Procedure : 2016/0288(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0318/2017

Ingediende teksten :

A8-0318/2017

Debatten :

PV 14/11/2018 - 7
CRE 14/11/2018 - 7

Stemmingen :

PV 14/11/2018 - 14.5

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0453

VERSLAG     ***I
PDF 3158kWORD 585k
19.10.2017
PE 601.017v02-00 A8-0318/2017

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (herschikking)

(COM(2016)0590 – C8-0379/2016 – 2016/0288(COD))

Commissie industrie, onderzoek en energie

Rapporteur: Pilar del Castillo Vera

Rapporteur voor advies (*):

Dita Charanzová, Commissie interne markt en consumentenbescherming

(*) Procedure met medeverantwoorde lijke commissies – Artikel 54 van het Reglement

(Herschikking – artikel 104 van het Reglement)

AMENDEMENTEN
ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie interne markt en consumentenbescherming
 ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs
 ADVIES van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
 BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE JURIDISCHE ZAKEN
 BIJLAGE: ADVIES VAN DE ADVIESGROEP VAN DE JURIDISCHE DIENSTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD EN DE COMMISSIE
 PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (herschikking)

(COM(2016)0590 – C8-0379/2016 – 2016/0288(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure – herschikking)

Het Europees Parlement,

–  gezien Protocol (nr. 1) bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)590),

–  Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen, gezien hun gemotiveerd advies,

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0379/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 26 januari 2017(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 8 februari 2017(2),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten(3),

–  gezien de brief d.d. maandag 17 oktober 2016 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie industrie, onderzoek en energie overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 104 en 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0318/2017),

A.  overwegende dat het voorstel van de Commissie volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel louter een codificatie van de bestaande besluiten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast, rekening houdend met de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Amendement    1

AMENDEMENTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT(4)**

op het voorstel van de Commissie

---------------------------------------------------------

2016/0288 (COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie

(Herschikking)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen, gezien hun gemotiveerde adviezen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(5),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s(6),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad(7), Richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad(8), Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad(9), Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad(10) zijn ingrijpend gewijzigd. Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, moet ter wille van de duidelijkheid tot herschikking van die richtlijnen worden overgegaan.

(2)  De werking van de vijf richtlijnen die deel uitmaken van het huidige regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten , namelijk Richtlijn 2002/19/EG , Richtlijn 2002/20/EG , Richtlijn 2002/21/EG , Richtlijn 2002/22/EG en Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad(11) is onderworpen aan een periodieke toetsing door de Commissie, met name om te bepalen of wijzigingen nodig zijn in het licht van technologische en marktontwikkelingen(12).

(3)  In haar strategie voor een eengemaakte digitale markt heeft de Commissie uitgelegd dat zij bij de revisie van het regelgevingskader inzake telecommunicatie het accent zou leggen op het stimuleren van investeringen in snelle breedbandnetwerken, een consistent op een eengemaakte markt gerichte aanpak van spectrumbeleid en -beheer, het scheppen van de voorwaarden voor een werkelijk eengemaakte markt door versnippering van de regelgeving te bestrijden, het garanderen van doeltreffende bescherming van consumenten, gelijke voorwaarden voor alle marktactoren en consequente toepassing van de regels en een doeltreffender institutioneel regelgevingskader. In de strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa werd ook de herziening van Richtlijn 2002/58/EG aangekondigd om een hoog niveau van bescherming van de persoonlijke levenssfeer voor gebruikers van elektronische-communicatiediensten en een gelijk speelveld voor alle marktdeelnemers te garanderen.

(4)  Deze richtlijn maakt deel uit van een initiatief voor gezonde regelgeving, dat vier richtlijnen (kaderrichtlijn, machtigingsrichtlijn, toegangsrichtlijn en universele dienstenrichtlijn) en één verordening (de Berec-verordening(13)) omvat. Elk van die vier richtlijn omvatten maatregelen die van toepassing zijn op aanbieders van elektronische-communicatienetwerken en elektronische-communicatiediensten, een weergave van de regelgevende ontwikkeling van een sector met verticaal geïntegreerde ondernemingen, d.w.z. die zowel netwerken als diensten aanbieden. Deze herziening biedt de mogelijkheid tot herschikking van de vier richtlijnen om de huidige structuur te vereenvoudigen teneinde de samenhang en toegankelijkheid ervan te versterken in overeenstemming met de REFIT-doelstelling. Daarnaast wordt de mogelijkheid geboden om de structuur aan te passen aan de nieuwe marktomstandigheden die betekenen dat de verstrekking van communicatiediensten niet meer per definitie gebundeld met de verstrekking van een netwerk plaatsvindt. Zoal bepaald in het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten, betekent een herschikking dat een nieuwe wetgevingshandeling wordt vastgesteld, waarin zowel de inhoudelijke wijzigingen die in eerdere besluiten worden aangebracht als de ongewijzigde bepalingen van die besluiten in één tekst worden gebundeld. Dit voorstel voor een herschikking omvat de wijzigingen van bepalingen in eerdere besluiten en, op secundair niveau, de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van het eerdere besluit met die inhoudelijke wijzigingen.

(5)  Deze richtlijn heeft tot doel een juridisch kader te scheppen dat de vrijheid waarborgt om elektronische-communicatienetwerken en -diensten te leveren uitsluitend onder de in deze richtlijn bepaalde voorwaarden en met inachtneming van eventuele beperkingen overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Verdrag, met name maatregelen uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid, en overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ("het Handvest").

(6)  De bepalingen van deze richtlijn laten de mogelijkheid onverlet dat iedere lidstaat noodzakelijke maatregelen treft die gerechtvaardigd zijn op grond van de artikelen 87 en 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie om voor de bescherming van zijn essentiële veiligheidsbelangen te zorgen, de openbare orde en de openbare veiligheid te garanderen, en het onderzoek, de opsporing en de vervolging van misdrijven mogelijk te maken, rekening houdend met het feit dat de wet in dergelijke maatregelen moet voorzien, deze maatregelen de essentie van de door het Handvest erkende rechten en vrijheden moeten eerbiedigen en in overeenstemming met artikel 52, lid 1, van het Handvest het evenredigheidsbeginsel in acht moeten nemen.

(7)  De convergentie van de sectoren telecommunicatie, media en informatietechnologie houdt in dat alle elektronische-communicatienetwerken en -diensten zoveel mogelijk binnen eenzelfde in één richtlijn vastgesteld Europees wetboek voor elektronische communicatie moeten vallen, met uitzondering van aspecten waarvoor middels verordeningen rechtstreeks toepasselijke regels worden vastgesteld. Het is noodzakelijk dat de regelgeving inzake elektronische-communicatienetwerken en -diensten wordt gescheiden van de regelgeving inzake inhoud. Dit wetboek bestrijkt derhalve niet de inhoud van de diensten die via elektronische-communicatienetwerken met behulp van elektronische-communicatiediensten worden geleverd, zoals de inhoud van omroepprogramma's, financiële diensten en bepaalde diensten van de informatiemaatschappij, en heeft derhalve geen gevolgen voor maatregelen die door de Unie of lidstaten , overeenkomstig de Uniewetgeving , worden genomen om de culturele en taalkundige verscheidenheid te bevorderen en het pluralisme in de media te garanderen. De inhoud van televisieprogramma's valt onder Richtlijn 2010/13 van het Europees Parlement en de Raad21. Audiovisueel beleid en inhoudregulering beogen doelstellingen van algemeen belang, zoals vrijheid van meningsuiting, pluralisme van de media, onpartijdigheid, culturele en taalkundige verscheidenheid, sociale insluiting, consumentenbescherming en de bescherming van minderjarigen te realiseren. Elektronische-communicatienetwerken en -diensten vallen onder het toepassingsgebied van dit wetboek, tenzij ze er uitdrukkelijk van worden uitgesloten. Bovendien staat de scheiding tussen de regelgeving inzake elektronische communicatie en de regelgeving inzake inhoud er niet aan in de weg dat rekening wordt gehouden met de relaties die tussen beide bestaan, teneinde vrijheid van meningsuiting en informatie, pluralisme in de media, culturele verscheidenheid, consumentenbescherming, privacy en de bescherming van persoonsgegevens te garanderen.

(7 bis)  De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de burgers van de Unie universele toegang hebben tot een breed aanbod aan informatie en inhoud van hoge kwaliteit en publieke waarde, in het belang van het pluralisme in de media en de culturele diversiteit, rekening houdend met de snelle ontwikkeling van de distributiesystemen en bedrijfsmodellen die de mediasector momenteel doormaakt.

(8)  Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de toepassing van Richtlijn 2014/53/EU op radioapparatuur, maar heeft wel betrekking op consumentenapparatuur die voor radio en digitale televisie wordt gebruikt.

(9)  Om de nationale regelgevende instanties in staat te stellen te voldoen aan de doelstellingen van deze richtlijn , met name wat de eind-tot-eind interoperabiliteit betreft, zou de draagwijdte van de richtlijn moeten worden uitgebreid tot bepaalde aspecten van radio-apparatuur zoals beschreven in Richtlijn 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad(14) en de consumentenapparatuur die voor digitale televisie wordt gebruikt, teneinde de toegang voor gebruikers met een handicap te vergemakkelijken. Het is belangrijk dat de regelgevende instanties de netwerkexploitanten en de fabrikanten van apparatuur stimuleren om door samenwerking de toegang tot elektronische-communicatiediensten voor gehandicapte gebruikers te vergemakkelijken. Deze richtlijn moet eveneens van toepassing zijn op niet-exclusief gebruik van spectrum voor persoonlijk gebruik van radioapparaten, zonder verband met een economische activiteit, teneinde een gecoördineerd machtigingsbeleid te waarborgen.

(10)  Bepaalde elektronische-communicatiediensten die onder deze richtlijn vallen, kunnen ook beantwoorden aan de definitie “dienst van de informatiemaatschappij in artikel 1 van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij. De bepalingen inzake diensten van de informatiemaatschappij zijn op die elektronische-communicatiediensten van toepassing voor zover noch in deze richtlijn, noch in de EU-regelgeving meer specifieke regels inzake elektronische-communicatiediensten zijn vastgesteld. Elektronische-communicatiediensten, zoals spraaktelefonie , berichtendiensten en de diensten voor het overbrengen van elektronische post vallen onder deze richtlijn. Dezelfde onderneming, bijvoorbeeld een verstrekker van internetdiensten, kan een elektronische-communicatiedienst aanbieden, zoals internettoegang , en diensten die niet onder deze richtlijn vallen, zoals de levering van niet-communicatiegerelateerde internet-inhoud.

(11)  Door eenzelfde onderneming, bv. een kabelexploitant, kunnen tegelijkertijd elektronische-communicatiediensten, zoals het doorgeven van televisiesignalen, en niet onder deze richtlijn vallende diensten, zoals radio- of televisiediensten, worden aangeboden; derhalve kunnen aan een dergelijke onderneming in verband met haar activiteit als aanbieder of verdeler van inhoud bijkomende verplichtingen worden opgelegd overeenkomstig andere bepalingen dan die van deze richtlijn en onverminderd de in bijlage I bij deze richtlijn vastgestelde lijst van voorwaarden.

(12)  Het regelgevingskader moet van toepassing zijn op het gebruik van het radiospectrum door alle elektronische-communicatienetwerken, met inbegrip van persoonlijk gebruik van het radiospectrum door nieuwe types netwerken die uitsluitend bestaan uit autonome systemen van mobiele radioapparatuur die draadloos met elkaar is verbonden zonder centraal beheer of een gecentraliseerde netwerkexploitant en niet noodzakelijk aan de uitoefening van een specifieke economische activiteit is gekoppeld. Bij de ontwikkeling van de mobiele communicatieomgeving van de vijfde generatie zullen dergelijke netwerken zich wellicht verder ontwikkelen, met name buiten gebouwen en op de weg, voor vervoer, energie, O&O, e-gezondheid, civiele bescherming en rampenbestrijding, het internet der dingen, machine-to-machine en onderling communicerende auto’s. Bijgevolg moet de toepassing van door de lidstaten, op basis van artikel 7 van Richtlijn 2014/53/EU, van aanvullende nationale regels voor het in gebruik nemen of het gebruiken van dergelijke radioapparatuur, of beide, met betrekking tot het effectieve en efficiënte gebruik van het spectrum en het vermijden van schadelijke interferentie sporen met de beginselen van de interne markt.

(13)  De eisen ten aanzien van de mogelijkheden van elektronische-communicatienetwerken liggen steeds hoger. Terwijl de focus in het verleden vooral lag op de algemene beschikbaarheid van toenemende bandbreedte voor elke individuele gebruiker, worden andere parameters zoals de wachttijd, beschikbaarheid en betrouwbaarheid steeds belangrijker. Het huidige antwoord op deze vraag bestaat erin glasvezel tot steeds dichter bij de gebruiker te brengen en toekomstige netwerken met zeer hoge capaciteit zullen prestatieparameters vereisen die vergelijkbaar zijn met de prestaties die een netwerk dat uit glasvezelcomponenten bij het distributiepunt kan bieden. Dit stemt voor vaste netwerkaansluitingen overeen met prestaties die vergelijkbaar zijn met die van een glasvezelinstallatie tot bij een meergezinswoning, die als het distributiepunt wordt beschouwd, en voor mobiele aansluitingen met prestaties die vergelijkbaar zijn met wat haalbaar is met een glasvezelinstallatie tot bij het basisstation, dat hier als distributiepunt geldt. Om te bepalen of een draadloos netwerk al dan niet vergelijkbare prestaties levert, moet geen rekening worden gehouden met variaties in de eindgebruikerservaring die het gevolg zijn van de uiteenlopende kenmerken van het medium waarmee het netwerk uiteindelijk op het netwerkaansluitpunt is aangesloten. Overeenkomstig het beginsel van de technologische neutraliteit mogen andere technologieën en transmissiemedia niet worden uitgesloten wanneer zij prestaties bieden die vergelijkbaar zijn met dit referentiescenario. De uitrol van netwerken met zeer hoge capaciteit zal de mogelijkheden van netwerken verder doen toenemen en de weg vrijmaken voor de uitrol van toekomstige generaties mobiele netwerken op basis van een verbeterde etherinterface en een dichtere netwerkarchitectuur.

(14)  Bepaalde definities moeten worden aangepast om ze in overeenstemming te brengen met het beginsel van technologische neutraliteit en gelijke tred te houden met de technologische ontwikkeling en er aldus voor te zorgen dat deze richtlijn op niet-discriminerende wijze wordt toegepast op de verschillende dienstenaanbieders. Ten gevolge van technologische en marktontwikkelingen maken de netwerken meer gebruik van „Internet Protocol”-technologie (IP) en kunnen eindgebruikers kiezen tussen een reeks concurrerende leveranciers van spraakdiensten. Daarom moet de term "openbare telefoondiensten", die uitsluitend in Richtlijn 2002/22/EG wordt gebruikt en doorgaans wordt geïnterpreteerd als een verwijzing naar traditionele analoge spraaktelefonie, worden vervangen door de meer hedendaagse en technologieneutrale term "spraakcommunicatie". De voorwaarden voor de levering van een dienst moeten worden gescheiden van de feitelijke definitie van een spraakcommunicatiedienst, d.w.z. een voor het publiek beschikbaar gestelde elektronische-communicatiedienst voor het initiëren en ontvangen, direct dan wel indirect, van nationale of nationale en internationale oproepen met behulp van een nummer of een aantal nummers in een nationaal of internationaal nummerplan, ongeacht of deze dienst circuitgeschakeld of pakketgeschakeld is. Een dergelijke dienst is per definitie bidirectioneel, zodat beide partijen kunnen communiceren. Een dienst die niet aan al deze voorwaarden voldoet, bijvoorbeeld een "doorklik"-toepassing op een website van een klantenservice, behoort niet tot dit soort diensten. Spraakcommunicatiediensten omvatten tevens specifieke communicatiemiddelen voor eindgebruikers met een handicap, die gebruikmaken van diensten die spraak omzetten in tekst ("text relay"), van beeldbemiddelingsdiensten ("video relay") of van diensten voor totale conversatie, zoals spraak, beeld en realtimetekst, afzonderlijk of in combinatie, binnen hetzelfde gesprek.

(15)  De voor communicatie gebruikte diensten en de technische middelen waarmee ze worden geleverd, zijn sterk veranderd. Eindgebruikers maken in plaats van traditionele spraaktelefonie, tekstberichten (SMS) en e-mail steeds meer gebruik van functioneel gelijkwaardige onlinediensten zoals voice over IP, berichtendiensten en webmail. Om ervoor te zorgen dat eindgebruikers en hun rechten bij het gebruik van functioneel gelijkwaardige diensten dezelfde reële bescherming genieten, moet een toekomstgerichte definitie van elektronische-communicatiediensten niet uitsluitend gebaseerd zijn op technische parameters maar vanuit functioneel oogpunt worden benaderd. De draagwijdte van de nodige regulering moet afgestemd worden op de doelstellingen van algemeen belang. Hoewel het "overbrengen van signalen" een belangrijke parameter blijft om te bepalen welke diensten onder deze richtlijn vallen, moet de definitie ook van toepassing zijn op andere diensten waarmee communicatie tot stand kan worden gebracht. Vanuit het standpunt van de eindgebruikers en de bescherming van hun rechten heeft het geen belang of de aanbieder zelf signalen overbrengt, dan wel of de communicatie via een internettoegangsdienst tot stand komt. De gewijzigde definitie van elektronische-communicatiediensten moet derhalve drie types diensten omvatten, die elkaar gedeeltelijk kunnen overlappen, namelijk internettoegangsdiensten overeenkomstig de definitie in artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 2015/2120, persoonlijke communicatiediensten als gedefinieerd in deze richtlijn en diensten die hoofdzakelijk of volledig uit het overbrengen van signalen bestaan. De definitie van elektronische-communicatiediensten moet een einde maken aan de dubbelzinnige situaties bij de toepassing van de vorige definitie en ervoor zorgen dat de specifieke rechten en verplichtingen in het kader van de verschillende soorten diensten doelgericht en per bepaling kunnen worden toegepast. De verwerking van persoonsgegevens door elektronische-communicatiediensten, al dan niet tegen vergoeding, moet gebeuren overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG, die op 25 mei 2018 wordt vervangen door Verordening (EU) 2016/679 (algemene verordening gegevensbescherming).

(16)  Om onder de definitie van elektronische-communicatiediensten te vallen moet een dienst normaal gezien tegen vergoeding worden aangeboden. In de digitale economie zijn marktdeelnemers steeds meer van oordeel dat informatie over gebruikers een financiële waarde bezit. Elektronische-communicatiediensten worden vaak aan de eindgebruiker aangeboden tegen een andere tegenprestatie dan geld, met name tegen de levering van persoonsgegevens of andere gegevens. Het begrip vergoeding moet daarom worden verruimd tot situaties waarin een aanbieder van diensten de eindgebruiker ▌verzoekt persoonsgegevens te verstrekken en de eindgebruikers die gegevens, zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679, bewust op directe of indirecte wijze aan de aanbieder verstrekt. Het moet ook van toepassing zijn op situaties waarin de eindgebruiker toegang tot informatie verleent zonder deze informatie actief te verstrekken, zoals persoonsgegevens, waaronder het IP-adres, of andere automatisch gegenereerde informatie, zoals informatie die door cookies wordt verzameld en doorgegeven. Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake artikel 57 VWEU(15) is er ook sprake van dienstverrichting tegen vergoeding als bedoeld in het Verdrag wanneer de aanbieder van de dienst wordt betaald door een derde partij en niet door de ontvanger van de dienst. Het begrip vergoeding moet daarom ook van toepassing zijn op situaties waarin een eindgebruiker als voorwaarde om toegang te krijgen tot de dienst wordt blootgesteld aan reclame, of waarin de dienstverrichter de verzamelde gegevens te gelde maakt.

(17)  Persoonlijke communicatiediensten zijn diensten die een interactieve uitwisseling van informatie tussen personen mogelijk maken, zoals traditionele telefoongesprekken tussen twee personen, maar ook alle soorten e-mails, berichtendiensten of groepchats. Persoonlijke communicatiediensten omvatten alleen communicatie tussen een door de afzender van de communicatie bepaald aantal, d.w.z. een niet potentieel oneindig aantal, natuurlijke personen. Communicatie waarbij rechtspersonen zijn betrokken, moet onder de definitie vallen wanneer natuurlijke personen namens die rechtspersoon handelen of minstens bij één kant van de communicatie zijn betrokken. Interactieve communicatie betekent dat de dienst de ontvanger van de informatie de mogelijkheid biedt te antwoorden. Diensten die niet aan deze eisen voldoen, zoals lineaire uitzendingen, video op verzoek, websites, sociale netwerken, blogs of de uitwisseling van informatie tussen machines, mogen niet als persoonlijke communicatiediensten worden beschouwd. In uitzonderlijke gevallen moet een dienst niet als een persoonlijke communicatiedienst worden beschouwd wanneer de persoonlijke en interactieve communicatiemogelijkheid slechts een ondergeschikte functie is bij een andere dienst en om objectieve technische redenen niet zonder die hoofddienst kan worden gebruikt en de integratie daarvan geen middel is om de regels inzake elektronische-communicatiediensten te omzeilen. Een voorbeeld van een dergelijke uitzondering is, in principe, het communicatiekanaal in onlinespellen, afhankelijk van de kenmerken van de communicatiemogelijkheid van de dienst.

(18)  Persoonlijke communicatiediensten die gebruik maken van nummers uit het nationaal en internationaal nummerplan staan in verbinding met het openbare (pakket- of circuit)geschakelde telefoonnet. Nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten zijn zowel diensten waaraan eindgebruikers zijn toegewezen om de eind-tot-eindverbinding te waarborgen als diensten waarmee eindgebruikers personen kunnen bereiken aan wie die nummers zijn toegewezen. Het gebruik van een nummer als identificatiemiddel mag niet op gelijke voet worden gesteld met het gebruik van een nummer om verbinding te maken met het openbare geschakelde telefoonnet en volstaat derhalve niet om te besluiten dat een dienst een nummergebaseerde persoonlijke communicatiedienst is. Wanneer de verstrekte dienst niet berust op zijn eigen infrastructuur en dus geen noemenswaardige controle heeft over het netwerk dat wordt gebruikt om de communicatie tot stand te brengen, moet het gebruik van het nummer ook anders worden bekeken, aangezien de verplichtingen niet evenredig zouden zijn met hun vermogen om een bepaalde kwaliteit van de dienstverlening te verstrekken. Nummeronafhankelijke persoonlijke communicatiediensten moeten alleen aan verplichtingen worden onderworpen wanneer vanwege het algemeen belang specifieke wettelijke verplichtingen moeten worden opgelegd aan alle types elektronische-communicatiediensten, ongeacht of voor de verlening van de dienst gebruik wordt gemaakt van nummers. Een verschillende behandeling van nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten is gerechtvaardigd omdat die diensten deel uitmaken en derhalve de voordelen genieten van een openbaar gewaarborgd interoperabel ecosysteem.

(19)  Het netwerkaansluitpunt vormt voor regelgevingsdoeleinden een grens tussen het regelgevingskader voor elektronische communicatienetwerken en -diensten en de regeling voor telecommunicatie-eindapparatuur. Bepaling van de locatie van netwerkaansluitpunten valt onder de bevoegdheid van de nationale regelgevende instantie. In het licht van de praktijk van de nationale regelgevende instanties en de verschillende situaties inzake vaste en draadloze netwerken, moet het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (Berec), in nauw overleg met de Commissie, richtsnoeren vaststellen voor de bepaling van het netwerkaansluitpunt overeenkomstig deze richtlijn en in diverse concrete situaties.

(20)  Technische ontwikkelingen zorgen ervoor dat eindgebruikers niet alleen via de telefoon maar ook via andere persoonlijke communicatiediensten toegang krijgen tot noodhulpdiensten. Het begrip noodcommunicatie moet derhalve alle persoonlijke communicatiediensten waarmee de noodhulpdiensten kunnen worden bereikt, bestrijken. Het bouwt voor op de elementen van noodsystemen waarin de Uniewetgeving reeds voorziet, namelijk de alarmcentrale (Public Safety Answering Point - PSAP), "de meest geschikte alarmcentrale"(16) en "noodhulpdiensten"(17).

(21)  Er dient een geharmoniseerde verzameling doelstellingen en beginselen te zijn waarop de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties hun acties baseren en aan de hand waarvan zij die, indien nodig, met de instanties en Berec van andere lidstaten coördineren bij de uitvoering van hun taken binnen dit regelgevingskader.

(22)  De activiteiten van de uit hoofde van deze richtlijn ingestelde bevoegde instanties dragen bij tot de verwezenlijking van breder beleid op het gebied van cultuur, werkgelegenheid, milieu, sociale samenhang en ruimtelijke ordening.

(23)  Het regelgevingskader moet erop zijn gericht om naast de drie bestaande primaire doelstellingen, bevordering van de concurrentie, interne markt en de belangen van de eindgebruiker, een aanvullende doelstelling ▌te verwezenlijken, uitgedrukt in de volgende termen: brede toegang tot en ingang van netwerken met zeer hoge capaciteit voor alle Europese burgers en bedrijven. Naast de bestaande algemene doelstellingen zal dit bijdragen tot de versterking van de economie van de Unie en in het bijzonder de industrie van de Unie, op basis van een redelijke prijs en keuze, ▌reële en billijke concurrentie, efficiënte investeringen in open innovatie, een efficiënt gebruik van het spectrum, gemeenschappelijke regels en een voorspelbare reguleringsbeleid op de interne markt en de nodige sectorspecifieke regels om de belangen van de burgers te vrijwaren. Voor de lidstaten, nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties en belanghebbenden wordt die connectiviteitsdoelstelling enerzijds vertaald in het streven naar netwerken met een maximale capaciteit en economisch duurzame diensten in een bepaald gebied, en anderzijds in het streven naar territoriale samenhang dankzij de convergentie van de in verschillende gebieden beschikbare capaciteit. De verwezenlijking van de algemene doelstellingen van deze richtlijn dient te worden bevorderd door middel van een robuust systeem van de lidstaten voor doorlopende evaluatie en benchmarking met betrekking tot de beschikbaarheid van connectiviteit met zeer hoge capaciteit bij alle belangrijke sociaaleconomische actoren, zoals scholen, vervoersknooppunten, grote aanbieders van openbare diensten en in hoge mate gedigitaliseerde ondernemingen, ononderbroken 5G-dekking in stedelijke gebieden en op belangrijke transportroutes over land en de beschikbaarheid van elektronische-communicatienetwerken met een minimale snelheid van 100 Mps en de mogelijkheid van een snelle upgrade naar gigabitsnelheden voor alle huishoudens in elke lidstaat. Hiertoe dient de Commissie snel met gedetailleerde beleidslijnen te komen, waarbij methoden en objectieve, concrete en kwantificeerbare criteria voor benchmarking van de doeltreffendheid van de door de lidstaten ter verwezenlijking van die doelstellingen genomen maatregelen worden vastgesteld en goede praktijken worden aangewezen, en die in een jaarlijkse kwalitatieve en kwantitatieve beoordeling van door de afzonderlijke lidstaten gemaakte vorderingen voorzien.

(24)  Het principe dat de lidstaten de Uniewetgeving op technologieneutrale wijze moeten toepassen, dat wil zeggen dat een nationale regelgevende of andere bevoegde instantie het gebruik van een bepaald type technologie niet mag voorschrijven of bevoordelen, sluit niet uit dat evenredige maatregelen worden genomen om bepaalde specifieke diensten te bevorderen wanneer dit gerechtvaardigd is om de doelstellingen van het regelgevingskader te verwezenlijken, bijvoorbeeld digitale televisie als middel om de spectrumefficiency te vergroten. Voorts sluit dit niet uit dat rekening wordt gehouden met de verschillende fysieke kenmerken en architectuur van elektronische-communicatienetwerken die van belang zijn voor andere doelstellingen van het regelgevingskader.

(25)  Efficiënte investeringen en mededinging moeten tegelijkertijd worden aangemoedigd, teneinde economische groei, innovatie en de keuzevrijheid voor de consument te vergroten.

(26)  De mededinging kan het best worden bevorderd door een in economisch opzicht efficiënt niveau van investeringen in nieuwe en bestaande infrastructuur, indien nodig aangevuld met regelgeving, om daadwerkelijke mededinging bij kleinhandelsdiensten te bereiken. Een efficiënt niveau van mededinging op basis van infrastructuur is de mate van duplicatie van infrastructuur waarbij van investeerders redelijkerwijs mag worden verwacht dat zij een correct rendement behalen op basis van redelijke verwachtingen omtrent de ontwikkeling van de marktaandelen.

(27)  Er moeten behoorlijke stimulansen worden geboden ter bevordering van investeringen in nieuwe netwerken met zeer hoge capaciteit die de innovatie in inhoudrijke internetdiensten ondersteunen en het internationale concurrentievermogen van de Europese Unie versterken. Dergelijke netwerken hebben enorme mogelijkheden om consumenten en bedrijven in de hele Europese Unie van dienst te zijn. Het is derhalve van cruciaal belang duurzame investeringen in de ontwikkeling van deze nieuwe netwerken te bevorderen, en tegelijkertijd de mededinging op lange termijn te beschermen, aangezien er op het niveau van de infrastructuur knelpunten en fysieke toegangsbarrières blijven bestaan, en de keuze voor de consument te vergroten door middel van voorspelbaarheid en consistentie van de regelgeving.

(28)  Het doel is om specifieke sectorregels ex ante steeds meer terug te brengen, naarmate de concurrentie in de markt zich ontwikkelt, en ervoor te zorgen dat elektronische communicatie uiteindelijk volledig wordt geregeld door het mededingingsrecht. In aanmerking genomen dat de markten voor elektronische communicatie de afgelopen jaren een sterke concurrentiedynamiek hebben laten zien, is het essentieel dat ex-ante regulerende verplichtingen alleen worden opgelegd wanneer er op de betrokken markten geen daadwerkelijke en duurzame mededinging is. De doelstelling van ex ante interventie van regelgevende aard moet voordelen voor de eindgebruikers opleveren doordat op duurzame wijze daadwerkelijke concurrentie op de retailmarkten tot stand wordt gebracht. Hiertoe dienen nationale regelgevende instanties rekening te houden met de belangen van consumenten en eindgebruikers, ongeacht de markt waarop de regelgevingsverplichtingen betrekking hebben, en te overwegen of een verplichting die aan een wholesalemarkt wordt opgelegd eveneens leidt tot de bevordering van de belangen van consumenten en eindgebruikers op een retailmarkt die niet in aanmerking komt voor ex ante-regelgeving. Er moeten op wholesaleniveau verplichtingen worden opgelegd wanneer het ontbreken van dergelijke verplichtingen daadwerkelijk concurrentievermogen van een of meerdere retailmarkten onwaarschijnlijk zou maken. Waarschijnlijk constateren de nationale regelgevende instanties geleidelijk door middel van een proces van marktanalyse dat retailmarkten concurrerend zijn, zelfs als er geen regulering op wholesaleniveau plaatsvindt, in het bijzonder rekening houdend met de verwachte verbeteringen op het gebied van innovatie en concurrentie. In een dergelijk geval zou de nationale regelgevende instantie moeten concluderen dat regelgeving op wholesaleniveau niet langer nodig is, en de desbetreffende relevante wholesalemarkt moeten beoordelen teneinde de ex ante-regelgeving in te trekken. Hierbij dient zij rekening te houden met eventuele hefboomeffecten tussen wholesale- en retailmarkten, waarbij het wellicht nodig is om toegangsbarrières op het niveau van de infrastructuur weg te werken, teneinde mededinging op lange termijn op de retailmarkt te waarborgen.

(29)  Elektronische communicatie wordt voor steeds meer sectoren essentieel. Het internet der dingen is een voorbeeld van de manier waarop de overdracht van radiosignalen als basis voor elektronische communicatie blijft evolueren en onze maatschappij en ondernemingen beïnvloedt. De invoering en integratie van nieuwe draadloze communicatietechnologieën en -toepassingen op het gebied van spectrumbeheer is essentieel om de voordelen van die ontwikkelingen beter te benutten. Aangezien ook de vraag naar andere technologieën en toepassingen op het spectrum toeneemt, en nog kan worden versterkt door de integratie of combinatie met elektronische communicatie, moet het spectrumbeheer, waar zinvol, sectoroverschrijdend worden aangepakt om ervoor te zorgen dat het spectrum efficiënter wordt gebruikt.

(30)  Strategische planning, coördinatie en, indien nodig, harmonisatie op EU-niveau kunnen helpen ervoor te zorgen dat spectrumgebruikers ten volle profiteren van de interne markt en dat de belangen van de Unie wereldwijd doeltreffend kunnen worden behartigd. Daartoe kunnen zo nodig wetgevende meerjarenprogramma’s voor het radiospectrumbeleid worden vastgesteld , waarvan het eerste is vastgesteld bij Besluit nr. 243/2012/EU van het Europees Parlement en de Raad(18) om de beleidslijnen en -doelstellingen uiteen te zetten voor de strategische planning en harmonisatie van het radiospectrumgebruik in de Unie. Deze beleidslijnen en -doelstellingen kunnen verwijzen naar de beschikbaarheid en het doelmatig gebruik van radiospectrum die nodig zijn voor de totstandbrenging en werking van de interne markt overeenkomstig deze richtlijn.

(31)   De nationale grenzen spelen steeds minder een rol bij het vaststellen van optimaal radiospectrumgebruik. Onnodige fragmentering van nationale beleidslijnen inzake het beheer van het radiospectrum, waaronder ongerechtvaardigde verschillen met betrekking tot de voorwaarden voor de toegang tot en het gebruik van het radiospectrum naar gelang van het type exploitant heeft de kosten opgedreven en geleid tot verlies van marktmogelijkheden voor spectrumgebruikers. Dit kan innovatie afremmen, de investeringen beperken, de schaalvoordelen voor fabrikanten en exploitanten verminderen en tot spanningen leiden tussen houders van rechten. Deze versnippering kan in het algemeen leiden tot een verstoring van de interne markt en de belangen van de consument en de economie als geheel schaden.

(32)  De spectrumbeheersbepalingen in deze richtlijn moeten in overeenstemming zijn met de werkzaamheden van de internationale en regionale organisaties die zich met radiospectrumbeheer bezighouden, zoals de Internationale Telecommunicatie Unie (ITU) en de Europese Conferentie van de Administraties van Posterijen en van Telecommunicatie (CEPT), teneinde het efficiënte beheer en de harmonisatie van het gebruik van het spectrum in de Unie en tussen lidstaten en andere leden van de ITU te waarborgen.

(33)  Overeenkomstig het beginsel van scheiding van regelgevende en operationele functies moeten de lidstaten de onafhankelijkheid van de nationale regelgevende instantie en andere bevoegde instanties waarborgen teneinde ervoor te zorgen dat hun besluiten onpartijdig zijn. Deze eis van onafhankelijkheid doet niet af aan de institutionele autonomie en de constitutionele verplichtingen van de lidstaten of aan het beginsel van neutraliteit met betrekking tot de regeling van het eigendomsrecht in de lidstaten, dat is neergelegd in artikel 295 van het Verdrag. De nationale regelgevende en andere bevoegde instanties moeten over de nodige middelen (personeel, expertise en geldelijke middelen) beschikken om de hun opgedragen taken te kunnen uitvoeren.

(34)  Er moet een lijst worden opgesteld van taken die de lidstaten alleen mogen toewijzen aan instanties die zij aanwijzen als nationale regelgevende instanties waarvan de politieke onafhankelijkheid en regelgevende bekwaamheid is gewaarborgd, in tegenstelling tot andere regelgevende taken die zij zowel kunnen toevertrouwen aan de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties. Wanneer in deze richtlijn bepaald is dat een lidstaat een bevoegde instantie met een taak moet belasten, kan de lidstaat kiezen of hij die taak toewijst aan een nationale regelgevende instantie, dan wel aan een andere bevoegde instantie.

(35)  De onafhankelijkheid van de nationale regelgevende instanties is bij de herziening van 2009 versterkt om te zorgen voor een meer doeltreffende toepassing van het regelgevingskader en hun autoriteit en om de voorspelbaarheid van hun besluiten te verhogen. Hiertoe moesten uitdrukkelijke bepalingen worden opgenomen in de nationale wetgeving om ervoor te zorgen dat een nationale regelgevende instantie bij het uitoefenen van haar taken beschermd is tegen externe interventie of politieke druk die haar onafhankelijke oordeel over de vraagstukken die haar worden voorgelegd in gevaar zouden kunnen brengen. Dergelijke externe invloed maakt een nationale instantie ongeschikt om volgens het regelgevingskader op te treden als een nationale regelgevende instantie. Met het oog hierop moesten vooraf voorschriften worden opgesteld met betrekking tot de redenen die aanleiding geven voor ontslag van het hoofd van de nationale regelgevende instantie om ervoor te zorgen dat er volstrekt geen twijfels kunnen zijn over de neutraliteit van die instantie en dat de instantie niet gevoelig is voor externe factoren. Teneinde willekeurige ontslagen te vermijden, moet een ontslagen lid het recht krijgen de bevoegde rechtbank te laten onderzoeken of er geldige redenen tot ontslag zijn, onder de redenen waarin deze richtlijn voorziet. Een ontslag mag alleen verband houden met de persoonlijke of professionele kwalificaties van het hoofd of lid. Het is van belang dat de nationale regelgevende instanties over hun eigen begroting beschikken, zodat zij met name voldoende gekwalificeerd personeel kunnen aanwerven. Met het oog op transparantie zou die begroting jaarlijks gepubliceerd moeten worden. Binnen de grenzen van hun begroting moeten zij hun menselijke en financiële middelen autonoom kunnen beheren. Om de onpartijdigheid te waarborgen, dienen lidstaten die eigenaar zijn van of zeggenschap uitoefenen over ondernemingen die administratieve bijdragen betalen ten behoeve van de nationale regelgevende instantie of andere bevoegde instanties, waarborgen dat er een effectieve structurele scheiding bestaat tussen de activiteiten in verband met de uitoefening van de eigendom of zeggenschap en de uitoefening van de zeggenschap over de begroting.

(36)  De onafhankelijkheid van de nationale regelgevende instanties moet worden versterkt om ervoor te zorgen dat het hoofd en de leden van die instanties niet vatbaar zijn voor externe druk, door minimumkwalificaties voor hun aanstelling en een minimumtermijn voor hun mandaat vast te stellen. Voorts zal de beperking dat hun mandaat slechts één keer kan worden verlengd en de verplichting om een passende rotatieregeling op te zetten voor het bestuur en het topmanagement het risico op innige banden beperken, de continuïteit waarborgen en de onafhankelijkheid versterken. Hiertoe moeten de lidstaten er ook voor zorgen dat de nationale regelgevende instanties juridisch gescheiden en functioneel onafhankelijk zijn van het bedrijfsleven en de overheid, in die zin dat ze van niemand instructies vragen of aanvaarden, op transparante wijze functioneren en daarvoor volgens de wettelijke bepalingen van de Unie en de nationale wetgeving verantwoording afleggen, en over voldoende bevoegdheden beschikken.

(37)  Nationale regelgevende instanties moeten aansprakelijk zijn voor de uitoefening van hun taken en verplicht worden verslag uit te brengen over de manier waarop zij die uitoefenen. Die verplichting moet de vorm aannemen van een jaarlijkse verslagleggingsplicht in plaats van de verplichting verslagen ad hod op te stellen, hetgeen een buitensporige omvang zou kunnen aannemen en de instanties zou kunnen belemmeren hun taken uit te oefenen. Volgens recente rechtspraak(19) kunnen uitvoerige of onvoorwaardelijke verslagleggingsverplichtingen indirect de onafhankelijkheid van een instantie aantasten.

(38)  De lidstaten moeten de Commissie in kennis stellen van de contactgegevens van de nationale regelgevende en andere bevoegde instanties. Voor instanties die bevoegd zijn voor de toekenning van toegangsrechten mag die kennisgevingsverplichting worden vervuld door te verwijzen naar het enkel informatiepunt dat is opgezet op grond van artikel 7, lid 1, van Richtlijn 2014/61/EU van het Europees Parlement en de Raad(20).

(39)  Een zo licht mogelijk machtigingssysteem moet worden gehanteerd om het aanbieden van elektronische-communicatienetwerken en -diensten mogelijk te maken, teneinde de ontwikkeling van nieuwe communicatiediensten alsmede transnationale communicatienetwerken en -diensten te bevorderen en dienstenaanbieders en consumenten te laten profiteren van de schaalvoordelen van de interne markt.

(40)  Om ervoor te zorgen dat dienstverrichter en eindgebruikers de vruchten van de eengemaakte markt kunnen plukken, moet worden geopteerd voor een algemene machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten ▌zonder dat een expliciet besluit of bestuurshandeling van de nationale regelgevende instantie nodig is en waarvoor één enkele declaratoire kennisgeving de enige procedurele vereiste mag zijn.

(40 bis)  Eventuele procedurele vereisten moeten beperkt blijven tot een enkele declaratoire kennisgeving. Indien de lidstaten van aanbieders van elektronische-communicatienetwerken of -diensten kennisgeving van de aanvang van hun activiteiten verlangen, moeten de aanbieders hiervan enkel kennisgeving doen aan Berec, dat als centraal contactpunt fungeert. Die kennisgeving mag voor de aanbieders geen administratieve kosten vergen en kan mogelijk gemaakt worden via een meldpunt op de website van Berec. Berec dient de kennisgevingen tijdig mee te delen aan alle nationale regelgevende instanties van de lidstaten die kennisgeving verlangen en waar de aanbieders van elektronische-communicatienetwerken of -diensten voornemens zin elektronische-communicatienetwerken of diensten aan te bieden. De lidstaten kunnen een wettelijk erkend postaal of elektronisch bewijs van die kennisgeving aan Berec verlangen. Dit bewijs mag geenszins een bestuurshandeling behelzen of vergen van de nationale regelgevende instantie of een andere instantie.

(41)  De kennisgeving aan Berec moet beperkt blijven tot een verklaring waarmee de aanbieder kenbaar maakt dat hij voornemens is om te beginnen met het aanbieden van elektronische-communicatienetwerken of -diensten. Een aanbieder kan alleen worden gevraagd bij die verklaring de in artikel 12 van deze richtlijn genoemde informatie mee te delen, zijnde de minimuminformatie die nodig is om een consistente toepassing van deze richtlijn te vergemakkelijken en om Berec en de nationale regelgevende instanties de relevantste marktkennis te verschaffen. De lidstaten mogen geen extra of afzonderlijke meldingsverplichtingen opleggen.

(42)  Aanbieders van elektronische-communicatiediensten van welke aard ook moeten gebruik kunnen maken van ▌de algemene machtigingsregeling.

(43)  Bij het verlenen van gebruiksrechten voor radio spectrum, nummers of rechten om faciliteiten te installeren, dienen de bevoegde instanties de ondernemingen waaraan zij dergelijke rechten verlenen, te informeren over de desbetreffende voorwaarden.

(44)  De algemene machtiging mag alleen voorwaarden bevatten die specifiek zijn voor de sector elektronische communicatie. Er mogen geen voorwaarden worden opgelegd die reeds van toepassing zijn krachtens andere bestaande nationale wetgeving, in het bijzonder met betrekking tot consumentenbescherming, die niet specifiek is voor de sector communicatie en er mag geen afbreuk worden gedaan aan de bepalingen van consumentenovereenkomsten die zijn gesloten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad. De nationale regelgevende instanties mogen de aanbieders bijvoorbeeld informeren over de toepasselijke regelgeving inzake milieu en ruimtelijke ordening.

(45)  Bij de voorwaarden voor die algemene machtigingen moet rekening worden gehouden met specifieke omstandigheden die betrekking hebben op de toegankelijkheid voor gebruikers met een handicap en de noodzaak van openbare autoriteiten en hulpdiensten om onderling en met het publiek te communiceren voor, tijdens of na grote rampen.

(46)  De rechten en plichten van ondernemingen in het kader van algemene machtigingen moeten expliciet in die machtigingen worden opgenomen om een gelijk speelveld in de Unie te waarborgen en grensoverschrijdende onderhandelingen over interconnectie tussen openbare communicatienetwerken te vergemakkelijken.

(47)  Door de algemene machtiging zijn aanbieders van elektronische-communicatienetwerken en -diensten aan het publiek gerechtigd om overeenkomstig de voorwaarden van deze richtlijn over interconnectie te onderhandelen. Aanbieders van andere elektronische-communicatienetwerken en -diensten aanbieden dan die welke aan het publiek worden aangeboden, kunnen op commerciële basis over interconnectie onderhandelen.

(47 bis)  Aanbieders van elektronische-communicatiediensten die in meer dan een lidstaat actief zijn, worden nog steeds aan verschillende regels, verplichtingen en verslagleggingsverplichtingen onderworpen ondanks het feit dat zij overal in de Unie vrijelijk elektronische-communicatienetwerken en -diensten mogen aanbieden, hetgeen de ontwikkeling en groei van de interne markt voor elektronische communicatie belemmert. Het moet voor een dergelijke aanbieder, wanneer hij zijn hoofdvestiging in de Unie heeft, mogelijk zijn onder één algemene machtiging te vallen van de lidstaat waar hij zijn hoofdvestiging in de Unie heeft. Berec moet de coördinatie en uitwisseling van informatie bevorderen. Aanbieders van elektronische-communicatiediensten hebben wellicht nog steeds specifieke machtigingen nodig voor de gebruiksrechten van nummers, radiospectrum en het recht om faciliteiten te installeren.

(47 ter)  Om een deugdelijke werking van de interne markt te waarborgen is het noodzakelijk aanbieders geen stimulansen te bieden om naar een gunstigere juridische positie te streven ten nadele van eindgebruikers (frauduleus of corrupt "forum shopping"). De plaats van hoofdvestiging in de Unie moet daarom de centrale locatie weergeven waar de aanbieder daadwerkelijk gevestigd is, zijn strategische bedrijfsbesluiten vaststelt en aanzienlijke werkzaamheden verricht die verband houden met de verlening van elektronische-communicatiediensten in de Unie.

(48)  Het is passend om voor niet-openbare elektronische-communicatienetwerken en -diensten minder en lichtere voorwaarden op te leggen dan gerechtvaardigd is voor openbare elektronische-communicatienetwerken en -diensten.

(49)  Specifieke verplichtingen voor aanbieders van elektronische-communicatienetwerken en ▌ elektronische-communicatiediensten ▌ op grond van hun aanmerkelijke marktmacht als omschreven in deze richtlijn, die overeenkomstig de Uniewetgeving kunnen worden opgelegd, moeten gescheiden worden van de algemene rechten en verplichtingen in het kader van de algemene machtiging.

(50)  Aanbieders van elektronische-communicatienetwerken en -diensten kunnen een bevestiging nodig hebben van hun rechten in het kader van de algemene machtiging met betrekking tot interconnectie en doorgangsrechten, met name om onderhandelingen met andere, regionale of lokale, overheden of met dienstenaanbieders in andere lidstaten te vergemakkelijken. Hiertoe dient Berec, dat de kennisgevingen voor het aanbieden van openbare of private communicatienetwerken of -diensten ontvangt ▌automatisch verklaringen aan ondernemingen af te geven naar aanleiding van een kennisgeving in het kader van de algemene machtiging. Dergelijke verklaringen mogen zelf geen aanspraken op rechten inhouden, en rechten uit hoofde van de algemene machtiging, gebruiksrechten of de uitoefening van dergelijke rechten mogen niet van een dergelijke verklaring afhangen.

(51)  Aanbieders van elektronische-communicatiediensten kunnen worden verplicht tot betaling van een administratieve bijdrage ter financiering van de werkzaamheden van de nationale regelgevende instantie of andere bevoegde instantie bij het beheer van het machtigingssysteem en het verlenen van gebruiksrechten. Dergelijke bijdragen mogen het bedrag van de feitelijke administratieve kosten van die werkzaamheden niet overschrijden. Hiertoe dient te worden gezorgd voor transparantie ter zake van de inkomsten en de uitgaven van de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties, door middel van een jaarlijkse rapportage over het totale bedrag aan ontvangen bijdragen en de totale administratiekosten. Dit stelt ondernemingen in staat te controleren of de administratiekosten en de bijdragen met elkaar in overeenstemming zijn.

(52)  Stelsels voor administratieve bijdragen mogen de concurrentie niet verstoren noch belemmeringen scheppen voor toegang tot de markt. Onder een algemeen machtigingssysteem zal het niet langer mogelijk zijn administratieve kosten en dus bijdragen op te leggen aan individuele ondernemingen, tenzij voor het toekennen van gebruiksrechten voor nummers, van radiospectrum en van rechten om faciliteiten te installeren. Eventuele toepasselijke administratieve bijdragen dienen in overeenstemming te zijn met de beginselen van een algemeen machtigingssysteem. Een voorbeeld van een billijk, eenvoudig en transparant alternatief voor deze omslagcriteria is een verdeelsleutel gebaseerd op de omzet. Wanneer de administratieve bijdragen zeer laag liggen, kunnen forfaitaire bijdragen of bijdragen bestaande uit een combinatie van een forfaitair met een omzetgerelateerd bedrag ook een goede mogelijkheid zijn. Voor zover het algemene machtigingssysteem ook van toepassing is op ondernemingen met een zeer klein marktaandeel, zoals lokale netwerkaanbieders, of op dienstverrichters waarvan het verdienmodel zeer weinig inkomsten oplevert, zelfs bij een significante marktpenetratie in termen van volume, moeten de lidstaten beoordelen of voor het opleggen van administratieve verplichtingen een passende de minimis-drempel kan worden vastgesteld.

(53)  De lidstaten kunnen wijzigingen aanbrengen in rechten, voorwaarden, procedures, bijdragen en vergoedingen met betrekking tot algemene machtigingen en gebruiksrechten wanneer dat objectief gerechtvaardigd is. Dergelijke wijzigingen moeten tijdig en op passende wijze ter kennis van alle belanghebbende partijen worden gebracht, zodat deze voldoende gelegenheid wordt geboden om hun standpunt ten aanzien van de wijzigingen naar voren te brengen. Ermee rekening houdend dat rechtszekerheid moet worden gewaarborgd en de voorspelbaarheid van de regelgeving moet worden bevorderd, moet elke beperking of intrekking van bestaande rechten op het gebruik van radiospectrum of voor de installatie van faciliteiten verlopen via voorspelbare en transparante procedures; derhalve kunnen strengere eisen of een meldingssysteem worden opgelegd wanneer gebruiksrechten zijn toegekend op basis van een concurrerende of vergelijkende procedure. In het geval van individuele rechten op het gebruik van radiospectrum dienen de rechten en de voorwaarden van dergelijke vergunningen alleen te worden gewijzigd na voorafgaande raadpleging van de houder van de rechten. Aangezien de beperking of intrekking van algemene machtigingen of rechten aanzienlijke gevolgen kan hebben voor de houders ervan dienen de nationale bevoegde instanties bijzonder zorgvuldig te werk te gaan en, alvorens maatregelen te treffen, na te gaan welke potentiële nadelige gevolgen dergelijke maatregelen kunnen hebben. Bij kleine wijzigingen van bestaande rechten voor de installatie van faciliteiten of het gebruik van het spectrum die geen impact hebben op de belangen van derden, moeten onnodige procedures worden vermeden. De wijziging van het spectrumgebruik ten gevolge van de toepassing van het beginsel van de technologie- en dienstenneutraliteit mag niet worden beschouwd als een voldoende reden om rechten in te trekken aangezien er geen nieuwe rechten worden toegekend.

(54)  Kleine wijzigingen van rechten en plichten zijn wijzigingen die hoofdzakelijk van administratieve aard zijn, niet leiden tot verandering van de inhoud van de algemene machtigingen en de individuele gebruiksrechten en derhalve geen relatief voordeel voor de andere ondernemingen opleveren.

(55)  De nationale regelgevende en andere bevoegde instanties moeten informatie van de marktpartijen verzamelen om hun taken doeltreffend te kunnen uitvoeren. Het kan nodig zijn deze informatie te verzamelen voor de Commissie of Berec om hen in staat te stellen hun verplichtingen uit hoofde van de Uniewetgeving na te komen. Verzoeken om informatie moeten proportioneel zijn en mogen geen buitensporige last meebrengen voor ondernemingen. Door nationale regelgevende en andere bevoegde instanties verzamelde informatie moet openbaar zijn, behalve wanneer deze vertrouwelijk is, zulks in overeenstemming met de nationale regels inzake de toegang van het publiek tot informatie en met inachtneming van de Uniewetgeving en nationale wetgeving betreffende vertrouwelijke bedrijfs- of fabricagegegevens.

(56)  Om hun regelgevende taken op doeltreffende wijze te kunnen uitvoeren, moeten de gegevens die de nationale regelgevende instanties bijeen brengen onder meer gegevens bevatten over de detailhandelsmarkten die verbonden zijn aan groothandelsmarkten waar een exploitant een aanmerkelijke marktmacht bezit en die dan ook door de nationale regelgevende instantie worden gereguleerd. Het gaat hierbij ook om gegevens die de nationale regelgevende instantie in staat moeten stellen de naleving van de aan het gebruiksrecht gekoppelde voorwaarden en de mogelijke impact te beoordelen van geplande verbeteringen of veranderingen aan de netwerktopologie op de ontwikkeling van concurrentie of op groothandelsproducten die beschikbaar worden gesteld aan andere partijen. Informatie betreffende de naleving van de aan de gebruiksrechten van radiospectrum gekoppelde dekkingsverplichtingen is essentieel om de volledigheid te waarborgen van het door de nationale regelgevende instanties uitgevoerde geografisch onderzoek van de netwerkontwikkeling. Daartoe moeten zij kunnen verlangen dat de vereiste informatie tot op lokaal niveau nauwkeurig is en voldoende fijnmazig is om een geografisch onderzoek van de netwerken te kunnen uitvoeren.

(57)  Om de verplichtingen inzake rapportage en informatieverstrekking voor netwerk- en dienstenaanbieders en voor de betrokken bevoegde instantie te verlichten, behoren dergelijke verplichtingen evenredig en objectief gerechtvaardigd te zijn en beperkt te blijven tot het strikt noodzakelijke. Met name dubbele verzoeken om informatie van de bevoegde instantie en Berec waarbij systematisch en regelmatig wordt aangetoond dat is voldaan aan alle in het kader van een algemene machtiging geldende of aan de gebruiksrechten gekoppelde voorwaarden moeten worden vermeden. Verplichtingen inzake rapportage en informatieverstrekking voor aanbieders van elektronische-communicatiediensten die in verschillende lidstaten actief zijn, moeten, indien de aanbieder zijn hoofdvestiging in de Unie heeft en onder de algemene machtiging valt van de lidstaat waar hij zijn hoofdvestiging heeft, worden gecoördineerd door de desbetreffende lidstaat, behoudens informatieaanvragen betreffende het verlenen van gebruiksrechten voor nummers, radiospectrum en het verlenen van rechten om faciliteiten te installeren. Berec dient de vrije informatiestroom tussen de betrokken lidstaten te vergemakkelijken. Die informatie moet worden gevraagd in een door Berec verstrekte gemeenschappelijke en gestandaardiseerde vorm. Ondernemingen moeten weten waarvoor de gevraagde informatie zal worden gebruikt. Het verstrekken van informatie mag geen voorwaarde voor markttoegang zijn. Voor statistische doeleinden kan van de aanbieders van elektronische-communicatienetwerken of -diensten kennisgeving van stopzetting van de activiteit worden verlangd.

(58)  De verplichtingen van de lidstaten om alle informatie te verstrekken voor de verdediging van belangen van de Unie op grond van internationale overeenkomsten en rapportageverplichtingen krachtens wetgeving die niet specifiek is voor de sector elektronische communicatie, zoals het mededingingsrecht, blijven onverminderd van toepassing.

(59)  Informatie die door een bevoegde instantie, in overeenstemming met de Uniewetgeving en nationale voorschriften betreffende vertrouwelijke bedrijfs- of fabricagegegevens en de bescherming van persoonsgegevens, als vertrouwelijk wordt beschouwd, mag met de Commissie en andere nationale regelgevende instanties en Berec worden uitgewisseld wanneer die uitwisseling noodzakelijk is voor de toepassing van de bepalingen van deze richtlijn; de uitgewisselde informatie moet beperkt zijn tot hetgeen relevant is voor en in evenredigheid met het doel van een dergelijke uitwisseling.

(60)  Aangezien de technologie, de topologie, het mediumgebruik en de eigendom van breedbandcommunicatienetwerken steeds belangrijker en diverser worden, moet regulering gebeuren op basis van gedetailleerde informatie over de uitrol van netwerken om de effectiviteit te waarborgen en de inspanningen toe te spitsen op de gebieden waar ze nodig zijn. Die informatie is essentieel om investeringen te bevorderen, de connectiviteit in de hele Unie te doen toenemen en informatie te verstrekken aan alle desbetreffende autoriteiten en burgers. Zij moet onderzoeken omvatten over zowel de uitrol van netwerken met zeer hoge capaciteit als van significante upgrades of uitbreidingen van bestaande koper- of andere netwerken die niet op alle vlakken de prestatiekenmerken van netwerken met zeer hoge capaciteit bezitten, zoals de uitrol van glasvezel tot de kast in combinatie met actieve technologieën zoals vectoring. De nauwkeurigheid en territoriale fijnmazigheid van de informatie die de nationale regelgevende instanties moeten verzamelen, moet worden bepaald door de regelgevende doelstellingen en moeten toereikend zijn voor die regelgevingsdoelstellingen. De omvang van de territoriale eenheid zal ook verschillen van lidstaat tot lidstaat, afhankelijk van de regelgevingsbehoeften in de specifieke nationale context en de beschikbaarheid van lokale gegevens. Niveau 3 in de Nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) zal als territoriale eenheid in de meeste gevallen wellicht niet fijnmazig genoeg zijn. De nationale regelgevende instanties moeten van Berec richtsnoeren krijgen over de beste praktijken voor de aanpak van die taak, waarbij die richtsnoeren voortbouwen op de beschikbare ervaring van de nationale regelgevende instanties met de uitvoering van geografische onderzoeken van de netwerkontwikkeling. Onverminderd geheimhoudingsverplichtingen moeten de nationale regelgevende instanties, indien de informatie op de markt niet reeds beschikbaar is, de in dergelijke onderzoeken vergaarde informatie vrij beschikbaar stellen in een open gegevensformaat zonder beperkingen op hergebruik, en moeten ze de eindgebruikers tools aanreiken met betrekking tot de kwaliteit van de dienstverlening om hen beter bewust te maken van de beschikbare connectiviteitsdiensten. Indien zij dit nodig achten, kunnen de nationale regelgevende instanties ook openbaar toegankelijke informatie over plannen voor de uitrol van netwerken met hoge capaciteit vergaren. Bij de vergaring van dergelijke informatie moeten alle betrokken autoriteiten het vertrouwelijksheidsbeginsel in acht nemen en mogen zij exploitanten geen concurrentienadelen berokkenen.

(61)  Om alle burgers van de Unie toegang te bieden tot geavanceerde internet- en digitale diensten is het van essentieel belang de digitale kloof binnen de Unie te overbruggen. Hiertoe moeten, indien er in specifieke en duidelijk afgebakende gebieden sprake is van digitale uitsluiting, nationale regelgevende instanties daarom de mogelijkheid hebben een oproep te publiceren om de belangstelling van ondernemingen om te investeren in netwerken van zeer hoge capaciteit te peilen. Met het oog op een voorspelbaar investeringsklimaat moeten nationale regelgevende instanties informatie kunnen uitwisselen met ondernemingen die bereid zijn ultrasnelle netwerken op te zetten over de mate waarin in het betrokken gebied andere vormen van netwerkverbeteringen, met inbegrip van die met een downloadsnelheid van minder dan 100 Mbps, aan de gang zijn ▌.

(62)  Het is van belang dat de nationale regelgevende en andere bevoegde instanties alle betrokken partijen raadplegen over voorgestelde besluiten, hen - gezien de complexiteit van de materie - voldoende tijd geven om opmerkingen te formuleren en rekening houden met hun opmerkingen voordat zij een definitief besluit nemen. Om ervoor te zorgen dat besluiten op nationaal niveau geen nadelig gevolg hebben voor de interne markt of andere doelstellingen van het Verdrag, moeten de nationale regelgevende instanties bepaalde ontwerpbesluiten eveneens meedelen aan de Commissie en andere nationale regelgevende instanties. Het is passend dat de nationale regelgevende instanties de betrokken partijen raadplegen over alle ontwerpmaatregelen die van invloed zijn op de handel tussen de lidstaten. De gevallen waarin de procedures van de artikelen 24 en 34 gelden, zijn gedefinieerd in de onderhavige richtlijn.

(63)  Teneinde op passende wijze aan de belangen van de burger te voldoen, moeten de lidstaten een geschikt raadplegingsmechanisme opzetten. Een dergelijk mechanisme kan de vorm aannemen van een orgaan dat, onafhankelijk van de nationale regelgevende instantie én van de dienstenleveranciers, onderzoek uitvoert met betrekking tot consumentenkwesties, zoals consumentengedrag en mechanismen voor het veranderen van dienstenleverancier, dat op transparante wijze functioneert en een aanvulling vormt op de bestaande mechanismen voor raadpleging van de belanghebbenden. Bovendien kan een mechanisme worden ingesteld om adequate samenwerking mogelijk te maken inzake kwesties die verband houden met de bevordering van wettelijke inhoud. Samenwerkingsprocedures die op grond van zo’n mechanisme tot stand komen, mogen evenwel geen stelselmatig toezicht op internetgebruik toestaan.

(64)  In geval van een geschil tussen ondernemingen in dezelfde lidstaat op een gebied dat onder deze richtlijn valt, bijvoorbeeld in verband met toegang en interconnectie of de wijze waarop eindgebruikerslijsten worden overgedragen, moet een benadeelde partij die te goeder trouw heeft onderhandeld, maar geen akkoord heeft kunnen bereiken een beroep kunnen doen op de nationale regelgevende instantie om het geschil te beslechten. De nationale regelgevende instanties moeten in staat zijn de partijen een oplossing op te leggen. Bij het optreden van een nationale regelgevende instantie in het beslechten van geschillen tussen aanbieders van elektronische-communicatienetwerken of -diensten in een lidstaat, moet gezorgd worden voor overeenstemming met de verplichtingen krachtens deze richtlijn.

(65)  Naast het recht van beroep waarin de nationale of de Uniewetgeving voorziet, bestaat er behoefte aan een eenvoudige procedure die op verzoek van elke partij bij het geschil op gang kan worden gebracht, om grensoverschrijdende geschillen te beslechten tussen ondernemingen die elektronische-communicatienetwerken of -diensten in verschillende lidstaten aanbieden of daartoe gemachtigd zijn.

(66)  Een belangrijke taak van Berec is in voorkomend geval besluiten vast te stellen in verband met grensoverschrijdende geschillen. De nationale regelgevende instanties moeten in die gevallen bij het opleggen van verplichtingen aan een onderneming of de beslechting van geschillen de besluiten van Berec dan ook volledig ten uitvoer leggen.

(67)  Een gebrek aan coördinatie tussen lidstaten met betrekking tot hun benaderingen bij de toewijzing van radiospectrum en het verlenen van vergunningen voor het gebruik van radiospectrum alsook met betrekking tot grootschalige interferentieproblemen kan een zware impact hebben op de ontwikkeling van de digitale eengemaakte markt. De lidstaten moeten daarom samenwerken en daarbij ten volle gebruikmaken van de goede diensten van de Beleidsgroep Radiospectrum. Daarnaast moet de coördinatie tussen de lidstaten met het oog op het verhelpen van schadelijke interferentie efficiënter worden door een beroep te doen op de Beleidsgroep Radiospectrum teneinde de oplossing van geschillen te bevorderen. Rekening houdend met de specifieke belangen en doelstellingen van de Unie dient een dergelijke geschillenbeslechtingsprocedure op Unieniveau voor grensoverschrijdende problemen tussen lidstaten de voorkeur te krijgen boven geschillenbeslechting conform het internationale recht.

(68)  De Beleidsgroep Radiospectrum is een adviserende groep op hoog niveau van de Commissie en is opgericht bij Besluit 2002/622/EG van de Commissie teneinde bij te dragen tot de ontwikkeling van de interne markt en de ontwikkeling van het radiospectrumbeleid op EU-niveau te ondersteunen, rekening houdend met de economische, politieke, culturele, strategische, gezondheids- en maatschappelijke overwegingen, alsook met de technische parameters. Aan de Beleidsgroep Radiospectrum dienen bij deze richtlijn taken te worden toegewezen met het oog op de versterking van de samenwerking tussen de lidstaten. De groep moet samengesteld zijn uit de hoofden van de instanties die de algemene politieke verantwoordelijkheid dragen voor het strategisch spectrumbeleid. Zij moet de lidstaten en de Commissie bijstaan en advies verlenen met betrekking tot het spectrumbeleid. Dit moet de zichtbaarheid van het spectrumbeleid in de verschillende EU-beleidsterreinen bevorderen en de sectoroverschrijdende consistentie op nationaal en EU-niveau helpen waarborgen. Op hun verzoek verleent de groep ook advies aan het Europees Parlement en de Raad. Voorts moet de Beleidsgroep Radiospectrum het forum vormen voor de coördinatie tussen de lidstaten bij de naleving van hun verplichtingen op grond van deze richtlijn op het gebied van het radiospectrum en een centrale rol spelen op gebieden die essentieel zijn voor de interne markt, zoals grensoverschrijdende coördinatie of standaardisering. Er kunnen technische werkgroepen of groepen van deskundigen worden opgericht ter ondersteuning van de plenaire vergadering, waar het strategisch beleid wordt uitgestippeld door hoge vertegenwoordigers van de lidstaten en de Commissie.

(69)  In een concurrerende omgeving dienen nationale regelgevende instanties rekening te houden met de standpunten van belanghebbende partijen, waaronder gebruikers en consumenten, wanneer zaken worden behandeld in verband met eindgebruikersrechten. Buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsprocedures kunnen voor eindgebruikers een snelle en kostenefficiënte manier vormen om hun rechten af te dwingen, met name voor consumenten en micro- en kleine ondernemingen. Voor consumentengeschillen zijn reeds doelmatige, niet-discriminerende en goedkope procedures voor het behandelen van geschillen met aanbieders van openbare elektronische- communicatiediensten ingesteld bij Richtlijn 2013/11/EU van het Europees Parlement en de Raad(21), voor zover het om relevante contractuele geschillen gaat, de betrokken consument in de Unie woont en de onderneming in de Unie is gevestigd. Aangezien talrijke lidstaten geschillenbeslechtingsprocedures hebben opgezet voor andere eindgebruikers dan consumenten, waarop Richtlijn 2013/11/EU niet van toepassing is, is het redelijk de sectorspecifieke geschillenbeslechtingsprocedure voor zowel consumenten als, ingeval de lidstaten in die uitbreiding voorzien, voor andere eindgebruikers, met name micro- en kleine ondernemingen te handhaven. Consumenten moeten, indien zij dit wensen, altijd de kans krijgen hun geschillen met aanbieders van elektronische-communicatienetwerken en -diensten te beslechten via een sectorspecifieke geschillenbeslechtingsprocedure. In het licht van de grote sectorale deskundigheid van de nationale regelgevende instanties, moeten de lidstaten de nationale regelgevende instanties de mogelijkheid bieden op te treden als geschillenbeslechtingsorgaan, zij het via een afzonderlijk orgaan binnen de instantie, waaraan geen instructies kunnen worden gegeven. Geschillenbeslechtingsprocedures op grond van deze richtlijn waarbij consumenten zijn betrokken, moeten duidelijk en doeltreffend zijn en voldoen aan de kwaliteitsvereisten van hoofdstuk II van Richtlijn 2013/11/EU.

(70)   De bevoegde instanties moeten de naleving van de voorwaarden van de algemene machtiging en van het gebruiksrecht kunnen monitoren en waarborgen, en er in het bijzonder voor zorgen dat het spectrum effectief en efficiënt worden gebruikt en dat de verplichtingen inzake dekking en kwaliteit van de dienstverlening worden nageleefd, door financiële sancties of administratieve sancties op te leggen, waaronder verboden of de intrekking van gebruiksrechten, wanneer deze voorwaarden niet worden nageleefd. Ondernemingen moeten de bevoegde instanties zo nauwkeurig en volledig mogelijke informatie verstrekken om hen in staat te stellen hun toezichthoudende taken te vervullen. Om te voorkomen dat belemmeringen voor de toegang tot de markt ontstaan, met name het achterhouden van frequenties, moet de handhaving van de aan de spectrumrechten gekoppelde voorwaarden door de lidstaten worden verbeterd en moeten alle bevoegde instanties, naast de regelgevende nationale instanties, daaraan meewerken. Als maatregel tegen langdurige rechten moet een "gebruiken of verliezen"-oplossing worden opgenomen in de handhavingsvoorwaarden. Daartoe moeten het verhandelen of leasen van spectrum worden overwogen als modaliteiten die het effectief gebruik door de oorspronkelijke houder waarborgen. Om rechtszekerheid te bieden ten aanzien van mogelijke sancties vanwege het niet gebruik van spectrum, kunnen vooraf gebruiksdrempels worden vastgesteld in termen van spectrumtijd, -kwantiteit of -identiteit.

(70 bis)  Met betrekking tot de verlening van rechten voor het gebruik van radiospectrum voor 25 jaar of langer moeten voorwaarden gelden die erop zijn gericht te waarborgen dat doelstellingen van algemeen belang, zoals efficiënt en doeltreffend gebruik en overwegingen in verband met openbare orde, veiligheid en defensie, worden gehandhaafd. Dergelijke gebruiksrechten moeten daarom na niet meer dan tien jaar worden onderworpen aan een tussentijdse evaluatie.

(71)  De voorwaarden die aan algemene machtigingen en aan individuele gebruiksrechten kunnen worden verbonden moeten beperkt blijven tot wat strikt noodzakelijk is om de naleving van de voorwaarden en verplichtingen krachtens het nationaal recht overeenkomstig de Uniewetgeving, te verzekeren.

(72)  Elke partij die voorwerp is van een besluit van een bevoegde instantie moet het recht hebben in beroep te gaan bij een lichaam dat onafhankelijk is van de betrokken partijen, en dat niet is blootgesteld aan externe beïnvloeding of politieke druk die zijn onafhankelijkheid bij de beoordeling van de hem voorgelegde kwesties zou kunnen aantasten Dat lichaam kan bijvoorbeeld een rechtbank zijn. Voorts moet iedere onderneming die van mening is dat haar verzoeken om het verlenen van de rechten voor het installeren van faciliteiten niet in overeenstemming met de in deze richtlijn vervatte beginselen worden behandeld, het recht hebben om tegen dergelijke besluiten in beroep te gaan. Die beroepsprocedure mag geen afbreuk doen aan de bevoegdheidsverdeling binnen nationale rechtsstelsels of de rechten van rechtspersonen of natuurlijke personen uit hoofde van het nationale recht. De lidstaten dienen te voorzien in daadwerkelijke beroepsmogelijkheden tegen dergelijke besluiten.

(73)  Om de marktdeelnemers rechtszekerheid te bieden, moeten de beroepsinstanties hun taken effectief uitoefenen; met name moet de beroepsprocedure niet al te lang zijn. Voorlopige maatregelen die de gevolgen van het besluit van een bevoegde instantie schorsen, dienen alleen in dringende gevallen te worden verleend om te voorkomen dat de partij die om dergelijke maatregelen verzoekt ernstige en onherstelbare schade wordt toegebracht en indien dit noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van een belangenevenwicht.

(74)  De manier waarop beroepsinstanties voorlopige maatregelen hebben toegepast om besluiten van de nationale regelgevende instanties te schorsen, loopt nogal uiteen. Om de verschillende benaderingen meer op elkaar af te stemmen moet een gemeenschappelijke norm worden gehanteerd die in overeenstemming is met de Unierechtspraak. De beroepsinstanties moeten ook gerechtigd zijn beschikbare gegevens die door Berec zijn bekendgemaakt op te vragen. Aangezien de beroepsprocedure voor de algemene werking van het regelgevingskader van belang is, zou er een mechanisme moeten komen dat de informatie over beroepsprocedures en besluiten tot schorsing van besluiten van de bevoegde instanties in alle lidstaten verzamelt en tevens over die informatie aan de Commissie en Berec verslag uitbrengt. Dat mechanisme moet ervoor zorgen dat de Commissie of Berec besluiten of rechtspraak van de lidstaten kunnen opzoeken met het oog op de ontwikkeling van een databank.

(74 bis)  De transparantie met betrekking tot de toepassing van het Uniemechanisme voor consolidering van de interne markt voor elektronische communicatie moet in het belang van burgers en belanghebbenden worden vergroot, teneinde de betrokken partijen in staat te stellen hun eigen opvattingen kenbaar te maken, onder meer door nationale regelgevende instanties te verplichten om ontwerpmaatregelen bekend te maken op hetzelfde moment dat zij hiervan kennisgeving doen aan de Commissie en Berec, en aan de nationale regelgevende instanties in andere lidstaten. Zulke ontwerpmaatregelen moeten onderbouwd zijn en een gedetailleerde analyse omvatten.

(75)  De Commissie moet de mogelijkheid hebben om rekening houdend met het advies van Berec van een nationale regelgevende instantie te verlangen dat zij haar ontwerpmaatregel intrekt, indien het de definitie betreft van relevante markten of het al dan niet aanwijzen van ondernemingen met aanzienlijke marktmacht, en indien dergelijke besluiten een belemmering zouden opwerpen voor de interne markt, of onverenigbaar zouden zijn met de Uniewetgeving, en in het bijzonder met de beleidsdoelstellingen waardoor de nationale regelgevende instanties zich moeten laten leiden. Deze procedure doet geen afbreuk aan de kennisgevingsprocedure van Richtlijn 2015/1535/EU en de voorrechten van de Commissie uit hoofde van het Verdrag wat betreft inbreuken op de Uniewetgeving.

(76)  De nationale raadpleging op grond van artikel 24 dient te worden uitgevoerd vóór de raadpleging van de Uniewetgeving op grond van de artikelen 34 en 35 van deze richtlijn zodat bij de Unieraadpleging met de standpunten van de belanghebbende partijen rekening kan worden gehouden. Dit zou een tweede raadpleging conform de Uniewetgeving in geval van wijzigingen van een geplande maatregel als gevolg van de nationale raadpleging overbodig maken.

(77)  Het is van belang dat het regelgevingskader tijdig wordt uitgevoerd. Wanneer de Commissie heeft besloten dat een nationale regelgevende instantie een geplande maatregel moet intrekken, zou deze instantie een herziene versie moeten indienen. Voor de kennisgeving van de herziene maatregel aan de Commissie op grond van Artikel 34 moet met het oog op de rechtszekerheid een termijn moeten worden vastgesteld zodat de marktdeelnemers op de hoogte zijn van de duur van de marktherziening.

(78)  Het Uniemechanisme waarmee de Commissie de nationale regelgevende instanties ertoe kan brengen geplande maatregelen met betrekking tot de marktdefinitie en het aanwijzen van exploitanten met aanmerkelijke macht op de markt in te trekken, heeft in belangrijke mate bijgedragen tot een samenhangende aanpak om vast te stellen onder welke omstandigheden ex-anteregelgeving kan worden toegepast en voor welke exploitanten zij geldt. Uit ervaringen met de procedures op grond van artikel 7 en 7 bis van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) is gebleken dat de nationale regelgevende instanties bij gelijke marktomstandigheden de oplossingen op zeer uiteenlopende manieren toepassen, waardoor de interne markt in elektronische communicatie kan worden ondermijnd. De Commissie en Berec zouden derhalve, binnen de grenzen van hun respectieve verantwoordelijkheden, moeten bijdragen tot het waarborgen van een hoger niveau van samenhang in de toepassing van de oplossingen betreffende de door de nationale regelgevende instanties voorgestelde ontwerpmaatregelen. Wanneer Berec de bezwaren van de Commissie bovendien deelt, zou de Commissie een nationale regelgevende instantie moeten kunnen verplichten een ontwerpmaatregel in te trekken. Om te profiteren van de deskundigheid van de nationale regelgevende instanties inzake de marktanalyse, dient de Commissie, alvorens besluiten te nemen en/of aanbevelingen te doen, bij Berec te rade te gaan.

(79)  Gezien de korte termijnen in het raadplegingsmechanisme van de Unie dient de Commissie de bevoegdheid te worden gegeven om aanbevelingen en/of richtsnoeren vast te stellen ter vereenvoudiging van de procedures voor de uitwisseling van informatie tussen de Commissie en de nationale regelgevende instanties — bijvoorbeeld in gevallen die betrekking hebben op stabiele markten of die alleen geringe wijzigingen inhouden van maatregelen waarvan al eerder kennisgeving is gedaan — of om de invoering mogelijk te maken van een vrijstelling van kennisgeving om procedures in bepaalde gevallen te stroomlijnen.

(80)  Nationale regelgevende instanties werken op transparante wijze samen met elkaar, met Berec en met de Commissie om te zorgen voor de consequente toepassing in alle lidstaten van de bepalingen van deze richtlijn .

(81)  De vrijheid om zelf te besluiten hoe het regelgevingskader moet worden uitgevoerd moet wel verenigbaar zijn met de ontwikkeling van consequente regelgevingspraktijken en een consequente toepassing van het regelgevingskader om doeltreffend bij te dragen tot de ontwikkeling en voltooiing van de interne markt. De nationale regelgevende instanties zouden derhalve hun steun moeten verlenen aan de interne marktactiviteiten van de Commissie en aan die van Berec.

(82)  Maatregelen die van invloed kunnen zijn op de handel tussen de lidstaten zijn maatregelen die direct of indirect, feitelijk of in potentie, van invloed kunnen zijn op het handelspatroon tussen de lidstaten op een wijze die een belemmering kan vormen voor de interne markt. Het gaat om maatregelen die van aanzienlijke invloed zijn op aanbieders of gebruikers in andere lidstaten, waarbij het onder meer kan gaan om: maatregelen die de prijzen voor gebruikers in andere lidstaten beïnvloeden; maatregelen die gevolgen hebben voor de mogelijkheid van een onderneming in een andere lidstaat om een elektronische communicatiedienst te verlenen, in het bijzonder maatregelen die gevolgen hebben voor de mogelijkheid diensten te verlenen op transnationale basis; en maatregelen die gevolgen hebben voor de marktstructuur of de toegang tot de markt, met nadelige gevolgen voor ondernemingen in andere lidstaten.

(83)  Bij de evaluatie van de werking van deze richtlijn beoordeelt de Commissie of er, gelet op de ontwikkelingen op de markt en zowel met betrekking tot de mededinging als tot de consumentenbescherming, nog steeds behoefte is aan de bepalingen betreffende sectorspecifieke regulering ex-ante dan wel of deze bepalingen moeten worden gewijzigd of ingetrokken.

(84)  Gelet op hun algemene economische deskundigheid en marktkennis, op de objectieve en technische aard van hun beoordelingen en teneinde de consistentie met hun andere marktreguleringstaken te waarborgen, moeten de nationale regelgevende instanties bepalen welke de onderdelen van de selectieprocedures zijn en welke aan rechten voor het gebruik van spectrum gekoppelde voorwaarden de grootste impact hebben op de marktomstandigheden en de concurrentie, m.i.v. de voorwaarden voor toegang en uitbreiding. Het gaat bijvoorbeeld om parameters voor de economische waardering van spectrum overeenkomstig deze richtlijn, het specificeren van regelgevende en marktvormingsmaatregelen, zoals het gebruik van spectrumgrenzen, het reserveren van spectrum of het opleggen van verplichtingen inzake wholesaletoegang, of de middelen om de aan de gebruiksrechten gekoppelde dekkingsvoorwaarden te definiëren. De convergentie tussen het gebruik en de definitie van die elementen zou worden versterkt door een coördinatiemechanisme waarbij Berec, de Commissie en de nationale regelgevende instanies van de andere lidstaten ontwerp maatregelen zouden onderzoeken voor de toekenning van gebruiksrechten door een bepaalde lidstaat en tegelijk met de binnenlandse openbare raadpleging. Een door een nationale regelgevende instantie vastgestelde maatregel moet onderdeel zijn van een bredere nationale maatregel in verband met de toekenning, de handel, het leasen, de looptijd, de vernieuwing of de wijziging van rechten voor het gebruik van radiospectrum en van de selectieprocedure of de aan de gebruiksrechten gekoppelde voorwaarden. Bij de kennisgeving van een ontwerpmaatregel kunnen nationale regelgevende instanties informatie verstrekken over andere nationale ontwerpmaatregelen in verband met de relevante selectieprocedure voor de toekenning van rechten voor het gebruik van radiospectrum, die niet onder het mechanisme voor intercollegiale toetsing vallen.

(85)  Wanneer de geharmoniseerde toewijzing van radiofrequenties aan bepaalde ondernemingen op Europees niveau is overeengekomen, dienen de lidstaten dergelijke overeenkomsten strikt toe te passen bij het verlenen van gebruiksrechten voor radiofrequenties van het nationale frequentieplan.

(86)  De lidstaten moeten bij de toekenning van gebruiksrechten waarbij het verwachte gebruik ook grensoverschrijdende situaties omvat, worden aangemoedigd om te kiezen voor gezamenlijke machtigingen.

(87)  Besluiten van de Commissie krachtens artikel 38, lid 1) dienen beperkt te zijn tot regelgevende beginselen, benaderingen en methoden. Om twijfel te voorkomen, dienen deze geen details voor te schrijven die normaliter de nationale omstandigheden moeten weerspiegelen, en geen alternatieve benaderingen te verbieden waarvan redelijkerwijs mag worden verwacht dat deze dezelfde uitwerking hebben. Zulke besluiten moeten evenredig zijn en mogen geen invloed hebben op de besluiten van de nationale regelgevende instanties die geen belemmering voor de interne markt opwerpen.

(88)  De Unie en de lidstaten zijn in de Wereldhandelsorganisatie verplichtingen aangegaan met betrekking tot normen en het regelgevingskader voor telecommunicatienetwerken en -diensten.

(89)  Normalisatie moet in de eerste plaats een door de markt gestuurd proces blijven. Er kunnen zich echter nog steeds situaties voordoen waarin het wenselijk is dat op Unieniveau bepaalde normen worden opgelegd om interoperabiliteit en de keuzevrijheid van de gebruikers op de interne markt te verbeteren, en interconnectiviteit op de interne markt aan te moedigen. Op nationaal niveau dienen de lidstaten Richtlijn 2015/1535/EU na te komen. De normalisatieprocedures volgens deze richtlijn hebben geen gevolgen voor Richtlijn 2014/53/EU betreffende radioapparatuur, de laagspanningsrichtlijn (2014/35/EU) en de richtlijn elektromagnetische compatibiliteit (2014/30/EU).

(90)  Aanbieders van openbare elektronische-communicatienetwerken en/of openbare elektronische-communicatiediensten, moeten verplicht worden de veiligheid van hun netwerken en/of diensten te waarborgen, en de impact van veiligheidsincidenten, inclusief incidenten die worden veroorzaakt door het kapen van apparaten. tot een minimum te beperken. Gezien de stand van de techniek, moeten die maatregelen een veiligheidsniveau van de netwerken en diensten waarborgen dat is afgestemd op de risico’s die zich voordoen. Bij die veiligheidsmaatregelen moet minstens rekening worden gehouden met alle relevante aspecten van de volgende elementen: met betrekking tot de beveiliging van systemen en voorzieningen: fysieke en omgevingsbeveiliging, bevoorradingszekerheid, controle op de toegang tot netwerken en integriteit van netwerken; met betrekking tot incidentbeheer: procedures voor incidentbeheer, capaciteit voor incidentdetectie, incidentrapportage en -communicatie; met betrekking tot het beheer van de bedrijfscontinuïteit: strategie inzake continuïteit van de dienstverlening en rampenplannen, uitwijkcapaciteiten; en op het gebied van toezicht, controle en testen: toezicht- en registratiebeleid, oefenen rampenplannen, testen van de netwerken en diensten, beoordelingen van de beveiliging en toezicht op de conformiteit en naleving van internationale normen.

