Procedure : 2016/2245(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0329/2017

Ingediende teksten :

A8-0329/2017

Debatten :

PV 13/11/2017 - 19
CRE 13/11/2017 - 19

Stemmingen :

PV 14/11/2017 - 5.6
CRE 14/11/2017 - 5.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0427

VERSLAG     
PDF 392kWORD 79k
23.10.2017
PE 604.887v02-00 A8-0329/2017

over de inzet van cohesiebeleidsinstrumenten door regio's om demografische veranderingen aan te pakken

(2016/2245(INI))

Commissie regionale ontwikkeling

Rapporteur: Iratxe García Pérez

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
  TOELICHTING
 STANDPUNT IN DE VORM VAN AMENDEMENTEN VAN DE COMMISSIE RECHTEN VAN DE VROUW EN GENDERGELIJKHEID
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de inzet van cohesiebeleidsinstrumenten door regio's om demografische veranderingen aan te pakken

(2016/2245(INI))

Het Europees Parlement,

  gezien de artikelen 174 en 175 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad(1),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling "Investeren in groei en werkgelegenheid", en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking"(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1302/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1082/2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS), wat de verduidelijking, vereenvoudiging en verbetering van de oprichting en werking van dergelijke groeperingen betreft(5),

–  gezien zijn resolutie van 4 februari 2016 over de specifieke situatie van eilanden(6),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1300/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1084/2006 van de Raad(7),

–  gezien zijn resolutie van 4 april 2017 over vrouwen en hun rol in plattelandsgebieden(8),

  gezien zijn resolutie van 10 mei 2016 over cohesiebeleid in de berggebieden van de EU(9),

  gezien zijn resolutie van 9 september 2015 over het verslag over de uitvoering, resultaten en algehele beoordeling van het Europees Jaar voor actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties 2012(10),

  gezien zijn resolutie van 10 mei 2016 over nieuwe instrumenten voor territoriale ontwikkeling in het cohesiebeleid 2014-2020: geïntegreerde territoriale investeringen (ITI) en door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling (CLLD)(11),

  gezien zijn resolutie van 15 november 2011 over demografische verandering en de gevolgen daarvan voor het toekomstig cohesiebeleid van de EU(12),

  gezien zijn resolutie van 11 november 2010 over demografische vraagstukken en de solidariteit tussen de generaties(13),

  gezien zijn resolutie van 22 september 2010 over een Europese strategie voor de economische en sociale ontwikkeling van berggebieden, eilanden en dunbevolkte gebieden(14),

  gezien zijn resolutie van 21 februari 2008 over de demografische toekomst van Europa(15),

  gezien zijn resolutie van 23 maart 2006 over demografische vraagstukken en de solidariteit tussen de generaties(16),

  gezien het verslag van de Commissie met als titel "The 2015 Ageing Report. Economic and budgetary projections for the 28 EU Member States (2013-2060)" (European Economy 3|2015),

  gezien het zesde verslag van de Commissie over economische, sociale en territoriale cohesie, getiteld "Investeren in groei en werkgelegenheid – Bevorderen van ontwikkeling en goed bestuur in regio's en steden van de EU" van 23 juli 2014,

  gezien de mededeling van de Commissie van woensdag 26 april 2017 getiteld "Een initiatief om het evenwicht tussen werk en privéleven voor werkende ouders en mantelzorgers te ondersteunen" (COM(2017) 0252),

  gezien de mededeling van de Commissie 29 april 2009 getiteld "Opvangen van de gevolgen van de vergrijzing in de EU (Vergrijzingsverslag 2009)", (COM(2009)0180),

  gezien de mededeling van de Commissie van 10 mei 2007 getiteld "Meer solidariteit tussen de generaties" (COM(2007)0244),

  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "De demografische toekomst van Europa: probleem of uitdaging?" van 12 oktober 2006 (COM(2006)0571),

  gezien de mededeling van de Commissie van 16 maart 2005 getiteld "Actieplan: 'Demografische veranderingen: naar een nieuwe solidariteit tussen de generaties'" (COM(2005)0094),

  gezien de mededeling van de Commissie van 6 mei 2015 getiteld "Strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa" (COM(2015)0192),

  gezien het advies van het Europees Comité van de regio's van 16 juni 2016 over de reactie van de EU op de demografische verandering(17),

   gezien de studie van september 2013 van zijn directoraat-generaal Intern Beleid (beleidsondersteunende afdeling B: Structuur- en Cohesiebeleid), getiteld "Hoe kunnen demografische problemen worden aangepakt met regionaal en cohesiebeleid?",

  gezien de ESPON-publicatie getiteld "Revealing territorial potentials and shaping new policies in specific types of territories in Europe: islands, mountains, sparsely populated and coastal regions’(18),

  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0329/2017),

A.  overwegende dat demografische verandering tegenwoordig een reëel probleem vormt in Europa en de rest van de wereld en een van de belangrijkste problemen is, niet alleen in het algemeen, maar ook voor de lokale ontwikkeling en het territoriale ontwikkelingsbeleid in de EU, samen met werkgelegenheidgerelateerde problemen, ongecontroleerde globalisering, klimaatverandering, de overgang naar een koolstofarme economie en de uitdagingen op het gebied van industriële en technologische ontwikkeling en sociale en economische inclusiviteit;

B.  overwegende dat, zoals in de meest postindustriële samenlevingen, de Europese bevolking al enkele decennia gekenmerkt wordt door een steeds langere levensduur en lage vruchtbaarheidscijfers, wat kan leiden tot een verandering in de bevolkingsopbouw en de leeftijdspiramide, met als bijeffect dat de actieve bevolking krimpt en de bevolking als geheel vergrijst; overwegende dat de economische crisis, die de hele Europese Unie heeft getroffen, voor veel gebieden en regio's ernstige gevolgen heeft gehad, vooral voor de plattelandsgebieden, waar ze met name armoede en ontvolking heeft veroorzaakt; overwegende dat de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt sterk wordt gehinderd door een hardnekkig loonverschil tussen vrouwen en mannen en een toenemende pensioenkloof;

C.  overwegende dat snelle bevolkingsgroei in ontwikkelingslanden en demografische neergang van de EU-bevolking er op termijn naar verwachting toe zal leiden dat het aandeel van de bevolking van de Europese Unie in de wereldbevolking zal afnemen van 6,9 % in 2015 tot 5,1 % in 2060(19);

D.  overwegende dat naar verwachting 132 van de 273 regio's van NUTS 2-niveau tussen 2015 en 2050 te maken zullen krijgen met een krimpende bevolking(20); overwegende voorts dat die afname vooral de lokale bestuurlijke eenheden (LBE’s) zal treffen;

E.  overwegende dat de belangrijkste doelstelling voor de Unie en de lidstaten erin bestaat groei in zijn drie dimensies – slim, duurzaam en inclusief – te bevorderen;

F.  overwegende dat geografische en demografische kenmerken de problemen op het gebied van ontwikkeling kunnen aanscherpen; overwegende dat, om die reden, territoriale samenhang eveneens als doelstelling is opgenomen in het Verdrag van Lissabon, naast economische en sociale samenhang;

G.  overwegende dat demografische verandering niet alle landen en regio’s op dezelfde manier treft, zowel door natuurlijke ontwikkelingen als migratiebewegingen, waarbij de meeste stedelijke gebieden en met name de grootstedelijke gebieden te maken krijgen met bevolkingsaanwas en de meeste plattelands- en afgelegen gebieden met bevolkingskrimp, met heel uiteenlopende situaties in de ultraperifere gebieden; overwegende dat deze disbalans zowel voor gebieden met bevolkingsgroei als gebieden met ontvolking grote problemen veroorzaakt; overwegende dat geïsoleerde gebieden en gebieden die moeilijk toegankelijk zijn, het meest ontvankelijk zijn voor bevolkingskrimp; overwegende dat, aan de andere kant, gewezen moet worden op de gevolgen van "suburbanisatie", die, ten gevolge van de massale verhuizing van mensen uit grote steden naar omliggende gebieden, druk legt op zowel de lokale als de regionale autoriteiten;

H.  overwegende dat de Europese regio's geen homogene gebieden zijn, dat ze soms zones met hoge werkloosheid of grote armoede tellen en aan bijzondere uitdagingen het hoofd moeten bieden, met name op het gebied van demografische verandering, waardoor het absoluut noodzakelijk is dat ze over doelgerichte instrumenten kunnen beschikken om de subregionale ongelijkheden te verkleinen en te zorgen voor een beter territoriaal evenwicht tussen stedelijke, peri-urbane en plattelandsgebieden;

