Procedure : 2016/2141(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0119/2017

Ingediende teksten :

A8-0119/2017

Debatten :

PV 26/04/2017 - 22
CRE 26/04/2017 - 22

Stemmingen :

PV 27/04/2017 - 5.66
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0197

VERSLAG     
PDF 409kWORD 62k
30.3.2017
PE 592.416v02-00 A8-0119/2017

over de stand van zaken in verband met de concentratie van landbouwgrond in de EU: manieren om landbouwers betere toegang tot land te geven

(2016/2141(INI))

Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling

Rapporteur: Maria Noichl

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de stand van zaken in verband met de concentratie van landbouwgrond in de EU: manieren om landbouwers betere toegang tot land te geven

(2016/2141(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 21 januari 2015 getiteld "De opkoop van landbouwgrond — Een waarschuwing voor Europa en een bedreiging voor agrarische familiebedrijven",

–  gezien de vrijwillige richtsnoeren voor een verantwoord beheer van bodem- en landgebruik, visgronden en bossen van de Commissie inzake Wereldvoedselzekerheid (CFS) van 12 mei 2012,

–  gezien verzoekschrift nr. 187/2015 aan het Europees Parlement over de bescherming en het beheer van Europese landbouwgrond als gedeelde welvaart: een oproep van middenveldorganisaties tot een duurzaam en rechtvaardig EU-beleid inzake landgebruik,

–  gezien de studie over de omvang van de massale opkoop van landbouwgrond in de EU (The Extent of Farmland Grabbing in the EU) van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling van het Europees Parlement(1),

–  gezien door de Commissie geplande dan wel reeds aangespannen inbreukprocedures tegen de lidstaten Bulgarije, Letland, Litouwen, Polen, Slowakije en Hongarije,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0119/2017),

A.  overwegende dat in 2013 in de EU-27 slechts 3,1 % van de bedrijven 52,2 % van de Europese landbouwgrond in handen had en dat daarentegen in 2013 76,2 % van de bedrijven slechts over 11,2 % van de landbouwgrond beschikte; overwegende dat deze trend indruist tegen het Europees model van een duurzame en multifunctionele landbouw, die grotendeels gekenmerkt wordt door familiebedrijven;

B.  overwegende dat dit de ongelijkheid van het landgebruik in de EU – met een Gini-coëfficiënt van 0,82 – op één lijn stelt met die van landen als Brazilië, Colombia en de Filipijnen(2);

C.  overwegende dat deze ongelijke verdeling van de landbouwgrond overeenkomt met een ongelijke verdeling van de GLB-subsidies, aangezien de rechtstreekse betalingen – die een groot deel van de GLB-uitgaven uitmaken – voornamelijk per hectare worden betaald;

D.  overwegende dat de feitelijke verdeling van grond en subsidie een nog veel hogere mate van ongelijkheid te zien zou kunnen geven, daar de beschikbare statistieken geen uitspraken toelaten over eigendom en controle van bedrijven;

E.  overwegende dat toegang tot land en tot eigendom wezenlijke rechten zijn die verankerd zijn in het nationaal recht van elke lidstaat;

F.  overwegende dat toegang tot land van essentieel belang is voor een aantal mensenrechten, en van invloed is op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

G.  overwegende dat land enerzijds eigendom is maar anderzijds een publiek goed waarvoor maatschappelijke verplichtingen gelden;

H.  overwegende dat land niet tot de exclusieve of gedeelde bevoegdheden van de EU behoort, maar dat verschillende EU-beleidsterreinen betrekking hebben op politieke, sociale, culturele en milieuaspecten van landbeheer, waardoor de behoefte ontstaat aan een meer holistische benadering van landbeheer op EU-niveau;

I.  overwegende dat het Duitse constitutionele hof in zijn besluit van 12 januari 1967 (1 BvR 169/63, BVerfG 21, 73-87) heeft verklaard dat de handel in stukken grond op het platteland niet even vrij hoeft te zijn als de handel met ieder ander kapitaal, omdat land niet vermeerderbaar is en onmisbaar is, en dat een rechtvaardige maatschappelijke en rechtsorde in het geval van land genoodzaakt is de belangen van de gemeenschap veel zwaarder te laten wegen dan in het geval van andere activa(3);

J.  overwegende dat land een steeds schaarsere hulpbron is die niet vermeerderbaar is en dat grond de basis vormt voor het recht van de mens op gezonde en voldoende voeding alsmede voor een groot aantal functies van het ecosysteem die essentieel zijn voor het overleven van de mens, en daarom niet als gewone handelswaar mag worden beschouwd; overwegende dat land bovendien in tweeërlei opzicht bedreigd wordt, namelijk enerzijds door het verlies van landbouwgrond als gevolg van bodemverdichting, verstedelijking, toerisme, infrastructuurprojecten, veranderingen in gebruik en bebossing alsmede toenemende verwoestijning als gevolg van klimaatverandering, en anderzijds door de concentratie van land in de handen van grootschalige landbouwbedrijven en investeerders van buiten de landbouwsector; overwegende dat het de taak van de overheid is het verlies van landbouwgrond als gevolg van dergelijke activiteiten te controleren en te beperken;

K.  overwegende dat land niet alleen tot conflicten inzake gebruik leidt, maar ook de rivaliteit tussen de landbouw- en niet-landbouwinvesteerders aanwakkert evenals tussen de verschillende generaties landbouwers, aangezien jongeren die zich als landbouwer willen vestigen in verband met de hoge kosten moeilijker toegang tot land krijgen, in het bijzonder wanneer zij niet uit een landbouwersfamilie komen;

L.  overwegende dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor het feit dat het beleid inzake de grondmarkt en de markt voor landbouwgrond per lidstaat verschilt, en overwegende dat dit van grote invloed kan zijn op het concurrentievermogen op de interne markt;

M.  overwegende dat land een moeilijk te financieren productiefactor is; dat land gepaard gaat met nationale regelingen inzake erfrecht, die tot herfinanciering verplichten bij elke generatiewisseling; dat de prijs van grond invloed heeft op de concentratie van grond; en dat landbouwers zonder nakomelingen aan het einde van hun werkzame leven hun bedrijf vaak aan de hoogste bieder zullen verkopen om hun bescheiden pensioen aan te vullen;

