Procedure : 2016/2152(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0153/2017

Ingediende teksten :

A8-0153/2017

Debatten :

PV 26/04/2017 - 19
CRE 26/04/2017 - 19

Stemmingen :

PV 27/04/2017 - 5.15

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0146

VERSLAG     
PDF 541kWORD 90k
4.4.2017
PE 593.979v01-00 A8-0153/2017

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling I – Europees Parlement

(2016/2152(DEC))

Commissie begrotingscontrole

Rapporteur: Dennis de Jong

1. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

1. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling I – Europees Parlement

(2016/2152(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2016)0475 – C8-0270/2016)(2),

–  gezien het verslag over het begrotings- en financieel beheer voor het begrotingsjaar 2015, afdeling I – Europees Parlement(3),

–  gezien het jaarverslag van de intern controleur voor het begrotingsjaar 2015,

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2015, tezamen met de antwoorden van de instellingen(4),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(5) voor het begrotingsjaar 2015 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 314, lid 10, en artikel 318 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad(6), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien het besluit van het Bureau van maandag 16 juni 2014 over de interne voorschriften voor de uitvoering van de begroting van het Europees Parlement(7), en met name artikel 22,

–  gezien artikel 94, artikel 98, lid 3, en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0153/2017),

A.  overwegende dat de Voorzitter de jaarrekening van het Parlement voor het begrotingsjaar 2015 op 4 juli 2016 heeft goedgekeurd;

B.   overwegende dat de secretaris-generaal, als gedelegeerd hoofdordonnateur, op 24 juni 2016 heeft verklaard redelijke zekerheid te hebben dat de aan de begroting van het Parlement toegewezen middelen zijn gebruikt voor het beoogde doel en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer en dat de vastgestelde controleprocedures de nodige garanties bieden betreffende de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen;

C.  overwegende dat de Rekenkamer in haar audit stelde dat zij in haar specifieke beoordeling van de administratieve en andere uitgaven in 2015 geen ernstige tekortkomingen heeft geconstateerd in de onderzochte jaarlijkse activiteitenverslagen en interne controlesystemen van de instellingen en organen als vereist bij Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012;

D.  overwegende dat op grond van artikel 166, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 elke instelling van de Unie verplicht is alles in het werk te stellen om gevolg te geven aan de opmerkingen waarvan het kwijtingsbesluit van het Europees Parlement vergezeld gaat;

1.  verleent zijn Voorzitter kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2015;

2.  formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2. ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling I – Europees Parlement

(2016/2152(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling I – Europees Parlement,

–  gezien artikel 94, artikel 98, lid 3, en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0153/2017),

A.  overwegende dat de rekenplichtige van het Europees Parlement in zijn certificering van de definitieve rekeningen aangeeft ervan overtuigd te zijn dat deze een getrouw en juist beeld geven van de financiële positie van het Parlement in alle materiële aspecten en dat er geen zaken onder zijn aandacht zijn gebracht die het maken van een voorbehoud rechtvaardigen;

B.  overwegende dat overeenkomstig de gebruikelijke procedure 129 vragen aan de administratie van het Parlement zijn gestuurd, en dat de schriftelijke antwoorden door de Commissie begrotingscontrole (CONT) zijn ontvangen en in het openbaar zijn besproken in aanwezigheid van de voor begrotingsaangelegenheden verantwoordelijke ondervoorzitter, de secretaris-generaal en de intern controleur;

C.  overwegende dat toezicht, met name in de vorm van de jaarlijkse kwijtingsprocedure, noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat het politiek leiderschap en de administratie van het Parlement verantwoording afleggen ten aanzien van de burgers van de Unie; overwegende dat de kwaliteit, doeltreffendheid en doelmatigheid van het beheer van de overheidsfinanciën voortdurend kunnen worden verbeterd; overwegende dat het beginsel van op resultaten gebaseerde budgettering en goed bestuur van personele middelen kernelementen moeten zijn wanneer de begroting wordt uitgevoerd;

Toezicht op het begrotings- en financieel beheer van het Parlement

1.  merkt op dat het formele toezicht op het begrotings- en financieel beheer van het Parlement bestaat uit vier hoofdonderdelen:

a)  de certificering van de definitieve rekeningen door de rekenplichtige van het Parlement;

b)  de jaarverslagen van de intern controleur en diens advies inzake het interne controlesysteem;

c)  de beoordeling van de administratieve en andere uitgaven van alle instellingen van de Unie, inclusief het Parlement, door zijn externe controleur, de Rekenkamer; en

d)  de door de Commissie CONT voorbereide kwijtingsprocedure, die moet leiden tot het besluit tot verlening van kwijting aan de Voorzitter van het Parlement;

2.  stelt vast dat het jaarverslag van de interne controleur bevindingen bevat die gebaseerd zijn op specifieke controlewerkzaamheden; streeft ernaar het begrotings- en financieel beheer te verbeteren, doch geen alomvattend beeld te geven van het begrotings- en financieel beheer van het Parlement; stelt tegelijkertijd vast dat in het verslag van de Rekenkamer de resultaten worden gegeven van slechts een kleine steekproef (16 verrichtingen) voor wat betreft de verrichtingen van het Parlement;

3.  begrijpt dat het over het algemeen lage foutenpercentage met betrekking tot de administratieve uitgaven een verklaring kan zijn voor het feit de Rekenkamer betrekkelijk weinig aandacht heeft besteed aan de verrichtingen van het Parlement;

4.  wijst er echter op dat het foutenpercentage weliswaar opmerkelijk laag is, maar dat het gevaar voor reputatieschade relatief groot is, aangezien dergelijke financiële en begrotingsfouten een negatieve invloed kunnen hebben op het imago van de instelling;

5.  voegt hieraan toe dat meer recentelijk, als gevolg van de algemene behoefte aan resultaatgericht begroten, kwijtingen niet beperkt dienen te blijven tot het opsporen van onregelmatigheden, maar ook concrete prestaties en resultaten moeten meten, en dat ook dit in het geval van het Parlement bijzonder belangrijk is, aangezien een gebrek aan resultaten een rechtstreekse impact heeft op de reputatie van de instelling;

6.  merkt op dat tegen deze achtergrond het werk van het Parlement in het kader van de kwijtingsprocedures een mogelijkheid is om de rekeningen van de administratie van het Parlement aan een diepgaander onderzoek te onderwerpen;

De rekeningen van het Parlement

7.  stelt vast dat de definitieve kredieten van het Parlement voor 2015 in totaal 1 794 929 112 EUR bedroegen, d.w.z. 19,78 % van rubriek V van het meerjarig financieel kader(8) (MFK) voor de administratieve uitgaven van de EU-instellingen als geheel in 2015, en een stijging met 2,2 % vertoonden ten opzichte van de begroting 2014 (1 755 631 742 EUR);

8.  stelt vast dat de totale per 31 december 2015 in de rekeningen opgenomen ontvangsten 176 367 724 EUR bedroegen (tegenover 174 436 852 EUR in 2014), met inbegrip van 27 988 590 EUR aan bestemmingsontvangsten (tegenover 26 979 032 EUR in 2014);

9.  wijst erop dat vier hoofdstukken 71 % van de totale vastleggingen uitmaken: hoofdstuk 10 (Leden van de instelling), hoofdstuk 12 (Ambtenaren en tijdelijke functionarissen), hoofdstuk 20 (Gebouwen en bijkomende kosten) en hoofdstuk 42 (Assistentie aan de leden); merkt op dat dit aangeeft dat de uitgaven van het Parlement worden gekenmerkt door een hoge mate van continuïteit, voor het overgrote deel als gevolg van de bezoldigingen van de leden en het personeel, als aangepast overeenkomstig het Statuut en andere contractuele verplichtingen;

10.  neemt kennis van de onderstaande cijfers, op basis waarvan de rekeningen van het Parlement voor het begrotingsjaar 2015 werden afgesloten:

a) Beschikbare kredieten (EUR)

kredieten voor 2015:

1 794 929 112

niet-automatische overdrachten van het begrotingsjaar 2014:

-

automatische overdrachten van het begrotingsjaar 2014:

277 911 825

kredieten corresponderend met bestemmingsontvangsten voor 2015:

27 988 590

overdrachten corresponderend met bestemmingsontvangsten van 2014:

106 077 150

Totaal:

2 206 906 677

b) Besteding van de kredieten in het begrotingsjaar 2015 (EUR)

vastleggingen:

2 176 992 756

verrichte betalingen:

1 770 807 099

automatisch overgedragen kredieten, waaronder die afkomstig van bestemmingsontvangsten:

392 379 176

niet-automatisch overgedragen kredieten:

-

geannuleerde kredieten:

43 720 402

c) Begrotingsontvangsten (EUR)

ontvangen in 2015:

176 367 724

d) Totale balans op 31 december 2015 (EUR)

1 511 058 599

11.  merkt op dat in 2015 voor 99,1 % van de op de begroting van het Parlement ingeschreven kredieten vastleggingen zijn verricht, met een annuleringspercentage van 0,9 %, en dat, net als in de vorige begrotingsjaren, een zeer hoog niveau van uitvoering van de begroting werd gerealiseerd;

12.  vestigt de aandacht op het feit dat een bedrag van in totaal 41 422 684 EUR aan kredieten werd geannuleerd en dat het overgrote deel van de annuleringen betrekking had op bezoldigingen en uitgaven voor gebouwen;

13.  merkt op dat er een bedrag van 71 000 000 EUR gemoeid was met collectieve overschrijvingen, hetgeen neerkomt op 4 % van de definitieve kredieten die van voorzieningen en andere bronnen zijn overgeschreven om bij te dragen aan de financiering van de erfpacht voor het Konrad Adenauergebouw; wijst er uitdrukkelijk op dat het gebouwenbeleid van het Parlement duidelijker moet uitkomen als onderdeel van de begrotingsstrategie; is van mening dat met de collectieve overschrijving een zeer hoog bedrag gemoeid was; is ervan overtuigd dat een doeltreffend begrotingsbeheer deze overschrijving tot een absoluut minimum kan beperken; verzoekt de Rekenkamer in dat verband een verslag op te stellen over het gebouwenbeleid van het Parlement;

Adviezen van de Rekenkamer inzake de betrouwbaarheid van de jaarrekening 2015 en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen

