Procedure : 2017/2083(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0334/2017

Ingediende teksten :

A8-0334/2017

Debatten :

PV 14/11/2017 - 16
CRE 14/11/2017 - 16

Stemmingen :

PV 16/11/2017 - 7.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0448

VERSLAG     
PDF 460kWORD 89k
24.10.2017
PE 606.307v02-00 A8-0334/2017

over de strategie EU-Afrika: een stimulans voor ontwikkeling

(2017/2083(INI))

Commissie ontwikkelingssamenwerking

Rapporteur: Maurice Ponga

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken
 ADVIES van de Commissie internationale handel
 ADVIES van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

betreffende de strategie EU-Afrika: een stimulans voor ontwikkeling

(2017/2083(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het document getiteld "Een mondiale strategie van de Europese Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid – gedeelde visie, gemeenschappelijke actie: een sterker Europa", dat op zijn vergadering van 28 en 29 juni 2016 werd ingediend bij de Europese Raad,

–  gezien de gemeenschappelijke verklaring van 7 juni 2017 van het Parlement, de Raad, de regeringsvertegenwoordigers van de lidstaten, die waren bijeengekomen in het kader van de Raad, en de Commissie, betreffende de nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling: "Onze wereld, onze waardigheid, onze toekomst",

–  gezien de VN-top inzake duurzame ontwikkeling en het op 25 september 2015 door de Algemene Vergadering goedgekeurde slotdocument getiteld "Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development", en de 17 doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's),

–  gezien de Beginselen voor verantwoord investeren in landbouw en voedselsystemen (CFS‑RAI), die werden ontwikkeld in de Commissie inzake Wereldvoedselzekerheid om bij te dragen aan de verwezenlijking van SDG's 1 en 2,

–  gezien het actieprogramma van Addis Abeba betreffende de financiering van ontwikkeling van 2015,

–  gezien de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering van 2015,

–  gezien de Afrikaanse top van de actie, die op 16 november 2016 gehouden werd en gewijd was aan de Afrikaanse dimensie van de COP 22,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 februari 2016 over het actieplan van de EU tegen de illegale handel in wilde dieren en planten (COM(2016)0087),

–  gezien de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 (de Overeenkomst van Cotonou)(1), en de herzieningen daarvan van 2005 en 2010,

–  gezien de gemeenschappelijke strategie Afrika-EU (JAES), die op de top van Lissabon van 9 december 2007 werd aangenomen door de Afrikaanse en Europese staatshoofden en regeringsleiders, en de twee actieplannen die in oktober 2007 werden aangenomen in Accra (voor de periode 2008‑2010) en in november 2010 in Tripoli (voor de periode 2011‑2013),

–  gezien de conclusies van de vierde top EU-Afrika, gehouden te Brussel op 2 en 3 april 2014, en de routekaart voor het format van de vergaderingen (het format van Caïro) en de hoofdlijnen van de samenwerking tussen de twee continenten voor de periode 2014‑2017, en de verklaring EU‑Afrika over migratie en mobiliteit,

–  gezien de agenda 2063 van de Afrikaanse Unie (AU), die werd aangenomen in mei 2014,

–  gezien het door president Paul Kagamé opgestelde verslag over de voorstellen voor aanbevelingen met betrekking tot de hervorming van de instellingen van de AU met als titel "L'impératif de renforcer notre Union",

–  gezien de verklaring van het derde intercontinentale forum van het maatschappelijk middenveld, dat van 11 tot 13 juli 2017 in Tunis heeft plaatsgevonden, waarin ertoe wordt opgeroepen de deelname van maatschappelijke organisaties te versterken en mensen uit het maatschappelijk middenveld centraal te plaatsen in de strategie EU‑Afrika,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 7 juni 2017 met als titel "Een strategische aanpak van weerbaarheid in het externe optreden van de EU" (JOIN(2017)0021),

–  gezien Verordening (EU) 2017/1601 van het Europees Parlement en de Raad van 26 september 2017 tot instelling van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO), de EFDO-garantie en het EFDO-garantiefonds(2),

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2016 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 230/2014 tot vaststelling van een instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Europese Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 22 november 2016 met als titel "Een hernieuwd partnerschap met de landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan" (JOIN(2016)0052),

–  gezien de verschillende mededelingen van de Commissie voor de betrekkingen tussen de EU en Afrika, met name die van 27 juni 2007 met als titel "Van Caïro naar Lissabon – Het strategische partnerschap tussen de EU en Afrika" (COM(2007)0357), die van 17 oktober 2008 met als titel "Eén jaar na Lissabon: het partnerschap van de EU en Afrika in de praktijk" (COM(2008)0617) en die van 10 november 2010 "over de consolidatie van de betrekkingen tussen de EU en Afrika: 1,5 miljard mensen, 80 landen, twee continenten, één toekomst" (COM(2010)0634),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Europese Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid aan het Europees Parlement en de Raad van 5 mei 2017 over een vernieuwde impuls voor het partnerschap Afrika‑EU (JOIN(2017)0017), en de conclusies van de Raad over het onderwerp van 19 juni 2017,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de betrekkingen tussen de Unie en Afrika en de ACS-landen, in het bijzonder de resolutie van 4 oktober 2016 over de toekomst van de betrekkingen tussen de ACS-landen en de EU na 2020(3),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over het Trustfonds voor Afrika van de EU: de gevolgen voor ontwikkelings- en humanitaire hulp(4),

–  gezien zijn resolutie van 7 juni 2016 over het EU-verslag 2015 over beleidscoherentie voor ontwikkeling(5),

–  gezien zijn resolutie van 22 november 2016 over het vergroten van de doeltreffendheid van ontwikkelingssamenwerking(6),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie internationale handel en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8‑0334/2017),

A.  overwegende dat de Europese Unie (EU) en de Afrikaanse landen historische banden met elkaar onderhouden en dat hun lot nauw met elkaar is verbonden; overwegende dat de EU de belangrijkste partner is van Afrika op het gebied van economische activiteit, handel, ontwikkelingssamenwerking, humanitaire hulp en veiligheid;

B.  overwegende dat het partnerschap Afrika-EU moet worden voorzien van een nieuwe visie waarin de ontwikkeling van de politieke, economische, sociale en milieusituatie van beide continenten tot uiting komt; overwegende dat rekening moet worden gehouden met nieuwe spelers op het internationale podium – waaronder China – en dat moet worden geëvolueerd naar een versterkt, gemoderniseerd en meer politiek partnerschap met de nadruk op de verdediging van onze essentiële gemeenschappelijke belangen;

C.  overwegende dat de betrekkingen tussen de EU en Afrika moeten worden gebaseerd op de beginselen van wederzijdse belangen en begrip en op gedeelde, gemeenschappelijke waarden in het kader van een wederzijds partnerschap;

D.  overwegende dat de betrekkingen tussen de EU en het Afrikaanse continent steunen op verschillende rechtsinstrumenten en beleidsstrategieën, en dat de synergieën en de samenhang tussenbeide moeten worden versterkt om het partnerschap efficiënter en duurzamer te maken;

E.  overwegende dat de overeenkomst van Cotonou, waarbij 79 ACS‑landen partij zijn, met inbegrip van 48 landen uit Sub‑Saharaans Afrika, het belangrijkste partnerschap tussen de EU en Afrika regelt; overwegende dat de EU ook betrekkingen is aangegaan met Afrikaanse landen die geen partij zijn bij de overeenkomst van Cotonou; overwegende dat het partnerschap tussen de EU en de ACS-landen al was gevormd voordat de ACS-landen hun huidige regionale of continentale samenwerkingsstructuren hadden opgezet; overwegende dat het, gezien het ontstaan van de AU in 2003 en van de JAES in 2007, van essentieel belang is de verschillende beleidskaders tussen de EU en Afrika te stroomlijnen; overwegende dat de doelstelling om "Afrika als één geheel te behandelen" duidelijk in de preambule van de JAES staat;

F.  overwegende dat de EU een politieke institutionele dialoog met de Afrikaanse landen voert via de topontmoetingen EU-Afrika, de intergouvernementele organisatie "Unie voor het Middellandse Zeegebied" (UMZ) en de samenwerkingsinstanties ACS-EU, waaronder op parlementair niveau via de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU, de EU-delegatie in de Parlementaire Vergadering UMZ en met het Pan-Afrikaanse Parlement;

G.  overwegende dat het 11e Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) over een begroting van 30,5 miljard EUR beschikt, waarvan 900 miljoen EUR is uitgetrokken voor de Vredesfaciliteit voor Afrika, en dat 1,4 miljard EUR van de EOF-reserve zal worden gebruikt voor het Trustfonds van de EU voor Afrika; overwegende dat meer dan 5 miljard EUR is afgestemd op de behoeften van Afrikaanse landen in het kader van het Europees Nabuurschapsinstrument (ENI) en dat 845 miljoen EUR wordt toegewezen aan het pan-Afrikaanse programma in het kader van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) voor de tenuitvoerlegging van de JAES;

H.  overwegende dat de volgende top EU-Afrika, die op 29 en 30 november 2017 in Abidjan zal plaatsvinden met als thema "investeren in de jeugd", een gelegenheid zal zijn voor het scheppen, ondersteunen en ontwikkelen van economische omstandigheden van echte gelijkheid tussen partners die essentiële gemeenschappelijke belangen willen verdedigen;

I.  overwegende dat de JAES zal moeten worden ingepast in de toekomstige overeenkomst na Cotonou;

J.  overwegende dat de EU een historische partner en een belangrijke waarborg is voor de veiligheid van het Afrikaanse continent – een uiterst belangrijke kwestie; overwegende dat de veiligheid en de duurzame groei van het Europese continent nauw en rechtstreeks afhankelijk zijn van de stabiliteit en de ontwikkeling van het Afrikaanse continent en vice versa;

K.  overwegende dat een constante steun voor de tenuitvoerlegging van de Afrikaanse vredes- en veiligheidsstructuren noodzakelijk is, en dat het engagement van de Europese Unie, de Afrikaanse Unie en andere in Afrika aanwezige internationale actoren cruciaal zijn voor de ontwikkeling en de stabiliteit van het Afrikaanse continent;

L.  overwegende dat migratie een prominente plaats heeft in de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU en een prioriteit vormt voor de externe betrekkingen van de EU, met inbegrip van de betrekkingen met Afrika; is van mening dat Afrika en Europa een gedeeld belang en gedeelde verantwoordelijkheid hebben op het gebied van migratie en mobiliteit, ook ten aanzien van de strijd tegen mensenhandel en ‑smokkel, en overwegende dat het beheer van migratie vraagt om mondiale oplossingen gebaseerd op solidariteit, het delen van verantwoordelijkheden, eerbiediging van migrantenrechten en het internationaal recht, evenals het doeltreffend gebruik van instrumenten voor ontwikkelingssamenwerking;

M.  overwegende dat meer dan 218 miljoen mensen in Afrika in extreme armoede leven; overwegende dat het aandeel van de bevolking in Sub-Saharaans Afrika dat in extreme armoede leeft, gedaald is van 56 % in 1990 tot 43 % in 2012; overwegende dat 33 van de 47 minst ontwikkelde landen zich op het Afrikaanse continent bevinden, wat van het partnerschap tussen de EU en Afrika een onmisbaar instrument maakt voor de realisatie van het programma voor duurzame ontwikkeling tot 2030 en van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, in het bijzonder het uitbannen van armoede;

N.  overwegende dat Afrika infrastructurele behoeften heeft van naar schatting 75 miljard EUR per jaar en een consumptiemarkt die waarschijnlijk zal oplopen tot 1 000 miljard USD in 2020, dat de buitenlandse directe investeringen (BDI) er voortdurend toenemen en in 2020 naar verwachting 144 miljard USD zullen bedragen, en dat Afrika momenteel een bevolking heeft van 1 miljard inwoners;

O.  overwegende dat uit Afrika nog steeds voornamelijk ruwe en niet‑verwerkte producten worden uitgevoerd en dat een groot deel van deze uitvoer onder handelspreferentieregelingen valt; overwegende dat vrije markttoegang voor de meeste Afrikaanse producten de capaciteiten van Afrikaanse landen kan verbeteren en hun concurrentievermogen en deelname aan internationale markten kan vergroten, indien deze vrije markttoegang gepaard gaat met een beleid waarin duurzame industrialisering en productiviteit op het platteland als essentiële factoren voor ontwikkeling worden beschouwd;

P.  overwegende dat rekening moet worden gehouden met de demografische dynamiek, in de wetenschap dat tegen 2050 Afrika volgens sommige voorspellingen 2,5 miljard personen kan tellen, hoofdzakelijk jongeren, terwijl de Europese bevolking naar verwachting aanzienlijk ouder zal zijn; overwegende dat het daarom van essentieel belang is miljoenen banen te scheppen en de emancipatie van vrouwen en jongeren te ondersteunen, meer bepaald via het onderwijs en toegang tot gezondheidszorg en scholing op het Afrikaanse continent;

Intensivering van de politieke dialoog tussen de EU en Afrika: een randvoorwaarde voor een hernieuwd strategisch partnerschap

1.  neemt kennis van deze nieuwe mededeling met als titel "Een vernieuwde impuls voor het partnerschap Afrika-EU", die een nieuw elan moet geven aan het partnerschap tussen Afrika en de EU en het moet versterken en verdiepen, door het te richten op de welvaart en de stabiliteit op de twee continenten, overeenkomstig de verbintenissen die werden aangegaan in het kader van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, de nieuwe Europese consensus voor ontwikkeling, die dienstdoet als een reeks richtsnoeren voor het Europees ontwikkelingsbeleid, de algemene strategie voor het buitenlands en het veiligheidsbeleid van de Unie, en de agenda 2063;

