Procedure : 2016/2066(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0238/2017

Ingediende teksten :

A8-0238/2017

Debatten :

Stemmingen :

PV 12/09/2017 - 7.6

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0321

VERSLAG     
PDF 398kWORD 56k
27.6.2017
PE 595.445v02-00 A8-0238/2017

over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2008/52/EEG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende bepaalde aspecten van bemiddeling in burgerlijke en handelszaken (de bemiddelingsrichtlijn)

(2016/2066(INI))

Commissie juridische zaken

Rapporteur: Kostas Chrysogonos

TOELICHTING – SAMENVATTING VAN DE FEITEN EN BEVINDINGEN
 ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

TOELICHTING – SAMENVATTING VAN DE FEITEN EN BEVINDINGEN

I.  Doel

De bemiddelingsrichtlijn heeft tot doel de toegang tot alternatieve geschillenbeslechting en schikking in der minne te vergemakkelijken, door gebruikmaking van bemiddeling te stimuleren en een evenwichtig verband tussen bemiddeling en procederen voor de rechter te bewerkstelligen.

Ingevolge artikel 11 van Richtlijn 2008/52/EG moet de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité verslag uitbrengen over de toepassing van deze richtlijn, met een toelichting op de ontwikkeling van de bemiddeling/mediation in de gehele Europese Unie en het effect van deze richtlijn in de lidstaten.

De Commissie juridische zaken vindt een uitvoeringsverslag aan de hand van het verslag van de Commissie een goed moment om het effect te meten van de bemiddelingsrichtlijn, zoals die door de lidstaten wordt uitgevoerd en toegepast, voor burgers en bedrijven, en concrete aanbevelingen naar voren te brengen.

II.  Informatiebronnen

Dit initiatiefverslag over de uitvoering van de bemiddelingsrichtlijn 2008/52/EG is gebaseerd op informatie uit verschillende bronnen zoals:

  Een compilatie van uitgebreide analyses van beleidsafdeling C ter gelegenheid van een workshop van de Commissie juridische zaken over de uitvoering van de bemiddelingsrichtlijn op 29 november 2016;

  Een Europese uitvoeringsbeoordeling door de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement over de uitvoering van en toepassing van de bemiddelingsrichtlijn sinds 2008;

  Een verslag uit 2016 van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité over de toepassing van Richtlijn 2008/52/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde aspecten van bemiddeling/mediation in burgerlijke en handelszaken;

  Een studie van 2013 over de uitvoering van de bemiddelingsrichtlijn, in opdracht van de Commissie, zoals bijgewerkt in 2016(1);

III.  Belangrijkste bevindingen

Uit al deze informatie wordt duidelijk dat:

•  bijna alle lidstaten ervoor hebben gekozen de vereisten van de richtlijn uit te strekken tot binnenlandse geschillen(2);

•  een aantal lidstaten bemiddeling/mediation toelaten in burgerlijke en handelsrechtelijke (inclusief familie- en arbeidsrechtelijke) zaken, zonder bemiddeling/mediation expliciet uit te sluiten voor belasting-, douane- of bestuursrechtelijke zaken of geschillen over aansprakelijkheid van de overheid voor onrechtmatig handelen bij de uitoefening van overheidstaken(3);

•  alle lidstaten de mogelijkheid regelen dat de rechter partijen uitnodigt om van bemiddeling/mediation gebruik te maken, terwijl vijftien lidstaten(4) regelen dat de rechter partijen kan uitnodigen voor een informatieve zitting over bemiddeling/mediation;

•  minder dan de helft van de lidstaten een verplichting hebben ingevoerd in hun nationale recht om voorlichting te verspreiden over bemiddeling/mediation(5);

•  achttien lidstaten bindende mechanismen hebben ingevoerd voor kwaliteitscontrole(6);

•  negentien lidstaten de uitwerking en onderschrijving van een gedragscode verlangen(7);

•  zeventien lidstaten training stimuleren of dat in hun nationale wetgeving regelen(8);

IV.  Een evenwichtige relatie tussen bemiddeling/mediation en rechtsgedingen

Toegang tot de rechter is een fundamenteel beginsel en ook een van de belangrijkste doelen van het EU-beleid op gebied van samenwerking in de civiele rechtspleging. De Europese Raad heeft in Tampere op 15 en 16 oktober 1999 gepleit voor door de lidstaten in te voeren alternatieve, buitengerechtelijke procedures met het oog op een vlottere en betere toegang tot de rechtspraak. Effectieve en efficiënte rechtsbedeling is van fundamenteel belang voor de goede werking van de interne markt, economische stabiliteit, investeringen en concurrentiekracht. Het gaat om vertrouwen in handelstransacties, gemakkelijker geschillenbeslechting en het nodige vertrouwen als stimulans voor economische activiteit.

