Procedure : 2015/0274(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0031/2017

Ingediende teksten :

A8-0031/2017

Debatten :

PV 14/03/2017 - 4
CRE 14/03/2017 - 4
PV 16/04/2018 - 21

Stemmingen :

PV 14/03/2017 - 6.7
CRE 14/03/2017 - 6.7
Stemverklaringen
PV 18/04/2018 - 12.10

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0071
P8_TA(2018)0115

VERSLAG     ***I
PDF 702kWORD 113k
7.2.2017
PE 580.563v03-00 A8-0031/2017

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen

(COM(2015)0594 – C8-0384/2015 – 2015/0274(COD))

Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

Rapporteur: Simona Bonafè

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie
 PROCEDURE VAN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen

(COM(2015)0594 – C8-0384/2015 – 2015/0274(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(COM(2015)0594),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 192, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8 C8-0384/2015),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Franse Senaat, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 27 april 2016(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 15 juni 2016(2),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8-0031/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Amendement1

Voorstel voor een richtlijn

Overweging -1 (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(-1)  Gezien de afhankelijkheid van de EU van de invoer van grondstoffen en gezien de snelle uitputting van een aanzienlijk aantal natuurlijke hulpbronnen op de korte termijn is het regenereren van zoveel mogelijk hulpbronnen in de EU een belangrijke uitdaging, evenals het verbeteren van de overgang naar een circulaire economie.

Motivering

Het is belangrijk te wijzen op het bredere kader van de overgang naar een circulaire economie en de kansen die de herziening van de richtlijn betreffende het storten van afvalstoffen biedt om deze overgang te bevorderen.

Amendement2

Voorstel voor een richtlijn

Overweging -1 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(-1 bis)  Afvalstoffenbeheer moet worden omgevormd tot duurzaam materiaalbeheer. De herziening van de richtlijn betreffende het storten van afvalstoffen biedt daartoe een gelegenheid.

Motivering

Het is belangrijk te wijzen op het bredere kader van de overgang naar een circulaire economie, de noodzaak om afvalstoffenbeheer om te vormen tot duurzaam materiaalbeheer, en de kansen die de herziening van de richtlijn betreffende het storten van afvalstoffen biedt om deze overgang te bevorderen.

Amendement3

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(1)  Het afvalstoffenbeheer in de Unie moet worden verbeterd met het oog op de bescherming, het behoud en de verbetering van de kwaliteit van het milieu, de bescherming van de gezondheid van de mens, het behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen, en de bevordering van een meer circulaire economie.

(1)  Het afvalstoffenbeheer in de Unie moet worden verbeterd met het oog op de bescherming, het behoud en de verbetering van de kwaliteit van het milieu, de bescherming van de gezondheid van de mens, het behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de bevordering van een meer circulaire economie, de verhoging van de energie-efficiëntie en de vermindering van de afhankelijkheid van de Unie van hulpbronnen.

Motivering

Het streven naar beter afvalbeheer op Europees niveau moet niet alleen de bescherming van het milieu en de volksgezondheid behelzen, maar ook de verhoging van de energie-efficiëntie en de vermindering van de afhankelijkheid van de Unie van hulpbronnen, zodat de problemen in verband met de grondstoffenbevoorrading wordt aangepakt.

Amendement4

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 1 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(1 bis)  Een schone, effectieve en duurzame circulaire economie vereist dat gevaarlijke stoffen al in de ontwerpfase uit producten worden verwijderd, en in dit verband moet de circulaire economie gevolg geven aan uitdrukkelijke bepalingen in het zevende milieuactieprogramma, waarin wordt gepleit voor de ontwikkeling van niet-toxische materiaalcycli, zodat gerecycleerd afval als belangrijke, betrouwbare bron van grondstoffen voor de Unie kan worden gebruikt.

Motivering

De EU moet zich concentreren op de totstandbrenging van een schone circulaire economie en het eventuele grote risico voorkomen dat het publiek en de markt hun vertrouwen in gerecycleerd materiaal in de toekomst verliezen terwijl er een eindeloze afvalerfenis ontstaat. De grootste last voor recyclers is de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in materialen. De EU moet zich concentreren op het verwijderen van deze gevaarlijke stoffen uit producten en afval, en mag de volksgezondheid en het milieu niet in gevaar brengen door bepaalde soorten bedrijven of producten vrij te stellen van veiligheidsbepalingen en door het onmogelijk te maken om in de toekomst vast te stellen welke materialen verontreinigd zijn.

Amendement5

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(2)  De in Richtlijn 1999/31/EG van de Raad14 vastgestelde doelstellingen ter vermindering van gestort afval moeten worden gewijzigd teneinde beter aan te sluiten bij de ambitie van de Unie om tot een circulaire economie te komen en vooruitgang te boeken met de uitvoering van het grondstoffeninitiatief15 door het storten van afval bestemd voor stortplaatsen voor niet-gevaarlijk afval te verminderen.

(2)  De in Richtlijn 1999/31/EG van de Raad14 vastgestelde doelstellingen ter vermindering van gestort afval moeten worden versterkt teneinde beter aan te sluiten bij de ambitie van de Unie om tot een circulaire economie te komen en vooruitgang te boeken met de uitvoering van het grondstoffeninitiatief15 door het storten van afval bestemd voor stortplaatsen voor niet-gevaarlijk afval geleidelijk te minimaliseren. De Commissie en de lidstaten moeten ervoor zorgen dat dit past in een geïntegreerd beleid dat een correcte toepassing van de afvalhiërarchie garandeert, een verschuiving naar preventie, hergebruik en recycling bevordert en een verschuiving van storten naar verbranden voorkomt.

________________

__________________

14 Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (PB L 182 van 16.7.1999, blz. 1).

14 Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (PB L 182 van 16.7.1999, blz. 1).

15 COM(2008) 699 en COM(2014) 297.

15 COM(2008) 699 en COM(2014) 297.

Amendement6

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(4)  Met het oog op een grotere samenhang van de afvalwetgeving moeten de definities van Richtlijn 1999/31/EG in overeenstemming worden gebracht met die van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad16.

(4)  Met het oog op een grotere samenhang van de afvalwetgeving moeten de definities van Richtlijn 1999/31/EG in voorkomend geval overeenstemming worden gebracht met die van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad16.

__________________

__________________

16 Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).

16 Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).

Motivering

Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat deze richtlijn strookt met de EU-afvalstoffenwetgeving als geheel. Daartoe moeten de definities in deze richtlijn in voorkomend geval worden afgestemd op die in Richtlijn 1999/31/EG.

Amendement7

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 5

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(5)  Er zouden duidelijke milieu-, economische en sociale voordelen verbonden zijn aan een verdere beperking van het storten van afval, te beginnen met afvalstromen die onderworpen zijn aan gescheiden inzameling (bv. plastic, metaal, glas, papier, bioafval). Bij de uitvoering van die beperkingen moet rekening worden gehouden met de technische, ecologische of economische haalbaarheid van het recycleren of op andere wijze terugwinnen van restafval dat voortkomt uit een gescheiden afvalinzameling.

(5)  Er zouden duidelijke milieu-, economische en sociale voordelen verbonden zijn aan een verdere beperking van het storten van afval, te beginnen met afvalstromen die onderworpen zijn aan gescheiden inzameling (bv. plastic, metaal, glas, papier, bioafval), met als doel uitsluitend restafval te aanvaarden. Langetermijninvesteringen in infrastructuur en in onderzoek en innovatie zullen een cruciale rol spelen bij het verminderen van de hoeveelheid restafval dat voortkomt uit een gescheiden afvalinzameling, waarvan het recycleren of op andere wijze terugwinnen momenteel technisch, ecologisch of economisch niet haalbaar is.

Amendement8

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 5 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(5 bis)  Een politieke en maatschappelijke stimulans om het storten van afval verder te beperken als duurzame manier om in een circulaire economie met natuurlijke hulpbronnen om te gaan, moet stroken met de afvalhiërarchie als vastgesteld in artikel 4 van Richtlijn 2008/98/EG en strikt een aanpak volgen waarbij preventie voorrang krijgt en het voorzorgsbeginsel in acht wordt genomen.

Motivering

Hoewel het storten van afval veel negatieve aspecten heeft, mag het niet volledig worden afgewezen als bestemming voor bepaalde afvalstoffen zoals PVC. Het kan de veiligste bestemming zijn voor materialen die gevaarlijke chemische stoffen bevatten. In het geval van kunststoffen blijkt uit analyses dat als ze niet gerecycleerd worden, storten met het oog op het klimaat meestal de voorkeur verdient boven verbranden. Recycling verdient duidelijk de voorkeur, en storten moet volgens de strengste normen geschieden.

Amendement9

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(6)  Veel stedelijk afval is biologisch afbreekbaar. Het storten van onbehandeld biologisch afbreekbaar afval brengt aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu met zich mee op het gebied van broeikasgasemissies en de vervuiling van oppervlaktewater, grondwater, bodem en lucht. Hoewel in Richtlijn 1999/31/EG al streefdoelen zijn vastgesteld voor het voorkomen van het storten van biologisch afbreekbaar afval, is het passend om het storten van biologisch afbreekbaar afval verder te beperken door het storten van biologisch afbreekbaar afval dat overeenkomstig artikel 22 van Richtlijn 2008/98/EG gescheiden is ingezameld, te verbieden.

(6)  Veel stedelijk afval is biologisch afbreekbaar. Het storten van onbehandeld biologisch afbreekbaar afval brengt aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu met zich mee op het gebied van broeikasgasemissies en de vervuiling van oppervlaktewater, grondwater, bodem en lucht. Hoewel in Richtlijn 1999/31/EG al streefdoelen zijn vastgesteld voor het voorkomen van het storten van biologisch afbreekbaar afval, is het passend om het storten van biologisch afbreekbaar afval verder te beperken door het storten van biologisch afbreekbaar afval dat overeenkomstig artikel 22 van Richtlijn 2008/98/EG gescheiden moet worden ingezameld, te verbieden.

Motivering

Het verbod op het storten van biologisch afbreekbaar stedelijk afval moet strikter worden geformuleerd.

Amendement10

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 7

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(7)  In veel lidstaten is de nodige infrastructuur voor afvalstoffenbeheer nog niet volledig uitgebouwd. Door het vaststellen van streefdoelen voor het verminderen van gestort afval zullen het gescheiden inzamelen, sorteren en recycleren van afval worden vergemakkelijkt en zal worden vermeden dat recycleerbare materialen onderaan de afvalhiërarchie blijven vastzitten.

(7)  In veel lidstaten is de nodige infrastructuur voor afvalstoffenbeheer nog niet volledig uitgebouwd. Door het vaststellen van duidelijke en ambitieuze streefdoelen voor het verminderen van gestort afval zullen investeringen ter vergemakkelijking van het gescheiden inzamelen, sorteren en recycleren van afval verder worden aangemoedigd en zal worden vermeden dat recycleerbare materialen op het laagste niveau van de afvalhiërarchie blijven vastzitten.

Amendement11

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 8

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(8)  Een geleidelijke vermindering van het storten van afval is noodzakelijk om negatieve gevolgen voor de gezondheid van de mens en voor het milieu te voorkomen en om te waarborgen dat economisch waardevolle afvalmaterialen geleidelijk en doeltreffend worden teruggewonnen door middel van een adequaat afvalstoffenbeheer en in overeenstemming met de afvalhiërarchie. Bij die vermindering moet worden vermeden dat overcapaciteit ontstaat voor het behandelen van restafval, bijvoorbeeld door energieterugwinning of kwalitatief laagwaardige biomechanische behandeling van onbehandeld stedelijk afval, aangezien dit zou kunnen leiden tot een ondergraving van de verwezenlijking van de langetermijndoelstelling van de Unie voor hergebruik en recycling van afvalstoffen, zoals vastgesteld in artikel 11 van Richtlijn 2008/98/EG. Op vergelijkbare wijze en om negatieve gevolgen voor de gezondheid van de mens en voor het milieu te voorkomen, moeten de lidstaten alle nodige maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat alleen behandeld afval wordt gestort, maar mag de naleving van een dergelijke verplichting desalniettemin niet leiden tot het creëren van overcapaciteiten voor het behandelen van stedelijk restafval. Om consistentie tussen de in artikel 11 van Richtlijn 2008/98/EG vastgestelde doelstellingen en het in artikel 5 vermelde streefdoel voor het verminderen van gestort afval te waarborgen, moeten de lidstaten die extra tijd krijgen voor het verwezenlijken van de streefdoelen voor het recycleren van stedelijk afval, daarnaast eveneens extra tijd worden gegeven voor het verwezenlijken van het streefdoel voor het verminderen van gestort afval tegen 2030 zoals vastgesteld in deze Richtlijn.

