Procedure : 2016/2238(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0191/2017

Ingediende teksten :

A8-0191/2017

Debatten :

PV 03/07/2017 - 24
CRE 03/07/2017 - 24

Stemmingen :

PV 04/07/2017 - 6.15
CRE 04/07/2017 - 6.15
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0289

VERSLAG     
PDF 381kWORD 58k
17.5.2017
PE 594.042v02-00 A8-0191/2017

over particuliere beveiligingsondernemingen

(2016/2238(INI))

Commissie buitenlandse zaken

Rapporteur: Hilde Vautmans

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 MINDERHEIDSSTANDPUNT
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over particuliere beveiligingsondernemingen

(2016/2238(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het document van Montreux over relevante internationale juridische verplichtingen en goede praktijken voor staten in verband met de operaties van particuliere militaire en beveiligingsbedrijven tijdens gewapende conflicten,

–  gezien de resoluties 15/26, 22/33, 28/7 en 30/6 van de VN-Mensenrechtenraad,

  gezien de in juli 2005 opgerichte VN-werkgroep inzake het gebruik van huurlingen als een middel om de mensenrechten te schenden en de uitoefening van het zelfbeschikkingsrecht door volkeren te belemmeren,

–  gezien de verslagen van de open intergouvernementele werkgroep waarin wordt onderzocht of het mogelijk is een internationaal regelgevingskader te ontwikkelen inzake de regulering van en de controle en het toezicht op de activiteiten van particuliere militaire en beveiligingsondernemingen,

–  gezien de VN-richtsnoeren inzake het gebruik van de diensten voor gewapende beveiliging van particuliere beveiligingsondernemingen, die sinds kort ook op de diensten voor ongewapende beveiliging van toepassing zijn,

–  gezien de VN-gedragscode voor wetshandhavers,

–  gezien het ontwerp van een eventueel verdrag inzake particuliere militaire en beveiligingsdiensten, te bespreken en te behandelen door de Mensenrechtenraad,

–  gezien de internationale gedragscode voor particuliere beveiligingsbedrijven (ICoC), opgesteld door de Vereniging voor de internationale gedragscode voor particuliere beveiligingsbedrijven, een zelfregulerend sectoraal mechanisme waarbij naleving van de normen op vrijwillige basis geschiedt,

–  gezien de gedragscode van de Vereniging voor internationale stabilisatieoperaties, een zelfregulerend sectoraal mechanisme,

–  gezien de gedragscode voor de particuliere beveiligingssector van CoESS (Confederation of European Security Services) en UNI Europa,

–  gezien het ISO 18788-managementsysteem voor particuliere beveiligingsoperaties, waarin parameters zijn vastgelegd voor het beheer van particuliere beveiligingsondernemingen,

–  gezien de aanbevelingen van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de samenwerking tussen de nationale autoriteiten van de lidstaten die bevoegd zijn voor de particuliere beveiligingssector,

–  gezien Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG(1),

–  gezien Richtlijn 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied, en tot wijziging van Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG(2),

–  gezien het EU-concept voor logistieke steun aan door de EU geleide militaire operaties en het EU-concept voor steun van contractanten aan door de EU geleide militaire operaties,

–  gezien de "Priv-War"-aanbevelingen voor EU-regelgeving op het gebied van particuliere militaire en beveiligingsondernemingen en hun diensten,

–  gezien zijn resolutie van 8 oktober 2013 over corruptie in de publieke en de private sector: het effect op de mensenrechten in derde landen(3) en zijn resolutie van 6 februari 2013 over maatschappelijk verantwoord ondernemen: het bevorderen van de belangen in de samenleving en de weg naar duurzaam en inclusief herstel(4),

–  gezien de vele uiteenlopende risico's, uitdagingen en bedreigingen binnen en buiten de Europese Unie,

  gezien de voorlopige richtsnoeren van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) van mei 2012 inzake gewapend beveiligingspersoneel aan boord van schepen,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0191/2017),

A.  overwegende dat veiligheid en defensie publieke goederen zijn die moeten worden beheerd op basis van de criteria van doelmatigheid, efficiëntie, verantwoordingsplicht en de rechtsstaat, en die niet alleen afhankelijk zijn van financiële middelen maar ook van kennis; overwegende dat het overheidsdiensten in sommige gebieden aan de nodige capaciteiten en vermogens kan ontbreken;

B.  overwegende dat het in de eerste plaats de overheid is die moet instaan voor veiligheid en defensie;

C.  overwegende dat de burgers van de Unie, volgens Eurobarometer-enquêtes, actiever willen zijn op het gebied van veiligheid en defensie;

D.  overwegende dat door circa 40 000 particuliere beveiligingsondernemingen in Europa in 2013 meer dan 1,5 miljoen particuliere beveiligingscontractanten zijn aangesteld; overwegende dat deze aantallen blijven stijgen; overwegende dat de omzet van deze ondernemingen dat jaar ongeveer 35 miljard EUR bedroeg; overwegende dat de waarde van de particuliere beveiligingssector in 2016 wereldwijd op 200 miljard USD werd geschat en dat de sector circa 100 000 particuliere beveiligingsondernemingen en 3,5 miljoen werknemers telde;

E.  overwegende dat particuliere beveiligingsondernemingen, een term die in de context van deze resolutie ook particuliere militaire ondernemingen omvat, de afgelopen decennia in toenemende mate worden ingeschakeld door nationale overheden alsook door strijdkrachten en civiele agentschappen, zowel om binnenlandse diensten te verrichten als voor ondersteuning overzee;

