– gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,
– gezien de artikelen 8, 151, 153 en 157 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name de bepalingen ervan met betrekking tot sociale rechten en gelijkheid van mannen en vrouwen,
– gezien de artikelen 22 en 25 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,
– gezien algemene opmerking nr. 16 van het Comité inzake economische, sociale en culturele rechten van de Verenigde Naties over de gelijke rechten van mannen en vrouwen wat betreft de uitoefening van de economische, sociale en culturele rechten (artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (ICESR))(1), en algemene opmerking nr. 19 van het Comité inzake economische, sociale en culturele rechten van de Verenigde Naties over het recht op sociale zekerheid (artikel 9 van het ICESR)(2),
gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld "Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010) 2020),
– gezien artikel 4, lid 2, artikel 4, lid 3, en de artikelen 12, 20 en 23 van het Europees Sociaal Handvest,
– gezien de conclusies van het Europees Comité voor Sociale Rechten van 5 december 2014(3),
– gezien Richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid(4),
– gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(5),
– gezien Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten(6),
– gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking)(7),
– gezien het Stappenplan van de Commissie van augustus 2015 voor een nieuwe aanpak van de uitdagingen waarmee werkende gezinnen worden geconfronteerd bij het combineren van beroep, privéleven en gezinsleven,
– gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 3 december 2015 getiteld "Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019" (SWD(2015) 0278), en met name doelstelling 3.2 daarvan,
– gezien zijn resolutie van 13 september 2011 over de situatie van vrouwen die de pensioengerechtigde leeftijd naderen(8),
– gezien zijn resolutie van 25 oktober 2011 over de situatie van alleenstaande moeders(9),
– gezien zijn resolutie van 24 mei 2012 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid(10),
– gezien zijn resolutie van 12 maart 2013 over de gevolgen van de economische crisis voor de gendergelijkheid en de rechten van de vrouw(11),
– gezien zijn resolutie van 10 maart 2015 over vooruitgang op het gebied van gelijkheid van vrouwen en mannen in de Europese Unie in 2013(12),
– gezien zijn resolutie van 9 juni 2015 over de EU-strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen na 2015(13),
– gezien zijn resolutie van 8 oktober 2015 over de toepassing van Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep(14),
– gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over het creëren van arbeidsmarktomstandigheden die bevorderlijk zijn voor het evenwicht tussen werk en privéleven(15),
gezien de conclusies van de Raad van 19 juni 2015 over gelijke kansen voor vrouwen en mannen: de pensioengenderkloof dichten,
gezien de verklaring van het EU-voorzitterschapstrio bestaande uit Nederland, Slowakije en Malta van 7 december 2015 over gendergelijkheid,
– gezien het Europees pact voor gendergelijkheid (2011-2020) van de Raad van 7 maart 2011,
– gezien de studie van het Europees Parlement over de genderpensioenkloof: verschillen tussen moeders en vrouwen zonder kinderen (2016), en de studie van de Europese Commissie over de genderkloof inzake pensioenen in de EU (2013),
– gezien artikel 52 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0197/2017),
A. overwegende dat de genderpensioenkloof (die kan worden gedefinieerd als het verschil tussen het gemiddelde bedrag (vóór aftrek van belastingen en heffingen) dat vrouwen ontvangen voor hun pensioen en het bedrag dat mannen gemiddeld krijgen) in de EU in 2014 gelijk was aan 39,4 % voor de leeftijdscategorie van 65 jaar en ouder, en de afgelopen vijf jaar in de helft van de lidstaten is toegenomen; overwegende dat de financiële crisis van de laatste jaren een negatief effect heeft gehad op het inkomen van vele vrouwen, op lange termijn (gemiddeld genomen) meer dan op het inkomen van mannen; overwegende dat in sommige lidstaten 11 tot 36 % van de vrouwen geen aanspraak op een pensioen kan maken;
B. overwegende dat gelijkheid van vrouwen en mannen behoort tot de gemeenschappelijke en fundamentele beginselen die zijn vervat in de artikelen 2 en 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; overwegende dat het thema gendergelijkheid in alle beleidsterreinen, initiatieven, programma's en maatregelen van de Unie moet worden verwerkt;
C. overwegende dat vrouwen in de meeste EU-lidstaten minder goed gedekt zijn op het gebied van pensioenen dan mannen en tegelijkertijd oververtegenwoordigd zijn onder de armste gepensioneerden en ondervertegenwoordigd onder de rijkste;
D. overwegende dat deze ongelijkheden onaanvaardbaar zijn en teruggedrongen moeten worden, en dat in de EU, waar gendergelijkheid een grondbeginsel is en waar het recht op een waardig leven voor iedereen tot de grondrechten behoort zoals vervat in het Handvest van de grondrechten van de EU, alle pensioenpremies op een genderneutrale manier moeten worden berekend en geheven;
E. overwegende dat in de EU-28 één persoon op vier afhankelijk is van zijn pensioen als belangrijkste bron van inkomsten en dat het aantal mensen in deze groep tegen 2060 zal verdubbelen vanwege de aanzienlijke toename van het aantal pensioengerechtigden, als gevolg van de langere levensverwachting en de vergrijzing van de bevolking;
F. overwegende dat de demografische ontwikkeling er in de toekomst toe leidt dat steeds minder werkenden steeds meer gepensioneerden moeten onderhouden en dat tegen deze achtergrond particuliere oudedagvoorzieningen en bedrijfspensioenen belangrijker worden;
G. overwegende dat het pensioenbeleid tot doel heeft economische onafhankelijkheid te verzekeren, wat essentieel is voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, en dat de socialezekerheidsstelsels in de lidstaten moeten zorgen voor een behoorlijk en toereikend pensioeninkomen, een aanvaardbare levensstandaard en bescherming tegen het risico van armoede ten gevolge van diverse factoren of tegen sociale uitsluiting voor alle EU-burgers, teneinde hun actieve sociale, culturele en politieke deelname en waardig leven op latere leeftijd te waarborgen, zodat zij deel kunnen blijven uitmaken van de maatschappij;
H. overwegende dat de toenemende individuele verantwoordelijkheid voor spaarbeslissingen, die uiteenlopende risico's met zich meebrengen, ook betekent dat individuen duidelijk moeten worden geïnformeerd over de beschikbare opties en de daaraan verbonden risico's; overwegende dat zowel vrouwen als mannen, maar vooral vrouwen, moeten worden ondersteund om hun financiële geletterdheid te verbeteren, zodat zij gefundeerde beslissingen kunnen nemen over dit almaar complexer wordende vraagstuk;
I. overwegende dat de pensioenkloof de situatie van vrouwen, met name hun kwetsbare economische positie, doorgaans erger maakt, waardoor zij blootgesteld worden aan sociale uitsluiting, permanente armoede en economische afhankelijkheid, met name van hun echtgenoot of andere familieleden; overwegende dat de loonkloof en pensioenkloof nog groter zijn voor vrouwen die op meerdere vlakken benadeeld zijn of die behoren tot een raciale, etnische, religieuze of taalkundige minderheidsgroep, aangezien zij vaak een baan hebben waarvoor minder vaardigheden vereist zijn, met minder verantwoordelijkheden;
J. overwegende dat aan individuele rechten, in plaats van aan afgeleide rechten, gekoppelde pensioenen ieders economische onafhankelijkheid zouden kunnen helpen waarborgen, negatieve prikkels om niet aan de formele arbeidsmarkt deel te nemen zouden kunnen helpen verminderen en genderstereotypen zouden kunnen helpen tegengegaan;
K. overwegende dat vrouwen vanwege hun langere levensverwachting gemiddeld meer inkomen nodig hebben gedurende hun pensioen dan mannen; overwegende dat overlevingspensioenen kunnen zorgen voor dit aanvullende inkomen;
L. overwegende dat het vanwege een gebrek aan vergelijkbare, volledige, betrouwbare en actuele gegevens over de omvang van de pensioenkloof en de factoren die ertoe bijdragen moeilijk is om te bepalen hoe deze kloof het meest doeltreffend kan worden aangepakt;
M. overwegende dat deze kloof in de leeftijdscategorie van 65 tot 74 jaar groter is (meer dan 40 %) dan gemiddeld voor alle 65-plussers, vooral vanwege de manier waarop de overdracht van rechten in bepaalde lidstaten is geregeld, bijvoorbeeld in verband met weduwschap;
N. overwegende dat de verlagingen en bevriezingen van de pensioenen tot een hoger risico op armoede onder ouderen leiden, met name voor vrouwen; overwegende dat het percentage oudere vrouwen dat risico loopt op armoede of sociale uitsluiting in 2014 20,2 % bedroeg, in vergelijking met 14,6 % voor mannen, en dat in 2050 het aantal mensen ouder dan 75 jaar dat risico loopt op armoede in de meeste lidstaten zou kunnen oplopen tot 30 %;
O. overwegende dat het inkomen van ouderen boven de 65 jaar 94 % bedraagt van het gemiddelde inkomen van de algehele bevolking; overwegende dat daarentegen ongeveer 22 % van de vrouwen boven de 65 jaar onder de armoederisicodrempel leeft;
P. overwegende dat achter de gemiddelde pensioenkloof in de EU in 2014 grote verschillen tussen de lidstaten schuilgingen; overwegende dat de kleinste genderpensioenkloof bij 3,7 % en de grootste bij 48,8 % ligt, en dat de kloof in 14 lidstaten meer dan 30 % bedraagt;
Q. overwegende dat er tussen de lidstaten grote verschillen bestaan wat het percentage van de bevolking betreft dat een pensioen ontvangt – in 2012 in Cyprus 11 %, tegenover 25 % in België – en dat in landen als Spanje, Ierland en Malta slechts 10 % of minder van de vrouwen een pensioen krijgt;
R. overwegende dat de pensioenkloof, die door verschillende factoren wordt veroorzaakt, de onevenwichtigheden in de situatie van mannen en vrouwen weerspiegelt, bijvoorbeeld in verband met hun werk en gezinsleven, hun mogelijkheden om premies af te dragen, hun respectieve plek binnen het gezin en de manier waarop het loon wordt berekend in het kader van het pensioenstelsel; overwegende dat de pensioenkloof ook voortvloeit uit de segregatie van de arbeidsmarkt en uit het feit dat vrouwen vaker deeltijds werken, lagere uurlonen ontvangen, meer loopbaanonderbrekingen inlassen en minder arbeidsjaren tellen, doordat vrouwen en moeders onbetaald werk verrichten als zorgverleners in hun gezinnen; overwegende dat de pensioenkloof bijgevolg beschouwd moet worden als een belangrijke indicator van genderongelijkheid op de arbeidsmarkt, des te meer omdat de genderpensioenkloof momenteel bijna even groot is als de totale loonkloof (40,2 %);
S. overwegende dat de volledige omvang van de pensioenkloof, die de som is van alle genderonevenwichtigheden en -ongelijkheden (in de zin van, onder andere, toegang tot macht en financiële middelen) waarmee mannen en vrouwen gedurende hun beroepsleven te maken krijgen en die weerspiegeld worden in de eerste en tweede pensioenpijler, mogelijk verhuld wordt door correctiemechanismen;