I.  overwegende dat vrouwen, en met name alleenstaande moeders, meer te maken krijgen met armoede en uitsluiting;

J.  overwegende dat demografische verandering het moeilijker maakt om de sociale samenhang en het welzijn van de gehele bevolking te garanderen en om een evenwichtige economische groei te bevorderen; overwegende dat demografische verandering gevolgen heeft voor de infrastructuur en de toegankelijkheid en de kwaliteit van diensten, wat zich vertaalt in gebieden waar er geen connectiviteit of geen medisch zorgaanbod is en vaak het gevolg is van ontoereikende verbindingen tussen de stedelijke bevolking en de plattelandsbevolking;

K.  overwegende dat demografische verandering op verschillende gebieden beleidswijzigingen vergt die verband houden met een breed scala aan cohesiebeleidsterreinen; overwegende dat regionaal beleid en de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI), waaronder het Cohesiefonds, cruciale beleidsinstrumenten zijn om deze verandering aan te pakken;

L.  overwegende dat de niet-stedelijke gebieden in de Europese Unie goed zijn voor 113 miljoen bewoners, 12 miljoen landbouwbedrijven en 172 miljoen hectare landbouwgrond, en dat zij een belangrijke bijdrage leveren aan de Europese economieën, culturen en ecosystemen;

M.  overwegende dat een adequate infrastructuur en een adequaat dienstenniveau bepalende factoren zijn voor de bevolkingsopbouw in regio's die dunbevolkt zijn of te kampen hebben met emigratie, en daardoor meer behoefte hebben aan investeringen en werkgelegenheid;

N.  overwegende dat een goede infrastructuur, de toegang tot openbare voorzieningen en hoogwaardige werkgelegenheid bepalende factoren zijn voor de beslissing om wel of niet in een bepaald gebied te blijven wonen;

O.  overwegende dat vrouwen meer te maken krijgen met armoede en sociale uitsluiting dan mannen – des te meer wanneer zij ouder zijn dan 60;

P.  overwegende dat demografische verandering een grotere impact heeft op regio's met een ontwikkelingsachterstand;

Q.  overwegende dat de demografische verandering waarmee landelijke gebieden worden geconfronteerd niet alleen ernstige demografische gevolgen heeft gehad, maar ook de economie, de samenleving, de levenskwaliteit en het milieu heeft aangetast en tot territoriale ontwrichting heeft geleid;

R.  overwegende dat gendergelijkheid een grondrecht, een gemeenschappelijke waarde van de EU en een noodzakelijke voorwaarde is voor de verwezenlijking van de EU-doelstellingen inzake groei, werkgelegenheid en sociale cohesie;

S.  overwegende dat gendergelijkheid een belangrijk instrument vormt voor economische ontwikkeling en sociale samenhang;

T.  overwegende dat negatieve demografische verandering de vraag naar sterkere solidariteit tussen generaties doet stijgen;

Algemene opmerkingen

1.  benadrukt dat demografische verandering sterke economische, sociale, fiscale en milieudruk met zich meebrengt voor de regeringen, de regionale en lokale autoriteiten van de lidstaten waar het gaat om het aanbieden van openbare diensten, met name welzijns- en sociale voorzieningen, de aanleg en het beheer van infrastructuur, en de instandhouding van ecosystemen door middel van duurzame ruimtelijke ordening; benadrukt dat die druk zal toenemen door een afnemende actieve bevolking en een hogere afhankelijkheidsratio; benadrukt de cruciale rol van hoogwaardige publieke en private diensten; benadrukt het belang van toegankelijke hoogwaardige publieke en private diensten als middel om gendergelijkheid te waarborgen;

2.  is van mening dat demografische verandering moet worden aangepakt door een gecoördineerd optreden van alle Europese, nationale, regionale en lokale overheden, en door aanpassingsstrategieën te volgen die zijn afgestemd op de lokale en regionale omstandigheden waarbij sprake moet zijn van een doeltreffende meerlagige bestuurlijke aanpak, zowel bij het ontwerpen van dit gerichte beleid voor specifieke regio's als bij de uitvoering daarvan; is van mening dat een dergelijke gecoördineerde en integrale aanpak gericht moet zijn op het verbeteren van de levenskwaliteit en het bieden van betere economische kansen aan burgers, alsook op het investeren in de kwaliteit, beschikbaarheid en betaalbaarheid van sociale en openbare voorzieningen in de betrokken regio's; is tevens van mening dat vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en andere belanghebbenden erbij moeten worden betrokken; wijst erop dat bij een globale aanpak steeds rekening moet worden gehouden met de rol van steden, landelijke gebieden en visserij- en kustgebieden en van gebieden die met specifieke problemen kampen vanwege hun geografische of demografische situatie, wat betekent dat ook rekening moet worden gehouden met de specifieke uitdagingen waarmee ultraperifere gebieden, de meest noordelijk gelegen dunbevolkte gebieden, eilandgebieden, grensregio's en berggebieden worden geconfronteerd, zoals uitdrukkelijk erkend in het Verdrag van Lissabon; verzoekt de lidstaten en de Commissie rekening te houden met de effecten van verschillende beleidsmaatregelen op gendergelijkheid en demografische verandering;

3.  erkent dat demografische verandering, die voor allerlei nieuwe problemen zorgt, op lokaal niveau ook ontwikkelingskansen met zich meebrengt ten gevolge van de veranderingen in de vraag van stedelijke samenlevingen, vooral met betrekking tot voeding, recreatie en ontspanning, door het potentieel van de landbouw, de bosbouw en de visserij, in de vorm van kwaliteitsvolle, veilige en gedifferentieerde producten; is van mening dat het plattelandstoerisme in het algemeen, en ecotoerisme, e-handel, gemeenschapsdiensten en de zilveren economie meer in het bijzonder, eveneens kansen bieden voor lokale ontwikkeling, door de waarde te verhogen van lokale agrarische en niet-agrarische producten, zoals ambachtelijke producten, borduurwerk en aardewerk, via een Europees systeem voor de bescherming van geografische aanduidingen; benadrukt in dit opzicht het belang van slimme specialisatiestrategieën om regio's en lokale gebieden te helpen activiteiten te ontplooien met een hoge toegevoegde waarde en aantrekkelijke innoverende ecosystemen aan te leggen, vanuit een echte multifunctionele strategie voor plattelandsontwikkeling, waarbij de circulaire economie in de ruimtelijke ordening wordt opgenomen; wijst erop dat agro-toerisme ook een belangrijke sector vormt, aangezien deze bijdraagt aan het behoud van een dynamische levensstijl in plattelandsgebieden; benadrukt het belang van de sociale dialoog en de inbreng van sociale partners, samen met andere lokale belanghebbenden en autoriteiten in alle programmerings- en uitvoeringsfasen van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI) om beter te kunnen anticiperen op de effecten van demografische verandering op lokale arbeidsmarkten en nieuwe strategieën te ontwikkelen om die uitdagingen het hoofd te bieden;

Kenmerken van demografische verandering in de EU

4.  merkt op dat veel EU-gebieden met betrekking tot demografische verandering nu vooral kampen met een verouderende bevolking wat wordt veroorzaakt door de ineenstortende bevolkingspiramide, dalende geboortecijfers en daardoor ook een drastische daling van het aantal kinderen en jongeren, een aanhoudende bevolkingskrimp, een tekort aan geschoolde werknemers, een gebrek aan banen, wegtrekkende jongeren op zoek naar banen en wijzigingen in de demografische structuur; erkent dat het huidige landbouwbeleid, de teloorgang van traditionele activiteiten, producten en productiesystemen, beroepsbevolking en lokale knowhow, de onzichtbaarheid van vrouwen op de arbeidsmarkt, het gebrek aan ondernemingszin, het beperkte of zelfs onbestaande territoriale concurrentievermogen vanwege een gebrek aan investeringen, het verlies van biodiversiteit, de omvorming van bos in maquis en het risico van bosbranden eveneens belangrijke problemen zijn die verband houden met demografische verandering; benadrukt dat de impact van deze trends van regio tot regio sterk verschilt, voor een deel vanwege de trek van mensen naar grote stedelijke centra op zoek naar banen;

5.  benadrukt dat een van de belangrijkste doelstellingen van een demografisch beleid van de EU zou moeten zijn rekening te houden met alle regio's die kampen met demografische disbalans en de specifieke kenmerken van die regio's, factoren waarop het cohesiebeleid al langer probeert in te spelen en die na 2020 nog veel meer aandacht dienen te krijgen; wijst erop dat demografische verandering alle gebieden treft, zowel landelijke als stedelijke gebieden, maar dat de gevolgen ervan verschillen naargelang van diverse factoren, zoals de intensiteit en de snelheid waarmee zij zich voordoet, of het feit dat het om regio's met een immigratieoverschot of regio's met een krimpende bevolking gaat;

