Procedure : 2016/2308(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0234/2017

Ingediende teksten :

A8-0234/2017

Debatten :

PV 05/07/2017 - 12
CRE 05/07/2017 - 12

Stemmingen :

PV 06/07/2017 - 11.1
CRE 06/07/2017 - 11.1
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0306

VERSLAG     
PDF 315kWORD 65k
26.6.2017
PE 601.216v02-00 A8-0234/2017

over het verslag van de Commissie 2016 over Turkije

(2016/2308(INI))

Commissie buitenlandse zaken

Rapporteur: Kati Piri

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verslag van de Commissie 2016 over Turkije

(2016/2308(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties, met name die van 24 november 2016 over de betrekkingen tussen de EU en Turkije(1), en 27 oktober 2016 over de situatie van journalisten in Turkije(2),

–  gezien zijn resolutie van 13 november 2014 over de acties van Turkije die tot spanningen leiden in de exclusieve economische zone van Cyprus(3) , en zijn resolutie van 15 april 2015 over de honderdjarige herdenking van de Armeense genocide(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 9 november 2016 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over het EU-uitbreidingsbeleid (COM(2016)0715), en het verslag Turkije 2016 (SWD(2016)0366),

–  gezien de conclusies van het Voorzitterschap van 13 december 2016, en eerdere conclusies van de Raad en de Europese Raad,

–  gezien het kader voor onderhandelingen met Turkije van 3 oktober 2005, en met name paragraaf 5 over de beginselen voor de onderhandelingen,

–  gezien Besluit 2008/157/EG van de Raad van 18 februari 2008 over de beginselen, prioriteiten en voorwaarden die zijn opgenomen in het partnerschap voor de toetreding met de Republiek Turkije ("het toetredingspartnerschap")(5), en de eerdere besluiten van de Raad van 2001, 2003 en 2006 betreffende het toetredingspartnerschap,

–  gezien de gezamenlijke verklaring na de EU-Turkije-top van 29 november 2015, en het actieplan EU-Turkije,

–  gezien de verklaring van de Europese Gemeenschap en haar lidstaten op 21 september 2005, waarin onder meer staat dat de erkenning van alle lidstaten van de EU een noodzakelijke component is van de onderhandelingen, en dat Turkije het aanvullend protocol bij de Overeenkomst van Ankara volledig en daadwerkelijk moet uitvoeren met betrekking tot alle lidstaten door alle belemmeringen van het vrij verkeer van goederen zonder vooroordelen en discriminatie weg te nemen,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien artikel 46 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) waarin staat dat de verdragsluitende partijen zich ertoe verbinden zich te houden aan de einduitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaken waarbij zij partij zijn en deze uit te voeren,

–  gezien de adviezen van de Commissie van Venetië van de Raad van Europa, met name die van 10-11 maart 2017 over de amendementen op de Grondwet die worden onderworpen aan een nationaal referendum, over de maatregelen die zijn opgenomen in de recente wetten inzake de noodtoestand met betrekking tot de mediavrijheid en de taken, bevoegdheden en de werking van de "strafrechterschappen van vrede" ("criminal judgeships of peace"), van 9-10 december 2016 over de wetten inzake de noodtoestand nrs. 667-676 die zijn aangenomen na de mislukte coup van 15 juli 2016, en van 14-15 oktober 2016 over de opschorting van het tweede lid van artikel 83 van de Grondwet (parlementaire onschendbaarheid),

–  gezien de verklaring van de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa van 26 juli 2016 over de maatregelen die zijn genomen in het kader van de noodtoestand in Turkije,

–  gezien de Verklaring EU-Turkije van 18 maart 2016,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 maart 2017 aan het Europees Parlement en de Raad over het eerste jaarverslag over de Vluchtelingenfaciliteit voor Turkije (COM(2017)0130) en het vijfde verslag van de Commissie van 2 maart 2017 aan het Europees Parlement, de Europese Raad en de Raad over de vooruitgang bij de uitvoering van de Verklaring EU-Turkije (COM(2017)0204),

–  gezien het feit dat Turkije zich heeft verplicht tot de naleving van de criteria van Kopenhagen, adequate en doeltreffende hervormingen, goede betrekkingen met zijn buurlanden en geleidelijke aanpassing aan de EU, en gezien het feit dat deze inspanningen hadden moeten worden beschouwd als een kans voor Turkije om zijn instituties te versterken en zijn democratiserings- en moderniseringsproces voort te zetten,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie van 21 december 2016 voor een Besluit van de Raad houdende machtiging tot het opstarten van onderhandelingen met Turkije met het oog op het sluiten van een Overeenkomst betreffende de uitbreiding van het toepassingsgebied van de bilaterale preferentiële handelsbetrekkingen en betreffende de modernisering van de Douane-unie,

–  gezien het feit dat eerbiediging van de rechtsstaat, inclusief, met name, de scheiding der machten, democratie, vrijheid van meningsuiting, mensenrechten, rechten van minderheden en godsdienstvrijheid, vrijheid van vereniging en vreedzaam protest, centraal staat in het onderhandelingsproces, in overeenstemming met de criteria van Kopenhagen voor lidmaatschap van de Europese Unie,

–  gezien het feit dat Turkije op de 155e plaats staat van de wereldindex voor persvrijheid, die op 26 april 2017 werd gepubliceerd – lager dan ooit – en een van de landen is waar journalisten het meest lijden onder bedreigingen, fysieke aanvallen en gerechtelijke intimidatie, onder meer in de vorm van arrestatie en gevangenisstraffen,

–  gezien het feit dat het Parlement er in november 2016 bij de Commissie en de lidstaten op heeft aangedrongen de toetredingsonderhandelingen met Turkije tijdelijk stil te leggen en heeft toegezegd dat het zijn standpunt zou herzien zodra de disproportionele maatregelen in het kader van de noodtoestand waren opgeheven, waarbij beoordeeld zou worden of de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten in het hele land waren hersteld,