(91)  Gezien het toenemende belang van nummeronafhankelijke persoonlijke communicatiediensten, moet ervoor worden gezorgd dat ook voor die diensten passende veiligheidsvoorschriften gelden overeenkomstig hun specifieke aard en economisch belang. Aanbieders van dergelijke diensten moeten een veiligheidsniveau waarborgen dat is afgestemd op de risico’s waaraan de door hen aangeboden elektronische-communicatiediensten zijn blootgesteld. Aangezien de overbrenging van signalen over het netwerk bij nummeronafhankelijke persoonlijke communicatiediensten doorgaans niet door de aanbieders van die diensten zelf wordt beheerd, kan het risiconiveau van dergelijke diensten op bepaalde gebieden lager worden geacht dan bij traditionele elektronische-communicatiediensten. Derhalve moeten voor nummeronafhankelijke persoonlijke communicatiediensten lichtere veiligheidsvoorschriften gelden indien gerechtvaardigd op basis van een reële beoordeling van de betrokken veiligheidsrisico’s. In die context moeten de aanbieders kunnen beslissen over de maatregelen die zij passend achten voor het beheer van de risico’s voor de veiligheid van hun diensten. Dezelfde aanpak moet mutatis mutandis worden toegepast op internationale communicatiediensten waarbij gebruik wordt gemaakt van nummers en die niet instaan voor het feitelijk beheer van de overbrenging van signalen.

(91 bis)  Aanbieders van openbare communicatienetwerken of van openbare elektronische-communicatiediensten moeten gebruikers op de hoogte brengen van de maatregelen die zij kunnen treffen om de veiligheid van hun communicatie te beschermen, bijvoorbeeld door gebruik te maken van specifieke soorten software of encryptietechnologieën. Het voorschrift dat gebruikers in kennis moeten worden gesteld van bijzondere veiligheidsrisico's ontheft de aanbieder niet van de verplichting om op eigen kosten onmiddellijk passende maatregelen te nemen om te trachten nieuwe onvoorziene veiligheidsrisico's te vermijden en het gebruikelijke beveiligingsniveau van de dienst te herstellen. Het verstrekken van informatie over veiligheidsrisico's aan de abonnee dient kosteloos te geschieden.

(91 ter)  Om de veiligheid en integriteit van netwerken en diensten te garanderen, moet het gebruik van eind-tot-eindversleuteling worden bevorderd en, indien nodig, verplicht worden gesteld, in overeenstemming met de beginselen van bescherming en privacy door ontwerp door standaardinstellingen.

(92)  De bevoegde instanties moeten er dan ook voor zorgen dat de integriteit en beschikbaarheid van openbare communicatienetwerken wordt gewaarborgd. Het Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging (ENISA) zou moeten bijdragen tot een betere veiligheid van elektronische communicatie door onder meer lidstaten bij te staan bij het voorkomen en oplossen van mogelijke problemen op de interne markt als gevolg van conflicterende veiligheidsmaatregelen, in nauwe samenwerking met Berec en de Commissie richtsnoeren te verstrekken inzake veiligheidscriteria, expertise en adviezen te verstrekken, en de uitwisseling van beste praktijken te bevorderen. De bevoegde instanties moeten over de nodige middelen beschikken om hun taken te vervullen, met inbegrip van de bevoegdheid om de informatie op te vragen die nodig is voor de beoordeling van de veiligheid van netwerken en diensten. Zij moeten teven de bevoegdheid krijgen om uitgebreide en betrouwbare gegevens op te vragen over feitelijke incidenten op het gebied van de veiligheid die belangrijke gevolgen hebben gehad voor de exploitatie van netwerken of diensten. Waar nodig moeten zij worden bijgestaan door de op grond van artikel 9 van Richtlijn (EU) 2016/1148/EU opgerichte Computer Security Incident Response Teams (CSRIT's)(22). De CSRIT's kunnen met name worden gevraagd om aan de bevoegde instanties informatie te verstrekken over risico's en incidenten die een impact hebben op openbare communicatienetwerken en openbare elektronische-communicatiediensten en aanbevelingen te formuleren om die risico's aan te pakken.

(93)  Wanneer voor het aanbieden van elektronische communicatie een beroep wordt gedaan op openbare middelen waarvan het gebruik een specifieke machtiging vergt, kunnen de lidstaten de instantie die bevoegd is voor de verlening van die machtigingen het recht geven vergoedingen op te leggen om een optimaal gebruik van die middelen te waarborgen overeenkomstig de in deze richtlijn geschetste procedures en conform de rechtspraak van het Hof van Justitie. De lidstaten kunnen geen heffingen of vergoedingen vragen voor het verstrekken van andere netwerken en elektronische-communicatiediensten dan die waarin deze richtlijn voorziet. In dit verband dienen de lidstaten een consistent beleid te voeren bij de vaststelling van die heffingen of vergoedingen teneinde geen buitensporige financiële last te koppelen aan de algemene machtigingsprocedures of gebruiksrechten voor aanbieders van elektronische-communicatienetwerken en -diensten.

(94)  Om een optimaal gebruik van middelen te waarborgen, moeten de vergoedingen een weergave zijn van de economische en financiële situatie op de betrokken markt en van elke andere belangrijke factor die hun waarde bepaalt. Tegelijk moet er bij het bepalen van de vergoedingen ruimte worden gelaten voor innovatie bij het aanbieden van netwerken en diensten en voor concurrentie op de markt. De lidstaten dienen er derhalve voor te zorgen dat de vergoedingen voor gebruiksrechten worden vastgesteld op basis van een mechanisme dat de nodige waarborgen biedt tegen pogingen om de vergoeding kunstmatig op te drijven door winstmaximalisatie, concurrentieverstorende biedingen of vergelijkbare handelingen. Deze richtlijn laat het doel waarvoor de vergoedingen voor het gebruiksrecht en het recht om faciliteiten te installeren worden aangewend, onverlet. Dergelijke vergoedingen kunnen bijvoorbeeld worden gebruikt ter financiering van de werkzaamheden van de nationale regelgevende en bevoegde instanties die niet voldoende uit de administratieve bijdragen kunnen worden gefinancierd. Wanneer bij toepassing van op vergelijkende of op mededinging gebaseerde selectieprocedures vergoedingen voor het gebruik van radiospectrum uitsluitend of gedeeltelijk bestaan uit een eenmalig bedrag, wordt er door middel van passende betalingsregelingen voor gezorgd dat dergelijke vergoedingen in de praktijk niet leiden tot selectie op grond van criteria die niets te maken hebben met de doelstelling optimaal gebruik van radiospectrum te maken. De Commissie kan regelmatig benchmarkstudies en andere richtsnoeren publiceren over de beste praktijken met betrekking tot de toewijzing van radiospectrum, toewijzing van nummers of het verlenen van doorgangsrechten.

(95)  Door ondernemingen te betalen vergoedingen voor rechten voor het gebruik van radiospectrum kunnen van invloed zijn op de beslissingen over de aanvraag van dergelijke rechten en het optimale gebruik van radiospectrum. Teneinde een optimaal, efficiënt gebruik te waarborgen moeten de lidstaten er derhalve bij de vaststelling van reserveringsprijzen voor zorgen dat zij een weergave zijn van het alternatieve gebruik dat van radiospectrum wordt gemaakt en van de extra kosten voor de naleving van de aan de machtigingsvoorwaarden gekoppelde voorwaarden in het kader van beleidsdoelstellingen die in normale commerciële omstandigheden niet zouden worden verwezenlijkt, zoals voorwaarden inzake territoriale dekking.

(96)  Een optimaal gebruik van het radiospectrum wordt bepaald door de beschikbaarheid van degelijke netwerken en faciliteiten. In dat verband moet er bij de vergoedingen voor het gebruik van radiospectrum en de rechten voor de installatie van faciliteiten naar worden gestreefd de voortdurende ontwikkeling van de infrastructuur te faciliteren om tot een zo efficiënt mogelijk gebruik van de beschikbare middelen te komen. De lidstaten moeten derhalve modaliteiten vaststellen voor de betaling van de vergoedingen voor de rechten voor het gebruik van het radiospectrum, gekoppeld aan de reële beschikbaarheid van middelen en op dusdanige wijze dat de nodige investeringen in die ontwikkeling worden gefaciliteerd. De modaliteiten moeten op objectieve, transparante, evenredige en niet-discriminerende wijze worden gespecificeerd alvorens de procedures voor de toekenning van rechten voor spectrumgebruik worden geopend, en de vergoedingen moeten duidelijk worden gedefinieerd.

(97)   Er dient zorg voor te worden gedragen dat er procedures bestaan voor de verlening van faciliteiteninstallatie-rechten, die snel, niet-discriminerend en transparant zijn, teneinde de voorwaarden voor eerlijke en daadwerkelijke mededinging te waarborgen. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de nationale bepalingen betreffende onteigening en het gebruik van eigendom, de normale uitoefening van eigendomsrechten, het normale gebruik van de openbare ruimte of het beginsel van neutraliteit met betrekking tot de regels in de lidstaten die de regeling van het eigendomsrecht beheersen.

(98)  Vergunningen die zijn afgegeven aan aanbieders van elektronische-communicatienetwerken en -diensten zodat zij toegang krijgen tot openbaar of particuliere eigendom zijn fundamentele factoren bij het opzetten van elektronische-communicatienetwerken of nieuwe netwerkelementen. Onnodige complexiteit en vertraging bij de procedures voor het verlenen van toegangsrechten kunnen derhalve belangrijke obstakels vormen voor de ontwikkeling van concurrentie. Erkende ondernemingen zouden op eenvoudige wijze toegangsrechten moeten kunnen verwerven. Nationale regelgevende instanties zouden het verwerven van toegangsrechten moeten kunnen coördineren, en relevante informatie toegankelijk moeten maken op hun websites.

(99)  Het is noodzakelijk de bevoegdheden van lidstaten ten aanzien van de houders van toegangsrechten te versterken, om te zorgen voor een eerlijke, efficiënte en milieuverantwoorde invoering dan wel aanleg van een nieuw netwerk, ongeacht eventuele verplichtingen voor een exploitant met aanmerkelijke macht op de markt om toegang te verlenen tot zijn elektronische-communicatienetwerk. Een verbetering van het gezamenlijk gebruik van faciliteiten kan de milieukosten die de invoering van elektronischecommunicatie-infrastructuur met zich meebrengt, sterk verlagen en bijdragen tot de volksgezondheid en de openbare veiligheid alsmede tot stedenbouwkundige en planologische doelstellingen. De bevoegde instanties moeten over de bevoegdheid beschikken om ondernemingen die hebben geprofiteerd van rechten om faciliteiten te installeren op, over of onder openbaar of particulier eigendom, voor te schrijven dergelijke faciliteiten of eigendom te delen (met inbegrip van fysieke collocatie), zulks na een passende periode van openbare raadpleging waarin alle belanghebbende partijen in staat moeten zijn gesteld hun standpunt naar voren te brengen , in de specifieke gebieden waarin dergelijke redenen van algemeen belang aanleiding geven tot dergelijk gedeeld gebruik. Dat kan het geval zijn wanneer bijvoorbeeld ondergronds sprake is van ernstige congestie of wanneer er een natuurlijke barrière moet worden gepasseerd. De bevoegde instanties zouden met name het gedeeld gebruik van netwerkelementen en bijbehorende faciliteiten zoals kabelgoten, kabelbuizen, masten, mangaten, straatkasten, antennes, torens en andere ondersteunende constructies, gebouwen of toegangen tot gebouwen, en een betere coördinatie van civiele werken moeten kunnen opleggen om redenen op het vlak van het milieu of andere redenen van openbare orde. Het vastleggen van een omslagregeling voor de kosten van het gedeeld gebruik van faciliteiten of eigendom is daarentegen een taak van de nationale regelgevende instanties, waarmee zij zorgen voor een passende verdeling van de beloning voor risico's tussen de betrokken ondernemingen Gezien de verplichtingen in het kader van Richtlijn 2014/61/EU, moeten de bevoegde autoriteiten, met name de plaatselijke autoriteiten, tevens, in samenwerking met de nationale regelgevende instanties, passende coördinatieprocedures met betrekking tot openbare werken en andere passende openbare faciliteiten of eigendom vaststellen, die procedures kunnen omvatten waardoor gewaarborgd wordt dat belanghebbende partijen over informatie betreffende passende openbare faciliteiten of eigendom en lopende en voorgenomen openbare werken beschikken, dat zij tijdig over dergelijke werken worden geïnformeerd en dat gedeeld gebruik zoveel mogelijk wordt vergemakkelijkt.

(100)  Wanneer van exploitanten van mobiele netwerken om milieuredenen wordt geëist dat zij torens of masten delen, kan dit verplichte gedeelde gebruik om redenen van de volksgezondheid leiden tot een verlaging van de voor elke exploitant toegestane maximale transmissievermogensniveaus, wat er weer toe kan leiden dat de exploitanten meer transmissiestations moeten installeren om te zorgen voor nationale dekking. De bevoegde autoriteiten moeten ernaar streven een evenwicht te vinden tussen overwegingen op het vlak van het milieu en van volksgezondheid, zoveel mogelijk rekening houdend met de voorzorgsbenadering van Aanbeveling 1999/519/EG van de Raad.

(101)  Radiospectrum is een schaars openbaar bezit met een belangrijke publieke en marktwaarde. Het is een essentiële voorwaarde voor elektronische-communicatie netwerken en - diensten die op radioverbindingen zijn gebaseerd en dient dan ook, voor zover het betrekking heeft op deze netwerken en diensten, door de nationale regelgevende instanties op efficiënte wijze te worden ingedeeld en toegewezen volgens een verzameling geharmoniseerde doelstellingen en beginselen waarop deze hun optreden steunen, en volgens objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria, een en ander met inachtneming van de democratische, sociale, taalkundige en culturele belangen die een rol spelen bij het gebruik van frequenties. Beschikking nr. 676/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een regelgevingskader voor het radiospectrumbeleid in de Europese Gemeenschap (Radiospectrumbeschikking)(23) legt een kader vast voor de harmonisatie van het radiospectrum.

(102)  De activiteiten in de Unie in verband met het radiospectrumbeleid doen geen afbreuk aan op het niveau van de Unie of nationaal niveau in overeenstemming met het Unierecht genomen maatregelen om doelstellingen van algemeen belang na te streven, in het bijzonder met betrekking tot inhoudsregulering en audiovisueel en mediabeleid, en het recht van de lidstaten om hun radiospectrum te gebruiken en te organiseren met het oog op de openbare orde, de openbare veiligheid en defensie. Aangezien het gebruik van spectrum voor militaire doeleinden en andere doeleinden op het vlak van de nationale openbare veiligheid invloed heeft op de beschikbaarheid van spectrum voor de interne markt, moet bij het beleid inzake radiospectrum rekening worden gehouden met alle sectoren en aspecten van de EU-beleidsterreinen en moeten de respectievelijk behoeften daarvan in evenwicht worden gebracht, met inachtneming van de rechten van de lidstaten.

(103)  Het waarborgen van een zo ruim mogelijke dekking door netwerken met de hoogste capaciteit in elke lidstaat is essentieel voor de economische en sociale ontwikkeling, de participatie in het openbare leven en sociale en territoriale cohesie. Aangezien het gebruik van elektronische communicatie een integraal onderdeel van de Europese maatschappij en welvaart wordt, moet EU-brede dekking voor nagenoeg 100 procent van de burgers van de Unie tot stand worden gebracht doordat de lidstaten passende vereisten inzake dekking invoeren die aangepast moeten zijn aan elk betrokken gebied en beperkt moeten blijven tot een evenredige belasting, zodat de implementatie door aanbieders van diensten niet wordt belemmerd. De naadloze dekking van het grondgebied moet maximaal en betrouwbaar zijn, teneinde diensten en toepassingen, zoals "connected" auto's en e-gezondheid, te bevorderen. De toepassing van dekkingsverplichtingen door de bevoegde instanties moet daarom op EU-niveau worden gecoördineerd. Rekening houdend met nationale bijzonderheden, dient deze coördinatie te worden beperkt tot algemene criteria voor de vaststelling en meting van dekkingsverplichtingen, zoals de bevolkingsdichtheid of topografische en topologische kenmerken.

(104)  De noodzaak om te waarborgen dat de burgers niet zodanig worden blootgesteld aan elektromagnetische velden dat het schadelijk is voor de volksgezondheid vergt een consistente benadering in de hele Unie, waarbij zoveel mogelijk rekening moet worden gehouden met de voorzorgsbenadering van Aanbeveling 1999/519/EG van de Raad(24), waardoor consistente implementatievoorwaarden worden gecreëerd. Met betrekking tot netwerken met een zeer hoge capaciteit dienen de lidstaten waar nodig de procedure van Richtlijn 2015/1535 toe te passen, ook om voor transparantie voor de belanghebbenden te zorgen en andere lidstaten en de Commissie in de gelegenheid te stellen om te reageren.

(105)  De harmonisering en coördinatie van spectrum en de regulering inzake apparatuur, gesteund door normalisatie, vullen elkaar aan en moeten zorgvuldig worden gecoördineerd, zodat de gemeenschappelijke doelstellingen worden behaald, met ondersteuning van de Beleidsgroep Radiospectrum. Coördinatie tussen de in het kader van de Radiospectrumbeschikking aan CEPT verstrekte mandaten betreffende inhoud en tijdschema’s en aan normalisatieorganisaties, zoals het Europees Instituut voor telecommunicatienormen, gerichte verzoeken betreffende normalisatie, onder meer wat betreft parameters voor radio-ontvangers, moet ervoor zorgen dat de invoering van toekomstige systemen wordt vergemakkelijkt, mogelijkheden voor het gedeeld gebruik van spectrum tot stand worden gebracht en een efficiënt beheer van spectrum wordt gewaarborgd. Normen, specificaties of aanbevelingen betreffende vaste of mobiele netwerkelementen en bijbehorende faciliteiten moeten waar mogelijk rekening houden met toegangsverplichtingen die mogelijk uit hoofde van deze richtlijn moeten worden opgelegd.

(106)  De vraag naar geharmoniseerd radiospectrum is niet uniform in alle delen van de Unie. Indien er op regionaal of nationaal niveau geen vraag is naar een geharmoniseerde band kunnen de lidstaten bij wijze van uitzondering in staat worden gesteld een alternatief gebruik van de band toe te staan, zo lang de vraag uitblijft en op voorwaarde dat het alternatieve gebruik geen afbreuk doet aan het geharmoniseerde gebruik van de desbetreffende band door andere lidstaten, en het alternatieve gebruik wordt stopgezet wanneer zich vraag naar geharmoniseerd gebruik voordoet.

(107)  Flexibiliteit bij het beheer van spectrum en toegang tot spectrum is tot stand gebracht door middel van technologie- en dienstenneutrale machtigingen om spectrumgebruikers zelf de beste technologieën en diensten te laten kiezen die zij willen toepassen in frequentiebanden die beschikbaar zijn verklaard voor elektronische-communicatiediensten in de betreffende nationale frequentieallocatieplannen in overeenstemming met het Unierecht ("beginselen van technologie en dienstenneutraliteit"). Technologieën en diensten zouden alleen administratief mogen worden vastgesteld wanneer er doelstellingen van algemeen belang in het geding zijn en moeten naar behoren worden gemotiveerd en periodiek opnieuw worden onderzocht.

(108)  Beperkingen van het beginsel van technologieneutraliteit moeten passend zijn, en mogen alleen mogelijk zijn om schadelijke interferentie te voorkomen, bijvoorbeeld door zendmaskers en limieten voor het zendvermogen op te leggen, om te zorgen voor bescherming van de volksgezondheid door de blootstelling van het publiek aan elektromagnetische velden te beperken, om de goede werking van diensten te waarborgen door een toereikende technische kwaliteit van de dienst, om een correct gezamenlijk gebruik van het spectrum mogelijk te maken, met name wanneer het gebruik daarvan alleen is onderworpen aan algemene machtigingen, om het efficiënte gebruik van het spectrum te vrijwaren, of om een doelstelling van algemeen belang na te streven in overeenstemming met het Unierecht.

(109)  Spectrumgebruikers zouden vrij moeten kunnen bepalen welke diensten zij via het spectrum willen aanbieden. Mits deze noodzakelijk en evenredig zijn moeten aan de andere kant maatregelen mogelijk zijn indien het gaat om een specifieke dienst die duidelijke doeleinden van algemeen belang dient, zoals de veiligheid van het menselijk leven, de noodzaak om de sociale, regionale en territoriale samenhang te bevorderen of het vermijden van een ondoelmatig gebruik van het spectrum. Deze doelstellingen zouden ook de bevordering van culturele en taalkundige diversiteit moeten omvatten, alsook pluralisme van de media zoals gedefinieerd door de lidstaten in overeenstemming met het Unierecht . Behalve wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van het menselijk leven te beschermen of, in uitzonderingsgevallen, om andere doelstellingen van algemeen belang zoals door de lidstaten in overeenstemming met het Unierecht gedefinieerd te verwezenlijken, zouden maatregelen niet mogen leiden tot exclusief gebruik voor bepaalde diensten maar veeleer aan de betrokken dienst voorrang moeten verlenen zodat dezelfde band tegelijk zoveel mogelijk door andere diensten of technologieën kan worden benut. De lidstaten zijn bevoegd de draagwijdte en de aard te definiëren van eventuele uitzonderingen wat betreft het bevorderen van culturele en taalkundige diversiteit en pluralisme van de media.

(110)  Omdat de toewijzing van spectrum aan specifieke technologieën of diensten een uitzondering vormt wat betreft de beginselen van technologie- en dienstenneutraliteit en de regel dat aanbieders zelf de dienst die wordt verschaft of de technologie die wordt gebruikt kunnen kiezen, zou een voorstel voor een dergelijke toewijzing transparant moeten zijn en aan een openbare raadpleging moeten worden onderworpen.

(111)  Wanneer de lidstaten in uitzonderlijke gevallen besluiten om de vrijheid van aanbieding van elektronische-communicatienetwerken en -diensten om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid in te perken, moeten zij uiteenzetten wat de redenen voor deze inperking zijn.

(112)  Radiospectrum zou zodanig moeten worden beheerd dat schadelijke interferentie wordt vermeden. Om dergelijke interferentie te voorkomen en ervoor te zorgen dat regelgevingsinterventie tot het hoognodige wordt beperkt zou het basisconcept van schadelijke interferentie dan ook naar behoren moeten worden gedefinieerd, ook rekening houdend met het feit dat in netwerkapparatuur en eindgebruikersapparatuur technologieën met betrekking tot de bestendigheid van ontvangers moeten worden geïntegreerd. In het radioreglement van de ITU wordt schadelijke interferentie onder meer gedefinieerd als iedere interferentie die een gevaar vormt voor de functionering van veiligheidsdiensten, die op hun beurt worden gedefinieerd als radiocommunicatiediensten die permanent of tijdelijk worden gebruikt voor de bescherming van mensenlevens of bezittingen; met het oog op de bescherming van mensenlevens en bezittingen moet schadelijke interferentie daarom in het bijzonder worden vermeden in kritieke situaties waarbij de functionering van een veiligheidsdienst in gevaar wordt gebracht. Aangezien het hier, volgens de definitie van de ITU ook radiodeterminatie betreft, dat van essentieel belang is voor vervoer en navigatie, moeten hieronder alle aspecten vallen die van kritiek belang zijn voor de functionering van elektronische-communicatiediensten of -netwerken, wanneer mensenlevens of bezittingen in het geding zijn, zoals gezondheidsdiensten. De sector vervoer heeft een uitgesproken grensoverschrijdend aspect en de digitalisering ervan levert problemen op. Voertuigen (metro, bus, auto’s, vrachtwagens, treinen enz.) worden in steeds grotere mate autonoom en geconnecteerd. Op een eengemaakte EU-markt gaan voertuigen gemakkelijker nationale grenzen over. Betrouwbare communicatie en het voorkomen van schadelijke interferentie zijn van cruciaal belang voor de veilige en goede werking van voertuigen en de communicatiesystemen die zij aan boord hebben.

(113)  Gezien de toenemende vraag naar spectrum en nieuwe, uiteenlopende toepassingen en technologieën die meer flexibiliteit wat betreft de toegang tot en het gebruik van spectrum vergen, moeten de lidstaten gedeeld gebruik van spectrum bevorderen door de meest geschikte machtigingsstelsels voor elk scenario te bepalen alsmede passende en transparante voorschriften en voorwaarden op dat vlak vast te stellen. Door gedeeld gebruik van spectrum wordt doeltreffend en efficiënt gebruik ervan in toenemende mate gewaarborgd: meerdere onafhankelijke gebruikers of toestellen krijgen toegang tot dezelfde frequentieband in het kader van verschillende soorten wettelijke regelingen, waardoor extra spectrumruimte beschikbaar wordt, de efficiëntie van het gebruik toeneemt en de toegang tot spectrum voor nieuwe gebruikers gemakkelijker wordt. Gedeeld gebruik kan zijn gebaseerd op algemene machtigingen of vergunningvrij gebruik, waarbij meerdere gebruikers onder specifieke omstandigheden inzake gedeeld gebruik toegang krijgen tot hetzelfde spectrum, en dat kunnen gebruiken, in verschillende geografische gebieden of op verschillende tijdstippen. Het kan ook zijn gebaseerd op individuele gebruiksrechten in het kader van regelingen zoals vergunningplichtige gedeelde toegang, waarbij alle gebruikers (bestaande gebruikers en nieuwe gebruikers) overeenstemming hebben bereikt over de voorwaarden voor gedeelde toegang, onder toezicht van de bevoegde instanties, op zodanige wijze dat een minimale gegarandeerde radiotransmissiekwaliteit wordt gewaarborgd. Wanneer de lidstaten gedeeld gebruik in het kader van meerdere machtigingsregelingen toestaan, dienen zij ervoor te zorgen dat de looptijden voor een dergelijk gebruik in het kader van meerdere machtigingsregelingen niet te zeer van elkaar afwijken.

(113 bis)  Algemene machtigingen voor spectrumgebruik kunnen het meest effectieve spectrumgebruik in sommige gevallen vergemakkelijken en innovatie bevorderen, aangezien individuele gebruiksrechten voor spectrum onder bepaalde specifieke omstandigheden waarschijnlijk de meest geschikte machtigingsregeling vormen. Zo dienen bijvoorbeeld individuele gebruiksrechten in overweging te worden genomen indien een dergelijk gebruik efficiënter is op grond van gunstige verspreidingskenmerken of het beoogde transmissievermogen. Dit zal ook het geval zijn wanneer er sprake is van een hoge geografische gebruiksdichtheid of wanneer het radiospectrum ononderbroken wordt gebruikt. Individuele gebruiksrechten dienen eveneens in overweging te worden genomen wanneer bij algemene machtigingen op grond van de vereiste kwaliteit van de dienstverlening interferentieproblemen niet kunnen worden aangepakt. Wanneer technische maatregelen ter verhoging van de bestendigheid van de ontvanger het gebruik van algemene machtigingen of gedeeld spectrumgebruik mogelijk maken, dienen zij te worden toegepast, terwijl een systematische toepassing van bepalingen die op het beginsel "op interferentievrije en onbeschermde basis" berusten, dient te worden vermeden.

(114)  De lidstaten moeten, teneinde de voorspelbaarheid te waarborgen alsmede de rechtszekerheid en investeringsstabiliteit in stand te houden, van tevoren passende criteria vaststellen om na te gaan of wordt bijdragen tot de doelstelling betreffende efficiënt spectrumgebruik door de houders van rechten bij de implementatie van de voorwaarden die zijn verbonden aan individuele gebruiksrechten en algemene machtigingen. Belangstellende partijen moeten worden betrokken bij het opstellen van dergelijke voorwaarden, en zij moeten op transparante wijze worden ingelicht over de manier waarop wordt beoordeeld of zij aan hun verplichtingen voldoen.

(115)  Rekening houdend met het belang van technische innovatie moeten de lidstaten kunnen voorzien in rechten om spectrum te gebruiken voor experimentele doeleinden, afhankelijk van specifieke beperkingen en voorwaarden die strikt gemotiveerd moeten worden door de experimentele aard van dergelijke rechten.

(116)  Gedeeld gebruik van netwerkinfrastructuur, en in sommige gevallen van spectrum, kan bijdragen tot een efficiënter gebruik van radiospectrum en ervoor zorgen dat netwerken snel worden uitgerold, met name in gebieden met een lagere bevolkingsdichtheid. Wanneer de bevoegde instanties voorwaarden vaststellen die worden verbonden aan gebruiksrechten voor radiospectrum, moeten zij ook overwegen toestemming te geven voor vormen van gedeeld gebruik of coördinatie tussen ondernemingen, teneinde doeltreffend en efficiënt gebruik van spectrum of de naleving van dekkingsverplichtingen te waarborgen, met inachtneming van de beginselen van het mededingingsrecht.

(117)  De marktomstandigheden alsmede de relevantie van de marktdeelnemers en hun aantal kunnen in de lidstaten verschillend zijn. De noodzaak om voorwaarden te verbinden aan gebruiksrechten voor radiospectrum en de mogelijkheden daartoe kunnen weliswaar afhankelijk zijn van nationale bijzonderheden, waarmee terdege rekening moet worden gehouden, maar de modaliteiten van de toepassing van dergelijke verplichtingen moet door middel van uitvoeringsmaatregelen van de Commissie op EU-niveau worden gecoördineerd, teneinde tot een consistente aanpak van soortgelijke problemen in de hele EU te komen.

(118)  De eis dat het verlenen van gebruiksrechten diensten- en technologieneutraal moet zijn en de mogelijkheid om tussen ondernemingen rechten over te dragen, vormen de basis voor de vrijheid en middelen om elektronische-communicatiediensten aan het publiek te verstrekken en maken het zo makkelijker doelstellingen van algemeen belang te verwezenlijken. Voor deze richtlijn maakt het geen verschil of radiospectrum rechtstreeks aan aanbieders van elektronische-communicatienetwerken of -diensten wordt toegewezen dan wel aan organen die van deze netwerken of diensten gebruik maken. Zulke organen kunnen aanbieders zijn van radio- en televisiediensten. De verantwoordelijkheid voor de naleving van de voorwaarden voor het gebruik van een radiofrequentie en de desbetreffende aan de algemene machtiging gekoppelde voorwaarden berust in elk geval bij de onderneming waaraan het gebruiksrecht voor het radiospectrum is toegewezen. Bepaalde verplichtingen die zijn opgelegd aan omroepen voor het verlenen van audiovisuele mediadiensten kunnen de toepassing van specifieke criteria en procedures voor het verlenen van gebruiksrechten voor spectrum noodzakelijk maken, indien blijkt dat zulks van fundamenteel belang is om te voldoen aan een specifieke doelstelling van algemeen belang als bepaald door de lidstaten overeenkomstig het Unierecht. De procedure voor het verlenen van dergelijke rechten dient echter in ieder geval objectief, transparant, niet-discriminerend en evenredig te zijn. Volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie moeten alle nationale beperkingen van de krachtens artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gewaarborgde rechten objectief worden gerechtvaardigd, proportioneel zijn en mogen zij niet verder gaan dan noodzakelijk is ter verwezenlijking van die doelstellingen. Bovendien mag spectrum dat niet via een open procedure is toegewezen niet worden gebruikt voor andere doeleinden dan de doelstelling betreffende algemeen belang waarvoor het is toegewezen. In dergelijke gevallen moeten de belangstellende partijen de mogelijkheid krijgen binnen een redelijke periode opmerkingen te maken. In het kader van de procedure voor het toekennen van rechten, moeten de lidstaten nagaan of de aanvrager wel in staat is om te voldoen aan de voorwaarden die worden verbonden aan die rechten. Deze voorwaarden moeten worden opgenomen in criteria die op objectieve, transparante, evenredige en niet-discriminerende wijze zijn opgesteld, voordat een op mededinging gebaseerde selectieprocedure van start gaat. Voor de toepassing van deze criteria kan de aanvrager worden verzocht de nodige informatie over te leggen waaruit blijkt dat hij in staat is aan alle voorwaarden te voldoen. Wordt die informatie niet verstrekt, dan kan de aanvraag voor het recht op gebruik van een radiofrequentie worden afgewezen.

(119)  De lidstaten dienen, voorafgaand aan het verlenen van rechten, uitsluitend verplichtingen op te leggen betreffende de controle van elementen waarvan een zorgvuldig handelende aanvrager redelijkerwijs de nodige gegevens kan verstrekken, waarbij terdege rekening wordt gehouden met de belangrijke publieke en marktwaarde van radiospectrum, dat een schaars openbaar bezit is. Dit doet geen afbreuk aan de mogelijkheid om vervolgens te controleren of aan criteria is voldaan, bijvoorbeeld door middel van mijlpalen, wanneer het aanvankelijk redelijkerwijs niet mogelijk was aan criteria te voldoen. Teneinde het doeltreffend en efficiënt gebruik van radiospectrum in stand te houden, dienen de lidstaten geen rechten te verlenen wanneer uit hun beoordeling blijkt dat aanvragers niet in staat zijn om aan de voorwaarden te voldoen, zonder daarbij afbreuk te doen aan de mogelijkheid om experimenteel gebruik gedurende een beperkte tijd te vergemakkelijken. Door ervoor te zogen dat de looptijd van machtigingen voor het gebruik van spectrum lang genoeg is, neemt de voorspelbaarheid op het vlak van investeringen toe, hetgeen bijdraagt tot een snellere uitrol van netwerken en betere diensten, alsmede tot de stabiliteit ter ondersteuning van de handel in en de verhuur van spectrum. Tenzij een machtiging voor het gebruik van spectrum voor onbeperkte duur wordt verstrekt, dient bij een dergelijke looptijd rekening te worden gehouden met de nagestreefde doelstellingen en dient deze afdoende te zijn om ervoor te zorgen dat de gedane investeringen gemakkelijker kunnen worden terugverdiend. Een langere looptijd kan de voorspelbaarheid van investeringen waarborgen, maar maatregelen voor een doeltreffend en efficiënt gebruik van radiospectrum, zoals de bevoegdheid van de bevoegde instantie om het recht te wijzigen of in te trekken indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden die aan de gebruiksrechten zijn verbonden, of de bevordering van de mogelijkheid om radiospectrum te verhandelen of verhuren, zullen ervoor zorgen dat ongepaste accumulatie van radiospectrum wordt voorkomen en dat een grotere mate van flexibiliteit bij de verdeling van spectrummiddelen wordt bevorderd. Ook door vaker gebruik te maken van vergoedingen op jaarbasis wordt ervoor gezorgd dat het gebruik van het spectrum door de houder van de rechten permanent wordt beoordeeld.

(120)  Wanneer de bevoegde instanties besluiten reeds verleende gebruiksrechten voor radiospectrum al of niet te verlengen, dienen zij rekening te houden met de mate waarin verlenging bijdraagt tot de doelstellingen van het regelgevingskader en tot andere doelstellingen in het kader van nationaal recht en het recht van de EU. Een dergelijk besluit dient te worden genomen aan de hand van een open, niet-discriminerende en transparante procedure en van een beoordeling van de manier waarop is voldaan aan de voorwaarden die aan de rechten zijn verbonden. Bij de beoordeling van de noodzaak on gebruiksrechten te verlengen, dienen de lidstaten een afweging te maken tussen het concurrentie-effect van de verlenging van reeds verleende rechten en de bevordering van een efficiënter gebruik of van innovatieve nieuwe toepassingen als gevolg van de openstelling van de band voor nieuwe gebruikers. De bevoegde instanties kunnen in dat kader toestaan dat rechten slechts in beperkte mate worden verlengd, teneinde te voorkomen dat het gevestigde gebruik ernstig wordt verstoord. Bij besluiten inzake de verlenging van rechten die voorafgaand aan de datum van toepassing van deze richtlijn zijn verleend, moeten alle voorschriften die reeds van toepassing zijn in acht worden genomen, maar de lidstaten dienen eveneens te waarborgen dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen van deze richtlijn.

(121)  Wanneer bestaande gebruiksrechten worden verlengd, dienen de lidstaten, naast de beoordeling van de noodzaak om de rechten te verlengen, tevens de daaraan verbonden vergoedingen te evalueren, teneinde te waarborgen dat door middel van deze vergoedingen het optimale gebruik nog steeds wordt bevorderd, onder meer rekening houdend met de ontwikkelingsfase van de markt en de technologie. Met het oog op de rechtszekerheid is het passend dat alle wijzigingen van de bestaande vergoedingen worden gebaseerd op de beginselen die ook van toepassing zijn op het verlenen van nieuwe gebruiksrechten.

(122)  Een doeltreffend beheer van radiospectrum kan worden gewaarborgd door aanhoudend efficiënt gebruik van reeds toegewezen spectrum te bevorderen. Teneinde de rechtszekerheid voor de houders van rechten te waarborgen, dient ten aanzien van de mogelijkheid om gebruiksrechten te vernieuwen een passend tijdsbestek voorafgaand aan het verstrijken van de betrokken rechten in acht te worden genomen. In het belang van de continuïteit van het beheer van middelen dienen de bevoegde instanties over de mogelijkheid te beschikken om op eigen initiatief of naar aanleiding van een verzoek door de rechtverkrijgende een dergelijk tijdsbestek in overweging te nemen. De verlenging van het gebruiksrecht mag niet tegen de wil van de rechtverkrijgende worden verleend.

(123)  Overdracht van gebruiksrechten voor spectrum kan een doeltreffend middel zijn om spectrum efficiënter te gebruiken. Ten bate van de flexibiliteit en efficiëntie en om mogelijk te maken dat de waarde van spectrum door de markt naar behoren in acht wordt genomen, moeten de lidstaten spectrumgebruikers standaard de mogelijkheid bieden om hun gebruiksrechten voor spectrum over te dragen of te verhuren aan derden, waarbij een eenvoudige procedure wordt gevolgd en de voorwaarden die zijn verbonden aan dergelijke rechten en aan de mededingingsvoorschriften worden nageleefd, en toezicht wordt gehouden door de verantwoordelijke nationale regelgevende instanties. Teneinde een dergelijke overdracht of verhuur te vergemakkelijken, rekening houdend met de op grond van de Radiospectrumbeschikking vastgestelde harmonisatiemaatregelen, moeten de lidstaten ook verzoeken in overweging nemen die zijn gericht op de opdeling of ontbundeling van spectrumrechten en op de evaluatie van voorwaarden voor gebruik.

(124)  Besluiten inzake maatregelen die specifiek zijn gericht op de bevordering van de concurrentie bij het verlenen of verlengen van gebruiksrechten voor radiospectrum, dienen te worden genomen door de nationale regelgevende instanties, die over de nodige kennis op het vlak van de economie, de technologie en de markt beschikken. Voorwaarden voor de toewijzing van spectrum kunnen van invloed zijn op de concurrentiesituatie op de markten voor elektronische communicatie en op voorwaarden voor toegang tot de markt. Beperkte toegang tot spectrum, met name wanneer spectrum schaars is, kan een toegangsbarrière opwerpen of een belemmering vormen voor investeringen, de uitrol van netwerken, het aanbieden van nieuwe diensten of toepassingen, innovatie en mededinging. Nieuwe gebruiksrechten, met inbegrip van gebruiksrechten die door middel van overdracht of verhuur zijn verworven, en de invoering van nieuwe, flexibele criteria voor spectrumgebruik kunnen ook van invloed zijn op de bestaande concurrentie. Wanneer bepaalde, voor de bevordering van de concurrentie gebruikte voorwaarden ten onrechte worden toegepast, kunnen daaruit andere effecten voortvloeien: bijvoorbeeld kunnen spectrumlimieten en -reserveringen tot kunstmatige schaarste leiden, kunnen wholesaletoegangsverplichtingen bij ontbreken van marktmacht tot een onterechte beperking van bedrijfsmodellen leiden, en kunnen grenzen voor overdracht de ontwikkeling van secundaire markten belemmeren. Daarom is een consistente en objectieve mededingingstoets ten aanzien van het opleggen van dergelijke voorwaarden noodzakelijk en moet deze op consistente wijze worden toegepast. Het gebruik van dergelijke maatregelen moet daarom worden gebaseerd op een grondige en objectieve, door de nationale regelgevende instanties uit te voeren, beoordeling van de markt en de concurrentievoorwaarden op die markt. Nationale instanties moeten evenwel te allen tijde het doeltreffende en efficiënte gebruik van spectrum waarborgen en concurrentieschade als gevolg van het tegen vrije concurrentie indruisende oppotpraktijken vermijden.

(125)  Uitgaand van adviezen van de Beleidsgroep Radiospectrum, kan de vaststelling van een gemeenschappelijke termijn voor het toestaan van het gebruik van een op grond van de Radiospectrumbeschikking geharmoniseerde band noodzakelijk zijn om grensoverschrijdende interferentie te voorkomen, en gunstig zijn met het oog op het waarborgen van de totstandbrenging van de volledige voordelen van de verwante technische harmonisatiemaatregelen voor de markten voor apparatuur, evenals voor de uitrol van elektronische-communicatienetwerken en -diensten met zeer hoge capaciteit. Teneinde significant bij te dragen tot de doelstellingen van dit kader en de coördinatie te vergemakkelijken, dienen dergelijke gemeenschappelijke termijnen door middel van uitvoeringshandelingen van de Commissie te worden vastgesteld. Naast de 700 MHz-band kunnen dergelijke gemeenschappelijke uiterste termijnen met name worden vastgesteld voor spectrum in de 3,4-3,8 GHz-band en de 24,25-27,5 GHz-band, die door de Beleidsgroep Radiospectrum in haar advies over spectrumgerelateerde aspecten voor draadloze systemen van de volgende generatie (5G) zijn aangewezen als "pionierbanden" voor gebruik vanaf 2020, net als andere banden boven de 24 GHz, die de Beleidsgroep Radiospectrum potentieel geschikt acht voor gebruik voor 5G-systemen in Europa, zoals de 31,8-33,4 GHz-band en de 40,5-43,5 GHz-band. In de toewijzingsvoorwaarden voor banden boven de 24 GHz moet rekening worden gehouden met potentiële scenario's voor gedeeld gebruik met gevestigde gebruikers.

(126)  Wanneer de vraag naar een spectrumband groter is dan de beschikbaarheid ervan en een lidstaat als gevolg daarvan besluit dat de gebruiksrechten voor radiospectrum moeten worden beperkt, moeten passende en transparante procedures worden toegepast bij de verlening van die rechten teneinde discriminatie te vermijden en een optimaal gebruik van dit schaarse goed te waarborgen. Een dergelijke beperking dient gerechtvaardigd en evenredig te zijn en te worden gebaseerd op een grondige beoordeling van de marktomstandigheden, waarbij terdege rekening wordt gehouden met de algehele voordelen van de gebruiker en met nationale doelstellingen en doelstellingen inzake de interne markt. De doelstellingen die met beperkingsprocedures worden nagestreefd, moeten van tevoren duidelijk worden omschreven. Wanneer in overweging wordt genomen wat de meest geschikte selectieprocedure is, moeten de lidstaten de op EU-niveau getroffen coördinerende maatregelen naleven en moeten zij tijdig en op transparante wijze alle belangstellende partijen raadplegen over de rechtvaardiging, de doelstellingen en de voorwaarden van de procedure. Lidstaten kunnen onder meer gebruikmaken van selectieprocedures op basis van mededinging of van vergelijking voor de toewijzing van radiospectrum of voor nummers met een uitzonderlijke economische waarde. Bij het beheer van dergelijke regelingen dienen de nationale regelgevende instanties rekening te houden met de doelstellingen van deze richtlijn. Indien een lidstaat van mening is dat verdere rechten in een band beschikbaar kunnen worden gesteld, dient hij van start te gaan met het bijbehorende proces.

(127)  Door de enorme toename van de vraag naar radiospectrum en van de vraag door eindgebruikers naar draadloze breedbandcapaciteit, zijn alternatieve, complementaire, wat spectrumgebruik betreft efficiënte toegangsoplossingen nodig, waaronder draadloze toegangssystemen met laag vermogen en kort bereik zoals lokale radionetwerken (RLAN) en netwerken van cellulaire toegangspunten met een laag vermogen. Dergelijke complementaire draadloze toegangssystemen, in het bijzonder publiek toegankelijke RLAN-toegangspunten, geven eindgebruikers in toenemende mate toegang tot het internet en bieden mobiele aanbieders de mogelijkheid mobiel verkeer af te leiden. RLAN's maken gebruik van geharmoniseerd radiospectrum zonder dat een individuele machtiging of gebruiksrecht voor spectrum vereist is. De meeste RLAN-toegangspunten worden op dit moment door particuliere gebruikers gebruikt als een lokaal draadloos verlengstuk van hun vaste breedbandverbinding. Eindgebruikers mogen er binnen de grenzen van hun eigen internetabonnement niet van worden weerhouden om hun RLAN-toegang met anderen te delen, waardoor het aantal beschikbare toegangspunten wordt vergroot, met name in dichtbevolkte gebieden, wordt gezorgd voor een maximale capaciteit op het vlak van draadloze gegevens door hergebruik van radiospectrum, en wordt een kosteneffectieve complementaire draadloze breedbandinfrastructuur gecreëerd die voor andere eindgebruikers toegankelijk is. Onnodige beperkingen op de opstelling en onderlinge koppeling van RLAN-toegangspunten moeten dan ook worden opgeheven. Overheden of aanbieders van openbare diensten die RLAN's in hun gebouwen of op hun terreinen voor hun personeel, bezoekers of klanten gebruiken, bijvoorbeeld om de toegang tot e-overheidsdiensten te vergemakkelijken of ten behoeve van informatie over openbaar vervoer of beheer van het wegverkeer, kunnen ook toegang tot dergelijke toegangspunten verlenen voor algemeen gebruik door de burgers als aanvulling op de diensten die zij in hun gebouwen of op hun terreinen aanbieden, voor zover dat is toegestaan op grond van de voorschriften inzake mededinging en openbare aanbestedingen. De aanbieder van dergelijke lokale toegang tot elektronische-communicatienetwerken in of rond een privéwoning of een beperkte openbare ruimte op niet-commerciële basis of als nevendienst voor een andere activiteit die niet van dergelijke toegang afhankelijk is (zoals RLAN-hotspots die op die plaats aan klanten van andere commerciële activiteiten of aan het algemene publiek beschikbaar worden gesteld), kan evenwel verplicht zijn algemene machtigingen voor gebruiksrechten voor radiospectrum na te leven, maar moet niet worden onderworpen aan voorwaarden of vereisten die zijn verbonden aan algemene machtigingen van toepassing op aanbieders van elektronisch-communicatienetwerken of -diensten, noch aan verplichtingen inzake eindgebruikers of interconnectie. Op dergelijke aanbieders blijven echter wel de voorschriften inzake aansprakelijkheid van artikel 12 van Richtlijn 2000/31/EG betreffende elektronische handel van toepassing(25). Er zijn ook andere technologieën, zoals LiFi, in opkomst, die een aanvulling zullen vormen op de huidige capaciteiten van RLAN's en draadloze toegangspunten betreffende radiospectrum, door middel van toegangspunten op basis van optisch zichtbaar licht, hetgeen leidt tot hybride lokale netwerken waarmee optische draadloze communicatie mogelijk is.

(128)  Aangezien draadloze toegangspunten met laag vermogen en een klein bereik zeer klein zijn en gebruikmaken van discrete apparatuur, vergelijkbaar met door particulieren gebruikte RLAN-routers, en een positieve impact op het gebruik van spectrum en op de ontwikkeling van draadloze communicatie hebben, moeten de technische kenmerken ervan – zoals de vermogensafgifte – op EU-niveau worden gespecificeerd, op evenredige wijze voor lokale toepassingen, en moeten op het gebruik ervan uitsluitend algemene machtigingen van toepassing zijn – met uitzondering van RLAN, dat niet aan een vereiste betreffende machtigingen moet worden onderworpen die verder gaat dan hetgeen nodig is voor het gebruik van radiospectrum – en alle aanvullende beperkingen in het kader van individuele planologische of andere vergunningen moeten zoveel mogelijk worden ingeperkt.

(128 bis)  Openbare gebouwen en andere publieke infrastructuur worden dagelijks bezocht en gebruikt door een aanzienlijk aantal eindgebruikers die verbonden moeten zijn met netwerken om gebruik te kunnen maken van e-governance, e-vervoer en andere diensten. Andere publieke infrastructuur (zoals lantarenpalen, verkeerslichten enz.) vormen op grond van onder meer de dichte verspreiding ervan zeer waardevolle locaties voor de plaatsing van kleine cellen. Exploitanten moeten toegang krijgen tot deze openbare locaties om adequaat te kunnen inspelen op de vraag. In aanvulling op Richtlijn 2014/61/EU dienen de lidstaten er derhalve voor te zorgen dat dergelijke openbare gebouwen en andere publieke infrastructuur op redelijke voorwaarden beschikbaar worden gemaakt voor de uitrol van kleine cellen. Die richtlijn is gekenmerkt door een functionele aanpak en voorziet slechts in verplichtingen betreffende de toegang tot fysieke infrastructuur in gevallen waarin deze deel uitmaakt van een netwerk en eigendom is van of wordt gebruikt door een netwerkexploitant, zodat tal van gebouwen die in bezit zijn van of gebruikt worden door overheidsinstanties buiten het toepassingsgebied ervan vallen. Fysieke infrastructuur, zoals buizen en masten, die wordt gebruikt voor intelligente vervoerssystemen in handen van netwerkexploitanten (aanbieders van vervoersdiensten en/of aanbieders van openbare communicatienetwerken) en die ruimte biedt aan onderdelen van een netwerk, vereist geen specifieke verplichting en valt dus binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2014/61/EU.

(129)  De bepalingen van de onderhavige richtlijn met betrekking tot toegang en interconnectie zijn van toepassing op netwerken die worden gebruikt voor de levering van algemeen beschikbare elektronische-communicatiediensten. Niet-publieke netwerken hebben geen verplichtingen inzake toegang en interconnectie uit hoofde van deze richtlijn, maar kunnen, wanneer zij toegang hebben tot publieke netwerken, onderworpen worden aan de voorwaarden die de lidstaten stellen.

(130)  De term "toegang" kent een breed scala aan betekenissen en daarom dient nauwkeurig te worden omschreven hoe deze term in deze richtlijn wordt gebruikt, ongeacht de betekenis die er in andere maatregelen van de Unie aan wordt gegeven. Een exploitant kan eigenaar zijn van het betrokken netwerk of de betrokken faciliteiten of kan deze geheel of gedeeltelijk huren.

(131)  In een open en concurrentiegerichte markt dienen er geen beperkingen te bestaan die ondernemingen verhinderen onderling toegangs- en interconnectieregelingen, en met name grensoverschrijdende overeenkomsten, aan te gaan, met dien verstande dat de mededingingsregels van het Verdrag in acht moeten worden genomen. In het kader van de totstandbrenging van een efficiëntere, echte pan-Europese markt met een reële mededinging, met meer keuze en concurrerende dienstverlening voor de eindgebruiker, moeten ondernemingen die het verzoek om toegang of interconnectie krijgen van andere ondernemingen waarop algemene machtigingen van toepassing zijn voor het aanbieden van elektronische-communicatienetwerken of -diensten aan het publiek, in beginsel zulke overeenkomsten sluiten en te goeder trouw onderhandelen.

(132)  In markten waar tussen ondernemingen grote verschillen in onderhandelingscapaciteit blijven bestaan, en waar sommige ondernemingen gebruik maken van door anderen verschafte infrastructuur voor het aanbieden van hun diensten, dient een kader voor regels te worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat de markt efficiënt functioneert. De nationale regelgevende instanties moeten de nodige bevoegdheden krijgen om, in gevallen waarin commerciële onderhandelingen mislukken, te zorgen voor passende toegang en interconnectie en voor de nodige interoperabiliteit tussen diensten in het belang van de eindgebruikers. Zij kunnen in het bijzonder de eind-tot-eind-verbinding waarborgen door proportionele verplichtingen op te leggen aan ondernemingen die zijn onderworpen aan een algemene machtiging en die de toegang tot de eindgebruikers controleren. De controle van de toegangsmiddelen kan eigendom of controle van de fysieke verbinding met de eindgebruiker (vast of mobiel), en/of de bevoegdheid tot wijziging of intrekking van het nationale nummer (de nationale nummers) voor de toegang tot het aansluitingspunt van de eindgebruiker inhouden. Een dergelijk optreden zou bijvoorbeeld noodzakelijk zijn indien de netwerkexploitanten op onredelijke wijze de keuze aan toegangsmogelijkheden tot internetportalen en -diensten voor eindgebruikers zouden beperken.

(133)  Met het oog op het beginsel van niet-discriminatie dienen de nationale regelgevende instanties te waarborgen dat alle exploitanten, ongeacht hun omvang en bedrijfsmodel en de vraag of zij verticaal geïntegreerd of gescheiden zijn, op redelijke voorwaarden interconnectie tot stand kunnen brengen, teneinde eind-tot-eindverbindingen en toegang tot het wereldwijde internet te bieden.

(134)  Nationale wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen die de eisen en voorwaarden voor toegang of interconnectie koppelen aan de activiteiten van de om interconnectie vragende partij, meer bepaald aan de omvang van haar investeringen in netwerkinfrastructuur, en niet aan de aangeboden interconnectie- of toegangsdiensten, kunnen leiden tot verstoring van de markt en als gevolg daarvan onverenigbaar zijn met de mededingingsregels.

(135)  Netwerkexploitanten regelen de toegang tot hun eigen klanten, die individueel worden geïdentificeerd door middel van nummers of adressen uit een gepubliceerde nummer- of adresseringsruimte. Andere netwerkexploitanten moeten in staat zijn deze klanten te bereiken en moeten dus in staat zijn direct of indirect interconnectie met elkaar tot stand te brengen. Het is daarom passend rechten en verplichtingen met betrekking tot het voeren van onderhandelingen over interconnectie vast te stellen.

(136)  Interoperabiliteit is in het voordeel van de eindgebruiker en is een belangrijk doel van dit regelgevingskader. Het bevorderen van een goede interoperabiliteit is een van de doelstellingen van de nationale regelgevende instanties, die zijn vastgesteld in dit regelgevingskader, dat ook bepaalt dat de Commissie een lijst van standaarden en/of specificaties met betrekking tot het aanbieden van diensten, technische interfaces en/of netwerkfuncties moet publiceren als basis om harmonisatie inzake elektronische communicatie te bevorderen. De lidstaten dienen het gebruik van de gepubliceerde standaarden en/of technische specificaties aan te moedigen in zoverre dat strikt noodzakelijk is om de interoperabiliteit van de diensten te waarborgen en de vrije keuze van de gebruiker te verbeteren.

(137)  Momenteel zijn zowel eind-tot-eindverbindingen en de toegang tot noodhulpdiensten ervan afhankelijk dat eindgebruikers gebruikmaken van nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten. Toekomstige technologische ontwikkelingen of een toegenomen gebruik van nummeronafhankelijke persoonlijke communicatiediensten zouden kunnen leiden tot een gebrek aan afdoende interoperabiliteit tussen communicatiediensten. Daardoor zouden significante belemmeringen voor de markttoegang en voor verdere innovatie kunnen ontstaan en een ernstige bedreiging kunnen ontstaan voor doeltreffende eind-tot-eindverbindingen tussen eindgebruikers ▌.

(138)  Indien zich dergelijke problemen op het gebied van interoperabiliteit voordoen, kan de Commissie Berec vragen een verslag uit te brengen dat voorziet in een feitelijke beoordeling van de marktsituatie op het niveau van de Unie en van de lidstaten. Op basis van het verslag van Berec en andere beschikbare bewijsstukken moet de Commissie, rekening houdend met de effecten op de interne markt, besluiten of maatregelen van regelgevende aard door de nationale regelgevende instanties noodzakelijk zijn. Indien de Commissie besluit dat de nationale regelgevende instanties dergelijke maatregelen van regelgevende aard in overweging moeten nemen, kan zij uitvoeringsmaatregelen vaststellen waarin de aard en de werkingssfeer van mogelijke maatregelen van regelgevende aard door de nationale regelgevende instanties worden gespecificeerd, waaronder in het bijzonder maatregelen waarbij het verplichte gebruik van normen of specificaties aan alle of specifieke aanbieders worden opgelegd. De begrippen "Europese norm" en "internationale norm" zijn gedefinieerd in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1025/2012(26). De nationale regelgevende instanties moeten in het licht van de specifieke nationale omstandigheden beoordelen of het noodzakelijk en gerechtvaardigd is maatregelen te treffen teneinde eind-tot-eindverbindingen te waarborgen, en zo ja, evenredige verplichtingen opleggen in overeenstemming met de uitvoeringsmaatregelen van de Commissie. Om het creëren van obstakels voor de interne markt te voorkomen, moeten lidstaten geen verplichtingen opleggen in aanvulling op dergelijke uitvoeringsmaatregelen.

(139)  In situaties waarin ondernemingen geen toegang hebben tot levensvatbare alternatieven voor niet-repliceerbare activa tot aan het eerste distributiepunt en teneinde concurrentie ten behoeve van de eindgebruikers te bevorderen, moeten de nationale regelgevende instanties de bevoegdheid hebben om toegangsverplichtingen op te leggen aan alle exploitanten, zonder afbreuk te doen aan hun respectievelijke marktmacht. Daarbij moeten de nationale regelgevende instanties alle technische en economische belemmeringen voor toekomstige replicatie van netwerken in overweging nemen. Aangezien dergelijke verplichtingen echter ingrijpend kunnen zijn, de stimulansen voor investeringen kunnen ondermijnen, en contraproductief kunnen werken, omdat ze de positie van dominante marktdeelnemers versterken, moeten ze alleen worden toegepast wanneer dit gerechtvaardigd en evenredig is om te komen tot duurzame concurrentie op de desbetreffende markten. Alleen het feit dat meerdere dergelijke infrastructuurvoorzieningen reeds bestaan, hoeft niet per se zodanig te worden geïnterpreteerd dat de bijbehorende activa repliceerbaar zijn. Het eerste distributiepunt moet worden geïdentificeerd aan de hand van objectieve criteria.

(139 bis)  Het moet mogelijk zijn het verplicht te stellen om toegang te verschaffen tot gerelateerde aanvullende diensten, dwz toegankelijkheidsdiensten om een passende toegang voor eindgebruikers met een handicap en dataondersteunende connected televisiediensten en elektronische programmagidsen mogelijk te maken, voor zover dit nodig is om de toegankelijkheid van bepaalde omroepdiensten voor eindgebruikers te garanderen.

(140)  Het kan gerechtvaardigd zijn toegangsverplichtingen op te leggen die ook betrekking hebben op bedrading en kabels na het eerste punt van samenkomst in gebieden met een lagere bevolkingsdichtheid, waarbij dergelijke verplichtingen worden beperkt tot punten die zich zo dicht mogelijk bij de eindgebruikers bevinden, wanneer is aangetoond dat replicatie ook onmogelijk zou zijn na dat eerste punt van samenkomst.

(141)  In dergelijke gevallen kan het passend zijn dat de nationale regelgevende instanties, teneinde te voldoen aan het beginsel van evenredigheid, uitsluiten dat verplichtingen verder gaan dan het eerste distributiepunt, op grond van het feit dat een toegangsverplichting die niet is gebaseerd op aanmerkelijke marktmacht schadelijk kan zijn voor de business case op het gebied van recentelijk geïmplementeerde netwerkelementen of vanwege de aanwezigheid van werkbare alternatieve toegangsmiddelen die geschikt zijn voor het aanbieden van netwerken met zeer hoge capaciteit.

(142)  Gedeeld gebruik van passieve ▌ infrastructuur die wordt gebruikt voor het aanbieden van draadloze elektronische-communicatiediensten ▌, in overeenstemming met de beginselen van het mededingingsrecht, kan uitermate nuttig zijn met het oog op maximale connectiviteit met zeer hoge capaciteit in de hele Unie, met name in gebieden met minder dichte netwerken waarin replicatie praktisch niet uitvoerbaar is en eindgebruikers wellicht geen toegang tot dergelijke connectiviteit krijgen. De nationale regelgevende instanties moeten in staat worden gesteld om bij wijze van uitzondering een dergelijk gedeeld gebruik ▌of gelokaliseerde roamingtoegang op te leggen, in overeenstemming met het recht van de Unie, indien die mogelijkheid duidelijk is vastgelegd in de oorspronkelijke voorwaarden voor verlening van het gebruiksrecht en indien zij kunnen aantonen dat een dergelijk gedeeld gebruik ▌ voordelen biedt wat betreft het wegwerken van onoverkomelijke economische of fysieke obstakels die tot gevolg hebben dat nauwelijks of geen toegang tot netwerken of diensten bestaat, waarbij rekening wordt gehouden met diverse elementen, waaronder met name de noodzaak van dekking langs belangrijke transportroutes, de keuze en een betere kwaliteit van dienstverlening voor eindgebruikers evenals de noodzaak om stimulansen voor de uitrol van infrastructuur in stand te houden. In omstandigheden waar eindgebruikers geen toegang hebben en gedeeld gebruik van passieve infrastructuur alleen niet voldoende is om de situatie te verhelpen, moeten de nationale regulerende instanties de mogelijkheid hebben verplichtingen op te leggen ten aanzien van het gedeeld gebruik van actieve infrastructuur.

(143)  Hoewel een nationale regelgevende instantie exploitanten die geen aanmerkelijke marktmacht bezitten onder sommige omstandigheden verplichtingen kan opleggen om eind-tot-eindverbindingen of interoperabiliteit van diensten tot stand te brengen, moet dit wel gebeuren in overeenstemming met het regelgevingskader en met name met de kennisgevingsprocedures.

(144)  Mededingingsregels alleen volstaan niet om in het tijdperk van digitale televisie culturele diversiteit en pluraliteit in de media te garanderen. De technologische en marktontwikkelingen maken het noodzakelijk verplichtingen om voorwaardelijke toegang op billijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden aan te bieden regelmatig te herzien, hetzij door een lidstaat voor de nationale markt, hetzij door de Commissie voor de Unie, met name om na te gaan of het gerechtvaardigd is deze verplichtingen uit te breiden tot Elektronische Programmagidsen (EPG's) en Applicatieprogramma-interfaces (API's), in zoverre dit nodig is om ervoor te zorgen dat eindgebruikers toegang hebben tot specifieke digitale omroepdiensten. De lidstaten kunnen met alle wetgevende, regelgevende of administratieve middelen die zij noodzakelijk achten, de digitale omroepdiensten specificeren waarvoor de toegang van eindgebruikers moet worden gewaarborgd.

(145)  De lidstaten kunnen ook toestaan dat de nationale regelgevende instantie de verplichtingen in verband met de voorwaardelijke toegang tot digitale omroepdiensten opnieuw beziet om met behulp van een marktanalyse na te gaan of er verplichtingen afgeschaft of gewijzigd moeten worden voor exploitanten die op de betrokken markt geen aanmerkelijke macht hebben. Een eventuele afschaffing of wijziging van verplichtingen mag de toegang voor eindgebruikers tot dergelijke diensten of de vooruitzichten voor werkelijke mededinging niet nadelig beïnvloeden.

(146)  In bepaalde omstandigheden moeten ex ante verplichtingen worden opgelegd om de ontwikkeling van een concurrerende markt te waarborgen, waarbij de voorwaarden gunstig zijn voor de implementatie van en toepassing van netwerken met zeer hoge capaciteit en het behalen van maximale voordelen voor de eindgebruiker. De in deze richtlijn gebruikte definitie van aanmerkelijke macht op de markt is gelijkwaardig aan het begrip machtspositie als gedefinieerd in de rechtspraak van het Hof van Justitie.

(147)  Dat twee of meer ondernemingen gezamenlijk een machtspositie hebben, kan niet alleen worden geconstateerd wanneer er structurele of andere banden tussen hen bestaan, maar ook indien de structuur van de betreffende markt gecoördineerde effecten bevordert, en hen in staat stelt zich in belangrijke mate onafhankelijk van concurrenten, klanten en uiteindelijk consumenten te gedragen, dit wil zeggen parallelle of mededingingsverstorende gedragingen op de markt stimuleert. Een dergelijke structuur zou kunnen blijken uit kenmerken zoals een hoge mate van concentratie, een toereikende mate van markttransparantie die coördinatie of een gemeenschappelijk beleid op de lange termijn mogelijk maakt, en het bestaan van hoge barrières die het eventuele concurrenten belemmeren de markt te betreden en het ontbreken van alternatieve opties, zodat geen reactie van consumenten mogelijk is. Onder de specifieke omstandigheden van ex anteregulering van elektronische-communicatiemarkten, waar de barrières voor de toetreding van nieuwe spelers doorgaans hoog zijn, kan de weigering van eigenaren van netwerken om op redelijke voorwaarden wholesaletoegang te bieden die duurzaam ten goede komt aan de concurrentiedynamiek, zoals waargenomen of verwacht bij het ontbreken van ex anteregulering, in combinatie met een gedeeld belang om aanzienlijke tarieven op stroomafwaartse of aangrenzende retailmarkten te handhaven die niet in verhouding staan tot gedane investeringen en genomen risico's, op zichzelf een indicatie zijn van een door leden van een niet-concurrerend oligopoli gevoerd gemeenschappelijk beleid.

(148)   Het is essentieel dat ex ante regulerende verplichtingen alleen worden opgelegd op een wholesalemarkt waar een of meer ondernemingen zijn met een aanzienlijke marktmacht, teneinde duurzame concurrentie ▌te waarborgen, en wanneer nationale rechtsmiddelen en de middelen van het mededingingsrecht van de Unie ontoereikend zijn om het probleem op te lossen. De Commissie moet op EU-niveau, overeenkomstig de beginselen van het mededingingsrecht, richtsnoeren opstellen voor nationale regelgevende instanties aan de hand waarvan zij kunnen beoordelen of op een bepaalde markt daadwerkelijke mededinging heerst en of er sprake is van aanmerkelijke marktmacht. De nationale regelgevende instanties dienen te analyseren of een bepaalde markt voor producten of diensten daadwerkelijk concurrerend is in een gegeven geografisch gebied, dat het grondgebied of een deel van het grondgebied van de betrokken lidstaat kan zijn, dan wel aangrenzende delen van het grondgebied van lidstaten, die als één geheel worden gezien. Bij een analyse van daadwerkelijke mededinging moet onder meer worden onderzocht of de markt in de toekomst concurrerend zal zijn en dus of een eventueel gebrek aan daadwerkelijke mededinging blijvend is. In deze richtsnoeren moet ook worden ingegaan op de problematiek van nieuwe markten waar de feitelijke marktleider waarschijnlijk een groot marktaandeel zal hebben, maar niet dient te worden onderworpen aan ongerechtvaardigde verplichtingen. De Commissie dient de richtsnoeren regelmatig opnieuw te toetsen, met name wanneer bestaande wetgeving wordt herzien, rekening houdend met recente jurisprudentie, economische overwegingen en opgedane ervaringen met betrekking tot de markt, teneinde te waarborgen dat deze geschikt blijven in een zich snel ontwikkelende markt. De nationale regelgevende instanties zullen met elkaar moeten samenwerken wanneer de relevante markt transnationaal blijkt te zijn.

(149)  Wanneer de nationale regelgevende instanties bepalen of een onderneming een aanmerkelijke marktmacht heeft op een specifieke markt, dienen zij te handelen overeenkomstig de Uniewetgeving en de richtsnoeren van de Commissie inzake marktanalyse en de beoordeling van aanmerkelijke marktmacht zorgvuldig in acht te nemen.

(150)  De nationale regelgevende instanties moeten relevante geografische markten op hun grondgebied definiëren en daarbij terdege rekening houden met de aanbeveling van de Commissie inzake relevante markten voor producten en diensten die overeenkomstig deze richtlijn is vastgesteld, en met de nationale en plaatselijke omstandigheden. De nationale regelgevende instanties moeten daarom ten minste de markten analyseren die in de aanbeveling zijn opgenomen, inclusief de markten die zijn vermeld, maar in de specifieke nationale of lokale context niet meer worden gereguleerd. De nationale regelgevende instanties moeten ook markten analyseren die niet in de aanbeveling zijn opgenomen, maar die op basis van voorafgaande marktanalysen binnen hun bevoegdheidsgebied worden gereguleerd, of andere markten als zij voldoende redenen hebben om ervan uit te gaan dat wellicht aan de driecriteriatoetsing van deze richtlijn wordt voldaan.

(151)  Wanneer het door de geografische marktdefinitie is gerechtvaardigd, kunnen transnationale markten worden gedefinieerd, waarbij rekening moet worden gehouden met alle factoren aan de aanbodzijde en de vraagzijde, in overeenstemming met de beginselen van het mededingingsrecht. Berec is de meest geschikte instantie voor het uitvoeren van dergelijke analyses, waarbij wordt geprofiteerd van de ruime collectieve ervaring die de nationale regelgevende instanties bij het definiëren van markten op nationaal niveau hebben opgedaan. Indien transnationale markten worden gedefinieerd en maatregelen van regelgevende aard gerechtvaardigd zijn, moeten de betrokken nationale regelgevende instanties samenwerken om de passende reactie van regelgevende aard vast te stellen, onder meer bij het proces van kennisgeving aan de Commissie. Zij kunnen op deze manier ook samenwerken wanneer transnationale markten niet worden vastgesteld, maar de marktomstandigheden op hun grondgebied afdoende homogeen zijn om baat te hebben bij een gecoördineerde benadering betreffende regelgeving, bijvoorbeeld wat betreft soortgelijke kosten, marktstructuren of exploitanten, of bij een transnationale of vergelijkbare vraag door de eindgebruikers.

(152)  In sommige omstandigheden worden markten gedefinieerd als nationaal of subnationaal, bijvoorbeeld door de nationale of lokale aard van de uitrol van netwerken waardoor de grenzen van de potentiële marktmacht van ondernemingen wat betreft het wholesale-aanbod worden bepaald, maar er is nog steeds een significante transnationale vraag door één of meerdere categorieën eindgebruikers. Dat kan met name het geval zijn bij de vraag door zakelijke eindgebruikers met activiteiten op meerdere locaties in verschillende lidstaten. Als leveranciers niet in voldoende mate aan die transnationale vraag voldoen, bijvoorbeeld als zij versnipperd zijn door nationale grenzen of op lokaal niveau, ontstaat er een potentiële belemmering voor de interne markt. Berec moet daarom de bevoegdheid hebben om de nationale regelgevende instanties te voorzien van richtsnoeren betreffende gemeenschappelijke regelgevingsbenaderingen om te waarborgen dat op bevredigende wijze aan de transnationale vraag kan worden voldaan, waardoor een basis wordt verschaft voor wholesaletoegangsproducten in de hele Unie en efficiëntieverbeteringen en schaalvoordelen tot stand kunnen worden gebracht ondanks de versnippering aan de aanbodzijde. De richtsnoeren van Berec moeten bijdragen tot de keuzes die de nationale regelgevende instanties maken wat betreft het verwezenlijken van de doestelling betreffende de interne markt, wanneer zij op nationaal niveau verplichtingen opleggen aan AMM-exploitanten.

(153)  ▌.

(154)  ▌.

(155)  ▌.

(156)  Tijdens de geleidelijke overgang naar gedereguleerde markten, worden geleidelijk steeds meer commerciële overeenkomsten tussen exploitanten gesloten, met inbegrip van overeenkomsten inzake mede-investeringen en toegang, en indien deze duurzaam zijn en ervoor zorgen dat de concurrentiedynamiek wordt verbeterd, kunnen zij ertoe bijdragen dat wordt geconcludeerd dat op een bepaalde wholesalemarkt ex ante regulering niet gerechtvaardigd is. Het omgekeerde zou het geval zijn bij onvoorzienbare beëindiging van commerciële overeenkomsten op een gedereguleerde markt. Bij de analyse van dergelijke overeenkomsten moet ermee rekening worden gehouden dat het vooruitzicht op regulering eigenaren van netwerken ertoe kan aanzetten commerciële onderhandelingen aan te gaan. Om ervoor te zorgen dat bij het bepalen of ex ante regulering van een bepaalde markt gerechtvaardigd is voldoende aandacht wordt besteed aan de impact van aan aanverwante markten opgelegde regulering, dienen de nationale regelgevende instanties te waarborgen dat markten op samenhangende wijze, en tegelijkertijd of zo snel mogelijk achter elkaar, worden geanalyseerd.

(157)  De nationale regelgevende instanties moeten bij de beoordeling van regulering op wholesaleniveau teneinde problemen op retailniveau op te lossen ermee rekening houden dat enerzijds meerdere wholesalemarkten wholesale-upstreaminputs voor een bepaalde retailmarkt kunnen leveren, en anderzijds één wholesalemarkt wholesale-upstreaminputs voor uiteenlopende retailmarkten kan leveren. De concurrentiedynamiek op een bepaalde markt kan verder worden beïnvloed door aangrenzende markten die geen verticale relatie hebben, bijvoorbeeld in het geval van bepaalde vaste en mobiele markten. De nationale regelgevende instanties dienen deze beoordeling uit te voeren voor elke afzonderlijke wholesalemarkt die voor regulering in aanmerking komt, te beginnen bij corrigerende maatregelen voor de toegang tot civiele infrastructuur, aangezien dergelijke maatregelen gewoonlijk bevorderlijk zijn voor een verbetering van de duurzaamheid van de concurrentie, met inbegrip van concurrentie op het vlak van infrastructuur, en vervolgens alle wholesalemarkten te analyseren die in aanmerking komen voor regelgeving ex ante, in volgorde van waarschijnlijke geschiktheid om geconstateerde concurrentieproblemen op retailniveau aan te pakken. Wanneer de nationale regelgevende instanties een besluit nemen over de specifieke op te leggen corrigerende maatregel, moeten zij de technische haalbaarheid ervan beoordelen en een kosten-batenanalyse uitvoeren, waarbij de mate van geschiktheid om de geconstateerde problemen op retailniveau aan te pakken in acht wordt genomen en waarbij concurrentie op grond van differentiatie en technologische neutraliteit mogelijk is. De nationale regelgevende instanties moeten de consequenties van het opleggen van elke specifieke corrigerende maatregel in overweging nemen: als een maatregel slechts bij bepaalde netwerktopologieën haalbaar is, kan dat een belemmering vormen voor de uitrol van netwerken met een zeer hoge capaciteit ten bate van de eindgebruiker. Daarnaast moeten de nationale regelgevende instanties via de opgelegde corrigerende maatregelen voorzien in stimulansen en, waar dat mogelijk is vóór de uitrol van de infrastructuur, voorzien in de ontwikkeling van een flexibele en open netwerkarchitectuur, die uiteindelijk de lasten en complexiteit van de in een latere fase opgelegde corrigerende maatregelen zal beperken. De nationale regelgevende instantie moet tijdens elke fase van de beoordeling, voordat zij bepaalt of een aanvullende, zwaardere corrigerende maatregel aan de exploitant met aanmerkelijke marktmacht wordt opgelegd, ernaar streven te bepalen of de reeds in overweging genomen corrigerende maatregelen zouden volstaan om de betrokken markt daadwerkelijk concurrerend te maken, waarbij zij ook rekening dient te houden met eventuele relevante commerciële regelingen of andere omstandigheden op de wholesalemarkt, met inbegrip van andere soorten regulering die al van kracht zijn, zoals algemene toegangsverplichtingen met betrekking tot niet-repliceerbare activa of verplichtingen die op grond van Richtlijn 2014/61/EU zijn opgelegd, en elke regulering die de nationale regelgevende instantie als passend beschouwt voor een exploitant met aanmerkelijke marktmacht. Een dergelijke gefaseerde beoordeling, die ten doel heeft te waarborgen dat uitsluitend de meest passende corrigerende maatregelen die nodig zijn om in de marktanalyse geconstateerde problemen doeltreffend aan te pakken, worden opgelegd, beletten het een nationale regelgevende instantie niet te oordelen dat een mix van dergelijke maatregelen samen, zelfs wanneer deze een variërende intensiteit hebben, de minst ingrijpende manier vormt om het probleem aan te pakken. Zelfs als dergelijke verschillen niet leiden tot de definitie van afgebakende geografische markten, kunnen deze als rechtvaardiging dienen van differentiatie van de passende corrigerende maatregelen die worden opgelegd met het oog op de uiteenlopende intensiteit van de concurrentiedruk.

(158)  Regelgeving ex ante die op wholesaleniveau wordt opgelegd, is in beginsel minder ingrijpend dan regelgeving op retailniveau en wordt als afdoende beschouwd om eventuele mededingingsproblemen op de aanverwante stroomafwaartse markt of markten aan te pakken. De gemaakte vorderingen wat betreft de werking van de mededinging sinds het regelgevingskader voor elektronische communicatie in werking is getreden, blijken uit de geleidelijke deregulering van de retailmarkten in de hele Unie. Verder moeten de voorschriften betreffende het opleggen van corrigerende maatregelen ex ante aan ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht worden vereenvoudigd en meer voorspelbaar worden gemaakt, voor zover mogelijk. De bevoegdheid tot het opleggen van regulerende maatregelen ex ante op basis van aanmerkelijke marktmacht op retailmarkten moet daarom worden ingetrokken.

(159)  Wanneer een nationale regelgevende instantie regelgeving op wholesaleniveau intrekt, moet zij een passende termijn vaststellen om een duurzame overgang naar een gedereguleerde markt te waarborgen. Bij het bepalen van die termijn moet de nationale regelgevende instantie rekening houden met bestaande overeenkomsten tussen aanbieders van toegang en toegangvragende partijen die op basis van de opgelegde regelgevingsverplichtingen zijn gesloten. Dergelijke overeenkomsten kunnen in het bijzonder toegangvragende partijen gedurende een bepaalde periode contractuele wettelijke bescherming bieden. De nationale regelgevende instantie moet ook rekening houden met de mogelijkheid dat marktdeelnemers gebruikmaken van op de markt beschikbare commerciële aanbiedingen op het gebied van wholesaletoegang of mede-investering, en met de noodzaak om een langere periode van mogelijke regelgevingsarbitrage te voorkomen. In door de nationale regelgevende instantie vastgestelde overgangsregelingen moet rekening worden gehouden met de reikwijdte en termijnen betreffende regelgevend toezicht op bestaande overeenkomsten, zodra de aankondigingstermijn begint.

(160)  Om marktdeelnemers zekerheid te verschaffen over regelgevingsvoorwaarden, moet een termijn worden vastgesteld voor marktherzieningen. Daarom moeten marktanalyses regelmatig en binnen een redelijke en passende tijdspanne worden uitgevoerd. Wanneer een nationale regelgevende instantie verzuimt binnen de vastgestelde termijn een marktanalyse uit te voeren, dan kan dit een gevaar voor de interne markt betekenen, terwijl ook normale inbreukprocedures niet steeds tijdig het gewenste effect opleveren. Anders moet de betrokken nationale regelgevende instantie Berec om bijstand kunnen verzoeken om de marktanalyse te voltooien. Deze bijstand kan bijvoorbeeld de vorm aannemen van een specifieke taskforce bestaande uit vertegenwoordigers van de andere nationale regelgevende instanties.

(161)  Aangezien de sector van elektronische communicatie een snel evoluerende sector is die gekenmerkt wordt door technologische innovatie en zeer dynamische markten moet de regelgeving op gecoördineerde en geharmoniseerde wijze op Unieniveau kunnen worden aangepast omdat gebleken is dat uiteenlopende opvattingen van de nationale regelgevende instanties over de uitvoering van het regelgevingskader de ontwikkeling van de interne markt zouden kunnen belemmeren.

(162)  In het belang van meer stabiliteit en voorspelbaarheid van regelgevende maatregelen, dient de maximale toegestane periode tussen marktanalyses in het geval van stabiele of voorspelbare markten echter te worden verlengd van drie tot vijf jaar, mits veranderingen op de markt in de tussenliggende periode geen nieuwe analyse vergen. Wanneer wordt bepaald of een nationale regelgevende instantie heeft voldaan aan haar verplichting om ten minste om de vijf jaar markten te analyseren en kennis te geven van de bijbehorende ontwerpmaatregel, gaat een nieuwe marktcyclus van vijf jaar uitsluitend van start bij indiening van een kennisgeving met een nieuwe beoordeling van de marktafbakening en van aanmerkelijke marktmacht. Louter met een kennisgeving van nieuwe of gewijzigde regelgevende maatregelen die worden opgelegd op basis van een voorgaande en ongewijzigde marktanalyse, wordt niet aan die verplichting voldaan. In het geval van dynamische markten dient de maximale toegestane periode tussen marktanalyses echter beperkt te blijven tot drie jaar. Een markt wordt geacht dynamisch te zijn indien de parameters die worden toegepast om te bepalen of verplichtingen moeten worden opgelegd of opgeheven, met inbegrip van technologische ontwikkeling en het vraagpatroon van eindgebruikers, zich mogelijk zodanig kunnen ontwikkelen dat de analyse binnen een termijn van een jaar tot andere conclusies leidt voor een aanzienlijk aantal geografische gebieden die ten minste 10 % van de markt uitmaken.

(163)  Het opleggen van een specifieke verplichting aan een onderneming met een aanmerkelijke marktmacht vereist geen extra marktanalyse, maar wel een verantwoording dat de verplichting in kwestie passend en evenredig aan de aard van het probleem op de desbetreffende markt ▌ is.

(164)  Bij de beoordeling van de evenredigheid van de op te leggen verplichtingen en voorwaarden houden de nationale regelgevende instanties rekening met de verschillende mededingingsvoorwaarden in de verschillende regio's in hun lidstaat en nemen zij in het bijzonder de resultaten van het overeenkomstig deze richtlijn uitgevoerde geografische onderzoek in acht.

(165)  Bij de overweging of maatregelen om de prijzen in de hand te houden wordt opgelegd, en zo ja, in welke vorm, moeten de nationale regelgevende instanties voor een specifiek nieuw investeringsproject een billijke beloning voor de investeerder mogelijk maken. Met name kunnen risico's verbonden zijn aan investeringsprojecten die specifiek zijn voor nieuwe toegangsnetwerken die producten steunen waarvoor de vraag op het moment van investeren onzeker is.

(166)  Door middel van beoordelingen van aan exploitanten die zijn aangewezen als exploitanten met aanmerkelijke marktmacht in het tijdsbestek van een marktanalyse opgelegde verplichtingen, moeten de nationale regelgevende instanties in staat zijn rekening te houden met de impact van nieuwe ontwikkelingen op de concurrentievoorwaarden, bijvoorbeeld van recentelijk gesloten vrijwillige overeenkomsten tussen exploitanten, zoals overeenkomsten inzake toegang en mede-investeringen, waardoor wordt voorzien in de flexibiliteit die in het bijzonder noodzakelijk is in de context van langere regelgevingscycli. Een soortgelijke redenering dient van toepassing te zijn bij onvoorzienbare beëindiging van commerciële overeenkomsten. Indien een dergelijke beëindiging zich voordoet op een gedereguleerde markt, kan een nieuwe marktanalyse noodzakelijk zijn.

(167)  Transparantie van de eisen en voorwaarden inzake toegang en interconnectie, ook wat prijzen betreft, bespoedigt onderhandelingen, helpt conflicten voorkomen en zorgt ervoor dat de marktpartijen erop vertrouwen dat een dienst niet op discriminerende voorwaarden wordt verleend. Openheid en transparantie van technische interfaces kan van bijzonder belang zijn voor de interoperabiliteit. Als een nationale regelgevende instantie de verplichting oplegt om informatie openbaar te maken, mag zij eveneens preciseren hoe de informatie beschikbaar moet worden gesteld, alsook of de informatie al dan niet gratis is, rekening houdend met het soort informatie en het doel ervan.

(168)  Gezien de verscheidenheid van de netwerktopologieën, toegangsproducten en marktomstandigheden die sinds 2002 zijn ontstaan, kunnen de doelstellingen van bijlage II bij Richtlijn 2002/19/EG, met betrekking tot de ontbundeling van het lokale netwerk, en toegangsproducten voor aanbieders van digitale televisie- en radiodiensten, beter en op een meer flexibele wijze worden verwezenlijkt door richtsnoeren te verstrekken inzake de minimumcriteria voor een referentieaanbod, die door Berec opgesteld en op gezette tijden bijgewerkt worden. Bijlage II bij Richtlijn 2002/19/EG moet daarom worden geschrapt.