14.  stelt vast dat uit de geleverde controle-informatie blijkt dat de uitgaven voor administratie geen foutenpercentage van materieel belang vertonen, maar dat het geschatte foutenpercentage op basis van zeven kwantificeerbare fouten in rubriek 5 van het MFK voor administratie 0,6 % bedraagt (tegen 0,5 % in 2014);

15.  is zeer bezorgd over de bevinding van de Rekenkamer dat 22 van de 151 onderzochte verrichtingen (14,6 %) fouten bevatten; merkt echter op dat slechts zeven van deze 22 verrichtingen werden gekwantificeerd en dus financiële gevolgen hadden, hetgeen de raming van het foutenpercentage op 0,6 % brengt;

16.  neemt voorts kennis van de specifieke bevindingen betreffende het Parlement in het jaarverslag van de Rekenkamer over 2015; stelt vast dat de Rekenkamer in de controles van de goedkeuring en betaling van de in 2014 gedane uitgaven tekortkomingen heeft vastgesteld, dat deze slechts een van de zestien onderzochte verrichtingen van het Parlement ten aanzien van een van de fracties betroffen en dat deze tekortkomingen in 2015 werden rechtgezet;

17.  neemt kennis van de antwoorden van het Parlement aan de Rekenkamer tijdens de contradictoire procedure; verzoekt de Rekenkamer de bevoegde commissie op de hoogte te houden van de tenuitvoerlegging van haar aanbeveling om te voorzien in een betere begeleiding en het bestaande kader voor de controle op de tenuitvoerlegging van aan fracties toegewezen begrotingskredieten te herzien;

Jaarverslag van de intern controleur

18.  wijst erop dat de intern controleur op de openbare vergadering van de bevoegde commissie van 30 januari 2017 zijn jaarverslag heeft gepresenteerd en heeft medegedeeld dat hij in 2015 verslagen heeft goedgekeurd over de volgende onderwerpen:

–  follow-up van nog niet afgewikkelde acties uit de verslagen van de intern controleur;

–  gedragscode meertaligheid;

–  operationele efficiëntie van de IT en prestatiemeting;

–  systeem voor financieel beheer;

–  schuldinvorderingsprocedures;

–  continuïteitsmanagement;

–  inventaris van het IT-datacentrum en beheer van externe expertise;

19.  neemt kennis van en sluit zich aan bij de opmerkingen van de intern controleur met betrekking tot de noodzaak om:

–  een met redenen omkleed advies op te stellen voor de aanpassing van de gedragscode meertaligheid voor tolkdiensten met specifieke bepalingen voor de planning van vergaderingen in het kader van trialogen;

–  het regelgevingskader voor vergaderingen met vertolking te verbeteren, o.a.: een betere onderlinge afstemming van de bestaande voorschriften en maatregelen om de vraag beter over de week te verdelen en onderbenutte tijdspannen op te sporen en op te vullen; onderstreept dat het aantal op korte termijn afgezegde vergaderingen dat tot aanmerkelijke onjuiste toewijzingen van middelen leidt, moet worden verlaagd;

–  relevante criteria en indicatieve drempels vast te stellen voor het op gang brengen van juridische procedures en voor de kwijtschelding van schulden en deze ter goedkeuring aan de gedelegeerd hoofdordonnateur voor te leggen;

–  adequaat bestuur en beleid (inclusief institutionele richtsnoeren en praktische regelingen) vast te stellen voor het continuïteitsmanagement;

20.  stelt vast dat eind 2015, na achtereenvolgende follow-upaudits, vier acties van het onderzoek van het interne controlekader, alle met een redelijk laag risico, nog steeds openstaan en dat voor één actie de termijn in het kader van het nieuwe systeem voor financieel beheer van het Parlement tot 2017 is verlengd; verzoekt de intern controleur de Commissie begrotingscontrole op de hoogte te houden van de geboekte vooruitgang bij deze acties;

21.  verzoekt de interne controleur bij de presentatie van zijn jaarverslag sterker de nadruk te leggen op die aspecten waarvoor tekortkomingen en/of onregelmatigheden werden vastgesteld en op de invoering van maatregelen die het mogelijk moeten maken om de prestaties en de resultaten te evalueren; verzoekt hem eveneens verslag uit te brengen over de follow-up en de evolutie van en de toegepaste oplossingen voor de problemen die bij de uitoefening van zijn mandaat zijn vastgesteld;

Follow-up van de kwijtingsresolutie voor 2014

22.  neemt kennis van de schriftelijke antwoorden op de kwijtingsresolutie voor 2014, die de Commissie begrotingscontrole op 20 oktober 2016 heeft ontvangen, en van de presentatie door de secretaris-generaal van de diverse vragen en verzoeken met betrekking tot de kwijtingsresolutie van het Parlement voor 2014 en de daarop volgende gedachtewisseling met de leden; betreurt evenwel dat veel van deze verzoeken geen follow-up hebben gekregen en dat er daarvoor geen reden of motivering is gegeven; vindt het belangrijk om in de Commissie begrotingscontrole vaker met de secretaris-generaal van gedachten te kunnen wisselen over aangelegenheden die van invloed zijn op de begroting van het Parlement en de uitvoering daarvan;

23.  wijst erop dat de data waarop het ontwerp-kwijtingsverslag van het Parlement werd gepresenteerd en waarop aanvullende vragen aan de secretaris-generaal konden worden gesteld, niet goed op elkaar waren afgestemd; verzoekt de secretaris-generaal de aanvullende vragen te beantwoorden vóór het verstrijken van de termijn voor het indienen van amendementen en vóór een eventuele stemming in de commissie;

Kwijting van het Parlement voor 2015

24.  verwijst naar de gedachtewisseling tussen de voor begrotingsaangelegenheden verantwoordelijke ondervoorzitter, de secretaris-generaal en de Commissie begrotingscontrole, die op 30 januari 2017 in aanwezigheid van het verantwoordelijke lid van de Rekenkamer en de intern controleur heeft plaatsgevonden;

25.  is verheugd over de toezegging van de administratie van het Parlement om de prestaties van de diensten van het Parlement als geheel voortdurend te verbeteren en dit zo efficiënt mogelijk te doen; is echter ook van mening dat het in sommige gevallen te lang duurt voordat de wijzigingen worden toegepast;

26.  stelt vast dat het Parlement met jaarlijkse kosten ten bedrage van ongeveer 3,60 EUR per burger de vergelijking met andere parlementaire systemen niet hoeft te schuwen, temeer omdat een derde van deze kosten randvoorwaarden betreffen (meertaligheid en plaatsen van werkzaamheid) waarop het Parlement zelf slechts weinig invloed heeft en die voor andere parlementen in deze vorm niet gelden;

27.  stelt evenwel vast dat de aandacht voor resultaatgericht begroten varieert van directoraat-generaal tot directoraat-generaal en bijvoorbeeld in het directoraat-generaal Financiën (DG FINS) het meest ontwikkeld is, doch elders in de administratie nog in de kinderschoenen staat; verzoekt de secretaris-generaal ervoor te zorgen dat overal in de administratie duidelijke en meetbare streefdoelen worden gesteld en nagestreefd;

28.  neemt nota van het antwoord van de secretaris-generaal over de toegankelijkheid van de toepassing e‑Petition voor de leden en voor het grote publiek en van het verslag van de Juridische Dienst; verzoekt de secretaris-generaal verslag uit te brengen over het gevolg dat wordt gegeven aan de aanbevelingen van de Juridische Dienst;

29.  is verheugd over de aandacht die de administratie besteedt aan duurzaamheid, met name in het kader van de openbare aanbestedingsprocedures; stelt evenwel vast dat het met de inwerkingtreding van de nieuwe richtlijn betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten(9) mogelijk is geworden criteria betreffende sociale en milieuduurzaamheid zwaarder te laten wegen dan het criterium van de laagste prijs;

30.  verzoekt de secretaris-generaal met een actieplan te komen voor de toepassing van duurzaamheidscriteria in de openbare aanbestedingsprocedures van het Parlement en hierin een beoordeling op te nemen van het gebruik van groene overheidsopdrachten als instrument;

31.  stelt vast dat de geografische spreiding van het Parlement volgens de Rekenkamer 114 miljoen EUR per jaar kost en merkt op dat in het verslag-Fox-Häfner van 2013 werd geconcludeerd dat 78 % van alle dienstreizen van het personeel van het Parlement een rechtstreeks gevolg is van de geografische spreiding van het Parlement; herinnert eraan dat de milieugevolgen van deze spreiding worden geraamd op 11 000 tot 19 000 ton CO2-emissies; dringt er bij het Bureau op aan de secretaris-generaal te verzoeken onverwijld met een stappenplan voor één enkele zetel voor het Parlement te komen; verzoekt het Parlement en de Raad, teneinde tot besparingen op lange termijn te komen, de noodzaak van een stappenplan voor één enkele zetel aan de orde te stellen, zoals het Parlement in verschillende eerdere resoluties heeft vermeld; is van mening dat de uittreding van het Verenigd Koninkrijk en de noodzaak om de Europese agentschappen die momenteel in het Verenigd Koninkrijk hun zetel hebben, te verplaatsen, een uitstekende gelegenheid vormen om verschillende kwesties in één keer op te lossen; wijst echter op artikel 341 VWEU, dat bepaalt dat de zetel van de instellingen van de Unie in onderlinge overeenstemming en door de regeringen van de lidstaten wordt vastgesteld, en protocol nr. 6 bij het VEU en VWEU, waarin is bepaald dat het Parlement zijn zetel heeft in Straatsburg; herinnert eraan dat een oplossing met één enkele zetel een wijziging van de Verdragen vergt;

32.  herinnert aan het antwoord van de administratie op vraag nr. 75 van de vragenlijst over de kwijting van het Parlement van 2013, namelijk dat zij besloten had om een einde te maken aan de praktijk van langdurige dienstreizen [...], hetgeen tot forse besparingen zou leiden; stelt echter vast dat momenteel in sterke tegenspraak daarmee 13 medewerkers op langdurige dienstreis zijn; is van mening dat een langdurige dienstreis voor een personeelslid, met een ontheemdingstoelage en dagvergoedingen, naar een plaats waar dat personeelslid al woonde en werkte, een laakbaar gebruik van belastinggeld is en strijdig is met het statuut van de ambtenaren; dringt erop aan dat de omstandigheden van elke langdurige dienstreis worden verduidelijkt en met name dat de redenen en kosten voor die langdurige dienstreis worden bekendgemaakt;

