Procedure : 2017/2124(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0383/2017

Ingediende teksten :

A8-0383/2017

Debatten :

PV 05/02/2018 - 18
CRE 05/02/2018 - 18

Stemmingen :

PV 06/02/2018 - 5.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0025

VERSLAG     
PDF 299kWORD 59k
28.11.2017
PE 606.142v02-00 A8-0383/2017

over het jaarverslag 2016 van de Europese Centrale Bank

(2017/2124(INI))

Commissie economische en monetaire zaken

Rapporteur: Jonás Fernández

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het jaarverslag 2016 van de Europese Centrale Bank

(2017/2124(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het jaarverslag 2016 van de Europese Centrale Bank,

–  gezien artikel 284, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de artikelen 3 en 15 van de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank (ECB),

–  gezien artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien het rapport van de Groep op hoog niveau eigen middelen (rapport-Monti),

–  gezien de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden,

–  gezien het artikel uit het Economisch Bulletin van de ECB getiteld "MFI lending rates: pass-through in the time of non-standard monetary policy" (nummer 1/2017),

–  gezien het EESC-rapport over de Europese industrie en monetair beleid,

–  gezien het rapport van Transparency International getiteld "Two sides of the same coin? Independence and accountability of the European Central Bank",

–  gezien de uitlegpagina van de ECB getiteld "What is money?",

–  gezien de op 19 juni 2017 gepubliceerde overeenkomst inzake noodliquiditeitssteun van de ECB,

–  gezien Aanbeveling 2010/191/EU van de Commissie van 22 maart 2010 betreffende de draagwijdte en de gevolgen van de hoedanigheid van wettig betaalmiddel van eurobankbiljetten en ‑munten(1),

–  gezien artikel 11 van Verordening (EG) nr. 974/98 van de Raad van 3 mei 1998 over de invoering van de euro(2),

-  gezien artikel 128, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) over de hoedanigheid van wettig betaalmiddel van de euro,

–  gezien de toespraak van de voorzitter van de ECB van 6 april 2017,

–  gezien artikel 127, lid 5, van het VWEU,

–  gezien artikel 127, lid 2, van het VWEU,

–  gezien de feedback van de ECB op de input van het Europees Parlement in het kader van zijn resolutie over het jaarverslag 2015 van de ECB,

–  gezien artikel 132, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0383/2017),

A.  overwegende dat de raad van bestuur van de ECB tijdens zijn vergadering van 9 en 10 maart 2016 verdere maatregelen heeft goedgekeurd ter verwezenlijking van de hoofddoelstelling van prijsstabiliteit en de secundaire doelstelling om de economie te ondersteunen door middel van monetair beleid, door: 1) een verlaging van zijn belangrijkste rentetarieven en een lagere rente op de depositofaciliteit van ‑0,4 %; 2) een verhoging van de maandelijkse aankopen in het kader van het programma voor de aankoop van activa (APP) tot 80 miljard EUR; 3) de opneming van een nieuw aankoopprogramma bedrijfssector (CSPP) in het programma voor de aankoop van activa, om in euro's luidende investeringswaardige obligaties op te kopen die zijn uitgegeven door in de eurozone gevestigde niet-bankinstellingen; en 4) een reeks gerichte langerlopende herfinancieringstransacties (TLTRO) met een looptijd van vier jaar;

B.  overwegende dat de raad van bestuur van de ECB tijdens zijn vergadering van 7 en 8 december 2016 heeft besloten om de horizon van het programma voor de aankoop van activa met een lager maandelijks bedrag (60 miljard EUR in plaats van 80 miljard EUR) te verlengen van april 2017 tot december 2017, of langer indien nodig, en in elk geval totdat de raad van bestuur een aanhoudende wijziging in de inflatieontwikkeling constateert die in overeenstemming is met zijn inflatiedoelstelling;

C.  overwegende dat de leden van de raad van bestuur van de ECB voortdurend hebben benadrukt hoe belangrijk het is om in de eurozone productiviteitsbevorderende hervormingen door te voeren en een groeivriendelijk begrotingsbeleid te voeren, binnen het kader van het stabiliteits- en groeipact;