6.  onderstreept de noodzaak om de kleine en middelgrote landbouwbedrijven in berggebieden en op het platteland te bevorderen en te steunen die, dankzij het gebruik van traditionele technieken en productiemethoden die op een geïntegreerde en duurzame wijze gebruikmaken van de natuurlijke rijkdommen – zoals de weides en verschillende soorten voedergewasteelt –, producten produceren met bijzondere kwalitatieve kenmerken en zouden kunnen bijdragen aan het keren of afremmen van de ontvolking in deze gebieden;

7.  benadrukt dat die demografische fenomenen die zich nu voordoen in de Unie niet nieuw zijn, maar zich wel veel sterker dan ooit tevoren manifesteren, met name als gevolg van sociale en economische druk; wijst op de gestage toename van het aantal ouderen – circa 2 miljoen mensen per jaar worden 60 – wat op termijn belangrijke gevolgen heeft voor ruimtelijke ordening, huisvesting en vervoer, alsook voor andere soorten infrastructuur en voorzieningen; constateert met bezorgdheid dat regio's die gekenmerkt worden door een sterke afname van de bevolking in de werkende leeftijd bijzonder hard getroffen zullen worden door demografische problemen; erkent dat gebrek aan investeringen, gebrekkige infrastructuur, slechte verbindingen, beperkte toegang tot sociale voorzieningen en ontoereikende werkgelegenheid bepalende factoren zijn voor ontvolking; benadrukt dat demografische veranderingen aanzienlijke effecten kunnen hebben op met name de pensioenen en op de milieuduurzaamheid, aangezien zowel de ontvolking van plattelandsgebieden als de toenemende verstedelijking gevolgen hebben voor ecosystemen, het natuurbehoud en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met specifieke repercussies voor het stedelijk grondgebruik, de infrastructuur, de huizenmarkt en groenvoorzieningen;

8.  is van mening dat er ook op horizontale wijze rekening gehouden moet worden met de genderdimensie van demografische verandering, omdat regio's die kampen met demografische neergang ook last hebben van disbalans op gender- en leeftijdsgebied door wegtrekkende bevolking; meent dat de uitdagingen die voortvloeien uit demografische verandering kunnen en moeten worden aangepakt binnen een beleidskader dat gericht is op gendergelijkheid en dat gender dan ook onderdeel moet uitmaken van alle debatten over kwesties die verband houden met demografische ontwikkelingen; is daarom van mening dat de uitvoering van gendermainstreaming binnen alle Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI) in de toekomst verder moet worden versterkt;

9.  herinnert eraan dat de Europa 2020-strategie de demografische uitdagingen aanpakt in de meeste van haar zeven vlaggenschipinitiatieven, die zijn opgezet om de problemen van de Unie te overwinnen en haar fundamentele prioriteiten op het gebied van werkgelegenheid, innovatie, onderwijs, armoedebestrijding en klimaat en energie te bepalen, en onderstreept dat de toepassing van die strategie en de bijbehorende vlaggenschipinitiatieven voor een wezenlijk deel gebaseerd is op financiële steun uit de instrumenten van het cohesiebeleid, met inbegrip van de bepalingen om demografische veranderingen en vergrijzing tegen te gaan; wijst erop dat die dimensies nadruk moeten krijgen in alle instrumenten van de Europese Unie;

10.  is van mening dat de uitdagingen die voortvloeien uit de afname en vergrijzing van de bevolking een objectieve, grondige en allesomvattende herbeoordelingen zullen vergen van veel economische, sociale en politieke beleidsmaatregelen en -programma's, waarin een langetermijnvisie zal moeten worden opgenomen;

Coördinatie van EU-beleid

11.  dringt aan op sterkere coördinatie van de EU-beleidsinstrumenten, in het bijzonder van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB), de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI), inclusief het Cohesiefonds, de Europese territoriale samenwerking, het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) en de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF), om te zorgen voor een gecoördineerdere aanpak van demografische verandering; acht het zinvol dat, aangezien de tot nu toe gehanteerde instrumenten niet hebben kunnen verhinderen dat de demografische onevenwichtigheden toenemen, het huidige beleid en de werking van al de genoemde mechanismen grondig worden herzien; verheugt zich in dit verband over de gedane pogingen om de synergieën tussen de Europese structuur- en investeringsfondsen en het EFSI te maximaliseren; dringt er nogmaals bij de Commissie op aan een strategie voor demografische verandering voor te stellen waarin de volgende domeinen prioriteit krijgen: waardig werk en kwaliteitsvolle arbeidsbetrekkingen, met bijzondere aandacht voor het nieuwe werken en de sociale functie ervan; het territoriale aspect van het beleid ter bevordering van de economische activiteit en de werkgelegenheid; het stimuleren van infrastructuur om gebieden met demografische uitdagingen toegankelijk te maken en hun concurrentievermogen te versterken, als factor in de keuze van de vestigingsplaats van ondernemingen; het uitbreiden van de dekking van ICT, die zowel in prijs als kwaliteit concurrerend moet zijn, naar dunner bevolkte gebieden; de verlening van basisdiensten van een welvaartsstaat in gebieden met demografische uitdagingen; plaatselijk openbaar vervoer om te zorgen voor toegankelijkheid van openbare diensten; beleid dat is opgesteld om te zorgen voor een betere evenwicht tussen werk- en privéleven, duurzame generatievernieuwing en passende zorg voor afhankelijke personen; beleid inzake de opvang, integratie en terugkeer van migranten en vluchtelingen die internationale bescherming genieten; en een uitgebreid gebruik van nieuwe, aantrekkelijkere kaders om informatie over het leven op het platteland te verspreiden; onderstreept het belang van bestaande initiatieven als het Europees innovatiepartnerschap inzake actief en gezond ouder worden, Ambient Assisted Living en de kennis- en innovatiegemeenschappen Digital en Health van het EIT; roept de Commissie op om bij de aanpak van de demografische problemen waarmee Europese regio's te kampen hebben rekening te houden met de oplossingen die al in het kader van deze initiatieven zijn ontwikkeld; wijst op het belang van het Europees kwalificatiekader voor een leven lang leren ter ondersteuning van onderwijs en opleiding in gebieden waar ontvolking dreigt; is van mening dat in het initiatief "Beter wetgeven" moet worden bepaald dat in de effectbeoordeling die aan elk Europees wetgevingsinitiatief voorafgaat, ook moet worden gekeken naar eventuele effecten op demografisch gebied;

12.  benadrukt dat de EU demografische overwegingen moet meenemen in het gehele beleidsspectrum, en in haar begroting rubrieken moet opnemen die de ontwikkeling van dit beleid mogelijk moeten maken, in het bijzonder op het gebied van cohesie, werkgelegenheid, landbouw, milieu, de informatiemaatschappij, O&O&i (onderzoek, ontwikkeling en innovatie), werkgelegenheid, onderwijs, sociaal beleid en vervoer; acht het noodzakelijk dat de Unie in het ontwerp van haar beleid de bevindingen van demografische effectbeoordelingen meeneemt en in de evaluatie van de resultaten en ongewenste effecten ervan rekening houdt met demografische criteria om een benadering van demografische verandering te stimuleren, waarbij de regionale en lokale autoriteiten worden betrokken; is van mening dat bijzondere aandacht moet worden geschonken aan plattelandsgebieden, waar deze demografische problemen bijzonder acuut zijn; wijst in dit verband op het potentieel van het Smart Villages-initiatief, waarbij plattelandsgemeenschappen met innovatie en moderne technologieën als 5G kunnen worden gerevitaliseerd; benadrukt verder het belang van een intensievere samenwerking tussen landelijke en stedelijke gebieden; benadrukt het belang van het verschaffen van universele toegang tot hoogwaardige en betaalbare openbare voorzieningen en infrastructuur, met name voor kinderen, jongeren en ouderen, met het oog op de bevordering van sociale inclusie, het garanderen van gendergelijkheid, en het verzachten van de effecten van demografische verandering; benadrukt dat, om de gemeenschappen in stand te houden en met name in gebieden waar ontvolking dreigt, nieuwe kansen voor betaalde werkgelegenheid moeten worden gecreëerd en dat de juiste voorwaarden moeten worden geschapen om een goed evenwicht tussen werk en privéleven mogelijk te maken; acht het belangrijk aan te dringen op een holistische geografische kijk op stedelijke en landelijke gebieden als elkaar aanvullende functionele ruimten; onderstreept dat de verschillende fondsen verder moeten worden geïntegreerd om voor een werkelijk participatieve en duurzame lokale ontwikkeling te zorgen; wijst erop dat het demografische beleid van de EU ernaar zou moeten streven vollediger te zijn, en meer met de lidstaten en horizontaal afgestemd zou moeten worden; herinnert eraan dat de Europese Unie niet alleen middelen voor territoriale ontwikkeling verstrekt, maar ook in grote mate bepaalt in hoeverre lokale en regionale overheden hun eigen middelen kunnen gebruiken om socio-territoriale ongelijkheden aan te pakken; wijst erop dat, hoewel de uitzonderingen waarvoor geen kennisgeving nodig is – door de modernisering van de overheidssteun – geleidelijk aan zijn vereenvoudigd en uitgebreid, het huidige kader nog steeds te complex en te belastend is voor de kleinste lokale en regionale overheden; is van mening dat, hoewel de regels voor overheidsopdrachten in 2014 zijn vereenvoudigd, er nog steeds te veel belemmeringen bestaan voor kleine lokale en regionale overheden om de economie in deze gevoelige zones te kunnen verbeteren;

