Procedure : 2015/2117(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0071/2017

Ingediende teksten :

A8-0071/2017

Debatten :

Stemmingen :

PV 27/04/2017 - 5.68

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0199

VERSLAG     
PDF 340kWORD 63k
23.3.2017
PE 594.105v02-00 A8-0071/2017

over de tenuitvoerlegging van de richtlijn mijnbouwafval (2006/21/EG)

(2015/2117(INI))

Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

Rapporteur: György Hölvényi

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de tenuitvoerlegging van de richtlijn mijnbouwafval (2006/21/EG)

(2015/2117(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien Richtlijn 2006/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën en houdende wijziging van Richtlijn 2004/35/EG (hierna "de richtlijn" genoemd)(1),

–  gezien Beschikking 2009/335/EG van de Commissie van 20 april 2009 inzake technische richtsnoeren voor het stellen van de financiële zekerheid(2),

–  gezien Beschikking 2009/337/EG van de Commissie van 20 april 2009 tot vaststelling van de criteria voor de indeling van afvalvoorzieningen overeenkomstig bijlage III bij Richtlijn 2006/21/EG(3),

–  gezien Beschikking 2009/360/EG van de Commissie van 30 april 2009 tot aanvulling van de technische voorschriften voor de afvalkarakterisering(4),

–  gezien Beschikking 2009/358/EG van de Commissie van 29 april 2009 betreffende de harmonisatie, de periodieke toezending van de informatie en de vragenlijst bedoeld in artikel 22, lid 1, onder a), en artikel 18, van Richtlijn 2006/21/EG(5),

–  Gezien Beschikking 2009/359/EG van de Commissie van 30 april 2009 tot aanvulling van de definitie van inert afval ter uitvoering van artikel 22, lid 1, onder f), van Richtlijn 2006/21/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën(6),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's betreffende de uitvoering van Richtlijn 2006/21/EG (COM(2016) 553),

–  gezien Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade(7),

–  gezien de Europese uitvoeringsbeoordeling van de richtlijn mijnbouwafval van januari 2017, uitgevoerd door de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement, met inbegrip van de in bijlage 1 opgenomen studie met als titel "Exploring the alternatives to technologies involving high environmental and health risks related to the improper management of the waste from extractive industries: Challenges, risks and opportunities for the extractive industries arising in the context of the "circular economy" concept"(8) (Mogelijke alternatieven voor technologieën met grote milieu- en gezondheidsrisico's bij verkeerd beheer van winningsafval: uitdagingen, risico's en kansen voor winningsindustrieën in samenhang met het concept "circulaire economie"),

–  gezien zijn resolutie van 5 mei 2010 over een algeheel verbod op het gebruik van cyanide in de mijnbouw in de Europese Unie(9),

–  gezien zijn resolutie van 8 oktober 2015 over de lering die kan worden getrokken uit de ramp met rode modder, vijf jaar na het ongeval in Hongarije(10),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's met als titel "Maak de cirkel rond - Een EU-actieplan voor de circulaire economie" COM(2015) 614,

–  gezien de haalbaarheidsstudie van de Commissie over het concept van een risicodelingsfaciliteit op EU-niveau voor industriële rampen(11),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0071/2017),

A.  overwegende dat in de nasleep van twee zware ongevallen waarbij gevaarlijk winningsafval weglekte, Richtlijn 2006/21/EG betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën (hierna "de richtlijn" genoemd) werd aangenomen om nadelige gevolgen voor het milieu alsmede risico's voor de volksgezondheid als gevolg van het beheer van winningsafval te voorkomen en zo veel mogelijk te beperken;

B.  overwegende dat de termijn voor omzetting van de richtlijn door de lidstaten op 1 mei 2008 afliep, en dat bijna alle lidstaten achterliepen met de omzetting van de richtlijn in hun nationale wetgeving;

C.  overwegende dat de Commissie tegen 18 lidstaten inbreukprocedures wegens niet-conformiteit heeft opgestart omdat zij de richtlijn niet juist en volledig hebben omgezet; overwegende dat vier zaken eind november 2016 nog liepen;

D.  overwegende dat de Commissie elf volle jaren na de vaststelling van de richtlijn de richtsnoeren voor inspecties, zoals vereist bij artikel 22, lid 1, onder c), van de richtlijn, nog niet heeft vastgesteld; overwegende dat de behoefte aan robuuste richtsnoeren van de Commissie duidelijk blijkt uit het ontbreken van een definitie van een inspectie en nadere bijzonderheden over hoe die moet worden uitgevoerd, en uit de uiteenlopende interpretaties van de vereisten van de richtlijn door de lidstaten;