Volgens de agenda "Justice for Growth" en de Europa 2020-strategie, kan bemiddeling/mediation een middel zijn voor een efficiëntere rechtspraak en voor vermindering van de rompslomp die voor de burgers en bedrijven met langdurige en kostbare processen is gemoeid. Bemiddeling kan bijdragen aan economische groei. Ook kan bemiddeling/mediation bijdragen aan goede relaties tussen partijen, want anders dan bij een proces is er geen winnaar of verliezer, wat bijvoorbeeld in familierechtelijke zaken belangrijk is.

De rapporteur is van mening dat verplichte bemiddeling/mediation wellicht beter zou werken als alternatief voor gerechtelijke geschillenbeslechting, maar dat dit in tegenspraak is met het vrijwillige karakter ervan, en afbreuk zou doen aan het recht op een effectief rechtsmiddel voor een rechterlijke instantie in de zin van artikel 47 van het Handvest. Zoals blijkt uit het arrest Alassini(9) is de verplichting om eerst een procedure voor buitengerechtelijke geschillenbeslechting te volgen op zich niet problematisch, mits een reeks waarborgen geldt voor een effectieve rechterlijke bescherming, zoals de regel dat de buitengerechtelijke procedure niet tot een bindende beslissing voor de partijen leidt, geen wezenlijke vertraging voor het instellen van een beroep bij de rechter meebrengt, geen of zeer geringe kosten meebrengt voor de partijen, en voorlopige maatregelen kunnen worden gelast in de uitzonderlijke gevallen waarin de spoedeisendheid van de situatie dit verlangt. Artikel 5, lid 2, laat dus onverlet dat lidstaten het gebruik van bemiddeling/mediation voor of na het begin van de gerechtelijke procedure verplicht kunnen stellen, dan wel met stimulansen of sancties kunnen bevorderen, mits het de partijen niet wordt belet hun recht van toegang tot de rechter uit te oefenen;

De rapporteur meent dat adequate waarborgen in de bemiddelingsprocessen moeten worden ingebouwd om te voorkomen dat zwakkere partijen, zoals consumenten en procespartijen zonder rechtsbijstand, van hun recht op een beslissing van de onafhankelijke rechter worden afgehouden of het gevoel krijgen dat hun dat recht wordt onthouden. Hiertoe is van uiterst groot belang dat er bij aanbeveling, verplicht stellen of verrichten van bemiddeling/mediation voor wordt gezorgd dat de zwakkere partij niet akkoord gaat met de regeling van een geschil zonder zijn eigenlijke juridische rechten te begrijpen, en dat de sterkere partij geen gebruikmaakt van een snelle geschillenprocedure zoals bemiddeling/mediation als middel om zich aan zijn juridische verplichtingen te onttrekken of op oneigenlijke manier zijn positie jegens een andere partij te versterken.

(1)

http://bookshop.europa.eu/is-bin/INTERSHOP.enfinity/WFS/EU-Bookshop-Site/en_GB/-

/EUR/ViewPublication-Start?PublicationKey=DS0216335.

(2)

Slechts drie lidstaten, Ierland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk, de richtlijn met alleen het oog op grensoverschrijdende geschillen hebben omgezet;

(3)

AT, CZ, EE, EL, ES IE, PT, SI, SK, UK.

(4)

CY, CZ, ES, DE, FR, HU, IT, LT, PL, PT, RO, SK.

(5)

AT, BG, CY, EL, ES, HU, IT, LT, LV, PL, PT, RO, SI, SK.

(6)

AT, BE, BG, CY, CZ, DE, EE, EL, ES, HU, IT, LT, LV, PL, PT, RO, SI, SK.

(7)

AT, BE, BG, CY, EL, ES, FI, FR, IE, IT, LT, LV, MT, PL, PT, RO, SE, SI, SK.

(8)

AT, BE, BG, CY, EL, ES FI, HR, HU, IT, LT, LV, RO, SE, SI, SK, UK.