D.  overwegende dat de jaarlijkse inflatie in de eurozone, zoals afgemeten aan het geharmoniseerd indexcijfer van de consumptieprijzen (GICP), volgens de macro-economische prognose van het Eurosysteem van september 2017 naar verwachting zal uitkomen op 1,5 % in 2017, 1,2 % in 2018 en 1,5 % in 2019;

E.  overwegende dat de hoofddoelstelling van het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB) erin bestaat prijsstabiliteit te handhaven, die door de raad van bestuur van de ECB wordt gedefinieerd als een jaarlijkse stijging van het GICP voor de eurozone dicht bij, maar onder 2 % op middellange termijn; overwegende dat de prognoses van de ECB sinds 2013 al vier jaar op rij ruim onder haar inflatiedoelstelling voor de middellange termijn liggen, en dat de ECB thans verwacht dat die inflatiedoelstelling niet vóór 2020 zal worden gehaald;

F.  overwegende dat de zwakke inflatiedynamiek volgens de ECB onder andere het gevolg is van een gematigde loonstijging en lage energieprijzen;

G.  overwegende dat artikel 127, lid 5, VWEU het ESCB opdraagt bij te dragen tot het behoud van de stabiliteit van het financiële stelsel;

H.  overwegende dat de nettowinst van de ECB in 2016 1,19 miljard EUR bedroeg, tegen 1,08 miljard EUR in 2015;

I.  overwegende dat de hogere netto rentebaten afkomstig van voor monetairbeleidsdoeleinden aangehouden effecten, waaronder de APP- en de USD-portefeuille, de belangrijkste bijdrage leveren aan deze nettowinst;

J.  overwegende dat de groei- en werkloosheidscijfers nog steeds sterk uiteenlopen tussen de verschillende landen en regio's, waardoor de economie gevaarlijk kwetsbaar blijft en een gezonde ontwikkeling in gevaar komt;

K.  overwegende dat artikel 123 VWEU en artikel 21 van de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank monetaire overheidsfinanciering verbieden;

L.  overwegende dat een groeiend aantal fintechbedrijven over een aanzienlijk potentieel beschikt om de financiële inclusie in de eurozone te verbreden, waardoor ook de behoefte aan toezicht en controle op micro- en macroprudentieel niveau groter wordt;

Overzicht

1.  benadrukt dat het krachtens artikel 7 van de ECB-statuten noch de ECB, noch een nationale centrale bank, noch enig lid van hun besluitvormende organen is toegestaan instructies te vragen aan dan wel te aanvaarden van instellingen of organen van de Unie, van regeringen van lidstaten of van enig ander orgaan; onderstreept derhalve de onafhankelijkheid van de ECB in haar rol als monetaire autoriteit van de eurozone, als vastgelegd in de Verdragen; benadrukt echter dat de hoge mate van onafhankelijkheid van de ECB ook meer verantwoording en transparantie noodzakelijk maakt;

2.  erkent dat de ECB federaal van aard is, hetgeen nationale veto's en inmenging van regeringen uitsluit, waardoor zij doeltreffend kan optreden op verschillende gebieden en bijvoorbeeld de crisis kan helpen aanpakken;

3.  neemt er nota van dat het soepele monetaire beleid van de ECB, met inbegrip van haar lage rentevoeten en het APP, in de periode 2012-2016 heeft bijgedragen aan het cyclische economische herstel en het creëren van banen, ook door deflatie te voorkomen, gunstige financieringsvoorwaarden voor bedrijven en huishoudens te behouden en de financiële stabiliteit en de goede werking van de betaalsystemen in stand te houden; is echter bezorgd over de gevolgen van de onconventionele monetaire beleidsmaatregelen voor individuele spaarders en het financiële evenwicht van pensioen- en verzekeringsstelsels, alsook over het ontstaan van activazeepbellen, die nauwlettend door de ECB in de gaten moeten worden gehouden en zo klein mogelijk moeten worden gehouden;