13.  is van mening dat de EU het migratie- en integratiebeleid in de lidstaten zou moeten ondersteunen, door de rechten en bevoegdheden van die lidstaten te eerbiedigen, alsmede het subsidiariteitsbeginsel, om de negatieve demografische trends te remmen; benadrukt de belangrijke rol van beleid dat gericht is op de vorming en ondersteuning van gezinnen; is van mening dat lokale en regionale instanties in staat moeten worden gesteld om het integratiebeleid met succes toe te passen op het terrein; is van mening dat lokale en regionale autoriteiten actief moeten deelnemen aan maatregelen die getroffen worden om demografische problemen aan te pakken; vraagt om in de jaarlijkse groeianalyse en de landspecifieke aanbevelingen rekening te houden met regionale verschillen en met onevenwichtigheden tussen de regio's in de lidstaten; is van mening dat samenwerking in grensregio's zowel de eisen als de reikwijdte van grensoverschrijdende initiatieven tot uitdrukking moet brengen; stelt voor om op dit gebied opleidingsprogramma's te ontwikkelen om tot een beter begrip en groter bewustzijn te komen van de relevante aspecten; is van mening dat demografische problemen een integrale aanpak in heel Europa vergen en dat het oplossen van het probleem in één deel van het continent niet mag leiden tot negatieve gevolgen voor andere gebieden in Europa; roept op tot de totstandbrenging, op pan-Europees niveau, van netwerken voor de uitwisseling van goede praktijken en ervaringen waarmee lokale en regionale autoriteiten, alsook betrokken maatschappelijke organisaties elkaar kunnen adviseren over de aanpak van de problemen die voortvloeien uit demografische verandering;

De effectiviteit van Europese fondsen verhogen

14.  benadrukt dat de effectiviteit van ESI-fondsen om de demografische verandering aan te pakken gedurende de komende programmeringsperiode moet worden verhoogd door: meer en specifiekere aandacht voor demografische verandering als prioritair gebied in de definitieve verordeningen en in de richtsnoeren ter ondersteuning van de lidstaten, de regio's en de lokale overheden, waarbij moet worden nagegaan wat het potentieel is van de ESI-fondsen bij de aanpak van demografische verandering en bij de vaststelling en uitvoering van partnerschapsovereenkomsten en operationele programma's; een pro-actievere benadering van demografische beleidsvorming en de uitwisseling van goede praktijken en ervaringen in het kader van de verwerving van institutionele kennis; de verlening van technische ondersteuning aan de beheerinstanties en de lokale belanghebbenden bij de uitvoering van doeltreffend beleid waarmee demografische verandering nationaal en regionaal wordt aangepakt; de verplichte actieve deelname van lokale overheden aan het ontwerp, het beheer en de interne evaluatie van de programma's voor de uitvoering van de fondsen en de noodzakelijke vaststelling van zones die met demografische uitdagingen worden geconfronteerd op NUTS 3-niveau en op LBE-niveau; pleit voor het bieden van technische bijstand en opleiding aan lokale belanghebbenden en de beheerinstanties met het oog op de tenuitvoerlegging van effectieve beleidsmaatregelen waarmee demografische verandering op nationaal, regionaal en lokaal niveau het hoofd wordt geboden; is van mening dat regionale subsidies op NUTS 2-niveau in sommige lidstaten vaak socio-territoriale, intra-regionale en zelfs supra-regionale ongelijkheden verhullen; vraagt om in de EU-kaarten een passende schaal te hanteren om territoriale problemen correct weer te geven, om er zo toe bij te dragen dat de steun wordt toegespitst op de meest achtergestelde regio's;

15.  vraagt dat het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) een grotere bijdrage levert en meer steun biedt om ervoor te zorgen dat gebieden die sterk te lijden hebben onder vergrijzing, landelijkheid en ontvolking hun infrastructuur voor vervoer en telecommunicatie kunnen verbeteren, de digitale kloof (ook tussen generaties) kunnen verkleinen en over betere openbare diensten kunnen beschikken; benadrukt in dit verband het belang van e-gezondheid; roept de lidstaten en regio's op om beschikbare middelen gerichter te investeren om demografische veranderingen en de gevolgen ervan het hoofd te bieden;

16.  dringt er bij de Commissie op aan cohesiebeleidsmaatregelen te gebruiken om de toenemende migratie uit dunbevolkte regio's af te remmen, waar gepaste infrastructuur en een adequaat dienstenniveau essentiële voorwaarden zijn om vooral gezinnen met kinderen daar te houden;

17.  benadrukt dat het Europees Sociaal Fonds meer werk moet maken van het opleiden van jongeren, dat het de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt moet stimuleren, het evenwicht tussen werk en gezin moet bevorderen en de digitale uitsluiting van ouderen moet tegengaan; benadrukt verder dat het fonds door bijscholingsprogramma's de werkgelegenheidsvooruitzichten voor de inwoners van krimpende gebieden moet verbeteren, en door de sociale en digitale inclusie van vrouwen, jongeren en ouderen in die gebieden te verbeteren; wijst er in dat verband op dat wanneer het ESF wordt gebruikt om ultraperifere regio's te steunen, ernaar wordt gestreefd een beter evenwicht tussen werk en privéleven te bewerkstelligen; verzoekt de Commissie te overwegen om een specifiek fonds op te zetten, binnen de bestaande fondsen, voor gebieden met ernstige en permanente demografische belemmeringen; vraagt om de middelen te verdelen op basis van regelingen waarin prioriteiten worden vastgesteld voor de korte, middellange en lange termijn; benadrukt het belang om het Cohesiefonds een rol te geven in de toekomstige strategieën voor de aanpak van demografische verandering; herinnert eraan dat het fonds is opgericht ter versterking van de economische, sociale en territoriale cohesie in de Unie; meent dat het belangrijk is om door middel van het ESF veel meer steun te verlenen aan kleine organisaties die innovatieve maatschappelijke projecten ontwikkelen en uitvoeren, alsook aan pan-Europese transnationale proefprojecten gericht op de aanpak van sociale en werkgelegenheidsproblemen, met het oog op de bevordering van innovatieve regionale, grensoverschrijdende, transnationale en macro-regionale samenwerking waarmee het hoofd kan worden geboden aan de uitdagingen die voortvloeien uit demografische verandering;

18.  betreurt het feit dat, zoals in Speciaal verslag nr. 5/2017 van de Europese Rekenkamer wordt onderstreept, de EU-jongerengarantie, die erop gericht zou moeten zijn jonge mensen zonder werk, opleiding of scholing te helpen, matige vooruitgang heeft geboekt, en de resultaten ervan niet voldoen aan de initiële verwachtingen;

19.  is van mening dat het EFSI, om territoriale breuken te vermijden, ten goede moet komen aan gebieden met een beperktere demografische dynamiek door een verhoging van de investeringen in prioritaire domeinen voor de EU, zoals energie, vervoer, onderwijs, bedrijfsleven, innoverend onderzoek, mkb, onderwijs of sociale infrastructuur; is van mening dat het idee om demografisch achtergestelde regio's een speciale status te geven moet worden besproken bij de ontwikkeling van het cohesiebeleid na 2020;

