering en markttoelating in één enkele lidstaat al moet kunnen worden volstaan; onderstreept dat deze benadering gepaard moet gaan met effectief markttoezicht;

5.  beklemtoont hoe belangrijk het is dat er ondersteuning wordt geboden aan kmo's en startende ondernemingen in de roboticasector die in deze sector nieuwe marktsegmenten creëren of robots gebruiken;

Onderzoek en innovatie

6.  onderstreept dat veel robottoepassingen zich nog steeds in het experimentele stadium bevinden; juicht het toe dat steeds meer onderzoeksprojecten door de lidstaten en de Unie worden gefinancierd; acht het van essentieel belang dat de Unie samen met de lidstaten met behulp van overheidsfinanciering een leidende positie in het onderzoek naar robotica en AI blijft bekleden; verzoekt de Commissie en de lidstaten de financiële instrumenten voor onderzoeksprojecten op het gebied van robotica en ict te uit te breiden, met inbegrip van publiek-private partnerschappen, en in hun onderzoeksbeleid de beginselen van open wetenschap en verantwoordelijke ethische innovatie toe te passen; benadrukt dat er voldoende middelen moeten worden uitgetrokken voor onderzoek naar oplossingen voor de maatschappelijke, ethische, juridische en economische vragen die voortvloeien uit de technologische ontwikkeling en de toepassingen daarvan;

7.   verzoekt de Commissie en de lidstaten onderzoeksprogramma's te bevorderen, onderzoek naar de langetermijnrisico's en kansen van technologieën voor robotica en AI te stimuleren en aan te moedigen dat er zo spoedig mogelijk een gestructureerde publieke dialoog op gang komt over de gevolgen van de ontwikkeling van dergelijke technologieën in kwestie; verzoekt de Commissie om de tussentijdse herziening van het MFK aan te grijpen om meer steun te verlenen aan het in het kader van Horizon 2020 gefinancierde programma SPARC; verzoekt de Commissie en de lidstaten alle krachten te bundelen om voor deze technologieën een soepele overgang te waarborgen van onderzoek naar commercialisering en gebruik op de markt nadat er passende veiligheidsbeoordelingen zijn uitgevoerd overeenkomstig het voorzorgsbeginsel;

8.  benadrukt dat innovatie op het gebied van robotica en kunstmatige intelligentie en integratie van robotica- en AI-technologieën in de economie en de maatschappij alleen mogelijk zijn met behulp van een digitale infrastructuur die voorziet in universele connectiviteit; verzoekt de Commissie om met het oog op de digitale toekomst van de Unie een kader op te zetten dat tegemoetkomt aan de vereisten op het gebied van connectiviteit, en om ervoor te zorgen dat de toegang tot breedband- en 5G-netwerken volledig in overeenstemming is met het beginsel van netneutraliteit;

9.    is er vast van overtuigd dat interoperabiliteit tussen systemen, instrumenten en clouddiensten, ontworpen met het oog op veiligheid en privacy, essentieel is voor de realtime uitwisseling van gegevens, waardoor robots en kunstmatige intelligentie flexibeler en autonomer kunnen worden; verzoekt de Commissie om een open omgeving (zoals open normen, innovatieve licentiemodellen, open platforms en transparantie) te bevorderen, om gebondenheid aan gesloten systemen die de interoperabiliteit beperken te voorkomen;

Ethische beginselen

10.  merkt op dat het gebruik van robotica enerzijds de mogelijkheden verruimt, maar anderzijds gepaard gaat met spanningen en risico's en grondig moet worden geëvalueerd uit het oogpunt van menselijke veiligheid en gezondheid, vrijheid, privacy, integriteit en waardigheid, zelfbeschikking en non-discriminatie, alsmede bescherming van persoonsgegevens;

11.  is van mening dat het bestaande juridisch kader van de Unie moet worden bijgewerkt en waar nodig aangevuld met leidende ethische beginselen die de complexiteit weerspiegelen van de materie robotica en de vele sociale, medische en bio-ethische implicaties ervan; is van mening dat er een duidelijk, strikt en efficiënt richtinggevend ethisch kader voor ontwikkeling, ontwerp, productie, gebruik en wijziging van robots nodig is als aanvulling op de juridische aanbevelingen in het verslag en het bestaande nationale en Unie-acquis; stelt in de bijlage bij de resolutie een kader voor in de vorm van een handvest, bestaand uit een gedragscode voor robotica-ingenieurs, een code voor commissies voor onderzoeksethiek die roboticaprotocollen beoordelen, en modellicenties voor ontwerpers en gebruikers;

12.  vestigt de aandacht op het beginsel van transparantie, namelijk dat het altijd mogelijk moet zijn om de redenering te volgen die ten grondslag ligt aan een met behulp van AI genomen beslissing die een grote invloed kan hebben op het leven van een of meer personen; is van oordeel dat het altijd mogelijk moet zijn de berekeningen van een AI-systeem terug te brengen tot een vorm die voor mensen begrijpelijk is; vindt dat geavanceerde robots moeten worden uitgerust met een "black box" die de gegevens registreert van elke handeling die de machine uitvoert, met inbegrip van de redeneringen die tot zijn beslissingen hebben bijgedragen;

13.  wijst erop dat het richtinggevend ethisch kader zou moeten stoelen op de beginselen van de plicht tot weldoen, geen schade berokkenen, autonomie en rechtvaardigheid, op de beginselen die zijn neergelegd in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en in het Handvest van de grondrechten, zoals menselijke waardigheid, gelijkheid, gerechtigheid en billijkheid, non-discriminatie, geïnformeerde toestemming, bescherming van privacy, gezinsleven en gegevens, alsmede andere onderliggende beginselen en waarden van de Uniewetgeving, zoals niet-stigmatisering, transparantie, autonomie, individuele en maatschappelijke verantwoordelijkheid, en op bestaande ethische benaderingen en codes;

14.  wijst erop dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan robots die een aanzienlijke bedreiging voor de vertrouwelijkheid vormen omdat zij in een traditioneel beschermde privé-omgeving worden ingezet en omdat zij in staat zijn persoonlijke en gevoelige gegevens te verzamelen en te verzenden;

Een Europees agentschap

15.  is van mening dat er nauwere samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie nodig is om te waarborgen dat er coherente grensoverschrijdende regels in de Unie komen die de samenwerking tussen Europese sectoren aanmoedigen en het mogelijk maken in de hele Unie robots in te zetten die voldoen aan de vereiste veiligheidsniveaus en aan de ethische beginselen die in de EU-wetgeving zijn neergelegd;

16.  verzoekt de Commissie de aanwijzing te overwegen van een Europees agentschap voor robotica en kunstmatige intelligentie teneinde te voorzien in de technische, ethische en regelgevende expertise die nodig is om de betrokken overheidsactoren op het niveau van zowel de Unie als van de lidstaten te ondersteunen bij hun inspanningen om te zorgen voor een tijdige, ethisch verantwoorde en goed gefundeerde reactie op de nieuwe mogelijkheden en uitdagingen, met name die van grensoverschrijdende aard, die voortvloeien uit de technologische ontwikkeling van robotica, bijvoorbeeld in de vervoerssector;

17.  is van mening dat het potentieel en de problemen van het gebruik van robotica en de huidige investeringsdynamiek rechtvaardigen dat het Europese agentschap wordt voorzien van een passende begroting en personeel dat bestaat uit regelgevers en externe technische en ethiekexperts die zich sectoroverschrijdend en multidisciplinair bezighouden met het toezicht op op robotica gebaseerde toepassingen, het afbakenen van normen voor optimale praktijken en, waar nodig, het aanbevelen van voorschriften, het definiëren van nieuwe beginselen en het behandelen van eventuele vraagstukken van consumentenbescherming en systeemuitdagingen; verzoekt de Commissie (en het Europese agentschap, als dit wordt opgericht) jaarlijks aan het Europees Parlement verslag uit te brengen over de meest recente ontwikkelingen op het gebied van robotica en de maatregelen die getroffen moeten worden;

Intellectuele-eigendomsrechten en gegevensverkeer

18.  stelt vast dat er geen wettelijke bepalingen zijn die specifiek voor robotica gelden, maar dat de bestaande rechtsstelsels en rechtsleer zonder meer op robotica kunnen worden toegepast, al moeten bepaalde aspecten wellicht nader worden onderzocht; verzoekt de Commissie steun te verlenen aan een horizontale en technologieneutrale benadering van de intellectuele eigendom die kan worden toegepast in alle sectoren waar robotsystemen kunnen worden ingezet;

19.  verzoekt de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat de civielrechtelijke wetgeving voor de roboticasector aansluit bij de algemene verordening gegevensbescherming en bij de beginselen van noodzakelijkheid en proportionaliteit; maant de Commissie en de lidstaten rekening te houden met de snelle technologische ontwikkeling op het gebied van robotica, zoals de snelle vooruitgang van cyberfysieke systemen, en ervoor te zorgen dat de wetgeving van de Unie niet achterblijft bij de technologische ontwikkelingen en toepassingen;

20.  benadrukt dat het recht op bescherming van het privéleven en van persoonsgegevens, zoals neergelegd in de artikelen 7 en 8 van het Handvest en in artikel 16 VWEU, van toepassing is op alle gebieden van robotica en dat het rechtskader van de Unie op het gebied van gegevensbescherming ten volle moet worden nageleefd; verzoekt in dit verband om een evaluatie van de regels en criteria voor het gebruik van camera's en sensoren in robots; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de beginselen inzake gegevensbescherming, zoals gegevensbescherming door ontwerp en gegevensbescherming door standaardinstellingen, gegevensminimalisatie en doelbinding, alsmede transparante controlemechanismen voor datasubjecten en passende beroepsmogelijkheden overeenkomstig de Uniewetgeving inzake gegevensbescherming worden nageleefd en dat passende aanbevelingen en normen worden uitgewerkt en in het Uniebeleid worden opgenomen;

21.  benadrukt dat vrij verkeer van gegevens een noodzakelijke voorwaarde is voor de digitale economie en voor de ontwikkeling in de robotica- en AI-sector; onderstreept dat een hoog veiligheidsniveau bij robotsystemen, onder meer wat hun interne datasystemen en gegevensstromen betreft, van cruciaal belang is om een adequaat gebruik van robotica en AI te waarborgen; benadrukt dat netwerken van onderling verbonden robots en kunstmatige intelligentie beschermd moeten worden tegen eventuele inbreuken op de beveiliging; benadrukt dat een hoog veiligheidsniveau en strenge gegevensbescherming in combinatie met voldoende aandacht voor privacy in de communicatie tussen mensen, robots en AI van fundamenteel belang zijn; wijst erop dat ontwerpers van robotica en kunstmatige intelligentie gehouden zijn producten zodanig te ontwikkelen dat zij veilig en betrouwbaar zijn en geschikt voor het beoogde doel; verzoekt de Commissie en de lidstaten de ontwikkeling van de benodigde technologie, onder meer op het gebied van beveiliging door ontwerp, te steunen en te bevorderen;

Normalisatie, veiligheid en zekerheid

22.  wijst erop dat het vraagstuk van normalisatie en het beschikbaar maken van interoperabiliteit van doorslaggevend belang is voor de toekomstige concurrentie op het gebied van AI- en robottechnologie; verzoekt de Commissie te blijven werken aan de internationale harmonisering van technische normen, in het bijzonder in samenwerking met de Europese normalisatie-organisaties en de Internationale Normalisatie-organisatie, teneinde innovatie aan te moedigen, fragmentatie van de interne markt te voorkomen en voor een hoog niveau van productveiligheid en consumentenbescherming te zorgen, waar nodig met inbegrip van minimumveiligheidseisen op de werkplek; wijst op het belang van legale reverse engineering en open normen, teneinde maximale waarde uit innovatie te halen en ervoor te zorgen dat robots met elkaar kunnen communiceren; is in dit opzicht verheugd over de oprichting van speciale technische commissies, zoals ISO/TC 299 Robotica, die zich uitsluitend bezighouden met het opstellen van normen voor robotica;

23.  benadrukt dat het testen van robots in concrete situaties essentieel is voor het opsporen en beoordelen van de risico's die zij mogelijk meebrengen, alsmede van hun technologische ontwikkeling na de zuiver experimentele laboratoriumfase; onderstreept in dit verband dat het testen van robots in concrete situaties, met name in steden en op wegen, een groot aantal vragen opwerpt alsmede belemmeringen die de ontwikkeling van die testfases afremmen, en dat er een doeltreffende strategie en een toezichtmechanisme vereist zijn; verzoekt de Commissie voor alle lidstaten geldende, uniforme criteria vast te stellen die door afzonderlijke lidstaten moeten worden gebruikt om na te gaan in welke situaties experimenten met robots geoorloofd zijn, overeenkomstig het voorzorgsbeginsel;

Autonome vervoermiddelen

a) Autonome voertuigen

24.  benadrukt dat autonoom vervoer alle vormen van op afstand bestuurde, geautomatiseerde, geconnecteerde en autonome vormen van weg-, spoorweg-, water- en luchtvervoer beslaat, met inbegrip van wegvoertuigen, treinen, schepen, veerboten, vliegtuigen, drones, alsook alle toekomstige vormen van ontwikkelingen en innovaties in deze sector;

25.  is van mening dat de voertuigsector dringend efficiënte EU- en wereldwijde regels nodig heeft om de grensoverschrijdende ontwikkeling van geautomatiseerde en autonome voertuigen te waarborgen, zodat hun economische potentieel ten volle kan worden benut en voordeel kan worden gehaald uit de positieve effecten van technologische trends; benadrukt dat gefragmenteerde regelgeving de toepassing van autonome vervoerssystemen zou belemmeren en het Europese concurrentievermogen in het gedrang zou brengen;

26.  wijst erop dat de reactiesnelheid van de bestuurder bij onvoorziene overname van de besturing van het voertuig van beslissende betekenis is en verlangt daarom dat de betrokken partijen realistische waarden hanteren met betrekking tot veiligheids- en aansprakelijkheidskwesties;

27.  is van mening dat de overgang naar autonome voertuigen gevolgen zal hebben op de volgende terreinen: civielrechtelijke aansprakelijkheid (aansprakelijkheid en verzekering), verkeersveiligheid, alle thema's in verband met het milieu (zoals energie-efficiëntie, gebruik van hernieuwbare technologieën en energiebronnen) en met gegevens (toegang tot gegevens, bescherming van gegevens, privacy en delen van gegevens), kwesties met betrekking tot ict-infrastructuur (hoge intensiteit van efficiënte en betrouwbare communicatie) en werkgelegenheid (meer of minder banen, opleiding van vrachtwagenchauffeurs voor het besturen van geautomatiseerde voertuigen); beklemtoont dat er aanzienlijk zal moeten worden geïnvesteerd in weg-, energie- en ict-infrastructuur; verzoekt de Commissie bovengenoemde aspecten in aanmerking te nemen bij haar werkzaamheden in verband met autonome voertuigen;

28.  onderstreept het cruciale belang van betrouwbare positionerings- en tijdsinformatie van de Europese satellietnavigatieprogramma's Galileo en EGNOS voor de invoering van autonome voertuigen, en dringt in dit verband aan op de voltooiing en lancering van de satellieten die nodig zijn om het Europese positioneringssysteem Galileo tot stand te brengen;

29.  wijst op de grote meerwaarde van autonome voertuigen voor personen met beperkte mobiliteit, aangezien zij met dergelijke voertuigen kunnen deelnemen aan het individuele wegverkeer waardoor hun dagelijkse leven eenvoudiger wordt;

b) Drones (RPAS)

30.  constateert dat er op het gebied van dronetechnologie positieve stappen zijn gezet, met name op het gebied van opsporing en redding; benadrukt het belang van een EU-kader voor op afstand bestuurde luchtvaartuigen (drones of RPAS) om de veiligheid, zekerheid en privacy van de burgers van de Unie te beschermen, en verzoekt de Commissie om een follow-up van de aanbevelingen in de resolutie van het Europees Parlement van 29 oktober 2015 over veilig gebruik van systemen van op afstand bestuurde luchtvaartuigen (RPAS), algemeen bekend als onbemande luchtvaartuigen (UAV), op het gebied van burgerluchtvaart(5); verzoekt de Commissie met klem met evaluaties te komen van de veiligheidskwesties die verband houden met het grootschalige gebruik van drones; verzoekt de Commissie te onderzoeken of er een noodzaak bestaat tot invoering van de verplichting om RPAS uit te rusten met een volg- en identificatiesysteem met behulp waarvan in real-time de positie van RPAS kan worden bepaald; herinnert eraan dat de maatregelen van Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad(6) moeten zorgen voor homogeniteit en veiligheid op het gebied van onbemande luchtvaartuigen;

Zorgrobots

31.  onderstreept dat het onderzoek naar en de ontwikkeling van robots in de ouderenzorg mettertijd gebruikelijker en goedkoper zijn geworden, wat geleid heeft tot producten met meer functionaliteiten en een vergroot draagvlak onder consumenten; wijst op de brede waaier aan toepassingen van deze technologieën op het vlak van preventie, ondersteuning, toezicht, stimulering en gezelschap voor ouderen en personen met een beperking, evenals personen die lijden aan dementie, cognitieve problemen of geheugenverlies;

32.  wijst erop dat menselijk contact een van de meest fundamentele aspecten van menselijke zorg is; is van mening dat vervanging van de menselijke factor door robots de zorgpraktijk zou kunnen ontmenselijken, maar erkent anderzijds dat robots geautomatiseerde zorgtaken zouden kunnen uitvoeren en het werk van zorgpersoneel zou kunnen verlichten, waardoor de zorg door mensen intensiever en het revalidatieproces gerichter wordt en medisch en zorgpersoneel meer tijd heeft voor diagnose en beter geplande behandelingsopties; benadrukt dat, ondanks het potentieel van robotica om de mobiliteit en sociale integratie van personen met een handicap en ouderen te verbeteren, menselijke hulpverleners nog steeds nodig zullen zijn, en een belangrijke en niet volledig vervangbare bron van sociale interactie zullen blijven;

Medische robots

33.  benadrukt het belang van passende educatie, opleiding en voorbereiding van gezondheidswerkers zoals artsen en zorgpersoneel om ervoor te zorgen dat de grootst mogelijke vakkundigheid gewaarborgd is, en om de gezondheid van de patiënt te beschermen; onderstreept dat er minimale beroepseisen moeten worden gedefinieerd waaraan chirurgen moeten voldoen voordat zij mogen opereren en hierbij chirurgische robots mogen gebruiken; acht het van fundamenteel belang dat het principe van gecontroleerde autonomie van robots wordt geëerbiedigd, op basis waarvan de initiële programmering van de behandeling en de eindkeuze met betrekking tot de uitvoering altijd bij een menselijke chirurg ligt; benadrukt het grote belang van opleiding voor gebruikers zodat zij zichzelf vertrouwd kunnen maken met de technologische vereisten op dit gebied; wijst op de groeiende trend in de richting van zelfdiagnose met gebruik van een mobiele robot en als gevolg daarvan de noodzaak om artsen op te leiden in de omgang met zelfgediagnosticeerde gevallen; is van oordeel dat het gebruik van dergelijke technologieën de arts-patiëntrelatie niet mag bagatelliseren of schaden, maar de arts moet helpen bij de diagnose en/of de behandeling van de patiënt, met het doel de kans op menselijke fouten te verminderen en de kwaliteit van leven en de levensverwachting te verbeteren;