4.  is bezorgd over het feit dat de banken in de eurozone, volgens de Bank voor Internationale Betalingen, de door de ECB gecreëerde voordelige omgeving niet hebben gebruikt om hun kapitaalbasis te versterken, maar wel om aanzienlijke dividenden uit te keren die soms het niveau van de ingehouden winsten overschrijden;

5.  is onverminderd verontrust over de nog steeds grote hoeveelheden niet-verhandelbare activa en door activa gedekte waardepapieren die nog steeds bij wijze van onderpand aan het Eurosysteem worden aangeboden in het kader van zijn herfinancieringstransacties; herhaalt zijn verzoek aan de ECB om informatie te verstrekken over welke centrale banken dergelijke waardepapieren hebben geaccepteerd, en bekend te maken welke methoden voor de waardering van deze activa zijn gebruikt; onderstreept dat de bekendmaking van deze informatie ten goede komt aan de parlementaire controle op de toezichthoudende taken die aan de ECB zijn toegewezen;

6.  stelt bezorgd vast dat de onevenwichtigheden van TARGET2 in de eurozone toenemen, ondanks de afnemende handelsonevenwichtigheden, hetgeen op een aanhoudende uitstroom van kapitaal uit de periferie van de eurozone wijst;

Prijsstabiliteit

7.  herinnert eraan dat volgens Eurostat de gemiddelde inflatie in de eurozone in 2016 0,2 % bedroeg, terwijl de inflatie exclusief energieprijzen 0,9 % bedroeg; merkt voorts op dat volgens het jaarverslag 2016 van de ECB de onderliggende inflatie in 2016 geen overtuigende opwaartse beweging liet zien;

8.  neemt er nota van dat de inflatie in de eurozone naar verwachting minstens tot 2020 onder 2 % zal blijven, ondanks het zeer soepele monetaire beleid van de ECB, waaruit blijkt dat de economie van de eurozone niet op volle capaciteit draait, terwijl onder andere de recente stijging van de wisselkoers van de euro het moeilijker maakt prijsstabiliteit te bewerkstelligen;

9.  neemt kennis van de eigen inschatting van de ECB dat de inflatie zonder het beleidspakket van de ECB gemiddeld bijna 0,5 % lager zou zijn geweest dan de huidige prognose voor de jaren 2016-2019;

10.  is het met de ECB eens dat op het niveau van de lidstaten een evenwichtige mix van verstandig en groeivriendelijk nationaal begrotingsbeleid met volledige inachtneming van het stabiliteits- en groeipact, met inbegrip van de ingebouwde flexibiliteit, alsook sociaal evenwichtige en ambitieuze productiviteitsbevorderende hervormingen nodig zijn om het huidige cyclische herstel om te vormen tot een scenario van aanhoudende, duurzame en robuuste structurele economische ontwikkeling op lange termijn;

11.  meent, gezien de huidige grote inefficiënties van de transmissiekanalen van het monetaire beleid, dat de ECB ervoor moet zorgen dat prijsstabiliteit, door de raad van bestuur van de ECB gedefinieerd als een inflatiepercentage dicht bij, maar onder 2 %, wordt bewerkstelligd; is van mening dat de ECB niettemin de voordelen en neveneffecten van haar beleid zorgvuldig moet beoordelen, met name wat betreft de beoogde maatregelen om deflatie tegen te gaan; meent dat de ECB moet focussen op heldere en beknopte communicatie over haar monetaire beleidsmaatregelen teneinde zekerheid en vertrouwen op de financiële markten te scheppen;

12.  meent dat uit de huidige crisis duidelijk is gebleken dat de theoretische achtergrond die aan het beleidskader in de centrale banken ten grondslag ligt, moet worden gediversifieerd; verzoekt de ECB in haar volgende jaarverslag te analyseren welke gevolgen de crisis heeft gehad voor de ontwikkeling van haar theoretische kader;