2.  brengt in herinnering dat Afrika een belangrijke strategische partner is voor de EU en meent dat het essentieel is de betrekkingen tussen de EU en de AU te versterken via een herziene en uitgebreide dialoog, waar de beginselen van transparantie en goed beheer deel van uitmaken, om een win-winsituatie en gelijke en duurzame samenwerking tot stand te brengen met het oog op de aanpak van gedeelde uitdagingen en het behalen van gemeenschappelijke voordelen; meent dat hierbij het beginsel van eigen inbreng moet worden gewaarborgd en rekening moet worden gehouden met de specifieke omstandigheden en het ontwikkelingsniveau van ieder partnerland;

3.  wenst dat in het toekomstige partnerschap de nadruk komt te liggen op de zowel door de AU als de EU vastgestelde prioritaire kwesties, zoals:

  economische ontwikkeling (via handel, economische partnerschapsovereenkomsten (EPO's), meer regionale integratie, economische diversificatie, duurzame industrialisering en het scheppen van hoogwaardige werkgelegenheid),

•  goed bestuur, met inbegrip van de mensenrechten,

•  menselijke ontwikkeling via openbare diensten die voorzien in basisbehoeften, zoals onderwijs, gezondheid, toegang tot water en sanitaire voorzieningen, gendergelijkheid, wetenschap, technologie en innovatie,

•  veiligheid en terrorismebestrijding,

•  migratie en mobiliteit,

•  milieu – inclusief klimaatverandering;

4.  herinnert eraan dat begrotingssteun de beste manier is om voor eigen inbreng te zorgen, aangezien regeringen de middelen worden gegeven om over hun eigen behoeften en prioriteiten te beslissen; herinnert eraan dat door middel van algemene of sectorale begrotingssteun ontwikkelingsbeleid kan worden ondersteund en een maximale absorptiecapaciteit kan worden gegarandeerd;

5.  is verheugd dat de vijfde top EU-Afrika, die in november 2017 in Ivoorkust zal plaatsvinden, de jeugd als centraal thema heeft, gezien het belang ervan voor de toekomst van beide continenten;

6.  wijst op het belang en de efficiëntie van de samenwerking tussen de ACS-landen en de EU en de behaalde resultaten op het gebied van ontwikkeling; benadrukt dat dit juridisch bindend kader na 2020 moet worden behouden; onderstreept dat deze samenwerking moet worden versterkt, en tegelijkertijd de regionale dimensie ervan moet worden ontwikkeld, onder meer via intensievere samenwerking met de AU, de regionale economische gemeenschappen en andere regionale organisaties; pleit voor een meer gestructureerde, pragmatische, alomvattende en strategische benadering van de politieke dialoog in het kader van de onderhandelingen over de overeenkomst na Cotonou;

7.  pleit voor het versterken van de parlementaire dimensie van de ACS-EU-samenwerking; benadrukt dat de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU een uniek platform is voor interactie en een cruciale rol speelt voor het versterken van de democratie, de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten;

8.  onderstreept dat de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) kansen biedt om het nabuurschapsbeleid en het beleid dat is gericht op de overige Afrikaanse landen beter op elkaar af te stemmen door ruimere kaders vast te stellen voor samenwerking op het gebied van regionale kwesties zoals veiligheid, energie en zelfs migratie;

9.  bevestigt dat, in het kader van het partnerschap tussen Afrika en de EU, een gecoördineerde aanpak nodig is tussen de EU-lidstaten onderling en tussen de EU en haar lidstaten, zoals voorzien in artikel 210 van het VWEU; wijst er evenzo op dat het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling in zowel Europese als Afrikaanse beleidsmaatregelen en initiatieven moet worden geëerbiedigd om de SDG's te verwezenlijken;

10.  wenst dat de beginselen van beleidscoherentie voor ontwikkeling volledig worden opgenomen in de handelsbetrekkingen van de EU met Afrika, hetgeen inhoudt dat afdwingbare clausules inzake handel en duurzame ontwikkeling in alle handelsovereenkomsten van de EU met Afrikaanse landen worden opgenomen, in overeenstemming met de verbintenissen van de Europese Commissie in de strategie "Handel voor iedereen";

11.  herhaalt hoe belangrijk het is dat de lidstaten hun belofte nakomen om 0,7 % van hun bnp beschikbaar te stellen voor officiële ontwikkelingshulp om de samenwerking met Afrika te versterken;

12.  deelt de geuite wens om de banden tussen de EU en Afrika te versterken teneinde het hoofd te bieden aan mondiale bestuurskwesties; benadrukt in dit verband dat de dialoog met de AU moet worden versterkt en dat haar financiële autonomie moet worden verzekerd overeenkomstig het besluit van Kigali over financiering, door de afhankelijkheid van externe financiering te verminderen; neemt kennis van de voorstellen in het door president Paul Kagamé opgestelde verslag, dat gericht is op het versterken van de AU om het proces van politieke integratie in Afrika te stimuleren;

13.  onderstreept de rol van het maatschappelijk middenveld – met inbegrip van ngo's, religieuze organisaties, jongeren- en vrouwenrechtenorganisaties, de privésector, vakbonden, parlementen, lokale overheden en migrantengemeenschappen, elk met hun eigen specifieke kenmerken – bij het versterken van de politieke dialoog tussen de EU en Afrika om een op de bevolking gericht partnerschap te waarborgen;

14.  benadrukt dat de deelname van het maatschappelijk middenveld aan het partnerschap tussen Afrika en de EU moet worden verbeterd door de competenties ervan te versterken, met name door kennis over te dragen en ervoor te zorgen dat het betrokken wordt bij het ontwerp en de uitvoering van relevante hervormingen en beleidslijnen; meent dat het engagement van maatschappelijke organisaties essentieel is voor de publieke verantwoording; steunt de verschillende platformen die zijn opgericht om van het maatschappelijk middenveld een belangrijke speler in het partnerschap te maken, met name het jaarlijkse gezamenlijke forum voor de tenuitvoerlegging van de routekaart EU-Afrika; betreurt niettemin dat het jaarlijkse gezamenlijke forum nooit is bijeengeroepen en verzoekt de EU en de AU onmiddellijk te voorzien in de nodige financiële en politieke middelen om te zorgen voor zinvolle deelname van alle belanghebbenden aan het partnerschap, eveneens in het kader van de vijfde top AU‑EU;

Weerbaardere staten en maatschappijen voor alle mensen, in het bijzonder jongeren, om de SDG's te verwezenlijken

15.  meent dat weerbaarheid, in al zijn vijf dimensies, een belangrijk onderdeel moet worden van de nieuwe strategie EU-Afrika;

Politieke weerbaarheid

16.  dringt erop aan dat goed bestuur, democratie, de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten moeten worden bevorderd, evenals de strijd tegen corruptie op de twee continenten, aangezien die elementen onlosmakelijk zijn verbonden met duurzame ontwikkeling;

17.  pleit daarom voor een open en inclusieve dialoog op basis van wederzijds respect, waarbij die waarden en beginselen tot een belangrijk samenwerkingsonderdeel worden gemaakt, met name door de strikte eerbiediging daarvan tot voorwaarde te maken voor ontwikkelingssamenwerking;

18.  benadrukt dat het van essentieel belang is de bestuursproblemen in beide continenten met grotere vastberadenheid aan te pakken om eerlijkere, stabielere en veiligere samenlevingen op te bouwen; onderstreept de noodzaak om de kwestie van de mensenrechten en goed bestuur te blijven aankaarten op basis van bestaande internationale rechtsinstrumenten, wetten, beginselen en mechanismen, ook die van Afrikaanse regionale bestuursorganen zoals het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren en de protocollen daarbij, het Afrikaans Handvest voor democratie, verkiezingen en bestuur, de Afrikaanse Commissie voor de rechten van mensen en volkeren en het Afrikaans Hof voor de Rechten van de Mens en Volkeren, met als doel om de eigen verantwoordelijkheid te vergroten;

19.  wijst nogmaals op de belangrijke rol van het Internationaal Strafhof voor het bestrijden van straffeloosheid en het handhaven van de waarden vrede, veiligheid, gelijkheid, billijkheid, rechtvaardigheid en herstel die het uitdraagt; roept de Europese Unie en Afrikaanse landen ertoe op het Statuut van Rome en het Internationaal Strafhof te blijven steunen; verzoekt alle ondertekenaars van het Statuut van Rome met klem dit zo spoedig mogelijk te ratificeren;

20.  steunt de organisatie van een gezamenlijke conferentie op hoog niveau tussen de AU en de EU over de verkiezingsprocedures, de democratie en goed bestuur in Afrika en Europa, en wenst dat het Europees Parlement, het pan-Afrikaanse Parlement, de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU en de Euro-mediterrane Parlementaire Vergadering daar ten volle bij worden betrokken; roept ertoe op de banden tussen de verschillende Parlementaire Vergaderingen te versterken om de synergieën en de samenhang van gezamenlijke acties te bevorderen;

Weerbaarheid op het gebied van veiligheid

21.  herhaalt dat veiligheid en ontwikkeling nauw onderling verbonden zijn; wijst erop dat het van belang is om veiligheidszorgen en ontwikkelingsdoelstellingen beter te integreren, om de specifieke problemen van kwetsbare staten aan te pakken en weerbaardere staten en samenlevingen op te bouwen; merkt op dat dit moet gebeuren via specifieke instrumenten en bijkomende financiering;

22.  dringt aan op nauwere samenwerking tussen de EU en Afrika op het gebied van veiligheid en justitie met betrekking tot het internationale rechtskader zodat problemen op een alomvattende manier kunnen worden aangepakt en beter het hoofd kan worden geboden aan georganiseerde misdaad, mensenhandel en ‑smokkel – in het bijzonder wanneer het om kinderen gaat – en terrorisme; is van mening dat de acties van de EU moeten beantwoorden aan de strategieën die zijn aangenomen door de Afrikaanse landen, met name de strategieën op het vlak van vrede en veiligheid die zijn vermeld in de Agenda 2063;

23.  wijst op het belang van samenwerking op het gebied van veiligheid tussen de EU, AU, regionale organisaties en andere betrokken politieke actoren in Afrika om bij te dragen tot het vermogen van ontwikkelingslanden om hun veiligheidssector te hervormen en om activiteiten op het gebied van ontwapening, demobilisatie en herintegratie van voormalige strijders te ondersteunen;

24.  brengt in herinnering dat terrorisme een wereldwijde bedreiging vormt voor regionale vrede en stabiliteit, duurzame ontwikkeling en interne veiligheid, en op gecoördineerde wijze moet worden aangepakt door nationale regeringen, regionale en internationale organisaties en EU-agentschappen; roept op tot betere samenwerking binnen de strategie EU-Afrika met het oog op het voorkomen van straffeloosheid, het bevorderen van de rechtsstaat en het uitbreiden van de politiële en justitiële capaciteiten, om de uitwisseling van informatie en optimale werkwijzen te vergemakkelijken en de financiering van terrorisme te voorkomen, tegen te gaan, te bestrijden en te vervolgen; merkt op dat de strategie voor terrorismebestrijding ook maatregelen moet omvatten voor de bevordering van de interreligieuze dialoog en de preventie van radicalisering en het daaruit voortvloeiende gewelddadige extremisme in Afrika en Europa, met name onder jongeren;

25.  wijst andermaal op het belang van de verschillende missies en acties van de EU in Afrika; is ingenomen met de oprichting van de G5 Sahel Joint Force; dringt erop aan dat de Europese acties voor vrede en veiligheid worden aangescherpt in samenwerking met de Afrikaanse en internationale partners en dat de volledige inwerkingstelling van de Afrikaanse vredes- en veiligheidsarchitectuur (APSA) wordt ondersteund; vraagt de EU een eerste bijdrage te leveren aan het vredesfonds van de AU ten behoeve van activiteiten onder de rubriek "bemiddeling en diplomatie";

Weerbaarheid op het gebied van milieu

26.  herinnert eraan dat Afrika bijzonder kwetsbaar is voor de gevolgen van klimaatverandering; is van mening dat de EU een strategische aanpak voor de opbouw van klimaatveerkracht moet ontwikkelen en de Afrikaanse landen, met name de minst ontwikkelde landen, dienovereenkomstig moet steunen bij hun inspanningen om de broeikasgassen te verminderen en om zich aan te passen; wijst op het belang van klimaatverandering als een risicoverhogende factor voor conflicten, droogte, hongersnood en migratie, zoals is gebleken uit de recente uitbraak van hongersnood in Zuid-Sudan, Nigeria en Somalië; herinnert er in dit verband aan dat ruchtbaarheid moet worden gegeven aan de in 2015 in Parijs gedane toezegging om tegen 2020 100 miljard USD toe te kennen aan ontwikkelingslanden, en dat deze toezegging moet worden nagekomen; pleit voor nieuwe samenwerkingsvormen tussen Afrika en de EU waarmee de belemmeringen voor de financiering en de overdracht van technologie worden verminderd;

27.  benadrukt dat Afrika een rijk en gevarieerd natuurlijk milieu heeft; meent dat de bescherming van biodiversiteit centraal moet staan in de politieke agenda van de EU en AU; dringt erop aan dat de strategie EU-Afrika aansluit op de prioriteiten van het Actieplan van de EU tegen de illegale handel in wilde dieren en planten en bescherming biedt aan natuurlijk erfgoed en natuurparken in het bijzonder;