F.  overwegende dat particuliere beveiligingsondernemingen een zeer breed scala aan diensten aanbieden, van logistieke diensten tot daadwerkelijke gevechtsondersteuning, levering van militaire technologie en hulp bij wederopbouw na een conflict; overwegende dat particuliere beveiligingsondernemingen ook essentiële diensten verlenen binnen de lidstaten, zoals gevangenisbeheer en de leverring van patrouilles voor infrastructuurterreinen; overwegende dat particuliere beveiligingsondernemingen bij civiele en militaire missies in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) worden ingezet om EU-delegaties te begeleiden, veldkampen op te zetten, opleiding te geven, luchtbruggen tot stand te brengen en activiteiten op het gebied van humanitaire hulp te ondersteunen;

G.  overwegende dat binnen de EU sprake is van grote verschillen tussen de lidstaten voor wat betreft het inzetten van particuliere beveiligingsondernemingen, de procedures voor het contracteren ervan en de kwaliteit van regelgevingssystemen; voorts overwegende dat dergelijke ondernemingen door veel lidstaten worden ingezet om hun contingenten te ondersteunen bij multilaterale operaties;

H.  overwegende dat militaire activiteiten, voorheen een integrerend deel van de activiteiten van gewapende strijdkrachten, onder meer worden uitbesteed om de kostenefficiëntie van de dienstverlening te verbeteren, maar ook om te compenseren voor het feit dat de krimpende krijgsmacht een capaciteitstekort vertoont terwijl het aantal multilaterale missies in het buitenland toeneemt en terwijl op de begrotingen wordt bespaard omdat besluitvormers niet bereid zijn toereikende middelen ter beschikking te stellen; overwegende dat dit alleen in uitzonderingssituaties mag gebeuren; overwegende dat de tekortkomingen moeten worden aangepakt; overwegende dat particuliere beveiligingsondernemingen ook kunnen voorzien in capaciteit waar het nationale gewapende strijdkrachten volledig aan ontbreekt, vaak op korte termijn en complementaire wijze; overwegende dat particuliere beveiligingsondernemingen ook voor politieke doeleinden worden gebruikt, teneinde beperkingen op het inzetten van troepen te voorkomen en voornamelijk het eventuele gebrek aan draagvlak voor de inzet van eigen strijdkrachten te ondervangen; overwegende dat het inzetten van particuliere beveiligingsondernemingen als een instrument van buitenlands beleid moet worden onderworpen aan doeltreffende parlementaire controle;

I.  overwegende dat particuliere beveiligingsondernemingen zijn beschuldigd van betrokkenheid bij zowel tal van schendingen van de mensenrechten als incidenten waarbij mensen om het leven zijn gekomen; overwegende dat die incidenten in de tijd en naargelang van het land verschillen en in sommige gevallen ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht inhouden, waaronder oorlogsmisdaden; overwegende dat in een aantal van deze gevallen tot vervolging is overgegaan; overwegende dat hun ondoorzichtige gedrag en hun gebrek aan transparantie gevolgen hebben gehad voor de inspanningen van de internationale gemeenschap in de desbetreffende landen en aanzienlijke tekortkomingen aan het licht hebben gebracht ten aanzien van de structuren voor het afleggen van verantwoording, onder meer in verband met de ontwikkeling, in verschillende landen, van meerdere lagen van dochterondernemingen of onderaannemers, met name op lokaal niveau, waardoor de basisveiligheid van de burgerbevolking in de ontvangende landen in sommige gevallen niet kan worden gegarandeerd;

J.  overwegende dat de EU en haar lidstaten dergelijke situaties in de toekomst moeten proberen te vermijden en geen militaire operaties mogen uitbesteden waarbij geweld en wapens moeten worden gebruikt, waarbij moet worden deelgenomen aan vijandelijkheden of anderszins strijd moet worden geleverd of oorlogsgebieden moeten worden betreden, met uitzondering van wettelijke zelfverdediging; overwegende dat de aan particuliere beveiligingsondernemingen uitbestede operaties en activiteiten in conflictgebieden moeten worden beperkt tot het bieden van logistieke ondersteuning en het beschermen van installaties, zonder dat de particuliere beveiligingsondernemingen daadwerkelijk aanwezig zijn in de gebieden waar strijd wordt geleverd; overwegende dat particuliere beveiligingsondernemingen in geen geval mogen worden gebruikt als vervanging voor nationale strijdkrachten; overwegende dat het bij de tenuitvoerlegging van defensiebeleid de absolute prioriteit moet zijn dat de strijdkrachten van de lidstaten beschikken over het materieel en de instrumenten, opleiding, kennis en middelen die ze nodig hebben om hun taken naar behoren uit te voeren;

K.  overwegende dat er op internationaal niveau een rechtskader met bindende regulerings- en toezichtmechanismen moet worden ingevoerd om het inzetten van particuliere beveiligingsondernemingen te reguleren en toereikende controle over hun activiteiten te bieden, zodat landen kunnen profiteren van de voordelen die dergelijke ondernemingen bieden en ervoor wordt gezorgd dat de ondernemingen ter verantwoording kunnen worden geroepen; overwegende dat particuliere beveiligingsondernemingen deel uitmaken van een sector die zeer internationaal is en nauw verweven is met gouvernementele en intergouvernementele instanties, en derhalve een mondiale regelgevingsaanpak vergt; overwegende dat de huidige regelgeving voor deze sector een reeks onsamenhangende regels omvat die van lidstaat tot lidstaat enorm verschillen; overwegende dat de niet-homogene nationale wetgeving en de zelfregulering die sommige particuliere beveiligingsondernemingen zich opleggen, een zwak afschrikmiddel vormen om misbruik te voorkomen – aangezien sancties ontbreken – en een grote invloed kunnen hebben op de manier waarop particuliere beveiligingsondernemingen te werk gaan bij multilaterale interventies en in conflictgebieden;