Economische groei en werkgelegenheid

13.  herinnert eraan dat de ECB, overeenkomstig artikel 2 van haar statuten, artikel 127 VWEU en de nadere bijzonderheden in artikel 282 VWEU en onverminderd de hoofddoelstelling van prijsstabiliteit, "het algemene economische beleid in de Unie" ondersteunt "teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van de in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie omschreven doelstellingen van de Unie";

14.  merkt op dat de groei van het bbp in de eurozone, namelijk 2 % in 2015 en 1,8 % in 2016, stabiel maar bescheiden was, maar zich ten opzichte van de voorgaande jaren gestaag gunstig heeft ontwikkeld; stelt vast dat dat in de economische najaarsprognose 2017 van de Commissie wordt voorspeld dat het bbp in 2017 met 2,2 % en in 2018 met 2,3 % zal groeien;

15.  benadrukt dat de investeringen volgens het ECB-jaarverslag 2016 iets langzamer zijn gestegen dan in het voorgaande jaar; benadrukt dat de monetaire beleidsinspanningen van de ECB nog geen tastbare effecten hebben gehad op de investeringszijde van de EU-economie; merkt op dat het uitblijven van dergelijke effecten vooral nadelige gevolgen heeft in de perifere regio's van de Unie;

16.  betreurt erop te moeten wijzen dat volgens de World Economic Outlook van het IMF van april 2017 de "output gap" in de eurozone in 2016 -1,2 % van het potentiële bbp bedroeg en naar verwachting tot 2019 negatief zal blijven, wat erop wijst dat het bbp van de eurozone gedurende de ramingsperiode onder het potentieel zal blijven;

17.  merkt op dat volgens de ECB haar monetair beleid van essentieel belang is geweest voor het cyclische economische herstel in de eurozone, dat voornamelijk werd en nog steeds wordt gedreven door onder meer de binnenlandse vraag, ondersteund door gunstige financieringsvoorwaarden en de verbeterende situatie op de arbeidsmarkten alsook hervormingen in een aantal lidstaten die de productiviteit en het concurrentievermogen vergroten, terwijl het ook profiteert van de daling van de olieprijzen, waardoor de groei in totaal 1,7 % hoger zal uitvallen in de periode 2016-2019;

18.  is van mening dat monetaire beleid, zoals de president van de ECB heeft opgemerkt, niet volstaat om het economisch herstel te ondersteunen en dat het de structurele problemen van de Europese economie niet kan helpen oplossen tenzij het wordt aangevuld met zorgvuldig ontworpen en sociaal evenwichtige maatregelen op het niveau van de lidstaten om de productiviteit en het concurrentievermogen te vergroten, in combinatie met verstandig begrotingsbeleid en binnen het kader van het stabiliteits- en groeipact; is het voorts met de ECB eens dat de institutionele structuur van de EMU moet worden verdiept om bovengenoemde hervormingen te ondersteunen en om de eurozone beter bestand te maken tegen macro-economische schokken;

19.  betreurt dat, hoewel de werkloosheid is gedaald van 10,5 % in december 2015 tot 9,6 % in december 2016, veel landen in de eurozone nog steeds met een hoge werkloosheid te kampen hebben en dat de totale vraag in de eurozone nog steeds zwak is, zonder uit het oog te verliezen dat de aanhoudende ongelijkheid in de EU een gezonde en inclusieve economische ontwikkeling in de weg kan staan; vraagt daarom om beleidsmaatregelen die erop gericht zijn de productiviteit te verhogen, met bijzondere aandacht voor vaardigheden die verdere creatie van kwalitatief hoogwaardige banen alsook loonsverhogingen in de hand werken;

20.  neemt kennis van de analyse van de distributionele gevolgen van de ECB-maatregelen in het jaarverslag van de ECB; moedigt de ECB aan om het herverdelingseffect van haar monetair beleid, ook op inkomensongelijkheid, verder te bestuderen en hiermee rekening te houden bij het opstellen van monetair beleid;

21.  benadrukt dat onevenwichtigheden op de lopende rekening moeten worden gecorrigeerd met passend budgettair en economisch beleid en productiviteitsverhogende hervormingen om de volledige doeltreffendheid van het monetair beleid te waarborgen;