(169)  Het beginsel van non-discriminatie zorgt ervoor dat ondernemingen met een aanmerkelijke marktmacht geen concurrentievervalsing veroorzaken, met name wanneer het verticaal geïntegreerde ondernemingen betreft die diensten verlenen aan ondernemingen waarmee zij op downstream-markten concurreren.

(170)  Om discriminerend gedrag op grond van andere factoren dan de prijs aan te pakken en te voorkomen, is Equivalence of Inputs (EoI) in beginsel de beste manier om tot doeltreffende bescherming tegen discriminatie te komen. Anderzijds is het waarschijnlijk dat het aanbieden van gereguleerde wholesale-inputs op EoI-basis leidt tot hogere nalevingskosten dan bij andere vormen van verplichtingen inzake niet-discriminatie. Die hogere nalevingskosten moeten worden afgewogen tegen de voordelen van scherpere concurrentie downstream, en van de relevantie van garanties op het gebied van niet-discriminatie in omstandigheden waarin de exploitant met aanmerkelijke marktmacht niet wordt onderworpen aan rechtstreekse prijscontrole. Met name kunnen de nationale regelgevende instanties in overweging nemen dat het aanbieden van wholesale-inputs via nieuwe systemen naar verwachting voldoende nettovoordelen zal opleveren en dat de incrementele nalevingskosten om te waarborgen dat de nieuwe aangelegde systemen aan de EoI-eisen voldoen lager zijn, zodat er aan het evenredigheidsbeginsel wordt voldaan. Anderzijds moeten de nationale regelgevende instanties ook rekening houden met mogelijke negatieve prikkels voor de uitrol van nieuwe systemen in vergelijking met meer incrementele moderniseringen, indien het eerstgenoemde zou worden onderworpen aan meer beperkende regelgevingsverplichtingen. In lidstaten met een groot aantal kleinschalige AMM-exploitanten, kan het onevenredig zijn om EoI aan al deze exploitanten op te leggen.

(171)  Gescheiden boekhoudingen maken het mogelijk overboekingen van prijselementen zichtbaar te maken en stellen de nationale regelgevingsinstanties in staat de naleving van de verplichtingen inzake non-discriminatie te toetsen. In dit verband heeft de Commissie Aanbeveling 2005/698/EG van 19 september 2005 inzake scheiding van boekhoudingen en kostenberekeningssystemen gepubliceerd.

(172)  Civieltechnische activa waarvan een elektronische-communicatienetwerk gebruikmaakt zijn van essentieel belang voor de geslaagde uitrol van nieuwe netwerken ▌vanwege de hoge kosten voor het dupliceren van die activa, en de significante besparingen die kunnen worden verwezenlijkt wanneer deze kunnen worden hergebruikt. Daarom is, als aanvulling op de in Richtlijn 2014/61/EU vastgestelde voorschriften inzake fysieke infrastructuur, een specifieke maatregel nodig wanneer civieltechnische activa eigendom zijn van een exploitant die is aangewezen als exploitant met aanmerkelijke marktmacht. Wanneer civieltechnische activa beschikbaar en herbruikbaar zijn, is het effect van de totstandbrengingen van daadwerkelijke toegang tot deze activa op de uitrol van concurrerende infrastructuur uiterst positief, en het is daarom noodzakelijk te waarborgen dat de toegang tot dergelijke activa kan worden gebruikt als op zichzelf staande maatregel voor de verbetering van de concurrentie- en implementatiedynamiek op alle downstreammarkten, hetgeen in overweging moet worden genomen voordat de noodzaak om andere potentiële corrigerende maatregelen op te leggen wordt beoordeeld, en niet enkel als aanvullende maatregel op andere wholesaleproducten of -diensten, of als maatregel die is beperkt tot ondernemingen die over dergelijke andere wholesaleproducten of -diensten beschikken. Bestaande activa moeten niet geacht worden beschikbaar te zijn voor hergebruik wanneer technische of fysieke beperkingen de daadwerkelijke toegang tot deze activa belemmeren. De nationale regelgevende instanties moeten de waarde van herbruikbare civieltechnische activa bepalen aan de hand van de wettelijk voorgeschreven boekwaarde, zonder de cumulatieve afschrijvingen op het tijdstip van de berekening en geïndexeerd op basis van een toepasselijke prijsindex, zoals de consumentenprijzenindex, waarbij gedurende een periode van ten minste 40 jaar volledig afgeschreven activa worden uitgesloten die nog worden gebruikt.

(173)  Bij het opleggen van verplichtingen voor de toegang tot nieuwe en betere infrastructuur moeten de nationale regelgevende instanties ervoor zorgen dat de voorwaarden voor de toegang de omstandigheden weerspiegelen die aan het besluit tot investering ten grondslag lagen en onder meer rekening houden met de ontwikkelingskosten, de verwachte aanvaarding van de nieuwe producten en diensten en het verwachte prijsniveau voor de consument. Bovendien moeten de nationale regelgevende instanties, om de investeerders zekerheid over hun planning te bieden, in staat zijn zo nodig voorwaarden voor de toegang vast te stellen die consistent zijn gedurende geschikte herzieningsperioden. Indien prijscontrole passend wordt geacht, kunnen deze voorwaarden ook prijsafspraken inhouden die overeenkomstig het Unierecht afhangen van de omvang of duur van een contract, en mits deze niet discriminerend werken. Bij de opgelegde voorwaarden voor de toegang moet rekening worden gehouden met de noodzaak om daadwerkelijke concurrentie bij de dienstverlening aan consumenten en bedrijven in stand te houden.

(174)  Het verplicht opleggen van het verlenen van toegang tot de netwerkinfrastructuur, zoals tot niet-geactiveerde glasvezel, kan verantwoord zijn als een middel om de concurrentie te vergroten, maar de nationale regelgevende instanties moeten de rechten van een infrastructuureigenaar om zijn infrastructuur te eigen bate te exploiteren afwegen tegen de rechten van andere dienstenaanbieders om toegang te krijgen tot faciliteiten die voor hen van essentieel belang zijn om concurrerende diensten te kunnen aanbieden.

(175)  ▌.

(176)  Wanneer exploitanten verplicht zijn om in te gaan op redelijke verzoeken om toegang tot en gebruik van bepaalde netwerkonderdelen en bijbehorende faciliteiten, kunnen dergelijke verzoeken alleen afgewezen worden op basis van objectieve criteria als technische haalbaarheid of de noodzaak om de integriteit van het netwerk te handhaven. In geval van weigering van toegang kan de benadeelde partij de zaak ter beslechting volgens de procedures van de artikelen 27 en 28 voorleggen. Van een exploitant met verplichtingen inzake machtiging tot toegang kan niet geëist worden dat hij vormen van toegang verleent die niet onder zijn bevoegdheid vallen . Dat de nationale regelgevende instanties het verlenen van toegang verplicht stellen om op korte termijn de concurrentie te bevorderen, mag er niet toe leiden dat concurrenten minder gestimuleerd worden om te investeren in alternatieve faciliteiten die op langere termijn voor meer duurzame concurrentie en/of betere prestaties en meer voordelen voor de eindgebruiker zullen zorgen. De nationale regelgevende instanties kunnen de aanbieder en/of houders van een machtiging tot toegang overeenkomstig de wetgeving van de Unie technische en operationele voorwaarden stellen. Met name het opleggen van technische voorwaarden moet voldoen aan Richtlijn 1535/2015/EU .

(177)  Prijscontrole kan noodzakelijk zijn wanneer uit de analyse van een specifieke markt blijkt dat er sprake is van inefficiënte concurrentie. Met name dienen exploitanten met een aanzienlijke marktmacht zich ervan te onthouden zodanige prijzen te hanteren dat het verschil tussen hun detailprijzen en de interconnectieprijzen en/of toegangsprijzen die zij aanrekenen aan concurrenten die op detailhandelsniveau vergelijkbare diensten aanbieden, onvoldoende is om een duurzame concurrentie te waarborgen. Wanneer een nationale regelgevende instantie de kosten berekent die worden verricht om een dienst tot stand te brengen waarvoor krachtens deze richtlijn een machtiging is verleend, is het wenselijk een redelijke opbrengst toe te staan uit het geïnvesteerde kapitaal, met inbegrip van relevante arbeidskosten en bouwkosten, indien nodig na aanpassing van de waarde van het kapitaal aan de actuele waarde van de activa en de efficiëntie van de bedrijfsvoering. De methode voor het terugverdienen van de kosten moet aangepast zijn aan de omstandigheden, rekening houdend met de noodzaak om efficiëntie, duurzame concurrentie en de implementatie van netwerken met zeer hoge capaciteit te bevorderen en daardoor de voordelen voor de eindgebruikers te maximaliseren, waarbij de noodzaak van voorspelbare en stabiele wholesaleprijzen ten behoeve van alle exploitanten die beogen nieuwe en verbeterde netwerken te implementeren in acht moet worden genomen en de richtsnoeren van de Commissie(27) moeten worden toegepast.

(178)  Aangezien onzeker is hoe snel de vraag naar de levering van breedbanddiensten van de volgende generatie toeneemt, is het vanuit het oogpunt van de bevordering van efficiënte investeringen en innovatie van belang dat dergelijke exploitanten die in nieuwe of gemoderniseerde netwerken investeren over een bepaalde mate van flexibiliteit wat betreft prijsstelling beschikken. Om buitensporige prijzen te voorkomen op markten met exploitanten die zijn aangewezen als exploitanten met aanmerkelijke marktmacht, dient flexibiliteit wat betreft prijsstelling vergezeld te gaan van aanvullende waarborgen ter bescherming van de concurrentie en de belangen van de eindgebruiker, zoals strikte verplichtingen inzake niet-discriminatie, maatregelen ter waarborging van de technische en economische repliceerbaarheid van downstreamproducten, en een aantoonbare retailprijsbeperking als gevolg van concurrentie op infrastructuurgebied of een prijsanker dat afkomstig is van andere gereguleerde toegangsproducten, of beide. Dergelijke waarborgen betreffende concurrentie doen geen afbreuk aan de constatering door de nationale regelgevende instanties van andere omstandigheden waarin het passend zou zijn geen gereguleerde toegangsprijzen voor bepaalde wholesale-inputs op te leggen, bijvoorbeeld wanneer het door een grote mate van prijselasticiteit van de vraag van eindgebruikers voor de exploitant met aanmerkelijke marktmacht niet winstgevend is om prijzen te berekenen die aanzienlijk boven het concurrerende niveau liggen.

(179)  Wanneer een nationale regelgevende instantie de invoering van een kostentoerekeningssysteem verplicht stelt met het oog op prijscontrole, mag zij zelf een jaarlijkse controle uitvoeren om te garanderen dat het kostentoerekeningssysteem wordt nageleefd als zij daartoe over het nodige gekwalificeerde personeel beschikt, of kan zij de controle laten uitvoeren door een andere gekwalificeerde instantie die onafhankelijk is van de betrokken exploitant.

(180)  Het tariferingsysteem in de Unie is gebaseerd op Calling Party Network Pays. Uit een analyse van de substitueerbaarheid aan de vraag- en de aanbodzijde blijkt dat er momenteel en in de nabije toekomst geen substituten op wholesaleniveau zijn waardoor de vaststelling van de tarieven voor afgifte in een bepaald netwerk zou kunnen worden beperkt. Gelet op het feit dat afgiftemarkten toegankelijk zijn vanuit twee richtingen vormt ook kruissubsidiëring tussen exploitanten een potentieel concurrentieprobleem. Dit potentiële concurrentieprobleem kan zich voordoen bij zowel vaste als mobiele gespreksafgiftemarkten. Omdat het in het belang van de exploitanten van gespreksafgifte is om de prijzen vast te stellen op een niveau dat ver boven de kosten ligt, wordt kostenoriëntatie beschouwd als de meest geschikte oplossing op middellange termijn.

(181)  Teneinde de regelgevingsdruk bij het aanpakken van de concurrentieproblemen in verband met wholesale-gespreksafgifte in de hele Unie consistent te verlagen, moet met deze richtlijn een gemeenschappelijke benadering worden vastgesteld die als basis dient voor het bepalen van verplichtingen inzake prijscontrole, hetgeen moet worden afgerond met een bindende gemeenschappelijke, door de Commissie te bepalen methodologie en met technische richtsnoeren die door Berec moeten worden ontwikkeld.

(182)  Wholesalegespreksafgiftetarieven in vaste en mobiele markten in de Unie worden vastgesteld door middel van een gedelegeerde handeling, teneinde de vaststelling ervan te vereenvoudigen en de oplegging ervan in voorkomend geval te vergemakkelijken. Met deze richtlijn worden gedetailleerde criteria en parameters vastgesteld op basis waarvan de waarden van gespreksafgiftetarieven worden bepaald. Bij de toepassing van deze reeks criteria en parameters dient de Commissie er onder meer rekening mee te houden dat alleen kosten moeten worden opgenomen die incrementeel zijn voor de levering van wholesalegespreksafgiftediensten, dat spectrumvergoedingen abonnee- en niet verkeersgerelateerd zijn en daarom niet moeten worden opgenomen, en dat aanvullend spectrum voornamelijk wordt toegewezen voor gegevens en daarom niet relevant is voor het gespreksafgifte-increment, dat wordt erkend dat in mobiele netwerken een minimale efficiënte schaal weliswaar wordt geraamd op een marktaandeel van ten minste 20 %, maar in vaste netwerken kleinere exploitanten dezelfde mate van efficiëntie kunnen behalen en tegen dezelfde kosten per eenheid als de efficiënte exploitant kunnen produceren, ongeacht hun omvang. Bij het vaststellen van het exacte maximumtarief moet de Commissie voldoende waarde toekennen aan het totale aantal eindgebruikers in elke lidstaat, wanneer dat vereist is vanwege resterende verschillen in de kosten. Wanneer de Commissie dit tarief vaststelt, dient zij rekening te houden met de waardevolle ervaring die Berec en de nationale regelgevende instanties hebben opgedaan met het opstellen van kostenmodellen. De afgiftetarieven zijn in de gehele Unie gestaag gedaald en zullen naar verwachting blijven dalen. Wanneer de Commissie in de eerste gedelegeerde handeling die zij krachtens deze richtlijn vaststelt de maximale afgiftetarieven bepaalt, dient zij eventuele ongerechtvaardigde uitzonderlijke nationale afwijkingen van deze trend niet in overweging te nemen.

(183)  ▌.

(184)  Aangezien momenteel onzeker is hoe snel de vraag naar breedbanddiensten met een zeer hoge capaciteit toeneemt, en wanneer algemene schaal- en dichtheidsvoordelen zich voordoen, zouden overeenkomsten inzake mede-investeringen significante voordelen kunnen bieden wat betreft het bundelen van kosten en risico's, waardoor kleinere exploitanten in staat zijn op in economisch opzicht rationele voorwaarden te investeren, zodat duurzame concurrentie op lange termijn wordt bevorderd, onder meer in gebieden waar concurrentie op basis van infrastructuur wellicht niet efficiënt is ▌.

(185)  Met functionele scheiding waarbij een verticaal geïntegreerde exploitant operationeel gescheiden bedrijfseenheden moet oprichten, wil men bewerkstelligen dat alle downstreamexploitanten, met inbegrip van de eigen downstreamafdelingen van de verticaal geïntegreerde exploitant, volledig gelijkwaardige toegangsproducten kunnen worden geleverd. Met functionele scheiding kan de concurrentie in verschillende relevante markten worden verbeterd door discriminatie minder aantrekkelijk te maken en door het makkelijker te maken om na te gaan of de niet-discriminatieverplichtingen worden nageleefd en door hierop toezicht te houden. In uitzonderlijke gevallen kan het worden toegestaan als instrument wanneer men er maar niet in slaagt binnen een redelijke termijn in verschillende markten een situatie te verwezenlijken waarin geen discriminatie plaatsvindt en waar geen of weinig vooruitzicht is op concurrentie op infrastructuurgebied en men reeds een beroep heeft gedaan op een of meer andere maatregelen die eerder geschikt werden geacht. Het is uiterst belangrijk ervoor te zorgen dat met het opleggen van dit instrument de prikkels van de onderneming in kwestie om te investeren in haar netwerk niet worden weggenomen en negatieve gevolgen te voorkomen voor het welzijn van de consument. Het opleggen van functionele scheiding vereist een gecoördineerde analyse van verschillende relevante markten die verband houden met het toegangsnetwerk, in overeenstemming met de in artikel 67 beschreven marktanalyseprocedure. Bij het uitvoeren van de marktanalyse en het bepalen van de details van de maatregel, moeten de nationale regelgevende instanties met name aandacht besteden aan de producten die door de afzonderlijke bedrijfseenheden worden beheerd, rekening houdend met de uitrol van de netwerken en de mate van technologische vooruitgang, die van invloed kunnen zijn op de substitueerbaarheid van vaste en draadloze diensten. Om verstoring van de concurrentie op de interne markt te vermijden is voorafgaande goedkeuring van de voorstellen voor functionele scheiding door de Commissie vereist.

(186)  De tenuitvoerlegging van functionele scheiding betekent niet dat er geen passende coördinatiemechanismen moeten zijn tussen de afzonderlijke bedrijfseenheden om er voor te zorgen dat de rechten van de moedermaatschappij op economisch toezicht en beheerstoezicht beschermd worden.

(187)  Wanneer een verticaal geïntegreerde onderneming een groot deel of alle plaatselijke toegangsnetwerkactiva wil onderbrengen in een afzonderlijk rechtspersoon met een andere eigenaar of door een afzonderlijke bedrijfseenheid op te richten die zich bezighoudt met toegangsproducten, moet de nationale regelgevende instantie nagaan welk effect de beoogde transactie, inclusief alle door die onderneming aangeboden verbintenissen inzake toegang , heeft op de bestaande regelgevingsverplichtingen die zijn opgelegd aan de verticaal geïntegreerde exploitant om ervoor te zorgen dat eventuele nieuwe regelingen verenigbaar zijn met deze richtlijn. De desbetreffende nationale regelgevende instantie moet een nieuwe analyse uitvoeren van de markten waarop de gescheiden eenheid actief is en dienovereenkomstig verplichtingen opleggen, handhaven, wijzigen of intrekken. Hiertoe moet de nationale regelgevende instantie de onderneming kunnen verzoeken informatie te verstrekken.

(188)  Bindende verbintenissen kunnen zorgen voor meer voorspelbaarheid en transparantie binnen het proces van vrijwillige scheiding door een verticaal geïntegreerde onderneming die is aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht op één of meer relevante markten, doordat het proces van de uitvoering van de beoogde scheiding wordt geschetst, bijvoorbeeld doordat wordt voorzien in een stappenplan voor de uitvoering met duidelijke mijlpalen en voorspelbare consequenties indien bepaalde mijlpalen niet worden bereikt. De nationale regelgevende instanties dienen de tot stand gekomen verbintenissen te beschouwen vanuit een toekomstgericht oogpunt van duurzaamheid, met name wanneer zij de periode bepalen waarvoor deze bindend worden gemaakt, en zij dienen rekening te houden met de waarde die de belanghebbenden tijdens de openbare raadpleging hebben gehecht aan stabiele en voorspelbare marktomstandigheden.

(189)  De verbintenissen kunnen de aanwijzing van een monitoring trustee omvatten, wiens identiteit en mandaat moeten worden goedgekeurd door de nationale regelgevende instantie, alsmede de verplichting voor de exploitant die de verbintenissen aanbiedt om op gezette tijden uitvoeringsverslagen te verstrekken.

(190)  Eigenaren van netwerken die geen retailmarktactiviteiten hebben en waarvan het bedrijfsmodel derhalve is beperkt tot het aanbieden van wholesalediensten aan anderen, kunnen een gunstige invloed hebben op de totstandbrenging van een bloeiende wholesalemarkt, hetgeen positieve effecten heeft op de downstream retailconcurrentie. Bovendien kan hun bedrijfsmodel aantrekkelijk zijn voor potentiële investeerders in minder vluchtige infrastructuuractiva, met perspectieven op de langere termijn betreffende de implementatie van netwerken met zeer hoge capaciteit. De aanwezigheid van een exploitant die uitsluitend op de wholesalemarkt actief is, heeft echter niet per se daadwerkelijk concurrerende retailmarkten tot gevolg, en exploitanten die uitsluitend op de wholesalemarkt actief zijn kunnen worden aangemerkt als exploitanten met aanmerkelijke marktmacht, met name op productmarkten en geografische markten. De concurrentierisico's die voortvloeien uit het gedrag van exploitanten met uitsluitend op wholesalemarkten gerichte bedrijfsmodellen kunnen kleiner zijn dan bij verticaal geïntegreerde exploitanten, mits het bedrijfsmodel daadwerkelijk uitsluitend op wholesalemarkten is gericht en er geen stimulansen zijn om te discrimineren tussen downstream aanbieders. De reactie van regelgevende aard moet daarom in evenredige mate minder ingrijpend zijn. Anderzijds moeten de nationale regelgevende instanties in staat zijn om in te grijpen indien zich concurrentieproblemen voordoen waaronder de eindgebruikers te lijden hebben.

(191)  Om de migratie van legacy-kopernetwerken naar netwerken van de volgende generatie te vergemakkelijken, hetgeen in het belang van de eindgebruiker is, moeten de nationale regelgevende instanties in staat zijn om toezicht te houden op de initiatieven die netwerkexploitanten op dit gebied ontplooien, en om, indien vereist, een passend migratieproces vast te stellen, bijvoorbeeld door middel van kennisgeving, transparantie en aanvaardbare ▌toegangsproducten, zodra het voornemen en de bereidheid van de eigenaar van het netwerk om het kopernetwerk buiten bedrijf te stellen duidelijk is aangetoond. Teneinde ongerechtvaardigde vertragingen met betrekking tot de migratie te voorkomen, moeten de nationale regelgevende instanties de bevoegdheid hebben toegangsverplichtingen in verband met het kopernetwerk in te trekken, zodra een adequaat migratieproces is vastgesteld. Toegangvragende partijen die migreren van toegangsproducten op basis van een legacy-infrastructuur naar een toegangsproduct op basis van een geavanceerdere technologie of geavanceerder medium moeten, indien zij dit wensen, hun toegang kunnen opwaarderen naar om het even welk gereguleerd product met een hogere capaciteit, maar hogen hier niet toe worden verplicht. In het geval van een opwaardering moeten toegangvragende partijen voldoen aan de wettelijke voorwaarden voor toegang tot een toegangsproduct met een hogere capaciteit, zoals door de nationale regelgevende instanties in de marktanalyse is vastgesteld.

(192)   De liberalisering van de telecommunicatiesector en de toenemende concurrentie en keuzemogelijkheden op het gebied van communicatiediensten gaan hand in hand met een parallelle actie tot invoering van een geharmoniseerd regelgevingskader dat de levering van de universele dienst moet garanderen. Het concept van de universele dienst moet evolueren teneinde gelijke tred te houden met de technologische vooruitgang, de marktontwikkelingen en de veranderingen in de behoeften van de gebruiker.

(193)  Krachtens artikel 169 van het Verdrag betreffende werking van de Europese Unie dient de Unie bij te dragen tot de bescherming van de consumenten.

(194)  Universele dienstverlening is een vangnet waarmee wordt gewaarborgd dat een reeks minimumdiensten voor alle consumenten tegen een redelijke prijs beschikbaar is, aangezien het risico op sociale uitsluiting door het ontbreken van dergelijke toegang ertoe kan leiden dat burgers op sociaal en economisch vlak niet volledig aan de maatschappij kunnen deelnemen.

(195)  Basisbreedbandinternettoegang is nagenoeg universeel beschikbaar in de hele Unie en wordt op zeer grote schaal gebruikt voor uiteenlopende activiteiten. Het algehele gebruikspercentage blijft echter achter bij de beschikbaarheid, aangezien er nog steeds burgers zijn die geen aansluiting hebben omdat zij niet zijn ingelicht, vanwege de kosten en het ontbreken van de nodige vaardigheden, en omdat zij daarvoor hebben gekozen. Betaalbare functionele internettoegang is momenteel van cruciaal belang voor de maatschappij en de economie in bredere zin. Het biedt de basis voor deelname aan de digitale economie en maatschappij door middel van essentiële online-internetdiensten.

(196)  Een fundamentele eis die aan een universele dienst moet worden gesteld, is dat wordt gewaarborgd dat alle consumenten tegen een redelijke prijs toegang hebben tot beschikbare ▌ internettoegang en spraakcommunicatiediensten, ten minste op een vaste locatie ▌. Er mogen echter geen beperkingen worden gesteld aan de technische middelen waarmee de aansluiting op een vaste locatie wordt gerealiseerd, zodat zowel draadverbindingen als draadloze verbindingen mogelijk zijn, noch beperkingen ten aanzien van de categorie exploitanten die alle universeledienstverplichtingen of een gedeelte daarvan vervullen. In dit verband moet er in het bijzonder op worden toegezien dat eindgebruikers met een handicap gelijkwaardige toegang hebben. De lidstaten moeten ook over de mogelijkheid beschikken om te zorgen voor de betaalbaarheid voor burgers die zich verplaatsen, wanneer zij dit nodig achten om hun volledige deelname aan de maatschappij op sociaal en economisch vlak te waarborgen.

(197)   De snelheid van de toegang tot internet voor een willekeurige gebruiker kan afhankelijk zijn van een aantal factoren, zoals van de aanbieder(s) van internettoegang alsmede van de specifieke toepassing waarvoor een aansluiting wordt gebruikt. De beschikbaarheid van een betaalbare breedband internettoegangsdienst die wordt verstrekt uit hoofde van de universeledienstverplichting moet afdoende zijn om de toegang tot en het gebruik van tenminste een minimale hoeveelheid basisinternetdiensten en minimale bandbreedte te ondersteunen die overeenkomen met het gemiddelde gebruik van dergelijke diensten door een meerderheid van de bevolking, met als doel het bieden van een adequaat niveau van sociale inclusie en participatie in de digitale maatschappij en economie. Het is aan de nationale regelgevende instanties om overeenkomstig de Berec-richtsnoeren te bepalen op welke wijze het leveren van de bandbreedte die nodig is om ten minste een dergelijke minimumlijst van diensten te ondersteunen, het best kan worden gewaarborgd en tegelijkertijd te trachten rekening te houden met de voor het merendeel van de bevolking van een lidstaat of delen daarvan beschikbare internettoegangscapaciteit. Zij kunnen bijvoorbeeld capaciteit definiëren in termen van minimumeisen voor de kwaliteit van de dienstverlening, met inbegrip van minimumvereisten voor bandbreedte en datavolumes. De vereisten van het Unierecht inzake open internet, met name als bepaald in Verordening (EU) nr. 2015/2120 van het Europees Parlement en de Raad(28), moeten van toepassing zijn op dergelijke internettoegangsdiensten, met inbegrip van alle in het kader van de universeledienstverplichting vastgestelde lijsten van diensten of minimale bandbreedte.

(198)  Consumenten mogen niet worden verplicht om gebruik te maken van diensten die zij niet willen, en daarom moeten de desbetreffende consumenten de mogelijkheid hebben om de betaalbare universele dienst op verzoek te beperken tot spraakcommunicatiediensten.

(199)   De nationale regelgevende instanties moeten in staat zijn de evolutie en het niveau van de tarieven voor eindgebruikers voor diensten die binnen de werkingssfeer van de universeledienstverplichtingen vallen te monitoren. De monitoring moet zo plaatsvinden dat hierdoor geen bovenmatige administratieve lasten aan de nationale regelgevende instanties of aan de aanbieders van deze dienst worden opgelegd.

(200)  Een betaalbare prijs betekent een prijs die de lidstaten op nationaal niveau bepalen in het licht van specifieke nationale omstandigheden en moet de vaststelling van speciale sociale tariefopties of pakketten omvatten die zijn afgestemd op de behoeften van gebruikers met lage inkomens of gebruikers met bijzondere sociale behoeften. Tot deze eindgebruikers kunnen ouderen en personen met een handicap behoren evenals consumenten die in plattelands- of geografisch geïsoleerde gebieden wonen. Deze aanbiedingen moeten met basiskenmerken worden gedaan, om te voorkomen dat de marktwerking wordt verstoord en om hun recht op toegang tot openbaar beschikbare elektronische-communicatiediensten te garanderen. Voor consumenten moet betaalbaarheid gebaseerd zijn op hun recht om een overeenkomst te sluiten met een aanbieder, de beschikbaarheid van een nummer, de blijvende verbinding van de dienst en hun vermogen om hun uitgaven te controleren en te beheersen.

(201)  Het mag niet langer mogelijk zijn consumenten toegang te weigeren tot het minimumpakket van connectiviteitsdiensten. Het recht om een overeenkomst te sluiten met een aanbieder moet betekenen dat consumenten die te maken zouden kunnen krijgen met afwijzing, in het bijzonder die met een laag inkomen of bijzondere sociale behoeften, de mogelijkheid moeten hebben om een contract te sluiten voor de levering van betaalbare internettoegangs- en spraakcommunicatiediensten, ten minste op een vaste locatie met een aanbieder die dergelijke diensten verleent op die locatie. Om de financiële risico's, zoals niet-betaling van rekeningen, tot een minimum te beperken, moeten aanbieders vrij zijn om de overeenkomst aan te bieden onder voorafbetalingsvoorwaarden, op basis van betaalbare individuele vooraf betaalde eenheden.

(202)  Om ervoor te zorgen dat burgers bereikbaar zijn via spraakcommunicatiediensten, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat een telefoonnummer beschikbaar is voor een redelijke termijn, ook tijdens perioden waarin de spraakcommunicatiediensten niet worden gebruikt. Aanbieders moeten de mogelijkheid hebben om mechanismen in te stellen om na te gaan of de consument nog steeds geïnteresseerd is in de beschikbaarheid van het nummer.

(203)  Het vergoeden van de aanbieders die onder zulke omstandigheden in dergelijke diensten voorzien, hoeft niet tot concurrentieverstoring te leiden indien de specifieke nettokosten van dergelijke ondernemingen worden vergoed en de nettolast gecompenseerd wordt op een uit mededingingsoogpunt neutrale wijze.

(204)  Om de behoefte aan maatregelen inzake betaalbaarheid te kunnen beoordelen, moeten de nationale regelgevende instanties in staat zijn toezicht te houden op de ontwikkelingen en details van de aangeboden tariefopties of pakketten voor consumenten met een laag inkomen of bijzondere sociale behoeften.

(205)  Wanneer aanvullende maatregelen naast de sociaaltariefopties of pakketten die door aanbieders worden aangeboden, op zich ontoereikend zijn voor het waarborgen van de betaalbaarheid voor alle consumenten met een laag inkomen of bijzondere behoeften, moet de lidstaat die consumenten rechtstreekse aanvullende steun kunnen geven, zoals vouchers voor dergelijke consumenten of rechtstreekse betalingen aan de aanbieders. Dit kan een geschikt alternatief vormen voor andere maatregelen, gelet op de noodzaak om verstoringen van de markt tot een minimum te beperken.

(206)  De lidstaten zouden maatregelen moeten nemen om te bevorderen dat er een markt ontstaat voor betaalbare producten en diensten, met functies voor consumenten met een handicap, waarbij een universeel-ontwerpaanpak wordt gehanteerd, indien passend inclusief uitrusting met hulptechnologie die interoperabel is met openbaar beschikbare elektronische-communicatiediensten en -uitrusting. Dat is onder meer mogelijk door verwijzing naar Europese normen, zoals Europese norm EN 301 549 V1.1.2 (2015-04) of door invoering van eisen overeenkomstig Richtlijn xxx/YYYY/EU van het Europees Parlement en de Raad▌(29). De lidstaten moeten geschikte maatregelen nemen overeenkomstig de nationale situatie, wat hun de flexibiliteit geeft om specifieke maatregelen te nemen, bijvoorbeeld wanneer de markt geen betaalbare producten en diensten levert met functies voor consumenten met een handicap in normale economische omstandigheden. De gemiddelde kostprijs van de bemiddelingsdiensten voor consumenten met een handicap moet gelijk zijn aan die van de spraakcommunicatiediensten teneinde consumenten met een handicap niet te benadelen. De nettokosten van verleners van relaydiensten moeten worden vergoed op basis van artikel 84.

(207)  Voor datacommunicatie met datasnelheden die toereikend zijn voor ▌toegang tot internet, zijn vaste aansluitingen bijna universeel beschikbaar en worden deze gebruikt door een meerderheid van de burgers in de hele Unie. In 2015 was er voor 97 % van de woningen standaard breedbanddekking/beschikbaarheid in de EU, met een gemiddelde benuttingsgraad van 72 %, en de diensten op basis van draadloze technologieën hebben zelfs nog een groter bereik. Er zijn echter verschillen tussen de lidstaten wat betreft de beschikbaarheid en betaalbaarheid van vaste breedband in stedelijke en plattelandsgebieden.

(208)  De markt heeft een belangrijke rol te vervullen bij het waarborgen van de beschikbaarheid van toegang tot breedbandinternet met voortdurend toenemende capaciteit. In gebieden waar de markt dat niet doet, lijken andere publieke beleidsinstrumenten ter bevordering van de beschikbaarheid van ▌internettoegangsverbindingen in beginsel kosteneffectiever en minder marktverstorend dan universeledienstverplichtingen, bijvoorbeeld het aanwenden van financiële instrumenten, zoals die welke beschikbaar zijn in het kader van het EFSI en de CEF, het gebruik van publieke financiering uit de Europese structuur- en investeringsfondsen, waarbij dekkingsverplichtingen worden gekoppeld aan gebruiksrechten voor radiospectrum ter ondersteuning van de uitrol van breedbandnetwerken in minder dichtbevolkte gebieden en overheidsinvesteringen in overeenstemming met de staatssteunregels van de Unie. Deze richtlijn dient de lidstaten echter de mogelijkheid te bieden universeledienstverplichtingen toe te passen als mogelijke maatregel om de beschikbaarheid van internettoegang te waarborgen indien de betrokken lidstaat dit noodzakelijk acht.

(209)  Wanneer na de uitvoering van een gepaste beoordeling, rekening houdend met het geografisch onderzoek van de netwerkuitrol door de nationale regelgevende instantie, blijkt dat waarschijnlijk noch de markt, noch mechanismen voor overheidsinterventie consumenten in bepaalde gebieden zullen kunnen uitrusten met een verbinding die ▌internettoegangsdiensten, zoals door de lidstaten gedefinieerd overeenkomstig artikel 79, lid 2, en spraakcommunicatiediensten op een vaste locatie mogelijk maakt, moeten de lidstaten in staat zijn om uitzonderlijk verschillende aanbieders of groepen aanbieders van deze diensten aan te wijzen in de verschillende relevante delen van het nationale grondgebied. Universele dienstverplichtingen ter ondersteuning van de beschikbaarheid van functionele internettoegangsdiensten kunnen door de lidstaten worden beperkt tot de hoofdlocatie of verblijfplaats van de consument. Er mogen geen beperkingen worden gesteld aan de technische middelen waarmee de functionele internettoegang en spraakcommunicatiediensten op een vaste locatie worden gerealiseerd, zodat zowel draadverbindingen als draadloze verbindingen mogelijk zijn, noch beperkingen ten aanzien waarvan exploitanten alle universeledienstverplichtingen of een gedeelte daarvan vervullen.

(210)  Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel is het aan de lidstaten om aan de hand van objectieve criteria te beslissen welke ondernemingen als aanbieders van de universele dienst worden aangewezen, waar nodig rekening houdend met de capaciteit en de bereidheid van die ondernemingen om alle universeledienstverplichtingen of een gedeelte daarvan te aanvaarden. Dit sluit niet uit dat de lidstaten in de aanwijzingsprocedure specifieke voorwaarden om redenen van doeltreffendheid kunnen opnemen, zoals onder meer het groeperen van geografische gebieden of componenten of een minimumperiode voor de aanwijzing.

(211)  De kosten voor het waarborgen van de beschikbaarheid van een ▌verbinding waarmee internettoegangsdiensten, zoals gedefinieerd overeenkomstig artikel 79, lid 2, en spraakcommunicatiediensten op een vaste locatie tegen een betaalbare prijs in het kader van de universeledienstverplichtingen mogelijk zijn, moeten worden geraamd, met name door de verwachte financiële lasten voor aanbieders en gebruikers in de elektronische-communicatiesector te evalueren.

(212)  A priori zullen eisen om dekking van het nationale territorium te waarborgen, die worden opgelegd in de aanwijzingsprocedure, waarschijnlijk bepaalde ondernemingen uitsluiten zich kandidaat te stellen als aanbieders van de universele dienst. Het aanwijzen van aanbieders voor universeledienstverplichtingen voor een buitensporig lange of onbepaalde periode kan ook leiden tot een a priori uitsluiting van bepaalde ondernemingen.

(213)  Wanneer een aanbieder die is aangewezen om te zorgen voor de beschikbaarheid op een vaste locatie van functionele internettoegang of spraakcommunicatiediensten, als bedoeld in artikel 81 van deze richtlijn, besluit een tegen de achtergrond van haar verplichting tot universele dienstverlening aanzienlijk deel of het geheel van haar netwerkactiva voor plaatselijke toegang op het nationale grondgebied af te staan aan een afzonderlijke rechtspersoon in ander eindeigendom, moet de nationale regelgevende instantie de gevolgen van de transactie beoordelen om de continuïteit van de verplichtingen tot universele dienstverlening op het geheel of in delen van het nationale grondgebied te waarborgen. Te dien einde moet de nationale regelgevende instantie die de verplichtingen tot universele dienstverlening heeft opgelegd door de aanbieder vóór het afstaan op de hoogte worden gesteld. De beoordeling van de nationale regelgevende instantie mag de afronding van de transactie niet in gevaar brengen.

(214)  Om te zorgen voor stabiliteit en een geleidelijke overgang mogelijk te maken, moeten de lidstaten kunnen blijven zorgen voor het aanbieden van andere universele diensten op hun grondgebied, dan ▌internettoegangs- en spraakcommunicatiediensten op een vaste locatie, die zijn opgenomen in de werkingssfeer van de universele verplichtingen op grond van Richtlijn 2002/22/EG na de inwerkingtreding van deze richtlijn, op voorwaarde dat deze diensten of vergelijkbare diensten niet beschikbaar zijn op normale commerciële voorwaarden. De lidstaten moeten in staat zijn ervoor te zorgen dat op belangrijke toegangspunten tot het land, zoals luchthavens of trein- en busstations, evenals op plekken die in noodgevallen door personen worden gebruikt, zoals ziekenhuizen, politiebureaus en noodlocaties langs de snelweg, wordt voorzien in openbare telefooncellen en toegangspunten voor communicatie, teneinde te voldoen aan de redelijke behoeften van eindgebruikers, met inbegrip van eindgebruikers met een handicap. De mogelijkheid openbare betaaltelefoons, telefoongidsen en telefooninlichtingendiensten te blijven aanbieden in het kader van de universeledienstregeling, zolang de noodzaak daarvan blijft aangetoond, zou de lidstaten de nodige flexibiliteit geven om terdege rekening te houden met de uiteenlopende nationale omstandigheden. De financiering van dergelijke diensten moet echter gebeuren via overheidsmiddelen, zoals voor de overige universeledienstverplichtingen.

(215)  De lidstaten moeten de situatie van consumenten wat betreft hun gebruik van ▌internettoegang en spraakcommunicatiediensten en met name ter zake van de betaalbaarheid blijven volgen. De betaalbaarheid van ▌internettoegang en spraakcommunicatiediensten houdt verband met de informatie die de consumenten ontvangen over de uitgaven voor het gebruik en de relatieve kosten van het gebruik in verhouding tot die van andere diensten, en houdt ook verband met hun vermogen om de uitgaven te beheersen. Betaalbaarheid betekent bijgevolg de consumenten rechten verlenen door verplichtingen op te leggen aan aanbieders. Deze verplichtingen omvatten een bepaald niveau van detaillering van de rekeningen, de mogelijkheid voor consumenten tot selectieve nummerblokkering (zoals dure gesprekken met tariefnummers), de mogelijkheid voor consumenten de uitgaven te beheersen door middel van vooruitbetaling en de mogelijkheid voor consumenten de voorafgaande aansluitkosten te compenseren. Het kan nodig zijn deze maatregelen te herzien en te wijzigen in het licht van de marktontwikkelingen.

(216)  Behalve in het geval van consequent te laat of niet betaalde rekeningen, dienen consumenten die recht hebben op betaalbare tarieven, te worden beschermd tegen onmiddellijke afsluiting van het netwerk op grond van een onbetaalde rekening en, in het bijzonder bij een geschil over hoge rekeningen voor tariefnummers, in afwachting van een regeling van het geschil toegang te behouden tot essentiële spraakcommunicatie diensten. De lidstaten kunnen beslissen dat de toegang alleen gehandhaafd blijft indien de abonnee de huurkosten van de lijn blijft betalen.

(217)  Wanneer het aanbieden van ▌internettoegang en spraakcommunicatiediensten of het aanbieden van andere universele diensten overeenkomstig artikel 82 leidt tot een onredelijke last voor een aanbieder, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de kosten en inkomsten en met de immateriële voordelen van het aanbieden van de betrokken diensten, kan die onredelijke last worden opgenomen in de berekening van de nettokosten van universele verplichtingen.

(218)  De lidstaten moeten, waar nodig, mechanismen voor het financieren van de nettokosten van universeledienstverplichtingen invoeren in gevallen waarin is aangetoond dat de verplichtingen alleen kunnen worden vervuld met verlies of tegen nettokosten die buiten normale commerciële normen vallen. Het is belangrijk ervoor te zorgen dat de nettokosten van universeledienstverplichtingen juist worden berekend en dat de financiering een zo gering mogelijk verstorend effect heeft op de markt en op ondernemingen, en verenigbaar is met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

(219)  Bij het berekenen van de nettokosten van de universele dienst moet naar behoren rekening worden gehouden met kosten en inkomsten alsmede met de immateriële voordelen van het aanbieden van de universele dienst, terwijl geen belemmering mag ontstaan voor het algemene streven naar prijsstructuren die een weergave van de kosten vormen. Nettokosten van universeledienstverplichtingen moeten aan de hand van transparante procedures worden berekend.

(220)  Onder rekening houden met alle immateriële voordelen wordt verstaan dat om de totale financiële kosten te bepalen de financiële raming van de onrechtstreekse voordelen die een onderneming ingevolge haar positie als universeledienstverstrekker geniet, moet worden afgetrokken van de rechtstreekse nettokosten van de universeledienstverplichtingen.

(221)  Ingeval een universeledienstverplichting een onredelijke last voor de onderneming vormt, moeten de lidstaten regelingen voor een efficiënte dekking van de nettokosten kunnen invoeren. De nettokosten van de universeledienstverplichtingen moeten uit overheidsmiddelen worden gefinancierd. In uitzonderlijke gevallen kunnen lidstaten mechanismen vaststellen of handhaven om de nettokosten van de universeledienstverplichtingen te verdelen onder de aanbieders van elektronische communicatienetwerken en -diensten en aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij. Dergelijke mechanismen moeten ten minste om de drie jaar worden herzien om te bepalen welke nettokosten verder moeten worden gedeeld en welke uit overheidsmiddelen moeten worden gecompenseerd. Functionele internettoegang biedt niet alleen voordelen voor de sector elektronische communicatie maar ook voor de bredere online-economie en voor de samenleving als geheel. Het aanbieden van een verbinding die breedbandsnelheden ondersteunt aan een groter aantal eindgebruikers, stelt hen in staat gebruik te maken van onlinediensten en op die manier actief deel te nemen aan de digitale maatschappij. Het waarborgen van dergelijke verbindingen op basis van universele dienstverplichtingen dient op zijn minst evenzeer het publieke belang als de belangen van aanbieders van elektronische communicatie. Daarom moeten de lidstaten de nettokosten van dergelijke verbindingen die breedbandsnelheden ondersteunen als onderdeel van de universele dienst, compenseren met algemene overheidsmiddelen, waaronder onder meer financiering uit algemene overheidsbegrotingen moet worden begrepen.

(222)  Ondernemingen die gebruik maken van een fonds voor de universele dienst, moeten over de specifieke elementen die financiering behoeven, aan de nationale regelgevende instanties voldoende gedetailleerde informatie verschaffen om hun verzoek te verantwoorden. De regelingen van de lidstaten voor de kostenberekening en financiering van universeledienstverplichtingen worden ter kennis gebracht van de Commissie, die nagaat of deze verenigbaar zijn met het Verdrag. De lidstaten moeten zorgen voor daadwerkelijke transparantie en controle op de bedragen die in rekening worden gebracht voor de financiering van universeledienstverplichtingen. De berekening van de nettokosten van het aanbieden van een universele dienst moet gebaseerd zijn op een objectieve en transparante methodologie teneinde te waarborgen dat de meest kosteneffectieve universele dienst wordt aangeboden en gelijke voorwaarden voor marktactoren te bevorderen. Het vooraf, vóór de berekening, bekendmaken van de methodologie die wordt gebruikt om de nettokosten van de individuele universele dienst te berekenen, kan helpen bijdragen aan een grotere transparantie.

(223)  Met het oog op een doeltreffende ondersteuning van het vrije verkeer van goederen, diensten en personen binnen de Unie, moet het mogelijk zijn gebruik te maken van bepaalde nationale nummervoorraden, met name bepaalde niet-geografische nummers, op extraterritoriale wijze, dat wil zeggen buiten het grondgebied van de toekennende lidstaat op het gehele grondgebied van de Unie. In verband met het aanzienlijke risico van fraude met betrekking tot persoonlijke communicatie, moet dergelijk extraterritoriaal gebruik worden toegestaan voor elektronische-communicatiediensten, met uitzondering van persoonlijke communicatiediensten. De lidstaten moeten er derhalve voor zorgen dat het toepasselijke nationale recht, in het bijzonder de voorschriften inzake consumentenbescherming en andere voorschriften inzake het gebruik van nummers, worden gehandhaafd, ongeacht in welke lidstaat de gebruiksrechten voor nummers zijn toegekend. Dat moet ertoe leiden dat de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties van de lidstaten waar een nummer wordt gebruikt, bevoegd zijn om hun nationaal recht toe te passen op de onderneming waaraan het nummer is toegekend. Bovendien moeten de nationale regelgevende instanties van de betrokken lidstaten de mogelijkheid hebben om de nationale regelgevende instantie die verantwoordelijk is voor de toekenning van het nummer, om steun te verzoeken, teneinde hen bij te staan bij de controle op de naleving van de voorschriften die van toepassing zijn in de lidstaten waar het nummer wordt gebruikt. Dergelijke steunmaatregelen moeten afschrikkende sancties inhouden, met name in het geval van een ernstige inbreuk op het recht op extraterritoriaal gebruik voor de nummers die zijn toegekend aan de betrokken onderneming. De lidstaten mogen daarom geen aanvullende vereisten inzake extraterritoriaal gebruik van dergelijke nummers opleggen, aangezien dit het grensoverschrijdende gebruik ervan zou verhinderen en een belemmering voor de interne markt zou vormen; dit mag echter geen afbreuk doen aan de bevoegdheid van de lidstaten om, per geval, de toegang tot nummers of diensten te blokkeren wanneer dat gerechtvaardigd is om redenen van fraude of misbruik. Het extraterritoriaal gebruik van nummers mag geen afbreuk doen aan de voorschriften van de Unie die verband houden met het aanbieden van roamingdiensten, met inbegrip van die welke betrekking hebben op afwijkend gebruik of misbruik van roamingdiensten die onderworpen zijn aan kleinhandelsprijzen en die profiteren van gereguleerde wholesale-roamingtarieven. De lidstaten moeten de mogelijkheid behouden om met derde landen specifieke overeenkomsten te sluiten over extraterritoriaal gebruik van nummervoorraden.

(224)  De lidstaten moeten etherdistributie van nummervoorraden bevorderen om het overstappen tussen aanbieders van elektronische communicatie te vergemakkelijken. Etherdistributie van nummervoorraden maakt de herprogrammering van identificatoren van telecommunicatieapparatuur mogelijk zonder fysieke toegang tot de betrokken toestellen. Deze eigenschap is met name relevant voor diensten tussen machines, dat wil zeggen diensten die een automatische overdracht van gegevens en informatie inhouden tussen toestellen of op software gebaseerde toepassingen met weinig of geen menselijke tussenkomst. Aanbieders van dergelijke diensten voor communicatie tussen machines kunnen mogelijk geen beroep doen op fysieke toegang tot hun apparatuur vanwege het gebruik ervan op afstand, of vanwege het grote aantal gebruikte apparaten of hun gebruikspatroon. Met het oog op de opkomende markt van communicatie tussen machines (M2M) en nieuwe technologieën, moeten de lidstaten trachten te zorgen voor technologische neutraliteit bij de bevordering van etherdistributie.

(225)  De toegang tot nummervoorraden op basis van transparante, objectieve en niet-discriminerende criteria is essentieel voor ondernemingen die in de elektronische-communicatiesector willen concurreren. De lidstaten moeten gebruiksrechten voor nummers kunnen toekennen aan andere ondernemingen dan aanbieders van elektronische-communicatiediensten of -diensten gelet op het toenemende belang van nummers voor uiteenlopende diensten inzake het internet van de dingen. Alle elementen van de nationale nummerplannen zouden door de nationale regelgevende instanties moeten worden beheerd, met inbegrip van de puntcodes die worden gebruikt bij netwerkadressering. Wanneer nummervoorraden in de Unie moeten worden geharmoniseerd om de ontwikkeling van pan-Europese diensten of grensoverschrijdende diensten, met name nieuwe, op communicatie tussen machines gebaseerde diensten, zoals "connected cars", te ondersteunen, en wanneer niet aan de vraag kan worden voldaan op basis van de bestaande nummervoorraden kan de Commissie uitvoeringsmaatregelen nemen met bijstand van Berec.

(226)  Aan de eis om besluiten betreffende de verlening van gebruiksrechten voor nummers bekend te maken, kan worden voldaan door deze besluiten via een website openbaar te maken.

(227)   Gezien de specifieke aspecten betreffende het melden van vermiste kinderen moeten de lidstaten zich blijven inzetten om ervoor te zorgen dat op hun grondgebied daadwerkelijk een goed werkend meldpunt voor vermiste kinderen beschikbaar is op het nummer 116000. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat hun nationaal stelsel wordt beoordeeld op het vlak van de omzetting en tenuitvoerlegging van de richtlijn, met inachtneming van de maatregelen die nodig zijn om een toereikend dienstverleningsniveau te bereiken bij de werking van het nummer 116000 en om de nodige financiële middelen in te zetten voor de werking van dit telefonische meldpunt. De definitie van vermiste kinderen die vallen onder het nummer 116000 moet de volgende categorieën omvatten: weggelopen kinderen, internationale ontvoering van kinderen, vermiste kinderen, ontvoering door ouders, vermiste migrantenkinderen, ontvoering door misdadigers, seksueel misbruik van kinderen en gevallen waarin het leven van een kind op het spel staat.

(227 bis)  Hoewel er sinds de eerste telefonische meldpunten in gebruik werden genomen na het EC-besluit van 2007 inspanningen zijn gedaan om het bewustzijn te vergroten, kampen de telefonische meldpunten nog steeds met een variërende en vaak zeer lage bekendheid in eigen land. Een versterking van de inspanningen van deze meldpunten om het bewustzijn van het nummer en de geboden diensten te vergroten is een belangrijke stap naar een betere bescherming en ondersteuning van vermiste kinderen en naar het voorkomen van vermissingen. Daartoe moeten de lidstaten en de Commissie inspanningen blijven ondersteunen die het nummer 116000 bekender maken bij het publiek en bij de relevante belanghebbenden in nationale stelsels voor kinderbescherming.

(228)  De interne markt houdt in dat de eindgebruikers toegang hebben tot alle nummers die zijn opgenomen in de nationale nummerplannen van andere lidstaten, en toegang krijgen tot diensten met gebruikmaking van niet-geografische nummers , met inbegrip van freephone-nummers en betaalnummers, binnen de Unie , behalve wanneer de opgeroepen eindgebruiker om commerciële redenen ervoor heeft gekozen de toegang vanuit bepaalde geografische gebieden te beperken. Eindgebruikers moeten ook toegang kunnen krijgen tot universele internationale freephone-nummers (UIFN). Er mag geen beperking zijn op de grensoverschrijdende toegang tot nummercapaciteit en de daarmee verband houdende diensten, tenzij in objectief gerechtvaardigde gevallen, bijvoorbeeld wanneer dit nodig is om fraude of misbruik te bestrijden, zoals bij bepaalde betaalnummerdiensten, wanneer het nummer uitsluitend als een nationaal nummer is gedefinieerd (bv. nationale verkorte doorkiesnummers), of wanneer dit technisch of economisch gezien niet haalbaar is. Aan van buiten de betrokken lidstaat oproepende partijen behoeven niet dezelfde tarieven in rekening te worden gebracht als aan van binnen die lidstaat oproepende partijen. De gebruikers moeten van tevoren duidelijk worden geïnformeerd over alle kosten in verband met freephone-nummers, zoals internationale oproepkosten voor nummers die toegankelijk zijn via de standaard internationale oproepcodes.

(229)  De voltooiing van de interne markt voor elektronische communicatie vereist het wegnemen van belemmeringen voor eindgebruikers met betrekking tot de grensoverschrijdende toegang tot elektronische-communicatiediensten binnen de Unie. Aanbieders van elektronische-communicatiediensten aan het publiek mogen eindgebruikers de toegang niet ontzeggen of beperken of hen discrimineren op grond van hun nationaliteit, lidstaat van verblijf of van vestiging. Differentiatie moet echter mogelijk zijn op basis van objectief gerechtvaardigde verschillen in kosten en risico’s, die verder kunnen gaan dan de maatregelen van Verordening 531/2012 ten aanzien van misbruik of afwijkend gebruik van gereguleerde retailroamingdiensten.

(229 bis)  Er blijven zeer aanzienlijke prijsverschillen bestaan, zowel voor vaste als mobiele communicatie, tussen spraak- en sms-communicatie in eigen land en communicatie die in een andere lidstaat wordt afgegeven. Hoewel er aanzienlijke verschillen bestaan tussen landen, aanbieders en tariefpakketten en tussen vaste en mobiele diensten, blijft dit zwakkere consumenten treffen en blijft dit de naadloze communicatie binnen de EU hinderen. Aanzienlijke retailprijsverschillen tussen elektronische-communicatiediensten die in dezelfde lidstaten worden afgegeven en die welke in een andere lidstaat worden afgegeven, moeten daarom worden gerechtvaardigd aan de hand van objectieve criteria.

(230)  De uiteenlopende tenuitvoerlegging van de voorschriften betreffende de bescherming van eindgebruikers heeft geleid tot ernstige belemmeringen voor de interne markt, die gevolgen hebben voor zowel aanbieders als eindgebruikers van elektronische-communicatiediensten. Deze belemmeringen moeten worden weggenomen door de toepassing van dezelfde regels die zorgen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van bescherming genieten in de gehele Unie. Een gekalibreerde volledige harmonisatie van de rechten van de eindgebruiker die onder deze richtlijn vallen, moet aanzienlijk meer rechtszekerheid bieden voor zowel de eindgebruikers als de aanbieders van elektronische-communicatiediensten, en moeten de toegangsdrempels en onnodige nalevingslasten als gevolg van de versnippering van de regelgeving aanzienlijk verlagen. Volledige harmonisatie helpt bij het uit de weg ruimen van belemmeringen op de interne markt als gevolg van dergelijke nationale bepalingen betreffende eindgebruikers, die tegelijkertijd nationale aanbieders beschermen tegen concurrentie uit andere lidstaten. Om een hoog gemeenschappelijk niveau van bescherming te bereiken, moeten verschillende bepalingen betreffende eindgebruikers redelijkerwijs worden verbeterd in deze richtlijn in het licht van de beste praktijken in de lidstaten. Volledige harmonisatie van hun rechten vergroot het vertrouwen van eindgebruikers in de interne markt omdat zij profiteren van een even hoog niveau van bescherming bij het gebruik van elektronische-communicatiediensten, niet alleen in hun eigen land, maar ook wanneer zij in andere lidstaten wonen, werken of reizen. Evenzo dienen aanbieders van elektronische-communicatiediensten ervan te zijn verzekerd dat de bepalingen betreffende eindgebruikers en de algemene machtigingsvoorwaarden niet verschillen ten opzichte van de bepalingen betreffende eindgebruikers. De lidstaten moeten de mogelijkheid behouden om een hoger niveau van bescherming van de eindgebruikers te handhaven, indien deze richtlijn voorziet in een uitdrukkelijke afwijking, en om op te treden op gebieden die niet onder deze richtlijn vallen.

(231)  Contracten vormen een belangrijk hulpmiddel voor eindgebruikers om transparantie van de informatie en rechtszekerheid te waarborgen. De meeste aanbieders van diensten in een concurrerende omgeving sluiten contracten met hun klanten om redenen van commerciële wenselijkheid. Buiten de bepalingen van deze richtlijn zijn de voorschriften van bestaande Unie wetgeving inzake consumentenbescherming met betrekking tot contracten, met name Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende consumentenrechten(30) en Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, van toepassing op consumententransacties met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten. De opneming van informatievereisten in deze richtlijn, die ook vereist zouden kunnen zijn uit hoofde van Richtlijn 2011/83/EU, mag niet leiden tot duplicatie van dezelfde informatie in precontractuele en contractuele documenten. De informatie die in verband met deze richtlijn wordt verstrekt, inclusief eventuele prescriptievere en uitvoerigere informatievereisten, moet worden geacht aan dergelijke vereisten te voldoen uit hoofde van Richtlijn 2011/83/EU.

(232)  De bepalingen over contracten in deze richtlijn moeten ▌ niet alleen van toepassing zijn op consumenten, maar ook op micro- en kleine ondernemingen zoals gedefinieerd in Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie en non-profitorganisaties zoals gedefinieerd in de wetgeving van de lidstaat, van wie de onderhandelingspositie vergelijkbaar is met die van consumenten en die daarom van hetzelfde beschermingsniveau moeten genieten. De bepalingen over contracten, met inbegrip van die welke in Richtlijn 2011/83/EU betreffende consumentenrechten zijn vastgesteld, moeten automatisch van toepassing zijn op die ondernemingen, tenzij zij verkiezen met aanbieders van elektronische-communicatiediensten te onderhandelen over geïndividualiseerde contract voorwaarden. Anders dan micro- en kleine ondernemingen, hebben grotere ondernemingen doorgaans een sterkere onderhandelingspositie en zijn zij daarom niet afhankelijk van dezelfde contractuele-informatievereisten als consumenten. Andere bepalingen, zoals over portabiliteit van nummers, die ook voor grotere ondernemingen van belang zijn, moeten van toepassing blijven op alle eindgebruikers. "Non-profitorganisatie" is een juridische entiteit die geen winst maakt voor zijn eigenaars of leden. Normaal gesproken zijn non-profitorganisaties liefdadigheidsinstellingen of andere soorten organisaties van openbaar belang. Aangezien de situatie van organisaties zonder winstoogmerk vergelijkbaar is met die van micro- en kleine ondernemingen, is het derhalve legitiem om deze organisaties op dezelfde wijze te behandelen als micro- of kleine ondernemingen in het kader van deze richtlijn, wat de rechten van eindgebruikers betreft.

(233)  De specifieke kenmerken van de sector elektronische communicatie vereisen, naast horizontale contractregels, een beperkt aantal aanvullende bepalingen ter bescherming van de eindgebruiker. Eindgebruikers moeten onder meer worden geïnformeerd over de kwaliteit van de aangeboden dienstverleningsniveaus, de voorwaarden voor promoties en beëindiging van contracten, de toepasselijke tariefplannen en de tarieven voor diensten waarvoor bijzondere tariefvoorwaarden gelden. Deze informatie is relevant voor internettoegangsdiensten, algemeen beschikbare persoonlijke communicatiediensten en transmissiediensten die voor omroep worden gebruikt. Een aanbieder van openbare elektronische-communicatiediensten mag niet onderworpen zijn aan de verplichtingen inzake informatievereisten voor contracten waarbij de aanbieder en daaraan gelieerde ondernemingen of personen geen vergoeding ontvangen die direct of indirect verband houdt met het aanbieden van elektronische-communicatiediensten. Een dergelijke situatie zou bijvoorbeeld betrekking kunnen hebben op een universiteit die bezoekers gratis toegang geeft tot haar Wi-Fi-netwerk op de campus zonder enige vorm van vergoeding te ontvangen voor het aanbieden van haar elektronische-communicatiedienst, noch door betaling door de gebruikers, noch door reclame-inkomsten. Om de eindgebruiker in staat te stellen een weloverwogen keuze te maken, is het van essentieel belang dat de vereiste relevante informatie wordt verstrekt vóór de sluiting van het contract en in duidelijke en begrijpelijke taal. Om dezelfde reden moeten aanbieders een samenvatting van de belangrijkste contractvoorwaarden verstrekken. Om vergelijkingen te vergemakkelijken en nalevingskosten te verlagen, moet de Commissie, na overleg met Berec, een model voor dergelijke samenvattingen goedkeuren. De informatie die vóór de sluiting van het contract wordt verstrekt en het model voor de samenvatting van de contractvoorwaarden maken integraal deel uit van het definitieve contract.

(234)  Na de vaststelling van Verordening (EU) 2015/2120 zijn de bepalingen van deze richtlijn inzake informatie over voorwaarden voor de beperking van de toegang tot en/of het gebruik van diensten en toepassingen, en inzake verkeersbeheer, achterhaald en moeten deze worden ingetrokken.

(235)   Met betrekking tot de eindapparatuur moeten in het klantencontract alle beperkingen worden gespecificeerd die de aanbieder oplegt wat het gebruik van de apparatuur betreft, bijvoorbeeld door mobiele apparatuur te simlocken, indien dergelijke beperkingen niet bij de nationale wetgeving verboden zijn, en alle kosten die bij het aflopen van het contract vóór of op de afgesproken einddatum verschuldigd zijn, inclusief de kosten die worden opgelegd om de apparatuur te mogen behouden. Wanneer de eindgebruiker de eindapparatuur wenst te behouden die bij de sluiting van het contract aan dat contract werd gekoppeld, bedraagt de verschuldigde vergoeding niet meer dan de waarde pro rata temporis daarvan op het ogenblik dat het contract werd gesloten of het resterende gedeelte van de servicevergoeding tot het aflopen van het contract, al naargelang welk bedrag het laagst is. De lidstaten mogen andere methodes voor de berekening van de vergoeding, indien die vergoeding gelijk is aan of minder is dan de berekende vergoeding. Eventuele beperkingen van het gebruik van eindapparatuur op andere netwerken moeten kosteloos door de aanbieder worden opgeheven, ten laatste bij de betaling van een dergelijke vergoeding.

(236)  Zonder afbreuk te doen aan de materiële verplichting voor de aanbieder betreffende beveiliging krachtens deze richtlijn , moet in het contract het soort van actie worden gespecificeerd die de aanbieder kan ondernemen in geval van beveiligingsincidenten of bedreigingen en kwetsbaarheden.

(237)   De beschikbaarheid van transparante, actuele en vergelijkbare informatie over aanbiedingen en diensten is een cruciaal element voor consumenten op concurrerende markten waar verscheidene dienstverleners hun diensten aanbieden. De eindgebruikers moeten in staat zijn gemakkelijk de prijzen van de diverse op de markt aangeboden diensten te vergelijken, gebaseerd op informatie die in een gemakkelijk toegankelijke vorm bekend wordt gemaakt. Om hen in staat te stellen gemakkelijk de prijzen en diensten te vergelijken, moeten de nationale regelgevende instanties van de aanbieders van elektronische-communicatienetwerken en/of internettoegangsdiensten, algemeen beschikbare persoonlijke communicatiediensten en transmissiediensten die voor omroep worden gebruikt een grotere transparantie op het gebied van informatie (met inbegrip van tarieven, kwaliteit van de dienst, beperkingen inzake de geleverde eindapparatuur en andere relevante statistieken) kunnen eisen. Elke dergelijke vereiste moet terdege rekening houden met de specifieke kenmerken van die netwerken en diensten. Zij moeten er ook voor zorgen dat derden het recht krijgen om kosteloos de openbaar beschikbare informatie te gebruiken welke door zulke aanbieders is gepubliceerd, met het oog op het aanbieden van vergelijkingsinstrumenten.

(238)  Eindgebruikers zijn zich vaak niet bewust van hun consumptiegedrag of hebben het moeilijk om de tijd of het gegevensverbruik in te schatten bij het gebruik van elektronische communicatiediensten. Met het oog op een grotere transparantie en een betere controle van hun communicatiebudget is het belangrijk dat eindgebruikers kunnen beschikken over voorzieningen die hen in staat stellen tijdig hun consumptie te volgen.

(239)  Onafhankelijke vergelijkingsinstrumenten, zoals websites, zijn een effectief middel voor eindgebruikers om de merites te beoordelen van andere algemeen beschikbare elektronische-communicatiediensten dan nummeronafhankelijke persoonlijke communicatiediensten, en om onpartijdige informatie te verkrijgen, met name door vergelijking van prijzen, tarieven en kwaliteitsparameters op één plaats. Dergelijke instrumenten moeten als doel hebben informatie te verstrekken die zowel duidelijk en beknopt als volledig en alomvattend is. Zij moeten ook trachten een zo breed mogelijk scala aan aanbiedingen te presenteren, zodat een representatief overzicht wordt gegeven, en een significant deel van de markt bestrijken. De informatie die over dergelijke instrumenten wordt verstrekt, moet betrouwbaar, onpartijdig en transparant zijn. Eindgebruikers moeten op de hoogte zijn worden gebracht van de beschikbaarheid van dergelijke instrumenten. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat eindgebruikers kosteloos toegang hebben tot ten minste één dergelijk instrument op hun respectieve grondgebied.

(240)  Onafhankelijke vergelijkingsinstrumenten moeten functioneel onafhankelijk zijn van aanbieders van algemeen beschikbare elektronische-communicatiediensten. Zij kunnen tot stand worden gebracht door particuliere ondernemingen of door of namens bevoegde instanties, maar zij moeten voldoen aan bepaalde kwaliteitscriteria, daaronder begrepen het vereiste dat de gegevens betreffende de eigenaars worden meegedeeld, dat er nauwkeurige en actuele informatie wordt verstrekt, dat het meest recente tijdstip van de actualisering wordt vermeld, en dat er duidelijke, objectieve criteria voor de vergelijking worden gehanteerd; ook moet het instrument een breed scala aan aanbiedingen voor andere algemeen beschikbare elektronische-communicatiediensten dan nummeronafhankelijke persoonlijke communicatiediensten presenteren, dat een significant deel van de markt bestrijkt. Geen enkele aanbieder mag in de zoekresultaten een andere gunstige behandeling krijgen dan die welke op die duidelijke, objectieve criteria is gebaseerd. De lidstaten moeten kunnen bepalen hoe vaak de informatie die door vergelijkingsinstrumenten aan eindgebruikers wordt verstrekt, moet worden herzien en geactualiseerd, rekening houdend met de frequentie waarmee aanbieders van andere algemeen beschikbare elektronische-communicatiediensten dan nummeronafhankelijke persoonlijke communicatiediensten, hun tarief- en kwaliteitsinformatie in het algemeen actualiseren. Indien er in een lidstaat slechts één vergelijkingsinstrument bestaat en dit instrument niet meer operationeel is of niet langer aan de kwaliteitscriteria voldoet, dient de lidstaat erop toe te zien dat eindgebruikers binnen een redelijke termijn op nationaal niveau toegang hebben tot een andere vergelijkingswebsite.

(241)  Om kwesties van algemeen belang met betrekking tot het gebruik van algemeen beschikbare elektronische communicatiediensten aan te pakken en de bescherming van de rechten en vrijheden van derden te bevorderen, moeten de bevoegde instanties met de hulp van de aanbieders informatie van algemeen belang over het gebruik van dergelijke diensten kunnen produceren en laten verspreiden. Deze kan informatie van algemeen belang omvatten over de meest voorkomende inbreuken en de rechtsgevolgen daarvan, ▌advies over en manieren om zich te beschermen tegen gevaren voor de persoonlijke veiligheid, die bijvoorbeeld het gevolg kunnen zijn van de vrijgave van persoonlijke informatie in bepaalde omstandigheden, de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens, evenals het beschikbaar zijn van gemakkelijk te gebruiken en configureerbare software of software-opties ter bescherming van kinderen of kwetsbare personen. De informatieverstrekking kan worden gecoördineerd volgens de samenwerkingsprocedure waarin is voorzien in deze richtlijn. Dergelijke informatie van algemeen belang dient wanneer nodig te worden geactualiseerd en in door de lidstaten te bepalen, eenvoudig te begrijpen formats en op de websites van de nationale overheden te worden aangeboden. De nationale regelgevende instanties moeten de aanbieders kunnen verplichten deze gestandaardiseerde informatie te verspreiden naar al hun klanten op een manier die de nationale regelgevende instanties geschikt achten. De verspreiding van deze informatie mag de aanbieders echter niet buitensporig belasten. De lidstaten moeten verzoeken om verspreiding van deze informatie via de kanalen die de aanbieders gebruiken voor de normale zakelijke communicatie met eindgebruikers.

(242)  Bij ontstentenis van relevante wettelijke regels van de Unie zijn inhoud, toepassingen en diensten legaal of schadelijk overeenkomstig het nationaal materieel en procesrecht. Het is aan de lidstaten en niet aan de aanbieders van de elektronische-communicatienetwerken en/of -diensten om, overeenkomstig de juiste gerechtelijke procedures, te bepalen of inhoud, toepassingen of diensten al dan niet legaal of schadelijk zijn. Deze richtlijn en de e-Privacyrichtlijn 2002/58/EG gelden onverminderd Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (richtlijn inzake elektronische handel)(31), die onder andere een "mere conduit" (doorgeefluik)-regel bevat voor dienstverleners die als tussenpersoon optreden, zoals aldaar gedefinieerd.

(243)  Nationale regelgevende instanties moeten bevoegd zijn om de kwaliteit van de diensten te controleren en om systematisch informatie in te winnen over de kwaliteit van de op hun grondgebied aangeboden diensten, met inbegrip van informatie over het aanbieden van diensten aan gehandicapte eindgebruikers. Deze informatie moet worden ingewonnen op basis van criteria die vergelijkingen tussen aanbieders van diensten en tussen lidstaten mogelijk maken. Aanbieders van elektronische- communicatiediensten in een concurrerende omgeving, maken gewoonlijk om redenen van commercieel voordeel toereikende en actuele informatie over hun diensten openbaar. Wanneer een aanbieder van een elektronische-communicatiedienst om redenen die verband houden met de technische levering van de dienst geen controle heeft over de kwaliteit van de dienst of geen minimumkwaliteit van de dienst aanbiedt, mag hij niet worden verplicht informatie over de kwaliteit van de dienst te verstrekken. Nationale regelgevende instanties moeten evenwel de openbaarmaking van dergelijke informatie kunnen eisen, indien wordt aangetoond dat die informatie in feite niet beschikbaar is voor het publiek. De nationale regelgevende instanties moeten ook de door de dienstaanbieders toe te passen meetmethoden vaststellen, teneinde de vergelijkbaarheid van de verstrekte gegevens te verbeteren. Om de vergelijkbaarheid in heel de Unie te vergemakkelijken en de nalevingskosten te verlagen, moet Berec richtsnoeren vaststellen over de relevante parameters voor de kwaliteit van de dienstverlening, waarmee nationale regelgevende instanties zoveel mogelijk rekening moeten houden.

(244)  Om ten volle te kunnen profiteren van de mededinging, moeten de consumenten geïnformeerde keuzes kunnen maken en van dienstenleverancier kunnen veranderen wanneer dat in hun belang is. Het is essentieel dat zij dit kunnen doen zonder gehinderd te worden door juridische, technische of praktische belemmeringen, zoals contractuele voorwaarden, procedures, heffingen, enz. Dit sluit niet uit dat aanbieders in contracten met consumenten een redelijke minimumcontractperiode van maximaal 24 maanden opnemen. De lidstaten moeten echter de mogelijkheid hebben om te voorzien in een kortere maximumduur in het licht van nationale omstandigheden, zoals concurrentieniveaus en de stabiliteit van netwerkinvesteringen, en aanbieders moeten ten minste een contract van twaalf maanden of minder aanbieden. Onafhankelijk van het contract voor een elektronische-communicatiedienst kunnen consumenten een langere terugbetalingstermijn voor fysieke verbindingen verkiezen en daar baat bij hebben. Dergelijke consumentenverbintenissen kunnen een belangrijke rol spelen bij het bevorderen van de uitrol van connectiviteitsnetwerken met zeer hoge capaciteit tot aan of tot zeer dicht bij de gebouwen van de eindgebruiker, onder meer door regelingen betreffende bundeling van de vraag, waardoor investeerders in netwerken initiële risico's kunnen verminderen. De rechten van de consument om te kunnen overstappen tussen aanbieders van elektronische-communicatiediensten, zoals vastgesteld bij deze richtlijn, mogen echter niet worden beperkt door dergelijke terugbetalingstermijnen in contracten betreffende fysieke verbindingen, en dergelijke contracten mogen geen eindapparatuur of internettoegangsapparatuur, zoals telefoontoestellen, routers of modems, omvatten.

(245)  De consumenten moeten in staat zijn kosteloos hun contract te beëindigen, ook in gevallen van automatische verlenging na het verstrijken van de ▌contracttermijn.

(246)  Alle wijzigingen van de contractvoorwaarden die worden voorgesteld door de aanbieders van algemeen beschikbare internettoegangsdiensten of nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten en transmissiediensten die voor omroep worden gebruikt, ten nadele van de eindgebruiker, bijvoorbeeld met betrekking tot kosten, tarieven, datavolumebeperkingen, datasnelheden, dekking of verwerking van persoonsgegevens, moeten worden geacht aanleiding te geven tot het recht van de eindgebruiker om het contract kosteloos te beëindigen, zelfs indien deze gepaard gaan met wijzigingen in het voordeel van de eindgebruiker. Eindgebruikers moeten van wijzigingen aan de contractuele voorwaarden op de hoogte worden gebracht via een duurzame drager, zoals papier, een USB-stick, een cd-rom, een dvd, een geheugenkaart, de vaste schijf van een computer of een e-mail.

(247)  De mogelijkheid om over te stappen tussen aanbieders is van cruciaal belang voor daadwerkelijke concurrentie in een concurrerende omgeving. De beschikbaarheid van transparante, accurate en tijdige informatie over de overstap moet het vertrouwen van de eindgebruiker in de overstap verhogen en zijn bereidheid verhogen om actief deel te nemen aan de concurrentie. Aanbieders van diensten moeten de continuïteit van de dienst verzekeren zodat eindgebruikers kunnen overstappen tussen aanbieders, zonder gehinderd te worden door het risico van een onderbreking van de dienst.

(248)  Nummerportabiliteit is een essentieel element in het bevorderen van de keuze van de consument en daadwerkelijke mededinging in concurrerende elektronische-communicatiemarkten. Eindgebruikers die daarom verzoeken, moeten hun nummer(s) op het openbare telefoonnetwerk kunnen behouden ongeacht de dienstaanbieder en gedurende een beperkte periode tijdens het overstappen tussen dienstaanbieders. Deze richtlijn is niet van toepassing op het aanbieden van nummerportabiliteit tussen aansluitingen op het openbare telefoonnetwerk op vaste en niet vaste locaties. De lidstaten kunnen evenwel bepalingen toepassen inzake het overdragen van nummers tussen netwerken die diensten op een vaste locatie aanbieden en mobiele netwerken.

(249)  Het effect van nummerportabiliteit wordt aanzienlijk versterkt wanneer er transparante tariefinformatie beschikbaar is voor zowel de eindgebruikers die hun nummer overdragen als voor de eindgebruikers die personen bellen die hun nummer hebben overgedragen. De nationale regelgevende instanties zouden waar mogelijk een passende tarieftransparantie moeten bevorderen als onderdeel van de uitvoering van nummerportabiliteit.

(250)  De prijsstelling voor interconnectie in verband met nummerportabiliteit moet kostengeörienteerd zijn; de nationale regelgevende instanties kunnen daarbij ook rekening houden met de prijzen op vergelijkbare markten.

(251)   Nummerportabiliteit ▌moet onverwijld worden uitgevoerd zodat het nummer binnen één werkdag geactiveerd en operationeel is en de dienst voor de consument niet langer dan een werkdag onderbroken is vanaf de overeengekomen datum. Ter vergemakkelijking van een éénloketsysteem waarmee de ervaring van een naadloze overstap voor consumenten mogelijk wordt, moet het overstapproces door de ontvangende aanbieder van elektronische communicatie aan het publiek worden geleid. De nationale regelgevende instanties kunnen het totaalproces voor het overdragen van nummers voorschrijven met inachtneming van nationale bepalingen inzake contracten en technologische ontwikkelingen. Dit moet, waar beschikbaar, een vereiste inhouden die stelt dat het proces voor het overdragen van nummers moet verlopen via etherdistributie, tenzij anders gevraagd door een eindgebruiker. De ervaring in sommige lidstaten heeft geleerd dat het risico bestaat dat consumenten te maken krijgen met een verandering van aanbieder zonder hun instemming. Dit is een kwestie die voornamelijk door de rechtshandhavingsautoriteiten moet worden aangepakt, maar de lidstaten moeten met betrekking tot het overschakelingsproces de passende minimummaatregelen kunnen opleggen, onder meer adequate sancties, die nodig zijn om het genoemde risico zo veel mogelijk te beperken, en ervoor kunnen zorgen dat consumenten gedurende het gehele overschakelproces worden beschermd zonder het proces minder aantrekkelijk voor consumenten te maken. Het recht om nummers over te dragen, mag niet door contractvoorwaarden worden beperkt.

(251 bis)  Teneinde te garanderen dat het overstappen tussen aanbieders en het overdragen van nummers plaatsvinden binnen de in deze richtlijn vastgestelde termijnen, moeten de lidstaten een aanbieder kunnen verplichten een vergoeding te betalen wanneer deze een overeenkomst met een eindgebruiker niet naleeft. Dergelijke vergoedingen moeten evenredig zijn met de duur van de periode waarin de aanbieder de overeenkomst niet naleeft.

(252)  Bundels bestaande uit ten minste andere algemeen beschikbare elektronische-communicatiediensten dan nummeronafhankelijke persoonlijke communicatiediensten, en andere diensten, zoals lineaire omroep of eindapparatuur zoals "devices" die door dezelfde aanbieder worden aangeboden en onder hetzelfde contract vallen, komen steeds vaker voor en vormen een belangrijk onderdeel van de concurrentie. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "bundel" verstaan een internettoegangsdienst die wordt aangeboden in combinatie met een nummergebaseerde persoonlijke communicatiedienst, of een internettoegangsdienst en/of een nummergebaseerde persoonlijke communicatiedienst waarbij door dezelfde aanbieder afzonderlijke, maar elkaar aanvullende diensten worden aangeboden met uitzondering van transmissiediensten die worden gebruikt voor het verstrekken van machine-naar-machinediensten en/of eindapparatuur, in het kader van ofwel i) hetzelfde contract, ofwel ii) hetzelfde contract en daaraan ondergeschikte contracten, ofwel iii) hetzelfde contract en daaraan gekoppelde contracten die tegen een gecombineerde prijs worden aangeboden. Hoewel bundels vaak leiden tot voordelen voor de consumenten, kunnen zij het overstappen bemoeilijken of duurder maken en het risico meebrengen van een contractuele "lock-in". Wanneer uiteenlopende contractregels voor de beëindiging van het contract en het overstappen van toepassing zijn op de verschillende diensten en alle contractuele verbintenissen inzake de aankoop van producten, die deel uitmaken van een bundel, worden de consumenten effectief belemmerd in hun rechten uit hoofde van deze richtlijn om over te schakelen naar concurrerende aanbiedingen voor de hele bundel of delen daarvan. De bepalingen van deze richtlijn inzake contracten, transparantie, contractduur, beëindiging van contracten en overstappen moeten daarom van toepassing zijn op alle onderdelen van een bundel, behoudens voor zover andere regels die van toepassing zijn op de onderdelen van de bundel die niet op elektronische communicatie betrekking hebben, gunstiger zijn voor de consument. Andere contractuele aangelegenheden, zoals de rechtsmiddelen die van toepassing zijn in geval van gebrek aan overeenstemming met het contract, moeten worden beheerst door de regels die van toepassing zijn op het desbetreffende onderdeel van de bundel, bijvoorbeeld door contractrechtelijke bepalingen voor de verkoop van goederen of de levering van digitale inhoud. Om dezelfde redenen mogen consumenten niet bij een aanbieder ingesloten worden ("lock-in") door middel van een contractuele feitelijke uitbreiding van de ▌contractperiode. De lidstaten moeten de bevoegdheid blijven behouden om verdere regelgeving vast te stellen inzake elementen in de bundel in gevallen waarin de aard van die elementen een andere gereglementeerde behandeling veronderstelt, bijvoorbeeld omdat die elementen onder andere sectorspecifieke regelgeving vallen, of om aanpassingen door te voeren in verband met veranderingen van de marktpraktijken.

(253)  De aanbieders van nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten hebben de verplichting toegang te verlenen tot noodhulpdiensten via noodhulpcommunicatie. In uitzonderlijke omstandigheden, namelijk bij gebrek aan technische haalbaarheid is het mogelijk dat zij niet in staat zijn toegang te verlenen tot noodhulpdiensten of tot de locatie van de oproeper, of tot beide. In die gevallen moeten zij hun klanten hierover in het contract adequaat informeren. Deze aanbieders moeten hun klanten voorzien van duidelijke en transparante informatie in het initiële klantencontract en deze bijwerken in het geval van een wijziging in het verlenen van toegang tot noodhulpdiensten, bijvoorbeeld in facturen. Deze informatie moet alle beperkingen omvatten wat territoriale dekking betreft, op basis van de geplande technische operationele parameters van de communicatie dienst en de beschikbare infrastructuur. Als de dienst niet wordt geleverd via een verbinding die wordt beheerd om een bepaalde kwaliteit van dienstverlening te geven, moet de informatie ook het betrouwbaarheidsniveau van de toegang en van de informatie over de locatie van de oproeper omvatten in vergelijking met een dienst die via een dergelijke verbinding wordt geleverd, rekening houdend met de huidige technologie en kwaliteitsnormen, alsmede de overeenkomstig deze richtlijn gespecificeerde parameters inzake de kwaliteit van de dienstverlening.

(254)  Overeenkomstig de doelstellingen van het Handvest ▌en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, zou het regelgevingskader ervoor moeten zorgen dat alle eindgebruikers, met inbegrip van eindgebruikers met een handicap, ouderen en gebruikers met speciale sociale behoeften eenvoudig en gelijke toegang hebben tot betaalbare, toegankelijke en kwalitatief goede diensten, ongeacht hun verblijfplaats in de Unie. Verklaring 22 in bijlage bij de Slotakte van Amsterdam bepaalt dat de instellingen van de Unie bij het vaststellen van maatregelen krachtens artikel 114 VWEU rekening moeten houden met de behoeften van personen met een handicap.

(255)  Eindgebruikers moeten kosteloos en zonder enig betaalmiddel te hoeven gebruiken, toegang hebben tot de noodhulpdiensten via noodhulpcommunicatie, vanop elk toestel dat nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten mogelijk maakt, inclusief bij het gebruik van roamingdiensten in een lidstaat of via particuliere telecommunicatienetwerken. Noodhulpcommunicatie is een communicatiemiddel dat niet alleen spraakcommunicatie omvat, maar ook realtimetekst, video of andere vormen van communicatie, met inbegrip van het gebruik van bemiddelingsdiensten van derden, waarmee in een lidstaat toegang tot de noodhulpdiensten kan worden verkregen. Noodhulpcommunicatie kan namens een persoon tot stand komen door het eCall-boordsysteem zoals omschreven in Verordening (EU) nr. 2015/758 van het Europees Parlement en de Raad(32). De lidstaten beslissen echter welke nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten passend zijn voor de noodhulpdiensten, met de mogelijkheid om deze opties te beperken tot spraakcommunicatie en het equivalent ervan voor eindgebruikers met een handicap of om opties toe te voegen die zijn overeengekomen met de nationale alarmcentrales (PSAP's). Om rekening te houden met toekomstige technologische ontwikkelingen of een toenemend gebruik van nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten moet de Commissie, na overleg met de nationale regelgevende instanties, noodhulpdiensten, normalisatie-instellingen en andere relevante belanghebbenden, nagaan of het haalbaar is om via nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten nauwkeurige en betrouwbare toegang tot noodhulpdiensten te verlenen.

