Procedure : 2016/2144(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0033/2017

Ingediende teksten :

A8-0033/2017

Debatten :

PV 13/03/2017 - 13
CRE 13/03/2017 - 13

Stemmingen :

PV 14/03/2017 - 6.11
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0075

VERSLAG     
PDF 380kWORD 75k
8.2.2017
PE 594.036v02-00 A8-0033/2017

over EU-middelen voor gendergelijkheid

(2016/2144(INI))

Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid

Rapporteur: Clare Moody

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Begrotingscommissie
 ADVIES van de Commissie begrotingscontrole
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over EU-middelen voor gendergelijkheid

(2016/2144(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader (MFK) voor de jaren 2014-2020(1),

–  gezien de interinstitutionele gezamenlijke verklaring over gendermainstreaming die bij het MFK is gevoegd,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad(2),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Tussentijdse evaluatie/herziening van het meerjarig financieel kader 2014-2020 – Een resultaatgerichte EU-begroting" (COM(2016)0603),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Horizon 2020 Annual Monitoring Report 2014" (SWD(2016)0123),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie over de programmaverklaringen voor operationele uitgaven voor het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017 (COM(2016)0300),

–  gezien het gezamenlijke werkdocument "Gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen: het leven van meisjes en vrouwen via de externe betrekkingen van de EU veranderen (2016-2020)" (SWD(2015)0182),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019" (SWD(2015)0278),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over het creëren van arbeidsmarktomstandigheden die bevorderlijk zijn voor het evenwicht tussen werk en privéleven(4),

–  gezien de in 2015 door de beleidsondersteunende afdeling D van het Parlement gepubliceerde studie getiteld "The EU Budget for Gender Equality" en de in 2016 door de beleidsondersteunende afdeling C gepubliceerde vervolgstudie inzake het gebruik van financiële middelen ten behoeve van de gendergelijkheid in bepaalde lidstaten,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 september 2010 getiteld "Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015" (COM(2010)0491),

–  gezien zijn resolutie van 8 maart 2016 over gendermainstreaming in de werkzaamheden van het Europees Parlement(5),

–  gezien het rapport van de Raad van Europa over genderbudgettering: eindrapport van de groep deskundigen over genderbudgettering – Straatsburg, 2005,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole (A8-0033/2017),

A.  overwegende dat gelijkheid tussen vrouwen en mannen een in de Verdragen verankerde fundamentele waarde van de Europese Unie betreft; overwegende dat het gendermainstreamingsbeginsel is neergelegd in artikel 8 VWEU, dat bepaalt dat de Unie er bij elk in dat artikel bedoeld optreden naar streeft de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen;

B.  overwegende dat gendergelijkheid de vijfde doelstelling is van de 17 door de Verenigde Naties vastgestelde doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, die tegen 2030 moeten worden bereikt, en relevant is voor alle 17 doelstellingen;

C.  overwegende dat de Commissie in december 2015 een werkdocument heeft gepubliceerd met als titel "Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019", waarin zij wijst op de belangrijke rol van EU-financiering ter ondersteuning van gendergelijkheid; overwegende dat geen enkele EU-instelling consequent genderbudgettering heeft toegepast;

D.  overwegende dat beslissingen in verband met uitgaven en inkomsten andere gevolgen hebben voor vrouwen dan voor mannen;

E.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 6 juli 2016 getiteld "Voorbereiding van de post-electorale herziening van het MFK 2014-2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel" pleit voor een effectieve integratie van gendermainstreaming;

F.  overwegende dat gendervraagstukken in het algemeen vaker aan bod komen in "zachte" beleidsterreinen, die bijvoorbeeld betrekking hebben op de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen, dan in "harde" beleidsterreinen zoals infrastructuur en ICT, die meer financiële ondersteuning krijgen;

G.  overwegende dat er voor een goed evenwicht tussen werk en privéleven een uitgekiend systeem van zorgverlof en goed werkende, betaalbare en toegankelijke kinderopvangvoorzieningen nodig is, met inbegrip van openbare voorzieningen, en dat de uitgaven voor dergelijke voorzieningen als onderdeel van de infrastructuurinvesteringen moeten worden beschouwd; overwegende dat deze twee factoren een basisvoorwaarde vormen voor de arbeidsparticipatie van vrouwen in leidinggevende functies en functies op het gebied van wetenschap en onderzoek, en bijgevolg ook voor de gendergelijkheid;

H.  overwegende dat er in de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Europese Commissie en de Europese Raad op wordt aangedrongen dat in de jaarlijkse begrotingsprocedures voor het MFK 2014-2020 waar nodig genderelementen worden geïntegreerd, waarbij rekening wordt gehouden met de wijze waarop het algemeen financieel kader van de Unie aan meer gendergelijkheid bijdraagt en voor gendermainstreaming zorgt; overwegende dat de krachtige toezeggingen in verband met gendermainstreaming desondanks beter moeten worden nagekomen, aangezien de bestaande beleidsmaatregelen tot dusver slechts mondjesmaat werden toegepast en er onvoldoende begrotingsmiddelen voor gendervraagstukken werden gereserveerd;

I.  overwegende dat er in het publieke debat en de beleidsagenda steeds minder aandacht wordt besteed aan het thema gendergelijkheid, een verschijnsel dat zowel op EU- als op nationaal niveau merkbaar is sinds de crisis van 2008; overwegende dat de als gevolg van de crisis opgetreden begrotingsconsolidatie en begrotingsbeperkingen de beschikbare middelen ten behoeve van gendergelijkheidsstrategieën en -instanties verder in het gedrang zullen brengen;

J.  overwegende dat alle Europese instellingen, op een ogenblik waarop er in de EU een vertrouwenscrisis heerst, voorrang zouden moeten verlenen aan inspanningen die ervoor zorgen dat de financiën van de EU volledig transparant zijn, en dat dit iets is wat zij niet mogen negeren;

K.  overwegende dat uit de gendergelijkheidsindex 2015 van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) blijkt dat de doelstelling van gendergelijkheid in Europa nog lang niet is gerealiseerd;

L.  overwegende dat een van de meest in het oog springende maatregelen van gendergelijkheid gelijke beloning is; overwegende dat de inspanningen en de resultaten van de EU om een grotere participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt en een gelijke mate van economische zelfstandigheid van vrouwen en mannen te bevorderen echter even belangrijk zijn, net zoals het bevorderen van gelijke deelname van vrouwen en mannen aan de besluitvorming, het bestrijden van gendergerelateerd geweld en de bescherming en ondersteuning van slachtoffers, en het bevorderen van gendergelijkheid en de rechten van vrouwen in de hele wereld;

M.  overwegende dat het VN-actieplatform van Beijing in 1995 opriep tot een genderbewuste aanpak van begrotingsprocedures;

Algemene opmerkingen

1.  is verheugd over de beoogde mainstreaming van gendergelijkheid overeenkomstig artikel 8 VWEU, als transversale beleidsdoelstelling van de EU-begroting op het gebied van EU-middelen en programma's;

2.  betreurt echter het feit dat de politieke inzet van de EU op hoog niveau ten aanzien van gendergelijkheid en -mainstreaming nog niet helemaal tot uitdrukking komt in de begrotingstoewijzing en uitgavenbeslissingen op de beleidsterreinen van de EU als onderdeel van een genderbudgetteringsmethodologie;

3.  merkt op dat genderbudgettering deel uitmaakt van een globale strategie inzake gendergelijkheid en benadrukt daarom dat de inzet van EU-instellingen op dat gebied van fundamenteel belang is; betreurt in dit verband dat er geen EU-strategie voor gendergelijkheid is goedgekeurd voor de periode 2016-2020 en verzoekt de Commissie om de status van haar Strategische inzet voor gendergelijkheid 2016-2019 te versterken door deze als mededeling aan te nemen, in aansluiting op de conclusies van de Raad over gendergelijkheid van 16 juni 2016;

4.  benadrukt het belang van de bij de budgettering betrokken structuren en processen en de noodzaak om structuren en processen waarvan is gebleken dat ze genderongelijkheid schragen of onbedoeld bevorderen te wijzigen;

5.  merkt op dat bewustmaking en opleiding over gendermainstreaming en genderbudgettering nodig zijn om genderbewuste structuren en procedures te ontwikkelen;