28.   is voorstander van meer investeringen op het gebied van hernieuwbare energie en de kringloopeconomie om maatregelen die bijdragen tot respect voor het milieu en het scheppen van werkgelegenheid, verder te stimuleren; herinnert eraan dat het garanderen van toegang tot betaalbare, betrouwbare, duurzame en veilige energie voor allen van essentieel belang is om te voldoen aan de basisbehoeften van de mens, essentieel is voor bijna alle vormen van economische bedrijvigheid en een belangrijke drijvende kracht voor ontwikkeling is; roept de EU op het Afrikaanse Initiatief voor hernieuwbare energie (AREI) te blijven ondersteunen en is ingenomen met het voorstel van de Commissie om een nieuw Europees-Afrikaans onderzoeks- en innovatiepartnerschap inzake klimaatverandering en duurzame energie op te starten;

29.  verzoekt het partnerschap Afrika-EU zich te richten op landbouw en voedselzekerheid met een langetermijnperspectief en synergieën tussen voedselzekerheid en klimaatacties te bevorderen; dringt er in dit verband bij de EU op aan haar steun aan duurzame landbouw, agrobosbouw en agro-ecologische methoden op te schroeven, met eerbiediging van traditioneel landgebruik, en de toegang tot land, water en open-sourcezaden te waarborgen; roept de EU er eveneens toe op kleinschalige producenten/landbouwers en nomadische veehouders te steunen bij het verwezenlijken van voedselzekerheid middels de opbouw van en investeringen in infrastructuur in overeenstemming met de Beginselen voor verantwoord investeren in landbouw en voedselsystemen van het CFS, en de oprichting van coöperaties te ondersteunen; wijst eveneens op de capaciteiten en de ervaring die maatschappelijke organisaties op communautair niveau hebben opgedaan met betrekking tot duurzame energie;

30.  is verheugd over de initiatieven van de EU om een beter beheer en een transparantere handel van de natuurlijke hulpbronnen te eisen; is van mening dat landen met veel grondstoffen en hun bevolking door middel van een duurzaam beheer van en duurzame handel in natuurlijke hulpbronnen – zoals mineralen, hout en wilde dieren – daar meer van kunnen profiteren; herhaalt zijn verzoek om in het kader van de EU-wetgeving inzake conflictmineralen aanvullende maatregelen te nemen met het oog op een geïntegreerde benadering die bijdraagt tot de toepassing van internationale zorgvuldigheidsnormen, zoals omschreven in de richtsnoeren van de OESO; pleit voor het uitwerken van een gemeenschappelijk handvest van de EU en Afrika over duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen;

Economische weerbaarheid

31.  meent dat een stabiel institutioneel en regelgevend kader en een gezonde economie van essentieel belang zijn voor de versterking van het concurrentievermogen, de investeringen, het creëren van banen, de verbetering van de levensstandaard en duurzame groei; beklemtoont in dit verband dat de digitale toegankelijkheid van informatie over het vennootschapsrecht moet worden verbeterd; wijst er nogmaals op dat economische groei zonder een onpartijdige staat geen garantie vormt voor sociale ontwikkeling of vooruitgang en dringt aan op de herverdeling van rijkdom, de verlening van diensten aan burgers en de verbetering van gelijke kansen;

32.  roept op tot nauwere samenwerking tussen de Europese en de Afrikaanse privésector en tot het concentreren van investeringen, met name via publiek-private partnerschappen, op basis van een strikte ethische code en de eerbiediging van de beginselen van maatschappelijk verantwoord ondernemen, in belangrijke sectoren zoals:

–  duurzame energie, waaronder toegang tot elektriciteit voor iedereen,

–  basisinfrastructuur, met name in de vervoersector, met inbegrip van maritiem vervoer,

–  duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen,

–  duurzame landbouw,

–  de "blauwe economie", waaronder de maritieme industrie,

–  onderzoek, wetenschap, technologie en innovatie, zowel met betrekking tot onderwerpen van gemeenschappelijk belang als onderwerpen die vooral een van beide continenten aangaan, zoals armoedegerelateerde en verwaarloosde ziekten,

–  digitalisering als een cruciale factor voor de ontwikkeling van de Afrikaanse economie, maar ook voor het verbinden van volkeren;

33.  benadrukt dat regionale integratie een drijvende kracht achter economische ontwikkeling vormt en noodzakelijk is in een geglobaliseerde wereld; dringt aan op steun voor een Zuid-Zuid-samenwerking die beantwoordt aan de geleidelijke transformatie van het Afrikaanse continent; steunt de oprichting van een continentale vrijhandelszone in Afrika, evenals de doelstelling om de handel binnen Afrika tegen 2050 te verhogen tot 50 %; herinnert eveneens aan de ontwikkelingsperspectieven die worden geboden door economische partnerschapsovereenkomsten (EPO's) en de handelsovereenkomsten tussen de EU en Afrikaanse landen, die de mogelijkheid bieden om duurzame ontwikkeling, de mensenrechten en eerlijke en ethische handel te bevorderen; onderstreept dat gezorgd moet worden voor regels van oorsprong die de ontwikkeling ondersteunen, effectieve vrijwaringsclausules, asymmetrische liberaliseringsprogramma's, de bescherming van opkomende industrieën, en de vereenvoudiging en transparantie van douaneprocedures; herinnert eraan dat EPO's tot doel hebben de ACS-landen te helpen hun markten te vergroten, de uitwisseling van goederen aan te moedigen en investeringen te stimuleren, en dat ze voorzien in een trage, geleidelijke en asymmetrische openstelling van de goederenhandel tussen de EU en de ACS-landen;

34.  verzoekt om transparantie in handelsovereenkomsten en om de volledige deelname van alle belanghebbenden – inclusief het maatschappelijk middenveld in de betrokken landen, door middel van officiële raadplegingen – aan toekomstige onderhandelingen en aan de uitvoering van overeenkomsten waarover momenteel wordt onderhandeld;

35.  vraagt de EU en de lidstaten hun programma's voor hulp voor handel beter op elkaar af te stemmen en te zorgen voor meer synergie met hun investeringsbeleid in Afrika; vraagt ze voorts hun financiële engagement ten aanzien van hulp voor handel en initiatieven voor technische bijstand en capaciteitsopbouw te vergroten, aangezien deze essentieel zijn voor Afrikaanse landen en met name de minst ontwikkelde landen;

36.  is van oordeel dat de privésector, van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) tot coöperaties en multinationals, een beslissende rol speelt bij het scheppen van werkgelegenheid en bij het ontwikkelingsproces, en bijdraagt aan de financiering daarvan; benadrukt de bijzondere rol van kmo's en kleine familiebedrijven, en pleit voor steun voor eigen initiatieven; is in dit verband ingenomen met de oprichting van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling, dat gericht moet zijn op het ondersteunen van de privésector in de Afrikaanse landen, in het bijzonder lokale ondernemingen en kmo's in fragiele staten, en zo investeringen en het scheppen van duurzame werkgelegenheid moet bevorderen, met name voor vrouwen en jongeren;

37.  herinnert aan de verplichtingen waaraan de particuliere sector moet voldoen in het kader van de richtsnoeren van de Verenigde Naties en de OESO, en herhaalt zijn verzoek aan de lidstaten van de EU en de AU om constructief deel te nemen aan de intergouvernementele werkgroep van de VN inzake transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de mensenrechten, om zo tot een internationaal bindend verdrag te komen dat gebaseerd is op de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten, wat betreft de wijze waarop ondernemingen mensenrechten en hun verplichtingen op het gebied van sociale, arbeids- en milieunormen in acht moeten nemen;

38.  benadrukt dat fatsoenlijke banen moeten worden gecreëerd en dat deze moeten worden gekoppeld aan investeringen, en dat dit binnen het kader van het partnerschap Afrika-EU moet gebeuren; dringt in dit verband aan op naleving van de IAO-normen; onderstreept het belang van de wisselwerking tussen sociale, economische en institutionele actoren, en pleit ervoor de rol van de sociale partners te vergroten door de doeltreffendheid van de sociale dialoog op alle niveaus te stimuleren, hetgeen bevorderlijk is voor collectieve onderhandelingen;

39.  betreurt dat elk jaar ongeveer 50 miljard USD Afrika verlaat in de vorm van illegale geldstromen, wat meer is dan het totaalbedrag van de jaarlijkse officiële ontwikkelingshulp, en de inspanningen voor de mobilisering van binnenlandse inkomsten ondermijnt; verzoekt beide partijen bijgevolg om:

–  te voorzien in doeltreffende instrumenten voor de bestrijding van belastingontduiking, belastingfraude en corruptie, en openbare transparantie te bieden over wie de uiteindelijke begunstigde is van juridische entiteiten, trusts en soortgelijke constructies,

–  de door de VN ondersteunde beginselen voor verantwoord investeren te onderschrijven,

–  steun te verlenen voor initiatieven ter verbetering van de efficiëntie en transparantie van openbare financiële beheersystemen;

40.  roept er voorts toe op de VN-richtsnoeren inzake schulden en mensenrechten alsook de beginselen voor het bevorderen van het verantwoordelijk verstrekken en opnemen van overheidskrediet van de Conferentie van de Verenigde Naties voor handel en ontwikkeling (UNCTAD) doeltreffend ten uitvoer te leggen; is ingenomen met de inspanningen van de Verenigde Naties voor een internationaal schuldherstructureringsmechanisme;

41.  pleit voor meer financiële inclusie in Afrika, ook van vrouwen, via de ontwikkeling van elektronisch bankieren, teneinde de polarisatie van de Afrikaanse samenleving tegen te gaan; herinnert eraan dat geldovermakingen een grotere geldstroom naar ontwikkelingslanden vormen dan de totale officiële ontwikkelingshulp en een aanzienlijke bijdrage kunnen leveren tot de verwezenlijking van Agenda 2030; spoort de EU er daarom toe aan de inspanningen van de AU ter verbetering van geldovermakingsmechanismen verder te ondersteunen;

Sociale weerbaarheid

42.  erkent het belang van de demografische dynamiek in Afrika, die vraagt om een strategische visie op lange termijn om duurzame, inclusieve en participatieve samenlevingen te ontwikkelen; benadrukt eveneens dat niet-discriminatie moet worden gegarandeerd van kwetsbare groepen, waaronder personen met een handicap en inheemse volkeren; erkent dat de bevolkingsgroei in Afrika een uitdaging vormt voor de lokale economie maar eveneens een kans voor het continent; verzoekt de EU derhalve zich te engageren voor de bevordering van passend overheidsbeleid en investeringen in onderwijs en gezondheidszorg, met inbegrip van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, zodat jonge mensen weloverwogen beslissingen kunnen nemen met betrekking tot hun seksuele en reproductieve gezondheid, gendergelijkheid en kinderrechten, zonder welke geen sociale, economische en ecologische veerkracht kan worden bereikt;

43.  benadrukt dat de verstedelijking in Afrika continu toeneemt en een uitdaging vormt voor de samenleving, de economie en het milieu; vraagt om oplossingen voor deze stedelijke druk en roept ertoe op om de problemen van ongebreidelde verstedelijking te verlichten;

44.  verzoekt de EU en de AU de Afrikaanse nationale onderwijsstelsels te versterken, met inbegrip van de capaciteit van de bestuurlijke structuren, door minstens 20 % van hun nationale begroting te investeren in onderwijs en de steun van de EU aan het wereldwijde partnerschap voor onderwijs (Global Partnership for Education, GPE) en het fonds Education Cannot Wait (ECW) te verhogen;

45.   onderstreept de noodzaak van universele, inclusieve en billijke toegang op de lange termijn tot kwalitatief onderwijs op alle niveaus, vanaf de vroege kinderjaren en voor iedereen, met bijzondere aandacht voor meisjes, ook in crisis- en noodsituaties;

46.  benadrukt dat er in menselijk kapitaal moet worden geïnvesteerd en dat de jeugd vertrouwd moet worden gemaakt met de mondiale realiteit en over vaardigheden moet beschikken die beantwoorden aan de huidige en toekomstige behoeften van de arbeidsmarkt, door het bevorderen van onderwijsstelsels en beroepsopleidingen (zowel formele als informele), zelfstandigheid en ondernemerschap;

47.  acht het belangrijk de Afrikaanse landen te steunen bij het invoeren van performante gezondheidszorgstelsels en het waarborgen van kwaliteitsvolle gezondheidsdiensten voor iedereen, en met name bij het wegnemen van de belemmeringen voor vrouwen en andere kwetsbare groepen, zoals kinderen, mensen met een handicap en LGBTI;

48.  roept op tot de invoering van een minimale universele dekking van de gezondheidszorg via de oprichting van nationale horizontale gezondheidszorgstelsels; benadrukt dat op basis van de huidige tendens een miljoen geschoolde zorgverleners méér moet worden opgeleid dan aanvankelijk gepland om tegen 2030 aan de minimumeisen van de WHO te voldoen;

49.  benadrukt dat infectieziekten een ernstige bedreiging vormen voor de sociale veerkracht; vraagt de Commissie de inspanningen op het vlak van wetenschappelijke en medische samenwerking tussen de beide continenten op te voeren, zoals het partnerschapsprogramma voor klinische proeven tussen Europese en ontwikkelingslanden (EDCTP2), en te investeren in wetenschap, technologie en innovatie om via ontwikkelingssamenwerking het hoofd te bieden aan de nog steeds enorme last van armoedegerelateerde en verwaarloosde ziekten;