(9)

ECJ, C-317/08, C-318/08, C-319/08 en C-320/08 (par.2), ECLI:EU:C:2010:146.


ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2008/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende bepaalde aspecten van bemiddeling in burgerlijke en handelszaken (de bemiddelingsrichtlijn) (2016/2066(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien Richtlijn 2008/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende bepaalde aspecten van bemiddeling in burgerlijke en handelszaken (de bemiddelingsrichtlijn)(1),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité over de toepassing van Richtlijn 2008/52/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde aspecten van bemiddeling/mediation in burgerlijke en handelszaken (COM(2016)0542),

–  gezien de uitgebreide analyse van het directoraat-generaal Intern Beleid "De omzetting van de bemiddelingsrichtlijn – 29 november 2016"(2),

–  gezien de studie van de Commissie van 2014 "Studie rond evaluatie en uitvoering van Richtlijn 2008/52/EG – de 'bemiddelingsrichtlijn'"(3),

–  gezien de studie van het directoraat-generaal Intern Beleid "Opstarten van de bemiddelingsrichtlijn: het beperkte effect van de uitvoering en voorgestelde maatregelen voor vergroting van het aantal bemiddelingen in de EU"(4),

–  gezien de Europese uitvoeringsbeoordeling van de bemiddelingsrichtlijn, uitgevoerd door de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement (EPRS)(5),

–  gezien de studie van het directoraat-generaal Intern Beleid "Kostenraming bij ongebruikt laten van bemiddeling – een data-analyse"(6),

–  gezien artikel 67 en artikel 81, lid 2, onder g),van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement evenals artikel 1, lid 1, onder e), van bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 inzake de procedure voor het verlenen van toestemming voor de opstelling van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0238/2017),

A.  overwegende dat Richtlijn 2008/52/EG een belangrijke mijlpaal is geweest met betrekking tot de invoering en het gebruik van bemiddelingsprocedures in de Europese Unie; overwegende dat de omzetting van deze richtlijn van lidstaat tot lidstaat echter grote verschillen vertoont, afhankelijk van het al dan niet reeds bestaan van nationale bemiddelingssystemen, waarbij sommige lidstaten hebben gekozen voor een vrij letterlijke omzetting van de bepalingen van de richtlijn, andere zijn overgegaan tot een grondige herziening van alternatieve vormen van geschillenbeslechting (zoals Italië, waar zes keer zoveel geschillen via bemiddeling tot een oplossing komen als in de rest van Europa) en weer andere lidstaten hun bestaande wetgeving al voldoende conform aan de bemiddelingsrichtlijn achten;

B.  overwegende dat de meeste lidstaten de werkingssfeer van hun nationale omzettingsmaatregelen hebben uitgebreid tot ook binnenlandse geschillen (slechts drie lidstaten hebben de richtlijn met alleen het oog op grensoverschrijdende geschillen omgezet(7)) hetgeen absoluut positieve gevolgen heeft voor de wetgeving van de lidstaten en de categorieën geschillen die voor een bemiddelingsprocedure in aanmerking komen;

C.  overwegende dat de problemen die zich in de omzettingsfase van de richtlijn voordeden grotendeels te maken hebben met verschillen in de rechtscultuur van de diverse nationale rechtsstelsels; overwegende dat er daarom gestreefd moet worden naar een mentaliteitsverandering op juridisch gebied, in die zin dat gewerkt wordt aan een bemiddelingscultuur op basis van vriendschappelijke geschillenbeslechting, een onderwerp dat sinds de totstandbrenging van de richtlijn van de Unie en ook ten tijde van de omzetting door de lidstaten herhaaldelijk door Europese netwerken van beoefenaars van juridische beroepen is aangesneden;

D.  overwegende dat de omzetting van de bemiddelingsrichtlijn Europese meerwaarde heeft opgeleverd, doordat nationale wetgevers nu beter op de hoogte zijn van de voordelen van bemiddeling/mediation en er een zekere mate van afstemming is gerealiseerd met betrekking tot het procesrecht en de diverse praktijken in de lidstaten;

E.  overwegende dat bemiddeling/mediation, als alternatieve, vrijwillige en vertrouwelijke buitengerechtelijke procedure, bij sommige zaken en mits de nodige waarborgen aanwezig zijn een nuttig instrument kan zijn om overbelaste rechtbanken te ontlasten, omdat natuurlijke en rechtspersonen via bemiddeling/mediation snel en goedkoop geschillen kunnen beslechten buiten de rechter om, waarbij bedacht moet worden dat een zeer lange duur van procedures in strijd is met het Handvest van de grondrechten, en een betere toegang tot de rechtspleging gegarandeerd wordt en tevens wordt bijgedragen tot economische groei;