6.  constateert dat sommige EU-programma's (zoals het Europees Sociaal Fonds (ESF), het programma Rechten, gelijkheid en burgerschap 2014-2020 (REC), Horizon 2020, het instrument voor pretoetredingssteun II (IPA II) op het gebied van humanitaire hulpverlening, het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) en het Europees instrument voor de democratie en de mensenrechten (EIDHR)) specifieke maatregelen ten aanzien van gendergelijkheid omvatten, terwijl weer andere programma's (zoals het EU-programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI), het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD), het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) en het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFAG)) aan de algemene beginselen van gendergelijkheid refereren, maar dat er al met al maar weinig programma's zijn die daadwerkelijk voorzien in duidelijke doelen, gerichte middelen of systematische tenuitvoerlegging en controle;

7.  betreurt dat verschillende programma's gendergelijkheid slechts als een transversale doelstelling hebben, hetgeen niet alleen leidt tot geringere ondersteuning voor genderspecifieke maatregelen, maar het ook vrijwel onmogelijk maakt om de bedragen te schatten die aan gendervraagstukken worden toegewezen(6);

8.  betreurt dat de meeste door de EU-gefinancierde programma's geen specifieke doelgerichte maatregelen met specifieke begrotingstoewijzingen voor gendergelijkheid hebben; merkt op dat gendergelijkheid in de EU-begrotingstitels als beleidsdoelstelling moet worden erkend en dat daarbij melding moet worden gemaakt van het bedrag dat aan specifieke beleidsdoeleinden en -maatregelen is toegekend, zodat de transparantie ervan verbetert en de genderdoelstellingen niet uit het zicht raken; is bovendien van mening dat bij begrotingscontroletaken moet worden aangegeven in welke mate de EU-begroting en de uitvoering ervan gunstig zijn voor het gendergelijkheidsbeleid of juist een belemmering vormen;

9.  betreurt het feit dat instrumenten ten behoeve van gendermainstreaming, zoals genderindicatoren, gendereffectbeoordelingen en genderbudgettering, door de EU- en nationale instellingen zelden worden ingezet ten behoeve van beleidsontwikkeling en -uitvoering; betreurt het huidige gebrek aan volledige genderindicatoren en naar gender uitgesplitste gegevens en benadrukt het feit dat het EIGE genderindicatoren evenals naar gender uitgesplitste gegevens moet verzamelen om een consistent beeld te krijgen van de gevolgen van het EU-beleid voor gendergelijkheid en om de controleerbaarheid van de begroting en besteding van financiële middelen op dit punt te verbeteren; benadrukt de fundamentele rol van het EIGE bij het verbeteren van de gebrekkige samenwerking tussen statistici en beleidsmakers om bewustzijn te creëren over de uitdagingen die zich stellen bij de verzameling van gevoelige gegevens; herhaalt daarom zijn verzoek om de ontwikkeling van indicatoren en statistieken inzake gendervraagstukken door te zetten teneinde de beoordeling van de EU-begroting vanuit een genderperspectief mogelijk te maken en toezicht te kunnen uitoefenen op de genderbudgettering;

10.  betreurt het feit dat er, ondanks de gezamenlijke verklaring over gendermainstreaming die bij het MFK is gevoegd, slechts weinig vooruitgang is geboekt op dit gebied;

11.  betreurt ten zeerste dat het MFK 2014-2020 geen duidelijke gendergelijkheidsstrategie met specifieke en concrete doelstellingen, streefcijfers en begrotingstoewijzingen heeft opgeleverd;

12.  betreurt dat in de mededeling van de Commissie inzake de in september 2016 gepubliceerde tussentijdse evaluatie van het MFK niet wordt gerefereerd aan de tenuitvoerlegging van gendermainstreaming;

13.  pleit ervoor om de gendergelijkheidsstrategie en gendermainstreaming op te nemen in het Europees Semester;

14.  onderstreept dat transparantie en toegang tot informatie over reële resultaten op het gebied van gendergelijkheid, en niet alleen de tenuitvoerlegging ervan, echte prioriteiten moeten zijn voor de Europese Unie;

15.  pleit ervoor ook gendermainstreamingsbepalingen op te nemen in beleidsterreinen die niet meteen in verband worden gebracht met gendergelijkheid, zoals ICT, vervoer, steun aan het bedrijfsleven en investeringen of klimaatverandering;

16.  is van mening dat in alle fasen van het begrotingsproces een netwerk van externe deskundigen en organisaties moet worden betrokken om de transparantie en het democratische gehalte ervan te vergroten, met name wanneer het gaat om de toepassing van genderbudgettering;

EU-financiering ter ondersteuning van gendergelijkheid op het gebied van werkgelegenheid, sociale zaken en inclusie uit hoofde van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen)

17.  wijst erop dat de ESI-fondsen de belangrijkste bron van financiële ondersteuning vormen voor de tenuitvoerlegging van het gendergelijkheidsbeleid in de EU, met name waar het het ESF betreft dat tot doel heeft de volledige integratie van vrouwen in de arbeidsmarkt te bevorderen; benadrukt dat Verordening nr. 1304/2013 gendermainstreaming tot een verplicht onderdeel maakt van alle fasen van de uit hoofde van het ESF gefinancierde programma's en projecten, met inbegrip van de voorbereidings-, uitvoerings-, controle- en beoordelingsfase;

18.  benadrukt de belangrijke rol van openbare diensten bij de bevordering van gendergelijkheid; verzoekt de Commissie en de lidstaten te werken aan de verwezenlijking van de doelstellingen van Barcelona om het evenwicht tussen werk en privéleven voor iedereen haalbaar te maken en daarbij gebruik te maken van de juiste instrumenten en prikkels, met inbegrip van Europese fondsen zoals het ESF, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), waarbij wordt voorzien in de financiering van de nodige sociale infrastructuur voor goed werkende, betaalbare en toegankelijke voorzieningen voor kinderopvang en zorgvoorzieningen voor andere afhankelijke personen, waaronder ouderen en familieleden met een handicap; wijst erop dat dit zal leiden tot een grotere arbeidsparticipatie van vrouwen en de economische onafhankelijkheid van vrouwen zal bevorderen;

19.  betreurt dat vrouwen nog steeds te maken hebben met ongelijkheden in het beroepsleven, zoals een lagere arbeidsparticipatie, de loonkloof, de grotere deelname aan atypisch of deeltijdwerk, lagere pensioenrechten, loopbaanonderbrekingen en minder kansen op promotie; benadrukt het belang van het ESF voor het bieden van financieringsmogelijkheden om discriminatie te bestrijden en gendergelijkheid op het werk te bevorderen;

20.  merkt op dat onbetaald werk een belangrijke bijdrage levert aan economische doeltreffendheid, en dat bij de traditionele aanpak van de betaling van sociale uitkeringen geen rekening wordt gehouden met onbetaald werk, zoals kinderopvang en zorg voor ouderen;

21.  merkt op dat, volgens het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019", in de periode 2014-2020 5,85 miljard EUR zal worden besteed aan maatregelen voor het stimuleren van gendergelijkheid, waarvan 1,6 % in het kader van het ESF voor de specifieke investeringsprioriteit "gelijkheid tussen mannen en vrouwen op alle gebieden, met inbegrip van toegang tot de arbeidsmarkt, loopbaanontwikkeling, combineren van werk en privéleven en de bevordering van gelijke beloning voor gelijk werk";

22.  merkt op dat EFRO-financiering steun moet blijven bieden aan investeringen in kinderopvang-, ouderenzorg- en andere openbare en particuliere sociale-infrastructuurvoorzieningen om onder meer een beter evenwicht tussen werk en privéleven te bevorderen;

23.  wijst op de belangrijke rol van het Elfpo om de nodige financiering te garanderen voor openbare diensten en sociale infrastructuur in plattelandsgebieden en om de toegang tot land en investeringen voor vrouwen te bevorderen;

24.  verzoekt de Commissie nieuwe, doelgerichte acties voor te stellen ter bevordering van de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt, zoals een in het kader van het Elfpo gefinancierd specifiek programma waarmee vrouwelijk ondernemerschap wordt ondersteund;