De toekomst van het cohesiebeleid om demografische verandering aan te pakken

20.  is van mening dat het cohesiebeleid over passende instrumenten moet beschikken om demografische verandering het hoofd te helpen bieden, met name in verband met ander Europees, nationaal en regionaal beleid, zowel wat de vergrijzing als wat de ontvolking betreft, en dat het bijgevolg een prominentere rol moet spelen om regio's te ondersteunen bij de aanpassing aan demografische verandering; is van mening dat dit ook tot uitdrukking moet komen in de fondsspecifieke verordeningen die de demografische verandering aanpakken, in overeenstemming met artikel 174 VWEU; vraagt om een nauwkeurige definitie van het concept "ernstige en permanente demografische belemmeringen" uit artikel 174 VWEU en artikel 121 van Verordening (EU) nr. 1303/2013, waarmee de demografische uitdagingen in statistische termen kunnen worden uitgedrukt; onderstreept het belang van het verband tussen stad en platteland, en verzoekt de Commissie om na te denken over de mogelijkheid om integrale strategieën voor duurzame stedelijke ontwikkeling aan te vullen met partnerschappen voor duurzame stedelijk-landelijke ontwikkeling; is van mening dat de Commissie proactieve maatregelen moet nemen om de negatieve effecten van demografische verandering te ondervangen en technische bijstand moet verlenen aan de regio's die het meest door ontvolking worden getroffen;

21.  benadrukt dat het cohesiebeleid de inzetbaarheid en inclusie van vrouwen moet bevorderen, met name van moeders die moeite hebben om werk te vinden; pleit er daarom voor vrouwen toegang te geven tot opleidings- en leerprogramma's; wijst er echter op dat de verkregen kwalificaties moeten aansluiten op de vraag op de arbeidsmarkt; benadrukt het belang om jonge moeders te helpen weer aan het werk te gaan door betrouwbare dagopvangfaciliteiten te bieden voor kinderen van alle leeftijden, met inbegrip van voorschoolse leervoorzieningen, om ontvolking tegen te gaan;

22.  meent dat de regio's, om de demografische problemen aan te pakken, de Europese structuur- en investeringsfondsen proactiever zouden moeten gebruiken om de werkloosheid onder de jeugd te bestrijden en jongeren de mogelijkheid te bieden een behoorlijke loopbaan te starten; merkt op dat dit zou kunnen worden bereikt door opleidingsprogramma's en het ondernemerschap bij jongeren te ondersteunen;

23.  dringt aan op een wettelijk kader in de toekomstige verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen (GBV) om gebieden met ernstige en permanente demografische belemmeringen specifiek te erkennen; pleit voor een proactievere en gerichtere aanpak bij de demografische beleidsvorming, aangezien de belangrijke regionale verschillen in demografische patronen waarschijnlijk zullen leiden tot aanzienlijke asymmetrische sociaal-economische effecten op gebieden in Europa, waardoor de regionale verschillen nog verder zouden kunnen toenemen; vraagt om de nieuwe instrumenten die een bottom-upaanpak en meerlagig bestuur moeten stimuleren, bijvoorbeeld via door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling (CLLD) en geïntegreerde territoriale investeringen (ITI), te versterken en te stroomlijnen, teneinde het lokale en regionale niveau nog verder te integreren in een geïntegreerde en holistische aanpak van regionale ontwikkeling; pleit voor het ontstaan van portaaldiensten, zodat bedrijven op het platteland beter met stedelijke bedrijven verbindingen kunnen leggen; benadrukt dat, in het kader van het toekomstige cohesiebeleid, meer rekening moet worden gehouden met de specifieke territoriale kenmerken die op subregionaal niveau tot uiting komen; onderstreept dat het gebrek aan capaciteit en krachtige governance bij veel regionale en lokale overheden een van de belangrijkste belemmeringen vormt voor het welslagen van de ESI-fondsen en dringt in dit verband aan op instrumenten voor capaciteitsopbouw;

24.  verzoekt de Commissie te overwegen nieuwe criteria vast te stellen om regio's die kampen met demografische verandering te identificeren aan de hand van demografische en economische variabelen, milieueffecten en toegankelijkheid van de regio's, en onderzoek te verrichten naar mogelijke sociaal-economische en milieu-indicatoren in aanvulling op de bbp-indicator, waaronder criteria als sociaal kapitaal, levensverwachting en milieukwaliteit; is van mening dat het bbp en bevolkingsdichtheid niet volstaan als criteria om regio's met ernstige en permanente demografische belemmeringen te identificeren; verzoekt de Commissie te overwegen om naast de bbp-indicator nieuwe dynamische indicatoren vast te stellen, zoals een demografische indicator, en in het bijzonder de regionale index voor sociale vooruitgang van de EU, die een vollediger beeld geven van de specifieke uitdagingen waarmee deze gebieden worden geconfronteerd, of een aanvullende speciale toewijzing te overwegen voor deze regio's, vergelijkbaar met de toewijzing voor dunbevolkte gebieden voorzien in de huidige programmeringsperiode (GBV, bijlage VII, punt 9); benadrukt het belang van specifieke instrumenten voor het toezicht op en de evaluatie van het potentieel en de werkelijke effecten van de ESI-fondsen in de aanpak van de demografische verandering, door richtsnoeren te verstrekken voor de ontwikkeling van de nodige demografische indicatoren; benadrukt het belang van de beschikbaarheid van betrouwbare, actuele, uitgesplitste statistieken voor een doeltreffender en objectiever politiek bestuur, en met name voor een nauwkeuriger begrip van de intrinsieke kenmerken van de verschillende dunbevolkte gebieden in de Unie; roept Eurostat daarom op de relevante statistieken gedetailleerder te maken om een gepast Europees demografisch beleid te kunnen vormgeven, met name wat betreft demografische, gezinsgerelateerde, sociale en economische indicatoren; dringt er daarom op aan de statistieken ten minste op subregionaal niveau (d.w.z. NUTS 3-niveau) uit te splitsen;

25.  is van mening dat het toekomstige cohesiebeleid ook specifieke beleidsmaatregelen moet bevatten voor gebieden die het sterkst te lijden hebben van demografische uitdagingen en meer flexibiliteit moet bieden bij de keuze van de thematische doelstellingen of bij de medefinancieringspercentages, om zo intra-regionale of inter-regionale strategieën op te zetten binnen eenzelfde lidstaat, met lokale participatie; roept de Commissie op om het bestaan van een nationale strategie voor demografische ontwikkeling als een nieuwe ex-antevoorwaarde te overwegen;

26.  dringt er bij de Commissie op aan een vlaggenschipinitiatief inzake demografie in de Europa 2020-strategie op te nemen, dat wordt gefinancierd door de bestaande ESI-fondsen en een reeks maatregelen omvat binnen drie categorieën: slimme groei, door middel van maatregelen die regio's met demografische uitdagingen helpen op het gebied van ICT, O&O&i en mkb; inclusieve groei, met specifieke maatregelen om jongeren aan te moedigen in hun regio te blijven, door te zorgen voor duurzame generatievernieuwing, zelfstandig ondernemerschap en sociale inclusie van migranten en vluchtelingen die internationale bescherming genieten; en duurzame groei, door middel van maatregelen die die regio's helpen om te investeren in een "groene economie", met duurzame vervoerssystemen; is verheugd over de EU-actie voor "slimme dorpen", waarin wordt gepleit voor beleid waarin bijzondere aandacht wordt besteed aan het overbruggen van de digitale kloof tussen landelijke en stedelijke gebieden en gebruik te maken van het potentieel dat worden geboden door connectiviteit en digitaliseren van plattelandsgebieden en dat het slimme-eiland-initiatief steunt als een lokale poging van de Europese eilandautoriteiten en -gemeenschappen die het leven op eilanden willen verbeteren door middel van duurzame en geïntegreerde oplossingen;

27.  is van mening dat in het post-2020 Meerjarig Financieel Kader een sterke en duidelijke impuls gegeven moet worden aan de demografische uitdagingen, rekening houdend met de huidige demografische situatie en trends, en dat het ruimte moet bieden aan de bevordering van oplossingen waarin gebruik wordt gemaakt van gerichte maatregelen zoals een begrotingspost met middelen, in voorkomend geval; verzoekt om de diensten en infrastructuur die de sociale inclusie bevorderen te versterken in het GLB, via de tweede pijler daarvan, die gericht is op plattelandsontwikkeling en wordt gefinancierd uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo), en om de trends van sociale en economische achteruitgang en ontvolking in gebieden met ernstige en permanente demografische belemmeringen te keren; verzoekt de nationale, regionale en lokale autoriteiten om ervaringen, beste praktijken en nieuwe methoden uit te wisselen met betrekking tot het voorkomen van de negatieve gevolgen van een demografisch veranderingsproces; is van mening dat de trans-Europese vervoersnetwerken (TEN-V) en de snelwegen op zee (SoZ) zich ook dienen uit te strekken tot gebieden met ernstige en permanente demografische belemmeringen;

28.  onderstreept de toegevoegde waarde van door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling (CLLD) als één methodiek voor alle Europese structuur- en investeringsfondsen ten behoeve van de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van geïntegreerde en op maat gesneden bottom-up-oplossingen; betreurt echter dat de CLLD alleen verplicht is voor het Elfpo en dat lokale en participatieve benaderingen bij EFRO, ESF en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) steeds minder worden gebruikt; roept de Commissie daarom op het gebruik van CLLD verplicht te stellen voor alle ESI-fondsen;

°

°  °

29.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.