L.  overwegende dat er geen overeengekomen definities van particuliere beveiligingsondernemingen, particuliere militaire ondernemingen en hun diensten bestaan; overwegende dat een particuliere beveiligingsonderneming, volgens het ontwerpverdrag dat is opgesteld door de VN-werkgroep inzake huurlingen, kan worden gedefinieerd als een vennootschapsrechtelijke entiteit die bij wijze van compensatie natuurlijke personen en/of rechtspersonen militaire en/of beveiligingsdiensten laat leveren; overwegende dat militaire diensten in deze context kunnen worden gedefinieerd als gespecialiseerde diensten die verband houden met militaire acties, waaronder strategische planning, inlichtingen, onderzoek, land-, zee- of luchtverkenning, vluchtuitvoeringen van welke soort dan ook, bemand of onbemand, satelliettoezicht en -verkenning, elke vorm van kennisoverdracht voor militaire doeleinden, materiële en technische steun aan gewapende strijdkrachten, en andere gerelateerde activiteiten; overwegende dat beveiligingsdiensten kunnen worden gedefinieerd als gewapende bewaking of bescherming van gebouwen, installaties, eigendommen en mensen, elke vorm van kennisoverdracht voor beveiligings- en politiedoeleinden, de ontwikkeling en de uitvoering van maatregelen met betrekking tot informatiebeveiliging, en andere gerelateerde activiteiten;

M.  overwegende dat het document van Montreux het eerste belangrijke document is waarin wordt gedefinieerd op welke manier het internationaal recht van toepassing is op particuliere beveiligingsondernemingen; overwegende dat de internationale gedragscode voor particuliere beveiligingsbedrijven (ICoC) niet alleen voorziet in sectorale normen, maar ook steeds meer een instrument blijkt te zijn waarmee gemeenschappelijke basisnormen worden gewaarborgd binnen een internationale sector; overwegende dat de Vereniging voor de internationale gedragscode voor particuliere beveiligingsbedrijven (ICoCA) tot doel heeft om de tenuitvoerlegging van de ICoC te bevorderen, te sturen en te controleren, alsook om de betrokken bedrijven aan te moedigen beveiligingsdiensten op een verantwoorde manier te verlenen en de mensenrechten en het nationaal en internationaal recht te eerbiedigen; overwegende dat lidmaatschap van de ICoCA vrijwillig en niet gratis is en dat de lidmaatschapstarieven voor sommige particuliere beveiligingsondernemingen zo hoog zijn dat een lidmaatschap voor hen niet tot de mogelijkheden behoort;

N.  overwegende dat tal van internationale fora regelgeving inzake particuliere beveiligingsondernemingen uitwerken, waaronder het forum inzake het document van Montreux, waarvoor de EU is verkozen tot lid van de Groep vrienden van het voorzitterschap, de open intergouvernementele werkgroep die onderzoekt of het mogelijk is een internationaal regelgevingskader te ontwikkelen inzake de regulering van en de controle en het toezicht op de activiteiten van particuliere militaire en beveiligingsondernemingen, en de Vereniging voor de internationale gedragscode voor particuliere beveiligingsbedrijven;

O.  overwegende dat de EU en 23 lidstaten zich achter het document van Montreux hebben geschaard en dat de EU lid is van de werkgroep inzake de internationale gedragscode voor particuliere beveiligingsbedrijven; overwegende dat de EU in het kader van de Mensrechtenraad een bijdrage levert aan de eventuele ontwikkeling van een internationaal regelgevingskader; overwegende dat de EU een cruciale rol speelt bij het bevorderen van nationale en regionale controle over de verlening en uitvoer van diverse militaire en beveiligingsdiensten;

P.  overwegende dat de Europese Unie niet over een eigen regelgevingskader beschikt, ondanks het grote aantal particuliere beveiligingsondernemingen dat uit Europa afkomstig is en/of in het kader van GVDB-missies en -operaties of EU-delegaties wordt ingezet; overwegende dat de bestaande normatieve kaders vrijwel uitsluitend zijn gebaseerd op het Amerikaanse model dat is ingevoerd tijdens het conflict in Irak ten behoeve van militaire ondernemingen die gevechtsmissies uitvoeren; overwegende dat deze referenties niet overeenstemmen met de aard en de missies van de Europese particuliere beveiligingsondernemingen;

Q.  overwegende dat het van essentieel belang is dat prioriteit wordt gegeven aan de vaststelling van duidelijke regels voor interactie, samenwerking en bijstand tussen rechtshandhavingsinstanties en particuliere beveiligingsondernemingen;

R.  overwegende dat particuliere beveiligingsondernemingen een grotere rol zouden kunnen spelen in de strijd tegen piraterij en bij de verbetering van de maritieme veiligheid, missies waarbij gebruik wordt gemaakt van honden, cyberdefensie, onderzoek en ontwikkeling van beveiligingsinstrumenten, gemengde toezichtmissies en opleidingen in samenwerking met en onder toezicht van overheidsinstanties; overwegende dat het inzetten van gewapende particuliere beveiligingsondernemingen specifieke uitdagingen heeft gecreëerd voor de maritieme sector, en tot tal van incidenten heeft geleid, waarbij mensen om het leven zijn gekomen en diplomatieke conflicten zijn ontstaan;