25.  verzoekt de Commissie, de lidstaten en de regionale en lokale overheden gebruik te maken van het potentieel van transversale financieringsmogelijkheden uit hoofde van de ESI-fondsen om projecten ter bevordering van gendergelijkheid te ondersteunen; benadrukt het belang van het partnerschapsbeginsel dat in het kader van de ESI-fondsen wordt toegepast en een positieve bijdrage levert aan gendermainstreaming op lokaal niveau;

26.  herinnert aan het belang van de eis om naar gender uitgesplitste indicatoren op te nemen in de monitoring en evaluatie van de operationele programma's zoals vastgesteld in Verordening (EU) nr. 1303/2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake de ESI-fondsen, teneinde te beantwoorden aan de gendergelijkheidsdoelstelling in de uitvoeringsfase;

27.  betreurt het feit dat het, ondanks het streven om op dit gebied een "standaard" in het leven te roepen, nog niet is gelukt een systematische methode voor de tenuitvoerlegging van gendermainstreaming vast te stellen in het kader van de ESI-fondsen en dat het evenmin is gelukt om doelgerichte acties in verband met een algemene strategie voor gendermainstreaming vast te stellen; roept de Commissie en lidstaten op de middelen ten behoeve van gendergelijkheidsbeoordelingen waar nodig te verhogen en de tenuitvoerlegging van gendermainstreaming te bewaken;

28.  herinnert eraan dat voor de ESI-fondsen een ex-antevoorwaarde inzake gender geldt, hetgeen betekent dat er opleidingen voor het betrokken personeel moeten worden georganiseerd en dat de organen die verantwoordelijk zijn voor gendergelijkheid bij de volledige voorbereiding en uitvoering van de programma's moeten worden betrokken; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat aan deze eisen wordt voldaan; verzoekt om de doeltreffende aanwending van de bestaande permanente organen voor gendergelijkheid op het niveau van de lidstaten; is zeer verheugd over een aantal nationale beste praktijken in dit verband, zoals het Europese praktijkgemeenschapsnetwerk inzake gendermainstreaming (GenderCoP) in Zweden; dringt er bij de lidstaten op aan de onafhankelijkheid en doeltreffendheid van gelijkheidsorganen te garanderen, en hen eveneens toereikende bevoegdheden te verlenen en voldoende middelen te verschaffen om hun belangrijkste taken te vervullen;

29.  benadrukt hoe belangrijk het is bijzondere aandacht te besteden en voorrang te verlenen aan ESIF-maatregelen ter ondersteuning van investeringen in onderwijs-, sociale en gezondheidsdiensten en in kinderopvangvoorzieningen, aangezien deze diensten op nationaal, regionaal en lokaal niveau te kampen hebben met afnemende overheidsfinanciering en meer banen zouden kunnen creëren;

30.  beveelt aan meer middelen vrij te maken in het kader van het MFK voor sociale infrastructuur, kinderopvang en ouderenzorg;

31.  betreurt dat de begrotingsonderdelen die vallen onder het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" (REC) voor de periode 2014-2020 niet aangeven welke middelen er precies aan elke doelstelling van het programma worden toegewezen, zodat het heel moeilijk is om na te gaan welke uitgaven er worden gedaan voor gendergelijkheid en de bestrijding van geweld tegen vrouwen;

EU-financiering ten behoeve van gendergelijkheid op het gebied van grondrechten, gelijkheid en burgerschap op basis van het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" voor de periode 2014-2020

32.  constateert dat, volgens het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019", de twee doelstellingen die samenhangen met het thema gendergelijkheid en met het Daphne-programma voor het bestrijden van geweld tegen vrouwen, circa 35 % van de fondsen in het kader van het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" toegewezen hebben gekregen, en dat de totale begroting voor gendergelijkheid op het gebied van grondrechten, gelijkheid en burgerschap op basis van het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" voor de periode 2014-2020 439,5 miljoen EUR bedraagt; wijst op het feit dat, in vergelijking met de gendergelijkheidsdoelstelling, het grootste deel van de betreffende financiële middelen aan de Daphne-doelstelling zal worden toegewezen; betreurt niettemin dat er voor Daphne geen afzonderlijk begrotingsonderdeel bestaat, en dat terwijl dit momenteel een van de specifieke doelstellingen van het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" is; benadrukt dat Daphne moet worden voorzien van voldoende financiële steun en dat de zichtbaarheid en het zeer succesvolle profiel ervan moeten worden behouden;

33.  benadrukt dat voor de periode 2014-2020 de oproepen in het kader van de Daphne-doelstelling alle vormen van geweld tegen vrouwen en/of kinderen betreffen; constateert dat het grootste deel van de financiële middelen is toegewezen aan het voorkomen en bestrijden van geweld gerelateerd aan schadelijke praktijken (39 %) en aan steun in de vorm van gespecialiseerde dienstverlening voor vrouwen aan slachtoffers van gendergerelateerd geweld, huiselijk geweld of geweld binnen een intieme relatie (24 %);

34.  constateert dat de volgende prioriteiten aan bod zijn gekomen in het kader van de gendergelijkheidsdoelstelling: gelijke economische onafhankelijkheid van vrouwen en mannen en het evenwicht tussen werk en privéleven (toewijzing van 44 %); het bevorderen van goede praktijken met betrekking tot genderrollen en het doorbreken van genderstereotypen op het gebied van onderwijs en scholing en op het werk (44 %) en ondersteuning van EU-netwerken die zich bezighouden met gendergelijkheidsthema's (12 %);

35.  benadrukt dat de totstandbrenging van het burgerschap niet alleen verband moet houden met de verdediging en uitbreiding van rechten, maar tevens met welvaart en welzijn, onderwijs en opleiding vrij van genderstereotypen, en toegang tot sociale en gezondheidsdiensten, waaronder diensten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid;

36.  betreurt echter dat er minder fondsen beschikbaar zijn voor de specifieke Daphne-doelstelling; wijst erop dat de begrotingskredieten voor vastleggingen voor het Daphne-programma in 2013 18 miljoen EUR bedroegen, tegenover 19,5 miljoen EUR in 2012 en meer dan 20 miljoen EUR in 2011; merkt voorts op dat er in het werkprogramma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" voor 2016 slechts werd voorzien in iets meer dan 14 miljoen EUR voor deze doelstelling;

37.  vraagt de Commissie bij de opstelling van het jaarlijks werkprogramma eerbied te betonen voor de gepaste en eerlijke verdeling van financiële steun tussen verschillende domeinen die onder de specifieke doelstellingen van het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" vallen, waarbij rekening wordt gehouden met het niveau van financiering dat reeds in het kader van de vorige programmeringsperiode 2007-2013 werd toegekend;

38.  verzoekt de Commissie haar steun aan Europese netwerken die zich bezighouden met gendergelijkheidsthema's te vergroten en daarmee de mogelijkheden voor meer intercollegiaal leren, met name bij subnationale overheden, te vergroten; merkt in het bijzonder op dat er vooral specifieke ondersteuning nodig is om de deelname van vrouwen aan de besluitvorming te bevorderen;

39.  vraagt om meer duidelijkheid over de manier waarop de doelstelling inzake de bestrijding van geweld in het kader van het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" wordt nagestreefd; benadrukt dat het belangrijk is dat financiële steun de basisorganisaties ter plaatse en de lokale en regionale overheden bereikt om een doeltreffende uitvoering van het programma te waarborgen; dringt erop aan dat voorrang wordt verleend aan organisaties die zich bezighouden met het voorkomen van geweld en met steun aan slachtoffers van alle vormen van geweld;

40.  erkent de noodzaak om steun te verlenen aan de uitvoering van de bestaande lokale en regionale initiatieven op het gebied van gendergelijkheid, zoals het Europees Handvest voor gelijkheid van vrouwen en mannen op lokaal niveau;

41.  roept de Commissie op hogere eisen te stellen aan het verzamelen van naar gender uitgesplitste gegevens voor de tenuitvoerlegging van dit programma als cruciaal element van een doeltreffende beoordeling van de genderbudgettering;

EU-financiering ten behoeve van gendergelijkheid op het gebied van onderzoek en innovatie in het kader van Horizon 2020