33.  herinnert eraan dat alle ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie, zelfs degenen die in kabinetten werken, hun taken uitsluitend in het belang van de Unie dienen te verrichten, volgens de regels die zijn vastgesteld in het statuut van de ambtenaren; wijst erop dat de ambtenaren van de Unie worden betaald met belastinggeld en dat dit niet bedoeld is om persmedewerkers of andere personeelsleden te betalen die nationale politieke belangen van een Voorzitter bevorderen; verzoekt het Bureau duidelijke bepalingen op te nemen in de voorschriften van het Parlement;

34.  neemt nota van het besluit van de Voorzitter van 21 oktober 2015, waarmee hij mensen in leidinggevende functies bij het Parlement wenste te benoemen zonder de procedures in acht te nemen, en met name zonder sollicitatieoproepen; stelt vast dat dit besluit "niet strookte met de regels" (antwoord van de administratie op de tweede vragenlijst van de Commissie begrotingscontrole); vraagt dat dit besluit van de Voorzitter formeel wordt herroepen;

35.  stelt vast dat de Voorzitter zichzelf op 15 december 2015 heeft gemachtigd om aan zijn kabinetsleden een bijzondere, onbegrensde toelage bovenop de bestaande kabinetstoelage te verlenen, hoewel het statuut van de ambtenaren niet in een dergelijke bijzondere toelage voorziet; stelt opnieuw de vraag of deze machtiging rechtmatig is en of deze bijzondere toelagen geldig zijn; vraagt dat wordt nagegaan of het betreffende besluit moet worden herroepen;

Beheer van de subsidieregeling voor bezoekersgroepen

36.  neemt ter kennis dat het Bureau op 24 oktober 2016 een herziene versie van de regeling voor de betaling van financiële bijdragen voor gesponsorde bezoekersgroepen heeft goedgekeurd;

37.  is verheugd dat hiermee contante betalingen aanzienlijk worden beperkt en verplichte elektronische overschrijvingen worden ingevoerd, waardoor het risico op diefstal en reputatieschade voor het Parlement verkleint, maar dat tegelijk nog steeds een aanzienlijke mate van flexibiliteit wordt geboden; steunt het voornemen van het Bureau om de herziene regeling te evalueren zodra deze een jaar lang is toegepast; betreurt het echter dat parlementaire medewerkers kunnen worden aangewezen als ontvanger van betalingen op hun persoonlijke rekening en dat zij de uitgaven van de groep mogen certificeren; vreest dat geaccrediteerde parlementaire medewerkers daardoor onnodige juridische en financiële verantwoordelijkheid dragen en mogelijk risico's lopen; vraagt het Bureau dit dringend te heroverwegen;

38.  betreurt het dat het Parlement zijn Voorzitter voor de uitvoering van de begroting van het Parlement voor het boekjaar 2014 kwijting heeft verleend en op het laatste moment belangrijke paragrafen heeft geschrapt die verdere vragen doen rijzen over de politieke activiteiten en financiële gedragingen van de Voorzitter tijdens de Europese verkiezingen van 2014;

Transparantieregister en belangenconflicten

39.  juicht het toe dat de belangstelling van de media en het grote publiek voor het Parlement en zijn administratie toeneemt; stelt echter vast dat bepaalde journalisten het moeilijk vinden om de specifieke informatie te verkrijgen die zij zoeken; wijst erop dat de transparantie van het Parlement en zijn administratie essentieel is voor de legitimiteit van de instellingen en dat de toegang tot informatie moet worden verbeterd, waarbij de voorschriften inzake bescherming van persoonsgegevens altijd in acht moeten worden genomen;

40.  verzoekt het Bureau de betreffende documenten die de secretaris-generaal aan het Bureau voorlegt, in een machineleesbaar formaat op de website van het Parlement te publiceren, tenzij de aard van de hierin vervatte informatie dit onmogelijk maakt, bijvoorbeeld met het oog op de bescherming van persoonsgegevens;

41.  benadrukt dat de werkzaamheden van de interne besluitvormingsorganen van het Parlement, in het bijzonder het Bureau, transparanter en toegankelijker moeten worden gemaakt; vraagt dat de agenda van het Bureau tijdig op het intranet wordt gepubliceerd en dat de notulen van vergaderingen veel sneller worden gepubliceerd; merkt op dat niet hoeft te worden gewacht tot de notulen in alle talen zijn vertaald;

42.  verzoekt de secretaris-generaal deze resolutie te doen toekomen aan het Bureau en daarbij te wijzen op alle punten waarin het Bureau wordt gevraagd actie te ondernemen of besluiten te nemen; verzoekt de secretaris-generaal een actieplan en een tijdschema op te stellen voor de follow-up en/of reactie van het Bureau op de aanbevelingen in de kwijtingsresoluties van het Parlement, en de resultaten daarvan op te nemen in het jaarlijkse monitoringdocument; verzoekt de secretaris-generaal de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole te gepasten tijde op de hoogte te brengen van alle projecten die het Bureau voorstelt die aanzienlijke gevolgen hebben voor de begroting;

43.  is van oordeel dat leden de website van het Parlement moeten kunnen gebruiken om hun kiezers de grootst mogelijke transparantie te geven over hun activiteiten, en verzoekt de secretaris-generaal een systeem te ontwikkelen dat de leden kunnen gebruiken om informatie over hun ontmoetingen met belangenvertegenwoordigers openbaar te maken; dringt er bij de secretaris-generaal op aan dit onverwijld mogelijk te maken, zoals het Parlement al heeft gevraagd in zijn kwijtingsresolutie voor het begrotingsjaar 2014;

44.  herhaalt het standpunt van het Parlement betreffende de vergoedingen voor algemene uitgaven als vermeld in de paragrafen 36 tot en met 39 van zijn kwijtingsresolutie voor het begrotingsjaar 2014; merkt op dat het voor leden die dat wensen, reeds mogelijk is om controlekosten terug te vorderen als in aanmerking komende kosten betreffende de vergoeding voor algemene uitgaven; verzoekt het Bureau te onderzoeken of er een kosteneffectieve manier kan worden gevonden om de uitgaven van de leden te laten controleren door de administratie van het Parlement in plaats van door externe controleurs;

45.  merkt op dat weinig leden op de hoogte zijn van de mogelijkheid om overschotten op de vergoeding voor algemene uitgaven terug te storten; vraagt de secretaris-generaal deze mogelijkheid dringend bekender te maken; dringt er bij de leden op aan overschotten aan het einde van hun ambtstermijn terug te betalen;

46.  verzoekt de secretaris-generaal voorts leden die gegevens over eventuele andere door het Parlement aan hen uitbetaalde vergoedingen op hun eigen webpagina bekend wensen te maken, daartoe gegevensbestanden te verstrekken die gemakkelijk kunnen worden verwerkt;

47.  verzoekt de secretaris-generaal ook belangstellende fracties op dezelfde manier van dienst te zijn;

48.  merkt op dat tal van documenten betreffende het besluit inzake de erkenning van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen samen met gegevens over de vaststelling van het definitieve geldbedrag beschikbaar zijn op de website van het Parlement; verzoekt het Parlement de Commissie te vragen een voorstel voor een herziening van de huidige rechtshandeling van de Unie betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen in te dienen(10), met strengere vereisten voor het oprichten van Europese politieke stichtingen teneinde misbruiken te voorkomen;

49.  is verheugd over de invoering van een speciaal formulier waarop de rapporteurs kunnen aangeven welke belangenvertegenwoordigers invloed hebben gehad op hun verslagen (wetgevingsvoetafdruk);

50.  vraagt de administratie van het Parlement nogmaals verslag uit te brengen over het gebruik van de gebouwen van het Parlement door belangenvertegenwoordigers en andere externe organisaties;

51.  vreest dat de huidige gedragscode voor de leden wellicht nog moet worden verbeterd om belangenverstrengeling tegen te gaan en dat daarbij specifiek moet worden gezien de volgende punten:

–  betaalde nevenfuncties van leden;

–  lobbyactiviteiten bij de Europese instellingen door voormalige leden terwijl zij recht hebben op een overbruggingstoelage;

–  de registratie van de belangenverklaringen van de leden;

–  de samenstelling en bevoegdheden van het raadgevend comité;

Directoraat-generaal Communicatie

52.  is verheugd over de ontwikkeling van indicatoren om de resultaten van de communicatieactiviteiten van het Parlement te meten en verzoekt de secretaris-generaal in het verslag over de werkzaamheden van het Parlement in 2016 een apart hoofdstuk te wijden aan deze nieuwe resultaatgerichte aanpak op communicatiegebied;

53.  uit zijn ontevredenheid over de huidige communicatiestrategie van het Parlement; is van mening dat er ernstige problemen zijn met de doeltreffendheid en samenhang van de huidige strategie en meer bepaald met het bedrag aan financiële middelen dat daaraan wordt besteed, en vraagt de diensten van het Parlement een communicatiestrategie te ontwikkelen die de belangen van de instelling op doeltreffende en spaarzame wijze dient;

54.  steunt de diverse programma's ter facilitering van bezoeken van journalisten en burgers die meer wensen te weten over de werkzaamheden van het Parlement;

55.  herhaalt in dit verband zijn oproep in het kwijtingsverslag voor 2014, waarin werd opgemerkt dat de website van het Parlement niet erg gebruikersvriendelijk is, dat de navigatie op die website lastig blijft en dat ze nog geen gebruik maakt van de recentste technologische ontwikkelingen, waardoor het moeilijk is om snel de gewenste informatie te vinden; ook werd er toen op gewezen dat de website, gezien het belang van communicatie met de Europese burger, het imago van het Parlement bij het grote publiek niet helpt verbeteren;

56.  vraagt het directoraat-generaal Communicatie een efficiëntere en gebruiksvriendelijkere website met een efficiëntere zoekfunctie op te zetten, die het Parlement bekender moet maken bij het grote publiek en die directer moet inspelen op de behoeften en interesses van de burger; merkt op dat er ondanks de aanzienlijke uitgaven slechts middelmatige resultaten zijn bereikt;