Het inzetten van particuliere beveiligingsondernemingen voor de ondersteuning van militairen in het buitenland

1.  stelt vast dat particuliere beveiligingsondernemingen een belangrijke aanvullende rol spelen bij de ondersteuning van nationale militaire en civiele agentschappen, doordat ze tekorten aan mankracht en capaciteit aanvullen die voortvloeien uit de toegenomen vraag naar de inzet van strijdkrachten in het buitenland, en doordat ze daarnaast, incidenteel en voor zover de omstandigheden dat toelaten, voorzien in piekcapaciteit; benadrukt dat door middel van de diensten van particuliere beveiligingsondernemingen in uitzonderlijke gevallen bepaalde capaciteitstekorten worden aangevuld, maar dat de lidstaten hiertoe in eerste instantie nationale strijdkrachten of politiemensen zouden moeten mobiliseren; benadrukt dat particuliere beveiligingsondernemingen worden gebruikt als instrument om het buitenlands beleid van die landen uit te voeren;

2.  onderstreept dat particuliere beveiligingsondernemingen, wanneer ze in ontvangende landen actief zijn, en met name in landen met een heel andere cultuur en godsdienst, aandacht moeten hebben voor de lokale gebruiken en gewoonten, teneinde de doeltreffendheid van hun missie te waarborgen en de lokale bevolking niet van hen te vervreemden;

3.  wijst erop dat particuliere beveiligingsondernemingen, met name als zij in het ontvangende land zijn gevestigd, in vergelijking met nationale troepen kostenbesparingen met zich mee kunnen brengen, evenals waardevolle lokale kennis; benadrukt evenwel dat ervoor moet worden gezorgd dat de kwaliteit niet wordt ondermijnd; onderstreept echter dat het negatieve gevolgen kan hebben voor de doelstellingen van het buitenlands beleid van de Unie als in kwetsbare landen en crisisgevoelige regio's gebruik wordt gemaakt van de diensten van lokale particuliere beveiligingsondernemingen en dit tot de versterking leidt van de positie van bepaalde gewapende lokale actoren die partij bij het conflict kunnen worden; benadrukt dat er een duidelijk juridisch onderscheid moet worden gemaakt tussen de operaties van particuliere beveiligingsondernemingen en de activiteiten van particuliere spelers die rechtstreeks voor militaire activiteiten worden ingezet;

4.  beklemtoont dat aan particuliere beveiligingsondernemingen geen activiteiten mogen worden uitbesteed waarbij geweld moet worden gebruikt en/of sprake is van deelname aan vijandelijkheden, met uitzondering van zelfverdediging; benadrukt dat er, wat de veiligheid en defensie van de EU betreft, prioriteit moet worden toegekend aan de versterking van nationale gewapende strijdkrachten, waarop particuliere beveiligingsondernemingen – zonder enige bevoegdheid tot het nemen van strategische beslissingen – slechts een aanvulling kunnen vormen; benadrukt dat de deelname van particuliere beveiligingsondernemingen aan militaire operaties moet kunnen worden gerechtvaardigd, dat hiervoor verifieerbare doelstellingen moeten worden geformuleerd met concrete indicatoren, een gedetailleerde en uitgebreide begroting moet worden opgesteld en een begin- en einddatum moeten worden vastgesteld en dat hierbij een strenge ethische code van toepassing moet zijn; wijst erop dat het werk van de strijdkrachten en veiligheidstroepen in het buitenland fundamenteel is voor het behoud van de vrede en het voorkomen van conflicten, en ook voor de sociale wederopbouw en de nationale verzoening na conflicten;

5.  beklemtoont dat de kostenefficiëntie van het inzetten van particuliere beveiligingsondernemingen hoofdzakelijk op korte termijn vruchten afwerpt, vooral als geen rekening wordt gehouden met een aantal sociaaleconomische variabelen, en daarom in de aanpak van veiligheidskwesties niet het belangrijkste criterium mag worden; wijst erop dat verantwoordings- en toezichtmechanismen van cruciaal belang zijn om ervoor te zorgen dat de legitimiteit en de mogelijke voordelen van particuliere militaire en beveiligingsondernemingen ten volle worden benut;

6.  wijst op het belang van parlementaire controle op het inzetten van particuliere beveiligingsondernemingen door lidstaten;

Het inzetten van particuliere beveiligingsondernemingen door de EU

7.  wijst erop dat de EU in het buitenland gebruikmaakt van particuliere beveiligingsondernemingen om haar delegaties en personeel te begeleiden en haar civiele en militaire GVDB-missies te ondersteunen; merkt op dat het inzetten ervan de reputatie van de EU en de indruk die derde landen van haar hebben dus rechtstreeks beïnvloedt, waardoor particuliere beveiligingsondernemingen in belangrijke mate bijdragen tot de lokale aanwezigheid van de EU en invloed hebben op de mate van vertrouwen in de EU; wenst dat de Commissie en de Raad een overzicht opstellen waaruit kan worden opgemaakt waar, wanneer en om welke reden er particuliere beveiligingsondernemingen zijn ingezet ter ondersteuning van EU-missies; is van mening dat het niet onlogisch zou zijn als de Europese Unie bij haar aanbestedingen voor de beveiliging van haar delegaties de voorkeur gaf aan particuliere beveiligingsondernemingen die daadwerkelijk in Europa zijn gevestigd, en die de Europese regelgeving naleven en aan Europese belasting zijn onderworpen;