(256)  De lidstaten moeten ervoor zorgen dat aanbieders die eindgebruikers nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten aanbieden betrouwbare en accurate toegang leveren tot noodhulpdiensten, waarbij rekening wordt gehouden met nationale specificaties en criteria en de capaciteiten van de nationale alarmcentrales. Wanneer de nummergebaseerde persoonlijke communicatiedienst niet wordt verleend over een verbinding die wordt beheerd om een bepaalde kwaliteit van dienstverlening te geven, is het mogelijk dat de aanbieder niet kan waarborgen dat noodhulpoproepen die via hun dienst plaatsvinden, naar de meest geschikte alarmcentrale met dezelfde betrouwbaarheid worden doorgestuurd. Voor aanbieders die onafhankelijk zijn van netwerken, namelijk aanbieders die niet geïntegreerd zijn met een aanbieder van een openbare communicatienetwerk kan het verstrekken van informatie over de locatie van de oproeper technisch niet altijd haalbaar zijn. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat zo snel mogelijk normen worden uitgevoerd die nauwkeurige en betrouwbare routering en verbinding met de noodhulpdiensten waarborgen, zodat netwerkonafhankelijke aanbieders van nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten de verplichtingen kunnen nakomen die verband houden met het verlenen van toegang tot noodhulpdiensten en informatie over de locatie van de oproeper op een niveau dat vergelijkbaar is met het niveau dat voor andere aanbieders van dergelijke communicatiediensten is vereist. Wanneer dergelijke normen en de bijbehorende alarmcentralesystemen nog niet zijn uitgevoerd, mag van netwerkonafhankelijke aanbieders van nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten niet worden verlangd dat zij toegang bieden tot noodhulpdiensten, tenzij op een manier die technisch haalbaar of economisch rendabel is. Dit kan bijvoorbeeld inhouden dat een lidstaat een enkele, centrale alarmcentrale aanwijst voor de ontvangst van noodcommunicatie. Niettemin moeten dergelijke aanbieders de eindgebruikers ervan op de hoogte brengen dat de toegang tot 112 of informatie over de locatie van de oproeper niet worden ondersteund.

(256 ter)  Momenteel bestaat er een leemte in de lidstaten betreffende de rapportage en meting van prestaties voor het beantwoorden en behandelen van noodoproepen. De Commissie keurt daarom, na overleg met de nationale regelgevende instanties en de noodhulpdiensten, prestatie-indicatoren goed die van toepassing zijn op de noodhulpdiensten van de lidstaten en brengt bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de doeltreffendheid van de toepassing van het Europese noodnummer "112" en over de werking van de prestatie-indicatoren.

(257)  De lidstaten moeten specifieke maatregelen treffen om te waarborgen dat de noodhulpdiensten, inclusief het "112"-nummer, gelijkelijk toegankelijk zijn voor eindgebruikers met een handicap, met name gebruikers die doof of slechthorend zijn, spraakmoeilijkheden hebben of doofblind zijn, met behulp van diensten voor totale conversatie of het gebruik van bemiddelingsdiensten van derden die interoperabel zijn met de telefoonnetwerken in de gehele EU. Dit kan eveneens inhouden dat speciale eindapparatuur voor mensen met een handicap wordt verstrekt wanneer de bovenvermelde communicatiemethoden voor hen niet geschikt zijn.

(258)  Het is belangrijk het bewustzijn betreffende het bestaan van het "112"-nummer te vergroten teneinde het niveau van bescherming en veiligheid van burgers die reizen in de Europese Unie te versterken. Te dien einde moet aan de burger duidelijk worden gemaakt bij reizen in alle lidstaten dat het "112"-nummer in de hele Unie als een uniform alarmnummer kan worden gebruikt; dit moet met name gebeuren via informatie die wordt verstrekt in internationale busterminals, treinstations, havens of luchthavens en in telefoongidsen, documenten van eindgebruikers en afrekeningen. Dit is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de lidstaten, maar de Commissie moet voortgaan zowel met de ondersteuning als met de aanvulling van de initiatieven van de lidstaten om de bekendheid van "112" te bevorderen en de kennis ervan bij de bevolking periodiek te evalueren.

(259)  Informatie over de locatie van de oproeper verbetert het beschermingsniveau en de beveiliging van de eindgebruikers en helpt de noodhulpdiensten om hun taken uit te voeren, op voorwaarde dat de doorschakeling van noodhulpcommunicatie en bijbehorende gegevens naar de betrokken noodhulpdiensten is gewaarborgd door het nationale systeem van alarmcentrales. De ontvangst en het gebruik van informatie over de locatie van de oproeper, die zowel op het netwerk gebaseerde informatie over die locatie omvat als - waar deze beschikbaar is - nauwkeurigere informatie over de locatie van de telefoon van de oproeper, moeten in overeenstemming zijn met het relevante recht van de Unie betreffende de verwerking van persoonsgegevens. Ondernemingen die netwerkgebaseerde locatiegegevens verstrekken, moeten informatie over de oproeper beschikbaar stellen aan de noodhulpdiensten zodra de oproep die dienst bereikt, ongeacht de gebruikte technologie. Handsetgebaseerde locatietechnologieën zijn echter accurater en kosteneffectiever gebleken vanwege de beschikbaarheid van gegevens die worden verstrekt door de EGNOS en het Galileo satellietsysteem, en door andere wereldwijde satellietnavigatiesystemen en wifi-gegevens. Daarom moet uit de handset afgeleide informatie over de locatie van de oproeper netwerkgebaseerde informatie over de locatie aanvullen, ook al is het mogelijk dat de handsetgebaseerde informatie pas beschikbaar wordt nadat de noodhulpcommunicatie tot stand komt. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de alarmcentrales de beschikbare informatie over de locatie van de oproeper, waar dat mogelijk is, kunnen opvragen en beheren. De vaststelling en doorgifte van informatie over de locatie van de oproeper moet kosteloos zijn, zowel voor de eindgebruiker als voor de instantie die de noodhulpcommunicatie behandelt, ongeacht de wijze van vaststelling, bijvoorbeeld via de handset of het netwerk, of de wijze van doorgifte, bijvoorbeeld via spraak, SMS of op IP-basis.

(260)  Om te kunnen reageren op technologische ontwikkelingen in verband met nauwkeurige informatie over de locatie van de oproeper, gelijkwaardige toegang voor eindgebruikers met een handicap en oproeproutering naar de meest geschikte alarmcentrale, moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven om de maatregelen te nemen die nodig zijn om de compatibiliteit, interoperabiliteit, kwaliteit en continuïteit van noodhulpcommunicatie in de Unie te waarborgen. Deze maatregelen kunnen bestaan in functionele bepalingen tot vaststelling van de rol van de verschillende partijen in de communicatieketen, zoals aanbieders van nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten, exploitanten van elektronische-communicatienetwerken en alarmcentrales, evenals technische bepalingen tot vaststelling van de technische middelen om de functionele bepalingen na te leven. Dergelijke maatregelen mogen geen afbreuk doen aan de organisatie van de noodhulpdiensten in de lidstaten.

(260 bis)  Thans is het zo dat een burger in land A die contact moet opnemen met noodhulpdiensten in land B dit niet kan doen, omdat de noodhulpdiensten onderling niet kunnen communiceren. Dit kan worden opgelost door een beveiligde Europese database aan te leggen met telefoonnummers van overkoepelende noodhulpdiensten in elk land. De Commissie zorgt daarom voor de handhaving van een beveiligde database van de E.164-nummers van de Europese noodhulpdiensten teneinde te waarborgen dat zij in de onderlinge lidstaten contact met elkaar kunnen opnemen.

(260 ter)  Bij recente terroristische aanslagen in Europa is duidelijk geworden dat er in de lidstaten en op Europees niveau een gebrek bestaat aan doeltreffende publieke waarschuwingssystemen. Het is van cruciaal belang dat de lidstaten de gehele bevolking in een welbepaald gebied kunnen informeren over zich voltrekkende rampen/aanslagen of toekomstige dreigingen, met behulp van elektronische-communicatienetwerken en -diensten, de oprichting van nationale, doeltreffende "omgekeerde-112"-communicatiesystemen voor het waarschuwen en alarmeren van burgers bij een dreigende of zich voltrekkende natuurramp en/of door de mens veroorzaakte noodsituaties en rampen, met inachtneming van bestaande nationale en regionale systemen en zonder inbreuk te maken op de voorschriften inzake privacy- en gegevensbescherming. De Commissie kan ook nagaan of het haalbaar is om een universeel, toegankelijk, grensoverschrijdend, EU-breed "omgekeerd-112-communicatiesysteem" op te zetten dat het publiek waarschuwt bij een dreigende of een zich voltrekkende ramp of ernstige noodsituatie in verschillende lidstaten.

(261)   De lidstaten moeten ervoor zorgen dat eindgebruikers met een handicap gelijkwaardige toegang tot en keuze van elektronische-communicatiediensten hebben als andere eindgebruikers, in overeenstemming met het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD) en de benadering van het universeel ontwerp. Om ervoor te zorgen dat met name eindgebruikers met een handicap kunnen profiteren van de mededinging en de keuze tussen aanbieders van diensten die de meerderheid van de eindgebruikers hebben, dienen de desbetreffende nationale instanties, indien nodig en in het licht van de nationale omstandigheden, en na raadpleging van gehandicaptenorganisaties, te bepalen aan welke voorschriften inzake consumentenbescherming voor ▌eindgebruikers met een handicap de aanbieders van openbare elektronische-communicatiediensten en gerelateerde eindapparatuur moeten voldoen. Die voorschriften kunnen, met name, inhouden dat aanbieders ervoor moeten zorgen dat ▌eindgebruikers met een handicap van hun diensten gebruik kunnen maken op dezelfde gelijkwaardige voorwaarden, prijzen, tarieven en kwaliteit daaronder begrepen en met dezelfde toegang tot gerelateerde eindapparatuur, als die welke aan hun andere eindgebruikers worden aangeboden, ongeacht de eventuele extra kosten die daarvoor door deze aanbieders gemaakt moeten worden. Zij kunnen ook voorschriften omvatten betreffende de wholesaleregelingen tussen aanbieders. Om te vermijden dat buitensporige lasten worden gecreëerd voor aanbieders van diensten, moeten de nationale regelgevende instanties nagaan of de doelstellingen van gelijkwaardige toegang en keuze feitelijk kunnen worden bereikt zonder dergelijke maatregelen.

(262)  ▌

(262 bis)  De nationale regelgevende instanties moeten ervoor zorgen dat aanbieders van openbare elektronische-communicatiediensten informatie beschikbaar stellen over de werking van de aangeboden diensten en over de toegankelijkheidskenmerken ervan. Deze informatie moet in een toegankelijke formaat worden verstrekt. Dit betekent dat de inhoud van de informatie beschikbaar moet zijn in tekstformaten die kunnen worden gebruikt om andere hulpformaten en alternatieven voor tekstformaten te genereren.

(262 ter)  Deze richtlijn dient met betrekking tot eindgebruikers met een handicap ander Unierecht weer te geven dat het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap ten uitvoer legt. Die maatregelen omvatten de beginselen en normen vastgesteld in Richtlijn (EU) 2016/2102 van het Europees Parlement en de Raad(33). De vier beginselen inzake toegankelijkheid zijn: waarneembaarheid, waaronder wordt verstaan dat de informatie en de componenten van de gebruikersinterface zodanig aan gebruikers moeten kunnen worden gepresenteerd dat zij kunnen worden waargenomen; operabiliteit, waaronder wordt verstaan dat de componenten van de gebruikersinterface en de navigatie operationeel moeten zijn; begrijpelijkheid, waaronder wordt verstaan dat de informatie en de werking van de gebruikersinterface begrijpelijk moeten zijn; en robuustheid, waaronder wordt verstaan dat content voldoende robuust moet zijn opdat hij op betrouwbare wijze wordt geïnterpreteerd door uiteenlopende useragents, waaronder hulptechnologieën. Die toegankelijkheidsbeginselen zijn via geharmoniseerde normen en een gemeenschappelijke methode vertaald naar toetsbare succescriteria, zoals die welke aan de basis liggen van Europese norm EN 301 549 V1.1.2 Toegankelijkheidseisen voor overheidsopdrachten voor ICT-producten en -diensten in Europa" (2015-04) ( Europese norm EN 301 549 V1.1.2 (2015-04)) teneinde na te gaan of de content van websites en mobiele applicaties aan deze beginselen voldoen. De Europese norm werd goedgekeurd op grond van mandaat M/376 dat door de Commissie aan de Europese normalisatieorganisaties is verstrekt. In afwachting van de bekendmaking van de verwijzingen naar geharmoniseerde normen, of van delen daarvan, in het Publicatieblad van de Europese Unie, dienen de desbetreffende clausules van Europese norm EN 301 549 V1.1.2 (2015-04) te worden beschouwd als de minimale middelen om die beginselen in de praktijk om te zetten in verband met deze richtlijn en als gelijkwaardige toegang en keuze voor eindgebruikers met een handicap.

(263)  Er is daadwerkelijke mededinging tot stand gekomen in de aanbieding van inlichtingendiensten en telefoongidsen overeenkomstig onder meer artikel 5 van Richtlijn 2002/77/EG van de Commissie(34). Om deze daadwerkelijke mededinging te handhaven, moeten alle aanbieders van diensten die telefoonnummers aan hun eindgebruikers toekennen, verplicht blijven de desbetreffende informatie op een eerlijke, kostengeoriënteerde en niet-discriminerende wijze ter beschikking te stellen.

(264)  De eindgebruikers moeten worden geïnformeerd over hun recht om te bepalen of zij al dan niet wensen te worden opgenomen in een telefoongids. Aanbieders van nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten moeten de beslissing van eindgebruikers eerbiedigen wanneer zij gegevens beschikbaar maken voor verstrekkers van telefoongidsdiensten. Artikel 12 van Richtlijn 2002/58/EG waarborgt het recht op persoonlijke levenssfeer van de eindgebruikers met betrekking tot de opname van persoonlijke informatie in een openbare gids.

(265)  Eindgebruikers moeten de garantie hebben dat alle apparatuur die in de Unie wordt verkocht voor de ontvangst van digitale radio en televisie, aan de vereiste interoperabiliteit voldoet. De lidstaten moeten voor dergelijke apparatuur minimale geharmoniseerde normen kunnen eisen; die normen kunnen van tijd tot tijd worden aangepast aan de technologische en marktontwikkelingen.

(266)  Het is wenselijk dat consumenten in staat worden gesteld een zo volledig mogelijke aansluiting op radio- en televisietoestellen tot stand te brengen: interoperabiliteit is een evoluerend concept op dynamische markten. Normaliseringsinstituten moeten al het mogelijke doen om ervoor te zorgen dat passende normen de ontwikkeling van betrokken technologieën volgen. Van even groot belang is het ervoor te zorgen dat in digitale televisietoestellen connectoren aangebracht zijn die alle noodzakelijke elementen van een digitaal signaal kunnen doorlaten, met inbegrip van audio- en video-streams, voorwaardelijke toegang tot informatie, service-informatie, informatie over de applicatieprogramma-interface (API) en kopieerbeveiligingsinformatie. Derhalve moet met deze richtlijn worden gewaarborgd dat de functionaliteit verbonden met en/of geïmplementeerd in connectoren niet wordt beperkt door netwerkexploitanten, dienstverleners of fabrikanten van apparatuur, en dat zij verder de technologische ontwikkelingen blijft volgen. Voor de weergave en presentatie van geconnecteerde televisiediensten wordt de vaststelling van een gemeenschappelijke norm met behulp van een marktgestuurd mechanisme als een voordeel voor de consument aangezien. De lidstaten en de Commissie kunnen met het Verdrag verenigbare beleidsinitiatieven nemen om deze ontwikkeling aan te moedigen. Om grensoverschrijdende interoperabiliteit te waarborgen, moet radioapparatuur voor consumenten ten minste analoge en digitale omroep kunnen ontvangen. Deze bepaling dient niet van toepassing te zijn op goedkope consumentenradioapparatuur of op radioapparatuur waarbij de ontvangst van radio-uitzendingen slechts een nevenfunctie is, zoals een mobiele telefoon met FM-ontvanger. De bepaling dient evenmin van toepassing te zijn op radioapparatuur die door radioamateurs wordt gebruikt, met inbegrip van bijvoorbeeld radiokits voor assemblage en gebruik door radioamateurs of apparatuur die door individuele radioamateurs is gebouwd voor experimentele en wetenschappelijke doeleinden in verband met amateurradio.

(267)  Wholesalemaatregelen om te zorgen voor opneming van de gegevens van eindgebruikers (zowel vast als mobiel) in gegevensbanken moeten voldoen aan de waarborgen voor de bescherming van persoonsgegevens krachtens Richtlijn 95/46/EG die zal worden vervangen door Verordening (EU) 2016/679(35) op 25 mei 2018, en inclusief artikel 12 van Richtlijn 2002/58/EG (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie). Er moet een kostengebaseerde levering van die gegevens aan aanbieders van diensten aanwezig zijn met de mogelijkheid dat de lidstaten een gecentraliseerd mechanisme opzetten voor de verstrekking van volledige gebundelde gegevens aan aanbieders van telefoonboeken, en de verlening van toegang tot het net op redelijke en transparante voorwaarden, om te waarborgen dat de eindgebruikers ten volle kunnen profiteren van de mededinging, die ruimschoots heeft bijgedragen tot de volledige afschaffing van regulering van deze dienst op retailniveau en op redelijke en transparante voorwaarden gidsdiensten aan te bieden.

(268)  Na de afschaffing van de universele dienstverplichting voor gidsdiensten en gezien het bestaan van een functionerende markt voor dergelijke diensten, is het recht op toegang tot telefooninlichtingendiensten lijkt niet langer noodzakelijk. De nationale regelgevende instanties moeten echter nog verplichtingen en voorwaarden kunnen opleggen aan ondernemingen die de toegang tot eindgebruikers controleren, om te zorgen voor toegang tot en concurrentie op die markt.

(269)  Het moet voor de lidstaten mogelijk zijn, in het belang van gewettigde beleidsoverwegingen, onder hen ressorterende ondernemingen evenredige doorgifteverplichtingen ("must-carry") op te leggen. Dergelijke verplichtingen mogen echter alleen worden opgelegd indien zij noodzakelijk zijn om doelstellingen van algemeen belang te verwezenlijken die overeenkomstig het recht van de Unie door de lidstaten duidelijk zijn omschreven, en moeten evenredig en transparant zijn. Er kunnen doorgifteverplichtingen ("must-carry") worden opgelegd met betrekking tot welbepaalde radio- en televisieomroepkanalen en extra faciliteiten die door een gespecificeerde aanbieder van mediadiensten worden aangeboden. Door de lidstaten opgelegde verplichtingen moeten redelijk zijn, dat wil zeggen zij moeten evenredig en transparant zijn, in het licht van duidelijk omschreven doelstellingen van algemeen belang, met name pluralisme in de media en culturele diversiteit. De lidstaten moeten dergelijke doorgifteverplichtingen die zij opleggen, objectief motiveren in hun nationale wetgeving zodat wordt gewaarborgd dat zij transparant, evenredig en duidelijk gedefinieerd zijn. De verplichtingen moeten ontworpen zijn om een afdoende stimulans voor efficiënte investeringen in infrastructuur te leveren. De verplichtingen moeten regelmatig en ten minste om de vijf jaar worden herzien om ze aan te passen aan de technologische en marktontwikkelingen en ervoor te zorgen dat zij evenredig blijven met het beoogde doel. De verplichtingen kunnen in voorkomend geval een bepaling betreffende een evenredige vergoeding behelzen.

(269 bis)  Aangezien de meeste digitale televisie en radioapparatuur voor consumenten die vandaag de dag wordt gebruikt, zowel analoge als digitale uitzendingen aanvaardt, hebben de lidstaten niet langer een economisch of sociaal argument om doorgifteverplichtingen te blijven opleggen aan zowel analoge als digitale televisietransmissies. Dit mag dergelijke analoge-transmissieverplichtingen echter niet uitsluiten wanneer een aanzienlijk aantal gebruikers nog steeds een analoog kanaal gebruikt of wanneer de analoge omroep de enige omroepvorm is.

(270)  Elektronische communicatienetwerken en -diensten die worden gebruikt voor de distributie van radio- en televisie-uitzendingen onder het publiek omvatten kabeltelevisie en IPTV, alsmede satelliet- en terrestrische omroepnetwerken; voorts kunnen zij andere netwerken omvatten voor zover een significant aantal eindgebruikers deze netwerken gebruikt als hun belangrijkste middel voor de ontvangst van radio- en televisie-uitzendingen. Doorgifteverplichtingen moeten de doorgifte inhouden van diensten die specifiek bestemd zijn voor het verschaffen van gelijkwaardige toegang aan gebruikers met een handicap. Dienovereenkomstig omvatten extra faciliteiten onder meer diensten voor betere toegankelijkheid voor eindgebruikers met een handicap, zoals videotekstdiensten, ondertiteling voor doven en slechthorenden, audiobeschrijving, gesproken ondertitels of vertaling in gebarentaal. Vanwege het groeiende aanbod en ontvangst van geconnecteerde tv-diensten en het blijvende belang van elektronische programmagidsen voor de keuze van de gebruiker, kan de doorgifte van programmagerelateerde gegevens die nodig is ter ondersteuning van het aanbieden van elektronische programmagidsen, teletext en programmagerelateerde IP-adressen worden opgenomen in doorgifteverplichtingen.

(271)  Faciliteiten als identificatie van de oproeper zijn in de regel beschikbaar bij moderne telefooncentrales en kunnen bijgevolg in toenemende mate tegen geringe of geen extra kosten worden aangeboden. De lidstaten zijn niet verplicht het aanbieden van deze faciliteiten op te leggen wanneer deze reeds beschikbaar zijn. Richtlijn 2002/58/EG garandeert de privacy van de gebruiker met betrekking tot de gespecificeerde rekeningen, door hem de mogelijkheid te bieden om zijn recht op privacy te beschermen wanneer identificatie van de oproepende lijn mogelijk is. De ontwikkeling van deze diensten op pan-Europese basis zal de consument ten goede komen en wordt door deze richtlijn gestimuleerd.

(272)  De publicatie van informatie door de lidstaten zal ervoor zorgen dat de marktpartijen en potentiële nieuwe aanbieders meer inzicht krijgen in hun rechten en verplichtingen en weten waar zij nadere gegevens kunnen vinden. Publicatie in het Staatsblad draagt ertoe bij dat de betrokken partijen en andere lidstaten de nodige informatie kunnen verkrijgen.

(273)  Teneinde de efficiency en doelmatigheid van de pan-Europese elektronische-communicatiemarkt te waarborgen, dient de Commissie controle uit te oefenen op en informatie te publiceren over de kosten aan de hand waarvan de prijs aan de eindgebruiker wordt berekend.

(274)  Om te kunnen nagaan of het recht van de Unie correct wordt toegepast dient de Commissie te weten welke ondernemingen als partijen met een aanmerkelijke marktmacht zijn aangewezen en welke verplichtingen door de nationale regelgevende instanties aan de marktpartijen zijn opgelegd. Het is dus noodzakelijk dat de lidstaten de informatie die zij op nationaal niveau publiceren ook aan de Commissie toezenden. Als de Commissie van de lidstaten informatie verlangt, kan die informatie langs elektronische weg worden toegezonden, mits passende waarmerkingsprocedures worden overeengekomen.

(275)  Om rekening te kunnen houden met markt-, technologische en sociale ontwikkelingen, ter beheersing van de risico's voor de beveiliging van netwerken en diensten en te zorgen voor daadwerkelijke toegang tot de noodhulpdiensten door noodcommunicatie, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd met betrekking tot de vaststelling van maatregelen voor het aanpakken van beveiligingsrisico's; de aanpassing van de voorwaarden voor toegang tot digitale televisie- en radiodiensten; de vaststelling van één wholesalegespreksafgiftetarief in vaste en mobiele markten; de vaststelling van maatregelen in verband met c in de Unie; en de aanpassing van bijlagen II, IV, V, VI, VIII, IX en X bij deze richtlijn. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(276)  Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze richtlijn te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om besluiten te nemen om grensoverschrijdende schadelijke interferentie tussen lidstaten op te lossen; om de tenuitvoerlegging van normen verplicht te maken, of normen en/of specificaties uit het verplichte deel van de lijst van normen te verwijderen; besluiten te nemen waarin wordt aangegeven of rechten in een geharmoniseerde band wordt onderworpen aan een algemene machtiging dan wel individuele gebruiksrechten vereist zijn; om de wijze van toepassing van de criteria, regels en voorwaarden voor geharmoniseerd radiospectrum te specificeren; om de wijze van toepassing te specificeren van de voorwaarden die de lidstaten kunnen verbinden aan machtigingen voor het gebruik van geharmoniseerd radiospectrum; om de banden vast te stellen waarvoor gebruiksrechten voor radiofrequenties tussen ondernemingen mogen worden overgedragen of verhuurd; om gemeenschappelijke datums vast te stellen waarop het gebruik van specifieke geharmoniseerde radiospectrumbanden uiterlijk wordt toegestaan; om overgangsmaatregelen vast te stellen met betrekking tot de duur van gebruiksrechten voor radiospectrum; om criteria vast te stellen voor het coördineren van de tenuitvoerlegging van bepaalde verplichtingen; om de technische kenmerken te specificeren voor het ontwerp, de implementatie en de exploitatie van draadloze toegangspunten met klein bereik; om tegemoet te komen aan de grensoverschrijdende of pan-Europese onvervulde vraag naar nummers; en om de aard en het toepassingsgebied te specificeren van verplichtingen waarbij de effectieve toegang tot noodhulpdiensten of eind-tot-eindverbindingen tussen eindgebruikers in één of meer lidstaten of in de gehele Europese Unie wordt gewaarborgd. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren.

(277)  Ten slotte moet de Commissie indien nodig, zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van Berec, aanbevelingen kunnen vaststellen met betrekking tot de identificatie van de relevante product- en dienstenmarkten, de kennisgevingen in het kader van de procedure voor het consolideren van de interne markt en de geharmoniseerde toepassing van de bepalingen van het regelgevingskader.

(278)  De bepalingen van deze richtlijn en de specifieke maatregelen moeten op gezette tijden worden geëvalueerd, met name om na te gaan of zij in het licht van de veranderende technologische omstandigheden of marktomstandigheden moeten worden gewijzigd. Met het oog op het risico dat monopolistische marktstructuren worden vervangen door niet-concurrerende oligopolistische marktstructuren moet in de evaluaties bijzondere aandacht worden besteed aan de bepalingen betreffende de bevoegdheden van nationale regelgevende instanties om toegangsverplichtingen op te leggen aan exploitanten met aanmerkelijke marktmacht, in combinatie met de toepassing van andere verplichtingen die aan hen kunnen worden opgelegd, teneinde te waarborgen dat deze bevoegdheden volstaan om de doelstellingen van deze richtlijn op doeltreffende wijze te verwezenlijken.

(279)  Sommige richtlijnen en beschikkingen op dit gebied moeten worden ingetrokken.

(280)  De Commissie dient toe te zien op de overgang van het bestaande kader naar het nieuwe kader.

(281)  Daar de doelstellingen van deze richtlijn, de totstandbrenging van een geharmoniseerd en vereenvoudigd kader voor de regulering van elektronische-communicatiediensten, elektronische-communicatienetwerken, bijbehorende faciliteiten en bijbehorende diensten , van de voorwaarden voor de vergunning van netwerken en diensten, van spectrumgebruik en van nummers, van de regulering van toegang tot en interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten en van de bescherming van de eindgebruiker , niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang en de gevolgen ervan, beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(282)  Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken(36), hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht.

(283)  De verplichting tot omzetting van deze richtlijn in nationaal recht dient te worden beperkt tot de bepalingen die ten opzichte van de vorige richtlijnen substantieel zijn gewijzigd. De verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeit voort uit de vorige richtlijnen.

(284)  Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage XI, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in intern recht en toepassingsdata van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Deel I. KADER (Algemene regels voor de organisatie van de sector)

Titel I: Toepassingsgebied, doel, doelstellingen en definities

HOOFDSTUK II

ONDERWERP , DOEL EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp en doel

1. Bij deze richtlijn wordt een geharmoniseerd kader voor de regulering van elektronische-communicatiediensten, elektronische-communicatienetwerken, bijbehorende faciliteiten en bijbehorende diensten vastgesteld, evenals bepaalde aspecten van eindapparatuur. De richtlijn legt taken van de nationale regelgevende instanties en, in voorkomend geval, andere bevoegde instanties vast alsmede een reeks procedures om de geharmoniseerde toepassing van het regelgevingskader in de gehele Unie te waarborgen.

2. Deze richtlijn heeft enerzijds tot doel een interne markt voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten te realiseren, die leidt tot het opzetten en benutten van beveiligde netwerken met zeer hoge capaciteit, duurzame concurrentie, interoperabiliteit van elektronische communicatiediensten, toegankelijkheid en voordelen voor de eindgebruiker.

Anderzijds heeft zij tot doel ervoor te zorgen dat door middel van daadwerkelijke mededinging en keuzevrijheid in de gehele Unie publiek beschikbare diensten van hoge kwaliteit tegen een betaalbare prijs worden aangeboden, maatregelen vast te stellen voor situaties waarin de markt niet op bevredigende wijze in de behoeften van eindgebruikers voorziet, waaronder gebruikers met een handicap om op voet van gelijkheid met anderen toegang te hebben tot de diensten, en om de noodzakelijke rechten van eindgebruikers vast te stellen.

3. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan :

- verplichtingen die door het nationale recht in overeenstemming met het recht van de Unie of door het recht van de Unie zijn opgelegd met betrekking tot diensten die worden geleverd met behulp van elektronische-communicatienetwerken en -diensten; - de maatregelen die op Unie- of nationaal niveau met inachtneming van het recht van de Unie zijn genomen voor de verwezenlijking van doelstellingen van algemeen belang, in het bijzonder wat betreft de bescherming van persoonsgegevens en privacy, regulering van de inhoud en audiovisueel beleid;

- de maatregelen die op Unie- of nationaal niveau met inachtneming van het recht van de Unie zijn genomen voor de verwezenlijking van doelstellingen van algemeen belang, in het bijzonder wat betreft de bescherming van persoonsgegevens en privacy, regulering van de inhoud en audiovisueel beleid;

- Verordening (EU) nr. 531/2012 en Verordening (EU) 2015/2120.

3 bis. Wanneer informatie persoonsgegevens bevat, garanderen de Commissie, Berec en de betrokken instanties dat bij de verwerking van de gegevens de voorschriften van de Unie inzake gegevensbescherming worden nageleefd.

4. De bepalingen in deze richtlijn betreffende de rechten van eindgebruikers gelden onverminderd de voorschriften van de Unie inzake consumentenbescherming, met name de Richtlijnen 93/13/EEG, en 2011/83/EU , en de nationale voorschriften die met het recht van de Unie in overeenstemming zijn.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

(1) "elektronische-communicatienetwerk": de transmissiesystemen, al dan niet gebaseerd op een permanente infrastructuur of gecentraliseerde beheerscapaciteit, en in voorkomend geval de schakel- of routeringsapparatuur en andere middelen, waaronder netwerkelementen die niet actief zijn, die het mogelijk maken signalen over te brengen via draad, radiogolven, optische of andere elektromagnetische middelen waaronder satellietnetwerken, vaste (circuit- en pakketgeschakelde, met inbegrip van internet) en mobiele terrestrische netwerken, elektriciteitsnetten, voor zover deze voor overdracht van signalen worden gebruikt, netwerken voor radio- en televisieomroep en kabeltelevisienetwerken, ongeacht de aard van de overgebrachte informatie; deze definitie omvat geen netwerkelementen die worden beheerd door individuele personen in het kader van activiteiten zonder winstoogmerk;

(2) "netwerk met zeer hoge capaciteit": een netwerk voor elektronische communicatie dat ten minste tot aan het distributiepunt volledig uit optische-vezelelementen bestaat, of elk ander soort netwerk dat in gebruikelijke piekomstandigheden in staat is om soortgelijke netwerkprestaties te bieden wat betreft downlink- en uplinkbandbreedte, veerkrachtigheid van het netwerk, parameters met betrekking tot fouten, latentietijden en de veranderingen daarin. De prestaties van het netwerk worden beoordeeld op basis van technische parameters, ongeacht of de eindgebruiker een andere gebruikservaring heeft vanwege de inherent verschillende kenmerken van het medium dat op het netwerk wordt aangesloten.

"transnationale markten": overeenkomstig artikel 63 gedefinieerde markten die de Unie of een aanzienlijk, zich over meer dan één lidstaat uitstrekkend, deel daarvan beslaan;

(4) "elektronische-communicatiedienst": een ▌tegen vergoeding via elektronische-communicatienetwerken aangeboden dienst, die "internettoegangsdienst" omvat zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) 2015/2120; en/of "persoonlijke communicatiedienst"; en/of diensten die geheel of hoofdzakelijk bestaan in het overbrengen van signalen zoals transmissiediensten die voor het verlenen van diensten tussen machines en voor omroep worden gebruikt, doch niet de dienst waarbij met behulp van elektronische-communicatienetwerken en -diensten overgebrachte inhoud wordt geleverd of redactioneel wordt gecontroleerd, noch diensten zonder winstoogmerk die worden verleend door individuele personen;

(5) "persoonlijke communicatiedienst": een ▌tegen vergoeding aangeboden dienst die directe persoonlijke en interactieve uitwisseling van informatie via elektronische-communicatienetwerken tussen een eindig aantal personen mogelijk maakt, en waarbij de personen die de communicatie starten of eraan deelnemen, bepalen welke de ontvangers zijn; daaronder vallen niet diensten die persoonlijke en interactieve communicatie mogelijk maken als een louter bijkomstig kenmerk dat onlosmakelijk verbonden is met een andere dienst;

(6) "nummergebaseerde persoonlijke communicatiedienst": een persoonlijke communicatiedienst die een verbinding maakt met het openbare geschakelde telefoonnet, hetzij door middel van toegewezen nummervoorraden, dat wil zeggen een nummer of een aantal nummers in nationale of internationale telefoonnummerplannen, hetzij door communicatie mogelijk te maken met een nummer of een aantal nummers in nationale of internationale telefoonnummerplannen, en waarbij de aanbieder van de dienst aanmerkelijke zeggenschap heeft over het netwerk dat wordt gebruikt voor de totstandbrenging van de communicatie;

(7) "nummeronafhankelijke persoonlijke communicatiedienst": een persoonlijke communicatiedienst die geen verbinding maakt met het openbare geschakelde telefoonnet, hetzij door middel van toegewezen nummervoorraden, dat wil zeggen een nummer of een aantal nummers in nationale of internationale telefoonnummerplannen, hetzij door communicatie mogelijk te maken met een nummer of een aantal nummers in nationale of internationale telefoonnummerplannen;

(8) "openbaar communicatienetwerk": een elektronische-communicatienetwerk dat geheel of hoofdzakelijk wordt gebruikt om voor het publiek beschikbare elektronische-communicatiediensten aan te bieden ter ondersteuning van de overdracht van informatie tussen netwerkaansluitpunten;

(9) "netwerkaansluitpunt" of "NAP" : het fysieke punt waarop een eindgebruiker de toegang tot een openbaar communicatienetwerk wordt geboden; in het geval van netwerken met schakelings- of routeringsfuncties wordt het NAP bepaald door middel van een specifiek netwerkadres, dat met een nummer of naam van een eindgebruiker kan zijn verbonden;

(10) "bijbehorende faciliteiten": de bij een elektronische-communicatienetwerk en/of een elektronische-communicatiedienst behorende diensten, fysieke infrastructuren en andere faciliteiten of elementen die het aanbieden van diensten via dat netwerk en/of dienst mogelijk maken en/of ondersteunen of het potentieel hiertoe bezitten en onder meer gebouwen of toegangen tot gebouwen, bekabeling van gebouwen, antennes, torens en andere ondersteunende constructies, kabelgoten, kabelbuizen, masten, mangaten en straatkasten omvatten;

(11) "bijbehorende diensten": de bij een elektronische-communicatienetwerk en/of een elektronische-communicatiedienst behorende diensten die het aanbieden van diensten ▌via dat netwerk en/of dienst mogelijk maken en/of ondersteunen of het potentieel hiertoe bezitten en onder meer nummervertaalsystemen of systemen met soortgelijke functies, voorwaardelijke toegangssystemen en elektronische programmagidsen ▌, alsmede andere diensten zoals identiteit, locatie en presentie-informatiediensten omvatten;

(12) "systeem voor voorwaardelijke toegang" elke technische maatregel, authenticatiesysteem en/of regeling waarbij toegang tot een beschermde radio- of televisie-omroepdienst in begrijpelijke vorm afhankelijk wordt gemaakt van een abonnement of een andere vorm van voorafgaande individuele machtiging;

(13) "gebruiker": een natuurlijke of rechtspersoon die gebruik maakt van of verzoekt om een openbare elektronische-communicatiedienst;

(14) "eindgebruiker": een gebruiker die geen openbaar communicatienetwerk of openbare elektronische-communicatiediensten aanbiedt.

(15) "consument": een natuurlijke persoon die gebruik maakt van of verzoekt om een openbare elektronische-communicatiedienst voor andere dan bedrijfs- of beroepsdoeleinden;

(16) "aanbieden van een elektronische-communicatienetwerk": het bouwen, exploiteren, leiden of beschikbaar stellen van een dergelijk netwerk;

(17) "geavanceerde digitale eindapparatuur": kastjes met converter en decoder en geïntegreerde digitale televisietoestellen voor de ontvangst van de digitale interactieve televisiediensten;

(18) "Application Program Interface - toepassingsprogrammaverbinding (API)": een software interface tussen externe toepassingen, die beschikbaar is gesteld door omroepen, dienstenleveranciers, alsmede de hulpmiddelen in de eindapparatuur;

(19) "spectrumtoewijzing": de aanwijzing van een specifieke frequentieband voor gebruik door een of meer soorten radiocommunicatiediensten, waar passend onder duidelijk omschreven voorwaarden;

(20) "schadelijke interferentie": interferentie die het functioneren van een radionavigatiedienst of van andere veiligheidsvoorzieningen in gevaar brengt, of die een overeenkomstig de geldende internationale, Unie- of nationale voorschriften werkende radiocommunicatiedienst op een andere wijze ernstig verslechtert, hindert of herhaaldelijk onderbreekt;

(21) "oproep": door middel van een openbaar beschikbare persoonlijke communicatiedienst tot stand gebrachte verbinding die tweewegspraakcommunicatie mogelijk maakt;

(22) "beveiliging van netwerken en diensten": het vermogen van elektronische-communicatienetwerken en -diensten om met een bepaalde mate van betrouwbaarheid bestand te zijn tegen acties die de beschikbaarheid, authenticiteit, integriteit en vertrouwelijkheid van de opgeslagen, verzonden of verwerkte gegevens of de daaraan gerelateerde diensten die via die netwerken of diensten worden aangeboden of toegankelijk zijn, in gevaar brengen.

(23) "algemene machtiging": regelgeving door de lidstaten waarbij rechten worden verleend voor het aanbieden van elektronische-communicatienetwerken of -diensten en specifieke sectorgebonden verplichtingen worden vastgesteld die overeenkomstig de richtlijn kunnen gelden voor alle of voor specifieke soorten elektronische-communicatienetwerken en -diensten, overeenkomstig deze richtlijn, uitgezonderd diensten zonder winstoogmerk die worden verleend door individuele personen;

(24) "draadloos toegangspunt met een klein bereik": draadloze netwerktoegangsapparatuur met laag vermogen van kleine omvang die binnen een klein bereik werkt, gebruikmaakt van vergunningplichtig of vergunningvrij spectrum of van een combinatie van beide, en al dan niet deel uitmaakt van een openbaar, terrestrisch mobiel communicatienetwerk en uitgerust is met een of meerdere antennes met lage visuele impact, waarmee aan de gebruikers toegang tot elektronische-communicatienetwerken wordt verleend, ongeacht of de onderliggende netwerktopologie mobiel dan wel vast is;

(25) "Radio Local Area Network" (RLAN): een draadloos toegangssysteem met laag vermogen dat binnen een klein bereik werkt, met een laag risico op interferentie met andere dergelijke systemen die in de nabijheid door andere gebruikers zijn opgesteld, dat spectrum op niet-exclusieve basis gebruikt waarvan de voorwaarden voor beschikbaarheid en efficiënt gebruik op EU-niveau zijn geharmoniseerd;

(26) "gedeeld gebruik van radiospectrum": toegang door twee of meer gebruikers om gebruik te maken van dezelfde frequenties in het kader van een bepaalde regeling inzake gedeeld gebruik, toegestaan door een bevoegde instantie op basis van een algemene machtiging, individuele gebruiksrechten of een combinatie daarvan, met inbegrip van regelgevingsbenaderingen, zoals vergunningsplichtige gedeelde toegang, die als doel hebben het gedeeld gebruik van frequentieruimte te vergemakkelijken, en onderworpen aan een bindende overeenkomst tussen alle betrokken partijen, overeenkomstig de regels inzake gedeeld gebruik die zijn opgenomen in hun gebruiksrechten, zodat aan alle gebruikers voorspelbare en betrouwbare regelingen inzake delen kunnen worden gewaarborgd, en zonder afbreuk te doen aan de toepassing van het mededingingsrecht;

(27) "geharmoniseerd radiospectrum": radiospectrum waarvan de beschikbaarheid en het doelmatig gebruik onderworpen zijn aan voorwaarden die door middel van een technische uitvoeringshandeling zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 4 van Beschikking nr. 676/2002/EG (Radiospectrumbeschikking).

(28) "toegang": het beschikbaar stellen van faciliteiten en/of diensten aan een andere onderneming, onder uitdrukkelijke voorwaarden, hetzij op exclusieve hetzij op niet-exclusieve basis, met het oog op het aanbieden van elektronische-communicatiediensten of het aanbieden van diensten voor de informatiemaatschappij of inzake inhoud voor radio- en televisieomroepen. Deze term bestrijkt onder meer toegang tot netwerkelementen en verwante faciliteiten waarbij eventueel apparatuur kan worden verbonden met vaste of niet-vaste middelen (dit houdt met name toegang in tot het aansluitnet en tot faciliteiten en diensten die noodzakelijk zijn om diensten te kunnen aanbieden via het aansluitnet); toegang tot materiële infrastructuur waaronder gebouwen, kabelgoten en masten; toegang tot relevante programmatuursystemen waaronder operationele ondersteuningssystemen; toegang tot informatiesystemen of databases voor reservering, levering, bestelling, onderhouds- en herstelverzoeken en facturering; toegang tot nummervertaling of systemen met vergelijkbare functionaliteit; toegang tot vaste en mobiele netwerken ▌, met name voor roaming; toegang tot voorwaardelijke toegangssystemen voor digitale-televisiediensten; toegang tot virtuele netwerkdiensten;

(29) "interconnectie": het fysiek en logisch verbinden van openbare communicatienetwerken die door dezelfde of een andere onderneming worden gebruikt om het de gebruikers van een onderneming mogelijk te maken te communiceren met die van dezelfde of van een andere onderneming of toegang te hebben tot diensten die door een andere onderneming worden aangeboden. Diensten kunnen worden aangeboden door de betrokken partijen of andere partijen die toegang hebben tot het netwerk. Interconnectie is een specifiek type toegang dat wordt gerealiseerd tussen exploitanten van openbare netwerken;

(30) "exploitant": onderneming die een openbaar communicatienetwerk of een bijbehorende faciliteit aanbiedt of gemachtigd is aan te bieden;

(31) "aansluitnet": fysiek pad dat door electronische-communicatiesignalen wordt gebruikt en dat het netwerkaansluitpunt verbindt met een verdeler of een soortgelijke voorziening in het vaste openbare elektronische communicatienetwerk.

(31 bis) "openbare betaaltelefoon": een voor het publiek beschikbaar telefoontoestel, voor het gebruik waarvan met munten en/of krediet-/debetkaarten en/of vooruitbetaalde telefoonkaarten, waaronder kaarten met een toegangscode, kan worden betaald;

(32) "spraakcommunicatie": een voor het publiek beschikbaar gestelde elektronische-communicatiedienst voor rechtstreeks of onrechtstreeks uitgaande en binnenkomende nationale of nationale en internationale gesprekken, met behulp van een nummer of een aantal nummers in een nationaal of internationaal telefoonnummerplan, dat ook andere vormen van communicatie omvat als alternatief voor spraakcommunicatie en specifiek bedoeld is voor eindgebruikers met een handicap, zoals diensten voor totale conversatie (spraak, beeld en realtimetekst) en tekst- en beeldbemiddelingsdiensten ("relaydiensten");

(33) "geografisch nummer": een nummer van een nationaal telefoonnummerplan waarvan een deel van de cijferstructuur een geografische betekenis heeft die wordt gebruikt voor het routeren van gesprekken naar de fysieke locatie van het netwerkaansluitpunt (NAP);

(34) "niet-geografisch nummer": een nummer van een nationaal telefoonnummerplan dat geen geografisch nummer is , zoals nummers voor mobiel bellen, kosteloze nummers en betaalnummers;

(35) "alarmcentrale" ("PSAP" — Public Safety Answering Point): de fysieke locatie waar noodcommunicatie eerst wordt ontvangen onder de verantwoordelijkheid van een openbare instantie of een door de overheid erkende private organisatie;

(35 bis) "relaydiensten": diensten die doven of slechthorenden of personen met spraakstoornissen in staat stellen telefonisch via een tolk, die tekst of gebarentaal gebruikt, te communiceren met een andere persoon op een wijze die functioneel gelijkwaardig is aan het vermogen van een persoon zonder handicap;

(36) "meest geschikte alarmcentrale": een alarmcentrale die vooraf door de bevoegde autoriteiten is aangewezen om noodcommunicatie uit een bepaald gebied of van een bepaald type te behandelen;

(36 bis) "realtimetekst": communicatie met gebruikmaking van teksttransmissie waarbij ingetikte letters door een terminal zo worden overgebracht dat de communicatie door de gebruiker als continu wordt ervaren;

(37) "noodcommunicatie": communicatie door middel van spraakcommunicatiediensten en desbetreffende nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten tussen een eindgebruiker en de alarmcentrale met het doel noodhulp te vragen en te ontvangen van hulpdiensten;

(38) "noodhulpdienst": een als zodanig door de lidstaat erkende dienst die onmiddellijk spoedhulp verleent in situaties waarin er met name sprake is van direct gevaar voor lijf en leden, de individuele of volksgezondheid of veiligheid, eigendommen van particulieren of van de overheid of het milieu, overeenkomstig de nationale wetgeving.

(38 bis) "informatie over de locatie van de oproeper": in een openbaar mobiel netwerk de verwerkte gegevens die zowel afkomstig zijn van de netwerkinfrastructuur als van het telefoontoestel, waaruit de geografische positie van de mobiele terminal van een eindgebruiker blijkt, en in een openbaar vast netwerk de gegevens over het fysieke adres van het aansluitpunt.

HOOFDSTUK II

DOELSTELLINGEN

Artikel 3

Algemene doelstellingen

1. De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties bij de uitvoering van de in deze richtlijn omschreven regelgevende taken alle redelijke maatregelen treffen die noodzakelijk en evenredig zijn voor de verwezenlijking van de in lid 2 genoemde doelstellingen. Ook de lidstaten, de Commissie en Berec dragen bij tot de verwezenlijking van deze doelstellingen.

De nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties dragen binnen hun bevoegdheden bij tot het waarborgen van de uitvoering van beleid ter bevordering van de vrijheid van meningsuiting en van informatie, culturele en taalkundige verscheidenheid en pluralisme in de media.

2. De nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties, evenals Berec, de Commissie en de lidstaten streven elk van de onderstaande algemene doelstellingen na, waarbij de volgorde waarin zij worden vermeld niets zegt over de prioriteit:

a) bevorderen de toegang tot en benutting van netwerken met een zeer hoge capaciteit, voor alle burgers en bedrijven van de Unie;

b) bevorderen de mededinging inzake het aanbieden van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten, met inbegrip van doeltreffende concurrentie op basis van de infrastructuur, en inzake het aanbieden van elektronische-communicatiediensten en bijbehorende diensten;

c) dragen bij tot de ontwikkeling van de interne markt door het opheffen van de resterende belemmeringen voor en het bevorderen van convergerende voorwaarden voor investeringen in en het aanbieden van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten en diensten, en elektronische-communicatiediensten in de hele Unie, door het ontwikkelen van gemeenschappelijke regels en voorspelbare regelgevingsbenaderingen, en door het bevorderen van doeltreffend, efficiënt en gecoördineerd gebruik van spectrum, open innovatie, het opzetten en ontwikkelen van trans-Europese netwerken, het aanbieden, de beschikbaarheid en de interoperabiliteit van pan-Europese diensten, en eind-tot-eind connectiviteit;

d) bevorderen de belangen van de burgers van de Unie ▌door te zorgen voor brede toegang tot en benutting van netwerken met een zeer hoge capaciteit, en van elektronische-communicatiediensten, door ervoor te zorgen dat op grond van daadwerkelijke concurrentie optimaal kan worden geprofiteerd wat betreft keuze, prijs en kwaliteit, door de beveiliging van netwerken en diensten te handhaven, door een hoog en gemeenschappelijk beschermingsniveau voor eindgebruikers te waarborgen via de noodzakelijke sectorspecifieke regels, door gelijkwaardige toegang en keuze voor eindgebruikers met een handicap te waarborgen en door aandacht te schenken aan de behoeften, zoals betaalbare prijzen, van specifieke maatschappelijke groepen, met name gebruikers met een handicap, oudere gebruikers en gebruikers met speciale sociale behoeften.

2 bis. De Commissie kan gedetailleerde beleidsrichtsnoeren verstrekken ter verwezenlijking van de in lid 2 genoemde doelstellingen, methoden en objectieve, concrete en kwantificeerbare criteria vaststellen voor benchmarking van de doeltreffendheid van de door de lidstaten ter verwezenlijking van die doelstellingen genomen maatregelen vastgesteld en goede praktijken aanwijzen. De beleidsrichtsnoeren voorzien eveneens in een jaarlijkse kwalitatieve en kwantitatieve beoordeling van de door de afzonderlijke lidstaten gemaakte vorderingen. Zij laten de onafhankelijkheid van de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties onverlet.

3. Bij het nastreven van de in lid 2 bedoelde en in dit lid gespecificeerde beleidsdoelstellingen passen de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties ▌onder meer het volgende toe:

a) zij bevorderen de voorspelbaarheid van de regelgeving door te zorgen voor een consistente aanpak in de regelgeving tijdens geschikte herzieningsperioden en door samen te werken met elkaar, met Berec en met de Commissie;

b) zij waarborgen dat er bij gelijke omstandigheden geen discriminatie plaatsvindt bij de behandeling van aanbieders van elektronische-communicatienetwerken en -diensten;

c) zij passen het EU-recht toe op technologisch neutrale wijze, voor zover dat in overeenstemming is met de verwezenlijking van de doelstellingen van lid 1;

d) zij bevorderen efficiënte investeringen en innovatie in nieuwe en betere infrastructuur, onder meer door te zorgen dat er in de toegangsverplichtingen voldoende rekening wordt gehouden met het door de investering genomen risico en door verschillende samenwerkingsafspraken tussen investeerders en partijen die toegang willen hebben, toe te staan om het investeringsrisico te spreiden, waarbij ervoor wordt gezorgd dat de concurrentie op de markt en het non-discriminatiebeginsel worden gevrijwaard;

e) zij houden naar behoren rekening met de uiteenlopende omstandigheden die wat betreft infrastructuur, concurrentie en omstandigheden voor eindgebruikers en consumenten in de verschillende geografische gebieden binnen een lidstaat bestaan, inclusief lokale infrastructuur die door individuele personen zonder winstoogmerk wordt beheerd;

f) zij leggen regelgevende verplichtingen ex ante uitsluitend op voor zover dat noodzakelijk is om in het belang van de eindgebruiker effectieve en duurzame concurrentie te waarborgen op de betrokken markt en zij verlichten de verplichtingen of heffen deze op zodra er wel aan die voorwaarde is voldaan.

De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties onpartijdig, objectief, transparant en op niet-discriminerende en evenredige wijze handelen.

Artikel 4

Strategische planning en coördinatie van het radiospectrumbeleid

1. De lidstaten werken met elkaar en met de Commissie samen bij de strategische planning, coördinatie en harmonisatie van het gebruik van het radiospectrum in de Unie. Daartoe houden zij onder meer rekening met economische, veiligheids-, gezondheids-, maatschappelijke, openbareveiligheids- en defensie- , vrijemeningsuitings-, culturele, wetenschappelijke, sociale en technische aspecten van het beleid van de Europese Unie, alsmede met de uiteenlopende belangen van de kringen van radiospectrumgebruikers met het oog op de optimalisatie van het gebruik van het radiospectrum en het vermijden van schadelijke interferentie.

2. Door met elkaar en met de Commissie samen te werken, bevorderen de lidstaten de coördinatie van de radiospectrumbeleidsaanpak in de Europese Unie en, in voorkomend geval, de harmonisatie van de voorwaarden inzake beschikbaarheid en efficiënt gebruik van het radiospectrum die vereist zijn voor het tot stand brengen en het functioneren van de interne markt op het gebied van elektronische communicatie.

3. De lidstaten werken via de Beleidsgroep Radiospectrum ▌samen met elkaar en met de Commissie, en de Beleidsgroep Radiospectrum ondersteunt en adviseert het Europees Parlement en de Raad desgewenst bij de strategische planning en de coördinatie van de radiospectrumbeleidsaanpak in de Unie. Berec wordt betrokken bij kwesties die verband houden met wetgeving en concurrentie.

4. De Commissie kan, zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van de Beleidsgroep Radiospectrum , wetgevingsvoorstellen bij het Europees Parlement en de Raad indienen voor de vaststelling van meerjarenprogramma’s voor het radiospectrumbeleid, alsook voor de beschikbaarstelling van spectrum met het oog op gedeeld en licentievrij gebruik. Deze programma’s bepalen de beleidslijnen en doelstellingen voor de strategische planning en harmonisatie van het radiospectrumgebruik overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn .

Titel II: Institutionele structuur en governance

HOOFDSTUK I

Nationale regelgevende en andere bevoegde instanties

Artikel 5

Nationale regelgevende en andere bevoegde instanties

1. De lidstaten zorgen ervoor dat alle taken die in deze richtlijn zijn vastgesteld , door een bevoegde instantie worden uitgevoerd.

Binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn is de nationale regelgevende instantie ten minste bevoegd om:

–  marktregulering ex ante uit te voeren, met inbegrip van het opleggen van verplichtingen op het gebied van toegang en interconnectie;

–  het in artikel 22 bedoelde geografische onderzoek te voeren;

–  ervoor te zorgen dat geschillen tussen ondernemingen ▌worden opgelost;

–  te beslissen over de marktvormings-, mededingings- en regelgevingselementen van nationale procedures voor de verlening, aanpassing of verlenging van gebruiksrechten voor radiospectrum overeenkomstig deze richtlijn;

–  algemene machtiging te verlenen;

–  de consumentenbescherming en de rechten van de eindgebruiker te waarborgen in de sector van de elektronische communicatie binnen de grenzen van hun bevoegdheden en op grond van sectorale regulering en, indien van toepassing, samen te werken met de desbetreffende bevoegde instanties;

–  nauwlettend toezicht te houden op de ontwikkeling van het internet der dingen om concurrentie, consumentenbescherming en cyberveiligheid te waarborgen;

–  de mechanismen te bepalen voor de financiering alsmede de oneerlijke belasting te beoordelen en de nettokosten te berekenen van het aanbieden van de universele dienst;

–  de naleving te waarborgen van regels in verband met open-internettoegang in overeenstemming met Verordening (EU) 2015/2120;

–  nummervoorraden toe te wijzen en nummerplannen te beheren;

–  nummerportabiliteit te waarborgen;

–  alle andere taken uit te voeren die door deze richtlijn aan nationale regelgevende instanties worden voorbehouden.

De lidstaten kunnen andere taken waarin deze richtlijn voorziet, toewijzen aan nationale regelgevende instanties.

2. Nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties van dezelfde lidstaat of van verschillende lidstaten ▌maken, waar nodig, met elkaar samenwerkingsafspraken ter bevordering van samenwerking op het gebied van regelgeving.

3. De lidstaten maken de door de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties uit te voeren taken op een gemakkelijk toegankelijke wijze bekend, met name wanneer die taken aan meer dan één lichaam worden toegewezen. De lidstaten zorgen in voorkomend geval voor overleg en samenwerking tussen die instanties onderling en tussen die instanties en de nationale instanties belast met de uitvoering van het mededingingsrecht en de nationale instanties belast met de uitvoering van het consumentenrecht, in aangelegenheden van gemeenschappelijk belang. Indien meer dan één instantie bevoegd is om die aangelegenheden te behandelen, zorgen de lidstaten ervoor dat de respectieve taken van elke instantie in een gemakkelijk toegankelijke vorm bekendgemaakt worden.

4. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties waaraan krachtens deze richtlijn taken zijn opgedragen, en van hun respectievelijke verantwoordelijkheden, alsook van eventuele wijzigingen daarvan .

Artikel 6

Onafhankelijkheid van nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties

1. De lidstaten waarborgen de onafhankelijkheid van de nationale regelgevende instanties en van andere bevoegde instanties door ervoor te zorgen dat zij juridisch gezien onderscheiden zijn van en functioneel onafhankelijk zijn van alle organisaties die elektronische-communicatienetwerken, -apparatuur of -diensten aanbieden. Lidstaten die de eigendom van of de zeggenschap over aanbieders van elektronische-communicatienetwerken en/of -diensten behouden, zorgen voor een daadwerkelijke structurele scheiding tussen de regelgevende taken en de met eigendom of zeggenschap verband houdende activiteiten.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties hun bevoegdheden op onpartijdige en transparante wijze en tijdig uitoefenen. De lidstaten zien erop toe dat zij over voldoende technische, financiële en menselijke middelen beschikken om de hun toegewezen taken uit te voeren.

Artikel 7

Benoeming en ontslag van leden van nationale regelgevende instanties

1. Het hoofd van de nationale regelgevende instantie of, in voorkomend geval, de leden van het collegiale orgaan dat die functie vervult binnen een nationale regelgevende instantie of hun plaatsvervangers, worden benoemd voor een ambtstermijn van ten minste vier jaar uit personen met een erkende reputatie en beroepservaring, op basis van verdienste, vaardigheden, kennis en ervaring, en na een open en transparante selectieprocedure. Zij mogen niet meer dan twee ambtstermijnen vervullen, ook al volgen die ambtstermijnen elkaar niet op. De lidstaten zorgen voor continuïteit in de besluitvorming door in een adequaat rouleringsschema te voorzien voor de leden van het collegiale orgaan of van het topmanagement, bijvoorbeeld door de eerste leden van het collegiale orgaan voor verschillende termijnen te benoemen, zodat hun mandaten en die van hun opvolgers niet op hetzelfde ogenblik verstrijken.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat het hoofd, of, in voorkomend geval, de leden van het collegiale orgaan dat die functie vervult, van een nationale regelgevende instantie , of hun plaatsvervangers tijdens hun ambtstermijn alleen kunnen worden ontslagen indien zij niet meer aan de in dit artikel vastgestelde eisen voldoen.

3. Het besluit om het hoofd, of, in voorkomend geval, de leden van het collegiale orgaan dat die functie vervult, van de betrokken nationale regelgevende instantie te ontslaan wordt openbaar gemaakt op het moment van ontslag. Het ontslagen hoofd of, in voorkomend geval, de ontslagen leden van het collegiale orgaan dat die functie vervult, van de nationale regelgevende instantie ontvangen een motivering en hebben het recht de openbaarmaking daarvan te verlangen, indien zulks anders niet zou geschieden; in dat geval wordt zij openbaar gemaakt. De lidstaten zorgen ervoor dat dat besluit aan rechterlijke toetsing kan worden onderworpen, zowel wat feitenkwesties betreft, als wat rechtsvragen betreft.

Artikel 8

Politieke onafhankelijkheid en verantwoordingsplicht van de nationale regelgevende instanties

1. Onverminderd de bepalingen van artikel 10, treden de nationale regelgevende instanties onafhankelijk en objectief op, functioneren zij op transparante wijze en leggen zij daarvoor volgens de wettelijke bepalingen van de Unie en de nationale wetgeving verantwoording af, en beschikken zij over voldoende bevoegdheden en vragen of aanvaarden zij geen instructies van andere instanties in verband met de uitoefening van de taken die hun op grond van de nationale wetgeving tot omzetting van het recht van de Unie zijn toegewezen. Dit vormt geen beletsel voor toezicht overeenkomstig de nationale grondwet. Alleen beroepsinstanties die zijn opgezet in overeenstemming met artikel 31, zijn bevoegd besluiten van de nationale regelgevende instanties te schorsen of ongedaan te maken.

2. De nationale regelgevende instanties brengen jaarlijks verslag uit, onder meer over de toestand van de markt voor elektronische communicatie, de besluiten die zij nemen, hun personele en financiële middelen en de toewijzing daarvan, en over toekomstige plannen. Dit verslag wordt openbaar gemaakt.

Artikel 9

Regelgevingscapaciteit van nationale regelgevingsinstanties

1. De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties over afzonderlijke jaarlijkse begrotingen beschikken met autonomie in de uitvoering van de toegewezen begroting. De begroting wordt openbaar gemaakt.

2. Onverminderd de verplichting om ervoor te zorgen dat de nationale regelgevende instanties over voldoende financiële en personele middelen beschikken om de hun toegewezen taken uit te voeren, belet de financiële autonomie niet dat er toezicht of controle is overeenkomstig het nationale grondwettelijke recht. Elke controle op de begroting van de nationale regelgevende instanties wordt op een transparante manier uitgevoerd en openbaar gemaakt.

3. De lidstaten zorgen er eveneens voor dat de nationale regelgevende instanties over voldoende financiële middelen en personeel beschikken om hen in staat te stellen actief deel te nemen aan en bij te dragen tot het orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (Berec)(37).

Artikel 10

Deelname van de nationale regelgevende instanties aan Berec

1. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de doelstellingen van Berec voor wat het bevorderen van de coördinatie van de regelgeving en van de coherentie betreft, actief worden ondersteund door de respectieve nationale regelgevende instanties.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties bij de aanneming van hun beslissingen voor hun nationale markten zeer zorgvuldig rekening houden met door Berec gegeven adviezen, gemeenschappelijke standpunten of besluiten.

2 bis. De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties Verordening (EU) nr. 2015/2120 en de Berec-richtsnoeren die zijn vastgesteld op grond van artikel 5, lid 3, van voornoemde verordening toepassen en binnen Berec coördineren met andere nationale regelgevende instanties bij de tenuitvoerlegging ervan.

Artikel 11

Samenwerking tussen nationale instanties

1. De nationale regelgevende instanties, andere in het kader van deze richtlijn bevoegde instanties en de nationale mededingingsautoriteiten leveren elkaar de informatie die nodig is voor de toepassing van de onderhavige richtlijn. Ten aanzien van de uitgewisselde informatie zijn de voorschriften van de Unie inzake gegevensbescherming van toepassing en is de ontvangende instantie gehouden hetzelfde niveau van vertrouwelijkheid in acht te nemen als de informatieverstrekkende instantie.

HOOFDSTUK II

Algemene machtiging

Afdeling 1 Algemeen deel

Artikel 12

Algemene machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten

1. De lidstaten waarborgen de vrijheid om, mits aan de door deze richtlijn vastgestelde voorwaarden voldaan is, elektronische-communicatienetwerken en -diensten aan te bieden. Te dien einde mogen de lidstaten een onderneming niet beletten elektronische-communicatienetwerken en -diensten aan te bieden, tenzij dat noodzakelijk is omwille van de in artikel 52 , lid 1, van het Verdrag bedoelde redenen. Elke dergelijke beperking van de vrijheid om elektronische-communicatienetwerken en -diensten aan te bieden, wordt met redenen omkleed, is in overeenstemming met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en ter kennis gebracht van de Commissie.

2. Het aanbieden van elektronische-communicatienetwerken of het aanbieden van ▌elektronische-communicatiediensten ▌kan, onverminderd de specifieke verplichtingen van artikel 13, lid 2, en de gebruiksrechten van de artikelen 46 en 88, alleen worden onderworpen aan een algemene machtiging. De onderneming mag niet onderworpen zijn aan een voorafgaande machtiging of enig ander bestuursrechtelijk besluit.

2 bis. Indien een onderneming die elektronische-communicatiediensten aanbiedt in meer dan één lidstaat haar hoofdvestiging in de Unie heeft, is zij onderworpen aan de algemene machtiging van die lidstaat en heeft zij het recht om elektronische-communicatiediensten aan te bieden in alle lidstaten.

Voor de toepassing van deze richtlijn komt de hoofdvestiging overeen met de plaats waar de onderneming aan alle hiernavolgende criteria voldoet:

a) zij verricht hier haar aanzienlijke werkzaamheden, anders dan de uitsluitend administratieve werkzaamheden, zoals bedrijfsontwikkeling en de werkzaamheden in verband met de boekhouding en het personeel;

b) zij neemt hier haar strategische bedrijfsbesluiten wat betreft het aanbieden van elektronische-communicatiediensten in de Unie; en

  c) zij produceert hier een aanzienlijk deel van haar omzet;

2 ter. De bevoegde instantie van de lidstaat van hoofdvestiging, die tevens optreedt op verzoek van de bevoegde instanties van een andere lidstaat, treft de maatregelen die nodig zijn met het oog op de monitoring van en het toezicht op de naleving van de voorwaarden van de algemene machtiging en de verstrekking van de in artikel 21 bedoelde informatie. Indien nodig faciliteert en coördineert Berec deze uitwisseling van informatie.

In het geval van een aangetoonde inbreuk op de desbetreffende regels in een andere lidstaat dan de lidstaat van hoofdvestiging, nemen de bevoegde instanties van de lidstaat van hoofdvestiging een besluit over passende maatregelen in overeenstemming met artikel 30.

In geval van bezwaar tegen de door de instanties van de lidstaat van hoofdvestiging genomen maatregelen of tegenstrijdige inzichten met betrekking tot de plaats van hoofdvestiging, kan Berec als bemiddelaar optreden en, wanneer dit nodig is in het geval van een onopgelost geschil, een besluit nemen dat moet worden ondersteund door een tweederdemeerderheid van de leden van de raad van regelgevers.

3. Wanneer een lidstaat van oordeel is dat een kennisgevingsvereiste gerechtvaardigd is, mag die lidstaat uitsluitend van ondernemingen verlangen dat zij een kennisgeving indienen bij Berec, maar mag hij niet van hen verlangen dat zij een expliciet besluit of andere bestuurshandeling van de nationale regelgevende instantie of van een andere instantie verkrijgen alvorens de uit de machtiging voortvloeiende rechten te kunnen uitoefenen. De lidstaten verstrekken de Commissie en de andere lidstaten binnen 12 maanden na... [datum van omzetting] een gemotiveerde kennisgeving indien zij een kennisgevingsverplichting als gerechtvaardigd beschouwen. De Commissie onderzoekt de kennisgeving en neemt zo nodig binnen drie maanden vanaf de datum van de kennisgeving het besluit om de lidstaat in kwestie te verzoeken de kennisgevingsverplichting in te trekken.

Lidstaten die een kennisgevingsverplichting opleggen, staan toe dat aanbieders van elektronische-communicatiediensten die deze in minder dan [drie] lidstaten aanbieden en die een totale bedrijfsomzet in de Unie hebben van minder dan [100] miljoen EUR, een kennisgeving indienen, maar kunnen dit niet voorschrijven.

Na de eventueel vereiste kennisgeving aan Berec kan een onderneming haar activiteiten aanvangen, waar nodig met inachtneming van de bepalingen inzake gebruiksrechten overeenkomstig deze richtlijn. Indien de betrokken lidstaat of lidstaten niet in de kennisgeving zijn aangegeven, wordt zij geacht betrekking te hebben op alle lidstaten. Berec stuurt op elektronische wijze en onverwijld elke kennisgeving door naar de nationale regelgevende instantie in alle lidstaten die betrokken zijn bij het aanbieden van elektronische-communicatienetwerken of het aanbieden van elektronische-communicatiediensten.

Informatie overeenkomstig dit lid over bestaande kennisgevingen die reeds bij de nationale regelgevende instantie zijn gedaan op de datum van omzetting van deze richtlijn, wordt uiterlijk op [datum van omzetting] aan Berec verstrekt.

4. De in lid 3 bedoelde kennisgeving behelst niet meer dan een verklaring waarmee een natuurlijke of rechtspersoon Berec in kennis stelt van zijn voornemen om te beginnen met het aanbieden van elektronische-communicatienetwerken of -diensten en de indiening van de minimale informatie die nodig is om Berec en de nationale regelgevende instantie in staat te stellen een register of lijst van aanbieders van elektronische-communicatienetwerken en -diensten bij te houden. Deze informatie moet beperkt blijven tot:

(1)  de naam van de aanbieder;

(2)  de rechtsstatus, vorm en registratienummer van de aanbieder, de plaats waar de aanbieder ingeschreven staat in een handelsregister of een soortgelijk openbaar register in de EU;

(3)  het geografische adres van de hoofdvestiging van de aanbieder ▌en, in voorkomend geval, van elk secundair bijkantoor in een lidstaat(38);

(3 bis)  indien van toepassing de website van de aanbieder in verband met het aanbieden van elektronische-communicatienetwerken en/of -diensten;

(4)  een contactpersoon en contactgegevens;

(5)  een korte beschrijving van de aan te bieden netwerken of diensten;

(6)  de betrokken lidstaten, en

(7)  de datum waarop de activiteiten vermoedelijk van start gaan.

De lidstaten mogen geen aanvullende of afzonderlijke kennisgevingseisen opleggen.

Artikel 13

Voorwaarden die aan de algemene machtiging en de gebruiksrechten voor radio spectrum en voor nummers kunnen worden verbonden, en specifieke verplichtingen

-1. Tenzij anders bepaald in deze richtlijn zijn aanbieders van elektronische-communicatiediensten die hun hoofdvestiging in een lidstaat hebben en die actief zijn in meer dan één lidstaat, uitsluitend onderworpen aan de voorwaarden van de algemene machtiging die van toepassing is in de lidstaat waar zij hun hoofdvestiging hebben. De nationale regelgevende instantie van die lidstaat is verantwoordelijk voor de uitoefening van de handhavingsbevoegdheden in verband met de voorwaarden van de algemene machtiging, onverminderd andere verplichtingen die niet onder deze richtlijn vallen en de plicht van de aanbieder om de wetten van de lidstaten waar hij elektronische-communicatiediensten aanbiedt na te leven.

1. De algemene machtiging voor het aanbieden van elektronische-communicatienetwerken of -diensten en de gebruiksrechten voor radiospectrum en gebruiksrechten voor nummers kunnen alleen aan de in bijlage I genoemde voorwaarden worden onderworpen. Deze voorwaarden moeten niet-discriminerend, aangepast aan de bijzonderheden van het netwerk of de dienst, evenredig en transparant zijn en in het geval van gebruiksrechten voor radio spectrum in overeenstemming met de artikelen 45 en 51 in het geval van gebruiksrechten voor nummers in overeenstemming met artikel 88 .

2. Specifieke verplichtingen die kunnen worden opgelegd aan aanbieders van elektronische-communicatienetwerken en -diensten krachtens de artikelen ▌36, 46, lid 1, 48, lid 2, en 59, lid 1, of aan aanbieders die zijn aangewezen voor het aanbieden van de universele dienst overeenkomstig deze richtlijn , moeten juridisch gescheiden zijn van de rechten en verplichtingen in het kader van de algemene machtiging. Met het oog op transparantie ten aanzien van ondernemingen, worden de criteria en procedures voor het opleggen van dergelijke specifieke verplichtingen aan individuele ondernemingen in de algemene machtiging genoemd.

3. In de algemene machtiging worden alleen voorwaarden opgenomen die specifiek zijn voor de betrokken sector en die genoemd zijn in delen A, B en C van bijlage I, en worden geen voorwaarden opgenomen die reeds krachtens andere nationale wetgeving voor ondernemingen gelden.

4. De lidstaten leggen de voorwaarden van de algemene machtiging niet nogmaals op wanneer zij het gebruiksrecht voor radiofrequenties of nummers verlenen.

Artikel 14

Verklaringen om de uitoefening van rechten om faciliteiten te installeren en interconnectierechten te vergemakkelijken

▌Berec geeft ▌standaardverklaringen, waar zulks van toepassing is, met een bevestiging dat de onderneming een kennisgeving heeft verricht overeenkomstig artikel 12, lid 3, en waarin wordt gestipuleerd onder welke voorwaarden elke onderneming die uit hoofde van de algemene machtiging elektronische-communicatienetwerken of -diensten aanbiedt een aanvraag kan indienen met het oog op het recht faciliteiten te installeren, te onderhandelen over interconnectie en/of toegang of interconnectie te verkrijgen teneinde de uitoefening van deze rechten, bijvoorbeeld op andere bestuursniveaus of tegenover andere ondernemingen, te vergemakkelijken. Dergelijke verklaringen worden automatisch afgegeven naar aanleiding van een kennisgeving overeenkomstig artikel 12, lid 3.

Afdeling 2 Algemene machtiging rechten en verplichtingen

Artikel 15

Minimumlijst van uit de algemene machtiging voortvloeiende rechten

1. Ondernemingen die overeenkomstig artikel 12 zijn gemachtigd hebben het recht:

a) elektronische-communicatienetwerken en -diensten aan te bieden;

b) op behandeling van hun aanvragen voor de nodige rechten voor het installeren van faciliteiten overeenkomstig artikel 43 van deze richtlijn.

c) radiospectrum te gebruiken in het kader van elektronische-communicatiediensten en -netwerken onverminderd de artikelen 13, 46 en 54.

d) op behandeling van hun aanvragen voor de nodige rechten voor het gebruik van nummers overeenkomstig artikel 88.

2. Dergelijke ondernemingen die openbare elektronische-communicatienetwerken en -diensten aanbieden, worden door de algemene instantie voorts gemachtigd om:

a) te onderhandelen over interconnectie met en eventueel toegang of interconnectie te verkrijgen van andere aanbieders van openbare communicatienetwerken en -diensten die ongeacht waar in de Unie onder een algemene machtiging vallen, onder de voorwaarden van en overeenkomstig deze richtlijn;

b) in staat te worden gesteld te worden aangewezen om verschillende onderdelen van een universele dienst aan te bieden op het gehele nationale grondgebied of op een deel daarvan, overeenkomstig Artikel 81 of 82.

Artikel 16

Administratieve bijdragen

1. Administratieve bijdragen die worden opgelegd aan aanbieders van een dienst of een netwerk in het kader van de algemene machtiging of waaraan een gebruiksrecht is verleend:

  a) dienen uitsluitend ter dekking van de administratiekosten die voortvloeien uit het beheer, de controle van en het toezicht op de naleving van het algemene machtigingssysteem van de gebruiksrechten en van de specifieke verplichtingen van artikel 13, lid 2, die ook de kosten kunnen omvatten voor internationale samenwerking, harmonisatie en normering, marktanalyse, controle op de naleving en ander markttoezicht, alsmede regelgevende werkzaamheden in het kader van de opstelling en handhaving van afgeleide wetgeving en administratieve besluiten, zoals besluiten betreffende toegang en interconnectie; en

  b) worden opgelegd aan individuele ondernemingen volgens een objectieve, transparante en evenredige verdeling, die de extra administratiekosten en daarmee samenhangende bijdragen tot een minimum beperkt. De lidstaten mogen ervoor kiezen om geen administratieve bijdragen op te leggen aan ondernemingen waarvan de omzet kleiner is dan een bepaalde drempel of waarvan de activiteiten niet een bepaald minimaal marktaandeel uitmaken of zeer beperkt territoriaal verspreid zijn. Behalve een eenmalige heffing van [10] EUR mogen de lidstaten geen administratieve bijdragen opleggen aan aanbieders van elektronische-communicatiediensten die in minder dan [drie] lidstaten actief zijn en een totale omzet in de Unie van minder dan [100] miljoen EUR hebben.

2. Wanneer de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties administratieve bijdragen heffen, publiceren zij een jaarlijks overzicht van hun administratieve kosten en het totale bedrag van de geïnde bijdragen. In het licht van het verschil tussen het totale bedrag aan vergoedingen en het totale bedrag aan administratieve kosten, vinden de nodige aanpassingen plaats.

Artikel 17

Scheiding van boekhoudingen en financiële verslaglegging

1. De lidstaten eisen van aanbieders van openbare communicatienetwerken of openbare elektronische-communicatiediensten die in dezelfde of een andere lidstaat over bijzondere of uitsluitende rechten voor het aanbieden van diensten in andere sectoren beschikken, dat zij:

  a) voor de activiteiten in verband met het aanbieden van elektronische-communicatienetwerken of -diensten een gescheiden boekhouding voeren, in dezelfde mate als vereist zou zijn wanneer de betrokken activiteiten door juridisch onafhankelijke ondernemingen zouden worden verricht, teneinde alle kosten en inkomsten, met de daarvoor gebruikte berekeningsgrondslag en gedetailleerde toewijzingsmethoden, aan te geven die betrekking hebben op hun activiteiten in verband met het aanbieden van elektronische-communicatienetwerken of -diensten, met inbegrip van een puntsgewijs overzicht van de vaste activa en de structurele kosten, of

  b) een structurele scheiding hebben voor de activiteiten in verband met het aanbieden van elektronische-communicatienetwerken of -diensten.

De lidstaten kunnen afzien van de toepassing van de in de eerste alinea genoemde eisen op ondernemingen waarvan de jaaromzet in activiteiten in verband met elektronische-communicatienetwerken of -diensten in de lidstaten minder bedraagt dan 50 miljoen EUR.

2. Wanneer aanbieders van openbare communicatienetwerken of openbare elektronische-communicatiediensten niet zijn onderworpen aan de vereisten van het vennootschapsrecht en niet beantwoorden aan de criteria voor kleine en middelgrote ondernemingen met betrekking tot de in het recht van de Unie vastgelegde regels inzake financiële verslaglegging, worden hun financiële verslagleggingen opgesteld, aan een onafhankelijke accountantscontrole onderworpen en gepubliceerd. De accountantscontrole wordt uitgevoerd in overeenstemming met de relevante nationale voorschriften en voorschriften van de Unie .

Deze eis geldt ook voor de krachtens lid 1, onder a), vereiste gescheiden boekhoudingen.

Afdeling 3 Wijziging en intrekking

Artikel 18

Wijziging van rechten en verplichtingen

1. Lidstaten zorgen ervoor dat de rechten, voorwaarden en procedures inzake algemene machtigingen en gebruiksrechten voor radiospectrum of voor nummers of rechten om faciliteiten te installeren alleen kunnen worden gewijzigd in objectief met redenen omklede gevallen en op evenredige wijze, in voorkomend geval rekening houdend met de specifieke voorwaarden die van toepassing zijn op de overdraagbare gebruiksrechten voor radio spectrum en voor nummers.

2. Tenzij de voorgestelde wijzigingen minimaal zijn en daarover overeenstemming is bereikt met de houder van de rechten of de algemene machtiging, zal het voornemen om dergelijke wijzigingen aan te brengen, onverminderd artikel 35 op passende wijze worden bekendgemaakt en de belanghebbende partijen, met inbegrip van gebruikers en consumenten, zullen over een adequate termijn kunnen beschikken om hun standpunt met betrekking tot de voorgestelde wijzigingen kenbaar te maken; deze termijn bedraagt behoudens uitzonderlijke gevallen ten minste vier weken.

Elke wijziging wordt openbaar gemaakt, met vermelding van de redenen daarvoor.

Artikel 19

Beperking of intrekking van rechten

1. De lidstaten mogen de rechten om faciliteiten te installeren of gebruiksrechten voor radio spectrum of nummers niet vóór het verstrijken van de periode waarvoor zij verleend zijn beperken of intrekken, behalve in met redenen omklede gevallen overeenkomstig lid 2 en, waar nodig, in overeenstemming met bijlage I en met de relevante nationale bepalingen inzake compensatie voor de intrekking van rechten.

2. Overeenkomstig de noodzaak te zorgen voor het doeltreffend en efficiënt gebruik van radiospectrum of de uitvoering van de krachtens Beschikking nr. 676/2002/EG vastgestelde geharmoniseerde voorwaarden, kunnen de lidstaten de beperking of intrekking door de bevoegde nationale autoriteit van rechten toestaan die na... [de in artikel 115 vermelde datum] zijn toegekend op basis van vooraf vastgestelde gedetailleerde procedures met bij de toekenning of verlenging duidelijk omschreven gebruiksvoorwaarden en drempelwaarden en in overeenstemming met de beginselen van evenredigheid en non-discriminatie.

3. Een wijziging in het gebruik van radiospectrum als gevolg van de toepassing van artikel 45, leden 4 of 5, rechtvaardigt op zichzelf niet de intrekking van een recht om radiospectrum te gebruiken.

4. Elk voornemen om machtigingen of individuele gebruiksrechten voor radiospectrum of nummers te beperken of in te trekken zonder toestemming van de houder van de rechten, wordt aan een openbare raadpleging onderworpen overeenkomstig artikel 23.

HOOFDSTUK III

Verstrekking van informatie, onderzoeken en raadplegingsmechanisme

Artikel 20

Verzoek om informatie aan ondernemingen

1. De lidstaten zorgen ervoor dat aanbieders van elektronische-communicatienetwerken en -diensten, bijbehorende faciliteiten of bijbehorende diensten, alle, ook financiële, informatie verstrekken die de nationale regelgevende instanties, andere bevoegde instanties en Berec nodig hebben om de naleving te waarborgen van deze richtlijn, van de besluiten die zijn genomen in overeenstemming ermee. Met name kunnen de nationale regelgevende instanties van deze ondernemingen verlangen dat zij informatie verstrekken met betrekking tot toekomstige ontwikkelingen van hun netwerk of diensten die een impact zouden kunnen hebben op de diensten op groothandelsniveau die zij beschikbaar stellen aan concurrenten. Zij kunnen ook om informatie over elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten verzoeken die uitgesplitst is op lokaal niveau en voldoende gedetailleerd is zodat de nationale regelgevende instantie het geografische onderzoek kan voeren en overeenkomstig artikel 22 digitale uitsluitingsgebieden kan aanwijzen. ▌

Van ondernemingen met een aanmerkelijke macht op groothandelsmarkten kan ook worden verlangd dat zij gegevens verstrekken over de detailhandelsmarkten die verbonden zijn met die groothandelsmarkten.

Nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties kunnen ook de centrale informatiepunten die zijn opgericht overeenkomstig Richtlijn 2014/61/EU inzake maatregelen ter verlaging van de kosten van de aanleg van elektronischecommunicatienetwerken met hoge snelheid, om informatie verzoeken.

Ondernemingen verstrekken dergelijke informatie op verzoek onverwijld en volgens de vastgestelde termijnen en mate van detail. De gevraagde informatie dient in evenredigheid te zijn met de uitvoering van die taak. De bevoegde instantie noemt de redenen voor haar verzoek om informatie en behandelt de informatie overeenkomstig lid 3.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties de Commissie, op met redenen omkleed verzoek, de informatie verstrekken die zij nodig heeft om haar taken uit hoofde van het Verdrag te vervullen. De door de Commissie gevraagde informatie dient in evenredigheid te zijn met de uitvoering van die taken. Wanneer de verstrekte informatie betrekking heeft op informatie die voordien door ondernemingen op verzoek van de instantie is verstrekt, worden die ondernemingen daarvan in kennis gesteld. Behoudens een uitdrukkelijk en met redenen omkleed andersluidend verzoek van de instantie die de informatie verschaft, stelt de Commissie de verstrekte informatie voor zover nodig aan een andere nationale regelgevende instantie in een andere lidstaat beschikbaar.