Kredietverstrekking en bankentoezicht

22.  wijst erop dat M3, hoewel M1 in 2016 met 8,8 % is toegenomen, slechts met 5 % per jaar blijft stijgen, waaruit blijkt dat het monetair beleid niet volledig doeltreffend doorwerkt en dat er sprake is van monetaire afwijkingen en een ontoereikend kredietaanbod; benadrukt daarom het belang van de kapitaalmarktenunie (CMU), die in tijden van noodlijdende banken een alternatieve manier kan bieden om de economie te financieren;

23.  erkent dat het monetaire beleid de kredietkosten in enige mate heeft verlaagd en de toegang van bedrijven en huishoudens in de eurozone tot financiering heeft helpen verbeteren, wat met name in bepaalde lidstaten effect heeft geressorteerd, zoals wordt opgemerkt in het jaarverslag 2016 van de ECB, waarin staat dat de kredietkosten van huishoudens per land bleven verschillen; meent daarom dat dit beleid weinig effect heeft als gevolg van de lage kredietvraag, de aanhoudende structurele problemen in de bankenstelsels van bepaalde lidstaten en het gebrek aan onderling vertrouwen tussen de financiële instellingen;

24.  moedigt een verdere verbetering van de toegang van kmo's tot krediet aan, zodat de economische ontwikkeling inclusiever wordt;

25.  is verheugd dat de rentepercentages voor zeer kleine leningen sinds 2015 sneller zijn blijven dalen dan die voor grote leningen, waardoor de spread tussen zeer kleine en grote leningen verder is verkleind; merkt bovendien op dat de spread tussen de rentepercentages voor kleine en grote leningen nu vergelijkbaar is in de verschillende landen van de eurozone;

26.  merkt op dat een vrijwel vlakke rendementscurve van het rentepercentage over een langere periode gevolgen kan hebben voor de stabiliteit en winstgevendheid van het bankenstelsel; is het evenwel eens met de beoordeling van de ECB dat de winstgevendheid van een bank uiteindelijk afhangt van haar bedrijfsmodel alsook haar structuur en balans, ongeacht de lage rentepercentages; merkt ook op dat de Europese banksector gekenmerkt wordt door diversiteit, vooral als gevolg van nationale bijzonderheden, hetgeen op zijn beurt bijdraagt tot de stabiliteit van het financiële stelsel;

27.  erkent dat het huidige beleid van lage rentepercentages weliswaar tijdelijk een positief effect heeft op het aantal oninbare leningen, maar dat de hoge risico's die aan oninbare leningen verbonden zijn, op doeltreffende en structurele wijze moeten worden aangepakt; neemt nota van de inspanningen van de ECB en het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (GTM) om banken in de eurozone onder toezicht te houden en bij te staan teneinde hun blootstelling aan oninbare leningen te verkleinen, en met name de richtsnoeren van de ECB aan banken voor het aanpakken van oninbare leningen van maart 2017 en haar maatregelen ten aanzien van afzonderlijke banken, alsook het actieplan dat de Raad Ecofin op 11 juli 2017 heeft goedgekeurd, onverminderd de bevoegdheden van het Parlement met betrekking tot niveau-1-wetgeving; wijst erop dat een ordentelijke uitvoering van het actieplan van de Raad een gezamenlijke inspanning vergt van de banken, de toezichthouders, de regelgevende instanties en de nationale autoriteiten; vraagt om stresstests die worden gekenmerkt door een brede dekking, methodologische relevantie en robuustheid; beveelt aan om de ontwikkelingen op de vastgoedmarkten nauwlettend in het oog te houden; is van mening dat bij eventuele extra maatregelen de prerogatieven van het Europees Parlement ten volle in acht moeten worden genomen;

Aankoopprogramma bedrijfssector (CSPP)

28.  is ingenomen met de verbeteringen die de ECB heeft doorgevoerd met de openbaarmaking van de lijst van de effecten die door het Eurosysteem worden aangehouden in het kader van het CSPP van de ECB, maar merkt op dat dit programma vooral grote bedrijven ten goede komt;