E.  overwegende dat tien lidstaten hebben gemeld dat ze binnen hun nationale grenzen geen voorzieningen van categorie A hebben;

F.  overwegende dat de beperkingen van het huidige systeem van driejaarlijkse rapportage, zoals blijkt uit de verschillen tussen de door de lidstaten verstrekte informatie en de vermoedelijk verkeerde interpretatie van een aantal bepalingen van de richtlijn, ertoe hebben geleid dat het wegens de onbevredigende kwaliteit van de beschikbare gegevens niet mogelijk was de omzetting van de richtlijn in de praktijk te schetsen en te beoordelen;

G.  overwegende dat er op EU-niveau geen databank betreffende afvalvoorzieningen van winningsindustrieën bestaat;

H.  overwegende dat afval afkomstig van de winning van delfstoffen een zeer groot deel vormt van de totale hoeveelheid afval die in de Europese Unie wordt geproduceerd (ongeveer 30 % in 2012), en dat een deel daarvan gevaarlijk afval is;

I.  overwegende dat de EU sterk afhankelijk is van de invoer van grondstoffen uit derde landen en dat veel natuurlijke hulpbronnen snel uitgeput dreigen te raken; overwegende dat de milieu- en gezondheidswetgeving in die derde landen vaak minder streng is dan in de EU;

J.  overwegende dat de Commissie in haar mededeling met als titel "Maak de cirkel rond - Een EU-actieplan voor de circulaire economie" COM(2015) 614 niet heeft voorzien in een evaluatie van de wetgeving wat deze richtlijn betreft;

K.  overwegende dat de overgang naar een circulaire economie belangrijke milieuvoordelen met zich meebrengt en cruciaal is voor het concurrentievermogen van de EU op de lange termijn;

1.  betreurt het dat de lidstaten (EU-27)(12) bepaalde omzettingsproblemen hebben ondervonden wat betreft het tijdschema of de kwaliteit, of beide, en dat er momenteel geen correcte omzetting van de richtlijn in de praktijk in alle lidstaten te verwachten valt gezien de lopende inbreukprocedures wegens niet-conformiteit;

2.  verzoekt de betrokken lidstaten en de Commissie ervoor te zorgen dat de richtlijn zo snel mogelijk juist en volledig wordt omgezet en ten uitvoer gelegd; verzoekt de Commissie de lidstaten voldoende aanwijzingen te geven om deze juiste en volledige omzetting te waarborgen;

3.  benadrukt dat het ontbreken van richtsnoeren voor inspecties, zoals bepaald in artikel 22, lid 1, onder c), van de richtlijn, niet alleen de daadwerkelijke en doeltreffende tenuitvoerlegging van de richtlijn in de praktijk in de weg staat, maar ook ertoe leidt dat de nalevings- en de handhavingskosten voor exploitanten en autoriteiten van lidstaat tot lidstaat verschillen;

4.  dringt er daarom bij de Commissie op aan zo snel mogelijk, en in elk geval uiterlijk eind 2017, concrete sectorspecifieke richtsnoeren voor inspecties in de winningsafvalsector vast te stellen, met inbegrip van een definitie;

5.  verzoekt de Commissie de betrokken bevoegde autoriteiten van de lidstaten de mogelijkheid te bieden onaangekondigde inspecties ter plaatse uit te voeren;

6.  is van mening dat het huidige rapportagesysteem op grond van artikel 18, lid 1, niet geschikt en ondoeltreffend is omdat het hiermee niet mogelijk is een volledig beeld van de uitvoering te schetsen en deze te beoordelen, terwijl het de lidstaten en de diensten van de Commissie onnodig belast en daarmee eveneens de doeltreffendheid ondergraaft;

7.  wijst in dit verband op het gebrekkige ontwerp van het gegevensverzamelingsinstrument (de vragenlijst(13)), dat voor dubbelzinnige interpretaties vatbaar is en daardoor leidt tot de rapportage van maatregelen die op nationaal niveau zijn genomen en niet over de manier waarop die in de praktijk worden gebracht, met name wat betreft de rapportage over de afvalvoorzieningen van winningsindustrieën;

8.  benadrukt dat sommige door de lidstaten verstrekte cijfers over het aantal onder de richtlijn vallende voorzieningen op hun grondgebied weinig aannemelijk lijken omdat ze in bepaalde gevallen vrij laag zijn in vergelijking met de uit andere informatiebronnen afkomstige gegevens over de volledige productie van winningsafval op nationaal niveau;