34.  is van mening dat medische robots een steeds grotere rol zullen gaan spelen op het gebied van microchirurgie en de uitvoering van repetitieve handelingen en dat zij het potentieel hebben om de resultaten op het gebied van revalidatie te verbeteren en uiterst effectieve logistieke steun in ziekenhuizen te bieden; merkt op dat medische robot ook het potentieel hebben om de kosten voor gezondheidszorg te doen dalen door medisch personeel in staat te stellen hun aandacht te verleggen van behandeling naar preventie en door meer financiële middelen vrij te maken voor een betere aanpassing aan de uiteenlopende behoeften van patiënten, voor bijscholing van gezondheidswerkers en voor onderzoek;

35.  roept de Commissie op om vóór de datum waarop de verordening betreffende medische hulpmiddelen(7) van toepassing wordt te waarborgen dat de bestaande proefprocedures voor nieuwe medische robottoestellen veilig zijn, met name in het geval van hulpmiddelen die in het menselijk lichaam worden geïmplanteerd;

"Repareren" en "verbeteren" van mensen

36.  wijst op de grote vooruitgang door en het toekomstige potentieel van robotica op het gebied van herstel en vervanging van beschadigde organen en lichaamsfuncties, maar ook op de complexe vraagstukken die zich met name bij de mogelijkheden voor "verbetering" van het lichaam voordoen, daar medische robots en met name cyberfysieke systemen (CPS) onze opvatting van een gezond mensenlichaam zouden kunnen wijzigen doordat zij rechtstreeks op het lichaam kunnen worden gedragen of in het lichaam worden geïmplanteerd; onderstreept het belang van onverwijlde instelling van naar behoren bezette commissies voor robotethiek in ziekenhuizen en andere instellingen voor gezondheidszorg die zich buigen over ongewone, gecompliceerde ethische vraagstukken betreffende de zorg voor en de behandeling van patiënten; verzoekt de Commissie en de lidstaten richtsnoeren te ontwikkelen om dergelijke commissies bij hun oprichting en taak te ondersteunen;

37.  wijst erop dat voor vitale medische toepassingen zoals robotprotheses continue, duurzame toegang tot onderhoud, verbeteringen en met name software-updates die storingen en kwetsbaarheden verhelpen, moet worden gewaarborgd;

38.  beveelt de oprichting aan van onafhankelijke betrouwbare entiteiten die beschikken over de middelen om diensten te verlenen aan dragers van vitale geavanceerde medische apparatuur, met name onderhoud, reparatie en verbeteringen, met inbegrip van software-updates, vooral wanneer degelijke diensten niet langer door de oorspronkelijke leverancier worden aangeboden; stelt voor een verplichting voor fabrikanten in te voeren om deze onafhankelijke betrouwbare entiteiten te voorzien van uitgebreide ontwerpinstructies en de broncode, vergelijkbaar met het wettelijk depot voor publicaties bij een nationale bibliotheek;

39.  wijst op de risico's van hacken, uitschakelen of wissen van het geheugen van de in het menselijk lichaam geïntegreerde cyberfysieke systemen, aangezien hierdoor de gezondheid en in extreme gevallen zelfs het leven van mensen in gevaar kan komen, en benadrukt dan ook dat de bescherming van zulke systemen de voornaamste prioriteit moet zijn;

40.  onderstreept hoe belangrijk het is dat gelijke toegang voor eenieder tot dergelijke technologische innovatie, instrumenten en ingrepen wordt gegarandeerd; verzoekt de Commissie en de lidstaten de ontwikkeling van hulptechnologieën te bevorderen om de ontwikkeling en ingebruikname van deze technologieën door personen die ze nodig hebben, te faciliteren, overeenkomstig artikel 4 van het VN-Verdrag inzake rechten van personen met een handicap, dat de Unie heeft ondertekend;

Onderwijs en werkgelegenheid

41.  vestigt de aandacht op de verwachting van de Commissie dat Europa rond 2020 tot 825 000 ict-professionals tekort zal komen en dat voor 90% van de banen tenminste digitale basiskennis zal zijn vereist; is ingenomen met het initiatief van de Commissie om een routekaart in te voeren voor het mogelijke gebruik en de herziening van een kader voor digitale vaardigheden en beschrijvingen van digitale vaardigheden voor lerenden op alle niveaus, en verzoekt de Commissie significante steun te bieden voor de ontwikkeling van digitale vaardigheden in alle leeftijdsgroepen en ongeacht de beroepsstatus, als eerste stap naar een betere afstemming van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt; benadrukt dat de groei op het gebied van robotica de lidstaten ertoe noopt flexibelere opleidings- en onderwijssystemen te ontwikkelen om te waarborgen dat de leerstrategieën aansluiten bij de behoeften van de roboteconomie;

42.  is van mening dat de digitale sector, vrouwen en de Europese economie ervan zouden profiteren als meer jonge vrouwen belangstelling zouden krijgen voor digitale loopbanen en meer vrouwen in digitale banen terecht zouden komen; roept de Commissie en de lidstaten op met initiatieven te komen om vrouwen in de ict-sector te steunen en hun e-vaardigheden te verbeteren;

43.  roept de Commissie op middellangetermijn- en langetermijntrends op de arbeidsmarkt nauwlettender te gaan analyseren en in het oog te houden, met bijzondere aandacht voor het ontstaan, de verplaatsing en het verdwijnen van banen in de verschillende sectoren of kwalificatiegebieden, zodat duidelijk wordt waar banen worden gecreëerd en waar banen verloren gaan als gevolg van het toegenomen gebruik van robots;

44.  wijst erop hoe belangrijk het is om veranderingen in de maatschappij te voorzien, gezien het effect dat het ontwikkelen en inzetten van robotica en AI kan hebben; verzoekt de Commissie een analyse uit te voeren van de verschillende denkbare scenario's en de gevolgen daarvan voor de draagkracht van de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten; is van oordeel dat er een inclusief debat van start moet gaan over nieuwe werkgelegenheidsmodellen en over de duurzaamheid van onze belasting- en socialezekerheidssystemen op basis van de aanwezigheid van voldoende inkomen, met inbegrip van de mogelijke invoering van een algemeen basisinkomen; ;

45.  benadrukt het belang van flexibele vaardigheden en van sociale, creatieve en digitale vaardigheden in het onderwijs; is er zeker van dat er naast scholen die academische kennis overdragen een leven lang leren verwezenlijkt moet worden via een leven lang actief zijn;

46.  wijst op het grote potentieel van robotica voor het verbeteren van de veiligheid op het werk door een aantal gevaarlijke of schadelijke taken van mensen naar robots over te dragen, maar wijst er ook op dat robotsystemen nieuwe risico's kunnen meebrengen als gevolg van de toenemende interactie van mens en robot op de werkplek; onderstreept in dit verband het belang van strikte, toekomstgerichte regels voor de interactie tussen mens en robot teneinde de gezondheid en veiligheid alsmede de naleving van de grondrechten op de werkplek te waarborgen;

Milieugevolgen

47.  merkt op dat de ontwikkeling van robotica en AI zodanig moet verlopen dat de milieugevolgen klein gehouden worden door doeltreffend energieverbruik, energie-efficiëntie door bevordering van het gebruik van hernieuwbare energie en hergebruik van schaarse stoffen, en minimaal afvalproductie, zoals elektrisch en elektronisch afval, alsmede repareerbaarheid; moedigt de Commissie daarom aan de beginselen van de circulaire economie op te nemen in het roboticabeleid van de Unie; merkt voorts op dat het gebruik van robotsystemen ook positieve gevolgen voor het milieu zal hebben, in het bijzonder op het gebied van landbouw en voedselvoorziening en vervoer, met name dankzij de minder grote machines en een lager gebruik van meststoffen, energie en water alsmede door precisielandbouw en route-optimalisering;

48.  onderstreept dat cyberfysieke systemen zullen leiden tot energie- en infrastructuursystemen die de elektriciteitsstroom van de producent naar de verbruiker kunnen controleren, en tot het ontstaan van "energieprosumenten", die zowel energie opwekken als energie verbruiken, waarvan het milieu in hoge mate zal profiteren;

Aansprakelijkheid

49.  is van mening dat de civielrechtelijke aansprakelijkheid voor door robots veroorzaakte schade een fundamentele kwestie is die op EU-niveau moet worden geanalyseerd en aangepakt, zodat er in de hele Europese Unie eenzelfde mate van efficiency, transparantie en consistentie bij de toepassing van rechtszekerheid tot stand komt, zowel voor burgers en consumenten als voor bedrijven;

50.  merkt op dat de ontwikkeling van robottechnologieën een beter begrip vereist van de raakvlakken die nodig zijn met betrekking tot gezamenlijke activiteiten van mensen en robots, die moeten worden gebaseerd op de twee van elkaar afhankelijke kernrelaties voorspelbaarheid en richtbaarheid; wijst erop dat deze twee van elkaar afhankelijke relaties cruciaal zijn voor het bepalen welke informatie moet worden gedeeld tussen mensen en robots en hoe een gemeenschappelijke basis tussen mensen en robots tot stand kan worden gebracht om soepel lopende gezamenlijke activiteiten van mensen en robots mogelijk te maken;

51.  verzoekt de Commissie op grond van artikel 114 van het VWEU een voorstel in te dienen voor een wetgevingsinstrument voor juridische vraagstukken met betrekking tot de voor de komende 10 à 15 jaar te verwachten ontwikkeling en het gebruik van robotica en kunstmatige intelligentie, gecombineerd met niet-wetgevingsinstrumenten zoals richtsnoeren en gedragscodes zoals genoemd in de aanbevelingen in de bijlage;

52.  is van mening dat het toekomstige wetgevingsinstrument, ongeacht welke juridische oplossing dit aandraagt voor de civielrechtelijke aansprakelijkheid voor door robots veroorzaakte schade anders dan voor schade aan eigendom, het type of de mate van te vergoeden schade op geen enkele manier mag beperken dan wel de vormen van compensatie beperken die de benadeelde partij worden aangeboden, zuiver op grond van het feit dat de schade is veroorzaakt door een niet-menselijke actor;

53.  is van mening dat het toekomstige wetgevingsinstrument gebaseerd moet zijn op een grondige evaluatie door de Commissie van de vraag of moet worden uitgegaan van strikte aansprakelijkheid dan wel van risicobeheersing;

54.  merkt tevens op dat bij strikte aansprakelijkheid uitsluitend bewijs nodig is dat er schade is ontstaan en dat er een causaal verband is tussen het schadelijke functioneren van de robot en de schade die de benadeelde partij heeft geleden;

55.  merkt op dat de benadering van risicobeheersing niet gericht is op de persoon die "nalatig heeft gehandeld" als individueel aansprakelijk, maar op de persoon die onder bepaalde omstandigheden in staat is risico's tot een minimum te beperken en om te gaan met negatieve gevolgen;

56.  is van mening dat zodra de partijen zijn geïdentificeerd die de uiteindelijk verantwoordelijkheid dragen, hun aansprakelijkheid evenredig zou moeten zijn met het concrete niveau van de aan de robot gegeven instructies en de mate van autonomie van de robot, hetgeen betekent dat hoe groter het leervermogen of de autonomie van een robot is, en hoe langer de "opleiding" van een robot heeft geduurd, hoe groter de verantwoordelijkheid van zijn "opleider" zou moeten zijn; merkt met name op dat bij het identificeren van de persoon aan wie het schade veroorzakende gedrag van een robot toe te schrijven is, de vaardigheden die voortvloeien uit de "opleiding" die de robot heeft gekregen, niet mogen worden verwisseld met de vaardigheden die strikt toe te schrijven zijn aan zijn zelflerend vermogen; merkt op dat in elk geval in het huidige stadium de verantwoordelijkheid bij de mens moet liggen en niet bij de robot;

57.  wijst erop dat een mogelijke oplossing voor de complexe vraag wie verantwoordelijk is voor schade die veroorzaakt wordt door steeds autonomere robots gelegen is in een verplichte verzekering, zoals bijvoorbeeld reeds voor voertuigen geldt; stelt evenwel vast dat anders dan het verzekeringssysteem voor het wegvervoer, waar de verzekering menselijke handelingen en fouten dekt, een verzekeringssysteem voor robotica rekening zou moeten houden met alle potentiële verantwoordelijkheden in de keten;

58.  is van mening dat een dergelijk verzekeringssysteem net als bij autoverzekeringen gefinancierd zou kunnen worden uit een fonds, om te waarborgen dat er ook schadevergoedingen kunnen worden uitgekeerd als er geen verzekeringsdekking is; verzoekt de verzekeringssector nieuwe producten en soorten aanbiedingen te ontwikkelen die aansluiten bij de vooruitgang op het gebied van robotica;

59.  verzoekt de Commissie bij het uitvoeren van een effectbeoordeling van haar toekomstige wetgevingsinstrument de gevolgen van alle mogelijke wettelijke oplossingen te verkennen, te analyseren en te beoordelen, zoals:

a)  vaststellen van een verplichte verzekeringsregeling – waar relevant en nodig voor specifieke categorieën robots – waarbij net als bij voertuigen producenten of eigenaren van robots verplicht worden een verzekering af te sluiten voor de schade die hun robots mogelijk veroorzaken;

b)  waarborgen dat een compensatiefonds niet alleen dient om compensatie uit te keren als de door een robot veroorzaakte schade niet gedekt wordt door een verzekering;

c)  voor de fabrikant, programmeur, eigenaar of gebruiker slechts in beperkte aansprakelijkheid voorzien als zij bijdragen aan een compensatiefonds, en als zij gezamenlijk een verzekering afsluiten om compensatie te garanderen als een robot schade veroorzaakt;

d)  besluiten om een algemeen fonds voor alle slimme autonome robots op te richten dan wel een individueel fonds voor elke categorie robots, en besluiten of de contributie eenmalig betaald dient te worden als de robot op de markt wordt gebracht, of dat er gedurende de levensduur van de robot periodieke contributies moeten worden betaald;

e)  waarborgen dat het verband tussen een robot en het bijbehorende fonds zichtbaar wordt door middel van een individueel registratienummer in een specifiek EU-register, waardoor eenieder die met de robot in aanraking komt, informatie kan verkrijgen over de aard van het fonds, de grenzen van de aansprakelijkheid in geval van schade, de namen en functies van de bijdragende partijen en alle overige relevante details;

f)  op de lange termijn een specifieke rechtspersoonlijkheid creëren voor robots, zodat in elk geval de meest geavanceerde autonome robots de status kunnen krijgen van elektronisch persoon die verantwoordelijk is voor het vergoeden van veroorzaakte schade, en eventueel uitgaan van elektronische persoonlijkheid als robots autonome beslissingen treffen of anderszins onafhankelijk reageren met derden;

g)  voorzien in een passend instrument voor consumenten die bij de verantwoordelijke fabrikant een collectieve claim willen indienen voor schade als gevolg van het slechte functioneren van intelligente machines;

Internationale aspecten

60.  merkt op dat de huidige algemene internationale privaatrechtelijke regels inzake verkeersongevallen die in de Unie van toepassing zijn, weliswaar niet dringend in wezenlijke mate moeten worden aangepast om rekening te houden met de ontwikkeling van autonome voertuigen, maar dat vereenvoudiging van het huidige duale systeem voor het vaststellen van het toepasselijke recht (gebaseerd op Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad(8) en op het Haags Verdrag van 4 mei 1971 inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg) de rechtszekerheid ten goede zou komen en de mogelijkheden voor forumshopping zou beperken;

61.  stelt vast dat moet worden nagedacht over wijzigingen op internationale overeenkomsten zoals het Verdrag van Wenen van 8 november 1968 betreffende het wegverkeer en het Haags Verdrag inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen;

62.  rekent erop dat de Commissie erop zal toezien dat de lidstaten de bestaande wetgeving, zoals het Verdrag van Wenen betreffende het wegverkeer, dat moet worden gewijzigd, op uniforme wijze aanpassen om rijden zonder bestuurder mogelijk te maken en roept de Commissie, de lidstaten en het bedrijfsleven op zo snel mogelijk uitvoering te geven aan de doelstellingen van de Verklaring van Amsterdam;

63.  pleit met kracht voor internationale samenwerking bij de toetsing van maatschappelijke, ethische en juridische vraagstukken en vervolgens bij het vaststellen van regulerende normen onder auspiciën van de Verenigde Naties;

64.  wijst erop dat de beperkingen en voorwaarden van Verordening (EG) nr. 428/2009 van het Europees Parlement en de Raad(9) over de handel in producten voor tweeërlei gebruik – goederen, software en technologie die zowel voor civiele als militaire doeleinden kunnen worden gebruikt en/of kunnen bijdragen tot de verspreiding van massavernietigingswapens – ook voor roboticatoepassingen zouden moeten gelden;

Overige aspecten

65.  verzoekt overeenkomstig artikel 225 VWEU de Commissie op basis van artikel 114 VWEU een voorstel in te dienen voor een richtlijn inzake civielrechtelijke regels voor robotica, aan de hand van de uitvoerige aanbevelingen in de bijlage bij dit verslag;

66.  constateert dat deze aanbevelingen in overeenstemming zijn met de grondrechten en het subsidiariteitsbeginsel;

67.  is van mening dat het gevraagde voorstel financiële gevolgen zal hebben als er een nieuw Europees agentschap in het leven wordt geroepen;

68.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en bijgaande gedetailleerde aanbevelingen te doen toekomen aan de Commissie en de Raad.

(1)

Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

(2)

1) Een robot mag een mens geen letsel toebrengen of door niet te handelen toestaan dat een mens letsel oploopt. 2) Een robot moet de bevelen uitvoeren die hem door mensen gegeven worden, behalve als die opdrachten in strijd zijn met de Eerste Wet. 3) Een robot moet zijn eigen bestaan beschermen, voor zover die bescherming niet in strijd is met de Eerste of Tweede Wet (zie Runaround, I. Asimov, 1943) en 0) Een robot mag geen schade toebrengen aan de mensheid, of toelaten dat de mensheid schade toegebracht wordt door zijn nalatigheid.

(3)

Zie de Schuman-verklaring (1950): "Europa zal niet in één keer tot stand komen, noch volgens één enkel plan: het zal opgebouwd worden door concrete resultaten die allereerst een feitelijke solidariteit tot stand brengen."

(4)

Richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken (PB L 210 van 7.8.1985, blz. 29).

(5)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0390.

(6)

Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG (PB L 79 van 19.3.2008, blz. 1).

(7)

Zie wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 april 2014 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende medische hulpmiddelen en houdende wijziging van Richtlijn2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009 (COM(2012)0542 – C7-0318/2012 – 2012/0266(COD)).

(8)

Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 inzake het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II), PB L 199 van 31.7.2007, blz. 40.

(9)

Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik (PB L 341 van 29.5.2009, blz. 1).