29.  verzoekt de ECB volledige transparantie te blijven bieden door de omvang van de aankopen in het kader van het CSPP na een redelijke termijn per bedrijf bekend te maken; verzoekt de ECB ook alle gegevens over het CSPP te publiceren in één gebruikersvriendelijke spreadsheet, die het makkelijker kan maken om publieke verantwoording af te leggen over het programma; benadrukt dat in ieder geval volledige transparantie aan de dag moet worden gelegd wanneer het programma afloopt; verzoekt de ECB voorts openbaar te maken volgens welke criteria bedrijfsobligaties in aanmerking komen voor het CSPP, teneinde eventuele concurrentieverstoringen op de markt te voorkomen; benadrukt dat het in aanmerking komen van obligaties afhankelijk is van risicomanagementcriteria en niet van de omvang van de uitgevende bedrijven;

30.  merkt op dat de ECB als EU-instelling gebonden is door de Overeenkomst van Parijs;

31.  deelt de zienswijze dat een goed werkende, gediversifieerde en geïntegreerde kapitaalmarkt de doorwerking van het gemeenschappelijke monetaire beleid zou ondersteunen; is van mening dat voor de kapitaalmarktunie een sleutelrol is weggelegd bij de uitbreiding van het kapitaal in de EU; vraagt dat de kapitaalmarktenunie stapsgewijs, tijdig en volledig wordt voltooid en ten uitvoer wordt gelegd;

32.  neemt kennis van het positieve advies van de ECB over de oprichting van een Europees depositoverzekeringssysteem (EDIS) als derde pijler van de bankenunie; benadrukt dat het voorgestelde EDIS een sleutelrol speelt bij het opbouwen van vertrouwen en het waarborgen van gelijke veiligheid voor deposanten binnen de bankenunie; benadrukt dat het EDIS verder kan helpen om de financiële stabiliteit te verbeteren en te waarborgen; erkent dat het delen van risico's gepaard moet gaan met risicobeperking;

33.  neemt kennis van de overwegingen van de Commissie over de invoering van Europese veilige activa voor de bankenunie van de eurozone;

34.  neemt kennis van het besluit van de raad van bestuur van de ECB van 23 juni 2017 betreffende de aanbeveling van de ECB voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van artikel 22 van de statuten van het ESCB en van de ECB om het Eurosysteem te voorzien van een rechtsgrondslag om zijn rol als valuta-uitgevende centrale bank uit te oefenen bij de voorgestelde hervorming van de toezichtsstructuur voor centrale clearingtegenpartijen (CCP's), waardoor de ECB de bevoegdheid krijgt om de activiteiten van de clearingsystemen, met inbegrip van CCP's, te reguleren teneinde de risico's die dergelijke systemen opleveren voor de soepele werking van betalingssystemen en de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijke monetaire beleid, op doeltreffende wijze tegen te gaan; onderzoekt momenteel de aanbeveling en kijkt uit naar de discussies over dit voorstel;

Fysiek geld en digitale valuta's

35.  is het met de ECB eens dat fysiek geld een belangrijke rol vervult als wettig betaalmiddel, aangezien de euro in de hele eurozone het enige wettige betaalmiddel is, en herinnert alle lidstaten van de eurozone eraan dat euromunten en -bankbiljetten in de regel moeten worden aanvaard bij detailtransacties, onverminderd het recht van die lidstaten om een maximumbedrag voor contante betalingen op te leggen teneinde witwassen van geld, belastingfraude en financiering van terrorisme en georganiseerde criminaliteit tegen te gaan; stelt voor dat het Eurosysteem een herdenkingsbankbiljet ter ere van Karel de Grote uitgeeft, dat ook een wettig betaalmiddel zou zijn;

