Procedure : 2016/2221(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0224/2017

Ingediende teksten :

A8-0224/2017

Debatten :

PV 03/07/2017 - 25
CRE 03/07/2017 - 25

Stemmingen :

PV 04/07/2017 - 6.16
CRE 04/07/2017 - 6.16
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0290

VERSLAG     
PDF 480kWORD 83k
14.6.2017
PE 587.795v02-00 A8-0224/2017

over arbeidsomstandigheden en onzeker werk

(2016/2221(INI))

Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

Rapporteur: Neoklis Sylikiotis

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling
 ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over arbeidsomstandigheden en onzeker werk

(2016/2221(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 151 en 153,

  gezien artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name hoofdstuk IV (solidariteit),

–  gezien Richtlijn 94/33/EG van de Raad van 22 juni 1994 betreffende de bescherming van jongeren op het werk(1),

  gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep(2),

  gezien Richtlijn 2008/104/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende uitzendarbeid ("de richtlijn uitzendarbeid")(3),

  gezien de gerichte herziening van Richtlijn 1996/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten ("de detacheringsrichtlijn")(4) en van Richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van Richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten ("de handhavingsrichtlijn")(5),

  gezien Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I)(6),

–  gezien zijn resolutie van 19 oktober 2010 over vrouwen in onzeker dienstverband(7),

  gezien zijn resolutie van 10 september 2015 over de totstandbrenging van een concurrerende EU-arbeidsmarkt voor de 21e eeuw: afstemming van vaardigheden en kwalificaties op de vraag en kansen voor werk als manier om de crisis te overwinnen(8),

  gezien zijn resolutie van 25 februari 2016 over het Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse(9),

–  gezien zijn resolutie van 14 september 2016 over sociale dumping in de Europese Unie(10),

–  gezien zijn resolutie van 15 september 2016 over de toepassing van Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(11),

  gezien zijn resolutie van 19 januari 2017 over een Europese pijler van sociale rechten(12),

  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over "The changing nature of employment relationships and its impact on the living wage"(13),

  gezien het Europees platform voor de intensivering van de samenwerking bij de aanpak van zwartwerk,

–  gezien zijn studie van 2016 over onzeker werk in Europa ("Precarious Employment in Europe: Patterns, trends and policy strategies")(14),

  gezien het Europees Handvest inzake de kwaliteit van stages, dat op 14 december 2011 is gepubliceerd,

–  gezien het driemaandelijkse verslag van de Commissie over werkgelegenheid en sociale ontwikkelingen in Europa voor het najaar van 2016 ("Employment and Social Developments in Europe Quarterly Review Autumn 2016"),

–  gezien het "Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019" van de Commissie,

  gezien het Eurofound-verslag van 2010 over flexibele arbeidsvormen: "zeer atypische" arbeidsovereenkomsten,

  gezien het Eurofound-verslag van 2014 over de gevolgen van de crisis voor de arbeidsverhoudingen en ‑omstandigheden in Europa(15),

  gezien het Eurofound-verslag van 2015 over nieuwe vormen van werk(16),

  gezien het Eurofound-verslag van 2016 over onderzoek naar frauduleus contracteren voor werk in de Europese Unie(17),

  gezien de Europese enquête naar de arbeidsomstandigheden (EWCS) van Eurofound en het overzichtsverslag over de zesde EWCS(18),

  gezien het woordenboek van de arbeidsverhoudingen ("Industrial Relations Dictionary") van Eurofound(19),

–  gezien de fundamentele arbeidsnormen die zijn vastgesteld door de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), alsook de verdragen en aanbevelingen van de IAO inzake arbeidsvoorwaarden,

–  gezien aanbeveling R198 van de IAO van 2006 inzake arbeidsverhoudingen(20) en de daarin vervatte bepalingen betreffende de vaststelling van een arbeidsverhouding,

–  gezien het IAO-verslag van 2011 over beleid en regelgeving ter bestrijding van onzeker werk ("Policies and regulations to combat precarious employment")(21),

–  gezien het IAO-verslag van 2016 over atypisch werk wereldwijd ("Non-standard employment around the world: Understanding challenges, shaping prospects")(22),

–  gezien het IAO-verslag van 2016 over de totstandbrenging van een sociale pijler ten behoeve van Europese convergentie ("Building a social pillar for European convergence")(23),

–  gezien algemene ontwerpaanbeveling nr. 28 van de VN van 2010 inzake de kernverplichtingen van de staten die partij uit hoofde van artikel 2 van het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen,

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa van 2011 inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul),

–  gezien de Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2014-2017 van de Raad van Europa,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0224/2017),

A.  overwegende dat er "niet-standaardvormen" of "atypische vormen" van werk verschijnen; overwegende dat in de EU het aantal werknemers met arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en deeltijdovereenkomsten de afgelopen vijftien jaar is gestegen; overwegende dat er efficiënt beleid nodig is om de verschillende vormen van werk te bestrijken en werknemers voldoende te beschermen;

B.  overwegende dat het percentage "standaardvormen" van werk de afgelopen tien jaar is gedaald van 62 % tot 59 %(24); overwegende dat het, als deze ontwikkeling zich voortzet, wel eens zover zou kunnen komen dat slechts een minderheid van de werknemers nog een standaardarbeidsovereenkomst heeft;

C.  overwegende dat voltijdse overeenkomsten voor onbepaalde tijd nog steeds het merendeel van de arbeidsovereenkomsten in de EU uitmaken en dat atypische vormen van werk in sommige sectoren ook naast standaardvormen van werk voorkomen; overwegende dat atypisch werk ook een negatieve invloed kan hebben op het evenwicht tussen werk en privéleven, als gevolg van atypische werktijden en onregelmatige lonen en pensioenpremies;

D.  overwegende dat de grens tussen werk in loondienst en werk als zelfstandige door de opkomst van nieuwe vormen van werk, vooral als gevolg van de digitalisering en nieuwe technologieën, aan het vervagen is(25), wat ook nadelige gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van het werk;

E.  overwegende dat sommige nieuwe vormen van werk in een aantal opzichten verschillen van traditionele standaardvormen van werk; overwegende dat sommige de verhouding tussen werkgever en werknemer wijzigen, dat andere het arbeidspatroon en de organisatie van het werk wijzigen en dat nog weer andere beide doen; overwegende dat dit tot meer schijnzelfstandigheid, slechtere arbeidsvoorwaarden en minder sociale bescherming kan leiden, maar ook voordelen met zich kan meebrengen; overwegende dat de toepassing van de bestaande wetgeving daarom van het grootste belang is;

F.  overwegende dat de stijgende arbeidsparticipatie in Unie sinds de economische crisis toe te juichen is, maar deels kan worden toegeschreven aan een toename van het aantal atypische arbeidsovereenkomsten, die in sommige gevallen leiden tot een groter risico op onzekerheid dan standaardvormen van werk; overwegende dat bij het scheppen van banen meer nadruk moet worden gelegd op kwaliteit;

G.  overwegende dat het aantal deeltijdbanen sinds de crisis op geen enkel moment is verminderd en dat het aantal voltijdbanen in de EU nog steeds onder het niveau van vóór de crisis van 2008 ligt; overwegende dat de arbeidsparticipatie, ondanks de stijging in de afgelopen jaren, nog altijd onder het Europa 2020-streefcijfervan 75 % ligt en sterk verschilt van de ene lidstaat tot de andere;

H.  overwegende dat het belangrijk is een onderscheid te maken tussen de opkomst van nieuwe vormen van werk en het bestaan van onzeker werk;

I.  overwegende dat de EU en de lidstaten een gedeelde bevoegdheid hebben voor het sociaal beleid; overwegende dat de EU de lidstaten op dit gebied alleen kan aanvullen en ondersteunen;

J.  overwegende dat de EU slechts minimumeisen voor arbeidsomstandigheden kan vaststellen, zonder de wet- en regelgeving van de lidstaten te harmoniseren;

K.  overwegende dat er reeds een Europees platform ter bestrijding van zwartwerk is opgericht, dat een nauwere grensoverschrijdende samenwerking tussen en gezamenlijke maatregelen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en andere actoren mogelijk maakt om zwartwerk doelmatig en doeltreffend te bestrijden;

L.  overwegende dat onzeker werk tot marktversnippering leidt en de loonverschillen verscherpt;

M.  overwegende dat er tot dusver geen gemeenschappelijke definitie van het begrip "onzeker werk" bestaat; overwegende dat deze definitie moet worden opgesteld in nauw overleg met de sociale partners; overwegende dat het type overeenkomst op zich het risico van onzeker werk niet kan voorspellen, maar dat dit risico integendeel van een hele reeks factoren afhangt;

N.  overwegende dat onder standaardvormen van werk voltijds en vrijwillig deeltijds regulier werk op basis van overeenkomsten voor onbepaalde tijd kunnen worden verstaan; overwegende dat elke lidstaat zijn eigen wetten en praktijk heeft voor de vaststelling van de arbeidsvoorwaarden die van toepassing zijn op verschillende soorten arbeidsovereenkomsten en stages; overwegende dat er geen universeel aanvaarde definitie van "standaardvormen van werk" bestaat;

O.  overwegende dat de recentste kwesties in verband met vertegenwoordiging, die toe te schrijven zijn aan tekortkomingen in de organisaties van de sociale partners in bepaalde sectoren of aan hervormingen in verschillende Europese landen waarbij de rol van de sociale partners wordt ingeperkt, van invloed zijn op alle arbeidsrelaties;

P.  overwegende dat sommige sectoren, zoals de landbouw, de bouwnijverheid en de kunstensector, onevenredig getroffen worden door onzeker werk; overwegende dat onzeker werk zich de afgelopen jaren ook heeft verbreid in andere sectoren, zoals de luchtvaart en het hotelwezen(26);

Q.  overwegende dat uit recente studies blijkt dat handarbeiders met een gemiddelde scholing en laaggeschoolde werknemers er minder goed aan toe zijn qua inkomen, vooruitzichten en intrinsieke werkkwaliteit; overwegende dat deze groep volgens die studies vaker wordt blootgesteld aan milieu- en houdingsrisico's, en dat zowel hun fysieke als hun mentale welzijnsniveau lager is(27);

R.  overwegende dat vrouwen 46 % van de actieve beroepsbevolking op de EU-arbeidsmarkt uitmaken en bijzonder kwetsbaar zijn voor baanonzekerheid als gevolg van discriminatie, ook wat loon betreft, en overwegende dat vrouwen ongeveer 16 % minder verdienen dan mannen; overwegende dat vrouwen vaker deeltijds, met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd of voor een laag loon werken, en daardoor meer risico lopen op onzekerheid; overwegende dat dergelijke arbeidsvoorwaarden leiden tot levenslange verliezen aan inkomen en bescherming, of het nu gaat om loon, pensioen of socialezekerheidsuitkeringen; overwegende dat mannen vaker voltijds en met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd werken dan vrouwen; overwegende dat vooral vrouwen getroffen worden door onvrijwillig deeltijdwerk, schijnzelfstandigheid en zwartwerk(28);

S.  overwegende dat de arbeidsparticipatie in de EU hoger is bij mannen dan bij vrouwen; overwegende dat de belangrijkste redenen waarom vrouwen de arbeidsmarkt verlaten, zijn dat ze voor kinderen of ouderen moeten zorgen, zelf ziek of arbeidsongeschikt zijn of andere persoonlijke of gezinsverantwoordelijkheden hebben; overwegende dat vrouwen vaak worden geconfronteerd met discriminatie en hinderpalen omdat ze moeder zijn of zouden kunnen worden; overwegende dat alleenstaande vrouwen met afhankelijke kinderen een bijzonder hoog risico op onzekerheid lopen;

T.  overwegende dat gelijkheid van vrouwen en mannen een grondrecht is dat veronderstelt dat gelijke kansen en een gelijke behandeling op alle gebieden van het leven moeten worden gegarandeerd, en overwegende dat beleid om deze gelijkheid te waarborgen, slimme en duurzame groei helpt bevorderen;