T. overwegende dat de pensioenkloof op een specifiek moment een beeld geeft van de omstandigheden in de samenleving en op de arbeidsmarkt gedurende een periode die meerdere decennia omspant; overwegende dat deze omstandigheden (soms sterk) kunnen evolueren, wat gevolgen heeft voor de behoeften van meerdere generaties gepensioneerde vrouwen;
U. overwegende dat de pensioenkloof verschilt naargelang de persoonlijke situatie, de sociale status, de burgerlijke staat en/of de gezinssituatie van de betrokken gepensioneerden; overwegende dat een uniforme aanpak in die zin niet noodzakelijkerwijs tot betere resultaten leidt;
V. overwegende dat met name éénoudergezinnen, die 10 % uitmaken van alle huishoudens met ten laste komende kinderen, erg kwetsbaar zijn, en dat 50 % van hen risico loopt op armoede of sociale uitsluiting, hetgeen twee keer zo veel is als het percentage voor de algehele bevolking; overwegende dat de pensioenkloof rechtstreeks in verband staat met het aantal kinderen dat de betrokkene heeft grootgebracht, en dat de genderpensioenkloof bij getrouwde vrouwen en mannen duidelijk groter is dan bij alleenstaande vrouwen zonder kinderen; overwegende dat de ongelijkheid waarmee moeders, en vooral alleenstaande moeders, worden geconfronteerd uit dat oogpunt verder kan toenemen wanneer zij met pensioen gaan;
W. overwegende dat discriminatie met betrekking tot zwangerschap en ouderschapsverlof doorgaans moeders - die 79,76 % uitmaken van de personen die minder uren gaan werken om voor kinderen jonger dan acht jaar te zorgen - dwingt tot laagbetaalde of deeltijdse banen of ongewilde loopbaanonderbrekingen om voor hun kinderen te zorgen; overwegende dat moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsverlof noodzakelijke en essentiële instrumenten zijn om de zorgtaken beter te verdelen, het evenwicht tussen werk en privéleven te verbeteren en de loopbaanonderbrekingen bij vrouwen te beperken;
X. overwegende dat het aantal kinderen geen of zelfs een positief effect heeft op het salaris en dus ook op de pensioenrechten van vaders;
Y. overwegende dat de werkloosheid bij vrouwen onderschat wordt, aangezien veel vrouwen niet als werkloze zijn ingeschreven, met name vrouwen die in landelijke of afgezonderde gebieden wonen en zich vaak enkel bezighouden met het huishouden en de zorg voor de kinderen; overwegende dat dit leidt tot verschillen in hun pensioen;
Z. overwegende dat de "traditionele" werkorganisatie het moeilijk maakt voor ouderparen die voltijds willen werken om hun werk op een harmonieuze manier te combineren met hun gezin;
AA. overwegende dat pensioenkredieten - voor zowel mannen als vrouwen - in de vorm van een uitkering voor zorgtaken ten behoeve van kinderen of familielieden ertoe zouden kunnen bijdragen dat loopbaanonderbrekingen vanwege zorgtaken geen negatieve gevolgen hebben voor het pensioen, en dat het wenselijk is deze kredieten uit te breiden tot alle lidstaten en, daar waar ze reeds bestaan, te versterken;
AB. overwegende dat pensioenkredieten voor alle vormen van werk van nut zouden kunnen zijn voor alle werknemers, van werknemers in loondienst tot zelfstandigen;
AC. overwegende dat de participatiegraad van vrouwen op de arbeidsmarkt, ondanks een aantal inspanningen om de situatie recht te trekken, nog steeds niet voldoet aan het streefdoel van de Europa 2020-strategie en veel lager ligt dan de participatiegraad van mannen; overwegende dat een hogere arbeidsmarktparticipatie van vrouwen bijdraagt aan de inspanningen om de genderpensioenkloof in de EU te verkleinen, aangezien er een rechtstreeks verband bestaat tussen arbeidsmarktparticipatie en de hoogte van het pensioen; overwegende dat de participatiegraad echter geen informatie inhoudt over de duur van een dienstverband en het soort werk en dus slechts in beperkte mate iets zegt over het loon- en pensioenniveau;
AD. overwegende dat de duur van de loopbaan van rechtstreekse invloed is op het pensioeninkomen; overwegende dat de loopbaan van vrouwen gemiddeld 10 jaar korter is dan die van mannen en dat de pensioenkloof voor vrouwen met een loopbaan van minder dan 14 jaar twee keer groter is (64 %) dan voor vrouwen met een langere loopbaan (32 %);
AE. overwegende dat vrouwen doorgaans vaker dan mannen loopbaanonderbreking nemen, een onzekere arbeidsovereenkomst hebben, niet-standaardvormen van werk verrichten, een deeltijdse baan hebben (32 % van de vrouwen in vergelijking met 8,2 % van de mannen) of op niet-betaalde basis werken, vooral wanneer zij zorgen voor kinderen en familieleden en zij bijna alleen de verantwoordelijkheid dragen voor huishoudelijke en zorgtaken, ten gevolge van blijvende genderongelijkheden, of omdat werkgevers er bijvoorbeeld van uitgaan dat zij in een latere levensfase deze verantwoordelijkheden zullen opnemen, wat nefast is voor hun pensioen;
AF. overwegende dat investeringen in scholen, voorschools onderwijs, universiteiten en ouderenzorg kunnen bijdragen tot een beter evenwicht tussen werk en privéleven voor vrouwen en er op lange termijn toe kunnen leiden dat er niet alleen banen worden gecreëerd, maar ook vrouwen in hoogwaardige functies benoemd worden, wat op lange termijn een positief effect op het pensioen van deze vrouwen zal hebben;
AG. overwegende dat mantelzorg en vrijwilligerswerk fundamentele pijlers van onze maatschappij zijn en voor een groot deel door vrouwen verricht worden, en dat dit onevenwicht in de genderpensioenkloof weerspiegeld wordt; overwegende dat deze vormen van onzichtbaar werk onvoldoende erkend worden en niet altijd in aanmerking worden genomen, vooral met betrekking tot pensioenrechten;
AH. overwegende dat er in de EU nog steeds een aanzienlijke loonkloof tussen mannen en vrouwen bestaat, die in 2014 gelijk was aan 16,3 %, voornamelijk vanwege discriminatie en segregatie, waardoor vrouwen oververtegenwoordigd zijn in sectoren waar de lonen lager zijn dan in andere, grotendeels door mannen gedomineerde sectoren; overwegende dat andere factoren zoals loopbaanonderbrekingen of onvrijwillig deeltijdwerk om werk en gezinstaken te kunnen combineren, stereotypen, onderwaardering van het werk van vrouwen en verschillen in opleidingsniveau en beroepservaring ook bijdragen tot de genderloonkloof;
AI. overwegende dat maatregelen gericht op het scheppen van meer hoogwaardige werkgelegenheid voor de groepen met de hoogste werkloosheidspercentages, zoals vrouwen, jongeren, mensen met een handicap, 55+-ers, langdurig werklozen of immigranten, zouden kunnen bijdragen aan de duurzaamheid van het pensioenstelsel en de afhankelijkheid van openbare stelsels zouden kunnen helpen terugdringen;
AJ. overwegende dat in artikel 151 VWEU is vastgelegd dat de EU ten doel heeft een adequate sociale bescherming te waarborgen; overwegende dat de EU de lidstaten in dit verband moet ondersteunen met aanbevelingen voor de bescherming van ouderen die op grond van hun leeftijd of persoonlijke situatie recht hebben op een pensioen;
AK. overwegende dat in artikel 4, lid 1, van het Europees Sociaal Handvest over het recht op billijke beloning staat dat de partijen zich, teneinde de doeltreffende uitoefening van het recht op een billijke beloning te waarborgen, verbinden tot de erkenning van het recht van werknemers op een beloning die hun en hun gezin een behoorlijke levensstandaard verschaft; overwegende dat in de conclusies van 5 december 2014 van het Europees Comité voor Sociale Rechten staat dat de beloning, om een behoorlijke levensstandaard in de zin van artikel 4, lid 1, van het Handvest van 1961 te kunnen waarborgen, hoger moet zijn dan de minimumdrempel, die is vastgesteld op 60 % van het gemiddelde nettosalaris;
AL. overwegende dat universele, op inwonerschap gebaseerde of forfaitaire, aan salarissen gekoppelde minimumpensioenen bijzonder gunstig lijken voor de gendergelijkheid, omdat het volledige basispensioen wordt uitbetaald ongeacht de eerdere arbeidsstatus en gezinsomstandigheden;
AM. overwegende dat de versterking van het verband tussen bijdrage en pensioen, in combinatie met de verhoging van de tweede en de derde pijler van de pensioenstelsels, de risico's van genderspecifieke factoren in de pensioenkloof verlegt naar de privésector;
AN. overwegende dat er noch vooraf, noch achteraf gendereffectbeoordelingen zijn uitgevoerd van de pensioenhervormingen in het Witboek over pensioenen van de Commissie van 2012; overwegende dat hieruit blijkt dat de Unie tekortschiet in de daadwerkelijke waarborging van gendergelijkheid op alle beleidsvlakken;
AO. overwegende dat alleen de lidstaten bevoegd zijn voor het ontwerp en de organisatie van de openbare socialezekerheidsstelsels en pensioenstelsels; overwegende dat de EU op het gebied van pensioenen vooral een ondersteunende bevoegdheid heeft, met name op grond van artikel 153 VWEU;
Algemene opmerkingen
1. vraagt de Commissie om in nauwe samenwerking met de lidstaten een strategie uit te werken om de genderpensioenkloof in de Europese Unie te dichten (hierna "de strategie" genoemd);
2. is van mening dat deze strategie er niet alleen toe moet bijdragen dat de gevolgen van de pensioenkloof, met name voor de meest kwetsbare groepen, op het niveau van de lidstaten worden gecorrigeerd, maar ook in de toekomst worden voorkomen door de achterliggende oorzaken aan te pakken, zoals de ongelijke positie van vrouwen en mannen op de arbeidsmarkt wat betreft salaris, loopbaanontwikkeling, mogelijkheden om voltijds te werken, evenals de arbeidsmarktsegregatie; moedigt in dit verband intergouvernementele dialoog en het delen van beste praktijken tussen de lidstaten aan;
3. wijst erop dat de werkloosheid bij vrouwen onderschat wordt, aangezien veel vrouwen niet als werkloze zijn ingeschreven, met name vrouwen die in landelijke of afgezonderde gebieden wonen, in het familiebedrijf meehelpen of zich vaak enkel bezighouden met het huishouden en de zorg voor de kinderen;
4. benadrukt dat een veelzijdige aanpak, bestaande uit maatregelen op verschillende beleidsterreinen die gericht zijn op verbetering van de gendergelijkheid, vereist is voor het welslagen van de strategie, die een levensloopbenadering van pensioenen moet omvatten, waarbij de volledige loopbaan van de persoon in aanmerking wordt genomen en de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op het niveau van arbeidsparticipatie, loopbaan en mogelijkheden om pensioenpremies te betalen, alsook de ongelijkheden die voortvloeien uit de manier waarop de pensioenstelsels georganiseerd zijn, worden aangepakt; verzoekt de Commissie en de lidstaten om gevolg te geven aan de conclusies van de Raad van 18 juni 2015 over gelijke kansen voor vrouwen en mannen: de pensioengenderkloof dichten;
5. onderstreept dat het subsidiariteitsbeginsel ook bij pensioenkwesties strikt moet worden toegepast;
Meten en bewustmaken om de pensioenkloof beter te kunnen aanpakken