(2)

Ibidem, blz. 289.

(3)

Ibidem, blz. 470.

(4)

Ibidem, blz. 259.

(5)

Ibidem, blz. 303.

(6)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0049.

(7)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 281.

(8)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0099.

(9)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0213.

(10)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0309.

(11)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0211.

(12)

PB C 153 E van 31.5.2013, blz. 9.

(13)

PB C 74 E van 13.3.2012, blz. 19.

(14)

PB C 50 E van 21.2.2012, blz. 55.

(15)

PB C 184 E van 6.8.2009, blz. 75.

(16)

PB C 292 E van 1.12.2006, blz. 131.

(17)

PB C 17 van 18.1.2017, blz. 40.

(18)

Werkdocument van EPSON. Luxemburg, ESPON EGTC, maart 2017.

(19)

Eurostat, ‘De EU in de wereld’, editie 2016.

(20)

Eurostat, "Eurostat regionaal jaarboek", editie 2016.


TOELICHTING

Demografische verandering is een van de grootste uitdagingen waar de Europese regio's nu en in de nabije toekomst mee te kampen zullen hebben. Uit ramingen die gepubliceerd zijn door Eurostat blijkt de bevolking vergrijst en dat het aandeel van de actieve bevolking naar verwachting zal afnemen van 65,5 % van de totale bevolking in 2015 naar 56,2 % in 2080, terwijl het aandeel 65+-ers zal stijgen van 18,9 % in 2015 tot 28,7 % in 2080(1). Met andere woorden de verhouding van de actieve bevolking tot de oudere bevolking zal afnemen van de huidige 4:1 naar 2:1 in 2080. Daarnaast zal de Europese bevolking in haar geheel tot 2050 langzamer groeien dan vroeger en dan geleidelijk afnemen om in 2075 een dieptepunt te bereiken. In de periode 2008-2030 zal naar verwachting een op de drie regio's – meestal gelegen in Midden-Europa, Oost-Duitsland, Zuid-Italië en Noord-Spanje – te maken krijgen met bevolkingskrimp(2). De rapporteur wenst hier te wijzen op enkele van de meest in het oog springende problemen die die demografische fenomenen op regionaal en lokaal niveau met zich meebrengen voor EU-regio's. Er moet worden benadrukt dat de demografische problemen van de Europese Unie noch nieuw noch onbekend zijn. Wat uniek is, is de intensiteit van deze processen en de problemen die worden gegenereerd in die gebieden waar verscheidene of alle verschijnselen zich voordoen, en die elkaar ook nog eens versterken.

1.  Vaststelling van de gebieden in de Europese Unie die onderhevig zijn aan demografische verandering en de uitdagingen waar zij zich voor geplaatst zien

Een van de eerste uitdagingen voor de opstelling van een demografisch beleid op Europees niveau is dat het rekening moet houden met alle gebieden in de lidstaten die kampen met ernstige demografische verandering en disbalans, alsmede de kenmerken en bijzondere eigenschappen ervan. Dit vereist een rigoureuze inventarisatie van demografische fenomenen en van de (dis)balans in een specifieke bevolking en regio.

Er kunnen vier basisproblemen worden onderscheiden bij de demografische ontwikkeling van EU-regio's die de belangrijkste uitdagingen vormen voor de Europese Unie op dit gebied, met name wanneer zij zich tegelijkertijd voordoen, zoals in veel regio's het geval is, en de meest negatieve gevolgen elkaar versterken.

Het eerste probleem is de lage bevolkingsdichtheid. Het is een welbekend fenomeen dat betrekking heeft op twee realiteiten die je in bepaalde regio's kunt aantreffen: aan de ene kant is er de historische realiteit van de regio's met een balans tussen een bevolking en een regio die gekenmerkt wordt door een lage bevolkingsdichtheid, ten gevolge van specifieke kenmerken (fysieke, demografische, politieke, enz.); aan de andere kant kan het de vorm aannemen van een recent maar aanhoudend proces van afnemende bevolkingsdichtheid, wat de historische vestigingsvoorwaarden voor mensen wijzigt. Een van de fenomenen die verband houden met dergelijke processen is dat van territoriale polarisatie: in bepaalde centra neemt de bevolking neemt toe terwijl een groot deel van de afhankelijke omliggende gebieden leegloopt. Daarom is het van belang de lage bevolkingsdichtheid op het juiste niveau te analyseren. In dit verband is het NUTSniveau 3 passender dan het NUTSniveau 2, en in veel gevallen zijn de problemen van de demografische dichtheid duidelijker wanneer rekening wordt gehouden met de schaal van de LAUs.

Het tweede probleem is de vergrijzing van de bevolking. Net als in het eerste geval, is dit een demografisch fenomeen dat in de gehele Europese Unie wijdverspreid en algemeen bekend is, waarbij we ook nog twee verschillende scenario's kunnen onderscheiden, naar aard en intensiteit: in sommige gevallen is dit het gevolg van een geleidelijk proces van demografische transitie; in andere gevallen kan het in grotere mate worden toegeschreven aan de ontwrichting van de bevolkingspiramide, waarbij een verhoogde levensverwachting vergezeld gaat van emigratie van de jonge en volwassen bevolking en een daling van het geboortecijfer en de kinderbevolking.

Het derde probleem, of uitdaging, is het dalende geboortecijfer, wat een drastische daling van het aantal zuigelingen en kinderen met zich meebrengt, en daarmee de verwachtingen in termen van vervanging en de balans op middellange termijn de afhankelijkheidsratio wijzigt. Het is geen nieuw fenomeen, maar in sommige regio's lijkt het proces niet te stabiliseren.

Tenslotte is het vierde probleem de aanhoudende krimpende bevolking. Het is een fenomeen dat in grote mate het gevolg is van de eerder genoemde fenomenen en het versterkt de overige demografische problemen. In veel regio's van de Unie, en in nog meer lokale entiteiten, voltrekt zich een ernstig en aanhoudend proces van ontvolking, zowel door natuurlijke ontwikkelingen als migratiebewegingen. Er zijn dus regio's waar dergelijke negatieve trends zich al jaren voldoen wat geleid heeft tot een aanzienlijk verlies van een belangrijk deel van de bevolking. Ontvolking en lage bevolkingsdichtheid mogen niet met elkaar worden verward, omdat het eerste fenomeen zich zowel in schaars bevolkte gebieden als in dichtbevolkte gebieden voordoet. Daarnaast hebben sommige regio's met een lage bevolkingsdichtheid geen last van ontvolking en blijft de historische balans er ongewijzigd.

Aan de hand van de NUTs, als schaal van demografische analyse, kan een groot deel van de demografische problemen waar de regio's in de Europese Unie mee kampen in kaart worden gebracht. Deze problemen worden nog zichtbaarder wanneer uitgegaan wordt van de LAUs. Met de beschikbare technische middelen is analyse mogelijk, maar er moet worden benadrukt dat beleid vooral afhangt van de politieke structuren.