36.  neemt nota van de lopende discussies over een "digitale valuta van de centrale bank" of "digitaal basisgeld", dat beschikbaar zou worden gesteld aan een brede reeks tegenpartijen, met inbegrip van huishoudens; moedigt de Commissie en de ECB aan om dergelijke systemen te onderzoeken teneinde de toegang van het publiek tot betalingssystemen, naast fysiek geld, te verbeteren, en ook de uitdagingen die hieraan mogelijk verbonden zijn voor het monopolie van de ECB om geld te drukken, nader te bekijken; benadrukt dat vooruitgang op het gebied van virtuele valuta niet mag leiden tot beperkingen op contante betalingen in de detailhandel of de afschaffing van contant geld;

37.  onderstreept het belang van cyberveiligheid voor de financiële sector; is ingenomen met de werkzaamheden van de ECB op dit vlak, waaronder de start van een proefregeling voor de melding van significante cyberincidenten in februari 2016 en de samenwerking in het kader van de G7;

Verantwoordingsplicht en transparantie

38.  verzoekt de ECB de nodige steun te blijven verlenen aan Griekenland, en aan om het even welke andere lidstaat, bij de evaluatie van de afronding van het financiële ondersteuningsprogramma; meent, onverminderd de onafhankelijke status van de ECB, dat die steun erin kan bestaan dat Griekse staatsobligaties in het PSPP worden opgenomen, op basis van de toelatingscriteria die voor alle lidstaten gelden, en dat het CBPP3-programma wordt uitgebreid tot Griekse juridische entiteiten die onder publiek of privaat recht vallen, volgens diezelfde toelatingscriteria;

39.  verzoekt de ECB om, in samenwerking met de Europese toezichthoudende autoriteiten, alle gevolgen van de terugtrekking van het VK uit de EU te beoordelen en om klaar te staan om voorbereidingen te treffen voor de verplaatsing van banken en hun activiteiten naar de eurozone; acht het van het grootste belang om het toezicht op euroverrekeningen buiten de eurozone aan te scherpen teneinde leemten in het toezicht en problemen met de financiële stabiliteit te voorkomen; is begonnen met de bespreking op commissieniveau van het voorstel van de Commissie van juni 2017 tot wijziging van EMIR wat betreft het toezicht op centrale tegenpartijen, met als doel dit toezicht te versterken;

40.  constateert dat de Groep op hoog niveau eigen middelen de winst die de ECB uit muntloon haalt, als een van de mogelijke nieuwe eigen middelen voor de EU-begroting heeft aangemerkt; benadrukt dat de omzetting van deze winsten in eigen EU-middelen een wijziging van de statuten van het ESCB en de ECB zou vereisen, alsook aanpassingen om de specifieke situatie van de lidstaten die geen lid van de eurozone zijn, te regelen;

41.  is van mening dat de onafhankelijkheid van de ECB, en dus ook de rekenschap die zij moet afleggen, in verhouding moet staan tot haar belang; benadrukt dat de verantwoordelijkheden en taken van de ECB ertoe nopen dat de zij meer transparantie betracht ten aanzien van het publiek en meer verantwoording aflegt aan het Parlement; benadrukt dat er shortlists van kandidaten moeten worden ingediend zodat het Parlement zijn institutionele rol kan vervullen bij de benoeming van de president, de vicepresident en andere leden van de raad van bestuur van de ECB;

42.  wijst erop dat de monetaire dialoog belangrijk is voor de transparantie van besluiten over het monetaire beleid ten aanzien van het Parlement en dus ook ten aanzien van het brede publiek; is ingenomen met de regelmatige aanwezigheid van en dialoog met de president van de ECB en andere leden van de raad van bestuur in het kader van de monetaire dialoog en andere fora; is van mening dat de monetaire dialoog verder kan worden verbeterd, onder meer door enkele wijzigingen door te voeren met het oog op een sterkere focus, interactiviteit en relevantie van de gedachtewisselingen met de president van de ECB en andere leden van de raad van bestuur in het kader van de monetaire dialoog en andere fora, in overeenstemming met de aanbevelingen en feedback die ECON in maart 2014 van aangezochte monetaire deskundigen heeft gekregen; apprecieert het dat ambtenaren van de ECB na de gedachtewisseling schriftelijk antwoord geven op onbeantwoord gebleven vragen, en verzoekt hen dat te blijven doen;