BIJLAGE BIJ DE ONTWERPRESOLUTIE:GEDETAILLEERDE AANBEVELINGEN BETREFFENDE DE INHOUD VAN HET VERLANGDE VOORSTEL

Definitie en classificatie van "slimme robots"

Er dient een gemeenschappelijke Europese definitie van slimme autonome robots te worden vastgesteld die waar nodig definities van de subcategorieën daarvan omvat en de volgende kenmerken in aanmerking neemt:

–  het vermogen om autonomie te verwerven via sensoren en/of het uitwisselen van gegevens met zijn omgeving (interconnectiviteit) en het analyseren van die gegevens;

–  het vermogen om van ervaringen en interactie te leren;

–  de vorm van de fysieke drager van de robot;

–  het vermogen om zijn gedrag en handelen aan zijn omgeving aan te passen.

Registratie van slimme robots

Ten behoeve van de traceerbaarheid en om de uitvoering van verdere aanbevelingen te vergemakkelijken dient er een systeem voor de registratie van geavanceerde robots te worden ingevoerd, op basis van criteria voor de classificatie van robots. Het registratiesysteem en het register zouden voor de hele Unie moeten gelden en de interne markt moeten afdekken, en zouden kunnen worden beheerd door een daartoe aangewezen EU-agentschap voor robotica en kunstmatige intelligentie, vooropgesteld dat dit in het leven wordt geroepen.

Civielrechtelijke aansprakelijkheid

Elke juridische oplossing voor de aansprakelijkheid van robots en van AI, anders dan voor schade aan eigendom, mag op geen enkele manier het type of de mate van te vergoeden schade beperken dan wel de vormen van compensatie beperken die de benadeelde partij worden aangeboden, zuiver op grond van het feit dat de schade is veroorzaakt door een niet-menselijke actor.

Het toekomstige wetgevingsinstrument zou gebaseerd moet zijn op een grondige evaluatie door de Commissie van de vraag of moet worden uitgegaan van strikte aansprakelijkheid dan wel van risicobeheersing;

Er dient een verplichte verzekeringsregeling te worden ingevoerd, die gebaseerd zou zijn op de plicht van de producent om een verzekering af te sluiten voor de autonome robots die hij produceert.

Het verzekeringssysteem dient te worden gefinancierd uit een fonds, om te waarborgen dat er ook schadevergoedingen kunnen worden uitgekeerd als er geen verzekeringsdekking is.

Beleidsbeslissingen over de regels inzake civielrechtelijke aansprakelijkheid die van toepassing zijn op robots en kunstmatige intelligentie dienen te worden getroffen na raadpleging van een pan-Europees onderzoeks- en ontwikkelingsproject op het gebied van robotica en neurowetenschappen, met wetenschappers en deskundigen die in staat zijn alle met dit onderwerp verband houdende risico's en consequenties te beoordelen;

Interoperabiliteit, toegang tot codes en intellectuele-eigendomsrechten

De interoperabiliteit van via een netwerk verbonden autonome robots die met elkaar reageren moet worden gewaarborgd. Toegang tot de broncode, inputgegevens en constructiegegevens dienen waar nodig beschikbaar te zijn, zodat door slimme robots veroorzaakte ongevallen en schade kunnen worden onderzocht en hun continue inzet, beschikbaarheid, betrouwbaarheid en veiligheid kunnen worden gewaarborgd.

Handvest over robotica

De Commissie zou bij het voorstellen van wetgeving inzake robotica de beginselen in aanmerking moeten nemen die in het hieronder opgenomen Handvest over robotica worden genoemd.

HANDVEST OVER ROBOTICA

De voorgestelde ethiekcode op het gebied van robotica zal de basis leggen voor identificatie van, toezicht op en naleving van fundamentele ethische beginselen vanaf de fase van ontwerp en ontwikkeling.

Het kader, dat op basis van een pan-Europees onderzoeks- en ontwikkelingsproject op het gebied van robotica en neurowetenschappen moet worden opgezet, moet goed doordacht zijn zodat er individuele aanpassingen mogelijk zijn om te beoordelen of een bepaald gedrag in een bepaalde situatie goed of fout is en beslissingen te nemen aan de hand van een van tevoren vastgestelde ranglijst van waarden.

De code mag geen vervanging vormen voor de noodzaak om alle grote juridische vragen op dit terrein aan te pakken, maar dient een aanvullende rol te spelen. Een dergelijke code maakt het eenvoudiger robotica in ethisch opzicht te classificeren, verantwoorde innovatie op dit terrein te steunen en in te spelen op de vragen van het publiek.

Bijzondere aandacht verdienen de fasen van onderzoek en ontwikkeling in het desbetreffende technologische traject (ontwerpproces, ethische beoordeling, audits, enz.). Er moet worden gestreefd naar aandacht voor naleving van ethische normen door onderzoekers, technici, gebruikers en ontwerpers, en daarnaast moet er een procedure worden ingevoerd voor het zoeken naar oplossingen voor ethische dilemma's die zich voordoen, zodat deze systemen op een ethisch verantwoorde wijze kunnen functioneren.

ETHISCHE CODE VOOR ROBOTICA-INGENIEURS

PREAMBULE

De gedragscode schrijft voor dat onderzoekers en ontwerpers verantwoord moeten handelen en de noodzaak om de waardigheid, privacy en veiligheid van mensen te eerbiedigen, onder alle omstandigheden in aanmerking moeten nemen.

De code dringt aan op nauwe samenwerking tussen alle vakgebieden om te waarborgen dat onderzoek op het gebied van robotica in de Europese Unie op een veilige, ethisch verantwoorde en doeltreffende manier wordt uitgevoerd.

De gedragscode geldt voor alle onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten op het gebied van robotica.

De gedragscode is vrijwillig en biedt een reeks algemene beginselen en richtsnoeren voor de handelingen van alle belanghebbenden.

Instanties voor de financiering van onderzoek naar robotica, onderzoeksorganisaties, onderzoekers en ethiekcommissies worden aangemoedigd om in een zo vroeg mogelijk stadium de toekomstige gevolgen van de technologieën of voorwerpen die worden onderzocht, te overdenken en een cultuur van verantwoordelijkheid te ontwikkelen ten aanzien van de uitdagingen en kansen die zich kunnen voordoen.

Publieke en particuliere instellingen die robotica-onderzoek financieren dienen te verlangen dat samen met elk ingediend voorstel tot financiering van robotica-onderzoek een risicobeoordeling wordt uitgevoerd en voorgelegd. Een dergelijke code moet de mens en niet de robot als verantwoordelijk beschouwen.

Onderzoekers op het gebied van robotica dienen zich tot streng ethisch en professioneel gedrag te verplichten en de volgende beginselen te hanteren:

Plicht tot weldoen – robots moeten het belang van de mens dienen;

Geen schade berokkenen – de doctrine van "geen schade berokkenen" die voorschrijft dat robots geen mensen mogen schaden;

Autonomie – het vermogen om een geïnformeerde, vrije beslissing te nemen over de wijze waarop met robots wordt omgegaan;

Rechtvaardigheid – eerlijke verdeling van de voordelen van robotica en in het bijzonder betaalbaarheid van robots voor de huishouding en de gezondheidszorg.

Grondrechten

Onderzoeksactiviteiten op het gebied van robotica moeten de grondrechten respecteren en qua opzet, uitvoering, verspreiding en gebruik gericht zijn op het welzijn en de zelfbeschikking van het individu en van de maatschappij in het algemeen. De menselijke waardigheid en autonomie – in zowel fysiek als geestelijk opzicht – moeten altijd voorop staan.

Voorzorg

Robotica-onderzoeksactiviteiten moeten worden uitgevoerd overeenkomstig het voorzorgsbeginsel, er dient te worden geanticipeerd op potentiële veiligheidseffecten van resultaten, er dienen passende voorzorgsmaatregelen te worden genomen die evenredig zijn met het beschermingsniveau en de vooruitgang moet worden gestimuleerd ten voordele van de maatschappij en het milieu.

Inclusiviteit

Robotica-ingenieurs staan garant voor transparantie en respect voor het legitieme recht op toegang tot informatie voor alle belanghebbenden. Inclusiviteit zorgt voor participatie in besluitvormingsprocessen voor alle belanghebbenden die betrokken zijn bij of te maken hebben met onderzoeksactiviteiten op het gebied van robotica.

Verantwoordingsplicht

Robotica-ingenieurs blijven een verantwoordingsplicht houden voor de maatschappelijke, milieu- en gezondheidsimpact die robotica voor de huidige en toekomstige generaties kunnen meebrengen.

Veiligheid

Ontwerpers van robots dienen het fysieke welzijn, de veiligheid, de gezondheid en de rechten van mensen te respecteren. Robotica-ingenieurs moeten het menselijk welzijn boven alles stellen, de mensenrechten eerbiedigen en factoren die een gevaar kunnen betekenen voor het publiek of het milieu, onverwijld bekend maken.

Omkeerbaarheid

Omkeerbaarheid als noodzakelijke voorwaarde voor controleerbaarheid is een fundamenteel concept bij het programmeren van robots om veilig en betrouwbaar te functioneren. Een omkeerbaar model laat de robot weten welke handelingen omkeerbaar zijn en hoe hij dit moet doen. Het vermogen om de laatste handeling of serie handelingen ongedaan te maken stelt gebruikers in staat ongewenste handelingen ongedaan te maken en terug te gaan naar het punt waarop hun werk correct was.

Privacy

Het recht op privacy moet onder alle omstandigheden worden geëerbiedigd. Robotica-ingenieurs dienen te waarborgen dat privé-informatie veilig wordt opgeslagen en alleen in passende gevallen wordt gebruikt. Daarnaast dienen robotica-ingenieurs te waarborgen dat individuele personen niet identificeerbaar zijn, behalve in uitzonderlijke gevallen en dan uitsluitend met duidelijke en ondubbelzinnige geïnformeerde toestemming van de betrokkenen. Alvorens interactie tussen mens en machine plaatsvindt moet de geïnformeerde toestemming van de mens worden verkregen. In dit opzicht hebben robotica-ingenieurs de verantwoordelijkheid om procedures te ontwikkelen voor geldige instemming, vertrouwelijkheid, anonimiteit, rechtvaardige behandeling en recht op eerlijke rechtsbedeling. Ontwerpers dienen te voldoen aan elk verzoek om aanverwante gegevens te vernietigen en uit gegevensverzamelingen te verwijderen.

Maximalisering van voordelen en minimalisering van schade

Onderzoekers dienen in alle fasen van het onderzoek, van de eerste aanzet tot de verspreiding van resultaten, te streven naar maximalisering van de voordelen van hun werk. Schade aan onderzoeksdeelnemers/menselijke subjecten/deelnemers aan experimenten, tests of studies moet worden voorkomen. Als risico's een onvermijdelijk en integraal deel van het onderzoek vormen, moeten er solide risicobeoordelingen en beheersprotocollen worden ontwikkeld en moeten deze worden nageleefd. Normaal gesproken mag het risico op schade niet groter zijn dan die zich welke in het dagelijkse bestaan voordoet, d.w.z. personen mogen niet aan grotere of bijkomende risico's worden blootgesteld dan die welke zij in hun normale bestaan tegenkomen. De werking van een roboticasysteem dient altijd te zijn gebaseerd op een proces van grondige risicobeoordeling, dat moet berusten op de beginselen van voorzorg en evenredigheid.

CODE VOOR COMMISSIES VOOR ONDERZOEKSETHIEK

Beginselen

Onafhankelijkheid

Het proces van ethische beoordeling dient los te staan van het onderzoek zelf. Dit beginsel staat voor de noodzaak om belangenconflicten tussen onderzoekers en degenen die het ethisch protocol beoordelen, en tussen beoordelaars en organisatiestructuren te voorkomen.

Competentie

Het proces voor ethische beoordeling dient te worden uitgevoerd door beoordelaars met de passende deskundigheid, waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak van zorgvuldige beoordeling van de leden en de specifiek op ethiek gerichte competentie van ethiekcommissies.

Transparantie en verantwoordingsplicht

Over het beoordelingsproces dient verantwoording te kunnen worden afgelegd en het moet getoetst kunnen worden. Ethiekcommissies moeten hun verantwoordelijkheid erkennen en adequaat geplaatst zijn binnen de organisatiestructuur die de werkzaamheden en procedures van de ethiekcommissie transparantie verleent, teneinde normen te handhaven en te evalueren.

De rol van een ethiekcommissie voor het onderzoek

Een ethiekcommissie is normaal gesproken verantwoordelijk voor de beoordeling van elk onderzoek waarbij mensen zijn betrokken en dat wordt uitgevoerd door personen die in dienst zijn bij of worden betaald door de instelling in kwestie; zij moet waarborgen dat de ethische beoordeling op onafhankelijke en competente wijze gebeurt en op een passend tijdstip plaatsvindt; zij moet de waardigheid, de rechten en het welzijn van de onderzoeksdeelnemers beschermen; zij moet naar de veiligheid van de onderzoeker(s) kijken; zij moet de legitieme belangen van andere belanghebbenden in aanmerking nemen; zij moet een onderbouwd oordeel uitspreken over de wetenschappelijke waarde van voorstellen; en zij moet onderbouwde aanbevelingen aan de onderzoeker doen als het voorstel in een bepaald opzicht lacunes vertoont.

Samenstelling van een ethiekcommissie voor het onderzoek

Een ethiekcommissie voor het onderzoek dient normaal gesproken multidisciplinair te zijn, uit zowel mannen als vrouwen te bestaan, en uit leden te bestaan die over brede ervaring en deskundigheid op het gebied van roboticaonderzoek beschikken. Het benoemingsmechanisme dient te waarborgen dat de leden van de commissie een adequate mix van wetenschappelijke deskundigheid, een achtergrond van filosofie, recht of ethiek en lekenstandpunten hebben, en dat de commissie tenminste bestaat uit een lid dat over specialistische kennis van ethiek beschikt, en verder uit gebruikers van specialistische gezondheids-, onderwijs- of sociale diensten waar deze het voorwerp van onderzoek vormen, en individuele personen met specifieke methodologische deskundigheid die relevant is voor het onderzoek in kwestie; en de commissie moet zodanig zijn samengesteld dat belangenconflicten worden vermeden.

Toezicht

Elke onderzoeksorganisatie dient adequate procedures vast te stellen om tot het einde toe toezicht te houden op de uitvoering van onderzoek dat in ethisch opzicht is goedgekeurd, en om een doorlopende beoordeling te waarborgen als de opzet van het onderzoek in de loop der tijd mogelijke wijzigingen meebrengt die eventueel moeten worden aangepakt. Dit toezicht dient evenredig te zijn met de aard en mate van risico waarmee het onderzoek gepaard gaat. Indien een ethiekcommissie van mening is dat een toezichtsverslag ernstige vragen doet rijzen over de ethische kant van een onderzoek, dient zij een volledig, gedetailleerd verslag van het onderzoek op te vragen voor een grondige ethische beoordeling. Als de commissie van mening is dat een onderzoek op onethische wijze wordt uitgevoerd, dient te worden overwogen de goedkeuring in te trekken en het onderzoek op te schorten of af te breken.

ONTWERPERSLICENTIE

–  Houd rekening met de Europese waarden van waardigheid, autonomie en zelfbeschikking, vrijheid en rechtvaardigheid voor, tijdens en na het proces van ontwerp, ontwikkeling en presentatie van dergelijke technologieën, met inbegrip van de noodzaak om (kwetsbare) gebruikers niet te schaden, te benadelen, te bedriegen of uit te buiten.

–  Introduceer betrouwbare beginselen inzake systeemontwerp in alle aspecten van het functioneren van een robot, zowel wat betreft het ontwerp van hardware en software als gegevensverwerking "on-platform" en "off-platform", met het oog op de veiligheid.

–  Introduceer ingebouwde privacy om te waarborgen dat privé-informatie veilig wordt bewaard en alleen in passende situaties wordt gebruikt.

–  Integreer duidelijke onderbrekingsmechanismen (kill switches) die passen bij de doelstellingen van het ontwerp.

–  Zorg ervoor dat een robot functioneert op een manier die past bij de lokale, nationale en internationale ethische en juridische normen.

–  Zorg ervoor dat de besluitvormingsstappen van de robot gereconstrueerd en getraceerd kunnen worden.

–  Zorg ervoor dat maximale transparantie vereist is voor de programmering van roboticasystemen alsmede voorspelbaarheid van het gedrag van de robot.

–  Analyseer de voorspelbaarheid van een mens-robotsysteem door rekening te houden met onzekerheid bij interpretatie en handelen evenals mogelijke fouten van de robot of de mens.

–  Ontwikkel traceermechanismen in het ontwerpstadium van de robot. Deze vergemakkelijken – zij het misschien slechts in beperkte mate – het verantwoorden en toelichten van het gedrag van een robot, op de verschillende niveaus voor deskundigen, exploitanten en gebruikers.

–  Stel ontwerp- en evaluatieprotocollen op en evalueer in samenwerking met potentiële gebruikers en belanghebbenden de voordelen en risico's van robotica, met inbegrip van de cognitieve, psychologische en ecologische voordelen.

–  Zorg ervoor de robots als zodanig kunnen worden geïdentificeerd als zij samenwerken met mensen.

–  Zorg voor de veiligheid en gezondheid van degenen die met robots werken en in aanraking komen, daar robots als product moeten worden ontworpen met behulp van processen die hun veiligheid en zekerheid garanderen. Robotica-ingenieurs moeten het welzijn van de mens vooropstellen en de mensenrechten eerbiedigen en mogen geen robots inzetten zonder de veiligheid, doeltreffendheid en omkeerbaarheid van de werking van het systeem te kunnen garanderen.

–  Zorg ervoor dat er een positief advies is van een commissie voor onderzoeksethiek alvorens een robot in een reële omgeving te testen of mensen bij de ontwerp- en ontwikkelingsprocedures ervan te betrekken.

GEBRUIKERSLICENTIE

–  De gebruiker moet een robot kunnen gebruiken zonder risico op fysieke of geestelijke schade.

–  De gebruiker heeft het recht van een robot te verwachten dat deze elke taak uitvoert waarvoor hij uitdrukkelijk is ontworpen.

–  De gebruiker dient te beseffen dat een robot perceptuele, cognitieve en handelingsbeperkingen kan hebben.

–  De gebruiker dient rekening te houden met menselijke tekortkomingen, zowel in fysiek als in geestelijk opzicht, en de emotionele behoeften van mensen.

–  De gebruiker dient rekening te houden met de privacyrechten van mensen, met inbegrip van de uitschakeling van camera's tijdens intieme handelingen.

–  De gebruiker mag geen persoonlijke informatie verzamelen, gebruiken of onthullen zonder de uitdrukkelijke instemming van de persoon in kwestie.

–  De gebruiker mag een robot niet gebruiken voor handelingen die in strijd zijn met ethische of juridische beginselen en normen.

–  De gebruiker mag een robot niet wijzigen om deze als wapen te kunnen gebruiken.