57.  is bezorgd over de doeltreffendheid van de communicatiestrategie van het Parlement; vraagt in dit verband dat de huidige strategie volledig wordt herzien en dat met name mensen die niet automatisch belangstelling hebben voor de werkzaamheden van het Parlement of misschien zelfs sceptisch zijn over het functioneren ervan, actiever worden benaderd; verzoekt de secretaris-generaal om een nieuwe strategie uit te werken om ook die burgers te bereiken, onder meer door de toegang tot informatie te vergemakkelijken en onterechte vooroordelen jegens het Parlement adequaat aan te pakken, maar geen onnodige en dure reclamecampagnes te voeren;

58.  onderstreept dat de opdracht van de voorlichtingsbureaus van het Parlement moet worden gemoderniseerd door het gebruik van nieuwe communicatietechnologieën en ‑patronen te optimaliseren en te profiteren van hun bevoorrechte geografische ligging dichtbij de burger om plaatselijke activiteiten, zoals debatten met leden en het maatschappelijk middenveld, verder te intensiveren teneinde naar de mensen te luisteren en met hen in dialoog te treden; benadrukt dat de onlinediscussies en de media-aandacht die door deze evenementen worden gegenereerd, moeten bijdragen tot nog meer contacten met burgers; merkt op dat de kosten voor de gebouwen en het personeel van de voorlichtingsbureaus in de lidstaten onevenredig hoog zijn ten opzichte van het bedrag dat aan de belangrijkste functies van deze bureaus wordt besteed; vraagt de secretaris tegen eind 2017 een gedetailleerd activiteiten- en financieel verslag aan de Commissie begrotingscontrole voor te leggen over de voorlichtingsbureaus in Brussel en Straatsburg, met bijzondere aandacht voor de meerwaarde die zij opleveren;

59.  is bezorgd over de antwoorden op de vraag met verzoek om schriftelijk antwoord over de voorlichtingsbureaus van het Parlement in bepaalde lidstaten, aangezien in de meeste gevallen slechts een fractie van hun exploitatiekosten naar de echte doelstellingen en opdrachten van die bureaus gaat, terwijl het grootste gedeelte wordt besteed aan de huur van kantoren en de salarissen en reiskosten van het personeel;

60.  verzoekt de secretaris-generaal ook de interne communicatie tussen de verschillende directoraten-generaal te verbeteren, zodat bijvoorbeeld de ontwikkeling van nieuwe belangrijke instrumenten zoals de wetgevingstrein bekend wordt bij een breder intern en extern publiek;

LUX-prijs

61.  is ingenomen met de gezamenlijke presentatie in de Commissie begrotingscontrole en de Commissie cultuur en onderwijs van een enquête, waarom was gevraagd in het kwijtingsverslag voor 2013, om na te gaan of de LUX-prijs bekendheid geniet, en zo ja, hoe deze in de respectieve lidstaten wordt gezien, en van de bevindingen van die enquête;

62.  herinnert er evenwel aan dat de enquête voornamelijk ging over de vraag of de leden en filmmakers bekend waren met het doel van de LUX-filmprijs, namelijk de burgers tonen dat het Parlement zich inzet voor gemeenschappelijke waarden, zoals mensenrechten en solidariteit, en voor culturele en taalkundige verscheidenheid;

63.  merkt op dat slechts 18 % van de leden van het Parlement – 137 leden van alle fracties en uit alle lidstaten – op de enquête hebben geantwoord, en dat van die leden ruim 90 % de LUX-filmprijs kenden, 75 % het doel ervan begrepen en ruim 80 % een positief beeld van de prijs hadden;

64.  is niet overtuigd van de adequaatheid van de selectiemethode aan de hand waarvan de leden besluiten over de nominaties en de uiteindelijke verkiezing van de prijswinnaar, en verzoekt het Bureau verslag uit te brengen over alternatieve modellen om tot de gewenste resultaten te komen, bijvoorbeeld door een soortgelijk initiatief van filmproductiemaatschappijen zelf te ondersteunen;

65.  stelt vast dat het aantal kijkers de afgelopen jaren weliswaar is gestegen, maar dat 43 000 kijkers in de gehele Europese Unie nog steeds erg weinig is en de vraag doet rijzen of de LUX-prijs wel zin heeft;

Huis van de Europese geschiedenis

66.  betreurt de herhaaldelijke vertragingen die zijn opgetreden bij de opening van het Huis van de Europese geschiedenis, die aanvankelijk gepland was voor maart 2016, vervolgens werd uitgesteld tot september en november 2016 en nu gepland is voor 6 mei 2017;

67.  neemt met bezorgdheid kennis van de aanhoudende discussies over de aard van de tijdelijke exposities van het Huis; vraagt of de inhoud van exposities in het Huis van de Europese geschiedenis niet aan de bevoegde instanties van het museum moet worden overgelaten;

68.  is verheugd dat het Huis van de Europese geschiedenis jaarlijks naar schatting 250 000 bezoekers zal ontvangen; wijst erop dat de jaarlijkse exploitatiekosten van deze voorziening vooraf op 13,3 miljoen EUR zijn geraamd; is bezorgd over het naar verhouding lage aantal bezoekers ten opzichte van de hoge exploitatiekosten, gezien het feit dat het Parlement in 2015 326 080 bezoekers ontving en dat de exploitatiekosten slechts 4,3 miljoen EUR bedroegen;

69.  vraagt het Bureau te overwegen om het beheer van het Huis van de Europese geschiedenis aan te passen aan een meer interinstitutionele aanpak en verdere samenwerking met andere instellingen van de Unie, met name de Commissie en de Raad, te onderzoeken;

70.  is ingenomen met het besluit van de Commissie om jaarlijks 800 000 EUR bij te dragen aan de exploitatiekosten van het Huis van de Europese geschiedenis; is echter van mening dat de Commissie een veel hoger aandeel in het geraamde bedrag voor de jaarlijkse exploitatiekosten (13,3 miljoen EUR) voor haar rekening moet nemen;

Directoraat-generaal Personeelszaken (DG PERS)

71.  stelt vast dat op 31 december 2015 in totaal 5 391 ambtenaren en tijdelijke personeelsleden bij het secretariaat-generaal (een stijging met 96 ten opzichte van 31 december 2014) en in totaal 771 ambtenaren en tijdelijke personeelsleden bij de fracties (een stijging met 26 ten opzichte van 31 december 2014) werkzaam waren; met inbegrip van de arbeidscontractanten was DG PERS verantwoordelijk voor 9 402 personeelsleden (een stijging met 467 ten opzichte van 31 december 2014);

72.  stelt vast dat op 1 januari 2015 47 posten van het organigram van het Parlement werden geschrapt overeenkomstig de herziening van het Statuut in 2014 en het MFK voor 2014-2020, zodat er op het organigram in totaal nog 6 739 posten stonden waarvan 5 723 (84,9 %) voor het secretariaat-generaal en 1 016 (15,1 %) voor de fracties; op 31 december 2015 was 4,9 % van de posten bij het secretariaat-generaal vacant tegen 9,6 % eind 2014;

73.  is verheugd over het feit dat het genderevenwicht in het aantal directeuren-generaal is verbeterd van 18,2 % / 81,8 % in 2014 naar 33,3 % / 66,7 % in 2015, maar stelt vast dat het genderevenwicht in het aantal directeuren is gedaald van 34 % / 66 % in 2014 tot 31,1 % / 68,9 % in 2015; stelt vast dat het genderevenwicht in het aantal afdelingshoofden is blijven verbeteren van 30 % / 70 % eind 2014 tot 31,2 % / 68,8 % eind 2015; onderstreept dat er nog steeds sprake is van onevenwichtigheid in leidinggevende functies en dat een programma voor gelijke kansen voor deze posten van het grootste belang blijft;

74.  is verbaasd dat het raadgevend comité voor de benoeming van hoge ambtenaren uitsluitend uit hoger management bestaat en verzoekt de secretaris-generaal hierin een vertegenwoordiger van een personeelsvereniging op te nemen;

75.  beklemtoont dat geografisch evenwicht, namelijk de relatie tussen het aantal personeelsleden met een bepaalde nationaliteit en het bevolkingsaantal van de betreffende lidstaten, nog steeds een belangrijk element van het personeelsbeheer moet blijven, met name ten aanzien van de lidstaten die sinds 2004 tot de Unie zijn toegetreden; is ingenomen met het feit dat het Parlement gekomen is tot een globaal genomen evenwichtige samenstelling van ambtenaren uit de lidstaten die voor en na 2004 tot de Unie zijn toegetreden; wijst er echter op dat deze lidstaten op de drie werklocaties nog steeds slechts 3 % van de personeelsleden in de categorie "hogere administrateur" (AD12-16) vertegenwoordigen, terwijl zij 21 % van de bevolking van de Unie uitmaken, en dat er op dat vlak nog vooruitgang wordt verwacht;

76.  beseft dat voor bepaalde activiteiten, zoals het beheer van de kantines en schoonmaakwerkzaamheden, uitbesteding de beste optie voor het Parlement was en dat bijgevolg het aantal externe personeelsleden in de gebouwen van het Parlement in bepaalde DG's zelfs hoger kan zijn dan het aantal ambtenaren;

77.  merkt evenwel op dat deze uitbestedingsbesluiten geen verklaring kunnen vormen voor het inzetten van al het externe personeel en dat bijvoorbeeld bij het directoraat-generaal Innovatie en Technologische Ondersteuning (DG ITEC) de verhouding tussen extern personeel en ambtenaren moeilijk te verklaren is;

78.  is van oordeel dat extern personeel niet mag worden gebruikt ter compensatie van de vermindering van het aantal posten als overeengekomen in het kader van de herziening van het Statuut in 2014 en het huidige MFK;

79.  neemt nota van de antwoorden van de secretaris-generaal inzake de voorwaarden die het Parlement heeft toegepast bij het inhuren van externe ondernemingen; onderstreept dat de administratie er zorgvuldig en stelselmatig moet op toezien dat die dienstverleners strikt voldoen aan de wetgeving inzake de arbeidsomstandigheden, veiligheid, sociale rechten enz. van alle extern personeel dat in de gebouwen van het Parlement werkt, zoals kantine- en schoonmaakpersoneel, onderhoudspersoneel enz.; verzoekt het Parlement te voorzien in waarschuwingsmechanismen en regelmatige controles waarmee zowel alleenstaande als stelselmatige gevallen van nalatigheid, misbruik of inbreuken kunnen worden voorkomen en opgespoord, om zo onmiddellijk de nodige maatregelen te kunnen treffen;