Onder voorbehoud van de vereisten van lid 3 zorgen de lidstaten ervoor dat de aan één instantie verstrekte informatie aan een andere regelgevende instantie in dezelfde of een andere lidstaat en aan Berec na een met redenen omkleed verzoek ter beschikking kan worden gesteld, indien zulks nodig is om de respectieve instanties of Berec in staat te stellen hun taken uit hoofde van het recht van de Unie te vervullen.

3. Wanneer informatie door een nationale regelgevende instantie of andere bevoegde instantie in overeenstemming met de nationale en Unievoorschriften betreffende vertrouwelijke bedrijfs- of fabricagegegevens, de nationale veiligheid of de bescherming van persoonsgegevens als vertrouwelijk wordt beschouwd, garanderen de Commissie, Berec en de betrokken instanties het vertrouwelijke karakter van de verstrekte informatie. Overeenkomstig het beginsel van loyale samenwerking weigeren nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties de gevraagde informatie niet te verstrekken aan de Commissie, Berec of een andere instantie op gronden van vertrouwelijkheid of de noodzaak om de partijen die de informatie hebben verstrekt, te raadplegen. Wanneer de Commissie, Berec of een bevoegde instantie zich ertoe verbindt de vertrouwelijkheid te eerbiedigen van informatie die als zodanig is aangemerkt door de instantie die over de informatie beschikt, deelt de laatstgenoemde deze informatie op verzoek met het vastgestelde doel, zonder dat de partijen die de informatie hebben verstrekt, moeten worden geraadpleegd.

4. De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties , handelend in overeenstemming met de nationale regels inzake de toegang van het publiek tot informatie en met inachtneming van de nationale en Unievoorschriften betreffende het zakengeheim en de bescherming van persoonsgegevens , de informatie publiceren die kan bijdragen tot een open en concurrerende markt.

5. De nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties publiceren de voorwaarden voor de toegang van het publiek tot informatie als bedoeld in lid 4, met inbegrip van de procedures voor het verkrijgen van die toegang.

Artikel 21

Informatie die moet worden verstrekt in het kader van de algemene machtiging, voor gebruiksrechten en voor specifieke verplichtingen

1. Onverminderd op grond van artikel 20 vereiste informatie en de informatie- en rapportageverplichtingen krachtens andere nationale wetgeving dan de algemene machtiging mogen de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties de ondernemingen in het kader van de algemene machtiging, de gebruiksrechten of de specifieke verplichtingen van artikel 13, lid 2, verzoeken om informatie die passend en objectief gerechtvaardigd is voor met name:

  a) controle, hetzij systematisch, hetzij per geval, op de naleving van de voorwaarde 1 van deel A, voorwaarden 2 en 6 van deel D en voorwaarden 2 en 7 van deel E van bijlage I en op de naleving van de in artikel 13, lid 2, genoemde verplichtingen;

  b) controle per geval op de naleving van de voorwaarden genoemd in bijlage I wanneer een klacht is ontvangen, wanneer de bevoegde instantie andere redenen heeft om aan te nemen dat aan een voorwaarde niet wordt voldaan, of wanneer de bevoegde instantie op eigen initiatief een onderzoek heeft verricht;

  c) procedures voor en evaluatie van aanvragen om verlening van gebruiksrechten;

  d) publicatie van vergelijkende overzichten van kwaliteit en prijs van diensten ten behoeve van de consumenten;

  e) duidelijk omschreven statistische, verslagleggings- of onderzoeksdoeleinden;

  marktonderzoek voor de toepassing van deze richtlijn, met inbegrip van gegevens inzake de stroomafwaartse of retailmarkten die verband houden met of verwant zijn aan de markten waarop de analyse betrekking heeft;

  g) het waarborgen van efficiënt gebruik en efficiënt beheer van radio spectrum en van nummervoorraden;

  h) het evalueren van toekomstige ontwikkelingen van het netwerk of de diensten die gevolgen zouden kunnen hebben voor de groothandelsdiensten die beschikbaar zijn gesteld aan concurrenten;territorial coverage connectivity available to end-users or on the designation of digital exclusion areas ▌;

h bis) de uitvoering van geografische studies;

h ter) de beantwoording van met redenen omklede verzoeken om informatie van Berec.

De in de punten a), b), d), e), f), g) en h) van de eerste alinea bedoelde informatie mag niet worden vereist vóór of als voorwaarde voor de toegang tot de markt.

Berec ontwikkelt uiterlijk op [datum] gestandaardiseerde modellen voor informatieverzoeken.

2. Wat de gebruiksrechten voor radiospectrum betreft, heeft dergelijke informatie met name betrekking op het doeltreffend en efficiënt gebruik van radiospectrum alsook op de naleving van de dekking en de kwaliteit van de dienstverplichtingen die zijn gekoppeld aan de gebruiksrechten voor radiospectrum en de verificatie ervan.

3. Wanneer de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties ondernemingen verplichten informatie te verstrekken als bedoeld in lid 1, delen zij hun mee voor welk specifiek doel de informatie zal worden gebruikt.

4. Nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties mogen geen dubbele verzoeken om informatie doen wanneer bij BEREC reeds een verzoek is gedaan overeenkomstig artikel 30 van Verordening [xxxx/xxxx/EG ( de Berec-verordening)](39).

4 bis. Onverminderd de informatie- en rapportageverplichtingen voor gebruiksrechten en voor de specifieke verplichtingen, mag, wanneer een onderneming in meer dan één lidstaat elektronische-communicatiediensten aanbiedt en haar hoofdvestiging in de Unie heeft, uitsluitend de regelgevende instantie van de lidstaat van hoofdvestiging de in lid 1 bedoelde informatie opvragen. De nationale regelgevende instanties van andere betrokken lidstaten kunnen informatie opvragen bij de eerste nationale regelgevende instantie of bij Berec. Berec faciliteert de coördinatie en uitwisseling van informatie tussen de betrokken nationale regelgevende instanties door middel van de informatie-uitwisseling die is ingesteld op grond van artikel 30 van Verordening [xxxx/xxxx/EG] (Berec-verordening).

Artikel 22

Geografisch onderzoek van de uitrol van netwerken

1. De nationale regelgevende instanties voeren een geografisch onderzoek naar het bereik van elektronische-communicatienetwerken die ten minste breedbanddiensten kunnen leveren ("breedbandnetwerken") binnen drie jaar na [omzettingstermijn van de richtlijn] en werken dat minstens om de drie jaar bij.

Dat geografisch onderzoek bestaat uit een onderzoek naar het actuele geografische bereik van dergelijke netwerken op hun grondgebied, als vereist voor de taken uit hoofde van deze richtlijn en voor de onderzoeken voor de toepassing van de regels inzake staatssteun.

De in het onderzoek verzamelde informatie bevat in passende mate plaatselijke bijzonderheden en bevat voldoende informatie over de kwaliteit van de diensten en de parameters daarvan.

5. De lidstaten zorgen ervoor dat de lokale, regionale en nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de toewijzing van openbare middelen voor de uitrol van elektronische-communicatienetwerken, voor het ontwerp van nationale breedbandplannen, voor het vaststellen van dekkingsverplichtingen gekoppeld aan gebruiksrechten voor radiospectrum en voor de controle van de beschikbaarheid van diensten die onder de universeledienstverplichting op hun grondgebied vallen, rekening houden met de resultaten van het onderzoek dat is uitgevoerd in overeenstemming met lid 1, en dat de nationale regelgevende instanties dergelijke resultaten verstrekt, op voorwaarde dat de ontvangende autoriteit hetzelfde niveau van vertrouwelijkheid en bescherming van bedrijfsgeheimen als de informatieverstrekkende autoriteit waarborgt, en de partijen die de informatie hebben verstrekt, daarvan in kennis stellen. Deze resultaten worden ook ter beschikking gesteld van Berec en de Commissie, op hun verzoek en onder dezelfde voorwaarden.

6. Indien de desbetreffende informatie niet beschikbaar is op de markt, maken de nationale regelgevende instanties gegevens uit de geografische onderzoeken waarop geen vertrouwelijkheid van toepassing is rechtstreeks online toegankelijk in een open en machineleesbare indeling zodat deze opnieuw kunnen worden gebruikt. Indien dergelijke instrumenten niet op de markt beschikbaar zijn, stellen zij eveneens informatie-instrumenten beschikbaar die eindgebruikers in staat stellen de beschikbaarheid van connectiviteit in verschillende gebieden te bepalen, met een mate van gedetailleerdheid die nuttig is ter staving van hun keuze van exploitant of dienstenaanbieder, onverminderd de verplichtingen van de nationale regelgevende instantie inzake de bescherming van vertrouwelijke informatie en bedrijfsgeheimen.

7. Uiterlijk op [datum] stelt BEREC met het oog op de consistente toepassing van geografische onderzoeken en prognoses, na raadpleging van de belanghebbenden en in nauwe samenwerking met de Commissie, richtsnoeren vast om nationale regelgevende instanties te helpen bij de consistente uitvoering van de krachtens dit artikel op hen rustende verplichtingen.

Artikel 22 bis

Geografische prognoses

1. In het kader van een geografisch onderzoek overeenkomstig artikel 22 kunnen de nationale regelgevende instanties een prognose voor drie jaar maken over het bereik van breedbandnetwerken op hun grondgebied.

Deze prognose kan eveneens informatie bevatten over de geplande uitrol door ondernemingen of door de overheid, met name van netwerken met zeer hoge capaciteit en belangrijke moderniseringen of uitbreidingen van bestaande breedbandnetwerken, ten minste tot de prestaties van toegangsnetwerken van de volgende generatie.

De verzamelde informatie bevat in passende mate plaatselijke bijzonderheden en bevat voldoende informatie over de kwaliteit van de diensten en de parameters daarvan.

2. De nationale regelgevende instanties kunnen een "digitaal uitsluitingsgebied" aanwijzen dat overeenstemt met een gebied dat duidelijk territoriaal begrensd is en waarvoor op grond van de overeenkomstig lid 1 verzamelde informatie is vastgesteld dat voor de duur van de betrokken prognosetermijn, geen onderneming of overheid een netwerk met zeer hoge capaciteit heeft uitgerold en dat ook niet van plan is, of zijn netwerk niet heeft gemoderniseerd of uitgebreid tot een downloadsnelheid van ten minste 100 Mbps en dat ook niet van plan is. De nationale regelgevende instanties maken de aangewezen digitale uitsluitingsgebieden bekend.

3. In een aangewezen digitaal uitsluitingsgebied kunnen de nationale regelgevende instanties een oproep richten tot alle ondernemingen om te verklaren dat zij voornemens zijn netwerken met zeer hoge capaciteit uit te rollen voor de duur van de betrokken prognoseperiode. De nationale regelgevende instantie specificeert de informatie die in dergelijke inschrijvingen moet worden opgenomen, om ten minste een soortgelijke mate van detail te garanderen als die waarmee rekening is gehouden in de prognose. Zij deelt ook elke onderneming die blijk geeft van belangstelling, op basis van de verzamelde informatie mee of het aangewezen digitale uitsluitingsgebied wordt gedekt of waarschijnlijk zal worden gedekt door een toegangsnetwerk van de volgende generatie (NGA) dat downloadsnelheden biedt van minder dan 100 Mbps.

4. Wanneer de nationale regelgevende instanties maatregelen nemen overeenkomstig lid 3, doen zij dat op basis van een efficiënte, objectieve, transparante en niet-discriminerende procedure, waarbij geen enkele onderneming a priori wordt uitgesloten.

Artikel 23

Raadpleging en transparantie

Behalve in gevallen die vallen onder artikel 32, lid 9, artikel 26 of artikel 27, zorgen de lidstaten ervoor dat, wanneer de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties voornemens zijn krachtens deze richtlijn maatregelen te nemen, dan wel wanneer zij voornemens zijn krachtens artikel 45, leden 4 en 5, beperkingen vast te stellen die een belangrijke impact op de betrokken markt hebben, de belanghebbende partijen de mogelijkheid wordt geboden binnen een redelijke periode opmerkingen over de ontwerpmaatregel in te dienen , rekening houdend met de complexiteit van de materie, en in elk geval niet binnen een periode van minder dan 30 dagen, behalve in uitzonderlijke omstandigheden.

De nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties publiceren hun nationale raadplegingsprocedures.

De lidstaten dragen zorg voor de oprichting van een enkel informatiepunt waar inzage verkregen kan worden in alle lopende raadplegingsprocedures.

De resultaten van de raadpleging worden openbaar gemaakt, behalve in geval van vertrouwelijke informatie overeenkomstig het recht van de Unie en het nationaal recht betreffende zakelijke vertrouwelijkheid.

Artikel 24

Overleg met belanghebbenden

1. De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties in passende mate rekening houden met de standpunten van eindgebruikers, consumenten (met inbegrip van met name consumenten met een handicap), fabrikanten en ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken en/of -diensten aanbieden over aangelegenheden die verband houden met alle eindgebruikers- en consumentenrechten, waaronder een gelijkwaardige toegang en keuze voor eindgebruikers met een handicap, met betrekking tot openbare elektronischecommunicatiediensten, met name wanneer zij een belangrijke invloed hebben op de markt.

Met name zorgen de lidstaten ervoor dat de nationale regelgevende instanties een raadplegingsmechanisme opzetten dat toegankelijk is voor personen met een handicap en dat waarborgt dat bij hun besluitvorming inzake vraagstukken die verband houden met al de rechten van eindgebruikers en consumenten wat openbare elektronische-communicatiediensten betreft op passende wijze rekening wordt gehouden met de belangen van de consument op het gebied van elektronische communicatie.

2. Indien nodig kunnen belanghebbende partijen, met advies van de nationale regelgevende instanties, mechanismen ontwikkelen, waarbij consumenten, gebruikersgroepen en aanbieders van diensten worden betrokken, teneinde de algehele kwaliteit van de dienstverlening te verbeteren door onder meer gedragscodes en functioneringsnormen te ontwikkelen en bij te houden.

3. Onverminderd de met het recht van de Unie strokende nationale voorschriften ter bevordering van doelstellingen op het gebied van cultuur- en mediabeleid, zoals culturele en taaldiversiteit en mediapluralisme, kunnen de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde overheden de samenwerking bevorderen tussen de aanbieders van elektronische-communicatienetwerken en/of -diensten en de sectoren die geïnteresseerd zijn in de bevordering van wettelijke inhoud in elektronische-communicatienetwerken en -diensten. Deze samenwerking kan ook de coördinatie omvatten van de informatie van algemeen belang die ingevolge artikel 96, lid 3, en de tweede alinea van artikel 95, lid 1, ter beschikking moet worden gesteld.

Artikel 25

Buitengerechtelijke beslechting van geschillen

1. De lidstaten zorgen ervoor dat consumenten, met inbegrip van personen met een handicap, toegang hebben tot transparante, niet-discriminatoire, eenvoudige, snelle, billijke en goedkope buitengerechtelijke procedures voor hun niet-beslechte geschillen die, in het kader van deze richtlijn, ontstaan met aanbieders van openbare elektronische-communicatienetwerken en -diensten, en die betrekking hebben op de contractuele voorwaarden en/of prestaties van contracten voor het beschikbaar stellen van die netwerken en/of diensten. Aanbieders van openbare elektronische-communicatienetwerken en -diensten weigeren geen verzoeken van consumenten om beslechting van een geschil met de consument middels buitengerechtelijke geschillenbeslechting op basis van duidelijke en doeltreffende procedures en richtsnoeren. Die procedures voldoen aan de kwaliteitsvereisten van hoofdstuk II van Richtlijn 2013/11/EU. De lidstaten kunnen toegang tot deze procedures verlenen aan andere eindgebruikers, met name kleine en middelgrote ondernemingen.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat hun wetgeving geen belemmeringen bevat voor de instelling van klachtenloketten en online-diensten op geschikt territoriaal niveau om de toegang voor consumenten en andere eindgebruikers tot geschillenbeslechting te vergemakkelijken. Indien de nationale regelgevende instantie is opgenomen in de lijst als bedoeld in artikel 20, lid 2, van Richtlijn 2013/11/EU, gelden de bepalingen van Verordening (EU) nr. 524/2013 voor de in lid 1 van dit artikel bedoelde geschillen die ontstaan uit onlinecontracten.

3. Indien partijen uit verschillende lidstaten bij het geschil betrokken zijn, coördineren de lidstaten hun inspanningen om het geschil te beslechten, onverminderd de bepalingen van Richtlijn 2013/11/EU.

4. Dit artikel geldt onverminderd nationaal procesrecht.

Artikel 26

Beslechting van geschillen tussen ondernemingen

1. Wanneer op een onder deze richtlijn vallend gebied een geschil in verband met de bestaande verplichtingen ontstaat tussen aanbieders van elektronische-communicatienetwerken of -diensten in een lidstaat, tussen dergelijke ondernemingen en andere ondernemingen in de lidstaat die profiteert van de verplichtingen op het gebied van toegang en/of interconnectie, of tussen aanbieders van elektronische-communicatienetwerken of -diensten in een lidstaat en aanbieders van bijbehorende faciliteiten, neemt de betrokken nationale regelgevende instantie op verzoek van een van beide partijen en zonder afbreuk te doen aan lid 2, op grond van duidelijke en doeltreffende procedures en richtsnoeren een bindend besluit om het geschil te beslechten, en wel zo spoedig mogelijk of in ieder geval binnen vier maanden, met uitzondering van uitzonderlijke omstandigheden. De betrokken lidstaten zorgen ervoor dat alle partijen volledig met de nationale regelgevende instantie samenwerken.

2. De lidstaten kunnen bepalen dat de nationale regelgevende instanties kunnen besluiten een geschil niet op te lossen door middel van een bindend besluit wanneer er andere mechanismen bestaan, met inbegrip van bemiddeling, die beter zouden bijdragen tot het tijdige beslechten van het geschil overeenkomstig artikel 3. De nationale regelgevende instantie stelt de partijen daarvan onverwijld in kennis. Indien het geschil na 4 maanden niet is beslecht en indien het geschil door de eisende partij nog niet voor de rechter is gebracht, neemt de regelgevende instantie op verzoek van een van de partijen een bindend besluit om het geschil zo spoedig mogelijk, en in ieder geval binnen 4 maanden, te beslechten.

3. Bij het beslechten van een geschil laat de nationale regelgevende instantie zich leiden door het nastreven van de doelstellingen van artikel 3. De verplichtingen die de nationale regelgevende instantie aan een onderneming oplegt in het kader van het oplossen van een geschil moeten voldoen aan de bepalingen van deze richtlijn .

4. Het besluit van de nationale regelgevende instantie wordt openbaar gemaakt, met inachtneming van het zakengeheim. Het besluit dient voor de betrokken partijen volledig met redenen te worden omkleed.

5. De procedure van de leden 1, 3 en 4 laat het recht van elk der partijen om bij de rechterlijke instanties een procedure in te leiden, onverlet.

Artikel 27

Beslechting van grensoverschrijdende geschillen

1. Wanneer op een onder deze richtlijn vallend gebied een geschil ontstaat tussen ondernemingen in verschillende lidstaten is de procedure van de leden 2, 3 en 4 van toepassing. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op geschillen betreffende radiospectrumcoördinatie die onder artikel 28 vallen.

2. Elke partij kan het geschil voorleggen aan de betrokken nationale regelgevende instantie of instanties. De bevoegde nationale regelgevende instantie of instanties brengen het geschil ter kennis van Berec om een consistente oplossing voor het geschil te vinden, overeenkomstig de doelstellingen van artikel 3.

3. Berec brengt een advies uit waarin aan de nationale regelgevende instantie of instanties wordt aangegeven om specifieke maatregelen te nemen om het geschil op te lossen of om geen maatregelen te nemen, op zo kort mogelijke termijn en in elk geval binnen vier maanden, behalve in uitzonderlijke omstandigheden.

4. De betrokken nationale regelgevende instantie of instanties wachten het advies van Berec af alvorens maatregelen te nemen om het geschil op te lossen. In uitzonderlijke omstandigheden kan een bevoegde nationale regelgevende instantie, wanneer er een dringende noodzaak is om te handelen teneinde de concurrentie te waarborgen of de belangen van eindgebruikers te beschermen, hetzij op verzoek van de partijen, hetzij op eigen initiatief, voorlopige maatregelen vaststellen.

4 bis. In geval van grensoverschrijdende geschillen waarbij bij de beslechting ervan meer dan één nationale regelgevende instantie betrokken is en waarbij de bevoegde nationale regelgevende instanties geen overeenstemming hebben bereikt binnen een periode van drie maanden nadat de desbetreffende zaak was verwezen naar de laatste van deze regelgevende instanties, heeft Berec de bevoegdheid om bindende besluiten vast te stellen om een consistente beslechting van het geschil te waarborgen.

5. Alle door een nationale regelgevende instantie aan een onderneming opgelegde verplichtingen als onderdeel van de oplossing van een geschil moeten deze richtlijn in acht nemen en zoveel mogelijk rekening houden met de door Berec gegeven aanbeveling, en worden binnen een maand na die aanbeveling vastgesteld.

6. De procedure van lid 2, laat het recht van elk van beide partijen onverlet om een zaak bij de rechtbank aanhangig te maken.

Artikel 28

Radiospectrumcoördinatie tussen lidstaten

1. De lidstaten en hun nationale bevoegde instanties zorgen ervoor dat het gebruik van radiospectrum op hun grondgebied zodanig wordt georganiseerd dat geen andere lidstaat wordt belemmerd ▌ in het toestaan van het gebruik op zijn grondgebied, met name van geharmoniseerd radiospectrum overeenkomstig de wetgeving van de Unie, in het bijzonder door grensoverschrijdende schadelijke interferentie tussen de lidstaten.

Zij nemen daartoe alle nodige maatregelen onverminderd hun verplichtingen krachtens het internationaal recht en de relevante internationale overeenkomsten, zoals de radioregelgeving van de ITU.

2. De lidstaten werken via de bij lid 4 bis opgerichte Beleidsgroep Radiospectrum met elkaar samen inzake de grensoverschrijdende coördinatie van het gebruik van radiospectrum teneinde:

a)  de naleving van lid 1 te waarborgen;

b)  alle problemen of geschillen in verband met de grensoverschrijdende coördinatie of grensoverschrijdende schadelijke interferentie op te lossen;

b bis)  bij te dragen aan de ontwikkeling van de interne markt.

2 bis. De lidstaten werken onder meer via de Beleidsgroep Radiospectrum met elkaar samen inzake de onderlinge afstemming van hun beleidsaanpak voor de toekenning van radiospectrum en het verlenen van vergunningen voor radiospectrumgebruik.

3. Elke betrokken lidstaat en de Commissie kunnen de Beleidsgroep Radiospectrum verzoeken om van haar goede diensten gebruik te maken en, in voorkomend geval, in een advies een gecoördineerde oplossing voor te stellen, teneinde de lidstaten te helpen de leden 1 en 2 na te leven, ook indien bij het probleem of het geschil derde landen zijn betrokken. De lidstaten leggen eventuele onderlinge onopgeloste geschillen voor aan de Beleidsgroep Radiospectrum alvorens een beroep te doen op geschillenbeslechtingsprocedures waarin het internationale recht voorziet.

4. Op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief kan de Commissie, zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van de Beleidsgroep Radiospectrum, uitvoeringsmaatregelen vaststellen om grensoverschrijdende schadelijke interferenties tussen twee of meer lidstaten op te lossen, die hen ervan weerhouden op hun grondgebied gebruik te maken van het geharmoniseerde radiospectrum. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 110, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

4 bis. Hierbij wordt onder de benaming "Beleidsgroep Radiospectrum" een adviesgroep inzake het radiospectrumbeleid ingesteld die bestaat uit een overheidsdeskundige op hoog niveau uit elk der lidstaten en een hooggeplaatst ambtenaar van de Commissie.

De groep ondersteunt en adviseert de lidstaten en de Commissie met betrekking tot de grensoverschrijdende coördinatie van het radiospectrumgebruik, de onderlinge afstemming van hun beleidsaanpak voor de toekenning van radiospectrum en het verlenen van vergunningen voor radiospectrumgebruik en andere kwesties op het gebied van het radiospectrumbeleid en radiospectrumcoördinatie.

Het secretariaat wordt verzorgd door [het Bureau van Berec/Berec].

Titel III: Uitvoering

Artikel 29

Sancties en schadevergoeding

1. De lidstaten stellen zo nodig regels vast inzake de sancties, inclusief boetes en periodieke boetes, ter voorkoming van inbreuken op de krachtens deze richtlijn ▌vastgestelde nationale bepalingen en treffen alle maatregelen om ervoor te zorgen dat zij worden toegepast. Onverminderd artikel 30 waarborgen deze regels dat de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties de bevoegdheid hebben, in voorkomend geval wanneer zij een verplichting opleggen, om vooraf vastgestelde financiële sancties op te leggen die moeten worden betaald aan de desbetreffende instantie, eindgebruikers en/of andere ondernemingen wegens de inbreuk op de desbetreffende verplichting. De aldus vastgestelde sancties moeten passend, doeltreffend, evenredig en ontmoedigend zijn. ▌

2. De lidstaten zorgen ervoor dat gebruikers die materiële of niet-materiële schade hebben geleden als gevolg van een inbreuk op deze richtlijn, recht hebben op schadevergoeding van de inbreukmaker voor de geleden schade, tenzij deze aantoont dat hij op geen enkele wijze verantwoordelijk was voor de gebeurtenis die tot de schade heeft geleid. Eventuele vooraf vastgestelde financiële sancties die overeenkomstig lid 1 aan de gebruiker moeten worden betaald worden afgetrokken van de in dit lid bedoelde schadevergoeding.

3. Een houder van gebruiksrechten voor radiospectrum wordt gecompenseerd voor gedane investeringen na een wijziging, beperking of intrekking van dergelijke rechten in strijd met artikel 18 of 19.

Artikel 30

Nakoming van de voorwaarden voor de algemene machtiging of voor gebruiksrechten, alsmede van specifieke verplichtingen

1. De lidstaten zorgen ervoor dat hun nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties toezicht houden op de naleving van de voorwaarden van de algemene machtiging of van het gebruik van gebruiksrechten voor radiospectrum en voor nummers, met de specifieke in artikel 13, lid 2, bedoelde verplichtingen en met de verplichting om radiospectrum daadwerkelijk en efficiënt te gebruiken overeenkomstig de artikelen 4, 45 en 47, leden 1 en 2.

De nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties kunnen eisen dat ondernemingen die onder de algemene machtiging vallen of gebruiksrechten hebben ten aanzien van radio spectrum of nummers, de nodige informatie verstrekken om na te gaan of wordt voldaan aan de voorwaarden voor de algemene machtiging of de gebruiksrechten of aan de specifieke verplichtingen van artikel 13, lid 2, of artikel 47, leden 1 end 2, overeenkomstig artikel 21.

2. Indien een nationale bevoegde instantie van oordeel is dat een onderneming niet voldoet aan een of meer voorwaarden voor de algemene machtiging of de gebruiksrechten of aan de specifieke verplichtingen van artikel 13, lid 2, deelt zij dit aan de onderneming mee en geeft zij de onderneming een redelijke gelegenheid om haar standpunt kenbaar te maken.

3. De instantie in kwestie kan eisen dat de in lid 2 bedoelde inbreuk wordt gestopt, hetzij onmiddellijk hetzij binnen een redelijke termijn en neemt passende en evenredige maatregelen met het oog op naleving.

In dit verband mogen de lidstaten de desbetreffende instanties de bevoegdheid geven om het volgende op te leggen:

  a) ontmoedigende geldelijke sancties waar zulks passend is, waaronder eventueel periodieke sancties met terugwerkende kracht; en

  b) opdracht om de levering van een dienst of dienstenpakket te staken die bij voortzetting zou leiden tot een aanzienlijke verstoring van de mededinging, zolang de toegangsverplichtingen die na een marktanalyse uitgevoerd overeenkomstig artikel 65 zijn opgelegd, niet worden nageleefd.

  De maatregelen en de daaraan ten grondslag liggende redenen worden onverwijld meegedeeld aan de onderneming met opgave van een redelijke termijn binnen welke de onderneming aan de maatregel moet voldoen.

4. Niettegenstaande de leden 2 en 3 moeten de lidstaten de desbetreffende instantie de bevoegdheid geven om waar zulks passend is geldelijke sancties op te leggen aan ondernemingen indien zij binnen een door de nationale bevoegde instantie bepaalde redelijke termijn geen informatie verstrekken overeenkomstig de verplichtingen uit hoofde van artikel 21, lid 1, onder a) of onder b), of van artikel 67.

5. De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties bij ernstige niet-nakoming en herhaaldelijke niet-nakoming van de voorwaarden voor de algemene machtiging of de gebruiksrechten of van de specifieke verplichtingen van artikel 13, lid 2, of van artikel 47, leden 1 of 2, wanneer de in lid 3 van dit artikel bedoelde maatregelen om naleving van de voorwaarden te verzekeren hebben gefaald, een onderneming kunnen beletten verder elektronische-communicatienetwerken of -diensten aan te bieden, of de gebruiksrechten opschorten of intrekken. De lidstaten geven de betrokken instantie de bevoegdheid om sancties en straffen op te leggen die doelmatig, evenredig en ontmoedigend zijn. Die sancties en straffen kunnen worden toegepast om de periode van een inbreuk te bestrijken, zelfs indien de inbreuk vervolgens is rechtgezet.

6. Ongeacht het bepaalde in de leden 2, 3 en 5 kan de betrokken instantie, wanneer zij over bewijzen beschikt dat een inbreuk op de voorwaarden voor de algemene machtiging of de gebruiksrechten of op de specifieke verplichtingen van artikel 13, lid 2, of artikel 47 , leden 1 en 2, een directe en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid, of ernstige economische of bedrijfstechnische problemen voor andere aanbieders of gebruikers van elektronische-communicatienetwerken of -diensten tot gevolg zal hebben, in afwachting van een definitief besluit tussentijdse spoedmaatregelen nemen om een eind te maken aan de situatie. De betrokken onderneming krijgt vervolgens een redelijke gelegenheid om haar standpunt kenbaar te maken en oplossingen voor te stellen. De betrokken onderneming krijgt vervolgens een redelijke gelegenheid om haar standpunt kenbaar te maken en oplossingen voor te stellen. In voorkomend geval kan de instantie in kwestie de voorlopige maatregelen bevestigen die geldig zijn voor maximaal drie maanden.

7. Ondernemingen hebben het recht beroep in te stellen tegen uit hoofde van dit artikel genomen maatregelen overeenkomstig de in artikel 31 van deze richtlijn bedoelde procedure.

Artikel 31

Recht van beroep

1. De lidstaten zorgen ervoor dat er op nationaal niveau doeltreffende regelingen voorhanden zijn krachtens welke iedere gebruiker of onderneming die elektronischecommunicatienetwerken en/of -diensten aanbiedt, die door een beslissing van een bevoegde instantie is getroffen, het recht heeft om tegen die beslissing beroep in te stellen bij een lichaam van beroep dat volledig onafhankelijk is van de betrokken partijen en van elke externe interventie of politieke druk die haar onafhankelijke oordeel over de vraagstukken die haar worden voorgelegd, in gevaar zouden kunnen brengen. Dit lichaam, bijvoorbeeld een rechtbank, bezit de nodige deskundigheid om zijn taken effectief te kunnen uitoefenen. De lidstaten dragen er zorg voor dat de feiten van de zaak op afdoende wijze in aanmerking worden genomen en dat er een doeltreffende regeling voor het instellen van beroep aanwezig is.

In afwachting van de uitkomst van het beroep wordt de beslissing van de bevoegde instantie gehandhaafd, behalve wanneer overeenkomstig het nationaal recht voorlopige maatregelen worden verleend.

2. Wanneer het in lid 1 genoemde lichaam van beroep geen rechtscollege is, moeten zijn beslissingen altijd schriftelijk met redenen worden omkleed. Voorts moet het in dat geval mogelijk zijn tegen die beslissingen beroep in te stellen bij een rechterlijke instantie in de zin van artikel 267 van het Verdrag.

3. De lidstaten verzamelen informatie over het algemene voorwerp van de beroepen, het aantal verzoeken voor beroep, de duur van de beroepsprocedures en het aantal besluiten om voorlopige maatregelen te verlenen. De lidstaten verstrekken die gegevens alsook de besluiten en rechterlijke beslissingen aan de Commissie, respectievelijk Berec ingevolge een met redenen omkleed verzoek van de Commissie, respectievelijk Berec.

Titel IV: Internemarktprocedures

Artikel 32

Consolidatie van de interne markt voor elektronische communicatie

1. De nationale regelgevende instanties houden bij de uitvoering van de in deze richtlijn omschreven taken zoveel mogelijk rekening met de doelstellingen van artikel 3, waaronder die welke verband houden met de werking van de interne markt.

2. Nationale regelgevende instanties dragen bij tot de ontwikkeling van de interne markt door op transparante wijze met elkaar en met de Commissie en Berec samen te werken om te zorgen voor de consistente toepassing in alle lidstaten van deze richtlijn. Hiertoe moeten zij met name samenwerken met de Commissie en Berec om na te gaan welke soorten instrumenten en oplossingen het meest geschikt zijn om bepaalde soorten situaties op de markt aan te pakken.

3. Behalve wanneer anders bepaald in aanbevelingen of richtsnoeren die zijn vastgesteld op grond van artikel 34, nadat de in artikel 23 bedoelde raadpleging is afgesloten, maakt een nationale regelgevende instantie, wanneer zij voornemens is een maatregel te nemen die:

  a) valt binnen de draagwijdte van de artikelen 59, 62, 65 of 66 van deze richtlijn; en

  b) van invloed is op de handel tussen de lidstaten;

de ontwerpmaatregel tegelijkertijd openbaar en maakt deze toegankelijk voor de Commissie, Berec en de nationale regelgevende instanties in andere lidstaten, vergezeld van een motivering en de gedetailleerde analyse waarop de maatregel is gebaseerd, overeenkomstig artikel 20, lid 3, en brengt zij de Commissie, Berec en de andere nationale regelgevende instanties daarvan op de hoogte. De nationale regelgevende instanties, Berec en de Commissie krijgen een maand de tijd om opmerkingen in te dienen bij de nationale regelgevende instantie in kwestie. De periode van één maand kan niet worden verlengd.

4. Indien een maatregel als bedoeld in lid 3 betrekking heeft op:

  a) het definiëren van een relevante markt die verschilt van de markten die in de aanbeveling overeenkomstig artikel 62, lid 1, zijn gedefinieerd; of

  b) het al dan niet aanwijzen van een onderneming die, hetzij individueel of gezamenlijk met anderen, aanzienlijke marktmacht bezit overeenkomstig artikel 65, leden 3 of 4;

en van invloed zou zijn op de handel tussen de lidstaten, en de Commissie de nationale regelgevende instantie heeft meegedeeld dat de ontwerpmaatregel een belemmering voor de interne Europese markt opwerpt of indien zij ernstige twijfels heeft omtrent de verenigbaarheid van de ontwerpmaatregel met het recht van de Unie en met name met de in artikel 3 genoemde doelstellingen, wordt de vaststelling van de maatregel met nog eens twee maanden uitgesteld. Deze periode kan niet worden verlengd. De Commissie stelt Berec en de andere nationale regelgevende instanties in dat geval in kennis van haar voorbehouden en maakt deze tegelijkertijd openbaar.

4 bis. Binnen zes weken vanaf het begin van de periode van twee maanden als bedoeld in lid 4, brengt Berec advies uit over de kennisgeving van de Commissie als bedoeld in lid 4, geeft aan of het van mening is dat de ontwerpmaatregel moet worden gewijzigd of ingetrokken en doet hiertoe zo nodig specifieke voorstellen. Dit advies wordt gemotiveerd en openbaar gemaakt.

5. De Commissie kan binnen de in lid 4 genoemde periode van 2 maanden:

  a) een besluit nemen waarmee zij van de betrokken nationale regelgevende instantie verlangt dat deze de ontwerpmaatregel intrekt, en/of

  b) het besluit nemen haar voorbehouden bij de in lid 4 bedoelde ontwerpmaatregelen in te trekken.

De Commissie houdt zoveel mogelijk rekening met het advies van Berec alvorens een besluit te nemen. Het besluit gaat vergezeld van een gedetailleerde en objectieve analyse van de redenen waarom de Commissie van mening is dat de ontwerpmaatregel niet dient te worden genomen, samen met specifieke voorstellen tot wijziging van de ontwerpmaatregel.

6. Uiterlijk zes maanden na de dag waarop de Commissie overeenkomstig lid 5 een besluit heeft genomen waarmee van de nationale regelgevende instantie wordt verlangd dat deze een ontwerpmaatregel intrekt, trekt de nationale regelgevende instantie de ontwerpmaatregel in dan wel wijzigt zij deze. Wanneer de ontwerpmaatregel wordt gewijzigd houdt de nationale regelgevende instantie een openbare raadpleging in overeenstemming met de in artikel 23 bedoelde procedures, en stelt zij de Commissie opnieuw in kennis van de gewijzigde ontwerpmaatregel overeenkomstig het bepaalde in lid 3.

7. De betrokken nationale regelgevende instantie houdt zoveel mogelijk rekening met opmerkingen van andere nationale regelgevende instanties, Berec en de Commissie en kan, uitgezonderd in de in de leden 4 en 5, onder a), genoemde gevallen, de uiteindelijke ontwerpmaatregel goedkeuren en, in voorkomend geval, aan de Commissie meedelen.

8. De nationale regelgevende instantie deelt de Commissie en Berec alle aangenomen definitieve maatregelen mee die onder lid 3, onder a) en b), van dit artikel vallen.

9. In uitzonderlijke omstandigheden kan een nationale regelgevende instantie die oordeelt dat er een dringende noodzaak is om te handelen, in afwijking van de procedure genoemd in de leden 3 en 4, teneinde de concurrentie te waarborgen en de belangen van de gebruikers te beschermen, onmiddellijk evenredige en voorlopige maatregelen vaststellen. Zij deelt die maatregelen onverwijld volledig met redenen omkleed mede aan de Commissie, de andere nationale regelgevende instanties en Berec. Een besluit van de nationale regelgevende instantie om dergelijke maatregelen permanent te maken of de periode waarvoor zij van toepassing zijn, te verlengen, valt onder de bepalingen van de leden 3 en 4.

9 bis.  Een nationale regelgevende instantie kan een ontwerpmaatregel te allen tijde intrekken.

Artikel 33

Procedure voor de consequente toepassing van oplossingen

1. Wanneer een maatregel in het kader van artikel 32, lid 3, voorgenomen maatregel bedoeld is om een verplichting voor een exploitant op te leggen, te wijzigen of in te trekken in toepassing van artikel 65 in samenhang met de artikelen 59 en 67 tot en met 74 , kan de Commissie, binnen de periode van één maand als bepaald in artikel 32, lid 3, de betrokken nationale regelgevende instantie en Berec in kennis stellen van redenen waarom dat zij vindt dat de ontwerpmaatregel een belemmering voor de interne markt opwerpt of van de ernstige twijfels die zij heeft omtrent de verenigbaarheid van de maatregel met het recht van de Unie. In een dergelijk geval wordt het vaststellen van de maatregel uitgesteld tot drie maanden na de kennisgeving van de Commissie.

Bij uitblijven van een dergelijke kennisgeving kan de betrokken nationale regelgevende instantie de ontwerpmaatregel vaststellen, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met eventuele opmerkingen die door de Commissie, Berec of door andere nationale regelgevende instanties zijn gemaakt.

2. Binnen de periode van drie maanden zoals genoemd in lid 1, werken de Commissie, Berec en de betreffende nationale regelgevende instantie nauw samen, om de meest geschikte en effectieve maatregel vast te stellen in het licht van de doelstellingen van artikel 3, waarbij rekening wordt gehouden met de standpunten van marktdeelnemers en de noodzaak om te zorgen voor de ontwikkeling van een consequente regelgevingspraktijk.

3. Binnen zes weken vanaf het begin van de periode van drie maanden als bedoeld in lid 1, brengt Berec, handelend met een tweederdemeerderheid van de leden van de raad van regelgevers, advies uit over de kennisgeving van de Commissie als bedoeld in lid 1, geeft aan of het van mening is dat de ontwerpmaatregel moet worden gewijzigd of ingetrokken en doet hiertoe zo nodig specifieke voorstellen.

4. Indien Berec in zijn advies de ernstige twijfels van de Commissie deelt, werkt het nauw samen met de betrokken nationale regelgevende instantie, om de meest geschikte en effectieve maatregel vast te stellen. Vóór het einde van de in lid 1 bedoelde periode van drie maanden kan de nationale regelgevende instantie:

  a) de ontwerpmaatregel wijzigen of intrekken, zoveel mogelijk rekening houdend met de in lid 1 bedoelde kennisgeving van de Commissie en de adviezen van Berec;

  b) de ontwerpmaatregel handhaven.

5. De Commissie kan binnen een maand na het einde van de in lid 1 bedoelde periode van drie maanden en zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van Berec:

  a) een aanbeveling doen waarin van de betrokken nationale regelgevende instantie wordt verlangd de ontwerpmaatregel te wijzigen of in te trekken en waarin zij, in voorkomend geval, specifieke voorstellen doet om de ontwerpmaatregel te wijzigen en haar aanbeveling met redenen omkleed, vooral wanneer Berec de ernstige twijfels van de Commissie niet deelt ▌;

  b) het besluit nemen haar overeenkomstig lid 1 aangegeven voorbehouden in te trekken.

c) een besluit nemen waarin van de betrokken nationale regelgevende instantie wordt verlangd de ontwerpmaatregel in te trekken, wanneer Berec de ernstige twijfels van de Commissie deelt. Het besluit gaat vergezeld van een gedetailleerde en objectieve analyse van de redenen waarom de Commissie van mening is dat de ontwerpmaatregel niet dient te worden genomen, samen met specifieke voorstellen tot wijziging van de ontwerpmaatregel. In dat geval is de in artikel 32, lid 6, bedoelde procedure van overeenkomstige toepassing.

6. Binnen een maand na de aanbeveling van de Commissie overeenkomstig lid 5, onder a), of de intrekking van haar voorbehouden overeenkomstig lid 5, onder b), van dit artikel trekt de betrokken nationale regelgevende instantie de ontwerpmaatregel in of keurt zij de vastgestelde definitieve maatregel goed, maakt deze openbaar en deelt deze aan de Commissie en Berec mee.

Deze periode kan worden verlengd om de nationale regelgevende instantie in staat te stellen overeenkomstig artikel 23 een openbare raadpleging te houden.

7. Indien de nationale regelgevende instantie besluit de ontwerpmaatregel niet te wijzigen of in te trekken op basis van de overeenkomstig lid 5, onder a), gedane aanbeveling, dient zij dit met redenen te omkleden.

8. De nationale regelgevende instantie kan de voorgestelde ontwerpmaatregel op elk moment tijdens de procedure intrekken.

Artikel 34

Uitvoeringsbepalingen

Na een openbare raadpleging en na raadpleging van de nationale regelgevende instanties, en zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van Berec, kan de Commissie in verband met artikel 32 aanbevelingen en/of richtsnoeren aannemen tot vaststelling van het formaat, de inhoud en de gedetailleerdheid van de in artikel 32, lid 3, bedoelde kennisgeving, alsmede van de omstandigheden waaronder kennisgeving niet vereist zou zijn, en de wijze waarop de termijnen worden berekend.

HOOFDSTUK II

Consistente toewijzing van spectrum

Artikel 35

Peerreviewprocedure

1. Wat het beheer van radiospectrum betreft, krijgen de nationale regelgevende instanties de bevoegdheid om ten minste het volgende te bepalen:

a)  in het geval van individuele gebruiksrechten voor radiospectrum, de selectieprocedure, in het kader van artikel 54;

b)  de criteria om als bieder in aanmerking te komen, in voorkomend geval, in het kader van artikel 48, lid 4;

c)  de parameters van de maatregelen voor de economische waardering van spectrum, zoals de reserveprijs, in het kader van artikel 42;

d)  de duur van de gebruiksrechten en de voorwaarden voor verlenging in overeenstemming met de artikelen 49 en 50;

e)  maatregelen ter bevordering van de concurrentie overeenkomstig artikel 52, indien nodig;

f)  de voorwaarden met betrekking tot de toewijzing en overdracht, met inbegrip van handel in en verhuur van gebruiksrechten voor radiospectrum in het kader van artikel 51, het gezamenlijk gebruik van spectrum of draadloze infrastructuur in het kader van artikel 59 lid 3 of de concentratie van gebruiksrechten in het kader van artikel 52, lid 2, onder c) en e); en

g)  de parameters van dekkingsomstandigheden op grond van algemene beleidsdoelstellingen van de lidstaat in dit verband, in het kader van artikel 47.

Bij het nemen van die maatregelen houdt de nationale regelgevende instantie rekening met de noodzaak om samen te werken met de nationale regelgevende instanties van andere lidstaten, de Commissie en Berec, teneinde in de Unie daadwerkelijke consistentie te bewerkstelligen, met de relevante nationale beleidsdoelstellingen van de lidstaten alsook met andere relevante nationale maatregelen met betrekking tot het beheer van het radiospectrum overeenkomstig het Unierecht en baseert zij haar maatregelen op een grondige en objectieve beoordeling van de concurrerende, technische en economische situatie op de markt.

2. Teneinde de grensoverschrijdende coördinatie en het efficiënte gebruik van radiospectrum te vereenvoudigen, maakt een nationale regelgevende instantie wanneer zij voornemens is een maatregel te nemen die onder het toepassingsgebied van lid 1, onder a) tot en met g) valt, de ontwerpmaatregel, samen met de redenering waarop de maatregel is gebaseerd, openbaar en beschikbaar en stelt zij Berec, de Beleidsgroep Radiospectrum, de Commissie en de nationale regelgevende instanties in andere lidstaten daarvan gelijktijdig op de hoogte.

3. Binnen drie maanden na openbaarmaking van de ontwerpmaatregel brengt Berec een met redenen omkleed advies uit over de ontwerpmaatregel, waarin wordt nagegaan of deze maatregel het meest geschikt zou zijn om:

a)  de ontwikkeling van de interne markt, inclusief de grensoverschrijdende dienstverlening, en de concurrentie te bevorderen en de voordelen voor de consument te maximaliseren, en in het algemeen de in de artikelen 3 en 45, lid 2, vastgestelde doelstellingen ▌te verwezenlijken;

b)  het doeltreffend en efficiënt gebruik van radiospectrum te garanderen; en

c)  te zorgen voor stabiele en voorspelbare investeringsvoorwaarden voor bestaande en toekomstige gebruikers van het radiospectrum bij het uitrollen van netwerken voor de levering van elektronische-communicatiediensten die afhankelijk zijn van radiospectrum.

Het met redenen omkleed advies vermeldt of de ontwerpmaatregel moet worden gewijzigd, dan wel ingetrokken. In voorkomend geval geeft Berec specifieke aanbevelingen. De nationale regelgevende instanties en de Commissie kunnen ook opmerkingen over de ontwerpmaatregel maken bij de betrokken nationale regelgevende instantie.

Berec stelt de criteria vast die het zal toepassen bij de evaluatie van een ontwerpmaatregel en maakt deze openbaar.

4. Bij het uitvoeren van hun taken uit hoofde van dit artikel houden Berec en de nationale regelgevende instanties met name rekening met:

a)  de doelstellingen en beginselen waarin deze richtlijn voorziet; elk relevant uitvoeringsbesluit van de Commissie dat is vastgesteld overeenkomstig deze richtlijn en de Beschikkingen 676/2002/EG en 243/2012/EG;

b)  eventuele specifieke nationale doelstellingen die door de lidstaat in overeenstemming met het recht van de Unie zijn vastgesteld;

c)  de noodzaak te voorkomen dat de mededinging verstoord wordt bij de vaststelling van dergelijke maatregelen;

c bis)  de beginselen van technologie- en dienstenneutraliteit;

d)  de resultaten van het meest recente geografische onderzoek van netwerken overeenkomstig artikel 22;

e)  de noodzaak te zorgen voor samenhang met recente en lopende toewijzingsprocedures in andere lidstaten en mogelijke gevolgen voor de handel tussen de lidstaten; en

f)  elk relevant advies van de Beleidsgroep Radiospectrum, met name met betrekking tot het doeltreffend en efficiënt gebruik van radiospectrum.

5. De betrokken nationale regelgevende instantie houdt zoveel mogelijk rekening met het advies van Berec en met de opmerkingen van de Commissie en van andere nationale regelgevende instanties alvorens een definitief besluit te nemen. Zij deelt het definitieve besluit dat is vastgesteld, mee aan Berec en de Commissie.

Indien de nationale regelgevende instantie besluit de ontwerpmaatregel niet te wijzigen of in te trekken op basis van het overeenkomstig lid 2 van dit artikel uitgebracht met redenen omkleed advies, motiveert zij dat besluit.

De nationale regelgevende instantie kan haar ontwerpmaatregel in elke fase van de procedure intrekken.

6. Bij het opstellen van een ontwerpmaatregel overeenkomstig dit artikel, kunnen de nationale regelgevende instanties Berec en de Beleidsgroep Radiospectrum om ondersteuning verzoeken.

7. Berec, de Beleidsgroep Radiospectrum, de Commissie en de betrokken nationale regelgevende instantie werken nauw samen om de meest geschikte en effectieve oplossing vast te stellen in het licht van de regelgevingsdoelstellingen en -beginselen die in deze richtlijn zijn neergelegd, waarbij rekening wordt gehouden met de standpunten van marktdeelnemers en de noodzaak om de ontwikkeling van een consequente regelgevingspraktijk te waarborgen.

8. Het definitieve besluit van de nationale regelgevende instantie wordt gepubliceerd.

Artikel 36

Geharmoniseerde toewijzing van radiofrequenties

Wanneer het gebruik van radiofrequenties is geharmoniseerd, de voorwaarden en procedures voor toegang zijn overeengekomen en de ondernemingen waaraan de radiofrequenties zullen worden toegewezen, geselecteerd zijn overeenkomstig de internationale overeenkomsten en de voorschriften Union , verlenen de lidstaten dienovereenkomstig het recht om radiofrequenties te gebruiken. Als in het geval van een gezamenlijke selectieprocedure aan alle aan het gebruiksrecht van de betrokken radiofrequenties gekoppelde voorwaarden is voldaan, mogen de lidstaten geen nadere voorwaarden, bijkomende criteria of procedures opleggen die de correcte toepassing van de gemeenschappelijke toewijzing van dergelijke radiofrequenties beperken, wijzigen of uitstellen.

Artikel 37

Gezamenlijke machtigingsprocedure voor de toekenning van individuele gebruiksrechten voor radiospectrum

1. In geval van een risico op aanmerkelijke grensoverschrijdende schadelijke interferentie, werken twee of meer lidstaten op verplichte dan wel vrijwillige basis samen met elkaar en met de Commissie, de Beleidsgroep Radiospectrum en Berec om te voldoen aan hun verplichtingen uit hoofde van de artikelen 13, 46 en 54, door gezamenlijk de gemeenschappelijke aspecten van een machtigingsprocedure vast te stellen, en ook gezamenlijk de selectieprocedure te voeren voor de toekenning van individuele gebruiksrechten voor radiospectrum, in voorkomend geval in overeenstemming met een gemeenschappelijk tijdschema, vastgesteld in overeenstemming met artikel 53.

Elke marktdeelnemer kan verzoeken om de uitvoering van een gezamenlijke selectieprocedure, wanneer voldoende bewijs wordt geleverd dat een gebrek aan coördinatie een aanzienlijke belemmering vormt voor de interne markt.

De gezamenlijke machtigingsprocedure voldoet aan de volgende criteria:

a)  de individuele nationale machtigingsprocedures worden ingeleid en uitgevoerd door de bevoegde autoriteiten volgens een onderling overeengekomen schema;

b)  zij voorziet in voorkomend geval in gezamenlijke voorwaarden en procedures voor de selectie en toekenning van individuele rechten aan de betrokken lidstaten;

c)  zij voorziet in voorkomend geval in gezamenlijke of vergelijkbare voorwaarden die worden gekoppeld aan de individuele gebruiksrechten voor de betrokken lidstaten, waardoor onder meer gelijkaardige radiospectrumblokken kunnen worden toegekend aan gebruikers;

d)  zij staat te allen tijde open totdat de machtigingsprocedure naar andere lidstaten wordt uitgebreid.

2. Indien de voor de toepassing van lid 1 genomen maatregelen in de werkingssfeer van artikel 35, lid 1, vallen, wordt de procedure van dat artikel tegelijkertijd gevolgd door de betrokken nationale regelgevende instanties.

HOOFDSTUK III

Harmonisatieprocedures

Artikel 38

Harmonisatieprocedures

1. De Commissie kan, wanneer zij vaststelt dat verschillen bij de tenuitvoerlegging door de nationale regelgevende instanties of door andere bevoegde instanties van de in deze richtlijn gespecificeerde taken obstakels opwerpen voor de interne markt, onverminderd de artikel en 37, 45, 46, lid 3, 47, lid 3, en 53, zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van Berec, een aanbeveling doen of een besluit vaststellen inzake de geharmoniseerde toepassing van de bepalingen van deze richtlijn bij de verwezenlijking van de in artikel 3 uiteengezette doelstellingen.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties bij de uitvoering van hun taken zoveel mogelijk rekening houden met aanbevelingen overeenkomstig lid 1. Wanneer een nationale regelgevende instantie of andere bevoegde instantie besluit om een aanbeveling niet op te volgen, brengt zij de Commissie daarvan op de hoogte met vermelding van de motivering van haar standpunt.

3. Besluiten die zijn genomen overeenkomstig lid 1 kunnen enkel de identificatie omvatten van een geharmoniseerde of gecoördineerde aanpak van de volgende aangelegenheden:

a)  de inconsequente uitvoering van algemene benaderingen bij de regelgeving door de nationale regelgevende instanties met betrekking tot de regulering van de communicatie elektronische-communicatiemarkten ter toepassing van de artikelen 62 en 65, indien dit een obstakel opwerpt voor de interne markt. Dergelijke besluiten hebben geen betrekking op de specifieke kennisgevingen die overeenkomstig artikel 33 door de nationale regelgevende instanties worden gedaan.

  In een dergelijk geval stelt de Commissie alleen een ontwerpbesluit voor:

–  na ten minste twee jaar volgend op de goedkeuring van een aanbeveling van de Commissie over hetzelfde onderwerp; en

–  zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van Berec over de vaststelling van een dergelijk besluit, dat binnen drie maanden na het verzoek van de Commissie door Berec wordt ingediend;

b)  nummering, met inbegrip van nummerreeksen, de meeneembaarheid van nummers en identificatienummers, nummer- en adresvertaalsystemen en toegang tot de 112-hulpdiensten.

4. Het in lid 1 genoemde besluit wordt vastgesteld volgens de in artikel 110, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure.

5. Berec kan de Commissie op eigen initiatief, onder meer nadat een klacht is ingediend door een onderneming die elektronische-communicatiediensten aanbiedt, advies verstrekken over de vraag of maatregelen moeten worden genomen overeenkomstig lid 1.

5 bis. Onverminderd de bevoegdheden van de Commissie uit hoofde van de leden 1, 2 en 3 en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, stelt de Commissie wanneer Berec een advies vaststelt waaruit blijkt dat er verschillen bestaan bij de tenuitvoerlegging door de nationale regelgevende instanties of door andere bevoegde instanties van de in deze richtlijn gespecificeerde taken, en dat deze verschillen obstakels zouden kunnen opwerpen voor de interne markt, ofwel overeenkomstig lid 1 een aanbeveling vast ofwel stelt zij, wanneer zij langer dan twee jaar geleden een aanbeveling over dezelfde kwestie heeft vastgesteld, overeenkomstig lid 3 een besluit vast, zonder Berec om nader advies te vragen.

Indien de Commissie overeenkomstig de eerste alinea binnen een jaar na de datum van de vaststelling van het advies door Berec noch een aanbeveling noch een besluit heeft vastgesteld, stelt zij het Europees Parlement en de Raad in kennis van de redenen hiervoor en maakt zij deze redenen openbaar.

Indien de Commissie weliswaar een aanbeveling heeft vastgesteld, maar de inconsistente tenuitvoerlegging die obstakels voor de interne markt opwerpt twee jaar nadien blijft voortduren, stelt de Commissie, binnen een jaar, overeenkomstig lid 3 een besluit vast, of, indien zij ervoor kiest geen besluit vast te stellen, stelt zij het Europees Parlement en de Raad in kennis van de redenen hiervoor en maakt zij deze redenen openbaar.

Artikel 39

Normalisatie

1. De Commissie stelt een lijst van 1 niet-verplichte normen en/of specificaties op die moet dienen als basis voor het aanmoedigen van het geharmoniseerde aanbieden van elektronische-communicatienetwerken, elektronische-communicatiediensten en bijbehorende faciliteiten en diensten. Deze wordt in het Publicatieblad van de Europese Unie gepubliceerd. Waar nodig kan de Commissie na raadpleging van het bij Richtlijn 2015/1535/EU ingestelde Comité, verzoeken dat er normen worden opgesteld door de Europese normalisatie-organisaties (de Europese Commissie voor Normalisatie (CEN), het Europees Comité voor elektrotechnische normalisatie (CENELEC) en het Europees Instituut voor telecommunicatienormen (ETSI)).

2. De lidstaten moedigen het gebruik aan van de in lid 1 bedoelde normen en/of specificaties voor het aanbieden van diensten, technische interfaces en/of netwerkfuncties, voor zover dat strikt nodig is om interoperabiliteit en interconnectiviteit van diensten, eind-tot-eindverbindingen en de facilitering van omschakeling te waarborgen teneinde de keuzevrijheid van de gebruikers te verbeteren.

Zolang niet overeenkomstig lid 1 normen en/of specificaties zijn gepubliceerd, moedigen de lidstaten de toepassing aan van normen en/of specificaties die zijn vastgesteld door Europese normalisatie-organisaties.

Indien dergelijke normen en/of specificaties ontbreken, moedigen de lidstaten de toepassing aan van internationale normen of aanbevelingen die door de Internationale Telecommunicatie Unie (ITU), de Europese Conferentie van de administraties van posterijen en van telecommunicatie (CEPT), de Internationale Organisatie voor Normalisatie (ISO) of de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC) zijn aangenomen.

Wanneer er internationale normen bestaan, moedigen de lidstaten de Europese normalisatie-organisaties aan om deze normen of de relevante onderdelen daarvan te gebruiken als basis voor de normen die zij ontwikkelen, tenzij dergelijke internationale normen of relevante onderdelen daarvan ondoelmatig zouden zijn.

Eventuele normen waarnaar in lid 1 of dit lid wordt verwezen, faciliteren waar haalbaar de toegang zoals kan worden vereist op grond van deze richtlijn.

3. Wanneer de in lid 1 bedoelde normen en/of specificaties niet in toereikende mate zijn toegepast, zodat de interoperabiliteit van diensten in één of meer lidstaten niet kan worden gewaarborgd, kan de toepassing van die normen en/of specificaties verplicht worden gesteld overeenkomstig lid 4, voor zover dat strikt noodzakelijk is om de interoperabiliteit te waarborgen en de keuzevrijheid van de gebruikers te verbeteren.

4. Wanneer de Commissie voornemens is de toepassing van bepaalde normen en/of specificaties verplicht te stellen, publiceert zij een mededeling in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen en nodigt zij alle betrokken partijen uit om hun opmerkingen openbaar mee te delen. De Commissie neemt de nodige uitvoeringsmaatregelen en stelt de toepassing van de relevante normen verplicht door deze te vermelden als verplichte normen in de lijst van normen en/of specificaties die wordt gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

5. Wanneer de Commissie van mening is dat de in lid 1 bedoelde normen en/of specificaties niet langer bijdragen tot de levering van geharmoniseerde elektronischecommunicatiediensten of dat zij niet langer beantwoorden aan de behoeften van de consument of de technologische ontwikkeling in de weg staan, schrapt zij die normen en/of specificaties van de in lid 1 bedoelde lijst van normen en/of specificaties.

6. Wanneer de Commissie van mening is dat de in lid 4 bedoelde normen en/of specificaties niet langer bijdragen tot de levering van geharmoniseerde elektronische-communicatiediensten of dat zij niet langer beantwoorden aan de behoeften van de consument of de technologische ontwikkeling in de weg staan, neemt zij passende uitvoeringsmaatregelen en schrapt zij die normen en/of specificaties van de in lid 1 bedoelde lijst van normen en/of specificaties.

7. De uitvoeringsmaatregelen zoals beschreven in de leden 4 en 6, worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure als bedoeld in artikel 110, lid 4.

8. Dit artikel geldt niet voor een van de essentiële vereisten, interfacespecificaties of geharmoniseerde normen, waarop Richtlijn 2014/53/EU van toepassing is.

Titel V: Veiligheid en integriteit

Artikel 40

Veiligheid van netwerken en diensten

1. De lidstaten zorgen ervoor dat aanbieders van openbare communicatienetwerken of openbaar beschikbare elektronische-communicatiediensten passende en evenredige technische en organisatorische maatregelen nemen om de risico's voor de veiligheid van hun netwerken of diensten goed te beheersen. Deze maatregelen zorgen, gezien de stand van de techniek, voor een veiligheidsniveau dat is afgestemd op de risico’s die zich voordoen. Er worden met name maatregelen genomen om te waarborgen dat, wanneer dat noodzakelijk is voor de vertrouwelijkheid, de inhoud van elektronische communicatie standaard van eind tot eind wordt versleuteld om de impact van veiligheidsincidenten op gebruikers of andere netwerken en diensten zo laag mogelijk te houden.

1 bis. De lidstaten leggen aan aanbieders van openbare communicatienetwerken of openbaar beschikbare elektronische-communicatiediensten geen verplichtingen op waardoor de veiligheid van hun netwerken en diensten verzwakt.

Indien de lidstaten aanvullende veiligheidseisen stellen aan aanbieders van openbare communicatienetwerken of openbare elektronische-communicatiediensten in meer dan één lidstaat, moeten zij die maatregelen melden bij de Commissie en het Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging (Enisa). Enisa verleent de lidstaten bijstand bij de coördinatie van maatregelen die worden genomen om duplicatie van of uiteenlopende vereisten te voorkomen en die een beveiligingsrisico of belemmering voor de interne markt kunnen vormen.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat aanbieders van openbare communicatienetwerken alle nodige maatregelen nemen om te zorgen voor de integriteit van hun netwerken zodat kan worden gezorgd voor de continuïteit van de diensten die via deze netwerken worden geleverd.

3. De lidstaten zorgen ervoor dat aanbieders van openbare communicatienetwerken of openbaar beschikbare elektronische-communicatiediensten aanbieden de bevoegde instantie onverwijld in kennis stellen van elk veiligheidsincident of elk verlies van integriteit dat een belangrijke impact had op de exploitatie van netwerken of diensten.

Om te bepalen of een veiligheidsincident een belangrijke impact heeft, wordt met name met de volgende parameters rekening gehouden:

a)  het aantal gebruikers dat door het incident wordt getroffen;

b)  de duur van het incident;

c)  de geografische spreiding van het door het incident getroffen gebied;

d)  de mate waarin de werking van het netwerk of de dienst wordt getroffen;

e)  de impact op economische en maatschappelijke activiteiten.

In voorkomend geval brengt de betrokken bevoegde instantie de bevoegde instanties in andere lidstaten en ▌(Enisa) op de hoogte. De betrokken bevoegde instantie kan het publiek hiervan op de hoogte brengen of eisen dat de aanbieders dit doen, indien zij de bekendmaking van het incident in het algemeen belang acht.

Eenmaal per jaar dient de betrokken bevoegde instantie bij de Commissie en Enisa een samenvattend verslag in over de kennisgevingen die zij heeft ontvangen en de maatregelen die overeenkomstig dit lid zijn genomen.

De lidstaten waarborgen dat in het geval van een specifiek risico op een veiligheidsincident bij openbare communicatienetwerken of openbare elektronische-communicatiediensten de aanbieders van dergelijke netwerken of diensten hun gebruikers informeren over een dergelijk risico en over mogelijke beschermingsmaatregelen of herstelmiddelen die door de gebruikers kunnen worden genomen.

4. Dit artikel doet geen afbreuk aan Verordening EU/2016/679 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en Richtlijn 2002/58/EG betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie.

5. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 109 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen te specificeren, met inbegrip van maatregelen die de omstandigheden, het formaat en de procedures definiëren die van toepassing zijn op de kennisgevingseisen. De gedelegeerde handelingen worden zoveel mogelijk gebaseerd op Europese en internationale normen, en beletten niet dat de lidstaten aanvullende eisen vaststellen om te voldoen aan de in de leden 1 en 2 genoemde doelstellingen. De eerste van deze gedelegeerde handelingen worden uiterlijk [datum invoegen] vastgesteld.

5 bis. Met het oog op de coherente toepassing van bepalingen voor de veiligheid van netwerken en diensten stelt Enisa uiterlijk ... [datum], na raadpleging van belanghebbenden en in nauw overleg met de Commissie en Berec, richtsnoeren op over minimumcriteria voor en een gemeenschappelijke benadering van de veiligheid van netwerken en diensten en de bevordering van het gebruik van eind-tot-eindversleuteling.

Artikel 41

Toepassing en handhaving

1. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde instanties de bevoegdheid hebben om aanbieders van openbare communicatienetwerken of openbaar beschikbare elektronische-communicatiediensten bindende instructies, ook met betrekking tot de maatregelen om een incident te voorkomen of te verhelpen en de termijnen voor de uitvoering, te geven met het oog op de uitvoering van artikel 40.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde instanties de bevoegdheid hebben aanbieders van openbare communicatienetwerken of openbaar beschikbare elektronische-communicatiediensten te vragen om:

  a) informatie te verschaffen die nodig is om de veiligheid en/of integriteit van hun diensten en netwerken te beoordelen, met inbegrip van gedocumenteerd veiligheidsbeleid; en

  b) een veiligheidscontrole te laten uitvoeren door een gekwalificeerde onafhankelijke instantie of een bevoegde instantie en de resultaten ervan beschikbaar te stellen aan de bevoegde instantie. De kosten van de controle worden door de onderneming gedragen.

3. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde instanties alle nodige bevoegdheden hebben om gevallen van niet-naleving te onderzoeken, evenals de effecten ervan op de beveiliging van de netwerken en diensten.

4. De lidstaten zorgen ervoor dat, ter uitvoering van artikel 40, de bevoegde instanties de bevoegdheid hebben om de hulp in te roepen van de Computer security incident response teams ("CSIRT's") overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn (EU) 2016/1148/EU met betrekking tot kwesties die vallen onder de taken van de CSIRT's overeenkomstig bijlage I, punt 2, bij die richtlijn.

5. Waar nodig en in overeenstemming met het nationale recht werken de bevoegde instanties samen met en overleggen zij met de betrokken nationale rechtshandhavingsinstanties, de bevoegde autoriteiten als omschreven in artikel 8, lid 1, van Richtlijn (EU) 2016/1148 en de nationale autoriteiten voor gegevensbescherming.

Deel II. NETWERKEN

Titel I: Toegang tot de markt en implementatie

Artikel 42

Vergoedingen voor gebruiksrechten voor radiospectrum en rechten om faciliteiten te installeren

De lidstaten kunnen de bevoegde instantie toestaan de gebruiksrechten voor radiospectrum of rechten om faciliteiten die worden gebruikt voor de levering van elektronische-communicatienetwerken of -netwerken en aanverwante faciliteiten te installeren op, boven of onder openbare of particuliere eigendom te onderwerpen aan vergoedingen die een optimaal gebruik van deze middelen waarborgen. De lidstaten zorgen ervoor dat deze vergoedingen objectief gerechtvaardigd, transparant en niet-discriminerend zijn en in verhouding staan tot het beoogde doel en zij houden rekening met de doelstellingen van de artikelen 3, 4 en 45, lid 2, , waarbij aan de volgende vereisten wordt voldaan:

a)  de diensten- en technologieneutraliteit wordt gewaarborgd, waarbij uitsluitend de beperkingen van artikel 45, leden 4 en 5, van toepassing zijn, terwijl het doeltreffende en efficiënte gebruik van spectrum wordt bevorderd en het maatschappelijke en economische nut van spectrum wordt gemaximaliseerd;

b)  er wordt rekening gehouden met de noodzaak om de ontwikkeling van innovatieve diensten te bevorderen; en

c)  er wordt rekening gehouden met mogelijke alternatieve toepassingen van de middelen.

2. De lidstaten waarborgen dat bij de bepaling van de reserveprijzen die worden vastgesteld als minimale vergoedingen voor gebruiksrechten voor radiospectrum rekening wordt gehouden met de waarde van de rechten bij mogelijke alternatieve toepassingen en dat daarin de aanvullende kosten worden opgenomen die worden gemaakt als gevolg van voorwaarden in verband met deze rechten bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de artikelen 3 en 4 en artikel 45, lid 2, zoals dekkingsverplichtingen die ▌buiten de normale commerciële normen zouden vallen.

3. De lidstaten passen betalingsvoorwaarden in verband met de daadwerkelijke beschikbaarheid van het desbetreffende radiospectrum toe die geen onredelijke last vormen met betrekking tot aanvullende investeringen in netwerken en aanverwante faciliteiten die nodig zijn voor het efficiënte gebruik van radiospectrum en de verstrekking van verwante diensten.

4. De lidstaten waarborgen dat bevoegde instanties wanneer zij vergoedingen opleggen, rekening houden met andere vergoedingen of administratiekosten in verband met de algemene machtiging of gebruiksrechten die overeenkomstig deze richtlijn zijn vastgesteld, teneinde geen onnodige financiële lasten op te leggen aan aanbieders van elektronische-communicatienetwerken en -diensten en teneinde te zorgen voor prikkels waarmee optimaal gebruik van de toegewezen middelen wordt bevorderd.

5. Bij het opleggen van vergoedingen op grond van dit artikel wordt voldaan aan de vereisten van artikel 23 en, wanneer van toepassing, artikel 35, artikel 48, lid 6, en artikel 54.

HOOFDSTUK I

TOEGANG TOT TERREINEN

Artikel 43

Doorgangsrechten

1. De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer een bevoegde instantie een aanvraag behandelt voor

–  het verlenen van rechten om faciliteiten te installeren op, over of onder openbaar of particulier eigendom, aan een onderneming die gemachtigd is om openbare communicatienetwerken aan te bieden; of

–  het verlenen van rechten om faciliteiten te installeren op, over of onder openbaar eigendom aan een onderneming die gemachtigd is om niet-openbare elektronische-communicatienetwerken aan te bieden,

deze bevoegde instantie:

–  handelt op basis van eenvoudige, efficiënte, transparante en openbare procedures die zonder discriminatie en onverwijld worden toegepast, en in ieder geval een besluit neemt binnen zes maanden na de indiening van de aanvraag, behalve in gevallen van onteigening, en

–  de beginselen van transparantie en non-discriminatie volgt bij het verbinden van voorwaarden aan deze rechten.

De bovengenoemde procedure kan variëren al naargelang de aanvrager al dan niet openbare communicatienetwerken aanbiedt.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat er, wanneer lokale of andere overheden de eigendom van of zeggenschap behouden over ondernemingen die openbare elektronische-communicatienetwerken en/of voor het publiek beschikbare elektronische-communicatiediensten exploiteren, een daadwerkelijke structurele scheiding is tussen de verantwoordelijkheid voor het verlenen van de in lid 1 bedoelde rechten en de activiteiten die verband houden met de eigendom of zeggenschap.

2 bis. De lidstaten wijzen een doeltreffend mechanisme aan of zetten een doeltreffend mechanisme op dat ondernemingen in staat stelt beroep aan te tekenen tegen besluiten betreffende het verlenen van rechten voor het installeren van faciliteiten bij een instantie die onafhankelijk is van de betrokken partijen. Deze instantie neemt haar besluiten binnen een redelijk tijdsbestek.

Artikel 44

Collocatie en gedeeld gebruik van netwerkelementen en bijbehorende faciliteiten voor aanbieders van elektronische-communicatienetwerken

1. Wanneer een exploitant krachtens de nationale wetgeving gebruik heeft gemaakt van het recht om faciliteiten op, boven of onder openbare of particuliere eigendom te installeren, of een procedure voor de onteigening of het gebruik van eigendom heeft toegepast, kunnen de bevoegde instanties collocatie en gedeeld gebruik van geïnstalleerde netwerkelementen en bijbehorende faciliteiten opleggen om het milieu, de volksgezondheid of de openbare veiligheid te beschermen of om bij te dragen tot stedenbouwkundige of planologische doelstellingen. Collocatie of gedeeld gebruik van geïnstalleerde netwerkelementen en faciliteiten en gedeeld gebruik van eigendom kan uitsluitend worden opgelegd als gedurende een passende periode een openbare raadpleging heeft plaatsgevonden, waarbij alle belangstellende partijen de mogelijkheid krijgen om hun standpunten tot uitdrukking te brengen, en uitsluitend in de specifieke gebieden waarin dergelijk gedeeld gebruik nodig wordt geacht met het oog op de verwezenlijking van de in dit artikel genoemde doelstellingen. De bevoegde instanties kunnen gedeeld gebruik opleggen met betrekking tot dergelijke faciliteiten of eigendom, met inbegrip van terreinen, gebouwen, toegangen tot gebouwen, bekabeling van gebouwen, masten, antennes, torens en andere ondersteuningsgebouwen, kabelgoten, leidingen, mangaten, straatkasten of maatregelen om de coördinatie van publieke werken te vergemakkelijken. Wanneer noodzakelijk voorzien de nationale regelgevende instanties een omslagregeling voor de kosten van het gedeeld gebruik van faciliteiten of eigendom en van de coördinatie van civiele werken.

2. Maatregelen die door een bevoegde instantie zijn genomen in overeenstemming met dit artikel moeten objectief, transparant, niet-discriminerend en evenredig zijn. In voorkomend geval worden deze maatregelen in overleg met de nationale regelgevende instanties uitgevoerd.

HOOFDSTUK II

TOEGANG TOT RADIOSPECTRUM

Afdeling 1 Machtigingen

Artikel 45

Beheer van radiospectrum

1. Naar behoren rekening houdend met het feit dat radiospectrum een publiek goed is dat een belangrijke maatschappelijke, sociale en economische waarde heeft, zorgen de lidstaten ervoor dat radiospectrum voor elektronische-communicatiediensten en -netwerken op hun grondgebied efficiënt wordt beheerd overeenkomstig de artikelen 3 en 4. Zij zorgen ervoor dat de radiospectrumtoewijzing spectrumtoewijzing voor elektronische-communicatiediensten en -netwerken en de afgifte van algemene machtigingen of individuele gebruiksrechten voor dat radiospectrum door de bevoegde instanties gebaseerd zijn op objectieve, transparante, concurrentiebevorderende, niet-discriminerende en proportionele criteria.

Bij de toepassing van dit artikel eerbiedigen de lidstaten de desbetreffende internationale overeenkomsten, met inbegrip van de radioregelgeving van de ITU en andere overeenkomsten die in het kader van de ITU zijn gesloten , en mogen zij overwegingen van openbare orde in aanmerking nemen.

2. De lidstaten bevorderen de harmonisatie van het gebruik van radiospectrum in de Unie in overeenstemming met de noodzaak een daadwerkelijk en efficiënt gebruik daarvan te waarborgen en met als doel concurrentie en andere voordelen voor de consumenten, zoals schaalvoordelen en interoperabiliteit van diensten en netwerken . Zij handelen daarbij in overeenstemming met artikel 4 en Beschikking 676/2002/EG door onder meer:

a)  te zorgen voor hoogwaardige en snelle dekking van hun nationale grondgebied en bevolking, zowel binnenshuis als buitenshuis, evenals dekking van belangrijke nationale en Europese transportroutes, met inbegrip van het trans-Europese vervoersnetwerk zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 1315/2013;

b)  ervoor te zorgen dat voor gebieden met vergelijkbare karakteristieke kenmerken, met name wat betreft netwerkuitrol of bevolkingsdichtheid, consistente voorwaarden inzake dekking van toepassing zijn;

c)  de snelle ontwikkeling in de Unie van nieuwe technologieën en toepassingen op het gebied van draadloze communicatie te bevorderen, waarbij indien passend een sectoroverschrijdende aanpak wordt gehanteerd;

c bis)   te zorgen voor voorspelbaarheid bij de verlening, verlenging, wijziging, beperking en intrekking van rechten teneinde langetermijninvesteringen te bevorderen;

d)  te zorgen voor de preventie van grensoverschrijdende of nationale schadelijke interferentie overeenkomstig respectievelijk de artikelen 28 en 46, en daartoe passende preventieve en corrigerende maatregelen te treffen;

e)  het gedeeld gebruik van radiospectrum voor soortgelijke en/of verschillende toepassing van spectrum te bevorderen door middel van passende vastgestelde voorschriften en voorwaarden inzake gedeeld gebruik, waaronder de bescherming van bestaande gebruiksrechten, in overeenstemming met het recht van de Unie;

f)  het meest passende en minst bezwarende machtigingssysteem in overeenstemming met artikel 46 toe te passen met het oog op een optimale mate van flexibiliteit, gedeeld gebruik en efficiëntie bij het gebruik van radiospectrum;

g)  ervoor te zorgen dat de voorschriften voor het verlenen, overdragen, verlengen, aanpassen en intrekken van gebruiksrechten inzake radiospectrum duidelijk en transparant zijn geformuleerd en worden toegepast teneinde de rechtszekerheid, consistentie en voorspelbaarheid te waarborgen;

h)  in de hele Unie te zorgen voor consistentie en voorspelbaarheid wat betreft de manier waarop machtigingen voor het gebruik van radiospectrum worden verleend met het oog op de bescherming van de volksgezondheid wat betreft schadelijke elektromagnetische velden.

Wanneer de Commissie overeenkomstig Beschikking nr. 676/2002/EG technische harmonisatiemaatregelen vaststelt, stelt zij, terdege rekening houdend met het advies van de Beleidsgroep Radiospectrum, een uitvoeringsmaatregel vast waarin overeenkomstig artikel 46 van deze richtlijn wordt bepaald of voor rechten op de geharmoniseerde frequentieband een algemene machtiging of individuele gebruiksrechten gelden. Die uitvoeringsmaatregelen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 110, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure.

Wanneer de Commissie overweegt actie te ondernemen om te voorzien in maatregelen overeenkomstig artikel 39, verzoekt zij de Beleidsgroep Radiospectrum een advies te verstrekken met betrekking tot de effecten van een dergelijke norm of specificatie inzake de coördinatie, harmonisering en beschikbaarheid van radiospectrum. De Commissie houdt bij alle stappen die zij vervolgens neemt terdege rekening met het advies van de Beleidsgroep Radiospectrum.

3. Indien er op nationaal of regionaal niveau op de markt geen vraag is naar het gebruik van een geharmoniseerde band, wanneer die voor gebruik beschikbaar wordt gesteld in overeenstemming met en onderworpen aan een harmonisatiemaatregel, kunnen de lidstaten in overeenstemming met de op grond van Beschikking nr. 676/2002/EG vastgestelde harmonisatiemaatregel en overeenkomstig de leden 4 en 5 een alternatief gebruik van die gehele band of een gedeelte daarvan toestaan, met inbegrip van het bestaande gebruik, mits:

a)  de conclusie dat er op de markt geen vraag is naar het gebruik van de geharmoniseerde band is gebaseerd op een openbare raadpleging overeenkomstig artikel 23, met inbegrip van een toekomstgerichte beoordeling van de marktvraag;

b)  een dergelijk alternatief gebruik de beschikbaarheid of het gebruik van de geharmoniseerde band in andere lidstaten niet onmogelijk maakt of schaadt; en

c)  de betrokken lidstaat terdege rekening houdt met de beschikbaarheid en het gebruik op lange termijn van de geharmoniseerde band in de Unie en met de schaalvoordelen betreffende apparatuur als gevolg van het gebruik van geharmoniseerd radiospectrum in de Unie.

Alternatief gebruik mag alleen bij wijze van uitzondering worden toegestaan wanneer er op de markt geen vraag naar de band is op het moment dat deze voor het eerst voor gebruik beschikbaar wordt gesteld. Ieder besluit om alternatief gebruik bij wijze van uitzondering toe te staan wordt om de drie jaar beoordeeld, of direct naar aanleiding van een verzoek dat een potentiële gebruiker aan de bevoegde instantie richt met betrekking tot gebruik van de band in overeenstemming met de harmonisatiemaatregel. De lidstaat stelt de Commissie en de andere lidstaten in kennis van zijn besluit en van de resultaten van zijn beoordeling, indien die is uitgevoerd, en de bijbehorende motivering.

4. Tenzij anders bepaald in de tweede alinea zorgen de lidstaten ervoor dat alle soorten voor elektronische-communicatiediensten of netwerken gebruikte technologie kunnen worden gebruikt op het radiospectrum dat in overeenstemming met het Unierecht beschikbaar is verklaard voor elektronische-communicatiediensten in hun nationale frequentietoewijzingsplannen.

De lidstaten kunnen echter proportionele en niet-discriminerende beperkingen opleggen met betrekking tot de soorten voor elektronische-communicatiediensten gebruikte technologie, uitsluitend indien dat nodig is om:

a) schadelijke interferentie te vermijden;

  b) de volksgezondheid te beschermen tegen elektromagnetische velden , terdege rekening houdend met Aanbeveling 1999/519/EG van de Raad(40);

  c) de technische kwaliteit van de dienst te garanderen;

  d) te zorgen voor zoveel mogelijk gedeeld gebruik van radiospectrum, overeenkomstig het recht van de Unie;

  e) een efficiënt radiospectrumgebruik te waarborgen; of

  f) een doelstelling van algemeen belang te verwezenlijken overeenkomstig lid 

5. Tenzij anders bepaald in de tweede alinea zorgen de lidstaten ervoor dat alle soorten elektronische-communicatiediensten kunnen worden aangeboden op het radiospectrum dat in overeenstemming met het Unierecht beschikbaar is verklaard voor elektronische-communicatiediensten in hun nationale frequentietoewijzingsplannen. De lidstaten kunnen echter proportionele en niet-discriminerende beperkingen opleggen met betrekking tot de soorten elektronische-communicatiediensten die worden aangeboden, ook, waar nodig, om te voldoen aan vereisten van de radioregelgeving van de ITU.

Maatregelen die vereisen dat een elektronischecommunicatiedienst in een specifieke voor elektronischecommunicatiediensten beschikbare band wordt aangeboden, worden gerechtvaardigd door de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang zoals door de lidstaten in overeenstemming met de wetgeving van de Unie gedefinieerd, zoals, maar niet beperkt tot:

a) veiligheid van het menselijk leven;

  b) het bevorderen van de sociale, regionale of territoriale samenhang;

  c) het vermijden van een ondoelmatig gebruik van radiospectrum; ▌

  d) de bevordering van culturele en taalkundige diversiteit en pluralisme van de media, bijvoorbeeld door het aanbieden van radio- en televisieomroepdiensten.

d bis) de bevordering van kwalitatief zeer hoogwaardige connectiviteit langs belangrijke transportroutes.

Een maatregel die het verlenen van iedere andere elektronischecommunicatiedienst in een specifieke band verbiedt, mag alleen worden opgelegd wanneer zij gerechtvaardigd is op grond van de noodzaak de veiligheid van het menselijk leven te beschermen. De lidstaten mogen een dergelijke maatregel in uitzonderingsgevallen ook uitvaardigen voor de verwezenlijking van andere doelstellingen van algemeen belang zoals door de Unie of door de lidstaten in overeenstemming met de wetgeving van de Unie gedefinieerd.

6. De lidstaten beoordelen geregeld de noodzaak van de in de leden 4 en 5 bedoelde beperkingen en maatregelen en maken de resultaten van deze beoordelingen bekend.

7. Beperking die vóór 25 mei 2011 zijn vastgesteld, voldoen uiterlijk op de datum van toepassing van deze richtlijn aan de leden 4 en 5.