42.  benadrukt het feit dat in het Horizon 2020-programma (hierna "dit programma" genoemd), overeenkomstig de bepalingen van artikel 16 van de bijbehorende verordening, in alle onderdelen van het werkprogramma een rol is weggelegd voor gendergelijkheid en de genderdimensie in onderzoeksprojecten als transversale kwesties;

43.  vraagt aandacht voor de drie gendermainstreamingsdoeleinden in het kader van dit programma, namelijk: het stimuleren van gelijke kansen en genderevenwicht in projectteams; het waarborgen van het genderevenwicht in het besluitvormingsproces; en het integreren van een genderdimensie in onderzoeksinhoud;

44.  is verheugd over het feit dat dit programma onderzoeksorganisaties ondersteuning biedt bij de tenuitvoerlegging van gendergelijkheidsplannen; is tevens verheugd over het gezamenlijke project van de Commissie en het EIGE inzake de totstandbrenging van een online-instrument voor gendergelijkheidsplannen op basis waarvan beste praktijken kunnen worden geïdentificeerd en met de relevante belanghebbenden kunnen worden gedeeld;

45.  is verheugd over het feit dat kandidaten opleidingen inzake gender en genderstudies als subsidiabele kosten in hun voorstellen kunnen opnemen;

46.  is ingenomen met het feit dat genderevenwicht in het personeelsbestand volgens de evaluatiecriteria in dit programma een van de factoren is die bepalend zijn voor de rangorde en dat de manier waarop met de geslachtsspecifieke en/of genderanalyse rekening wordt gehouden in een voorstel door de beoordelaars samen met de andere relevante aspecten van het voorstel wordt geëvalueerd;

47.  is verheugd over de specifieke indicatoren die worden gebruikt ter controle van de tenuitvoerlegging van het gendergelijkheidsperspectief in dit programma, evenals over het feit dat met betrekking tot het genderevenwicht voor Horizon 2020 de adviesgroepen in 2014 voor 52 % uit vrouwen bestonden(7);

48.  is van mening dat een nadere evaluatie is vereist ter beoordeling van de resultaten, mede op basis van specifieke indicatoren, zoals het percentage vrouwelijke deelnemers en vrouwelijke projectcoördinatoren in dit programma, en dat indien nodig aanpassingen van de specifieke maatregelen moeten worden voorgesteld;

49.  dringt erop aan dat gendermainstreaming in dit programma verder wordt geïntensiveerd en vraagt met klem om de ontwikkeling van streefcijfers voor gendergelijkheid in strategieën, programma's en projecten in alle stadia van de onderzoekscyclus;

50.  roept op tot het hanteren van een onafhankelijke financieringslijn voor genderspecifieke structurele veranderingsprojecten (zoals het programma inzake gendergelijkheid in onderzoek en innovatie (GERI) voor 2014-2016), evenals voor andere gendergelijkheidsthema's in onderzoek en innovatie;

51.  is verheugd over het feit dat het zorgen voor gendergelijkheid, zowel in het onderzoeksproces als in de onderzoeksinhoud, een van de doelstellingen van het programma "Science with and for Society" is; is tevens ingenomen met de subsidies voor onderzoeksorganisaties voor de tenuitvoerlegging van gendergelijkheidsplannen en de bevordering van gendergelijkheid in Horizon 2020 en de Europese Onderzoeksruimte; betreurt echter dat er geen specifieke begrotingsonderdelen bestaan voor de in dit programma uiteengezette doelstellingen;

Andere programma's en fondsen die specifieke doelstellingen ten aanzien van gendergelijkheid omvatten

52.  betreurt dat in het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) geen genderperspectief wordt toegepast; benadrukt dat er slechts kans is op een geslaagd herstelproces als er aandacht uitgaat naar de effecten van crises op vrouwen;

53.  benadrukt dat natuurrampen grote gevolgen hebben voor infrastructuur in verband met openbare diensten en dat vrouwen derhalve in bijzondere mate worden getroffen; verzoekt de Commissie om in het Solidariteitsfonds van de EU de eis in te voeren dat bij de beoordeling van de gevolgen voor de bevolking een genderbewuste analyse wordt uitgevoerd;

54.  constateert dat waar het externe maatregelen en ontwikkelingssamenwerking betreft, het genderactieplan voor de periode 2016-2020 de activiteiten van de EU in derde landen omvat en dat er verschillende instrumenten voor externe bijstand bestaan ter ondersteuning van de gendergelijkheidsdoelstellingen;

55.  benadrukt dat vrouwen en meisjes die slachtoffer zijn van gewapende conflicten recht hebben op noodzakelijke medische zorg, onder meer toegang tot anticonceptie, noodanticonceptie en abortus; herinnert eraan dat de humanitaire hulp van de EU de rechten van meisjes en vrouwen moet handhaven in het kader van het internationaal humanitair recht en niet mag vallen onder de beperkingen die worden opgelegd door andere partnerdonoren zoals vermeld in de EU-begroting voor 2016; is ingenomen met de benadering van de EU in dit verband; moedigt de Commissie aan haar standpunt te handhaven;

56.  benadrukt dat gendermainstreaming ook tot de basisbeginselen behoort van het onlangs opgerichte Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF); herhaalt zijn oproep om in het migratie- en asielbeleid rekening te houden met de genderdimensie door ervoor te zorgen dat vrouwen toegang hebben tot een veilig onderkomen, specifieke gezondheidszorg in verband met seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en dat er bijzondere aandacht uitgaat naar de specifieke behoeften van kwetsbare personen, zoals vrouwen die slachtoffer zijn geworden van geweld, met inbegrip van seksueel geweld, niet-begeleide minderjarigen en andere risicogroepen, waaronder LGBTI's;

57.  vraagt om voor het migratie- en asielbeleid een omvattend pakket EU-brede genderrichtsnoeren vast te stellen met voldoende middelen voor volledige opleidingsprogramma's voor beroepsbeoefenaren die mogelijk in contact komen met vluchtelingen en asielzoekers; benadrukt dat in deze richtsnoeren de genderspecifieke behoeften van vrouwelijke vluchtelingen en de daarmee samenhangende gendergerelateerde schadelijke praktijken, zoals de handel in vrouwen en meisjes, in aanmerking moeten worden genomen;

58.  wijst uitdrukkelijk op de nog steeds bestaande problemen van overbevolking in vluchtelingenopvangcentra en de gevolgen hiervan voor de veiligheid van vrouwen; dringt erop aan dat er meer middelen uit het Fonds voor asiel, migratie en integratie worden aangewend om opvangcentra te verbeteren en er afzonderlijke slaapgelegenheid en sanitaire voorzieningen voor vrouwen en mannen in te richten en om de bewoners toegang te bieden tot genderbewuste gezondheidszorg, met inbegrip van pre- en postnatale zorg;

59.  is van mening dat de lidstaten moeten worden aangemoedigd meer gebruik te maken van cohesiefondsen, ESI-fondsen en het Fonds voor asiel, migratie en integratie teneinde de integratie van vluchtelingen op de arbeidsmarkt te bevorderen, met bijzondere aandacht voor het feit dat toegankelijke kinderopvang vrouwelijke vluchtelingen in staat stelt zich op de arbeidsmarkt te begeven;

60.  vraagt om de hogere financiering en grotere reikwijdte van het Daphne- en het Odysseusprogramma te beoordelen in het licht van een uitbreiding ervan, zodat ze kunnen worden ingezet om de ernstige kwetsbaarheid van vrouwelijke vluchtelingen aan te pakken en meer steun kunnen bieden om deze gendergerelateerde nadelen weg te werken;

61.  benadrukt dat andere fondsen zijn gemobiliseerd om steun te bieden in de huidige vluchtelingencrisis, zoals het Fonds voor interne veiligheid (ISF), bijzondere financiële instrumenten zoals het instrument voor noodhulp en andere ad-hocinstrumenten en -subsidies; wijst erop dat het lastig is het gebruik van deze middelen te controleren, met name ten aanzien van het genderperspectief, en roept op tot een gecoördineerd, doeltreffend, transparant en genderbewust gebruik van EU-middelen;

62.  dringt aan op het vrijmaken van specifieke financiële middelen ter ondersteuning van gerichte maatregelen om met medewerking van basisorganisaties en lokale en regionale overheden de basisbehoeften, mensenrechten, veiligheid en bescherming van meisjes en vrouwen in de asielzoekers-, migranten- en vluchtelingenpopulatie, met inbegrip van zwangere en oudere vrouwen en LGBTI's, te garanderen;