8.  onderstreept echter dat het, in het bijzonder in conflictgevoelige gebieden, voor de EU, en met name voor haar legitimiteit, negatieve neveneffecten met zich mee kan brengen wanneer er een particuliere beveiligingsonderneming in dienst wordt genomen voor bepaalde taken, namelijk als de onderneming onbedoeld in verband wordt gebracht met gewapende actoren in het conflictgebied, wat negatieve gevolgen heeft in het geval van gewapende incidenten, of als inspanningen op het gebied van ontwapening, demobilisatie en re-integratie (DDR) en de hervorming van de veiligheidssector (SSR) in gevaar worden gebracht door de onopzettelijke versterking van lokale actoren; wijst in het bijzonder op de risico's van ongecontroleerde onderaanbesteding, bijvoorbeeld aan lokale particuliere beveiligingsondernemingen;

9.  wijst op de diverse ernstige juridische en politieke problemen in verband met de actuele praktijk om militaire en beveiligingsdiensten uit te besteden aan onderaannemers, en dan met name aan lokale onderaannemers in derde landen; is van mening dat de lidstaten, de EDEO en de Commissie moeten afspreken het voorbeeld van de NAVO te volgen en alleen diensten uit te besteden aan particuliere beveiligingsondernemingen die in EU-lidstaten zijn gevestigd;

10.  beveelt derhalve aan dat de Commissie, ter vervanging van de huidige wirwar van benaderingen, gemeenschappelijke aanbestedingsrichtsnoeren opstelt voor particuliere beveiligingsondernemingen voor het inhuren, inzetten en beheren van militaire en beveiligingscontractanten, waarin duidelijk wordt omschreven aan welke vereisten particuliere beveiligingsondernemingen moeten voldoen om in aanmerking te komen voor EU-contracten; dringt er bij de Commissie en de EDEO op aan bij alle buitenlandse acties, missies en operaties, voor EU-delegaties in alle landen en regio's en voor alle diensten van een herziene gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen, dezelfde richtsnoeren te hanteren voor het inhuren, inzetten en beheren van militaire en beveiligingscontractanten; is van mening dat deze richtsnoeren moeten worden gebaseerd op internationale beste praktijken inzake de uitvoering en het beheer van particuliere beveiligingsondernemingen, zoals het document van Montreux en de ICoC, en in aanmerking moeten nemen dat particuliere beveiligingsondernemingen in een complexe context na afloop van een conflict met bijzondere zorg moeten worden geselecteerd; dringt er bij de Commissie en de EDEO op aan alleen gebruik te maken van ICoC-gecertificeerde aanbieders, zoals de VN, waarvoor ICoC-certificering een vereiste is, nu al doen; vestigt de aandacht op de aanpak van de Amerikaanse overheid die gedetailleerde normen en eisen opneemt in elk individueel contract, en dringt er bij de EU op aan dit voorbeeld te volgen; benadrukt dat contracten met particuliere beveiligingsondernemingen onder andere clausules moeten bevatten betreffende het bezit van licenties en vergunningen, gegevens inzake personeel en eigendommen, opleiding, rechtmatige aankoop en aanwending van wapens en interne organisatie;

11.  vraagt dat er een beveiligingstoezichthouder uit de EU van een in de EU gevestigde beveiligingsonderneming aanwezig is op door de EU gefinancierde locaties en bij EU-delegaties en dat hem de taak wordt toevertrouwd om de kwaliteit van de verleende diensten te waarborgen, lokaal ingehuurde beveiligers te keuren en op te leiden, goede contacten tot stand te brengen en te onderhouden met de lokale veiligheidsdiensten, de risico's te beoordelen en het eerste aanspreekpunt van de delegatie te zijn voor veiligheidskwesties;

12.  beveelt aan dat de Commissie een niet-uitputtende lijst opstelt van contractanten die voldoen aan EU-normen zoals blanco strafregisters, financiële en economische draagkracht, bezit van licenties en vergunningen, en de screening van personeel; stelt vast dat de normen inzake particuliere beveiligingsondernemingen binnen de EU grote verschillen vertonen en is van mening dat de lidstaten naar vergelijkbare normen moeten streven; is van mening dat deze lijst ten minste om de twee jaar moet worden bijgewerkt;

13.  benadrukt dat, wanneer de EU een beroep doet op particuliere beveiligingsondernemingen in derde landen waarmee ze een overeenkomst inzake de status van de strijdkrachten (SOFA) heeft afgesloten, deze overeenkomsten altijd moeten vermelden welke particuliere beveiligingsondernemingen er worden ingezet en specifiek moeten verduidelijken dat de ondernemingen overeenkomstig het Unierecht ter verantwoording kunnen worden geroepen;

14.  benadrukt dat het EU-concept voor steun van contractanten moet worden versterkt en bindend moet worden gemaakt voor de lidstaten en EU-instellingen; is van mening dat in het kader hiervan in het bijzonder strengere normen moeten worden vastgesteld die in contracten moeten worden opgenomen, bijvoorbeeld op basis van Amerikaanse normen, en moet worden bepaald dat in conflictgebieden geen lokale particuliere beveiligingsondernemingen mogen worden ingezet, ook niet in de vorm van onderaanbesteding; beklemtoont dat internationale particuliere beveiligingsondernemingen plaatselijk personeel moeten kunnen inhuren, maar alleen op individuele basis en met als direct doel om doeltreffende selectie te waarborgen en te voorkomen dat in conflictgebieden lokale beveiligingssectoren ontstaan;