U.  overwegende dat veel werknemers die zich in een onzekere arbeidssituatie bevinden of werkloos zijn, geen recht hebben op ouderschapsverlof;

V.  overwegende dat jonge werknemers een hoger risico lopen om in een onzekere baan terecht te komen; overwegende dat het risico om in een positie met meerdere nadelen terecht te komen, bij werknemers jonger dan 25 jaar dubbel zo hoog is als bij werknemers van 50 jaar of ouder(29);

I. Naar fatsoenlijk werk – arbeidsvoorwaarden en onzeker werk aanpakken

1.  vraagt de lidstaten rekening te houden met de volgende IAO-indicatoren om te bepalen of er sprake is van een dienstverband:

- het werk wordt verricht volgens de instructies en onder het gezag van een andere partij;

- het houdt in dat de werkende in de organisatie van het bedrijf wordt opgenomen;

- het wordt uitsluitend of voornamelijk ten voordele van een andere persoon verricht;

- het moet door de werkende persoonlijk worden verricht;

- het wordt verricht binnen welbepaalde werkuren of op een werkplek die wordt bepaald of overeengekomen door de partij die om het werk verzoekt;

- het werk heeft een bepaalde duur en een zekere continuïteit;

- het vereist dat de werkende beschikbaar is of omvat de verstrekking van gereedschap, materiaal en machines door de partij die om het werk verzoekt;

- de werkende krijgt een periodieke beloning die zij enige of voornaamste bron van inkomsten is, en er kan ook sprake zijn van betaling in natura, zoals eten, huisvesting of vervoer;

- de werkende heeft rechten zoals wekelijkse rusttijden en jaarlijks verlof;

2.  neemt nota van de Eurofound-definitie van atypisch werk, namelijk arbeidsverhoudingen die niet overeenstemmen met het standaard- of typische model van voltijdse, reguliere en langdurige tewerkstelling van onbepaalde duur bij één werkgever(30); benadrukt dat de termen "atypisch" en "onzeker" niet als synoniemen kunnen worden gebruikt;

3.  verstaat onder onzeker werk vormen van werk die niet aan de Europese en nationale normen, met name op het vlak van gezondheid en veiligheid op het werk, voldoen en/of onvoldoende middelen opleveren om fatsoenlijk van te kunnen leven, of ontoereikende sociale bescherming bieden;

4.  stelt vast dat sommige atypische vormen van werk grotere risico's op onzekerheid met zich meebrengen, onvrijwillig deeltijdwerk, arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, nulurencontracten en onbetaalde stages;

5.  onderstreept dat wanneer het de werknemer is die voor vormen van deeltijdwerk kiest, ervoor moet worden gezorgd dat dit werk in economisch en sociaal opzicht duurzaam is;

6.  is er vast van overtuigd dat flexibiliteit op de arbeidsmarkt niet gaat over de uitholling van de werknemersrechten in ruil voor productiviteit en concurrentie, maar dat het erom gaat een geslaagd evenwicht tot stand te brengen tussen de bescherming van de werknemers en de mogelijkheid om individuele werknemers en werkgevers afspraken te laten maken over manieren van werken die aan de behoeften van beide partijen beantwoorden;

7.  merkt op dat het risico van bestaansonzekerheid afhangt van het type overeenkomst maar ook van de volgende indicatoren:

- weinig of geen baanzekerheid als gevolg van de niet-vaste aard van het werk, zoals het geval is bij onvrijwillige en vaak marginale deeltijdovereenkomsten en, in sommige lidstaten, onduidelijke werktijden en veranderlijke taken als gevolg van werk op aanvraag;

- rudimentaire bescherming tegen ontslag en onvoldoende sociale bescherming bij ontslag;

- onvoldoende beloning om fatsoenlijk van te kunnen leven;

- geen of beperkte socialezekerheidsrechten of -uitkeringen;

- geen of beperkte bescherming tegen discriminatie;

- geen of geringe vooruitzichten op een betere positie op de arbeidsmarkt of loopbaanontwikkeling en opleiding;

- weinig collectieve rechten en beperkt recht op collectieve vertegenwoordiging van werknemers;

- arbeidsomstandigheden die niet aan de minimumregels voor veiligheid en gezondheid beantwoorden(31);

8.  herinnert aan de definitie van "fatsoenlijk werk" van de IAO, namelijk werk dat productief is en een billijk inkomen oplevert, een veilige werkplek en sociale bescherming biedt, betere vooruitzichten op persoonlijke ontwikkeling en sociale integratie biedt, mensen de vrijheid geeft om voor hun belangen op te komen, zich te organiseren en deel te nemen aan de besluitvorming die van invloed is op hun leven, en waarbij alle vrouwen en mannen gelijke kansen krijgen en gelijk worden behandeld(32); moedigt de IAO aan om aan die definitie een leefbaar loon toe te voegen; moedigt de Commissie en de lidstaten aan om deze definitie te onderschrijven wanneer zij het arbeidsrecht herzien of verder ontwikkelen;

9.  herinnert aan de succesfactoren voor good practices ter bestrijding van onzeker werk, namelijk: een sterke juridische basis, betrokkenheid van de sociale partners en de ondernemingsraden op de werkplek, samenwerking met de belanghebbenden, evenwicht tussen flexibiliteit en zekerheid, sectorgerichtheid, lage administratieve lasten voor de werkgevers, handhaving door de arbeidsinspectie, en bewustmakingscampagnes;

10.  onderstreept dat het noodzakelijk is om, in overeenstemming met de grondwettelijke tradities van de lidstaten, een anticyclisch economisch beleid te voeren om de koopkracht van de werknemers te beschermen;

11.  merkt op dat het IAO-agenda voor fatsoenlijk werk specifiek bedoeld is om banencreatie, rechten op het werk, sociale bescherming en sociale dialoog alsook en gendergelijkheid te garanderen; benadrukt dat fatsoenlijk werk met name het volgende moet bieden:

- een fatsoenlijk loon, en ook het recht op vrijheid van vereniging moet garanderen;

- collectieve overeenkomsten in overeenstemming met de praktijk van de lidstaten;

- participatie van de werknemers in bedrijfsaangelegenheden, in overeenstemming met de praktijk van de lidstaten;

- eerbiediging van het collectieve onderhandelingen;

- gelijke behandeling van werknemers op dezelfde werkplek;

- gezondheid en veiligheid op het werk;

- sociale zekerheid voor werknemers en hun personen ten laste;

- bepalingen inzake werk- en rusttijden;

- bescherming tegen ontslag;

- toegang tot opleiding en een leven lang leren;

- steun voor evenwicht tussen werk en privéleven voor alle werknemers; beklemtoont dat deze rechten slechts kunnen worden gegarandeerd als de toepassing van de arbeids- en sociale wetgeving wordt verbeterd;

12.  merkt op dat talloze factoren, zoals digitalisering en automatisering, bijdragen tot de verandering van de aard van werk, waaronder de opkomst van nieuwe vormen van werk; merkt in dit verband op dat nieuwe vormen van werk wellicht nieuwe, responsieve en evenredige regelgeving vereisen om ervoor te zorgen dat alle vormen van werk eronder vallen;

13.  herhaalt in verband met digitale banen dat mensen die voor digitale platforms werken en andere tussenpersonen recht moeten hebben op toereikende sociale bescherming en gezondheidszorg;

14.  onderstreept dat digitalisering niet louter mag worden beschouwd als iets dat banen doet sneuvelen, maar integendeel kansen biedt voor de ontwikkeling en verbetering van individuele vaardigheden;

15.  onderstreept dat er in 2020 naar verwachting 756 000 niet-ingevulde vacatures in de ICT-sector zullen zijn, waaruit blijkt dat de digitale vaardigheden van de Europese werknemers moeten worden verbeterd;

16.  benadrukt dat de economische crisis heeft geleid tot migratiebewegingen binnen de EU die duidelijk hebben gemaakt dat er barrières bestaan die het vrije verkeer van personen tussen de lidstaten belemmeren en dat er wordt gediscrimineerd op grond van nationaliteit, waardoor EU-burgers weinig baanzekerheid hebben;

17.  benadrukt dat onzekere arbeidssituaties zoals zwartwerk en schijnzelfstandigheid op lange termijn gevolgen hebben voor de geestelijke gezondheid en het lichamelijke welzijn, en ertoe kunnen leiden dat werknemers een groter risico lopen op armoede, sociale uitsluiting en aantasting van hun grondrechten;

18.  benadrukt dat werknemers met zeer korte contracten het meest te lijden hebben onder slechte omstandigheden wat het fysieke aspect van hun werk betreft; benadrukt dat de combinatie van baanonzekerheid en gebrek aan controle over de arbeidstijden vaak wordt veroorzaakt door stressgerelateerde beroepsrisico's;

19.  benadrukt dat in bepaalde sectoren van de economie zoveel gebruik wordt gemaakt van flexibele en atypische arbeidsverhoudingen dat er van misbruik kan worden gesproken;

20.  vraagt de Commissie en de lidstaten beleid te bevorderen dat de positie van werknemers, stagiairs en leerlingen versterkt door het sociaal overleg te versterken en collectieve onderhandelingen te bevorderen, zodat alle werknemers, ongeacht hun statuut, kunnen gebruikmaken van hun recht om zich te verenigen en collectief, vrij en zonder vrees voor directe of indirecte straffen vanwege de werkgever te onderhandelen;

21.  benadrukt de belangrijke rol die voor de sociale partners is weggelegd bij het beschermen van de rechten van de werknemers, het vaststellen van fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden en fatsoenlijke lonen en inkomens overeenkomstig de wetten en praktijk van de lidstaten, en het raadplegen en adviseren van werkgevers en werknemers;

22.  verzoekt de lidstaten om, in nauwe samenwerking met de sociale partners, loopbaantrajecten te ondersteunen zodat mensen zich gemakkelijker kunnen aanpassen aan de verschillende situaties die zij in de loop van hun leven kan meemaken, met name aan de hand van beroepsopleiding tijdens de hele loopbaan, toereikende werkloosheidsuitkeringen, overdraagbaarheid van sociale rechten en een actief en doeltreffend arbeidsmarktbeleid;

23.  verzoekt de Commissie en de lidstaten doeltreffende bescherming te bevorderen en te garanderen, alsook een gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers die in dienstverband werken, door een integrale beleidsrespons om onzeker werk tegen te gaan en loopbaantrajecten en een degelijke socialezekerheidsdekking te garanderen;

24.  benadrukt hoe belangrijk de arbeidsinspecties van de lidstaten zijn, en onderstreept dat zij zich moeten concentreren op toezicht, handhaving en verbetering van de arbeidsvoorwaarden, gezondheid en veiligheid op het werk en de bestrijding van illegale arbeid en zwartwerk, en in geen geval mogen worden misbruikt als instrument om migratie te beheersen; wijst op het risico van discriminatie van de meest kwetsbare werknemers en veroordeelt ten stelligste bedrijven die migranten in dienst nemen zonder hun rechten en voordelen ten volle te beschermen en zonder hen daarover te informeren; vraagt de lidstaten daarom de arbeidsinspectie uit te rusten met voldoende middelen om een doeltreffend toezicht te kunnen garanderen;

II. Voorstellen

25.  verzoekt de Commissie en de lidstaten onzekere vormen van werk, met inbegrip van zwartwerk en schijnzelfstandigheid, tegen te gaan om ervoor te zorgen dat in alle soorten arbeidsovereenkomsten sprake is van fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden met een passende socialezekerheidsdekking, in overeenstemming met de agenda voor fatsoenlijk werk van de IAO, artikel 9 VWEU, het Handvest van de grondrechten van de EU en het Europees Sociaal Handvest;

26.  vraagt de Commissie en de lidstaten alle praktijken die tot meer onzeker werk kunnen leiden, te bestrijden en zo bij te dragen tot de Europa 2020-doelstelling om de armoede te verminderen;