(8)  Een geleidelijke minimalisering van het storten van afval is noodzakelijk om negatieve gevolgen voor de gezondheid van de mens en voor het milieu te voorkomen en om te waarborgen dat economisch waardevolle afvalmaterialen geleidelijk en doeltreffend worden teruggewonnen door middel van een adequaat afvalstoffenbeheer en in overeenstemming met de afvalhiërarchie zoals vastgelegd in Richtlijn 2008/98/EG. Deze geleidelijke minimalisering van het storten van afval zal in veel lidstaten grote veranderingen van het afvalbeheer teweegbrengen. Met betere statistische gegevens over de inzameling en behandeling van afval en een betere traceerbaarheid van de afvalstromen moet het mogelijk zijn te vermijden dat er overcapaciteit ontstaat voor het behandelen van restafval, bijvoorbeeld door energieterugwinning, aangezien dit zou kunnen leiden tot een ondergraving van de verwezenlijking van de langetermijndoelstelling van de Unie voor hergebruik en recycling van afvalstoffen, zoals vastgesteld in artikel 11 van Richtlijn 2008/98/EG. Op vergelijkbare wijze en om negatieve gevolgen voor de gezondheid van de mens en voor het milieu te voorkomen, moeten de lidstaten alle nodige maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat alleen behandeld afval wordt gestort, maar mag de naleving van een dergelijke verplichting desalniettemin niet leiden tot het creëren van overcapaciteiten voor het behandelen van stedelijk restafval. Gezien recente investeringen in een aantal lidstaten, die tot overcapaciteit voor energieterugwinning of de instelling van biomechanische behandeling hebben geleid, is het van essentieel belang om de afvalverwerkers en de lidstaten een duidelijk signaal te geven, zodat investeringen die onverenigbaar zijn met de langetermijndoelstellingen van de richtlijn betreffende het storten van afvalstoffen en de kaderrichtlijn afval worden voorkomen. Om deze redenen kan, in overeenstemming met de in artikel 11 van Richtlijn 2008/98/EG en artikel 5 van Richtlijn 1999/31/EG vastgestelde doelstellingen inzake voorbereiding voor hergebruik en recycling, een maximumgrens voor de verbranding van huishoudelijk afval worden overwogen. Om consistentie tussen de in artikel 11 van Richtlijn 2008/98/EG vastgestelde doelstellingen en het in artikel 5 vermelde streefdoel voor het verminderen van gestort afval te waarborgen, moeten de lidstaten die extra tijd krijgen voor het verwezenlijken van de streefdoelen voor het recycleren van stedelijk afval, daarnaast eveneens extra tijd worden gegeven voor het verwezenlijken van het streefdoel voor het verminderen van gestort afval tegen 2030 zoals vastgesteld in deze Richtlijn.

Amendement12

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 8 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(8 bis)  Om de doelstellingen van deze richtlijn te helpen verwezenlijken en de overgang naar een circulaire economie te stimuleren, moet de Commissie de coördinatie en uitwisseling van informatie en best practices tussen de lidstaten en tussen de verschillende economische sectoren bevorderen. Deze uitwisseling kan worden gefaciliteerd door middel van communicatieplatforms die nieuwe industriële oplossingen onder de aandacht kunnen brengen, een beter overzicht van de beschikbare capaciteiten kunnen geven, de afvalindustrie met andere sectoren in contact kunnen helpen brengen en industriële symbiose kunnen helpen bevorderen.

Amendement13

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 8 ter (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(8 ter)  De Commissie moet de coördinatie en uitwisseling van informatie en beste praktijken tussen lidstaten, regionale autoriteiten en in het bijzonder lokale autoriteiten bevorderen, en alle relevante maatschappelijke organisaties erbij betrekken, met inbegrip van de sociale partners en milieu- en consumentenorganisaties.

Amendement14

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 8 quater (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(8 quater)  Om de doelstellingen van deze richtlijn op passende wijze te verwezenlijken, is het noodzakelijk om ervoor te zorgen dat de lokale autoriteiten in de gebieden waar de stortplaatsen zich bevinden als belangrijke actoren worden erkend, aangezien zij de directe gevolgen van het storten van afval ondervinden. Derhalve moet worden gezorgd voor voorafgaande openbare en democratische raadplegingen in de gemeenten en bovengemeentelijke gebieden waar een stortplaats zal worden gevestigd en moet de lokale bevolking hiervoor op gepaste wijze worden gecompenseerd.

Amendement15

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 8 quinquies (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(8 quinquies)  De Commissie moet garanderen dat alle stortplaatsen in de Unie worden geïnspecteerd om ervoor te zorgen dat de EU-wetgeving en de nationale wetgeving naar behoren worden nageleefd.

Amendement16

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 9

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(9)  Om te zorgen voor een betere, snellere en meer eenvormige uitvoering van deze richtlijn en te anticiperen op zwakke punten in de uitvoering ervan, moet een systeem voor vroegtijdige waarschuwing worden ingevoerd, zodat tekortkomingen aan het licht komen en vóór de termijnen voor de verwezenlijking van de doelstellingen maatregelen kunnen worden genomen.

(9)  Om te zorgen voor een betere, snellere en meer eenvormige uitvoering van deze richtlijn en te anticiperen op zwakke punten in de uitvoering ervan, moet een systeem voor vroegtijdige waarschuwing worden ingevoerd, zodat tekortkomingen aan het licht komen en vóór de termijnen voor de verwezenlijking van de doelstellingen maatregelen kunnen worden genomen. Ook moet de uitwisseling van goede praktijken tussen de diverse belanghebbenden worden bevorderd.

Amendement17

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 11

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(11)  Door de lidstaten ingediende statistische gegevens zijn voor de Commissie essentieel om de naleving van de afvalwetgeving in alle lidstaten te kunnen beoordelen. De kwaliteit, betrouwbaarheid en vergelijkbaarheid van statistieken moet worden verbeterd door één toegangspunt voor alle gegevens over afvalstoffen in te stellen, achterhaalde verslagleggingsvereisten te schrappen, nationale verslagleggingsmethoden af te wegen en een kwaliteitscontroleverslag over de gegevens in te voeren. Betrouwbare verslaglegging over statistische gegevens betreffende afvalstoffenbeheer is van wezenlijk belang voor een doeltreffende uitvoering en voor het waarborgen van de vergelijkbaarheid van gegevens tussen de lidstaten. Bij de voorbereiding van de verslagen over de naleving van de in Richtlijn 19991/31/EG bepaalde doelstellingen zouden de lidstaten gebruik moeten maken van de recentste methode die door de Commissie en de nationale bureaus voor de statistiek van de lidstaten is ontwikkeld.

(11)  Door de lidstaten ingediende gegevens en informatie zijn voor de Commissie essentieel om de naleving van de afvalwetgeving in alle lidstaten te kunnen beoordelen. De kwaliteit, betrouwbaarheid en vergelijkbaarheid van de ingediende gegevens moet worden verbeterd door op basis van betrouwbare bronnen een gemeenschappelijke methode voor de verzameling en verwerking van gegevens in te voeren, één toegangspunt voor alle gegevens over afvalstoffen in te stellen, achterhaalde verslagleggingsvereisten te schrappen, nationale verslagleggingsmethoden af te wegen en een kwaliteitscontroleverslag over de gegevens in te voeren. Betrouwbare verslaglegging over statistische gegevens betreffende afvalstoffenbeheer is van wezenlijk belang voor een doeltreffende uitvoering en voor het waarborgen van de vergelijkbaarheid van gegevens tussen de lidstaten. Bij de voorbereiding van de verslagen over de naleving van de in Richtlijn 19991/31/EG bepaalde doelstellingen moeten de lidstaten gebruikmaken van de gezamenlijke methodologie die door de Commissie is ontwikkeld in samenwerking met de nationale bureaus voor de statistiek van de lidstaten en de nationale autoriteiten die belast zijn met afvalbeheer.

Amendement18

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 12

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(12)  Met het oog op de aanvulling of wijziging van Richtlijn 1999/31/EG, en met name met op de aanpassing van de bijlagen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag worden gedelegeerd aan de Commissie ten aanzien van artikel 16. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet er bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen voor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad. De bijlagen moeten uitsluitend worden gewijzigd in overeenstemming met de beginselen van deze Richtlijn. Hiertoe moet de Commissie, wat bijlage II betreft, rekening houden met de algemene beginselen en procedures voor het testen en de aanvaardingscriteria van bijlage II. Bovendien moeten specifieke criteria en/of testmethoden en bijbehorende grenswaarden worden vastgesteld voor elke stortplaatsklasse, en zo nodig ook voor specifieke typen stortplaats binnen elke klasse, met inbegrip van ondergrondse opslag. De Commissie moet, waar van toepassing, binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn overwegen voorstellen voor de standaardisering van controle-, bemonsterings- en analysemethoden in verband met de bijlagen goed te keuren.

(12)  Met het oog op de wijziging van Richtlijn 1999/31/EG moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag worden gedelegeerd aan de Commissie, dit in verband met de aanpassing van de bijlagen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen worden uitgevoerd in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen moeten het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip ontvangen als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen. De bijlagen moeten uitsluitend worden gewijzigd in overeenstemming met de beginselen van deze Richtlijn. Hiertoe moet de Commissie, wat bijlage II betreft, rekening houden met de algemene beginselen en procedures voor het testen en de aanvaardingscriteria van bijlage II. Bovendien moeten specifieke criteria en/of testmethoden en bijbehorende grenswaarden worden vastgesteld voor elke stortplaatsklasse, en zo nodig ook voor specifieke typen stortplaats binnen elke klasse, met inbegrip van ondergrondse opslag. De Commissie moet, waar van toepassing, binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn zo nodig overwegen voorstellen voor de standaardisering van controle-, bemonsterings- en analysemethoden in verband met de bijlagen goed te keuren.

Motivering

Afstemming op het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016.

Amendement19

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 13

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(13)  Om uniforme voorwaarden voor de uitvoering van Richtlijn 1999/31/EG te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend in verband met artikel 3, lid 3, bijlage I, punt 3.6, en bijlage II, punt 5. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad.

(13)  Om uniforme voorwaarden voor de uitvoering van Richtlijn 1999/31/EG te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot de definitie van het storten van ongevaarlijke afvalstoffen, de te hanteren methode ter vaststelling van de doorlatendheidscoëfficiënt op stortplaatsen onder bepaalde voorwaarden, en de ontwikkeling van een Europese norm voor de bemonstering van afvalstoffen, aangezien het bemonsteren van afvalstoffen wat representativiteit en technieken betreft ernstige problemen kan opleveren als gevolg van de heterogene samenstelling van veel afvalstoffen. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad.

__________________

__________________

17 Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

17 Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

Motivering

Afstemming op het Verdrag van Lissabon

Amendement20

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 16 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(16 bis)  De Commissie en de lidstaten moeten zorgen voor de ontwikkeling van plannen voor duurzaam herstel en duurzame herbestemming van stortplaatsen en gebieden die door afvalstort zijn aangetast.