De regelgeving inzake particuliere beveiligingsondernemingen

15.  beveelt aan dat de Commissie een groenboek opstelt, teneinde alle belanghebbenden uit de sectoren voor publieke en particuliere beveiliging te betrekken bij een brede raadpleging en discussie over procedures om de mogelijkheden voor directe samenwerking op een efficiëntere wijze in kaart te brengen en een reeks basisregels vast te stellen inzake inzet en goede praktijken; raadt aan sectorspecifieke EU-kwaliteitsnormen te ontwikkelen; beveelt daarom aan dat de definitie van particuliere beveiligingsonderneming wordt verduidelijkt voordat wordt overgegaan tot effectieve regulering van hun activiteiten, omdat het ontbreken ervan kan leiden tot leemten in de wetgeving;

16.  is van mening dat de EU als een eerste stap met een precieze definitie van de relevante militaire en beveiligingsdiensten moet komen; dringt er in dit kader bij de Raad op aan militaire en beveiligingsdiensten door particuliere beveiligingsondernemingen onverwijld toe te voegen aan de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen;

17.  wenst dat de Commissie een doeltreffend Europees regelgevingsmodel ontwikkelt, dat:

–  middels een richtlijn de juridische verschillen tussen de lidstaten zal helpen harmoniseren;

–  de hedendaagse samenwerkingsstrategieën tussen de publieke en de particuliere sector opnieuw zal evalueren en definiëren;

–  ondernemingen met één of meerdere gebruiksdoeleinden in kaart zal brengen;

–  de precieze aard en rol van particuliere militaire en beveiligingsondernemingen in de juiste context zal plaatsen;

–  strenge normen zal vastleggen voor particuliere beveiligingsondernemingen die binnen de Unie of in het buitenland actief zijn, onder meer om te waarborgen dat beveiligingspersoneel aan passende veiligheidsonderzoeken wordt onderworpen en een billijke vergoeding ontvangt;

–  zal waarborgen dat verslag wordt uitgebracht over onregelmatigheden en onwettige handelingen door particuliere beveiligingsondernemingen en het mogelijk zal maken particuliere beveiligingsondernemingen aansprakelijk te stellen voor schendingen van onder andere de mensenrechten tijdens hun activiteiten in het buitenland;

–  een specifiek maritiem perspectief zal omvatten, waarbij rekening wordt gehouden met de leidende rol van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO);

18.  merkt op dat opkomende mondiale regelgevingskaders, zoals het document van Montreux, de ICoC en andere regelgevingsinitiatieven binnen het VN-kader, een duidelijke vooruitgang betekenen in vergelijking met het gebrek aan zinvolle regelgeving dat slechts tien jaar geleden zo kenmerkend was;

19.  waardeert voorts dat tal van EU-lidstaten, naar aanleiding van de goede praktijken die in het document van Montreux worden beschreven, zich ervoor inzetten om doeltreffende nationale regelgeving voor particuliere beveiligingsondernemingen in te voeren;

20.  merkt echter op dat het gebrek aan consequente verslaglegging over de mate waarin zowel de EU-instellingen als de regeringen van de lidstaten gebruikmaken van dergelijke ondernemingen, een belemmering vormt voor de beoordeling van de prestaties van particuliere beveiligingsondernemingen; moedigt de lidstaten en de EU-instellingen aan deze informatie op een consequentere basis en op een transparante manier te verstrekken, zodat er een deugdelijke beoordeling van het gebruik van particuliere beveiligingsondernemingen kan worden uitgevoerd door hun respectieve begrotingsautoriteiten en onafhankelijke accountants; beveelt aan dat niet-overheidsactoren en ngo's actief worden betrokken bij de noodzakelijke beoordelingsprocessen die van cruciaal belang zijn voor de regulering en controle van deze sector;

21.  raadt de Commissie en de Raad aan een rechtskader vast te stellen waarin wordt bepaald dat de uitvoer van militaire en beveiligingsdiensten op grond van nationale wetgeving moet worden gecontroleerd, en adviseert hen om in het jaarverslag van de EU over wapenuitvoer verslag uit te brengen over de vergunningen die de lidstaten voor de uitvoer van militaire en beveiligingsdiensten hebben verleend, teneinde de transparantie en verantwoordingsplicht te vergroten;

22.  benadrukt dat de transnationale aard van particuliere beveiligingsondernemingen, en met name hun activiteiten in door crises getroffen regio's, soms aanleiding kan geven tot leemten in de jurisdictie, met name waar de lokale rechtsstructuur zwak is, waardoor het moeilijk zou kunnen worden om de ondernemingen of hun werknemers ter verantwoording te roepen voor hun daden; merkt op dat bij nationale regelgeving inzake particuliere beveiligingsondernemingen van extraterritoriale toepassing dikwijls geen sprake is; onderstreept dat particuliere beveiligingsondernemingen altijd onderworpen moeten zijn aan wetgeving en aan doeltreffend toezicht door zowel het ontvangende als het contracterende land; merkt op dat er dikwijls een juridisch vacuüm bestaat wat betreft eventuele geschillen of incidenten tussen particuliere beveiligingsondernemingen en functionarissen van de Europese Unie in risicogebieden; beveelt derhalve aan dat er uniforme en duidelijke regels worden vastgesteld voor de Europese instellingen die een beroep doen op particuliere beveiligingsondernemingen om EU-personeel te beschermen, waarin de verantwoordelijkheid om straffeloosheid en leemten in de bescherming te vermijden duidelijk wordt vastgelegd en rekening wordt gehouden met het rechtskader van het ontvangende land; dringt er tevens bij de EDEO, de Commissie en de lidstaten op aan alleen in de EU gevestigde particuliere militaire en beveiligingsondernemingen te contracteren en hen te verplichten hun diensten rechtstreeks te verrichten, zonder een beroep te doen op lokale onderaannemers in vaak fragiele derde landen;