50.  wijst er andermaal op dat meer moet worden geïnvesteerd in de toegang tot kraamzorg en seksuele en reproductieve gezondheid om moeder- en kindersterfte terug te dringen en traditionele praktijken zoals genitale verminking van vrouwen en gedwongen en/of kindhuwelijken aan te pakken;

51.  onderstreept het belang van gendergelijkheid en de versterking van de positie van vrouwen in de samenwerking tussen de EU en Afrika; benadrukt de positieve rol en participatie van vrouwen in het politieke en economische domein, conflictpreventie en de opbouw van duurzame vrede;

52.  merkt op dat cultuur zowel een facilitator als een belangrijk onderdeel is van ontwikkeling, en dat het een instrument kan zijn voor sociale inclusie, vrijheid van meningsuiting, identiteitsopbouw, burgeremancipatie en het voorkomen van conflicten, en tegelijkertijd de economische groei versterkt; nodigt daarom de EU en de AU uit de interculturele politieke dialoog en de culturele diversiteit te bevorderen en steun te verlenen aan strategieën voor de bescherming van cultuur en erfgoed; beklemtoont dat democratie een universele waarde is die in alle culturen kan worden ingepast; erkent evenzo de rol van sport als bron en stimulans van sociale integratie en gendergelijkheid;

Opzet van een strategie voor mobiliteit en migratiestromen die bijdragen aan de ontwikkeling van de twee continenten

53.  herinnert eraan dat migratie en mobiliteit tussen en binnen Europa en Afrika invloed hebben op economisch, sociaal, politiek en milieugebied, en dat deze uitdaging op gecoördineerde en integrale wijze door de twee continenten moet worden aangegaan, in samenwerking met landen van herkomst, doorreis en bestemming; meent dat synergieën hierbij maximaal moeten worden benut en gebruik moet worden gemaakt van alle relevante EU-beleidslijnen en ‑instrumenten, op basis van solidariteit, het delen van verantwoordelijkheden, respect en menselijke waardigheid; wijst er in dit verband op dat de dialoog tussen Afrika en de EU moet worden aangescherpt vóór aanvang van de onderhandelingen over de twee Global Compacts over respectievelijk migratie en vluchtelingen, die tegen 2018 door de VN zullen worden opgesteld, om waar mogelijk gemeenschappelijke prioriteiten te kunnen vaststellen;

54.   herinnert eraan dat het positieve effect van migratie en mobiliteit moet worden vergroot zodat deze verschijnselen worden gezien als instrumenten voor wederzijdse ontwikkeling voor de twee continenten; beklemtoont dat dit vraagt om een zorgvuldig ontworpen, evenwichtige, op feiten gebaseerde en duurzame beleidsreactie met een langetermijnstrategie die rekening houdt met de demografische perspectieven en de onderliggende oorzaken van migratie;

55.   is zich ervan bewust dat gewelddadige conflicten, vervolging, ongelijkheid, schending van mensenrechten, zwak bestuur, corruptie, terrorisme, repressieve regimes, natuurrampen, klimaatverandering, werkloosheid en chronische armoede de voorbije jaren hebben geleid tot verplaatsingen van bevolkingsgroepen en een toename van de migratie naar Europa; wijst er desalniettemin op dat meer dan 85 % van de Afrikaanse migranten die hun land verlaten binnen het Afrikaanse continent blijft;

56.  steunt de verscheidene initiatieven op Europees niveau om de diepere oorzaken van irreguliere migratie aan te pakken, met name migratiepartnerschappen, trustfondsen voor Afrika en het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling; dringt erop aan dat de tenuitvoerlegging daarvan wordt gewaarborgd en op flexibele, efficiënte, samenhangende en transparante wijze wordt voortgezet om eventuele synergieën tussen de verschillende instrumenten, programma's en activiteiten te vergroten, zowel in het interne als externe optreden; benadrukt de noodzaak van intensievere samenwerking op het gebied van grensbeheer;

57.  herhaalt zijn verzoek om de bevordering van legale migratie, in overeenstemming met de aanbevelingen van het actieplan van Valletta; benadrukt voorts dat ontwikkelingshulp niet afhankelijk mag zijn van samenwerking op het gebied van migratiezaken;

58.  dringt er bij de lidstaten op aan hun hervestigingsplaatsen aan een groot aantal vluchtelingen aan te bieden; roept in dit verband op tot de oprichting van een Europees hervestigingskader dat eenvoudig uitvoerbaar is voor de lidstaten; roept de Europese Unie en haar lidstaten voorts op samen te werken met en hulp te bieden aan Afrikaanse landen die geconfronteerd worden met vluchtelingenstromen of langdurige crisissituaties, om hun asielcapaciteit en beschermingssystemen te versterken;

59.  verzoekt de lidstaten met klem hun financiële bijdragen aan trustfondsen en andere faciliteiten te verhogen met als doel om inclusieve en duurzame groei te ondersteunen en de werkgelegenheid te stimuleren en op die manier een bijdrage te leveren aan het aanpakken van de onderliggende oorzaken van migratie; wenst eveneens dat het Europees Parlement een grotere controlerende rol krijgt om te waarborgen dat migratiepartnerschappen en financieringsinstrumenten verenigbaar zijn met de rechtsgrond, de beginselen en de toezeggingen van de EU;

60.  dringt er bij de EU en de AU op aan de uitwisseling van studenten, onderwijzers, ondernemers en onderzoekers tussen beide continenten te bevorderen; is ingenomen met het voorstel van de Commissie om een faciliteit voor de Afrikaanse jeugd op te zetten door het toepassingsgebied van Erasmus+ uit te breiden en een EU-faciliteit voor beroepsonderwijs en ‑opleiding in het leven te roepen; roept op tot een discussie over de erkenning door de EU van getuigschriften en diploma's van Afrikaanse scholen en universiteiten; wijst erop dat het waarborgen van circulaire migratie essentieel is voor duurzame ontwikkeling en voor het voorkomen van een braindrain vanuit het Afrikaanse continent;

61.  erkent de bijzondere positie van de migrantengemeenschappen, zowel in de gastlanden als in de landen van herkomst, wat betreft de overdracht van aanzienlijke fondsen en als ontwikkelingspartner op nationaal en regionaal niveau; zou graag zien dat de migrantengemeenschappen dienstdoen als een bron van informatie die aansluit op de reële behoeften van de betrokkenen, door te wijzen op de gevaren die verband houden met irreguliere migratie en op de uitdagingen met betrekking tot integratie in gastlanden;

°

°  °

62.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie en hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Commissie van de Afrikaanse Unie, de ACS-Raad, het pan-Afrikaans Parlement en het Bureau van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU.

(1)

PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.

(2)

PB L 249 van 27.9.2017, blz. 1.

(3)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0371.

(4)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0337.

(5)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0246.

(6)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0437.


ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken (5.9.2017)

aan de Commissie ontwikkelingssamenwerking

inzake de strategie EU-Afrika. een stimulans voor ontwikkeling

(2017/2083(INI))

Rapporteur voor advies: Fabio Massimo Castaldo

SUGGESTIES

De Commissie buitenlandse zaken verzoekt de bevoegde Commissie ontwikkelingssamenwerking onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  benadrukt het toenemende belang van politieke, veiligheids- en economische betrekkingen tussen de EU en Afrika in een tijd waarin beide grote veranderingen doormaken, en erkent de bijdrage die de gemeenschappelijke strategie Afrika-EU de afgelopen tien jaar heeft geleverd aan de totstandbrenging van een sterker partnerschap; benadrukt dat er op deze resultaten moet worden voortgebouwd en moet worden gestreefd naar de ontwikkeling van gelijkwaardige, duurzame en wederzijds voordelige betrekkingen met Afrika, in een geest van gedeelde betrokkenheid en verantwoordelijkheid, waarbij tegelijkertijd de onafhankelijkheid en soevereiniteit van Afrikaanse landen moeten worden geëerbiedigd; prijst in dit verband de actieve betrokkenheid van de Afrikaanse landen en hun samenwerking met de EU op recente internationale fora, onder meer tijdens de onderhandelingen over de Overeenkomst van Parijs op de conferentie van de Verenigde Naties over klimaatverandering in 2015 (COP 21);

2.  benadrukt dat de EU als geheel vandaag de dag voor Afrika de voornaamste buitenlandse investeerder, de voornaamste bron van overmakingen en de eerste partner voor ontwikkeling en humanitaire hulp is, en dat zij eveneens een belangrijke rol speelt bij het waarborgen van de veiligheid op het continent; verwacht, gezien de sleutelrol die de ontwikkelingen in Afrika vervullen voor de EU en haar strategische belangen, dat de aanstaande top EU-Afrika frisse impulsen en nieuwe ideeën zal opleveren om de strategie aan een snel veranderende omgeving aan te passen;

3.  onderstreept de noodzaak van een sterker en meer politiek partnerschap tussen de EU en Afrika, gebaseerd op gedeelde waarden en belangen, teneinde vrede te bevorderen, mondiale kwesties als klimaatverandering, voedselonzekerheid, toegang tot water, milieuschade, het niet-duurzame gebruik van natuurlijke hulpbronnen, bevolkingsgroei, verdere verstedelijking van grote steden, jeugdwerkloosheid, straffeloosheid, de verwezenlijking van de VN-doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG's), terrorisme, radicalisering, georganiseerde misdaad en migratiestromen aan te pakken, en daarbij voort te bouwen op onze gezamenlijke beginselen van de rechtsstaat, de sociale-markteconomie, goed bestuur en eerbiediging van de mensenrechten, en een op regels gebaseerde wereldorde te bevorderen waar een krachtige VN aan ten grondslag ligt;

4.  is ingenomen met het feit dat tijdens de komende AU-EU-top de nadruk zal liggen op jongeren, aangezien dit onderwerp vanwege de demografische dynamiek op beide continenten een centrale plaats inneemt in de betrekkingen tussen Afrika en de Europese Unie; wijst erop dat er volgens de ramingen in Afrika bezuiden de Sahara tegen 2035 18 miljoen nieuwe arbeidsplaatsen per jaar moeten worden geschapen om de nieuwkomers op de arbeidsmarkt te absorberen en zo ernstige gevolgen voor de stabiliteit van samenlevingen te voorkomen; benadrukt dat meer in het algemeen voorrang moet worden gegeven aan het scheppen van banen en economische groei in alle geledingen van de samenleving en dat de particuliere sector op het Afrikaanse continent moet worden ingeschakeld;

5.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie om een faciliteit voor de Afrikaanse jeugd op te zetten door het toepassingsgebied van Erasmus+ uit te breiden en een EU-faciliteit voor beroepsonderwijs en -opleiding in het leven te roepen teneinde de doellanden te helpen om de kloof te overbruggen tussen de behoeften van en de kansen op de arbeidsmarkt en de kwalificaties van afgestudeerden, en tegelijkertijd de inclusie van kwetsbare groepen te bevorderen;

6.  dringt aan op meer steun voor goed onderwijs op alle niveaus, met name voor meisjes, door verbetering van de bilaterale programma's en voortzetting van de steun aan wereldwijde initiatieven zoals het wereldwijde partnerschap voor onderwijs; benadrukt dat het belangrijk is o meer te investeren in scholen, universiteiten en onderzoek, mobiliteitspartnerschappen te bevorderen, de braindrain aan te pakken, programma's als Erasmus+ te ondersteunen en het hoger onderwijs te harmoniseren door middel van grensoverschrijdende programma's en de erkenning van kwalificaties;

7.  herinnert eraan dat de veiligheidsbelangen van de EU nooit eerder zo nauw verbonden zijn geweest met Afrika als nu; dringt aan op meer EU-steun aan Afrikaanse partners en regionale organisaties op het gebied van vrede en veiligheid en conflictpreventie, onder meer door middel van specifieke instrumenten zoals gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB)-operaties, Europese militaire en politionele bijdragen aan VN-missies, EU-maatregelen voor de tenuitvoerlegging van Resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad, en de Vredesfaciliteit voor Afrika om op die manier de noodzakelijke bijstand en hulp mogelijk te bieden in de strijd tegen het wereldwijde jihadistische terrorisme, en vrede en veiligheid voor de getroffen bevolkingsgroepen te bevorderen; benadrukt de belangrijke rol die vroegere en huidige GVDB-missies in Afrika hebben vervuld, onder meer bij het bestrijden van piraterij, het bevorderen van de capaciteitsopbouw, het versterken van de maritieme veiligheid en het verlenen van bijstand inzake grensbeheer; doet een beroep op de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de Raad om ervoor te zorgen dat de GVDB-missies in Afrika doeltreffend kunnen blijven opereren;

8.  benadrukt dat het van groot belang is om veiligheid en stabiliteit te bevorderen door onze partners te helpen weerbaardere staten en samenlevingen op te bouwen, onder meer via capaciteitsopbouw en hervormingen van de veiligheidssector, met speciale aandacht voor goed bestuur in de sector, parlementaire controle en verantwoording, en bevordering van activiteiten op het gebied van ontwapening, demobilisatie en herintegratie van voormalige strijders;

9.  dringt aan op voortzetting van de EU-steun voor de in toenemende mate proactieve benadering van de Afrikaanse Unie (AU) en de desbetreffende regionale organisaties ten aanzien van de volledige inwerkingstelling van de Afrikaanse vredes- en veiligheidsstructuur (APSA); vraagt de EU een eerste bijdrage te leveren aan het vredesfonds van de Afrikaanse Unie ten behoeve van activiteiten onder de rubriek "bemiddeling en diplomatie";