TOELICHTING

Achtergrond

Overeenkomstig bijlage V bij het Reglement is de Commissie juridische zaken onder meer bevoegd voor civiel recht en handelsrecht, vennootschapsrecht, recht inzake intellectuele eigendom, en de interpretatie en toepassing van het internationaal recht, voor zover dit de Europese Unie betreft, alsmede ethische vraagstukken in verband met nieuwe technologieën. De ontwikkeling van robotica en kunstmatige intelligentie geeft aanleiding tot juridische en ethische vragen die duidelijk verband houden met al deze terreinen en die een adequate reactie op EU-niveau noodzakelijk maken. Weliswaar is het aan de Commissie om te zijner tijd een of meer wetgevingsvoorstellen over robotica en kunstmatige intelligentie voor te leggen, maar het Europees Parlement heeft besloten met gebruikmaking van zijn rechten krachtens artikel 225 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 46 van zijn Reglement de weg te effenen voor dergelijke initiatieven.

Als gevolg hiervan besloot de Commissie JURI op 20 januari 2015 een werkgroep voor juridische vraagstukken met betrekking tot de ontwikkeling van robotica en kunstmatige intelligentie in de Europese Unie op te richten. De werkgroep richtte zich in de eerste plaats op het ontwikkelen van civielrechtelijke regels ten aanzien van dit onderwerp.

Behalve leden van de Commissie juridische zaken telde de werkgroep ook leden van de Commissie industrie, onderzoek en energie (ITRE), de Commissie interne markt en consumentenbescherming (IMCO) en de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (EMPL).

De werkgroep raadpleegde deskundigen uit de meest uiteenlopende sectoren en ontving belangrijke bijdragen, die in deze resolutie zijn verwerkt.

Algemeen

Robotica en kunstmatige intelligentie zijn een van de meest in het oog springende technologische trends van onze eeuw geworden. Het snel stijgende tempo van gebruik en ontwikkeling ervan brengt nieuwe en complexe vraagstukken mee voor onze samenleving. De weg van de industriële sector naar de maatschappij maakt een andere aanpak van deze technologieën noodzakelijk, nu de interactie van robots en kunstmatige intelligentie met mensen op de meest uiteenlopende terreinen zal toenemen.

De Commissie JURI is van mening dat de risico's van deze nieuwe vormen van interactie met spoed onder de loep moeten worden genomen en dat een reeks fundamentele waarden moet worden vertaald naar elke fase van contact tussen robots, kunstmatige intelligentie en de mens. Bij dit proces moet de aandacht met name uitgaan naar veiligheid, privacy, integriteit, waardigheid en autonomie van de mens.

Andere belangrijke aspecten die in deze resolutie aan de orde komen, zijn: normalisering, intellectuele-eigendomsrechten, eigendom van gegevens, werkgelegenheid en aansprakelijkheid. Het is van essentieel belang dat de regelgeving voorziet in voorspelbare en voldoende duidelijke voorwaarden om Europese innovatie op het gebied van robotica en kunstmatige intelligentie aan te moedigen.

Rechtsgrondslag en subsidiariteit

De handelingen van de Commissie tot aanpassing van de bestaande wetgeving aan de realiteit van robots en kunstmatige intelligentie dienen te zijn gebaseerd op art. 114 VWEU. Overeenkomstig artikel 5, lid 3, VEU treedt de Unie krachtens het subsidiariteitsbeginsel slechts op indien en voor zover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kunnen worden bereikt. De ontwikkeling van robotica is een verschijnsel dat zich momenteel in de hele Unie voordoet. Als reactie op deze innovatie ontwikkelen de lidstaten uiteenlopende nationale wetgeving. Deze discrepanties zullen wellicht hindernissen opwerpen voor een doeltreffende ontwikkeling van robotica. Gezien het feit dat deze technologie gevolgen heeft die over de grenzen heen reiken, is de beste optie voor wetgeving Europese wetgeving.

Algemene en ethische beginselen

De resolutie bevat algemene en ethische beginselen betreffende de ontwikkeling van robotica en kunstmatige intelligentie voor civiel gebruik. In de eerste plaats dient er, om deze ontwikkeling naar behoren te benaderen, een gemeenschappelijke definitie van slimme autonome robots te worden opgesteld. Vervolgens dient het onderzoek naar robotica en ict en naar de gevolgen van de verspreiding hiervan te worden opgevoerd.

In de tweede plaats is er met het oog op de vermelding van ethische beginselen een Handvest over robotica aan deze resolutie gehecht. Dit handvest bestaat uit een gedragscode voor robotica-ingenieurs, een code voor commissies voor onderzoeksethiek en licenties voor ontwerpers en gebruikers. Het voorgestelde kader sluit volledig aan bij het EU-Handvest van de grondrechten.

Daarnaast wordt voorgesteld een Europees agentschap voor robotica en kunstmatige intelligentie op te richten. Dit agentschap dient te voorzien in de technische, ethische en regelgevende expertise die nodig is om de betrokken overheidsactoren te ondersteunen.

Intellectuele-eigendomsrechten, gegevensbescherming en eigendom van gegevens

In de resolutie wordt de Commissie verzocht met een evenwichtige benadering van intellectuele-eigendomsrechten te komen waar deze van toepassing zijn op hardware- en softwarenormen, alsmede met codes die innovatie beschermen en tegelijkertijd aanmoedigen. Verder wordt aangedrongen op het opstellen van criteria voor "eigen intellectuele scheppingen" met betrekking tot door computers of robots geproduceerd werk waarvoor auteursrechten zouden kunnen gelden.

Het huidige ontoereikende juridisch kader voor gegevensbescherming en eigendom vormt een bron van zorg, gezien de (naar verwachting enorme) stroom van gegevens die het gebruik van robotica en AI zal veroorzaken.

Normalisatie, veiligheid en zekerheid

Het toenemende gebruik van robots en AI vereist Europese normalisering, teneinde discrepanties tussen lidstaten en fragmentering van de Europese interne markt te voorkomen.

Bovendien dient te worden ingespeeld op de zorgen van consumenten aangaande de veiligheid van het gebruik van robots en AI. In deze resolutie wordt benadrukt dat het testen van robots in concrete situaties essentieel is voor het opsporen en beoordelen van de risico's die zij mogelijk meebrengen.

Regels voor specifiek gebruik van robots en kunstmatige intelligentie

De resolutie bevat bepalingen voor specifieke soorten robots. Er dienen afzonderlijke regels te worden vastgesteld voor autonome voertuigen, zorgrobots, medische robots, "herstel" en "verbetering" van de mens, alsmede drones (RPAS).

Aansprakelijkheidsregels

De risico's die zich voordoen zijn inherent aan het gebruik van autonome machines in onze samenleving. Het gedrag van een robot heeft civielrechtelijke gevolgen, zowel in de zin van contractuele als niet-contractuele aansprakelijkheid. Er dient dan ook meer duidelijkheid te komen omtrent de verantwoordelijkheid voor handelingen van robots en uiteindelijk ook voor de handelingsbevoegdheid en/of rechtspersoonlijkheid van robots en AI, teneinde transparantie en rechtszekerheid voor producenten en consumenten in de Europese Unie te waarborgen.

De Commissie wordt verzocht bij het uitvoeren van een effectbeoordeling van haar toekomstige wetgevingsinstrument de gevolgen van alle mogelijke wettelijke oplossingen te verkennen, waaronder de invoering van een systeem van verplichte verzekering en een compensatiefonds.

Robotica en AI in de sociale context

De toenemende communicatie en interactie met robots zullen de fysieke en morele betrekkingen in onze samenleving wellicht grondig veranderen. Dit geldt met name voor zorgrobots, voor wie bijzonder kwetsbare mensen gevoelens kunnen ontwikkelen en aan wie zij zich kunnen hechten, waardoor er vragen kunnen rijzen in verband met de menselijke waardigheid en andere morele waarden.

Robots en AI oefenen nu al invloed uit op onderwijs en werkgelegenheid. Tegen deze achtergrond moeten tendensen in de werkgelegenheid nauwlettend in het oog worden gehouden, teneinde onwenselijke gevolgen voor de arbeidsmarkt te voorkomen.

Internationale aspecten

Gezien de ontwikkeling van robotica en AI wereldwijd dient aandacht te worden besteed aan de wijziging, waar nodig, van bestaande relevante internationale overeenkomsten en zijn hiervoor initiatieven nodig, of moeten er nieuwe instrumenten worden ontwikkeld om specifieke verwijzingen naar robotica en AI te kunnen opnemen. Internationale samenwerking op dit gebied is uiterst wenselijk.


ADVIES van de Commissie vervoer en toerisme (16.11.2016)

aan de Commissie juridische zaken

met aanbevelingen aan de Commissie over civielrechtelijke regels inzake robotica

(2015/2103(INL))

Rapporteur voor advies: Georg Mayer

(Initiatief – Artikel 46 van het Reglement)

SUGGESTIES

De Commissie vervoer en toerisme verzoekt de ten principale bevoegde Commissie juridische zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

–  gezien de verklaring van Amsterdam van de Raad van 14-15 april 2016 over samenwerking op het gebied van geconnecteerd en geautomatiseerd rijden ("de verklaring van Amsterdam"),

A.  overwegende dat de Commissie recentelijk de groep op hoog niveau GEAR 2030 heeft opgericht, die tot taak heeft een stappenplan op te stellen voor een goede uitrol van autonome voertuigen;

B.  overwegende dat er om redenen van wettelijke aansprakelijkheid onderscheid moet worden gemaakt tussen automatische voertuigen (waarin apparatuur is ingebouwd die de automatische uitvoering van bepaalde rijhandelingen mogelijk maakt) en autonome voertuigen (die alle rijhandelingen uitvoeren); overwegende dat het rijden in het eerste geval continu gecontroleerd moet worden door de bestuurder, die volledig verantwoordelijk blijft, terwijl er in het tweede geval geen permanente controle noch enige interventie van de gebruiker meer nodig is; overwegende dat de civiele aansprakelijkheidsstatus in vergelijking met conventionele voertuigen in het eerste geval ongewijzigd blijft, terwijl die in het tweede geval moet worden aangepast;

1.  benadrukt dat autonoom vervoer alle vormen van op afstand bestuurde, geconnecteerde en autonome vormen van weg-, spoorweg-, water- en luchtvervoer beslaat, met inbegrip van wegvoertuigen, treinen, schepen, veerboten, vliegtuigen, drones, alsook alle toekomstige vormen van ontwikkelingen en innovaties in deze sector (hierna te noemen "autonome vervoermiddelen");

2.  verzoekt de Commissie de volgende aspecten in aanmerking te nemen bij haar werkzaamheden in verband met autonome vervoermiddelen: civielrechtelijke aansprakelijkheid (aansprakelijkheid en verzekering), alle thema's in verband met het milieu (zoals energie-efficiëntie, gebruik van hernieuwbare technologieën en energiebronnen) en met gegevens (toegang tot gegevens, bescherming van persoongegevens en persoonlijke levenssfeer, het delen van gegevens over ongevallen en risicosituaties, de financiële waarde van gegevens en de verdeling ervan);

3.  houdt rekening met het feit dat de autonome vervoermiddelen grote gevolgen kunnen hebben voor de verbetering van de verkeersveiligheid, aangezien momenteel circa 90 % van alle verkeersongelukken toe te schrijven is aan menselijke fouten; wijst er echter op dat met autonome voertuigen onmogelijk alle ongevallen vermeden kunnen worden; wijst erop dat dit vragen oproept ten aanzien van de verantwoordelijkheid van de betrokken partijen en schadeloosstelling van slachtoffers in geval van ongevallen;

4.  herinnert eraan dat autonome vervoerssystemen reeds lange tijd bestaan in het openbaar vervoer (metro), betrouwbaar zijn gebleken en in grote mate door het publiek worden aanvaard;

5.  is van mening dat de overgang naar autonome voertuigen, naast de positieve gevolgen voor de verkeersveiligheid, het brandstofverbruik, het milieu en het scheppen van nieuwe arbeidskansen in de telecommunicatie- en automobielsector, eveneens kan leiden tot banenverlies in de vervoerssector en gevolgen kan hebben voor het verzekeringswezen;

6.  wijst erop dat de reactiesnelheid van de bestuurder bij onvoorziene overname van de besturing van het voertuig van beslissende betekenis is en verlangt daarom dat de betrokken partijen realistische waarden hanteren met betrekking tot veiligheids- en aansprakelijkheidskwesties;

7.  wijst op het bijzonder belang van het ontwerpverslag van de Commissie juridische zaken over de vervoerssector, gezien de technologische vooruitgang en het feit dat semi-autonome voertuigen al op de markt zijn en volledig autonome voertuigen snel zullen volgen;

8.  benadrukt dat het van belang is om verdere innovatie op het gebied van robotica te ondersteunen, bijvoorbeeld op het gebied van geconnecteerde en automatische voertuigen en drones, teneinde de mondiale marktpositie van het bedrijfsleven van de Unie te versterken;

9.  wijst erop dat autonome vervoermiddelen een belangrijke rol spelen bij de verwezenlijking van duurzaam vervoer; wijst erop dat autonome vervoermiddelen de verkeerscongestie kunnen helpen verminderen en verzoekt de Commissie en de lidstaten tijdig volledig rekening te houden met de technische vooruitgang, alsook met de milieu- en veiligheidsimpact en de bevordering van innovatie;

10.  rekent erop dat de Commissie erop zal toezien dat de lidstaten de bestaande wetgeving, zoals het Verdrag van Wenen van 8 november 1968 betreffende het wegverkeer, op uniforme wijze aanpassen om het rijden zonder bestuurder mogelijk te maken en roept de Commissie, de lidstaten en het bedrijfsleven op zo snel mogelijk uitvoering te geven aan de doelstellingen van de Verklaring van Amsterdam;

11.  verzoekt de Commissie met klem met beoordelingen te komen van de veiligheidskwesties die samenhangen met het grootscheepse gebruik van drones; verzoekt de Commissie om studies van de impact van autonome vervoermiddelen op de verbetering van de verkeersveiligheid en de duurzaamheid;

12.  wijst erop dat autonome voertuigen dankzij de verbetering van trajecten, de bestrijding van files, de optimalisering van aandrijfsystemen en het feit dat zij communiceren met systemen voor de regulering van verkeersstromen, zullen bijdragen aan de verbetering van milieufactoren, met name in stedelijke knooppunten;

13.  benadrukt dat de interactie tussen autonome vervoermiddelen, verkeersbeheer, infrastructuur en infrastructuurbeheer een zeer hoge mate van efficiënte en betrouwbare communicatie zal vereisen om op veilige wijze in real-time grote hoeveelheden gegevens te kunnen doorsturen; beklemtoont dat er aanzienlijk zal moeten worden geïnvesteerd in weg-, energie- en ict-infrastructuur, waarbij moet worden gezorgd voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de gegevens;

14.  hecht veel belang aan een intelligente en geconnecteerde verkeersinfrastructuur en roept daarom de Commissie en de lidstaten op te zorgen voor een goede, uitgebreide, grensoverschrijdende en interoperabele infrastructuur;

15.  dringt er bij de Commissie op aan een aan de ontwikkeling van autonome voertuigen aangepaste regeling inzake civiele aansprakelijkheid op te stellen, onder meer met betrekking tot de bewijslast; benadrukt dat het van belang is te zorgen voor een duidelijke verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de ontwerpers, de fabrikanten van de diverse onderdelen en de assembleurs van autonome voertuigen, de dienstverleners (vervoersdiensten of diensten die nodig zijn voor het functioneren van autonome voertuigen) en de eindgebruikers, teneinde de veiligheid en de rechten van passagiers te waarborgen, evenals de bescherming van persoonsgegevens en de bescherming tegen piraterij;

16.  onderstreept het cruciale belang van betrouwbare positionerings- en tijdsinformatie van de Europese satellietnavigatieprogramma's Galileo en EGNOS voor de invoering van autonome voertuigen, met name voor navigatie- en veiligheidssystemen in autonome voertuigen enerzijds en intelligente vervoers- en verkeerbeheersystemen anderzijds;

17.  wijst op de grote meerwaarde van autonome voertuigen voor personen met beperkte mobiliteit, aangezien zij daardoor beter kunnen deelnemen aan het individuele wegverkeer en er daardoor in het dagelijks leven veel gemak van zullen ondervinden;

18.  verzoekt de Commissie uiterlijk 2019 een voorstel in te dienen voor een gezamenlijke Europese strategie (met één gemeenschappelijk stappenplan) voor autonome vervoermiddelen en nauwere samenwerking tussen alle betrokken partijen, met inbegrip van een zorgvuldige analyse en aanbevelingen ten aanzien van de dynamiek en ontwikkeling van de markt; verzoekt de Commissie om het regelgevingskader van de Unie waar nodig te herzien en aan te passen teneinde de ontwikkeling en het gebruik van autonome vervoermiddelen te bevorderen; dringt aan op een zo snel mogelijke voltooiing en lancering van de satellieten die nodig zijn om het Europese positioneringssysteem Galileo volledig te maken, zodat dit systeem als standaard positioneringssysteem in autonome vervoermiddelen kan worden gebruikt;

19.  wijst erop dat de ontwikkeling van autonome voertuigen een proactieve en van inzet getuigende institutionele benadering van de Unie en de lidstaten vereist, evenals de betrokkenheid van technologiecentra en de automobielsector;

20.  dringt er bij de Commissie op aan Europese infrastructuurnormen op te stellen teneinde de verspreiding van autonome voertuigen mogelijk te maken, evenals een stappenplan voor de invoering van die normen;

21.  vraagt de Commissie en de lidstaten de bediening van automatische voertuigen op te nemen in de basis- en vervolgopleiding van vrachtwagenchauffeurs en als vereiste te stellen voor het behalen van een autorijbewijs;

22.  herinnert eraan dat de maatregelen van Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad moeten zorgen voor homogeniteit en veiligheid op het gebied van onbemande luchtvaartuigen(1).

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

10.11.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

22

5

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Daniela Aiuto, Marie-Christine Arnautu, Georges Bach, Izaskun Bilbao Barandica, Deirdre Clune, Michael Cramer, Luis de Grandes Pascual, Andor Deli, Karima Delli, Jacqueline Foster, Bruno Gollnisch, Merja Kyllönen, Peter Lundgren, Marian-Jean Marinescu, Cláudia Monteiro de Aguiar, Renaud Muselier, Markus Pieper, Salvatore Domenico Pogliese, Massimiliano Salini, Claudia Schmidt, Jill Seymour, Pavel Telička, Wim van de Camp, Roberts Zīle, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Ramona Nicole Mănescu, Matthijs van Miltenburg

(1)

Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG (PB L 79 van 19.3.2008, blz. 1).