–  gezien de crisis in Syrië, de pogingen tot een wapenstilstand en een vreedzame regeling, en Turkije's verplichtingen om de stabiliteit te vergroten en om goede betrekkingen met zijn buurlanden te stimuleren door intensieve inspanningen om de resterende bilaterale problemen, geschillen en conflicten met buurlanden over lands-, maritieme en luchtruimgrenzen op te lossen, in overeenstemming met internationale akkoorden, met inbegrip van het VN-Verdrag inzake het recht van de zee en het VN-Handvest,

–  gezien de Russische inmenging in Syrië, onder meer in de vorm van steun voor het gebruik van chemische wapens door het Syrische leger, die het land verder destabiliseert en leidt tot een stijging van het aantal vluchtelingen dat om bescherming verzoekt in Turkije en de EU,

–  gezien Turkije's veiligheidssituatie, die zowel intern als extern is verslechterd, en de terroristische aanslagen die in het land worden gepleegd,

–  gezien het feit dat Turkije de grootste vluchtelingenpopulatie ter wereld opvangt, met bijna drie miljoen geregistreerde vluchtelingen uit Syrië, Irak en Afghanistan, volgens het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen (UNHCR),

–  gezien de economische en financiële situatie van Turkije, dat deels het gevolg is van de recente golf aanslagen en van de politieke instabiliteit, maar ook het gevolg is van dieper liggende problemen in de economie,

–  gezien het verslag van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten (OHCHR), over de mensenrechtensituatie in Zuidoost-Turkije van februari 2017,

–  overwegende dat Turkije bewonderenswaardig gastvrij is geweest voor de vele vluchtelingen die in het land wonen,

–  gezien de "Verklaring met eerste bevindingen en conclusies" van de internationale waarnemingsmissie over het referendum van 17 april 2017,

–  gezien resolutie nr. 2156 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa over de werking van de democratische instellingen in Turkije van 25 april 2017, die geresulteerd heeft in heropening van de procedure van toezicht,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0234/2017),

A.  gezien het feit dat miljoenen Turkse mensen en mensen van Turkse oorsprong al decennialang in de lidstaten van de EU wonen en hun bijdragen aan die lidstaten leveren,

Inleiding

1.  benadrukt dat 2016 een moeilijk jaar was voor de Turkse bevolking door de aanhoudende oorlog in Syrië, de hoge aantallen vluchtelingen, het conflict in het zuidoosten, een reeks afschuwelijke terroristische aanslagen, en een gewelddadige poging tot staatsgreep waarbij 248 mensen werden gedood; herhaalt zijn krachtige veroordeling van de poging tot staatsgreep van 15 juli jl. en betoont zijn solidariteit met de bevolking van Turkije; erkent het recht en de verantwoordelijkheid van de Turkse regering om de daders voor de rechter te brengen, waarbij gewaarborgd wordt dat de rechtstaat en het recht op een eerlijk proces worden geëerbiedigd;

2.  benadrukt echter dat de maatregelen die getroffen zijn in het kader van de noodtoestand grootschalige, disproportionele en langdurige negatieve effecten op een groot aantal burgers en op de bescherming van de fundamentele vrijheden in het land hebben gehad; veroordeelt het collectieve ontslag van ambtenaren en politieagenten, de massale sluiting van media, de arrestatie van journalisten, academici, rechters, mensenrechtenactivisten, gekozen en niet-gekozen overheidsfunctionarissen, leden van de veiligheidsdiensten en gewone burgers, en de inbeslagname van hun eigendommen, activa en paspoorten, de sluiting van vele scholen en universiteiten en het reisverbod dat is opgelegd aan duizenden Turkse staatsburgers op basis van de wetten inzake de noodtoestand zonder aanzien des persoons, en zonder de mogelijkheid om in beroep te gaan; is bezorgd over de inbeslagname, en in sommige gevallen nationalisering, van particuliere ondernemingen en bedrijven; verzoekt om de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle gevangenen die zonder bewijs van individuele betrokkenheid bij het plegen van strafbare feiten gevangen worden gehouden; betreurt het in deze context dat de wetgevende bevoegdheden van het parlement ernstig zijn ondermijnd;

3.  onderstreept het strategische belang van goede betrekkingen tussen de EU en Turkije en de hoge toegevoegde waarde van samenwerking om de problemen het hoofd te bieden waarmee beide partijen worden geconfronteerd; erkent dat zowel Turkije als de EU hun eigen interne transformatieproces hebben doorgemaakt sinds de toetredingsonderhandelingen in 2004 zijn gestart; betreurt dat de toetredingsinstrumenten niet maximaal zijn gebruikt, en dat er achteruitgang is geweest op het gebied van de mensenrechten en de rechtsstaat, die centraal staan in de criteria van Kopenhagen, en dat volledige integratie van Turkije in de EU in de loop der jaren aan beide zijden op steeds minder publieke steun kon rekenen; blijft zich ervoor inzetten om samen te werken en een constructieve en open dialoog te voeren met de Turkse regering, om de gemeenschappelijke problemen en gedeelde prioriteiten aan te pakken, zoals regionale stabiliteit, de situatie in Syrië, migratie en veiligheid;