9.  dringt erop aan het huidige rapportagemechanisme (met inbegrip van de vragenlijst) zo spoedig mogelijk, en nog vóór de in aantocht zijnde deadlines voor de derde rapportageperiode (2014-2017), te hervormen, om de praktische uitvoering van de richtlijn naar behoren te kunnen beoordelen op basis van de derde rapportageperiode en daarna; vraagt de Commissie voorts in het rapportagemechanisme een verzoek op te nemen om alle relevante gegevens over het milieueffect te verstrekken;

10.  stelt voor de vragenlijst als bedoeld in bijlage III bij Beschikking 2009/358/EG van de Commissie te verbeteren door de lidstaten ertoe te verplichten volledige, actuele en betrouwbare gegevens te rapporteren over voorzieningen voor winningsafval die zich op hun grondgebied bevinden; is van mening dat de hervorming zo moet worden aangepakt dat er een gemakkelijk bij te werken Europese databank van voorzieningen voor winningsafval kan worden opgezet, omdat dit bevorderlijk zou zijn om te waarborgen dat de praktische uitvoering van de richtlijn volledig in beeld gebracht, gemonitord en op EU-niveau beoordeeld kan worden; merkt op dat ook andere benaderingen te overwegen vallen, zoals het gebruik van een bij wijze van voorbeeld ingevuld nationaal verslag uit hoofde van artikel 18, lid 1, van de richtlijn, dat als model moet worden gevolgd, en stipt aan dat dergelijke verbeteringen de lidstaten geen ruimte meer mogen laten voor verschillende interpretaties aangaande de gegevens die ze moeten verstrekken;

11.  betreurt dat de Commissie slechts één uitvoeringsverslag betreffende zowel de eerste als de tweede rapportageperiode (2008-2011 en 2011-2014) heeft gepubliceerd, in plaats van één verslag om de drie jaar, zoals vereist uit hoofde van artikel 18, lid 1, van de richtlijn, waardoor het publiek jarenlang geen informatie kreeg over de (gebrekkige) uitvoering van deze richtlijn, en verdere maatregelen met het oog op de volledige uitvoering ervan de facto vertraging opliepen, terwijl deze richtlijn betrekking heeft op een economische activiteit met significante gevolgen voor het milieu, de gezondheid en de maatschappij; verzoekt de Commissie de rapportage om de drie jaar strikt in acht te nemen;

12  erkent dat de meeste lidstaten de nodige maatregelen hebben genomen om de bepalingen van de richtlijn uit te voeren; wijst erop dat uit de verschillende interpretaties van de lidstaten blijkt dat er verdere inspanningen nodig zijn om ervoor te zorgen dat alle lidstaten de grondbeginselen van de richtlijn op dezelfde wijze opvatten en toepassen, om zo een gelijk speelveld in de hele EU te garanderen;

13.  is ingenomen met de plannen van de Commissie om algemene richtsnoeren betreffende de uitvoering van de bepalingen van de richtlijn te publiceren, wat een betere naleving en handhaving van de richtlijn mogelijk zal maken, met inbegrip van de volledige levenscyclus van een mijnafvalvoorziening van vergunning tot en met rehabilitatie en monitoring na sluiting; vestigt de aandacht op de erg uiteenlopende interpretaties en misverstanden met betrekking tot fundamentele bepalingen van de richtlijn (bijvoorbeeld omtrent de vraag of er zich in de lidstaten al dan niet onder de richtlijn vallende voorzieningen bevinden);

14.  maakt zich in het bijzonder zorgen over het feit dat de behoorlijke indeling en vergunning van risicovoller voorzieningen van categorie A nog niet volledig afgerond is, en waarschuwt dat er externe noodplannen ontbreken voor ongeveer 25 % van de voorzieningen van categorie A op het grondgebied van de EU; vraagt de lidstaten daarom de juiste indeling van de voorzieningen op hun grondgebied af te ronden en uiterlijk eind 2017 de ontbrekende externe noodplannen vast te stellen;

15.  maakt zich zorgen over het feit dat volgens de nationale verslagen die op grond van artikel 18, lid 1, van de richtlijn zijn ingediend, een groot aantal EU-lidstaten de onder deze richtlijn vallende voorzieningen niet juist in kaart blijken te hebben gebracht, met name wat voorzieningen betreft die in categorie A zouden moeten worden ingedeeld;