ADVIES van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (23.11.2016)

aan de Commissie juridische zaken

met aanbevelingen aan de Commissie over civielrechtelijke regels inzake robotica

(2015/2103(INL))

Rapporteur voor advies: Michał Boni

(Initiatief – artikel 46 van het Reglement)

(*)  Medeverantwoordelijke commissie – artikel 54 van het Reglement

SUGGESTIES

De Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie juridische zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat de technologische vooruitgang op het gebied van robotica positieve effecten zal hebben op de economie van de Unie en op het dagelijks leven van burgers, maar ook risico's met zich kan meebrengen die moeten worden aangepakt; overwegende dat bij de ontwikkeling van alle nieuwe technologieën en productiemethoden, al dan niet in het kader van Horizon 2020, ethische beginselen moeten worden geëerbiedigd en de grondrechten die zijn neergelegd in het Handvest van de grondrechten in acht moeten worden genomen;

B.  overwegende dat diverse derde landen richtsnoeren en wetgeving inzake robotica hebben aangenomen en dat enkele lidstaten specifieke studies hebben geïnitieerd over deze materie; overwegende dat een regelgevend kader op het niveau van de Unie voor de ontwikkeling en het gebruik van robotica en kunstmatige intelligentie, dat voortbouwt op bestaande regels, zoals de algemene verordening gegevensbescherming(1), ervoor kan zorgen dat de regelgeving voor de interne markt niet versnipperd raakt en er tevens voor kan zorgen dat de grondrechten van alle EU-burgers, zoals het recht op menselijke waardigheid, bescherming van de persoonlijke levenssfeer en intellectuele eigendom, vrijheid van meningsuiting en informatie, gelijkheid en non-discriminatie, solidariteit, burgerrechten en justitie, gewaarborgd blijven, een en ander met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel;

Ethische beginselen

1.  is van oordeel dat het bestaande rechtskader van de Unie geactualiseerd en waar nodig aangevuld moet worden met leidende ethische beginselen voor het ontwerp, de productie, het testen en het gebruik van robots en kunstmatige intelligentie, om ervoor te zorgen dat de technologieën op dit gebied de kwaliteit van het menselijk leven daadwerkelijk kunnen verbeteren; dringt erop aan dat bij de ontwikkeling en het gebruik van deze technologieën het voorzorgsbeginsel te allen tijde in acht wordt genomen;

2.  is van oordeel dat robotsystemen en kunstmatige-intelligentiesystemen, met name als zij autonoom kunnen handelen en bijvoorbeeld in staat zijn om onafhankelijk gevoelige informatie in te winnen, te verzamelen en met diverse actoren te delen, of zelflerend zijn of zelfs in staat zijn tot evoluerende verandering, onderworpen moeten zijn aan krachtige conceptuele wetten of beginselen, bijvoorbeeld het beginsel dat een robot geen mensen mag schaden of doden en de bevelen moet opvolgen die hem door een mens worden gegeven; is voorts van oordeel dat het proces van verzamelen, gebruiken en verwerken van persoonsgegevens door robot- en kunstmatige-intelligentiesystemen transparant en begrijpelijk moet zijn; is van oordeel dat deze beginselen technologieneutraal moeten zijn en gebaseerd op empirisch onderzoek; pleit voor de ontwikkeling van een standaard toe te passen ethisch kader voor onderzoekers, academici en ontwikkelaars, dat waarborgt dat deze technologische oplossingen niet in de weg staan aan onderzoek en technologische ontwikkelingen, maar in overeenstemming zijn met de bestaande ethische praktijken en codes van de Unie en de lidstaten, en tevens met de rechten en beginselen die zijn neergelegd in het Handvest van de grondrechten, met name menselijke waardigheid, eerbiediging van en bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het gezinsleven, veiligheid, bescherming van persoonsgegevens, bescherming van intellectuele eigendom, vrijheid van meningsuiting en informatie, gelijkheid en non-discriminatie, solidariteit, burgerrechten en justitie, een en ander met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel;

3.  beseft dat voor de vaststelling van dergelijke wetten en beginselen en de uitvoering daarvan in de praktijk meer onderzoek gedaan moet worden naar de ethiek van kunstmatige intelligentie; is van oordeel dat de Europese Groep ethiek van de exacte wetenschappen en de nieuwe technologieën wellicht een rol kan spelen bij de vaststelling van ethische richtsnoeren en normen die toekomstgericht zijn en aangepast kunnen worden aan technologische veranderingen in de toekomst;

4.  benadrukt dat aandacht besteed moet worden aan de psychologische en maatschappelijke gevolgen van de interactie tussen mens en robot en aan het duale karakter van de invloed van technologie op menselijke vaardigheden, en dat hierbij speciale aandacht moet uitgaan naar kwetsbare groepen, met name kinderen, om het ontstaan van een schadelijke afhankelijkheid van robots, bijvoorbeeld doordat emotionele reacties worden opgeroepen, of vervreemding van de werkelijkheid te voorkomen;

5.  benadrukt dat robot- en kunstmatige-intelligentiesystemen, met name op het gebied van gezondheid, zorg en het huishouden, en medische cyberfysieke systemen, waarbij bepaalde elementen worden geïmplanteerd of gedragen in het menselijk lichaam, grote gevolgen hebben voor het menselijk leven, met name voor personen met een handicap; wijst er daarom op dat het van cruciaal belang is te zorgen voor inclusieve en gelijke toegang tot deze technologieën; wijst voorts op de gevolgen van dergelijke robotica voor de privacy van de gebruikers, omdat deze systemen toegang krijgen tot ruimtes die tot nu toe altijd privé zijn geweest en tot gevoelige persoonlijke gegevens; is van oordeel dat de naleving van medisch-ethische beginselen, de veiligheid van patiënten en de integriteit van de geleverde zorg gewaarborgd moeten worden;

Persoonlijke levenssfeer en gegevensbescherming

6.  wijst er nogmaals op dat het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens, zoals neergelegd in de artikelen 7 en 8 van het Handvest en in artikel 16 VWEU, van toepassing zijn op alle gebieden van robotica en kunstmatige intelligentie en dat het rechtskader van de Unie op het gebied van gegevensbescherming ten volle moet worden nageleefd; wijst erop dat ontwerpers van robotica en kunstmatige intelligentie gehouden zijn producten zodanig te ontwikkelen dat zij veilig en betrouwbaar zijn en geschikt voor het beoogde doel en procedures voor gegevensverwerking volgen die stroken met de bestaande wetgeving en met de beginselen van vertrouwelijkheid, anonimiteit, eerlijke behandeling en eerlijke rechtsbedeling;

7.  verzoekt de Commissie om ervoor te zorgen dat alle wetgeving van de Unie op het gebied van robotica en kunstmatige intelligentie maatregelen en voorschriften omvat die rekening houden met de snelle technologische ontwikkeling op dit gebied, zoals de snelle ontwikkeling van cyberfysieke systemen, om ervoor te zorgen dat de wetgeving van de Unie niet achterblijft bij de technologische ontwikkelingen en toepassingen; benadrukt dat dergelijke wetgeving in overeenstemming moet zijn met de voorschriften inzake privacy en gegevensbescherming, dus m.b.t. informatieverplichtingen, het recht op toelichting van een besluit dat gebaseerd is op geautomatiseerde gegevensverwerking, verplichte naleving van de beginselen van gegevensbescherming door ontwerp en gegevensbescherming door standaardinstellingen en de beginselen van evenredigheid, noodzakelijkheid, gegevensminimalisatie en doelbinding, transparante controlemechanismen voor datasubjecten en gegevensbeschermingsauthoriteiten, alsmede passende beroepsmogelijkheden, een en ander in overeenstemming met de geldende wetgeving; dringt aan op herziening van de voorschriften, beginselen en criteria inzake het gebruik van camera's en sensoren in robot- en kunstmatige-intelligentiesystemen overeenkomstig het rechtskader van de Unie voor gegevensbescherming;

8.  pleit ervoor binnen het rechtskader van de Unie voor robotica en kunstmatige intelligentie uit te gaan van een uniforme, horizontale benadering, waarbij ervoor gezorgd wordt dat dit kader technologieneutraal is en van toepassing is op alle sectoren waarin robotsystemen kunnen worden ingezet, zoals vervoer, gezondheidszorg, industriële productie, telecommunicatie, rechtshandhaving en vele andere sectoren; benadrukt dat het bestaande rechtskader waar nodig geactualiseerd en aangevuld moet worden, om een gelijk niveau van gegevensbescherming, privacy en veiligheid te waarborgen;

9.  wijst erop dat grootschalig toezicht door middel van robotica- en kunstmatige-intelligentietechnologieën moet worden voorkomen;

10.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om nauwe en transparante samenwerking tussen de publieke sector, de particuliere sector en de academische wereld te stimuleren, omdat daarmee de uitwisseling van kennis wordt bevorderd, en om onderwijs en scholing voor ontwerpers over ethische aspecten, veiligheid en eerbiediging van de grondrechten te bevorderen, alsmede onderwijs en scholing voor consumenten over het gebruik van robotica en kunstmatige intelligentie, met bijzondere aandacht voor veiligheid en gegevensbescherming;

Veiligheid van gegevens en datasystemen en het verkeer van gegevens

11.  benadrukt dat vrij verkeer van gegevens een noodzakelijke voorwaarde is voor de digitale economie en van groot belang is voor de ontwikkeling van robotica en kunstmatige intelligentie; wijst erop dat een hoog algemeen veiligheidsniveau bij robot- en kunstmatige-intelligentiesystemen, onder meer wat hun interne datasystemen en gegevensstromen betreft, van cruciaal belang is om een juist gebruik van robotica en kunstmatige intelligentie te waarborgen; benadrukt dat netwerken van onderling verbonden robots en kunstmatige intelligentie beschermd moeten worden tegen eventuele inbreuken op de beveiliging, cyberaanvallen of misbruik van persoonsgegevens, met name als grote hoeveelheden gegevens worden verzameld en verwerkt; benadrukt dat er een mechanisme ontworpen moet worden dat de gebruiker in staat stelt om de verwerking van zijn of haar gegevens stop te zetten in geval van een inbreuk op de beveiliging; wijst op het belang van onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten op het gebied van technieken voor gegevensbeveiliging en wijst op de gezamenlijke verantwoordelijkheid van overheden en ondernemingen om samen te werken om een hoog niveau van veiligheid, zekerheid en gegevensbescherming te waarborgen als het gaat om de communicatie tussen mensen en robots en kunstmatige intelligentie, en om te zorgen voor een hoog niveau van stemherkennings- en gebarentaalherkenningssystemen; is van oordeel dat commerciële hardware- en softwareproducenten verantwoordelijk moeten worden gehouden voor ernstige inbreuken op de gegevensbeveiliging die het gevolg zijn van hun nalatigheid; verzoekt de Commissie en de lidstaten de ontwikkeling van de benodigde technologie, onder meer op het gebied van beveiliging tijdens de ontwerpfase en veilige communicatiekanalen, te steunen en bevorderen;

Drones (systemen van op afstand bestuurde luchtvaartuigen (Remotely piloted aircraft systems - RPAS))

12.  wijst erop dat bij de verwerking van persoonsgegevens door drones, ongeacht of dat door de overheid geschiedt ten behoeve van de rechtshandhaving of door particuliere of publieke entiteiten met het oog op andere van rechtswege toegestane doeleinden, het recht op vrijheid en veiligheid en het recht op bescherming van het privéleven, als bedoeld in de artikelen 6 en 7 van het Handvest, en het recht op bescherming van persoonsgegevens, als bedoeld in artikel 8 van het Handvest en artikel 16 VWEU moeten worden geëerbiedigd, en het rechtskader van de Unie inzake gegevensbescherming ten volle moet worden nageleefd; verzoekt de Commissie om te onderzoeken of er een noodzaak bestaat tot invoering van de verplichting om RPAS uit te rusten met een volg- en identificatiesysteem met behulp waarvan in real-time de positie van RPAS kan worden bepaald;

13.  herhaalt zijn verzoek aan de Raad om een strikt en doeltreffend gemeenschappelijk EU-kader te ontwikkelen inzake het gebruik van gewapende drones, en daarin het accent te leggen op de eerbiediging van ethische beginselen, mensenrechten en het internationaal humanitair recht, en aandacht te besteden aan kwesties als het rechtskader, evenredigheid, controleerbaarheid, transparantie en bescherming van burgers, en alle nodige voorzorgsmaatregelen te nemen om te voorkomen dat verkeerde doelen worden geraakt of onschuldige burgerslachtoffers vallen, en ervoor te zorgen dat een mens de controle heeft en de eindverantwoordelijkheid draagt; verzoekt opnieuw om een verbod op de productie, de ontwikkeling en het gebruik van volledig autonome wapens waarmee aanvallen kunnen worden uitgevoerd zonder menselijke tussenkomst; verzoekt de Commissie en de lidstaten een brede internationale beleidsdialoog op te starten met het oog op de vaststelling van mondiale juridische normen en juridische en ethische beperkingen voor de ontwikkeling, verspreiding en het gebruik van steeds autonomer functionerende wapensystemen, bijvoorbeeld in de vorm van een bindende internationale overeenkomst;

14.  constateert dat er op het gebied van dronetechnologie positieve stappen zijn gezet, met name op het gebied van opsporing en redding, en is van mening dat dit de weg is die de Unie moet bewandelen als het gaat om dronetechnologie;

Gedragscode

15.  is van oordeel dat de wetgeving op specifieke gebieden waar uitvaardiging van regelgeving blijkens relevante studies prematuur zou zijn, gepaard moet gaan met de bevordering van een kader van niet-bindende voorschriften, een gedragscode of publiek-private partnerschappen, zo mogelijk voor de hele Unie, om ervoor te zorgen dat de industrie en robotontwerpers samenwerken met overheidsinstanties en alle andere betrokken partijen; vindt dat dergelijke instrumenten gericht moeten zijn op praktische oplossingen die ertoe bijdragen privacy en gegevensbescherming, menselijke waardigheid, non-discriminatie, veiligheid en ethische beginselen binnen de robotindustrie en een juist gebruik van robotica en kunstmatige intelligentie in het dagelijks leven te waarborgen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

17.11.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

47

0

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Heinz K. Becker, Malin Björk, Michał Boni, Caterina Chinnici, Ignazio Corrao, Frank Engel, Tanja Fajon, Lorenzo Fontana, Mariya Gabriel, Kinga Gál, Ana Gomes, Nathalie Griesbeck, Sylvie Guillaume, Jussi Halla-aho, Monika Hohlmeier, Filiz Hyusmenova, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Cécile Kashetu Kyenge, Marju Lauristin, Juan Fernando López Aguilar, Monica Macovei, Roberta Metsola, Claude Moraes, József Nagy, Péter Niedermüller, Judith Sargentini, Birgit Sippel, Branislav Škripek, Csaba Sógor, Helga Stevens, Traian Ungureanu, Bodil Valero, Harald Vilimsky, Josef Weidenholzer, Tomáš Zdechovský

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Daniel Dalton, Anna Hedh, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Ska Keller, Jeroen Lenaers, Andrejs Mamikins, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Christine Revault D’Allonnes Bonnefoy, Barbara Spinelli

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Lynn Boylan, Verónica Lope Fontagné, Mylène Troszczynski, Tom Vandenkendelaere, Rainer Wieland

(1)

Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 04.05.2016, blz. 1).


ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (9.11.2016)

aan de Commissie juridische zaken

met aanbevelingen aan de Commissie inzake civielrechtelijke bepalingen over robotica

(2015/2103(INL))

Rapporteur voor advies: Ádám Kósa

(Initiatief – artikel 46 van het Reglement)

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie juridische zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  verzoekt de Commissie om met spoed een grondige beoordeling uit te voeren van de effecten van robotica op het aantal en het type banen en op de kwaliteit en de competentieprofielen van bestaande banen; verzoekt de Commissie daarnaast informatie te verzamelen over nieuwe vormen van werkgelegenheid om ten eerste zo efficiënt mogelijk te onderzoeken of de verbreiding van robots als zodanig tot welzijn en ontwikkeling leidt, of daardoor het door mensen uitgevoerde werk in de conventionele productie- en dienstenstructuur overbodig wordt, en zo ja, welke voorwaarden er naast financiële zekerheid nog meer nodig zijn om te zorgen dat mensen gezond zijn in de zin dat zij zich geestelijk en lichamelijk goed voelen, gelukkige en actieve burgers zijn, en of de theoretische voordelen van de symbiose tussen mens en machine daadwerkelijk bijdragen tot welzijn en ontwikkeling, en ten tweede of de wetgeving en de praktijk van de lidstaten een sociaal rechtvaardige, inclusieve en duurzame methode kunnen waarborgen op de veranderende arbeidsmarkt om de ongelijkheid, armoede en sociale uitsluiting terug te dringen, en een klimaat kunnen creëren waarin alle mensen gelijke kansen hebben om hun talenten, vaardigheden en eigen identiteit te ontwikkelen;

2.  benadrukt dat, nu de ontwikkeling van robotica en kunstmatige intelligentie in een stroomversnelling is gekomen, het cruciaal is om het verloop van deze ontwikkeling te sturen en te anticiperen op de mogelijke gevolgen voor de werkgelegenheid en het sociale beleid omdat het toegenomen en wijdverbreide gebruik van robots bij de productie van goederen en diensten betekent dat met minder mankracht een hogere productiviteit kan worden gehaald en dat sommige banen hierdoor in het komende decennium volledig zullen verdwijnen en tal van andere banen de gevolgen ervan zullen ondervinden; roept de Commissie dan ook op een analyse uit te voeren van de uitdagingen en de mogelijkheden op het vlak van werkgelegenheid en een methode te ontwikkelen om het aantal en de aard van de door robotisering en automatisering verdwenen en gecreëerde banen te kunnen bijhouden, evenals de effecten van dit fenomeen op de inkomstenderving bij de socialezekerheidsstelsels; verzoekt de Commissie en de Raad regelmatig en in overleg met de sociale partners te evalueren in hoeverre de wekelijks en jaarlijks gewerkte uren en het arbeidsleven ingekort kunnen worden zonder verlies van inkomen, naar nieuwe financieringsmogelijkheden te zoeken voor toekomstige socialezekerheidsstelsels en te heroverwegen hoe werknemers zich verhouden tot hun werk en hoe digitale arbeidsplatforms personen, teams en projecten beter met elkaar kunnen verbinden;

3.  wijst erop dat er veel banen verloren zullen gaan als gevolg van robotisering, en dat de individuele werktijd weliswaar in veel sectoren van de economie zal worden verkort, maar dat er met een hogere productiviteit voor kan worden gezorgd dat werknemers er in salaris niet op achteruitgaan;

4.  vindt dat robots moeten worden ontworpen aan de hand van processen die de menselijke controle en de omkeerbaarheid van het handelen van robots waarborgen, en dat de toenemende autonomie van robots gepaard moet gaan met de aanpassing van de aansprakelijkheidsregels met betrekking tot de gevolgen van hun handelen of niet-handelen; maakt zich zorgen over het gebrek aan een algemeen kader en wettelijke bepalingen ten aanzien van de automatisering van werk in deze nieuwe en reeds in gang gezette industriële revolutie, en acht het van essentieel belang dat de Unie een rechtskader vaststelt waarin de complexiteit van robotica en de talrijke sociale gevolgen ervan naar voren komen; roept de Commissie dan ook op een gemeenschappelijke definitie voor te stellen van slimme autonome robots en de subcategorieën daarvan op de werkvloer en de voor- en nadelen van een verplichte verzekeringsregeling te overwegen waarmee mogelijke schade en storingen die door hun robots worden veroorzaakt gedekt zijn;