6. roept de lidstaten en de Commissie op om de genderpensioenkloof te blijven onderzoeken en samen te werken met Eurostat en het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) om formele en betrouwbare indicatoren voor de genderpensioenkloof te ontwikkelen, de verschillende achterliggende oorzaken te identificeren zodat toezicht mogelijk wordt, en duidelijke reductiedoelstellingen te bepalen, en hierover bij het Europees Parlement verslag uit te brengen; verzoekt de lidstaten Eurostat jaarlijks statistieken over de genderloonkloof en de genderpensioenkloof te verstrekken zodat een beoordeling kan worden gemaakt van de ontwikkelingen in de hele EU en de manieren om de kwestie aan te pakken;
7. vraagt de Commissie gedetailleerd in kaart te brengen welke effecten de landenspecifieke aanbevelingen en het Witboek van 2012 inzake pensioenen, gericht op het aanpakken van de oorzaken van genderpensioenkloof, hebben op de meest kwetsbare groepen, en op vrouwen in het bijzonder, alsook een formele indicator voor de genderpensioenkloof te ontwikkelen en voor stelselmatig toezicht te zorgen; dringt aan op passende evaluaties en gendereffectbeoordelingen van de tot op heden gedane aanbevelingen c.q. genomen maatregelen; verzoekt de Commissie de ontwikkeling van naar gender uitgesplitste statistieken en onderzoek te ondersteunen, teneinde het toezicht op en de evaluatie van de effecten van pensioenhervormingen op de welvaart en het welzijn van vrouwen te versterken;
8. roept de lidstaten op om de strijd tegen de genderpensioenkloof te bevorderen in hun sociale beleid, door de bevoegde besluitvormers bewust te maken van het fenomeen en door programma's op te zetten om vrouwen beter te informeren over de gevolgen ervan en om instrumenten aan te reiken waarmee vrouwen een duurzame, aan hun specifieke behoeften aangepaste langetermijnstrategie kunnen uitwerken om hun pensioen te financieren en om hun toegang tot pensioenen van de tweede en derde pijler te bevorderen, vooral in door vrouwen beheerste sectoren waar er mogelijk weinig gebruik van wordt gemaakt; verzoekt de Commissie en de lidstaten de mensen meer bewust te maken met betrekking tot gelijke beloning en de pensioenkloof alsook directe en indirecte discriminatie van vrouwen op het werk;
9. wijst nogmaals op de behoefte aan duidelijke, geharmoniseerde definities, om op EU-niveau de vergelijking van begrippen als "genderloonkloof" en "genderpensioenkloof" mogelijk te maken;
10. verzoekt de lidstaten en de EU-instellingen onderzoek te bevorderen naar de gevolgen van de genderpensioenkloof en de economische onafhankelijkheid van vrouwen, rekening houdend met de vergrijzing, de genderverschillen in gezondheid en levensverwachting, veranderende gezinsstructuren en de toename van het aantal eenpersoonshuishoudens, en verschillen in de persoonlijke situatie van vrouwen; verzoekt hen ook mogelijke strategieën uit te stippelen om de genderpensioenkloof te dichten;
11. verzoekt de lidstaten ontslagvergoedingen en eindedienstverband-vergoedingen onmiddellijk, bij aanvang van de pensioenperiode uit te betalen, teneinde situaties van economische moeilijkheden te voorkomen, en de kosten door het afsluiten van leningen te beperken, evenals de afhankelijkheid van vrouwen van mannen;
De ongelijkheid bij de mogelijkheden tot premieafdracht beperken
12. vraagt de Europese Commissie en de lidstaten om toe te zien op de correcte tenuitvoerlegging van en de stelselmatige monitoring van de vooruitgang inzake de Europese regelgeving ter bestrijding van indirecte en directe genderdiscriminatie, waarbij in geval van niet-naleving inbreukprocedures moeten worden ingeleid, en eventueel wijzigingen doorgevoerd moeten worden om te verzekeren dat mannen en vrouwen in gelijke mate kunnen bijdragen aan het pensioenstelsel;
13. veroordeelt met klem loonverschillen tussen mannen en vrouwen en hun "onverklaarbare" component ten gevolge van discriminatie op het werk, en herhaalt zijn oproep om Richtlijn 2006/54/EG, die in slechts twee lidstaten duidelijk en voldoende werd omgezet, te herzien om de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van werk en beloning te optimaliseren, in navolging van het beginsel van gelijk loon voor gelijk werk voor vrouwen en mannen, dat door het Verdrag gewaarborgd wordt sinds het ontstaan van de EEG;
14. dringt er bij de lidstaten, werkgevers en vakverenigingen op aan om bruikbare en concrete jobevaluatie-instrumenten te ontwikkelen en toe te passen die mee kunnen bepalen wat gelijkwaardig werk is en zodoende kunnen helpen te verzekeren dat vrouwen en mannen een gelijk loon en bijgevolg in de toekomst een gelijk pensioen ontvangen; spoort de bedrijven ertoe aan jaarlijkse controles naar gelijke beloning te verrichten, transparante gegevens te publiceren en de loonkloof tussen mannen en vrouwen te dichten;
15. roept de Commissie en de lidstaten op om actie te ondernemen tegen horizontale en verticale segregatie op de arbeidsmarkt door genderongelijkheden en discriminatie inzake werkgelegenheid uit te bannen en vrouwen aan te moedigen, met name via onderwijs en via bewustmaking van meisjes en vrouwen, om te kiezen voor studies, beroepen en loopbanen in sectoren die voor innovatie en groei zorgen en die vandaag vanwege hardnekkige stereotypes door mannen worden gedomineerd;
16. verzoekt de Commissie en de lidstaten intensiever te werken aan nieuwe maatregelen die vrouwen moeten stimuleren om langer en met kortere onderbrekingen aan de arbeidsmarkt deel te nemen en zo hun economische onafhankelijkheid nu en op hogere leeftijd te verbeteren;
17. herinnert eraan dat, nu de verantwoordelijkheid steeds meer verschuift van de pensioenstelsels naar persoonlijke financieringsregelingen, non-discriminatie bij de toegang tot de financiële diensten die onder Richtlijn 2004/113/EG vallen moet worden verzekerd op basis van gelijke actuariële criteria; merkt op dat de toepassing van de regel van sekseneutraliteit zal helpen om de genderpensioenkloof te dichten; verzoekt de lidstaten en de Commissie de transparantie, de toegang tot informatie en de zekerheid voor deelnemers aan en gerechtigden van bedrijfspensioenregelingen te vergroten, met inachtneming van de EU-beginselen van non-discriminatie en gendergelijkheid;
18. stelt vast dat bij bedrijfsregelingen voor ouderdomspensioenen in toenemende mate verzekeringsbeginselen worden gehanteerd en dat dit aanleiding kan geven tot veel ongelijkheid op het vlak van sociale bescherming(16); beklemtoont dat het Hof van Justitie van de Europese Unie duidelijk heeft gemaakt dat bedrijfspensioenregelingen als salaris moeten worden beschouwd en dat het beginsel van gelijke behandeling derhalve ook op deze regelingen van toepassing is;
19. verzoekt de lidstaten bijzondere aandacht te besteden aan migrantenvrouwen, die vaak in hun herkomstland geen pensioenrechten hebben opgebouwd en daardoor niet economisch onafhankelijk zijn, met name in geval van scheiding;
De ongelijkheden in het beroepsleven van mannen en vrouwen beperken
20. verzoekt de Commissie om de verbintenissen die zij is aangegaan in het Stappenplan en in het Strategisch engagement snel na te komen, zodat iedereen in staat wordt gesteld om werk en gezinsleven beter te combineren, ook werkende ouders, en om in het kader van haar werkprogramma voor 2017 een ambitieus, omvattend pakket wetgevende en niet-wetgevende maatregelen voor te stellen;
21. verlangt dat de lidstaten de wetgeving op het gebied van moederschapsrechten naleven en handhaven om te voorkomen dat vrouwen de rekening voor hun moederschap gepresenteerd krijgen in de vorm van een lager pensioen;
22. verzoekt de lidstaten te overwegen om werknemers de mogelijkheid te bieden om te onderhandelen over vrijwillige flexibele werkregelingen, met inbegrip van "slim werken", volgens de nationale praktijk en ongeacht de leeftijd van de kinderen of de gezinssituatie, waardoor vrouwen en mannen werk en gezin beter kunnen combineren, zodat het ene niet langer gedwongen moet voorgaan op het andere als zij zorgtaken op zich nemen;
23. verzoekt de lidstaten om op basis van een uitwisseling van beste praktijken "zorgkredieten" in het leven te roepen, ten voordele van zowel vrouwen als mannen, om loopbaanonderbrekingen met het oog op de informele zorg voor een familielid en periodes van formeel zorgverlof, zoals moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsverlof, eerlijk te compenseren en mee te nemen in de berekening van de pensioenrechten; is van oordeel dat deze kredieten gedurende een bepaalde, korte periode moeten worden toegekend, om te voorkomen dat stereotypen nog worden versterkt en de ongelijkheid verder toeneemt;
24. verzoekt de lidstaten strategieën te ontwerpen ter erkenning van het belang van informele zorg voor familieleden en andere afhankelijke gezinsleden en vrijwilligerswerk, en de eerlijke verdeling ervan tussen vrouwen en mannen, want het ontbreken hiervan is een potentiële bron van loopbaanonderbrekingen en onzekere arbeidsomstandigheden voor vrouwen, waardoor hun pensioenrechten in gevaar komen; benadrukt in dit verband het belang van stimulansen voor mannen om hun ouderschaps- en vaderschapsverlof op te nemen;
25. verzoekt de lidstaten werknemers in staat te stellen om na zwangerschaps- of ouderschapsverlof weer naar dezelfde arbeidsregeling terug te keren;
26. wijst erop dat een goed evenwicht tussen werk en privéleven voor mannen en vrouwen pas behaald kan worden als er kwalitatief hoogstaande, betaalbare en toegankelijke zorgvoorzieningen voor kinderen, ouderen en zorgbehoevenden zijn en als de gelijke verdeling van verantwoordelijkheden, kosten en zorg aangemoedigd wordt; roept de lidstaten op meer te investeren in diensten voor kinderen, onderstreept dat op het platteland kinderopvang moet worden aangeboden, en dringt er bij de Commissie op aan de lidstaten te ondersteunen, onder meer door EU-financiering beschikbaar te stellen, om dergelijke voorzieningen aan te bieden die voor allen toegankelijk zijn; verzoekt de lidstaten om niet alleen de doelstellingen van Barcelona zo snel mogelijk na te komen, en dit uiterlijk tegen 2020, maar ook soortgelijke doelstellingen te bepalen voor langdurige zorgdiensten en tegelijkertijd gezinnen die de voorkeur geven aan een ander opvoedingsmodel, keuzevrijheid te bieden; prijst de lidstaten die beide soorten doelstellingen reeds hebben bereikt;
Invloed van de pensioenstelsels op de pensioenkloof
27. roept de lidstaten op om, op basis van betrouwbare en vergelijkbare gegevens, de invloed van hun pensioenstelsels op de pensioenkloof en de factoren die eraan ten grondslag liggen te evalueren, teneinde discriminatie te bestrijden en te zorgen voor transparantie in de pensioenstelsels van de lidstaten;
28. onderstreept dat in het kader van de houdbaarheid van pensioenstelsels rekening moet worden gehouden met de uitdagingen van demografische ontwikkelingen, vergrijzing, geboortecijfers en de verhouding tussen economisch actieven en personen met de pensioengerechtigde leeftijd; herinnert eraan dat de situatie van deze laatste groep nauw samenhangt met het aantal arbeidsjaren en de betaalde premies;
29. verzoekt de lidstaten, teneinde de sociale zekerheid met het oog op de toenemende levensverwachting in de EU houdbaar te houden, met spoed de nodige structurele wijzigingen in de pensioenstelsels door te voeren;