Artikel 46

Machtiging voor het gebruik van radiospectrum

1. De lidstaten beslissen over de meest geschikte regeling voor het machtigen van het gebruik van radiospectrum met het oog op de vergemakkelijking van radiospectrum, met inbegrip van gedeeld gebruik, in het kader van algemene machtigingen en zij beperken het verlenen van individuele gebruiksrechten voor radiospectrum tot situaties waarin dit nodig is om ▌:

a)  ▌

b)  schadelijke interferentie te vermijden of hier bescherming tegen te bieden;

c)  ▌

d)  ▌de technische kwaliteit van communicatie of de dienst te verzekeren;

e)  andere doelstellingen van algemeen belang te verwezenlijken die door de lidstaten overeenkomstig het Unierecht worden bepaald.

e bis)  een efficiënt spectrumgebruik te waarborgen;

Wanneer gepast overwegen de lidstaten de mogelijkheid om machtigingen voor het gebruik van radiospectrum te verstrekken op basis van een combinatie van een algemene machtiging en individuele gebruiksrechten, daarbij rekening houdend met de mogelijke effecten op concurrentie, innovatie en markttoegang van verschillende combinaties en van de geleidelijke overgang van de ene categorie naar de andere.

–  ▌

–  ▌

–  ▌

–  ▌

De lidstaten stellen zo weinig mogelijk beperkingen aan het gebruik van radiospectrum door ten volle rekening te houden met technische oplossingen om schadelijke interferentie tegen te gaan, teneinde een machtigingsregeling met minimale administratieve lasten in te stellen.

2. De lidstaten waarborgen dat de voorschriften en voorwaarden met betrekking tot het gedeeld gebruik van radiospectrum, wanneer gedeeld gebruik wordt toegepast, duidelijk zijn geformuleerd en in de handelingen inzake machtiging concreet zijn gespecificeerd. Deze voorschriften en voorwaarden bevorderen efficiënt gebruik, concurrentie en innovatie en omvatten eerlijke en niet-discriminerende voorwaarden voor wholesaletoegang.

3. De Commissie stelt, terdege rekening houdend met het advies van de Beleidsgroep Radiospectrum, uitvoeringsmaatregelen vast betreffende de toepassingsvoorwaarden van de in de leden 1 en 2 bedoelde criteria, voorschriften en voorwaarden met betrekking tot geharmoniseerd radiospectrum. De Commissie stelt deze maatregelen vast overeenkomstig de in artikel 110, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure. Zij stelt deze maatregelen uiterlijk op [datum invoegen] vast.

Artikel 47

Voorwaarden in verband met algemene machtigingen en gebruiksrechten voor radiospectrum

1. De bevoegde instanties stellen voorwaarden vast in verband met individuele rechten en algemene machtigingen betreffende het gebruik van radiospectrum overeenkomstig artikel 13, lid 1, waarbij zij zorgen voor een optimaal, efficiënt gebruik van radiospectrum door de begunstigden van de algemene machtiging, de houders van individuele gebruiksrechten of derden die via handel of verhuur in het bezit van individuele rechten zijn gekomen. De bevoegde instanties geven een duidelijke omschrijving van dergelijke voorwaarden, met inbegrip van het vereiste gebruiksniveau en de mogelijkheid om tot handel en verhuur over te gaan met betrekking tot deze verplichting teneinde de uitvoering van deze voorwaarden overeenkomstig artikel 30 te waarborgen. In het geval van individuele rechten moeten dergelijke voorwaarden vóór de toekenning of verlenging ervan duidelijk zijn omschreven. De voorwaarden kunnen tijdens de tussentijdse herziening door de bevoegde instantie worden gewijzigd indien dit nodig is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van algemeen belang overeenkomstig artikel 3. Voorwaarden in verband met de verlenging van gebruiksrechten voor radiospectrum mogen voor bestaande houders van dergelijke rechten geen onrechtmatige voordelen opleveren.

In dergelijke voorwaarden worden eventueel toepasselijke parameters gespecificeerd, waaronder de periode voor de ingebruikneming van de rechten; indien deze niet worden nagekomen, heeft de bevoegde instantie het recht het gebruiksrecht in te trekken of andere maatregelen op te leggen, zoals gedeeld gebruik.

Om optimale efficiëntie met betrekking tot het radiospectrum te bereiken, houdt de bevoegde instantie bij het bepalen van de hoeveelheid en soort toe te wijzen radiospectrum met name rekening met:

a. de mogelijkheid om complementaire banden in één toewijzingsproces te combineren; en

b. de relevantie van de omvang van radiospectrumblokken of van de mogelijkheid om dergelijke blokken te combineren naargelang van de mogelijke toepassingen ervan, in het bijzonder rekening houdend met de behoeften van nieuwe opkomende communicatiesystemen.

De bevoegde instanties raadplegen en informeren de belanghebbende partijen wat betreft de voorwaarden in verband met individuele gebruiksrechten en algemene machtigingen ruimschoots voordat deze worden opgelegd. De bevoegde instanties leggen de criteria voor de beoordeling van de naleving van deze voorwaarden van tevoren vast en stellen de belanghebbende partijen daarvan in kennis.

2. De bevoegde instanties kunnen, wanneer zij voorwaarden verbinden aan individuele gebruiksrechten voor radiospectrum, toestemming geven voor gedeeld gebruik van passieve infrastructuur, actieve infrastructuur of radiospectrum, dan wel voor commerciële overeenkomsten inzake roamingtoegang of de gezamenlijke uitrol van infrastructuur voor het aanbieden van diensten of netwerken die afhankelijk zijn van het gebruik van radiospectrum, met name om een doeltreffend en efficiënt gebruik van radiospectrum te waarborgen of dekking te bevorderen. Voorwaarden in verband met gebruiksrechten mogen er niet toe leiden dat gedeeld gebruik van radiospectrum wordt voorkomen. Bij de uitvoering van voorwaarden overeenkomstig dit lid wordt het mededingingsrecht nageleefd.

3. De Commissie stelt uitvoeringsmaatregelen vast teneinde de modaliteiten voor de toepassing te specificeren inzake de voorwaarden die de lidstaten kunnen verbinden aan machtigingen om geharmoniseerd radiospectrum te gebruiken overeenkomstig de leden 1 en 2, met uitzondering van vergoedingen overeenkomstig artikel 42.

Wat betreft de dekkingsverplichting op grond van deel D van bijlage I worden alle uitvoeringsmaatregelen beperkt tot het specificeren van de criteria die door de bevoegde instantie zijn te gebruiken om dekkingsverplichtingen te definiëren en meten, waarbij rekening wordt gehouden met vergelijkbare regionale geografische kenmerken, de bevolkingsdichtheid, de economische ontwikkeling of de ontwikkeling op het gebied van netwerken voor specifieke soorten elektronische communicatie en de ontwikkeling van de vraag. In de uitvoeringsmaatregelen worden geen specifieke dekkingsverplichtingen gedefinieerd.

Dergelijke uitvoeringsmaatregelen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 110, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure, waarbij terdege rekening wordt gehouden met het advies van de Beleidsgroep Radiospectrum. Deze maatregelen worden uiterlijk op [datum invoegen] vastgesteld.

Afdeling 2 Gebruiksrechten

Artikel 48

Verlenen van individuele gebruiksrechten voor radiospectrum

1. Wanneer individuele gebruiksrechten moeten worden verleend voor radiospectrum , verlenen de lidstaten die rechten op verzoek aan alle ondernemingen die diensten of netwerken aanbieden of gebruiken in het kader van de in artikel 12 bedoelde algemene machtiging, met inachtneming van de bepalingen van de artikelen 13, 54 en 21 lid 1, onder c), en alle andere regels die een efficiënt gebruik van deze middelen moeten waarborgen overeenkomstig deze richtlijn.

2. Onverminderd de door de lidstaten vooraf aangenomen specifieke criteria voor het verlenen van gebruiksrechten voor radiospectrum aan aanbieders van inhoud voor radio- en televisieomroepen welke noodzakelijk zijn om de doelstellingen van algemeen belang overeenkomstig het Unierecht na te streven worden gebruiksrechten voor radiospectrum verleend door middel van procedures die objectief, transparant, niet-discriminerend en evenredig zijn, en in het geval van frequenties, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 45.

3. De procedures moeten open zijn behalve in gevallen waarin kan worden aangetoond dat het verlenen van individuele gebruiksrechten voor gebruik van radiospectrum voor aanbieders van diensten inzake inhoud voor radio- en televisiediensten van fundamenteel belang is om te kunnen voldoen aan een specifieke verplichting die door de Unie of door de lidstaten van te voren is gedefinieerd als noodzakelijk met het oog op het algemeen belang overeenkomstig de Uniewetgeving

4. De bevoegde instanties beoordelen in het kader van selectieprocedures aanvragen voor individuele gebruiksrechten voor radiospectrum aan de hand van objectieve, transparante, evenredige en niet-discriminerende criteria die van tevoren zijn vastgesteld en waarin de voorwaarden in verband met dergelijke rechten zijn opgenomen. De bevoegde instanties kunnen de aanvragers verzoeken om alle informatie die zij nodig hebben om op basis van bovengenoemde criteria te beoordelen of de aanvragers over de capaciteit beschikken om aan de voorwaarden te voldoen. Als de instantie naar aanleiding van de beoordeling tot de conclusie komt dat een aanvrager niet over de nodige capaciteit beschikt, verstrekt de instantie een met redenen omkleed besluit.

5. Bij het verlenen van gebruiksrechten specificeren de lidstaten of en onder welke voorwaarden deze kunnen worden overgedragen of verhuurd door de houder van de rechten. In het geval van radiospectrum zijn deze bepalingen overeenkomstig de artikelen 45 en 51 van deze richtlijn.

6. Besluiten over gebruiksrechten worden zo spoedig mogelijk genomen, meegedeeld en gepubliceerd, doch voor radiospectrum dat in het nationale frequentieplan is aangemerkt als beschikbaar voor elektronische-communicatiediensten uiterlijk zes weken na ontvangst van de volledige aanvraag door de nationale regelgevende instantie. Deze termijn laat de toepasselijke internationale overeenkomsten betreffende het gebruik van radiospectrum of van posities in de ruimte onverlet.

Artikel 49

Geldigheidsduur van rechten

1. Wanneer lidstaten door middel van individuele gebruiksrechten een machtiging verstrekken voor het gebruik van radiospectrum gedurende een bepaalde termijn, waarborgen zij dat de machtiging wordt verstrekt voor een periode die passend is met het oog op het nagestreefde doel, waarbij zij er naar behoren rekening mee houden dat de mededinging, alsook een doeltreffend en efficiënt gebruik moet worden gewaarborgd en efficiënte investeringen moeten worden bevorderd, onder meer door een passende periode voor de afschrijving van investeringen te voorzien, en door innovatie.

2. Wanneer de lidstaten gebruiksrechten verlenen voor geharmoniseerd radiospectrum voor een bepaalde termijn, zijn deze gebruiksrechten voor geharmoniseerd radiospectrum overeenkomstig artikel 47 gedurende ten minste 25 jaar geldig, waarbij niet later dan 10 jaar na de verlening van de gebruiksrechten een tussentijdse beoordeling moet plaatsvinden, behalve in het geval van tijdelijke rechten, een tijdelijke verlenging van rechten overeenkomstig lid 3 en rechten voor secundair gebruik in geharmoniseerde banden.

Gebruiksrechten kunnen na de tussentijdse beoordeling worden ingetrokken of aangepast door de lidstaten, als deze rechten voorkomen dat:

a)  het efficiënte en doeltreffende gebruik van radiospectrum wordt gewaarborgd met name in het licht van technologische en marktontwikkelingen;

b)  een doelstelling van algemeen belang wordt verwezenlijkt, zoals de connectiviteitsdoelstellingen van de Unie; of

c)  radiospectrum wordt georganiseerd en gebruikt met het oog op de openbare orde, de openbare veiligheid of defensie.

De gebruiksrechten worden uitsluitend na een overgangsperiode ingetrokken.

3. De lidstaten kunnen de geldigheidsduur van gebruiksrechten gedurende een korte periode verlengen teneinde te waarborgen dat de rechten in één of meerdere banden tegelijkertijd verstrijken.

Artikel 50

Verlengen van rechten

1. Behoudens de verlengingsclausules die van toepassing zijn op bestaande rechten, nemen de bevoegde instanties de verlenging van individuele gebruiksrechten voor geharmoniseerd radiospectrum op eigen initiatief dan wel op verzoek van de houder van de rechten in overweging ▌.

2. ▌

3. Bij het overwegen van een mogelijke verlenging van individuele gebruiksrechten voor geharmoniseerd radiospectrum, letten de bevoegde instanties erop dat zij:

a) alle belanghebbende partijen, met inbegrip van gebruikers en consumenten, de mogelijkheid geven hun standpunten tot uitdrukking te brengen door middel van een openbare raadpleging in overeenstemming met artikel 23; en

b) rekening houden met het volgende:

i.  naleving van de doelstellingen van artikel 3, artikel 45, lid 2, en artikel 48, lid 2, en van doelstellingen van het overheidsbeleid op grond van nationaal recht of het recht van de Unie;

ii.  uitvoering van een overeenkomstig artikel 4 van Beschikking nr. 676/2002/EG vastgestelde maatregel;

iii.  beoordeling van de correcte tenuitvoerlegging van de voorwaarden in verband met de desbetreffende rechten;

iv.  de noodzaak om overeenkomstig artikel 52 de mededinging te bevorderen of enige verstoring ervan te voorkomen;

v.  het gebruik van radiospectrum efficiënter maken in het licht van ontwikkelingen op het vlak van de technologie of de markt;

vi.  de noodzaak om ernstige verstoring van de dienstverlening te voorkomen;

vii.  het bestaan van marktvraag van ondernemingen die geen gebruiksrechten voor spectrum in de betrokken band hebben;

viii.  de noodzaak om het aantal rechten in overeenstemming met artikel 46 te beperken.

Ten minste drie jaar voor het verstrijken van de betrokken rechten besluit de bevoegde instantie op basis van de resultaten van de openbare raadpleging en van de toetsing aan de hand van de in alinea 3, onder b), bedoelde aspecten of de bestaande rechten worden verlengd en motiveert zij haar besluit dienovereenkomstig.

Indien de bevoegde instantie besluit dat de spectrumrechten niet zullen worden verlengd en dat het aantal rechten wordt verminderd, kent zij de rechten toe overeenkomstig artikel 54.

Artikel 51

Overdracht of verhuur van individuele gebruiksrechten voor radiospectrum

1. De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen individuele gebruiksrechten voor radiospectrum ▌kunnen overdragen of verhuren aan andere ondernemingen.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat het voornemen van een onderneming om de gebruiksrechten voor radiospectrum over te dragen, evenals de daadwerkelijke overdracht van die rechten, overeenkomstig de nationale procedures wordt meegedeeld aan de nationale regelgevende instantie en aan de bevoegde instantie die verantwoordelijk is voor de verlening van individuele gebruiksrechten, en bekend wordt gemaakt door aantekening in het overeenkomstig lid 3 bijgehouden register. Wanneer het gebruik van radiospectrum geharmoniseerd is via de toepassing van Beschikking nr. 676/2002/EG (Radiospectrumbeschikking) of andere maatregelen van de Unie, voldoet dergelijke overdracht aan zulk geharmoniseerd gebruik.

3. De lidstaten staan de overdracht of verhuur van gebruiksrechten voor radiospectrum toe wanneer de oorspronkelijke voorwaarden in verband met de gebruiksrechten worden gehandhaafd. Zonder afbreuk te doen aan de noodzaak ervoor te zorgen dat de mededinging niet wordt verstoord, met name in overeenstemming met artikel 52 van deze richtlijn, gaan de lidstaten als volgt te werk:

a)  de procedure waaraan zij overdrachten en verhuur onderwerpen, is zo min mogelijk belastend;

b)  zij weigeren de verhuur van gebruiksrechten voor radiospectrum niet wanneer de verhuurder verklaart aansprakelijk te blijven voor de naleving van de oorspronkelijke voorwaarden in verband met de gebruiksrechten;

c)  zij keuren de overdracht van gebruiksrechten voor radiospectrum goed, tenzij er een duidelijk risico bestaat dat de nieuwe houder niet in staat is om aan de voorwaarden voor het gebruiksrecht te voldoen;

c bis)  zij weigeren de overdracht of de verhuur van gebruiksrechten voor radiospectrum aan een bestaande houder van dergelijke rechten niet.

Administratieve lasten die aan ondernemingen worden opgelegd in verband met de verwerking van een aanmelding voor de overdracht of verhuur van gebruiksrechten voor radiospectrum dienen uitsluitend ter dekking van de administratiekosten, waaronder kosten van eventueel noodzakelijke ondersteunende maatregelen, die zijn gemaakt bij de verwerking van de aanvraag, en voldoen aan de vereisten van artikel 16.

De punten a) tot en met c bis) doen geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om de naleving van voorwaarden in verband met de gebruiksrechten te allen tijde af te dwingen, zowel ten aanzien van de verhuurder als van de huurder, in overeenstemming met het respectievelijke nationale recht.

De bevoegde instanties vergemakkelijken de overdracht of verhuur van gebruiksrechten voor radiospectrum doordat zij alle verzoeken betreffende de aanpassing van de voorwaarden in verband met het recht tijdig in beraad nemen en doordat zij waarborgen dat de rechten of het radiospectrum dat daarmee verband houdt zo veel mogelijk kunnen worden opgesplitst of ontbundeld.

Ten aanzien van elke overdracht of verhuur van gebruiksrechten voor radiospectrum stellen de bevoegde instanties alle details in verband met verhandelbare individuele rechten publiekelijk beschikbaar in een gestandaardiseerd elektronisch formaat zodra de rechten tot stand worden gebracht, en zij houden deze details gedurende de volledige looptijd van de rechten bij.

4. De Commissie neemt passende uitvoeringsmaatregelen aan ter vaststelling van banden waarvoor gebruiksrechten voor radiofrequenties tussen ondernemingen mogen worden overgedragen of verhuurd. Deze maatregelen hebben geen betrekking op frequenties die voor omroep worden gebruikt.

Deze technische uitvoeringsmaatregelen worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure van artikel 110, lid 4. Deze maatregelen worden uiterlijk op [datum invoegen] vastgesteld.

Artikel 52

Mededinging

1. De nationale regelgevende instanties bevorderen daadwerkelijke mededinging en voorkomen verstoringen van de mededinging op de interne markt wanneer zij overeenkomstig deze richtlijn besluiten nemen inzake de verlening, aanpassing of verlenging van gebruiksrechten voor radiospectrum voor elektronische-communicatienetdiensten en -werken.

2. Wanneer de lidstaten gebruiksrechten voor radiospectrum verlenen, aanpassen of verlengen, houden hun nationale regelgevende instanties zich zeer zorgvuldig aan de "Richtsnoeren voor de marktanalyse en de beoordeling van aanmerkelijke marktmacht", die de Commissie bekend heeft gemaakt uit hoofde van artikel 62, lid 2, maken deze een objectieve en toekomstgerichte beoordeling van de mededingingsomstandigheden op de markt en nemen deze één van de maatregelen als bedoeld onder a) tot en met e) alleen in gevallen waarin een dergelijke maatregel noodzakelijk is om een doeltreffende mededinging tot stand te brengen of te behouden:

a)  beperkingen vaststellen voor de hoeveelheid radiospectrum waarvoor gebruiksrechten aan ondernemingen worden verleend, of, in uitzonderlijke gevallen, het koppelen van voorwaarden aan dergelijke gebruiksrechten, zoals het aanbieden van wholesaletoegang, nationale of regionale roaming, in bepaalde banden of in bepaalde groepen van banden met soortgelijke kenmerken;

b)  het voorbehouden van een deel van een frequentieband of een groep van banden voor toewijzing aan nieuwe marktdeelnemers, als dit passend is gezien de uitzonderlijke situatie op de nationale markt;

c)  het weigeren om nieuwe gebruiksrechten voor radiospectrum toe te kennen of om nieuw radiomspectrumgebruik in bepaalde banden toe te staan, dan wel het koppelen van voorwaarden aan de toekenning van gebruiksrechten voor radiospectrum of de machtiging voor nieuw radiospectrumgebruik, teneinde concurrentieverstoring ten gevolge van de toekenning, overdracht of concentratie van gebruiksrechten te voorkomen;

d)  het verbieden van of het opleggen van voorwaarden aan de overdracht van gebruiksrechten voor radiospectrum die niet onder het toezicht inzake fusies van de lidstaten of de Unie vallen, daar waar het waarschijnlijk is dat door een dergelijke overdracht de concurrentie aanzienlijk in het gedrang komt;

e)  het wijzigen van de bestaande rechten in overeenstemming met deze richtlijn, daar waar dat noodzakelijk is om ex post een einde te maken aan de concurrentieverstoring ten gevolge van de overdracht of concentratie van gebruiksrechten voor radiospectrum.

3. Bij de toepassing van lid 2 gaan de nationale regelgevende instanties te werk overeenkomstig de procedures van de artikelen 18, 19, 23 en 35 van deze richtlijn.

Afdeling 3 Procedures

Artikel 53

Gecoördineerde tijdschema’s betreffende toewijzingen

Teneinde een efficiënt en gecoördineerd gebruik van geharmoniseerd radiospectrum in de Unie te waarborgen, moet de Commissie, terdege rekening houdend met de verschillende nationale marktsituaties, door middel van een uitvoeringsmaatregel:

a)  één of, indien passend, meerdere gemeenschappelijke datums vaststellen waarop het gebruik van specifieke geharmoniseerde radiospectrumbanden uiterlijk wordt toegestaan;

b)  voor zover nodig om de doeltreffendheid van de coördinatie te waarborgen, een overgangsmaatregel vaststellen met betrekking tot de looptijd van rechten overeenkomstig artikel 49, zoals een verlenging of inkorting van de looptijd ervan, teneinde bestaande rechten of machtigingen aan te passen aan een dergelijke geharmoniseerde datum.

Dergelijke uitvoeringsmaatregelen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 110, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure, waarbij terdege rekening wordt gehouden met het advies van de Beleidsgroep Radiospectrum. Deze maatregelen worden uiterlijk op [datum invoegen] vastgesteld.

Artikel 54

Procedure voor het beperken van het aantal te verlenen gebruiksrechten voor radiospectrum

1. Wanneer een lidstaat, zonder afbreuk te doen aan een overeenkomstig artikel 53 vastgestelde uitvoeringshandeling, tot de conclusie komt dat een recht betreffende het gebruik van radiospectrum op grond van artikel 46 niet kan worden verleend en wanneer een lidstaat overweegt het aantal gebruiksrechten voor radiospectrum te beperken , dient hij onder meer:

  a) de redenen voor het beperken van de gebruiksrechten duidelijk te vermelden, waarbij hij er met name voor zorgt voldoende rekening te houden met de noodzaak de voordelen voor de gebruikers te maximaliseren en de ontwikkeling van de mededinging te bevorderen , en in voorkomend geval dan wel op redelijk verzoek van betrokken ondernemingen een beoordeling van de beperking uit te voeren;

  b) alle belanghebbende partijen, met inbegrip van gebruikers en consumenten, de mogelijkheid te bieden om zich door middel van een openbare raadpleging uit te spreken over elke eventuele beperking overeenkomstig artikel 23. In het geval van geharmoniseerd radiospectrum gaat deze openbare raadpleging uiterlijk zes maanden na de vaststelling van de uitvoeringsmaatregel overeenkomstig Beschikking nr. 676/2002/EG van start, tenzij deze maatregel technische kenmerken omvat die een langere termijn vergen;

2. Als een lidstaat concludeert dat het aantal gebruiksrechten moet worden beperkt, zorgt hij voor een duidelijke omschrijving en rechtvaardiging van de doelstellingen die met de selectieprocedure worden nagestreefd en worden deze voor zover mogelijk gekwantificeerd, waarbij voldoende rekening wordt gehouden met de noodzaak om aan doelstellingen betreffende de nationale en de interne markt te voldoen. De doelstellingen die de lidstaat vastlegt met het oog op het ontwerp van de specifieke selectieprocedure omvatten één of meer van de volgende doelstellingen:

a) bevorderen van de dekking;

b) vereiste kwaliteit van dienstverlening;

c) bevorderen van de mededinging;

d) bevorderen van innovatie en bedrijfsontwikkeling; en

e) waarborgen dat vergoedingen optimaal gebruik van radiospectrum in overeenstemming met artikel 42 bevorderen.

De nationale regelgevende instantie zorgt voor een duidelijke omschrijving en rechtvaardiging van de keuze van de selectieprocedure, met inbegrip van elke eventuele voorbereidingsfase voorafgaand aan de toegang tot de selectieprocedure. De nationale regelgevende instantie maakt ook duidelijk melding van de resultaten van elke aanverwante beoordeling van de concurrentie-, technische en economische situatie van de markt, en geeft redenen voor het mogelijk gebruik en de keuze van maatregelen overeenkomstig artikel 35.

3. De lidstaten maken elk besluit inzake de gekozen selectieprocedure en de daarmee samenhangende elementen bekend, waarbij zij een duidelijke opgave van redenen verstrekken en duidelijk vermelden op welke manier rekening is gehouden met de door de nationale regelgevende instantie overeenkomstig artikel 35 vastgestelde maatregel. Daarnaast wordt bekendgemaakt welke voorwaarden aan de gebruiksrechten worden verbonden.

4. Na de vaststelling van de procedure doet de lidstaat een uitnodiging tot het indienen van aanvragen voor gebruiksrechten;

5. Wanneer een lidstaat besluit dat er meer gebruiksrechten voor radiospectrum of een combinatie van verschillende soorten rechten kunnen worden verleend, waarbij rekening wordt gehouden met geavanceerde methoden voor de bescherming tegen schadelijke interferentie, maakt hij deze conclusie bekend en initieert hij proces voor het verlenen van deze rechten.

6. Wanneer de verlening van gebruiksrechten voor radiospectrum moet worden beperkt, verlenen de lidstaten deze rechten op basis van objectieve, transparante, niet-discriminerende en evenredige selectiecriteria en een door hun nationale regelgevende instanties overeenkomstig artikel 35 vastgestelde procedure. Dergelijke selectiecriteria moeten naar behoren belang hechten aan de verwezenlijking van de doelstellingen en eisen van de artikelen 3, 4, 28 en 45.

7. De Commissie stelt uitvoeringsmaatregelen vast die criteria omvatten voor het coördineren van de naleving door de lidstaten van de in de leden 1 tot en met 3 vastgestelde verplichtingen. De uitvoeringsmaatregelen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 110, lid 4, bedoelde procedure, waarbij terdege rekening wordt gehouden met het advies van de Beleidsgroep Radiospectrum. Deze maatregelen worden uiterlijk op [datum invoegen] vastgesteld.

8. Wanneer vergelijkende en op mededinging gebaseerde selectieprocedures moeten worden toegepast, kunnen de lidstaten de in artikel 48, lid 6, genoemde termijn van zes weken verlengen zolang als nodig is om ervoor te zorgen dat deze procedures billijk, redelijk, open en transparant zijn voor alle belanghebbende partijen, welke verlenging echter niet meer dan acht maanden mag bedragen , waarbij rekening wordt gehouden met overeenkomstig artikel 53 vastgestelde specifieke tijdschema’s.

Deze termijnen doen geen afbreuk aan toepasselijke internationale overeenkomsten betreffende het gebruik van radiospectrum en satellietcoördinatie.

9. Dit artikel doet geen afbreuk aan de overdracht van gebruiksrechten voor radiospectrum overeenkomstig artikel 51 van deze richtlijn.

HOOFDSTUK III

IMPLEMENTATIE EN GEBRUIK VAN DRAADLOZE NETWERKAPPARATUUR

Artikel 55

Toegang tot lokale radionetwerken

1. De bevoegde instanties staan het aanbieden van toegang via lokale radionetwerken tot een openbaar communicatienetwerk toe, evenals het gebruik van geharmoniseerd radiospectrum voor dat aanbod, waarbij uitsluitend toepasselijke voorwaarden inzake algemene machtiging gelden.

Wanneer dat aanbod geen commercieel karakter heeft of een bijkomend element van een andere commerciële activiteit of openbare dienst is die niet afhankelijk is van het overbrengen van signalen op die netwerken, wordt een onderneming, overheidsinstantie of eindgebruiker die dergelijke toegang aanbiedt niet onderworpen aan een algemene machtiging voor het aanbieden van elektronische-communicatienetwerken of -diensten overeenkomstig artikel 12, en evenmin aan verplichtingen inzake de rechten van eindgebruikers overeenkomstig titel III van deel III van deze richtlijn, en verplichtingen tot interconnectie van hun netwerken overeenkomstig artikel 59, lid 1.

1 bis. In elk geval is artikel 12 van Richtlijn 2000/31/EG van toepassing.

2. De bevoegde instanties belemmeren de aanbieders van openbare communicatienetwerken of openbaar beschikbare elektronische-communicatiediensten niet om aan het publiek toegang tot hun netwerken te verlenen via lokale radionetwerken die zich mogelijk op terreinen of in gebouwen van een eindgebruiker bevinden, mits de toepasselijke algemene machtigingsvoorwaarden worden nageleefd en de eindgebruiker hiervoor uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven.

3. In overeenstemming met in het bijzonder artikel 3, lid 1, van Verordening 2015/2120 van het Europees Parlement en de Raad(41) waarborgen de bevoegde instanties dat aanbieders van elektronische-communicatienetwerken of openbaar beschikbare elektronische-communicatiediensten de volgende rechten niet eenzijdig beperken:

a) het recht van eindgebruikers om toe te treden tot de lokale radionetwerken van hun keuze, aangeboden door derden;

b) het recht van eindgebruikers om wederzijds of meer in het algemeen andere eindgebruikers toegang te verlenen tot de netwerken van dergelijke aanbieders via lokale radionetwerken, onder meer op basis van initiatieven van derde partijen die de lokale radionetwerken van verschillende eindgebruikers bundelen en openbaar toegankelijk maken.

Daartoe zorgen aanbieders van openbare communicatienetwerken of openbaar beschikbare elektronische-communicatiediensten ervoor dat zij op duidelijke en transparante wijze producten of specifieke aanbiedingen, waarmee hun eindgebruikers toegang kunnen verlenen aan derde partijen via een lokaal radionetwerk, ter beschikking stellen en actief aanbieden.

4. De bevoegde instanties beperken het recht van de eindgebruikers niet om wederzijds of meer in het algemeen andere eindgebruikers toegang te verlenen tot hun lokale radionetwerken, onder meer op basis van initiatieven van derde partijen die de lokale radionetwerken van verschillende eindgebruikers bundelen en openbaar toegankelijk maken.

5. De bevoegde instanties leggen geen beperkingen op ten aanzien van het aanbieden van toegang tot lokale radionetwerken aan het publiek:

a) door overheden op terreinen of in gebouwen waarin dergelijke overheidsinstanties zijn gevestigd dan wel in de onmiddellijke nabijheid daarvan, wanneer dat aanbod een bijkomend element is van de openbare diensten die op die terreinen of in die gebouwen worden geleverd;

b) door initiatieven van niet-gouvernementele organisaties of overheden om de lokale radionetwerken van verschillende eindgebruikers te bundelen en onderling of meer algemeen toegankelijk te maken, met inbegrip van, indien van toepassing, de lokale radionetwerken waartoe publieke toegang wordt verleend zoals bedoeld onder a).

Artikel 56

Implementatie en exploitatie van draadloze toegangspunten met klein bereik

1. De bevoegde instanties staan de implementatie, aansluiting en exploitatie van discrete draadloze toegangspunten met klein bereik onder de algemene machtiging toe en belemmeren de implementatie, aansluiting en exploitatie niet onnodig middels individuele stedenbouwkundige vergunningen of op een andere manier wanneer dit gebruik in overeenstemming is met de overeenkomstig lid 2 aangenomen uitvoeringsmaatregelen. De draadloze toegangspunten met klein bereik worden niet onderworpen aan vergoedingen of heffingen die verder gaan dan de administratieve heffing die eventueel verbonden is aan de algemene machtiging overeenkomstig artikel 16.

Dit lid doet geen afbreuk aan het machtigingsstelsel voor het radiospectrum dat wordt toegepast om draadloze toegangspunten met klein bereik te bedienen.

2. Om te zorgen voor een uniforme uitvoering van het algemene machtigingsproces voor de implementatie, aansluiting en exploitatie van draadloze toegangspunten met klein bereik, kan de Commissie, door middel van een uitvoeringshandeling, technische kenmerken voor het ontwerp, de implementatie en de exploitatie van draadloze toegangspunten met klein bereik specificeren, waarbij ten minste wordt voldaan aan de vereisten van Richtlijn 2013/35/EU(42) en rekening wordt gehouden met de in Aanbeveling 1999/519/EG van de Raad(43) vastgestelde drempelwaarden. De Commissie specificeert deze technische kenmerken aan de hand van de maximale grootte, kracht en elektromagnetische eigenschappen, evenals de visuele impact van de ingezette draadloze toegangspunten met klein bereik. Door naleving van de gespecificeerde kenmerken wordt het discrete karakter van draadloze toegangspunten met klein bereik bij gebruik binnen verschillende lokale contexten gewaarborgd.

De gespecificeerde technische kenmerken voor de implementatie, aansluiting en exploitatie van draadloze toegangspunten met klein bereik die kunnen profiteren van lid 1, doen geen afbreuk aan de essentiële vereisten van Richtlijn 2014/53/EU(44).

Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 110, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure.

2 bis. De lidstaten passen indien nodig de procedures toe die zijn vastgesteld overeenkomstig Richtlijn 2014/61, en zorgen ervoor dat exploitanten recht hebben op toegang tot alle fysieke infrastructuur in handen van nationale, regionale of lokale overheidsinstanties die technisch geschikt is voor toegangspunten met een klein bereik of noodzakelijk is voor de verbinding van dergelijke toegangspunten met een backbonenetwerk, waaronder straatmeubilair, zoals lichtmasten, verkeersborden, verkeerslichten, aanplakborden, bus- en tramhaltes en metrostations. Overheidsinstanties willigen alle redelijke verzoeken om toegang in op billijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden, die op een centraal toegangspunt transparant kunnen worden ingezien. Eventuele heffingen vormen uitsluitend een weergave van de door de overheidsinstantie ten behoeve van de geboden toegang gemaakte kosten.

Artikel 56 bis

Technische voorschriften inzake elektromagnetische velden

Op ontwerpmaatregelen van de lidstaten waarbij strengere eisen inzake elektromagnetische velden worden gesteld dan die waarin Aanbeveling nr. 1999/519/EG van de Raad voorziet, zijn de in Richtlijn 2015/1535 vastgelegde procedures van toepassing.

Titel II: Toegang

HOOFDSTUK I

ALGEMEN BEPALINGEN , BEGINSELEN INZAKE TOEGANG

Artikel 57

Algemeen kader inzake toegang en interconnectie

1. De lidstaten zorgen ervoor dat er geen beperkingen zijn die het ondernemingen, gevestigd in één lidstaat of in verscheidene lidstaten, beletten onderling overeenkomsten inzake technische en commerciële regelingen voor toegang en/of interconnectie aan te gaan overeenkomstig het Unierecht. De onderneming die om toegang of om interconnectie verzoekt hoeft niet gemachtigd te zijn om te opereren in de lidstaat waar om toegang of interconnectie wordt verzocht, indien zij in die lidstaat geen diensten aanbiedt en geen netwerk exploiteert.

2. Onverminderd artikel 106 handhaven de lidstaten geen wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen die exploitanten verplichten om, wanneer zij toegang of interconnectie mogelijk maken, voor gelijkwaardige diensten ten aanzien van verschillende ondernemingen verschillende eisen en voorwaarden te hanteren, en/of die de exploitanten verplichtingen opleggen die geen verband houden met de daadwerkelijk geleverde toegangs- en interconnectiediensten, onverminderd de voorwaarden in bijlage I bij deze richtlijn.

Artikel 58

Rechten en verplichtingen van ondernemingen

1. Exploitanten van openbare communicatienetwerken zijn gerechtigd en, wanneer hun daarom wordt verzocht door daartoe overeenkomstig artikel 15 van deze richtlijn gemachtigde ondernemingen, verplicht te onderhandelen over interconnectie met het doel algemeen beschikbare elektronische-communicatiediensten aan te bieden, teneinde de verlening en de interoperabiliteit van de diensten in de gehele Unie te waarborgen. Exploitanten verlenen andere ondernemingen toegang en interconnectie onder voorwaarden die verenigbaar zijn met de verplichtingen die door de nationale regelgevende instantie worden opgelegd uit hoofde van de artikelen 59, 60 en 66.

2. Onverminderd artikel 21 van deze richtlijn eisen de lidstaten van ondernemingen die voor, tijdens of na onderhandelingen over toegangs- of interconnectieovereenkomsten informatie van een andere onderneming verkrijgen, dat zij die informatie uitsluitend gebruiken voor het doel waarvoor zij werd verstrekt en te allen tijde de vertrouwelijkheid van verstrekte of opgeslagen informatie in acht nemen. De verkregen informatie wordt niet doorgegeven aan enige andere partij, in het bijzonder andere afdelingen, dochterondernemingen of partners, die door die informatie concurrentievoordeel zouden kunnen behalen.

2 bis. De lidstaten kunnen bepalen dat onderhandelingen moeten worden gevoerd via neutrale tussenpersonen wanneer de concurrentievoorwaarden dit vereisen.

HOOFDSTUK II

TOEGANG EN INTERCONNECTIE

Artikel 59

Bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de nationale regelgevende instanties met betrekking tot toegang en interconnectie

1. Met het oog op de doelstellingen van artikel 3, inclusief mediapluralisme en culturele diversiteit, bevorderen, en waar nodig waarborgen de nationale regelgevende instanties overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn passende toegang en interconnectie, alsook interoperabiliteit van diensten, en oefenen zij daarbij hun bevoegdheid uit op een wijze die bevorderlijk is voor efficiëntie en duurzame concurrentie, de implementatie van netwerken met zeer hoge capaciteit, efficiënte investeringen en innovatie, en die de eindgebruikers het grootste voordeel biedt. Zij bieden richtsnoeren en stellen de procedures inzake het verkrijgen van toegang en interconnectie publiekelijk beschikbaar teneinde te waarborgen dat kleine en middelgrote ondernemingen en exploitanten met een beperkt geografisch bereik kunnen profiteren van de opgelegde verplichtingen.

De nationale regelgevende instanties moeten in het bijzonder, onverminderd maatregelen overeenkomstig artikel 66 ten aanzien van ondernemingen met een aanmerkelijke marktmacht, onder andere, zonder de veiligheidsnormen te ondermijnen:

  a) verplichtingen kunnen opleggen, voor zover noodzakelijk om eind-tot-eindverbindingen te waarborgen, aan de ondernemingen die aan algemene machtiging zijn onderworpen, uitgezonderd nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten, en die de toegang tot de eindgebruikers controleren; hetgeen in gevallen waarin zulks gerechtvaardigd is ook de verplichting inhoudt om te zorgen voor interconnectie van hun netwerken waar dat niet reeds gebeurd is;

  b) in gevallen waarin zulks gerechtvaardigd is en voor zover noodzakelijk, verplichtingen kunnen opleggen aan ondernemingen die aan algemene machtiging zijn onderworpen, uitgezonderd nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten, en die de toegang tot de eindgebruikers controleren om hun diensten interoperabel te maken;

c) in gerechtvaardigde gevallen waarin het bereik, de dekking, de dienstenkwaliteit en de benutting door gebruikers overeenstemmen met die van nummergebaseerde diensten en wanneer zulks strikt noodzakelijk is om eind-tot-eindverbindingen tussen eindgebruikers te waarborgen, verplichtingen kunnen opleggen aan aanbieders van nummeronafhankelijke persoonlijke communicatiediensten om hun diensten interoperabel te maken;

d) exploitanten kunnen verplichten, voor zover noodzakelijk om de toegang van eindgebruikers tot door de lidstaat gespecificeerde digitale radio- en televisieomroepdiensten en bijbehorende aanvullende diensten te waarborgen, toegang tot de andere in bijlage II, deel II, bedoelde faciliteiten aan te bieden op billijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden.

De in lid 2, onder c), bedoelde verplichtingen kunnen alleen worden opgelegd:

i) voor zover noodzakelijk om de interoperabiliteit van persoonlijke communicatiediensten te waarborgen, en kunnen evenredige verplichtingen omvatten voor de aanbieder van interpersoonlijke communicatiediensten tot publicatie en goedkeuring van het gebruik, de wijziging en de doorgifte van relevante informatie of een verplichting tot gebruik of implementatie van de in artikel 39, lid 1, bedoelde normen of specificaties, of van andere relevante Europese of internationale normen; en

ii) wanneer de Commissie, na raadpleging van Berec en met volledige inachtneming van zijn advies, heeft geconstateerd dat er een noemenswaardig gevaar bestaat voor ▌eind-tot-eindverbindingen tussen eindgebruikers ▌in de hele Europese Unie, en zij uitvoeringsmaatregelen heeft vastgesteld waarin de aard en het toepassingsgebied van eventueel op te leggen verplichtingen worden gespecificeerd, in overeenstemming met de in artikel 110, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure. De lidstaten leggen geen verplichtingen op inzake de aard en het toepassingsgebied van verplichtingen die buiten deze uitvoeringsmaatregelen vallen.

2. Onverminderd artikel 59, lid 1, leggen de nationale regelgevende instanties ter inwilliging van redelijke verzoeken voor het verlenen van toegang tot bedrading en kabels in gebouwen of tot aan het eerste punt van samenkomst of distributie wanneer dat punt zich buiten het gebouw bevindt, verplichtingen op aan de eigenaren van dergelijke bedrading en kabels of aan ondernemingen die het recht hebben dergelijke bedrading en kabels te gebruiken, wanneer zulks gerechtvaardigd is doordat de replicatie van dergelijke netwerkelementen in economisch opzicht inefficiënt of fysiek niet uitvoerbaar zou zijn en toegang tot dergelijke elementen noodzakelijk is om duurzame concurrentie te bevorderen. De voorwaarden inzake toegang die worden opgelegd zijn objectief, transparant, niet-discriminerend, evenredig, en in overeenstemming met Richtlijn 2014/61 en kunnen specifieke voorschriften omvatten betreffende toegang, transparantie en niet-discriminatie en betreffende een omslagregeling voor de toegangskosten, waarbij rekening wordt gehouden met de risicofactoren.

De nationale regelgevende instanties kunnen aan deze eigenaren of ondernemingen onder billijke en redelijke voorwaarden toegangsverplichtingen opleggen die verder reiken dan het eerste punt van samenkomst of distributie, zodat een punt van samenkomst wordt bereikt dat zich zo dicht mogelijk bij de eindgebruikers bevindt, voor zover strikt noodzakelijk om onoverkomelijke economische of fysieke belemmeringen ten aanzien van replicatie in gebieden met een lagere bevolkingsdichtheid aan te pakken.

De nationale regelgevende instanties leggen geen verplichtingen overeenkomstig lid 2 op wanneer ofwel:

a) een haalbaar alternatief middel voor de toegang tot eindgebruikers, geschikt voor het aanbieden van netwerken met zeer hoge capaciteit, ter beschikking wordt gesteld door de netwerkexploitant, mits dergelijke toegang onder billijke en redelijke voorwaarden wordt aangeboden; of

b) in het geval van recentelijk geïmplementeerde netwerkelementen, met name door middel van kleinere lokale projecten, het verlenen van toegang de economische of financiële levensvatbaarheid van de implementatie ervan in het gedrang zou brengen;

3. De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties de bevoegdheid hebben om in overeenstemming met het recht van de Unie aan ondernemingen die elektronische-communicatienetwerken aanbieden of gemachtigd zijn die aan te bieden verplichtingen op te leggen in verband met het gedeeld gebruik van passieve ▌infrastructuur, of verplichtingen om gelokaliseerde overeenkomsten inzake roamingtoegang te sluiten voor het aanbieden van netwerken met zeer hoge capaciteit, in beide gevallen wanneer deze rechtstreeks noodzakelijk zijn voor de lokale verlening van diensten die afhankelijk zijn van het gebruik van spectrum, mits er geen haalbaar en soortgelijk alternatief middel voor de toegang tot eindgebruikers onder billijke en redelijke voorwaarden aan een onderneming ter beschikking wordt gesteld. Nationale regelgevende instanties mogen dergelijke verplichtingen opleggen, mits duidelijk in deze mogelijkheid wordt voorzien bij het verlenen van de gebruiksrechten voor radiospectrum en uitsluitend op grond van het feit dat, in het gebied waarop dergelijke verplichtingen betrekking hebben, de marktgedreven aanleg van infrastructuur voor het aanbieden van diensten of netwerken die berusten op het gebruik van radiospectrum, stuit op onoverkomelijke economische of fysieke obstakels die tot gevolg hebben dat nauwelijks of geen toegang tot netwerken of diensten bestaat. Onder omstandigheden waar toegang tot en gedeeld gebruik van passieve infrastructuur alleen niet voldoende zijn om de situatie te verhelpen, kunnen nationale regulerende instanties verplichtingen opleggen ten aanzien van het gedeeld gebruik van actieve infrastructuur. De nationale regelgevende instanties houden rekening met:

a) de noodzaak om de connectiviteit in de hele Unie, langs belangrijke transportroutes en in bepaalde territoriale gebieden, te optimaliseren, en met de mogelijkheid om voor aanzienlijke verbeteringen te zorgen betreffende de keuze en de kwaliteit van de dienstverlening voor eindgebruikers;

b) een efficiënt gebruik van radiospectrum;

c) de technische haalbaarheid van voorwaarden inzake gedeeld gebruik en aanverwante voorwaarden;

d) de toestand van op infrastructuur gebaseerde en op diensten gebaseerde concurrentie;

f) technologische innovatie;

g) de dwingende noodzaak prikkels te ondersteunen op basis waarvan de aanbiedende partij de infrastructuur in eerste instantie uitrolt.

Dergelijke verplichtingen inzake gedeeld gebruik, toegang of coördinatie worden onderworpen aan overeenkomsten die op billijke en redelijke voorwaarden zijn gesloten. In het geval van geschillenbeslechting kunnen de nationale regelgevende instanties aan de begunstigde van de verplichting inzake gedeeld gebruik of toegang onder meer de verplichting opleggen om zijn spectrum te delen met de aanbieder van de infrastructuur in het desbetreffende gebied.

4. Overeenkomstig de leden 1, 2 en3 opgelegde verplichtingen en voorwaarden zijn objectief, transparant, evenredig en niet-discriminerend en worden toegepast volgens de procedures van de artikelen 23, 32 en 33. De nationale regelgevende instanties beoordelen uiterlijk vijf jaar na de vaststelling van de vorige maatregel die in verband met dezelfde exploitanten is vastgesteld de resultaten van dergelijke verplichtingen en voorwaarden; verder beoordelen zij of het passend is deze verplichtingen in te trekken of te wijzigen naar aanleiding van de zich ontwikkelende voorwaarden. De nationale regelgevende instanties geven volgens dezelfde procedures kennis van de resultaten van de beoordeling.

5. Wat de in lid 1 genoemde toegang en interconnectie betreft, zorgen de lidstaten ervoor dat de nationale regelgevende instantie de bevoegdheid heeft indien gerechtvaardigd, op eigen initiatief in te grijpen ter waarborging van de beleidsdoelstellingen van artikel 3, zulks overeenkomstig het bepaalde in deze richtlijn en volgens de procedures van de artikelen 23 en 32 alsmede 26 en 27.

6. Uiterlijk op [inwerkingtreding plus 18 maanden stelt Berec, na raadpleging van de belanghebbenden en in nauwe samenwerking met de Commissie, richtsnoeren vast inzake gemeenschappelijke benaderingen betreffende de identificatie van het netwerkaansluitpunt in verschillende netwerktopologieën, teneinde bij te dragen tot een consistente omschrijving van de locatie van netwerkaansluitpunten door de nationale regelgevende instanties. De nationale regelgevende instanties houden zoveel mogelijk rekening met deze richtsnoeren bij de omschrijving van de locatie van netwerkaansluitpunten.

Artikel 60

Systemen van voorwaardelijke-toegang en andere faciliteiten

1. De lidstaten zorgen ervoor dat de voorwaarden van de bijlage II, deel I, van toepassing zijn met betrekking tot de voorwaardelijke toegang tot digitale televisie- en radio-omroepdiensten ten behoeve van kijkers en luisteraars in de Unie , ongeacht de wijze van doorgifte.

2. In het licht van de markt- en technologische ontwikkelingen is de Commissie bevoegd om gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 109 vast te stellen om bijlage II te wijzigen.

3. Niettegenstaande lid 1 kunnen de lidstaten hun nationale regelgevende instantie machtigen om zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van deze richtlijn, en vervolgens op gezette tijden, een evaluatie uit te voeren van de uit hoofde van dit artikel toegepaste voorwaarden, door overeenkomstig lid 1 van artikel 65 een marktanalyse uit te voeren om te bepalen of zij moeten worden gehandhaafd, gewijzigd of ingetrokken.

Wanneer een nationale regelgevende instantie uit die marktanalyse opmaakt dat één of meer exploitanten op de desbetreffende markt geen aanmerkelijke macht bezitten, kan zij de voorwaarden met betrekking tot die exploitanten wijzigen of intrekken overeenkomstig de procedure van de artikelen 23 en 32, doch alleen voor zover:

  a) de toegankelijkheid voor eindgebruikers van radio- en televisie-uitzendingen, omroepkanalen en diensten, nader aangeduid overeenkomstig artikel 106, niet door een dergelijke wijziging of intrekking wordt aangetast; en

  b) de vooruitzichten voor werkelijke mededinging in de markten voor:

  i) detailhandel in digitale televisie- en radio-omroepdiensten en

  ii) systemen van voorwaardelijke toegang en andere bijbehorende faciliteiten

niet door een dergelijke wijziging of intrekking worden aangetast.

Voor de voorafgaande kennisgeving aan de partijen waarvoor een dergelijke wijziging of opheffing van verplichtingen geldt wordt een passende termijn in acht genomen.

4. Voorwaarden die in overeenstemming met dit artikel worden opgelegd doen geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten verplichtingen op te leggen in verband met de presentatie van elektronische programmagidsen en soortgelijke overzichts- en navigatiefaciliteiten.

HOOFDSTUK III

MARKTANALYSE EN AANMERKELIJKE MARKTMACHT

Artikel 61

Ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht

1. Wanneer deze richtlijn voorschrijft dat de nationale regelgevende instanties overeenkomstig de procedure van artikel 65 moeten bepalen of exploitanten een aanmerkelijke marktmacht hebben, is lid 2 van dit artikel van toepassing.

2. Een onderneming wordt geacht een aanmerkelijke marktmacht te hebben, wanneer zij, alleen of samen met andere, een aan machtspositie gelijkwaardige positie, dit wil zeggen een economische kracht bezit die haar in staat stelt zich in belangrijke mate onafhankelijk van haar concurrenten, klanten en uiteindelijk consumenten te gedragen.

Wanneer de nationale regelgevende instanties beoordelen of twee of meer ondernemingen gezamenlijk een machtspositie op de markt innemen, dienen zij meer in het bijzonder de Unie wetgeving in acht te nemen en zich zeer zorgvuldig te houden aan de "Richtsnoeren voor de marktanalyse en de beoordeling van aanmerkelijke marktmacht", die de Commissie bekend heeft gemaakt uit hoofde van artikel 62.

Twee of meer ondernemingen kunnen gezamenlijk een machtspositie hebben, zelfs wanneer er geen structurele of andere banden tussen hen bestaan, indien de structuur van de markt hen in staat stelt zich in belangrijke mate onafhankelijk van concurrenten, klanten en uiteindelijk consumenten te gedragen. Dit is waarschijnlijk het geval wanneer de markt een aantal kenmerken vertoont zoals:

a)  een hoge mate van concentratie;

b)  een hoge mate van markttransparantie die parallelle of gecoördineerde concurrentieverstorende gedragingen stimuleert;

c)  het bestaan van hoge toetredingsdrempels;

d)  de voorspelbare reactie van concurrenten en consumenten zou parallelle of gecoördineerde concurrentieverstorende gedragingen niet in gevaar brengen.

Nationale regulerende instanties beoordelen dergelijke marktkenmerken in het licht van de desbetreffende beginselen van het mededingingsrecht, waarbij zij rekening houden met de specifieke context van ex anteregulering en de in artikel 3 vastgelegde doelstellingen.

3. Wanneer een onderneming aanmerkelijke marktmacht op een specifieke markt (de eerste markt) bezit, kan zij ook worden aangewezen als onderneming met een aanmerkelijke marktmacht op een nauw verwante markt (de tweede markt) als de koppelingen tussen beide markten van dien aard zijn dat de marktmacht op de eerste markt op de tweede markt zo kan worden gebruikt dat de marktmacht van de onderneming wordt vergroot. Bijgevolg kunnen krachtens deze richtlijn oplossingen worden toegepast om te voorkomen dat naar meer macht op de tweede markt wordt gestreefd.

Artikel 62

Procedure voor het bepalen en definiëren van markten

1. Na een openbare raadpleging, met inbegrip van raadpleging van de nationale regelgevende instanties, en zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van Berec, neemt de Commissie een aanbeveling aan inzake relevante markten voor producten en diensten (de aanbeveling). Daarin worden de markten voor producten en diensten in de sector elektronische communicatie vermeld waarvan de kenmerken zodanig kunnen zijn dat het opleggen van regulerende verplichtingen als beschreven in deze richtlijn gerechtvaardigd kan zijn, onverminderd markten die in bepaalde gevallen uit hoofde van het mededingingsrecht kunnen worden gedefinieerd. De Commissie definieert de markten overeenkomstig de beginselen van het mededingingsrecht.

De Commissie neemt product- en dienstenmarkten in de aanbeveling op wanneer zij op basis van algemene tendensen die zij in de Unie waarneemt, constateert dat aan alle criteria van artikel 65, lid 1, is voldaan.

De aanbeveling wordt uiterlijk op [omzettingsdatum] herzien. Daarna herziet de Commissie de aanbeveling op gezette tijden.

2. Na raadpleging van Berec publiceert de Commissie, uiterlijk op de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn, richtsnoeren voor marktanalyse en de beoordeling van aanmerkelijke marktmacht (hierna "de AMM-richtsnoeren" te noemen), in overeenstemming met de desbetreffende beginselen van het mededingingsrecht.

3. De nationale regelgevende instanties bepalen, zoveel mogelijk rekening houdend met de aanbeveling en de AMM-richtsnoeren, de relevante markten die overeenkomen met de nationale omstandigheden, met name relevante geografische markten binnen hun grondgebied, onder meer door rekening te houden met de mate van mededinging met betrekking tot infrastructuur in die gebieden, overeenkomstig de beginselen van het mededingingsrecht. ▌Zij volgen de procedures van de artikelen 23 en 32 voordat zij markten definiëren die verschillen van de in de aanbeveling genoemde.

Artikel 63

Procedure voor het bepalen van transnationale markten

1. Na raadpleging van de belanghebbenden en in nauwe samenwerking met de Commissie, kan Berec door middel van een besluit dat wordt ondersteund door een tweederdemeerderheid van de leden van de raad van regelgevers, transnationale markten bepalen in overeenstemming met de beginselen van het mededingingsrecht, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de overeenkomstig artikel 62 vastgestelde aanbeveling en de AMM-richtsnoeren. Berec voert een analyse van een potentiële transnationale markt uit indien de Commissie of ten minste twee betrokken nationale regelgevende instanties daartoe een met redenen omkleed verzoek inclusief bewijsstukken ter staving daarvan indienen.

2. In het geval van transnationale markten die worden omschreven overeenkomstig lid 1, dragen de betrokken nationale regelgevende instanties samen zorg voor de uitvoering van de marktanalyse, waarbij de AMM-richtsnoeren maximaal in acht worden genomen, en spreken zij zich op gecoördineerde wijze uit over het opleggen, handhaven, wijzigen of opheffen van wettelijke verplichtingen als bedoeld in artikel 65, lid 4. De betrokken nationale regelgevende instanties stellen de Commissie gezamenlijk in kennis van hun ontwerpmaatregelen betreffende de marktanalyse en van eventuele wettelijke verplichtingen krachtens de artikelen 32 en 33.

Twee of meer nationale regelgevende instanties kunnen eveneens kennis geven van hun ontwerpmaatregelen betreffende de marktanalyse en van eventuele wettelijke verplichtingen indien er geen transnationale markten zijn, wanneer zij van mening zijn dat de marktvoorwaarden in hun respectievelijke rechtsgebieden voldoende homogeen zijn.

Artikel 64

Procedure voor het bepalen van transnationale vraag

1. Berec voert een analyse uit van transnationale vraag ▌naar producten en diensten ▌, indien het van de Commissie of van ten minste twee nationale regelgevende instanties een met redenen omkleed verzoek inclusief bewijsstukken ter staving daarvan ontvangt of het van marktdeelnemers een met redenen omkleed verzoek ontvangt waarin is vermeld dat bestaande wholesale- of retailproducten en -diensten het niet mogelijk maken om te voldoen aan een transnationale vraag ▌, en het van mening is dat er een ernstig probleem is dat moet worden aangepakt.▌

Op basis van deze analyse overwegen de nationale regelgevende instanties in daaropvolgende marktanalyses die worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 63, lid 2, of artikel 65, of zij gereguleerde wholesaletoegangsproducten moeten wijzigen om in de transnationale vraag te voorzien.

2. Berec kan na raadpleging van de belanghebbenden en in nauwe samenwerking met de Commissie richtsnoeren voor de nationale regelgevende instanties opstellen over gemeenschappelijke benaderingen om te voldoen aan de geconstateerde transnationale vraag waarin de basis wordt verstrekt voor de convergentie van wholesaletoegangsproducten in heel de Unie.Nationale regelgevende instanties houden zoveel mogelijk rekening met deze richtsnoeren bij de uitvoering van hun regelgevende taken binnen hun rechtsgebied, zonder afbreuk te doen aan hun besluit over de geschiktheid van wholesaletoegangsproducten die dienen te worden opgelegd in specifieke lokale omstandigheden. ▌

Artikel 65

Marktanalyseprocedure

1. De nationale regelgevende instanties bepalen of de kenmerken van een overeenkomstig artikel 62, lid 3, gedefinieerde relevante markt zodanig zijn dat het gerechtvaardigd is om de in deze richtlijn vastgestelde regelgevingsverplichtingen op te leggen. De lidstaten zorgen ervoor dat een analyse, in voorkomend geval, in samenwerking met de nationale mededingingsinstanties wordt uitgevoerd. De nationale regelgevende instanties houden zoveel mogelijk rekening met de AMM-richtsnoeren en volgen de in de artikelen 23 en 32 bedoelde procedures wanneer zij een dergelijke analyse uitvoeren.

De kenmerken van een markt kunnen zodanig zijn dat het gerechtvaardigd is om de in deze richtlijn vastgestelde regelgevingsverplichtingen op te leggen indien cumulatief aan de volgende criteria wordt voldaan:

a) er zijn hoge en niet-voorbijgaande toetredingsdrempels van structurele, wettelijke of regelgevende aard aanwezig;

b) er is een marktstructuur die niet neigt naar daadwerkelijke mededinging binnen de relevante periode, gezien de toestand van de op infrastructuur gebaseerde en andere mededinging die aan de toegangsbelemmeringen ten grondslag ligt;

c) het mededingingsrecht alleen is niet voldoende om het vastgestelde marktfalen op adequate wijze aan te pakken.

Wanneer een nationale regelgevende instantie een analyse uitvoert van een markt die in de aanbeveling is opgenomen, gaat zij ervan uit dat aan lid 2, onder a), b) en c), is voldaan, tenzij de nationale regelgevende instantie constateert dat onder de specifieke nationale omstandigheden aan één of meer van dergelijke criteria niet is voldaan.

2. Wanneer een nationale regelgevende instantie de krachtens lid 1 vereiste analyse uitvoert, beoordeelt zij ontwikkelingen vanuit een toekomstgericht perspectief indien op die relevante markt geen regulering op basis van dit artikel is opgelegd, rekening houdend met de volgende elementen:

a) de aanwezigheid van marktontwikkelingen waardoor het waarschijnlijker wordt dat de relevante markt naar daadwerkelijke mededinging neigt ▌;

b) elke vorm van concurrentiedruk, op wholesale- en retailniveau, ongeacht de vraag of de bronnen van deze druk worden beschouwd als elektronische-communicatienetwerken, elektronische-communicatiediensten of andere types diensten of toepassingen die vanuit het oogpunt van de eindgebruiker vergelijkbaar zijn, en ongeacht de vraag of deze druk deel uitmaakt van de relevant markt;

c) andere soorten opgelegde regulering of maatregelen waardoor de relevante markt dan wel verwante retailmarkt of -markten gedurende de desbetreffende periode wordt of worden beïnvloed, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, overeenkomstig de artikelen 44, 58 en 59 opgelegde verplichtingen; en

d) regulering die op andere relevante markten krachtens dit artikel is opgelegd.

3. Wanneer een nationale regelgevende instantie concludeert dat de kenmerken van een relevante markt niet zodanig zijn dat het gerechtvaardigd is regelgevingsverplichtingen overeenkomstig de procedure van de leden 1 en 2 van dit artikel op te leggen, of wanner niet aan de voorwaarden van lid 4 van dit artikel is voldaan , mag zij geen wettelijke verplichtingen opleggen of handhaven overeenkomstig artikel 66. Wanneer er reeds overeenkomstig artikel 66 opgelegde sectorspecifieke verplichtingen zijn , trekt zij die verplichtingen van ondernemingen op die relevante markt in.

De nationale regelgevende instanties waarborgen dat voor de partijen waarop een dergelijke intrekking van verplichtingen van invloed is, een passende termijn in acht wordt genomen die wordt bepaald door een evenwicht tot stand te brengen tussen de noodzaak om te zorgen voor een duurzame overgang voor de begunstigden van deze verplichtingen en de eindgebruikers, keuze voor de eindgebruikers, en te waarborgen dat de regulering niet verder gaat dan noodzakelijk is. Bij het bepalen van een dergelijke termijn kunnen de nationale regelgevende instanties in verband met bestaande overeenkomsten inzake toegang specifieke voorwaarden en termijnen vaststellen.

4. Wanneer een nationale regelgevende instantie vaststelt dat op een relevante markt het opleggen van regelgevingsverplichtingen overeenkomstig de leden 1 en 2 van dit artikel gerechtvaardigd is, gaat zij na welke ondernemingen op die relevante markt afzonderlijk of gezamenlijk aanmerkelijke macht op de markt in de zin van artikel 61 hebben. Zij legt de onderneming in kwestie passende specifieke wettelijke verplichtingen op in overeenstemming met artikel 66 of handhaaft zij deze verplichtingen wanneer zij reeds bestaan indien zij van mening is dat één of meer markten niet daadwerkelijk concurrerend zouden zijn bij afwezigheid van deze verplichtingen.

5. Voor de in de leden 3 en 4 genoemde maatregelen gelden de procedures van de artikelen 23 en 32. De nationale regelgevende instanties voeren een analyse uit van de relevante markt en delen conform artikel 32 de corresponderende ontwerpmaatregel mee:

  a) binnen vijf jaar na de aanneming van een eerdere maatregel wanneer de nationale regelgevende instantie de relevante markt heeft afgebakend en heeft bepaald welke ondernemingen aanmerkelijke marktmacht hebben. De termijn van vijf jaar kan in uitzonderlijke gevallen met maximaal nog eens één jaar worden verlengd wanneer de NRI daartoe bij de Commissie uiterlijk vier maanden voordat de periode van vijf jaar verstrijkt een gemotiveerd verzoek heeft ingediend en de Commissie binnen één maand geen bezwaar heeft gemaakt tegen de verlenging. In het geval van markten die worden gekenmerkt door snelle veranderingen op technologisch gebied en in het vraagpatroon, wordt de marktanalyse om de drie jaar verricht, eveneens met een mogelijke verlenging van die termijn met één jaar;

  b) voor markten waarvoor nog niet eerder kennisgeving is gedaan bij de Commissie, binnen twee jaar na goedkeuring van een herziene aanbeveling inzake relevante markten of; of

  c) voor lidstaten die onlangs zijn toegetreden tot de Unie, binnen drie jaar na hun toetreding.

6. Wanneer een regelgevende instantie haar analyse van een in de aanbeveling geïdentificeerde relevante markt niet binnen de in lid 6 vastgestelde termijn zal kunnen uitvoeren of heeft uitgevoerd, verleent Berec aan de betrokken nationale regelgevende instantie op haar verzoek bijstand bij de voltooiing van de analyse van de specifieke markt en de specifieke verplichtingen die moeten worden opgelegd. Met deze bijstand stelt de betrokken nationale regelgevende instantie conform artikel 32 de Commissie binnen zes maanden na de in lid 5 vastgestelde uiterste termijn in kennis van de ontwerpmaatregel.

HOOFDSTUK II

CORRIGERENDE MAATREGELEN INZAKE TOEGANG EN AANMERKELIJKE MARKTMACHT

Artikel 66

Oplegging, wijziging of opheffing van verplichtingen

1. De lidstaten zien erop toe dat de nationale regelgevende instanties de nodige bevoegdheden krijgen om de in de artikelen 67 tot en met 78 vermelde verplichtingen op te leggen.

2. Wanneer een overeenkomstig artikel 65 van deze richtlijn verrichte marktanalyse uitwijst dat een exploitant een aanmerkelijke macht op een specifieke markt bezit, leggen de nationale regelgevende instanties hem, waar passend, één of meer van de in de artikelen 67 tot en met 75 en artikel 77 van deze richtlijn genoemde verplichtingen op. In overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel leggen de nationale regelgevende instanties geen verplichtingen op die een sterkere interventie behelzen wanneer minder bezwarende verplichtingen volstaan om de problemen aan te pakken die in de marktanalyse zijn geconstateerd.

3. Onverminderd

–  artikel 59 en artikel 60,

–  de artikelen 44 en 17 van deze richtlijn, Voorwaarde 7 in Sectie D van bijlage I toegepast krachtens artikel 13, lid 1, van deze richtlijn, en artikelen 91 en 99 van deze richtlijn , en de relevante bepalingen van Richtlijn 2002/58/EG(45), die verplichtingen opleggen aan die ondernemingen die niet zijn aangemerkt als ondernemingen met een aanmerkelijke marktmacht; of

–  de noodzaak aan internationale verbintenissen te voldoen,

leggen de nationale regelgevende instanties de in de artikelen 67 tot en met 75 en artikel 77 vermelde verplichtingen niet op aan exploitanten die niet overeenkomstig lid 2 zijn aangewezen.

Wanneer een nationale regelgevende instantie in uitzonderlijke omstandigheden voornemens is aan exploitanten met een aanmerkelijke marktmacht andere verplichtingen met betrekking tot toegang of interconnectie op te leggen dan die welke zijn vermeld in de artikelen 67 tot en met 75 en artikel 77, vraagt zij daarvoor toestemming aan de Commissie. De Commissie houdt zoveel mogelijk rekening met het advies van Berec. De Commissie neemt overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 110, lid 3, een besluit dat de nationale regelgevende instantie toestaat of verhindert dergelijke maatregelen te nemen.

4. De overeenkomstig dit artikel opgelegde verplichtingen worden op de aard van het op de relevante markten geconstateerde probleem gebaseerd, teneinde duurzame concurrentie op lange termijn in stand te houden, en indien passend rekening houdend met de vaststelling van transnationale vraag overeenkomstig artikel 64. Zij zijn proportioneel, houden rekening met de kosten en baten en zijn gerechtvaardigd in het licht van de doelstellingen van artikel 3 van deze richtlijn. Die verplichtingen worden alleen opgelegd na overleg als bedoeld in de artikelen 23 en 32.

5. Met betrekking tot lid 3, eerste alinea, derde streepje, geven de nationale regelgevende instanties de Commissie kennis van besluiten om voor marktpartijen geldende verplichtingen op te leggen, te wijzigen of op te heffen, volgens de procedure van artikel 32 .

6. De nationale regelgevende instanties houden rekening met de effecten van nieuwe marktontwikkelingen waarvan het redelijkerwijs aannemelijk is dat zij de concurrentiedynamiek zullen beïnvloeden.

Indien de ontwikkelingen niet voldoende zijn om een nieuwe marktanalyse overeenkomstig artikel 65 noodzakelijk te maken, beoordelen de nationale regelgevende instanties onverwijld of het noodzakelijk is de verplichtingen te evalueren en eerdere beslissingen te wijzigen, onder meer door verplichtingen in te trekken of nieuwe op te leggen aan exploitanten die zijn aangewezen als exploitanten met aanmerkelijke marktmacht, teneinde te waarborgen dat dergelijke verplichtingen nog steeds aan de vereisten van deze richtlijn voldoen, en, na een raadpleging overeenkomstig de artikelen 23 en32, of geen verplichtingen, minder verplichtingen of minder bezwarende verplichtingen moeten worden opgelegd.

Artikel 67

Verplichting tot transparantie

1. De nationale regelgevende instanties kunnen overeenkomstig artikel 66 verplichtingen inzake transparantie met betrekking tot interconnectie en/of toegang opleggen op grond waarvan exploitanten nader genoemde informatie, zoals boekhoudkundige informatie, technische specificaties, netwerkkenmerken, eisen en voorwaarden voor levering en gebruik, met inbegrip van voorwaarden ter beperking van de toegang tot en/of het gebruik van diensten en toepassingen indien dergelijke voorwaarden door de lidstaten zijn toegestaan in overeenstemming met het Unierecht , alsmede tarieven, openbaar moeten maken.

2. In het bijzonder wanneer voor een exploitant verplichtingen inzake non-discriminatie gelden, kunnen de nationale regelgevende instanties van die exploitant eisen dat hij een referentieofferte publiceert die voldoende gespecificeerd is om te garanderen dat de ondernemingen niet behoeven te betalen voor faciliteiten die voor de gewenste dienst niet nodig zijn, en waarin een beschrijving wordt gegeven van de betrokken offertes, uitgesplitst in diverse elementen naar gelang van de marktbehoeften, en van de daaraan verbonden eisen en voorwaarden, met inbegrip van de tarieven. De nationale regelgevende instantie kan onder meer eisen dat een referentieofferte wordt gewijzigd om uitvoering te geven aan de uit hoofde van deze richtlijn opgelegde verplichtingen.

3. De nationale regelgevende instanties kunnen preciseren welke informatie beschikbaar moet worden gesteld, hoe gedetailleerd zij moet zijn en op welke wijze zij moet worden gepubliceerd.

3 bis. Wanneer een exploitant verplichtingen heeft betreffende de toegang tot civieltechnische voorzieningen en/of verplichtingen betreffende de toegang tot en het gebruik van specifieke netwerkfaciliteiten, stellen de nationale regelgevende instanties kernprestatie-indicatoren alsook de bijbehorende overeenkomsten inzake het niveau van de dienst en de daarmee verbonden boetebedragen, vast die beschikbaar moeten worden gesteld bij de verlening van toegang tot respectievelijk de eigen downstreamactiviteiten van de exploitanten en aan de begunstigden van de verplichting inzake toegang.

4. Teneinde bij te dragen tot de consistente toepassing van verplichtingen tot transparantie, brengt Berec uiterlijk op [1 jaar na de vaststelling van deze richtlijn, na raadpleging van de belanghebbenden en in nauwe samenwerking met de Commissie, richtsnoeren uit betreffende de minimumcriteria voor een referentieofferte en beoordeelt het deze zo nodig, teneinde deze aan te passen aan de technologische en marktontwikkelingen. Door deze minimumcriteria te verstrekken, draagt Berec bij tot de in artikel 3 bedoelde doelstellingen, rekening houdend met de behoeften van de begunstigden van toegangsverplichtingen en de eindgebruikers die actief zijn in meer dan één lidstaat alsmede met alle richtsnoeren van Berec ter bepaling van de transnationale vraag overeenkomstig artikel 64 en met alle verwante besluiten van de Commissie.

Onverminderd lid 3 zorgen de nationale regelgevende instanties ervoor dat, wanneer een exploitant verplichtingen uit hoofde van artikel 70 of artikel 71 heeft aangaande groothandelstoegang tot netwerkinfrastructuur, er een referentieofferte wordt gepubliceerd , waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de richtsnoeren van Berec betreffende de minimumcriteria voor een referentieofferte.

Artikel 68

Verplichting inzake non-discriminatie

1. Een nationale regelgevende instantie kan overeenkomstig artikel 66 verplichtingen inzake non-discriminatie met betrekking tot interconnectie en/of toegang opleggen.

2. Verplichtingen inzake non-discriminatie moeten er in het bijzonder voor zorgen dat de exploitant ten aanzien van andere aanbieders die gelijkwaardige diensten verstrekken onder gelijkwaardige omstandigheden gelijkwaardige voorwaarden toepast, en aan anderen diensten en informatie aanbiedt onder dezelfde voorwaarden en van dezelfde kwaliteit als die welke hij zijn eigen diensten of diensten van zijn dochterondernemingen of partners biedt. De nationale regelgevende instanties kunnen aan die exploitant verplichtingen opleggen inzake de levering van toegangsproducten en -diensten aan alle ondernemingen, inclusief aan zichzelf, binnen dezelfde tijdspanne, en tegen dezelfde voorwaarden, met inbegrip van de prijs en diensten en door middel van dezelfde systemen en processen, teneinde gelijkwaardigheid op het gebied van toegang te waarborgen.

Artikel 69

Verplichting tot het voeren van gescheiden boekhoudingen

1. Een nationale regelgevende instantie kan overeenkomstig artikel 66 het voeren van gescheiden boekhoudingen voorschrijven met betrekking tot bepaalde met interconnectie en/of toegang verband houdende activiteiten.

Met name kan een nationale regelgevende instantie van een verticaal geïntegreerde onderneming eisen dat deze opening van zaken geeft over haar groothandelsprijzen en verrekenprijzen, onder andere om ervoor te zorgen dat eventuele non-discriminatievoorschriften als bedoeld in artikel 68 nageleefd worden of om, zonodig, onbillijke kruissubsidiëring te voorkomen. De nationale regelgevende autoriteiten kunnen nader bepalen welk model en welke boekhoudkundige methode moeten worden gehanteerd.

2. Onverminderd artikel 20 hebben de nationale regelgevende instanties, om het toezicht op de naleving van verplichtingen inzake transparantie en non-discriminatie te vergemakkelijken, de bevoegdheid voor te schrijven dat boekhouddocumenten, met inbegrip van gegevens over van derden ontvangen inkomsten, op verzoek worden overgelegd. De nationale regelgevende instanties kunnen dergelijke informatie publiceren wanneer zij bijdraagt tot een open en concurrentiegerichte markt, met inachtneming van de nationale en Unieregels inzake vertrouwelijkheid van handelsgegevens.

Artikel 70

Toegang tot civieltechnische voorzieningen

1. Een nationale regelgevende instantie kan overeenkomstig artikel 66 aan exploitanten verplichtingen opleggen om in te gaan op redelijke verzoeken om toegang tot en gebruik van civieltechnische voorzieningen, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, gebouwen of toegangen tot gebouwen, kabels in gebouwen inclusief bedrading, antennes, torens en andere ondersteuningsgebouwen, palen, masten, kabelgoten, leidingen, inspectieputten, mangaten en straatkasten, onder andere wanneer uit de marktanalyse blijkt dat het weigeren van toegang of verlening van toegang onder onredelijke voorwaarden met eenzelfde effect de ontwikkeling van een door duurzame concurrentie gekenmerkte markt zou belemmeren en niet in het belang van de eindgebruiker zou zijn.

2. De nationale regelgevende instanties mogen aan een exploitant verplichtingen opleggen om toegang te verlenen overeenkomstig dit artikel, ongeacht of de activa die door de verplichtingen worden beïnvloed deel uitmaken van de relevante markt in overeenstemming met de marktanalyse, mits de verplichting noodzakelijk en evenredig is met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 3.

Artikel 71

Verplichtingen inzake toegang tot en gebruik van specifieke netwerkfaciliteiten

1. ▌ Een nationale regelgevende instantie mag, overeenkomstig artikel 66, de verplichting aan exploitanten opleggen in te gaan op redelijke verzoeken om toegang tot en gebruik van bepaalde netwerkonderdelen en bijbehorende faciliteiten, wanneer de nationale regelgevende instantie van mening is dat het weigeren van toegang of het opleggen van onredelijke voorwaarden met eenzelfde effect de ontwikkeling van een door duurzame concurrentie gekenmerkte markt zou belemmeren of niet in het belang van de eindgebruiker zou zijn. Alvorens dergelijke verplichtingen op te leggen beoordelen de nationale regelgevende instanties of alleen het opleggen van verplichtingen overeenkomstig artikel 70 toereikend zou zijn om de in de marktanalyse geconstateerde problemen aan te pakken.

Van exploitanten kan onder meer worden verlangd dat zij:

a)  derden passende, inclusief fysieke (anders dan uit hoofde van artikel 70) toegang te verlenen tot, en het gebruik van het geheel van bepaalde fysieke netwerkelementen en/of bijbehorende faciliteiten, in voorkomend geval met inbegrip van ▌ontbundelde toegang tot koperen aansluitnetwerken en subnetwerken alsmede ontbundelde toegang tot glasvezelnetwerken en afsluitende segmenten van netwerken;

b)  bepaalde netwerkonderdelen met derden delen, met inbegrip van gedeelde toegang tot de koperen aansluitnetwerken en subnetwerken alsmede gedeelde toegang tot glasvezelnetwerken en afsluitende segmenten van netwerken, onder meer via golflengteverdeling-multiplexing en vergelijkbare verplichtingen om te delen;

c)  derden toegang te verlenen tot bepaalde actieve of virtuele netwerkelementen en/of -diensten;

d)  te goeder trouw onderhandelen met ondernemingen die verzoeken om toegang;

e)  reeds verleende toegang tot faciliteiten niet intrekken;

f)  op groothandelsbasis bepaalde diensten aan te bieden voor doorverkoop door derden;

g)  open toegang verlenen tot technische interfaces, protocollen of andere kerntechnologieën die onmisbaar zijn voor de interoperabiliteit van diensten of virtuele netwerkdiensten;

h)  collocatie of andere vormen van gedeeld gebruik van bijbehorende faciliteiten aanbieden;

i)  bepaalde diensten aanbieden die nodig zijn voor de interoperabiliteit van de aan gebruikers geleverde eind-tot-eind-diensten ▌of roaming binnen mobiele netwerken;

j)  toegang verlenen tot operationele ondersteuningssystemen of vergelijkbare softwaresystemen die nodig zijn om billijke concurrentie bij het aanbieden van diensten te waarborgen;

k)  zorgen voor interconnectie van netwerken of netwerkfaciliteiten;

l)  toegang verschaffen aan verwante diensten zoals identiteit, locatie en presentie-informatiediensten.

De nationale regelgevende instanties kunnen aan die verplichtingen voorwaarden verbinden aangaande billijkheid, redelijkheid en opportuniteit.

2. Wanneer de nationale regelgevende instanties overwegen of het passend is één of meer van de in lid 1 genoemde, eventueel specifieke, verplichtingen op te leggen, en in het bijzonder bij de evaluatie, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, van de vraag of en hoe dergelijke verplichtingen moeten worden opgelegd, analyseren zij of andere vormen van toegang tot wholesale-inputs op dezelfde of een verwante wholesalemarkt reeds afdoende zouden zijn om het geconstateerde probleem ▌ aan te pakken. De beoordeling omvat ▌commerciële aanbiedingen inzake toegang, gereguleerde toegang krachtens artikel 59 of bestaande dan wel beoogde gereguleerde toegang tot andere wholesale-inputs krachtens dit artikel. betrekken zij met name de volgende factoren in hun overwegingen:

  de technische en economische levensvatbaarheid van het gebruik of de installatie van concurrerende faciliteiten, in het licht van het tempo van de marktontwikkeling, rekening houdend met de aard van en het soort interconnectie en/of toegang, inclusief de levensvatbaarheid van andere toeleveringsproducten zoals toegang tot kabelgoten;

b) de verwachte technologische ontwikkeling die van invloed is op het ontwerp en beheer van netwerken;

b bis) de noodzaak om technologieneutraliteit te waarborgen door de partijen in staat te stellen hun eigen netwerken te ontwerpen en te beheren;

  c) de haalbaarheid van de voorgestelde toegangverlening, rekening houdend met de beschikbare capaciteit;

  d) de door de eigenaar van de faciliteit verrichte initiële investering, rekening houdend met de verrichte overheidsinvesteringen en de aan de investering verbonden risico's, in het bijzonder rekening houdend met investeringen in en risiconiveaus betreffende netwerken met zeer hoge capaciteit;

  e) de noodzaak om op de lange termijn de concurrentie in stand te houden, met speciale aandacht voor economisch doeltreffende concurrentie op basis van de infrastructuur en innovatieve commerciële bedrijfsmodellen die bevorderlijk zijn voor duurzame concurrentie, zoals concurrentie op basis van mede-investeringen in netwerken;

  f) in voorkomend geval, ter zake geldende intellectuele-eigendomsrechten;

  g) het verlenen van pan-Europese diensten.

3. Als een exploitant in overeenstemming met de bepalingen van dit artikel de verplichting wordt opgelegd toegang te verlenen, kunnen de nationale regelgevende instanties technische of operationele voorwaarden opleggen aan de aanbieder en/of de gebruikers van die toegang, wanneer dat nodig is om de normale werking van het netwerk te garanderen. Verplichtingen om specifieke technische normen of specificaties te volgen moeten in overeenstemming zijn met de overeenkomstig artikel 39 vastgestelde normen en specificaties.

Artikel 72

Verplichtingen inzake prijscontrole en kostentoerekening

1. Een nationale regelgevende instantie kan overeenkomstig artikel 66 verplichtingen inzake het terugverdienen van kosten en prijscontrole opleggen, inclusief verplichtingen inzake kostenoriëntering van prijzen en kostentoerekeningssystemen, voor het verlenen van specifieke interconnectie- en/of toegangtypes, wanneer uit een marktanalyse blijkt dat de betrokken exploitant de prijzen door het ontbreken van werkelijke concurrentie op een buitensporig hoog peil kan handhaven of de marges kan uithollen, ten nadele van de eindgebruikers.

Wanneer zij bepalen of verplichtingen inzake prijscontrole passend zouden zijn, houden de nationale regelgevende instanties rekening met de belangen van de eindgebruikers op de lange termijn op het gebied van de implementatie en toepassing van nieuwegeneratienetwerken, en met name van netwerken met zeer hoge capaciteit. In het bijzonder om t investeringen door de exploitant in nieuwegeneratienetwerken ook aan te moedigen, houden de nationale regelgevende instanties rekening met de door de exploitant gedane investeringen. Wanneer de nationale regelgevende instanties van mening zijn dat prijscontrole passend is, laten zij toe dat de exploitant een redelijke opbrengst krijgt uit zijn kapitaalinbreng, waarbij zij de specifieke risico’s van een bepaald nieuw netwerkproject waarin wordt geïnvesteerd in aanmerking nemen.

De nationale regelgevende instanties leggen op grond van dit artikel geen verplichtingen op of houden die in stand wanneer zij vaststellen dat er een aantoonbare retailprijsbeperking is en één of meerdere overeenkomstig de artikelen 67 tot en met 71 opgelegde verplichtingen, inclusief met name een overeenkomstig artikel 68 opgelegde economische-repliceerbaarheidstoets, waarborgen dat toegang op doeltreffende en niet-discriminerende wijze plaatsvindt.

Wanneer de nationale regelgevende instanties het passend achten prijscontrole op te leggen betreffende toegang tot bestaande netwerkelementen, houden zij ook rekening met de voordelen van voorspelbare en stabiele groothandelsprijzen ten aanzien van het waarborgen van efficiënte en afdoende stimulansen die erop gericht zijn dat alle exploitanten nieuwe en verbeterde netwerken uitrollen.

2. De nationale regelgevende instanties zien erop toe dat regelingen voor het terugverdienen van kosten en tariferingsmethoden die worden opgelegd erop gericht zijn de uitrol van nieuwe en verbeterde netwerken alsmede de efficiëntie en duurzame concurrentie te bevorderen en de consument maximaal en op duurzame wijze voordeel te bieden. In dat verband kunnen de nationale regelgevende autoriteiten ook rekening houden met beschikbare prijzen van vergelijkbare concurrerende markten.