80.  merkt op dat de procedure om de beveiligingsdienst van het Parlement te internaliseren, afgerond is en dat de procedure om hetzelfde te doen met de chauffeursdienst nog loopt; verzoekt de secretaris-generaal aan de Commissie begrotingscontrole verslag uit te brengen over de lessen die uit deze procedures zijn getrokken en over de eventuele besparingen die ten gevolge daarvan zijn gerealiseerd;

81.  stelt met bezorgdheid vast dat het kantinepersoneel niet volgens de uren in hun contract wordt uitbetaald in weken waarin de leden elders werkzaam zijn, zoals tijdens achterbanweken of plenaire vergaderingen in Straatsburg, en dat velen van hen gedurende die perioden tijdelijk werkloos zijn, met de bijbehorende nadelige gevolgen voor hun loopbaan en hun inkomen; verzoekt de secretaris-generaal met de verrichter van de kantinediensten te onderhandelen om te komen tot een oplossing in het kader waarvan werknemers elke week gegarandeerd regelmatige uren draaien en een regelmatig salaris krijgen;

82.  stelt vast dat per eind 2015 1 813 geaccrediteerde parlementaire medewerkers bij het Parlement werkzaam waren, tegen 1 686 in het jaar daarvoor; vraagt om speciale aandacht voor de rechten van geaccrediteerde parlementaire medewerkers en plaatselijke medewerkers, wier contracten rechtstreeks gekoppeld zijn aan het mandaat van het parlementslid dat zij bijstaan, rekening houdend met het feit dat geaccrediteerde parlementaire medewerkers statutair personeel zijn, aangezien zij een arbeidsovereenkomst sluiten met het Parlement, terwijl plaatselijke medewerkers onder verschillende nationale wetgevingen vallen;

83.  betreurt het dat het verslag over de evaluatie van de toepassing van de bepalingen betreffende geaccrediteerde parlementaire medewerkers niet vóór eind 2016 aan de Commissie begrotingscontrole is voorgelegd, zoals gevraagd in de kwijtingsresolutie voor 2014, en dat het verslag tot op vandaag nog steeds niet is voorgelegd;

84.  wijst erop dat geaccrediteerde parlementaire medewerkers zich bij intimidatie of klokkenluiden in een uitermate kwetsbare positie bevinden, aangezien hun contract gebaseerd is op wederzijds vertrouwen tussen het parlementslid en de medewerker; als dit vertrouwen ontbreekt, is dat op zich een reden om het contract te beëindigen; ook als een lid ontslag moet nemen wegens reputatieschade als gevolg van een strafbaar feit of een andere wetsovertreding, houdt dat normaliter in dat alle contracten met zijn medewerkers worden opgezegd; vraagt daarom dat de geaccrediteerde parlementaire medewerkers met onmiddellijke ingang beter vertegenwoordigd worden in het adviescomité intimidatie, overeenkomstig het verzoek van het Parlement in het kader van de kwijtingen voor 2013 en 2014; verzoekt het Bureau passende middelen toe te wijzen voor de reis- en verblijfkosten van geaccrediteerde parlementaire medewerkers die eisende partij zijn en die vaak niet de nodige middelen hebben om persoonlijk naar Brussel te komen en hun zaak voor te leggen aan het adviescomité intimidatie; vraagt ook dat bij de volgende herziening van het statuut van de ambtenaren de mogelijkheid van financiële compenserende maatregelen voor geaccrediteerde medewerkers wordt overwogen, teneinde de gelijke behandeling van geaccrediteerde parlementaire medewerkers te garanderen en als erkenning van hun bijzondere kwetsbaarheid in zaken waarin er sprake is van intimidatie of klokkenluiden;

85.  is ingenomen met het voornemen van de administratie om een begin te maken met de aanpassing van de forfaitaire vergoedingen voor dienstreizen naar Straatsburg die geaccrediteerde parlementaire medewerkers ontvangen en die veel lager zijn dan die voor vaste ambtenaren; beklemtoont dat die aanpassing gebaseerd moet zijn op een transparante berekeningsmethode met een directe correlatie met de recente opwaartse herziening van de maxima voor vergoedingen en verblijfskosten voor vaste ambtenaren; benadrukt voorts dat een automatische indexering van de vergoedingen voor toekomstige herzieningen moet worden ingevoerd;

86.  betreurt het dat het Bureau niet heeft gereageerd op het verzoek van het Parlement in zijn kwijtingsresoluties voor 2013 en 2014 om voor geaccrediteerde parlementaire medewerkers dezelfde dagvergoedingen toe te passen als voor de andere personeelsleden; benadrukt tegelijkertijd dat de huidige vergoedingsmaxima voor dienstreizen van geaccrediteerde parlementaire medewerkers sinds 2009 niet meer zijn aangepast en dat het verschil tussen geaccrediteerde parlementaire medewerkers en de overige personeelsleden verder is toegenomen tot ten minste 40 % na de invoering van de nieuwe maxima die de Raad op 9 september 2016 heeft goedgekeurd en die sinds 10 september 2016 tot nu toe alleen werden toegepast op ambtenaren; verzoekt het Bureau derhalve de nodige maatregelen te treffen om een eind te maken aan deze ongelijkheid;

87.  betreurt ten zeerste dat de tewerkstellingsperiode van een geaccrediteerde parlementaire medewerker in geval van overlijden of ontslag van diens lid een einde neemt aan het einde van de kalendermaand; wijst erop dat dit zou kunnen betekenen dat die medewerker helemaal geen opzeggingstermijn krijgt als de ambtstermijn van het lid toevallig op de laatste dag van een bepaalde maand eindigt; vraagt een oplossing voor deze onaanvaardbare toestand bij de volgende herziening van het statuut van de ambtenaren, door de opzeggingstermijn te koppelen aan een welomschreven periode, bijvoorbeeld vier weken, in plaats van het einde van een kalendermaand; vraagt het Bureau voorts snel tijdelijke maatregelen in te voeren die dit probleem voorlopig kunnen oplossen totdat de wettelijke herziening plaatsvindt;

88.  is bezorgd over de vermeende praktijk dat leden geaccrediteerde parlementaire medewerkers op onwettige wijze verplichten dienstreizen te maken, met name naar Straatsburg, zonder dienstopdracht, zonder kostenvergoeding of gewoon zonder reisvergoeding; is van mening dat een dergelijke praktijk ruimte schept voor misbruik: als geaccrediteerde parlementaire medewerkers zonder dienstopdracht reizen, moeten ze niet alleen de kosten zelf betalen, maar zijn ze ook niet gedekt door de arbeidsverzekering; vraagt het Bureau ervoor te zorgen dat het statuut van de ambtenaren correct wordt toegepast en dat leden die de regels overtreden, worden gestraft;

89.  neemt er nota van dat stagiairs 0,50 EUR korting krijgen op hoofdgerechten in alle selfservicerestaurants in Brussel en Luxemburg en 0,80 EUR korting in Straatsburg; is, gezien de gemiddelde bezoldiging die zij ontvangen en de hoge prijzen die sinds twee jaar worden toegepast, evenwel van mening dat die kortingen te klein zijn om ook maar een minimaal effect op hun budget te hebben; verzoekt de secretaris-generaal een korting toe te kennen die in overeenstemming is met hun inkomsten;

90.  vraagt het Bureau ervoor te zorgen dat geaccrediteerde parlementaire medewerkers die de voorbije twee zittingsperioden ononderbroken hebben gewerkt, sociale rechten en pensioenrechten krijgen; verzoekt de administratie in dit verband te komen met een voorstel dat voor de berekening van de dienstperiode van tien jaar die volgens het statuut van de ambtenaren vereist is, rekening houdt met het besluit om in 2014 vervroegde verkiezingen te houden en met de tijd die besteed is aan de aanwervingsprocedure;

91.  vraagt de Conferentie van voorzitters de mogelijkheid te overwegen dat geaccrediteerde parlementaire medewerkers onder bepaalde, nog vast te stellen voorwaarden leden vergezellen tijdens officiële parlementaire delegaties en dienstreizen, zoals reeds door verschillende leden gevraagd is;

92.  verzoekt de secretaris-generaal en het Bureau problemen te behandelen en op te lossen die voornamelijk te wijten zijn aan de recentste wijziging aan de voorwaarden in verband met geaccrediteerde parlementaire medewerkers (zoals vertraging bij het ondertekenen van arbeidsovereenkomsten, onderbreking ervan, vervroegde Europese verkiezingen enz.) en die ernstige gevolgen kunnen hebben voor de toekomstige verwerving van arbeidsrechten door die medewerkers; vraagt dat vertegenwoordigers van de geaccrediteerde parlementaire medewerkers worden betrokken bij het zoeken naar oplossingen;

93.  stelt vast dat in 2015 154 dienstverbanden werden beëindigd, waarvan 126 pensioneringen, 13 gevallen van invaliditeit, negen ontslagnemingen en zes overlijdens; verzoekt de secretaris-generaal om artikel 16, lid 4, van het statuut van de ambtenaren betreffende potentiële belangenconflicten na beëindiging van de dienst bij het Parlement strikt toe te passen, met name in geval van ontslagneming; onderstreept dat het opvallend is dat er nooit gevallen van potentiële belangenconflicten zijn gepubliceerd;

94.  stelt met bezorgdheid vast dat er geen speciale regelingen voor personeelsleden zijn getroffen voor het geval dat een lidstaat uittreedt uit de Unie; erkent dat deze kwestie alle Europese instellingen aangaat; verzoekt de secretaris-generaal dan ook met de Commissie te overleggen om ervoor te zorgen dat Britse personeelsleden niet de dupe worden van de brexit en dat hun statutaire, contractuele en verworven rechten volledig worden gewaarborgd;

95.  vraagt dat opleidingscursussen efficiënter worden georganiseerd om ze aan te passen aan de specifieke behoeften van geaccrediteerde parlementaire medewerkers; met name moet de administratie rekening houden met het rooster van de parlementaire werkzaamheden en de werkzaamheden van de leden, en tijdschema's op maat en specifieke onderwerpen vaststellen;