30. verzoekt de Commissie en de lidstaten om grondiger te bestuderen welke gevolgen een overschakeling van wettelijke overheidspensioenen naar een systeem met flexibelere mechanismen voor pensioenbijdragen in particuliere en bedrijfspensioenregelingen kan hebben voor de pensioenkloof, bijvoorbeeld met betrekking tot de berekening van de periode waarin werd bijgedragen aan het pensioenstelsel of tot de geleidelijke uittreding uit de arbeidsmarkt;
31. wijst erop dat de overgang naar een uit meerdere pijlers bestaand pensioenstelsel meer genderongelijkheid op het gebied van pensioenen tot gevolg heeft(17); is van oordeel dat de eerste van de drie pensioenpijlers de kern van de nationale pensioenstelsels moet blijven en bevorderd moet worden om de ongelijkheden op het gebied van pensioenen, met name die op grond van gender, te bestrijden; vindt daarnaast dat particuliere pensioenstelsels een vrijwillige optie moeten blijven; wijst erop dat de genderpensioenkloof in de eerste pijler het kleinst is en dat de onder deze pijler vallende regelingen de meest inclusieve, wat herverdeling betreft eerlijkste en zelfs meest kosteneffectieve manier zijn gebleken om armoede onder ouderen te bestrijden; verzoekt de Commissie en de lidstaten de openbare pensioenstelsels te versterken ten opzichte van andere stelsels, die de genderpensioenkloof verder zouden kunnen vergroten;
32. verzoekt de lidstaten hun pensioenstelsels en de reeds geïmplementeerde hervormingen te ontdoen van die elementen die tot meer onevenwichtigheden (en met name gendergerelateerde onevenwichtigheden, zoals de bestaande genderpensioenkloof) bij pensioenen leiden, rekening te houden met de gendereffecten van eventuele verdere pensioenhervormingen en maatregelen te nemen voor het elimineren van de discriminatie in kwestie; benadrukt dat beleidswijzigingen op het vlak van pensioenen altijd moeten worden beoordeeld aan de hand van het effect ervan op de genderkloof, door middel van specifieke analyses waarbij de gevolgen van de voorgestelde wijzigingen voor vrouwen en mannen tegen elkaar worden afgezet, hetgeen een essentieel onderdeel moet vormen van de planning, het ontwerp, de tenuitvoerlegging en de evaluatie van overheidsbeleid;
33. verzoekt de Commissie om de uitwisseling van beste praktijken aan te moedigen om zo na te gaan welke correctiemechanismen het meest doeltreffend zijn en met welke mechanismen de factoren die de pensioenkloof vergroten, kunnen worden aangepakt;
34. verzoekt de Commissie en de lidstaten voor mannen en vrouwen identieke levenslange tarieven in te voeren voor pensioenregelingen en zorgkredieten, alsook voor afgeleide uitkeringen, zodat vrouwen voor gelijke bijdragen gelijke pensioenannuïteiten kunnen krijgen, ook al hebben zij een langere levensverwachting dan mannen, en teneinde ervoor te zorgen dat de levensverwachting van vrouwen niet als voorwendsel wordt gebruikt voor discriminatie, in het bijzonder bij de berekening van pensioenen;
35. benadrukt de belangrijke rol die overlevingspensioenen vervullen bij het beschermen van vele oudere vrouwen tegen armoede en sociale uitsluiting, waarop zij een hoger risico lopen dan oudere mannen; verzoekt de lidstaten hun overlevingspensioenstelsels, met inbegrip van weduwenpensioenen, waar nodig te hervormen zodat ongetrouwde vrouwen niet worden benadeeld; verzoekt de lidstaten, met steun van de Commissie, onderzoek te doen naar de effecten van de verschillende stelsels voor overlevingspensioenen in het licht van de hoge percentages echtscheidingen, de armoedegraad bij ongehuwde stellen en sociale uitsluiting onder oudere vrouwen, en na te denken over wettelijke regelingen die bij scheidingen gedeelde pensioenrechten waarborgen;
36. beklemtoont dat iedereen recht heeft op een overheidspensioen, en herinnert aan artikel 25 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waarin het recht van ouderen op een waardig en onafhankelijk bestaan is vastgelegd, en aan artikel 34 van het Handvest betreffende het recht op toegang tot socialezekerheidsvoorzieningen en sociale diensten die bescherming waarborgen in geval van moederschap, ziekte, arbeidsongevallen, invaliditeit, afhankelijkheid van langdurige zorg, ouderdom of ontslag; wijst op het belang van de openbare, via een omslagsysteem gefinancierde socialezekerheidsstelsels als belangrijke bouwsteen voor een toereikende ouderdomsvoorziening;
37. wijst er nogmaals op dat een fatsoenlijk pensioeninkomen van essentieel belang is in de strijd tegen armoede onder ouderen; verzoekt de lidstaten te garanderen dat deeltijdwerkers, werknemers met onregelmatige dienstverbanden, meewerkende echtgenoten en werknemers die hun loopbaan hebben onderbroken of in bepaalde perioden minder uren hebben gewerkt, recht hebben op een fatsoenlijke pensioenregeling zonder welke vorm van discriminatie dan ook;
38. vraagt de lidstaten de obstakels voor de toegang tot een adequaat pensioen voor mensen met onderbroken loopbanen (meestal vrouwen), zoals de verhoging van het minimumaantal jaren waarin premies moeten zijn betaald om voor pensioenrechten in aanmerking te komen of de koppeling van de pensioenprestaties aan de gedurende het hele leven betaalde bijdragen, te elimineren;
39. verzoekt de lidstaten om, wanneer niet aan de voorwaarden voor een wettelijke pensioenregeling wordt voldaan, een adequaat algemeen minimumpensioen aan te bieden dat losstaat van de loopbaan van de ontvanger ervan, en ervoor te zorgen dat bij de berekening van de pensioenrechten van de betrokken personen rekening wordt gehouden met de periodes van formeel verlof met het oog op het verrichten van zorgtaken voor gezinsleden; beklemtoont dat het erg belangrijk is over te stappen op individuele, in plaats van afgeleide, pensioenrechten en sociale uitkeringen, teneinde situaties van afhankelijkheid binnen gezinnen te voorkomen; verzoekt de lidstaten met klem op huishoudens gebaseerde modellen en dienovereenkomstige socialezekerheidsrechten te vervangen, teneinde individuele rechten te waarborgen en de afhankelijkheid van een partner of de staat te doorbreken; benadrukt dat tegelijkertijd voor een passende verhouding tussen het algemene minimumpensioen en het pensioen dat voortvloeit uit het beroepsleven moet worden gezorgd; verzoekt de Commissie een grondige analyse uit te voeren van de beste praktijken om de lidstaten bij te staan bij de berekening van dergelijke minimumpensioenen;
40. vindt het uitermate zorgwekkend dat de huidige bevriezing en verlaging van de pensioenen in sommige lidstaten de mensen met deeltijdbanen of onderbroken loopbanen, of met een klein inkomen, het hardst treffen; betreurt dat het hierbij vooral om vrouwen gaat; onderstreept dat deze maatregelen tot indirecte discriminatie bij het recht op sociale zekerheid hebben geleid; verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat zowel mannen als vrouwen de mogelijkheid hebben volledige tijdvakken van bijdragebetaling te vervullen en recht op een volledig pensioen hebben, om de pensioenkloof te dichten door genderdiscriminatie op de arbeidsmarkt te bestrijden, onderwijs en loopbaanplanning aan te passen, voor een beter evenwicht tussen werk en privé te zorgen, en meer te investeren in kinder- en ouderenzorg; vindt het ook belangrijk goede regelgeving inzake gezondheid en veiligheid op het werk vast te stellen die rekening houdt met gendergerelateerde beroeps- en psychosociale risico's, investeringen te doen in openbare diensten voor arbeidsvoorziening die vrouwen van alle leeftijden kunnen begeleiden bij het zoeken naar een baan, en flexibele regels in te voeren voor de overgang van werk naar pensioen;
41. wijst erop dat het Comité inzake economische, sociale en culturele rechten van de Verenigde Naties in zijn algemene opmerking nr. 16 (2005) over de gelijke rechten van mannen en vrouwen wat betreft de uitoefening van de economische, sociale en culturele rechten de vereisten van artikel 3 heeft vastgesteld in conjunctie met artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, met inbegrip van de vereiste dat de verplichte pensioenleeftijd voor mannen en vrouwen gelijk moet worden getrokken, en dat moet worden gewaarborgd dat vrouwen dezelfde uitkeringen krijgen van pensioenstelsels, of deze nu openbaar of particulier zijn;
42. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.
Europees Parlement, Beleidsondersteunende afdeling C, Rechten van de burger en Constitutionele Zaken (Ludovici: 2016) "The gender pension gap: differences between mothers and women without children", http://www.europarl.europa.eu/supporting-analyses.
TOELICHTING
De pensioenkloof tussen mannen en vrouwen (de "genderpensioenkloof") is een van de vele gezichten van ongelijkheid tussen mannen en vrouwen. Deze kloof, die wordt gedefinieerd als het verschil tussen het gemiddelde bedrag (vóór aftrek van belastingen en heffingen) dat vrouwen ontvangen voor hun pensioen en het bedrag dat mannen gemiddeld krijgen, is onaanvaardbaar groot: in 2012 bedroeg ze 38 % voor de leeftijdscategorie van 65 jaar en ouder.
Het doel moet erin bestaan om echte gelijkheid tussen mannen en vrouwen te verzekeren, maar ook armoede en kwetsbaarheid aan te pakken. Vrouwen met een beperkt pensioen worden immers vaker door deze situaties getroffen.
Uw rapporteur is dan ook van mening dat er een globale, overkoepelende strategie nodig is om de genderpensioenkloof aan te pakken, aangezien die wordt beïnvloed door meerdere variabelen. Hoewel het aandeel van de verschillende variabelen in het eindresultaat op dit moment niet meteen te kwantificeren valt omdat er geen nauwkeurige en betrouwbare gegevens voorhanden zijn, kunnen we er redelijkerwijs van uitgaan dat de ongelijkheden waarmee vrouwen gedurende hun leven en hun loopbaan worden geconfronteerd, worden weerspiegeld in de pensioenkloof.
Er bestaat in de EU nog steeds een loonkloof tussen mannen en vrouwen. Het verschil liep in 2014 op tot 16,3 % en is hoofdzakelijk te wijten aan discriminatie, segregatie en loopbaanonderbrekingen. Ook de sociale situatie, de burgerlijke staat en/of de gezinssituatie van gepensioneerden heeft een impact op de genderpensioenkloof, en we zien dat weduwen daardoor vaker in een kwetsbare positie verkeren. Voorts houdt de genderpensioenkloof rechtstreeks verband met het aantal kinderen: doordat vrouwen binnen het gezin een grotere rol spelen in de opvoeding van de kinderen, wordt hun loopbaan vaker onderbroken en worden zij vaker gedwongen om voor deeltijds werk te kiezen. Zo is de loonkloof voor vrouwen met een loopbaan van minder dan 14 jaar twee keer zo groot (64 %) als de kloof waarmee vrouwen die een langere loopbaan achter de rug hebben, worden geconfronteerd (32 %). Al deze elementen hebben nadelige gevolgen voor het pensioen van vrouwen en moeten bijgevolg worden aangepakt.
Uw rapporteur pleit er dan ook voor om verschillende aanbevelingen in de praktijk te brengen, waarbij de verdeling van de bevoegdheden tussen de Unie en de lidstaten, zoals vastgelegd in het subsidiariteitsbeginsel, naar behoren in acht wordt genomen. Meer in het algemeen spoort zij de lidstaten aan om samen te werken en beste praktijken uit te wisselen.