27.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de kwaliteit van atypische banen te verbeteren door ten minste een reeks minimumnormen vast te stellen inzake sociale bescherming, minimumlonen en toegang tot opleiding en ontwikkeling; benadrukt dat dit moet geschieden met behoud van de kansen voor toegang tot de arbeidsmarkt;

28.  vraagt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de nationale socialezekerheidsstelsels geschikt zijn voor nieuwe vormen van werk;

29.  verzoekt de Commissie nieuwe vormen van werk die uit de digitalisering voortvloeien, te beoordelen; vraagt met name om een beoordeling van de juridische status en de aansprakelijkheid van arbeidsmarktintermediairs en onlineplatformen; vraagt de Commissie Richtlijn 91/533/EEG van de Raad van 14 oktober 1991 betreffende de verplichting van de werkgever de werknemer te informeren over de voorwaarden die op zijn arbeidsovereenkomst of -verhouding ("de richtlijn schriftelijke verklaringen")(33) te herzien om rekening te houden met nieuwe vormen van werk;

30.  benadrukt dat de deeleconomie veel mogelijkheden biedt, in het bijzonder wat nieuwe banen betreft; verzoekt de Commissie en de lidstaten de potentiële nieuwe arbeidsregels die door de deeleconomie tot stand komen, te beoordelen; dringt erop aan dat de werknemers in die sector beter worden beschermd door meer transparantie ten aanzien van hun statuut, de informatie die hun wordt verstrekt en non-discriminatie;

31.  vraagt de Commissie haar gerichte herziening van de detacheringsrichtlijn voort te zetten en de richtlijn uitzendarbeid te herzien om de sociale grondrechten van alle werknemers te garanderen, onder meer gelijke beloning voor gelijk werk op dezelfde werkplek;

32.  onderstreept dat er openbare en particuliere investeringen nodig zijn ter bevordering van met name die sectoren van de economie die een maximaal multiplicatoreffect hebben, teneinde opwaartse sociale convergentie en cohesie in de Unie in de hand te werken en het scheppen van fatsoenlijke banen te bevorderen; benadrukt in dit verband dat kmo's en start-ups steun moeten krijgen;

33.  beklemtoont dat zwartwerk moet worden aangepakt omdat het de belasting- en socialezekerheidsinkomsten doet dalen en zorgt voor onzekere en slechte arbeidsomstandigheden en oneerlijke concurrentie tussen werkenden; is ingenomen met de oprichting van een Europees platform voor de intensivering van de samenwerking bij het tegengaan van zwartwerk;

34.  merkt op dat het, gezien het aantal werkenden, met name jongeren, die thans hun land van herkomst verlaten en naar andere lidstaten verhuizen op zoek naar werk, dringend nodig is passende maatregelen vast te stellen om ervoor te zorgen dat geen enkele werkende zonder bescherming van sociale en arbeidsrechten komt te zitten; vraagt de Commissie en de lidstaten in dit verband de arbeidsmobiliteit in de EU verder te verbeteren, het beginsel van gelijke behandeling te handhaven, de lonen en sociale normen te vrijwaren en de volledige meeneembaarheid van sociale rechten te garanderen; verzoekt elke lidstaat sociaal beleid en werkgelegenheidsbeleid vast te stellen met gelijke beloning voor gelijk werk op dezelfde werkplek;

35.  stelt met bezorgdheid de verzwakking van collectieve onderhandelingen en van de dekking van collectieve overeenkomsten vast; verzoekt de Commissie en de lidstaten strategisch beleid te bevorderen om ervoor te zorgen dat alle werknemers onder collectieve overeenkomsten vallen en dat de rol van vakbonden en werkgeversorganisaties wordt veiliggesteld en versterkt;

36.  erkent dat de sociale partners een belangrijke rol vervullen in verband met de EU-richtlijnen inzake deeltijdwerk, overeenkomsten voor bepaalde tijd en uitzendwerk, en moedigt de Commissie aan om, in samenwerking met de sociale partners, nieuwe vormen van werk waar nodig te reguleren; vraagt Eurofound te onderzoeken hoe de sociale partners strategieën ontwikkelen om de kwaliteit van de banen te garanderen en onzeker werk tegen te gaan;

37.  verzoekt de Commissie en de lidstaten er, binnen hun respectieve bevoegdheden, voor te zorgen dat individuele zelfstandigen die wettelijk als eenmansbedrijf worden beschouwd, het recht hebben om collectief te onderhandelen en zich vrij te verenigen;

38.  herinnert eraan dat iedere werkende krachtens het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd ("de arbeidstijdenrichtlijn")(34) recht heeft op een beperking van de arbeidstijden tot een bepaald maximum, op dagelijkse en wekelijkse rusttijden en op een betaald jaarlijks verlof; benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat die rechten van toepassing zijn op alle werkenden, dus ook mensen die werk op aanvraag verrichten, werknemers met marginale deeltijdovereenkomsten en "crowd workers" (opdrachtnemers van crowdsourcingplatforms); herinnert eraan dat de arbeidstijdenrichtlijn een maatregel inzake gezondheid en veiligheid is; vraagt om afdwinging van de arresten van het Hof van Justitie waarin wordt bevestigd dat de tijd waarin iemand op het werk op afroep beschikbaar is, arbeidstijd is en moet worden gevolgd door compensatierust;

39.  herinnert eraan dat marginaal deeltijdwerk gepaard gaat met minder baanzekerheid, minder carrièremogelijkheden en minder investeringen in opleiding door de werkgevers, en dat lage lonen er vaker voorkomen; vraagt de lidstaten en de Commissie maatregelen aan te moedigen ter ondersteuning van langere werktijden voor wie meer wil werken;

40.  herinnert eraan dat, volgens het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, iedereen het recht heeft op toegang tot beroepsopleiding en een leven lang leren; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat beroepsopleiding en bijscholing ook beschikbaar zijn voor werknemers in een atypisch dienstverband; herinnert eraan dat bijscholingsmaatregelen bijzonder belangrijk zijn in een snel evoluerende digitale economie; wijst erop dat een tekort aan of een mismatch in vaardigheden bijdraagt tot hoge werkloosheidscijfers; is ingenomen met de recente initiatieven om tekorten aan vaardigheden aan te pakken;

41.  vraagt om een vaardighedengarantie, die een nieuw recht moet zijn voor iedereen, in elke levensfase, om fundamentele vaardigheden voor de 21e eeuw te verwerven, onder meer geletterdheid en rekenkundige onderlegdheid, digitale en mediageletterdheid, kritisch denken, sociale vaardigheden en de nodige vaardigheden voor de groene economie en de deeleconomie, rekening houdend met opkomende bedrijfstakken en belangrijke groeisectoren, en die ervoor zorgen dat ook kansarme groepen, onder meer personen met een handicap, asielzoekers, langdurig werklozen en andere ondervertegenwoordigde groepen, volledig worden bereikt; benadrukt dat de onderwijsstelsels inclusief moeten zijn, onderwijs van goede kwaliteit moeten verstrekken aan de hele bevolking, zodat mensen actieve Europese burgers kunnen zijn en worden voorbereid op een leven lang leren en aanpassen, en moeten inspelen op de behoeften van de samenleving en de arbeidsmarkt;

42.  benadrukt dat het beleid van de lidstaten moet worden ontwikkeld en uitgevoerd in overeenstemming met het nationale recht en de nationale praktijk, in nauwe samenwerking met werkgevers- en werknemersorganisaties;

43.  herinnert eraan dat onzeker werk niet alleen het individu schade toebrengt, maar ook de maatschappij veel kost door verlies aan belastinginkomsten, hogere overheidsuitgaven op lange termijn en de kosten van steun voor mensen die lijden onder de langdurige gevolgen van inkomensverlies en moeilijke arbeidsomstandigheden; vraagt de Commissie en de lidstaten het gebruik van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd en de uitwisseling van best practices tussen de lidstaten aan te moedigen om onzeker werk tegen te gaan;

44.  herinnert eraan dat mensen die in de informele economie werken, met veel onzekerheid worden geconfronteerd; vraagt de Commissie en de lidstaten beleid te voeren dat op deze mensen afgestemd is en hen beschermt door hun problemen ongeacht hun verblijfsstatus aan te pakken;

45.  verzoekt de Commissie en de lidstaten zwartwerk, schijnzelfstandigheid en alle vormen van onwettige arbeidspraktijken te bestrijden die de rechten van werkenden en de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten ondermijnen; herhaalt zijn standpunt dat in alle toekomstige werkgelegenheidsbeleid moet worden overwogen om nulurencontracten te voorkomen;

46.  vraagt de Commissie en de lidstaten de arbeidsvoorwaarden van plaatsvervangende werknemers in de openbare sector en het effect daarvan op de kwaliteit van de openbare dienstverlening te beoordelen;

47.  benadrukt dat onzeker werk voornamelijk wordt verricht door de meest kwetsbare werkenden, die risico lopen op discriminatie, armoede en uitsluiting; herinnert er in het bijzonder aan dat een handicap, een andere etnische oorsprong, een andere religie of overtuiging, of vrouw zijn het risico verhoogt dat een werkende te maken krijgt met onzekere arbeidsvoorwaarden; veroordeelt alle vormen van onzekerheid, ongeacht de contractuele situatie;

48.  vraagt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat kwetsbare werkenden effectief worden beschermd; vraagt de Commissie en de lidstaten doeltreffende maatregelen te nemen discriminatie van vrouwen op de arbeidsmarkt te bestrijden, met bijzondere nadruk op het evenwicht tussen werk en privéleven en het dichten van de loonkloof tussen mannen en vrouwen; verzoekt de Commissie te beoordelen of Richtlijn 2006/54/EG betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep geschikt is voor nieuwe vormen van werk;

49.  vraagt de Commissie en de lidstaten alle wetgeving die aspecten van onzeker werk betreft, te beoordelen op het gendereffect ervan; meent dat het nodig is om wetgevende en niet-wetgevende maatregelen af te stemmen op de behoeften van vrouwen in onzeker werk, omdat een reeds oververtegenwoordigde groep anders te zeer de gevolgen daarvan zal moeten blijven dragen;

50.  is van mening dat de toegenomen vraag naar flexibiliteit op de arbeidsmarkt er in geen geval toe mag leiden dat vrouwen oververtegenwoordigd blijven in atypische vormen van werk met onzekere arbeidsvoorwaarden;

51.  verzoekt de Commissie en de lidstaten het fenomeen van pesterijen op de werkvloer in de gaten te houden en tegen te gaan, met inbegrip van pesterijen tegen zwangere werkneemsters of eventuele nadelen die zij ondervinden wanneer zij na een zwangerschapsverlof terugkomen; vraagt de lidstaten met aandrang de wetgeving op het gebied van moederschapsrechten na te leven en te handhaven om te voorkomen dat vrouwen de rekening voor hun moederschap gepresenteerd krijgen in de vorm van een lager pensioen; benadrukt dat moederschapsverlof gepaard moet gaan met doeltreffende maatregelen ter bescherming van de rechten van zwangere vrouwen en jonge moeders, moeders die borstvoeding geven en alleenstaande moeders, in overeenstemming met de aanbevelingen van de IAO en de Wereldgezondheidsorganisatie;

52.  vraagt nogmaals dat mensen in alle soorten dienstverbanden en zelfstandigen rechten moeten kunnen accumuleren die inkomenszekerheid bieden in situaties als werkloosheid, gezondheidsproblemen, ouderdom, loopbaanonderbreking voor ouders of mantelzorgers, of om redenen van opleiding;

53.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden bij alle eerste kansen die jongeren krijgen om werkervaring op te doen, zoals stages, leerlingschap of kansen uit hoofde van de jongerengarantie; moedigt de lidstaten aan om kwaliteitskaders voor stages en leerlingschap vast te stellen en toe te passen om ervoor te zorgen dat de werknemersrechten worden geëerbiedigd en dat kansen op werkervaring voor jongeren vooral educatief zijn;

54.  verzoekt vooral de Commissie en ook de lidstaten maatregelen te treffen om werkonzekerheid bij jongeren tegen te gaan; onderstreept hoe belangrijk het is dat de Commissie in dat verband de jongerengarantie moet toepassen;