3. Wanneer voor een exploitant een verplichting inzake kostenoriëntering van zijn tarieven geldt, is het aan hem om aan te tonen dat de tarieven worden bepaald op basis van de kosten verhoogd met een redelijk investeringsrendement. Voor de berekening van de kosten verbonden aan efficiënte dienstverlening, kunnen de nationale regelgevende instanties boekhoudkundige kostenberekeningsmethoden gebruiken die los staan van de door de onderneming gebruikte methoden. De nationale regelgevende instanties kunnen van een exploitant verlangen dat deze volledige verantwoording aflegt over zijn tarieven en indien nodig dat deze worden aangepast.

4. De nationale regelgevende instanties zorgen ervoor dat, wanneer de invoering van een kostentoerekeningssysteem verplicht wordt gesteld met het oog op prijscontrole, een beschrijving van dit systeem ter beschikking van het publiek wordt gesteld waarin ten minste de hoofdcategorieën waarin de kosten worden ingedeeld en de voor de toerekening van de kosten toegepaste regels worden vermeld. Een gekwalificeerde onafhankelijke instantie ziet toe op de inachtneming van het kostentoerekeningssysteem. Ieder jaar wordt een verklaring betreffende de inachtneming van het systeem gepubliceerd.

Artikel 73

Afgiftetarieven

1. Uiterlijk op [omzettingsdatum] stelt de Commissie na raadpleging van Berec, overeenkomstig artikel 109 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot enkele maximale afgiftetarieven die door de nationale regelgevende instanties worden opgelegd aan ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht op respectievelijk de markt voor vaste en mobiele spraakafgifte in de Unie.

2. De in lid 1 vermelde afgiftetarieven worden in de vorm van maximale symmetrische afgiftetarieven vastgesteld op basis van de kosten die door een efficiënte exploitant worden gemaakt, en zijn in overeenstemming met de in bijlage III vermelde criteria en parameters. De evaluatie van efficiënte kosten wordt gebaseerd op waarden van de huidige kosten. De kostenmethodologie voor de berekening van efficiënte kosten wordt gebaseerd op een bottom-up modelleringsaanpak waarbij gebruik wordt gemaakt van met het verkeer samenhangende incrementele langetermijnkosten van de verstrekking van gespreksafgifte op wholesaleniveau aan derden. Bij de vaststelling van gedelegeerde handelingen houdt de Commissie rekening met nationale omstandigheden die significante verschillen tussen de lidstaten tot gevolg hebben. De bij de eerste gedelegeerde handelingen vastgestelde maximale afgiftetarieven zijn niet hoger dan de hoogste tarieven die, met inachtneming van een eventueel noodzakelijke aanpassing op grond van uitzonderlijke nationale omstandigheden, [zes] maanden voor de vaststelling van de gedelegeerde handelingen werden toegepast.

7. De Commissie beoordeelt de krachtens dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen om de vijf jaar.

Artikel 74

Regelgeving inzake nieuwe elementen van netwerken met zeer hoge capaciteit

1. Behoudens de beoordeling door de nationale regelgevende instanties van mede-investeringen in andere soorten netwerken, kan de nationale regelgevende instantie bepalen geen verplichtingen op te leggen ten aanzien van nieuwe netwerken met zeer hoge capaciteit die bij een vast netwerk een aansluiting inhouden tot aan gebouwen en bij een mobiel netwerk aansluiting tot aan het basisstation, die deel uitmaken van de relevante markt waarop zij overeenkomstig de artikelen 70, 71 en 72 beoogt verplichtingen op te leggen of te handhaven, en die een relevante exploitant heeft geïmplementeerd of beoogt te implementeren, indien hij concludeert dat cumulatief aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) de implementatie van de nieuwe netwerkelementen staat gedurende ieder moment van hun levenscyclus open voor mede-investeringen door een exploitant door middel van een transparant proces en op voorwaarden die de duurzame concurrentie op lange termijn waarborgen, met inbegrip van onder meer billijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden die worden aangeboden aan potentiële mede-investeerders, flexibiliteit wat betreft de waarde en looptijd van de verbintenissen die door elke mede-investeerder worden aangegaan; de mogelijkheid om dergelijke verbintenissen in de toekomst uit te breiden; wederzijdse rechten die door de mede-investeerders worden verleend na de implementatie van infrastructuur die is medegefinancierd;

a bis) er is op basis van een aanbieding overeenkomstig a) ten minste één overeenkomst inzake mede-investeringen gesloten en de mede-investeerders zijn op de desbetreffende retailmarkt aanbieders van diensten, beogen dit te worden of beogen dergelijke aanbieders te hosten, en er kan redelijkerwijs verwacht worden dat zij op doeltreffende wijze zullen concurreren.

c) toegangvragende partijen die niet deelnemen aan de mede-investering, kunnen profiteren van eerlijke, redelijke en niet-discriminerende toegangsvoorwaarden, rekening houdend met het risico dat de mede-investeerders lopen, door middel van commerciële overeenkomsten op basis van billijke en redelijke voorwaarden of via gereguleerde toegang die door de nationale regelgevende instantie wordt gehandhaafd of aangepast;

De nationale regelgevende autoriteiten bepalen of aan bovenstaande voorwaarden is voldaan, onder meer door relevante marktdeelnemers te raadplegen overeenkomstig de bepalingen van artikel 65, leden 1 en 2.

Bij de beoordeling van de in de eerste alinea, bedoelde aanbiedingen betreffende mede-investeringen, processen en overeenkomsten waarborgen de nationale regelgevende instanties dat die aanbiedingen, processen en overeenkomsten voldoen aan de in bijlage IV vastgestelde criteria.

2. Lid  1 doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van een nationale regelgevende instantie om besluiten te nemen op grond van artikel 26, lid 1, ingeval zich een geschil voordoet tussen ondernemingen in verband met een overeenkomst inzake mede-investeringen uit hoofde waarvan zij worden geacht aan de in dat lid opgenomen voorwaarden en aan de in bijlage IV opgenomen criteria te voldoen.

Artikel 75

Functionele scheiding

1. Wanneer de nationale regelgevende instantie besluit dat de passende verplichtingen die zijn opgelegd krachtens de artikelen 67 tot en met 72 er niet in geslaagd zijn daadwerkelijke concurrentie tot stand te brengen en dat er belangrijke en blijvende concurrentieproblemen en/of markttekortkomingen zijn vastgesteld met betrekking tot het aanbod op groothandelsniveau op bepaalde markten voor toegangsproducten, kan zij in overeenstemming met de bepalingen van de tweede alinea van artikel 66, lid 3, een verplichting opleggen aan verticaal geïntegreerde ondernemingen om activiteiten die verband houden met het aanbieden van de desbetreffende toegangsproducten op groothandelsniveau in een onafhankelijke bedrijfseenheid te plaatsen.

Die bedrijfseenheid moet toegangsproducten en diensten leveren aan alle ondernemingen met inbegrip van andere bedrijfseenheden binnen de moedermaatschappij, binnen de dezelfde tijdspanne, en tegen dezelfde voorwaarden, met inbegrip van de prijs en diensten en door middel van dezelfde systemen en processen.

2. Wanneer een nationale regelgevende instantie voornemens is functionele scheiding verplicht te stellen, dient het hiertoe een verzoek in te dienen bij de Commissie met:

  a) bewijs dat de in lid 1 bedoelde besluiten van de nationale regelgevende instantie rechtvaardigt;

  b) een gemotiveerde evaluatie die stelt dat er binnen een redelijke termijn weinig of geen kans is op daadwerkelijke en duurzame op infrastructuur gegronde concurrentie;

  c) een analyse van de verwachte impact op de regelgevende instantie, de onderneming, met name op de werknemers van de gescheiden onderneming en op de elektronische communicatiesector als geheel, en op de stimuli om in haar sector als een geheel te investeren, met name in verband met de noodzaak te zorgen voor sociale en territoriale cohesie, en op andere belanghebbenden, met name de verwachte impact op de mededinging op het gebied van infrastructuur en eventuele gevolgen voor de consument;

  d) een analyse van de redenen waarom deze verplichting het efficiëntste middel zou zijn om de geïdentificeerde mededingingsproblemen/markttekortkomingen op te lossen.

3. De ontwerpmaatregel omvat de volgende elementen:

  a) de exacte aard en het niveau van scheiding, waarbij met name de rechtsstatus van de afzonderlijke bedrijfseenheid wordt vermeld;

  b) de identificatie van de activa van de afzonderlijke bedrijfseenheid en de producten of diensten die door deze eenheid moeten worden geleverd;

  c) de bestuursregelingen om te zorgen voor de onafhankelijkheid van het personeel dat in dienst is bij de afzonderlijke bedrijfseenheid, en de dienovereenkomstige stimulerende structuur;

  d) voorschriften om te zorgen voor naleving van de verplichtingen;

  e) voorschriften om te zorgen voor transparantie van de operationele procedures, met name naar de belanghebbenden toe;

  f) een toezichtprogramma om te zorgen voor naleving, met inbegrip van de publicatie van een jaarverslag.

4. Naar aanleiding van het besluit van de Commissie inzake de ontwerpmaatregelen die moet worden genomen in overeenstemming met artikel 66, lid 3, voert de nationale regelgevende instantie een gecoördineerde analyse uit van de verschillende markten die verbonden zijn aan het toegangsnetwerk overeenkomstig de in artikel 65 beschreven procedure. Op basis van dit onderzoek moet de nationale regelgevende instantie, overeenkomstig de artikelen 23 en 32 van deze richtlijn verplichtingen opleggen, handhaven, wijzigen of intrekken.

5. Een onderneming die functionele scheiding kreeg opgelegd kan worden onderworpen aan alle in de artikelen 67 tot en met 72 vermelde verplichtingen op elke specifieke markt wanneer is vastgesteld dat het een onderneming betreft met aanmerkelijke marktmacht overeenkomstig artikel 65 , of andere verplichtingen die op grond van artikel 66, lid 3, door de Commissie zijn goedgekeurd.

Artikel 76

Vrijwillige scheiding door een verticaal geïntegreerde onderneming

1. Ondernemingen waarvan is vastgesteld dat zij aanmerkelijke marktmacht hebben in een of verschillende markten in overeenstemming met artikel 65 van deze richtlijn brengen de nationale regelgevende instantie drie maanden vooraf en tijdig, zodat de nationale regelgevende instantie het effect van de voorgenomen transactie kan beoordelen, op de hoogte wanneer zij voornemens zijn hun plaatselijke toegangsnetwerkactiva over te dragen of een belangrijk deel ervan aan een afzonderlijke rechtseenheid met een verschillende eigenaar, of een afzonderlijke bedrijfseenheid op te richten om alle kleinhandelaren, met inbegrip van de eigen kleinhandelsafdelingen, volledige equivalente toegangsproducten aan te bieden.

Die ondernemingen stellen de nationale regelgevende instanties tevens in kennis van eventuele veranderingen van dat voornemen, alsmede van het eindresultaat van het scheidingsproces.

Ondernemingen kunnen ook verbintenissen inzake toegangsvoorwaarden aanbieden die van toepassing zullen zijn op hun netwerk tijdens een implementatieperiode en nadat de voorgestelde vorm van de scheiding is geïmplementeerd, teneinde doeltreffende en niet-discriminerende toegang door derden te waarborgen. Het aanbod van verbintenissen is voldoende gedetailleerd, onder meer wat betreft het tijdschema voor de implementatie en de looptijd, zodat de nationale regelgevende instantie haar taken overeenkomstig lid 2 van dit artikel kan uitvoeren. Dergelijke verbintenissen kunnen een langere periode bestrijken dan de maximale periode voor marktbeoordelingen die in artikel 65, lid 5, is vastgesteld.

2. De nationale regelgevende instantie onderzoekt welk effect de voorgenomen transactie, indien van toepassing in combinatie met de voorgestelde verbintenissen, zal hebben op de bestaande regelgevende verplichtingen op grond van deze richtlijn.

Hiertoe voert de nationale regelgevende instantie een analyse uit van de verschillende markten die verbonden zijn aan het toegangsnetwerk in overeenstemming met de in artikel 65 beschreven procedure.

De nationale regelgevende instantie neemt alle door de onderneming aangeboden verbintenissen in acht en houdt in het bijzonder rekening met de in artikel 3 bedoelde doelstellingen. In het kader daarvan raadpleegt de nationale regelgevende instantie derden in overeenstemming met 23 en richt zich daarbij in het bijzonder, maar niet uitsluitend, op derden waarop de beoogde transactie rechtstreeks invloed heeft.

Op basis van dit onderzoek moet de nationale regelgevende instantie, overeenkomstig de artikelen 23 en 32 verplichtingen opleggen, handhaven, wijzigen of intrekken, waarbij in voorkomend geval de bepalingen van artikel 77 worden toegepast. De nationale regelgevende instantie kan in haar besluit bepalen dat de verbintenissen in hun geheel of gedeeltelijk bindend zijn. De nationale regelgevende instantie kan als uitzondering op artikel 65, lid 6, bepalen dat sommige of alle verbintenissen bindend zijn voor de gehele periode waarvoor zij worden aangeboden.

3. Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 77, kunnen de juridisch en/of operationeel gescheiden bedrijfseenheden in voorkomend geval worden onderworpen aan alle in de artikelen 67 tot en met 72 vermelde verplichtingen op alle specifieke markten waar is vastgesteld dat de onderneming aanmerkelijke marktmacht heeft overeenkomstig artikel 65, of andere verplichtingen die de Commissie op grond van artikel 66, lid 3, heeft toegestaan, wanneer alle aangeboden verbintenissen niet afdoende zijn om aan de doelstellingen van artikel 3 te voldoen.

4. De nationale regelgevende instantie houdt toezicht op de implementatie van de door de ondernemingen aangeboden verbintenissen die zij overeenkomstig lid 2 van dit artikel bindend heeft gemaakt, en neemt de verlenging ervan in overweging wanneer de looptijd waarvoor deze oorspronkelijk werden aangeboden, is verstreken.

Artikel 77

Uitsluitend op wholesalemarkten gerichte ondernemingen

1. Een nationale regelgevende instantie die een onderneming die niet actief is op een retailmarkt voor elektronische-communicatiediensten overeenkomstig artikel 65 aanwijst als een onderneming met aanmerkelijke marktmacht op één of meerdere wholesalemarkten, gaat na of die onderneming over de volgende kenmerken beschikt:

a) alle bedrijven en bedrijfsonderdelen binnen de onderneming, inclusief alle bedrijven waarover dezelfde uiteindelijke eigenaar of eigenaren zeggenschap heeft of hebben, maar die niet per se volledig in zijn of hun bezit zijn, ontplooien slechts activiteiten op wholesalemarkten voor elektronische-communicatiediensten en beogen dat ook in de toekomst te doen, en ontplooien dus geen activiteiten op een retailmarkt voor elektronische-communicatiediensten die in de Unie aan eindgebruikers worden verstrekt;

b) de onderneming is geen partij bij een exclusieve overeenkomst of een overeenkomst die feitelijk neerkomt op een exclusieve overeenkomst met een enkele en afzonderlijke downstream actieve onderneming die activiteiten ontplooit op een retailmarkt voor elektronische-communicatiediensten die aan particuliere of commerciële eindgebruikers worden verstrekt.

2. Indien de nationale regelgevende instantie concludeert dat aan de in lid 1, onder a) en b), van dit artikel bedoelde voorwaarden is voldaan, kan zij aan die onderneming uitsluitend verplichtingen overeenkomstig artikel 70 of artikel 71 opleggen.

3. De nationale regelgevende instantie kan de overeenkomstig dit artikel aan de onderneming opgelegde verplichtingen te allen tijde heroverwegen indien zij concludeert dat niet meer aan de in lid 1, onder a) en b), van dit artikel bedoelde voorwaarden wordt voldaan, en zij past in voorkomend geval de artikelen 65 tot en met 72 toe.

4. De nationale regelgevende instantie heroverweegt de overeenkomstig dit artikel aan de onderneming opgelegde verplichtingen ook als zij op basis van bewijsstukken betreffende de door de onderneming aan haar downstreamklanten aangeboden voorwaarden concludeert dat er concurrentieproblemen zijn ontstaan waardoor de eindgebruikers worden benadeeld en het noodzakelijk is één of meer van de in de artikelen 67, 68, 69 of 72 bedoelde verplichtingen op te leggen of de overeenkomstig lid 2 opgelegde verplichtingen aan te passen.

5. Het opleggen van verplichtingen en de heroverweging daarvan overeenkomstig dit artikel wordt uitgevoerd in overeenstemming met de in de artikelen 23, 32 en 33 bedoelde procedures.

    Artikel 78

Migratie van legacy-infrastructuur

1. Ondernemingen waarvan is vastgesteld dat zij aanmerkelijke marktmacht hebben in één of verschillende markten in overeenstemming met artikel 65 stellen de nationale regelgevende instantie van tevoren en tijdig in kennis wanneer zij beogen over te gaan tot buitenbedrijfstelling van onder verplichtingen krachtens de artikelen 66 tot en met 77 vallende delen van het netwerk, met inbegrip van legacy-infrastructuur die nodig is om een kopernetwerk te gebruiken.

2. De nationale regelgevende instantie waarborgt dat het proces van buitenbedrijfstelling transparante tijdschema’s en voorwaarden omvat, inclusief onder meer een passende aankondigingstermijn en een passende overgangsperiode, en zij stelt vast dat indien nodig alternatieve ▌producten van ten minste vergelijkbare kwaliteit beschikbaar zijn die toegang verstrekken tot opgewaardeerde netwerkinfrastructuur als vervanging voor de buiten bedrijf gestelde elementen, teneinde de concurrentie en de rechten van de eindgebruikers zeker te stellen.

De nationale regelgevende instantie kan de verplichtingen betreffende activa waarvan buitenbedrijfstelling is beoogd, intrekken wanneer zij het volgende heeft geconstateerd:

a) de aanbieder van toegang heeft passende voorwaarden voor de migratie tot stand gebracht, onder meer door een ▌alternatief toegangsproduct beschikbaar te stellen van ten minste vergelijkbare kwaliteit waarmee dezelfde eindgebruikers kunnen worden bereikt als met de legacy-infrastructuur; en

b) de aanbieder van toegang voldoet aan de voorwaarden en het proces waarvan de nationale regelgevende instantie overeenkomstig het onderhavige artikel in kennis is gesteld.

Een dergelijke intrekking wordt uitgevoerd overeenkomstig de in de artikelen 23, 32 en 33 bedoelde procedures. Deze bepalingen doen geen afbreuk aan de beschikbaarheid van gereguleerde producten zoals die door de nationale regelgevende autoriteit wordt vereist met betrekking tot de opgewaardeerde netwerkinfrastructuur overeenkomstig de procedures van de artikelen 65 en 66.

    Artikel 78 bis

Bundeling van de vraag

De lidstaten leggen aan een exploitant die de aanleg van een fysieke aansluiting met zeer hoge capaciteit in de gebouwen van een eindgebruiker financiert noch wat betreft de looptijd of rentevoeten noch in ander opzicht zwaardere verplichtingen op dan aan financiële instellingen, ook niet in gevallen waarin de financiering door de exploitant plaatsvindt in de vorm van een contract op afbetaling.

    Artikel 78 ter

Richtsnoeren van Berec inzake netwerken met zeer hoge capaciteit

Uiterlijk op [omzettingsdatum] brengt Berec na raadpleging van de belanghebbenden en in nauwe samenwerking met de Commissie richtsnoeren uit over de criteria waaraan een netwerk moet voldoen om als een netwerk met zeer hoge capaciteit te worden beschouwd. De nationale regelgevende autoriteiten houden zich zeer zorgvuldig aan die richtsnoeren. Uiterlijk op 31 december 2025 en vervolgens om de [drie jaar] werkt Berec deze richtsnoeren bij.

Deel III. DIENSTEN

Titel I: Universeledienstverplichtingen

Artikel 79

Betaalbare universele dienst

1. De lidstaten zorgen ervoor dat alle consumenten op hun grondgebied, in het licht van de specifieke nationale omstandigheden en ten minste op een vaste locatie, tegen een betaalbare prijs toegang hebben tot breedbandinternettoegangs- en spraaktelefoniediensten van een op hun grondgebied gespecificeerde kwaliteit, met inbegrip van de aansluiting op het net.

Daarnaast kunnen de lidstaten ook toezien op de betaalbaarheid van diensten die niet op een vaste locatie worden verleend wanneer zij dit nodig achten om de volledige deelname van een consument aan de maatschappij op sociaal en economisch vlak te waarborgen.In overeenstemming met de Berec-richtsnoeren definiëren de nationale regelgevende instanties de minimale capaciteit van de in lid 1 bedoelde internettoegangsdiensten als een ▌weergave van de door de meerderheid van de consumenten op een vaste locatie op hun grondgebied of op relevante delen van hun grondgebied gebruikte diensten die onmisbaar zijn voor het waarborgen van de sociale en economische deelname aan de maatschappij. De ▌internettoegang moet de bandbreedte kunnen leveren die nodig is om ten minste het in bijlage V omschreven minimumpakket van diensten te ondersteunen.

Uiterlijk ... [18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn], stelt Berec, teneinde bij te dragen tot een consistente toepassing van dit artikel, na overleg met belanghebbenden en in nauwe samenwerking met de Commissie, rekening houdend met de beschikbare gegevens van de Commissie (Eurostat), richtsnoeren vast aan de hand waarvan nationale regelgevende instanties de minimumvereisten inzake de minimumeisen voor de kwaliteit van de dienstverlening kunnen definiëren, waaronder de minimumbandbreedte die nodig is om ten minste het in bijlage V omschreven minimumpakket van diensten kunnen ondersteunen, op grond van de gemiddelde bandbreedte die beschikbaar is voor een meerderheid van de bevolking. Die richtsnoeren worden jaarlijkse geactualiseerd, zodat zij de technologische vooruitgang en wijzigingen in de gebruikspatronen van de consumenten weergeven.

3. Indien een consument daarom verzoekt, mag de in de leden 1 en 1 bis bedoelde aansluiting worden beperkt tot de ondersteuning van uitsluitend spraaktelefonie.

3 bis. De lidstaten kunnen de bepalingen van dit artikel uitbreiden tot micro- en kleine ondernemingen en non-profitorganisaties als eindgebruikers.

Artikel 80

Aanbieden van een betaalbare universele dienst

1. De nationale regelgevende instanties zien toe op de ontwikkeling en het niveau van de tarieven voor de eindgebruiker van de in artikel 79, lid 1, genoemde diensten die op de markt beschikbaar zijn, met name rekening houdend met de binnenlandse prijzen en het nationaal inkomen van de consument.

2. Wanneer lidstaten, in het licht van nationale omstandigheden, constateren dat de tarieven voor de in artikel 79, lid 1, genoemde diensten niet betaalbaar zijn omdat consumenten er door hun lage inkomens of bijzondere speciale behoeften geen toegang toe hebben, verlangen zij dat aanbieders die deze diensten aanbieden aan die consumenten, tariefopties of -pakketten aanbieden die afwijken van die welke onder de gebruikelijke commerciële voorwaarden worden verstrekt. Daartoe eisen lidstaten dat die ondernemingen op het gehele grondgebied uniforme tarieven toepassen, met inbegrip van geografische gemiddelden. De lidstaten zorgen ervoor dat consumenten die recht hebben op dergelijke tariefopties of -pakketten recht hebben op een contract met een onderneming die de in artikel 79, lid 1, genoemde diensten aanbiedt. De lidstaten waarborgen eveneens dat die onderneming ervoor zorgt dat zij gedurende een passende termijn over een nummer beschikken en dat ongegronde onderbrekingen van de dienst worden vermeden.

3. De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen die overeenkomstig lid 2 tariefopties of -pakketten aanbieden aan consumenten met een laag inkomen of bijzondere sociale behoeften de nationale regelgevende instanties op de hoogte houden over de inhoud van die opties of pakketten. Behoudens de vrijheid van consumenten om een aanbieder te kiezen, zorgen de nationale regelgevende instanties ervoor dat aan de overeenkomstig lid 2 aangeboden tariefopties of -pakketten gekoppelde voorwaarden volledig transparant zijn, worden bekendgemaakt en worden toegepast overeenkomstig artikel 92 en het non-discriminatiebeginsel. De nationale regelgevende instanties kunnen eisen dat specifieke regelingen worden gewijzigd of ingetrokken.

4. In het licht van de specifieke nationale omstandigheden zorgen de lidstaten ervoor dat verdere ondersteuning wordt verleend aan consumenten met een laag inkomen of bijzondere sociale behoeften zodat, minstens op een vaste locatie, een betaalbare toegang tot internettoegang en spraaktelefoniediensten wordt gewaarborgd.Daarnaast kunnen de lidstaten ervoor zorgen dat aan consumenten met een laag inkomen of bijzondere sociale behoeften steun wordt verleend voor mobiele diensten wanneer zij dit nodig achten om de volledige deelname van een consument aan de maatschappij op sociaal en economisch vlak te waarborgen.

5. In het licht van de specifieke nationale omstandigheden, zorgen de lidstaten ervoor dat passende steun wordt verleend aan consumenten met een handicap en dat andere maatregelen worden genomen om de toegankelijkheid van de nodige eindapparatuur voor personen met een handicap te waarborgen en om te garanderen dat specifieke uitrusting en diensten die hen een gelijkwaardige toegang bieden, beschikbaar en betaalbaar zijn. De gemiddelde kostprijs van de bemiddelingsdiensten voor consumenten met een handicap moet gelijk zijn aan die van de spraakcommunicatiediensten uit hoofde van artikel 79.

6. Bij de toepassing van dit artikel, trachten de lidstaten verstoring van de markt tot een minimum te beperken.

6 bis. De lidstaten kunnen de bepalingen van dit artikel uitbreiden tot micro- en kleine ondernemingen en non-profitorganisaties als eindgebruikers.

Artikel 81

Beschikbaarheid van de universele dienst

1. Wanneer een lidstaat, rekening houdend met de resultaten van het overeenkomstig artikel 22, lid 1, uitgevoerde geografisch onderzoek, indien beschikbaar, heeft vastgesteld, of wanneer de nationale regelgevende instantie tevreden is met het alternatieve bewijs, dat de beschikbaarheid van internettoegangsdiensten als gedefinieerd overeenkomstig artikel 79, lid 2, en spraaktelefoniediensten op een vaste locatie niet onder normale commerciële omstandigheden of middels andere potentiële beleidsinstrumenten op zijn nationaal grondgebied of verschillende delen daarvan kan worden gewaarborgd, kan hij passende universeledienstverplichtingen opleggen om tegemoet te komen aan alle redelijke verzoeken om toegang tot dergelijke diensten op relevante delen van zijn grondgebied.

2. De lidstaten bepalen de meest efficiënte en geschikte wijze om te waarborgen dat functionele-internettoegangsdiensten als gedefinieerd overeenkomstig artikel 79, lid 2, en spraaktelefoniediensten op een vaste locatie beschikbaar zijn met inachtneming van de beginselen van objectiviteit, transparantie, niet-discriminatie en evenredigheid. Dit kan onder meer het beschikbaar stellen omvatten van een internettoegangsdienst en een spraakcommunicatiedienst via draadverbindingen of draadloze verbindingen. Zij trachten verstoring van de markt, met name het aanbieden van diensten tegen prijzen of onder andere voorwaarden die afwijken van normale commerciële voorwaarden, tot een minimum te beperken en daarbij het algemeen belang te beschermen.

3. Met name wanneer lidstaten besluiten verplichtingen op te leggen om de beschikbaarheid op een vaste locatie van ▌internettoegangsdiensten als gedefinieerd overeenkomstig artikel 79, lid 2, en spraaktelefoniediensten te waarborgen, kunnen zij één of meerdere ondernemingen aanwijzen om op hun volledige grondgebied de beschikbaarheid op een vaste locatie van functionele-internettoegangsdiensten als gedefinieerd overeenkomstig artikel 79, lid 2, en spraaktelefoniediensten te waarborgen. De lidstaten kunnen verschillende ondernemingen of groepen van ondernemingen aanwijzen die ▌internettoegangs- en spraaktelefoniediensten op een vaste locatie aanbieden en/of verschillende gedeelten van het nationale grondgebied bestrijken.

4. Wanneer de lidstaten voor het gehele grondgebied of een gedeelte daarvan aanbieders aanwijzen die belast worden met het waarborgen van de beschikbaarheid van de ▌internettoegangsdienst als gedefinieerd overeenkomstig artikel 79, lid 2, en spraaktelefoniediensten, hanteren zij daartoe een efficiënt, objectief, doorzichtig en niet-discriminerend aanwijzingssysteem waarin geen enkele aanbieder a priori van aanwijzing is uitgesloten. Deze aanwijzingsmethoden zorgen ervoor dat ▌internettoegangs- en spraaktelefoniediensten op een vaste locatie op een kosteneffectieve wijze worden aangeboden en kunnen worden gebruikt als middel om de nettokosten van de universeledienstverplichtingen te bepalen in overeenstemming met artikel 84.

5. Wanneer een overeenkomstig lid 3 aangewezen aanbieder voornemens is een belangrijk deel of het geheel van zijn netwerk voor lokale toegang af te stoten naar een afzonderlijke juridische entiteit met een ander eigenaarschap, stelt hij de nationale regelgevende instantie daarvan tijdig in kennis zodat die instantie het effect van de geplande transactie kan afwegen op het aanbod op een vaste locatie van de ▌internettoegangsdienst als gedefinieerd overeenkomstig artikel 79, lid 2, en spraaktelefoniediensten. De nationale regelgevende instantie kan in dit verband voorwaarden opleggen, wijzigen of schrappen overeenkomstig artikel 13, lid 2.

Artikel 82

Status van bestaande universele diensten

1. Indien de behoefte aan dergelijke diensten is vastgesteld in het licht van nationale omstandigheden, kunnen de lidstaten de beschikbaarheid of betaalbaarheid van andere diensten dan ▌internettoegangsdiensten als gedefinieerd overeenkomstig artikel 79, lid 2, en spraakcommunicatiediensten op een vaste locatie die vόόr [datum] beschikbaar waren, blijven waarborgen. Wanneer de lidstaten voor hun gehele grondgebied of een gedeelte daarvan aanbieders aanwijzen die belast worden met de levering van die diensten, is artikel 81 van toepassing. Dergelijke verplichtingen worden gefinancierd overeenkomstig artikel 85.

2. De lidstaten evalueren de overeenkomstig dit artikel opgelegde verplichtingen uiterlijk ... [3 jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] en vervolgens ten minste elke drie jaar.

Artikel 83

Controle van de uitgaven

1. De lidstaten zorgen ervoor dat aanbieders van de spraakcommunicatie- en internettoegangsdiensten overeenkomstig de artikelen 79, 81 en 82 bij het aanbieden van extra faciliteiten en diensten, naast de in artikel 79 vermelde faciliteiten en diensten voorwaarden vaststellen op basis waarvan de eindgebruiker niet verplicht is voor faciliteiten of diensten te betalen die niet noodzakelijk of niet vereist zijn voor de gewenste dienst.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat de aanbieders die overeenkomstig artikel 80 spraaktelefoniediensten als bedoeld in artikel 79 leveren de in bijlage VI, deel A, genoemde faciliteiten en diensten verstrekken, zodat consumenten de uitgaven kunnen controleren en beheersen en dat die aanbieders, voor consumenten die daar recht op hebben en met inbegrip van een mechanisme om te controleren of zij nog steeds van de dienst gebruik wensen te maken, een systeem opzetten om een ongegronde onderbreking van de spraaktelefoniedienst kunnen vermijden.

3. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde instantie de voorschriften van lid 2 niet hoeft toe te passen op zijn gehele grondgebied of een gedeelte ervan indien hij oordeelt dat deze faciliteit op ruime schaal beschikbaar is.

Artikel 84

Kostenberekening van de universeledienstverplichtingen

1. Wanneer de nationale regelgevende instanties van oordeel zijn dat het aanbieden van de ▌internettoegangsdienst als gedefinieerd in artikel 79, lid 2, en spraaktelefoniediensten als omschreven in de artikelen 79, 80 en 81 of de voortzetting van de universele dienst als omschreven in artikel 82 een onredelijke last kan vormen voor aanbieders van dergelijke diensten en compensatie aanvragen, berekenen zij de nettokosten voor het aanbieden van die dienst.

De nationale regelgevende instanties zullen daartoe:

  a) de nettokosten van de universeledienstverplichtingen berekenen, rekening houdend met eventuele marktvoordelen die voor een aangewezen aanbieder voortvloeien uit het aanbieden van functionele internettoegangsdiensten als gedefinieerd overeenkomstig artikel 79, lid 2, en spraaktelefoniediensten; als omschreven in de artikelen 79, 80 en 81 of de voortzetting van bestaande universele diensten als omschreven in artikel 82 overeenkomstig bijlage VII; of

  b) gebruik maken van de nettokosten van het aanbieden van de universele dienst als vastgesteld door een aanwijzingssysteem overeenkomstig artikel 81, leden 3, 4 en 5.

2. De kostenramingen en/of de andere gegevens die als basis dienen voor de berekening van de nettokosten van de universeledienstverplichtingen zoals bedoeld in lid 1, onder a), worden gecontroleerd of geverifieerd door de nationale regelgevende instantie of een instantie die onafhankelijk is van de betrokken partijen en door de nationale regelgevende instantie is gemachtigd. De resultaten van de kostenberekening en de conclusies van de controle zijn voor het publiek beschikbaar.

Artikel 85

Financiering van de universeledienstverplichtingen

Indien de nationale regelgevende instanties, op grond van de nettokostenberekening bedoeld in artikel 84 vaststellen dat een onderneming een onredelijke last wordt opgelegd, kunnen de lidstaten op verzoek van de betrokken onderneming besluiten een mechanisme in te voeren waarmee die onderneming voor de vastgestelde nettokosten onder transparante voorwaarden uit publieke middelen worden gecompenseerd ▌.

1 bis.   Bij wijze van uitzondering op lid 1 kunnen de lidstaten een mechanisme invoeren of handhaven om de nettokosten van uit de verplichtingen van artikel 81 voortvloeiende universeledienstverplichtingen te delen tussen aanbieders van elektronische-communicatienetwerken en -diensten en ondernemingen die diensten van de informatiemaatschappij als omschreven in Richtlijn 2000/31/EG aanbieden.

1 ter.   De lidstaten die een dergelijk mechanisme invoeren of handhaven, evalueren ten minste om de drie jaar de werking ervan om te bepalen welke nettokosten in het kader van het mechanisme moeten worden gedeeld en welke kosten moeten worden gecompenseerd uit overheidsmiddelen.

1 quater.   Alleen de nettokosten als bepaald overeenkomstig artikel 84, van de in de artikelen 79, 81 en 82 vastgelegde verplichtingen mogen worden gefinancierd.

1 quinquies.   Indien de nettokosten worden gedeeld overeenkomstig lid 1 ter, zorgen de lidstaten voor de vaststelling een gezamenlijke financieringsregeling in die wordt beheerd door de nationale regelgevende instantie of door een van de begunstigden onafhankelijk orgaan onder supervisie van de nationale regelgevende instantie.

1 sexies.   Een gezamenlijke financieringsregeling eerbiedigt de beginselen van transparantie, minimale marktverstoring, non-discriminatie en evenredigheid, overeenkomstig de beginselen van bijlage IV, deel B. De lidstaten kunnen ervan afzien bijdragen te verlangen van ondernemingen met een nationale omzet die beneden een vastgesteld minimum ligt.

1 septies.   Eventuele onkosten in verband met de deling van de kosten van universeledienstverplichtingen worden voor iedere onderneming gespecificeerd en afzonderlijk bepaald. Die onkosten mogen niet worden aangerekend aan of geïnd van ondernemingen die geen diensten verlenen op het grondgebied van de lidstaat die de gezamenlijke financieringsregeling heeft ingesteld.

Artikel 86

Transparantie

1. Indien de nettokosten van de universeledienstverplichtingen moeten worden berekend overeenkomstig artikel 84 wordt ingevoerd, zien de nationale regelgevende instanties erop toe dat de beginselen voor de berekening van de nettokosten moeten de details van de toegepaste methode voor het publiek beschikbaar zijn.

2. Onder voorbehoud van de Uniewetgeving en nationale voorschriften betreffende het zakengeheim zorgen de nationale regelgevende instanties ervoor dat een jaarlijks verslag wordt gepubliceerd waarin de berekende kosten van de universeledienstverplichtingen worden vermeld met inbegrip van de eventuele marktvoordelen die voor de ondernemingen zijn voortgevloeid uit de universele dienstverplichtingen als vastgesteld in de artikelen 79, 81 en 82

Titel II: nummers

Artikel 87

Nummervoorraden

1. De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties toezicht uitoefenen op de verlening van rechten van gebruik van alle nationale nummervoorraden en het beheer van de nationale nummerplannen en dat er voor alle openbare elektronische-communicatiediensten adequate nummers en nummerreeksen beschikbaar zijn. De nationale regelgevende instanties stellen objectieve, transparante en niet-discriminerende procedures op voor de verlening van gebruiksrechten voor de nationale nummervoorraden.

2. Nationale regelgevende instanties kunnen voor de verlening van specifieke diensten aan andere ondernemingen dan aanbieders van elektronische communicatienetwerken of -diensten rechten verlenen op het gebruik van nummers uit de nationale nummerplannen op voorwaarde dat die ondernemingen aantonen dat zij bekwaam zijn om die nummers te beheren en dat de nummervoorraad toereikend is om tegemoet te komen aan de bestaande en voorspelbare toekomstige vraag. Wanneer er een aantoonbaar risico op uitputting van de nummervoorraad bestaat, kunnen de nationale regelgevende instanties de toekenning van nummervoorraden aan die ondernemingen schorsen. Met het oog op de coherente toepassing van dit lid stelt Berec uiterlijk [18 maanden na de inwerkingtreding], na raadpleging van de belanghebbenden en in nauw overleg met de Commissie richtsnoeren op over de gezamenlijke criteria voor de beoordeling van de bekwaamheid om nummervoorraden te beheren en van het risico op uitputting van nummervoorraden.

3. De nationale regelgevende instanties zorgen ervoor dat nationale nummeringsplannen en -procedures zo worden toegepast dat alle aanbieders van openbare elektronische-communicatiediensten en andere ondernemingen die op grond van lid 2 in aanmerking komen gelijk worden behandeld. In het bijzonder zorgen de lidstaten ervoor dat een onderneming waaraan het gebruiksrecht voor een nummerreeks is verleend, andere aanbieders van elektronische-communicatiediensten niet discrimineert wat de nummersequenties betreft die worden gebruikt om toegang te geven tot hun diensten.

4. Elke lidstaat bepaalt welke reeks van zijn niet-geografische nummervoorraden mogen worden gebruikt voor het aanbieden van andere elektronische communicatiediensten dan persoonlijke communicatiediensten op het hele grondgebied van de Unie, onverminderd Verordening (EU) nr. 531/2012 en de op basis daarvan vastgestelde uitvoeringshandelingen, alsmede artikel 91, lid 2, van deze richtlijn. Wanneer aan andere ondernemingen dan aanbieders van elektronische-communicatienetwerken of -diensten rechten op het gebruik van nummers zijn verleend overeenkomstig lid 2 is dit lid van toepassing op de door die ondernemingen verleende specifieke diensten. De nationale regelgevende instanties zien erop toe dat de voorwaarden voor het recht op het gebruik van nummers voor het aanbieden van diensten buiten de lidstaat van de landcode, en de handhaving daarvan, niet minder streng zijn dan de voorwaarden en handhaving voor diensten die binnen de lidstaat van de landcode van toepassing zijn. De nationale regelgevende instanties zien erop toe dat aanbieders die hun landcode in andere lidstaten gebruiken voldoen aan de nationale regelgeving inzake consumentenbescherming en het gebruik van nummers die van toepassing is in de lidstaten waar de nummers worden gebruikt. Deze verplichting doet geen afbreuk aan de handhavingsbevoegdheden van de bevoegde instanties van die lidstaten.

Berec ondersteunt de nationale regelgevende instanties bij de coördinatie van hun werkzaamheden voor een efficiënt beheer van de nummervoorraden en het extraterritoriaal gebruik daarvan overeenkomstig het regelgevingskader.

5. De lidstaten zorgen ervoor dat de code "00" de standaard internationale toegangscode is. Er kunnen bijzondere regelingen voor het tot stand brengen van gesprekken tussen aangrenzende locaties aan weerszijden van een lidstaatgrens worden ingevoerd of gehandhaafd. De eindgebruikers op de betrokken locaties ontvangen volledige informatie over dergelijke regelingen.

Lidstaten kunnen voor alle of specifieke categorieën van diensten gemeenschappelijk nummerplannen delen.

6. De lidstaten promoten het via de ether aanbieden van nummervoorraden – voor zover technisch haalbaar – om de overstap naar een andere aanbieder van elektronische-communicatienetwerken of -diensten door ▌eindgebruikers, met name aanbieders en gebruikers van machine-to-machinediensten, te faciliteren.

7. De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale nummerplannen en alle latere toevoegingen of wijzigingen daarop worden gepubliceerd. Deze verplichting kan alleen om redenen van nationale veiligheid worden beperkt.

8. De lidstaten ondersteunen harmonisatie van specifieke nummers of nummerreeksen binnen de Unie wanneer dat de werking van de interne markt en de ontwikkeling van pan-Europese diensten bevordert. De Commissie blijft de marktontwikkelingen monitoren en deelnemen aan de werkzaamheden van internationale organisaties en fora waar besluiten inzake de nummering worden genomen. Wanneer de Commissie oordeelt dat dit gerechtvaardigd en passend is, neemt zij passende technische uitvoeringsmaatregelen in het belang van de interne markt, teneinde een oplossing te bieden voor de onvervulde grensoverschrijdende en pan-Europese vraag naar nummers, die een belemmering kan vormen voor de handel tussen de lidstaten.

Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 110, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 88

Toekenning van gebruiksrechten voor nummers

1. Wanneer individuele gebruiksrechten moeten worden verleend voor nummers, verlenen de nationale regelgevende instanties die rechten op verzoek aan alle ondernemingen die elektronische-communicatienetwerken of –diensten aanbieden of gebruiken in het kader van de algemene machtiging als bedoeld in artikel 12, met inachtneming van de bepalingen van de artikelen 13 en 21, lid 1, onder c), en alle andere regels die een efficiënt gebruik van deze middelen moeten waarborgen overeenkomstig deze richtlijn. De nationale regelgevende instanties kunnen rechten op het gebruik van nummers verlenen aan andere ondernemingen dan aanbieders van elektronische communicatienetwerken of -diensten overeenkomstig artikel 87, lid 2). De rechten voor het gebruik van nummers worden verleend door middel van procedures die objectief, transparant, niet-discriminerend en evenredig zijn.

Bij het verlenen van gebruiksrechten van nummers specificeren de nationale regelgevende instanties of en onder welke voorwaarden deze kunnen worden overgedragen door de houder van de rechten.

Wanneer de nationale regelgevende instanties gebruiksrechten verlenen voor een bepaalde termijn, moet de duur zijn aangepast aan de betrokken dienst, gelet op het nagestreefde doel, naar behoren rekening houdend met het feit dat een passende periode voor de afschrijving van investeringen nodig is.

3. Besluiten over gebruiksrechten van nummers worden zo spoedig mogelijk, voor nummers die binnen het nationale frequentieplan voor specifieke doeleinden zijn toegewezen uiterlijk binnen drie weken, na ontvangst van de volledige aanvraag, door de nationale regelgevende instantie genomen, meegedeeld en gepubliceerd.

4. Indien na overleg met de belanghebbende partijen overeenkomstig artikel 23 is beslist dat gebruiksrechten voor nummers van uitzonderlijke economische waarde via vergelijkende en op mededinging gebaseerde selectieprocedures moeten worden verleend, kunnen de nationale regelgevende instanties de maximumperiode van drie weken met ten hoogste drie weken verlengen.

5. De nationale regelgevende instanties beperken het aantal te verlenen gebruiksrechten niet, tenzij dat noodzakelijk is om een efficiënt gebruik van nummervoorraden te waarborgen.

6. Wanneer het gebruiksrecht van nummers extraterritoriaal gebruik binnen de Unie overeenkomstig artikel 87, lid 4, omvat, koppelt de nationale regelgevende instantie aan dat gebruiksrecht specifieke voorwaarden om te waarborgen dat alle relevante nationale regels inzake consumentenbescherming en de nationale regelgeving in verband met het gebruik van nummers die van toepassing is in de lidstaten waar de nummers worden gebruikt, worden nageleefd. De lidstaten mogen daarna geen bijkomende verplichtingen opleggen in verband met deze gebruiksrechten.

Op verzoek van een nationale regelgevende instantie van een andere lidstaat die aantoont dat inbreuk is gepleegd op de relevante regelgeving inzake consumentenbescherming of de nationale wetgeving inzake nummers van die lidstaat, handhaaft de nationale regelgevende instantie van de lidstaat waar het gebruiksrecht voor de nummers is toegekend de op grond van de eerste alinea opgelegde voorwaarden overeenkomstig artikel 30, met inbegrip van de intrekking van het recht op extraterritoriaal gebruik van de aan de betrokken onderneming toegekende nummers.

Berec faciliteert en coördineert de uitwisseling van informatie tussen de nationale regelgevende instanties van de betrokken lidstaten en waarborgt een goede coördinatie van hun werkzaamheden.

Artikel 89

Vergoedingen voor gebruiksrechten

De lidstaten kunnen nationale regelgevende instantie toestaan de gebruiksrechten voor nummers te onderwerpen aan vergoedingen die ten doel hebben een optimaal gebruik van deze middelen te waarborgen. De lidstaten zorgen ervoor dat deze vergoedingen objectief gerechtvaardigd, transparant en niet-discriminerend zijn en in verhouding staan tot het beoogde doel en zij houden rekening met de doelstellingen van artikel 3.

Artikel 90

Meldpunten voor vermiste kinderen en kinderhulplijnen

1. De lidstaten zorgen ervoor dat de burgers kosteloos toegang hebben tot een telefonisch meldpunt voor vermiste kinderen. Dit meldpunt is bereikbaar op het nummer "116000". De lidstaten zorgen ervoor dat kinderen toegang hebben tot een kindvriendelijke telefonische hulplijn. Deze hulplijn is bereikbaar op het nummer "116111".

2. De lidstaten zorgen ervoor dat eindgebruikers met een handicap toegang kunnen hebben tot de nummers "116000" en "116111", op voet van gelijkheid met andere eindgebruikers, onder meer door middel van het gebruik van diensten voor totale conversatie. De getroffen maatregelen om te bevorderen dat eindgebruikers met een handicap toegang hebben tot dergelijke diensten wanneer zij in andere lidstaten reizen, zijn gebaseerd op de relevante normen of specificaties als gepubliceerd overeenkomstig artikel 39.

3. De lidstaten zorgen ervoor dat passende maatregelen worden genomen om te zorgen voor een toereikend kwaliteitsniveau bij het beheer van de nummerreeks "116000" en om te zorgen voor de noodzakelijke financiële middelen voor het beheer van het telefonische meldpunt.

4. De lidstaten en de Commissie zorgen ervoor dat burgers naar behoren worden geïnformeerd over het bestaan en het gebruik van de diensten die worden aangeboden onder de nummer "116000" en "116111".

Artikel 91

Toegang tot nummers en diensten

1. De lidstaten zorgen ervoor dat, voor zover technisch en economisch gezien haalbaar en tenzij een opgeroepen eindgebruiker om commerciële redenen heeft besloten de toegang van oproepende gebruikers die zich in specifieke geografische gebieden bevinden, te beperken, de bevoegde nationale instanties alle nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de eindgebruikers:

  a) toegang hebben tot en gebruik kunnen maken van diensten met gebruikmaking van niet-geografische nummers binnen de Unie; en

  b) toegang hebben tot alle in de Unie toegekende nummers, ongeacht de door de exploitant gebruikte technologie en apparatuur, inclusief de nummers in de nationale nummerplannen van de lidstaten en de Universal International Freephone Numbers (UIFN).

2. De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties kunnen verlangen dat aanbieders van openbare communicatienetwerken en/of openbare elektronische-communicatiediensten gevalsgewijs de toegang tot nummers en diensten blokkeren wanneer dit gerechtvaardigd is om redenen van fraude of misbruik, en dat aanbieders van elektronische-communicatiediensten in deze gevallen de overeenkomstige inkomsten uit interconnectie of andere diensten inhouden.

Titel III: Rechten van de eindgebruiker

(Artikel 91 bis)

Uitzonderingsclausule

Titel III, met uitzondering van de artikelen 92 en 93, is niet van toepassing op nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten, die micro-ondernemingen zijn zoals gedefinieerd in Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie.

Artikel 92

Non-discriminatie

Aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken of -diensten mogen voor de toegang van of het gebruik door eindgebruikers in de Unie geen discriminerende eisen of voorwaarden opleggen op basis van hun nationaliteit, verblijfplaats of plaats van vestiging, tenzij dit objectief gerechtvaardigd is.

Artikel 92 bis

1. Aanbieders van openbaar beschikbare nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten passen op vaste en mobiele intracommunautaire communicatiediensten met eindpunt in een andere lidstaat geen andere tarieven toe die hoger zijn dan de tarieven voor diensten met eindpunt in dezelfde lidstaat, tenzij dit is gerechtvaardigd op grond van de verschillen in afgiftetarieven.

2. Uiterlijk ... [zes maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn] neemt Berec, na raadpleging van belanghebbenden en in nauwe samenwerking met de Commissie, richtsnoeren aan voor de terugvordering van dergelijke objectief gerechtvaardigde andere kosten als bedoeld in lid 1. Dergelijke richtsnoeren waarborgen dat verschillen strikt zijn gebaseerd op bestaande rechtstreekse kosten die de aanbieder maakt bij het verlenen van grensoverschrijdende diensten.

3. Uiterlijk ... [één jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] en daarna elk jaar brengt de Europese Commissie verslag uit over de toepassing van de verplichtingen van lid 1, met inbegrip van een beoordeling van de ontwikkeling van de tarieven voor intracommunautaire communicatie.

Artikel 93

Eerbiedigen van fundamentele rechten

1. Nationale maatregelen betreffende toegang tot of gebruik van diensten en toepassingen door de eindgebruikers via elektronische communicatienetwerken eerbiedigen de fundamentele rechten en vrijheden, zoals gewaarborgd door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de beginselen van de Uniewetgeving.

2. Maatregelen betreffende toegang tot of gebruik van diensten en toepassingen door de eindgebruikers via elektronische communicatienetwerken die die fundamentele rechten en vrijheden kunnen beperken, mogen alleen worden opgelegd indien de wetgeving daarin voorziet, zij de wezenlijke inhoud van deze rechten eerbieden en zij passend, evenredig en noodzakelijk zijn, en zij daadwerkelijk aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen beantwoorden overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de algemene beginselen van de Uniewetgeving, waaronder doeltreffende rechtsbescherming en eerlijke rechtsbedeling. Deze maatregelen mogen derhalve alleen worden genomen met inachtneming van het beginsel van het vermoeden van onschuld en het recht op een persoonlijke levenssfeer. Een voorafgaande, eerlijke en onpartijdige procedure wordt gegarandeerd, inclusief het recht van de betrokkene of betrokkenen om te worden gehoord, met dien verstande dat voor naar behoren gestaafde spoedeisende gevallen geëigende voorwaarden en procedurele regelingen gelden overeenkomstig het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie . Het recht op een daadwerkelijke en tijdige beroepsmogelijkheid bij een rechterlijke instantie is gegarandeerd.

2 bis. Overeenkomstig de artikelen 7, 8, en 11 en artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, leggen de lidstaten geen algemene en ongedifferentieerde bewaarplicht op voor alle verkeers- en locatiegegevens van alle abonnees en geregistreerde gebruikers in verband met hun elektronische communicatie.

Artikel 94

Niveau van harmonisatie

De lidstaten behouden in hun nationale wetgeving inzake de bescherming van de eindgebruiker of inzake algemene machtigingsvoorwaarden geen bepalingen betreffende de inhoud van deze titel en die afwijken van de bepalingen opgenomen in deze titel, met inbegrip van meer of minder strikte bepalingen die een ander niveau van bescherming waarborgen, of voeren dergelijke bepalingen niet in, tenzij in deze titel anders is bepaald.

Artikel 95

Informatievereisten voor contracten

-1.  De in dit artikel vervatte informatievereisten, met inbegrip van het summier contract, vormen een integraal onderdeel van de overeenkomst zijn aanvullend op de vereisten van Richtlijn 2011/83/EU. De lidstaten dragen er zorg voor dat de in dit artikel bedoelde informatie duidelijk en gedetailleerd is en wordt verstrekt in een gemakkelijk toegankelijke vorm. Op verzoek van de consument of een andere eindgebruiker wordt de informatie tevens verstrekt op een duurzame gegevensdrager en in formaten die toegankelijk zijn voor eindgebruikers met een handicap.

1. Een consument is niet gebonden door een contract of een daarmee overeenstemmend aanbod waarvoor enige vorm van vergoeding wordt gevraagd, alvorens aanbieders van internettoegangsdiensten, nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten en transmissiediensten die voor omroep worden gebruikt, in voorkomend geval, de volgende informatie aan de consument verstrekken, voor zover die informatie betrekking heeft op een dienst die zij verlenen:

  a) als onderdeel van de belangrijkste kenmerken van elke dienst die wordt verleend:

i) de minimumkwaliteitsniveaus van de geboden diensten overeenkomstig de uit hoofde van artikel 97, lid 2, en na raadpleging van de belanghebbenden in nauw overleg met de Commissie vast te stellen Berec-richtsnoeren inzake:

–   voor internettoegangsdiensten: wachttijd, vertraging en pakketverlies,

–   voor openbaar beschikbare nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten: minstens de wachttijd bij eerste aansluiting, het uitvalrisico, de verbindingstijd in overeenstemming met bijlage IX bij deze richtlijn, en

–   voor andere diensten dan internettoegangsdiensten als bedoeld in artikel 3, lid 5, van Verordening 2015/2120: de gewaarborgde specifieke kwaliteitsparameters.

Waar geen minimumkwaliteitsniveaus van de geboden diensten worden gewaarborgd, wordt een verklaring met deze strekking vastgelegd.

ii) onverminderd het recht van eindgebruikers om eindapparatuur van hun keuze te gebruiken overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Verordening 2015/2120/EG, alle vergoedingen en beperkingen die de leverancier heeft opgelegd met betrekking tot het gebruik van verstrekte eindapparatuur en, waar passend, technische informatie over de correcte werking van de door de consument gekozen apparatuur;

  b) de schadevergoedings- en terugbetalingsregelingen, met inbegrip van, waar van toepassing, een uitdrukkelijke verwijzing naar de wettelijke rechten van de consumenten, die gelden ingeval niet aan de contractueel overeengekomen kwaliteitsniveaus van de dienst wordt voldaan of in het geval van een veiligheidsincident, gemeld bij de aanbieder, als gevolg van bekende zwakke plekken in soft- of hardware waarvoor de fabrikant of ontwikkelaar patches heeft aangeboden en de aanbieder van de diensten die patches niet heeft toegepast, noch enige andere passende tegenmaatregel heeft genomen;

  c) als onderdeel van de informatie inzake tarieven en wijzen van vergoeding:

i) de bijzonderheden van het specifieke tariefplan dat of de tariefplannen die aan het contract is/zijn gekoppeld en voor elk tariefplan de aangeboden diensten, met inbegrip van, in voorkomend geval, de communicatievolumes (MB, minuten, sms) per facturatieperiode, en de prijs voor extra communicatie-eenheden;

i bis) in het geval van een tariefplan of tariefplannen met een vooraf vastgelegd communicatievolume, vermelding van de mogelijkheid voor de consument om ongebruikt volume van de voorgaande facturatieperiode over te dragen naar de volgende facturatieperiode, indien deze optie in de overeenkomst is vervat;

i ter) faciliteiten om de transparantie van de facturen te garanderen en het verbruiksniveau te bewaken;

i quater) onverminderd artikel 13 van Verordening 2016/679, informatie inzake de persoonsgegevens die noodzakelijk zijn voor het verlenen van de dienst of worden verzameld in verband met het verlenen van de dienst;

ii) informatie over de tarieven voor nummers en diensten waarvoor bijzondere tariefvoorwaarden gelden; voor afzonderlijke categorieën van diensten kunnen de nationale regelgevende instanties eisen dat deze informatie wordt verstrekt onmiddellijk vóór de doorschakeling van het gesprek;

iii) voor dienstenpakketen en pakketten die zowel diensten als apparatuur omvatten, de prijs van de individuele elementen die tot het pakket behoren, voor zover ze ook afzonderlijk worden aangeboden;

iv) nadere informatie over de service na verkoop, onderhoudsdiensten en klantenondersteuningsdiensten en onderhoudskosten, en

v) de wijze waarop de meest recente informatie over alle geldende tarieven en onderhoudskosten kan worden verkregen;

  d) als onderdeel van de informatie over de looptijd van het contract en de voorwaarden voor verlenging en opzegging van het contract:

i) het minimale gebruik of de minimale gebruiksperiode die eventueel vereist is om van speciale aanbiedingen te kunnen genieten;

ii) eventuele procedures en kosten met betrekking tot omschakeling en portabiliteit van nummers en andere identificatoren, en compensatieregelingen voor vertraging of misbruik van het recht om over te stappen;

iii) alle kosten die bij de vroegtijdige opzegging van het contract verschuldigd zijn, inclusief informatie over het simlockvrij maken van eindapparatuur en elke terugvordering van kosten met betrekking tot eindapparatuur;

iv) voor dienstenpakketten de voorwaarden voor de opzegging van het pakket of onderdelen daarvan, waar van toepassing;

  e) informatie over producten en diensten voor eindgebruikers met een handicap en over de manier waarop bijwerkingen van die informatie kunnen worden verkregen;

  f) de wijze waarop geschillenbeslechtingsprocedures, ook bij binnenlandse en grensoverschrijdende geschillen, kunnen worden ingesteld overeenkomstig artikel 25;

  g) het type actie dat door de onderneming kan worden ondernomen in reactie op beveiligings- en integriteitsincidenten of bedreigingen en kwetsbaarheden.

2. Bovenop de in lid 1 uiteengezette eisen dienen aanbieders van openbare aan nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten de volgende informatie op duidelijke en begrijpelijke wijze manier te verstrekken:

–  eventuele beperkingen aan de toegang tot noodhulpdiensten en/of informatie over de locatie van de oproeper indien technisch niet haalbaar, voor zover de dienst eindgebruikers de mogelijkheid biedt om uitgaande nationale gesprekken tot stand te brengen naar een nummer in een nationaal telefoonnummerplan;

–  het recht van de eindgebruiker om te bepalen of, en zo ja welke, zijn of haar persoonsgegevens in een abonneelijst worden opgenomen, overeenkomstig artikel 12 van Richtlijn 2002/58/EG;

3. De leden 1, 2 en 6 gelden ook voor kleine en micro-ondernemingen en voor non-profitorganisaties als eindgebruikers, tenzij zij er uitdrukkelijk mee hebben ingestemd dat deze bepalingen niet of slechts gedeeltelijk van toepassing zijn.

4. Aanbieders van internettoegangsdiensten verstrekken de in de leden 1 en 2 genoemde informatie bovenop de informatie die moet worden verstrekt op grond van artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) nr. 2015/2120.

5. Uiterlijk [inwerkingtreding + 12 maanden], keurt de Commissie, na overleg met Berec, een model van een summier contract goed, waarin de belangrijkste aspecten van de op grond van de leden 1 en 2 vereiste informatie zijn vermeld. Die belangrijkste aspecten omvatten ten minste beknopte informatie over:

a)  de naam, het adres en de contactgegevens van de aanbieder en, indien verschillend, contactgegevens voor het indienen van eventuele klachten;

b)  de belangrijkste kenmerken van elke dienst die wordt verleend;

c)  de respectieve tarieven;

d)  de looptijd van het contract en de voorwaarden voor verlenging en opzegging;

e)  de mate waarin producten en diensten afgestemd zijn op eindgebruikers met een handicap;

f)  in verband met internettoegangsdiensten, de op grond van artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) 2015/2120 vereiste informatie.

Dat model mag niet langer zijn dan één enkelzijdig A4-blad. Het moet gemakkelijk leesbaar zijn. Wanneer verschillende diensten in één contract worden gebundeld, zijn mogelijk extra bladzijden nodig, maar het document blijft in zijn geheel beperkt tot drie bladzijden.

De Commissie kan een uitvoeringshandeling vaststellen die het in dit lid bedoelde model uitvoerig omschrijft. Deze uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 110, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Aanbieders waarop de verplichtingen in de leden 1 t.e.m. 4 van toepassing zijn dienen de toepasselijke informatie in te vullen in dit model van summier contract en moeten dit verstrekken aan de consumenten, micro- en kleine ondernemingen en non-profitorganisaties, waar passend, voorafgaand aan het sluiten van het contract of, waar dit niet mogelijk is, zo snel mogelijk daarna.

6. Aanbieders van internettoegangsdiensten en aanbieders van openbare nummergebaseerde persoonscommunicatiediensten bieden consumenten een faciliteit om het gebruik van elke op basis van tijd- of verbruikt volume gefactureerde dienst te bewaken en te beheersen. Die faciliteit omvat toegang tot tijdige informatie over het verbruiksniveau van de diensten die tot het tariefplan behoren. Die faciliteit omvat toegang tot tijdige informatie over het verbruiksniveau van de diensten die tot het tariefplan behoren. Aanbieders van internettoegangsdiensten en van openbare nummergebaseerde persoonscommunicatiediensten verstrekken de consument op verzoek en uiterlijk drie maanden voor de beëindiging van de contractperiode advies over de voordeligste tarieven voor hun diensten.

6 bis. De lidstaten kunnen in hun nationale wetgeving aanvullende eisen handhaven of invoeren die van toepassing zijn op internettoegangsdiensten en nummergebaseerde persoonscommunicatiediensten en transmissiediensten die voor omroep worden gebruikt om een hoger niveau van consumentenbescherming te waarborgen met betrekking tot de informatievereisten van de leden 1 en 2 van dit artikel. De lidstaten kunnen in hun nationale wetgeving ook bepalingen handhaven of invoeren om tijdelijk te voorkomen dat de betrokken dienst verder wordt gebruikt boven een door de bevoegde autoriteit vastgesteld financieel of volumeplafond.

Artikel 96

Transparantie, vergelijken van aanbiedingen en publicatie van informatie

1. De nationale regelgevende instanties waarborgen dat, indien voor het aanbieden van relevante diensten voorwaarden gelden, de informatie als bedoeld in bijlage VIII op duidelijke en begrijpelijke, machineleesbare wijze en in een gemakkelijk toegankelijke vorm, met name voor eindgebruikers met een handicap, wordt gepubliceerd door aanbieders van internettoegangsdiensten, aanbieders van openbare persoonlijke communicatiediensten en van transmissiediensten die voor omroep worden gebruikt. Die informatie wordt regelmatig bijgewerkt. De nationale regelgevende instanties kunnen in hun nationale wetgeving aanvullende voorschriften met betrekking tot de transparantievereisten van dit lid handhaven of invoeren.

2. Nationale regelgevende instanties zorgen ervoor dat eindgebruikers gratis toegang hebben tot ten minste één onafhankelijke vergelijkingstool waarmee zij de prijzen, tarieven en, waar van toepassing, indicatieve cijfers betreffende de kwaliteit van de diensten van de verschillende internettoegangsdiensten en openbare nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten kunnen vergelijken en beoordelen.

Die vergelijkingstool:

a)  is operationeel onafhankelijk en waarborgt dat aanbieders van diensten in de zoekresultaten gelijk worden behandeld;

b)  vermeldt wie de eigenaar van de vergelijkingstool is en wie deze tool beheert;

c)  vermeldt de duidelijke, objectieve criteria waarop de vergelijking wordt gebaseerd;

d)  maakt gebruik van gewone en ondubbelzinnige taal;

e)  geeft nauwkeurige en actuele informatie, met vermelding van het tijdstip van de meest recente actualisering;

f)  belicht een breed scala aan aanbiedingen die een significant deel van de markt bestrijken en vermeldt in voorkomend geval duidelijk dat de gepresenteerde informatie geen volledig overzicht van de markt biedt, voordat de zoekresultaten worden getoond;

g)  voorziet in een effectieve procedure om foute informatie te melden.

g bis)  omvat prijzen en tarieven, en de kwaliteit van de dienstverlening voor eindgebruikers die ondernemingen zijn en voor eindgebruikers die consumenten zijn.

De vergelijkingsinstrumenten die aan de eisen in de punten a) tot en met g) voldoen, worden op verzoek van de aanbieder van het instrument in kwestie gecertificeerd door de nationale regelgevende instanties. Derden hebben het recht om, met het oog op het aanbieden van dergelijke onafhankelijke vergelijkingstools, kosteloos en in open-gegevensformaten de informatie te gebruiken die wordt bekendgemaakt door de aanbieders van internettoegangsdiensten of openbare nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten.

3. De lidstaten mogen verlangen dat zowel nationale autoriteiten als de aanbieders van internettoegangsdiensten, openbare nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten of beide ▌indien nodig kosteloos informatie van algemeen belang aan bestaande en nieuwe eindgebruikers verstrekken met dezelfde middelen waarmee zij doorgaans met eindgebruikers communiceren. In dat geval wordt die informatie van algemeen belang door de bevoegde openbare instanties in een gestandaardiseerde vorm aangeleverd en heeft zij, onder meer, betrekking op de volgende punten:

a)  de meest voorkomende vormen van gebruik van internettoegangsdiensten en openbare nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten voor onwettige activiteiten of de verspreiding van schadelijke inhoud, met name waar dit de eerbiediging van de rechten en vrijheden van derden kan aantasten, inclusief schendingen van gegevensbeschermingsrechten, het auteursrecht en hiermee samenhangende rechten, en de juridische gevolgen hiervan, en beschermingsmaatregelen tegen gevaren voor de persoonlijke veiligheid, de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens bij het gebruik van internettoegangsdiensten en openbare nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten.

Artikel 97

Kwaliteit van de dienst

1. De nationale regelgevende instanties kunnen verlangen dat aanbieders van internettoegangsdiensten en openbare ▌persoonlijke communicatiediensten, ten behoeve van de eindgebruikers volledige, vergelijkbare, betrouwbare, gebruiksvriendelijke en actuele informatie over de kwaliteit van hun diensten bekendmaken voor zover zij minimumkwaliteitsniveaus van hun diensten garanderen en over de maatregelen die zijn genomen om gelijkwaardige toegang voor eindgebruikers met een handicap te waarborgen. Die informatie wordt, op verzoek, vóór publicatie eveneens aan de nationale regelgevende instantie verstrekt. Dergelijke maatregelen om de kwaliteit van de dienstverlening te waarborgen moeten in overeenstemming zijn met Verordening (EU) 2015/2120. Indien de kwaliteit van persoonlijke communicatiediensten afhankelijk is van externe factoren, zoals de controle van het overbrengen van signalen of netwerkconnectiviteit, stelt de aanbieder van de diensten de consument hiervan in kennis.

2. De nationale regelgevende instanties bepalen in het bijzonder op basis van de Berec-richtsnoeren de te hanteren parameters voor de kwaliteit van de dienst en de daartoe te hanteren meetmethoden , alsook de inhoud, vorm en wijze van bekendmaking van de te publiceren informatie, met inbegrip van mogelijke kwaliteitscertificerings-regelingen. In voorkomend geval kunnen de in bijlage IX vermelde parameters, definities en meetmethoden worden gebruikt.

Met het oog op de coherente toepassing van dit lid en van bijlage IX stelt Berec uiterlijk [18 maanden na de inwerkingtreding], na raadpleging van de belanghebbenden en in nauw overleg met de Commissie, richtsnoeren op die relevante parameters voor de kwaliteit van de dienst omschrijven, waaronder parameters voor eindgebruikers met een handicap, de toepasselijke meetmethodes, de inhoud en vorm van de informatie en kwaliteitscertificeringsmechanismen.

Artikel 98

Looptijd en opzegging van contracten

1. De lidstaten zien erop toe dat de voorwaarden en procedures voor de opzegging van contracten en de verandering van dienstenaanbieder niet ontmoedigen en dat in contracten tussen consumenten en aanbieders van openbare internettoegangsdiensten, nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten en transmissiediensten die voor omroep worden gebruikt geen ▌contractduur van meer dan 24 maanden wordt vastgelegd. De lidstaten kunnen voor de ▌contractduur kortere looptijden vaststellen of handhaven. De lidstaten kunnen de aanbieders tevens verzoeken om de consumenten de mogelijkheid te bieden een contract met een maximumlooptijd van twaalf maanden of minder te ondertekenen.

Dit lid is niet van toepassing op de looptijd van een contract op afbetaling, waarbij de consument voor een fysieke aansluiting op een netwerk met zeer hoge capaciteit een afzonderlijk contract heeft gesloten waarbij in tranches wordt betaald. Een contract op afbetaling voor een fysieke aansluiting omvat geen eindapparatuur of apparatuur voor een internettoegangsdienst zoals een router of modem en belet de consument niet zijn rechten uit hoofde van dit artikel uit te oefenen.

2. Wanneer een contract of het nationaal recht voorziet in een vaste looptijd die automatisch wordt verlengd, zorgt de lidstaat ervoor dat consumenten na een dergelijke automatische verlenging het contract op elk willekeurig moment mogen opzeggen met een opzeggingstermijn van maximaal één maand en zonder andere kosten dan de vergoeding voor de ontvangst van de dienstverlening tijdens de opzeggingstermijn. Voordat het contract automatisch wordt verlengd, informeren de dienstverrichters de consument op duidelijke wijze over het einde van de oorspronkelijke looptijd van het contract en over de wijze waarop de overeenkomst kan worden opgezegd, indien daarom wordt verzocht. Aanbieders gebruiken dezelfde middelen als die welke gewoonlijk worden gebruikt in hun communicatie met consumenten.

2 bis. De leden 1 en 2 gelden ook voor kleine en micro-ondernemingen en voor non-profitorganisaties als eindgebruikers, tenzij zij er uitdrukkelijk mee hebben ingestemd dat deze bepalingen niet van toepassing zijn.

3. Eindgebruikers hebben het recht hun contract zonder extra kosten op te zeggen wanneer zij op de hoogte worden gesteld van wijzigingen in de voorwaarden die worden voorgesteld door de aanbieder van internettoegangsdiensten, nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten en transmissiediensten die voor omroep worden gebruikt, tenzij de voorgestelde wijzigingen uitsluitend de eindgebruiker ten goede komen of van puur technische aard zijn en neutraal zijn voor de eindgebruiker, of strikt noodzakelijk zijn voor de toepassing van wijzigingen in de wet- of regelgeving. Aanbieders brengen de eindgebruikers ten minste één maand vooraf op de hoogte van wijzigingen aan de contractvoorwaarden en informeren hen tegelijkertijd over hun recht om hun contract kosteloos op te zeggen indien zij de nieuwe voorwaarden niet aanvaarden. De lidstaten zorgen ervoor dat die kennisgeving op duidelijke en begrijpelijke wijze en via een duurzame drager gebeurt, met gebruikmaking van dezelfde communicatiemiddelen die de aanbieder normaliter gebruikt voor communicatie met de consument.

3 bis. Elke significante, voortdurende of regelmatig voorkomende discrepantie tussen de werkelijke prestaties van een elektronische-communicatiedienst en de in het contract vermelde prestaties, wordt als niet-overeenstemming van de geleverde prestaties beschouwd en geeft de consument het recht om, overeenkomstig het nationaal recht, rechtsmiddelen uit te oefenen, waaronder het recht om het contract kosteloos op te zeggen.

4. Wanneer deze richtlijn, dan wel andere bepalingen van de Unie- of nationale wetgeving, de eindgebruiker toestaan een contract voor openbare internettoegangsdiensten, nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten en transmissiediensten die voor omroep worden gebruikt vóór afloop van de overeengekomen contracttermijn op te zeggen, is de eindgebruiker geen boete en geen andere compensatie verschuldigd dan voor het in bezit houden van de gesubsidieerde eindapparatuur. Wanneer de eindgebruiker de eindapparatuur wenst te behouden die bij de sluiting van het contract aan dat contract werd gekoppeld, bedraagt de verschuldigde vergoeding niet meer dan de waarde pro rata temporis daarvan op het ogenblik dat het contract werd gesloten of het resterende gedeelte van de servicevergoeding tot het aflopen van het contract, al naargelang welk bedrag het laagst is. De lidstaten mogen andere methodes hanteren voor de berekening van de vergoeding, indien die vergoeding gelijk is aan of minder is dan de bovengenoemde berekende vergoeding. Eventuele beperkingen van het gebruik van eindapparatuur op andere netwerken worden kosteloos door de aanbieder opgeheven, ten laatste bij de betaling van een dergelijke vergoeding. De lidstaten kunnen met betrekking tot dit lid aanvullende voorschriften vaststellen of handhaven om een hoger niveau van consumentenbescherming te waarborgen.

Artikel 99

Wijziging van aanbieder en nummerportabiliteit

1. In het geval van overstap tussen aanbieders van internettoegangsdiensten, verstrekken de betrokken aanbieders de eindgebruiker vóόr en tijdens het overstapproces toereikende informatie en waarborgen zij de continuïteit van de dienst. De ontvangende aanbieder leidt het overstapproces om ervoor te zorgen dat de dienst wordt geactiveerd op de datum die en binnen het dagdeel dat uitdrukkelijk met de eindgebruiker is overeengekomen. De overdragende aanbieder blijft zijn diensten onder dezelfde voorwaarden aanbieden tot de diensten van de ontvangende aanbieder geactiveerd zijn. Tijdens het overstapproces mag de dienst niet langer dan één werkdag worden onderbroken wanneer beide aanbieders dezelfde technologische middelen gebruiken. Wanneer de aanbieders verschillende technologische middelen gebruiken, streven zij ernaar de onderbreking van de dienst tijdens het overstapproces te beperken tot één werkdag, tenzij een langere periode, die niet langer mag zijn dan twee werkdagen, naar behoren is gerechtvaardigd.

De nationale regelgevende instanties waarborgen de efficiëntie en eenvoud van het overstapproces voor de eindgebruiker.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat alle eindgebruikers met nummers van het nationale telefoonnummerplan die daarom verzoeken, het recht hebben hun nummer(s) te behouden overeenkomstig het bepaalde in bijlage VI, deel C, ongeacht de onderneming die de dienst levert.

2 bis. Wanneer een eindgebruiker een contract met een aanbieder opzegt, behoudt de eindgebruiker het recht om gedurende zes maanden na de opzeggingsdatum een nummer over te dragen naar een andere aanbieder, tenzij de eindgebruiker afstand doet van dat recht.

3. De nationale regelgevende instanties zorgen ervoor dat de prijsstelling tussen exploitanten en/of dienstenaanbieders met betrekking tot het aanbieden van nummerportabiliteit op de kosten gebaseerd is en dat de eindgebruiker geen directe kosten moet betalen.

4. De nationale regelgevende instanties leggen voor de nummerportabiliteit geen tarieven voor eindgebruikers op die de concurrentie zouden kunnen verstoren, zoals specifieke of uniforme tarieven voor eindgebruikers.

5. Nummers worden zo snel mogelijk overgedragen en geactiveerd. De activering van het nummer van consumenten die een overeenkomst hebben gesloten om een nummer over te dragen naar een nieuwe onderneming vindt hoe dan ook plaats binnen één werkdag na de overeengekomen datum. De overdragende aanbieder blijft zijn diensten onder dezelfde voorwaarden aanbieden tot de diensten van de ontvangende aanbieder geactiveerd zijn.

Dit lid geldt ook voor micro- en kleine ondernemingen en non-profitorganisaties als eindgebruikers, tenzij zij er uitdrukkelijk mee hebben ingestemd dat deze bepalingen niet of slechts gedeeltelijk van toepassing zijn.

5 bis. De ontvangende aanbieder leidt het overstap- en overdrachtsproces, en de ontvangende en overdragende aanbieder werken te goeder trouw samen. De nationale regelgevende instanties kunnen het totaalproces voor het overstappen en overdragen van nummers voorschrijven met inachtneming van nationale bepalingen inzake contracten, technische haalbaarheid en de gewaarborgde continuïteit van de dienst voor de eindgebruiker. Dit houdt, waar beschikbaar, een vereiste in die stelt dat het proces voor het overdragen van nummers moet verlopen via etherdistributie, tenzij anders gevraagd door een eindgebruiker.

Hoe dan ook mag de dienst tijdens het overdrachtsproces niet langer dan één werkdag worden onderbroken.

Het contract tussen de eindgebruiker en de overdragende aanbieder wordt automatisch beëindigd wanneer het overstapproces is afgerond. Bij vooruitbetaalde diensten betaalt de overdragende aanbieder eventueel resterende tegoeden terug aan de consument. Voor restitutie kan slechts een vergoeding worden gevraagd indien dit in het contract is vermeld. Een dergelijke vergoeding moet evenredig zijn en in verhouding staan tot de werkelijke kosten die de overdragende aanbieder heeft gemaakt om de restitutie aan te bieden. Indien het overdrachtsproces mislukt, reactiveert de overdragende aanbieder het nummer van de eindgebruiker of de dienst onder dezelfde voorwaarden die voor de inleiding van het overstapproces golden, tot de overdracht is gelukt of het overstapproces is afgerond. De nationale regelgevende instanties nemen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat eindgebruikers gedurende het gehele overstap- en overdrachtsproces goed worden geïnformeerd en worden beschermd en er geen verandering van aanbieder plaatsvindt tegen hun wil.

6. De lidstaten zorgen ervoor dat passende sancties worden opgelegd aan ondernemingen ▌in geval van vertraging bij de overdracht of misbruik van de overdracht door of namens hen.

6 bis. De lidstaten zorgen ervoor dat eindgebruikers het recht hebben schadevergoeding te ontvangen van aanbieders in geval van vertraging bij de overdracht of overstap, of bij misbruik van de overdracht of de overstap. De minimale schadevergoeding voor een vertraging is als volgt:

a)   wanneer de overdracht langer duurt dan twee werkdagen zoals bepaald in respectievelijk artikel 99, lid 1, en artikel 99, lid 5, een bedrag per extra dag;

b)   wanneer de dienst langer dan [een werkdag] onderbroken wordt, een bedrag per extra dag;

c)   wanneer de activering van een dienst vertraging oploopt, een bedrag per dag voor elke dag na de overeengekomen activeringsdag; en

d)   wanneer de aanbieder zich niet houdt aan een afspraak voor dienstverlening of deze annuleert met een kennisgeving van minder dan 24 uur, een bedrag per afspraak.

De nationale regelgevende instanties stellen de krachtens dit lid verschuldigde bedragen vast.

6 ter. De in lid 6 bis bedoelde schadevergoeding wordt uitbetaald, door aftrek van het volgende factuurbedrag, in contanten, via elektronische overschrijving of, indien de eindgebruiker hiermee akkoord gaat, in de vorm van dienstenvouchers.

6 quater. Lid 6 bis laat alle rechten op verdere schadevergoedingen uit hoofde van de nationale wetgeving of de Uniewetgeving onverlet. De lidstaten kunnen aanvullende regels vaststellen om ervoor te zorgen dat elke eindgebruiker die overeenkomstig dit artikel materiële of immateriële schade heeft geleden, van een onderneming schadevergoeding kan eisen en ontvangen voor de geleden schade. De minimale schadevergoeding die uit hoofde van lid 6 bis wordt betaald, kan van dergelijke schadevergoedingen worden afgetrokken. De betaling van een schadevergoeding uit hoofde van lid 6 bis belet de ontvangende aanbieder niet om, zo nodig, schadevergoeding te eisen van een overdragende aanbieder.

Artikel 100

Gebundelde aanbiedingen

1. Indien een aan een consument aangeboden pakket van diensten of pakket van eindapparatuur en diensten minstens een internettoegangsdienst of openbare nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten omvat, zijn de artikelen 95, 96, lid 1, 98 en 99 ▌ mutatis mutandis van toepassing op alle elementen uit het pakket, tenzij de op de andere elementen van het pakket toepasselijke bepalingen voordeliger zijn voor de consument.

2. Een abonnement op aanvullende diensten of eindapparatuur die door dezelfde aanbieder van internettoegangsdiensten wordt of door openbare nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten worden verstrekt, leidt niet tot de verlenging van de looptijd van het contract, tenzij de consument uitdrukkelijk iets anders overeenkomt wanneer hij een abonnement neemt op aanvullende diensten of eindapparatuur.

2 bis. Aanbieders van andere elektronische-communicatiediensten dan nummeronafhankelijke persoonlijke communicatiediensten bieden de consument de mogelijkheid om afzonderlijke onderdelen van een contract voor een pakket op te zeggen of over te dragen naar een andere aanbieder, indien deze optie in het contract is vervat.

2 ter. De leden 1 en 2 gelden ook voor kleine en micro-ondernemingen en non-profitorganisaties als eindgebruikers, tenzij zij er expliciet mee hebben ingestemd dat deze bepalingen niet of slechts gedeeltelijk van toepassing zijn.

2 quater. De lidstaten kunnen de toepassing van lid 1 uitbreiden tot bundels van diensten of bundels van diensten en eindapparatuur die aan een consument worden aangeboden en ten minste een openbare elektronische-communicatiedienst omvatten. De lidstaten kunnen lid 1 ook toepassen ten aanzien van andere bepalingen van deze titel.

Artikel 101

Beschikbaarheid van diensten

De lidstaten nemen alle noodzakelijke maatregelen om de beschikbaarheid van de spraakcommunicatie- en internettoegangsdiensten over de openbare communicatienetwerken zo volledig mogelijk te waarborgen in gevallen waarin het elektriciteitsnetwerk uitvalt of in geval van overmacht. De lidstaten zorgen ervoor dat aanbieders van spraakcommunicatie- en internettoegangsdiensten alle nodige maatregelen nemen om een ononderbroken toegang tot de noodhulpdiensten te waarborgen.

Artikel 102

Noodcommunicatie en het uniforme Europese alarmnummer

1. De lidstaten zorgen ervoor dat alle eindgebruikers van de in lid 2 bedoelde dienst, inclusief gebruikers van openbare betaaltelefoons of particuliere elektronische-communicatienetwerken, kosteloos en zonder dat zij daarvoor een betaalmiddel hoeven te gebruiken noodcommunicatie met de noodhulpdiensten tot stand kunnen brengen via het uniforme Europese alarmnummer "112" en via eventuele nationale alarmnummers zoals bepaald door de lidstaten.

2. De lidstaten zorgen er in overleg met de nationale regelgevende instanties en de noodhulpdiensten en de aanbieders van elektronische-communicatiediensten voor dat aanbieders die eindgebruikers nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten leveren die eindgebruikers de mogelijkheid bieden om uitgaande nationale gesprekken tot stand te brengen naar een nummer in een nationaal of internationaal telefoonnummerplan, via de meest geschikte alarmcentrale (PSAP) toegang verschaffen tot noodhulpdiensten, met gebruikmaking van locatiegegevens die voor de aanbieders van persoonlijke communicatiediensten beschikbaar zijn, en op een wijze die in overeenstemming is met de infrastructuur van de lidstaten voor noodoproepen.

Aanbieders van nummeronafhankelijke persoonlijke communicatiediensten die geen toegang tot 112 aanbieden, brengen de eindgebruikers op de hoogte van het feit dat toegang tot het noodnummer 112 niet wordt ondersteund.

3. De lidstaten zorgen ervoor dat alle noodcommunicatie via het uniforme Europese alarmnummer "112" naar behoren wordt beantwoord en behandeld op de wijze die het meest geschikt is voor de nationale organisatie van noodhulpdiensten, rekening houdend met de behoefte aan meertalige communicatie. Dergelijke noodcommunicatie wordt ten minste zo snel en doeltreffend beantwoord en behandeld als noodcommunicatie via de eventueel nog bestaande nationale alarmnummers.

3 bis. De Commissie stelt, na de nationale regelgevende instanties en de noodhulpdiensten te hebben geraadpleegd, prestatie-indicatoren vast voor de noodhulpdiensten van de lidstaten. Om de twee jaar dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de effectiviteit van de invoering van het Europese alarmnummer "112" en over de werking van de prestatie-indicatoren.