Beleidsaanbevelingen

63.  dringt er nogmaals op aan genderbudgettering toe te passen op alle niveaus van de EU-begrotingsprocedure; pleit voor een consistent gebruik van genderbudgettering tijdens de gehele begrotingsprocedure, zodat de begrotingsuitgaven kunnen worden aangewend als een manier om gendergelijkheid te bevorderen;

64.  dringt erop aan dat genderbudgettering en gendermainstreaming door middel van krachtige en doeltreffende maatregelen worden geïntegreerd en ten uitvoer worden gelegd in de EU-financieringsprogramma's voor de periode na 2020, opdat de EU-financiering voor maatregelen ter bestrijding van genderdiscriminatie wordt verhoogd, en dat daarbij de volgende aspecten in beschouwing worden genomen:

  i) het in kaart brengen van impliciete en expliciete genderkwesties;

  ii) het - waar mogelijk - vaststellen van de daarvoor benodigde toewijzingen van middelen; en

  iii) het beoordelen of de EU-financieringsprogramma's de bestaande ongelijkheden tussen mannen en vrouwen (of groepen mannen en vrouwen) en tussen jongens en meisjes, alsook in bepaalde genderverhoudingen, zullen laten voortbestaan of tot verandering zullen leiden;

65.  pleit ervoor dat met alle EU-begrotingstitels dezelfde hoge gendergelijkheidsdoelen en gendermainstreamingsnormen worden nagestreefd;

66.  pleit ervoor dat de bedragen die worden toegekend voor de diverse op gendergelijkheid gerichte beleidsdoelstellingen en -maatregelen duidelijk worden gespecificeerd teneinde de transparantie en controleerbaarheid te verhogen;

67.  herinnert eraan dat genderbudgettering een methodologie is die moet worden toegepast in alle begrotingsonderdelen van de EU, niet alleen voor de programma's waarbij een gendereffect het meest waarschijnlijk lijkt;

68.  merkt op dat gendermainstreaming geen eenmalige exercitie is en dat genderbudgettering een blijvend engagement vereist om zich te verdiepen in gender, met inbegrip van analyses en raadplegingen, en om de begroting aan te passen teneinde rekening te houden met de evoluerende behoeften van vrouwen en mannen, jongens en meisjes;

69.  beschouwt de toewijzing in het huidige MFK van 6,17 miljard EUR voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het strategisch engagement voor gendergelijkheid als een eerste stap, en verzoekt om een verhoging van dit bedrag in het volgende MFK;

70.  is van mening dat de tussentijdse evaluatie van het MFK een kans zou zijn geweest om de resultaten die zijn behaald op het gebied van gendergelijkheid uit hoofde van de EU-begroting te optimaliseren, en om deze geoptimaliseerde prestaties aan het publiek te laten zien;

71.  betreurt derhalve de beslissing van de Commissie om de kwestie inzake de tenuitvoerlegging van gendermainstreaming niet te behandelen in de tussentijdse evaluatie van het MFK en roept op tot het nemen van specifiekere maatregelen om dit te verhelpen;

72.  pleit voor het toepassen van genderspecifieke indicatoren bij de projectselectie, monitoring en evaluatie van alle acties die uit de EU-begroting worden gefinancierd; verzoekt voorts om verplichte gendereffectbeoordelingen als onderdeel van een algemene ex-antevoorwaarde, en om de verzameling van naar gender uitgesplitste gegevens inzake begunstigden en deelnemers;

73.  raadt ten zeerste aan naar gender uitgesplitste gegevens toegankelijk te maken voor het publiek om zo de financiële controleerbaarheid en transparantie te waarborgen;

74.  pleit voor de overname van de methodologie voor het meten van gendergelijkheid die is gebruikt in het in 2015 door het EIGE gepubliceerde verslag "Gender Equality Index 2015 – Measuring gender equality in the European Union 2005-2012" als basis voor de planning en tenuitvoerlegging van EU-financieringsprogramma's;

75.  verzoekt de EU-instellingen en lidstaten om regelmatig voor al het personeel dat zich bezighoudt met beleidsvorming en begrotingsprocedures opleidingsprogramma's en programma's gericht op technische ondersteuning te organiseren op het gebied van instrumenten voor gendermainstreaming; vraagt om het gebruik van genderbudgettering in EU- en nationale strategieën te versterken teneinde de gendergelijkheid doeltreffender te bevorderen;

76.  dringt er bij de Commissie op aan om nauwlettend toezicht te houden op de doeltreffendheid van nationale klachteninstanties en -procedures in het kader van de tenuitvoerlegging van de richtlijnen inzake gendergelijkheid;

77.  verzoekt de Europese Rekenkamer ook het genderperspectief te hanteren wanneer zij de uitvoering van de begroting van de Unie beoordeelt, zowel in haar aanbevelingen als in haar speciale verslagen, en hierbij aandacht te besteden aan zowel de specifieke doelstellingen van het gendergelijkheidsbeleid van de EU als de horizontale aspecten van dit beleid; vraagt de lidstaten eveneens om de genderdimensie in hun begroting op te nemen teneinde een analyse te kunnen maken van de overheidsprogramma's en -beleidsmaatregelen, hun gevolgen voor de toewijzing van middelen en hun bijdrage tot de gelijkheid van vrouwen en mannen;

78.  herhaalt zijn bezorgdheid over het opvallende gebrek aan genderevenwicht bij de leden van de Europese Rekenkamer, waar het verschil met 28 mannen en slechts 3 vrouwen (twee minder dan begin 2016) het grootst is van alle EU-instellingen; verzoekt de Raad vanaf nu en totdat er een aanvaardbaar evenwicht is bereikt, het Parlement bij toekomstige benoemingen twee kandidaten voor te dragen, één man en één vrouw;

79.  pleit voor toezicht op en evaluatie van het Nationaal Actieplan (NAP) voor gelijke behandeling 2013-2016 in Polen; uit zijn bezorgdheid over het feit dat er in de centrale begroting door de overheid geen afzonderlijke middelen voor gendergelijkheid werden gereserveerd voor de uitvoering van het NAP; vraagt om bij de oprichting van het toezichthoudende orgaan voor een evenwicht te zorgen en er deskundigen en vertegenwoordigers van ngo's voor vrouwenrechten en gendergelijkheid in op te nemen;

80.  uit zijn lof over het werk van de Commissaris voor de Mensenrechten in Polen, die volgens de wet op gelijke behandeling aan het hoofd staat van het gelijkheidsorgaan dat bevoegd is voor de toepassing van gelijke behandeling; uit zijn ernstige bezorgdheid over de recente besnoeiingen op de begroting die van invloed zijn op de Commissaris voor de Mensenrechten; herinnert eraan dat het nationale orgaan voor gelijkheid moet beschikken over voldoende personele en financiële middelen en dat zijn onafhankelijkheid moet worden geëerbiedigd en gehandhaafd;

°

°  °

81.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.

(2)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470.

(3)

  PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(4)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0338.

(5)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0072.

(6)

Werkdocument van de diensten van de Commissie over de programmaverklaringen voor operationele uitgaven voor het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, COM(2016)300, blz. 15.

(7)

Europese Commissie, directoraat-generaal Onderzoek en innovatie, "Horizon 2020 Annual Monitoring Report 2014", ISBN 978-92-79-57749-9, blz. 44.


TOELICHTING

Gelijkheid tussen vrouwen en mannen is een in de Verdragen verankerde fundamentele waarde van de Europese Unie. Het thema gendergelijkheid is ook in 15 door de EU aangenomen richtlijnen aan bod gekomen en geldt als expliciete doelstelling van bepaalde onderdelen van de EU-begroting. Ongeacht de maatregelen ter vaststelling van gendergelijkheid is dit doel echter bij lange na nog niet bereikt. In dit verslag wordt er derhalve op aangedrongen dat de begroting op veel proactievere en gerichtere wijze wordt ingezet om de gendergelijkheidsdoelstellingen te behalen.

EU-financiering levert nu al een belangrijke positieve bijdrage aan het bevorderen van gendergelijkheid.