Amendement21

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 16 ter (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(16 ter)  Deze richtlijn is vastgesteld met inachtneming van de verbintenissen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 en moet worden uitgevoerd en toegepast overeenkomstig de richtsnoeren die in dat akkoord zijn vervat.

Amendement22

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt -1 (nieuw)

Richtlijn 1999/31/EG

Artikel 1 – lid -1 (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

-1)  In artikel 1 wordt het volgende lid toegevoegd:

 

-1.   Een geleidelijke uitfasering van het storten van afval is een fundamentele voorwaarde voor de overgang van de Unie naar een circulaire economie.

Motivering

Het is belangrijk om in de algemene doelstelling van de richtlijn te wijzen op het belang van een geleidelijke uitfasering van het storten van afval voor de overgang naar een circulaire economie.

Amendement23

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter a

Richtlijn 1999/31/EG

Artikel 2 – punt a

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

a)  "afvalstof", "stedelijk afval", "gevaarlijke afvalstof", "afvalstoffenproducent", "afvalstoffenhouder", "afvalstoffenbeheer", "gescheiden inzameling", "nuttige toepassing", "recycling" en "verwijdering": datgene wat onder die begrippen wordt verstaan in artikel 3 van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad(*);

a)  "afvalstof", "stedelijk afval", "gevaarlijke afvalstof", "ongevaarlijke afvalstof", "afvalstoffenproducent", "afvalstoffenhouder", "afvalstoffenbeheer", "gescheiden inzameling", "nuttige toepassing", "recycling" en "verwijdering": datgene wat onder die begrippen wordt verstaan in artikel 3 van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad(*);

__________________

__________________

(*) Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).";

(*) Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).";

Motivering

De relevante definities uit artikel 3 van Richtlijn 2008/98/EG worden ingevoegd, waaronder die van "ongevaarlijke afvalstof".

Amendement24

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter a bis (nieuw)

Richtlijn 1999/31/EG

Artikel 2 – punt a bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

a bis)   het volgende punt a bis wordt ingevoegd:

 

"a bis)  restafval: afvalstoffen die ontstaan bij een behandeling of een nuttige toepassing, waaronder recycling, waarvoor geen verdere nuttige toepassing is en die bijgevolg moeten worden verwijderd;"

Amendement25

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter b bis (nieuw)

Richtlijn 1999/31/EG

Artikel 2 – punt m

 

Bestaande tekst

Amendement

 

b bis)   punt m wordt als volgt gewijzigd:

m)   biologisch afbreekbare afvalstoffen: afvalstoffen die aëroob of of anaëroob kunnen worden afgebroken, zoals voedsel- en tuinafval, en papier en karton;

"m)  biologisch afbreekbare afvalstoffen: voedsel- en tuinafval, papier en karton, en hout en andere afvalstoffen die aëroob of anaëroob kunnen worden afgebroken;

Amendement26

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 bis (nieuw)

Richtlijn 1999/31/EG

Artikel 3 – lid 3

 

Bestaande tekst

Amendement

 

1 bis)  In artikel 3 wordt lid 3 als volgt gewijzigd:

3.  Onverminderd Richtlijn 75/442/EEG kunnen de lidstaten desgewenst verklaren dat het storten van ongevaarlijke afvalstoffen, als nader te omschrijven door het comité van artikel 17, niet zijnde inerte afvalstoffen, die afkomstig zijn van de prospectie en de winning, de behandeling en de opslag van mineralen of van de exploitatie van steengroeven en zodanig gestort worden dat milieuverontreiniging en schade aan de menselijke gezondheid worden voorkomen, kan worden vrijgesteld van het bepaalde in bijlage I, de punten 2, 3.1, 3.2 en 3.3.

"3.  Onverminderd Richtlijn 75/442/EEG kunnen de lidstaten desgewenst verklaren dat het storten van ongevaarlijke afvalstoffen niet zijnde inerte afvalstoffen, die afkomstig zijn van de prospectie en de winning, de behandeling en de opslag van mineralen of van de exploitatie van steengroeven en zodanig gestort worden dat milieuverontreiniging en schade aan de menselijke gezondheid worden voorkomen, kan worden vrijgesteld van het bepaalde in bijlage I, de punten 2, 3.1, 3.2 en 3.3. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin wordt vastgelegd wat onder het storten van ongevaarlijke afvalstoffen wordt verstaan. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 17, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure."

Motivering

Afstemming op het Verdrag van Lissabon

Amendement27

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter -a (nieuw)

Richtlijn 1999/31/EG

Artikel 5 – lid 1

 

Bestaande tekst

Amendement

 

-a)  lid 1 wordt vervangen door:

1.  De lidstaten ontwikkelen uiterlijk twee jaar na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum een nationale strategie voor de vermindering van de naar stortplaatsen over te brengen biologisch afbreekbare afvalstoffen en stellen de Commissie van die strategie in kennis. De strategie dient maatregelen te omvatten er verwezenlijking van de in lid 2 vermelde doelstellingen door middel van met name hergebruik, compostering, productie van biogas of terugwinning van materialenenergie. De Commissie legt de Raad en het Europees Parlement binnen 30 maanden na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum een rapport voor met een overzicht van de nationale strategieën.

1.  De lidstaten ontwikkelen uiterlijk twee jaar na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum in samenwerking met de met afvalbeheer belaste regionale en lokale overheden een nationale strategie voor de uitfasering van de naar stortplaatsen over te brengen biologisch afbreekbare afvalstoffen en stellen de Commissie van die strategie in kennis. De strategie dient maatregelen te omvatten er verwezenlijking van de in lid 2 vermelde doelstellingen door middel van met name hergebruik, compostering, productie van biogas, terugwinning van materialen of, indien de voorgenoemde niet mogelijk zijn, terugwinning van energie. De Commissie legt de Raad en het Europees Parlement binnen 30 maanden na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum een rapport voor met een overzicht van de nationale strategieën.

Amendement28

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter b

Richtlijn 1999/31/EG

Artikel 5 – lid 3 – punt f

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

f)  afval dat overeenkomstig artikel 11, lid 1, en artikel 22, van Richtlijn 2008/98/EG gescheiden is ingezameld.

f)  afval dat overeenkomstig artikel 11, lid 1, en artikel 22, van Richtlijn 2008/98/EG gescheiden moet worden ingezameld en verpakkingen en verpakkingsafval als gedefinieerd in artikel 3 van Richtlijn 94/62/EG.

Amendement29

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter c

Richtlijn 1999/31/EG

Artikel 5 – lid 5

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

5.  De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de hoeveelheid gestort stedelijk afval tegen 2030 tot 10 % van de totale geproduceerde hoeveelheid stedelijk afval wordt verminderd.

5.  De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de hoeveelheid gestort stedelijk afval tegen 2030 tot 5 % van de totale geproduceerde hoeveelheid stedelijk afval wordt verminderd.

Amendement30

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter c

Richtlijn 1999/31/EG

Artikel 5 – lid 5 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

5 bis.   Op stortplaatsen voor niet-gevaarlijke afvalstoffen aanvaarden de lidstaten tegen 31 december 2030 alleen nog stedelijk restafval.

Amendement31

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter c

Richtlijn 1999/31/EG

Artikel 5 – lid 6 – alinea 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Estland, Griekenland, Kroatië, Letland, Malta, Roemenië en Slowakije kunnen vijf jaar extra krijgen voor de verwezenlijking van de in lid 5 bedoelde doelstelling. De lidstaat stelt de Commissie uiterlijk 24 maanden vóór het verstrijken van de desbetreffende termijnen die zijn vastgelegd in lid 5 in kennis van zijn voornemen om van deze bepaling gebruik te maken. In geval van een verlenging treffen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de hoeveelheid gestort stedelijk afval tegen 2030 tot 20 % van de totale geproduceerde hoeveelheid stedelijk afval wordt verminderd.

Een lidstaat die in 2013 meer dan 65 % van zijn stedelijk afval stortte, kan vijf jaar extra krijgen voor de verwezenlijking van de in lid 5 bedoelde doelstelling.

 

Om een dergelijke verlenging te krijgen, dient de lidstaat uiterlijk op 31 december 2028 een verzoek in bij de Commissie.

Amendement32

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter c

Richtlijn 1999/31/EG

Artikel 5 – lid 6 – alinea 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De kennisgeving gaat vergezeld van een uitvoeringsplan met de maatregelen die nodig zijn om te zorgen voor naleving van de doelstellingen vóór het verstrijken van de nieuwe termijn. Het plan omvat tevens een gedetailleerd tijdschema voor de uitvoering van de voorgestelde maatregelen en een beoordeling van de te verwachten effecten.

Het verzoek om verlenging gaat vergezeld van een uitvoeringsplan met de maatregelen die nodig zijn om te zorgen voor naleving van de doelstellingen vóór het verstrijken van de nieuwe termijn. Het plan wordt opgesteld op basis van een evaluatie van de bestaande afvalbeheerplannen en omvat tevens een gedetailleerd tijdschema voor de uitvoering van de voorgestelde maatregelen en een beoordeling van de te verwachten effecten.

 

Ook voldoet het in de derde alinea bedoelde plan ten minste aan de volgende criteria:

 

a)   het maakt op passende wijze gebruik van economische instrumenten om prikkels te bieden voor de toepassing van de afvalstoffenhiërarchie als bedoeld in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2008/98/EG;

 

b)   het geeft blijk van een efficiënt en effectief gebruik van de structuurfondsen en het Cohesiefonds via aantoonbare langetermijninvesteringen die gericht zijn op de financiering van de ontwikkeling van de infrastructuur voor afvalbeheer die nodig is om de relevante doelen te behalen;

 

c)   het voorziet in kwalitatief hoogwaardige statistieken en genereert duidelijke vooruitzichten van de afvalverwerkingscapaciteiten en de afstand tot de doelstellingen die zijn vastgelegd in lid 5 van dit artikel, de artikelen 5 en 6 van Richtlijn 94/62/EG, en artikel 11, lid 2, van Richtlijn 2008/98/EG;

 

d)   het bevat afvalbeheerplannen en afvalpreventieprogramma's als bedoeld in artikel 29 van Richtlijn 2008/98/EG.

 

De Commissie beoordeelt of aan de vereisten wordt voldaan die in de vierde alinea, onder a) tot en met d), zijn vastgesteld.

 

Tenzij de Commissie binnen vijf maanden na de datum van ontvangst bezwaar aantekent tegen het ingediende plan, wordt het verzoek tot verlenging geacht te zijn aanvaard.

 

Indien de Commissie bezwaar aantekent tegen het gepresenteerde plan, eist zij dat de betrokken lidstaat binnen twee maanden na ontvangst van deze bezwaren een herzien plan indient.

 

De Commissie beoordeelt het herziene plan binnen twee maanden na de ontvangst ervan en aanvaardt of verwerpt het verzoek om verlenging schriftelijk. Indien de Commissie binnen deze termijn geen besluit neemt, wordt het verzoek om verlenging geacht te zijn aanvaard.

 

De Commissie stelt de Raad en het Europees Parlement binnen twee maanden nadat zij een besluit heeft genomen, hiervan in kennis.

Amendement33

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter c

Richtlijn 1999/31/EG

Artikel 5 – lid 7

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

7.  Uiterlijk 31 december 2024 beziet de Commissie de in lid 5 vastgelegde doelstelling opnieuw om deze zo nodig te verlagen en beperkingen van het storten van ongevaarlijke afvalstoffen behalve stedelijk afval toe te voegen. Hiertoe wordt een verslag van de Commissie, dat indien nodig vergezeld gaat van een voorstel, aan het Europees Parlement en de Raad gezonden.".

7.  Uiterlijk op 31 december 2018 onderzoekt de Commissie de mogelijkheid om een doelstelling voor en beperkingen op het storten van andere ongevaarlijke afvalstoffen dan stedelijk afval in te voeren. Hiertoe wordt een verslag van de Commissie, dat indien nodig vergezeld gaat van een wetgevingsvoorstel, aan het Europees Parlement en de Raad gezonden.".