2.  Implicaties van deze demografische problemen voor beleidsterreinen

De rapporteur is zich ervan bewust dat, vanwege aanzienlijke sociale, economische en ecologische gevolgen voor de plaatselijke ontwikkeling, demografische verandering op veel beleidsterreinen voor nieuwe uitdagingen zorgt voor de betrokken Europese regio's, terwijl er tegelijkertijd nieuwe ontwikkelingskansen worden geboden. Die uitdagingen zijn steeds meer centraal gaan staan in het debat over de toekomst van de EU. Regio's moeten hun dienstverlening, infrastructuur en beleidsvorming aanpassen aan die demografische patronen en trends. Effectieve beleidsmaatregelen zijn noodzakelijk, met name op de volgende gebieden.

a.  Werkgelegenheid

Tot op zekere hoogte is er een sterke correlatie tussen bevolking en werkgelegenheid, bijvoorbeeld op het niveau van een regio of een provincie. De bewegingen van de bevolking zijn slechts de permanente aanpassing van de demografische structuur aan de productiestructuur. Op lokaal of interregionaal niveau kan hetzelfde niet worden gezegd omdat er prikkels kunnen zijn voor de bevolking om hun woonplaats op een zekere afstand van hun werkplek te hebben, of het tegenovergestelde, er kunnen obstakels zijn om een woonplaats te kiezen in dezelfde plaats of in de onmiddellijke omgeving. Over het algemeen is er een balans tussen toegankelijkheid van huisvesting, diensten, vrijetijdsbestedingen en andere immaterialia, zoals de vervoerskosten naar de plaats waar dergelijke zaken in voldoende kwantiteit en kwaliteit kunnen worden aangetroffen. De onzekerheid van de werkgelegenheid van de jonge bevolking, alsmede de lange uren die zij maken stimuleert het herstel van het geboortecijfer niet. De nieuwe arbeidsvormen – onzekerder, minder stabiel – pleiten voor grotere geografische mobiliteit van de bevolking. Aangezien de toekomstige werkgelegenheid kan worden beïnvloed door de integratie van technologie en kunstmatige intelligentie in het productieproces, zou een grotere flexibiliteit met betrekking tot het territoriale verband tussen werkgelegenheid en bevolking zich kunnen voordoen.

b.  Stads- en plattelandsontwikkeling

In sommige regio's doet zich het fenomeen van polarisatie voor, waarbij plattelands/afgelegen gebieden ontvolken en de bevolking zich concentreert in de (hoofd)stedelijke centra. Sinds de economische crisis versterken die trends zich. Die gebieden moeten zich aanpassen omdat demografische veranderingen zorgen voor een nieuwe vraag naar lokale ontwikkeling, met alle gevolgen van dien voor huisvesting, vervoer, mobiliteit en onderwijs. Daarnaast kan een "agglomererend effect" worden vastgesteld: als een economie niet wordt geleid, hebben productiviteitstijging en winstmaximalisering de neiging om alle economische activiteiten te concentreren in slechts enkele plaatsen waardoor agglomeraties ontstaan die tot op zekere hoogte kunnen leiden tot disfunctionerende economieën. Zulke disfunctionerende economieën hebben grotere gevolgen voor overheidsbegrotingen en huishoudens dan voor bedrijven, en daarom is het moeilijk om deze neiging om te buigen naar een maatschappelijk "optimale" schaal. Deze trend naar concentratie van investeringen, die zowel op nationaal, regionaal en provinciaal niveau kan worden geobserveerd, leidt tot agglomeratie van de bevolking in enkele plaatsen en tot desertificatie van grote gebieden. Maar het agglomeratie-effect zelf heeft ook een aanzuigende werking op de bevolking vanwege de kennelijke toegankelijkheid van overheids- en commerciële diensten, en omdat de accumulerende vraag naar arbeid in een bepaald gebied verwachtingen wekt van hoogwaardige werkgelegenheid en sociale mobiliteit.

c.  Infrastructuur

Infrastructuur is een bepalende factor voor de plaats waar geïnvesteerd wordt omdat de infrastructuur toegang tot de markten van vraag en aanbod biedt. Op sommige markten kunnen geografische nadelen worden omzeild met communicatietechnologieën. De infrastructuur moet echter fijnmazig zijn en concurrerende voorwaarden bieden qua prijs en kwaliteit, waar nu nog geen sprake van is. Infrastructuur faciliteert ook de toegang tot diensten en met name ICT's, die de deur openen naar de virtuele wereld en alle kansen die dat biedt zonder enige beperking of begrenzing. Infrastructuur is ongetwijfeld een relevante factor in het aantrekken en vasthouden van mensen in een bepaald gebied.

d.  Dienstverlening

De consumptiemaatschappij heeft de koppeling tussen toegankelijkheid van diensten, zowel maatschappelijke als commerciële, en levenskwaliteit geconsolideerd. De dienstverlening, zowel publieke als private, hangt rechtstreeks samen met de omvang van de bevolking: een krimpende bevolking leidt tot minder diensten en beschikbare banen en uiteindelijk tot emigratie vanwege het gebrek aan diensten en werkgelegenheid. Disruptief beleid ten aanzien van deze variabele moet oog hebben voor de commercialisering van diensten, de invoering van flexibele systemen van openbaar vervoer, alsmede fiscaal beleid dat de kosten van mobiliteit compenseert en ambulante diensten in plattelandsgebieden stimuleert, of diensten die gelokaliseerd zijn in kleinere centra. On-linediensten op het gebied van gezondheidszorg, maatschappelijk werk, onderwijs of cultuur kunnen een compenserend effect hebben maar accentueren ook het gebrek aan rechtstreekse persoonlijke diensten. Tenuitvoerlegging ervan zal in de voorkomende gevallen actief beleid vergen voor aanpassing aan dit dienstverleningsmodel.

e.  Vervoer

In een ontvolkt gebied met een sterk verspreide bevolking, is openbaar vervoer moeilijk in stand te houden terwijl de inclusiviteit van de inwoners wel moet worden gewaarborgd. Bij de verlening van die diensten is er behoefte aan zowel flexibiliteit als stabiliteit. Dit zijn onrendabele diensten voor de particuliere economie en vergen dus aanzienlijke steun uit de overheidsbegroting. Een experiment met publiek-private samenwerking moet op dit terrein worden overwogen.

3.  Het belang van cohesiebeleid om demografische verandering aan te pakken

In dit verband zou de rapporteur willen wijzen op het belang van cohesiebeleid omdat dat vaak de belangrijkste beleidsmaatregelen zijn die demografische verandering aanpakken op regionaal en lokaal niveau, vaak in aanvulling op nationale en regionale beleidsstrategieën. Zij is o.a. van mening dat:

1.  er behoefte is aan sterkere coördinatie van EU-instrumenten om te zorgen voor een gecoördineerde aanpak van demografische verandering: het potentieel van cohesiebeleidsinterventies wordt beperkt door het ontbreken van een horizontale Europese strategie om democratische verandering aan te pakken;

2.  de activiteiten die door de structuurfondsen worden gestimuleerd moeten profiteren van betere integratie en grotere flexibiliteit om te zorgen voor meer complementariteit en flexibiliteit bij de aanpak van demografische verandering;

3.  het potentieel van de structuurfondsen bij de aanpak van demografische verandering verder in kaart moet worden gebracht. Er zou meer en specifiekere aandacht moeten worden besteed aan demografische verandering als beleidsterrein bij de toewijzing van structuur- en investeringsfondsen;

4.  de problemen ten gevolge van demografische verandering moeten worden aangepakt door de lokale en regionale autoriteiten, in samenwerking met de lidstaten en de Europese instellingen: die verschillende bestuursniveaus moeten ervoor zorgen dat hun beleidsmaatregelen en -strategieën op elkaar worden afgestemd en dat goede praktijken worden uitgewisseld;

(1)

Eurostat, "Eurostat Regional Yearbook", 2016 edition.

(2)

Europees Parlement, DG IPOL, beleidsondersteunende afdeling B, REGI (2013), "Hoe kunnen demografische problemen worden aangepakt met regionaal en cohesiebeleid?", blz. 21.


STANDPUNT IN DE VORM VAN AMENDEMENTEN VAN DE COMMISSIE RECHTEN VAN DE VROUW EN GENDERGELIJKHEID (5.  De rapporteur zou ook willen benadrukken dat er op alle niveaus meer aan bewustmaking moet worden gedaan met betrekking tot de problemen die worden veroorzaakt door demografische verandering voor de Europese Unie en het potentieel van de structuurfondsen bij de aanpak van demografische verandering.22.6.2017)

aan de Commissie regionale ontwikkeling

over de inzet van cohesiebeleidsinstrumenten door regio's om demografische veranderingen aan te pakken

Rapporteur voor advies: Arne Gericke

(2016/2245(INI))

AMENDEMENTEN

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie regionale ontwikkeling onderstaande amendementen in aanmerking te nemen:

Amendement    1

Ontwerpverslag

Overweging E bis (nieuw)

Ontwerpverslag

Amendement

 

E bis. overwegende dat vrouwen, en met name alleenstaande moeders, vaker verkeren in een situatie van armoede en uitsluiting;

 

Amendement 2

Ontwerpverslag

Overweging E ter (nieuw)

 

Ontwerpverslag

Amendement

 

E ter. overwegende dat bevallingszorg, passende infrastructuren voor zwangerschapszorg en veilige geboortes in plattelandsgebieden vaak onvoldoende gewaarborgd zijn;

 

Amendement 3

Ontwerpverslag

Overweging E quater (nieuw)

 

Ontwerpverslag

Amendement

 