N.  overwegende dat de Europese Rekenkamer in haar speciale verslag nr. 25/2016 de kritiek uit dat de systemen voor het in kaart brengen van landbouwgrond, die worden gebruikt om te berekenen of arealen in aanmerking komen voor steun, moeten worden verbeterd;

O.  overwegende dat via bestaande statistische instrumenten op EU-niveau, zoals het informatienet inzake landbouwbedrijfsboekhoudingen (ILB), de landbouwstructuurenquête van Eurostat en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem (GBCS), gegevens worden verzameld over verschillende aspecten van landeigendom; overwegende dat uitvoerige, actuele, transparante en betrouwbare gegevens over landgebruiksrechten, eigendoms- en pachtstructuren, over prijzen en areaal op de grondmarkten, maar ook over relevante sociale indicatoren en milieu-indicatoren op Europees niveau tot nu toe ontbreken en in sommige lidstaten slechts onvolledig worden verzameld en gepubliceerd;

P.  overwegende dat ook met betrekking tot een zinvolle verdeling van land een voldoende mate van markttransparantie essentieel is en dat daarin ook rekening moet worden gehouden met de activiteiten van instellingen die actief zijn op de markten voor eigendom en pacht van grond;

Q.  overwegende dat de verkoop van grond aan niet-landbouwgebonden investeerders en holdings in de hele Unie een dringend probleem is en dat vooral de nieuwe lidstaten na het aflopen van de moratoria op de verkoop van grond aan buitenlanders onder bijzonder grote druk stonden om hun wetgeving aan te passen, aangezien de relatief lage grondprijzen de verkoop van landbouwgrond aan grote investeerders hebben bespoedigd;

R.  overwegende dat een brede spreiding van landbouwgrond een essentieel beginsel van de sociale markteconomie is en een belangrijke voorwaarde voor de maatschappelijke samenhang, het scheppen van arbeidsplaatsen op het platteland, een hoge toegevoegde waarde in de landbouw en maatschappelijke rust;

S.  overwegende dat voor kleinschalige landbouw gebruikte grond een belangrijke rol speelt bij het waterbeheer en het klimaat, de koolstofhuishouding en de productie van voedzame voedingsmiddelen, evenals bij biodiversiteit, vruchtbaarheid van de bodem en landschapsbehoud; overwegende dat rond 20 % van de Europese landbouwgrond nu al te lijdt onder de klimaatverandering, bodemerosie door water en wind alsmede ondeskundige exploitatie; en overwegende dat door de opwarming van de aarde bepaalde regio's van de EU, vooral in zuid-Europa, te maken zullen krijgen met droogte en andere extreme weersverschijnselen, wat tot bodemdegradatie zal leiden en de toegang tot land van goede kwaliteit en/of land dat geschikt is voor landbouw zal beperken;

T.  overwegende dat er een grote onevenwichtigheid is bij de spreiding van kwalitatief hoogwaardige landbouwgrond en dat deze doorslaggevend is voor de kwaliteit van levensmiddelen, de voedselveiligheid en het welzijn van de mens;

U.  overwegende dat de vraag naar levensmiddelen en voeders, niet-fossiele energie, duurzame grondstoffen voor de brandstof-, chemische en textielindustrie en voor de bio-economie gestaag toeneemt en daarmee ook de grondprijs;

V.  overwegende dat kleine en middelgrote landbouwbedrijven, gespreide eigendom of naar behoren gereguleerde pacht en toegang tot openbare grond de beste voorwaarden vormen voor een verantwoordelijke omgang met land en een duurzaam grondbeheer, en daarnaast de identificatie en verbondenheid bevordert; overwegende dat dergelijke vormen van bezit ertoe bijdragen dat mensen in landelijke gebieden blijven wonen, hetgeen een positieve impact heeft op de sociaaleconomische infrastructuur van plattelandsgebieden, de voedselzekerheid, de zelfvoorziening en het behoud van de landelijke levensstijl; overwegende dat een ongelijke verdeling van land en ongelijke toegang tot land en natuurlijke hulpbronnen het risico van segmentering van de samenleving, sociale ongelijkheid, verlies van kwaliteit van werk en leven en verarming doet toenemen; overwegende dat de hoge machtsconcentratie in sectoren van de EU-voedselmarkt wellicht negatieve gevolgen voor de consumentenrechten heeft en het inkomen van landbouwers doet dalen; overwegende dat landbouwers die geen eigenaar van hun grond zijn, pachtovereenkomsten zouden moeten hebben die voldoende solide en langlopend zijn om te waarborgen dat hun investeringen rendement opleveren;

W.  overwegende dat het doel van het Europese landbouwbeleid de instandhouding is van het Europees landbouwmodel, op basis van een multifunctionele landbouw die in de eerste plaats gekenmerkt wordt door kleine en middelgrote familiebedrijven en coöperaties die eigenaar zijn van hun land; overwegende dat een brede spreiding van de eigendom, betrouwbare landgebruiksrechten en toegang tot openbare grond alsmede duurzame exploitatie rechtvaardige toegang tot hulpbronnen waarborgen en een diverse, met de woonplaats verbonden landbouwstructuur garanderen met tradities, rechtszekerheid en verantwoordelijkheid ten bate van de maatschappij; overwegende dat een dergelijk model traditionele producten en voedselsoevereiniteit helpt behouden en innovatie stimuleert, en bescherming biedt voor het milieu en de komende generaties;

X.  overwegende dat agrarische familiebedrijven naast de productie van levensmiddelen nog andere zeer belangrijke maatschappelijke en ecologische functies vervullen waarin het industriële landbouwmodel niet altijd kan voorzien; overwegende dat een door boerenfamilies alleen of met ondersteuning van consumenten gedragen klein en middelgroot gestructureerde landbouw ook vanuit economisch perspectief een zeer veelbelovend model voor de toekomst is, omdat dergelijke bedrijven dikwijls een hoge interne diversificatie en daardoor veerkracht vertonen en bijdragen tot een hoge toegevoegde waarde in plattelandsgebieden;