Amendement34

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter c bis (nieuw)

Richtlijn 1999/31/EG

Artikel 5 – lid 7 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

c bis)  In artikel 5 wordt het volgende lid toegevoegd:

 

7 bis.  De Commissie doet nader onderzoek naar de haalbaarheid van een voorstel voor een regelgevingskader voor "enhanced landfill mining", teneinde het mogelijk te maken secundaire grondstoffen terug te winnen die in bestaande stortplaatsen aanwezig zijn. Tegen 31 december 2025 brengen de lidstaten de bestaande stortplaatsen in kaart, met vermelding van de mogelijkheden voor "enhanced landfill mining", en wisselen zij informatie uit.

Motivering

Dankzij "enhanced landfill mining" kunnen niet alleen waardevolle materialen worden teruggewonnen en opnieuw in de cyclus worden gebracht, maar kan ook grondoppervlakte worden teruggewonnen, rekening houdend met het feit dat veel van de 500 000 historische stortplaatsen in de EU zich in een (semi)stedelijke omgeving bevinden.

Amendement35

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 3

Richtlijn 1999/31/EG

Artikel 5 bis – lid 2 – inleidende formule

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  De in lid 1 bedoelde verslagen omvatten het volgende:

2.  De in lid 1 bedoelde verslagen worden openbaar gemaakt en omvatten het volgende:

Amendement36

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 3

Richtlijn 1999/31/EG

Artikel 5 bis – lid 2 – punt b bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

"b bis)  voorbeelden van best practices die in de hele Unie worden toegepast en die als leidraad kunnen dienen om vooruitgang te boeken bij de verwezenlijking van de in artikel 5 vastgestelde doelstellingen."

Amendement37

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 bis (nieuw)

Richtlijn 1999/31/EG

Artikel 5 ter (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

3 bis)  Het volgende artikel 5 ter wordt toegevoegd:

 

Artikel 5 ter

 

Uitwisseling van best practices en informatie

 

De Commissie zet een platform op voor een regelmatige en structurele uitwisseling van best practices en informatie tussen de Commissie en de lidstaten over de praktische uitvoering van de voorschriften van deze richtlijn. Die uitwisseling zal helpen zorgen voor goed bestuur, handhaving, grensoverschrijdende samenwerking en de uitwisseling van best practices zoals innovatiedeals en intercollegiale toetsing. Voorts stimuleert het platform koplopers en maakt het sprongsgewijze vooruitgang mogelijk. De Commissie maakt de resultaten van het platform openbaar.

Motivering

Uitwisseling van best practices en informatie is belangrijk om alle lidstaten in staat te stellen de doelstellingen te verwezenlijken.

Amendement38

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 ter (nieuw)

Richtlijn 1999/31/EG

Artikel 6 – punt a

 

Bestaande tekst

Amendement

 

3 ter)   Artikel 6, punt a, wordt als volgt gewijzigd:

“a)  alleen behandelde afvalstoffen worden gestort. Deze bepaling behoeft niet van toepassing te zijn op inerte afvalstoffen waarvan de behandeling technisch niet realiseerbaar is of op andere afvalstoffen waarvoor een dergelijke behandeling niet tot de verwezenlijking van de in artikel 1 vermelde doelstellingen van de richtlijn bijdraagt door vermindering van de hoeveelheid afvalstoffen of de gevaren voor de volksgezondheid dan wel het milieu;"

“a)  alleen behandelde afvalstoffen worden gestort. Als de lidstaat in kwestie de reductiedoelstellingen van artikel 5, lid 2, van deze richtlijn, en de recyclingdoelstellingen van artikel 11 van Richtlijn 2008/98/EG heeft verwezenlijkt, behoeft deze bepaling niet van toepassing te zijn op inerte afvalstoffen waarvan de behandeling technisch niet realiseerbaar is of op andere afvalstoffen waarvoor een dergelijke behandeling niet tot de verwezenlijking van de in artikel 1 vermelde doelstellingen van de richtlijn bijdraagt door vermindering van de hoeveelheid afvalstoffen of de gevaren voor de volksgezondheid dan wel het milieu;"

Amendement39

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 4

Richtlijn 1999/31/EG

Artikel 6 – punt a – tweede alinea

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4)  In artikel 6, onder a), wordt de volgende zin toegevoegd:

4)  In artikel 6, punt a, wordt de volgende alinea toegevoegd:

"De lidstaten zorgen ervoor dat overeenkomstig dit punt getroffen maatregelen het bewerkstelligen van de doelstellingen van Richtlijn 2008/98/EG niet in gevaar brengen, met name wat betreft de verhoging van de voorbereiding voor hergebruik en van recycling zoals vastgesteld in artikel 11 van die Richtlijn;".

"De lidstaten zorgen ervoor dat overeenkomstig dit punt getroffen maatregelen het bewerkstelligen van de doelstellingen van Richtlijn 2008/98/EG niet in gevaar brengen, met name wat betreft de afvalhiërarchie en de verhoging van de voorbereiding voor hergebruik en van recycling zoals vastgesteld in artikel 11 van die Richtlijn;".

Amendement40

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 6

Richtlijn 1999/31/EG

Artikel 15 – lid 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  De lidstaten rapporteren de gegevens betreffende de uitvoering van artikel 5, leden 2 en 5, voor elk kalenderjaar aan de Commissie. Zij dienen deze gegevens uiterlijk 18 maanden na het einde van het verslagjaar waarvoor de gegevens zijn verzameld elektronisch in. De gegevens worden gerapporteerd in de vorm die door de Commissie in overeenstemming met lid 5 is vastgesteld. Het eerste verslag omvat de gegevens voor de periode van 1 januari [enter year of transposition of this Directive + 1 year] tot en met 31 december [enter year of transposition of this Directive + 1 year].

1.  De lidstaten rapporteren de gegevens betreffende de uitvoering van artikel 5, leden 2 en 5, voor elk kalenderjaar aan de Commissie. Zij dienen deze gegevens uiterlijk 12 maanden na het einde van het verslagjaar waarvoor de gegevens zijn verzameld elektronisch in. De gegevens worden gerapporteerd in de vorm die door de Commissie in overeenstemming met lid 5 is vastgesteld. Het eerste verslag over de in artikel 5, lid 5, vervatte doelstelling omvat de gegevens voor de periode van 1 januari [enter year of transposition of this Directive + 1 year] tot en met 31 december [enter year of transposition of this Directive + 1 year].

Amendement41

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 6 bis (nieuw)

Richtlijn 1999/31/EG

Artikel 15 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

6 bis)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:

 

"Artikel 15 bis

 

Instrumenten om een verschuiving naar een meer circulaire economie te bevorderen

 

Om de doelstellingen van deze richtlijn te helpen verwezenlijken, maken de lidstaten gebruik van passende economische instrumenten en treffen zij andere maatregelen om stimulansen te bieden voor de toepassing van de afvalstoffenhiërarchie. Hierbij kan het gaan om de instrumenten en maatregelen die zijn vermeld in bijlage IV bis bij Richtlijn 2008/98/EG."

Amendement42

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 6 ter (nieuw)

Richtlijn 1999/31/EG

Artikel 15 ter (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

6 ter)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:

 

"Artikel 15 ter

 

Vaststelling van de doorlatendheidscoëfficiënt op stortplaatsen

 

De te hanteren methode voor de vaststelling van de doorlatendheidscoëfficiënt op stortplaatsen, in het veld en voor het gehele terrein, wordt door de Commissie ontwikkeld en vastgesteld door middel van uitvoeringshandelingen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 17, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld."

Motivering

Afstemming op het Verdrag van Lissabon

Amendement43

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 6 quater (nieuw)

Richtlijn 1999/31/EG

Artikel 15 quater (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

6 quater)  Het volgende artikel 15 quater wordt ingevoegd:

 

"Artikel 15 quater

 

Europese norm voor de bemonstering van afvalstoffen

 

De Commissie ontwikkelt door middel van uitvoeringshandelingen een Europese norm voor de bemonstering van afvalstoffen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 17, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. Totdat die uitvoeringshandelingen zijn vastgesteld, kunnen de lidstaten nationale normen en procedures toepassen."

Motivering

Afstemming op het Verdrag van Lissabon

Amendement44

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 9

Richtlijn 1999/31/EG

Artikel 17 bis – lid 3 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

3 bis.  Voordat zij een gedelegeerde handeling vaststelt, raadpleegt de Commissie de deskundigen die door elke lidstaat zijn aangewezen overeenkomstig de beginselen van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016.

Motivering

Afstemming op het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016.

Amendement45

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 bis (nieuw)

Richtlijn 1999/31/EG

Bijlage I – punt 3.5

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

9 bis)  Bijlage I, punt 3.5 wordt geschrapt.

Motivering

Afstemming op het Verdrag van Lissabon

Amendement46

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 ter (nieuw)

Richtlijn 1999/31/EG

Bijlage II – punt 5

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

9 ter)  Bijlage II, punt 5, wordt geschrapt.

Motivering

Afstemming op het Verdrag van Lissabon

(1)

PB C 264 van 20.7.2016, blz. 98

(2)

PB C 17 van 17.12.2011, blz. 46.


TOELICHTING

Als horizontale aanpak heeft de rapporteur ervoor gekozen om zich te concentreren op de gebieden waar de EU-dimensie duidelijke meerwaarde biedt.

Daartoe wordt in het verslag steun uitgesproken voor effectieve maatregelen ter bevordering van een efficiënt gebruik van hulpbronnen en een vermindering van de afvalproductie en het effect daarvan op het milieu, teneinde de overgang naar een circulaire economie concreet aan te moedigen.

De circulaire economie is vooral wat hulpbronnen betreft een efficiënt economisch model, dat het gebruik van hulpbronnen zal verbeteren en tegelijk zal verminderen, waardoor ook problemen in verband met de grondstoffenbevoorrading wordt aangepakt. Zo zal het milieu beter worden beschermd, zal herindustrialisering worden gestimuleerd, zal het concurrentievermogen van Europa op wereldvlak worden vergroot, en zal het creëren van nieuwe banen en nieuwe kansen voor het bedrijfsleven worden bevorderd.

Een dergelijke systeemomslag vergt ambitieuze beleidskeuzen die ondersteund worden door een duidelijk wetgevingskader dat aan investeerders de juiste signalen kan geven. Als in de Europese wetgeving geen duidelijke definities en bindende doelstellingen worden vastgesteld, kan er minder vooruitgang worden geboekt met de omschakeling.

De rapporteur wenst eraan te herinneren dat de voornaamste doelstellingen van het zevende Europese milieuactieprogramma erin bestaat de EU om te vormen tot een groene, koolstofarme en hulpbronnenefficiënte economie.

Daartoe is een paradigmaverandering nodig die naast afvalstoffenbeheer ook beleid inhoudt dat afval als een echte grondstof op zich beschouwt. Om die doelstelling te bereiken, moet de Europese afvalstoffenwetgeving volledig ten uitvoer worden gelegd door een strikte toepassing van de afvalhiërarchie, aangevuld met verdere maatregelen om de afvalproductie te verminderen. De rapporteur wijst er meermaals op dat afvalstoffenbeheer in een circulaire economie in de eerste plaats preventief moet worden aangepakt, en vervolgens door afvalstoffen weer in het productieproces op te nmen.

Richtlijn betreffende het storten van afvalstoffen

De hoeveelheid afval die wordt gestort, is een sterke indicator en in de context van een circulaire economie kunnen beperkingen op het storten van afval als hefboom worden gebruikt. De doelstellingen van de richtlijn betreffende het storten van afvalstoffen en de kaderrichtlijn afvalstoffen zijn met elkaar verweven; een vermindering van de hoeveelheid gestort afval kan slechts worden bewerkstelligd en moet hand in hand gaan met strengere doelstellingen voor het inzamelen en recyclen van afval. Storten dient slechts een laatste redmiddel te zijn als het niet mogelijk is het afval te voorkomen, te recyclen, nuttig toe te passen of ten minste zoveel mogelijk te beperken en te decontamineren. De rapporteur is dan ook verheugd over het voorstel van de Commissie om de richtlijn betreffende het storten van afvalstoffen te wijzigen en het storten van stedelijk afval verder te verminderen.