Sommige EU-programma's (zoals het ESF, het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" en Horizon 2020) omvatten specifieke maatregelen ten aanzien van gendergelijkheid, terwijl weer andere programma's slechts refereren aan de algemene beginselen van gendergelijkheid. Er zijn echter maar weinig programma's die voorzien in duidelijke doelen, gerichte middelen en systematische tenuitvoerlegging en controle. Over het algemeen komen gendervraagstukken vaker aan bod in "zachte" beleidsterreinen die bijvoorbeeld betrekking hebben op de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen, dan in "harde" beleidsterreinen zoals vervoer, klimaat en ICT.

In dit verslag wordt geëvalueerd op welke wijze gendermainstreaming wordt toegepast bij de toewijzing van EU-middelen, met speciale aandacht voor EU-financiering van kinderopvang in het kader van de ESI-fondsen, gendermainstreaming bij het gebruik van financiering voor Horizon 2020, en gendermainstreaming bij toepassing van het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" (met de focus op gendergelijkheidsdoelstellingen en de follow-up van het Daphne-programma inzake geweld tegen vrouwen). In het verslag is een beleidsaanbeveling opgenomen over de manier waarop het door de EU voorgestane beginsel van gendergelijkheid en gendermainstreaming beter kan worden geïntegreerd in de begrotingstoewijzing en uitgavenbeslissingen van de beleidsterreinen van de EU.

Volgens de operationele programma's van de EC die door de lidstaten, regio's en de Commissie zijn overeengekomen, wordt in de periode 2014-2020 in het kader van het ESIF circa 5,85 miljard EUR besteed aan maatregelen ter bevordering van de gendergelijkheid. De ESI-fondsen vormen derhalve de belangrijkste bron van financiële ondersteuning voor de tenuitvoerlegging van het gendergelijkheidsbeleid in de EU, met name wat betreft het ESF, dat tot doel heeft de volledige integratie van vrouwen in de arbeidsmarkt te bevorderen. In de periode 2014-2020 zal 5,85 miljard EUR worden besteed aan maatregelen voor het stimuleren van gendergelijkheid, waarvan 1,6 % in het kader van het ESF voor de specifieke investeringsprioriteit "gelijkheid van vrouwen en mannen op alle gebied, waaronder toegang tot arbeid, carrièrekansen, het combineren van werk en privéleven en het bevorderen van gelijke beloning voor gelijk werk". Naast deze specifieke maatregelen kunnen er nog andere maatregelen worden genomen. Zo moet EFRO-financiering bijvoorbeeld ook worden gebruikt ten behoeve van investeringen in kinderopvang- en andere sociale-infrastructuurvoorzieningen. Uit onderzoek blijkt dat investeringen in zorgvoorzieningen bijna evenveel banen voor mannen zouden opleveren als het geval zou zijn bij investeringen in de bouwsector, en bijna vier keer zoveel banen voor vrouwen.

Het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" 2014-2020 (dat ter vervanging dient van de eerdere programma's Progress, Grondrechten en burgerschap en Daphne III) heeft een totale begroting van 439,5 miljoen EU voor de periode 2014-2020, waarvan 35 % is gereserveerd voor de twee gendergelijkheidsdoelstellingen in het kader van dit programma ("de bevordering van gelijkheid tussen vrouwen en mannen en gendermainstreaming" en "het voorkomen van geweld tegen kinderen, jongeren, vrouwen en andere risicogroepen (Daphne)". Het verzamelen van naar geslacht uitgesplitste gegevens tijdens de uitvoeringsfase van dit programma verloopt echter nog gebrekkig. Daarnaast betreurt de rapporteur het feit dat er minder middelen beschikbaar zijn voor de specifieke Daphne-doelstelling en pleit de rapporteur voor een gepaste en eerlijke verdeling van de financiële steun tussen verschillende domeinen en voor meer duidelijkheid over de manier waarop de doelstelling inzake de bestrijding van geweld in het kader van het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" wordt nagestreefd.

Met betrekking tot Horizon 2020 is de rapporteur verheugd over de aanpak van het thema gendermainstreaming als transversale kwestie in alle onderdelen van het werkprogramma overeenkomstig de bepalingen van artikel 16 van de bijbehorende verordening. Een nadere evaluatie is echter nodig ter beoordeling van de resultaten op basis van indicatoren en daarnaast moet gendermainstreaming in alle pijlers van Horizon 2020 verder worden geïntensiveerd. De rapporteur benadrukt dat onafhankelijke financieringslijnen voor genderspecifieke structurele veranderingsprojecten moeten blijven worden gehanteerd (zoals het programma 2014-2016 inzake gendergelijkheid in onderzoek en innovatie) terwijl tegelijkertijd moet worden voorkomen dat de financiering voor gendergelijkheid wordt ondergebracht onder een meer algemene noemer.

De rapporteur is echter van mening dat de EU beter gebruik kan maken van haar begrotingsmiddelen om dit doel te bereiken. Een onderzoek door de EPRS heeft aangetoond dat het MFK 2014-2020 niet voorziet in duidelijke gendergelijkheidsstrategieën met specifieke doelstellingen, streefcijfers of toewijzingen. Genderbudgettering wordt niet systematisch toegepast in de EU-begrotingsprocedures. Het is binnen programma's vaak niet vast te stellen of er, en zo ja welke, middelen zijn toegewezen aan het behalen van de gendergelijkheidsdoelstellingen. Veel programma's voorzien niet in informatie ten aanzien van het genderperspectief in relatie tot financiële toewijzing. Daarnaast is de informatie over de tenuitvoerlegging en de resultaten niet aanwezig of niet volledig. Belangrijke instrumenten ten behoeve van gendermainstreaming, zoals indicatoren voor gendergelijkheid, gendereffectbeoordelingen en genderbewust budgetteren, worden door de EU- en nationale instellingen zelden ingezet. Een uitzondering hierop is bijvoorbeeld het kaderprogramma Horizon 2020, dat wel voorziet in gendermainstreaming en passende indicatoren.

Een andere betreurenswaardige ontwikkeling is dat de tenuitvoerlegging van het gendergelijkheidsbeleid in de afgelopen jaren minder prioriteit heeft gekregen. Ook gerichte gendergerelateerde programma's hebben hieronder te lijden gehad. Een voorbeeld hiervan op EU-niveau is het Daphne-programma, waarin in de loop der tijd minder financiële middelen worden vrijgemaakt voor genderspecifiek beleid.

Het mainstreamen van gendergelijkheid in de EU-begroting biedt de mogelijkheid om te informeren over ons streven naar gendergelijkheid en gerichte maatregelen te nemen om hier een nieuwe impuls aan te geven. Door deze brede opvatting ten aanzien van de positieve rol die de EU-begroting kan spelen bij het behalen van deze fundamentele doelstelling kunnen we de recente ontwikkeling van passiviteit een halt toeroepen.

De rapporteur is teleurgesteld over het feit dat de tussentijdse evaluatie van het meerjarig financieel kader van de Commissie niet voorziet in voorstellen op dit gebied en niet refereert aan gendermainstreaming. De rapporteur is van mening dat genderbudgettering als op zichzelf staande maatregel een goede methode is om het feit onder de aandacht te brengen dat ongelijkheid een kwestie is die moet worden aangepakt. Bij een juiste toepassing, met inbegrip van genderindicatoren, moet hiermee ook kunnen worden aangetoond waar de EU-begroting een positief effect heeft, en waar de begroting eventueel tekortschiet. Door de meerwaarde van de tenuitvoerlegging van EU-programma's duidelijk te meten, kunnen we onze burgers laten zien dat een hierop toegespitste begroting een enorm verschil kan maken op het gebied van gendergelijkheid.

In dit verslag wordt er derhalve op aangedrongen dat de begroting op veel proactievere wijze wordt ingezet om de gendergelijkheidsdoelstellingen te behalen die de EU al vanaf het prille begin hoog op de agenda heeft staan.