10.  wijst erop dat het van belang is om veiligheidszorgen en ontwikkelingsdoelstellingen beter te integreren, teneinde de specifieke problemen van kwetsbare staten aan te pakken en weerbaardere staten en samenlevingen op te bouwen, onder meer via capaciteitsopbouw ten behoeve van de voedselzekerheid, met name kleinschalige landbouw, aanpassing aan de klimaatverandering, het scheppen van meer en betere banen, met name voor jongeren, de versterking van de positie van vrouwen en bevordering van onderwijs;

11.  benadrukt dat het van groot belang is de bestuursproblemen in Afrika met grotere vastberadenheid aan te pakken, teneinde eerlijkere, stabielere en veiligere samenlevingen op te bouwen, en dringt aan op inspanningen om een einde te maken aan het fenomeen van gijzeling van de staat, waarbij oligarchen het voor het zeggen hebben en delen van de staatsbureaucratie zich schuldig maken aan afpersing, een fenomeen dat ten grondslag ligt aan veel van de sociaaleconomische problemen en politieke conflicten in Afrika;

12.  benadrukt dat het nastreven van gemeenschappelijke belangen en samenwerking op het gebied van veiligheid volledig moet stroken met het internationaal recht, de fundamentele waarden van de EU en de doelstellingen om democratie en goed bestuur te ondersteunen en mensenrechten en de rechtsstaat te bevorderen; is van oordeel dat deze doelstellingen zoveel mogelijk dienen te worden nagestreefd in synergie met en met de coherente bijdrage van andere relevante economische en politieke spelers in Afrika, zoals China en India;

13.  benadrukt dat eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden een onwrikbaar deel uitmaakt van het engagement van de Unie ten aanzien van partners uit derde landen; dringt er bij de EU op aan haar steun voor democratie, de bevordering van mensenrechten, de rechtsstaat, de vrijheid van media en controleerbaar, transparant en responsief bestuur te vergroten, daar dit essentiële elementen zijn om in Afrika een stabiele en inclusieve politieke, sociale en economische omgeving te waarborgen; dringt er bij de EU op aan haar steun aan eigen Afrikaanse mensenrechteninstrumenten, zoals de Afrikaanse Commissie voor de rechten van de mens en volken alsook het Afrikaans Hof voor de Rechten van de Mens en Volken, te versterken;

14.  dringt aan op een meer strategische, pragmatische, alomvattende en gestructureerde benadering van de politieke dialoog in het kader van de Partnerschapsovereenkomst van Cotonou, met een grotere betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld en een sterkere intermenselijke dimensie; onderstreept het belang van de politieke dialoog uit hoofde van artikel 8 van de overeenkomst, de opneming van eerbiediging van de mensenrechten, democratische beginselen en de rechtsstaat als wezenlijke elementen van de overeenkomsten in de zin van artikel 9 en de bepaling inzake "passende maatregelen" in artikel 96; vraagt de Commissie, in het kader van de onderhandelingen over de post-Cotonou-overeenkomst, een meer gestructureerde en strategische aanpak van de mensenrechtendialogen te hanteren door permanente interparlementaire permanente comités op te richten, naar het voorbeeld van de comités die zijn opgenomen in de EU-associatieovereenkomsten, met een mandaat om toezicht te houden op de uitvoering van de clausules inzake essentiële elementen teneinde van noodmaatregelen over te stappen op een brede, systematische dialoog;

15.  benadrukt het belang van de bevordering van dialoog, informatie-uitwisseling en samenwerking op een aantal terreinen zoals beheer van de overheidsfinanciën, billijke en efficiënte belastingstelsels, corruptiebestrijding, transparant en verantwoordingsplichtig openbaar bestuur, participatie van burgers en het maatschappelijk middenveld bij de besluitvormingsprocessen en het duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen;

16.  acht een doeltreffend partnerschap tussen Afrika en de EU van het allergrootste belang om de gemeenschappelijke uitdagingen op gebied van terrorismebestrijding, extremisme en radicalisering aan te pakken; herinnert eraan dat de handel in illegale wapens, drugs en mensen vaak de voornaamste bron van inkomsten van radicale en terroristische organisaties in de regio is; wijst met klem op de verwoestende gevolgen van terroristische groeperingen zoals Daesh en Boko Haram voor de plaatselijke bevolking en de economische ontwikkeling op de lange termijn; wijst er dan ook op dat de samenwerking op veiligheidsgebied op lange termijn moet worden versterkt en dat er meer moet worden geïnvesteerd in onderwijs- en rehabilitatieprogramma's; benadrukt dat een goed functionerende democratie voor meer stabiliteit zorgt en een krachtig instrument vormt in de strijd tegen het terrorisme;

17.  benadrukt dat de onderliggende oorzaken van radicalisering, zoals sociale uitsluiting, armoede en het gebrek aan onderwijs, moeten worden aangepakt, en dat met de Afrikaanse partners gerichte dialogen moeten worden gevoerd over veiligheid en terrorismebestrijding om gezamenlijk de grassrootsfactoren aan te pakken die kunnen leiden tot radicalisering en terrorisme; benadrukt het belang van verbetering van de interreligieuze dialoog, steun aan initiatieven die zijn gericht op integratie van jongeren in de samenleving, het tegengaan van terroristische propaganda, rekening houdend met de rol van het internet en sociale media bij radicaliseringsprocessen, bestrijding van de financiering van terrorisme en versterking van de justitiële samenwerking;

18.  onderstreept dat de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) kansen biedt om het nabuurschapsbeleid en het beleid dat is gericht op de overige Afrikaanse landen beter op elkaar af te stemmen door ruimere samenwerkingskaders vast te stellen; dringt daarom aan op de invoering van deze thematische kaders om de samenwerking tussen de EU, de partnerlanden van het zuidelijk nabuurschap en de andere Afrikaanse landen te bevorderen met betrekking tot regionale uitdagingen als veiligheid, energie en migratie;

19.  wijst nogmaals op het belang van de doeltreffende tenuitvoerlegging van maatregelen in het kader van het extern beleid van de EU, waarmee de werkelijke onderliggende oorzaken van migratie kunnen worden aangepakt en criminele organisaties die zich schuldig maken aan mensensmokkel beter kunnen worden bestreden; dringt aan op intensievere gezamenlijke inspanningen om het actieplan van Valetta uit te voeren, dat gebaseerd is op een eerlijk en werkelijk partnerschap met derde landen van herkomst en doorreis; herinnert aan het belang van een evenwichtige en holistische benadering in het nieuwe partnerschapskader, en onderstreept in dit verband het belang van democratische controle door het Parlement; benadrukt dat de nieuwe partnerschapsovereenkomst met derde landen niet de enige pijler mag worden van het EU-optreden op het gebied van migratie, en dat verder moet worden gekeken dan alleen het grensbeheer, bijvoorbeeld naar eerlijkere handelsbetrekkingen, de strijd tegen de klimaatverandering en illegale financiële transacties vanuit Afrika, de totstandbrenging van veilige en legale kanalen voor migratie, en de invoering van initiatieven om overmakingen van gelden eenvoudiger en goedkoper te maken;

20.  wijst er nogmaals op dat onder meer conflicten, zwak bestuur, instabiliteit van de overheid, schending van de mensenrechten, corruptie, afwezigheid van de rechtsstaat, straffeloosheid, ongelijkheid, werkloosheid of gebrek aan werkgelegenheid, gebrek aan inkomstenbronnen en hulpmiddelen, alsook klimaatverandering de onderliggende oorzaken van migratie vormen;

21.  is van mening dat Afrika en Europa een gedeeld belang en gedeelde verantwoordelijkheid hebben op het gebied van migratie en dat de crisis vraagt om mondiale oplossingen gebaseerd op solidariteit, het delen van verantwoordelijkheden, eerbiediging van migrantenrechten, het beginsel van non-refoulement, en de naleving door landen van verplichtingen om migratiestromen op hun grondgebied deugdelijk te beheren, en hun eigen burgers weer op hun grondgebied op te nemen en hun volledige grondwettelijke rechten te verlenen als zij in het buitenland geen legale verblijfsstatus kunnen verkrijgen;

22.  benadrukt dat een nauwe samenwerking tussen de Afrikaanse landen en de EU, en met name tussen de landen aan weerszijden van de Middellandse Zee, van essentieel belang is in de strijd tegen mensenhandel en migrantensmokkel; steunt in dit verband de tenuitvoerlegging van alomvattende beleids- en rechtskaders op basis van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad en de bijbehorende protocollen;

23.  wijst erop dat de bijdragen van de lidstaten aan het EU-noodtrustfonds voor Afrika laag blijven; verwacht dat het Europees extern investeringsplan zijn toezeggingen gestand zal doen om investeringen in Afrika te mobiliseren, inclusieve en duurzame groei te ondersteunen en de werkgelegenheid te stimuleren en op die manier een bijdrage te leveren aan het aanpakken van de onderliggende oorzaken van de migratie;

24.  wijst met grote bezorgdheid op het gebrek aan een centrale overheid in delen van het Afrikaanse continent, met name op het gebied van grensbeheer, en herinnert aan de nadelige gevolgen die dit heeft voor de bestrijding van terrorisme en drugshandel; benadrukt bijgevolg de noodzaak van een intensievere samenwerking op het gebied van grensbeheer en migratiebeleid;

25.  erkent het belang, de belangrijke dimensie en de omvormende kracht van regionale, trans-regionale en continentale integratie ten behoeve van groei en ontwikkeling in Afrika, en wijst op de noodzaak om het opwerpen van nieuwe barrières voor handel, mobiliteit en samenwerking op het gebied van veiligheid te voorkomen; is van oordeel dat de AU die het hele Afrikaanse continent omvat een zeer positieve bijdrage levert aan de pan-Afrikaanse integratie en is ingenomen met de wijziging van de naam "top Afrika-EU" in "top AU-EU";

26.  wijst erop dat de EU de intensivering van intra-Afrikaanse handel en duurzame investeringen moet ondersteunen, indien mogelijk in lokale munteenheden, en eveneens steun moet verlenen voor de regio-overschrijdende, continentale en mondiale dimensie van projecten en programma's op gebieden variërend van duurzame landbouw en milieubeheer tot hoger onderwijs, ICT en onderzoek, alsook ontwikkeling en versterking van fysieke infrastructuurnetwerken;

27.  is van mening dat regionale-integratieprojecten, zoals die in Zuidelijk, West- of Oost-Afrika, moeten worden ondersteund op een wijze die een aanvulling vormt op de pan‑Afrikaanse integratieprocessen in het kader van de Afrikaanse Unie en deze versterkt; stelt dat de EU tevens dient te streven naar strategische bilaterale betrekkingen, gebaseerd op eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat, met Afrikaanse landen die van cruciaal belang zijn, als leiders van de integratieprojecten in kwestie maar ook als landen die deze projecten mogelijk maken; benadrukt voorts dat de Unie voor het Middellandse Zeegebied nieuw leven moet worden ingeblazen als middel in het streven naar gedeelde veiligheid en welvaart in Noord-Afrika;

28.  erkent het belang van interparlementaire betrekkingen en moedigt Afrikaanse partners aan interparlementaire samenwerking op bilateraal, regionaal en internationaal niveau blijvend tot een politieke prioriteit te maken; wijst met klem op de constructieve rol van interparlementaire delegaties en regionale vergaderingen bij de versterking van het partnerschap tussen Afrika en de EU, de bevordering van gemeenschappelijke belangen en een oprechte dialoog tussen gelijken, en pleit voor nauwere samenwerking met Afrikaanse parlementen om hun belangrijke democratische rol te versterken;

29.  wijst nogmaals op de belangrijke rol van verantwoordelijke investeringen en handel, een verantwoordelijke particuliere sector die voldoet aan internationale normen op het gebied van gezondheid, veiligheid, arbeid en milieubescherming, en van een gunstig ondernemingsklimaat voor de totstandbrenging van economische ontwikkeling op lange termijn; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan samenwerking met de internationale partners te versterken, teneinde niet-naleving van deze normen te voorkomen, te onderzoeken en een halt toe te roepen, net als gevallen waarbij Europese ondernemingen mensenrechtenschendingen veroorzaken of hieraan bijdragen en inbreuk plegen op de rechten van kwetsbare groepen, zoals minderheden, inheemse volkeren, vrouwen en kinderen; verzoekt de EU en de AU-lidstaten actief deel te nemen aan en toe te werken naar een productieve uitkomst van de onderhandelingen over een internationaal bindend verdrag over transnationale ondernemingen en mensenrechten in de VN-Mensenrechtenraad;

30.  vraagt om uitbreiding van de EU-steun aan Afrika op het gebied van schuldenvermindering en de houdbaarheid van de schuldenlast en benadrukt de noodzaak van internationale wetgeving en de oprichting van commissies voor schuldcontrole in gevallen van "verfoeilijke" schuld; roept de lidstaten op de VN‑richtsnoeren inzake schulden en mensenrechten alsook de beginselen voor het bevorderen van het verantwoordelijk verstrekken en opnemen van overheidskrediet van de Conferentie van de Verenigde Naties voor handel en ontwikkeling (UNCTAD) doeltreffend ten uitvoer te leggen door ze wettelijk bindend te maken;

31.  benadrukt de meerwaarde van verkeersinfrastructuur bij het stimuleren van de economie en de handel tussen de EU en Afrika; onderstreept het strategische belang van havens en vliegvelden;

32.  erkent dat Afrika een schrijnend energietekort heeft, aangezien 645 miljoen mensen geen toegang hebben tot betaalbare elektriciteit; is van mening dat prioriteit moet worden gegeven aan duurzame oplossingen op basis van hernieuwbare energiebronnen, mininetten en niet aan het net gekoppelde systemen en roept de EU op haar Afrikaanse partners te helpen de financiële, technische en politieke uitdagingen van deze ontwikkelingen te overwinnen; erkent de noodzaak van verbeteringen op het gebied van het beheer in de energiesector en de noodzaak om openbare en particuliere investeringen in duurzame energie op alle niveaus, zowel intern als over de grenzen heen, te stimuleren; is van mening dat het nieuwe Europees extern investeringsplan in dit verband een uitgelezen gelegenheid zou kunnen bieden; roept de EU op het Afrikaanse initiatief voor hernieuwbare energie (AREI) te blijven ondersteunen en is ingenomen met het voorstel van de Commissie om een nieuw Europees-Afrikaans onderzoeks- en innovatiepartnerschap inzake klimaatverandering en duurzame energie op te starten;

33.  onderstreept het belang van kleinschalige ontwikkelingsprojecten die rechtstreeks van invloed zijn op het leven van mensen; vraagt de Commissie met klem deze projecten te blijven ondersteunen;

34.  vraagt de Commissie met een wetgevingsvoorstel te komen over begeleidende maatregelen voor de "verordening inzake conflictmineralen" (Verordening (EU) 2017/821)(1) in overeenstemming met de relevante gezamenlijke mededeling (JOIN(2014)0008).