23.  wenst derhalve dat de EU en haar lidstaten hun positie binnen het forum inzake het document van Montreux aanwenden om aan te dringen op regelmatige evaluaties van de staat van tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van het document van Montreux inzake de toepassing van goede praktijken door zijn deelnemers; verzoekt de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan, zich zo spoedig mogelijk achter het document van Montreux te scharen; spoort de lidstaten aan beste praktijken uit te wisselen;

24.  roept de EU en haar lidstaten op aan te dringen op een internationaal wettelijk bindend instrument met een grotere reikwijdte dan het document van Montreux, door de activiteiten van particuliere beveiligingsondernemingen te reguleren en een gelijk speelveld tot stand te brengen om ervoor te zorgen dat ontvangende landen de bevoegdheid hebben particuliere beveiligingsondernemingen te reguleren en dat contracterende landen hun invloed kunnen aanwenden om de mensenrechten te beschermen en corruptie te voorkomen; benadrukt dat een dergelijk kader afschrikkende sancties voor overtredingen, verantwoordingsplicht voor overtreders en effectieve toegang tot rechtsmiddelen voor slachtoffers moet omvatten, naast een vergunningen- en controlesysteem op grond waarvan alle particuliere beveiligingsondernemingen moeten worden onderworpen aan onafhankelijke controles en hun personeel moet deelnemen aan verplichte opleidingen op het gebied van de mensenrechten;

25.  dringt er bij de HV/VV, de lidstaten, de EDEO en de Commissie op aan alle steun te verlenen aan de opstelling van een internationaal verdrag dat een internationaal wettelijk stelsel wil instellen om de door particuliere beveiligingsondernemingen verleende diensten te reguleren;

26.  verwelkomt de inspanningen van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) om richtsnoeren aan te reiken voor het inzetten van particuliere gewapende beveiligingsteams; spoort de Commissie en de lidstaten aan met de IMO te blijven toewerken naar de wereldwijde toepassing van de richtsnoeren;

27.  benadrukt dat het nemen van besluiten over overheidsopdrachten een van de meest doeltreffende manieren is om invloed uit te oefenen op particuliere beveiligingsondernemingen; onderstreept derhalve hoe belangrijk het is om de vaststelling van beste praktijken, zoals transparantie, en hun deelname aan de ICoC, die sommige lidstaten al ten uitvoer hebben gelegd, als voorwaarde te stellen voor de gunning van contracten aan particuliere beveiligingsondernemingen; merkt echter op dat het ICoC-nalevingsmechanisme moet worden versterkt en dat de volledige onafhankelijkheid van het mechanisme moet worden gewaarborgd om het tot een geloofwaardige nalevingsstimulans te maken; merkt op dat van de lidstaten enkel Zweden en het Verenigd Koninkrijk zich bij de ICoC hebben aangesloten en is van mening dat de EU er vooral voor moet zorgen dat andere lidstaten zich bij haar aansluiten;

28.  merkt op dat particuliere beveiligingsondernemingen een aansprakelijkheidsverzekering zouden moeten hebben, aangezien dit de beveiligingsmarkt stabieler en betrouwbaarder zou maken en ook ruimte zou creëren voor kleinere en middelgrote particuliere beveiligingsondernemingen;

29.  benadrukt dat bij de gunning van contracten aan particuliere beveiligingsondernemingen rekening moet worden gehouden met en moet worden beoordeeld op basis van de ervaring van de particuliere beveiligingsondernemingen en de tijd die ze in vijandige omgevingen hebben gewerkt, veeleer dan met de omzet van een vergelijkbaar contract;

30.  vestigt de aandacht op het feit dat particuliere beveiligingsondernemingen niet alleen beveiligingsdiensten verlenen, maar ook inlichtingenactiviteiten verrichten, die gezien de mogelijke implicaties ervan doeltreffend moeten worden gereguleerd en gecontroleerd;

31.  wijst erop dat de EU en haar lidstaten aanzienlijke invloed hebben op de internationale beveiligingsindustrie, aangezien de hoofdkantoren van tal van belangrijke spelers in de EU zijn gevestigd; legt daarom bijzondere nadruk op de aanstaande herziening van de gemeenschappelijke lijst van militaire goederen als een kans om deze lijst aan te vullen met bepaalde diensten die door particuliere beveiligingsondernemingen worden geleverd, waardoor ze worden onderworpen aan uitvoerregelingen en er basisnormen van toepassing worden op hun activiteiten in het buitenland;

°

°  °

32.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de nationale parlementen van de lidstaten.

(1)

PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65.

(2)

PB L 216 van 20.8.2009, blz. 76.

(3)

PB C 181 van 19.5.2016, blz. 2.

(4)

PB C 24 van 22.1.2016, blz. 33.


MINDERHEIDSSTANDPUNT

over particuliere beveiligingsondernemingen (2016/2238(INI))

Commissie buitenlandse zaken, rapporteur: Hilde Vautmans

Minderheidsstandpunt ingediend door EP-lid Javier Couso Permuy (GUE/NGL)

Het verslag gaat over particuliere beveiligingsondernemingen, waaronder ook particuliere militaire ondernemingen, en het nut daarvan voor de EU en de lidstaten op het gebied van veiligheid en defensie. Met het verslag wordt beoogd de inzet van particuliere beveiligingsondernemingen te vergemakkelijken.