16.  wijst erop hoe belangrijk het is informatie te verkrijgen over de toestand van de huidige afvalbassins; verzoekt de lidstaten de veiligheid van dammen te verbeteren om de menselijke gezondheid en het milieu te beschermen, met name in voorzieningen van categorie A;

17.  benadrukt dat het belangrijk is de betrokken lokale gemeenschappen al in de planningsfase te betrekken bij projecten voor het beheer van winningsafval waar gevaarlijke stoffen aan te pas komen, en de transparantie en de daadwerkelijke betrokkenheid van de burgers te waarborgen tijdens de hele vergunningsprocedure en bij het bijstellen van een verleende vergunning of de voorwaarden voor een vergunning; wijst nogmaals op het belang van het Verdrag van Espoo en het Verdrag van Aarhus in dit verband; verzoekt de Commissie een databank van goede praktijken in het leven te roepen om de lokale gemeenschappen beter te betrekken;

18.  vraagt de Commissie doeltreffender maatregelen voor te stellen om het milieu en de gezondheid van de burgers te beschermen omdat een aantal lidstaten tot dusver niet in staat zijn gebleken de vervuiling van water en bodem door enkele exploitanten te voorkomen;

19.  wijst op de onnodige administratieve belasting van de autoriteiten en exploitanten wat het beheer van inert afval en niet-verontreinigde grond betreft, en verzoekt de Commissie en de lidstaten de duplicatie van vergunningsprocedures te voorkomen, rekening houdend met de kenmerken van de sector en de gevolgen voor de gezondheid, de veiligheid en het milieu;

20.  dringt er bij de Commissie op aan te onderzoeken hoe Beschikking 2009/335/EG van de Commissie in de lidstaten ten uitvoer is gelegd en of de ingestelde financiëlezekerheidsinstrumenten volstaan en geschikt zijn;

21.  wijst op zijn resolutie van 5 mei 2010 over een algeheel verbod op het gebruik van cyanide in de mijnbouw in de EU, met name in het licht van de povere stand van de uitvoering in verband met de vergunning van voorzieningen van categorie A, en roept de Commissie nogmaals op om zo spoedig mogelijk een volledig verbod op het gebruik van cyanide in de mijnbouw in de Europese Unie voor te stellen, met name omdat er ook niet-giftige alternatieven bestaan, zoals cyclodextrine(14); verzoekt de lidstaten onmiddellijk te zorgen voor een optimaal beheer van cyanide-afvalbassins;

22.  dringt er bij het bedrijfsleven en de betrokken bevoegde autoriteiten op aan tijdens de vergunningsprocedure voor afvalvoorzieningen van winningsindustrieën beschikbare geavanceerde technologieën te overwegen, met name wat het ontwerp van residubekkens betreft, met inachtneming van de strengste milieunormen; verzoekt de lidstaten de in het kader van de vergunningsprocedure verstrekte gegevens te verzamelen en te analyseren, ze te vergelijken met de werkelijke milieueffecten van een werkende mijnafvalvoorziening en zo nodig de vereiste correcties in de vergunningsvereisten aan te brengen;

23.  verzoekt de Commissie voldoende financiering voor onderzoek en innovatie inzake het beheer van mijnafvalvoorzieningen te waarborgen om deze voorzieningen veiliger te maken;

24.  verzoekt de Commissie de lopende herziening van het referentiedocument voor de beste beschikbare technieken (BREF, Best Available Techniques Reference Document) in samenhang met het concept "circulaire economie" aan te grijpen om prioriteit te verlenen aan strengere milieunormen en een efficiënt gebruik van hulpbronnen bij het vaststellen van optimale werkwijzen die in de plannen voor het beheer van mijnbouwafval moeten worden opgenomen;

25.  verzoekt de Commissie ook de terugwinning van kritieke grondstoffen uit mijnbouwafval aan te moedigen, zoals omschreven in het EU-actieplan voor de circulaire economie;

26.  neemt met ongenoegen kennis van de trend in de mijnbouwsector in Europa om grondstoffen van geringere kwaliteit en dieper in de bodem te ontginnen, waardoor er meer materiaal wordt bovengehaald om het doelmetaal te produceren; verzoekt de lidstaten afvalgesteente zo goed mogelijk te gebruiken om waar mogelijk natuurlijk gesteente te vervangen; maakt zich ernstige zorgen over de efficiëntie van chemische behandelingsprocessen, omdat een lagere verhouding erts/ertshoudend gesteente betekent dat er meer tailings (lees: mijnbouwafval) per ton doelmetaal worden geproduceerd;