4.  neemt kennis van de uitslag van het referendum dat plaatsvond op 16 april 2017, en dat gehouden werd terwijl de noodtoestand van kracht was en onder omstandigheden die een eerlijke campagne en een weloverwogen keuze niet mogelijk maakten, aangezien de twee zijden geen gelijke kansen kregen, en een schending vormden van de rechten van de tegenstanders van de constitutionele hervorming; is ernstig bezorgd over de beschuldigingen van onregelmatigheden en wijdverspreide electorale fraude die zijn vastgesteld in de bevindingen van de waarnemingsmissie van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa/het Bureau voor democratische instellingen en mensenrechten (OVSE/ODIHR), gepubliceerd op 17 april 2017, waarin ernstige twijfel wordt geuit over de geldigheid en de legitimiteit van de uitslag; steunt een onafhankelijk onderzoek naar alle klachten i.v.m. de onregelmatigheden die in de OVSE/ODIHR-verklaring worden genoemd; neemt kennis van de beslissing van de PACE om het proces van toezicht op Turkije te heropenen;

5.  wijst erop dat Turkije zijn verplichtingen als lid van de Raad van Europa moet nakomen; roept Turkije op zijn verplichtingen ten aanzien van de Raad van Europa te blijven nakomen en constitutionele en justitiële wijzigingen en hervormingen in te voeren in samenwerking met Commissie van Venetië en in overeenstemming met de criteria van deze commissie;

6.  veroordeelt ten strengste dat de Turkse president en verscheidene andere politici meerdere malen hebben aangegeven vóór herinvoering van de doodstraf te zijn; herhaalt dat ondubbelzinnige afwijzing van de doodstraf een essentiële voorwaarde is voor EU-lidmaatschap en benadrukt dat herinvoering van de doodstraf een schending zou inhouden van de internationale afspraken die Turkije heeft gemaakt, Turkije's lidmaatschap van de Raad van Europa ter discussie zou stellen en zou leiden tot onmiddellijke beëindiging van de EU-toetredingsonderhandelingen en pretoetredingssteun; benadrukt dat, indien er in Turkije een referendum wordt georganiseerd over de invoering van de doodstraf, de lidstaten het recht hebben om dit referendum in hun lidstaten niet te faciliteren;

7.  herinnert aan zijn standpunt van november 2016 om het toetredingsproces met Turkije te bevriezen:

8.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om, in overeenstemming met het kader voor onderhandelingen, de toetredingsonderhandelingen met Turkije onverwijld formeel op te schorten als het constitutionele pakket ongewijzigd wordt geïmplementeerd; benadrukt, rekening houdend met de opmerkingen van de Commissie van Venetië over de constitutionele hervorming, dat de voorgestelde constitutionele amendementen indruisen tegen grondbeginselen als de scheiding der machten, onvoldoende veiligheidsmechanismen bevatten en niet in overeenstemming zijn met de criteria van Kopenhagen; verzoekt de Commissie, de lidstaten en Turkije een open en eerlijke dialoog aan te gaan over gebieden van wederzijds belang waarvoor versterkte samenwerking mogelijk zou zijn; benadrukt dat politieke betrekkingen tussen de EU en Turkije moeten worden gebaseerd op voorwaardelijke bepalingen met betrekking tot de eerbiediging van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten;

Mensenrechten en fundamentele vrijheden

9.  betreurt dat de excessieve maatregelen die getroffen zijn na het afkondigen van de noodtoestand, waaronder detentie, ontslag, arrestatie en inbeslagname van eigendommen, niet alleen gericht waren tegen duizenden vermeende leden van de Gülen-beweging, maar ook tegen andersdenkenden in het algemeen en met name politieke partijen van de oppositie; is nog steeds in afwachting van overtuigend bewijs met betrekking tot de plegers van de couppoging: veroordeelt ten zeerste de gevangenneming van 11 leden van de Democratische Partij van de Volkeren (HDP), onder wie haar medevoorzitters Figen Yuksekdag en Selahattin Demirtas, van een lid van de Republikeinse Volkspartij (CHP), en 85 Koerdische burgemeesters; dringt er bij de Turkse regering op aan de noodtoestand onmiddellijk op te heffen; waarschuwt voor het gevaar dat maatregelen ter bestrijding van het terrorisme worden ingezet om mensenrechtenschendingen te rechtvaardigen;

10.  verzoekt de Turkse autoriteiten een grondig onderzoek in te stellen naar de aantijgingen van ernstige mishandeling van gevangenen, zoals gerapporteerd door verscheidene mensenrechtenorganisaties, en dringt aan op volledige aansprakelijkheid en bestraffing van de personen die zich schuldig hebben gemaakt aan schending van de mensenrechten; maakt zich ernstig zorgen om de detentieomstandigheden; vraagt om de onverwijlde publicatie van de laatste verslagen van het Europees Comité inzake de voorkoming van folteringen en onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen van de Raad van Europa en dringt er bij de Turkse autoriteiten op aan internationale waarnemers toestemming te geven om toezicht te houden op de detentieaccommodaties;

11.  dringt er bij de Turkse regering op aan om allen tegen wie beperkende maatregelen zijn genomen passende en effectieve beroepsmogelijkheden te bieden en rechterlijke toetsing in overeenstemming met de rechtsstaat; benadrukt dat de onschuldpresumptie in elke rechtsstaat een fundamenteel beginsel is; merkt op dat burgers in Turkije die worden gearresteerd tijdens de nog steeds geldende noodtoestand, de eerste vijf dagen van hun detentie geen recht hebben op juridische bijstand en betreurt de ernstige beperking van de toegang van gedetineerden tot een advocaat; benadrukt dat er sinds juli 2016 meer dan 100 000 juridische klachten zijn ingediend bij het Turks Constitutioneel Gerechtshof, dat zichzelf onbevoegd heeft verklaard inzake maatregelen in het kader van de noodverordeningen; dringt er met spoed bij Turkije op aan de ‘Onderzoekscommissie voor Praktijken tijdens de Noodtoestand’ op zodanige wijze te herzien dat het een robuuste, onafhankelijke commissie wordt met een volledig mandaat die alle dossiers individueel kan behandelen, en die de enorme aantallen aanvragen die zij zal ontvangen op effectieve wijze kan verwerken en die er zorg voor kan dragen dat de rechterlijke toetsing geen onnodige vertraging oploopt;