Momenteel bieden deze ondernemingen logistieke steun bij grondgevechten en nemen zij deel aan de wederopbouw na conflicten. Ze zijn tevens ingezet bij civiele en militaire missies in het kader van het GVDB.

Wij maken bezwaar tegen het verslag, omdat:

–  wij tegen de inzet van particuliere beveiligingsondernemingen in het kader van staatsveiligheid en defensie zijn, aangezien dit geen aangelegenheid is die mag worden overgelaten aan particuliere ondernemingen die gebruikmaken van huurlingen.

–  de defensie van elke lidstaat de verantwoordelijkheid van elke soevereine staat is.

–  wij gekant zijn tegen het gebruik van overheidsgeld om deze particuliere ondernemingen te financieren, hetgeen in de praktijk neerkomt op de onderaanneming van huurlingen om te vechten in oorlogen waarmee een bijdrage wordt geleverd aan wereldwijde onveiligheid en instabiliteit.

–  wij ons categorisch verzetten tegen de privatisering van veiligheid en defensie en elke vorm van privatisering van oorlog.

–  de inzet van particuliere beveiligingsondernemingen het mogelijk maakt om bij het publiek impopulaire militaire missies uit te voeren zonder dat het sturen van troepen – waarvoor de goedkeuring van het Parlement is vereist – in het geding komt, en zonder een echt publiek debat (gesneuvelde huurlingen tellen niet mee als gesneuvelde militairen).

Wij stellen voor:

–  een einde te maken aan de privatisering van veiligheid en defensie.

–  te verbieden dat particuliere beveiligingsondernemingen deelnemen aan de wederopbouw na conflicten.

–  dat defensie- en veiligheidstaken moeten worden uitgevoerd door de deskundigen – de strijdkrachten – die als enigen legitiem gebruik mogen maken van geweld.

–  dat de regulering van de sector moet plaatsvinden in het kader van het Internationaal Verdrag tegen de aanwerving, het inzetten, de financiering en de opleiding van huurlingen van de VN.

–  een EU-verbod in te stellen op de onderaanneming van particuliere ondernemingen voor militaire doeleinden of om de veiligheid van EU-delegaties of -missies te garanderen.

–  de huidige straffeloosheid met betrekking tot mensenrechtenschendingen die naar verluidt door huurlingen zijn begaan, in te perken.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

2.5.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

50

6

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Francisco Assis, Petras Auštrevičius, Amjad Bashir, Goffredo Maria Bettini, Mario Borghezio, Victor Boştinaru, James Carver, Fabio Massimo Castaldo, Lorenzo Cesa, Javier Couso Permuy, Arnaud Danjean, Georgios Epitideios, Knut Fleckenstein, Eugen Freund, Iveta Grigule, Sandra Kalniete, Tunne Kelam, Janusz Korwin-Mikke, Eduard Kukan, Ilhan Kyuchyuk, Arne Lietz, Barbara Lochbihler, Andrejs Mamikins, Ramona Nicole Mănescu, Tamás Meszerics, Francisco José Millán Mon, Javier Nart, Pier Antonio Panzeri, Demetris Papadakis, Alojz Peterle, Julia Pitera, Cristian Dan Preda, Jordi Solé, Jaromír Štětina, Dubravka Šuica, László Tőkés, Ivo Vajgl, Johannes Cornelis van Baalen, Anders Primdahl Vistisen, Boris Zala

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Laima Liucija Andrikienė, Neena Gill, Andrzej Grzyb, Antonio López-Istúriz White, David Martin, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Marietje Schaake, Ernest Urtasun, Paavo Väyrynen

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Birgit Collin-Langen, Jonás Fernández, Eider Gardiazabal Rubial, Karoline Graswander-Hainz, Andrey Novakov, Virginie Rozière, Josef Weidenholzer


HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

50

+

ALDE

Petras Auštrevičius, Iveta Grigule, Ilhan Kyuchyuk, Javier Nart, Marietje Schaake, Ivo Vajgl, Paavo Väyrynen, Johannes Cornelis van Baalen

EFDD

Fabio Massimo Castaldo

PPE

Laima Liucija Andrikienė, Lorenzo Cesa, Birgit Collin-Langen, Arnaud Danjean, Andrzej Grzyb, Sandra Kalniete, Tunne Kelam, Eduard Kukan, Antonio López-Istúriz White, Francisco José Millán Mon, Ramona Nicole Mănescu, Andrey Novakov, Alojz Peterle, Julia Pitera, Cristian Dan Preda, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, László Tőkés, Jaromír Štětina, Dubravka Šuica

S&D

Francisco Assis, Goffredo Maria Bettini, Victor Boştinaru, Jonás Fernández, Knut Fleckenstein, Eugen Freund, Eider Gardiazabal Rubial, Neena Gill, Karoline Graswander-Hainz, Arne Lietz, Andrejs Mamikins, David Martin, Pier Antonio Panzeri, Demetris Papadakis, Virginie Rozière, Josef Weidenholzer, Boris Zala

VERTS/ALE

Barbara Lochbihler, Tamás Meszerics, Jordi Solé, Ernest Urtasun

7

-

ECR

Amjad Bashir, Anders Primdahl Vistisen

EFDD

James Carver

GUE/NGL

Javier Couso Permuy, Sabine Lösing

NI

Georgios Epitideios, Janusz Korwin-Mikke

1

0

ENF

Mario Borghezio

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Juridische mededeling