5.  benadrukt dat onderwijs- en opleidingsstelsels moeten worden aangepast aan de evolutie van beroepen en productiemethoden, waarbij meer nadruk wordt gelegd op banen met een creatieve en niet-repetitieve inhoud om de waarde van door mensen verricht werk te behouden en elke generatie te voorzien van alle nodige instrumenten zodat zij zo goed mogelijk voorbereid de arbeidsmarkt kunnen betreden in een wereld die door robotisering en automatisering voortdurend in beweging is; benadrukt het belang van flexibele vaardigheden en beklemtoont het belang van levens- en sociale vaardigheden in het onderwijs; is er zeker van dat kinderen, naast het onderwijs in academische kennis op school, kritisch denkvermogen moeten ontwikkelen om vragen te kunnen stellen en weloverwogen beslissingen te kunnen nemen, creatieve vaardigheden moeten aanleren om ideeën in de praktijk te kunnen brengen en initiatieven te ontplooien, en dat een leven lang leren verwezenlijkt moet worden via een leven lang handelen; onderstreept dat digitale vaardigheden essentieel zijn voor de snelle automatisering en digitalisering van werkzaamheden en diensten die momenteel plaatsvindt en de ontwikkeling van digitale vaardigheden en competenties vereist om een hoog werkgelegenheidsniveau te waarborgen en de toenemende digitale ongeletterdheid en het bijbehorende risico op sociale uitsluiting uit te roeien; benadrukt dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de digitalisering van het onderwijs en de benutting van robotisering in lessen en tijdens zelfstudie, en dat in het onderwijs ook de geesteswetenschappen moeten worden benadrukt die voordelen opleveren in de vorm van creatieve, inventieve, artistieke en culturele kwaliteiten op de veranderende arbeidsmarkt waarin mensen in het voordeel blijven ten opzichte van machines;

6.  beseft dat robotica in het dagelijks leven veel mogelijkheden biedt om met name personen met een handicap en ouderen in het dagelijks leven te ondersteunen en te ontlasten, en er wezenlijk toe kan bijdragen dat zij zelf invulling geven aan hun leven en worden opgenomen op de arbeidsmarkt, is van mening dat er terdege moet worden stilgestaan bij de vraag welke werkgelegenheidseisen nodig kunnen zijn voor arbeidskrachten als de kunstmatige of genetische ontwikkeling of aanvulling van de bestaande menselijke vermogens mensen met buitengewone kwaliteiten oplevert, waarmee het begrip “handicap” een fundamenteel andere invulling krijgt en degenen die toegang hebben tot deze technologische innovaties, instrumenten en ingrepen een voorsprong nemen die niet in te halen is, wat uiteraard ethische en morele vragen opwerpt die grondig moeten worden onderzocht;

7.  onderstreept dat het individuele besluit om een implantaat, prothese of extensie van het menselijk lichaam te kiezen of te weigeren nooit mag leiden tot een ongunstige behandeling of risico’s op het vlak van werkgelegenheid, onderwijs, gezondheidszorg en socialezekerheids- of andere uitkeringen, en benadrukt dat alle burgers gelijke en ongehinderde toegang moeten hebben tot de benutting van nieuwe technologie; wijst er in dit verband op dat het, omdat menselijke waardigheid centraal staat in de Europese en internationale mensenrechtenwetgeving, belangrijk is te onderzoeken hoe ervoor kan worden gezorgd dat personen die nog niet als gehandicapt worden aangemerkt ten opzichte van “met extra vermogens uitgeruste mensen” worden benadeeld, op dezelfde manier als personen met een mentale of verstandelijke beperking, en of personen met een mentale of verstandelijke beperking in de toekomst in staat zullen zijn om onafhankelijke beslissingen te nemen door middel van ondersteunde besluitvorming, zoals beschreven in het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, met behulp van robots, en hoe de verantwoordelijkheid onder hen zal worden verdeeld;

8.  wijst erop dat het gebruik van robots risico's met zich meebrengt die zorgvuldig moeten worden afgewogen tegen de mogelijke voordelen ervan; merkt op dat rekening moet worden gehouden met door robots veroorzaakte arbeidsongevallen en de bijbehorende schadeclaims; stelt vast dat draagbare robottechnologie, zoals exoskeletten, om werknemers te beschermen tegen letsel op het werk weliswaar de productiviteit kan verhogen, maar er ook toe kan leiden dat werkgevers meer gaan verwachten van hun werknemers, waardoor het risico op letsel toeneemt; wijst erop dat onder andere wetgevers, werkgevers, vakbonden en werknemers hiermee rekening moeten houden door middel van interne regels, collectieve overeenkomsten, en dat andere robotgerelateerde risico's mogelijk verband houden met antidiscriminatie waarvan sprake kan zijn na een sollicitatiegesprek indien de verkregen gegevens onbedoeld werden geanalyseerd; constateert dat nieuwe uitdagingen in verband met handel en privacy zich ook kunnen voordoen als een gevolg van het gebruik van robotica;

9.  benadrukt hoe belangrijk het is om, gezien de toenemende verdeeldheid in de samenleving en een krimpende middenklasse, in aanmerking te nemen dat de ontwikkeling van robotica kan leiden tot een hoge concentratie van rijkdom en invloed in de handen van een minderheid;

10.  merkt op dat de impact van technologische vooruitgang op de werkgelegenheid en het sociale beleid evenals de voortdurende robotisering de manier waarop mensen informatie raadplegen en verstrekken, communiceren, sociale contacten onderhouden en werken ingrijpend heeft veranderd, waardoor nieuwe mogelijkheden en uitdagingen worden geschapen, en nieuwe vooruitzichten opdoemen door de efficiëntie van activiteiten zo mogelijk te vergroten, en energie en materialen te besparen; wijst er echter op dat robotica en kunstmatige intelligentie op de korte en middellange termijn weliswaar veelbelovend zijn op het vlak van efficiëntie en besparingen, niet alleen in de productie en in de handel, maar ook op gebieden waar automatisering vanwege de menselijke interactie, intelligentie en creativiteit niet vanzelfsprekend is en waar tot nu toe alleen menselijke arbeidskrachten werkzaam waren, zoals in sectoren waar grote aantallen, vaak laaggeschoolde mensen in dienst zijn, maar dat er mogelijk een risico bestaat dat het aantal werknemers op het vlak van robotica niet zo snel zal stijgen als het aantal banen dat naar verwachting zal verdwijnen in domeinen zoals vervoer, logistiek en kantoorwerk; roept de lidstaten en de lidstaten dan ook dringend op in samenwerking met de sociale partners en, al naar gelang, regionale en lokale autoriteiten nieuwe beschermingsmechanismen te ontwikkelen die zijn afgestemd op de door digitalisering en het toegenomen gebruik van robotica gevormde arbeids- en carrièrepatronen, en iedereen passend onderwijs en adequate opleidingen te bieden;

11.  wijst erop dat het verschil tussen het scheppen en het verdwijnen van banen vanwege de ontwikkeling en het gebruik van slimme, op samenwerking gerichte robots en kunstmatige intelligentie gevolgen kan hebben voor de financiële houdbaarheid van de socialezekerheids-, pensioen- en werkloosheidsverzekeringsstelsels van de lidstaten, en benadrukt dat het banenverlies op de middellange en lange termijn als gevolg van robotisering ook in verband kan worden gebracht met het risico van een afnemende consumptiecapaciteit; benadrukt dat het merendeel van de voordelen van automatisering en robotisering op het werk niet alleen moet worden behaald met de verlaging van de arbeidskosten, maar ook met de verhoging van de productiviteit als gevolg van minder fouten, een hogere output, een betere kwaliteit en veiligheid en een hogere snelheid; roept de Commissie en de lidstaten op de sociale partners regelmatig te raadplegen en te betrekken bij de aanpassing van het regelgevingskader voor robotica en de digitale economie, de potentiële risico's voor gezondheid en veiligheid op het werk die voortvloeien uit technologische vernieuwing in kaart te brengen en passende maatregelen te nemen om hiertegen op te treden, en te onderzoeken of er een meldingssysteem kan worden ingevoerd voordat robots worden ingezet en een bijdrage gaan leveren aan de omzet van een bedrijf op het vlak van belastingheffing en socialezekerheidspremies;

12.  verzoekt de Commissie richtsnoeren op te stellen over de ethische en sociale beginselen voor de toekomstige regelgeving op het vlak van robotica, met name om op de toekomst gerichte normen vast te leggen die aansluiten op toekomstige technologische ontwikkelingen;

13.  vestigt de aandacht op het zogeheten crowdworking; verzoekt de Commissie om deze nieuwe vorm van werkgelegenheid te onderzoeken en na te gaan in welke mate de socialezekerheidsstelsels en toepasselijke wetgeving moeten worden aangepast om crowdworkers adequaat te beschermen;

14.  benadrukt dat het onmogelijk is de technologische vooruitgang tegen te houden en dat de huidige generatie de kans maar tegelijkertijd de verantwoordelijkheid heeft om het verloop ervan vorm te geven zodat de vooruitgang ten goede komt aan de mensen en aan de aarde; is van mening dat de Unie moet bijdragen aan een geïntegreerde strategie op de beleidsterreinen welzijn, economische groei en technologie om voorop te lopen in de mondiale ontwikkelingen; verzoekt de lidstaten en de Commissie grondig onderzoek te verrichten naar de gevolgen die het toegenomen gebruik van roboticasystemen in de nabije toekomst zal hebben op het werk en deze ontwikkeling in goede banen te leiden met wetgeving die erop gericht is om de technologische overgang voor de werknemers zo soepel mogelijk te laten verlopen, en is ervan overtuigd dat er dringend een antwoord gevonden moet worden op de vraag of er als gevolg van de verdere ontwikkelingen op roboticagebied en goedkopere oplossingen sprake zal zijn van banen waarin de arbeidsgeschiktheid van mensen bij wet wordt beperkt vanwege het schadelijke en/of gevaarlijke karakter van de werkzaamheden voor de menselijke gezondheid (zoals de regels die momenteel gelden voor zwangere vrouwen) of om andere redenen, en op de vraag op welke terreinen gedeeltelijke of volledige automatisering kan worden beperkt of verboden om de eerbiediging van de grondrechten en de veiligheid te waarborgen die in het gedrang komen vanwege de toegenomen automatisering in volledige bedrijfstakken, waarbij rekening moet worden gehouden met demografische veranderingen en duurzaamheid en onbedoelde maatschappelijke gevolgen moeten worden voorkomen;

15.  is van mening dat we ons, gezien de snelheid van de technologische vooruitgang, moeten richten op roboticawetgeving voor de nabije toekomst; is tevens van mening dat de wetgeving moet aansluiten bij het doel om in te spelen op wetenschappelijke en technologische veranderingen; acht het noodzakelijk te anticiperen op de ontwikkeling van nieuwe bedrijfstakken die kunnen worden opgezet op basis van de verdere ontwikkeling van robotica en kunstmatige intelligentie; wijst er echter op dat robots niet alleen werkinstrumenten zijn, maar in de productie van goederen en diensten in toenemende mate autonoom handelen, en verzoekt dan ook om uitgebreide beschermingssystemen om de gezondheid en veiligheid van werknemers naar behoren te beschermen wanneer zij met of naast robots of andere vormen van kunstmatige intelligentie werken, en om aansprakelijkheidsregelingen waarmee schade als gevolg van autonome robots kan worden uitgelegd ten gunste van de werknemers; verzoekt de Unie en de lidstaten dan ook zo snel mogelijk een gestructureerde publieke dialoog op gang te brengen over de gevolgen van de ontwikkeling van de technologieën in kwestie, en roept de belanghebbenden die betrokken zijn bij het onderzoek een kritische benadering te ontwikkelen en een constructieve bijdrage te leveren aan de publieke dialoog;

16.  benadrukt dat alle door robots en kunstmatige-intelligentiesystemen uitgevoerde verwerkingsactiviteiten volledig in overeenstemming moeten zijn met de Uniewetgeving inzake gegevensbescherming en moeten uitgaan van de beginselen van ingebouwde en automatische privacy;

17.  wijst erop dat robotisering belangrijke kansen biedt om de maakindustrie terug naar de Unie te halen en zo nieuwe arbeidskansen kan bieden, met name voor laaggeschoolden;

18.  is van mening dat het gebruik van robots in de productie grote uitdagingen met zich meebrengt voor de veiligheid en gezondheid op de werkplek; wijst erop dat robotisering enerzijds werknemers fysiek kan ontlasten, maar tegelijkertijd tot een grotere psychische belasting kan leiden als gevolg van de toenemende verantwoordelijkheid van het individu in complexe productieprocessen; verzoekt de Commissie en haar agentschappen, in het bijzonder de EU-OSHA, de met de processen van digitalisering, robotica en kunstmatige intelligentie gepaard gaande effecten op de psychische belasting te onderzoeken en voorstellen voor tegenmaatregelen te doen; dringt erop aan dat werknemers te allen tijde actief kunnen meewerken aan het gestalte geven van hun werkomgeving en dat de sociale partners en vakbonden hier op alle niveaus bij worden betrokken;

19.  wijst op wetenschappelijke studies waarin vier grote problemen naar voren kwamen die de kop opsteken wanneer men wetgeving wil vaststellen voor het gebruik van robots: de beoordelingsvrijheid van de platforms en fabrikanten die bij de ontwikkeling van en het onderzoek naar kunstmatige intelligentie betrokken zijn en die mogelijk niet altijd zichtbaar is voor de wetgever, omslachtigheid die ontstaat wanneer systemen voor kunstmatige intelligentie worden ontworpen door teams van onderzoekers die organisatorisch en geografisch gescheiden zijn en in andere rechtsgebieden opereren, de beoordelingsvrijheid die verband houdt met het feit dat kunstmatige-intelligentiesystemen tal van gescheiden en uiteenlopende, reeds bestaande hardware- en softwarecomponenten kunnen omvatten; wijst erop dat de effecten van het samenvoegen van al die componenten misschien pas achteraf op waarde kunnen worden geschat, en dat ondoorzichtigheid inhoudt dat de manier waarop kunstmatige-intelligentiesystemen opereren misschien ondoorzichtiger is dan bij eerdere technologieën het geval was; stelt vast dat dit een probleem kan zijn voor wetgevers, omdat onduidelijk is welke problemen door deze systemen worden veroorzaakt en hoe die problemen kunnen worden aangepakt.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

8.11.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

36

7

9

Bij de eindstemming aanwezige leden

Laura Agea, Guillaume Balas, Brando Benifei, Vilija Blinkevičiūtė, Enrique Calvet Chambon, David Casa, Ole Christensen, Martina Dlabajová, Lampros Fountoulis, Arne Gericke, Sergio Gutiérrez Prieto, Marian Harkin, Danuta Jazłowiecka, Agnes Jongerius, Rina Ronja Kari, Jan Keller, Ádám Kósa, Jean Lambert, Patrick Le Hyaric, Jeroen Lenaers, Verónica Lope Fontagné, Javi López, Morten Løkkegaard, Thomas Mann, Dominique Martin, Anthea McIntyre, Joëlle Mélin, Elisabeth Morin-Chartier, Emilian Pavel, João Pimenta Lopes, Georgi Pirinski, Marek Plura, Terry Reintke, Sofia Ribeiro, Maria João Rodrigues, Claude Rolin, Sven Schulze, Siôn Simon, Jutta Steinruck, Yana Toom, Renate Weber, Tatjana Ždanoka, Jana Žitňanská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Daniela Aiuto, Georges Bach, Amjad Bashir, Heinz K. Becker, Csaba Sógor, Helga Stevens, Neoklis Sylikiotis, Flavio Zanonato

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

David Coburn


ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (14.10.2016)

aan de Commissie juridische zaken

met aanbevelingen aan de Commissie inzake civielrechtelijke bepalingen over robotica

(2015/2103(INL))

Rapporteur voor advies: Cristian-Silviu Buşoi

(Initiatief – Artikel 46 van het Reglement)

SUGGESTIES

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie juridische zaken:

–  onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat de vergrijzing, die het gevolg is van de gestegen levensverwachting dankzij betere levensomstandigheden en de vorderingen van de moderne geneeskunde, behoort tot de grootste politieke, maatschappelijke en economische uitdagingen van de 21e eeuw voor Europa; overwegende dat in 2025 meer dan 20 % van de Europeanen 65 of ouder zal zijn, en dat vooral het aantal personen van 80 of ouder snel toeneemt, waardoor het evenwicht tussen de generaties in onze samenlevingen fundamenteel zal veranderen; overwegende dat het in het belang van de samenleving is dat ouderen zo lang mogelijk gezond en actief blijven;

B.  overwegende dat de verkoop en productie van robots tussen 2010 en 2014 aanzienlijk is toegenomen, met een toename van bijna 30 % in 2014 alleen, in het bijzonder in de sector van de gezondheidszorg en de zorgverlening;

C.  overwegende dat in een vergrijzende samenleving de prevalentie van handicaps en chronische aandoeningen en het risico op beroertes, hersenletsel en functionele beperkingen toenemen;

D.  overwegende dat de maatschappij en de gezondheidsstelsels aangepast zullen moeten worden aan de vergrijzing en aan de vereisten voor gezondheidszorg voor ouderen, zodat aangepaste hulp en financiële haalbaarheid mogelijk blijven;

E.  overwegende dat cyberfysieke systemen (cps) technische systemen van genetwerkte computers, robots en artificiële intelligentie zijn, die in interactie gaan met de fysieke wereld, en die tot verschillende toepassingen in de gezondheidszorg hebben geleid;

F.  overwegende dat cyberfysieke systemen een bepaald karakter hebben en dat daarom specifieke en gedetailleerdere normen moeten worden vastgesteld die gelijk zijn in de hele Unie;

G.  overwegende dat deze systemen de basis vormen voor slimme diensten in de nabije en in de verdere toekomst, en dat zij zullen zorgen voor vooruitgang op het vlak van gepersonaliseerde gezondheidszorg, noodrespons en telegeneeskunde;

H.  overwegende dat het gebruik van diagnose- of behandelingsinstrumenten met een geavanceerd robotisch of technologisch karakter in geen geval mag leiden tot een grotere verantwoordelijkheid van de arts of het verzorgend personeel dat er gebruik van maakt; overwegende dat het in dit geval wenselijk is de verantwoordelijkheid te laten gelden van de betrokken verzorgingsstructuren of producenten;

I.  overwegende dat het economisch en maatschappelijk potentieel van cyberfysieke systemen veel en veel groter is dan wat tot nu toe werd gedacht, en dat er wereldwijd fors wordt geïnvesteerd in de ontwikkeling van de technologie;

J.  overwegende dat het gebruik van technologieën de arts-patiëntrelatie niet mag bagatelliseren of schaden, maar de arts moet helpen bij de diagnose en/of de behandeling van de patiënt;

K.  overwegende dat cyberfysieke systemen bij velen hoge verwachtingen wekken en veel potentieel hebben, maar dat de gevolgen van nieuw ingevoerde technologieën nooit geheel voorspelbaar zijn en zulke technologie alleen met succes kan worden geïntegreerd als de samenleving erin slaagt een nieuwe omgang met technologie te vinden;