12.  veroordeelt ten zeerste de grote terugval in en schendingen van de vrijheid van meningsuiting en de ernstige schendingen van de mediavrijheid, met inbegrip van de disproportionele sluiting van mediasites en sociale media; merkt met bezorgdheid op dat er circa 170 mediatitels – waaronder vele in de Koerdische taal – een verschijningsverbod hebben gekregen en dat meer dan 150 journalisten gevangengenomen zijn; benadrukt dat Turkije's besluit om de toegang tot Wikipedia te blokkeren een ernstige aantasting van de vrijheid van informatie is; merkt op dat Turkije het steeds slechter doet in de index voor persvrijheid van Verslaggevers Zonder Grenzen, waarin het land nu op de 155e plaats van de 180 landen staat; herinnert eraan dat een vrije en pluralistische pers, inclusief een vrij en open internet, een essentieel onderdeel is van een democratie en dringt er bij de Turkse regering op aan alle onrechtmatig gearresteerde journalisten onmiddellijk vrij te laten; roept de Turkse regering op voormalig EP-lid en voorzitter van de gezamenlijke parlementaire commissie, de heer Joost Lagendijk, toe te staan zo spoedig mogelijk naar zijn gezin in Turkije terug te keren;

13.  geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over de voortdurend verslechterende situatie in Zuidoost-Turkije, met name in de gebieden waar de avondklok is ingesteld, waar buitensporig geweld werd gebruikt en waar alle inwoners collectief worden gestraft, en waar naar verluidt zo'n 2 000 mensen zijn vermoord in het kader van veiligheidsoperaties en waar in de periode van juli 2015 t/m december 2016 naar schatting een half miljoen mensen ontheemd is geraakt; merkt op dat de plaatselijke aanklagers geweigerd hebben onderzoeken in te stellen naar de moorden die gepleegd zouden zijn en dat onafhankelijke waarnemers de toegang tot het gebied is geweigerd; herinnert aan de verantwoordelijkheid van de Turkse regering met betrekking tot de bescherming van alle burgers, ongeacht hun culturele en religieuze achtergrond; betreurt de wijdverbreide praktijk van onteigening, ook van eigendommen van gemeenten en kerken, hetgeen een schending vormt van de rechten van religieuze minderheden; is ervan overtuigd dat een politieke regeling van de Koerdische kwestie kan zorgen voor duurzame stabiliteit en welvaart in het gehele gebied en voor Turkije als geheel, en roept derhalve beide partijen op terug te keren aan de onderhandelingstafel; merkt op dat een reeks wetten, waaronder wet nr. 6722 betreffende de rechtsbescherming van de aan de strijd tegen terroristische organisaties deelnemende veiligheidsdiensten die op 23 juni 2016 werd aangenomen, gezorgd heeft voor een atmosfeer van "stelselmatige straffeloosheid" voor de veiligheidsdiensten;

14.  veroordeelt het besluit van het Turkse parlement om de onschendbaarheid van een groot aantal parlementsleden, waaronder 55 van de 59 parlementariërs van de HDP, op ongrondwettelijke wijze op te heffen, zodat politici van oppositiepartijen kunnen worden gearresteerd en waardoor het imago van het parlement als democratisch instituut ernstige schade heeft opgelopen; benadrukt dat de Turkse Grote Nationale Vergadering de centrale instelling in de Turkse democratie zou moeten zijn en alle burgers op voet van gelijkheid zou moeten vertegenwoordigen; betreurt de hoge kiesdrempel;

15.  is bezorgd dat rechters en aanklagers onder zware politieke druk komen te staan en dat er wel 4 000 zijn ontslagen of gearresteerd en dat hun eigendom in beslag is genomen, wat neerkomt op bijna een kwart van alle rechters en aanklagers; dringt er bij Turkije op aan alle wettelijke waarborgen te herstellen c.q. te implementeren om ervoor te zorgen dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht volledig wordt geëerbiedigd, en dat de wet inzake de Hoge Raad van rechters en aanklagers (HSYK) wordt gewijzigd om de invloed van de uitvoerende macht in die raad te beperken; is met name bezorgd dat de positie van "strafrechter van vrede", die in juni 2014 door de toenmalige regering werd ingevoerd, blijkt te zijn getransformeerd tot een instrument om de oppositie te intimideren, en om te bepalen over welke informatie het publiek mag beschikken;

16.  is ernstig bezorgd over de gebrekkige eerbiediging van de vrijheid van godsdienst, discriminatie van religieuze minderheden, inclusief christenen en alevieten, en geweld op religieuze gronden, verbale en fysieke agressie, stigmatisering en sociale druk op scholen, en problemen bij het legaal oprichten van gebedshuizen; roept de Turkse autoriteiten op positieve en doeltreffende hervormingen te stimuleren op het gebied van de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst door religieuze gemeenschappen in staat te stellen rechtspersoonlijkheid te verwerven, liefdadigheidsstichtingen toe te staan hun besturen te kiezen, alle restricties ten aanzien van de opleiding, benoeming en opvolging van geestelijken weg te nemen, te voldoen aan de desbetreffende arresten van het EHRM en de aanbevelingen van de Commissie van Venetië, en door alle vormen van op godsdienst gebaseerde discriminatie of belemmeringen uit te bannen; roept Turkije op het eigen karakter en het belang van het Oecumenisch Patriarchaat te respecteren en zijn rechtspersoonlijkheid te erkennen; herhaalt de noodzaak om de heropening van het Halki-seminarie toe te staan en alle obstakels voor de goede werking ervan weg te nemen; is bezorgd over de recente inbeslagneming van de kerken in de regio Diyarbakir; roept de Turkse autoriteiten derhalve op alle uitingen van antisemitisme in de maatschappij grondig te bestrijden;