ADVIES van de Begrotingscommissie (16.12.2016)

aan de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid

inzake EU-middelen voor gendergelijkheid

(2016/2144(INI))

Rapporteur voor advies: Eider Gardiazabal Rubial

SUGGESTIES

De Begrotingscommissie verzoekt de ten principale bevoegde Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat de Commissie in december 2015 een werkdocument heeft gepubliceerd, getiteld "Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019", waarin zij wijst op de belangrijke rol van EU-financiering ter ondersteuning van gendergelijkheid, één van de fundamentele waarden van de Europese Unie;

B.  overwegende dat in artikel 8 VWEU is bepaald: "Bij elk optreden streeft de Unie ernaar de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen.";

C.  overwegende dat het Parlement in zijn verslag over de voorbereiding van de herziening van het MFK 2014-2020(1) pleit voor meer inzet gericht op een daadwerkelijke integratie van genderaspecten in het MFK, teneinde iedere vorm van discriminatie te bestrijden;

D.  overwegende dat uit de gendergelijkheidsindex 2015 van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) blijkt dat de doelstelling van gendergelijkheid in Europa nog lang niet gerealiseerd is;

E.  overwegende dat genderbewust budgetteren inhoudt dat op alle niveaus van het begrotingsproces, van de planning en voorbereiding tot de controle en evaluatie, rekening wordt gehouden met het genderperspectief en overwegende dat de financiering van de Unie voor de bevordering van gelijkheid tussen mannen en vrouwen moet worden verhoogd;

F.  overwegende dat het ontbreken van specifieke indicatoren voor gendergelijkheid, naar geslacht uitgesplitste gegevens en adequate uitvoeringsstrategieën er helaas toe leidt dat de controleerbaarheid van de begroting en besteding van financiële middelen op dit punt gebrekkig is en het dus onmogelijk is om de gevolgen van het EU-beleid voor gendergelijkheid goed te beoordelen;

G.  overwegende dat de gendergelijkheidsindex die in 2015 door EIGE gepubliceerd werd (Gender Equality Index 2015 - Measuring gender equality in the European Union 2005-2012) een gedetailleerde analyse bevat en voorziet in een passende methode voor het meten van genderongelijkheid, volledig afgestemd op het beginsel van gendermainstreaming;

H.  herinnerend aan het interinstitutioneel akkoord tussen het Parlement, de Raad en de Europese Commissie over beter wetgeven van 13 april 2016, en met name aan de artikelen 20 t/m 24 over evaluatie van bestaande wetgeving als basis voor verdere acties;

I.  ingenomen met de inspanningen die zijn verricht op het gebied van de verzameling van naar geslacht uitgesplitste gegevens en de invoering van genderspecifieke indicatoren in een aantal EU-wetgevings- en beleidsmaatregelen, zoals het Europees Sociaal Fonds (ESF);

1.  betreurt dat de uitvoering van de EU-begroting op dit moment niet strookt met de toezegging van de EU op hoog niveau om zich in te zetten voor gendergelijkheid;

2.  pleit ervoor dat met alle begrotingstitels ambitieuze en duidelijke gendergelijkheidsdoelen en gendermainstreamingsnormen worden nagestreefd en dat de bedragen die worden toegekend voor de diverse beleidsdoelstellingen en -maatregelen worden gespecificeerd, zodat de transparantie verbetert en genderdoelstellingen niet uit het zicht raken; is van oordeel dat gendergelijkheid voor alle titels van de EU-begroting als specifieke beleidsdoelstelling moet gelden;

3.  pleit voor het toepassen van genderspecifieke indicatoren en criteria bij de projectselectie, monitoring en evaluatie van alle acties die uit de EU-begroting gefinancierd worden, en voor systematische verzameling van naar geslacht uitgesplitste gegevens met betrekking tot begunstigden en deelnemers, onder meer met betrekking tot instrumenten die uit de EU-begroting worden gefinancierd, echter zonder dat dit leidt tot overregulering;

4.  beschouwt de toewijzing in het huidige MFK van 6,17 miljard EUR voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het strategisch engagement voor gendergelijkheid als een eerste stap, en dringt aan op verhoging van dit bedrag in het volgende MFK; is van oordeel dat deze verhoging gebaseerd moet worden op de evaluatie van bestaande wetgeving, zoals overeengekomen in het interinstitutioneel akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Europese Commissie over beter wetgeven;

5.  dringt erop aan dat genderbudgettering en gendermainstreaming door middel van krachtige en doeltreffende maatregelen worden geïntegreerd en ten uitvoer worden gelegd in de EU-financieringsprogramma's voor de periode na 2020, opdat de financiering van de EU voor maatregelen ter bestrijding van genderdiscriminatie wordt verhoogd, en dat daarbij de volgende aspecten in beschouwing worden genomen:

  i) het in kaart brengen van impliciete en expliciete genderkwesties;

  ii) het - waar mogelijk - vaststellen van de daarvoor benodigde toewijzingen van middelen; en

  iii) het beoordelen of de financieringsprogramma's van de EU een verschil zullen maken in bestaande ongelijkheden tussen mannen en vrouwen (of groepen mannen en vrouwen) en tussen jongens en meisjes, alsook in bepaalde genderverhoudingen;

6.  pleit voor overname van de methodologie voor het meten van gendergelijkheid van de gendergelijkheidsindex die in 2015 gepubliceerd werd door EIGE (Gender Equality Index 2015 - Measuring gender equality in the European Union 2005-2012) als basis voor de planning en tenuitvoerlegging van EU-financieringsprogramma's.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

8.12.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

22

5

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Nedzhmi Ali, Richard Ashworth, Jean-Paul Denanot, Gérard Deprez, José Manuel Fernandes, Eider Gardiazabal Rubial, Jens Geier, Ingeborg Gräßle, Zbigniew Kuźmiuk, Vladimír Maňka, Clare Moody, Paul Rübig, Petri Sarvamaa, Patricija Šulin, Eleftherios Synadinos, Indrek Tarand, Monika Vana, Marco Zanni

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Xabier Benito Ziluaga, Bill Etheridge, Ivana Maletić, Andrey Novakov, Derek Vaughan

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Clara Eugenia Aguilera García, José Blanco López, Edouard Ferrand, Valentinas Mazuronis, Claudia Schmidt, Nils Torvalds

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0309.


ADVIES van de Commissie begrotingscontrole (19.1.2017)

aan de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid

inzake EU-middelen voor gendergelijkheid

(2016/2144(INI))

Rapporteur voor advies: Luke Ming Flanagan

SUGGESTIES

De Commissie begrotingscontrole verzoekt de ten principale bevoegde Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

–  gezien het rapport van de Raad van Europa over genderbudgettering: eindrapport van de groep deskundigen over genderbudgettering – Straatsburg, 2005,

A.  overwegende dat gelijkheid tussen vrouwen en mannen een in de Verdragen verankerde fundamentele waarde van de EU is; overwegende dat de EU-strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015 binnenkort afloopt, wat een gelegenheid biedt voor een inventarisatie;

B.  overwegende dat er in de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer op wordt aangedrongen dat in de jaarlijkse begrotingsprocedure die wordt toegepast voor het MFK 2014-2020, waar passend, genderelementen worden geïntegreerd, waarbij rekening wordt gehouden met de wijze waarop het algemeen financieel kader van de Unie effectieve gendergelijkheid en gendermainstreaming bevordert;

C.  overwegende dat in het strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019, dat in december 2015 werd gepubliceerd, eens te meer het streven wordt bevestigd om te blijven werken aan de bevordering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen en wordt gewezen op het belang van EU-middelen ter ondersteuning van gendergelijkheid;

D.  overwegende dat met betrekking tot de EU-financiering voor gendergelijkheid op het gebied van grondrechten, gelijkheid en burgerschap, het programma Rechten, gelijkheid en burgerschap (REC) voor de periode 2014-2020 beschikt over een totale begroting van 439,5 miljoen EUR, waarvan 35 % bestemd is voor de twee doelstellingen op het gebied van gendergelijkheid en voor het Daphne-programma ter bestrijding van geweld tegen vrouwen;

E.  overwegende dat in de periode 2014-2020 in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) ongeveer 5,85 miljard EUR zal worden besteed aan maatregelen voor het stimuleren van gendergelijkheid, waarvan 1,6 % onder het Europees Sociaal Fonds (ESF) voor de specifieke investeringsprioriteit "gelijkheid van vrouwen en mannen op alle gebied, waaronder toegang tot arbeid, carrièrekansen, het combineren van werk en privéleven en het bevorderen van gelijke beloning voor gelijk werk" valt;