F.  overwegende dat de in artikel 1 van de bemiddelingsrichtlijn genoemde doelstellingen, het aanmoedigen van het gebruik van bemiddeling/mediation en met name het zorgen voor een evenwichtige samenhang tussen bemiddeling/mediation en behandeling

voor de rechter, kennelijk niet zijn gerealiseerd, want in de meeste lidstaten wordt gemiddeld slechts in minder dan 1 % van de rechtszaken van bemiddeling gebruikgemaakt

(8);

G.  overwegende dat met de bemiddelingsrichtlijn geen Unie-stelsel voor buitengerechtelijke geschillenbeslechting in eigenlijke zin is geschapen, afgezien van de specifieke bepalingen inzake verstrijken van beperkings- en verjaringstermijnen voor rechtsvorderingen waar bemiddeling wordt beproefd, en inzake de geheimhoudingsplicht voor bemiddelaars en hun administratieve personeel;

Belangrijkste conclusies

1.  noemt het verheugend dat bemiddelingsstelsels in veel lidstaten onlangs wijziging en herziening hebben ondergaan, en in andere lidstaten wijzigingen in de geldende wetgeving worden overwogen(9);

2.  betreurt dat slechts drie lidstaten hebben besloten tot omzetting van de richtlijn uitsluitend voor grensoverschrijdende geschillen en stelt vast dat er met betrekking tot de werking van de nationale bemiddelingssystemen in de praktijk bepaalde moeilijkheden zijn, die voornamelijk verband houden met de traditie van de contradictoire procedure en het ontbreken van een cultuur van bemiddeling/mediation in de lidstaten, de onbekendheid met bemiddeling/mediation in de meerderheid van de lidstaten, onvoldoende kennis over de manier waarop grensoverschrijdende geschillen tot een oplossing kunnen worden gebracht en het functioneren van kwaliteitscontrolemechanismen voor bemiddelaars;(10);

3.  benadrukt dat alle lidstaten voorzien in de mogelijkheid voor rechterlijke instanties om partijen uit te nodigen om gebruik te maken van bemiddeling of op zijn minst om informatiebijeenkomsten over bemiddeling/mediation bij te wonen; merkt op dat deelname aan dergelijke informatiebijeenkomsten in sommige lidstaten verplicht is op initiatief van een rechter(11) of met betrekking tot specifieke geschillen door de wet voorgeschreven, zoals familiezaken(12); merkt tevens op dat enkele lidstaten verlangen dat advocaten hun cliënten informeren over de mogelijkheid om gebruik te maken van bemiddeling/mediation of dat bij zaken die bij rechterlijke instanties aanhangig worden gemaakt wordt vermeld of een poging tot bemiddeling/mediation werd ondernomen of de redenen worden vermeld die aan een dergelijke poging in de weg staan; merkt evenwel op dat de lidstaten moeten waarborgen dat de partijen die voor bemiddeling/mediation kiezen om te pogen een geschil te schikken, daarna niet wordt belet een gerechtelijke procedure of arbitrage met betrekking tot hun geschil aanhangig te maken door het verstrijken van verjaringstermijnen tijdens het bemiddelingsproces; benadrukt dat de lidstaten met betrekking tot dit artikel geen specifieke problemen hebben aangekaart;

4.  merkt voorts op dat veel lidstaten partijen financiële aanmoediging bieden om van bemiddeling/mediation gebruik te maken, in de vorm van kostenverlaging, rechtshulp of boetes wanneer zij bemiddeling/mediation zonder reden buiten beschouwing laten; stelt vast dat de resultaten in die landen laten zien dat bemiddeling/mediation een kosteneffectieve en vlugge buitengerechtelijke geschillenbeslechting kan bieden via procedures die op de behoeften van partijen zijn afgestemd;

5.  is van oordeel dat de vaststelling van gedragscodes een belangrijk instrument vormt om de kwaliteit van bemiddeling/mediation te waarborgen; stelt in dit kader vast dat de Europese gedragscode voor bemiddelaars/mediators hetzij rechtstreeks door de belanghebbenden wordt gebruikt, hetzij als inspiratiebron heeft gefungeerd voor nationale of sectorspecifieke gedragscodes; stelt voorts vast dat de meeste lidstaten verplichte procedures kennen voor de erkenning van bemiddelaars/mediators en registers bijhouden van bemiddelaars/mediators;