17.  dringt er bij Turkije op aan de rechten van de meest kwetsbare groepen en van personen die tot minderheden behoren, te beschermen; betreurt dat LGBTI-optochten in Ankara en Istanbul voor het tweede opeenvolgende jaar zijn verboden; is ernstig bezorgd over geweld op basis van geslacht, discriminatie, haatzaaien tegen minderheden, haatmisdrijven en schendingen van de mensenrechten van lesbische, homoseksuele, biseksuele, transseksuele en interseksuele personen; roept Turkije op passende maatregelen te nemen gericht op het voorkomen en bestraffen van haatzaaiende uitingen en misdrijven gericht tegen minderheden; dringt er bij Turkije op aan zijn binnenlandse wetgeving te harmoniseren met het Verdrag van Istanbul van de Raad van Europa, dat het in 2014 heeft geratificeerd; is verheugd over de nationale strategie en het actieplan van de regering voor Roma en roept de Turkse regering op van start te gaan met de uitvoering van de strategie en een mechanisme voor toezicht en evaluatie op te zetten; moedigt de autoriteiten aan de belangrijkste belemmeringen voor de sociale inclusie van Roma weg te nemen; dringt er bij Turkije op aan te zorgen voor gelijkheid van alle burgers en om de problemen aan te pakken waarmee leden van minderheden worden geconfronteerd, met name wat onderwijs en eigendomsrechten betreft; merkt op dat minderheden, op grond van de criteria van Kopenhagen, ook recht hebben op openbaar onderwijs in hun moedertaal; herinnert eraan dat de resolutie van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa over Imbros en Tenedos moet worden uitgevoerd en dringt er bij Turkije op aan gezinnen die tot een minderheid behoren en wensen terug te keren naar de eilanden, te helpen; is verheugd over de opening van de Griekse minderheidsschool op het eiland Imbros, hetgeen een positieve stap vormt;

18.  roept de Turkse regering op de juridische verbintenissen die zij is aangegaan ten aanzien van de bescherming van het cultureel erfgoed, te eerbiedigen en volledig ten uitvoer te leggen, en meer in het bijzonder Grieks, Armeens, Assyrisch en ander erfgoed dat in de vorige eeuw is vernietigd of vernield, te goeder trouw en duidelijk in kaart te brengen; dringt er bij Turkije op aan het Unesco-verdrag van 2005 betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen te ratificeren; roept Turkije op samen te werken met de relevante internationale organisaties, met name de Raad van Europa, teneinde de illegale handel in en de opzettelijke vernieling van het culturele erfgoed te bestrijden;

19.  is verheugd over het feit dat individuele lidstaten de asielprocedures versneld uitvoeren voor Turkse burgers die worden vervolgd in het kader van de noodtoestand;

Betrekkingen tussen de EU en Turkije

20.  roept op tot de verdieping van de betrekkingen tussen de EU en Turkije op belangrijke terreinen van wederzijds belang, zoals terrorismebestrijding, migratie, energie en handel, en herhaalt dat de dialoog en samenwerking moet worden voortgezet en gestimuleerd; is van mening dat de samenwerking tussen de EU en Turkije op deze terreinen alleen een investering in stabiliteit en welvaart voor zowel Turkije als de EU kan zijn wanneer beide partijen hun verbintenissen inzake grondrechten en fundamentele vrijheden nakomen; is van mening dat samenwerking tussen leden van het maatschappelijk middenveld van cruciaal belang is, en dringt erop aan deze contacten te intensiveren;

21.  roept Turkije op zijn buitenlands beleid verder af te stemmen op dat van de EU; roept op tot nauwere samenwerking en coördinatie bij uitdagingen op het gebied van buitenlands beleid tussen de EU en Turkije; is van mening dat de Turkse minister van Buitenlandse Zaken uitgenodigd dient te worden op bijeenkomsten van de Raad in verband met buitenlandse zaken, en per geval te beoordelen wanneer dat relevant is; beveelt aan dat de Raad de Turkse regering uitnodigt voor een topconferentie om de huidige EU-Turkse betrekkingen te bespreken;

22.  is van mening dat versterking van de handelsbetrekkingen concrete voordelen kan opleveren voor de burgers in Turkije en de EU en steunt derhalve, gezien de huidige gebrekkige werking van de douane-unie, het voorstel van de Commissie om onderhandelingen te beginnen over het opwaarderen van de douane-unie; herhaalt dat de EU de belangrijkste handelspartner van Turkije is en dat twee derde van de directe buitenlandse investeringen (DBI) in Turkije afkomstig is uit lidstaten van de EU; onderstreept eveneens het economische belang van Turkije als groeimarkt voor de EU; acht de betrokkenheid van de sociale partners bij de onderhandelingen van cruciaal belang; doet een beroep op de Commissie om een clausule inzake de mensenrechten en fundamentele vrijheden op te nemen in de opgewaardeerde douane-unie tussen Turkije en de EU, opdat van mensenrechten en fundamentele vrijheden een basisvoorwaarde wordt gemaakt; herinnert eraan dat de douane-unie haar volledige potentieel slechts kan bereiken als Turkije het aanvullend protocol volledig toepast ten aanzien van alle lidstaten; neemt kennis van de conclusie van de Commissie dat verdere handelsintegratie met de EU zou worden gestimuleerd wanneer Turkije de belemmeringen voor de werking van de douane-unie zou wegnemen;