Y.  overwegende dat de concentratie van landbouwgrond negatieve gevolgen heeft voor de ontwikkeling van plattelandsgemeenschappen en voor de sociaaleconomische levensvatbaarheid van plattelandsgebieden, en ertoe leidt dat arbeidsplaatsen in de landbouw verloren gaan, met als gevolg een lagere levensstandaard voor de landbouwgemeenschap en een vermindering van de voedselvoorraden, alsmede een onbalans in de territoriale ontwikkeling en in de samenleving;

Z.  overwegende dat de toekomst van de landbouwsector afhankelijk is van de jongere generatie en hun bereidheid tot innoveren en investeren, die doorslaggevend is voor de toekomst van plattelandsgebieden aangezien alleen op deze manier de vergrijzing kan worden tegengegaan en de bedrijfsopvolging gewaarborgd kan worden, zonder welke ook het pact tussen de generaties aan geldigheid inboet; maar overwegende dat het daarentegen voor jonge boeren en boerinnen en beginnende ondernemers en onderneemsters uitermate moeilijk is om toegang tot land en tot krediet te krijgen, hetgeen de sector vaak minder aantrekkelijk maakt;

AA.  overwegende dat de toegang tot land de meest fundamentele voorwaarde is om een landbouwbedrijf te starten dat weer zorgt voor werkgelegenheid en sociale en economische ontwikkeling;

AB.  overwegende dat de koop- en pachtprijzen voor landbouwgrond in veel gebieden inmiddels een peil hebben bereikt dat financiële speculatie aanmoedigt, waardoor het voor veel landbouwbedrijven uit economisch oogpunt ondoenlijk is geworden om gepachte percelen aan te houden of om met het oog op het behoud van kleine en middelgrote bedrijven meer grond aan te kopen, laat staan nieuwe bedrijven op te richten, daar er nauwelijks nog grond beschikbaar is;

AC.  overwegende dat verschillen tussen de lidstaten wat betreft de prijzen voor landbouwgrond concentratieprocessen verder begunstigen en dat de prijsontwikkeling van grond niet parallel verloopt met de economische trends in andere sectoren;

AD.  overwegende dat de koop- en gedeeltelijk ook de pachtprijzen voor landbouwgrond in veel lidstaten niet meer zijn afgestemd op het inkomen dat met de productie van levensmiddelen kan worden verworven;

AE.  overwegende dat pachtprijzen dikwijls niet meer zijn afgestemd op de opbrengst die landbouwbedrijven kunnen behalen en dat de kapitaaleisen daardoor te hoog en te riskant zijn om een landbouwbedrijf te beginnen;

AF.  overwegende dat de vraag naar levensmiddelen en voeders wordt aangevuld door een stijgende vraag naar grondstoffen voor de "bio-economie", zoals bijv. biobrandstoffen en stoffen voor de chemische en textielindustrie, wat bij nieuwe actoren belangstelling wekt voor het kopen van landbouwgrond;

AG.  overwegende dat het beleid en de subsidies van de EU soms concentratieprocessen in de hand werken om sommige lidstaten nog steeds geen doeltreffend grondbeleid kennen, daar rechtstreekse betalingen per hectare vooral voordelen opleveren voor grote bedrijven en reeds gevestigde landbouwers en deze middelen de grondprijs opdrijven, waardoor de grondmarkt buiten het bereik komt te liggen van zowel jonge landbouwers als nieuwe instromers in de landbouw en kleine en middelgrote ondernemingen die vaak over minder financiële middelen beschikken; overwegende dat dit betekent dat Europees landbouwgeld, wat tevens voor middelgrote en kleine agrarische ondernemingen bedoeld is, niet zelden op de verkeerde plaats terechtkomt;

AH.  overwegende dat de concentratie van land in handen van een klein aantal producenten de productie- en marktprocessen verstoort en een contraproductief effect kan hebben op de landbouw in de lidstaten en/of in de hele EU;

AI.  overwegende dat het in 2013 herziene gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) het ook mogelijk heeft gemaakt dit effect te beperken door een grotere betaling op de eerste hectaren en een degressiviteit van deze steun in te voeren; overwegende voorts dat deze rechtstreekse betalingen per hectare een essentiële rol spelen om het concurrentievermogen en de duurzaamheid van de Europese landbouwbedrijven die aan hoge productienormen voldoen te waarborgen;

AJ.  overwegende dat de aankoop van landbouwgrond vooral sinds de financiële en economische crisis van 2007 in veel lidstaten als veilige geldbelegging wordt gezien; overwegende dat landbouwgrond door investeerders en speculanten uit andere sectoren, zoals pensioenfondsen, verzekeringen en ondernemingen, in een verontrustende omvang wordt opgekocht; en overwegende dat grondeigendom ook bij toekomstige inflatie een veilige belegging zal blijven;

AK.  overwegende dat een aantal lidstaten regelgevende maatregelen hebben getroffen om te voorkomen dat hun bouwland wordt opgekocht door investeerders; overwegende dat er gevallen van fraude zijn vastgesteld in de vorm van de aankoop van land waarbij zogeheten "pocket contracts" werden gebruikt, waarin de datum van sluiting van het contract is vervalst; overwegende dat er tegelijkertijd grote hoeveelheden grond door investeerders zijn aangekocht;

AL.  overwegende dat de aanwezigheid van speculatieve zeepbellen op de markten voor landbouwgrond ernstige gevolgen heeft voor de landbouw en dat speculatie met grondstoffen op de beurzen de prijzen voor landbouwgrond nog verder omhoog drijft;

AM.  overwegende dat het fenomeen landroof onder andere in de hand wordt gewerkt door de toenemende globalisering, de bevolkingsgroei, de groeiende vraag naar voedingsmiddelen en natuurlijke grondstoffen, alsmede door de negatieve effecten van het landbouwbeleid;

AN.  overwegende dat de ongecontroleerde concentratie van landbouwgrond tot gevolg heeft dat er grote landbouwbedrijven ontstaan die zoveel mogelijk winst willen halen uit de productie, waarbij ze vaak aanzienlijke en onomkeerbare schade toebrengen aan het milieu;