27.  benadrukt dat het in het licht van de overgang van de EU naar een circulaire economie van essentieel belang is het gebruik van hulpbronnen te verminderen en hergebruik en recycling te bevorderen; verzoekt de Commissie te overwegen hiertoe streefdoelen vast te stellen, op basis van een levenscyclusbeoordeling;

28.  benadrukt dat "alomvattende" winning tot leidend beginsel kan worden verheven, al moet er rekening worden gehouden met technische beperkingen en marktbeperkingen, alsook met mogelijke indirecte kosten, zoals de koolstofvoetafdruk; stelt voor dat mijnbouw- en vermalingsafval onderzocht en voor afvoer gescheiden wordt zodat het later gemakkelijker nuttig kan worden toegepast;

29.  verzoekt de Commissie en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten verder te investeren in onderzoek naar en ontwikkeling van haalbare alternatieve processen om de EU van primaire en secundaire grondstoffen te voorzien en mijnbouwafval te voorkomen;

30.  beklemtoont dat uit het verleden daterende gesloten mijnafvalvoorzieningen op middellange of korte termijn een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid of het milieu kunnen gaan vormen; verzoekt de Commissie volledige transparantie aan de dag te leggen bij het verduidelijken van alle aan de lidstaten verleende afwijkingen van de richtlijn en de nog bestaande lacunes met betrekking tot historische stortplaatsen en de sanering ervan; verzoekt de Commissie in dit verband samen met de lidstaten een actieplan voor de volledige sanering van deze locaties uit te werken, rekening houdend met goede praktijkvoorbeelden en de mogelijke voordelen van het concept "circulaire economie" als dat wordt toegepast op het beheer van winningsafval, en met inbegrip van regelingen om toe te zien op de fase na de sluiting van deze locaties;

31.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

PB L 102 van 11.4.2006, blz. 15.

(2)

PB L 101 van 21.4.2009, blz. 25.

(3)

PB L 102 van 22.4.2009, blz. 7.

(4)

PB L 110 van 1.5.2009, blz. 48.

(5)

PB L 110 van 1.5.2009, blz. 39.

(6)

PB L 110 van 1.5.2009, blz. 46.

(7)

PB L 143 van 30.4.2004, blz. 56.

(8)

PE-nummer: 593.788.

(9)

PB C 81E van 15.3.2011, blz. 74.

(10)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0349.

(11)

Studie naar de haalbaarheid van de oprichting van een fonds om milieuaansprakelijkheid en verliezen door industriële ongevallen te dekken, eindverslag, Europese Commissie, DG ENV, 17 april 2013.

(12)

Zie voetnoot 3 in de toelichting.

(13)

Bijlage III bij Beschikking 2009/358/EG van de Commissie.

(14)

Liu et al. (2013) "Selective isolation of gold facilitated by second-sphere coordination with α-cyclodextrin", Nature Communications


TOELICHTING

Doelstelling

Richtlijn 2006/21/EG betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën (hierna "de richtlijn") werd aangenomen in de nasleep van twee zware ongevallen in 1998 en 2000 waarbij gevaarlijk winningsafval weglekte. Ze voorziet in maatregelen, procedures en richtsnoeren om de nadelige effecten op het milieu of de volksgezondheid als gevolg van het beheer van winningsafval te voorkomen en zo veel mogelijk te beperken. De richtlijn bevat strengere voorschriften voor zogenaamde voorzieningen van categorie A, die bij verkeerd beheer aanleiding kunnen geven tot "zware ongevallen", d.w.z. ongevallen waardoor ernstig gevaar voor de gezondheid van de mens en/of het milieu ontstaat.

De activiteiten van winningsindustrieën en het afval dat zij produceren zijn al lang een onderwerp waaraan het Europees Parlement bijzonder belang hecht: de afgelopen jaren werden hierover verschillende parlementaire vragen aan de Europese Commissie gesteld, de parlementaire Commissie verzoekschriften behandelde verschillende verzoekschriften van burgers en er werden een aantal hoorzittingen en debatten gehouden en veel resoluties aangenomen. In zijn resolutie van 5 mei 2010 drong het Europees Parlement met name aan op een algeheel verbod op het gebruik van cyanide in de mijnbouw(1). Een daarop volgend wetgevingsvoorstel werd door de Commissie echter geweigerd omdat zij van oordeel was dat de bestaande EU-wetgeving, mits correct uitgevoerd, volstond om ongevallen te voorkomen en de gevolgen ervan grotendeels te beperken. In 2015 werd de richtlijn als "een bron van grote zorg" bestempeld in een andere resolutie van het Parlement over de lering uit de ramp met rode modder in 2010(2).