6.  betreurt dat statistische gegevens omtrent bemiddeling/mediation zoals het aantal bemiddelde zaken, de gemiddelde tijdsduur en het succespercentage van bemiddelingsprocedures zo moeilijk verkrijgbaar zijn; merkt op dat het zonder betrouwbare databank erg moeilijk is om bemiddeling verder aan te moedigen en onder het publiek vertrouwen te winnen in de effectiviteit ervan; wijst anderzijds op de steeds belangrijker rol van het Europees rechterlijk netwerk in burger- en handelsrechtelijke zaken voor verbetering van de nationale gegevensverzameling rond de toepassing van de bemiddelingsrichtlijn;

7.  is verheugd over de belangrijke plaats die bemiddeling/mediation inneemt op het gebied van familierecht (met name in procedures met betrekking tot de voogdij over kinderen, omgangsrechten en gevallen van kinderontvoering), waar bemiddeling kan leiden tot een constructieve dialoog en er tevens voor kan zorgen dat de contacten tussen ouders op eerlijke wijze verlopen; stelt verder vast dat minnelijke oplossingen vaak langduriger van aard en in het belang van het kind zijn, omdat zij niet alleen betrekking hebben op de hoofdverblijfplaats van het kind, maar bijvoorbeeld ook bezoekregelingen of afspraken over het levensonderhoud van het kind omvatten; wijst in dit verband op de belangrijke rol van het Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken, dat aanbevelingen opstelt ter bevordering van het gebruik van bemiddeling in grensoverschrijdende familierechtelijke zaken, met name zaken aangaande kinderontvoering;

8.  acht het nadrukkelijk van belang om op het Europese e-Justitieportaal een afzonderlijke afdeling te wijden aan grensoverschrijdende bemiddeling in familierechtelijke zaken en informatie te bieden over nationale bemiddelingssystemen;

9.  is daarom ingenomen met het voornemen van de Commissie tot medefinanciering van verschillende projecten ter bevordering van bemiddeling/mediation en training voor rechters en mensen in de juridische praktijk in de lidstaten;

10.  benadrukt dat het vrijwillige karakter van bemiddeling/mediation niet wegneemt dat verdere maatregelen moeten worden genomen om de afdwingbaarheid van bemiddelingsovereenkomsten te verzekeren op een snelle en betaalbare manier, onder volle eerbiediging van de grondrechten en van het recht van de Unie en het nationale recht; herinnert er in dit kader aan dat voor binnenlandse uitvoerbaarheid van een door de partijen in een lidstaat gesloten bemiddelingsovereenkomst in het algemeen als vereiste geldt dat de overeenkomst door de daartoe bevoegde autoriteiten gehomologeerd moet worden, wat extra kosten met zich meebrengt en partijen veel tijd kost, hetgeen een negatief effect heeft op het vrij verkeer van bemiddelingsovereenkomsten, met name als het gaat om kleine geschillen;

Aanbevelingen

11.  dringt er bij de lidstaten op aan hun inspanningen ter bevordering van het gebruik van bemiddeling/mediation in burgerrechtelijke en handelszaken te intensiveren, onder meer door middel van passende voorlichtingscampagnes om burgers en rechtspersonen juiste en omvattende informatie te verstrekken over de kracht van deze procedure en de tijds- en geldbesparingen die deze kan opleveren en om de samenwerking tussen beoefenaars van juridische beroepen met het oog hierop te versterken; wijst er in dit verband op dat de uitwisseling van beste praktijken tussen de diverse nationale jurisdicties moet worden bevorderd en dat daartoe ook passende, ondersteunende maatregelen op het niveau van de Unie moeten worden genomen, teneinde de kennis over het nut van bemiddeling/mediation te vergroten;

12.  vraagt de Commissie om na te gaan of er behoefte bestaat aan EU-brede kwaliteitsnormen voor bemiddelingsdiensten, vooral in de vorm van minimumnormen met het oog op de consistentie, rekening houdende met de toegang tot de rechter als grondrecht en de lokale verschillen in bemiddelingscultuur, als middel tot verdere bevordering van bemiddeling/mediation;