AO.  overwegende dat één gevolg van de concentratie van landbouwgrond ook is dat de winsten en belastingen wegvloeien van het platteland naar het hoofdkantoor van grote bedrijven;

AP.  overwegende dat de bestaande voorschriften inzake aftopping van rechtstreekse betalingen boven 150 000 EUR niet van toepassing zijn wanneer rechtspersonen meerdere agrarische ondernemingen bezitten die elk afzonderlijk minder dan 150 000 EUR aan rechtstreekse betalingen ontvangen;

AQ.  overwegende dat naamloze vennootschappen in de landbouw met zorgwekkende snelheid oprukken; overwegende dat deze ondernemingen vaak grensoverschrijdend opereren en dat hun ondernemingsmodel dikwijls eerder wordt gekenmerkt door grondspeculatie dan door agrarische productie;

AR.  overwegende dat de hierboven beschreven problemen niet alleen landbouwgrond betreffen maar ook, op even dringende wijze, bossen en visgronden;

1.  herinnert eraan dat land, het beheer ervan en stedebouwkundige voorschriften onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen; verzoekt de lidstaten dan ook in hun overheidsbeleid meer rekening te houden met het behoud van landbouwgrond en het beheer alsmede de overdracht ervan;

2.  verzoekt de Commissie een waarnemingspost in te richten voor het verzamelen van informatie en gegevens over de mate van concentratie en gebruik van landbouwgrond in de Unie, die tot taak krijgt: de aankoop- en pachtprijzen te inventariseren, evenals het marktgedrag van eigenaars en pachters; het verlies van landbouwgrond door ander gebruik en de ontwikkeling van de vruchtbaarheid van de grond en bodemerosie te volgen en hierover regelmatig verslag uit te brengen;

3.  is van mening dat de lidstaten regelmatig informatie zouden moeten uitwisselen en aan de Commissie doen toekomen over hun nationale wettelijke bepalingen inzake land, over veranderingen in landgebruik en met name over gevallen waarin het gaat om speculatieve grondaankopen;

4.  verzoekt de Commissie een task force op hoog niveau in het leven te roepen om onderzoek te doen naar het probleem van concentratie van landbouwgrond, een studie uit te voeren naar de uitwerking van beleidsmaatregelen van de EU en de lidstaten op de concentratie van landbouwgrond en de landbouwproductie, en de risico's van die concentratie voor de voedselvoorziening, de werkgelegenheid, het milieu, de bodemkwaliteit en de plattelandsontwikkeling te analyseren;

5.  verzoekt de lidstaten om hun beleid inzake bodemgebruik zodanig te organiseren dat de beschikbare instrumenten, zoals belastingen, subsidies en GLB-middelen, worden benut voor het behoud van het op familiebedrijven berustende landbouwmodel in de hele EU;

6.  verzoekt de Commissie en de lidstaten met regelmaat gegevens van vergelijkbare kwaliteit te verzamelen over pachtbedragen en grondprijzen voor vergelijkbare kwaliteit, waaronder over verwerving door middel van aankoop van aandelen en over transacties met grote stukken grond, het verloren gaan van landgebruik, schending van landgebruiksrechten en speculatieve prijsstijgingen in alle lidstaten; verzoekt de Commissie richtsnoeren te publiceren over de harmonisering van boekhoudkundige methodes en de uitwisseling van beste praktijken inzake nationale wetgeving aan te moedigen, teneinde vast te stellen met welke maatregelen landbouwgrond en landbouwactiviteiten veiliggesteld kunnen worden;

7.  acht het noodzakelijk dat de lidstaten geharmoniseerde grondinventarissen opmaken waarin alle eigendomsrechten en gebruikssituaties met betrekking tot landbouwgrond nauwkeurig, begrijpelijk en volgens de laatste stand van zaken worden opgenomen – met volledige inachtneming van de rechten inzake gegevensbescherming van de betrokken partijen – en in de vorm van geanonimiseerde, algemeen toegankelijke statistieken worden gepresenteerd;

8.  roept de Commissie op basis hiervan regelmatig verslag uit te brengen aan de Raad en het Parlement over de situatie met betrekking tot landgebruik en over structuur, prijzen en nationale beleidsmaatregelen en wettelijke bepalingen betreffende eigendom en pacht van landbouwgrond, en tevens verslag uit te brengen aan de Commissie inzake Wereldvoedselveiligheid (CFS) over de tenuitvoerlegging door de EU van de vrijwillige CFS-richtsnoeren voor een verantwoord beheer van bodem- en landgebruik, visgronden en bossen in de context van nationale voedselveiligheid;

9.  merkt op dat programma's voor herverkaveling van gefragmenteerde percelen met uiteenlopende methodes in het kader van een geïntegreerd landbeheer, met inachtneming van de specifieke lokale en regionale eigenschappen, een onontbeerlijk instrument vormen voor de verbetering van de landbouwstructuur en het beslechten van geschillen over landgebruik; beveelt in dat verband aan dat wanneer herverkaveling via de pacht van grond gebeurt, de pachtprijs aan de productiecapaciteit en de winstgevendheid wordt gekoppeld, aangezien dit het meest geschikt is voor de landbouweconomie, en roept de lidstaten op hun ervaringen met het beheer van landbouwgrond te delen;

10.  is van mening dat doordacht en gecoördineerd grondmarktbeleid, uitgevoerd via het instrument van de regionale en lokale grondbestemmingsplanning, ertoe zou moeten bijdragen het niet-agrarische gebruik van grond te beperken;

11.  erkent dat grondbeleid weliswaar in hoofdzaak een aangelegenheid van de lidstaten is, maar dat het GLB of andere relevante beleidsterreinen hierop van invloed kunnen zijn, met mogelijk grote gevolgen voor het concurrentievermogen van landbouwbedrijven op de interne markt; is van mening dat grondbeleid ertoe moet bijdragen een brede, eerlijke en billijke spreiding van grondbezit en toegang tot land en van een adequaat pachtstatuut binnen een passend kader te waarborgen, daar dit rechtstreekse gevolgen heeft voor de leef- en arbeidsomstandigheden en de kwaliteit van het bestaan op het platteland; wijst op de belangrijke sociale functie van grondbezit en -beheer gedurende generaties, gezien het feit dat het verloren gaan van bedrijven en banen tot erosie van de Europese boerenlandbouw en plattelandsgebieden leidt en daardoor tot ongewenste structurele veranderingen in de hele samenleving;