Meten en bewustmaken om de genderpensioenkloof beter te kunnen aanpakken
Eerst en vooral is het van vitaal belang om statistische instrumenten te ontwikkelen waarmee de verschillende factoren die bijdragen aan de genderpensioenkloof kunnen worden geïdentificeerd. Er is immers nog heel wat werk aan de winkel om meer inzicht te krijgen in dit fenomeen. Met die instrumenten zullen de verschillende spelers, en in de eerste plaats de Europese Commissie, de problematiek beter kunnen vatten en zullen de lidstaten deze realiteit kunnen meenemen in hun sociale beleid en de bevoegde besluitvormers bewust kunnen maken van het fenomeen.
De ongelijkheid in het bijdragevermogen beperken
Als eerste actiepunt moet het bijdragevermogen worden bekeken. Aangezien de meeste pensioenstelsels berusten op de opbouw van rechten en inkomsten gedurende de volledige loopbaan, uiten ongelijkheden op dat gebied zich ook in de hoogte van de pensioenen.
In dat opzicht herinnert uw rapporteur eraan dat er reeds talrijke wetgevingsinstrumenten bestaan en dat het wenselijk is om de effectieve toepassing van die instrumenten te verzekeren, door lacunes in de bestaande uitvoeringsbepalingen te identificeren en indien nodig de regelgeving ter zake aan te passen.
De ongelijkheden in het beroepsleven van mannen en vrouwen beperken
Ook zou ervoor moeten worden gezorgd dat vrouwen in hun beroepsleven minder problemen ondervinden omdat zij instaan voor een onevenredig groot deel van de taken en verantwoordelijkheden binnen het gezin.
In lijn met de resolutie die op 13 september 2016 werd aangenomen over het creëren van arbeidsmarktomstandigheden die bevorderlijk zijn voor het evenwicht tussen werk en privéleven, verzoekt uw rapporteur de Commissie daarom om haar verbintenissen uit hoofde van het Stappenplan en het Strategisch engagement na te komen.
Invloed van de pensioenstelsels op de genderpensioenkloof
Uw rapporteur wil de lidstaten er eveneens toe oproepen om de invloed van de organisatie van hun pensioenstelsels op de genderpensioenkloof te meten en mechanismen in te voeren waarmee ongelijkheden worden gecorrigeerd die de genderpensioenkloof zouden kunnen vergroten, in het bijzonder ten gunste van de meest kwetsbare groepen.
Uw rapporteur verzoekt de Commissie tot slot om de gevolgen van een transformatie van de pensioenstelsels tot een systeem met flexibelere mechanismen voor de bijdrage aan en de opbouw van pensioenrechten en -inkomsten voor de pensioenkloof te bestuderen, bijvoorbeeld met betrekking tot de berekening van de periode waarin werd bijgedragen aan het pensioenstelsel of tot de geleidelijke uittreding uit de arbeidsmarkt.
MINORITY OPINION
pursuant to rule 52a(4) of the Rules of Procedure
Beatrix von Storch
De EU tracht in dit verslag nogmaals de maatschappelijke waarden en normen te sturen en zich met fundamentele thema's van het gezinsleven te bemoeien. Pensioenbeleid is echter een nationale aangelegenheid en de EU is op dit domein niet bevoegd; dat staat zelfs in de overwegingen.
Het gaat hier opnieuw om een rondje parlementair schaduwboksen. Er zijn geen betrouwbare indicatoren die wijzen op het bestaan van een "genderpensioenkloof", ook dat staat in het verslag.
De EU ontzegt moeders en vaders keuzevrijheid. Het gaat er haar namelijk enkel om de Barcelona-doelstellingen voor kinderopvang door de staat te halen. De EU staat bewust geen keuzevrijheid toe voor gezinnen die een ander opvoedingsmodel kiezen.
Het gezin is als bron van sociale cohesie en als hoeksteen van de maatschappij erkend. Desondanks krijgen vrouwen en moeders, en mannen en vaders, geen erkenning voor de opvoeding van en de zorg voor hun kinderen, en dus voor het vrijwaren van de toekomst van de maatschappij.
Het eigenlijke schandaal is niet dat er mogelijk een loonkloof of een "genderpensioenkloof" bestaat, maar dat de zowel door vrouwen als mannen verrichte werkzaamheden in huishouden, opvoeding, verzorging en gezin niet worden erkend en dat het ontbreekt aan mogelijkheden om gezin en beroep met elkaar te combineren en daartussen te kiezen, iets waarmee vrouwen en mannen op dezelfde wijze te maken hebben. Dat moet door de sociale partners in de lidstaten worden opgelost.
ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (9.12.2016)
aan de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid
inzake de noodzaak van een EU-strategie tot beëindiging en preventie van de genderpensioenkloof
(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 54 van het Reglement
SUGGESTIES
De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
– gezien de artikelen 22 en 25 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,
– gezien algemene opmerking nr. 16 van het Comité inzake economische, sociale en culturele rechten van de Verenigde Naties over de gelijke rechten van mannen en vrouwen wat betreft de uitoefening van de economische, sociale en culturele rechten (artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten) van 11 augustus 2005 (E/C. 12/2005), en algemene opmerking nr. 19 van het Comité inzake economische, sociale en culturele rechten van de Verenigde Naties over het recht op sociale zekerheid (artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten) van 4 februari 2008 (E/C. 12/GC/19),
– gezien artikel 4, lid 2, artikel 4, lid 3, en de artikelen 12, 20 en 23 van het Europees Sociaal Handvest,
– gezien de conclusies van het Europees Comité voor Sociale Rechten van 5 december 2014 (XX-3/def/GRC/4/1/EN),
– gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), waarin het grondbeginsel van de gelijkheid van mannen en vrouwen is verankerd,
– gezien artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en artikel 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waarin het beginsel van de gelijkheid van mannen in vrouwen is verankerd,
– gezien de artikelen 151 en 153 VWEU,
– gezien de in juni 2015 door de Raad Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenbescherming aangenomen conclusies over gelijke inkomenskansen voor vrouwen en mannen: de pensioengenderkloof dichten,
– gezien artikel 34 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
– gezien het Europees pact voor gendergelijkheid (2011-2020) van de Raad van 7 maart 2011,
– gezien het "Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019", en met name doelstelling 3.2 daarvan,
– gezien de studie van het Europees Parlement over de genderpensioenkloof: verschillen tussen moeders en vrouwen zonder kinderen (2016), en de studie van de Europese Commissie over de genderkloof inzake pensioenen in de EU (2013),
– gezien de artikelen 3 en 9 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten,
A. overwegende dat de genderpensioenkloof in de EU voor 2014 geschat wordt op ongeveer 39 % en dat er tussen de lidstaten aanzienlijke verschillen bestaan, uiteenlopend van 3,7 % in Estland tot 48,8 % in Cyprus; overwegende dat het percentage oudere vrouwen dat risico loopt op armoede of sociale uitsluiting in 2014 20,2 % bedroeg, in vergelijking met 14,6 % voor mannen, en dat in 2050 het aantal mensen ouder dan 75 jaar dat risico loopt op armoede in de meeste lidstaten zou kunnen oplopen tot 30 %; overwegende dat vrouwen in 2015 voor hetzelfde werk gemiddeld per uur nog steeds 16 % minder verdienden dan mannen; overwegende dat de genderpensioenkloof er vaak toe leidt dat vrouwen lagere pensioenen ontvangen dan mannen en tot gevolg heeft dat vrouwen na hun pensionering een groter risico lopen op armoede; overwegende dat met name éénoudergezinnen erg kwetsbaar zijn, aangezien zij 10 % uitmaken van alle huishoudens met ten laste komende kinderen en dat 50 % daarvan risico loopt op armoede of sociale uitsluiting, hetgeen twee keer zo veel is als het percentage voor de algehele bevolking;
B. overwegende dat er tussen de lidstaten grote verschillen bestaan wat het percentage van de bevolking betreft dat een pensioen ontvangt – in 2012 in Cyprus 11 %, tegenover 25 % in België – en dat in landen als Spanje, Ierland en Malta slechts 10 % of minder van de vrouwen een pensioen krijgt;
C. overwegende dat de verlagingen en bevriezingen van de pensioenen tot een hoger risico op armoede onder ouderen leiden, met name voor vrouwen; overwegende dat het percentage oudere vrouwen dat risico loopt op armoede of sociale uitsluiting in 2014 20,2 % bedroeg, in vergelijking met 14,6 % voor mannen, en dat in 2050 het aantal mensen ouder dan 75 jaar dat risico loopt op armoede in de meeste lidstaten zou kunnen oplopen tot 30 %;
D. overwegende dat het inkomen van ouderen boven de 65 jaar 94 % bedraagt van het gemiddelde inkomen van de algehele bevolking; overwegende dat daarentegen ongeveer 22 % van de vrouwen boven de 65 jaar onder de armoederisicodrempel leeft;
E. overwegende dat de toegang tot een waardig pensioen momenteel afhankelijk is van meerdere factoren, waaronder de inkomsten gedurende het hele leven, het type arbeidscontract, de duur van het dienstverband, de segregatie op de arbeidsmarkt, de deelname aan en toegang tot de arbeidsmarkt, loopbaanonderbrekingen vanwege zorgtaken of de levensverwachting, en dat deze factoren minder gunstig uitpakken voor vrouwen dan voor mannen;
F. overwegende dat aan individuele rechten, in plaats van aan afgeleide rechten, gekoppelde pensioenen ieders economische onafhankelijkheid zouden kunnen helpen waarborgen, negatieve prikkels om niet aan de formele arbeidsmarkt deel te nemen zouden kunnen helpen verminderen en genderstereotypen zouden kunnen helpen tegengegaan;
G. overwegende dat pensioenkredieten - voor zowel mannen, als vrouwen - in de vorm van een uitkering voor zorgtaken ten behoeve van kinderen of familielieden ertoe zouden kunnen bijdragen dat loopbaanonderbrekingen vanwege zorgtaken, opleiding of werkloosheid geen negatieve gevolgen hebben voor het pensioen, en dat het wenselijk is deze kredieten uit te breiden tot alle lidstaten en, daar waar ze reeds bestaan, te versterken;
H. overwegende dat pensioenkredieten voor alle vormen van werk van nut zouden kunnen zijn voor alle werknemers, van werknemers in loondienst tot zelfstandigen;
I. overwegende dat universele, op inwonerschap gebaseerde of forfaitaire, aan salarissen gekoppelde minimumpensioenen bijzonder gunstig lijken voor de gendergelijkheid, omdat het volledige basispensioen wordt uitbetaald ongeacht de eerdere arbeidsstatus en gezinsomstandigheden;
J. overwegende dat veel mensen met een deeltijdcontract, hoofdzakelijk vrouwen (32 %, in vergelijking met 8,2 % van de mannen), niet zelf voor dergelijke contracten hebben gekozen, of ze zijn aangegaan met het oog op het combineren van werk en gezin en zorgtaken, en dat dit vaak een lager pensioen tot gevolg heeft;
K. overwegende dat de onzekerheid en segregatie van de arbeidsmarkt belemmeringen zijn voor het verwezenlijken van de doelstellingen gelijkheid en sociale solidariteit voor ouderen;
L. overwegende dat veel gezinnen door de hoge werkloosheidspercentages afhankelijk zijn geworden van een enkel gezinsinkomen, waarbij het ouderdomspensioen van de oudste gezinsleden, meestal de grootmoeders, vaak de enige bron van inkomsten is voor drie generaties;