Tegen deze achtergrond leek het noodzakelijk de praktische uitvoering van de omgezette richtlijn te onderzoeken en te beoordelen in het kader van de controleactiviteiten van de Commissie ENVI. Ter ondersteuning van de werkzaamheden van de commissie heeft de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement een onderzoek ter beoordeling van de tenuitvoerlegging in de EU verricht.

Belangrijkste bevindingen en aanbevelingen in verband met de tenuitvoerlegging

De termijn voor omzetting van de richtlijn verstreek op 1 mei 2008. Vanaf die datum dienen de lidstaten te waarborgen dat in de praktijk aan alle voorschriften van de richtlijn wordt voldaan.

De belangrijkste bevinding van dit verslag is dat de lidstaten (EU-27(3)) bepaalde omzettingsproblemen hebben ondervonden wat betreft het "tijdschema" of de "kwaliteit", of beide, waardoor er geen correcte uitvoering van de richtlijn in de praktijk in alle lidstaten te verwachten valt aangezien er inbreukprocedures lopen wegens niet-conformiteit. Daarom wordt aanbevolen om de omzetting van de richtlijn (kwalitatief gezien) zo spoedig mogelijk af te ronden.

De meeste lidstaten blijken de nodige maatregelen te hebben genomen voor de uitvoering van de bepalingen van de richtlijn. De praktische uitvoering van de bepalingen en inspecties in kwestie is echter nog steeds problematisch. Uit de weinige beschikbare gegevens blijkt dat er praktische problemen zijn met externe noodplannen (voor voorzieningen van categorie A), alsook met vergunningen en inspecties (voor alle soorten voorzieningen, met inbegrip van voorzieningen van categorie A). Daarom is het absoluut noodzakelijk dat de Commissie, zoals aangegeven in haar uitvoeringsverslag van 6 september 2016, zo snel mogelijk algemene richtsnoeren voor de toepassing van de bepalingen van de richtlijn uitgeeft.

Wat de inspecties betreft, wordt in de richtlijn niet uitdrukkelijk bepaald wat die precies inhouden, noch nauwkeurig aangegeven hoe een inspectie moet worden uitgevoerd. Hoewel de Commissie haast alle vereiste uitvoeringsmaatregelen heeft vastgesteld om de praktische uitvoering van de richtlijn mogelijk te maken, ontbreekt er nog steeds een belangrijk document, namelijk de "richtsnoeren voor inspecties". Het ontbreken van dergelijke richtsnoeren is problematisch omdat het ertoe kan leiden dat de lidstaten de inspecties op verschillende manieren aanpakken. Daardoor zou het kunnen dat de doelstellingen van de richtlijn niet door alle lidstaten op gelijke wijze worden verwezenlijkt. De doeltreffendheid zou met andere woorden van lidstaat tot lidstaat verschillen. Voorts leidt het ontbreken van een uniforme aanpak van de inspecties in de hele EU tot verschillen in de nalevings- en handhavingskosten, met als gevolg dat de richtlijn niet in alle lidstaten even doeltreffend wordt uitgevoerd. Daarom wordt aanbevolen dat de Commissie de richtsnoeren voor inspecties zo snel mogelijk vaststelt.

Het huidige rapportagesysteem op grond van de richtlijn, en met name de driejaarlijkse verslaglegging door de lidstaten op grond van artikel 18, lid 1, van de richtlijn, is niet geschikt omdat dit geen volledig beeld geeft van de praktische uitvoering die op EU-niveau weergegeven, gecontroleerd en beoordeeld moet worden. Met name het gegevensverzamelingsinstrument (de vragenlijst)(4) vertoont verschillende tekortkomingen, zoals blijkt uit het beschikbare onderzoek. Deze moeten worden verholpen:

•  ten eerste, prioritair, om voor de controle en evaluatie van de praktische uitvoering over betrouwbare gegevens te beschikken, en

•  ten tweede, dringend, om ervoor te zorgen dat de lidstaten over de derde uitvoeringsperiode (2014 - 2017) niet met hetzelfde gebrekkige instrument verslag uitbrengen.

Bovendien bestaat er momenteel geen databank inzake afvalvoorzieningen van winningsindustrieën op EU-niveau en die kan op basis van het huidige rapportagemechanisme ook niet in het leven geroepen worden. Dat maakt het controleren van de voorzieningen en bijgevolg het beoordelen van de praktische uitvoering moeilijk.