12.  verzoekt de lidstaten met het oog op het streven naar de doelstellingen van het GLB voorrang te verlenen aan kleine en middelgrote lokale producenten alsmede nieuwe instromers en jonge landbouwers – onder waarborging van gelijke toegang voor vrouwen en mannen – bij de aankoop en pacht van landbouwgrond, met inbegrip van voorkeursrechten waar deze bestaan, aangezien voor een duurzame en voorspelbare ontwikkeling van agrarische bedrijven een zo groot mogelijk aandeel eigen productiegrond van voordeel is, juist in tijden waarin niet-landbouwers steeds meer belangstelling krijgen voor de aankoop van landbouwgrond; moedigt de lidstaten aan kleine familiebedrijven en duurzame productiemethodes te ondersteunen;

13.  herinnert eraan dat grote investeringskosten de aankoop en pacht van landbouwgrond en bosgebieden door kleine tot middelgrote familiebedrijven en coöperaties belemmeren;

14.  erkent de betekenis van kleine familiebedrijven voor het leven op het platteland, daar zij een actieve rol spelen in de plattelandseconomie doordat zij het behoud van het culturele erfgoed en het plattelandsleven waarborgen, het sociale leven op het platteland bevorderen, op duurzame wijze omgaan met natuurlijke hulpbronnen, en daarnaast voldoende gezonde producten van hoge kwaliteit voortbrengen, en zorgen voor een brede spreiding van het grondbezit in landelijke gebieden; wijst op de problemen die zich voordoen bij de overdracht van boerderijen van de ene generatie aan de volgende, met speciale aandacht voor de overdracht van boerderijen buiten de familie en verzoekt de lidstaten gegevens te verzamelen over dit verschijnsel en een juridisch kader te ontwikkelen om deze problemen aan te pakken;

15.  herinnert aan de in het GLB verankerde ondersteuning van jonge landbouwers, die tot doel heeft hun toegang tot de landbouw te bevorderen; dringt daarnaast aan op een brede benadering die jonge landbouwers, vrouwen en anderen die zich op de landbouw willen richten helpt om bedrijven over te nemen c.q. op te zetten; stelt evenwel vast dat nieuwe instromers nog steeds geconfronteerd worden met structurele belemmeringen zoals hoge grondprijzen of hoge belastingen op opvolging buiten de familie;

16.  benadrukt de relevantie van het Europese structuurbeleid voor de ondersteuning van plattelandsgebieden, bijvoorbeeld voor het waarborgen van speciale ondersteuning van kleine en middelgrote bedrijven en coöperaties, jonge mensen en in het bijzonder vrouwen bij toegang tot land;

17.  benadrukt hoe moeilijk het is om toegang te krijgen tot krediet voor de aankoop of pacht van land, met name voor nieuwe instromers en jonge landbouwers; verzoekt de Commissie in het kader van het GLB en aanverwante beleidsmaatregelen solide instrumenten te bieden die hun instroom in de landbouw vergemakkelijken door een billijke toegang tot duurzaam krediet te waarborgen;

18.  is van mening dat plaatselijke gemeenschappen betrokken moeten worden bij de beslissingen op het gebied van landgebruik;

19.  verzoekt de lidstaten om, rekening houdend met de beperkte toegang tot landbouwgrond in plattelandsgebieden enerzijds en de toenemende belangstelling voor stads- en peri-urbane landbouw anderzijds, stimulansen te verstrekken voor de ontwikkeling van stadslandbouw en andere vormen van participatieve landbouw en regelingen inzake het delen van land;

20.  moedigt de lidstaten, gezien het feit dat landbouwgrond de basis is van de voedselproductie, langdurige ecosystemen en levendige plattelandsgebieden, aan om meer inspanningen te leveren op het gebied van kennisoverdracht door middel van projecten voor onderzoek en innovatie ter verbetering van de bodemkwaliteit via toepassing van agromilieupraktijken;

21.  roept de lidstaten op om een zodanig grondmarktbeleid te voeren dat de toegang tot eigendom of pacht mogelijk wordt gemaakt onder financiële voorwaarden die aangepast zijn aan de landbouwactiviteit en de aankoop- en pachtprijzen te volgen; dringt er verder op aan transacties met betrekking tot landbouwgrond aan een voorafgaande procedure te onderwerp waarbij wordt nagegaan of aan de nationale wettelijke bepalingen inzake land is voldaan, en die ook voor fusies, opsplitsingen en de oprichting van stichtingen geldt; is van mening dat strengere controle op pachtovereenkomsten en een meldingsplicht met betrekking tot onregelmatigheden, alsmede sanctiemogelijkheden, zinvol zouden zijn, daar pacht vaak de eerste stap in de richting van aankoop is; dringt er bij de lidstaten op aan te waarborgen dat het pachtbeleid de verplichting voor pachters omvat dat zij landbouwactiviteiten uitoefenen; is van mening dat het grondmarktbeleid dominante posities op de regionale grondmarkten moet helpen voorkomen;

22.  moedigt alle lidstaten ertoe aan gebruik te maken van de instrumenten ter regulering van de grondmarkt die in sommige lidstaten al met succes worden toegepast, overeenkomstig de bepalingen van de EU-Verdragen, zoals verplichte toestemming van de staat voor koop en pacht van land, voorkeursrechten, verplichtingen voor pachters om het land zelf te bewerken, beperkingen van het kooprecht van rechtspersonen, aftopping van het aantal hectares dat mag worden gekocht, voorrang voor landbouwers, grondbeleid, indexering van de prijzen aan de hand van opbrengst uit landbouw, enz.;