35.  erkent het belang van doeltreffende socialebeschermingsstelsels voor de menselijke veiligheid, conflictpreventie en het verzachten van de gevolgen van zich voortslepende conflicten en gedwongen verplaatsing; vestigt de aandacht op de onevenredig grote gevolgen van gewelddadige conflicten en gedwongen verplaatsing op vrouwen en kinderen.

36.  benadrukt de fundamentele rol van vrouwen in de ontwikkeling en is van oordeel dat bestuurlijke participatie van vrouwen een absolute voorwaarde is voor sociaaleconomische vooruitgang, sociale cohesie en een rechtvaardig democratisch bestuur; pleit voor positieve maatregelen om voortgang te waarborgen met betrekking tot de gelijkwaardige participatie van vrouwen in de samenleving, met inbegrip van besluitvormingsfuncties op alle niveaus; verzoekt de Afrikaanse landen tegelijkertijd een grotere arbeidsmarktparticipatie van vrouwen aan te moedigen en te ondersteunen, en alle nodige maatregelen te treffen om genderdiscriminatie op de werkplek te voorkomen;

37.  dringt er bij de Commissie op aan in haar externe ontwikkelingsprogramma's bijzondere aandacht te schenken aan de rechten op het gebied van seksualiteit en reproductieve gezondheid van vrouwen en meisjes;

38.  verzoekt de EDEO de situatie van LGBTI-personen ter sprake te blijven brengen tijdens haar mensenrechten- en politieke dialoog met Afrikaanse landen en steun te verlenen aan LGBTI-rechtenverdedigers middels de daarvoor geëigende instrumenten;

39.  spreekt nogmaals zijn steun uit voor het Internationaal Strafhof en de inzet van de EU voor volledige samenwerking op het gebied van de preventie van zware criminaliteit die onder bevoegdheid van het hof valt; roept de EU op zich open te blijven stellen voor constructief debat wanneer zorgen kenbaar worden gemaakt in het kader van het Statuut van Rome en Afrikaanse landen die zich aan conflicten ontworstelen te blijven ondersteunen bij het bestrijden van straffeloosheid en het verwezenlijken van een verantwoordingsplicht voor internationale misdrijven;

40.  beklemtoont dat de aanstaande top AU-EU een goede gelegenheid is om de prioriteiten van de EU voor de betrekkingen tussen de EU en Afrika in de context van het post-Cotonouproces te benadrukken;

41.  is van oordeel dat Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan zeer verschillende regio’s zijn met specifieke belangen en uitdagingen waar niet gemakkelijk aan tegemoet kan worden gekomen in de overkoepelende structuur van de overeenkomst van Cotonou; is derhalve van oordeel dat bij de toekomstige samenwerking met Afrika bestaande regionale en subregionale organisaties, in het bijzonder de Afrikaanse Unie, als uitgangspunt dienen te worden genomen;

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

30.8.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

54

7

5

Bij de eindstemming aanwezige leden

Lars Adaktusson, Petras Auštrevičius, Mario Borghezio, Klaus Buchner, James Carver, Fabio Massimo Castaldo, Lorenzo Cesa, Andi Cristea, Georgios Epitideios, Knut Fleckenstein, Anna Elżbieta Fotyga, Eugen Freund, Michael Gahler, Iveta Grigule, Sandra Kalniete, Manolis Kefalogiannis, Tunne Kelam, Janusz Korwin-Mikke, Andrey Kovatchev, Ilhan Kyuchyuk, Ryszard Antoni Legutko, Barbara Lochbihler, Sabine Lösing, Andrejs Mamikins, Alex Mayer, David McAllister, Tamás Meszerics, Francisco José Millán Mon, Javier Nart, Pier Antonio Panzeri, Demetris Papadakis, Ioan Mircea Paşcu, Alojz Peterle, Julia Pitera, Cristian Dan Preda, Jozo Radoš, Sofia Sakorafa, Alyn Smith, Jordi Solé, Jaromír Štětina, Dubravka Šuica, Charles Tannock, Ivo Vajgl, Elena Valenciano, Hilde Vautmans, Anders Primdahl Vistisen, Boris Zala

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Elisabetta Gardini, Neena Gill, Ana Gomes, András Gyürk, Takis Hadjigeorgiou, Liisa Jaakonsaari, Marek Jurek, Urmas Paet, Mirosław Piotrowski, Miroslav Poche, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Bodil Valero, Marie-Christine Vergiat, Janusz Zemke, Željana Zovko

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Seb Dance, Jean-Luc Schaffhauser, Marie-Pierre Vieu, Ivan Štefanec

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

54

+

ALDE

Petras Auštrevičius, Iveta Grigule, Ilhan Kyuchyuk, Javier Nart, Urmas Paet, Jozo Radoš, Ivo Vajgl, Hilde Vautmans

ECR

Anna Elżbieta Fotyga, Ryszard Antoni Legutko, Charles Tannock, Anders Primdahl Vistisen

EFDD

Fabio Massimo Castaldo

PPE

Lars Adaktusson, Lorenzo Cesa, Michael Gahler, Elisabetta Gardini, András Gyürk, Sandra Kalniete, Manolis Kefalogiannis, Tunne Kelam, Andrey Kovatchev, David McAllister, Francisco José Millán Mon, Alojz Peterle, Julia Pitera, Cristian Dan Preda, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Željana Zovko, Ivan Štefanec, Jaromír Štětina, Dubravka Šuica

S&D

Andi Cristea, Seb Dance, Knut Fleckenstein, Eugen Freund, Neena Gill, Ana Gomes, Liisa Jaakonsaari, Andrejs Mamikins, Alex Mayer, Pier Antonio Panzeri, Demetris Papadakis, Ioan Mircea Paşcu, Miroslav Poche, Elena Valenciano, Boris Zala, Janusz Zemke

Verts/ALE

Klaus Buchner, Barbara Lochbihler, Tamás Meszerics, Alyn Smith, Jordi Solé, Bodil Valero

7

-

EFDD

James Carver

GUE/NGL

Takis Hadjigeorgiou, Sabine Lösing, Marie-Christine Vergiat, Marie-Pierre Vieu

NI

Georgios Epitideios, Janusz Korwin-Mikke

5

0

ECR

Marek Jurek, Mirosław Piotrowski

ENF

Mario Borghezio, Jean-Luc Schaffhauser

GUE/NGL

Sofia Sakorafa

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

PB L 130 van 19.5.2017, blz. 1.


ADVIES van de Commissie internationale handel (27.9.2017)

aan de Commissie ontwikkelingssamenwerking

inzake de strategie EU-Afrika: een stimulans voor ontwikkeling

(2017/2083(INI))

Rapporteur voor advies: Maria Arena

SUGGESTIES

De Commissie internationale handel verzoekt de bevoegde Commissie ontwikkelingssamenwerking onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat Afrika infrastructurele behoeften heeft van naar schatting 75 miljard EUR per jaar en een consumptiemarkt die waarschijnlijk zal oplopen tot 1 000 miljard USD in 2020, dat de buitenlandse directe investeringen (BDI) er voortdurend toenemen en in 2020 naar verwachting 144 miljard USD zullen bedragen, en dat Afrika momenteel een bevolking heeft van 1 miljard inwoners;

B.  overwegende dat de economische veiligheid en de welvaart van Europa en Afrika verbonden zijn en dat de twee continenten samen de gemeenschappelijke uitdagingen en kansen moeten aanpakken;

C.  overwegende dat er een omgeving moet worden gecreëerd die bevorderlijk is voor investeringen en waarin verbeteringen van de gezondheidszorg en het onderwijs ondubbelzinnig op de eerste plaats komen;

D.  overwegende dat het aandeel van de bevolking in Sub-Saharaans Afrika dat in extreme armoede leeft, gedaald is van 56 % in 1990 tot 43 % in 2012;

E.  overwegende dat de economische ontwikkeling en groei van de Afrikaanse landen enorm uiteenlopen en overwegende dat volgens de Verenigde Naties 33 van de 47 minst ontwikkelde landen (MOL's) Afrikaanse landen zijn; en overwegende dat meer dan 218 miljoen mensen in Afrika in extreme armoede leven;

F.  overwegende dat uit Afrika nog steeds voornamelijk ruwe en niet-verwerkte producten worden uitgevoerd en dat de toekenning van handelspreferenties een groot deel van deze uitvoer heeft opgeslorpt; overwegende dat vrije markttoegang voor de meeste Afrikaanse producten de capaciteiten van Afrikaanse landen kan verbeteren en hun concurrentievermogen en deelname aan internationale markten kan vergroten, indien deze vrije markttoegang gepaard gaat met een beleid waarin duurzame industrialisering en productiviteit op het platteland als essentiële factoren voor ontwikkeling worden beschouwd;

G.  overwegende dat preferentiële toegang tot de EU-markt mogelijkheden heeft geschapen om de exportprestaties van Afrikaanse landen te verbeteren afhankelijk van hun capaciteit om werkelijk te profiteren van deze preferenties;

H.  overwegende dat goed bestuur en transparantie de handelskosten verminderen en handel, investeringen en economische ontwikkeling stimuleren; overwegende dat eerlijke en verantwoordelijke handel en investeringen een cruciale rol spelen op het vlak van ontwikkeling en zouden kunnen bijdragen tot het scheppen van de ruim 18 miljoen nieuwe banen per jaar die nodig zijn in Afrika om de groeiende beroepsbevolking op te vangen, wat ook gunstig zou zijn voor de EU;

I.  overwegende dat een duurzaam en verantwoord beheer van grondstoffen en natuurlijke hulpbronnen centraal moet staan in de EU-Afrika-strategie en één van de prioriteiten moet vormen van de samenwerking tussen de Europese Unie en de Afrikaanse Unie, met name om een oplossing te bieden voor en een eind te maken aan de zogenoemde ‘hulpbronnenvloek’; overwegende dat Europeanen en Afrikanen binnen internationale instanties en tijdens relevante internationale topbijeenkomsten – zoals de Wereldhandelsorganisatie, de Algemene Vergadering van de VN en de G20 – samen een duidelijk standpunt over deze thematiek moeten verdedigen;

J.  overwegende dat universele toegang tot elektriciteit een belangrijke uitdaging voor de ontwikkeling van Afrika is;

K.  overwegende dat het tot dusver niet gelukt is om Afrika volledig in de wereldhandel te integreren en er evenmin een oplossing is gevonden voor de armoede en de ongelijkheden in de Afrikaanse landen, en overwegende dat de meeste Afrikaanse landen nog altijd veel te winnen hebben bij een grotere deelname aan de wereldhandel en de mogelijke voordelen ervan;

L.  overwegende dat in de strategie "Handel voor iedereen" van 2015 het engagement van de EU voor bindende en afdwingbare bepalingen inzake handel en duurzame ontwikkeling is vastgelegd;

1.  verzoekt de EU steun te verlenen aan een duurzame en inclusieve ontwikkeling in Afrika en zich toe te spitsen op de ondersteuning van projecten met een reële positieve impact op het scheppen van fatsoenlijke banen voor mannen en vrouwen, armoedebestrijding, bevordering van de menselijke ontwikkeling en milieubescherming, en met een positieve impact op duurzame economische groei, winstgevende en op waarden en regels gebaseerde handel in goederen en diensten, industrialisering en capaciteitsopbouw, een kwalitatief en voorspelbaar ondernemingsklimaat, het beheer van de overheidsfinanciën ter verbetering van fiscale rechtvaardigheid, transparantie bij het beheer van natuurlijke hulpbronnen (met name in de mijnbouw en energiesector), de bestrijding van corruptie en van kapitaalstromen die onrechtmatig het continent verlaten, alsook op de bevordering van de mensenrechten, gendergelijkheid, goed bestuur en de rechtsstaat en het bereiken van stabiliteit en veiligheid; wijst in het bijzonder op EU-initiatieven die erop gericht zijn de particuliere sector te mobiliseren, die goed is voor 90 % van de banen in ontwikkelingslanden;