Het belang van de burgers bij de uitvoering

Algemeen gesproken volstaat de kwaliteit van de beschikbare gegevens niet om van de praktische uitvoering van de richtlijn een volledig beeld te krijgen en deze naar behoren te beoordelen. Hoewel de EU-wetgeving betreffende het beheer van winningsafval nog steeds aan een reële behoefte beantwoordt, met name voor plaatselijke gemeenschappen in de onmiddellijke nabijheid van grootschalige mijnbouwprojecten waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn, biedt de uitvoering van de richtlijn in de praktijk wellicht niet de mate van veiligheid die de wetgever aanvankelijk voor ogen stond.

In het licht van de bovenstaande conclusie wil de rapporteur de aandacht vestigen op de rechtmatige belangen van plaatselijke gemeenschappen die hinder ondervinden van de mogelijke schadelijke gevolgen van mijnbouwafvalvoorzieningen. Hun ervaring leert immers dat het beheer van winningsafval meestal als een afzonderlijke activiteit wordt beschouwd, los van de complexe kwestie van winningsindustrieën. Daardoor kan worden voorbijgegaan aan het voorzorgsbeginsel en aan de daadwerkelijke betrokkenheid van de plaatselijke gemeenschappen, wat een realistische beoordeling van de kosten en risico's van moderne dagbouw in de weg staat. Dit uitvoeringsverslag biedt een unieke kans om aanbevelingen te doen om de richtlijn op dit vlak te verbeteren.

Winningsafval in het kader van de circulaire economie

Hoewel winningsafval een derde van het in de EU geproduceerde afval uitmaakt, zijn in de richtlijn geen streefdoelen vastgesteld met betrekking tot de hoeveelheden winningsafval. Evenmin werd een herziening van de richtlijn gepland in het kader van het pakket "circulaire economie" van de Commissie uit 2015, hoewel de ontginning van primaire grondstoffen en het beheer van het resterende afval in het kader van de circulaire economie zou passen(5). Bijgevolg werd het voor dit uitvoeringsverslag belangrijk geacht het beheer van winningsafval in de context van de circulaire economie te plaatsen, omdat deze beleidsverandering van invloed zou zijn op de manier waarop delfstoffen ontgonnen en behandeld worden, en dus op de manier waarop winningsafval beheerd wordt. Dit zou met andere woorden van invloed zijn op de praktische uitvoering van de richtlijn.

Technologieën met grote milieu- en gezondheidsrisico's

  Aan de hand van een op stukken gebaseerd deskundigenverslag(6) heeft de rapporteur ook geprobeerd alternatieven in kaart te brengen voor technologieën met grote milieu- en gezondheidsrisico's bij verkeerd beheer van winningsafval.

  Wat de thans gebruikte winnings- en afvalbeheertechnieken betreft, kunnen de meeste processen als volwaardig en veilig worden beschouwd mits ze volgens de regelgevingsvoorschriften worden uitgevoerd. Bij de bestaande activiteiten kunnen zich echter verschillen voordoen tussen de uitvoering op papier en in de praktijk. Dat ligt onder meer aan economische druk, die tot de omzeiling van procedures kan leiden, en aan onvoldoende gereglementeerd toezicht om dergelijke situaties recht te zetten. Een andere reden is dat veel voorzieningen jaren- of zelfs decennialang hebben bestaan en niet werden gebouwd op een wijze die thans als beste praktijk wordt beschouwd. Het kan daarbij gaan om historisch gegroeide situaties die technisch moeilijk en niet goedkoop op te lossen vallen.

De rapporteur is van mening dat het begrip "beste beschikbare technieken" herbekeken moet worden om te voorkomen dat "beste" slechts "gebruikelijke praktijken" betekent, ook als deze ontoereikend blijken te zijn. De rapporteur pleit ervoor om bij het vaststellen van "beste praktijken", met name praktijken met grote milieu- en gezondheidsrisico's, gebruik te maken van de resultaten van eerdere en lopende onderzoeksactiviteiten, speerpunttechnologieën inzake recycling van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA), en de ervaring die is opgedaan bij breuken van residudammen over de hele wereld, en prioriteit te geven aan hogere milieunormen en een efficiënt gebruik van hulpbronnen, ook als dit duurder uitvalt, om zo een einde te maken aan de goedkoopste maar tevens riskantste technische opties.