23.  merkt op dat visumliberalisering voor Turkse burgers, met name voor zakenlui en voor mensen van Turkse afkomst in de EU van groot belang is, en de intermenselijke contacten zal bevorderen; moedigt de Turkse regering aan volledig te voldoen aan de resterende criteria, zoals vastgesteld in het stappenplan voor visumliberalisering; benadrukt dat herziening van zijn terrorismebestrijdingswetgeving een belangrijke voorwaarde is om grondrechten en fundamentele vrijheden te waarborgen en dat visumliberalisering alleen mogelijk is wanneer aan alle criteria wordt voldaan;

24.  benadrukt het belang van het bestrijden van corruptie, en herinnert aan de conclusies van de Commissie dat corruptie nog steeds op grote schaal voorkomt en nog altijd een bijzonder ernstig probleem vormt; maakt zich zorgen over het feit dat de staat van dienst met betrekking tot onderzoek, vervolging en veroordeling in gevallen van corruptie op hoog niveau nog steeds slecht te noemen is;

25.  dringt er bij de Commissie op aan rekening te houden met de jongste ontwikkelingen in Turkije bij de tussentijdse herziening van de middelen van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA) in 2017, en alle pretoetredingssteun op te schorten, met name zodra de toetredingsonderhandelingen zijn opgeschort; dringt er bij de Commissie op aan, wanneer dat scenario bewaarheid wordt, die middelen te gebruiken om het Turkse maatschappelijke middenveld te steunen en meer te investeren in intermenselijke uitwisselingsprogramma's, zoals Erasmus+ voor studenten, academici en journalisten;

26.  veroordeelt ten zeerste alle terroristische aanslagen die in Turkije zijn gepleegd, en schaart zich vastberaden aan de zijde van de Turkse bevolking in onze gezamenlijke strijd tegen terrorisme; neemt kennis van de bilaterale betrekkingen tussen EU-lidstaten en Turkije op het gebied van samenwerking bij terrorismebestrijding inzake "buitenlandse strijders"; benadrukt dat nauwe samenwerking tussen Europol en de Turkse wetshandhavingsinstanties van cruciaal belang is voor doeltreffende terrorismebestrijding; veroordeelt nogmaals dat de Koerdische arbeiderspartij (PKK), die al sinds 2002 op de EU-lijst van terroristische organisaties staat vermeld, opnieuw zijn toevlucht neemt tot geweld en dringt er bij de PKK op aan de wapens neer te leggen en hun eisen op vreedzame en legale wijze voor het voetlicht te brengen; benadrukt dat een vreedzame oplossing van de Koerdische kwestie ook van belang is voor Turkije's democratische toekomst, en alleen kan worden bereikt als alle partijen en democratische krachten worden betrokken bij het proces; dringt aan op hervatting van de onderhandelingen met het oog op een allesomvattende en duurzame oplossing van de Koerdische kwestie; verzoekt de lidstaten de wetgeving te handhaven betreffende het verbod op het gebruik van tekens en symbolen van organisaties die op de EU-lijst van terroristische organisaties staan vermeld;

27.  prijst de inzet van de Turkse regering en de plaatselijke ngo's en de gastvrijheid van de bevolking jegens de circa drie miljoen vluchtelingen; neemt kennis van de EU-Turkije verklaring over migratie, en dringt er bij de lidstaten op aan een begin te maken met de vrijwillige hervestigingsregeling voor de kwetsbaarste vluchtelingen in Turkije; dringt er bij de Commissie op aan te zorgen voor langetermijninvesteringen in zowel vluchtelingen als hun gastgemeenschappen in Turkije en adequate besteding van de beschikbare middelen; moedigt de Turkse regering aan alle Syrische vluchtelingen een werkvergunning te verlenen, en aan Syrische kinderen toegang tot onderwijs te verlenen; dringt er bij Ankara en de EU op aan om gecoördineerd te blijven patrouilleren in de Egeïsche Zee, de strijd tegen de migrantensmokkel op te voeren, en de overnameovereenkomst tussen de EU en Turkije en de bilaterale overnameovereenkomsten met Bulgarije en Griekenland volledig en doeltreffend uit te voeren;

28.  veroordeelt ten zeerste de verklaringen van president Erdogan waarin hij sommige EU-leiders beschuldigt van "nazi-praktijken" en hun burgers ervan beschuldigt dat ze "nazi's" zijn; wijst erop dat de voortzetting van dergelijke ongegronde beschuldigingen de geloofwaardigheid van Turkije als politieke partner ondermijnt en dat het exporteren van zijn binnenlandse conflicten een ernstige bedreiging vormt voor de vreedzame co-existentie in veel EU-lidstaten met een aanzienlijke minderheid van Turkse afkomst; benadrukt dat de Turkse regering moet afzien van stelselmatige pogingen om de Turkse diaspora te mobiliseren in de lidstaten ten gunste van haar eigen doeleinden; neemt met bezorgdheid kennis van de berichten over druk die zou worden uitgeoefend op leden van de Turkse diaspora in de lidstaten, en veroordeelt het toezicht dat de Turkse autoriteiten uitoefenen op burgers met een dubbele nationaliteit die in het buitenland wonen; is bezorgd over het intrekken van grote aantallen paspoorten, waardoor mensen stateloos worden en er sprake is van schending van het Verdrag van 1954 betreffende de status van staatlozen en het VN-Verdrag van 1961 tot beperking der staatloosheid en de berichtgeving dat Turkse consulaten sommige burgers weigeren bij te staan;