E quater. overwegende dat vrouwen binnen de landbouw en boerenfamiliebedrijven een belangrijke rol spelen, maar dat hun rol nog altijd onderbelicht is en dat vrouwen veelal niet worden betaald;

 

 

Amendement    4

Ontwerpverslag

Overweging G bis (nieuw)

 

Ontwerpverslag

Amendement

 

 

G bis. overwegende dat meer vrouwen dan mannen in een situatie van armoede en sociale uitsluiting verkeren en dat de kans hierop bij vrouwen boven de 60 jaar nog groter is;

 

Amendement    5

Ontwerpverslag

Overweging G ter (nieuw)

 

Ontwerpverslag

Amendement

 

G ter. overwegende dat gendergelijkheid een grondrecht is, een gemeenschappelijke waarde van de EU en een noodzakelijke voorwaarde voor de verwezenlijking van de EU-doelstellingen inzake groei, werkgelegenheid en sociale samenhang;

 

 

Amendement    6

Ontwerpverslag

Overweging G quater (nieuw)

Ontwerpverslag

Amendement

 

G quater. overwegende dat gendergelijkheid een belangrijk instrument vormt voor economische ontwikkeling en sociale samenhang;

 

 

Amendement    7

Ontwerpverslag

Overweging J bis (nieuw)

 

Ontwerpverslag

Amendement

 

J bis. overwegende dat de negatieve demografische veranderingen nopen tot meer solidariteit tussen de verschillende generaties;

 

 

Amendement    8

Ontwerpverslag

Paragraaf 1 bis (nieuw)

 

Ontwerpverslag

Amendement

 

1 bis. wijst op de cruciale rol van openbare en particuliere dienstverlening van hoge kwaliteit, met name voor vrouwen; wijst op het belang van toegankelijke, goede en betaalbare openbare en particuliere dienstverlening als instrument ter bevordering van gendergelijkheid;

 

 

Amendement    9

Ontwerpverslag

Paragraaf 2 bis (nieuw)

 

Ontwerpverslag

Amendement

 

 

2 bis. verzoekt de lidstaten en de Commissie rekening te houden met de effecten van verschillende beleidsmaatregelen op gendergelijkheid en demografische verandering;

 

Amendement    10

Ontwerpverslag

Paragraaf 3 bis (nieuw)

 

Ontwerpverslag

Amendement

 

 

3 bis. herinnert aan het besluit van de Europese ombudsman in zaak OI/8/2014/AN betreffende de eerbiediging van de grondrechten bij de tenuitvoerlegging van het EU-cohesiebeleid;

 

Amendement    11

Ontwerpverslag

Paragraaf 3 ter (nieuw)

 

Ontwerpverslag

Amendement

 

3 ter. verzoekt de Commissie en de lidstaten om de Europese structuurfondsen actief te gebruiken als instrument ter bevordering van gendergelijkheid;

 

 

Amendement    12

Ontwerpverslag

Paragraaf 7 bis (nieuw)

 

Ontwerpverslag

Amendement

 

7 bis. verzoekt de lidstaten en de Commissie een genderanalyse uit te voeren en genderbudgettering toe te passen om ervoor te zorgen dat de verdeling van financiële middelen gekenmerkt wordt door gendergelijkheid;

 

 

Amendement    13

Ontwerpverslag

Paragraaf 7 bis (nieuw)

 

Ontwerpverslag

Amendement

 

7 bis. is van oordeel dat het krimpen en vergrijzen van de bevolking en de problemen die daarmee gepaard gaan nopen tot een objectieve, grondige en omvattende herbeoordeling van veel bestaande economische, sociale en politieke beleidsmaatregelen en programma's en dat daarbij een langetermijnvisie ontwikkeld moet worden;

 

Amendement    14

Ontwerpverslag

Paragraaf 7 ter (nieuw)

 

Ontwerpverslag

Amendement

 

 

7 ter. wijst erop dat vrouwen in gemarginaliseerde gemeenschappen vaak te maken hebben met meervoudige discriminatie, waardoor zij nog meer kans hebben om in een situatie van armoede en sociale uitsluiting terecht te komen, met name wat betreft de toegang tot werk, onderwijs, gezondheidszorg en sociale dienstverlening;

 

Amendement    15

Ontwerpverslag

Paragraaf 7 quater (nieuw)

 

Ontwerpverslag

Amendement

 

7 quater. verzoekt de Commissie en de lidstaten om de dialoog en solidariteit tussen de verschillende generaties te beschouwen als instrument ter verwezenlijking van gelijkheid van vrouwen en mannen;

 

 

Amendement    16

Ontwerpverslag

Paragraaf 7 quinquies (nieuw)

 

Ontwerpverslag

Amendement

 

 

7 quinquies. wijst erop dat de omvang van de werkloosheid onder vrouwen onderschat wordt, omdat veel vrouwen niet als werkloos geregistreerd staan, met name vrouwen die in landelijke of afgelegen gebieden wonen en vrouwen die in een familiebedrijf of boerenfamiliebedrijf meewerken;

 

Amendement    17

Ontwerpverslag

Paragraaf 7 sexies (nieuw)

 

Ontwerpverslag

Amendement

 

 

7 sexies. verzoekt de lidstaten en de Commissie ondernemerschap bij vrouwen in plattelandsgebieden te bevorderen;

 

Amendement    18

Ontwerpverslag

Paragraaf 7 septies (nieuw)

 

Ontwerpverslag

Amendement

 

 

7 septies. wijst erop dat er overal in plattelandsgebieden kinderopvangvoorzieningen en zorginstellingen voor andere hulpbehoevenden moeten zijn en dringt er bij de Commissie op aan de lidstaten te ondersteunen, onder meer door EU-financiering beschikbaar te stellen, om dergelijke voorzieningen aan te bieden die voor allen toegankelijk zijn;

 

Amendement    19

Ontwerpverslag

Paragraaf 8 bis (nieuw)

 

Ontwerpresolutie

Amendement

 

 

8 bis. verzoekt de Commissie en de lidstaten bij alle beleidsvoorstellen het gezinsperspectief centraal te stellen;

 

Amendement    20

Ontwerpverslag

Paragraaf 10 bis (nieuw)

 

Ontwerpverslag

Amendement

 

10 bis. wijst op de rol van lokale en regionale autoriteiten bij de uitvoering van beleid en maatregelen ter bevordering van werk in dienstbetrekking en werk als zelfstandige, met name ten behoeve van vrouwen, waarmee verdere ontvolking kan worden tegengegaan;

 

 

Amendement    21

Ontwerpverslag

Paragraaf 14 bis (nieuw)

 

Ontwerpverslag

Amendement

 

 

14 bis. verzoekt de Commissie om gebruik te maken van regionale fondsen om de gedecentraliseerde bevallingszorg te verbeteren;

 

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

20.6.2017

 

 

 


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

9.10.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

28

6

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Franc Bogovič, Andrea Cozzolino, Rosa D’Amato, John Flack, Iratxe García Pérez, Krzysztof Hetman, Marc Joulaud, Louis-Joseph Manscour, Martina Michels, Iskra Mihaylova, Jens Nilsson, Andrey Novakov, Paul Nuttall, Konstantinos Papadakis, Mirosław Piotrowski, Stanislav Polčák, Liliana Rodrigues, Maria Spyraki, Ruža Tomašić, Ángela Vallina, Monika Vana, Matthijs van Miltenburg, Lambert van Nistelrooij, Derek Vaughan, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Daniel Buda, Andor Deli, Raffaele Fitto, John Howarth, Ivana Maletić, Tonino Picula

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

James Carver, Esther Herranz García, Susanne Melior


HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

28

+

ECR

Raffaele Fitto, John Flack, Mirosław Piotrowski, Ruža Tomašić

EFDD

Rosa D'Amato

GUE/NGL

Martina Michels, Ángela Vallina

PPE

Franc Bogovič, Daniel Buda, Esther Herranz García, Krzysztof Hetman, Marc Joulaud, Ivana Maletić, Andrey Novakov, Stanislav Polčák, Maria Spyraki, Joachim Zeller, Lambert van Nistelrooij

S&D

Andrea Cozzolino, Iratxe García Pérez, John Howarth, Louis-Joseph Manscour, Susanne Melior, Jens Nilsson, Tonino Picula, Liliana Rodrigues, Derek Vaughan

VERTS/ALE

Monika Vana

6

-

ALDE

Iskra Mihaylova, Matthijs van Miltenburg

EFDD

James Carver, Paul Nuttall

NI

Konstantinos Papadakis

PPE

Andor Deli

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Juridische mededeling - Privacybeleid