55.  beveelt de lidstaten aan ervoor te zorgen dat jongeren van alle leeftijdsgroepen toegang krijgen tot gratis openbaar onderwijs van hoge kwaliteit, in het bijzonder in de hogere niveaus van onderwijs en opleiding, aangezien aangetoond is dat een hoger opleidingsniveau arbeidsgerelateerde ongelijkheden tussen mannen en vrouwen helpt verminderen;

56.  benadrukt dat het voor een betere toepassing en een beter begrip van de grondbeginselen en grondrechten op het werk nuttig zou zijn dat de Commissie en de lidstaten de term "werkende" ("worker") zoals die door de IAO wordt gedefinieerd, zouden gebruiken in plaats het enger gedefinieerde begrip "werknemer" ("employee");

57.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ondernemerschap en de oprichting van coöperaties van werknemers te bevorderen in multiservicebedrijven en in de opkomende sector van de deeleconomie en digitale platformen, om zo de risico's van bedrijfsmodellenmodellen voor de rechten en arbeidsvoorwaarden van de werknemers te beperken;

58.  onderstreept dat kortlopende arbeidsovereenkomsten in de landbouw verband houden met seizoensgebonden landbouwactiviteiten; vraagt dat met deze sterke, door de natuur opgelegde beperking rekening wordt gehouden door landbouwers de mogelijkheid te blijven bieden werknemers in dienst te nemen volgens het ritme van de seizoenen en door hun geen extra administratieve rompslomp in verband met aanwerving en personeelsbeheer op te leggen;

59.  verzoekt de Commissie de bescherming van de rechten van seizoenarbeiders te bevorderen en aan bewustmaking hierover te doen, en verzoekt de lidstaten de sociale en rechtspositie van seizoenarbeiders te regelen, hun hygiënische, gezondheids- en veiligheidsomstandigheden op het werk te waarborgen en ervoor te zorgen dat zij sociale bescherming genieten, overeenkomstig artikel 23 van Richtlijn 2014/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014(35) inzake het garanderen van een gelijke behandeling met de onderdanen van het gastland, inclusief gelijk loon en gelijke sociale bescherming; benadrukt dat alle seizoenarbeiders uitgebreide informatie moeten krijgen over hun arbeidsrechten en rsocialezekerheidsrechten, met inbegrip van pensioenrechten, waarbij ook rekening moet worden gehouden met het grensoverschrijdende aspect van seizoenarbeid;

60.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

PB L 216 van 20.8.1994, blz. 12.

(2)

PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.

(3)

PB L 327 van 5.12.2008, blz. 9.

(4)

PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1.

(5)

PB L 159 van 28.5.2014, blz. 11.

(6)

PB L 177 van 4.7.2008, blz. 6.

(7)

PB C 70E van 8.3.2012, blz. 1.

(8)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0321.

(9)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0059.

(10)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0346.

(11)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0360.

(12)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0010.

(13)

http://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=uriserv:OJ.C_.2016.303.01.0054.01.ENG&toc=OJ:C:2016:303:TOC

(14)

www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/.../IPOL_STU(2016)587285_EN.pdf.

(15)

http://www.eurofound.europa.eu/sites/default/files/ef_publication/field_ef_document/ef1398en.pdf

(16)

https://www.eurofound.europa.eu/sites/default/files/ef_publication/field_ef_document/ef1461en.pdf

(17)

http://www.eurofound.europa.eu/sites/default/files/ef_publication/field_ef_document/ef1639en.pdf

(18)

http://www.eurofound.europa.eu/sites/default/files/ef_publication/field_ef_document/ef1634en.pdf

(19)

https://www.eurofound.europa.eu/observatories/eurwork/industrial-relations-dictionary

(20)

http://www.ilo.org/dyn/normlex/en/f?p=NORMLEXPUB:12100:0::NO::P12100_INSTRUMENT_ID:312535.

(21)

www.ilo.org/wcmsp5/groups/public/---ed_dialogue/---.../wcms_164286.pdf.

(22)

www.ilo.org/wcmsp5/groups/public/---dgreports/---.../wcms_534496.pdf.

(23)

www.ilo.org/wcmsp5/groups/public/---dgreports/---.../wcms_490959.pdf.

(24)

Voltijdse arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd maken 59 % van de totale werkgelegenheid in de EU uit, zelfstandig ondernemerschap met werknemers 4 %, freelancewerk 11 %, uitzendwerk 1 %, arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd 7 % en leer- of stageovereenkomsten 2 %, marginale deeltijdarbeid (minder dan 20 uur per week) 9 % en deeltijdwerk voor onbepaalde tijd 7 %.

(25)

IAO-verslag van 2016 over de totstandbrenging van een sociale pijler ten behoeve van de Europese convergentie.

(26)

Zie de studie van 2016 over "Precarious Employment in Europe: Patterns, trends and policy strategies", http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2016/587285/IPOL_STU%282016%29587285_EN.pdf

(27)

Eurofound (2014), "Occupational profiles in working conditions: Identification of groups with multiple disadvantages".

(28)

www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/.../IPOL_STU(2016)587285_EN.pdf

(29)

Eurofound (2014), "Occupational profiles in working conditions: Identification of groups with multiple disadvantages".

(30)

Zie: https://www.eurofound.europa.eu/observatories/eurwork/industrial-relations-dictionary/atypical-work

(31)

Zie de resolutie van het Parlement van 19 oktober 2010 over vrouwen in onzeker dienstverband, PB C 70E van 8.3.2012, blz. 1.

(32)

IAO-verslag van 14 november 2016 over atypisch werk wereldwijd, http://www.ilo.org/global/publications/books/WCMS_534326/lang--en/index.htm

(33)

PB L 288 van 18.10.1991, blz. 32.

(34)

PB L 299 van 18.11.2003, blz. 9.

(35)

PB L 94 van 28.3.2014, blz. 375.


TOELICHTING

De rapporteur heeft in zijn verslag rekening gehouden met een reeks studies waaruit overduidelijk blijkt dat atypische vormen van werkgelegenheid in de EU hand over hand toenemen. Het aantal werknemers die in de EU, vaak tegen hun zin, op basis van deeltijdovereenkomsten en overeenkomsten voor bepaalde tijd worden aangeworven is de afgelopen 15 jaar aanmerkelijk gestegen. Tegelijkertijd is de grens tussen werk in loondienst en werk als zelfstandige als gevolg van de opkomst van nieuwe vormen van werkgelegenheid aan het vervagen, waardoor de kwaliteit van de werkgelegenheid afneemt en het aantal gevallen van schijnzelfstandigheid toeneemt.

Hoewel de economische crisis niet verantwoordelijk was voor het ontstaan van deze nieuwe vormen van werkgelegenheid, hebben de ontoereikende en sociaal inadequate oplossingen van de EU ter bestrijding van de crisis desalniettemin geleid tot een toename van het aantal onzekere banen. Zo hebben het bezuinigingsbeleid en de memoranda de groei ondermijnd, geleid tot sociale afbraak en grote bevolkingsgroepen, in het bijzonder werkenden, aan de bedelstaf gebracht. Achter de ogenschijnlijk stijgende werkgelegenheid van dit moment gaat een toename van het aantal onzekere vormen van werkgelegenheid schuil, in de vorm van nulurenovereenkomsten, schijnzelfstandigheid en onvrijwillig deeltijdwerk, waardoor werknemers met dergelijke banen geen fatsoenlijk bestaan kunnen opbouwen en geen volledige arbeidsrechten genieten.

Sociale achterstelling en een verslechtering van de arbeidsnormen hebben ertoe geleid dat het Europees Parlement zelf in een aantal verslagen, zoals het verslag over sociale dumping(1) en het verslag over vrouwen in onzeker dienstverband(2), werkonzekerheid en de arbeidsomstandigheden aan de orde heeft gesteld. Onderhavig verslag bouwt voort op deze reeks verslagen en het streven van de rapporteur bestond erin om in het politieke debat tot een minimale overeenstemming te komen over onzekere werkgelegenheid, onder meer op basis van de door de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) gehanteerde definitie van "fatsoenlijk werk".

Als basis voor de minimale overeenstemming wordt uitgegaan van de definitie van regelmatige werkgelegenheid, atypische vormen van werkgelegenheid en fatsoenlijk werk. Onder regelmatige werkgelegenheid wordt voltijdse arbeid verstaan die wordt verricht op basis van overeenkomsten voor onbepaalde duur, terwijl atypische vormen van werkgelegenheid onder meer vast (en marginaal) deeltijdwerk, uitzendwerk, tijdelijk werk, nulurenovereenkomsten, stages en informeel of zwartwerk omvatten.

Onder onzeker werk kunnen, bij wijze van minimumdefinitie, alle atypische vormen van werkgelegenheid worden verstaan die één of meer van de volgende kenmerken vertonen:

  –  weinig of geen werkzekerheid als gevolg van het niet-vaste karakter van het werk, onduidelijke contractuele voorwaarden of het ontbreken van een geschreven overeenkomst, zoals het geval is bij bepaalde tijdelijke onvrijwillige deeltijdovereenkomsten, of onduidelijk vastgelegde werkuren en veranderlijke opdrachten naar de willekeur van de werkgever;

  –  geringe beloning, eventueel zelfs niet vastgelegd of onduidelijk omschreven;

  –  geen of beperkte sociale verzekeringsrechten of arbeidsgebonden uitkeringen;

  –  geen bescherming tegen discriminatie;

  –  geen of geringe vooruitzichten op een betere positie op de arbeidsmarkt;

  –  geen of beperkt recht op collectieve vertegenwoordiging van werknemers;

  –  arbeidsomstandigheden die niet aan de minimumregels voor veiligheid en gezondheid beantwoorden.

De IAO definieert fatsoenlijk werk als volledige en productieve arbeid die de waardigheid van de werknemers beschermt, een eerlijk inkomen oplevert en in een veilige werkomgeving plaatsvindt, de vrijheid van meningsuiting en organisatie garandeert, werknemers het recht geeft deel te nemen aan de besluitvorming die van invloed is op hun leven alsmede vrouwen en mannen gelijke kansen biedt en hun gelijke behandeling waarborgt.

Nieuwe uitdagingen, zoals de digitalisering, waarmee zowel werknemers als werkgevers te maken hebben, dragen bij tot ingrijpende veranderingen op de arbeidsmarkt, waarbij trends op het gebied van bijvoorbeeld atypische vormen van werkgelegenheid aan kracht zullen winnen als er geen nieuw regelgevingskader wordt toegepast. Om die reden moeten de Commissie en de lidstaten ervoor zorgen dat de nieuwe, als gevolg van de digitalisering geschapen werkgelegenheid fatsoenlijk is. Onzekere arbeidsvoorwaarden hebben op de lange termijn gevolgen voor de socialezekerheidsbescherming en pensioenen, en leiden ertoe dat werknemers een groter risico lopen op armoede en aantasting van hun grondrechten.

Daarom is het van het allergrootste belang dat alle werknemers sociale bescherming en bescherming op grond van collectieve overeenkomsten en collectieve onderhandelingen kunnen genieten. Derhalve dienen de Commissie en de lidstaten doeltreffende bescherming te waarborgen voor werknemers die in het kader van een dienstverband werken en te zorgen voor een allesomvattende beleidsreactie om het aantal onzekere banen te verminderen en onzeker werk voorgoed uit te bannen. Er is behoefte aan beleid dat de positie van werknemers versterkt door middel van de sociale dialoog en uitbreiding van collectieve onderhandelingen, terwijl er tegelijkertijd voor moet worden gezorgd dat alle werknemers kunnen gebruikmaken van hun recht zich te verenigen en collectief, in vrijheid en zonder angst te onderhandelen.