29.  herinnert aan het belang van goede nabuurbetrekkingen; roept Turkije in dit verband op zich meer in te spannen om een oplossing te vinden voor openstaande bilaterale vraagstukken, met inbegrip van niet nagekomen wettelijke verplichtingen en onbeslechte conflicten over land- en zeegrenzen en geschillen over het luchtruim met zijn naaste buren, overeenkomstig de bepalingen van het VN-handvest en het internationaal recht; vraagt de Turkse regering het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Unclos) te ondertekenen en te ratificeren; dringt er bij de Turkse regering op aan om een einde te maken aan de herhaaldelijke schendingen van het Griekse luchtruim en de Griekse territoriale wateren, en de territoriale integriteit en soevereiniteit van al zijn buurlanden te eerbiedigen; betreurt het feit dat het door de Turkse Grote Nationale Vergadering afgekondigde casus belli-dreigement tegen Griekenland nog altijd niet is ingetrokken;

30.  dringt er bij Turkije en Armenië op aan te werken aan de normalisering van hun betrekkingen; benadrukt dat het openstellen van de Turks-Armeense grens kan leiden tot de verbetering van de betrekkingen, in het bijzonder wat grensoverschrijdende samenwerking en economische integratie betreft;

31.  roept de Turkse regering op haar plannen voor de bouw van een kerncentrale in Akkuyu stop te zetten; wijst erop dat de beoogde locatie in een gebied ligt dat bijzonder gevoelig is voor aardbevingen, waardoor er niet alleen een groot gevaar ontstaat voor Turkije maar voor het hele Middellandse Zeegebied; verzoekt de Turkse regering derhalve zich aan te sluiten bij het Verdrag van Espoo, op grond waarvan partijen verplicht zijn elkaar te informeren en te raadplegen over grote geplande projecten die naar verwachting een groot negatief grensoverschrijdend effect op het milieu hebben; verzoekt de Turkse regering dan ook de regeringen van naburige landen, zoals Griekenland en Cyprus, te betrekken bij of hen ten minste te raadplegen over verdere ontwikkelingen van de Akkuyu-onderneming;

32.  benadrukt dat een oplossing van de Cypriotische kwestie een positief effect zou hebben op de gehele regio, maar dat vooral de Grieks-Cyprioten en de Turks-Cyprioten hier de vruchten van zouden plukken; is verheugd over de gezamenlijke verklaring van 11 februari 2014 als basis voor een regeling en prijst de leiders van de Grieks-Cypriotische en de Turks-Cypriotische gemeenschappen omdat zij grote vooruitgang hebben geboekt in de herenigingsbesprekingen; is verheugd dat de twee leiders overeenstemming hebben bereikt over een reeks vertrouwenwekkende maatregelen en dringt aan op uitvoering van al deze maatregelen; is verheugd over de uitwisseling van geprefereerde kaarten, die tot dusverre nog geen precedent heeft, en de eerste conferentie over Cyprus met de borgmachten en met de deelname van de EU, en steunt de voortzetting ervan om een wederzijds aanvaardbaar overeenstemming te bereiken over het hoofdstuk veiligheid en waarborgen; steunt een billijke, allesomvattende en haalbare regeling die gebaseerd is op een federatie bestaande uit twee gemeenschappen, twee zones, één enkele internationale rechtspersoonlijkheid, één soevereiniteit en één burgerschap met politieke gelijkwaardigheid tussen de twee gemeenschappen, in overeenstemming met het acquis van de resoluties van de VN-Veiligheidsraad, het internationaal recht, het EU-acquis, en op basis van de beginselen waarop de Unie is gegrondvest; en is ingenomen met de verhoogde inzet van alle partijen om een oplossing te vinden voor de Cypriotische kwestie; verwacht dat Turkije actieve steun toont voor een snelle en succesvolle afronding van de onderhandelingen, en herhaalt dat Turkije's inzet en bijdrage cruciaal blijft voor een allesomvattende regeling van de kwestie; roept alle partijen op actieve steun te tonen voor het onderhandelingsproces, een bijdrage te leveren aan een positief resultaat, en de huidige kansen te verzilveren; roept de Commissie alles in het werk te stellen om de succesvolle afronding van het herenigingsproces te bewerkstelligen;

33.  herhaalt zijn verzoek aan Turkije om een begin te maken met de terugtrekking van zijn troepen van Cyprus, het afgegrendelde gebied rond Famagusta over te dragen aan de VN in overeenstemming met resolutie 550 (van 1984) van de VN-Veiligheidsraad, en af te zien van acties die de demografische balans op het eiland wijzigen met zijn beleid van illegale nederzettingen; wijst erop dat de tenuitvoerlegging van het EU-acquis na de inwerkingtreding van de overeenkomst in de toekomstige Turks-Cypriotische constituerende staat reeds goed voorbereid moet zijn; erkent in dit opzicht de ononderbroken werkzaamheden van het onder de twee gemeenschappen ressorterende ad-hoccomité inzake de voorbereidende werkzaamheden door de EU; verbindt zich ertoe zijn inspanningen voor samenwerking met de Turks-Cyprioten aan de voorbereiding van de volledige integratie in de EU te intensiveren, en dringt er bij de Commissie op aan hetzelfde te doen; prijst het belangrijke werk van het Comité vermiste personen (CMP) dat zich richt op zowel Turks-Cypriotische als Grieks-Cypriotische vermiste personen, en juicht het toe dat het CMP volledige toegang heeft tot alle relevante locaties, met inbegrip van militaire domeinen; dringt er bij Turkije op aan het CMP te assisteren door informatie uit zijn militaire archieven beschikbaar te stellen; dringt erop aan bijzondere aandacht te verlenen aan het werk dat gedaan wordt door het CMP en is in dit verband verheugd over de benoeming van een vaste rapporteur van het Europees Parlement voor vermiste personen;