F.  overwegende dat er in de instelling van de EU die toezicht houdt op de begroting, de Europese Rekenkamer, sprake is van een groot gebrek aan genderevenwicht, dat in 2016 met elke nieuwe benoeming in stand werd gehouden;

G.  overwegende dat een van de meest in het oog springende maatregelen van gendergelijkheid gelijke beloning is, maar dat de inspanningen en de resultaten van de EU om een grotere participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt en een gelijke mate van economische zelfstandigheid van vrouwen en mannen te bevorderen even belangrijk zijn, net zoals het bevorderen van gelijke deelname van vrouwen en mannen aan de besluitvorming, het bestrijden van gendergerelateerd geweld en de bescherming en ondersteuning van slachtoffers, en het bevorderen van gendergelijkheid en de rechten van vrouwen in de hele wereld;

H.  overwegende dat in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven steun wordt verleend aan de vaststelling van vereisten inzake monitoring, met inbegrip van meetbare indicatoren op basis waarvan informatie kan worden verzameld over de effecten van wetgeving in de praktijk en verdere acties kunnen worden ondersteund zonder dat dit leidt tot extra administratieve lasten;

I.  overwegende dat het VN-actieplatform van Beijing in 1995 opriep tot een genderbewuste aanpak van begrotingsprocedures;

1.  merkt op dat genderbudgettering een instrument van democratisch bestuur moet zijn dat ervoor kan zorgen dat gendergelijkheid een realiteit wordt, en dat bij begrotingscontroletaken dan ook moet worden aangegeven in welke mate de EU-begroting en de uitvoering ervan gunstig zijn voor het gendergelijkheidsbeleid of juist een belemmering vormen; is van mening dat de huidige loonkloof tussen mannen en vrouwen voor gelijk werk totaal onaanvaardbaar is;

2.  merkt op dat budgettering ter bevordering van gelijke kansen tussen vrouwen en mannen in acht wordt genomen op bepaalde beleidsterreinen (werkgelegenheid, sociale zaken en inclusie, binnenlandse zaken, justitie, ontwikkeling en samenwerking, onderzoek en innovatie, onderwijs en cultuur), maar is van mening dat dit moet worden opgenomen in alle beleidsterreinen waar dit zinvol is en moet helpen waarborgen dat vrouwen en mannen gelijke toegang hebben tot zowel de arbeidsmarkt als leidinggevende en besluitvormende functies en dat de loonkloof voor gelijk werk verdwijnt;

3.  benadrukt dat het belangrijk is dat gendermainstreaming wordt opgenomen als analysecategorie in het begrotingsproces door te garanderen dat er kwalitatieve analyses beschikbaar zijn om de loonkloof tussen vrouwen en mannen te monitoren en uiteindelijk te dichten, en zo tot volledige gendergelijkheid te komen;

4.  is van mening dat een correct uitgevoerde genderbudgettering een positief effect heeft, waarbij de vooruitzichten inzake werkgelegenheid en beloning voor vrouwen in het algemeen verbeteren, terwijl ook de arbeidskrachtbasis ruimer wordt;

5.  stelt voor bijzondere aandacht te besteden aan ESIF-maatregelen ter ondersteuning van investeringen in onderwijs-, sociale en gezondheidsdiensten, gelet op het feit dat deze diensten op zowel nationaal als lokaal niveau te kampen hebben met afnemende overheidsfinanciering;

6.  betreurt het feit dat gendergelijkheidsdoelstellingen al te vaak worden ondergeschikt aan andere beleidsdoelstellingen die binnen hetzelfde begrotingsonderdeel aan bod komen;

7.  betreurt het gebrek aan naar gender uitgesplitste gegevens en genderspecifieke indicatoren die nodig zijn om erop toe te zien en te beoordelen dat een actie die uit de EU-begroting wordt gefinancierd voldoende aandacht besteedt aan gendergelijkheid; is ingenomen met de inspanningen die zijn verricht op het gebied van de verzameling van naar geslacht uitgesplitste gegevens en de invoering van genderspecifieke indicatoren in een aantal EU-wetgevings- en beleidsmaatregelen, bijvoorbeeld in het ESF; is van mening dat het belangrijk is om nog meer te doen om dergelijke indicatoren te ontwikkelen, zodat alle belangrijke terreinen van het EU-beleid voor gendergelijkheid kunnen worden gemonitord; is verheugd over en steunt de toezeggingen die werden gedaan in het Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019 om de gegevensverzameling te verbeteren met hulp van Eurostat, het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE), Eurofound, de Raad van Europa (RvE) en het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA);

8.  herhaalt zijn bezorgdheid over het enorme gebrek aan genderevenwicht bij de leden van de Europese Rekenkamer, waar het verschil met 28 mannen en slechts 3 vrouwen (twee minder dan begin 2016) het grootst is van alle EU-instellingen; verzoekt de Raad vanaf nu en totdat er een aanvaardbaar evenwicht is bereikt, het Parlement bij toekomstige benoemingen twee kandidaten voor te dragen, één man en één vrouw;

9.  verzoekt de Europese Rekenkamer, in het kader van de nieuwe procedures voor een resultaatgerichte EU-begroting, zowel in haar aanbevelingen als in haar speciale verslagen informatie te verschaffen over het effect van de Europese begroting en programma's en hierbij aandacht te besteden aan zowel de specifieke doelstellingen van het gendergelijkheidsbeleid van de Unie als aan de horizontale aspecten van dit beleid;

10.  verzoekt de Commissie en de lidstaten met klem een alomvattend debat over beleid en begrotingskeuzes te bevorderen teneinde de beleidsvormen te versterken die bijdragen aan gendergelijkheid en uiteindelijk aan de verwezenlijking van het ultieme doel van gelijke beloning voor gelijk werk voor iedereen;

11.  verlangt in het kader van een verantwoorde omgang met de begrotingsmiddelen van de EU een uitvoerige kosten-batenanalyse, teneinde alle begrotingsposten voor "gendermainstreaming" af te schaffen die hun doel aantoonbaar missen;

12.  veroordeelt alle vormen van discriminatie en geweld tegen vrouwen en mannen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

9.1.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

20

0

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Inés Ayala Sender, Ryszard Czarnecki, Dennis de Jong, Martina Dlabajová, Luke Ming Flanagan, Jens Geier, Ingeborg Gräßle, Verónica Lope Fontagné, Georgi Pirinski, Petri Sarvamaa, Claudia Schmidt, Bart Staes, Tomáš Zdechovský

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Brian Hayes, Cătălin Sorin Ivan, Benedek Jávor, Dan Nica, Julia Pitera, Miroslav Poche, Patricija Šulin

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Clare Moody


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

25.1.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

20

4

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Beatriz Becerra Basterrechea, Vilija Blinkevičiūtė, Anna Maria Corazza Bildt, Iratxe García Pérez, Arne Gericke, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Florent Marcellesi, Angelika Mlinar, Maria Noichl, Marijana Petir, João Pimenta Lopes, Terry Reintke, Liliana Rodrigues, Michaela Šojdrová, Ernest Urtasun, Ángela Vallina, Jadwiga Wiśniewska, Jana Žitňanská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Catherine Bearder, Biljana Borzan, Rosa Estaràs Ferragut, Eleonora Forenza, Mylène Troszczynski, Julie Ward

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Sorin Moisă


HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

20

+

ALDE

Catherine Bearder, Beatriz Becerra Basterrechea, Angelika Mlinar

GUE/NGL

Eleonora Forenza, João Pimenta Lopes, Ángela Vallina

PPE

Anna Maria Corazza Bildt, Rosa Estaràs Ferragut, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz

S&D

Vilija Blinkevičiūtė, Biljana Borzan, Iratxe García Pérez, Sorin Moisă, Maria Noichl, Liliana Rodrigues, Julie Ward

VERTS/ALE

Florent Marcellesi, Terry Reintke, Ernest Urtasun

4

-

ECR

Arne Gericke, Jadwiga Wiśniewska, Jana Žitňanská

ENF

Mylène Troszczynski

2

0

PPE

Marijana Petir, Michaela Šojdrová

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Juridische mededeling