1.  erkent dat nieuwe technologieën in de gezondheidszorg grote voordelen met zich kunnen meebrengen op het vlak van patiëntenzorg en doeltreffendheid en precisie van de behandeling, mits de verhouding tussen patiënt en arts en de vrije wil vooropstaat; wijst erop dat deze technologieën tot doel hebben de kans op menselijke fouten te verminderen, waardoor de levenskwaliteit zal verbeteren en de levensverwachting zal stijgen;

2.  is van mening dat robotica weliswaar maatschappelijke voordelen kan opleveren, maar tegelijk de manier waarop mensen met elkaar omgaan dramatisch kan veranderen en daardoor een reëel effect op de huidige maatschappelijke structuren kan hebben; onderstreept daarom dat er dringend behoefte is aan een uitgebreid, goed onderbouwd openbaar debat over deze nieuwe technologische revolutie;

3.  acht het van essentieel belang dat de Unie een regelgevingskader ontwikkelt op basis van ethische principes die de complexiteit kunnen weerspiegelen van de materie robotica en de vele sociale, medische en bio-ethische implicaties ervan;

4.  onderstreept dat innovatie die leidt tot betere diagnoses en meer inzicht op het vlak van behandeling, zorg en revalidatie, ook zorgt voor meer precieze medische beslissingen en een sneller herstel, wat het tekort aan gezondheidswerkers in zorg- en revalidatieprocessen kan verlichten;

5.  onderstreept dat de toenemende vraag in cps-eenheden een groot aantal banen voor hooggeschoolden in de Unie kan opleveren;

6.  acht de aanwezigheid van robots nuttig als figuren om het werk van artsen of zorgpersoneel te ondersteunen, teneinde de menselijke ervaring op het gebied van diagnose en behandeling te verbeteren, zonder evenwel te vergeten dat de medische praktijk en de praktijken inzake verzorging van patiënten niet mogen worden ontmenselijkt;

Zorgrobots

7.  merkt op dat cyberfysieke systemen het leven van personen met een handicap positief kunnen veranderen, door slimme technologie in te zetten voor preventie, ondersteuning, toezicht en gezelschap;

8.  merkt op dat cyberfysieke systemen waarschijnlijk ingrijpende gevolgen voor de zorgsector zullen hebben, door hun potentieel om de globale kosten van de gezondheidszorg te verminderen door beoefenaren van medische beroepen in staat te stellen hun aandacht te verleggen van behandeling naar preventie;

9.  onderstreept dat het onderzoek naar en de ontwikkeling van robots in ouderenzorg mettertijd meer algemeen en goedkoper is geworden, wat geleid heeft tot producten met meer functionaliteiten en een vergroot draagvlak onder consumenten; wijst op de brede waaier aan toepassingen van deze technologieën op het vlak van preventie, ondersteuning, toezicht, stimulering en gezelschap voor ouderen en personen met dementie, cognitieve problemen en geheugenverlies;

10.  benadrukt dat, hoewel cyberfysieke systemen de mobiliteit en sociale vaardigheden van personen met een handicap en ouderen kunnen verbeteren, menselijke hulpverleners nog steeds nodig zullen zijn, en een belangrijke en niet volledig vervangbare bron van sociale interactie voor hen zullen blijven; merkt op dat cps-technologieën of robots de menselijke zorg louter doch aanzienlijk kunnen aanvullen en het revalidatieproces meer gericht maken, zodat medisch personeel en hulpverleners meer waardevolle tijd kunnen besteden aan de diagnose en betere behandelingsopties;

Medische robots

11.  merkt op dat vroege versies van robots en slimme cps-toestellen al in de gezondheidszorg gebruikt worden, zoals toestellen voor e-gezondheidszorg en chirurgische robots, en dat deze technologieën op korte termijn zullen blijven ontwikkelen en het potentieel hebben om de kosten voor gezondheidszorg te doen dalen door beoefenaren van medische beroepen in staat te stellen hun aandacht te verleggen van behandeling naar preventie en door meer financiële middelen vrij te maken voor een betere aanpassing aan de uiteenlopende behoeften van patiënten, voor bijscholing van gezondheidswerkers en voor onderzoek;

12.  onderstreept dat het toenemend gebruik van cyberfysieke systemen kan leiden tot een gezondere samenleving, omdat de procedures minder invasief worden, waardoor de hersteltijden korten worden en het zorggerelateerde verzuim wordt verminderd;

13.  merkt op dat medische robots steeds verder worden ontwikkeld en waarschijnlijk steeds vaker zullen worden ingezet bij chirurgische ingrepen, waardoor de grenzen van de medische wetenschap worden verlegd;

14.  erkent dat chirurgische robots ontworpen zijn om de capaciteiten van menselijke chirurgen uit te breiden tot buiten de grenzen van conventionele laparoscopie, en dat de ontwikkeling van chirurgische robots zijn oorsprong vindt in het verlangen om deze beperkingen te boven te komen en de voordelen van minimaal invasie chirurgie, fijne bewegingen en precisie uit te breiden;

15.  benadrukt dat cyberfysieke systemen telechirurgie mogelijk maken, met talloze voordelen zoals meer precisie van handbewegingen, geen bevingen van handen, een vergroot beeld dat meteen kan worden geanalyseerd en geëvalueerd, verbeterde handvaardigheid en chirurgie op afstand, maar dat tegelijkertijd als basisvereiste moet worden gesteld dat artsen een kwalificatie en een accreditatie behalen voor het uitvoeren van medische ingrepen met cyberfysieke systemen;

16.  merkt op dat de sector van medisch onderwijs en medische opleidingen de laatste jaren aanzienlijk is veranderd; merkt bovendien op dat, aangezien medische zorg meer complex is geworden, het klimaat in academische gezondheidscentra de kans biedt om een meer holistische benadering van gezondheid te kiezen en na te denken over andere manieren van medisch onderwijs en een leven lang leren, waarbij artsen evenwel hun kerncompetenties, expertise en autoriteit ten opzichte van robots behouden; verzoekt de Commissie en de lidstaten om strenge opleidings- en specialiseringsnormen te bevorderen voor medisch en paramedisch personeel dat nieuwe robottechnologieën gebruikt of plant te gebruiken, en het vrije verkeer aan te moedigen van chirurgen die als doel hebben deze technologieën bij hun operaties te gebruiken;

17.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de financiële instrumenten voor onderzoeksprojecten op het gebied van robotica voor sociaal-medische noodsituaties te verbeteren;

18.  acht het van fundamenteel belang dat het principe wordt geëerbiedigd van gecontroleerde autonomie van robots, op basis waarvan de initiële programmering van de behandeling en de eindkeuze met betrekking tot de uitvoering altijd binnen de beslissingssfeer blijft van een menselijke chirurg;

Klinische evaluatie en klinische onderzoeken

19.  benadrukt dat medische cyberfysieke systemen moeten voldoen aan de hoogste normen voor medische uitrusting, via effectieve verificatie- en certificeringsprocedures die het mogelijk maken dat goed opgeleid personeel de veiligheid en effectiviteit van de voorgestelde technologie beoordeelt, zelfs in de ontwerpfase;

20.  onderstreept dat het belangrijk is chirurgische robots voor prothesen en exoskeletten te onderscheiden van begeleidingsrobots met hulpfuncties voor invaliden of personen met een tijdelijke handicap; onderstreept dat het belangrijk is beide typen te onderwerpen aan controles die moeten worden uitgevoerd volgens normen die zo precies en gedetailleerd mogelijk zijn;

21.  is ingenomen met het politieke akkoord over de Verordening inzake medische producten (2012/0266(COD)), dat in juni 2016 door de medewetgevers bereikt werd; roept de Commissie op om vóór de datum waarop de betreffende verordening van toepassing wordt te waarborgen dat de bestaande proefprocedures voor nieuwe medische robottoestellen veilig zijn, met name in het geval van hulpmiddelen die in het menselijk lichaam worden geïmplanteerd; merkt bovendien op dat patiënten volledig inzicht in hun eigen gegevens moeten krijgen en er ten opzichte van het publiek volledige transparantie moet worden betracht over mislukte en geslaagde proeven, en dat het voor patiënten en publiek duidelijk moet zijn waar de verantwoordelijkheid voor mislukte proeven en cyberfysieke systemen ligt;

Ethiek

22.  benadrukt dat de ontwikkeling van technologie exponentieel toeneemt, maar dat de sociale systemen van de Unie niet even snel kunnen reageren, en dat de reactie van gezondheidsstelsels zelfs nog trager is; benadrukt dat deze ontwikkelingen een aanzienlijke impact hebben op de maatschappij zoals wij die kennen, en dat het daarom nodig is dat deze vooruitgang gepaard gaat met beoordelingen van de morele en ethische implicaties van nieuwe technologieën op lange termijn vóór en in de loop van hun ontwikkeling;

23.  onderstreept het feit dat het, wat de ethische normen betreft, belangrijk is ervoor te zorgen dat bij de robotproducten de eerbiediging wordt gegarandeerd van de grondrechten van het individu en van de sociale rechten die op niveau van de Unie worden beschermd, door te voorzien in eventuele technische kunstgrepen om deze eerbiediging te garanderen van in de ontwerpfase, volgens de benadering van ingebouwde privacy (privacy by design);

24.  wijst op de risico's van het hacken, uitschakelen of wissen van geheugen van de in het menselijk lichaam geïntegreerde cyberfysieke systemen, aangezien hierdoor de gezondheid en in extreme gevallen zelfs het leven van mensen in gevaar kan komen, en benadrukt dan ook dat de bescherming van zulke systemen de voornaamste prioriteit moet zijn;

25.  erkent de kwetsbaarheid van patiënten met bijzondere behoeften, bijvoorbeeld kinderen, ouderen of personen met een handicap, en benadrukt dat er bij elke gebruiker een emotionele band met cyberfysieke systemen en robots kan ontstaan; onderstreept de ethische vragen naar aanleiding van deze mogelijke hechting; moedigt de Commissie aan een denkproces op gang te brengen over de vraag hoe kan worden voorkomen dat cyberfysieke systemen de autonomie en onafhankelijkheid van kwetsbare personen negatief beïnvloeden;

26.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de ontwikkeling van hulptechnologieën ook te bevorderen via andere verantwoordelijkheidsregelingen dan degene die momenteel gelden, ter bevordering van de ontwikkeling en ingebruikname van deze technologieën door personen die ze nodig hebben, overeenkomstig artikel 4 van het VN-Verdrag inzake rechten van personen met een handicap, dat de Unie heeft ondertekend;

27.  benadrukt dat de zorgrelatie tussen arts en patiënt behouden moet blijven, met name wat betreft de communicatie over medische diagnose en behandeling;

28.   merkt op dat het gebruik van cyberfysieke systemen het vraagstuk van de mensverbetering opwerpt; mensverbetering wordt gedefinieerd als de verbetering van bestaande natuurlijke menselijke vaardigheden of het bijbrengen van nieuwe vaardigheden, waardoor personen een handicap kunnen overwinnen;

Milieugevolgen

29.  erkent dat de mogelijke ecologische en milieugevolgen van robotica beperkt moeten worden, aangezien het gebruik van cyberfysieke systemen en robots naar verwachting het algemene energieverbruik en de hoeveelheid elektrisch en elektronisch afval zal doen stijgen; benadrukt dat maximaal gebruik moet worden gemaakt van de mogelijkheden om procedés hulpbronnenefficiënter te maken, dat de energie-efficiëntie vergroot moet worden door het gebruik van hernieuwbare technologieën voor robotica, dat het gebruik en hergebruik van secundaire grondstoffen bevorderd en afval beperkt moet worden; moedigt de Commissie daarom aan de beginselen van de circulaire economie op te nemen in het roboticabeleid van de Unie;

30.  merkt voorts op dat het gebruik van cyberfysieke systemen positieve gevolgen voor het milieu zal hebben, in het bijzonder op het gebied van landbouw en voedselvoorziening, met name dankzij de minder grote machines en een lager gebruik van meststoffen, energie en water alsmede door precisielandbouw;

31.  onderstreept dat cyberfysieke systemen zullen leiden tot energie- en infrastructuursystemen die de elektriciteitsstroom van de producent naar de verbruiker kunnen controleren, en tot het ontstaan van "energieprosumenten", die zowel energie opwekken als energie verbruiken, waarvan het milieu in hoge mate zal profiteren;

–  onderstaande aanbevelingen in de bijlage bij haar ontwerpresolutie op te nemen:

Veiligheid

  De veiligheid van medische robots is een noodzakelijke voorwaarde voor hun invoering in de gezondheidszorg. De effectiviteit en veiligheid van medische en zorgrobots moet beoordeeld worden op basis van specifieke, uiterst gedetailleerde veiligheidsnormen en gestandaardiseerde certificeringsprocedures, met bijzondere aandacht voor hun gebruik door personen met een beperking of in noodsituaties; de Commissie wordt verzocht gedetailleerde gemeenschappelijke specificaties voor medische robots vast te stellen. Er moet in het bijzonder aandacht worden besteed aan de beveiliging van de cps-netwerken zodat het onmogelijk wordt om gevoelige persoonsgegevens te hacken en te stelen.

  De veiligheid van geïmplanteerde cyberfysieke systemen is een basisvereiste, aangezien eventuele mankementen fataal kunnen zijn, en daarom is het belangrijk informatie te verstrekken en aansprakelijkheidskwesties ondubbelzinnig te reguleren, zoals wiens eigendom deze geïmplanteerde cyberfysieke systemen zijn, wie het beschikkingsrecht erover heeft en wie bevoegd is om de instellingen te wijzigen, zodat er een streng verbod zal zijn om mensen zonder hun toestemming als proefkonijn in te zetten.

Privacy

  Medische cyberfysieke systemen en het gebruik van robots voor elektronische patiëntendossiers doen vragen rijzen over de wetgeving inzake privacy van patiënten, het medisch beroepsgeheim en databescherming op het gebied van volksgezondheid. De EU-databeschermingsvoorschriften moeten aangepast worden, zodat zij ook rekening houden met de toenemende complexiteit en interconnectiviteit van medische en zorgrobots die wellicht zeer gevoelige persoonsinformatie en gezondheidsgegevens verwerken. Zij moeten overeenkomen met het concept van ingebouwde privacy (privacy by design) dat is vastgesteld in Verordening (EU) nr. 2016/679 betreffende de bescherming van persoonsgegevens. Er is een verbetering nodig van de gedragscode met betrekking tot het medisch beroepsgeheim wat betreft de gezondheidsgegevens die worden opgeslagen op cyberfysieke systemen waartoe ook derden toegang hebben.

  Het mag verzekeringsmaatschappijen of andere dienstverleners niet worden toegestaan om e-gezondheidsgegevens te gebruiken voor een discriminerende tariefstelling, omdat dit in strijd zou zijn met het grondrecht op het hoogst bereikbare zorgniveau.

Commissies voor onderzoeksethiek

  Commissies voor onderzoeksethiek moeten ingaan op de ethische vragen naar aanleiding van de ontwikkeling van medische robots en cyberfysieke systemen op vele vlakken van de gezondheidszorg en ondersteuning voor personen met een handicap en ouderen. Deze commissies moeten aandacht besteden aan thema's zoals de gelijke toegang tot preventieve gezondheidszorg aan de hand van robots, de geprivilegieerde relatie tussen arts en patiënt, en bij uitstek de vatbaarheid van patiënten met bijzondere behoeften (bijvoorbeeld gehandicapten), maar niet alleen van hen (bijvoorbeeld ook van kinderen, eenzame mensen enz.), om een emotionele band met robots te ontwikkelen.

  De commissies voor onderzoeksethiek en de Commissie worden aangemoedigd om een proces van reflectie te beginnen met het oog op de ontwikkeling van een gedragscode voor onderzoekers/ontwerpers en gebruikers van medische cyberfysieke systemen die zou moeten stoelen op de beginselen die zijn neergelegd in het Handvest van de grondrechten van de Unie (zoals menselijke waardigheid en mensenrechten, gelijkheid, gerechtigheid en billijkheid, profijt en schade, waardigheid, non-discriminatie en niet-stigmatisering, autonomie en individuele verantwoordelijkheid, geïnformeerde toestemming, privacy en maatschappelijke verantwoordelijkheid alsmede de rechten van ouderen, de integratie van personen met een handicap, het recht op gezondheidszorg en het recht op consumentenbescherming) en op bestaande ethische praktijken en codes.

  In dit verband moet worden opgemerkt dat robotica een grote mate van onzekerheid ten aanzien van verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid kan veroorzaken.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

13.10.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

61

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marco Affronte, Margrete Auken, Pilar Ayuso, Zoltán Balczó, Catherine Bearder, Ivo Belet, Nessa Childers, Birgit Collin-Langen, Mireille D’Ornano, Miriam Dalli, Angélique Delahaye, Stefan Eck, Bas Eickhout, Eleonora Evi, José Inácio Faria, Elisabetta Gardini, Gerben-Jan Gerbrandy, Jens Gieseke, Julie Girling, Sylvie Goddyn, Françoise Grossetête, Anneli Jäätteenmäki, Jean-François Jalkh, Josu Juaristi Abaunz, Karin Kadenbach, Kateřina Konečná, Giovanni La Via, Peter Liese, Norbert Lins, Susanne Melior, Miroslav Mikolášik, Massimo Paolucci, Bolesław G. Piecha, Frédérique Ries, Michèle Rivasi, Daciana Octavia Sârbu, Annie Schreijer-Pierik, Davor Škrlec, Dubravka Šuica, Tibor Szanyi, Claudiu Ciprian Tănăsescu, Jadwiga Wiśniewska, Damiano Zoffoli

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Guillaume Balas, Paul Brannen, Nicola Caputo, Michel Dantin, Mark Demesmaeker, Luke Ming Flanagan, Elena Gentile, Martin Häusling, Krzysztof Hetman, Gesine Meissner, James Nicholson, Marijana Petir, Gabriele Preuß, Christel Schaldemose, Jasenko Selimovic, Mihai Ţurcanu

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Nicola Danti, Anna Hedh


ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie (15.11.2016)

aan de Commissie juridische zaken

met aanbevelingen aan de Commissie inzake civielrechtelijke bepalingen over robotica

(2015/2103(INL))

Rapporteur voor advies: Kaja Kallas

(Initiatief – Artikel 46 van het Reglement)

SUGGESTIES

De Commissie industrie, onderzoek en energie verzoekt de ten principale bevoegde Commissie juridische zaken:

–  onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat teams bestaande uit zowel robots als mensen 85 %(1) productiever kunnen zijn dan mensen of robots op zichzelf; overwegende dat robots de vaardigheden van mensen versterken en daardoor het gevaar van menselijke fouten zullen verminderen;

B.  overwegende dat de Unie op het gebied van industriële robotica een voortrekkersrol speelt en wat betreft levering en gebruik goed is voor een aandeel van meer dan 25 %(2) en dat de groei op deze markt wordt geschat op 89% per jaar, waardoor de sector een industriële beleidsprioriteit wordt;