23.  benadrukt dat de nationale rechtsstelsels met betrekking tot onregelmatigheden in pachtovereenkomsten de rechten van alle partijen moeten beschermen, en dat de nationale autoriteiten stappen moeten ondernemen om alle hiaten in de bestaande nationale wetgeving die contractmisbruik mogelijk maken, weg te werken;

24.  herinnert aan de positieve maatregelen van sommige lidstaten ter regulering van hun grondmarkt om de speculatieve verkoop van land te voorkomen; wijst de lidstaten erop dat zij met de belastingwetgeving over een effectieve hefboom voor de regulering van de grondmarkt beschikken;

25.  roept de lidstaten op om een zodanig reguleringsbeleid van de grondmarkt te voeren dat de stijging van de koop- en pachtprijzen voor landbouwgrond wordt afgeremd; wenst dat deze prijzen bovendien worden onderworpen aan een vergunningsprocedure die ook voor fusies, opsplitsingen en de oprichting van stichtingen geldt; is van mening dat strengere controle op pachtovereenkomsten en een meldingsplicht met betrekking tot onregelmatigheden, alsmede sanctiemogelijkheden, zinvol zouden zijn, daar pacht vaak de eerste stap in de richting van aankoop is;

26.  vraagt de lidstaten geschikte faciliteiten voor landbeheer te ondersteunen of te creëren door middel van overheidsdeelname en openbaar toezicht;

27.  verzoekt de lidstaten en de Commissie alle innoverende acties op het gebied van eigendomsoverdracht die de vestiging van jonge landbouwers bevorderen te ondersteunen, in het bijzonder door middel van solidaire investeringsfondsen waardoor spaarders hun fondsen op doelmatige wijze kunnen investeren in de samenleving, om jongeren te helpen die over onvoldoende middelen beschikken om grond aan te kopen en zich op de landbouw te richten;

28.  dringt aan op omzetting door de EU en de lidstaten van de door alle lidstaten geratificeerde "vrijwillige richtsnoeren voor een verantwoord beheer van bodem- en landgebruik, visgronden en bossen", met het doel een duidelijke EU-doelstelling voor de landbouwstructuur te ontwikkelen; dringt er in het bijzonder bij de lidstaten op aan om bij maatregelen inzake het gebruik van en de controle op hulpbronnen die staatseigendom zijn, rekening te houden met de bredere sociale, economische en milieupolitieke doeleinden en de onwenselijke effecten van grondspeculatie en concentratie van land op lokale gemeenschappen tegen te gaan; verzoekt de lidstaten verslag aan de Commissie uit te brengen over gebruik en toepassing van genoemde richtsnoeren in hun beleid inzake landbeheer;

29.  stelt in dat verband voor dat de Commissie aanbevelingen aanneemt inzake EU-landbeheer, in overeenstemming met de vrijwillige richtsnoeren en rekening houdend met de horizontale EU-kaders inzake landbouw, milieu, de interne markt en territoriale samenhang;

30.  denkt dat rechtstreekse betalingen meer waar voor hun geld zouden bieden als ze zouden gelden voor de publieke milieu- en sociaaleconomische goederen die een landbouwbedrijf levert, en niet alleen voor het bestreken landoppervlak;

31.  wijst op de mogelijkheden die de lidstaten hebben om het aandeel van de rechtstreekse betalingen dat boven het plafond van 150 000 EUR ligt met minstens 5 % te verlagen, zoals bepaald in artikel 11 van Verordening nr. 1307/2013 (de verordening inzake rechtstreekse betalingen);

32.  is van mening dat in het kader van het hervormde GLB maxima moeten worden ingevoerd, dat bij de rechtstreekse betalingen meer gewicht moet worden toegekend aan de eerste hectaren en dat de uitbetaling van rechtstreekse subsidies aan kleine landbouwbedrijven moet worden vereenvoudigd; verzoekt de Commissie om een doeltreffender regeling voor de herverdeling van de steun in te voeren om concentratie van grondbezit te voorkomen;

33.  moedigt de Commissie aan meer gebruik te maken van haar manoeuvreerruimte om GLB-middelen af te toppen en te herverdelen, zoals de mogelijkheid om 30 % van de rechtstreekse betalingen naar de eerste hectare te laten vloeien, als middel om kleine en familiebedrijven te ondersteunen, vooropgesteld dat zij tegelijkertijd de vereisten van de artikelen 41 en 42 van de verordening inzake rechtstreekse betalingen toepassen; stelt voor de opwaardering van de eerste hectare niet per bedrijf te berekenen, maar per moederconcern; dringt er daarom op aan dat de Commissie niet alleen in overeenstemming met de regels inzake gegevensbescherming gegevens publiceert over bedrijfseigenaren die GLB-subsidies ontvangen, maar ook over begunstigden zoals landeigenaren of moedermaatschappijen;

34.  wijst op het belang van een voor de hele EU geldende uniforme definitie van het concept "actieve landbouwer" die duidelijk gekoppeld is aan het werken op een landbouwbedrijf en een duidelijk onderscheid maakt tussen in aanmerking komende en niet in aanmerking komende grond (zoals luchthavens, industriële open gebieden, golfterreinen); roept de Commissie op ervoor te zorgen dat alleen actieve landbouwers in aanmerking komen voor rechtstreekse steun;

35.  roept de Commissie op alle relevante beleidsterreinen, zoals landbouw, energie, milieu, regionale ontwikkeling, mobiliteit, financiën en investeringen, te toetsen aan de hand van de vraag of zij de concentratie van landbouwgrond in de EU stimuleren of afremmen en een participatieve en integratieve procedure in gang te zetten, waarbij ook landbouwers en hun organisaties alsmede andere actoren uit de samenleving die hiermee te maken hebben worden betrokken, om de huidige stand van het landbouwbeheer overeenkomstig de vrijwillige richtsnoeren van 2012 voor verantwoord beheer van bodemgebruik, visserij en bosbouw (VGGT) en de door de CFS vastgestelde voorwaarden te evalueren;

36.  beveelt de lidstaten een doelgerichte toetsing aan van de nationale tenuitvoerlegging van het huidige GLB met het oog op eventuele onwenselijke effecten van de concentratie van land;