Ook de arbeidsinspecties en de sociale partners spelen een belangrijke rol bij het beschermen van de rechten van de werknemers, het vaststellen van fatsoenlijke lonen overeenkomstig de wetten en praktijken van de lidstaten, en het raadplegen en begeleiden van de werkgevers. De arbeidsinspecties moeten zich met name bezighouden met het controleren en verbeteren van de arbeidsomstandigheden en het bestrijden van zwartwerk. Praktijken van bedrijven die migranten in dienst nemen zonder hun rechten en voordelen ten volle te beschermen zijn uiterst verwerpelijk.

De Commissie en de lidstaten kunnen atypische en onzekere vormen van werkgelegenheid te bestrijden, overeenkomstig de Agenda voor fatsoenlijk werk van de IAO en het Europees Sociaal Handvest. De overheid moet investeren om de opwaartse convergentie, de sociale cohesie van de Unie en het creëren van fatsoenlijk werk te bevorderen. Het is uitermate zorgwekkend dat de dekking van de collectieve overeenkomsten afneemt en werknemers steeds minder gebruikmaken van hun recht op collectieve onderhandelingen. De Commissie en de lidstaten moeten derhalve strategisch beleid bevorderen om ervoor te zorgen dat alle werknemers onder de collectieve overeenkomsten vallen en de rol van de vakbonden als sociale partners wordt veiliggesteld.

Tot slot is de rapporteur van mening dat de Commissie en de lidstaten ervoor moeten zorgen dat werknemers die in het bijzonder worden getroffen door onzekerheid en kansarmoede daadwerkelijk worden beschermd, en daarbij bijzondere voorrang moeten geven aan vrouwelijke werknemers, jonge werknemers, oudere werknemers, werknemers in de informele (schaduw)economie, migrerende werknemers en werknemers met een handicap.

(1)

http://www.europarl.europa.eu/sides/getDoc.do?pubRef=-//EP//TEXT+REPORT+A8-2016-0255+0+DOC+XML+V0//NL

(2)

Resolutie van het Europees Parlement van 19 oktober 2010 over vrouwen in onzeker dienstverband (2010/2018(INI)), http://www.europarl.europa.eu/sides/getDoc.do?type=TA&reference=P7-TA-2010-0365&language=NL


ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (28.2.2017)

aan de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

inzake arbeidsomstandigheden en onzeker werk

(2016/2221(INI))

Rapporteur voor advies: Viorica Dăncilă

SUGGESTIES

De Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Commissie werkgelegenheid en sociale zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat de landbouw en de voedingsmiddelenindustrie goed zijn voor 6 % van het bbp van de EU, 15 miljoen bedrijven en 46 miljoen banen;

B.  overwegende dat de geografie, topografie en toegankelijkheid van het terrein, met name in eiland-, berg- en afgelegen gebieden en in de ultraperifere gebieden, van de werkgelegenheid en de arbeidsomstandigheden in de landbouw automatisch een grotere uitdaging maken, met meer onzekerheid;

C.  overwegende dat bij deze inherente problemen kortetermijnfactoren komen, zoals economische onzekerheden en onvoorspelbaar weer, die, zoals momenteel blijkt, de situatie van werknemers in de landbouwsector des te moeilijker maken, zodat het aantal landbouwers en kleine familielandbouwbedrijven, afneemt, en overwegende dat vergrijzing en ontvolking trends zijn die bijzonder uitgesproken zijn in de plattelandsgebieden van de EU;

D.  overwegende dat de crisis van de afgelopen jaren heeft bijgedragen tot een verdieping van de crisis in de landbouwsector en gevolgen heeft gehad voor het vermogen van landbouwers om te investeren en banen te scheppen, ten koste van de modernisering, de innovatie, de participatie van jongeren in de landbouw en de generatiewisseling; overwegende dat de investeringen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) nog niet stroken met de EU-duurzaamheidsdoelstellingen in het kader van Europa 2020, omdat nog niet minstens één euro op vijf wordt geïnvesteerd in duurzame landbouw; overwegende dat de landbouw in staat moet worden gesteld zich aan te passen om het hoofd te bieden aan de moeilijke omstandigheden door innovatie te bevorderen;

E.  overwegende dat de leeftijdsstructuur in de landbouwsector zorgen baart, aangezien sinds 2010 slechts 7,5 % van de landbouwers jonger is dan 35 jaar en meer dan 4,5 miljoen mensen die momenteel een landbouwbedrijf runnen, ouder zijn dan 65; overwegende dat tussen 2000 en 2012 4,8 miljoen voltijdsbanen verloren zijn gegaan in de landbouwsector in de EU, waarvan 70 % in de nieuwe lidstaten en 93 % zelfstandige landbouwers, en dat het in dit verband moeilijk te beoordelen is hoeveel mensen precies in de landbouw werken, aangezien "illegale" banen door de aard ervan niet in de beschikbare gegevens zijn begrepen(1);

F.  overwegende dat in veel lidstaten vrouwen in plattelandsgebieden slechts beperkte toegang hebben tot de arbeidsmarkt, zowel binnen als buiten de landbouwsector, en dat zij een grotere loonkloof ondervinden dan in andere gebieden, hoewel hun rol uitermate belangrijk is voor de ontwikkeling en het sociale leven in plattelandsgebieden, met name op landbouwbedrijven;

G.  overwegende dat landbouwwerk vaak weers- en seizoensgebonden is;

H.  overwegende dat de gemiddelde jaarlijkse landbouwinkomens in de EU de afgelopen tien jaar gelijk zijn gebleven of zelfs achteruit zijn gegaan, terwijl de productiekosten zijn blijven stijgen en grote investeringen en financiële risico's die noodzakelijk zijn om het bedrijf draaiende te houden, de situatie van de betrokkenen steeds onzekerder maakt, wat geleid heeft tot een sterke daling van het aantal landbouwbedrijven en een dreigend grootscheeps banenverlies in plattelandsgebieden;

I.  overwegende dat veel landbouwactiviteiten verricht worden door meehelpende familieleden, vaak zonder sociale bescherming;

J.  overwegende dat de sociaal-economische context en de levensomstandigheden de laatste jaren grondig veranderd zijn en zowel tussen de lidstaten als binnen de lidstaten aanzienlijk verschillen;

K.  overwegende dat de Europese levensmiddelensector steeds meer exporteert, het economisch herstel aanzwengelt en doorslaggevend is voor het herstel van de werkgelegenheid, doordat er veel nieuwe bedrijven worden opgezet;

1.  onderstreept het feit dat landbouwers en werknemers in de landbouw van nature meer zijn blootgesteld aan een reeks externe factoren die ervoor zorgen dat de vooruitzichten op het gebied van banen onzeker en onbestendig zijn, zoals de volatiliteit van de prijzen en de landbouwmarkten, het verstoorde evenwicht in de landbouw- en voedselketen, en dat onvoorspelbaar weer ook ernstige gevolgen heeft, met name voor de ultraperifere gebieden en berggebieden; is van mening dat rendabele, de productiekosten dekkende prijzen af-boerderij fundamenteel zijn om de inkomens van landbouwers op lange termijn zeker te stellen; is evenwel van mening dat inkomensstabiliserings- en risicobeheersinstrumenten en onderlinge fondsen in de landbouw kunnen helpen om landbouwers minder kwetsbaar te maken en de positie van landbouwers in de voedseldistributieketen kunnen versterken;

2.  roept de lidstaten op om beste praktijken uit te wisselen en om nieuwe, innovatieve manieren te overwegen om een aanpasbare en flexibele arbeidsmarkt te ontwikkelen, teneinde de uitdagingen van een rurale economie het hoofd te kunnen bieden;

3.  benadrukt dat een stabiel inkomen voor landbouwers een essentiële voorwaarde is om leningen te kunnen krijgen;

4.  vestigt de aandacht op het specifieke geval van seizoenarbeiders, die in het bijzonder aan onzekere situaties zijn blootgesteld; verstaat onder seizoenarbeiders werknemers die een arbeidsovereenkomst van onbepaalde of voor een bepaalde termijn aangegaan zijn, waarvan duur en voortzetting van seizoensgebonden factoren afhangen, zoals de jaarlijkse klimaatcyclus, officiële feestdagen en/of oogstperioden in de landbouw;

5.  herinnert eraan dat bij Richtlijn 2014/36/EU betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op tewerkstelling als seizoenarbeider minimumrechten worden vastgesteld; verzoekt de lidstaten de correcte toepassing van deze richtlijn te waarborgen en verzoekt de Commissie vóór september 2019 een voortgangsverslag op te stellen over de tenuitvoerlegging ervan;

6.  verzoekt de Commissie de bescherming van de rechten van seizoenarbeiders te bevorderen en het bewustzijn met betrekking tot deze bescherming te vergroten en verzoekt de lidstaten de sociale en rechtspositie van seizoenarbeiders te regelen, hun hygiënische, gezondheids- en veiligheidsomstandigheden op het werk te waarborgen en ervoor te zorgen dat zij sociale bescherming genieten, met naleving van artikel 23 van Richtlijn 2014/36/EU inzake het garanderen van een gelijke behandeling met de onderdanen van het gastland, inclusief gelijk loon en gelijke sociale bescherming; benadrukt dat alle seizoenarbeiders uitgebreide informatie moeten ontvangen over arbeidsrechten en rechten op het gebied van de sociale zekerheid, waarbij ook rekening moet worden gehouden met het grensoverschrijdende aspect van seizoenarbeid;

7.  verzoekt de Commissie en de lidstaten minimumvoorwaarden voor landbouwarbeid te definiëren teneinde veiligheid op het werk, faciliteiten voor basisopleiding en bijscholing en werknemersrechten te garanderen;

8.  verzoekt de Commissie om zich samen met de lidstaten te buigen over regelingen om seizoenarbeiders op lange termijn tewerk te stellen, bijvoorbeeld door middel van contracten voor meerdere activiteiten op verschillende plaatsen in de EU of zelfs een Europese overeenkomst;

9.  verzoekt de Commissie om ondernemers die veroordeeld zijn wegens schending van de voorschriften inzake de veiligheid van werknemers of wegens het inzetten van zwartwerkers, uit te sluiten van subsidies van het GLB en het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo);

10.  wijst op berichten over gevallen van schending van de rechten van migrerende werknemers door georganiseerde criminele groepen die in de EU opereren en die misbruik maken van het gebrek aan transparantie van de arbeidsmarkt; verzoekt de lidstaten meer toezicht te houden op de arbeidsvoorwaarden van migrerende werknemers; verzoekt de Commissie samen met de lidstaten gevallen van uitbuiting van migranten in de landbouw aan te pakken in regio's waar landbouwwerkers vrijwel onbetaald in betreurenswaardige omstandigheden werken; wijst erop dat er doeltreffende maatregelen moeten worden genomen, zoals gerichte inspecties en controles, om te zorgen dat landbouwarbeiders fatsoenlijke arbeids- en levensomstandigheden genieten en benadrukt dat moet worden gewaarborgd dat de arbeidsrechten en de arbeidsvoorschriften worden nageleefd;

11.  verzoekt de Commissie aan de hand van onderzoeken, inspecties en statistische gegevens de omvang van het verschijnsel illegale tewerkstelling in de EU te analyseren, met name in de Europese regio's waar zwartwerk en uitbuiting van landbouwwerkers het meest voorkomen;

12.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de steun voor technische opleiding van seizoenarbeiders in de landbouw te verhogen, om het relatief hoge ongevallenrisico en de structurele en seizoensgebonden werkloosheid aan te pakken, en de producentenorganisaties bij dit proces te betrekken, zowel bij de opstelling van de opleidingsplannen als bij de verspreiding ervan en het bieden van stimulansen aan de arbeiders, alsmede de steun te verhogen voor acties om het bewustzijn van de arbeiders met betrekking tot hun rechten te vergroten, om de mogelijke uitbuiting van arbeiders te voorkomen;

13.  wijst erop dat meer dan 4,5 miljoen landbouwers ouder zijn dan 65 jaar en dat slechts 6 % van de bedrijven geleid wordt door landbouwers onder de 35 jaar; merkt op dat het voor jongeren en vrouwen bijzonder moeilijk is een baan te vinden op het platteland, zowel in de landbouw als daarbuiten, of om een eigen landbouwbedrijf te starten; verzoekt de Commissie en de lidstaten op efficiënte wijze aan te moedigen dat de maatregelen waarin in het kader van het GLB is voorzien om jonge landbouwers te helpen een bedrijf te starten, worden benut en erop toe te zien dat met de middelen voor jonge landbouwers en de steunprogramma's voor vrouwen in rurale gebieden, in de landbouw en in de sectoren stroomop- en stroomafwaarts behoorlijke banen worden gegarandeerd met een billijk inkomen;

14.  herinnert eraan dat het belangrijk is te beschikken over een krachtig GLB dat jonge landbouwers kan helpen een zekere rol spelen op de markt, dat het starten van een landbouwbedrijf kan aanmoedigen en dat kan garanderen dat landbouwers landbouw blijven bedrijven op lange termijn; wijst erop dat investeringen in plattelandsinfrastructuur zullen helpen de aantrekkelijkheid van het platteland te vergroten, de lokale economie op duurzame wijze te ontwikkelen, werknemers in de landbouw aan te trekken en ontvolking te voorkomen; Roept lidstaten op om het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) op doelgerichte wijze in te zetten voor het scheppen van duurzame banen in de landbouw teneinde de werkgelegenheid in plattelandsgebieden te stimuleren.