34.  erkent het recht van de Republiek Cyprus om bilaterale overeenkomsten aan te gaan inzake haar exclusieve economische zone; herhaalt zijn verzoek aan Turkije om de soevereine rechten van alle lidstaten volledig te eerbiedigen, met inbegrip van de rechten in verband met de prospectie en de exploitatie van bodemschatten wanneer deze in overeenstemming zijn met het EU-acquis en het internationaal recht; dringt er bij Turkije op aan zich in te zetten voor de vreedzame regeling van geschillen, en af te zien van dreigingen of acties die negatieve gevolgen zouden kunnen hebben voor de betrekkingen van goed nabuurschap;

35.  is ervan overtuigd dat enkel en alleen op basis van een geloofwaardige politieke oplossing de stabiliteit van Syrië kan worden gewaarborgd en ISIS/Da'esh en andere door de VN aangemerkte terroristische groeperingen daadkrachtig kunnen worden verslagen; bevestigt opnieuw het grote belang van het door de VN geleide Genèveproces; erkent de inspanningen die zijn geleverd tijdens de bijeenkomsten in Astana teneinde een volledige staking van de vijandelijkheden te bewerkstelligen en een trilateraal mechanisme in het leven te roepen om toezicht op en naleving van de wapenstilstand te waarborgen; dringt er bij alle borgmachten, met inbegrip van Turkije, op aan hun verbintenissen na te komen inzake de volledige tenuitvoerlegging van de wapenstilstand en aanvullende inspanningen te leveren om de ongehinderde humanitaire toegang op nationaal niveau veilig te stellen, een eind te maken aan belegeringen, en de vrijlating te realiseren van personen die willekeurig worden vastgehouden, met name vrouwen en kinderen, overeenkomstig VNVR-resolutie 2268; herhaalt zijn verzoek aan Turkije om de territoriale integriteit en soevereiniteit van al zijn buren volledig te eerbiedigen;

36.  verzoekt om een vertaling van dit verslag naar het Turks;

°

°  °

37.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid, en de lidstaten.

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0450.

(2)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0423.

(3)

PB C 285 van 5.8.2016, blz. 11.

(4)

PB C 328 van 6.9.2016, blz. 2.

(5)

PB C 51 van 26.2.2008, blz. 4.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

20.6.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

51

3

14

Bij de eindstemming aanwezige leden

Lars Adaktusson, Michèle Alliot-Marie, Nikos Androulakis, Francisco Assis, Petras Auštrevičius, Bas Belder, Mario Borghezio, Victor Boştinaru, Elmar Brok, James Carver, Lorenzo Cesa, Arnaud Danjean, Georgios Epitideios, Knut Fleckenstein, Anna Elżbieta Fotyga, Eugen Freund, Iveta Grigule, Sandra Kalniete, Tunne Kelam, Janusz Korwin-Mikke, Andrey Kovatchev, Ilhan Kyuchyuk, Ryszard Antoni Legutko, Barbara Lochbihler, Sabine Lösing, Andrejs Mamikins, Ramona Nicole Mănescu, Alex Mayer, Tamás Meszerics, Francisco José Millán Mon, Javier Nart, Pier Antonio Panzeri, Demetris Papadakis, Ioan Mircea Paşcu, Tonino Picula, Kati Piri, Julia Pitera, Cristian Dan Preda, Jozo Radoš, Sofia Sakorafa, Jordi Solé, Jaromír Štětina, Dubravka Šuica, Charles Tannock, Miguel Urbán Crespo, Ivo Vajgl, Elena Valenciano, Geoffrey Van Orden, Anders Primdahl Vistisen

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Laima Liucija Andrikienė, Reinhard Bütikofer, Luis de Grandes Pascual, Neena Gill, María Teresa Giménez Barbat, Ana Gomes, Andrzej Grzyb, Takis Hadjigeorgiou, Marek Jurek, Patricia Lalonde, Javi López, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Igor Šoltes, Renate Sommer, Ernest Urtasun, Marie-Christine Vergiat

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Pál Csáky, Dietmar Köster, Costas Mavrides


HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

51

+

ALDE

Petras Auštrevičius, María Teresa Giménez Barbat, Iveta Grigule, Patricia Lalonde, Jozo Radoš, Ivo Vajgl

ECR

Bas Belder, Anna Elżbieta Fotyga, Ryszard Antoni Legutko, Charles Tannock, Anders Primdahl Vistisen

PPE

Lars Adaktusson, Michèle Alliot-Marie, Laima Liucija Andrikienė, Elmar Brok, Lorenzo Cesa, Pál Csáky, Andrzej Grzyb, Sandra Kalniete, Tunne Kelam, Andrey Kovatchev, Francisco José Millán Mon, Ramona Nicole Mănescu, Julia Pitera, Cristian Dan Preda, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Renate Sommer, Luis de Grandes Pascual, Jaromír Štětina, Dubravka Šuica

S&D

Francisco Assis, Victor Boştinaru, Knut Fleckenstein, Eugen Freund, Neena Gill, Ana Gomes, Dietmar Köster, Javi López, Andrejs Mamikins, Alex Mayer, Clare Moody, Ioan Mircea Paşcu, Tonino Picula, Kati Piri, Elena Valenciano

VERTS/ALE

Reinhard Bütikofer, Barbara Lochbihler, Tamás Meszerics, Jordi Solé, Ernest Urtasun, Igor Šoltes

3

-

ENF

Mario Borghezio

NI

Georgios Epitideios, Janusz Korwin-Mikke

14

0

ALDE

Ilhan Kyuchyuk, Javier Nart

ECR

Marek Jurek, Geoffrey Van Orden

EFDD

James Carver

GUE/NGL

Takis Hadjigeorgiou, Sabine Lösing, Sofia Sakorafa, Miguel Urbán Crespo, Marie-Christine Vergiat

PPE

Arnaud Danjean

S&D

Nikos Androulakis, Costas Mavrides, Demetris Papadakis

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Juridische mededeling