37.  sluit zich aan bij de vaststelling door de Commissie dat land een eindige hulpbron is die als gevolg van klimaatverandering, bodemerosie en roofbouw of veranderd gebruik nu al sterk onder druk staat, ondersteunt om die reden ecosociale maatregelen ter bescherming van de grond en wijst erop dat land een kwestie is die uitsluitend onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten valt;

38.  dringt aan op bijzondere bescherming van landbouwgrond, zodat de lidstaten in overleg met de plaatselijke autoriteiten en landbouwersorganisaties het verkopen, het gebruik en het verpachten van landbouwgrond kunnen regelen teneinde overeenkomstig de EU-Verdragen en de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie inzake landeigendom en toegang tot land alsmede met het oog op de vier Europese fundamentele vrijheden en het algemeen belang de voedselzekerheid te kunnen waarborgen;

39.  raadt de Commissie nadrukkelijk aan het Parlement in het belang van de interinstitutionele transparantie meer inzicht te geven in de stukken over inbreukprocedures en vooronderzoeken in samenhang met de regulering van de grondmarkt door de lidstaten;

40.  verzoekt de Commissie samen met de lidstaten en de belanghebbenden een duidelijke en volledige lijst van criteria, onder meer betreffende transacties met landbouwgrond op kapitaalmarkten, te publiceren die voor een gelijk speelveld zorgen en aan de hand waarvan de lidstaten duidelijk kunnen zien welke maatregelen ter regulering van de grondmarkt toelaatbaar zijn tegen de achtergrond van het algemeen belang en de vier vrijheden van de Europese Unie, ten behoeve van een gemakkelijker toegang tot aankoop door landbouwers van voor land- en bosbouw te gebruiken grond; verzoekt de Commissie te overwegen een moratorium uit te spreken voor de lopende procedures die tot doel hebben na te gaan of de geldende wetgeving in de lidstaten inzake de handel in landbouwgrond in overeenstemming is met de EU-wetgeving, totdat de genoemde criteria zijn gepubliceerd;

41.  roept de Commissie op bij de lidstaten meer besef te wekken van belastingontduiking, corruptie en illegale praktijken in verband met grondtransacties (zoals "pocket contracts") en hen bij de bestrijding hiervan te ondersteunen; wijst op het misbruik met betrekking tot de procedure voor de aankoop van landbouwgrond dat momenteel door de gerechtelijke autoriteiten in bepaalde lidstaten wordt onderzocht;

42.  is ingenomen met het voorstel tot vereenvoudiging van het GLB, met name met de maatregelen die erop gericht zijn de kosten en administratieve lasten voor familieboerderijen en voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen in plattelandsgebieden te verlagen;

43.  roept de Commissie op om bij de ontwikkeling van het ontwerp van het GLB na 2020 de maatregelen ter bestrijding van de concentratie van landbouwgrond te handhaven en om bijkomende maatregelen te ontwikkelen ter ondersteuning van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen;

44.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)

Studie over de omvang van de massale opkoop van landbouwgrond in de EU (The Extent of Farmland Grabbing in the EU) van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling van het Europees Parlement, blz. 24 (PE540.369)

(2)

ibidem.

(3)

Landwirtschaftliche Bodenmarktpolitik: Allgemeine Situation und Handlungsoptionen Bericht der Bund-Länder-Arbeitsgruppe 'Bodenmarktpolitik’ gemäß Beschluss der Amtschefinnen und Amtschefs der Agrarressorts der Länder vom 16. Januar 2014 (maart 2015), blz. 37.


TOELICHTING

Landconcentratie – een Europees thema

Onderwerpen als landroof en landconcentratie zijn lange tijd geassocieerd met landen op het zuidelijk halfrond. Bij nadere beschouwing blijkt evenwel dat de concentratie van landbouwgrond al jarenlang ook een Europees thema is.

Van landconcentratie is sprake als het bij de handel in landbouwgrond om areaalcijfers gaat die in Europa ongebruikelijk zijn.

Cijfers uit 2010 laten zien dat in de EU-27 al ca. 3% van de landbouwbedrijven 50% van de landbouwgrond in handen had en dat in 2012 daarentegen 80% van de bedrijven over maar 12% van de landbouwgrond beschikte.

De concentratiegraad van landbouwgrond in Europa is vergelijkbaar met de ongelijke verdeling van het grondbezit in bijvoorbeeld Brazilië, Colombia en de Filippijnen.

Landbouwgrond is geen gewone handelswaar, want land is niet vermeerderbaar en toegang tot land is een mensenrecht. De concentratie van landbouwgrond in de handen van een kleine groep actoren heeft verregaande sociale, culturele, economische en politieke consequenties in alle lidstaten van de EU.

Net als de concentratie van financieel vermogen leidt een te grote concentratie van landbouwgrond tot een kloof in de samenleving, destabilisering van het platteland en risico's voor de voedselzekerheid en daarmee voor de doelstellingen van de EU op sociaal en milieugebied.

Algemeen gezien is er sprake van een gebrek aan uitvoerige, transparante, actuele, betrouwbare en in heel Europa uniforme gegevens over de bewegingen van prijzen en areaal op de Europese grondmarkt. Dit geldt zowel voor de verkoop van grond en bedrijfsaandelen als voor pachtprijzen.

Gevolgen voor de landbouw in Europa

De koop- en pachtprijzen van landbouwgrond zijn in veel streken in Europa inmiddels tot een zodanig niveau gestegen dat het voor veel landbouwbedrijven ondoenlijk is om zichzelf tegen het verlies van gepachte percelen te beschermen of grond aan te kopen om te kunnen uitbreiden, wat voor het behoud van vitale bedrijven noodzakelijk is. Afgezien van het feit dat er nauwelijks grond op de markt is, richten de pachtprijzen zich niet langer naar de potentiële landbouwproductie. Dat betekent dat de kapitaaleisen voor veel startende ondernemers te hoog en te riskant zijn.

Gevolgen voor de samenleving

Landconcentratie heeft op het oog in de eerste plaats gevolgen voor landbouwers en werknemers in de landbouw. Pas bij nadere beschouwing worden ook de aspecten duidelijk die de hele samenleving betreffen.