96.  wijst erop dat 43 % van het personeel van het Parlement van oordeel is dat telewerken een positief effect zou hebben op hun arbeidssatisfactie; onderstreept dat het Parlement de enige instelling is die in haar werkafspraken nog niet heeft voorzien in telewerken en glijdende werkuren, terwijl beide regelingen in de meeste andere instellingen al jaren worden toegepast, vooral bij de Commissie, waar zij aantoonbaar tot een hogere productiviteit en een betere levenskwaliteit voor het personeel hebben geleid; neemt er nota van dat het Parlement in oktober jongstleden occasioneel telewerken heeft ingevoerd; verzoekt de secretaris-generaal aan alle betrokken diensten, met inbegrip van de leden en hun medewerkers, verslag uit te brengen over de toepassing van deze dienst; vraagt ook dat glijdende werkuren zo snel mogelijk in de werkregelingen van het Parlement worden opgenomen;

97.  vraagt het Parlement zijn regels betreffende door leden en fracties aangeboden stages te wijzigen om de situatie van stagiairs in het Parlement te verbeteren, met onder meer een fatsoenlijke vergoeding, de vaststelling van een beperkte duur voor stages en een leerovereenkomst;

DG FINS

Door het Parlement gegunde opdrachten

98.  stelt met tevredenheid vast dat het Parlement op zijn website jaarlijks een volledige lijst publiceert van alle contractanten aan wie het opdrachten met een waarde van meer dan 15 000 EUR heeft gegund, met de naam en het adres van de contractant, het type en voorwerp van de opdracht, de duur en waarde ervan, de gevolgde procedure en het desbetreffende directoraat-generaal;

99.  wijst erop dat deze lijst verder gaat dan de in het Financieel Reglement van de EU uiteengezette transparantievereisten; spoort alle instellingen van de Unie aan om volledige informatie te verstrekken over alle contractanten en opdrachten die via openbare aanbesteding zijn gegund, met inbegrip van gevallen van rechtstreekse gunning of niet-openbare procedures;

100.  onderschrijft de conclusie van de Rekenkamer dat de EU-instellingen één openbaar register met informatie over hun aanbestedingen moeten opzetten om een doeltreffende monitoring achteraf van hun aanbestedingsactiviteiten mogelijk te maken;

101.  wijst erop dat de dienstverlening van het reisagentschap van het Parlement, ondanks eerdere aansporingen tot verbetering, ondermaats blijft aangezien de prijzen relatief hoog zijn en het reisagentschap er niet in geslaagd is afspraken met de grote luchtvaartmaatschappijen te maken over voordeliger prijzen en meer flexibiliteit bij het organiseren van reizen;

102.  verzoekt het reisagentschap actief te trachten lagere prijzen aan te bieden, ongeacht de luchtvaartmaatschappij; vraagt dat het reisagentschap een feedbackprocedure invoert (klantentevredenheidsenquêtes) om na te gaan op welke gebieden nog vooruitgang kan worden geboekt;

Vrijwillig pensioenfonds

103.  stelt vast dat het geraamde actuarieel tekort van het vrijwillig pensioenfonds eind 2015 was opgelopen tot 276,8 miljoen EUR; stelt voorts vast dat de in aanmerking te nemen netto activa en de actuariële vastlegging eind 2015 155,5 miljoen EUR, respectievelijk 432,3 miljoen EUR bedroegen;

104.  herinnert eraan dat deze geraamde toekomstige verplichtingen weliswaar over meerdere decennia gespreid zijn, maar stelt vast dat het vrijwillig pensioenfonds in 2015 in totaal 15,8 miljoen EUR heeft uitbetaald;

105.  wijst erop dat dit aanleiding geeft tot bezorgdheid met betrekking tot de mogelijke uitputting van het fonds en dat het Parlement garant staat voor de pensioenuitkeringen indien en wanneer dit fonds niet in staat blijkt aan zijn verplichtingen te voldoen;

106.  verzoekt het Bureau zo spoedig mogelijk een beoordeling uit te voeren van de huidige situatie van het pensioenfonds;

107.  herinnert aan paragraaf 112 van het kwijtingsverslag van vorig jaar (P8_TA-PROV(2016)0150), waarin werd gevraagd de huidige toestand van het pensioenfonds te beoordelen; betreurt het dat die beoordeling nog niet heeft plaatsgevonden;

108.  herinnert eraan dat het Hof van Justitie in 2013 heeft geoordeeld dat het besluit om de pensioengerechtigde leeftijd voor de leden van het fonds te verhogen van 60 tot 63 jaar om een vroegtijdige uitputting van het kapitaal te voorkomen en deze leeftijd in overeenstemming te brengen met die waarin het nieuwe statuut van de leden voorziet, rechtsgeldig was;

109.  merkt op dat nationale pensioenfondsen normaliter aan strikte normen moeten voldoen en geen actuarieel tekort mogen hebben, terwijl het vrijwillig pensioenfonds nu wordt geconfronteerd met een actuarieel tekort van 64 % van de actuariële vastlegging; verzoekt de secretaris-generaal een uitgebreid actieplan aan het Bureau voor te leggen om een voortijdige uitputting van het fonds te voorkomen;

Overige aangelegenheden

110.  betreurt het dat bij de selectie van de financiële instellingen die het Parlement voor zijn betalingen en rekeningen inhuurt, geen aandacht wordt besteed aan het beleid van die instellingen op het vlak van maatschappelijk verantwoord ondernemen, en verzoekt de secretaris-generaal ervoor te zorgen dat het Parlement in de toekomst in eerste instantie zaken doet met financiële instellingen die een investeringsbeleid voeren dat is gericht op duurzaamheid en andere aspecten van maatschappelijk verantwoord ondernemen;

111.  onderstreept dat het Parlement in 2015 gemiddeld 106,25 miljoen EUR op bankrekeningen had staan zonder dat dit enige rente-inkomsten opleverde; verzoekt de secretaris-generaal na te gaan of zo'n hoog bedrag aan liquide middelen nodig is en met name het beheer van de kasmiddelen in dit opzicht te verbeteren, en na te gaan hoe het rendement van deze deposito's kan worden verhoogd;

DG ITEC

112.  is tevreden over de tenuitvoerlegging van de strategische richtsnoeren 2014-2019 door DG ITEC; meent dat er weliswaar tal van veranderingen in de elektronische werkomgeving voor de leden en het personeel worden doorgevoerd, maar dat de gevolgen van deze veranderingen, inclusief nieuwe mogelijkheden, relatief weinig bekend zijn en hoofdzakelijk binnen DG ITEC worden ontwikkeld; dringt aan op nauwere samenwerking tussen DG ITEC en DG COMM om de interne en externe communicatie over de vele reeds doorgevoerde of nog door te voeren innovaties te verbeteren;

113.  begrijpt dat DG ITEC zich inspant om het aantal hits voor de webpagina's van het Parlement in de zoekmachine van Google te vergroten; is evenwel van oordeel dat ook de zoekmachine op de website van het Parlement zelf zinvolle resultaten moet opleveren, zodat de gebruikers de portaalsite daadwerkelijk kunnen gebruiken om snel op de betreffende webpagina's terecht te komen; is bezorgd over het feit dat deze zoekmachine momenteel niet naar behoren werkt en verzoekt de secretaris-generaal alles in het werk te stellen om tot een snelle oplossing van dit al lang bestaande probleem te komen;

114.  stelt met bezorgdheid vast dat er, hoewel bij DG ITEC op jaarbasis voor meer dan 35 miljoen EUR aan nieuwe hardware is besteed, geen duidelijk beleid voor een milieuvriendelijke en sociaal duurzame aanschaf is, en verzoekt de secretaris-generaal daartoe een actieplan uit te werken om ervoor te zorgen dat in de toekomst in alle aanbestedingsprocedures voor hardware milieu- en sociale selectiecriteria worden opgenomen;

115.  vraagt DG ITEC alle webpagina's van het Parlement toegankelijk te maken voor mobiele apparatuur omdat de huidige interfaces nauwelijks compatibel zijn met mobiele apparatuur, ook al gebruiken veel bezoekers van de pagina's een tablet of mobiele telefoon om de websites van het Parlement en de bevoegde commissies te raadplegen; stelt voor om maatregelen toe te passen die de toegankelijkheid van de webpagina's voor mobiele apparatuur merkbaar en binnen een redelijke termijn verbeteren;

116.  acht het van essentieel belang voor het mandaat van de leden dat de printers in hun kantoren blijven staan; wijst erop dat goedkope generische inktpatronen mogelijk tot gevaarlijke emissieniveaus van deeltjes en gezondheidsschade kunnen leiden; vraagt daarom dat DG ITEC en het directoraat-generaal voor Infrastructuur en Logistiek (DG INLO) maatregelen nemen om de aankoop van milieuvriendelijke printers te bevorderen en te garanderen dat er uitsluitend originele inktpatronen worden gebruikt;

117.  neemt er nota van dat het Bureau op 7 september 2015 een beveiligingsbeleid voor informatie- en communicatietechnologiesystemen (ICT-beveiligingsbeleid) heeft goedgekeurd; onderstreept dat in de huidige mondiale context dringend een aanzienlijk robuuster ICT-beveiligingsbeleid moet worden gevoerd dat volledig gericht is op het beheer van risico's in verband met cyberveiligheid; is in deze context verheugd over de benoeming van een cyberbeveiligingsfunctionaris bij het Parlement;

118.  herhaalt zijn in de kwijtingsresolutie voor 2014 gedaan verzoek om de oprichting van een systeem voor vroegtijdige waarschuwing in noodgevallen, met behulp waarvan DG ITEC, in samenwerking met het directoraat-generaal Beveiliging en Veiligheid (DG SAFE), snel via sms of e‑mail berichten kan versturen naar leden en personeelsleden die hun naam op een lijst hebben laten zetten om in specifieke noodsituaties te worden gewaarschuwd;

119.  complimenteert DG ITEC met de installatie van wifi in alle gebouwen van het Parlement; merkt evenwel op dat de wifi in de plenaire vergaderzaal in Straatsburg onbetrouwbaar is, met name wanneer tijdens stemmingen of belangrijke debatten veel leden het systeem tegelijkertijd gebruiken; verzoekt de secretaris-generaal dit te verhelpen;