M. overwegende dat maatregelen gericht op het scheppen van meer hoogwaardige werkgelegenheid voor de groepen met de hoogste werkloosheidspercentages, zoals vrouwen, jongeren, mensen met een handicap, 55+-ers, langdurig werklozen of immigranten, zouden kunnen bijdragen aan de duurzaamheid van het pensioenstelsel en de afhankelijkheid van openbare stelsels zouden kunnen helpen terugdringen;
N. overwegende dat de toenemende individuele verantwoordelijkheid voor spaarbeslissingen, die uiteenlopende risico's met zich meebrengen, ook betekent dat individuen duidelijk moeten worden geïnformeerd over de beschikbare opties en de daaraan verbonden risico's; overwegende dat de crisis heeft aangetoond dat particuliere pensioenfondsen afhankelijk zijn van de ontwikkelingen op de financiële markten, wat in veel gevallen een risico vormt voor de pensioenen van ouderen, die zich soms niet goed bewust zijn van wat deze fondsen inhouden; overwegende dat zowel vrouwen, als mannen, maar vooral vrouwen, kostenloos moeten worden ondersteund om hun financiële geletterdheid te verbeteren, zodat zij gefundeerde beslissingen kunnen nemen over dit almaar complexer wordende vraagstuk;
O. overwegende dat er noch vooraf, noch achteraf gendereffectbeoordelingen zijn uitgevoerd van de pensioenhervormingen in het Witboek over pensioenen van de Commissie van 2012; overwegende dat hieruit blijkt dat de Unie tekortschiet in de daadwerkelijke waarborging van gendergelijkheid op alle beleidsvlakken;
P. overwegende dat vakbonden en collectieve onderhandelingen bij het waarborgen van de bescherming van de rechten van ouderen een cruciale rol kunnen spelen;
Q. overwegende dat de uitoefening van het recht op een waardige oude dag gebaat zou zijn bij meer investeringen in openbare gezondheidszorg voor iedereen, een openbaar netwerk van sociale diensten en kwalitatief hoogwaardige infrastructuur voor hulpbehoevenden;
R. overwegende dat in artikel 4, lid 1, van het Europees Sociaal Handvest over het recht op billijke beloning staat dat de partijen zich, teneinde de doeltreffende uitoefening van het recht op een billijke beloning te waarborgen, verbinden tot de erkenning van het recht van werknemers op een beloning die hun en hun gezin een behoorlijke levensstandaard verschaft; overwegende dat in de conclusies van 5 december 2014 van het Europees Comité voor Sociale Rechten (XX-3/def/GRC/4/1/EN) staat dat de beloning, om een behoorlijke levensstandaard in de zin van artikel 4, lid 1, van het Handvest van 1961 te kunnen waarborgen, hoger moet zijn dan de minimumdrempel, die is vastgesteld op 60 % van het gemiddelde nettosalaris;
S. overwegende dat in artikel 151 VWEU is vastgelegd dat de EU ten doel heeft een adequate sociale bescherming te waarborgen; overwegende dat de EU de lidstaten in dit verband moet ondersteunen met aanbevelingen voor de bescherming van ouderen die op grond van hun leeftijd of persoonlijke situatie recht hebben op een pensioen;
T. overwegende dat de recente hervormingen van de pensioenstelsels in de lidstaten hebben gezorgd voor: verhoging van de pensioenleeftijd, verlaging van de indexeringsniveaus voor de actualisering van de stelsels, wijzigingen ten aanzien van de premies, zoals verlenging van de duur en de continuïteit van de perioden waarover premie moet worden betaald om in aanmerking te komen voor een pensioenuitkering, vergroting van de rol van particuliere pensioenstelsels, en een verdieping van de genderpensioenkloof;
U. overwegende dat het verschil in arbeidsparticipatie tussen mannen en vrouwen, de salariskloof tussen mannen en vrouwen en de daaraan gerelateerde genderpensioenkloof, alsook het feit dat vrouwen vaker dan mannen te maken hebben met onzeker werk(1), en onvrijwillig deeltijdwerk en loopbaanonderbrekingen om voor kinderen of andere hulpbehoevenden te zorgen, ertoe bijdragen dat vrouwen in grote mate door armoede getroffen (dreigen te) worden;
V. overwegende dat de Europese Unie op het gebied van pensioenen vooral een ondersteunende bevoegdheid heeft, met name op grond van artikel 153 VWEU;
1. benadrukt dat gendergelijkheid op alle gebieden moet worden gewaarborgd; benadrukt dat het verhogen van de arbeidsparticipatie van vrouwen een essentiële voorwaarde is voor het dichten van de genderpensioenkloof, die het gevolg is van de zich opstapelende nadelen waarmee vrouwen op de arbeidsmarkt gedurende hun leven worden geconfronteerd; erkent in dit verband tevens dat de toegang van vrouwen tot de arbeidsmarkt, met kwalitatief hoogwaardig werk, ondersteuning van loopbaanontwikkeling, een verbeterd evenwicht tussen werk en privéleven voor zowel mannen, als vrouwen, en de aanpak van gendersegregatie in het onderwijs en op de arbeidsmarkt een essentiële rol spelen bij het voorkomen en verkleinen van de genderpensioenkloof; stelt verder vast dat vandaag de dag meer en beter opgeleide jonge vrouwen zich op de arbeidsmarkt begeven;
2. herinnert aan de belangrijke van de sociale partners bij de discussies over vraagstukken betreffende het minimumloon, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel; benadrukt dat vakbonden en collectieve onderhandelingen een belangrijke rol spelen bij het waarborgen van de toegang van ouderen tot overheidspensioenen, in overeenstemming met de beginselen van solidariteit tussen de generaties en gendergelijkheid; onderstreept dat het belangrijk is vakbonden te betrekken bij politieke besluiten die een wijziging inhouden van significante wettelijke aspecten van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pensioen; verzoekt de EU en de lidstaten om, in samenwerking met de sociale partners en gendergelijkheidsorganisaties, beleidsmaatregelen te ontwikkelen en toe te passen om de salariskloof tussen mannen en vrouwen te dichten; verzoekt de lidstaten te overwegen om in aanvulling hierop periodiek de salarissen in kaart te brengen;
3. betreurt het dat de genderpensioenkloof in de EU 39 % bedraagt en dus meer dan twee keer zo groot is als de salariskloof tussen mannen en vrouwen (van 16 %), wat een afspiegeling is van de levenslange gevolgen en effecten van de ongelijkheid op de arbeidsmarkt op de rechten van vrouwen, alsook van de verschillen op de gebieden loopbaanontwikkeling en zorgtaken; herinnert eraan dat, overeenkomstig artikel 157 VWEU, de lidstaten er zorg voor moeten dragen dat het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid wordt toegepast, en dat de implementatie en bevordering van dit beginsel een conditio sine qua non is voor het verkleinen van de salaris- en pensioenkloof tussen mannen en vrouwen, en voor het elimineren van het risico op armoede; verzoekt de lidstaten en de Commissie stappen te ondernemen om alle vormen van meervoudige discriminatie op basis van gender te bestrijden, om de toepassing van de beginselen van non-discriminatie en gelijkheid op de arbeidsmarkt en bij de toegang tot arbeid te verzekeren, en - in het bijzonder - om socialebeschermingsmaatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat het salaris en de socialezekerheidsrechten van vrouwen, met inbegrip van pensioenen, gelijk zijn aan die van mannen met dezelfde of een gelijkwaardige baan; verzoekt de lidstaten adequate maatregelen vast te stellen om de schending van het beginsel van gelijke beloning voor gelijke of gelijkwaardige arbeid tegen te gaan; is van oordeel dat gendergelijkheid, door het sociaal en economisch welzijn te verbeteren, niet alleen vrouwen maar ook de samenleving als geheel ten goede komt;
4. betreurt het dat in veel lidstaten onvoldoende betaalbare en hoogwaardige kinderopvang en langdurige zorg beschikbaar is, en dat veel vrouwen gedwongen zijn korter te werken om voor kinderen, mensen met een handicap en andere hulpbehoevenden te zorgen; benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat vrouwen en mannen gelijk verdienen en in gelijke mate zorgtaken waarnemen door genderongelijkheden op het vlak van betaald en onbetaald werk weg te werken en een gelijke verdeling van verantwoordelijkheden, kosten en zorg te bevorderen; wijst er in dit verband op dat de universele toegang tot hoogwaardige (sociale) diensten van algemeen belang moet worden gewaarborgd en dat er concrete voorstellen nodig zijn om een beter evenwicht tussen werk en privéleven te bevorderen;
5. benadrukt het feit dat de genderpensioenkloof een complex fenomeen is, dat verder reikt dan de structuren van pensioenstelsels; benadrukt het feit dat de tekortschietende tenuitvoerlegging van de doelstellingen van Barcelona inzake structuren voor kinderopvang de mogelijkheden van vrouwen met betrekking tot volledige arbeidskansen sterk vermindert en zo bijdraagt tot ongelijkheden op het gebied van pensioen; verzoekt de Commissie en de lidstaten de doelstellingen van Barcelona ten laatste in 2020 te verwezenlijken, en hierbij voor een doeltreffende aanpak te kiezen, het kwaliteitskader 2014 voor onderwijs en opvang voor jonge kinderen te onderschrijven, aandacht te besteden aan de onderliggende oorzaken van de genderpensioenkloof door de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen te ondersteunen, te investeren in betaalbare en toegankelijke kwalitatief hoogwaardig zorgstelsels voor kinderen, ouderen en hulpbehoevenden, en bij de berekening van socialebeschermingsrechten rekening te houden met zorgperioden;
6. merkt op dat het pensioenbeleid moet worden gecombineerd met adequaat beleid voor de arbeidsmarkt en actief ouder worden, teneinde de salaris- en pensioenkloof tussen mannen en vrouwen te verkleinen; benadrukt in dit verband de kwetsbare positie van vrouwen die tot een raciale, etnische, religieuze of taalkundige minderheidsgroep behoren; benadrukt het belang van het bestrijden van genderstereotypen op de arbeidsmarkt; verzoekt de lidstaten Richtlijn 2006/54/EG volledig ten uitvoer te leggen middels een verplichte vereiste voor bedrijven om maatregelen inzake gendergelijkheid te ontwikkelen, teneinde discriminatie bij opleidingen en de integratie van vrouwen op de arbeidsmarkt te voorkomen, met inbegrip van acties op het gebied van desegregatie, de ontwikkeling van betalingssystemen en maatregelen om de loopbanen van vrouwen te ondersteunen; verzoekt de lidstaten uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Commissie inzake loontransparantie, genderneutrale functieomschrijvingen en classificaties, en de omkering van de bewijslast bij het aanvechten van genderdiscriminatie op het werk;
7. betreurt het dat loopbanen vanwege tijdelijk werk, de toename van onvrijwillige tijdelijke contracten, beperkte dienstverbanden of werkloosheid steeds onregelmatiger en onzekerder worden; wijst erop dat vrouwen het vaker dan mannen financieel moeilijk hebben omdat zij over het algemeen onderbroken loopbanen hebben, alsook vaker moeilijkheden ondervinden om zowel in particuliere, als openbare pensioenstelsels voldoende bijdragen op te bouwen als gevolg van een geringere arbeidsparticipatie, de salariskloof, loopbaanonderbrekingen, de prevalentie van deeltijdbanen, arbeidsmarktsegregatie en atypische contracten, het verrichten van onbetaalde zorgtaken, en uitsluiting van de arbeidsmarkt gedurende langere perioden in hun leven; benadrukt dat de strijd moeten worden aangebonden met indirecte discriminatie in pensioenregelingen, niet alleen in bedrijfspensioenregelingen, maar ook in verband met praktijken die worden gehanteerd in wettelijke pensioenregelingen; roept er met klem toe op aandacht te besteden aan de noodzaak om de salariskloof en arbeidsmarktsegregatie tussen mannen en vrouwen in de sectoren met lage lonen aan te pakken; is van oordeel dat vooral het optrekken van de salarissen in de lagelonensectoren, waar vrouwen in de meerderheid zijn, hiervoor een geschikt instrument is; verzoekt de lidstaten maatregelen te nemen die bewerkstelligen dat atypische werknemers dezelfde pensioendekking hebben als andere werkenden;