Eigendom is de beste voorwaarde voor een verantwoordelijke omgang met grond en een duurzaam landbeheer. Het bevordert de verbondenheid en draagt er aldus toe bij dat mensen op het platteland blijven wonen.

Een brede spreiding van de eigendom van landbouwgrond is een essentieel beginsel van de sociale markteconomie en een belangrijke voorwaarde voor de maatschappelijke samenhang van een economie. Voor de landbouw gebruikte grond vormt niet alleen de onvervangbare productiegrondslag voor hoogwaardige levens- en voedermiddelen, maar is ook van bijzonder belang voor de waterhuishouding en het klimaat alsmede de biodiversiteit en de vruchtbaarheid van de bodem, die ook nu al te lijden hebben van klimaatverandering en bodemerosie.

Redenen en gevolgen van de concentratie van landbouwgrond in de EU

Al is het prijsniveau voor landbouwgrond in de lidstaten van de EU verschillend, toch neemt de landconcentratie in heel Europa steeds verder toe, met negatieve gevolgen voor de boeren.

Er zijn diverse redenen voor landconcentratie in de EU. Zo vormt de aankoop van grond in verband met de stijgende vraag naar levens- en voedermiddelen, duurzame grondstoffen voor de brandstof-, de chemische en de textielindustrie en niet-fossiele energiebronnen momenteel een van de beste en veiligste beleggings- en winstmogelijkheden voor investeerders in de hele wereld.

De aanhoudende lage rente sinds de financiële crisis is een andere oorzaak van de "vlucht in reële activa" oftewel grond. Dit betekent dat ook externe investeerders belangstelling hebben voor de aankoop van grond.

Behalve door landconcentratie wordt landbouwgrond ook bedreigd door het externe gebruik ervan via bijvoorbeeld bodemverdichting, verstedelijking, toerisme en infrastructuurprojecten.

Daarnaast ondersteunen bepaalde beleidsterreinen en subsidies van de EU het streven naar expansie van landbouwbedrijven of lokken zij investeerders van buiten de sector naar de landbouw. Areaalgebonden rechtstreekse betalingen leiden bijvoorbeeld tot eenzijdige steun aan de grootste bedrijven.

Een vergelijkbaar effect hebben steunprogramma's van de EU of de lidstaten die bijvoorbeeld niet-fossiele brandstoffen subsidiëren en zo de concurrentie tussen "bord, trog en tank" vergroten.

De omvang en het tempo van de landconcentratie zijn alarmerend. Dit geldt met name voor landen als Roemenië, Hongarije en Bulgarije. Maar ook in Duitsland, Italië en Spanje is de problematiek niet onbekend.

Veel landen hebben het gevaar gezien en proberen de trend met behulp van wetten tegen te gaan. Hierbij ontstaat vaak een conflict met een van de vier Europese fundamentele vrijheden: het vrije verkeer van kapitaal. Deze fundamentele vrijheid, die terecht in de hele EU geldt en ook een verbod op discriminatie van EU-buitenlanders inhoudt, stuit bij de verkoop van landbouwgrond op grenzen.

Toegang tot landbouwgrond is van essentieel belang

Concentratie van landbouwgrond in de EU heeft gevolgen in alle lagen van de maatschappij en voor de actieve landbouwers. Wil de landbouwsector toekomst hebben, is toegang tot landbouwgrond voor jonge mensen van bijzonder belang. Hun bereidheid tot innovatie en investeringen is namelijk doorslaggevend voor de toekomst van het platteland. Alleen op die manier kan de vergrijzing in de landbouw een halt worden toegeroepen en kunnen de bedrijfsopvolging en de doelstelling van een multifunctionele landbouw met door eigenaars geleide familiebedrijven en coöperaties worden gewaarborgd.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

21.3.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

34

2

6

Bij de eindstemming aanwezige leden

John Stuart Agnew, Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, José Bové, Daniel Buda, Nicola Caputo, Michel Dantin, Jean-Paul Denanot, Albert Deß, Diane Dodds, Herbert Dorfmann, Norbert Erdős, Luke Ming Flanagan, Martin Häusling, Esther Herranz García, Jan Huitema, Peter Jahr, Ivan Jakovčić, Elisabeth Köstinger, Zbigniew Kuźmiuk, Philippe Loiseau, Mairead McGuinness, Nuno Melo, Ulrike Müller, James Nicholson, Maria Noichl, Marijana Petir, Laurenţiu Rebega, Jens Rohde, Maria Lidia Senra Rodríguez, Ricardo Serrão Santos, Czesław Adam Siekierski, Tibor Szanyi, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Paul Brannen, Angélique Delahaye, Maria Heubuch, Karin Kadenbach, Anthea McIntyre, Massimo Paolucci, John Procter, Molly Scott Cato, Estefanía Torres Martínez, Vladimir Urutchev


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

34

+

ALDE

Jan Huitema, Ivan Jakovčić, Ulrike Müller, Jens Rohde

ECR

Zbigniew Kuźmiuk

EFDD

Marco Zullo

ENF

Laurenţiu Rebega

GUE/NGL

Luke Ming Flanagan, Maria Lidia Senra Rodríguez, Estefanía Torres Martínez

NI

Diane Dodds

PPE

Daniel Buda, Michel Dantin, Herbert Dorfmann, Norbert Erdős, Esther Herranz García, Elisabeth Köstinger, Nuno Melo, Marijana Petir, Czesław Adam Siekierski, Vladimir Urutchev

S&D

Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, Paul Brannen, Nicola Caputo, Jean-Paul Denanot, Karin Kadenbach, Maria Noichl, Massimo Paolucci, Ricardo Serrão Santos, Tibor Szanyi

Verts/ALE

José Bové, Martin Häusling, Molly Scott Cato

2

-

EFDD

John Stuart Agnew

ENF

Philippe Loiseau

6

0

ECR

Anthea McIntyre, James Nicholson, John Procter

PPE

Albert Deß, Peter Jahr, Mairead McGuinness

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Juridische mededeling