4. De lidstaten zorgen ervoor dat de toegang voor eindgebruikers met een handicap tot noodhulpdiensten via noodcommunicatie beschikbaar en gelijkwaardig is aan die van andere eindgebruikers, onder meer via diensten voor totale conversatie of via bemiddelingsdiensten van derden. De Commissie en de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde autoriteiten treffen passende maatregelen om te waarborgen dat eindgebruikers met een handicap op voet van gelijkheid met anderen toegang hebben tot noodhulpdiensten wanneer zij in andere lidstaten reizen, waar mogelijk zonder registratie vooraf. Deze maatregelen dienen ter waarborging van de interoperabiliteit tussen de verschillende lidstaten en zijn zoveel mogelijk gebaseerd op Europese normen of specificaties die overeenkomstig het bepaalde in artikel 39 zijn bekendgemaakt, zonder te beletten dat de lidstaten aanvullende voorschriften vaststellen met het oog op de in dat artikel vermelde doelstellingen.

5. De lidstaten zorgen ervoor dat de locatiegegevens over de beller na het tot stand brengen van de communicatie onverwijld beschikbaar worden gesteld aan de meest geschikte PSAP. Deze locatiegegevens omvatten zowel netwerkgebaseerde locatiegegevens als, waar beschikbaar, handsetgebaseerde locatiegegevens van de beller. De lidstaten zorgen ervoor dat de overdracht van de locatiegegevens over de eindgebruiker kosteloos is voor de eindgebruiker en de PSAP voor alle oproepen naar het uniforme Europese alarmnummer "112". De lidstaten kunnen deze verplichting uitbreiden tot noodcommunicatie met nationale alarmnummers. Dit belet niet dat de bevoegde instanties, na overleg met Berec, criteria kunnen vaststellen voor de nauwkeurigheid en betrouwbaarheid van de verstrekte locatiegegevens over de beller.

6. De lidstaten zorgen ervoor dat de burgers adequaat worden ingelicht over het bestaan en het gebruik van het uniforme Europese alarmnummer "112" en over de toegankelijkheidskenmerken ervan, onder meer via initiatieven die specifiek gericht zijn op personen die tussen lidstaten reizen en personen met een handicap. Deze informatie wordt in toegankelijke vorm verstrekt, waarbij rekening wordt gehouden met de verschillende soorten handicaps. De Commissie ondersteunt maatregelen van de lidstaten en vult deze aan.

7. Om een effectieve toegang tot noodhulpdiensten via noodcommunicatie met "112-diensten" in de lidstaten te waarborgen, wordt de Commissie, na overleg met Berec, gemachtigd uitvoeringshandelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 109 met betrekking tot maatregelen om de compatibiliteit, interoperabiliteit, kwaliteit, betrouwbaarheid en continuïteit van noodcommunicatie in de Unie, wat betreft oplossingen voor locatiegegevens van de beller, toegang voor eindgebruikers, toegankelijkheid voor personen met een handicap en doorschakeling naar de meest geschikte PSAP te waarborgen. De eerste van deze gedelegeerde handelingen worden uiterlijk [datum invoegen] vastgesteld.

De Commissie onderhoudt een database met E.164-nummers van Europese noodhulpdiensten om te waarborgen dat deze diensten uit verschillende lidstaten onderling contact kunnen opnemen.

Die maatregelen mogen evenwel geen afbreuk doen aan en evenmin van invloed zijn op de organisatie van de noodhulpdiensten, wat de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten blijft.

Artikel 102 bis

"Omgekeerd 112-systeem"

1. De lidstaten zorgen er met gebruikmaking van elektronische-communicatienetwerken en -diensten voor dat doeltreffende nationale "omgekeerd 112-communicatiesystemen" worden opgezet om burgers te waarschuwen en te alarmeren als er een grote natuur- en/of door de mens veroorzaakte noodsituatie of ramp dreigt of als een dergelijke noodsituatie of ramp zich voordoet, waarbij zij rekening houden met bestaande nationale en regionale systemen en geen afbreuk doen aan de privacy en gegevensbeschermingsvoorschriften.

Artikel 103

Gelijkwaardige toegang en keuzes voor eindgebruikers met een handicap

1. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde regelgevende instanties voorschriften kunnen opleggen aan aanbieders van openbare elektronische-communicatiediensten om ervoor te zorgen dat eindgebruikers met een handicap:

  a) een toegang tot elektronische-communicatiediensten kunnen hebben, met inbegrip van de bijbehorende contractuele gegevens die uit hoofde van artikel 95 worden verstrekt, die gelijkwaardig is aan die van de meerderheid van de eindgebruikers; De lidstaten zorgen er eveneens voor dat aanbieders van openbare elektronische-communicatiediensten de noodzakelijke maatregelen nemen om hun websites en mobiele applicaties toegankelijker te maken door ze waarneembaar, bedienbaar, begrijpelijk en robuust te maken.

  b) profiteren van de keuze tussen ondernemingen en diensten, die ter beschikking staan van de meerderheid van de eindgebruikers.

In dit kader zorgen de lidstaten ervoor dat dit geen onevenredige belasting met zich meebrengt voor de aanbieders van eindapparatuur en elektronische-communicatiediensten en voor de beschikbaarheid van gespecialiseerde apparatuur die de nodige diensten en functies biedt die specifiek bedoeld zijn voor eindgebruikers met een handicap. Voor de beoordeling van wat als een onevenredige belasting wordt beschouwd, wordt de procedure van artikel 12 van Richtlijn xxx/YYYY/EU gevolgd.

2. Door middel van de in lid 1 bedoelde maatregelen bevorderen de lidstaten de naleving van ▌relevante overeenkomstig artikel 39 gepubliceerde normen of specificaties.

Voor zover de bepalingen van dit artikel strijdig zijn met de bepalingen van Richtlijn xxx/YYYY/EU van het Europees Parlement en de Raad(46), prevaleren de bepalingen van Richtlijn xxx/YYYY/EU.

Artikel 104

Telefooninlichtingendienst

1. De lidstaten zorgen ervoor dat alle aanbieders van spraakcommunicatiediensten aan alle redelijke verzoeken voldoen om, ten behoeve van het verstrekken van openbare telefooninlichtingendiensten en telefoongidsen, de relevante informatie in een overeengekomen formaat beschikbaar te stellen op billijke, objectieve, kostengeoriënteerde en niet-discriminerende voorwaarden.

2. De nationale regelgevende instanties moeten verplichtingen en voorwaarden kunnen opleggen aan ondernemingen die de toegang tot eindgebruikers controleren voor het verstrekken van telefooninlichtingendiensten, overeenkomstig artikel 59. Die verplichtingen en voorwaarden zijn objectief, billijk, niet-discriminerend en transparant.

3. De lidstaten handhaven in de regelgeving geen restricties die beletten dat eindgebruikers in een bepaalde lidstaat via spraaktelefonie of SMS rechtstreeks toegang hebben tot de telefooninlichtingendienst in een andere lidstaat en nemen maatregelen om deze toegang overeenkomstig artikel 91 te garanderen.

4. De leden 1 tot en met 3 gelden met inachtneming van de eisen van de Uniewetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer en met name artikel 12 van Richtlijn 2002/58/EG.

Artikel 105

Interoperabiliteit van radio- en televisieapparatuur voor consumenten

De lidstaten waarborgen de interoperabiliteit van radio- en televisieapparatuur voor consumenten overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van bijlage X.

Aanbieders van digitale televisiediensten zorgen ervoor dat eindapparatuur interoperabel is zodat de apparatuur ook, voor zover technisch haalbaar, voor diensten van andere aanbieders kan worden gebruikt, en dat, indien dit niet mogelijk is, consumenten de eindapparatuur via een kosteloze en gemakkelijke procedure kunnen retourneren.

Artikel 106

Doorgifteverplichtingen

1. De lidstaten kunnen ten aanzien van nader bepaalde radio- en televisieomroepkanalen en extra daaraan gerelateerde faciliteiten, in het bijzonder toegankelijkheidsdiensten om een passende toegang tot inhoud en een elektronische programmagidsen voor eindgebruikers met een handicap en dataondersteunende connected tv-diensten en elektronische programmagidsen mogelijk te maken, aan de onder hun bevoegdheid ressorterende ondernemingen die elektronische-communicatienetwerken en -diensten aanbieden welke voor de distributie van radio- en televisieomroepkanalen naar het publiek worden gebruikt, redelijke doorgifteverplichtingen ("must carry") opleggen indien deze netwerken en diensten voor een significant aantal eindgebruikers van die netwerken het belangrijkste middel zijn om radio- en televisieomroepkanalen te ontvangen. Dergelijke verplichtingen worden alleen opgelegd indien zij noodzakelijk zijn om doelstellingen van algemeen belang als duidelijk omschreven door elke lidstaat te verwezenlijken, en zijn evenredig en transparant.

De lidstaten leggen uitsluitend doorgifteverplichtingen ("must carry") op aan analoge transmissies van televisieomroepkanalen wanneer het ontbreken van dergelijke verplichtingen een aanzienlijk deel van de eindgebruikers ernstig zou storen of wanneer er geen andere transmissiemiddelen zijn voor bepaalde televisieomroepkanalen.

De in de eerste alinea bedoelde doorgifteverplichtingen worden alleen opgelegd indien zij noodzakelijk zijn om doelstellingen van algemeen belang als duidelijk omschreven door elke lidstaat te verwezenlijken, en zijn evenredig en transparant.

1 bis. De in het eerste lid bedoelde verplichtingen worden uiterlijk één jaar na [de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] door de lidstaten geëvalueerd, uitgezonderd wanneer zij een dergelijke evaluatie reeds hebben gemaakt binnen de voorafgaande vier jaar.

De lidstaten evalueren hun doorgifteverplichtingen ("must carry") minstens om de vijf jaar.

1 ter. De lidstaten kunnen daarnaast ten aanzien van specifieke radio- en televisieomroepkanalen van algemeen belang redelijke rechten inzake het aanbieden van diensten ("must offer") toekennen aan onder hun bevoegdheid ressorterende ondernemingen die zijn onderworpen aan doorgifteverplichtingen.

2. Noch lid 1 noch artikel 57, lid 2, doen afbreuk aan de mogelijkheid voor lidstaten om in hun wetgeving al dan niet een passende vergoeding vast te stellen voor de overeenkomstig dit artikel genomen maatregelen en er tevens voor te zorgen dat er in vergelijkbare omstandigheden geen sprake is van discriminatie in de behandeling van aanbieders van elektronische-communicatienetwerken en -diensten. Indien vergoeding moet worden aangeboden, is daarvoor een wettelijke regeling vereist, ook met betrekking tot het vergoedingsbedrag, en de vergoeding moet op evenredige en transparante wijze worden toegepast.

Artikel 107

Aanbieding van extra faciliteiten

1. Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 83, lid 2, zorgen de lidstaten ervoor dat de nationale regelgevende instanties kunnen verlangen dat alle aanbieders die internettoegangsdiensten die en/of openbare nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten aanbieden, de in bijlage VI, deel B, genoemde extra faciliteiten, waar relevant, geheel of gedeeltelijk kosteloos voor eindgebruikers beschikbaar stellen voor zover dit technisch ▌gezien haalbaar is, alsook geheel of gedeeltelijk de in bijlage VI, deel A, genoemde extra faciliteiten.

2. Na de meningen van de belanghebbende te hebben gehoord, kan een lidstaat besluiten op zijn gehele grondgebied of een gedeelte daarvan lid 1 niet toe te passen indien hij van mening is dat de toegang tot deze faciliteiten toereikend is.

Artikel 108

Wijziging van de bijlagen

De Commissie wordt gemachtigd gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 109 met betrekking tot de wijziging van de bijlagen V, VI, VIII, IX, en X teneinde rekening te houden met technologische en maatschappelijke ontwikkelingen of veranderingen in de marktvraag, .

Deel IV. SLOTBEPALINGEN

Artikel 109

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2. De in de artikelen 40, 60, 73, 102 en 108 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van …. [datum van inwerkingtreding van de basiswetgevingshandeling of een andere door de medewetgevers vastgestelde datum].

3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in de artikelen 40, 60, 73, 102 en 108 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4. Alvorens een gedelegeerde handeling vast te stellen, raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over betere wetgeving van 13 april 2016.

5. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6. Een overeenkomstig de artikelen 40, 60, 73, 102 en 108 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 110

Comité

1. De Commissie wordt bijgestaan door het bij Richtlijn 2002/21/EG opgerichte Comité (Comité voor communicatie). Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2. Voor de tenuitvoerlegging van de maatregelen als bedoeld in de tweede alinea van artikel 45, lid 2, is dat comité het bij artikel 3, lid 1, van Beschikking nr. 676/2002/EG opgerichte Radiospectrumcomité.

3. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing. In gevallen waarin het advies van het comité via een schriftelijke procedure dient te worden verkregen, wordt die procedure zonder gevolg beëindigd indien, binnen de termijn voor het uitbrengen van het advies, de voorzitter van het comité daartoe besluit of een lid van het comité daarom verzoekt. De voorzitter roept dan binnen een redelijke termijn het comité bijeen.

4. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van die verordening.

5. In gevallen waarin het advies van het comité via een schriftelijke procedure dient te worden verkregen, wordt die procedure zonder gevolg beëindigd indien, binnen de termijn voor het uitbrengen van het advies, de voorzitter van het comité daartoe besluit of een lid van het comité daarom verzoekt. De voorzitter roept dan binnen een redelijke termijn het comité bijeen.

Artikel 111

Uitwisseling van informatie

1. De Commissie verstrekt het Comité voor communicatie alle relevante informatie over het resultaat van regelmatig overleg met de vertegenwoordigers van de netwerkexploitanten, aanbieders van diensten, gebruikers, consumenten, fabrikanten en vakbonden, evenals met derde landen en internationale organisaties.

2. Het Comité voor communicatie bevordert de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en tussen de lidstaten en de Commissie over de situatie en de ontplooiing van regelgevende activiteiten in verband met elektronische-communicatienetwerken en -diensten en houdt daarbij rekening met het beleid van de Unie inzake elektronische communicatie.

Artikel 112

Publicatie van informatie

1. De lidstaten zorgen ervoor dat bijgewerkte informatie betreffende de toepassing van deze richtlijn openbaar wordt gemaakt op een wijze die alle belanghebbende partijen gemakkelijke toegang tot die informatie waarborgt. Zij publiceren een mededeling in hun Staatsblad waarin wordt beschreven hoe en waar de informatie wordt gepubliceerd. De eerste mededeling van die aard wordt gepubliceerd vóór de in artikel 118, lid 1, tweede alinea, bedoelde toepassingsdatum en vervolgens wordt telkens een mededeling gepubliceerd wanneer de betrokken informatie wordt gewijzigd.

2. De lidstaten zenden de Commissie een kopie van elke mededeling wanneer deze wordt gepubliceerd. De Commissie deelt de informatie afhankelijk van het geval mee aan het Comité voor communicatie.

3. De lidstaten zorgen ervoor dat alle relevante informatie over rechten, voorwaarden, procedures, bijdragen, heffingen en besluiten betreffende algemene machtigingen en gebruiksrechten en rechten om faciliteiten te installeren op zodanige wijze wordt gepubliceerd en geactualiseerd dat alle belanghebbende partijen gemakkelijk toegang hebben tot deze informatie.

4. Wanneer de in lid 3 bedoelde informatie, vooral die met betrekking tot de procedures en voorwaarden voor de rechten voor het installeren van faciliteiten, wordt bijgehouden op verschillende bestuursniveaus, levert de nationale regelgevende instantie alle redelijke inspanningen om een gebruikersvriendelijk overzicht van dergelijke informatie, waaronder begrepen informatie over de desbetreffende bestuursniveaus en hun autoriteiten, te verstrekken, op voorwaarde dat de bevoegde autoriteit zulks mogelijk acht tegen redelijke kosten, teneinde aanvragen voor rechten voor het installeren van faciliteiten te vergemakkelijken.

5. De lidstaten zorgen ervoor dat de krachtens deze richtlijn aan ondernemingen opgelegde specifieke verplichtingen openbaar worden gemaakt, met vermelding van het specifieke product respectievelijk de specifieke dienst en de betrokken geografische markten. Zij zorgen ervoor dat actuele informatie, op voorwaarde dat zij niet vertrouwelijk is en vooral geen bedrijfsgeheimen bevat, openbaar wordt gemaakt op een wijze die waarborgt dat alle belanghebbende partijen gemakkelijke toegang tot die informatie hebben.

6. De lidstaten zenden de Commissie een kopie van alle gepubliceerde informatie toe. De Commissie stelt deze informatie in een gemakkelijk toegankelijke vorm beschikbaar en verstrekt haar zo nodig aan het Comité communicatie.

Artikel 113

Meldingen en monitoring

1. De nationale reguleringsinstanties delen de Commissie uiterlijk op de in artikel 115, lid 1, tweede alinea, bedoelde toepassingsdatum, en daarna in geval van een wijziging onmiddellijk, de namen mee van de overeenkomstig artikel 81, aangewezen ondernemingen met universeledienstverplichtingen.

De Commissie stelt de informatie in een gemakkelijk toegankelijke vorm beschikbaar en verstrekt deze, waar nodig, aan het in artikel 111 bedoelde Comité voor communicatie.

2. De nationale regelgevende instanties stellen de Commissie in kennis van de namen van de exploitanten die geacht worden een aanzienlijke marktmacht te hebben in de zin van deze richtlijn, en van de verplichtingen die hun krachtens de richtlijn worden opgelegd. Alle wijzigingen met betrekking tot de aan ondernemingen opgelegde verplichtingen of de onder de toepassing van deze richtlijn vallende ondernemingen worden onverwijld ter kennis van de Commissie gebracht.

Artikel 114

Beroepsprocedures

1. Op gezette tijden evalueert de Commissie de werking van deze richtlijn en brengt zij daarover verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad, voor het eerst uiterlijk vijf jaar na de in artikel 115 , lid 1, tweede alinea, bedoelde datum en vervolgens iedere vijf jaar.

In deze evaluaties wordt in het bijzonder beoordeeld of de bevoegdheden voor ex ante-interventie uit hoofde van deze richtlijn toereikend zijn om de nationale regelgevende instanties in staat te stellen te waarborgen dat, wanneer er sprake is van niet-concurrerende monopolistische marktstructuren, en in combinatie met de evenredige toepassing van andere verplichtingen overeenkomstig deze richtlijn, concurrentie op de elektronische-communicatiemarkten ten behoeve van de eindgebruikers blijft floreren wat betreft kwaliteit, keuzevrijheid en prijs, en dat wholesalemarkten die toegang bieden tot infrastructuur voor elektronische communicatie zich ontwikkelen en floreren, hetgeen nodig is om eindgebruikers concurrentie en connectiviteit met zeer hoge capaciteit te bieden.

De Commissie kan daartoe de lidstaten om inlichtingen vragen, welke inlichtingen zonder onnodige vertraging worden verstrekt.

Artikel 115

Omzetting

1. Uiterlijk op [dag/maand/jaar] stellen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast en maken deze bekend om aan de artikelen [ …] en de bijlagen […] te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die maatregelen onverwijld mee.

Zij passen die bepalingen toe vanaf [dag/maand/jaar].

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. In de bepalingen wordt tevens vermeld dat verwijzingen in bestaande wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen naar de bij deze richtlijn ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar deze richtlijn. De regels voor die verwijzing en de formulering van die vermelding worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 116

Intrekking

De richtlijnen 2002/19/EG, 2002/20/EG, 2002/21/EG, 2002/22/EG als genoemd in bijlage XI, deel A, worden met ingang van […] ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage IV, deel B, genoemde termijnen voor de omzetting in intern recht en de toepassingsdata van de aldaar genoemde richtlijn.

Artikel 5 van Besluit 243/2012/EU wordt met ingang van […] ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage XII.

Artikel 117

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 118

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement,  Voor de Raad

De Voorzitter  De Voorzitter

(1)

PB C XX van 2.3.2017, blz. XX.

(2)

PB C XX van 2.3.2017, blz. XX.

(3)

PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.

(4)

* Amendementen: nieuwe of vervangende tekst staat in vet en cursief, schrappingen zijn met het symbool ▐ aangegeven.

(5)

  PB C ... van ..., blz. ... .

(6)

  PB C ... van ..., blz. ... .

(7)

  Richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (Toegangsrichtlijn) (PB L 108 van 24.4.2002, blz. 7).

(8)

  Richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Machtigingsrichtlijn) (PB L 108 van 24.4.2002, blz. 21).

(9)

  Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn) (PB L 108 van 24.4.2002, blz. 33).

(10)

  Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (universeledienstrichtlijn) (PB L 108 van 24.4.2002, blz. 51).

(11)

  Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37).

(12)

  Het regelgevingskader van de Unie voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten omvat tevens Verordening (EU) nr. 531/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2012 betreffende roaming op openbare mobielecommunicatienetwerken binnen de Unie (PB L 172 van 30.6.2012, blz. 10), Verordening (EU) 2015/2120 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 tot vaststelling van maatregelen betreffende open-internettoegang en tot wijziging van Richtlijn 2002/22/EG inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten en Verordening (EU) nr. 531/2012 betreffende roaming op openbare mobielecommunicatienetwerken binnen de Unie (PB L 310 van 26.11.2015, blz. 1) en Richtlijn 2014/61 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake maatregelen ter verlaging van de kosten van de aanleg van elektronischecommunicatienetwerken met hoge snelheid (PB L 155 van 23.5.2014, blz. 1), evenals een aantal besluiten van de medewetgever en de Commissie.

(13)

  Verordening (EG) nr. 1211/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 tot oprichting van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (Berec) en het Bureau (PB L 337 van 18.12.2009, blz. 1).

(14)

  Richtlijn 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van radioapparatuur en tot intrekking van Richtlijn 1999/5/EG (PB L 153 van 22.5.2014, blz. 62)

(15)

Arrest van het Hof van Justitie van 26 april 1988, Bond van Adverteerders en anderen vs. Staat der Nederlanden, zaak C-352/85, ECLI: EU:C:1988:196.

(16)

  Beide gedefinieerd in Verordening (EU) 2015/758 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 inzake typegoedkeuringseisen voor de uitrol van het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem en houdende wijziging van Richtlijn 2007/46/EG [PB L 123 van 19.5.2015, blz. 77], en in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 305/2013 van de Commissie van 26 november 2012 tot aanvulling van Richtlijn 2010/40/EU van het Europees Parlement en de Raad, wat de geharmoniseerde voorziening in de gehele Unie van een interoperabele eCall betreft [PB L 91 van 3.4.2013, blz. 1].

(17)

  Als gedefinieerd in Verordening (EU) 2015/758.

(18)

  PB L 81 van 21.3.2012, blz. 7.

(19)

  Zaak C-614/10, Europese Commissie tegen Republiek Oostenrijk, EU:C:2012:631.

(20)

  Richtlijn 2014/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake maatregelen ter verlaging van de kosten van de aanleg van elektronischecommunicatienetwerken met hoge snelheid, PB L 155 van 23.5.2014, blz. 1.

(21)

  Richtlijn 2013/11/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende alternatieve beslechting van consumentengeschillen en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en Richtlijn 2009/22/EG (Richtlijn ADR consumenten) (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 63).

(22)

  Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie (PB L 194 van 19.7.2016, blz. 1).

(23)

  Beschikking nr. 676/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een regelgevingskader voor het radiospectrumbeleid in de Europese Gemeenschap (Radiospectrumbeschikking) (PB L 108 van 24.4.2002).

(24)

  Aanbeveling 1999/519/EG van de Raad van 12 juli 1999 betreffende de beperking van blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden van 0 Hz - 300 GHz, PB L 199 van 30.7.1999, blz. 59.

(25)

  Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (richtlijn inzake elektronische handel) (PB L 178 van 17.7.2000, blz. 1)

(26)

  Verordening (EU) Nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende Europese normalisatie, tot wijziging van de Richtlijnen 89/686/EEG en 93/15/EEG van de Raad alsmede de Richtlijnen 94/9/EG, 94/25/EG, 95/16/EG, 97/23/EG, 98/34/EG, 2004/22/EG, 2007/23/EG, 2009/23/EG en 2009/105/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Beschikking 87/95/EEG van de Raad en Besluit nr. 1673/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 316 van 14.11.2012, blz. 12).

(27)

  Aanbeveling 2013/466/EU van de Commissie van 11 september 2013 over consistente verplichtingen tot non-discriminatie en kostenmethodologieën om de concurrentie te bevorderen en investeringen in breedband aantrekkelijker te maken (PB L 251 van 21.9.2013, blz. 13).

(28)

Verordening (EU) 2015/2120 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 tot vaststelling van maatregelen betreffende het open internet en tot wijziging van Richtlijn 2002/22/EG inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronischecommunicatienetwerken en -diensten en Verordening (EU) nr. 531/2012 betreffende roaming op openbare mobielecommunicatienetwerken binnen de Unie (PB L 310 van 26.11.2015, blz. 1).

(29)

Richtlijn xxx/YYYY/EU van het Europees Parlement en de Raad van ... betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de toegankelijkheidseisen voor producten en diensten(PB L … van …, blz. ...).

(30)

  Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 85/577/EEG en van Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 304 van 22.11.2011, blz. 64).

(31)

  PB L 178 van 17.7.2000, blz. 1.

(32)

  Verordening (EU) 2015/758 van het Europees Parlement en de Raad inzake typegoedkeuringseisen voor de uitrol van het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem en houdende wijziging van Richtlijn 2007/46/EG (PB L 123 van 19.5.2015, blz. 77)

(33)

Richtlijn (EU) 2016/2102 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 inzake de toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties (PB L 327 van 2.12.2016, blz. 1).

(34)

  Richtlijn 2002/77/EG van de Commissie van 16 september 2002 betreffende de mededinging op de markten voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (PB L 249 van 17.9.2002, blz. 21).

(35)

  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming); PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.

(36)

  PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.

(37)

  Verordening (EG) nr. 1211/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 tot oprichting van het orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC) en het Bureau.

(38)

Berec (als gewijzigd)

(39)

  Verordening (EG) nr. xxxx/xxxx van het Europees Parlement en de Raad van [] tot oprichting van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC) (PB L. []).

(40)

  Aanbeveling 1999/519/EG van de Raad van 12 juli 1999 betreffende de beperking van blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden van 0 Hz - 300 GHz (PB L 199 van 30.7.1999, blz. 59).

(41)

  Verordening (EU) 2015/2120 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 tot vaststelling van maatregelen betreffende open-internettoegang en tot wijziging van Richtlijn 2002/22/EG inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten en Verordening (EU) nr. 531/2012 betreffende roaming op openbare mobielecommunicatienetwerken binnen de Unie, PB L 310 van 26.11.2015, blz. 1.

(42)

  Richtlijn 2013/35/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia (elektromagnetische velden) (twintigste bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG) en tot intrekking van Richtlijn 2004/40/EG (PB L 179 van 29.6.2013, blz. 1).

(43)

  Aanbeveling 1999/519/EG van de Raad van 12 juli 1999 betreffende de beperking van blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden van 0 Hz - 300 GHz (PB L 199 van 30.7.1999, blz. 59).

(44)

  Richtlijn 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van radioapparatuur en tot intrekking van Richtlijn 1999/5/EG (PB L 153 van 22.5.2014, blz. 62)

(45)

  PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37.

(46)

Richtlijn xxx/YYYY/EU van het Europees Parlement en de Raad van ... betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de toegankelijkheidseisen voor producten en diensten(PB L … van …, blz. ...).


TOELICHTING

Dit is het juiste tijdstip om optimaal gebruik te maken van de kansen die meer geavanceerde digitale technologieën bieden. Sinds de herziening van het regelgevingskader in 2009 hebben zich op de markt drastische veranderingen voorgedaan. Er zijn steeds meer nieuwe spelers ten tonele verschenen naarmate consumenten en ondernemingen steeds intensiever gebruikmaken van gegevensdiensten.

De slimme voertuigen en steden en de industriële, energie-, gezondheids-, bank-, onderwijs-, onderzoeks- en openbare diensten enz. van vandaag de dag zijn gebaseerd op connectiviteit waarvoor steeds meer frequentiebanden, dat wil zeggen vaste en mobiele netwerken met zeer hoge capaciteit, nodig zijn. Het regelgevingskader is van essentieel belang als het erom gaat van de EU een op connectiviteit gebaseerde gigabitmaatschappij te maken. De hiervoor vereiste investeringen belopen naar schatting echter 500 à 600 miljard EUR, waarvan 90 % van de particuliere sector moet komen. Het is van cruciaal belang dat het regelgevingskader voor voorspelbaarheid zorgt en het nemen van risico's en investeringen voor de lange termijn beloont. De Commissie kiest daarom met haar voorstel om nieuwe infrastructuur in het middelpunt van het regelgevingskader te plaatsen voor de juiste aanpak.

Investeringen, concurrentie en regulering moeten in efficiënte wisselwerking een goed klimaat scheppen voor de uitrol van alomtegenwoordige mobiele netwerken met zeer hoge capaciteit en 5G-breedbandinfrastructuur. Daartoe moet de digitale eengemaakte markt volledig worden ontwikkeld teneinde gebruik te kunnen maken van de kracht van een bedrijfstak die goed is voor 16,5 biljoen EUR en 23 % van het wereldwijde bbp vertegenwoordigt, en die met zijn 500 miljoen klanten een sterke industriële sector met wereldwijde concurrentie vormt. Hier zijn de nodige activa en schaalvoordelen te vinden om cloudcomputing, big data, gegevensgestuurde wetenschap, robotica, kunstmatige intelligentie en het internet der dingen tot volledige ontwikkeling te brengen.

Met mobiele netwerken met zeer hoge capaciteit zal de EU over de nodige middelen beschikken om een leidende rol te spelen in de dataeconomie, die het beslissende concurrentievoordeel van deze eeuw biedt.

Dit is geen wishful thinking, maar een reële kans.

TOEPASSINGSGEBIED EN DOELSTELLINGEN

a) Netwerken met zeer hoge capaciteit

Het belang van elektronische communicatie als motor van de economie is enorm toegenomen. Gegevensdiensten komen in de plaats van traditionele diensten als belangrijke producten voor alle gebruikers. Dit betekent dat de sector aan een gestaag toenemende vraag en steeds grotere behoeften op het gebied van sociaaleconomische ontwikkeling moet voldoen.

De rapporteur steunt de invoering van de implementatie en toepassing van mobiele netwerken met zeer hoge capaciteit, met inbegrip van de uitrol van mobiele netwerken met verbeterde etherinterfaces en grotere dichtheid, als een van de algemene doelstellingen van het regelgevingskader, in aanvulling op de even belangrijke bestaande doelstellingen met betrekking tot concurrentie, de interne markt en voordelen voor de eindgebruiker. Zij staat achter deze doelstelling.

De rapporteur stelt voor om de instrumenten die specifiek betrekking hebben op mobiele netwerken met zeer hoge capaciteit te verduidelijken en overzichtelijker weer te geven door in het wetboek een nieuwe titel in te voegen.

De definitie van mobiele netwerken met zeer hoge capaciteit moet worden gewijzigd om voor grotere technologische neutraliteit te zorgen en die definitie toekomstbestendiger te maken door de focus in de eerste plaats te leggen op het dynamische vermogen van netwerken om in de zich ontwikkelende vraag naar gebruik zonder beperkingen te voorzien. In dit verband worden prestatieparameters vastgesteld die met de connectiviteitsdoelen voor 2025 stroken en worden door Berec richtsnoeren opgesteld voor de daarna geldende vereisten.

b) Elektronische-communicatiediensten

Tegenwoordig komen zogenaamde OTT-diensten, zoals Voice over IP, messaging enz. in de plaats van traditionele spraaktelefonie, sms enz.

Deze ongekende ontwikkeling heeft zeer positieve gevolgen voor concurrentie, innovatie en groei. Er zijn echter ook uitdagingen aan verbonden: de nieuwe diensten zijn feitelijk niet aan de bestaande regels onderworpen, of de regels worden niet overal in de EU op dezelfde wijze toegepast. Daarom moeten de definities worden verduidelijkt om voort te bouwen op een functionele aanpak vanuit het perspectief van de gebruiker. De door de Commissie voorgestelde definitie van elektronische-communicatiediensten (artikel 2, lid 4) biedt een eerste, evenwichtige benadering als basis voor verdere discussie.

c) Algemene machtiging

De algemene machtigingsregeling waarborgt de vrijheid om in de hele EU elektronische-communicatienetwerken en -diensten aan te bieden. Deze voordelige regeling moet voor alle elektronische-communicatiediensten gelden en het mag niet zo zijn dat deze aan 28 verschillende regelingen worden onderworpen.

De rapporteur stelt daarom voor om die regeling toe te passen op alle elektronische-communicatiediensten, met inachtneming van de verscheidenheid ervan en van het innovatieve karakter van tal van die diensten. In dit licht is het noodzakelijk om een drempel in te voeren om kleinschalige diensten te vrijwaren van onnodige lasten. Hiervoor wordt aan het mededingingsrecht het concept "communautaire dimensie" ontleend, dat het mogelijk maakt om elektronische-communicatiediensten die niet overal in de EU worden aangeboden en waarmee een beperkte omzet wordt behaald, uit te sluiten van de kennisgevingsverplichtingen, terwijl voor die diensten in lidstaten die een dergelijke verplichting hebben ingevoerd desgewenst wel tegen een nominale vergoeding gebruik kan worden gemaakt van de algemene machtigingsregeling.

TOEGANG

a) Algemene benadering

Met het regelgevingskader worden drie fundamentele doelstellingen nagestreefd: concurrentie, interne markt en het belang van de eindgebruiker. Dit blijven de leidende beginselen van het wetboek. De concurrentiebenadering, die is gebaseerd op het concept van aanmerkelijke marktmacht, heeft haar nut in het liberaliseringsproces sinds de jaren 90 bewezen en moet een centraal element blijven vormen van het wetboek. De nationale regelgevende instanties moeten kunnen blijven beschikken over het volledige instrumentarium aan corrigerende maatregelen, van transparantieverplichtingen tot en met functionele scheiding.

De rapporteur sluit zich echter aan bij het voorstel van de Commissie om de huidige doelstellingen te integreren in de nieuwe doelstellingen inzake de connectiviteit van mobiele netwerken met zeer hoge capaciteit. De nieuwe doelstelling zorgt er daarom voor dat met het wetboek een beter voorspelbaar investeringsklimaat tot stand kan worden gebracht, onder meer door verdere maatregelen om uitdagingen bij de implementatie van die netwerken het hoofd te bieden.

Ex ante-regulering vormt geen doel op zichzelf – op grond van het evenredigheidsbeginsel mogen, net als bij het bestaande regelgevingskader, alleen toegangsverplichtingen worden opgelegd wanneer de retailmarkten zonder een dergelijke maatregel niet door daadwerkelijke concurrentie gekenmerkt zouden zijn.

De rapporteur is voorstander van marktoplossingen in de vorm van commerciële overeenkomsten, zoals mede-investeringen of overeenkomsten inzake toegang, wanneer deze een positief effect hebben op de concurrentie.

b) Rangorde van corrigerende maatregelen

In overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel en de bij het Handvest gegarandeerde bescherming van eigendom en vrijheid van ondernemerschap dienen de verplichtingen zich te beperken tot het minimum dat nodig is om het probleem in kwestie te verhelpen. De nationale regelgevende instantie moet tijdens elke fase van de beoordeling, voordat zij bepaalt of een aanvullende, zwaardere corrigerende maatregel wordt opgelegd, beoordelen of deze, alle relevante aspecten in aanmerking nemend, noodzakelijk is om de betrokken retailmarkt daadwerkelijk concurrerend te maken.

c) Marktanalyse

Het voorstel voorziet in wijziging van de huidige marktanalyseprocedure, onder meer door de termijn voor de uitvoering ervan te verlengen van 3 tot 5 jaar. Deze verlenging zorgt wellicht niet voor veel meer stabiliteit in de regelgeving voor investeringen met zeer lange terugverdienperioden, maar kan ertoe leiden dat regelgeving die de "uiterste houdbaarheidsdatum" heeft overschreden, verder wordt toegepast, met alle nadelige gevolgen van dien voor investeringen.

De rapporteur acht een marktanalysecyclus van vijf jaar dan ook te lang in het geval van zeer dynamische markten en stelt daarom voor om voor dergelijke markten binnen een kortere termijn een volledige marktanalyse door te voeren.

Daarnaast dient het geïntroduceerde flexibiliteitselement dat in de mogelijkheid voorziet dat de nationale regelgevende instanties de marktontwikkelingen ambtshalve onderzoeken, te worden aangevuld met de verplichting dat de nationale regelgevende instanties de situatie opnieuw beoordelen op met redenen omkleed verzoek van een exploitant.

Om onzekerheid te vermijden en om te voorkomen dat verplichtingen vanwege vertraging bij de uitvoering van een marktanalyse van kracht blijven, dienen eerder vastgestelde verplichtingen te vervallen indien de marktanalyse niet binnen de gestelde termijn wordt afgerond. Teneinde eerder en op uniforme wijze in de hele Unie uitvoering te geven aan het wetboek dienen alle nationale regelgevende instanties bestaande verplichtingen op korte termijn na de omzettingsdatum te toetsen aan het nieuwe regelgevingskader.

d) Geografische onderzoeken

Geografische onderzoeken zijn een waardevol instrument, dat reeds door de nationale regelgevende instanties kan worden toegepast. Het zou een onevenredige maatregel zijn om exploitanten op straffe van sancties te verplichten om investeringsprognoses op te stellen, en bovendien zou dit voorbijgaan aan marktgestuurde investeringsbeslissingen. De rapporteur stelt voor om de desbetreffende bepalingen te schrappen.

e) Symmetrische verplichtingen

De rapporteur acht het zinvol en steunt het voorstel om symmetrische verplichtingen in bepaalde omstandigheden uit te breiden teneinde de uitrol van alternatieve netwerken in dunbevolkte gebieden waar geen of weinig vooruitzicht bestaat op concurrentie op infrastructuurgebied te bevorderen. Er mogen evenwel geen symmetrische verplichtingen van toepassing zijn indien deze afbreuk zouden doen aan de economische haalbaarheid van de aanleg van het oorspronkelijk beoogde netwerk.

f) Afgiftetarieven

Ter voorkoming van onnodige hoge lasten en gefragmenteerde nationale benaderingen die ertoe leiden dat de kosten voor internationale gesprekken enkel op grond van de plaats van afgifte variëren, dient de Commissie uiterlijk op de omzettingsdatum maximale tarieven voor vaste en mobiele afgifte vast te stellen in het kader van een vereenvoudigd mechanisme dat rekening houdt met de hoogste tarieven die in de lidstaten van toepassing zijn.

g) "Double-lock"

Er valt veel te zeggen voor de invoering van een "double-locksysteem" voor corrigerende maatregelen. De Commissie heeft thans een vetorecht ten aanzien van de marktdefinitie en de beoordeling van aanmerkelijke marktmacht door de nationale regelgevende instanties, die – net als het regelgevingskader in zijn geheel – berusten op de toepassing van beginselen van het Europese mededingingsrecht en economische beginselen. Het doel is uiteindelijk om de ex ante-regelgeving op te heffen zodra de concurrentie is gewaarborgd, waarna de markt uitsluitend nog door het mededingingsrecht wordt gereguleerd. De Commissie beschikt dan ook over volledige bevoegdheid met betrekking tot corrigerende maatregelen.

SPECTRUM

a) Algemene benadering

Spectrum vormt een essentieel middel voor het verlenen van elektronische-communicatiediensten waarvan door steeds meer actoren gebruik wordt gemaakt. De vraag zal in de toekomst exponentieel toenemen. Voor de connectiviteit van mobiele netwerken van de vijfde generatie is 56 GHz aan extra spectrum nodig. Hiervoor moet tijdig spectrum beschikbaar worden gemaakt en moet het beheer ervan doelgericht worden verbeterd.

De rapporteur is derhalve voorstander van de voorstellen om geavanceerde connectiviteit door een tijdige beschikbaarstelling van spectrum te waarborgen, maatregelen van regelgevende aard te vereenvoudigen, voor meer consistentie en voorspelbaarheid bij de spectrumtoewijzing te zorgen en beter in te spelen op uitdagingen op het gebied van spectrumbeheer.

b) Investeringszekerheid

De door de rapporteur voorgestelde minimumduur van 30 jaar waarborgt dat investeringen rendement opleveren en zorgt voor de nodige voorspelbaarheid om stimulansen te bieden voor een snellere uitrol van geavanceerde netwerken. Om het risico van speculatie tegen te gaan, gaat de langere minimumduur vergezeld van strengere vereisten en middelen om te waarborgen dat het spectrum doeltreffend en efficiënt wordt gebruikt, onder meer door middel van "use it or lose it"-mechanismen.

Om verder bij te dragen tot een optimaal gebruik en investeringszekerheid stelt de rapporteur een aantal amendementen voor om ervoor te zorgen dat de voorwaarden voor het gebruik van individuele rechten niet zonder toestemming van de houders worden gewijzigd, om buitensporige verplichtingen inzake gedeeld gebruik te schrappen, om de verhandeling van spectrum te bevorderen en om te waarborgen dat vergoedingen en reserveprijzen zijn gebaseerd op een behoorlijke analyse van de marktsituatie. Teneinde een op concurrentie berustend spectrumlandschap te garanderen en inconsistente benaderingen te voorkomen, dient in deze context tevens rekening te worden gehouden met de richtsnoeren voor de marktanalyse en de beoordeling van aanmerkelijke marktmacht.

c) Toegang tot openbare gebouwen

Om ervoor te zorgen dat openbare gebouwen, die door belastinggelden gefinancierde sociaaleconomische voorzieningen vormen, kunnen worden gebruikt voor netwerken met zeer hoge capaciteit, stelt de rapporteur voor om in aanvulling op de richtlijn betreffende de verlaging van de kosten voor breedband een toegangsverplichting inzake de implementatie van kleine cellen in te voeren.

d) Beleidsgroep Radiospectrum

De rapporteur stelt voor de rol van de Beleidsgroep Radiospectrum te versterken om de samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van spectrumbeheer meer in het algemeen, en niet slechts met betrekking tot het verhelpen van schadelijke interferentie, te bevorderen. Deze sterkere rol vereist dat de Beleidsgroep Radiospectrum in het wetboek zelf wordt opgenomen, terwijl de kwestie van het secretariaat (dat thans door de Commissie wordt verzorgd) nog moet worden besproken.

BIJLAGEN

bij het

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad

tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie

BIJLAGE I

LIJST VAN VOORWAARDEN DIE KUNNEN WORDEN VERBONDEN AAN ALGEMENE MACHTIGINGEN, GEBRUIKSRECHTEN VOOR RADIOSPECTRUM EN RECHTEN OM NUMMERS TE GEBRUIKEN

Deze bijlage bevat de volledige lijst van voorwaarden die kunnen worden verbonden aan algemene machtigingen voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten ▌, (deel A), elektronische-communicatienetwerken (deel B), elektronische-communicatiediensten ▌(deel C), rechten om radiofrequenties te gebruiken (deel D) en rechten om nummers te gebruiken (deel E).

A. Algemene voorwaarden die aan een algemene machtiging kunnen worden verbonden

1. Administratieve bijdragen overeenkomstig artikel 16 van deze richtlijn.

2. Voor de sector elektronische communicatie specifieke bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer overeenkomstig Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie)(1).

3. Informatie die moet worden verstrekt in het kader van een kennisgevingsprocedure overeenkomstig artikel 12 van deze richtlijn, en voor andere doeleinden als bedoeld in artikel 21 van deze richtlijn.

4. Mogelijkheid van legale onderschepping door de bevoegde nationale instanties overeenkomstig Richtlijn 2002/58/EG en Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens(2).

5. Voorwaarden voor het gebruik van mededelingen van overheidsinstanties aan het algemene publiek om het publiek te waarschuwen voor imminente dreigingen en om de gevolgen van grote rampen te verzachten.

6. Voorwaarden voor gebruik tijdens grote rampen of nationale noodsituaties om de communicatie tussen hulpdiensten en overheidsinstanties te waarborgen.

7. Andere toegangsverplichtingen dan die in artikel 13, lid 2, van deze richtlijn die gelden voor aanbieders van elektronische-communicatienetwerken en -diensten.

8. Maatregelen om de naleving te waarborgen van de in artikel 39 bedoelde normen en/of specificaties.

9. Transparantieverplichtingen voor aanbieders van openbare communicatienetwerken die openbare elektronische-communicatiediensten aanbieden om eind-tot-eindverbindingen te waarborgen overeenkomstig de doelstellingen en beginselen van artikel 3 alsmede, voor zover dit nodig en evenredig is, toegang van de nationale regelgevende instanties tot de informatie die zij nodig hebben om de juistheid van bedoelde bekendmaking te toetsen.

B. specifieke voorwaarden die kunnen worden verbonden aan een algemene machtiging voor het aanbieden van elektronische-communicatienetwerken

1. Interconnectie van netwerken overeenkomstig deze richtlijn.

2. Doorgifteverplichtingen overeenkomstig deze richtlijn.

3. Maatregelen voor de bescherming van de volksgezondheid tegen elektromagnetische velden die worden veroorzaakt door elektronische communicatienetwerken, overeenkomstig het Unierecht , zoveel mogelijk rekening houdend met Aanbeveling 1999/519/EG van de Raad.

4. Handhaving van de integriteit van de openbare communicatienetwerken, overeenkomstig deze richtlijn , mede door preventie van elektromagnetische interferentie tussen elektronische communicatienetwerken en/of -diensten overeenkomstig Richtlijn 89/336/EEG van de Raad van 3 mei 1989 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake elektromagnetische compatibiliteit(3).

5. Beveiliging van openbare netwerken tegen ongeoorloofde toegang overeenkomstig Richtlijn 2002/58/EG (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie).

6. Voorwaarden voor het gebruik van radiospectrum overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn 2014/53/EU, wanneer het gebruik niet is onderworpen aan de verlening van individuele gebruiksrechten overeenkomstig artikel 46, lid 1, en artikel 48.

C. specifieke voorwaarden die kunnen worden verbonden aan een algemene machtiging voor het aanbieden van elektronische-communicatiediensten ▌

1. Interoperabiliteit van diensten overeenkomstig deze richtlijn.

2. Toegankelijkheid voor eindgebruikers van nummers van het nationale nummerplan, nummers van de internationale universele gratis nummers en, waar zulks technisch en economisch haalbaar is, nummers van de nummerplannen van andere lidstaten, en de voorwaarden overeenkomstig deze richtlijn.

3. Voor de sector elektronische communicatie specifieke voorschriften inzake consumentenbescherming.

4. Beperkingen in verband met de doorgifte van onwettige inhoud, overeenkomstig Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt(4), en beperkingen in verband met de doorgifte van onwettige inhoud overeenkomstig Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad(5).

D. Voorwaarden die aan gebruiksrechten voor radiospectrum kunnen worden verbonden

1. Verplichting om een dienst aan te bieden of een soort technologie binnen de grenzen van artikel 49 van deze richtlijn te gebruiken, met inbegrip van in voorkomend geval de vereisten inzake dekking en de kwaliteit van dienstverlening.

2. Daadwerkelijk en efficiënt gebruik van spectrum overeenkomstig deze richtlijn.

3. Technische en operationele voorwaarden ter voorkoming van schadelijke interferentie en voor de bescherming van de volksgezondheid tegen elektromagnetische velden, zoveel mogelijk rekening houdend met Aanbeveling 1999/519/EG van de Raad(6) indien deze voorwaarden afwijken van de in de algemene machtiging opgenomen voorwaarden.

4. Duur en voorwaarden overeenkomstig artikel 49 van deze richtlijn ▌.

5. Overdracht of verhuur op initiatief van de houder van de rechten, van rechten en de daarvoor geldende voorwaarden overeenkomstig deze richtlijn.

6. Gebruiksvergoedingen overeenkomstig artikel 42 van deze richtlijn.

7. Alle toezeggingen die de onderneming die het gebruiksrecht heeft verkregen, in het kader van een proces inzake machtiging of verlenging van een machtiging heeft gedaan voorafgaand aan de verlening van de machtiging of, indien van toepassing, voorafgaand aan de uitnodiging tot het aanvragen van gebruiksrechten.

8. Verplichtingen om radiospectrum te bundelen of te delen of om toegang tot radiospectrum toe te staan aan andere gebruikers in specifieke regio's of op nationaal niveau.

9. Verplichtingen uit hoofde van de relevante internationale overeenkomsten aangaande het gebruik van frequenties.

10. Specifieke verplichtingen voor experimenteel gebruik van radiofrequenties.

E. Voorwaarden die aan gebruiksrechten voor nummers kunnen worden verbonden

1. Aanwijzing van de dienst waarvoor het nummer moet worden gebruikt, met inbegrip van alle vereisten met betrekking tot het verlenen van die dienst alsook, om twijfel te voorkomen, tariefbeginselen en maximumprijzen die voor de specifieke nummerreeks van toepassing kunnen zijn ter waarborging van de bescherming van de consument overeenkomstig artikel 3, lid 2, onder d), van deze richtlijn.

2. Daadwerkelijk en efficiënt gebruik van nummers overeenkomstig deze richtlijn.

3. Eisen inzake nummerportabiliteit overeenkomstig deze richtlijn.

4. De verplichting om aan de in de publieke telefoongidsen opgenomen eindgebruikers informatie te verstrekken, over artikel 104 van deze richtlijn.

5. Maximumduur overeenkomstig artikel 46 van deze richtlijn, onder voorbehoud van wijzigingen van het nationale nummerplan.

6. Overdracht op initiatief van de houder van de rechten, van rechten en de daarvoor geldende voorwaarden overeenkomstig deze richtlijn.

7. Gebruiksvergoedingen overeenkomstig artikel 42 van deze richtlijn.

8. Alle toezeggingen die de onderneming die het gebruiksrecht heeft verkregen, in de loop van een op mededinging gebaseerde of een vergelijkende selectieprocedure heeft gedaan.

9. De verplichtingen uit hoofde van de relevante internationale overeenkomsten aangaande het gebruik van nummers.

10. Verplichtingen inzake het extraterritoriaal gebruik van nummers binnen de Unie teneinde de naleving van voorschriften inzake consumentenbescherming en andere nummergerelateerde voorschriften in andere lidstaten dan de lidstaat van de landcode te waarborgen.

BIJLAGE II

VOORWAARDEN VOOR TOEGANG TOT DIGITALE TELEVISIE- EN RADIO-OMROEPDIENSTEN TEN BEHOEVE VAN KIJKERS EN LUISTERAARS IN DE UNIE

Deel I: Voorwaarden voor systemen van voorwaardelijke toegang overeenkomstig artikel 60, lid 1

De lidstaten zorgen ervoor dat overeenkomstig artikel 60 met betrekking tot de voorwaardelijke toegang tot digitale televisie- en radio-omroepdiensten voor kijkers en luisteraars in de Unie , ongeacht de wijze van doorgifte, de volgende voorwaarden gelden:

  a) alle exploitanten van diensten voor voorwaardelijke toegang, ongeacht de wijze van doorgifte, die diensten voor toegang tot digitale televisie- en radiodiensten aanbieden, waarvan de omroepen afhangen om potentiële kijkers of luisteraars te kunnen bereiken, moeten:

–  alle omroepen op billijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden die in overeenstemming zijn met de mededingingsregels van de Unie , technische diensten aanbieden met behulp waarvan de op digitale wijze doorgegeven diensten van de omroep door gemachtigde kijkers of luisteraars kunnen worden ontvangen door middel van door de exploitant van de betrokken diensten beheerde decoders, en die voldoen aan de mededingingsregels van de Unie;

–  een gescheiden boekhouding voeren met betrekking tot hun activiteiten als aanbieders van voorwaardelijke toegang;

  b) wanneer zij licenties verlenen aan fabrikanten van consumentenapparatuur moeten de houders van industriële-eigendomsrechten op producten en systemen voor voorwaardelijke toegang ervoor zorgen dat dit gebeurt op billijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden. De houders van dergelijke rechten mogen, rekening houdend met technische en commerciële factoren, de verlening van licenties niet binden aan voorwaarden die een verbod leggen op dan wel ontradend of ontmoedigend werken ten aanzien van de verwerking in hetzelfde product van:

–  een gemeenschappelijke interface die een verbinding met verschillende andere toegangsystemen mogelijk maakt, of

–  voor een ander toegangsysteem kenmerkende functies, mits de licentiehouder zich houdt aan de redelijke en passende voorwaarden die, wat hem betreft, moeten zorgen voor de veiligheid van de transacties van de exploitanten van systemen van voorwaardelijke toegang.

Deel II: Andere faciliteiten waaraan uit hoofde van artikel 59, lid 1, onder d), voorwaarden kunnen worden opgelegd

  a) Toegang tot applicatieprogramma-interfaces (API's)

  b) Toegang tot elektronische programmagidsen (EPG's)  

c) toegang tot gerelateerde aanvullende diensten, dwz toegankelijkheidsdiensten om een passende toegang te bieden voor eindgebruikers met een handicap en dataondersteunende connected televisiediensten en elektronische programmagidsen.

BIJLAGE III

Criteria voor de vaststelling van gespreksafgiftetarieven op groothandelsniveau

Criteria en parameters voor de vaststelling van tarieven voor gespreksafgifte op groothandelsniveau op vaste en mobiele markten als bedoeld in artikel 73, lid 4:

c)  de relevante incrementele kosten van de gespreksafgiftediensten op groothandelsniveau worden vastgesteld op basis van het verschil tussen de totale langetermijnkosten van een exploitant die het volledige gamma van diensten verleent en de totale langetermijnkosten van een exploitant die geen gespreksafgiftediensten op groothandelsniveau aan derden verschaft;

d)  van de kosten die met het verkeer samenhangen, worden alleen kosten die vermeden kunnen worden wanneer geen gespreksafgiftediensten op groothandelsniveau worden geleverd, toegerekend aan het relevante afgifte-increment;

e)  kosten die samenhangen met aanvullende netwerkcapaciteit worden alleen opgenomen voor zover deze ontstaan door de noodzaak om de capaciteit te verhogen met het oog op extra verkeer betreffende gespreksafgifte op groothandelsniveau;

f)  vergoedingen inzake radiospectrum worden uitgesloten van het mobiele afgifte-increment;

g)  van de commerciële kosten op groothandelsniveau worden alleen de kosten opgenomen die rechtstreeks verband houden met het aanbieden van de gespreksafgiftedienst op groothandelsniveau aan derden;

h)  alle exploitanten van vaste netwerken worden geacht gespreksafgiftediensen aan te bieden tegen dezelfde kosten per eenheid als de efficiënte exploitant, ongeacht hun omvang;

i)  voor exploitanten van mobiele netwerken wordt de minimale efficiënte schaal vastgesteld op een marktaandeel van ten minste 20 %;

j)  de relevante benadering voor de waardevermindering van activa is economische waardevermindering; en

k)  de keuze betreft de technologie van de gemodelleerde netwerken is toekomstgericht, gebaseerd op een IP-kernnetwerk, rekening houdend met de verschillende technologieën die waarschijnlijk zullen worden gebruikt gedurende de geldigheidsperiode van het maximale tarief. In het geval van vaste netwerken, wordt ervan uitgegaan dat gesprekken uitsluitend pakketgeschakeld zijn.

BIJLAGE IV

CRITERIA VOOR DE BEOORDELING VAN AANBIEDINGEN BETREFFENDE MEDE-INVESTERINGEN

Wanneer de nationale regelgevende instantie een ▌mede-investering overeenkomstig artikel 74, lid 1, onder d) beoordeelt, controleert zij of aan de volgende criteria is voldaan:

l)  De ▌mede-investering staat op niet-discriminerende basis gedurende de levensduur van het door middel van een aanbieding betreffende mede-investeringen aangelegde netwerk open voor alle ondernemingen. De AMM-exploitant kan ▌redelijke voorwaarden vaststellen betreffende de financiële capaciteit van ondernemingen ▌, waarbij bijvoorbeeld is bepaald dat potentiële mede-investeerders moeten aantonen dat zij in staat zijn gefaseerde betalingen uit te voeren op basis waarvan de implementatie wordt gepland, de aanvaarding van een strategisch plan op basis waarvan implementatieplannen voor de middellange termijn worden uitgestippeld enz.

m)  De ▌mede-investering is transparant:

–  de voorwaarden moeten beschikbaar en gemakkelijk te identificeren zijn op de website van de AMM-exploitant;

–  de volledige voorwaarden, inclusief alle bijzonderheden, moeten ter beschikking worden gesteld van alle potentiële bieders die belangstelling voor de aanbieding hebben, met inbegrip van de rechtsvorm van de overeenkomst betreffende mede-investering en – indien relevant – de belangrijkste governancevoorschriften van het mede-investeringsvehikel; en

–  het proces, waaronder het stappenplan voor de oprichting en ontwikkeling van het mede-investeringsproject, moet van tevoren worden vastgesteld, het moet op duidelijke wijze schriftelijk aan alle potentiële mede-investeerders worden uiteengezet, en alle significante mijlpalen moeten op niet-discriminerende wijze aan alle ondernemingen worden meegedeeld.

n)  De ▌mede-investering omvat voorwaarden voor potentiële investeerders op basis waarvan duurzame concurrentie op de lange termijn wordt bevorderd, met name:

–  Aan alle ondernemingen moeten billijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden worden aangeboden voor de deelname aan een overeenkomst betreffende de mede-investering naargelang van het tijdstip waarop zij partij worden, onder meer wat betreft een verplichte financiële bijdrage voor de verwerving van specifieke rechten, wat betreft de bescherming van de mede-investeerders op grond van die rechten, zowel tijdens de aanlegfase als tijdens de exploitatiefase, bijvoorbeeld door het verlenen van onvervreemdbare gebruiksrechten (IRU – Indefeasible Rights of Use) voor de verwachte levensduur van het netwerk waarin mede-investering plaatsvindt, en wat betreft de voorwaarden voor de deelname aan en eventuele opzegging van de overeenkomst betreffende mede-investering. Niet-discriminerende voorwaarden houden in deze context niet in dat aan alle potentiële mede-investeerders precies dezelfde voorwaarden, met inbegrip van financiële voorwaarden, moeten worden aangeboden, maar dat alle varianten van de aangeboden voorwaarden gerechtvaardigd moeten zijn op basis van dezelfde objectieve, transparante, niet-discriminerend en voorspelbare criteria, zoals het aantal vastgelegde eindgebruikerslijnen.

–  Zij moeten voorzien in flexibiliteit wat betreft de waarde en looptijd van de verbintenissen die door elke mede-investeerder worden aangegaan, bijvoorbeeld door middel van een overeengekomen en potentieel toenemend percentage van de totale eindgebruikerslijnen in een bepaald gebied, waartoe de mede-investeerders zich geleidelijk kunnen verbinden, vastgesteld op een niveau per eenheid dat kleinere mede-investeerders de mogelijkheid geeft hun deelname geleidelijk te verhogen, terwijl adequate niveaus van oorspronkelijke verbintenissen worden gewaarborgd. Bij de vaststelling van de door elke mede-investeerder te leveren financiële bijdrage moet rekening worden gehouden met het feit dat vroege investeerders grotere risico's lopen en eerder kapitaal inbrengen.

–  Een geleidelijk toenemende premie moet als gerechtvaardigd worden beschouwd voor verbintenissen die in een later stadium worden aangegaan en voor nieuwe mede-investeerders die instappen in de mede-investering nadat het project van start is gegaan, zodat rekening wordt gehouden met afnemende risico's en wordt voorkomen dat er prikkels van uitgaan om kapitaal niet in een vroeg stadium in te brengen.

–  In het kader van de overeenkomst betreffende de mede-investering moet het mogelijk zijn dat mede-investeerders verkregen rechten overdragen aan andere mede-investeerders of aan derden die bereid zijn partij te worden bij de overeenkomst betreffende de mede-investering, mits de overnemende partij verplicht wordt om alle in het kader van de overeenkomst betreffende de mede-investering aan de overdragende partij opgelegde oorspronkelijke verplichtingen na te leven.

–  De mede-investeerders moeten elkaar onder billijke en redelijke voorwaarden wederzijdse rechten verlenen betreffende toegang tot infrastructuur waarop de mede-investering betrekking heeft met als doel het downstream aanbieden van diensten, onder meer aan eindgebruikers, op basis van transparante voorwaarden die duidelijk zijn vastgelegd in de aanbieding betreffende mede-investeringen en de daaropvolgende overeenkomst, met name wanneer de mede-investeerders individueel en afzonderlijk verantwoordelijk zijn voor de implementatie van specifieke onderdelen van het netwerk. Indien een mede-investeringsvehikel wordt gecreëerd, moet dit, direct of indirect, voorzien in toegang tot het netwerk voor alle mede-investeerders, op basis van de gelijkwaardigheid van inputs en onder billijke en redelijke voorwaarden, met inbegrip van financiële voorwaarden waarin rekening is gehouden met de verschillende risiconiveaus die de afzonderlijke mede-investeerders aanvaarden.

o)  Met de ▌mede-investering wordt een duurzame investering gewaarborgd waarmee waarschijnlijk tegemoet wordt gekomen aan toekomstige behoeften, doordat nieuwe netwerkelementen worden geïmplementeerd die aanzienlijk bijdragen tot de implementatie van netwerken met een zeer hoge capaciteit.

BIJLAGE V

LIJST VAN DIENSTEN DIE DE INTERNETTOEGANGSDIENST OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 79, LID 2, KAN ONDERSTEUNEN

(2)  e-mail

(3)  zoekmachines waarmee allerlei soorten informatie kunnen worden opgezocht en gevonden

(4)  online-basisinstrumenten voor opleiding en onderwijs

(5)  online-kranten/-nieuws

(6)  online goederen en diensten kopen/bestellen

(7)  opzoeken van vacatures en instrumenten daarvoor

(8)  professionele netwerken

(9)  internetbankieren

(10)  gebruik van e-overheidsdiensten

(11)  sociale media en chatten

(12)  gesprekken en videogesprekken (standaardkwaliteit)

BIJLAGE VI

BESCHRIJVING VAN FACILITEITEN EN DIENSTEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 83 (CONTROLE VAN DE UITGAVEN), ARTIKEL 107 (EXTRA FACILITEITEN) EN ARTIKEL 99 (WIJZIGING VAN AANBIEDER EN NUMMERPORTABILITEIT)

Deel A: Faciliteiten en diensten als bedoeld in artikel 83

a) Gespecificeerde rekeningen

De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties, onverminderd de voorschriften van de relevante wetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer, het basisniveau van specificatie van rekeningen kunnen vaststellen dat ondernemingen kosteloos aan de eindgebruikers moeten verstrekken, zodat deze:

  i) de kosten van het gebruik van het openbare communicatienetwerk op een vaste locatie en/of spraakcommunicatie, of nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten in het geval van artikel 107 kunnen verifiëren en controleren; en

  ii) adequaat toezicht kunnen houden op hun gebruik en uitgaven en zodoende in redelijke mate hun rekeningen kunnen beheersen.

In voorkomend geval kan de eindgebruiker tegen een redelijke vergoeding of gratis een hogere mate van detaillering worden aangeboden.

De gespecificeerde rekeningen bevatten een uitdrukkelijke verwijzing naar de identiteit van de aanbieder en naar de aard en de duur van diensten in verband met betaalnummers die bij de eindgebruiker in rekening worden gebracht.

Gesprekken die voor de oproepende eindgebruiker kosteloos zijn, met inbegrip van gesprekken met hulplijnen, worden niet op de gespecificeerde factuur van de oproepende eindgebruiker vermeld, maar kunnen via andere middelen, zoals online-interfaces, beschikbaar worden gesteld.

De nationale regelgevende instanties kunnen van de exploitanten verlangen dat zij identificatie van de oproepende lijn kosteloos ter beschikking stellen.

b) Kosteloze selectieve nummerblokkering bij uitgaand telefoonverkeer of Premium-SMS- of MMS-berichten of, waar technisch mogelijk, andere soorten van soortgelijke toepassingen

dat wil zeggen de faciliteit waarbij de eindgebruiker de aanbieder van spraakcommunicatiediensten nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten in het geval van artikel 107 kan verzoeken kosteloos bepaalde categorieën uitgaande gesprekken of Premium-SMS-of MMS-berichten of andere soorten van soortgelijke toepassingen van of naar bepaalde categorieën nummers te blokkeren.

c) Vooruitbetalingssystemen

De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties kunnen verlangen dat ondernemingen in middelen voorzien waarbij de consumenten voor de toegang tot het openbare communicatienetwerk en het gebruik van spraakcommunicatiediensten , of nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten in het geval van artikel 107, vooruitbetalen.

d) Termijnbetaling van aansluitingskosten

De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties kunnen verlangen dat ondernemingen de consument de mogelijkheid bieden voor de aansluiting op het openbare communicatienetwerk in termijnen te betalen.

e) Wanbetaling

De lidstaten staan toe dat, wanneer telefoonrekeningen van ondernemingen niet worden betaald, specifieke maatregelen worden getroffen die in verhouding staan tot de ernst van de wanbetaling, niet-discriminerend zijn en worden bekendgemaakt. Bij deze maatregelen wordt de eindgebruiker vooraf naar behoren gewaarschuwd over een aanstaande onderbreking van de dienstverlening of voor verbreking van de aansluiting. Behalve in geval van fraude, aanhoudend te laat of niet betaalde rekeningen, moeten deze maatregelen waarborgen dat een eventuele onderbreking van de dienstverlening, voor zover dat technisch mogelijk is, beperkt blijft tot de betrokken dienst. Verbreking van de aansluiting wegens wanbetaling mag slechts plaatsvinden nadat de eindgebruiker naar behoren is gewaarschuwd. De lidstaten kunnen alvorens tot volledige verbreking van de aansluiting wordt overgegaan, een periode van beperkte dienstverlening toestaan waarin alleen gesprekken mogelijk zijn die geen kosten voor de eindgebruiker met zich brengen (b.v. "112"-oproepen).

f) Tariefadvies

dat wil zeggen de faciliteit waarbij eindgebruikers de onderneming kunnen verzoeken om hen te informeren over alternatieve, goedkopere tarieven, als deze beschikbaar zijn.

g) Kostenbeheersing

dat wil zeggen de faciliteit waarbij ondernemingen andere instrumenten aanbieden, als deze als adequaat zijn aangemerkt door de nationale regelgevende instanties, om de kosten van spraakcommunicatiediensten , of nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten in het geval van artikel 107, te beheersen, inclusief kosteloze waarschuwingen voor consumenten in geval van abnormale of excessieve consumptiepatronen.

Deel B: Faciliteiten als bedoeld in artikel 107

Identificatie van de oproepende lijn

Aan de opgeroepene wordt het abonneenummer van de oproeper meegedeeld voordat de oproep tot stand is gebracht.

Bij het ter beschikking stellen van deze faciliteit moet rekening worden gehouden met de relevante wetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer, met name Richtlijn 2002/58/EG (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie).

Exploitanten moeten, voor zover dat technisch haalbaar is, gegevens en signalen beschikbaar stellen om het aanbieden van identificatie van de oproeplijn en toonkiezen over de grenzen van de lidstaten te vergemakkelijken.

Deel C: Tenuitvoerlegging van de bepalingen betreffende nummerportabiliteit als bedoeld in artikel 99

De eis dat alle eindgebruikers met nummers van het nationale telefoonnummerplan die daarom verzoeken hun nummer(s) kunnen behouden ongeacht de onderneming die de dienst levert, geldt:

  a) in het geval van geografische nummers, op een specifieke locatie; en

  b) in het geval van niet geografische nummers, voor elke locatie.

Dit deel is niet van toepassing op de portabiliteit van nummers tussen netwerken die diensten leveren op een vaste locatie en mobiele netwerken.

BIJLAGE VII

BEREKENING VAN EVENTUELE NETTOKOSTEN VAN UNIVERSELEDIENSTVERPLICHTINGEN EN INSTELLING VAN EEN REGELING VOOR KOSTENDEKKING OF GEZAMENLIJKE FINANCIERING OVEREENKOMSTIG DE ARTIKELEN 84 EN 85

DEEL A: BEREKENING VAN DE NETTOKOSTEN

Onder universeledienstverplichtingen worden de verplichtingen verstaan die een lidstaat een onderneming oplegt in verband met het aanbieden van universele dienstverlening als bedoeld in de artikelen 79, 81 en 82 .

De nationale regelgevende instanties onderzoeken alle middelen voor geschikte stimulansen om (al dan niet aangewezen) ondernemingen aan te zetten tot een kostenefficiënte vervulling van universeledienstverplichtingen. Bij de berekening wordt ervan uitgegaan dat de nettokosten van universeledienstverplichtingen het verschil vormen tussen de nettokosten voor elke onderneming van het werken met universeledienstverplichtingen en het werken zonder universeledienstverplichtingen. Er dient gepaste aandacht te worden geschonken aan de juiste raming van de kosten die een onderneming zou hebben vermeden, indien er geen universeledienstverplichting zou zijn. Bij het berekenen van de nettokosten moeten de voordelen, met inbegrip van de immateriële voordelen, van de universele dienst voor de exploitant in aanmerking worden genomen.

De berekening wordt gebaseerd op de kosten die toe te schrijven zijn aan:

  i) elementen van de diensten die slechts met verlies of op voorwaarden die buiten de normale commerciële normen vallen kunnen worden geleverd.

  Deze categorie kan elementen van de dienst omvatten zoals de toegang tot alarmtelefoondiensten, aanbieding van bepaalde openbare betaaltelefoons, verstrekking van bepaalde diensten of apparaten voor gehandicapten, enz.;

  ii) specifieke eindgebruikers of groepen van eindgebruikers die, rekening houdend met de kosten van het aanbieden van het gespecificeerde netwerk en de gespecificeerde dienst, het gegenereerde inkomen en geografische prijsgemiddelden die door de lidstaat zijn opgelegd, slechts met verlies of op voorwaarden die buiten de normale commerciële normen vallen kunnen worden bediend.

  Deze categorie omvat die eindgebruikers of groepen van eindgebruikers die zonder de verplichting tot het aanbieden van de universele dienst niet zouden worden bediend door een commerciële exploitant.

De nettokosten van specifieke aspecten van universeledienstverplichtingen worden afzonderlijk berekend, teneinde dubbeltelling van bepaalde directe of indirecte voordelen en kosten te vermijden. De totale nettokosten van universeledienstverplichtingen voor een onderneming worden berekend als de som van de nettokosten die uit de specifieke componenten van universeledienstverplichtingen voortvloeien, rekening houdend met alle immateriële voordelen. De bevoegdheid voor het verifiëren van de nettokosten berust bij de nationale regelgevende instantie.

DEEL B: DEKKING VAN DE NETTOKOSTEN VAN UNIVERSELEDIENSTVERPLICHTINGEN

Ter dekking of financiering van de nettokosten van universeledienstverplichtingen dienen aangewezen ondernemingen met universeledienstverplichtingen te worden vergoed voor de diensten die zij op niet-commerciële voorwaarden aanbieden. Omdat een dergelijke vergoeding gepaard gaat met overdrachten van financiële middelen, zorgen de lidstaten ervoor dat deze overdrachten op een objectieve, transparante, niet-discriminerende en evenredige manier plaatsvinden. Dit betekent dat de overdrachten leiden tot zo gering mogelijke verstoring van de concurrentieverhoudingen en de gebruikersvraag.

Overeenkomstig artikel 85, lid 3, dient een gezamenlijke financieringsregeling op basis van een fonds een transparant en neutraal middel voor het innen van de bijdragen te zijn, dat het gevaar vermijdt van dubbele belasting op zowel de output als de input van ondernemingen.

De onafhankelijke instantie die het fonds beheert, is belast met het innen van de bijdragen van ondernemingen die worden geacht bij te dragen aan de nettokosten van universeledienstverplichtingen in de lidstaat, en ziet toe op de overdracht van de verschuldigde bedragen en/of administratieve betalingen aan de ondernemingen die recht hebben op uitkeringen uit het fonds.

BIJLAGE VIII

OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 96 TE PUBLICEREN INFORMATIE

(TRANSPARANTIE EN PUBLICATIE VAN INFORMATIE)

De nationale regelgevende instantie moet ervoor zorgen dat de informatie in deze bijlage overeenkomstig artikel 96 wordt bekendgemaakt. Het is aan de nationale regelgevende instantie om te bepalen welke informatie relevant is te worden gepubliceerd door de aanbieders van internettoegangsdiensten en aanbieders van openbare nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten, en welke informatie door de nationale regelgevende instantie zelf, opdat alle eindgebruikers in staat worden gesteld geïnformeerde keuzes te maken. Als dit nodig wordt geacht, mogen de nationale regelgevende instanties zelf- of mederegulerende maatregelen bevorderen alvorens verplichtingen op te leggen.

1. Contactgegevens van de onderneming

2. Beschrijving van de aangeboden diensten

2.1.  Omvang van de aangeboden diensten en de belangrijkste kenmerken van elke aangeboden dienst, met inbegrip van minimumniveaus van de kwaliteit van de aangeboden dienstverlening en door de aanbieder opgelegde beperkingen inzake het gebruik van geleverde eindapparatuur, en toegankelijke informatie over de werking van de dienst alsook de toegankelijkheidskenmerken en faciliteiten ervan.

2.2.  Tarieven van de aangeboden diensten, inclusief informatie over communicatievolumes (zoals beperkingen op het gebied van dataverbruik, aantal gespreksminuten, aantal sms'en) van specifieke tariefplannen en de toepasselijke tarieven voor extra communicatie-eenheden, nummers of diensten waarvoor bijzonder prijsstellingsvoorwaarden gelden, toegangstarieven en onderhoudstarieven alle soorten gebruikstarieven, bijzondere en gerichte tariefregelingen en alle extra kosten, alsmede kosten met betrekking tot eindapparatuur.

2.3. After-sales- en onderhoudsdiensten die worden aangeboden en de bijbehorende contactgegevens .

2.4. Algemene voorwaarden, met inbegrip van de contractduur , kosten die moeten worden betaald bij vroegtijdige beëindiging van het contract, rechten in verband met de beëindiging van gebundelde aanbiedingen of van elementen daarvan, en procedures en directe kosten in verband met de portabiliteit van nummers en andere identificatoren, wanneer relevant.

2.5.  Informatie aan eindgebruikers over de toegang tot noodhulpdiensten en locatiegegevens van de beller. Indien de onderneming een aanbieders van nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten is, informatie over de toegang tot noodhulpdiensten en informatie over de locatie van de beller en eventuele beperkingen waaraan de toegang daartoe onderhevig is.

2.6.  Details van producten en diensten die zijn ontworpen voor gebruikers met een handicap, met inbegrip van functies, praktijken, richtlijnen en procedures, en wijzigingen aan de werking van de dienstverlening die zijn bedoeld om in te spelen op de behoeften van personen met een functionele beperking.

(2.6 bis.)  Toegankelijke informatie om het gebruik in aanvulling op ondersteunende diensten te vereenvoudigen.

3. Regelingen voor geschillenbeslechting, met inbegrip van door de onderneming opgestelde regelingen.

BIJLAGE IX

PARAMETERS VOOR DE KWALITEIT VAN DE DIENST

Parameters, definities en meetmethoden voor de kwaliteit van de dienst zoals bedoeld in artikel 97

Voor aanbieders van toegang tot een openbaar communicatienetwerk

PARAMETER

(Noot 1)

DEFINITIE

MEETMETHODE

wachttijd bij eerste aansluiting op het net

ETSI EUROPESE GEMEENSCHAP 202 057

ETSI EUROPESE GEMEENSCHAP 202 057

storingspercentage per toegangslijn

ETSI EUROPESE GEMEENSCHAP 202 057

ETSI EUROPESE GEMEENSCHAP 202 057

storingshersteltijd

ETSI EUROPESE GEMEENSCHAP 202 057

ETSI EUROPESE GEMEENSCHAP 202 057

Voor nummergebaseerde persoonlijke communicatiediensten

PARAMETER

(Noot 2)

DEFINITIE

MEETMETHODE

benodigde tijd voor het ontvangen van de kiestoon

ETSI EUROPESE GEMEENSCHAP 202 057

ETSI EUROPESE GEMEENSCHAP 202 057

klachten over onjuiste rekeningen

ETSI EUROPESE GEMEENSCHAP 202 057

ETSI EUROPESE GEMEENSCHAP 202 057

kwaliteit van de spraakverbinding

ETSI EUROPESE GEMEENSCHAP 202 057

ETSI EUROPESE GEMEENSCHAP 202 057

percentage afgebroken gesprekken

ETSI EUROPESE GEMEENSCHAP 202 057

ETSI EUROPESE GEMEENSCHAP 202 057 

percentage mislukte oproepen

(Noot 2)

ETSI EUROPESE GEMEENSCHAP 202 057

ETSI EUROPESE GEMEENSCHAP 202 057

foutwaarschijnlijkheid

 

 

vertragingen gesprekssignalering

 

 

  Het versienummer van ETSI Europese Gemeenschap 202 057-1 is 1.3.1 (juli 2008)

Voor internettoegangsdiensten

PARAMETER

DEFINITIE

MEETMETHODE

Latentietijd (wachttijd)

ITU-T Y.2617

ITU-T Y.2617

variatie in vertraging

ITU-T Y.2617

ITU-T Y.2617

pakketverlies

ITU-T Y.2617

ITU-T Y.2617

Noot 1:

De parameters moeten een analyse van de kwaliteit op regionaal niveau (d.w.z. ten minste op niveau 2 van de door Eurostat vastgestelde nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS)) mogelijk maken.

Noot 2

Wanneer bewijzen beschikbaar zijn dat de prestaties op deze beide gebieden bevredigend zijn, kunnen de lidstaten besluiten niet te eisen dat actuele informatie betreffende de prestaties voor deze twee parameters wordt bijgehouden.

BIJLAGE X

INTEROPERABILITEIT VAN CONSUMENTENAPPARATUUR BEDOELD IN ARTIKEL 105

1. Gemeenschappelijke coderingsalgoritme en ontvangst van vrije signalen

Alle voor de ontvangst van conventionele digitale televisiesignalen (dat wil zeggen de ontvangst van uitzendingen via terrestrische, kabel- of satellietverbinding die met name bedoeld is voor vaste ontvangst, zoals DVB-T, DVB-C of DVB-S) bestemde consumentenapparatuur die in de Unie wordt verkocht of verhuurd of anderszins ter beschikking wordt gesteld en waarmee digitale televisiesignalen kunnen worden gedecodeerd, moet geschikt zijn om:

–  het decoderen van dergelijke signalen mogelijk te maken overeenkomstig een gemeenschappelijke Europese coderingsalgoritme zoals beheerd door een erkende Europese normalisatie-instelling, momenteel ETSI;

–  signalen weer te geven die ongecodeerd zijn uitgezonden, met dien verstande dat, ingeval dergelijke apparatuur wordt gehuurd, de huurder aan de desbetreffende huurovereenkomst voldoet.

2. Interoperabiliteit voor digitale televisietoestellen

Digitale televisietoestellen met een integraal scherm waarvan de zichtbare diagonaal groter is dan 30 cm die in de Unie worden verkocht of verhuurd, moeten zijn voorzien van ten minste één open interface contrastekker (zoals genormaliseerd, of in overeenstemming met een norm die is vastgesteld, door een erkend Europees normalisatie-instituut of in overeenstemming met een door de industrie algemeen aanvaarde specificatie), b.v. de gemeenschappelijke interfaceconnector DVB, waarmee eenvoudige aansluiting van randapparatuur mogelijk is en die alle relevante elementen van een digitaal televisiesignaal doorlaat, met inbegrip van informatie betreffende interactieve en voorwaardelijk toegankelijke diensten. Digitale televisie-eindapparatuur moet, waar technisch haalbaar, interoperabel zijn, zodat zij zonder problemen verder kan worden gebruikt voor diensten van andere aanbieders.

2 bis.  FUNCTIONALITEIT VAN RADIOTOESTELLEN

Elk radiotoestel dat in de handel wordt gebracht in de Unie gesteld vanaf [datum van omzetting], kan digitale en analoge terrestrische radio-uitzendingen ontvangen. Dit lid is niet van toepassing op radioapparatuur met een lage waarde, kleine radioapparatuur of producten waarvan de ontvanger uitsluitend van bijkomend belang is. Evenmin is het toepassing op door radioamateurs gebruikte radioapparatuur als bedoeld in artikel 1, definitie 56, van het radioreglement van de Internationale Unie voor Telecommunicatie (ITU).

BIJLAGE XI

Deel A

Ingetrokken richtlijnenmet [lijst van de successievelijke amendement(en) daarop]

(als bedoeld in artikel 116)

Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 108 van, 24.4.2002, blz. 33)

 

 

Richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 337 van 18.12.2009, blz. 37)

 

Artikel 1

 

Verordening (EG) nr. 544/2009 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 167 van 29.6.2009, blz. 12)

 

Artikel 2

 

Verordening (EG) nr. 717/2007 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 171 van 29.6.2007, blz. 32)

 

Artikel 10

Richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 108 van 24.4.2002, blz. 21)

 

 

Richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 337 van 18.12.2009, blz. 37)

 

Artikel 3 en bijlage

Richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 108 van 24.4.2002, blz. 7)

 

 

Richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 337 van 18.12.2009, blz. 37)

 

Artikel 2

Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 108 van 24.4.2002, blz. 51)

 

 

Richtlijn 2009/136/EG van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 337 van 18.12.2009, blz. 11)

 

Artikel 1 en bijlage I

 

Verordening (EU) 2015/2120 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 310 van 26.11.2015, blz. 1)

 

Artikel 8

Deel B

Termijnen voor omzetting in nationaal recht [en toepassingsdatum/-data]

(als bedoeld in artikel 116)

Richtlijn

Termijn voor omzetting

Toepassingsdatum

 

2002/19/EG

24 juli 2003

25 juli 2003

2002/20/EG

2002/21/EG

24 juli 2003

24 juli 2003

25 juli 2003

25 juli 2003

2002/22/EG

24 juli 2003

25 juli 2003

BIJLAGE XII

Concordantietabel

Richtlijn 2002/21/EG

Richtlijn 2002/20/EG

Richtlijn 2002/19/EG

Richtlijn 2002/22/EG

Deze richtlijn

Artikel 1, leden 1, 2 en 3

 

 

 

Artikel 1, leden 1, 2 en 3

Artikel 1, lid 3, onder a)

 

 

 

Artikel 1, lid 4

Artikel 1, leden 4 en 5

 

 

 

Artikel 1, leden 5 en 6

Artikel 2, onder a)

 

 

 

Artikel 2, lid 1,

-

-

-

-

Artikel 2, lid 2

Artikel 2, onder b)

 

 

 

Artikel 2, lid 3

Artikel 2, onder c)

 

 

 

Artikel 2, lid 4

-

-

-

-

Artikel 2, lid 5

-

-

-

-

Artikel 2, lid 6

Artikel 2, lid 7

Artikel 2, onder d)

 

 

 

Artikel 2, lid 8

Artikel 2, onder d bis)

 

 

 

Artikel 2, lid 9

Artikel 2, onder e)

 

 

 

Artikel 2, lid 10

Artikel 2, onder e bis)

 

 

 

Artikel 2, lid 11

Artikel 2, onder f)

 

 

 

Artikel 2, lid 12

Artikel 2, onder g)

 

 

 

-

Artikel 2, onder h)

 

 

 

Artikel 2, lid 13

Artikel 2, onder i)

 

 

 

Artikel 2, lid 14

Artikel 2, onder j)

 

 

 

-

Artikel 2, onder k)

 

 

 

-

Artikel 2, onder l)

 

 

 

-

Artikel 2, onder m)

 

 

 

Artikel 2, lid 15

Artikel 2, onder n)

 

 

 

Artikel 2, lid 16

Artikel 2, onder o)

 

 

 

Artikel 2, lid 17

Artikel 2, onder p)

 

 

 

Artikel 2, lid 18

Artikel 2, onder q)

 

 

 

Artikel 2, lid 19

Artikel 2, onder r)

 

 

 

Artikel 2, lid 20

Artikel 2, onder s)

 

 

 

Artikel 2, lid 21

-

-

-

-

Artikel 2, lid 22

Artikel 3,lid 1

 

 

 

Artikel 5, lid 1

-

-

-

-

Artikel 5, lid 2