2.  roept de EU ertoe op om haar op ontwikkeling gerichte handelsbeleid te versterken en haar financiële engagement ten aanzien van hulp voor handel en initiatieven voor technische bijstand en capaciteitsopbouw te vergroten, aangezien dit essentieel is opdat de Afrikaanse landen en met name de minst geavanceerde landen de EU‑handelspreferenties ten volle zouden kunnen benutten; vraagt voorts dat de Commissie en de lidstaten de uitvoering van hun programma’s coördineren, zodat de doeltreffendheid van hulp voor handel maximaal is; is in dit verband ingenomen met de inwerkingtreding in februari 2017 van de WTO-overeenkomst inzake handelsbevordering, waarmee douaneprocedures eenvoudiger zouden moeten worden en handelskosten bijgevolg zouden moeten dalen;

3.  vraagt de EU en haar lidstaten om hun programma's voor hulp voor handel beter te coördineren en de synergieën ervan met hun beleid inzake investeringen in Afrika te vergroten;

4.  is van mening dat economische partnerschapsovereenkomsten (EPO's), die grotendeels gesteund worden door de parlementen van de betrokken landen, een belangrijk instrument kunnen zijn voor de bevordering van regionale ontwikkeling en de integratie van het continent in de wereldhandel, indien ze goed ten uitvoer gelegd worden en vergezeld gaan van passende structurele maatregelen;

5.  benadrukt dat de betrekkingen tussen de EU en Afrika gebaseerd moeten zijn op een eerlijk en evenwichtig kader van gelijke partners en op wederzijds respect en erkenning van belangen die gericht zijn op de bevordering van de mensenrechten en de verwezenlijking van de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling;

6.  vraagt de Commissie de integratie van Afrikaanse landen in de regionale en mondiale handel te steunen middels de bouw van belangrijke infrastructuur en de toegang tot energie, financiële diensten en zakelijke opleiding;

7.  dringt er bij de Commissie op aan de Afrikaanse landen te helpen deel te worden van de wereldeconomie, onder meer via de ontwikkeling en integratie van internationale en regionale waardeketens, die verschillende landen in staat stellen om met halffabrikaten en afgewerkte producten bij te dragen tot de productie; vraagt in deze context dat de EU meer steun verleent aan de ambities in Afrika betreffende de totstandbrenging van een continentale vrijhandelsruimte, die de plaatselijke inkomensongelijkheden zou helpen verkleinen, dat de EU assistentie biedt op het vlak van economische diversifiëring en technologieoverdracht en zich eveneens inzet voor een grotere deelname van Afrika aan de internationale handel, en verzoekt de EU om meer samenwerking met de betrokken landen met het oog op de verwezenlijking van deze doelstellingen; erkent dat het EU‑beleid weliswaar van cruciaal belang is om de Afrikaanse landen hierbij te helpen, maar dat het politieke engagement van deze landen uiteraard essentieel is;

8.  vraagt de EU met klem om bij de definitie en uitvoering van haar handelsbeleid ten aanzien van Afrika constant rekening te houden met de verschillende ontwikkelingsniveaus en verwachtingen van de Afrikaanse landen en regio’s, en daarom gerichte en specifieke handelspreferenties aan te nemen of maatregelen te nemen die de productie- en verwerkingscapaciteiten en regionale integratie vergroten en kleinschalige en duurzame landbouw – bijvoorbeeld door de promotie van plaatselijke levensmiddelen op plaatselijke markten – aanmoedigen; benadrukt eveneens dat elke handelsovereenkomst of unilaterale handelsregeling tussen de EU en Afrikaanse landen of regionale groeperingen moet voorzien in voldoende asymmetrische liberaliseringsprogramma's, de bescherming van opkomende industrieën, regels van oorsprong die de ontwikkeling ondersteunen en effectieve vrijwaringsclausules;

9.  is van mening dat de effectieve tenuitvoerlegging van de WTO-overeenkomst inzake handelsbevordering en de vereenvoudiging en de transparantie van douaneprocedures kunnen bijdragen tot een versterking van de handel tussen Europa en Afrika, met name ten voordele van kmo's en innovatie;

10.  vraagt dat de EU via haar handels- en investeringsbeleid de nadruk legt op de groei van de particuliere sector en op steun voor innovatie, concurrentievermogen en ondernemerschap zowel in Europa als in Afrika, en ervoor zorgt dat haar beleid ten aanzien van Afrika voldoet aan de beginselen van sociale duurzaamheid en verantwoordelijkheid;

11.  is van mening dat publiek-private partnerschappen een centrale rol moeten spelen bij de economische ontwikkeling, aangezien zij de particuliere sector stimuleren en de synergieën tussen institutionele actoren en marktdeelnemers versterken, en is dus van mening dat dergelijke partnerschappen in het kader van deze strategie moeten worden ondersteund;

12.  dringt erop aan dat de Europese ontwikkelings- en investeringsprojecten in Afrika op een logica van eigen inbreng gebaseerd zijn zodat de begunstigde landen controle hebben over hun eigen ontwikkelingsmodellen;

13.  verwacht dat de EU in de toekomst in overleg met Afrika strategische plannen voor samenwerking opstelt;

14.  vraagt de EIB en de Europese Commissie, met name via het plan voor externe investeringen (EIP) te investeren in projecten met een hoog banenscheppend potentieel en op prioritaire gebieden zoals met name schone energie, infrastructuur, gezondheidszorg en medisch onderzoek;

15.  benadrukt dat de ondersteuning van investeringsprojecten afhankelijk moet zijn van de economische doeltreffendheid en de verwachte economische impact, met het oog op het aanzwengelen van de handel op de Afrikaanse markten en de handel met derde landen en regio's alsook van de capaciteit van de verwerkende industrie van de Afrikaanse landen;

16.  herinnert eraan dat het investeringsbeleid van de EU moet bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, vooral wanneer in het kader van dit beleid openbare middelen worden gebruikt; wijst er nogmaals op dat de transparantie en verantwoordingsplicht van instellingen voor ontwikkelingsfinanciering en publiek-private partnerschappen verbeterd moeten worden om de geldstromen, de schuldhoudbaarheid en de toegevoegde waarde voor duurzame ontwikkeling van hun projecten op een doeltreffende manier te volgen en te controleren;

17.  is van mening dat de ontwikkeling van de digitale sector Afrika groeikansen kan bieden – bijvoorbeeld door elektronische handel of betaling per telefoon – en dat het ontwikkelingsbeleid van de EU en van Afrika de toegang tot elektriciteit en internet in Afrika moet helpen verbeteren;

18.  verzoekt om transparantie in handelsovereenkomsten en de volledige deelname van alle relevante belanghebbenden, inclusief het maatschappelijk middenveld in de betrokken landen, door middel van officiële raadplegingen, aan toekomstige onderhandelingen en aan de uitvoering van overeenkomsten waarover momenteel wordt onderhandeld;

19.  vraagt dat de beginselen van beleidscoherentie voor ontwikkeling volledig worden opgenomen in de handelsrelaties van de EU met Afrika, hetgeen inhoudt dat in alle handelsovereenkomsten van de EU met Afrikaanse landen afdwingbare clausules inzake handel en duurzame ontwikkeling worden opgenomen, in overeenstemming met de verbintenissen van de Commissie zoals vastgelegd in de strategie "Handel voor iedereen";

20.  looft de inspanningen die de EU de afgelopen jaren heeft gedaan om de maatschappelijke verantwoordingsplicht van bedrijven te vergroten; vraagt de EU actie te blijven ondernemen om ervoor te zorgen dat bedrijven volledige verantwoording schuldig zijn voor mensenrechtenschendingen en milieuvergrijpen; is in dit opzicht van mening dat de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten deel moeten uitmaken van alle toekomstige overeenkomsten tussen de Afrikaanse landen en de EU, en vraagt beide partijen om deze beginselen bij elke herziening van bestaande overeenkomsten hierin op te nemen; vraagt de EU bovendien om de daadwerkelijke bevordering van verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid, met als doel de duurzaamheid van de mondiale toeleveringsketen te garanderen;

21.  verwacht daarenboven dat er een strategie wordt ontwikkeld voor de bestrijding van corruptie en illegale kapitaalvlucht uit Afrika en dringt erop aan dat in de toekomst rekening wordt gehouden met de ontwikkeling van de Afrikaanse regionale markten;

22.  acht het essentieel dat in de strategie EU-Afrika het belang wordt erkend van de rol van vrouwen voor de economische ontwikkeling en de veerkracht van samenlevingen in Europa en in Afrika, en dat projecten in die zin worden opgezet.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

25.9.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

32

2

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

William (The Earl of) Dartmouth, Laima Liucija Andrikienė, Maria Arena, Tiziana Beghin, Santiago Fisas Ayxelà, Eleonora Forenza, Karoline Graswander-Hainz, Heidi Hautala, France Jamet, Bernd Lange, David Martin, Emma McClarkin, Anne-Marie Mineur, Sorin Moisă, Alessia Maria Mosca, Franck Proust, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Viviane Reding, Inmaculada Rodríguez-Piñero Fernández, Tokia Saïfi, Helmut Scholz, Adam Szejnfeld, Hannu Takkula, Iuliu Winkler, Jan Zahradil

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Klaus Buchner, Edouard Ferrand, Agnes Jongerius, Sajjad Karim, Sander Loones, Paul Rübig, Jarosław Wałęsa

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Massimiliano Salini, Bogdan Brunon Wenta

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

32

+

ALDE

Hannu Takkula

ECR

Emma McClarkin, Jan Zahradil, Sajjad Karim. Sander Loones

EFDD

Tiziana Beghin, William (The Earl of) Dartmouth

GUE/NGL

Anne-Marie Mineur, Eleonora Forenza, Helmut Scholz

PPE

Adam Szejnfeld, Bogdan Brunon Wenta, Franck Proust, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Iuliu Winkler, Jarosław Wałęsa, Laima Liucija Andrikienė, Massimiliano Salini, Paul Rübig, Santiago Fisas Ayxelà, Tokia Saïfi, Viviane Reding

S&D

Agnes Jongerius, Alessia Maria Mosca, Bernd Lange, David Martin, Inmaculada Rodríguez-Piñero Fernández, Karoline Graswander-Hainz, Maria Arena, Sorin Moisă

Verts/ALE

Heidi Hautala, Klaus Buchner

2

-

ENF

Edouard Ferrand, France Jamet

0

0

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (29.9.2017)

aan de Commissie ontwikkelingssamenwerking

inzake de strategie EU-Afrika: een stimulans voor ontwikkeling

(2017/2083(INI))

Rapporteur voor advies: Cécile Kashetu Kyenge

SUGGESTIES

De Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken verzoekt de bevoegde Commissie ontwikkelingssamenwerking onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat de kwesties van migratie en mobiliteit zowel Afrika als de EU aangaan en beide voor gemeenschappelijke uitdagingen stellen die betrekking hebben op veiligheid en maatregelen ter bestrijding van de georganiseerde en internationale misdaad; overwegende dat deze kwesties samen en op een praktische manier moeten worden aangepakt;

1.  benadrukt dat met de EU-Afrika-strategie, eens ze wordt uitgevoerd, moet worden ingespeeld op alle aspecten van migratie, internationale bescherming en gedwongen ontheemding, met nadruk op de beginselen van solidariteit, partnerschap en gedeelde verantwoordelijkheid, alsook op wederzijdse verantwoordingsplicht met betrekking tot de mensenrechten;

2.  wijst erop dat het klimaat van onveiligheid in verband met de conflicten die op het Afrikaanse continent heersen van negatieve invloed is op goed bestuur en niet bevorderlijk is voor groei, werkgelegenheid en ontwikkeling; benadrukt dat democratische en transparante staatsstructuren, de rechtsstaat, eerbiediging van de mensenrechten, gendergelijkheid en goed bestuur cruciaal zijn voor de ontwikkeling van Afrikaanse landen; is van mening dat Afrika een cruciale partner op het internationaal toneel is en dat de EU haar samenwerking en politieke dialoog met dit continent moet versterken door haar Afrikaanse partners op basis van wederzijds vertrouwen verantwoordelijkheidsgevoel te geven; benadrukt dat de EU-financiering en hulp de duurzame ontwikkeling en goed bestuur van de Afrikaanse landen moet bevorderen; verzoekt om een sterkere en meer politiek partnerschap tussen de EU en Afrika, en een specifiek financieel netwerk om deze kwesties aan te pakken;

3.  onderstreept dat de strategie Afrika-EU rekening moet houden met de grote verscheidenheid van de Afrikaanse landen en zich dan ook aan de specifieke kenmerken van elk partnerland moet kunnen aanpassen;

4.  is zich bewust van de ontwikkelingsverschillen tussen de diverse landen van het Afrikaanse continent; moedigt de EU aan zich te verlaten op strategische partners en toonaangevende landen die Afrika in politiek, economisch en sociaal opzicht naar een klimaat kunnen leiden dat gunstig is voor groei en ontwikkeling, met name door middel van bilaterale overeenkomsten en regionale strategieën, om zodoende de dieperliggende oorzaken van de migratiestromen tussen Afrika en Europa aan te pakken;

5.  is van oordeel dat, hoewel het partnerschap EU-Afrika een centraal onderdeel van ons ontwikkelingsbeleid en optreden in Afrika moet vormen, de Afrikaanse landen en hun leiders hoofdverantwoordelijk moeten blijven voor de toekomst van hun continent; is in dit verband van mening dat de EU de ontwikkelingen die door de Afrikaanse leiders worden ingezet ter bevordering van een stabiele en welvarende omgeving in Afrika en samenwerking op basis van onze gemeenschappelijke belangen op het gebied van vrede, veiligheid en goed bestuur, moet begeleiden;