Het Commissievoorstel omvat een streefdoel om het storten van stedelijk afval tegen 2030 te verminderen tot maximaal 10 %. Ook wordt voor zeven met naam genoemde lidstaten in een optionele extra overgangsperiode van vijf jaar voorzien. Voorts wordt in samenwerking met het Europees Milieuagentschap een systeem voor vroegtijdige waarschuwing ingesteld en wordt de verslagleggingsregeling gewijzigd. Ten slotte worden de bepalingen betreffende secundaire wetgeving geactualiseerd.

De rapporteur staat achter de meeste punten van het voorstel, maar stelt een aantal wijzigingen voor om het coherenter en ambitieuzer te maken, met name:

Geleidelijke afschaffing in plaats van vermindering van storten:

Zoals hierboven is toegelicht, dient storten in de toekomst alleen te worden toegestaan als er geen alternatieven zijn. Hoewel dit wellicht niet meteen gevolgen zal hebben voor de uitvoering, is het van groot belang in de hele tekst duidelijke taal te spreken en aan te geven dat een kwantitatieve verminderingsdoelstelling geen doel op zich is, maar een middel om tot een duurzaam hulpbronnenbeheer te komen. Daarom moet in de tekst worden vermeld dat alleen behandeld afval dat niet meer kan worden gerecycled, mag worden gestort.

Een geleidelijke aanpak met het oog op een ambitieuzer streefdoel voor 2030:

Uit de ervaring blijkt dat de uitvoering van milieuwetgeving voortdurende monitoring vereist. De rapporteur stelt voor het storten van restafval, in plaats van 10% tegen 2030, een ambitieuzer streefcijfer van 5% vast, dat beter aansluit bij de idee van een circulaire economie.

Extra overgangsperiode voor lidstaten die problemen hebben met de uitvoering:

De rapporteur is ingenomen met de flexibele aanpak die de Commissie voorstelt, maar vindt de lijst van zeven geselecteerde lidstaten willekeurig, oneerlijk en demotiverend voor alle betrokken partijen. De rapporteur stelt voor om de respijtperiode op transparante en begrijpelijke criteria te baseren en een ondubbelzinnige procedure voor het toestaan van afwijkingen in te stellen.

Een mogelijke beperking op het storten van ongevaarlijke afvalstoffen behalve stedelijk afval:

De rapporteur betreurt het dat het Commissievoorstel ambitie mist wat niet-stedelijk afval betreft, en stelt voor om de Commissie te laten onderzoeken of er al in 2018 een optioneel streefdoel kan worden vastgesteld.

Uniforme bepalingen voor de vaststelling van de doorlatendheidscoëfficiënt op stortplaatsen:

De rapporteur stelt vast dat de Commissie zich niet kwijt van de taken die haar in de bijlagen I en II zijn toegewezen. Deze bepalingen zijn echter noodzakelijk voor het veilige beheer van een stort. Daarom stelt de rapporteur een zeer nauwkeurige bewoording voor om de Commissie in staat te stellen de nodige technische bepalingen uit te werken en vast te stellen.


ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie (8.11.2016)

aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 1999/31/EG van de Raad betreffende het storten van afvalstoffen

(COM(2015)0594 – C8-0384/2015 – 2015/0274(COD))

Rapporteur voor advies: Pavel Telička

BEKNOPTE MOTIVERING

Op 2 december 2015 heeft de Europese Commissie een nieuw

pakket maatregelen voor een circulaire economie vastgesteld, waaronder het actieplan voor de circulaire economie en vier wetgevingsvoorstellen betreffende afvalstoffen. Doel van dit wetgevingsvoorstel is streefcijfers voor afvalvermindering vast te stellen, waaronder streefcijfers voor storten, hergebruik en recycling, die tegen 2030 moeten worden gehaald. Het voorstel bevat ook een ambitieus en geloofwaardig langetermijntraject voor afvalbeheer en recycling.

Hoewel de Commissie ITRE heeft besloten het pakket in vier afzonderlijke dossiers op te splitsen, houden deze nauw verband met elkaar. Veel van de wijzigingen betreffende statistieken en definities van afvalstoffen zijn opgenomen in de kaderrichtlijn afvalstoffen. De doelstellingen en verplichtingen die op deze definities of statistieken zijn gebaseerd, worden in de drie andere richtlijnen gepresenteerd. Daarom moet voor samenhang tussen alle dossiers worden gezorgd.

De rapporteur voor advies is ingenomen met het herziene voorstel van de Europese Commissie omdat het blijk geeft van een bredere, meer holistische en ook meer realistische aanpak. Betrouwbare rapportage van statistische gegevens over afvalbeheer is inderdaad van groot belang om te zorgen voor een gelijk speelveld tussen de lidstaten en een efficiënt afvalbeheer in de EU. Verdere verbetering op dit gebied is zonder twijfel nodig. De streefcijfers die de Europese Commissie voorstelt, moeten ambitieus, maar ook realistisch en voor alle lidstaten haalbaar zijn. Anders bestaat in de EU het risico van fragmentering van de interne markt en niet-inclusieve en dus ongelijke ontwikkeling op dit gebied. Een langetermijnvisie met voldoende ambitieuze doelen is de juiste werkwijze. De rapporteur heeft echter nog steeds twijfels over de methode die wordt gebruikt om streefcijfers vast te stellen, ongeacht of die passend zijn. Na de verzameling van betrouwbare en vergelijkbare gegevens zal het ook nodig zijn de streefcijfers en ambities te herzien tot het passende niveau. De rapporteur betreurt voorts dat in het hele voorstel geen aandacht wordt besteed aan onderwijs en voorlichting, die bij de omschakeling centraal zouden moeten staan.

De wijziging van de richtlijn betreffende het storten van afvalstoffen heeft ten doel het afvalbeheer in de EU te verbeteren door doelstellingen ter vermindering van gestort afval vast te stellen die voor 2030 moeten worden verwezenlijkt evenals doelstellingen voor de verdere vermindering van het storten van gescheiden ingezameld afval, met inbegrip van bioafval. Dit voorstel beoogt het sorteren en recyclen van afval overeenkomstig de afval hiërarchie verder te bevorderen (zie de kaderrichtlijn afvalstoffen). De rapporteur is ingenomen met het voorstel en stelt dat definities en nauwkeurige statistische gegevens de hoeksteen van de gehele afvalwetgeving vormen en onontbeerlijk zijn om de voortgang bij het behalen van de doelstellingen ten aanzien van de afvalwetgeving en de circulaire economie te meten.

De rapporteur onderstreept dat het van belang is dat de uitwisseling van informatie en beste praktijken niet alleen op EU-niveau plaatsvindt maar eveneens tussen verschillende sectoren van de economie, met inbegrip van de afvalindustrie en de financiële sector; Dit kan worden bereikt door de oprichting van communicatieplatforms die het bewustzijn ten aanzien van nieuwe industriële oplossingen kunnen helpen vergroten, een beter overzicht kunnen bieden van de beschikbare capaciteiten en de industriële symbiose kunnen bevorderen, hetgeen aanzienlijk kan bijdragen aan de transitie naar een meer circulaire economie. De rapporteur is eveneens van mening dat de financiële middelen die de Commissie voor deze transitie heeft uitgetrokken eveneens zouden kunnen worden gebruikt voor onderzoeksprojecten met betrekking tot de behandeling van afval, met name van gevaarlijk afvalstoffen.

De rapporteur is ingenomen met het voorstel om de verslagleggingsvereisten voor de lidstaten te vereenvoudigen, hoewel sommige door de Commissie voorgestelde delen voor meerderlei uitleg vatbaar zijn. De Commissie stelt tevens een systeem van verslaglegging om de drie jaar voor, maar de vraag is hoe in de praktijk aan deze termijnen voldaan zal worden en wanneer het verslagleggingsproces na de omzetting van deze richtlijn van start moet gaan om voldoende tijd te hebben voor een evaluatie en nadere maatregelen, indien die nodig zijn.

De rapporteur steunt de beperkingen ten aanzien van het storten van bioafval, maar is van mening dat het verplicht moet worden gesteld bioafval gescheiden in te zamelen en dat de noodzaak van verplichte gescheiden inzameling van bioafval nader moet worden toegelicht in de kaderrichtlijn afvalstoffen. De rapporteur zal daarom verdere amendementen indienen inzake de verplicht gescheiden inzameling van bioafval in de kaderrichtlijn afvalstoffen, teneinde een duidelijke koppeling tussen beide dossiers tot stand te brengen.

Er zijn enorme verschillen tussen de absolute hoeveelheden afval die in de afzonderlijke lidstaten worden geproduceerd. In de berekeningsmethode voor de door de Commissie voorgestelde stortdoelstellingen (in percentages) wordt niet voldoende rekening met deze verschillen gehouden. De rapporteur is van mening dat de Commissie eveneens een ander streefcijfer moet beoordelen gebaseerd op de totale hoeveelheid afval die mag worden gestort, berekend in kilogram per persoon per jaar. Dit zou vergelijkingen tussen de lidstaten vereenvoudigen en een betere evaluatie van afvalpreventie, die bovenaan in de afvalhiërarchie staat, mogelijk maken. Het zou daarom eveneens bijdragen tot een vermindering van de totale hoeveelheid afval die jaarlijks wordt gegenereerd.

De Rapporteur wijst met klem op de noodzaak van een een goede tenuitvoerlegging en handhaving van de bestaande afvalwetgeving. De Commissie dient bij eventuele verdere maatregelen rekening te houden met de in het Interinstitutioneel Akkoord "Beter wetgeven" opgenomen afspraken.

AMENDEMENTEN

De Commissie industrie, onderzoek en energie verzoekt de ten principale bevoegde Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid onderstaande amendementen in aanmerking te nemen:

Amendement    1

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(1)  Het afvalstoffenbeheer in de Unie moet worden verbeterd met het oog op de bescherming, het behoud en de verbetering van de kwaliteit van het milieu, de bescherming van de gezondheid van de mens, het behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen, en de bevordering van een meer circulaire economie.

(1)  Het afvalstoffenbeheer in de Unie moet worden verbeterd met het oog op de bescherming, het behoud en de verbetering van de kwaliteit van het milieu, de bescherming van de gezondheid van de mens, het behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen, het stimuleren van de energietransitie en energie-efficiëntie, en de bevordering van een meer circulaire economie die het mogelijk maakt de Unie minder afhankelijk te maken van natuurlijke hulpbronnen.

Amendement    2

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(2)  De in Richtlijn 1999/31/EG van de Raad vastgestelde doelstellingen14 ter vermindering van gestort afval moeten worden gewijzigd teneinde beter aan te sluiten bij de ambitie van de Unie om tot een circulaire economie te komen en vooruitgang te boeken met de uitvoering van het grondstoffeninitiatief door het storten van afval bestemd voor stortplaatsen voor niet-gevaarlijk afval te verminderen.

(2)  De in Richtlijn 1999/31/EG van de Raad vastgestelde doelstellingen14 ter vermindering van gestort afval moeten worden herzien teneinde beter aan te sluiten bij de ambitie van de Unie om tot een circulaire economie te komen en vooruitgang te boeken met de uitvoering van het grondstoffeninitiatief15 door het storten van afval bestemd voor stortplaatsen voor niet-gevaarlijk afval geleidelijk te verminderen totdat het storten hiervan geheel wordt beëindigd.

__________________

__________________

14 Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (PB L 182 van 16.7.1999, blz. 1).

14 Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (PB L 182 van 16.7.1999, blz. 1).