Directoraat-generaal Extern Beleid van de Unie

120.is verheugd dat een aantal openbare vergaderingen van de interparlementaire delegaties al via webstreaming worden uitgezonden; verzoekt de secretaris-generaal deze dienst, alsook de inhoud van de webpagina's van de delegaties, verder te ontwikkelen en uit te breiden;

DG INLO

121.  merkt op dat de gebouwenstrategie voor de middellange termijn van 2010 op het ogenblik wordt herzien; vraagt dat deze strategie wordt uitgebreid tot de langere termijn en dat er een casestudy in wordt opgenomen van de te verwachten gevolgen van de brexit;

122.  is verheugd dat de leden en hun medewerkers vanaf 2019 meer kantoorruimte in Straatsburg zullen krijgen; verzoekt de secretaris-generaal ervoor te zorgen dat, zolang een oplossing voor één vergaderplaats voor het Parlement uitblijft, het minimumaantal vierkante meters per medewerker conform de huidige regelgeving inzake arbeidsomstandigheden wordt gegarandeerd, aangezien het Parlement zich momenteel in een delicate positie bevindt omdat het zich bewust niet aan de regels inzake minimale kantoorruimte houdt;

123.  betreurt ten zeerste dat er is besloten om het meubilair in de kantoren van de leden en hun medewerkers in Brussel te vervangen en vraagt dat daar onmiddellijk een einde aan wordt gemaakt; merkt op dat het overgrote deel van het meubilair nog perfect bruikbaar en presentabel is en dat er dus geen enkele reden is om het te vervangen; is van mening dat feedback van een aantal leden (in plaats van een algemene rondvraag) geen voldoende reden voor de verandering is, net zo min als de argumenten met betrekking tot smaak, mode of ouderwetse stijl die de administratie aanvoert; meubels dienen enkel te worden vervangen bij duidelijke tekenen van beschadiging, ernstige slijtage of specifieke dan wel algemene risico's voor de gezondheid op het werk (bijvoorbeeld om de ergonomie van de bureaustoelen te verbeteren); is van mening dat het imago van het Parlement, en meer bepaald van de leden, bij de burgers en in de publieke opinie terecht ernstig zou kunnen worden geschaad door dergelijke kwesties in verband met uiterlijk vertoon, zeker in tijden van economische crisis en de daaruit voortvloeiende budgettaire krapte;

124.  is zich ervan bewust dat ingevolge de besluiten van het Bureau van 2013 en 2015 voor cateringcontracten geen rechtstreekse subsidies uit de begroting van het Parlement worden uitgekeerd; is evenwel bezorgd over het feit dat bepaalde diensten in 2015 werden aangeboden tegen hogere prijzen dan de marktprijzen; verwijst in dit verband naar de tijdens vergaderingen geserveerde koffie; merkt op dat de prijzen in augustus 2016 zijn herzien;

125.  betreurt ten zeerste de willekeurige, subjectieve en onevenredige criteria die zijn gebruikt bij de procedure voor het aanwerven van chauffeurs toen deze dienst in 2016 om veiligheidsredenen werd geïnternaliseerd; betreurt dat in de procedure geen rekening is gehouden met de vaardigheden en de ervaring die de chauffeurs hebben opgedaan in de jaren dat zij in nauw contact met de leden hebben gewerkt en een vertrouwensband met hen hebben opgebouwd, noch met het feit dat veel van de chauffeurs die hun baan hebben verloren, op een leeftijd zijn gekomen waarop het moeilijk is om een nieuwe baan te vinden;

Directoraat-generaal Vertolking en Conferenties (DG INTE)

126.  maakt zich zorgen over de problematische sociale dialoog tussen DG INTE en de vertegenwoordigers van de tolken, die in januari 2014 op gang is gebracht en die tot dusverre nog niet tot een akkoord heeft geleid; verzoekt de secretaris-generaal een bemiddelingsprocedure tussen de betrokken partijen in te leiden met het oog op een beter wederzijds begrip van de diverse standpunten en te komen tot een voor alle partijen aanvaardbare oplossing;

127.  uit zijn tevredenheid over de vooruitgang die reeds is geboekt bij de modernisering van DG INTE, met name in verband met de betere beschikbaarheid van tolken, de lichte stijging van het aantal uren die tolken aan vertolking besteden en de betere spreiding van hun werklast; merkt op dat de berekeningsmethode voor de statistieken moet worden toegelicht en dat alle jaarlijkse vakanties en ziekteverloven nu zijn verwijderd uit de berekening van het gemiddelde aantal uren dat tolken in de tolkencabine doorbrengen;

128.  vraagt de secretaris-generaal informatie te verstrekken over de maatregelen die sinds de aanneming van de kwijtingsresolutie voor 2014 zijn genomen met het oog op een efficiënter en effectiever gebruik van de middelen bij het organiseren van vergaderingen door een stroomlijning van het conferentiebeheer in het Parlement;

DG SAFE

129.  is verheugd dat er onafgebroken werk is gemaakt van de beveiliging op en rond de gebouwen van het Parlement; beseft dat voor de beveiliging in het Parlement een moeilijk evenwicht moet worden gezocht tussen enerzijds een aantal maatregelen om de veiligheid te garanderen en anderzijds een al te zeer op beveiliging gericht systeem dat de werking van het Parlement vertraagt; dringt er niettemin op aan om de beveiliging van de gebouwen verder te versterken en verzoekt de secretaris-generaal ervoor te zorgen dat de personeelsleden correct worden opgeleid en in staat zijn hun taken professioneel te vervullen, ook in noodsituaties;

130.  verzoekt de secretaris-generaal ervoor te zorgen dat er actief wordt gestreefd naar samenwerking tussen de instellingen van de Unie alsook samenwerking met de Belgische, Franse en Luxemburgse autoriteiten;

131.  verzoekt DG ITEC en DG SAFE de maatregelen tegen hacking te versterken in het licht van de grotere dreiging van cyberaanvallen van de afgelopen maanden;

Milieuvriendelijk Parlement

132.  herinnert eraan dat het Bureau op 19 april 2004 met het milieubeheersysteem (EMAS)-project is begonnen; stelt vast dat het Bureau in 2016 een herzien milieubeleid heeft goedgekeurd in het kader waarvan de inzet van het Parlement voor continue milieuverbetering gehandhaafd blijft en wordt herbevestigd;

133.  is ingenomen met de oprichting van de interinstitutionele helpdesk voor groene overheidsopdrachten, die nu volledig moet worden geïmplementeerd met duidelijke streefcijfers ter zake en meer inspanningen op het vlak van interne informatie over groene overheidsopdrachten en de bevordering en doeltreffende aansturing ervan op te drijven; onderstreept dat ook dienstverleners die in onderaanneming werken, zich aan de regels moeten houden; betreurt in dit verband dat in het Parlement veel plastic flessen, bekers, houders en verpakkingen worden gebruikt;

134.  wijst erop dat het Parlement heeft toegezegd zijn CO2-emissies per fte tegen 2020 met 30 % te verminderen ten opzichte van 2006; is verheugd dat deze indicator tussen 2006 en 2015 met ongeveer 24,3 % is gedaald;

135.  acht het dan ook van het allergrootste belang dat het Parlement voor zichzelf nieuwe, meer verregaande kwantitatieve doelen stelt die regelmatig door de verantwoordelijke diensten moeten worden getoetst; wijst in dit verband op het besluit van het Bureau van 2015 om de totale CO2-uitstoot van het Parlement, inclusief de emissies van vluchten van leden tussen hun land van herkomst en de plaatsen van werkzaamheden van het Parlement, te compenseren;

136.  herinnert het Parlement aan zijn toezegging in het kader van Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie, waarin wordt bepaald dat het, onverminderd de voorschriften betreffende de begroting en de overheidsopdrachten, op de gebouwen waarvan het eigenaar en gebruiker is de voorschriften zal toepassen die krachtens de artikelen 5 en 6 van die richtlijn ook gelden voor de gebouwen van de centrale overheid van de lidstaten, vanwege de grote zichtbaarheid van de gebouwen en de leidende rol die het Parlement dient te vervullen ten aanzien van de energie-efficiëntie van gebouwen; onderstreept dat het dringend nodig is om de daad bij het woord te voegen, vooral in het licht van de geloofwaardigheid van het Parlement bij de huidige herzieningen van de energieprestaties van gebouwen en de richtlijnen inzake energie-efficiëntie;

137.  verzoekt het Bureau een regeling te onderzoeken om het gebruik van efficiënte vervoerswijzen voor het woon-werkverkeer te stimuleren;

138.  is ingenomen met het initiatief van het Parlement met betrekking tot de toepassing van een alomvattend beleid ter beperking van voedselverspilling; verzoekt het Parlement ervoor te zorgen dat voedselverspilling actief wordt voorkomen door alle cateraars in alle vestigingen van het Parlement; verzoekt het Parlement het schenken van onverkochte voeding aan liefdadigheidsinstellingen te intensiveren;

139.  gaat ervan uit dat de invoering van een doeltreffend reserveringssysteem voor vergaderruimten en een bijbehorend kadaster veel mogelijkheden biedt met het oog op kostenbesparingen en milieu-inspanningen van het Parlement, en vraagt de secretaris-generaal deze aanpak te bevorderen;

Fracties (begrotingspost 4 0 0)

140.  merkt op dat de voor 2015 op begrotingspost 4 0 0 opgenomen kredieten voor de fracties en de niet-fractiegebonden leden als volgt werden gebruikt:

Fractie

2015

2014**

Jaarlijkse kredieten

Eigen middelen en over­gedragen kredieten

Uitgaven

Gebruik­makings­percentage van de jaarlijkse kredieten

Over­drachten naar de volgende periode

Jaarlijkse kredieten

Eigen middelen en over­gedragen kredieten

Uitgaven

Gebruik­makings­percentage van de jaarlijkse kredieten

Over­drachten naar de volgende periode (2011)

PPE

17 440

10 198

17 101

98,06 %

8 720

19 919

7 908

17 796

89,34 %

9 960

S&D

15 256

5 748

15 379

100,81 %

5 625

15 619

4 653

14 850

95,07 %

5 422

ECR

5 959

1 614

5 065

84,99 %

2 509

5 014

1 060

4 476

105,43 %

1 598

ALDE

5 692

2 517

5 865

103,03 %

2 344

6 214

1 774

5 491

88,35 %

2 498

GUE/NGL

4 305

1 256

3 832

89,02 %

1 729

3 527

417

2 689

76,62 %

1 255

Verts/ALE

4 153

1 293

3 890

93,67 %

1 556

4 292

1 389

4 396

88,41 %

1 287

EFDD

3 843

1 643

3 629

94,45 %

1 856

3 231

1 142

2 708

88,83 %

1 615

ENF

1 587

0

827

52,09 %

760

 

 

 

 

 

Niet-fractiegebonden leden

1 627

533

1 001

61,51 %

214

1 991

441

1 281

64,32 %

533

Totaal

59 860

24 803

56 588

94,53 %

25 312

59 807

18 784

53 687

89,76 %

24 168

*   alle bedragen x 1000 EUR

**   2014 bestond in verband met de Europese verkiezingen in mei 2014 uit twee begrotingsjaren. De cijfers voor 2014 in de tabel zijn de geconsolideerde bedragen.