1.  is van oordeel dat robotica en kunstmatige intelligentie een belangrijke rol spelen bij het verbeteren van de concurrentiekracht en productiviteit van de Europese economie en op de middellange termijn meer invloed kunnen hebben op de concurrentiekracht van niet-verwerkende industrieën zoals landbouw, vervoer, gezondheidszorg, veiligheid en nutsvoorzieningen; dringt er bij de Commissie op aan zich in te zetten voor een ambitieus en sectoroverschrijdend innovatievriendelijk beleid op het gebied van robotica en kunstmatige intelligentie, en daarbij integratie van technologieën in waardeketens en de ontwikkeling van innovatieve bedrijfsmodellen te bevorderen en de periode tussen innovatie en industrialisering te verkorten; verzoekt de Commissie te onderzoeken of herziening van wetgeving of ontwikkeling van Europese richtsnoeren noodzakelijk is om een gezamenlijke aanpak op het gebied van robotica en kunstmatige intelligentie te realiseren, zodat ondernemingen in de Unie tot schaalvergroting kunnen komen;

2  stelt vast dat derde landen het strategische belang van robotica hebben erkend en het leiderschap van de Unie op de wereldmarkt willen overnemen, bijvoorbeeld door middel van overnames van producenten in de Unie; verzoekt de Commissie een industriële strategie uit te werken waarin aandacht wordt besteed aan de rol van strategisch belangrijke handelstakken, zoals robotica, en om in deze strategie toe te lichten hoe gewaarborgd kan worden dat banen, groei, kennis en een groot deel van de waardeketen voor de Unie behouden blijven;

3.  benadrukt dat innovatie op het gebied van robotica en kunstmatige intelligentie en integratie van robotica en technologieën op het gebied van kunstmatige intelligentie in de economie en de maatschappij alleen mogelijk zijn met behulp van een digitale infrastructuur die voorziet in universele connectiviteit; verzoekt de Commissie om met het oog op de digitale toekomst van de Unie een kader op te zetten dat tegemoetkomt aan de vereisten op het gebied van connectiviteit, en om ervoor te zorgen dat de toegang tot breedband- en 5G-netwerken volledig in overeenstemming is met het beginsel van netneutraliteit;

4.  is er vast van overtuigd dat interoperabiliteit tussen systemen, instrumenten en clouddiensten, ontworpen met het oog op veiligheid en privacy, essentieel is voor de realtime uitwisseling van gegevens, waardoor robots en kunstmatige intelligentie flexibeler en autonomer kunnen worden; verzoekt de Commissie om een open omgeving (zoals open normen, innovatieve licentiemodellen, open platforms en transparantie) te bevorderen, om gebondenheid aan gesloten systemen die de interoperabiliteit beperken te voorkomen; benadrukt voorts dat een hoog niveau van veiligheid, beveiliging en privacy van gegevens die worden gebruikt voor de communicatie van mensen tot robots en kunstmatige intelligentie moet worden gewaarborgd; dringt er daarom bij de Commissie en de lidstaten op aan de beginselen inzake veiligheid en privacy in de ontwikkelingsfase op te nemen in hun beleid op het gebied van robotica en kunstmatige intelligentie en in de cyberbeveiligingsstrategie van de EU, en robotica en kunstmatige intelligentie tot een van de onderwerpen te maken die aan de orde worden gesteld tijdens de besprekingen van de adviesgroep op hoog niveau inzake cyberveiligheid die door de Commissie zal worden opgericht;

5.  merkt op dat toegang tot gegevens essentieel is voor innovatie op het gebied van algoritmes voor machineleren; verzoekt de Commissie een ambitieus kader en een ambitieuze strategie ten uitvoer te leggen op het gebied van open data en vrij verkeer van gegevens, waar met name het initiatief voor vrij gegevensverkeer deel van uitmaakt, in aansluiting op de wetgeving inzake gegevensbescherming en een hervormd intellectuele-eigendomsrecht; benadrukt dat in het kader van het initiatief voor vrij gegevensverkeer de onderwerpen gegevenseigendom en bruikbaarheid van en toegang tot gegevens - onderwerpen die van belang zijn voor de verdere ontwikkeling en het gebruik van robottechnologieën - verduidelijkt moeten worden;

6.  verzoekt de Commissie om de tussentijdse herziening van het MFK aan te grijpen om meer steun te verlenen aan het in het kader van Horizon 2020 gefinancierde programma Sparc, verkennende studies uit te voeren, open innovatie als strategische doelstelling te bevorderen, en een goed samenwerkingsklimaat te bevorderen tussen nationale en Europese instellingen, onderzoekers en normalisatie-instanties die talent aantrekken, en tevens in de particuliere sector, tussen internationale ondernemingen, kmo's en start-ups die van groot belang zijn voor innovatie en opening van nieuwe markten voor robotica op mondiaal niveau; wijst op de rol die publiek-private partnerschappen in dit verband kunnen spelen;

7.  benadrukt dat de ontwikkeling van robottechnologieën gericht moet zijn op het aanvullen van menselijke vaardigheden en niet op het vervangen van mensen; wijst erop dat een breder gebruik van robotica en kunstmatige intelligentie zal leiden tot automatisering van een aanzienlijk aantal banen, tot een verminderde blootstelling van mensen aan schadelijke en gevaarlijke situaties en tot veranderingen wat betreft werk en privéleven, en dat de gevolgen hiervan op de lange termijn onderzocht moeten worden en dat er maatregelen nodig zijn om te waarborgen dat alle sociale, milieu-, ethische, aansprakelijkheids- en onderwijsaspecten voldoende aandacht krijgen; acht het met name belangrijk dat in alle fasen van het onderwijs, van de eerste schooljaren tot scholing in het kader van een leven lang leren, de ontwikkeling van digitale vaardigheden, waaronder programmeren, deel uitmaakt van het lesprogramma;

8.  is van mening dat medische robots een steeds grotere rol zullen gaan spelen op het gebied van microchirurgie en de uitvoering van repetitieve handelingen; merkt op dat het gebruik van robots kan leiden tot betere resultaten op het gebied van herstel, en dat robots zeer doeltreffende logistieke ondersteuning kunnen bieden binnen ziekenhuizen;

  –  onderstaande aanbevelingen in de bijlage bij haar ontwerpresolutie op te nemen:

9.  is van mening dat bij toekomstige wetgevingsinitiatieven op het gebied van robotica en kunstmatige intelligentie een breed scala aan betrokken partijen moet worden geraadpleegd, dat dergelijke wetgevingsinitiatieven gebaseerd moeten zijn op een permanente dialoog, en dat zij rechtszekerheid moeten creëren, zonder belemmeringen op te werpen voor innovatie op dit snel evoluerende technologische gebied;

10.  is van mening dat de Commissie samen met de eindgebruikers, robotica-ontwikkelaars, de onderzoeksgemeenschap en andere belanghebbenden een gedragscode moet ontwikkelen die als richtsnoer kan dienen voor activiteiten op het gebied van de ontwikkeling van robotica en kunstmatige intelligentie;

11.  is van mening dat aanbevelingen met betrekking tot licenties de contractuele vrijheid moeten eerbiedigen en ruimte moeten bieden voor innovatieve licentieregelingen; waarschuwt voor de invoering van nieuwe intellectuele-eigendomsrechten op het gebied van robotica en kunstmatige intelligentie die innovatie en de uitwisseling van kennis zouden kunnen belemmeren;

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

13.10.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

54

1

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Bendt Bendtsen, Xabier Benito Ziluaga, José Blanco López, David Borrelli, Jerzy Buzek, Angelo Ciocca, Edward Czesak, Jakop Dalunde, Pilar del Castillo Vera, Christian Ehler, Fredrick Federley, Ashley Fox, Adam Gierek, Theresa Griffin, Hans-Olaf Henkel, Eva Kaili, Kaja Kallas, Barbara Kappel, Krišjānis Kariņš, Seán Kelly, Jaromír Kohlíček, Zdzisław Krasnodębski, Miapetra Kumpula-Natri, Janusz Lewandowski, Ernest Maragall, Edouard Martin, Angelika Mlinar, Nadine Morano, Dan Nica, Carolina Punset, Herbert Reul, Paul Rübig, Algirdas Saudargas, Sergei Stanishev, Neoklis Sylikiotis, Dario Tamburrano, Patrizia Toia, Evžen Tošenovský, Claude Turmes, Vladimir Urutchev, Henna Virkkunen, Martina Werner, Lieve Wierinck, Anna Záborská, Flavio Zanonato, Carlos Zorrinho

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Michał Boni, Rosa D’Amato, Esther de Lange, Jens Geier, Benedek Jávor, Olle Ludvigsson, Vladimír Maňka, Marian-Jean Marinescu, Clare Moody, Maria Spyraki

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Salvatore Cicu, Albert Deß

(1)

Volgens onderzoek van MIT op basis van gezamenlijke ervaringen van de autoproducenten BMW en Mercedes-Benz.

(2)

http://ec.europa.eu/programmes/horizon2020/en/h2020-section/robotics.


ADVIES van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (12.10.2016)

aan de Commissie juridische zaken

Civielrechtelijke bepalingen over robotica

(2015/2103(INL))

Rapporteur voor advies: Dita Charanzová

(Initiatief – Artikel 46 van het Reglement)

SUGGESTIES

De Commissie interne markt en consumentenbescherming verzoekt de ten principale bevoegde Commissie juridische zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat robotica geen nieuwigheid zijn; overwegende dat robotica een rol kunnen en daadwerkelijk vervullen voor een verandering van onze maatschappij ten goede; overwegende dat robotica en kunstmatige intelligentie een actieve rol kunnen spelen bij de digitalisering van de economie in een groot aantal sectoren zoals industrie, gezondheidszorg, bouw en vervoer, en voordelen kunnen opleveren als innovatie, minder blootstelling aan risicovolle arbeidsomstandigheden en nieuwe bedrijfsmodellen, en dat de Unie de ontwikkelingen op dit gebied moet aangrijpen om de digitale binnenmarkt vooruit te helpen;

B.  overwegende dat robots steeds meer in dichte nabijheid van mensen functioneren en dat de markt voor robotmatige diensten gestaag groeit hetgeen nieuwe voordelen brengt voor de samenleving zonder dat kwesties rond veiligheid en aansprakelijkheid uit het oog mogen worden verloren;

C.  overwegende dat de inzet van robotica, ondanks de onmiskenbare voordelen, veranderingen op de arbeidsmarkt teweeg kunnen brengen en er daarom moet worden nagedacht over de toekomst van onderwijs, werkgelegenheid en sociaal beleid;

D.  overwegende dat de verkoop en productie van robots tussen 2010 en 2014 sterk zijn gestegen, met een stijging van bijna 30 % in 2014 alleen, met name in de elektronicasector;

E.  overwegende dat de digitale transformatie in de Europese maakindustrie, nu goed voor 15 % van het EU BNP, een meerwaardepotentieel kan bieden van 1,25 triljoen EUR in 2025(1) en dat invoering van autonome robot-technologie de Europese industriële productie kan doen toenemen en een groot concurrentieel voordeel voor Europa zou kunnen brengen;

F.  overwegende dat machinaal leren immense economische en innovatieve voordelen voor de samenleving oplevert omdat dit het vermogen om gegevens te analyseren sterk verbetert, maar tegelijk ook nieuwe uitdagingen creëert om niet-discriminatie, degelijke verwerking, toegang tot informatie en begrijpelijkheid in het besluitvormingsproces te waarborgen;

G.  overwegende dat door de ontwikkelingen op het gebied van medische toepassingen, zoals robotische prothesen en implantaten, mensen die ze krijgen zeer sterk afhankelijk worden van de beschikbaarheid van onderhoud, reparaties en verbeteringen;

H.  overwegende dat gegevensbescherming en respect voor de intellectuele eigendom in overweging moeten worden genomen bij de ontwikkeling van alle nieuwe technologische en productieve paradigma's;

I.  overwegende dat veel derde landen richtsnoeren en wetgeving op gebied van robotica hebben uitgevaardigd terwijl ook enkele lidstaten serieus aandacht aan deze materie zijn gaan schenken;

1.  stelt met nadruk dat een aanpak op EU-niveau de ontwikkeling kan bevorderen door versnippering van de interne markt te voorkomen, en onderstreept tevens dat het principe van wederzijdse erkenning belangrijk blijft bij het grensoverschrijdende gebruik van robots en roboticasystemen; herinnert eraan dat met keuring, certificering en markttoelating in één enkele lidstaat al moet kunnen worden volstaan;

2.  onderstreept dat deze benadering gepaard moet gaan met effectief markttoezicht, met rechtsmiddelen en bevoegdheden voor de lidstaten om terugroepacties voor te schrijven en inbreuken te bestraffen;

3.  beklemtoont hoe belangrijk het is dat er ondersteuning wordt geboden aan kmo's en startende ondernemingen in de roboticasector die in deze sector nieuwe marktsegmenten creëren of robots gebruiken;

4.  steunt de ontwikkeling van een ambitieuze Europese strategie voor onderzoek en innovatie op het gebied van robotica om hun potentieel voor groei en werkgelegenheid in Europa zo goed mogelijk te benutten;

5.  erkent weliswaar dat reeds een beduidende hoeveelheid internationale normen bestaat op het punt van interoperabiliteit en veiligheid die alom in de industrie worden toegepast, maar acht verdere geharmoniseerde normering voor robotica en kunstmatige intelligentie nodig en rekent dit tot de normalisatieprioriteiten van de Unie met het oog op stimulering van innovatie en een hoog niveau van consumentenbescherming; beklemtoont dat het van essentieel belang is dat er in deze materie van de toekomst gemeenschappelijke, veilige en hoge normen worden uitgewerkt;

6.  vraagt de Commissie om zich in samenwerking met de Europese normalisatie-instanties proactief te blijven engageren met internationale normalisatie-instanties en de samenwerking met internationale partners te versterken voor de verdere verbetering van de normen op dit gebied; is in dit opzicht verheugd over de oprichting van speciale technische commissies, zoals ISO/TC 299 Robotica, die zich uitsluitend bezighouden met het opstellen van normen voor robotica;

7.  herinnert eraan dat verreweg de meeste normen worden ontwikkeld in reactie op een door het bedrijfsleven aangegeven behoefte en spoort de Europese en internationale normalisatie-instanties aan hun eigen normen steeds te blijven toetsen om er zeker van te zijn dat zij aan die behoeften beantwoorden;

8.  is van mening dat zowel de voor fabricage als voor individueel gebruik gebouwde robots aan regels inzake productveiligheid en consumentenbescherming moeten zijn onderworpen die minimale veiligheidsnormen inhouden en rekening houden met het verhoogde risico van ongevallen door de interactie met of het werken in de nabijheid van mensen; meent dat kwesties rond ethiek, gegevensbescherming, ook voor gegevens van derden en persoonsgegevens, aansprakelijkheid, onderwijs en training en cyberveiligheid punten zijn die in elk beleid rond robotica aan de orde moeten komen;

9.  beklemtoont dat vanaf het ontwerp ingebouwde privacy en veiligheid belangrijk zijn bij de ontwikkeling van robots, evenals voorschriften voor het testen van robots met het oog op de veiligheid van de consument;

10.  benadrukt dat de menselijke waardigheid altijd centraal moet staan bij het gebruik van robots, vooral op het gebied van de gezondheidszorg;

11.  wijst erop dat voor vitale medische toepassingen zoals robotprothesen continue, duurzame toegang tot onderhoud, verbeteringen en met name software-updates die storingen en kwetsbaarheden verhelpen, moet worden gewaarborgd;

12.  is van oordeel dat in het werkgelegenheids-, onderwijs- en sociaal beleid van de lidstaten meer rekening moet worden gehouden met de gevolgen van robotisering; vraagt de Commissie hulp te bieden bij het streven naar een uniform regelgevingskader en grotere samenwerking tussen de lidstaten; verzoekt de Commissie aangepaste opleidingskaders te creëren om een tekort aan ICT-specialisten te voorkomen;

13.  onderkent dat robotica- en kunstmatige intelligentietechnologie steeds meer in zelfrijdende voertuigen, zoals zelfrijdende auto's en civiele drones, worden aangewend; stelt vast dat sommige lidstaten al wetgeving op dit gebied uitvaardigen of zulks overwegen, wat juist op dit terrein kan leiden tot een lappendeken van nationale wetten die de ontwikkeling van zelfrijdende voertuigen belemmeren; pleit daarom voor één stel EU-regels dat het juiste evenwicht weet te vinden tussen de belangen van de gebruikers, de ondernemingen en de andere betrokken partijen en tegelijk overregulering van robotica en robotsystemen vermijdt.

14.  vraagt meer samenwerking op regelgevingsgebied om bepaalde internationale akkoorden te wijzigen, zoals het Verdrag van Wenen inzake het wegverkeer van 8 november 1968 en het Verdrag van Den Haag van 4 mei 1971 inzake verkeersongevallen.

15.  meent dat in het geval van zelfrijdende voertuigen niet noodzakelijk de behoefte bestaat om het wettelijk regime van verzekeringen te vervangen of te wijzigen aangezien de huidige praktijk en de rechtsverhouding tussen bestuurder, constructeur en verzekeraar ook bij invoering van nieuwe technologieën in stand zullen blijven zoals in het verleden steeds het geval is geweest.

16.  beklemtoont dat het gebruik van robotica in de gezondheidszorg nu al een groeiende markt is, vooral bij robotchirurgie, waarin Europa een toonaangevende rol speelt; vraagt de Commissie om de juiste voorwaarden te scheppen waardoor het gebruik van deze technieken nog meer kan toenemen.

17.  vraagt de Commissie om meer middelen uit te trekken voor interdisciplinair onderzoek naar de sociale gevolgen van kunstmatige intelligentie en machinaal leren.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

11.10.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

35

1

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Catherine Bearder, Dita Charanzová, Carlos Coelho, Lara Comi, Anna Maria Corazza Bildt, Daniel Dalton, Nicola Danti, Dennis de Jong, Vicky Ford, Ildikó Gáll-Pelcz, Evelyne Gebhardt, Maria Grapini, Sergio Gutiérrez Prieto, Robert Jarosław Iwaszkiewicz, Liisa Jaakonsaari, Antonio López-Istúriz White, Marlene Mizzi, Eva Paunova, Jiří Pospíšil, Virginie Rozière, Christel Schaldemose, Andreas Schwab, Olga Sehnalová, Igor Šoltes, Ivan Štefanec, Catherine Stihler, Richard Sulík, Róża Gräfin von Thun und Hohenstein, Mylène Troszczynski, Mihai Ţurcanu, Anneleen Van Bossuyt, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Birgit Collin-Langen, Morten Løkkegaard, Julia Reda, Marc Tarabella

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

John Stuart Agnew

(1)

STOA, Ethical Aspects of Cyber-Physical Systems, Scientific Foresight Study (mei 2016), Annex 1, p. 37.


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

12.1.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

17

2

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Max Andersson, Joëlle Bergeron, Marie-Christine Boutonnet, Jean-Marie Cavada, Therese Comodini Cachia, Mady Delvaux, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Mary Honeyball, Gilles Lebreton, António Marinho e Pinto, Julia Reda, Evelyn Regner, József Szájer, Tadeusz Zwiefka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Daniel Buda, Sergio Gaetano Cofferati, Angel Dzhambazki, Heidi Hautala, Constance Le Grip, Victor Negrescu

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Eleonora Evi, Andrey Novakov

Juridische mededeling