15.  benadrukt het belang van investeringen in ICT in plaatelandsgebieden, die cruciaal zijn om plattelandsgemeenschappen verbonden te houden met de rest van de wereld, cruciaal voor werkzoekenden, cruciaal voor wie een eigen bedrijf wil starten en cruciaal voor wie in de meest afgelegen delen van onze plattelandsgemeenschappen woont;

16.  dringt aan op actie om de genderkloof in plattelandsgebieden aan te pakken en de werkgelegenheidssituatie van vrouwen, bijvoorbeeld hun arbeidsomstandigheden en hun toegang tot grond, te verbeteren; wijst erop dat de genderloonkloof in plattelandsgebieden meer dan 10 % hoger is dan elders; benadrukt het feit dat er bijgewerkte statistieken nodig zijn over eigendom van landbouwbedrijven en de arbeidsparticipatie van vrouwen in plattelandsgebieden, om informatie te verkrijgen met het oog op gendermainstreaming in het landbouw- en plattelandsbeleid van de EU en om deze gendermainstreaming te faciliteren, overeenkomstig het beginsel van gelijkheid en non-discriminatie; verzoekt de Commissie en de lidstaten de gelijkheid van vrouwen op de arbeidsmarkt en de combinatie van arbeid en privéleven in plattelandsgebieden te faciliteren, in het bijzonder op het stuk van inkomen, sociale en pensioenrechten en de bevordering van nieuwe kwalificaties en mogelijkheden voor vrouwen en door de belemmeringen voor hun arbeidsparticipatie in de landbouw aan te pakken, bijvoorbeeld een ongelijke toegang tot krediet, technische uitrusting en andere belangrijke hulpbronnen zoals grond; wijst erop dat familie-arbeid en precaire arbeid nooit met elkaar mogen worden verward en herinnert eraan dat familiebedrijven circa 85 % van de landbouwbedrijven in de EU uitmaken en 68 % van het totale landbouwareaal benutten, wat betekent dat dit soort arbeid op Europees niveau geregeld moet worden, met een eigen statuut en eigen rechten en plichten; wijst erop dat het zoeken naar werkgelegenheidsoplossingen in de ultraperifere regio's, vooral in tijden van economische recessie, bemoeilijkt wordt door het gebrek aan interconnectiviteit en is, gezien het belang van de landbouw in die regio's, van mening dat voor de GLB-fondsen positieve discriminatie moet blijven gelden voor gebieden die met specifieke beperkingen kampen en als zodanig erkend zijn in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, vanwege het multiplicatoreffect dat daarvan uitgaat voor de bevordering van gerelateerde activiteiten, zoals agro-industrie, toerisme, natuurbehoud, energieproductie en kringloopeconomie, als aanvulling op de meerfondsenstrategie voor meer cohesie en evenwichtige territoriale ontwikkeling;

17.  benadrukt dat het noodzakelijk is een deel van de cohesiemiddelen van de EU toe te wijzen aan achterstandsregio's, zoals berggebieden en ultraperifere regio's, zodat er op billijke wijze goede arbeidsvoorwaarden en fatsoenlijke lonen worden ingevoerd, gehandhaafd en ontwikkeld in alle regio's van de Unie;

18.  verzoekt het bedrijfsleven alle door de innovatie geboden kansen te benutten om voor iedereen toegankelijke precisielandbouw te ontwikkelen, zodat ook personen met een handicap kansen krijgen, gendergelijkheid bevorderd wordt en de vaardigheden en banenkansen in plattelandsgemeenschappen worden vergroot;

19.  verzoekt alle lidstaten jonge landbouwers langetermijnvooruitzichten te bieden om de ontvolking van het platteland tegen te gaan, een algehele strategie te ontwikkelen voor de opvolging van de generaties en hiertoe volledig gebruik te maken van alle mogelijkheden die worden geboden door het nieuwe GLB om jonge en nieuwe landbouwers te ondersteunen, met name via steun aan jonge landbouwers in het kader van de eerste en tweede pijler, en door het voor nieuwe starters boven de 40 jaar gemakkelijker te maken om een eigen landbouwbedrijf op te zetten;

20.  verzoekt de Commissie de aanbevelingen in het verslag-Andrieu ("Hoe kan het GLB de werkgelegenheid in landelijke gebieden verbeteren?"), dat het Europees Parlement op 27 oktober 2016 heeft goedgekeurd, concreet te maken, en met name de volledige capaciteit van Elfpo-fondsen te bevorderen en te optimaliseren met het oog op de ontwikkeling van een echte sociale economie en een bloeiende markt in plattelandsgebieden;

21.  verzoekt de Commissie de mogelijke nieuwe synergieën tussen het EFSI en de structuur- en investeringsfondsen, met name het Elfpo en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) te benutten om te profiteren van het multiplicatoreffect daarvan op investeringen ten behoeve van de arbeidsomstandigheden en ter bestrijding van precair werk;

22.  verzoekt de lidstaten voort te gaan met het versterken, indien nodig, van de rol van de sociale partners en de organen voor sociale bescherming en het aanreiken van doeltreffende instrumenten, zoals passende inspecties en controles, in plattelandsgebieden ter bestrijding van zwartwerk en ter verbetering van de veiligheid en het welzijn op het werk, om de integratie te bevorderen van alle soorten werknemers in de landbouw, met name jongeren, vrouwen en migranten, zelfs – en vooral – in geval van seizoensactiviteit;

23.  verzoekt de Commissie om de bevordering en de lidstaten om de tenuitvoerlegging van vereenvoudigde administratieve voorschriften en de verwijdering van de administratieve belemmeringen op het gebied van sociale zekerheid, belasting en werk, zodat het aanwervingsproces minder complex en minder redundant wordt; verzoekt de lidstaten tegelijk deze vereenvoudigingen juist ten uitvoer te leggen om de complexiteit en omvang van de regelgeving terug te dringen;

24.  merkt op dat landbouwers en werknemers in de agrolevensmiddelensector geregeld, herhaaldelijk en op cumulerende wijze worden blootgesteld aan mengsels van gevaarlijke stoffen die vermoedelijk specifieke ziekten veroorzaken, met als mogelijk gevolg voortplantingsstoornissen en carcinogene effecten; merkt voorts op dat het belangrijk is het bewustzijn te vergroten van de aan deze stoffen verbonden risico's, opleiding te verstrekken voor de omgang ermee en het gebruik en de opslag ervan en het blootstellingsrisico te verkleinen en tegelijk te garanderen dat maatregelen om de blootstelling te beperken voldoende ten uitvoer worden gelegd en gecontroleerd;

25.  herinnert eveneens aan het belang van een krachtig GLB dat niet alleen jonge landbouwers kan helpen een sterkere positie te verwerven op de markt, maar ook levensomstandigheden kan creëren die het die jonge ondernemers mogelijk maken zich op de lange termijn te handhaven.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

28.2.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

35

3

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

John Stuart Agnew, Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, José Bové, Daniel Buda, Nicola Caputo, Matt Carthy, Viorica Dăncilă, Michel Dantin, Paolo De Castro, Jean-Paul Denanot, Albert Deß, Herbert Dorfmann, Luke Ming Flanagan, Beata Gosiewska, Martin Häusling, Anja Hazekamp, Esther Herranz García, Jan Huitema, Peter Jahr, Ivan Jakovčić, Jarosław Kalinowski, Elisabeth Köstinger, Zbigniew Kuźmiuk, Mairead McGuinness, Ulrike Müller, James Nicholson, Marijana Petir, Laurenţiu Rebega, Bronis Ropė, Maria Lidia Senra Rodríguez, Czesław Adam Siekierski, Tibor Szanyi, Marc Tarabella, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Franc Bogovič, Michela Giuffrida, Anthea McIntyre, Susanne Melior, Sofia Ribeiro, Miguel Viegas

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Pilar Ayuso

(1)

Commissie – Directoraat-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling, managementplan 2014 (juli).


ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (9.2.2017)

aan de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

inzake arbeidsomstandigheden en onzeker werk

(2016/2221(INI))

Rapporteur voor advies: João Pimenta Lopes

SUGGESTIES

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie werkgelegenheid en sociale zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

–  gezien algemene ontwerpaanbeveling nr. 28 van 2010 met betrekking tot de kernverplichtingen van de verdragstaten uit hoofde van artikel 2 van het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen,

–  gezien de nota van de Commissie over strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2020,

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld van 2011 (Verdrag van Istanbul),

–  gezien de Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2014-2017 van de Raad van Europa,

A.  overwegende dat gelijkheid van vrouwen en mannen een grondrecht is, wat impliceert dat gelijke kansen en een gelijke behandeling in alle sectoren van het leven moeten worden gewaarborgd, en overwegende dat beleidsvormen die gericht zijn op het waarborgen van deze gelijkheid, slimme en duurzame groei helpen bevorderen;

B.  overwegende dat de resolutie van 15 september 2016 over toepassing van Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 ("richtlijn gelijke behandeling in arbeid en beroep") voorziet in een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep;

C.  overwegende dat elke vorm van discriminatie, waaronder discriminatie op grond van gender en geslacht, vastberaden moet worden bestreden;

D.  overwegende dat "sekse" slaat op de biologische verschillen tussen mannen en vrouwen, terwijl "gender" betrekking heeft op het geheel van de maatschappelijk bepaalde identiteit, functies en kenmerken van mannen en vrouwen en de sociale en culturele betekenis die de samenleving aan deze biologische verschillen geeft, en overwegende dat het gender aanleiding geeft tot hiërarchische verhoudingen tussen mannen en vrouwen en tot de toekenning en verdeling van bevoegdheden en rechten van de mens in het voordeel van mannen en in het nadeel van vrouwen;

E.  overwegende dat "verkleining van de loon- en pensioenkloof tussen mannen en vrouwen en dus ook bestrijding van armoede bij vrouwen" een van de prioriteiten is die de Commissie heeft vastgelegd in haar document met als titel "Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019";

F.  overwegende dat het betreurenswaardig is dat vrouwen vooral worden gediscrimineerd op het vlak van toegang tot de arbeidsmarkt, werken voor aanzienlijk lagere lonen en het grootste deel van het personeelsbestand in vaak onvrijwillige deeltijdbanen uitmaken; overwegende dat zij te maken krijgen met grote verschillen op het gebied van pensioenen en meer onzekere en precaire arbeidssituaties, en een groter risico op armoede lopen dan mannen, waarbij alleenstaande moeders, oudere alleenstaande vrouwen en vrouwen met een handicap het meest getroffen worden; overwegende dat gezinnen met drie of meer kinderen ook meer kans op armoede lopen; overwegende dat moederschap een onaanvaardbare vorm van vrouwendiscriminatie is bij het vinden en houden van een baan;