8. wijst er nogmaals op dat een fatsoenlijk pensioeninkomen van essentieel belang is in de strijd tegen armoede onder ouderen; benadrukt dat armoede onder vrouwen wordt veroorzaakt door meerdere factoren, waaronder de salariskloof tussen mannen en vrouwen, de pensioenkloof, zorgtaken en daarmee samenhangende onderbrekingen, alsook ontoereikende steunregelingen en belastingstelsels waardoor huishoudens van alleenstaande moeders worden getroffen; verzoekt de lidstaten te garanderen dat deeltijdwerkers, werknemers met onregelmatige dienstverbanden, meewerkende echtgenoten en werknemers die hun loopbaan hebben onderbroken of in bepaalde perioden minder uren hebben gewerkt, recht hebben op een fatsoenlijke pensioenregeling zonder welke vorm van discriminatie dan ook;
9. stelt vast dat bij bedrijfsregelingen voor ouderdomspensioenen in toenemende mate verzekeringsbeginselen worden gehanteerd en dat dit aanleiding kan geven tot veel ongelijkheid op het vlak van sociale bescherming(2); beklemtoont dat het Hof van Justitie van de Europese Unie duidelijk heeft gemaakt dat bedrijfspensioenregelingen als salaris moeten worden beschouwd en dat het beginsel van gelijke behandeling derhalve ook op deze regelingen van toepassing is;
10. wijst erop dat de overgang naar een uit meerdere pijlers bestaand pensioenstelsel meer genderongelijkheid op het gebied van pensioenen tot gevolg heeft(3); is van oordeel dat de eerste van de drie pensioenpijlers de kern van de nationale pensioenstelsels moet blijven en bevorderd moet worden om de ongelijkheden op het gebied van pensioenen, met name die op grond van gender, te bestrijden; vindt daarnaast dat particuliere pensioenstelsel een vrijwillige optie moeten blijven; wijst erop dat de genderpensioenkloof in de eerste pijler het kleinst is en dat de onder deze pijler vallende regelingen de meest inclusieve, wat herverdeling betreft eerlijkste en zelfs meest kosteneffectieve manier zijn gebleken om armoede onder ouderen te bestrijden; verzoekt de Commissie en de lidstaten de openbare pensioenstelsels te versterken ten opzichte van andere stelsels, die de genderpensioenkloof verder zouden kunnen vergroten;
11. beklemtoont dat iedereen recht heeft op een overheidspensioen, en herinnert aan artikel 25 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waarin het recht van ouderen op een waardig en onafhankelijk bestaan is vastgelegd, en aan artikel 34 van hetzelfde Handvest betreffende het recht op toegang tot socialezekerheidsvoorzieningen en sociale diensten die bescherming waarborgen in geval van moederschap, ziekte, arbeidsongevallen, invaliditeit, afhankelijkheid van langdurige zorg, ouderdom of ontslag; wijst op het belang van de openbare, via een omslagsysteem gefinancierde socialezekerheidsstelsels als belangrijke bouwsteen voor een toereikende ouderdomsvoorziening;
12. wijst erop dat de demografische veranderingen niet mogen worden aangegrepen als reden voor de afbraak van sociale rechten en uitkeringen;
13. benadrukt de belangrijke rol die overlevingspensioenen vervullen bij het beschermen van vele oudere vrouwen tegen armoede en sociale uitsluiting, waarop zij een hoger risico lopen dan oudere mannen; verzoekt de lidstaten hun overlevingspensioenstelsels, met inbegrip van weduwenpensioenen, waar nodig te hervormen zodat ongetrouwde vrouwen niet worden benadeeld; verzoekt de lidstaten, met steun van de Commissie, in het licht van de hoge percentages echtscheidingen en ongehuwde stellen onderzoek te doen naar de effecten van de verschillende stelsels voor overlevingspensioenen op armoede en sociale uitsluiting onder oudere vrouwen, en na te denken over wettelijke regelingen die bij scheidingen gedeelde pensioenrechten waarborgen;
14. herhaalt zijn verzoek aan de lidstaten om via het arbeidsrecht en de socialezekerheidswetgeving zorgkredieten in te voeren of, daar waar deze reeds bestaan, te versterken voor vrouwen en mannen, in de vorm van gelijkwaardige perioden voor het opbouwen van pensioenrechten, met als doel mensen die hun loopbaan onderbreken om informele zorg te verstrekken aan een hulpbehoevende of een gezinslid, ongeacht de gezins- of huwelijksstatus, te beschermen; herinnert aan zijn verzoek aan de Commissie een voorstel te presenteren voor een richtlijn inzake zorgverlof en daarin te voorzien in passende beloning en sociale bescherming voor zorgverleners, en goede praktijken vast te stellen op het gebied van het ontwerp van pensioenkredieten in alle lidstaten, met als doel dit instrument te moderniseren en uit te breiden tot de gehele EU, en zo de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen te verkleinen;
15. verzoek de lidstaten om, wanneer niet aan de voorwaarden voor een wettelijke pensioenregeling wordt voldaan, een adequaat algemeen minimumpensioen aan te bieden dat losstaat van de loopbaan van de ontvanger ervan, en ervoor te zorgen dat bij de berekening van de pensioenrechten van de betrokken personen rekening wordt gehouden met de loopbaanonderbrekingen met het oog op het verrichten van zorgtaken voor gezinsleden; beklemtoont dat het erg belangrijk is over te stappen op individuele, in plaats van afgeleide, pensioenrechten en sociale uitkeringen, teneinde situaties van afhankelijkheid binnen gezinnen te voorkomen; verzoekt de lidstaten met klem op huishoudens gebaseerde modellen en dienovereenkomstige socialezekerheidsrechten te vervangen, teneinde individuele rechten te waarborgen en de afhankelijkheid van een partner of de staat te doorbreken; benadrukt dat tegelijkertijd voor een passende verhouding tussen het algemene minimumpensioen en het pensioen dat voortvloeit uit het beroepsleven moet worden gezorgd;
16. verzoekt de Commissie een grondige analyse uit te voeren van de beste praktijken om de lidstaten bij te staan bij de berekening van dergelijke minimumpensioenen;
17. vindt het uitermate zorgwekkend dat de huidige bevriezing en verlaging van de pensioenen in sommige lidstaten de mensen met deeltijdbanen of onderbroken loopbanen, of met een klein inkomen, het hardst treffen; betreurt dat het hierbij vooral om vrouwen gaat; onderstreept dat deze maatregelen tot indirecte discriminatie bij het recht op sociale zekerheid hebben geleid; verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat zowel mannen, als vrouwen de mogelijkheid hebben volledige tijdvakken van bijdragebetaling te vervullen en recht op een volledig pensioen hebben, om de pensioenkloof te dichten door genderdiscriminatie op de arbeidsmarkt te bestrijden, onderwijs en loopbaanplanning aan te passen, voor een beter evenwicht tussen werk en privé te zorgen, en meer te investeren in kinder- en ouderenzorg; vindt het ook belangrijk goede regelgeving inzake gezondheid en veiligheid op het werk vast te stellen die rekening houdt met gendergerelateerde beroeps- en psychosociale risico's, investeringen te doen in openbare diensten voor arbeidsvoorziening die vrouwen van alle leeftijden kunnen begeleiden bij het zoeken naar een baan, en flexibele regels in te voeren voor de overgang van werk naar pensioen;
18. meent dat het economisch, sociaal en werkgelegenheidsbeleid moet worden gewijzigd, door in te zetten op meer investeringen en hogere lonen, teneinde economische groei in sociaal nuttige, milieuvriendelijke en werkgelegenheidsbevorderende activiteiten te genereren, met als doel de economische en werkgelegenheidscrisis te overwinnen;
19. herinnert eraan dat veel gezinnen als gevolg van de hoge werkloosheid en de effecten van de financieel-economische crisis nu afhankelijk zijn van één inkomen, vaak het ouderdomspensioen; is van oordeel dat een humane samenleving op het beginsel van solidariteit tussen de generaties moet berusten; definieert intergenerationele rechtvaardigheid als de gelijkmatige verdeling van baten en lasten over generaties; is van mening dat een werkbare samenwerking tussen generaties gebaseerd moet zijn op solidariteit en wederzijds respect, gedeelde verantwoordelijkheid en de bereidheid elkaar te ondersteunen, waarbij de lidstaten wanneer puntje bij paaltje komt de eindverantwoordelijkheid dragen;
20. onderstreept dat het subsidiariteitsbeginsel ook bij pensioenkwesties strikt moet worden toegepast;
21. roept de lidstaten op meer te investeren in diensten voor kinderen; verzoekt de lidstaten voor voldoende betaalbare, passende en kwalitatief hoogwaardige overheidsdiensten te zorgen; waarschuwt voor de risico's voor gendergelijkheid van de verschuiving van socialezekerheidspensioenen naar particuliere, kapitaalgedekte pensioenen, aangezien particuliere pensioenen gebaseerd zijn op individuele bijdragen en geen regelingen omvatten voor de vergoeding voor tijd die wordt besteed aan de zorg voor kinderen en andere hulpbehoevende familieleden, of voor perioden van werkloosheid, ziekteverlof of invaliditeit; wijst erop dat hervormingen van de pensioenstelsels die sociale uitkeringen aan groei en aan de situatie op de arbeidsmarkt en de financiële markten koppelen, de nadruk uitsluitend op macro-economische aspecten leggen maar niet op het sociale doel van pensioenen;
22. beklemtoont dat de houdbaarheid van de pensioenstelsels kan worden verbeterd door te voorzien in gelijke toegang tot alle pensioenpijlers voor vrouwen; moedigt de lidstaten in dit verband aan bewustmakings- en voorlichtingscampagnes op te zetten om de toegang van vrouwen tot pensioenen van de tweede en derde pijler te bevorderen en te vergemakkelijken, met name in door vrouwen beheerste sectoren, waar er mogelijk weinig gebruik van wordt gemaakt;
23. beklemtoont dat de pensioenstelsels houdbaar kunnen worden gemaakt als prioriteit wordt verleend aan het versterken van de socialezekerheidsstelsels en het onverbiddelijk bestrijden van fraude en belastingontwijking door ondernemingen;
24. onderstreept dat in het kader van de houdbaarheid van de pensioenstelsels rekening moet worden gehouden met de uitdagingen van demografische ontwikkelingen, vergrijzing, geboortecijfers en de verhouding tussen economisch actieven en personen met de pensioengerechtigde leeftijd, van wie de situatie nauw samenhangt met het aantal arbeidsjaren en de betaalde premies;