13.  vraagt de Commissie ook om te bezien of de lidstaten moeten worden verplicht om een nationaal register van bemiddelingsprocedures aan te leggen en bij te houden, dat voor de Commissie een waardevolle bron van informatie kan zijn en nationale bemiddelaars/mediators de mogelijkheid biedt om kennis te maken met beste praktijken uit heel Europa; benadrukt dat bij de oprichting van een dergelijk register de algemene verordening gegevensbescherming (Verordening (EU) 2016/679(13)) moet worden nageleefd;

14.  verlangt dat de Commissie nadere studie verricht naar belemmeringen voor het vrije verkeer van bemiddelingsovereenkomsten in de Unie en naar de verschillende opties voor het stimuleren van bemiddeling/mediation als redelijke, betaalbare en effectieve manier voor oplossing van conflicten in interne en grensoverschrijdende geschillen in de Unie, rekening houdende met de rechtsstaat en de internationale ontwikkelingen op dit gebied;

15.  verzoekt de Commissie om bij haar herziening van de regels te werken aan oplossingen om de werkingssfeer van bemiddelingsprocedures waar mogelijk daadwerkelijk uit te breiden tot andere civiele of administratieve geschillen; benadrukt daarbij evenwel dat aandachtig gekeken moet worden naar de gevolgen van bemiddeling voor bepaalde sociale vraagstukken, bijvoorbeeld op het gebied van familierecht; pleit er in dit verband voor dat de Commissie en de lidstaten met betrekking tot bemiddelingsprocessen passende waarborgen aannemen en implementeren, om de risico's voor zwakkere partijen te beperken en hen te beschermen tegen misbruik van procesrecht en misbruik van positie door sterkere partijen, en om tevens omvattende statistische gegevens hierover te verstrekken; benadrukt dat er ook voor gezorgd moet worden dat er met betrekking tot de kosten eerlijke regels gelden, met name om de belangen van kwetsbare groepen te beschermen; wijst erop dat bemiddeling minder aantrekkelijk wordt en haar meerwaarde verliest als voor partijen al te strikte normen worden ingevoerd;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1)

PB L 136 van 24.5.2008, blz. 3.

(2)

PE 571.395.

(3)

http://bookshop.europa.eu/nl/study-for-an-evaluation-and-implementation-of-directive-2008-52-ec-the-mediation-directive--pbDS0114825/

(4)

PE 493.042.

(5)

PE 593.789.

(6)

PE 453.180.

(7)

zie het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité over de toepassing van Richtlijn 2008/52/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde aspecten van bemiddeling/mediation in burgerlijke en handelszaken (COM(2016)0542), blz. 5.

(8)

PE 571.395, blz. 25.

(9)

Kroatië, Estland, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Litouwen, Nederland, Polen, Portugal, Slovakije en Spanje.

(10)

zie het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité over de toepassing van Richtlijn 2008/52/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde aspecten van bemiddeling/mediation in burgerlijke en handelszaken (COM(2016)0542), blz. 4.

(11)

Bijvoorbeeld in Tsjechië.

(12)

Bijvoorbeeld in Litouwen, Luxemburg, Engeland en Wales.

(13)

PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

20.6.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

21

0

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Max Andersson, Joëlle Bergeron, Mady Delvaux, Rosa Estaràs Ferragut, Laura Ferrara, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Mary Honeyball, Sylvia-Yvonne Kaufmann, António Marinho e Pinto, Emil Radev, Julia Reda, Evelyn Regner, Pavel Svoboda, József Szájer, Axel Voss

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Daniel Buda, Angel Dzhambazki, Angelika Niebler, Jens Rohde, Virginie Rozière, Tiemo Wölken, Kosma Złotowski

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Gerolf Annemans, Mylène Troszczynski


HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

21

+

PPE

Daniel Buda, Rosa Estaràs Ferragut, Angelika Niebler, Emil Radev, Pavel Svoboda, József Szájer, Axel Voss

S&D

Mady Delvaux, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Mary Honeyball, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Evelyn Regner, Tiemo Wölken

ECR

Angel Dzhambazki, Kosma Zlotowski

ALDE

António Marinho e Pinto, Jens Rohde

Verts/ALE

Max Andersson, Julia Reda

EFDD

Joëlle Bergeron, Laura Ferrara

0

-

 

 

2

0

ENF

Gerolf Annemans; Mylène Troszczynski

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Juridische mededeling