G.  overwegende dat in 2014 de arbeidsparticipatie in de EU voor mensen tussen 15 en 64 jaar 59,6 % bedroeg voor vrouwen en 70,1 % voor mannen; overwegende dat het verschil in arbeidsparticipatie tussen mannen en vrouwen kleiner is voor een hoger niveau van vakbekwaamheid; overwegende dat de economische kosten van deze kloof in het Eurofound-verslag van 2016 over het verschil in arbeidsparticipatie tussen mannen en vrouwen geraamd worden op een aanzienlijke 370 miljard EUR of 2,8 % van het bbp van de EU-28; overwegende dat de arbeidsparticipatie van vrouwen sinds 2008 slechts lichtjes is gestegen, en dat het convergeren op het vlak van de arbeidsparticipatie het gevolg is van een daling van de mannelijke participatiegraad(1);

H.  overwegende dat er nog steeds sprake is van een glazen plafond voor vrouwen op de arbeidsmarkt, dat mede te wijten is aan het feit dat vrouwen worden bezien met betrekking tot hun reproductieve eigenschappen, hetgeen betekent dat de carrièremogelijkheden van vrouwen belemmerd worden door zelfs maar de mogelijkheid van een zwangerschap later in het beroepsleven;

I.  overwegende dat de economische crisis de gehele Europese Unie heeft getroffen, maar in het bijzonder de plattelandsgebieden die kampen met alarmerende werkloosheidscijfers, armoede en ontvolking, waarvan met name vrouwen gevolgen ondervinden;

J.  overwegende dat alleenstaande vrouwen met zorg voor kinderen vaak worden gedwongen om atypisch en onzeker werk te accepteren om werk en privéleven te kunnen combineren;

K.  overwegende dat de werkloosheid in de periode 2008-2014 is gestegen als gevolg van de diepe economische crisis die in de hele EU woedde, en dat in 2014 de vrouwelijke werkloosheidsgraad (10,4 %) nog steeds hoger was dan die van mannen (10,2 %);

L.  overwegende dat in 2015 33 % van de vrouwen deeltijds werkten tegenover 10 % van de mannen(2), en dat een aanzienlijk deel van hen onvrijwillig op deeltijdbasis werkten;

M.  overwegende dat in 2014 het uurloon van vrouwen gemiddeld 16,1 % lager was dan het overeenkomstige loon voor mannen; overwegende dat ook de economische situatie van vrouwen in het huishouden wordt gekenmerkt door een duidelijke ongelijkheid, en dat als het huishouden bestaat uit een alleenstaande vrouw, 40 % een inkomen heeft dat zich in het laagste kwintiel bevindt, tegenover 18 % van de mannen, terwijl als het huishouden bestaat uit een vrouw die voltijds werkt en een man die deeltijds werkt, 30 % van de vrouwen een inkomen heeft dat zich in het laagste kwintiel bevindt, tegenover 6 % van de mannen in een vergelijkbare situatie;

N.  overwegende dat uit de gegevens blijkt dat de belangrijkste redenen waarom vrouwen de arbeidsmarkt verlaten, bestaan uit de noodzaak om voor kinderen of ouderen te zorgen (27 %), hun eigen ziekte of arbeidsongeschiktheid (23 %) en andere persoonlijke of gezinsverantwoordelijkheden (18 %);

O.  overwegende dat de zogenaamde NEET-jongeren (jongeren die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen) in de leeftijdsgroep van 15-29 jaar tijdens de periode 2008-2014 een procentuele stijging vertoonden, waarbij vrouwen de zwaarst vertegenwoordigde groep uitmaakten (17,1 % in 2014), en dat 34 % van deze vrouwen zich in deze situatie bevinden vanwege gezinsverantwoordelijkheden, terwijl 16,5 % langdurig werklozen zijn;

P.  overwegende dat deze arbeids- en sociale context aan de basis ligt van de pensioenkloof, die gemiddeld 40 % bedraagt;

Q.  overwegende dat het vooral vrouwen zijn die onzekere banen hebben en verschillende soorten van "atypisch" werk verrichten, en in toenemende mate geconfronteerd worden met het verschijnsel van "individualisering van werknemers en loopbanen", dat een breder gefundeerd offensief tegen collectieve loononderhandelingen ondersteunt;

R.  overwegende dat het van cruciaal belang is dat vrouwen verzekerd zijn van het recht op arbeid met rechten en van het recht op moederschap zonder dat zij daardoor worden benadeeld, aangezien vrouwen nog altijd het zwaarst worden getroffen en het meest worden gediscrimineerd; overwegende dat vrouwen deze discriminatie bijvoorbeeld ondervinden tijdens sollicitatiegesprekken, wanneer werkgevers vragen of zij kinderen hebben en hoe oud die zijn, om vrouwen te beïnvloeden in hun keuzen en te kunnen kiezen voor kinderloze werknemers met een "grotere beschikbaarheid", of in de vorm van de toenemende economische en werkgerelateerde druk op vrouwelijke werknemers om geen moederschapsverlof op te nemen;

S.  overwegende dat veel werknemers die zich in een onzekere arbeidssituatie bevinden of werkloos zijn geen recht hebben op ouderschapsverlof;

T.  overwegende dat het betreurenswaardig is dat het macro-economische beleid en het bezuinigingsbeleid van de EU de armoede en ongelijkheid hebben doen toenemen, waardoor vooral vrouwen worden getroffen in de lidstaten in Zuid-Europa, zoals Griekenland, Italië, Spanje en Portugal; overwegende dat dit negatieve gevolgen heeft voor de levensomstandigheden van hun gezin en met name van hun kinderen;

U.  overwegende dat het macro-economische beleid en het bezuinigingsbeleid van de EU schadelijk zijn geweest voor zowel een flexibel arbeidsmarktbeleid als de werkzekerheid, en ernstige gevolgen hebben gehad voor banen in de sociale en de openbare sector en in diensten voor kinder- en ouderenopvang, met ingrijpende gevolgen voor de arbeidsparticipatie van vrouwen; overwegende dat vrouwen, en met name alleenstaande moeders, vrouwelijke migranten en jonge en oudere vrouwen, het meest te lijden hebben onder armoede en sociale uitsluiting, en dat dit nog wordt verergerd door het voormelde beleid;

V.  overwegende dat de niveaus van armoede en sociale uitsluiting in de EU-28 zeer hoog blijven, met meer dan 118,6 miljoen mensen in 2015 (23,7 % van de bevolking), en dat vrouwen in het bijzonder worden getroffen, met meer dan 62,4 miljoen vrouwen (24,4 %) die zich in deze situatie bevinden;

W.  overwegende dat onzeker werk bijdraagt tot geestelijke en lichamelijke problemen bij vrouwen, die hierdoor vijfmaal zoveel stress, angst en depressies ervaren als mannelijke of vrouwelijke collega's met een contract voor onbepaalde tijd;

X.  overwegende dat vrouwen op hun werkplek maar al te vaak te kampen hebben met verschillende vormen van gendergebaseerde discriminatie, met inbegrip van zowel te lage inschaling en uitsluiting van promotie op het werk als intimidatie en verbaal, psychologisch of fysiek geweld (seksueel of niet-seksueel);

Y.  overwegende dat sociale ongelijkheden en ongelijkheden tussen mannen en vrouwen alleen kunnen worden bestreden door middel van beleid dat een betere welvaartsverdeling waarborgt, op basis van maatregelen die fatsoenlijke arbeidsomstandigheden moeten garanderen, een verhoging van de reële lonen, actie om arbeidswetgeving en -bescherming te bevorderen, met name door collectieve loononderhandelingen en de regulering van werktijden, en gegarandeerde universele en gratis toegang tot kwalitatief hoogwaardige openbare gezondheidszorg- en onderwijsdiensten;

Z.  overwegende dat het belangrijk is een reeks maatregelen te treffen om de bestaande obstakels uit de weg te ruimen en te zorgen voor reële gelijke kansen voor vrouwen en mannen op de werkplek, alsook gelijke toegang tot waardig werk en de uitoefening daarvan;

AA.  overwegende dat zwartwerk en onbetaalde overuren de armoede en sociale uitsluiting vergroten en daarom aangepakt en uitgebannen moeten worden; overwegende dat vrouwelijk huishoudelijk personeel in het algemeen en migrantenwerkneemsters en schijnzelfstandigen in het bijzonder extra kwetsbaar zijn en met precaire arbeidsomstandigheden te maken hebben;

1.  is zeer bezorgd over de rampzalige langetermijngevolgen van de bezuinigingsmaatregelen op de economische positie van vrouwen en op gendergelijkheid, met toenemende werkloosheid, besparingen in overheidsdiensten en lagere uitkeringen, wat leidt tot een crisis op zorggebied; benadrukt dat door de beperktere dienstverlening in de zorgsector, de lagere kinderbijslagen en uitkeringen voor gehandicapten en verzorgers, de beperktere belastingverlagingen en de teruggeschroefde wettelijke verloven, met inbegrip van vaderschaps- en ouderschapsverlof, zorg steeds vaker wordt doorgeschoven naar onbetaalde vrouwen die, als gevolg hiervan, geen verzekerbare baan kunnen uitoefenen of slechts deeltijds aan de slag kunnen;

2.  merkt op dat de bestrijding van armoede en de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen staat of valt met een eerlijker verdeling van de welvaart en een betere arbeidswetgeving, met name door middel van collectieve arbeidsovereenkomsten, hogere lonen, de toepassing van het beginsel van gelijk loon voor gelijk en gelijkwaardig werk, en sociale bescherming; acht het dringend noodzakelijk om, rekening houdend met de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie, op EU-niveau een definitie van gelijkwaardig werk te ontwikkelen om te garanderen dat factoren als arbeidsomstandigheden, de door de werknemers gedragen verantwoordelijkheid en de fysieke en mentale eisen van het werk in aanmerking worden genomen; is van mening dat de kwestie van "gelijk loon voor gelijkwaardig werk" dringend moet worden aangepakt; verzoekt de Commissie gendergelijkheid op het werk te bevorderen, onder meer door bewustmakingscampagnes rond de genderloonkloof en het Europese beloningsverschil tussen mannen en vrouwen, en de uitwisseling van goede praktijken;

3.  verzoekt de Commissie en de lidstaten het fenomeen van pesten op de werkvloer nauwlettend op te volgen, tegen te gaan en aan te pakken, met inbegrip van pesterijen tegen zwangere werkneemsters of eventuele nadelen ondervonden na terugkomst van een zwangerschapsverlof; roept de Commissie en de lidstaten op zowel naar geslacht, ouderschap en moederschap uitgesplitste gegevens inzake loon- en pensioenkloven te verstrekken;

4.  wijst erop dat in het kader van een eerlijker herverdelingsbeleid krachtige maatregelen moeten worden getroffen tegen discriminatie en intimidatie op de arbeidsmarkt om armoede en ongelijkheid te bestrijden; merkt op dat een nultolerantiebeleid inzake seksuele intimidatie moet worden ingesteld, dat als gedragscode zal dienen op de Europese arbeidsmarkt;

5.  verzoekt de lidstaten maatregelen te nemen om de salarisverschillen en de pensioenkloof tussen vrouwen en mannen weg te nemen en een eind te maken aan alle vormen van wetgeving en beleid die onzekere dienstverbanden rechtvaardigen; roept de lidstaten op om arbeidswetgeving in te voeren ter bevordering van de regulering van arbeid, collectieve arbeidsovereenkomsten, sociale bescherming en hogere lonen, en te investeren in het scheppen van vaste banen en in onderwijs en scholing gedurende het gehele leven met het oog op het wegwerken van genderongelijkheden; dringt er tevens bij de lidstaten op aan om bij voorrang een actief beleid te ontwikkelen en positieve maatregelen te nemen om de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt en hun economische onafhankelijkheid te vergroten, en om salarisverschillen en andere verschillen met betrekking tot functies, promoties, beloning en pensioenen tussen mannen en vrouwen uit te bannen;