Dankbetuiging

Tot slot wil de rapporteur graag de afdeling Effectbeoordeling achteraf van het directoraat Effectbeoordeling en Europese Meerwaarde binnen het directoraat-generaal Parlementaire Onderzoeksdiensten van het Europees Parlement bedanken voor de diepgaande Europese uitvoeringsbeoordeling en de Europese Commissie voor de samenwerking bij het uitpluizen van gegevens in verband met de uitvoering in de 28 lidstaten. Hij dankt de schaduwrapporteurs voor hun actieve betrokkenheid, alsook de verschillende belanghebbenden, nationale autoriteiten, maatschappelijke vertegenwoordigers en ondernemersorganisaties voor hun standpunten en adviezen, die allemaal waardevolle bijdragen tot dit uitvoeringsverslag vormden.

(1)

EP resolutie van 5 mei 2010.

(2)

EP resolutie van 8 oktober 2015.

(3)

Deze conclusie geldt voor de 27 landen die op de uiterste datum voor omzetting van de richtlijn, namelijk 1 mei 2008, lidstaat van de Europese Unie waren, maar niet voor Kroatië, dat op 1 juli 2013 toetrad tot de EU.

(4)

Op grond van Beschikking 2009/358/EG van de Commissie, en met name bijlage III.

(5)

Winningsafval komt wel aan bod in het actieplan bij het pakket, waarin de Commissie twee belangrijke toezeggingen deed.

(6)

De studie werd op verzoek van DG EPRS tussen februari en mei 2016 opgesteld door dr. Eberhard Falck en als bijlage I bij de Europese uitvoeringsbeoordeling gepubliceerd met als titel: "Exploring the alternatives to technologies involving high environmental and health risks related to the improper management of the waste from extractive industries. Challenges, risks and opportunities for the extractive industries arising in the context of the circular economy concept".


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

21.3.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

57

1

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marco Affronte, Margrete Auken, Pilar Ayuso, Zoltán Balczó, Ivo Belet, Biljana Borzan, Paul Brannen, Soledad Cabezón Ruiz, Nessa Childers, Birgit Collin-Langen, Mireille D’Ornano, Miriam Dalli, Seb Dance, Angélique Delahaye, Ian Duncan, Stefan Eck, Bas Eickhout, José Inácio Faria, Francesc Gambús, Gerben-Jan Gerbrandy, Jens Gieseke, Julie Girling, Sylvie Goddyn, Françoise Grossetête, Jytte Guteland, György Hölvényi, Anneli Jäätteenmäki, Benedek Jávor, Josu Juaristi Abaunz, Karin Kadenbach, Kateřina Konečná, Urszula Krupa, Giovanni La Via, Peter Liese, Norbert Lins, Valentinas Mazuronis, Susanne Melior, Miroslav Mikolášik, Massimo Paolucci, Piernicola Pedicini, Pavel Poc, Julia Reid, Frédérique Ries, Michèle Rivasi, Annie Schreijer-Pierik, Davor Škrlec, Renate Sommer, Estefanía Torres Martínez, Nils Torvalds, Adina-Ioana Vălean, Damiano Zoffoli

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Nikolay Barekov, Nicola Caputo, Stefano Maullu, Gesine Meissner, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Jan Keller, Arne Lietz


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

57

+

ALDE

Gerben-Jan Gerbrandy, Anneli Jäätteenmäki, Valentinas Mazuronis, Gesine Meissner, Frédérique Ries, Nils Torvalds

ECR

Nikolay Barekov, Ian Duncan, Julie Girling, Urszula Krupa

EFDD

Piernicola Pedicini

ENF

Mireille D’Ornano, Sylvie Goddyn

GUE/NGL

Stefan Eck, Josu Juaristi Abaunz, Kateřina Konečná, Estefanía Torres Martínez

NI

Zoltán Balczó

PPE

Pilar Ayuso, Ivo Belet, Birgit Collin-Langen, Angélique Delahaye, José Inácio Faria, Francesc Gambús, Jens Gieseke, Françoise Grossetête, György Hölvényi, Giovanni La Via, Peter Liese, Norbert Lins, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska, Stefano Maullu, Miroslav Mikolášik, Annie Schreijer-Pierik, Renate Sommer, Adina-Ioana Vălean

S&D

Biljana Borzan, Paul Brannen, Soledad Cabezón Ruiz, Nicola Caputo, Nessa Childers, Miriam Dalli, Seb Dance, Jytte Guteland, Karin Kadenbach, Jan Keller, Arne Lietz, Susanne Melior, Massimo Paolucci, Pavel Poc, Damiano Zoffoli

Verts/ALE

Marco Affronte, Margrete Auken, Bas Eickhout, Benedek Jávor, Michèle Rivasi, Davor Škrlec

1

-

EFDD

Julia Reid

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Juridische mededeling