15 COM(2008) 699 en COM(2014) 297.

15 COM(2008) 699 en COM(2014) 297.

Amendement    3

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(5)  Er zouden duidelijke milieu-, economische en sociale voordelen verbonden zijn aan een verdere beperking van het storten van afval, te beginnen met afvalstromen die onderworpen zijn aan gescheiden inzameling (bv. plastic, metaal, glas, papier, bioafval). Bij de uitvoering van die beperkingen moet rekening worden gehouden met de technische, ecologische of economische haalbaarheid van het recycleren of op andere wijze terugwinnen van restafval dat voortkomt uit een gescheiden afvalinzameling.

(5)  Er zouden duidelijke milieu-, economische en sociale voordelen verbonden zijn aan een verdere beperking van het storten van afval, te beginnen met afvalstromen die onderworpen zijn aan gescheiden inzameling (bv. plastic, metaal, glas, papier, bioafval). De verbetering van de technische, ecologische of economische haalbaarheid van het recycleren moet verder worden ondersteund om de hoeveelheid restafval na gescheiden afvalinzameling zoveel mogelijk te beperken.

Motivering

Afval dat gescheiden is ingezameld en recycleerbaar is, zou niet op een stortplaats terecht mogen komen. Er zijn verdere investeringen nodig om de hoeveelheid restafval te verminderen.

Amendement    4

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(6)  Veel stedelijk afval is biologisch afbreekbaar. Het storten van onbehandeld biologisch afbreekbaar afval brengt aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu met zich mee op het gebied van broeikasgasemissies en de vervuiling van oppervlaktewater, grondwater, bodem en lucht. Hoewel in Richtlijn 1999/31/EG al streefdoelen zijn vastgesteld voor het voorkomen van het storten van biologisch afbreekbaar afval, is het passend om het storten van biologisch afbreekbaar afval verder te beperken door het storten van biologisch afbreekbaar afval dat overeenkomstig artikel 22 van Richtlijn 2008/98/EG gescheiden is ingezameld, te verbieden.

(6)  Veel stedelijk afval is biologisch afbreekbaar. Het storten van onbehandeld biologisch afbreekbaar afval brengt aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu met zich mee op het gebied van broeikasgasemissies en de vervuiling van oppervlaktewater, grondwater, bodem en lucht. Hoewel in Richtlijn 1999/31/EG al streefdoelen zijn vastgesteld voor het voorkomen van het storten van biologisch afbreekbaar afval, is het passend om het storten van biologisch afbreekbaar afval verder te beperken door het storten van biologisch afbreekbaar afval dat overeenkomstig artikel 22 van Richtlijn 2008/98/EG gescheiden moet worden ingezameld, te verbieden. De Commissie en de lidstaten moeten het gebruik van alternatieve maatregelen voor de duurzame behandeling van biologisch afbreekbaar afval met behulp van nieuwe technologieën en technieken zoals compostering met wormen of biologische vergisting stimuleren.

Amendement    5

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(7)  In veel lidstaten is de nodige infrastructuur voor afvalstoffenbeheer nog niet volledig uitgebouwd. Door het vaststellen van streefdoelen voor het verminderen van gestort afval zullen het gescheiden inzamelen, sorteren en recycleren van afval worden vergemakkelijkt en zal worden vermeden dat recycleerbare materialen onderaan de afvalhiërarchie blijven vastzitten.

(7)  In veel lidstaten is de nodige infrastructuur voor afvalstoffenbeheer nog niet volledig uitgebouwd. Door het vaststellen van duidelijke streefdoelen voor het verminderen van gestort afval en het vaststellen van een kaderprogramma met een tijdpad voor de verwezenlijking daarvan moeten het gescheiden inzamelen, sorteren en recycleren van afval worden aangemoedigd en vergemakkelijkt. Deze ambitieuze streefdoelen moeten bovendien een geschikt kader bieden om verdere publieke en private investeringen in infrastructuur, onderzoek en deskundigheid te stimuleren en moeten vermijden dat recycleerbare materialen onderaan de afvalhiërarchie blijven vastzitten.

Amendement    6

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(8)  Een geleidelijke vermindering van het storten van afval is noodzakelijk om negatieve gevolgen voor de gezondheid van de mens en voor het milieu te voorkomen en om te waarborgen dat economisch waardevolle afvalmaterialen geleidelijk en doeltreffend worden teruggewonnen door middel van een adequaat afvalstoffenbeheer en in overeenstemming met de afvalhiërarchie. Bij die vermindering moet worden vermeden dat overcapaciteit ontstaat voor het behandelen van restafval, bijvoorbeeld door energieterugwinning of kwalitatief laagwaardige biomechanische behandeling van onbehandeld stedelijk afval, aangezien dit zou kunnen leiden tot een ondergraving van de verwezenlijking van de langetermijndoelstelling van de Unie voor hergebruik en recycling van afvalstoffen, zoals vastgesteld in artikel 11 van Richtlijn 2008/98/EG. Op vergelijkbare wijze en om negatieve gevolgen voor de gezondheid van de mens en voor het milieu te voorkomen, moeten de lidstaten alle nodige maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat alleen behandeld afval wordt gestort, maar mag de naleving van een dergelijke verplichting desalniettemin niet leiden tot het creëren van overcapaciteiten voor het behandelen van stedelijk restafval. Om consistentie tussen de in artikel 11 van Richtlijn 2008/98/EG vastgestelde doelstellingen en het in artikel 5 vermelde streefdoel voor het verminderen van gestort afval te waarborgen, moeten de lidstaten die extra tijd krijgen voor het verwezenlijken van de streefdoelen voor het recycleren van stedelijk afval, daarnaast eveneens extra tijd worden gegeven voor het verwezenlijken van het streefdoel voor het verminderen van gestort afval tegen 2030 zoals vastgesteld in deze Richtlijn.

(8)  Een geleidelijke vermindering van het storten van afval is noodzakelijk om negatieve gevolgen voor de gezondheid van de mens en voor het milieu te voorkomen en om te waarborgen dat economisch waardevolle afvalmaterialen geleidelijk en doeltreffend worden teruggewonnen door middel van een adequaat afvalstoffenbeheer en in overeenstemming met de afvalhiërarchie als vastgelegd in Richtlijn 2008/98/EG. Deze geleidelijke vermindering van het storten van afval zal in veel lidstaten een grote verandering van het afvalbeheer teweegbrengen. Met verbeterde statistische gegevens inzake de inzameling en behandeling van afval zou het mogelijk moeten zijn te vermijden dat overcapaciteit ontstaat voor het behandelen van restafval, bijvoorbeeld door energieterugwinning of kwalitatief laagwaardige biomechanische behandeling van onbehandeld stedelijk afval, aangezien dit zou kunnen leiden tot een ondergraving van de verwezenlijking van de langetermijndoelstelling van de Unie voor hergebruik en recycling van afvalstoffen, zoals vastgesteld in artikel 11 van Richtlijn 2008/98/EG. Op vergelijkbare wijze en om negatieve gevolgen voor de gezondheid van de mens en voor het milieu te voorkomen, moeten de lidstaten alle nodige maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat alleen behandeld afval wordt gestort, maar mag de naleving van een dergelijke verplichting desalniettemin niet leiden tot het creëren van overcapaciteiten voor het behandelen van stedelijk restafval. Op deze manier kan een hoge kwaliteit van het gescheiden materiaal worden bereikt. Daarom is het belangrijk dat het streven naar de stopzetting van het storten van afval niet leidt tot een toename in de verbrandingspercentages en -vermogens en het overmatig storten van afval. Om consistentie tussen de in artikel 11 van Richtlijn 2008/98/EG vastgestelde doelstellingen en het in artikel 5 vermelde streefdoel voor het verminderen van gestort afval te waarborgen, moeten de lidstaten die extra tijd krijgen voor het verwezenlijken van de streefdoelen voor het recycleren van stedelijk afval, daarnaast eveneens extra tijd worden gegeven voor het verwezenlijken van het streefdoel voor het verminderen van gestort afval tegen 2030 zoals vastgesteld in deze Richtlijn. Er moet eveneens voor worden gezorgd dat het transport van afval zo kostenefficiënt en duurzaam mogelijk plaatsvindt in overeenstemming met de beginselen en vereisten van Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad1 bis, met name in overeenstemming met de beginselen van nabijheid, voorrang voor nuttige toepassing en zelfvoorziening. Dit transport van afval moet daarom goed worden gecontroleerd en gecoördineerd om te waarborgen dat dit op een wijze gebeurt die geheel in overeenstemming is met de beginselen en uitgangspunten van de circulaire economie.

 

_____________________

 

1 bis Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PB L 190 van 12.7.2006, blz. 1).

Amendement    7

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 8 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(8 bis)  De Commissie moet nagaan of het wenselijk is om een streefcijfer in te voeren voor de totale hoeveelheid afval, zij het stedelijk afval of alle soorten afval ongeacht de herkomst daarvan, die mag worden gestort, berekend in kilogram per persoon per jaar. Een dergelijk streefcijfer zou vergelijkingen tussen de lidstaten vereenvoudigen en een betere evaluatie van afvalpreventie, die bovenaan in de afvalhiërarchie staat, mogelijk maken. Het zou daarom eveneens bijdragen tot een vermindering van de totale hoeveelheid afval die jaarlijks wordt gegenereerd.

Amendement    8

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 8 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(8 ter)  Teneinde de doelstellingen van Richtlijn 1999/31/EG te helpen verwezenlijken moet de Commissie de coördinatie en uitwisseling van informatie en beste praktijken bevorderen, zowel tussen de lidstaten en decentrale overheden - met name wanneer deze overheden verantwoordelijk zijn voor het afvalbeheer - als tussen de verschillende sectoren van de economie, met inbegrip van de afvalindustrie en de financiële sector. Dit kan worden bereikt door de oprichting van communicatieplatformen die het bewustzijn ten aanzien van nieuwe industriële oplossingen kunnen helpen vergroten, een beter overzicht kunnen bieden van de beschikbare capaciteiten, en zouden bijdragen tot een koppeling tussen de afvalindustrie en de financiële sector en tot bevordering van de industriële symbiose, in het voortdurende bewustzijn dat dit essentieel is om het concurrentievermogen van de Europese industrie in stand te houden.

Amendement    9

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(9)  Om te zorgen voor een betere, snellere en meer eenvormige uitvoering van deze richtlijn en te anticiperen op zwakke punten in de uitvoering ervan, moet een systeem voor vroegtijdige waarschuwing worden ingevoerd, zodat tekortkomingen aan het licht komen en vóór de termijnen voor de verwezenlijking van de doelstellingen maatregelen kunnen worden genomen.

(9)  Om te zorgen voor een betere, snellere en meer eenvormige uitvoering van deze richtlijn en te anticiperen op zwakke punten in de uitvoering ervan, moet een systeem voor vroegtijdige waarschuwing worden ingevoerd, zodat tekortkomingen aan het licht komen en vóór de termijnen voor de verwezenlijking van de doelstellingen maatregelen kunnen worden genomen. Ook moet de uitwisseling van goede praktijken tussen de diverse belanghebbenden worden bevorderd.

Amendement    10

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 11

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(11)  Door de lidstaten ingediende statistische gegevens zijn voor de Commissie essentieel om de naleving van de afvalwetgeving in alle lidstaten te kunnen beoordelen. De kwaliteit, betrouwbaarheid en vergelijkbaarheid van statistieken moet worden verbeterd door één toegangspunt voor alle gegevens over afvalstoffen in te stellen, achterhaalde verslagleggingsvereisten te schrappen, nationale verslagleggingsmethoden af te wegen en een kwaliteitscontroleverslag over de gegevens in te voeren. Betrouwbare verslaglegging over statistische gegevens betreffende afvalstoffenbeheer is van wezenlijk belang voor een doeltreffende uitvoering en voor het waarborgen van de vergelijkbaarheid van gegevens tussen de lidstaten. Bij de voorbereiding van de verslagen over de naleving van de in Richtlijn 19991/31/EG bepaalde doelstellingen zouden de lidstaten gebruik moeten maken van de recentste methode die door de Commissie en de nationale bureaus voor de statistiek van de lidstaten is ontwikkeld.