6.  verzoekt de lidstaten nationale arbeidsinspectiediensten op te zetten en te versterken door hen te voorzien van een noodzakelijk kader en de financiële en personele middelen om deze diensten in staat te stellen hun werkzaamheden op doeltreffende wijze uit te voeren, zodat ze de strijd kunnen aangaan met onzeker en ongereguleerd werk, alsook met arbeids- en loondiscriminatie, in het bijzonder vanuit het oogpunt van de gendergelijkheid;

7.  wijst erop dat de toegenomen behoefte aan flexibiliteit op de arbeidsmarkt er in geen geval toe mag leiden dat vrouwen oververtegenwoordigd blijven in atypische vormen van werkgelegenheid met onzekere arbeidsomstandigheden;

8.  merkt op dat maatregelen voor meer loontransparantie van fundamenteel belang zijn voor het dichten van de loonkloof; verzoekt de lidstaten de aanbeveling van de Commissie inzake loontransparantie op te volgen;

9.  verzoekt de lidstaten wetgeving vast te stellen die moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsrechten beschermt of versterkt, en verlangt dat die bescherming ook in de arbeidswetgeving tot uiting komt; verzoekt de Commissie de bestaande moederschapsrichtlijn te herzien, met inachtneming van het standpunt van het Parlement en aan de hand van hoge normen, en daarbij eventueel maatregelen vast te stellen om te waarborgen dat ouderschapsverloftoelagen altijd worden berekend op basis van 100 % van het referentieloon, om ervoor te zorgen dat vrouwen voor de duur van hun moederschapsverlof worden betaald en onder de sociale bescherming vallen, teneinde het sociale en economische welzijn van gezinnen veilig te stellen en de opname van ouderschapsverlof door vaders te bevorderen; beklemtoont dat moederschapsverlof gepaard moet gaan met doeltreffende maatregelen ter bescherming van de rechten van zwangere vrouwen en jonge moeders, moeders die borstvoeding geven en alleenstaande moeders, in overeenstemming met de aanbevelingen van de Internationale Arbeidsorganisatie en de Wereldgezondheidsorganisatie; benadrukt dat het veelomvattende wetgevingsvoorstel de gelijkheid van mannen en vrouwen als rechtsgrondslag moet hebben, om het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van vrouwen en mannen op het werk te waarborgen;

10.  verzoekt de lidstaten en de Commissie om belasting- en uitkeringsstelsels die financiële stimulansen geven aan de partner met het laagste loon om de arbeidsmarkt te verlaten of deeltijds te werken, te herzien, aangezien dergelijke stelsels in strijd kunnen zijn met een hogere opname van het ouderschapsverlof door vaders en negatieve gevolgen hebben voor vrouwen, zoals het versterken van de loon-, zorg- en pensioenkloof tussen de seksen;

11.  verzoekt de lidstaten om wetten in te voeren die garanderen dat vrouwen worden opgenomen in het socialezekerheidsstelsel, en die vrouwelijke werknemers beschermen tijdens perioden van werkloosheid en hen het recht op een pensioen garanderen;

12.  verlangt dat de lidstaten de wetgeving op het gebied van moederschapsrechten naleven en handhaven om te voorkomen dat vrouwen de rekening voor hun moederschap gepresenteerd krijgen in de vorm van een lager pensioen;

13.  roept de lidstaten op om overheidsbeleid te bevorderen dat steun biedt aan gezinnen, met bijzondere aandacht voor de oprichting van kosteloze, hoogwaardige openbare diensten voor kinderopvang, zoals crèches en voorschoolse diensten, en om het netwerk te versterken van gespecialiseerde diensten die zorg verstrekken aan ouderen, met name in hun eigen huis, zodat werkende vrouwen werk en privéleven beter kunnen combineren en als een manier om beperkingen weg te nemen die, door de discriminatie van vrouwen, objectief bijdragen aan het feit dat vrouwen de arbeidsmarkt verlaten;

14.  wijst op het belang van toereikende regelingen inzake een minimuminkomen, om de menselijke waardigheid te behouden en armoede en sociale uitsluiting te bestrijden, en op de rol ervan als vorm van sociale investering om mensen in staat te stellen te participeren in de maatschappij, opleiding te volgen en/of werk te zoeken; verzoekt de Commissie en de lidstaten regelingen inzake een minimuminkomen in de EU te beoordelen, inclusief de vraag of de regelingen gezinnen in staat stellen te voorzien in hun behoeften; verzoekt de Commissie en de lidstaten op basis hiervan de wijze en middelen te evalueren om te voorzien in een adequaat minimuminkomen in alle lidstaten en bijkomende stappen te overwegen om sociale convergentie in de hele EU te ondersteunen, rekening houdend met de economische en sociale omstandigheden van elke lidstaat, alsmede met de nationale praktijken en tradities;

15.  merkt op dat de Europese sociale partners geen voorstel hebben gedaan voor een overeenkomst over een breed pakket van wetgevende en niet-wetgevende maatregelen inzake het combineren van werk, privéleven en gezinsleven; verzoekt de Commissie om zo spoedig mogelijk een voorstel te doen voor een dergelijk pakket, als onderdeel van het werkprogramma van de Commissie 2017 in het kader van de aangekondigde Europese pijler van sociale rechten;

16.  verzoekt de lidstaten wetten op te stellen voor het invoeren van preventief beleid zoals gendergelijkheidsplannen voor het bestrijden van genderdiscriminatie op de werkplek en voor het creëren van een passende werkomgeving voor zowel vrouwen als mannen;

17.  roept de lidstaten op om maatregelen te treffen die zwartwerk en misbruik van tijdelijke contracten, waaraan vooral vrouwen zich onderworpen zien, tegengaan, met het oog op het verbeteren van de situatie en de bescherming van de meest kwetsbare groepen, in het bijzonder huishoudelijk personeel en zogenaamde schijnzelfstandigen; dringt er bij de lidstaten op aan maatregelen te treffen zoals het aanbieden van advies- en preventiediensten inzake discriminatie op de arbeidsmarkt, en de oprichting van toezichthoudende en regelgevende instanties inzake werkgelegenheid om te garanderen dat de voorschriften met betrekking tot aanwervingen, vergoedingen, opleidingen, arbeidspraktijken en de ontbinding van contracten in acht worden genomen;

18.  beveelt de lidstaten aan ervoor te zorgen dat alle jongeren op elke leeftijd toegang hebben tot gratis, kwaliteitsvol openbaar onderwijs, in het bijzonder in de hogere niveaus van onderwijs en opleiding, aangezien aangetoond is dat het verhogen van het opleidingsniveau arbeidsgerelateerde ongelijkheden tussen mannen en vrouwen helpt te verkleinen;

19.  verzoekt de lidstaten te zorgen voor een aangepaste vergoeding en gepaste sociale bescherming tijdens elke vorm van gezins- of zorggerelateerd verlof, zodat met name werknemers met een laag inkomen net als ieder ander gebruik kunnen maken van verlofmaatregelen;

20.  benadrukt dat migranten en vluchtelingen dezelfde rechten moeten genieten en tot dezelfde voordelen en diensten toegang moeten hebben als andere werknemers, op basis van een universeel model dat niet is gebaseerd op verzekeringsbijdragen en werkgeschiedenis;

21.  verzoekt de Commissie praktijken die in de lidstaten succesvol zijn gebleken samen te brengen, teneinde ze te verspreiden en te bevorderen om genderdiscriminatie op de werkvloer te voorkomen en met name de rechten van vrouwen te beschermen;

22.  roept de lidstaten en de sociale partners op tot bevordering van fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden en hoogwaardige werkgelegenheid voor verzorgend personeel, ook door behoorlijke beloning, erkenning van hun status en de ontwikkeling van kwalitatief hoogstaande beroepsopleidingstrajecten voor verzorgend personeel;

23.  vraagt de Commissie te garanderen dat deeltijdwerkers, werknemers met onregelmatige dienstverbanden en werknemers die hun carrière onderbroken hebben of in bepaalde perioden minder uren hebben gewerkt effectief en in gelijke mate als voltijdwerkers hun recht op een toegankelijke en redelijke pensioenregeling zonder welke vorm van discriminatie dan ook kunnen doen gelden;

24.  benadrukt dat vrouwelijke werknemers met geestelijke gezondheidsproblemen een zeer hoog risico lopen ten aanzien van alle onderdelen van onzeker werk; beklemtoont dat deze werknemers oververtegenwoordigd zijn op het vlak van armoede onder werkenden, dienstverbanden met tijdelijke of deeltijdcontracten, loopbaanonderbrekingen en andere onzekere contractregelingen; roept de Commissie en de lidstaten op ervoor te zorgen dat de Europese wetgeving inzake gezondheid en veiligheid voldoende sterk en efficiënt is om die kwetsbare werknemers op een betere manier te kunnen beschermen; benadrukt dat alle vormen van intimidatie op het werk de kwaliteit van leven en werk alsook de gezondheid en het welzijn sterk beïnvloeden.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

6.2.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

15

7

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Beatriz Becerra Basterrechea, Vilija Blinkevičiūtė, Viorica Dăncilă, Iratxe García Pérez, Arne Gericke, Anna Hedh, Mary Honeyball, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Florent Marcellesi, Maria Noichl, Pina Picierno, João Pimenta Lopes, Terry Reintke, Michaela Šojdrová, Ángela Vallina, Elissavet Vozemberg-Vrionidi, Jadwiga Wiśniewska, Anna Záborská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Inés Ayala Sender, Evelyn Regner, Mylène Troszczynski

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Francisco Assis, Claudia Schmidt

(1)

Gegevens uit het Eurofound-verslag (2016) "Het verschil in arbeidsparticipatie tussen mannen en vrouwen – uitdagingen en oplossingen".

(2)

Gegevens uit het Eurofound-verslag "Zesde Europese enquête naar de arbeidsomstandigheden".


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

30.5.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

38

1

5

Bij de eindstemming aanwezige leden

Laura Agea, Guillaume Balas, Brando Benifei, Vilija Blinkevičiūtė, Enrique Calvet Chambon, Ole Christensen, Lampros Fountoulis, Elena Gentile, Arne Gericke, Czesław Hoc, Danuta Jazłowiecka, Agnes Jongerius, Jan Keller, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Jean Lambert, Jérôme Lavrilleux, Jeroen Lenaers, Verónica Lope Fontagné, Javi López, Thomas Mann, Dominique Martin, Anthea McIntyre, Elisabeth Morin-Chartier, João Pimenta Lopes, Marek Plura, Terry Reintke, Claude Rolin, Anne Sander, Sven Schulze, Siôn Simon, Jutta Steinruck, Romana Tomc, Yana Toom, Ulrike Trebesius, Marita Ulvskog, Tatjana Ždanoka, Jana Žitňanská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Georges Bach, Dieter-Lebrecht Koch, Paloma López Bermejo, Joachim Schuster, Csaba Sógor, Neoklis Sylikiotis

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Sophia in ‘t Veld


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

38

+

ALDE

EFDD

GUE/NGL

NI

PPE

S&D

VERTS/ALE

Enrique Calvet Chambon, Yana Toom, Sophia in 't Veld

Laura Agea

Paloma López Bermejo, João Pimenta Lopes, Neoklis Sylikiotis

Lampros Fountoulis

Georges Bach, Danuta Jazłowiecka, Dieter-Lebrecht Koch, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Jérôme Lavrilleux, Jeroen Lenaers, Verónica Lope Fontagné, Thomas Mann, Elisabeth Morin-Chartier, Marek Plura, Claude Rolin, Anne Sander, Sven Schulze, Csaba Sógor, Romana Tomc

Guillaume Balas, Brando Benifei, Vilija Blinkevičiūtė, Ole Christensen, Elena Gentile, Agnes Jongerius, Jan Keller, Javi López, Joachim Schuster, Siôn Simon, Jutta Steinruck, Marita Ulvskog

Jean Lambert, Terry Reintke, Tatjana Ždanoka

1

-

ENF

Dominique Martin

5

0

ECR

Arne Gericke, Czesław Hoc, Anthea McIntyre, Ulrike Trebesius, Jana Žitňanská

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Juridische mededeling