141.  verwijst naar de aanbeveling van de Rekenkamer in haar jaarverslag die als volgt luidt: "Het Europees Parlement dient het bestaande controlekader voor de uitvoering van aan fracties toegewezen begrotingskredieten te herzien. Daarnaast moet het Europees Parlement betere begeleiding bieden door versterkte monitoring van de toepassing door de fracties van de regels inzake de goedkeuring en betaling van uitgaven en inzake aanbestedingsprocedures";

Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen

142.  merkt op dat de voor 2015 op begrotingspost 4 0 2 opgenomen kredieten als volgt werden gebruikt(11):

Partij

Afkorting

Eigen middelen

Subsidie EP

Totale inkomsten

EP-subsidie als % van de subsidiabele uitgaven (max. 85 %)

Ontvangsten-overschot (overgedragen naar reserves) of ‑verlies

Europese Volkspartij

EVP

1 926

8 053

12 241

85 %

363

Partij van Europese Sociaaldemocraten

PES

1 246

5 828

8 024

85 %

40

Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa

ALDE

561

2 093

2 789

85 %

90

Europese Groenen

EGP

480

1 666

2 245

85 %

83

Alliantie van Europese Conservatieven en Hervormers

AECR

395

1 952

2 401

85 %

8

Europese Linkse Partij

EL

372

1 484

2 044

85 %

71

Europese Democratische Partij

EDP/PDE

120

457

577

85 %

0

EUDemocraten

EUD

55

292

370

85 %

3

Europese Vrije Alliantie

EFA

127

636

845

85 %

0

Europese Christelijke Politieke Beweging

ECPM

87

461

560

85 %

4

Europese Alliantie voor Vrijheid

EAF

94

494

588

85 %

7

Alliantie van Europese Nationale Bewegingen

AENM

53

292

399

85 %

0

Beweging voor een Europa van Vrijheid en Democratie

MENF

161

401

562

85%

0

Alliantie voor Directe Democratie in Europa

ADDE

250

821

1 070

85 %

-403

Beweging voor een

Europa van Vrijheden

en Democratie

MELD

91

44

226

85 %

-208

Totaal

 

6 017

24 974

34 943

85 %

59

(*)  alle bedragen x 1000 EUR

 

 

143.  merkt op dat de voor 2015 op begrotingspost 4 0 3 opgenomen kredieten als volgt werden gebruikt(12):

Stichting

Afkorting

Gelieerd aan partij

Eigen middelen*

Subsidie EP

Totale inkomsten

EP-subsidie als % van de subsidiabele uitgaven (max. 85 %)

Wilfried Martens Centrum voor Europese Studies

WMCES

EVP

949

4 725

5 674

85 %

Foundation for European Progressive Studies

FEPS

PES

847

3 848

4 695

85 %

Europees Liberaal Forum

ELF

ALDE

183

880

1 063

85 %

Green European Foundation

GEF

EGP

163

914

1 077

85 %

Transform Europe

TE

EL

159

847

1 066

85 %

Institute of European Democrats

IED

PDE

47

284

331

85 %

Centrum Maurits Coppieters

CMC

EFA

57

241

298

85 %

New Direction - Foundation for European Reform

ND

AECR

323

1 100

1 423

85 %

 

 

 

 

 

 

 

European Foundation for Freedom

EFF

EAF

47

268

315

85 %

Organisation For European Interstate Cooperation

OEIC

EUD

33

132

165

85 %

Christian Political Foundation for Europe

CPFE

ECPM

51

267

318

85 %

Foundation for a Europe of Liberties and Democracy

 

MELD

50

248

298

85 %

Instituut voor Directe Democratie in Europa

IDDE

ADDE

144

673

817

85 %

European Identities and Traditions

EIT

AENM

32

169

201

85 %

Totaal

 

 

3 085

14 596

17 681

85 %

(*)  alle bedragen x 1000 EUR

 

 

 

 

 

 

144.  stelt met bezorgdheid vast dat bij de Alliantie voor Directe Democratie in Europa, de Beweging voor een Europa van Vrijheden en Democratie, het Initiatief voor Directe Democratie in Europa en de Stichting voor een Europa van Vrijheden en Democratie ernstige onregelmatigheden aan het licht zijn gekomen met betrekking tot verboden directe of indirecte financiering van nationale partijen en schenkingen;

145.  uit zijn bezorgdheid over het risico op reputatieschade voor het Parlement van zulke onregelmatigheden en is ervan overtuigd dat snelle en doeltreffende actie nodig is om soortgelijke onregelmatigheden in de toekomst aan te pakken en te voorkomen;

146.  is zich ervan bewust dat de nieuwe verordeningen, namelijk Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014(13) en Verordening (EU, Euratom) nr. 1142/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014(14), vanaf het begrotingsjaar 2018 van toepassing zullen zijn op de financiering van Europese politieke partijen en stichtingen, dat de onlangs ingestelde autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen een belangrijke rol krijgt en dat er in het Bureau nog wordt gediscussieerd over de voorstellen van de secretaris-generaal voor de aanpak van een aantal kwesties die niet door die verordeningen worden geregeld; verzoekt de intern controleur van het Parlement zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van de nieuwe verordeningen een nieuw controleverslag op te stellen over de financiering van de Europese politieke partijen en stichtingen;

147.  meent dat het de moeite waard is te onderzoeken of het huidige systeem van interne en externe controles tekortschiet als het erom gaat ernstige onregelmatigheden te voorkomen; neemt kennis van de verklaringen van de externe controleur, EY, dat zijn controles bedoeld zijn om met redelijke zekerheid te kunnen vaststellen dat de jaarrekeningen geen onjuistheden van wezenlijk belang vertonen, dat de organisatie heeft voldaan aan de betreffende voorschriften en dat het bewijsmateriaal ter staving van het advies steekproefsgewijs is onderzocht; neemt voorts ter kennis dat de controle geen onderzoek inhoudt naar frauduleuze verklaringen en documenten en dat bijgevolg slechts een beperkt inzicht wordt verkregen in de onderzochte financiële activiteiten;

148.  neemt er nota van dat bij DG FINS weinig personele middelen (2 fte's) zijn toegewezen voor de controle van de rekeningen van Europese politieke partijen en stichtingen; is er vast van overtuigd dat daarvoor, gezien het grote risico op reputatieschade, meer middelen moeten worden ingezet;

149.  verzoekt het Bureau om, voor zover het vertrouwelijkheidsbeginsel dit toelaat, de toegang tot de onderliggende documenten in de definitieve verslagen van de Europese politieke partijen en stichtingen te vergemakkelijken, in het bijzonder de rekeningen en de verrichte controles;

150.  vraagt dat de onlangs ingestelde autoriteit na haar eerste jaar van activiteit, namelijk 2017, een voortgangsverslag aan het Parlement voorlegt; verzoekt de secretaris-generaal ervoor te zorgen dat de autoriteit de beschikking krijgt over alle noodzakelijke middelen om haar taken te vervullen.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

22.3.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

23

5

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Inés Ayala Sender, Dennis de Jong, Tamás Deutsch, Martina Dlabajová, Luke Ming Flanagan, Ingeborg Gräßle, Cătălin Sorin Ivan, Jean-François Jalkh, Bogusław Liberadzki, Monica Macovei, Notis Marias, Georgi Pirinski, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Petri Sarvamaa, Claudia Schmidt, Bart Staes, Hannu Takkula, Derek Vaughan, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Gerben-Jan Gerbrandy, Benedek Jávor, Karin Kadenbach, Julia Pitera, Patricija Šulin

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Raymond Finch, Jens Geier, Piernicola Pedicini, Janusz Zemke

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

23

+

ALDE

Martina Dlabajová, Gerben-Jan Gerbrandy, Hannu Takkula

ECR

Monica Macovei

GUE/NGL

Luke Ming Flanagan, Dennis de Jong

PPE

Tamás Deutsch, Ingeborg Gräßle, Julia Pitera, Petri Sarvamaa, Claudia Schmidt, Patricija Šulin, Joachim Zeller

S&D

Inés Ayala Sender, Jens Geier, Cătălin Sorin Ivan, Karin Kadenbach, Bogusław Liberadzki, Georgi Pirinski, Derek Vaughan, Janusz Zemke

VERTS/ALE

Benedek Jávor, Bart Staes

5

-

ECR

Notis Marias

EFDD

Raymond Finch, Piernicola Pedicini

ENF

Jean-François Jalkh

PPE

José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

PB L 69 van 13.3.2015.

(2)

PB C 380 van 14.10.2016, blz. 1.

(3)

PB C 354 van 27.9.2016, blz. 1.

(4)

PB C 375 van 13.10.2016, blz. 1.

(5)

PB C 375 van 13.10.2016, blz. 10.

(6)

PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(7)

PE 422.541/Bur.

(8)

Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020.

(9)

Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG.

(10)

Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen (PB L 317 van 4.11.2014, blz. 1).

(11)

  Opm.:

  alle bedragen x 1000 EUR

  Noot (1): overeenkomstig artikel 125, lid 6, van het Financieel Reglement omvatten de inkomsten de overdrachten uit het voorgaande jaar.

(12)

  Opm.:

  alle bedragen x 1000 EUR

(13)

Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen (PB L 317 van 4.11.2014, blz. 1).

(14)

Verordening (EU, Euratom) nr. 1142/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 wat betreft de financiering van Europese politieke partijen (PB L 317 van 4.11.2014, blz. 28).

Juridische mededeling