(11)  Door de lidstaten ingediende statistische gegevens zijn voor de Commissie essentieel om de naleving van de afvalwetgeving in alle lidstaten te kunnen beoordelen. De kwaliteit, betrouwbaarheid en vergelijkbaarheid van statistieken moet worden verbeterd door een geharmoniseerde methode voor de verzameling en verwerking van gegevens in te voeren en door één toegangspunt voor alle gegevens over afvalstoffen in te stellen, te weten Eurostat, en door achterhaalde verslagleggingsvereisten te schrappen, nationale verslagleggingsmethoden af te wegen en een kwaliteitscontroleverslag over de gegevens in te voeren, gebaseerd op een geharmoniseerd model. Betrouwbare verslaglegging over vergelijkbare statistische gegevens betreffende afvalstoffenbeheer is van wezenlijk belang voor een doeltreffende uitvoering en voor het waarborgen van de vergelijkbaarheid van gegevens tussen de lidstaten. Bij de voorbereiding van de verslagen over de naleving van de in Richtlijn 19991/31/EG bepaalde doelstellingen zouden de lidstaten gebruik moeten maken van de recentste methode die door de Commissie en de nationale bureaus voor de statistiek van de lidstaten is ontwikkeld.

Amendement    11

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 12 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(12 bis)  Het storten van gevaarlijke afvalstoffen die samen met niet-gevaarlijke afvalstoffen (stedelijk afval, industrieel afval enz.) worden ingezameld kan een risico voor de menselijke gezondheid en het milieu opleveren. Onderzoeksprogramma's met betrekking tot de behandeling van gevaarlijke afvalstoffen zouden helpen het storten van dergelijk afval te verminderen. Uniemiddelen die zijn bestemd voor de ondersteuning van de transitie naar een circulaire economie kunnen daarom voor dergelijke programma's worden gebruikt.

Amendement    12

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 16 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(16 bis)  Deze richtlijn is vastgesteld rekening houdend met de verbintenissen in het Interinstitutioneel Akkoord "Beter wetgeven" van 13 april 2016 en moet worden uitgevoerd en toegepast overeenkomstig de richtsnoeren die in dat akkoord zijn vervat.

Amendement    13

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter b bis (nieuw)

Richtlijn 1999/31/EG

Artikel 2 – letter m

 

Bestaande tekst

Amendement

 

b bis)  letter m) wordt vervangen door:

m)   biologisch afbreekbare afvalstoffen: afvalstoffen die aëroob of of anaëroob kunnen worden afgebroken, zoals voedsel- en tuinafval, en papier en karton;

'm)   biologisch afbreekbare afvalstoffen: voedsel- en tuinafval, papier en karton, hout en niet-dierlijk landbouwafval zoals stro, en alle overige afvalstoffen die aëroob of anaëroob kunnen worden afgebroken;'

Amendement    14

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter -a (nieuw)

Richtlijn 1999/31/EG

Artikel 5 – lid 1

 

Bestaande tekst

Amendement

 

-a)   lid 1 wordt vervangen door:

1.  De lidstaten ontwikkelen uiterlijk twee jaar na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum een nationale strategie voor de vermindering van de naar stortplaatsen over te brengen biologisch afbreekbare afvalstoffen en stellen de Commissie van die strategie in kennis. De strategie dient maatregelen te omvatten er verwezenlijking van de in lid 2 vermelde doelstellingen door middel van met name hergebruik, compostering, productie van biogas of terugwinning van materialenenergie. De Commissie legt de Raad en het Europees Parlement binnen 30 maanden na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum een rapport voor met een overzicht van de nationale strategieën.

1.  De lidstaten ontwikkelen uiterlijk twee jaar na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum een nationale strategie voor de versnelde vermindering van de naar stortplaatsen over te brengen biologisch afbreekbare afvalstoffen en stellen de Commissie van die strategie in kennis. De strategie dient maatregelen te omvatten er verwezenlijking van de in lid 2 vermelde doelstellingen door middel van met name hergebruik, compostering, productie van biogas of terugwinning van materialenenergie. De Commissie legt de Raad en het Europees Parlement binnen 30 maanden na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum een rapport voor met een overzicht van de nationale strategieën.

Amendement    15

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter c (nieuw)

Richtlijn 1999/31/EG

Artikel 5 – lid 5 tot lid 7

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

5.  De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de hoeveelheid gestort stedelijk afval tegen 2030 tot 10 % van de totale geproduceerde hoeveelheid stedelijk afval wordt verminderd.

5.  De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de hoeveelheid gestort stedelijk afval tegen 2030 tot 10 % van de totale geproduceerde hoeveelheid stedelijk afval wordt verminderd.

 

5 bis.  Op stortplaatsen voor niet-gevaarlijke afvalstoffen accepteren de lidstaten vanaf 31 december 2030 uitsluitend restafval afkomstig van stedelijk afval, bedrijfsafval en industrieel afval.

6.  Estland, Griekenland, Kroatië, Letland, Malta, Roemenië en Slowakije kunnen vijf jaar extra krijgen voor de verwezenlijking van de in lid 5 bedoelde doelstelling. De lidstaat stelt de Commissie uiterlijk 24 maanden vóór het verstrijken van de desbetreffende termijnen die zijn vastgelegd in lid 5 in kennis van zijn voornemen om van deze bepaling gebruik te maken. In geval van een verlenging treffen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de hoeveelheid gestort stedelijk afval tegen 2030 tot 20 % van de totale geproduceerde hoeveelheid stedelijk afval wordt verminderd.

6.  Estland, Griekenland, Kroatië, Letland, Malta, Roemenië en Slowakije kunnen vijf jaar extra krijgen voor de verwezenlijking van de in lid 5 bedoelde doelstelling. De lidstaat stelt de Commissie uiterlijk 24 maanden vóór het verstrijken van de desbetreffende termijnen die zijn vastgelegd in lid 5 in kennis van zijn voornemen om van deze bepaling gebruik te maken. In geval van een verlenging treffen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de hoeveelheid gestort stedelijk afval tegen 2030 tot 20 % van de totale geproduceerde hoeveelheid stedelijk afval wordt verminderd.

De kennisgeving gaat vergezeld van een uitvoeringsplan met de maatregelen die nodig zijn om te zorgen voor naleving van de doelstellingen vóór het verstrijken van de nieuwe termijn. Het plan omvat tevens een gedetailleerd tijdschema voor de uitvoering van de voorgestelde maatregelen en een beoordeling van de te verwachten effecten.

De kennisgeving gaat vergezeld van een uitvoeringsplan met de maatregelen die nodig zijn om te zorgen voor naleving van de doelstellingen vóór het verstrijken van de nieuwe termijn. Het plan omvat tevens een gedetailleerd tijdschema voor de uitvoering van de voorgestelde maatregelen en een beoordeling van de te verwachten effecten.

7.  Uiterlijk 31 december 2024 beziet de Commissie de in lid 5 vastgelegde doelstelling opnieuw om deze zo nodig te verlagen en beperkingen van het storten van ongevaarlijke afvalstoffen behalve stedelijk afval toe te voegen. Hiertoe wordt een verslag van de Commissie, dat indien nodig vergezeld gaat van een voorstel, aan het Europees Parlement en de Raad gezonden.".

7.  Uiterlijk 31 december 2024 beziet de Commissie de in lid 5 vastgelegde doelstelling opnieuw om deze op grond van een effectbeoordeling zo nodig te verlagen tot 5 % en beperkingen van het storten van ongevaarlijke afvalstoffen behalve stedelijk afval toe te voegen. De Commissie moet eveneens nagaan of het wenselijk is om een streefcijfer in te voeren voor de totale hoeveelheid afval die mag worden gestort, bijvoorbeeld berekend in kilogram per persoon per jaar in het gebied waarvoor een vergunning is verleend. Hiertoe wordt een verslag van de Commissie, dat indien noodzakelijk vergezeld gaat van een voorstel, aan het Europees Parlement en de Raad gezonden.".

Amendement    16

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 bis (nieuw)

Richtlijn 1999/31/EG

Artikel 8 – letter a – punt iii

 

Bestaande tekst

Amendement

 

4 bis)  Artikel 8, onder a), punt iii), wordt vervangen door:

"iii)  de stortplaats zodanig wordt beheerd dat de nodige maatregelen worden getroffen om ongevallen te vermijden en de gevolgen ervan te beperken;

iii)   de stortplaats zodanig wordt beheerd dat voortdurend de nodige preventieve maatregelen worden getroffen om het risico op ongevallen en de gevolgen ervan te beperken;"

Amendement    17

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 bis (nieuw)

Richtlijn 1999/31/EG

Artikel 14 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

5 bis.  Het volgende artikel wordt ingevoegd:

 

'Artikel 14 bis

 

Instrumenten om een omschakeling naar een meer circulaire economie te bevorderen

 

1.   Om de doelstellingen van deze richtlijn te helpen verwezenlijken, maken de lidstaten gebruik van passende economische instrumenten of andere maatregelen. Hiertoe maken de lidstaten gebruik van de economische instrumenten of andere maatregelen die zijn opgenomen in bijlage III bis.

 

2.   De lidstaten delen de Commissie uiterlijk ... [datum achttien maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn invullen] en vervolgens om de vijf jaar mee welke specifieke economische instrumenten of andere maatregelen zij overeenkomstig lid 1 hebben ingevoerd.'

Amendement    18

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 6

Richtlijn 1999/31/EG

Artikel 15

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  De lidstaten rapporteren de gegevens betreffende de uitvoering van artikel 5, leden 2 en 5, voor elk kalenderjaar aan de Commissie. Zij dienen deze gegevens uiterlijk 18 maanden na het einde van het verslagjaar waarvoor de gegevens zijn verzameld elektronisch in. De gegevens worden gerapporteerd in de vorm die door de Commissie in overeenstemming met lid 5 is vastgesteld. Het eerste verslag omvat de gegevens voor de periode van 1 januari [enter year of transposition of this Directive + 1 year] tot en met 31 december [enter year of transposition of this Directive + 1 year].

1.  De lidstaten rapporteren de gegevens betreffende de uitvoering van artikel 5, leden 2 en 5, voor elk kalenderjaar aan de Commissie. Zij verzamelen, verwerken en rapporteren vergelijkbare gegevens elektronisch, gebruikmakend van een geharmoniseerde methode, uiterlijk 18 maanden na het einde van het verslagjaar waarvoor de gegevens zijn verzameld. De gegevens worden gerapporteerd in de vorm die door de Commissie in overeenstemming met lid 5 is vastgesteld en die hergebruik van gegevens en open gegevens ondersteunt. Het eerste verslag omvat de gegevens voor de periode van 1 januari [enter year of transposition of this Directive + 1 year] tot en met 31 december [enter year of transposition of this Directive + 1 year].

2.  De lidstaten dienen de gegevens betreffende de uitvoering van de in artikel 5, lid 2, vastgestelde doelstellingen tot 1 januari 2025 in.

2.  De lidstaten dienen de gegevens betreffende de uitvoering van de in artikel 5, lid 2, vastgestelde doelstellingen tot 1 januari 2025 in.

3.  De door de lidstaat overeenkomstig dit artikel ingediende gegevens gaan vergezeld van een kwaliteitscontroleverslag.

3.  De door de lidstaat overeenkomstig dit artikel ingediende gegevens gaan vergezeld van een kwaliteitscontroleverslag. Het kwaliteitscontroleverslag wordt opgesteld in een geharmoniseerd formaat.

4.  De Commissie beoordeelt de overeenkomstig dit artikel ingediende gegevens en publiceert een verslag met de resultaten van haar beoordeling. Dit verslag omvat een beoordeling van de manier waarop de gegevensverzameling wordt georganiseerd, van de gegevensbronnen en van de in de lidstaten gebruikte methode, alsook van de volledigheid, betrouwbaarheid, tijdigheid en consistentie van de gegevens. De beoordeling kan specifieke aanbevelingen voor verbetering omvatten. Er wordt om de drie jaar een verslag opgesteld.