6.  wijst erop dat migratie en mobiliteit binnen Afrika en tussen Afrika en de EU beide continenten ten goede komen en dat een holistische aanpak van migratie en mobiliteit van het allergrootste belang is om duurzame ontwikkeling te stimuleren en om democratie, de rechtsstaat, goed bestuur en mensenrechten te bevorderen; moedigt de Europese Commissie aan nieuwe mobiliteits- en migratiepartnerschappen met Afrikaanse partnerlanden te ontwikkelen;

7.  is zich ervan bewust dat de bevolking van Afrika in 2050 naar verwachting uit 2,4 miljard mensen zal bestaan en hoofdzakelijk jongeren(1); is ingenomen met de bereidheid om in het kader van het partnerschap EU-Afrika de nadruk op jongeren te leggen; spoort de EU ertoe aan om meer initiatieven van jongeren te identificeren en te steunen die democratie, de rechtsstaat en mensenrechten bevorderen, en de samenwerking met Afrikaanse landen te intensiveren ter bestrijding van de militaire rekrutering van kinderen, genitale verminking bij vrouwen, gedwongen huwelijk en andere schendingen van de rechten van het kind; wijst erop dat 10 % van de mobiele studenten in de wereld Afrikaanse studenten zijn en dat de helft ervan naar Europa komt; onderstreept dat het van belang is de nadruk te leggen op de uitwisseling van kennis, teneinde onder alle omstandigheden een hersenvlucht uit Afrika te voorkomen;

8.  dringt in het bijzonder aan op de tenuitvoerlegging van de Richtlijn (EU) 2016/801 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au pairactiviteiten, ten behoeve van Afrikaanse studenten;

9.  is zich ervan bewust dat gewelddadige conflicten, vervolging, ongelijkheid, schending van mensenrechten, terrorisme, repressieve regimes, natuurrampen, klimaatverandering en chronische armoede de voorbije jaren hebben geleid tot verplaatsingen van bevolkingsgroepen en een toename van de migratie naar Europa; wijst erop dat de internationale migratie in Afrika minder dan 35 miljoen mensen betreft en voor meer dan 85 % binnen het Afrikaanse continent plaatsvindt; benadrukt dat vluchtelingen en migranten over dezelfde universele mensenrechten en fundamentele vrijheden beschikken;

10.  herinnert eraan dat de meeste vluchtelingen en migranten in ontwikkelingslanden worden opgevangen en dat de verplaatsingen van bevolkingsgroepen in eerste instantie tussen deze landen plaatsvinden; benadrukt dat de hulpsystemen van deze landen het hoofd moeten bieden aan cruciale uitdagingen die een mogelijk risico vormen voor de bescherming van een steeds grotere groep ontheemden;

11.  wijst in het bijzonder op geweld tegen en vervolging van personen op grond van hun ras, etniciteit, religie of overtuiging, seksuele geaardheid, genderidentiteit en geslachtskenmerken, waarbij internationale verplichtingen inzake mensenrechten en fundamentele vrijheden worden geschonden, ontwikkeling wordt gehinderd en grote vluchtelingen- en migrantenstromen worden teweeggebracht;

12.  is van mening dat terrorisme een wereldwijde bedreiging vormt van de regionale vrede en stabiliteit, duurzame ontwikkeling en interne veiligheid, en op een gecoördineerde wijze moet worden aangepakt door nationale regeringen, regionale en internationale organisaties en EU-agentschappen; wijst erop dat georganiseerde misdaad, het witwassen van geld, drugshandel en handel in wilde dieren, alsook piraterij een onmiskenbaar effect hebben op Afrikaanse landen; roept op tot betere samenwerking binnen de strategie EU-Afrika, met het oog op het voorkomen van straffeloosheid, de bevordering van de rechtsstaat en de uitbreiding van de politiële en justitiële capaciteiten, om de uitwisseling van informatie en optimale praktijken te vergemakkelijken, terrorisme en georganiseerde misdaad te vervolgen en de financiering daarvan te voorkomen, tegen te gaan en te bestrijden; is van mening dat de strategie voor terrorismebestrijding ook maatregelen moet omvatten voor de preventie van radicalisering die leidt tot gewelddadig extremisme in Afrika en Europa, met name onder jongeren;

13.  vestigt de aandacht op het feit dat de dialoog over migratie en mobiliteit tussen de EU en Afrika de mobiliteit en het vrij verkeer van mensen, en niet uitsluitend van hooggeschoolden, in Afrika en tussen Afrika en de EU moet bevorderen, op basis van een goed beheerde, op rechten gebaseerde benadering, die ook de veilige en wettelijke migratiekanalen versterkt; verzoekt de EU en haar lidstaten gezinshereniging te vergemakkelijken;

14.  herhaalt zijn oproep tot de versterking van de wettelijke kanalen voor personen die internationale bescherming nodig hebben; dringt er bij de lidstaten op aan hun hervestigingsplaatsen aan een groot aantal vluchtelingen aan te bieden, gezien het totale aantal vluchtelingen dat in Afrikaanse landen wordt opgevangen; roept in dit verband op tot de oprichting van een EU-hervestigingskader dat eenvoudig uitvoerbaar is voor de lidstaten en dat de EU en haar lidstaten aanmoedigt op mondiaal niveau een cruciale voorbeeldrol op het gebied van hervestiging te spelen; herinnert de lidstaten eraan alle noodzakelijke faciliteiten ter beschikking te stellen en een plan op te stellen voor het openen van nieuwe en veilige routes voor asielzoekers, met name kwetsbare personen, in EU-ambassades en consulaten in landen van herkomst en transitlanden;

15.  roept de Europese Unie en haar lidstaten voorts op samen te werken met en hulp te bieden aan Afrikaanse landen die geconfronteerd worden met vluchtelingenstromen of langdurige crisissituaties, teneinde hun asielcapaciteiten en hun beschermingssystemen te versterken; wijst erop dat alle samenwerking op het gebied van migratie en asiel gericht moet zijn op de bevordering van de eerbiediging van de beginselen met betrekking tot de grondrechten die bepalend zijn voor het EU-migratie- en asielbeleid;

16.  wijst erop dat het van belang is zoveel mogelijk informatie te verstrekken aan mensen met migratieplannen over de gevaren die verbonden zijn aan de irreguliere migratieroutes, maar ook over de perspectieven binnen de Europese Unie, met name op het gebied van werk en opleiding;

17.  wijst erop dat er als vervolg op de verklaring van New York voor vluchtelingen en migranten die op 19 september 2016 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties is aangenomen, tegen 2018 twee Global Compacts over respectievelijk migratie en vluchtelingen worden opgesteld door de VN en dat de dialoog tussen Afrika en de EU tijdens de werkzaamheden in een vroeg stadium moet worden versterkt, zodat waar mogelijk gemeenschappelijke prioriteiten kunnen worden vastgesteld;

18.  benadrukt dat terugkeer slechts kan plaatsvinden na de beoordeling van elk individueel geval, met volledige inachtneming van de rechten van de betrokkenen, en dat elke poging tot uitzetting van migranten in strijd is met het EU-recht en het internationaal recht; is van mening dat de terugkeer van migranten veilig moet verlopen, dat vrijwillige terugkeer de voorkeur verdient boven gedwongen terugkeer en dat de re-integratie van migranten systematisch moeten worden aangepakt;

19.  dringt erop aan dat er in het kader van de strijd tegen mensenhandel van migranten en mensensmokkel een doeltreffende, versterkte en systematische samenwerking tot stand wordt gebracht met Afrikaanse landen, met inbegrip van een stevig en daadwerkelijk hervestigingsbeleid en financieel onderzoek; roept de Europese Unie en de Afrikaanse landen op hun samenwerking en hun inspanningen op te voeren om een einde te maken aan de mensenhandel en mensensmokkel tussen beide continenten;

20.  stelt vast dat de Afrikaanse diaspora in termen van zowel geldovermakingen als niet-financiële waarden een groot strategisch potentieel biedt met betrekking tot het vermogen vrede, democratie, goed bestuur en sociale stabiliteit tot stand te brengen en te bevorderen; wijst erop dat het belangrijk is een band tot stand te brengen met deze diaspora en aan ontwikkelingsprojecten te koppelen om ervoor te zorgen dat deze bijdraagt aan de doeltreffendheid van het ontwikkelingsbeleid;

21.  wijst erop dat Afrikaanse leiders plechtig hebben beloofd om met betrekking tot groei, ontwikkeling, welvaart en goed bestuur op het Afrikaanse continent het tempo op te voeren tegen 2063; verzoekt de EU en haar lidstaten de ontwikkelingslanden te helpen langetermijnbeleid vast te stellen dat het recht op vrij verkeer en het recht op onderwijs, gezondheid en werk eerbiedigt; dringt erop aan dat het noodzakelijk is dat de EU en haar lidstaten in het bijzonder de minst ontwikkelde landen steunen bij de bestrijding van de klimaatverandering, om te voorkomen dat de ellende in deze landen verergert;

22.  pleit voor bijkomende inspanningen om het actieplan van Valletta voor een humaan en duurzaam beheer van migratie aan beide zijden van de Middellandse Zee ten uitvoer te leggen; onderstreept het belang van de initiatieven die tot doel hebben de dialoog en de samenwerking op het gebied van migratie te versterken, zoals het "proces van Rabat" en "het proces van Khartoem";

23.  dringt aan op een strikter parlementair toezicht op de werkovereenkomsten die met derde landen worden gesloten en op externe samenwerkingsactiviteiten van betrokken EU-agentschappen.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

28.9.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

41

2

6

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jan Philipp Albrecht, Heinz K. Becker, Malin Björk, Michał Boni, Caterina Chinnici, Rachida Dati, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Frank Engel, Cornelia Ernst, Tanja Fajon, Laura Ferrara, Lorenzo Fontana, Kinga Gál, Ana Gomes, Nathalie Griesbeck, Sylvie Guillaume, Monika Hohlmeier, Brice Hortefeux, Sophia in ‘t Veld, Dietmar Köster, Barbara Kudrycka, Cécile Kashetu Kyenge, Marju Lauristin, Juan Fernando López Aguilar, Roberta Metsola, Louis Michel, Péter Niedermüller, Soraya Post, Judith Sargentini, Birgit Sippel, Branislav Škripek, Helga Stevens, Traian Ungureanu, Marie-Christine Vergiat, Josef Weidenholzer, Cecilia Wikström

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Marina Albiol Guzmán, Anna Hedh, Lívia Járóka, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Jean Lambert, Gilles Lebreton, Angelika Mlinar, Emil Radev, Christine Revault d’Allonnes Bonnefoy, Jaromír Štětina

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Andrea Bocskor, Maurice Ponga, Cristian Dan Preda

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

41

+

ALDE

Nathalie Griesbeck, Sophia in ‘t Veld, Louis Michel, Angelika Mlinar, Cecilia Wikström

ECR

Branislav Škripek, Helga Stevens

EFDD

Laura Ferrara

PPE

Heinz K. Becker, Andrea Bocskor, Michał Boni, Rachida Dati, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Frank Engel, Kinga Gál, Monika Hohlmeier, Brice Hortefeux, Lívia Járóka, Barbara Kudrycka, Roberta Metsola, Maurice Ponga, Cristian Dan Preda, Jaromír Štětina, Traian Ungureanu

S&D

Caterina Chinnici, Tanja Fajon, Ana Gomes, Sylvie Guillaume, Anna Hedh, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Cécile Kashetu Kyenge, Marju Lauristin, Juan Fernando López Aguilar, Péter Niedermüller, Soraya Post, Christine Revault d’Allonnes Bonnefoy, Birgit Sippel, Josef Weidenholzer

VERTS/ALE

Jan Philipp Albrecht, Jean Lambert, Judith Sargentini

2

-

ENF

Lorenzo Fontana, Gilles Lebreton

6

0

GUE/NGL

Marina Albiol Guzmán, Malin Björk, Cornelia Ernst, Marie-Christine Vergiat

PPE

Emil Radev

S&D

Dietmar Köster

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

VN, World population prospects, 2015.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

10.10.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

19

5

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Beatriz Becerra Basterrechea, Ignazio Corrao, Nirj Deva, Doru-Claudian Frunzulică, Enrique Guerrero Salom, Maria Heubuch, György Hölvényi, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Arne Lietz, Linda McAvan, Norbert Neuser, Vincent Peillon, Maurice Ponga, Lola Sánchez Caldentey, Eleftherios Synadinos, Eleni Theocharous, Paavo Väyrynen, Bogdan Brunon Wenta, Anna Záborská, Joachim Zeller, Željana Zovko

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Marina Albiol Guzmán, Thierry Cornillet, Brian Hayes, Cécile Kashetu Kyenge, Florent Marcellesi

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

France Jamet


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

19

+

ALDE

Beatriz Becerra Basterrechea, Thierry Cornillet, Paavo Väyrynen

ECR

Nirj Deva, Eleni Theocharous

PPE

Brian Hayes, György Hölvényi, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Maurice Ponga, Bogdan Brunon Wenta, Joachim Zeller, Željana Zovko

S&D

Doru-Claudian Frunzulică, Enrique Guerrero Salom, Cécile Kashetu Kyenge, Arne Lietz, Linda McAvan, Norbert Neuser, Vincent Peillon

5

-

EFDD

Ignazio Corrao

ENF

France Jamet

GUE/NGL

Marina Albiol Guzmán, Lola Sánchez Caldentey

NI

Eleftherios Synadinos

3

0

PPE

Anna Záborská

Verts/ALE

Maria Heubuch, Florent Marcellesi

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Juridische mededeling