25. onderstreept dat ook de verschillen in de gemiddelde levensverwachting van mannen en vrouwen direct of indirect kunnen leiden tot ongunstige situaties op het vlak van uitkeringen, met name pensioenen; neemt er nota van dat de lidstaten steeds vaker wordt verzocht om de pensioenleeftijd geleidelijk te verhogen, hetgeen generatievernieuwing en een goed evenwicht tussen privéleven en arbeidsleven onmogelijk maakt, vooral omdat laagbetaald werk dikwijls juist door vrouwen wordt verricht; verzoekt de Commissie en de lidstaten voor mannen en vrouwen identieke levenslange tarieven in te voeren voor pensioenregelingen en zorgkredieten, alsook voor afgeleide uitkeringen, zodat vrouwen voor gelijke bijdragen gelijke pensioenannuïteiten kunnen krijgen, ook al hebben zij een langere levensverwachting dan mannen, en teneinde ervoor te zorgen dat de levensverwachting van vrouwen niet als voorwendsel wordt gebruikt voor discriminatie, in het bijzonder bij de berekening van pensioenen; stelt vast dat het gebruik van de houdbaarheidsfactor, met koppeling van de pensioentrends aan de levensverwachting en de vergrijzing, waardoor de financiële druk op de openbare socialezekerheidsstelsels zou kunnen toenemen, kan worden vermeden door - onder andere - economisch beleid te hanteren dat ontwikkeling en werkgelegenheid stimuleert via nieuwe openbare investeringen en een betere herverdeling van inkomen;
26. verzoekt de lidstaten, teneinde de sociale zekerheid met het oog op de toenemende levensverwachting in de EU houdbaar te houden, met spoed de nodige structurele wijzigingen in de pensioenstelsels door te voeren;
27. vraagt de lidstaten de obstakels voor de toegang tot een adequaat pensioen voor mensen met onderbroken loopbanen (meestal vrouwen), zoals de verhoging van het minimumaantal jaren waarin premies moeten zijn betaald om voor pensioenrechten in aanmerking te komen of de koppeling van de pensioenprestaties aan de gedurende het hele leven betaalde bijdragen, te elimineren;
28. spoort de Commissie ertoe aan dringend maatregelen te treffen om de factoren die de toegang tot een waardig pensioen belemmeren, en die met name vrouwen, jongeren en migranten treffen, te elimineren;
29. wijst erop dat het Comité inzake economische, sociale en culturele rechten van de Verenigde Naties in zijn algemene opmerking nr. 16 (2005) over de gelijke rechten van mannen en vrouwen wat betreft de uitoefening van de economische, sociale en culturele rechten de vereisten van artikel 3 heeft vastgesteld in conjunctie met artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, met inbegrip van het vereiste dat de verplichte pensioenleeftijd voor mannen en vrouwen gelijk moet worden getrokken, en dat moet worden gewaarborgd dat vrouwen dezelfde uitkeringen krijgen van pensioenstelsels, of deze nu openbaar of particulier zijn;
30. wijst erop dat de genderpensioenkloof voortvloeit uit diverse factoren, en verzoekt de lidstaten en de Commissie voort te gaan met het onderzoek naar deze kloof en met het verzamelen van vergelijkbare gegevens, teneinde beleidsmaatregelen voor te stellen op basis van betere informatie; verzoekt de Commissie en de lidstaten invulling te geven aan de conclusies van de Raad van 18 juni 2015 getiteld 'Equal income opportunities for women and men: closing the gender gap in pensions', met inbegrip van het verzoek om bij de berekening van socialebeschermingsrechten rekening te houden met zorgperioden, te investeren in toegankelijke en betaalbare zorgstelsels, indicatoren voor de genderpensioenkloof te ontwikkelen en verder onderzoek naar de oorzaken ervan te bevorderen;
31. verzoekt de lidstaten respectvolle maatregelen ter voorkoming van armoede in te voeren voor werknemers wier gezondheid het niet toelaat om tot de wettelijke pensioenleeftijd door te werken; is van oordeel dat de regelingen voor vervroegd pensioen voor werknemers die aan zware of risicovolle arbeidsomstandigheden worden blootgesteld, moeten worden gehandhaafd; is van mening dat het verhogen van de arbeidsparticipatie door middel van hoogwaardige banen ertoe kan bijdragen dat de toekomstige toename van het aantal mensen dat niet tot de pensioenleeftijd kan doorwerken aanzienlijk wordt beperkt, ter verlichting van de financiële belasting als gevolg van de vergrijzing;
32. is zeer bezorgd over de impact van de door bezuinigingen ingegeven landenspecifieke aanbevelingen inzake pensioenregelingen en hun houdbaarheid, en de toegang tot op bijdragen stoelende pensioenen in een toenemend aantal lidstaten, alsook over de negatieve effecten van de landenspecifieke aanbevelingen op de inkomensniveaus en sociale overdrachten die nodig zijn om armoede en sociale uitsluiting uit te bannen;
33. vraagt de Commissie gedetailleerd in kaart te brengen welke effecten de landenspecifieke aanbevelingen en het Witboek van 2012 inzake pensioenen, gericht op het aanpakken van de oorzaken van genderpensioenkloof, hebben op de meest kwetsbare groepen, en op vrouwen in het bijzonder, alsook een formele indicator voor de genderpensioenkloof te ontwikkelen en voor stelselmatig toezicht te zorgen; dringt aan op passende evaluaties en gendereffectbeoordelingen van de tot op heden gedane aanbevelingen c.q. genomen maatregelen; verzoekt de Commissie aan de scorebordindicatoren een indicator voor de genderpensioenkloof toe te voegen, en voor ondersteuning te zorgen van de ontwikkeling van naar gender uitgesplitste statistieken en onderzoek, teneinde het toezicht op en de evaluatie van de effecten van pensioenhervormingen op de welvaart en het welzijn van vrouwen te versterken;
34 verzoekt de Commissie in haar landenspecifieke aanbevelingen ten aanzien van de hervorming van de nationale pensioenstelsels concrete aanbevelingen te doen wat betreft de noodzaak maatregelen te nemen voor de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen, de combinatie van werk en privéleven, een evenwichtige taakverdeling tussen mannen en vrouwen op het vlak van het huishouden en de zorg voor kinderen en hulpbehoevenden, en het ontwerp van openbare pensioenstelsels en de regulering van particuliere en bedrijfsstelsels, teneinde de genderloon- en pensioenkloof te verkleinen;
35. vraagt de lidstaten meer en betere gegevens over gendergerelateerde onevenwichtigheden te verzamelen, teneinde het probleem beter te kunnen doorgronden en vervolgens geschikte oplossingen te kunnen ontwikkelen; verzoekt de Commissie de lidstaten bij het verzamelen van deze gegevens in die zin te ondersteunen dat zij in EU-verband vergelijkbaar zijn; verzoekt de lidstaten hun pensioenstelsels en de reeds geïmplementeerde hervormingen te ontdoen van die elementen die tot meer onevenwichtigheden (en met name gendergerelateerde onevenwichtigheden, zoals de huidige genderpensioenkloof) bij pensioenen leiden, rekening te houden met de gendereffecten van eventuele verdere pensioenhervormingen en maatregelen te nemen voor het elimineren van de discriminatie in kwestie; benadrukt dat beleidswijzigingen op het vlak van pensioenen altijd moeten worden beoordeeld aan de hand van het effect ervan op de genderkloof, door middel van specifieke analyses waarbij de gevolgen van de voorgestelde wijzigingen voor vrouwen en mannen tegen elkaar worden afgezet, hetgeen een essentieel onderdeel moet vormen van de planning, het ontwerp, de tenuitvoerlegging en de evaluatie van overheidsbeleid;
36 spoort de Commissie en de lidstaten ertoe aan de regelingen voor moederschap en vaderschap te herzien, en deze om te vormen tot ouderschapsregelingen die de ouders zelf kunnen invullen, waarbij de zorg voor de kinderen niet meer uitsluitend op één van beide ouders – in de praktijk meestal de moeder – rust; merkt echter op dat dergelijke regelingen niet in de plaats mogen komen van exclusieve verlofregelingen voor vaders en moeders, die naast elkaar moeten worden gehandhaafd;
37. benadrukt het belang van lokale en regionale instanties op het vlak van sociale zekerheid en sociale diensten; verzoekt de Commissie en de lidstaten beleidsmakers, bedrijven en het maatschappelijk middenveld bewuster te maken van de algemene pensioengenderkloof, alsook te zorgen voor op maat gesneden financiële geletterdheid, informatie en advies voor vrouwen én mannen, maar vooral vrouwen, om hen te helpen de juiste investeringsbesluiten te nemen; merkt op dat de gendergerelateerde pensioenkloof tot dusver weinig aandacht heeft gekregen in het publieke debat; verzoekt de Commissie en de lidstaten voorlichtingscampagnes te voeren en de pensioenkennis onder vrouwen en mannen voortdurend te verbeteren; spoort de Commissie ertoe aan voldoende middelen uit te trekken voor de tenuitvoerlegging van een EU-strategie tot beëindiging en preventie van de genderpensioenkloof.
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE
Datum goedkeuring
8.12.2016
Uitslag eindstemming
+:
–:
0:
26
21
5
Bij de eindstemming aanwezige leden
Laura Agea, Brando Benifei, Mara Bizzotto, Enrique Calvet Chambon, David Casa, Ole Christensen, Martina Dlabajová, Elena Gentile, Czesław Hoc, Agnes Jongerius, Rina Ronja Kari, Jan Keller, Ádám Kósa, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Jean Lambert, Patrick Le Hyaric, Jeroen Lenaers, Verónica Lope Fontagné, Javi López, Thomas Mann, Dominique Martin, Anthea McIntyre, Joëlle Mélin, João Pimenta Lopes, Georgi Pirinski, Marek Plura, Terry Reintke, Sofia Ribeiro, Maria João Rodrigues, Claude Rolin, Anne Sander, Sven Schulze, Romana Tomc, Yana Toom, Ulrike Trebesius, Marita Ulvskog, Renate Weber, Jana Žitňanská
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers
Daniela Aiuto, Georges Bach, Deirdre Clune, Karima Delli, Tania González Peñas, Edouard Martin, Alex Mayer, Joachim Schuster, Tom Vandenkendelaere, Flavio Zanonato, Gabriele Zimmer
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)
Europees Parlement, Beleidsondersteunenden afdeling C, Rechten van de burger en Constitutionele Zaken (Ludovici: 2016) ‘The gender pension gap: differences between mothers and women without children’, http://www.europarl.europa.eu/supporting-analyses.
INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE
Datum goedkeuring
3.5.2017
Uitslag eindstemming
+:
–:
0:
17
5
13
Bij de eindstemming aanwezige leden
Malin Björk, Vilija Blinkevičiūtė, Arne Gericke, Anna Hedh, Filiz Hyusmenova, Florent Marcellesi, Angelika Mlinar, Angelika Niebler, Maria Noichl, Marijana Petir, Pina Picierno, João Pimenta Lopes, Terry Reintke, Liliana Rodrigues, Michaela Šojdrová, Ernest Urtasun, Beatrix von Storch, Elissavet Vozemberg-Vrionidi, Jadwiga Wiśniewska, Anna Záborská, Jana Žitňanská
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers
Biljana Borzan, Stefan Eck, Constance Le Grip, Edouard Martin, Clare Moody, Julie Ward
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)
Joëlle Bergeron, Angélique Delahaye, Marian Harkin, Maurice Ponga, Julia Reid, Sven Schulze, Sabine Verheyen, Lambert van Nistelrooij
HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE
17
+
ALDE
Marian Harkin, Filiz Hyusmenova, Angelika Mlinar
ECR
Arne Gericke, Jadwiga Wiśniewska, Jana Žitňanská
EFDD
Joëlle Bergeron
PPE
Angélique Delahaye, Constance Le Grip, Angelika Niebler, Marijana Petir, Maurice Ponga, Sven Schulze, Michaela Šojdrová, Sabine Verheyen, Elissavet Vozemberg-Vrionidi, Lambert van Nistelrooij
5
-
EFDD
Julia Reid, Beatrix von Storch
GUE/NGL
Malin Björk, Stefan Eck, João Pimenta Lopes
13
0
PPE
Anna Záborská
S&D
Vilija Blinkevičiūtė, Biljana Borzan, Anna Hedh, Edouard Martin, Clare Moody, Maria Noichl, Pina Picierno, Liliana Rodrigues, Julie Ward