4.  De Commissie beoordeelt de overeenkomstig dit artikel ingediende gegevens en publiceert een verslag met de resultaten van haar beoordeling. Dit verslag omvat een beoordeling van de manier waarop de gegevensverzameling wordt georganiseerd, van de gegevensbronnen en van de in de lidstaten gebruikte methode, alsook van de volledigheid, betrouwbaarheid, tijdigheid en consistentie van de gegevens en de beschikbaarheid van open gegevens. De beoordeling kan specifieke aanbevelingen voor verbetering omvatten. Het verslag wordt negen maanden na de eerste rapportage van de gegevens door de lidstaten opgesteld en vervolgens om de drie jaar.

5.  De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast die het formaat bepalen voor de verslaglegging over de gegevens overeenkomstig lid 1. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 17, lid 2, van deze richtlijn bedoelde procedure vastgesteld.

5.  De Commissie stelt overeenkomstig lid 17 bis gedelegeerde handelingen vast die het formaat bepalen voor de verslaglegging over vergelijkbare gegevens alsook voor de geharmoniseerde methode overeenkomstig lid 1 en voor het kwaliteitscontroleverslag bedoeld in lid 3.

Amendement    19

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 9

Richtlijn 1999/31/EG

Artikel 17 bis – lid 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  De bevoegdheid om de in artikel 16 bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt de Commissie met ingang van [enter date of entry into force of this Directive] voor onbepaalde tijd verleend.

2.  De bevoegdheid om de in de artikelen 15 en 16 bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt de Commissie met ingang van [datum inwerkingtreding van deze richtlijn invullen] voor onbepaalde tijd verleend.

Amendement    20

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 9

Richtlijn 1999/31/EG

Artikel 17 bis – lid 5

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

5.  Een overeenkomstig artikel 16 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van de termijn van twee maanden de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad met twee maanden verlengd.".

5.  Een overeenkomstig de artikelen 15 en 16 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van de termijn van twee maanden de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad met twee maanden verlengd.".

Amendement    21

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 bis (nieuw)

Richtlijn 1999//31/EG

Bijlage I – lid 1 – punt 1.1 – letter e

 

Bestaande tekst

Amendement

 

9 bis.  Bijlage I, punt 1.1, onder e), wordt vervangen door:

"e)  de bescherming van het natuurlijke of culturele erfgoed in de omgeving."

"e)  de risico's voor de plaatselijke ecosystemen en de inheemse fauna, alsook voor het culturele erfgoed van de omgeving.";

Amendement    22

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – lid 1 – punt 10 bis (nieuw)

Richtlijn 1999/31/EG

Bijlage III bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

10 bis.   Er wordt een bijlage III bis ingevoegd waarvan de tekst is opgenomen in de bijlage bij de onderhavige richtlijn.

Amendement    23

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage (nieuw)

Richtlijn 1999/31/EG

Bijlage III bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

BIJLAGE

 

De volgende bijlage III bis wordt toegevoegd:

 

'Bijlage III bis

 

Instrumenten om de toepassing van de afvalhiërarchie en de overgang naar een circulaire economie te bevorderen

 

1. Economische instrumenten:

 

1.1.  progressieve stijging van de heffingen en/of tarieven voor stortplaatsen voor alle afvalcategorieën (stedelijk, inert en overig afval);

 

1.2.  invoering of verhoging van de heffingen en/of tarieven voor verbranding;

 

1.3.  directe prijssteunregelingen om hergebruik, reparatie en recycling te stimuleren;

 

1.4.  internalisering van de positieve en negatieve externe effecten die verband houden met recycling en primaire grondstoffen;

 

1.5.  invoering van lage btw-tarieven of nultarieven voor reparatie, materialen voor reparatie en de verkoop van tweedehandsproducten;

 

1.6.  progressieve uitbreiding naar het hele grondgebied van de lidstaten van gedifferentieerde afvaltarieven (op grond van het "de vervuiler betaalt"-beginsel) die producenten van stedelijk afval aanmoedigen om hun afval te verminderen, te hergebruiken en te recyclen;

 

1.7.  groene heffingen of vooruit te betalen verwijderingsheffingen voor producten die niet onder programma's van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid vallen;

 

1.8.  maatregelen om de kostenefficiëntie van bestaande en aankomende regelingen voor producentenverantwoordelijkheid te verbeteren;

 

1.9.  investeringssteun voor projecten die de toepassing van de afvalhiërarchie bevorderen;

 

1.10  uitbreiding van het toepassingsgebied van de regelingen voor producentenverantwoordelijkheid naar nieuwe afvalstromen;

 

1.11.  statiegeld- en andere systemen die producenten van stedelijk afval en marktpartijen stimuleren hun afval te verminderen, te hergebruiken en te recyclen;

 

1.12.  economische stimulansen voor lokale instanties om preventie te bevorderen en afzonderlijke inzamelingsregelingen te ontwikkelen en te versterken;

 

1.13.  maatregelen om de ontwikkeling van de hergebruiksectoren te ondersteunen;

 

1.14.  criteria voor groene overheidsopdrachten ter bevordering van de afvalhiërarchie;

 

1.15.  maatregelen voor de geleidelijke afschaffing van schadelijke subsidies die niet stroken met de afvalhiërarchie;

 

1.16.  prikkels ter bevordering van het ontwerp en het op de markt brengen van producten die afval voorkomen, zoals goederen die kunnen worden gerepareerd;

 

2.  Andere maatregelen:

 

2.1.  een specifiek verbod op het verbranden van recycleerbaar afval;

 

2.2.  marktbeperkingen voor producten en verpakkingen voor eenmalig gebruik en niet-recycleerbare producten en verpakkingen;

 

2.3.  technische en fiscale maatregelen om de ontwikkeling van markten voor hergebruikte producten en gerecyclede (inclusief gecomposteerde) materialen te ondersteunen en om de kwaliteit van gerecyclede materialen te verbeteren;

 

2.4.  maatregelen als belastingteruggaven en/of belastingvrijstellingen;

 

2.5.  maatregelen om het bewustzijn van goed afvalbeheer en zwerfvuilvermindering bij het publiek te vergroten, met inbegrip van ad-hoccampagnes om afvalvermindering bij de bron en een hoog participatieniveau in de afzonderlijke inzamelingsregelingen te garanderen;

 

2.6.  maatregelen om te zorgen voor passende coördinatie, onder meer met digitale middelen, tussen alle bevoegde publieke instanties die betrokken zijn bij afvalbeheer, en voor de betrokkenheid van andere belangrijke belanghebbenden;

 

2.7.  gebruik van de Europese structuur- en investeringsfondsen voor de financiering van de ontwikkeling van de infrastructuur voor afvalbeheer die nodig is om de relevante doelen te behalen;

 

2.8.  gebruik van de Europese structuur- en investeringsfondsen om afvalpreventie, voorbereiding voor hergebruik en recycling te financieren;

 

2.9.  oprichting van communicatieplatforms om de uitwisseling van goede praktijken tussen bedrijfstakken, sociale partners, lokale instanties en ook de lidstaten te bevorderen;

 

2.10.  introductie van een minimumgehalte aan gerecycleerd materiaal in producten;

 

2.11.  andere relevante alternatieven of aanvullende maatregelen met hetzelfde doel als de in de punten 2.1 tot en met 2.10 beschreven maatregelen.'.

PROCEDURE VAN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Titel

Richtlijn tot wijziging van Richtlijn 1999/31/EG over het storten van afvalstoffen

Document- en procedurenummers

COM(2015)0594 – C8-0384/2015 – 2015/0274(COD)

Commissie ten principale

       Datum bekendmaking

ENVI

14.12.2015

 

 

 

Advies uitgebracht door

       Datum bekendmaking

ITRE

14.12.2015

Rapporteur voor advies

       Datum benoeming

Pavel Telička

28.1.2016

Behandeling in de commissie

14.6.2016

 

 

 

Datum goedkeuring

13.10.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

52

10

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Nikolay Barekov, Nicolas Bay, Bendt Bendtsen, Xabier Benito Ziluaga, David Borrelli, Jerzy Buzek, Angelo Ciocca, Edward Czesak, Jakop Dalunde, Pilar del Castillo Vera, Fredrick Federley, Ashley Fox, Adam Gierek, Theresa Griffin, Roger Helmer, Hans-Olaf Henkel, Eva Kaili, Kaja Kallas, Barbara Kappel, Krišjānis Kariņš, Seán Kelly, Jaromír Kohlíček, Zdzisław Krasnodębski, Miapetra Kumpula-Natri, Janusz Lewandowski, Ernest Maragall, Edouard Martin, Angelika Mlinar, Nadine Morano, Dan Nica, Morten Helveg Petersen, Miroslav Poche, Carolina Punset, Herbert Reul, Paul Rübig, Algirdas Saudargas, Jean-Luc Schaffhauser, Sergei Stanishev, Neoklis Sylikiotis, Antonio Tajani, Dario Tamburrano, Patrizia Toia, Evžen Tošenovský, Claude Turmes, Vladimir Urutchev, Henna Virkkunen, Martina Werner, Lieve Wierinck, Anna Záborská, Flavio Zanonato, Carlos Zorrinho

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Michał Boni, Rosa D’Amato, Esther de Lange, Francesc Gambús, Jens Geier, Benedek Jávor, Olle Ludvigsson, Vladimír Maňka, Marian-Jean Marinescu, Clare Moody, Maria Spyraki


PROCEDURE VAN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Titel

Richtlijn tot wijziging van Richtlijn 1999/31/EG over het storten van afvalstoffen

Document- en procedurenummers

COM(2015)0594 – C8-0384/2015 – 2015/0274(COD)

Datum indiening bij EP

2.12.2015

 

 

 

Commissie ten principale

       Datum bekendmaking

ENVI

14.12.2015

 

 

 

Medeadviserende commissies

       Datum bekendmaking

ITRE

14.12.2015

 

 

 

Rapporteurs

       Datum benoeming

Simona Bonafè

22.12.2015

 

 

 

Behandeling in de commissie

15.6.2016

29.9.2016

 

 

Datum goedkeuring

24.1.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

58

7

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marco Affronte, Pilar Ayuso, Ivo Belet, Simona Bonafè, Biljana Borzan, Paul Brannen, Soledad Cabezón Ruiz, Nessa Childers, Birgit Collin-Langen, Mireille D’Ornano, Miriam Dalli, Seb Dance, Angélique Delahaye, Mark Demesmaeker, Stefan Eck, José Inácio Faria, Karl-Heinz Florenz, Francesc Gambús, Elisabetta Gardini, Gerben-Jan Gerbrandy, Jens Gieseke, Julie Girling, Sylvie Goddyn, Françoise Grossetête, Jytte Guteland, György Hölvényi, Anneli Jäätteenmäki, Jean-François Jalkh, Benedek Jávor, Josu Juaristi Abaunz, Karin Kadenbach, Kateřina Konečná, Urszula Krupa, Giovanni La Via, Jo Leinen, Peter Liese, Norbert Lins, Susanne Melior, Massimo Paolucci, Gilles Pargneaux, Piernicola Pedicini, Bolesław G. Piecha, Julia Reid, Frédérique Ries, Michèle Rivasi, Daciana Octavia Sârbu, Annie Schreijer-Pierik, Davor Škrlec, Renate Sommer, Ivica Tolić, Estefanía Torres Martínez, Nils Torvalds, Adina-Ioana Vălean, Jadwiga Wiśniewska, Damiano Zoffoli

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Fredrick Federley, Martin Häusling, James Nicholson, Younous Omarjee, Stanislav Polčák, Keith Taylor

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Nicola Caputo, Mary Honeyball, Monika Smolková, Helga Stevens

Datum indiening

7.2.2017

Juridische mededeling