43.  is verheugd dat de ECB in 2016 heeft besloten om in haar jaarverslag feedback te geven op de input van het Parlement, en moedigt de ECB aan om zich te blijven inzetten voor meer transparantie teneinde haar monetairebeleidsmaatregelen beter uit te leggen; herinnert aan zijn verzoek aan de ECB om een hoofdstuk of een bijlage aan haar jaarverslag toe te voegen met uitgebreide feedback op het verslag van het Parlement over het voorgaande jaar;

44.  verzoekt de ECB de onafhankelijkheid van de leden van haar interne auditcomité te garanderen; dringt er bij de ECB op aan om, teneinde belangenconflicten te voorkomen, verklaringen van financiële belangen van de leden van de raad van bestuur openbaar te maken; dringt er bij de ECB op aan om ervoor te zorgen dat de ethische commissie niet wordt voorgezeten door een voormalige president, andere voormalige leden van de raad van bestuur van de ECB of om het even wie die aan een belangenconflict blootstaat; vraagt de raad van bestuur van de ECB om het Statuut van de ambtenaren van de EU en de gedragscode te volgen en te vereisen dat uitgaande leden na afloop van hun mandaat een "afkoelingsperiode" van twee jaar in acht nemen; benadrukt dat de leden van de raad van bestuur van de ECB niet tegelijkertijd lid mogen zijn van fora of andere organisaties waar ook directieleden van door de ECB gecontroleerde banken zitting in hebben;

45.  vraagt de ECB een duidelijk en openbaar klokkenluidersbeleid vast te stellen;

46.  merkt op dat het huidige personeelsbeleid van de ECB inzake tijdelijke functionarissen, dat ook een beroep doet op opeenvolgende tijdelijke contracten, instabiliteit in de werkomgeving zou kunnen veroorzaken en de professionele samenhang bij de ECB zou kunnen ondermijnen; is bezorgd over de vermeende gevallen van nepotisme en de hoge mate van onvrede onder ECB-werknemers; neemt nota van en verwelkomt de initiatieven van de ECB om deze kwesties aan te pakken, onder meer door meer overleg met de personeelsvertegenwoordigers, en moedigt de ECB aan om deze inspanningen verder te zetten; verzoekt de ECB om een gelijke behandeling van en gelijke kansen voor al haar werknemers te waarborgen en haar werknemers fatsoenlijke arbeidsomstandigheden binnen de instelling te bieden;

47.  is ingenomen met de inspanningen van de ECB om, overeenkomstig de overeenkomst over noodliquiditeitssteun van mei 2017, meer duidelijkheid en transparantie te verschaffen over de verlening van noodliquiditeitssteun en de bepaling van de prijs daarvan; wijst erop dat de liquiditeitsverschaffing door centrale banken aan instellingen in de eurozone verder kan worden verduidelijkt;

48.  is verheugd over het feit dat de ECB zijn besluiten van algemene strekking, regelingen, aanbevelingen en adviezen openbaar maakt en daarbij het aantal vrijstellingen van openbaarmaking heeft verminderd; verzoekt de ECB haar transparantie ten aanzien van het publiek te vergroten, onder meer door openbare hoorzittingen, wanneer openbaarmaking de functionering van de markten niet significant verstoort;

49.  onderstreept dat de toezichthoudende rol van de ECB en haar rol in het monetaire beleid niet met elkaar mogen worden verward en geen aanleiding mogen geven tot belangenverstrengeling bij de uitvoering van haar voornaamste taken;

50.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de ECB.

(1)

PB L 83 van 30.3.2010, blz. 70.

(2)

PB L 139 van 11.5.1998, blz. 1.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

21.11.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

40

7

7

Bij de eindstemming aanwezige leden

Gerolf Annemans, Hugues Bayet, Pervenche Berès, Udo Bullmann, Thierry Cornillet, Markus Ferber, Jonás Fernández, Sven Giegold, Neena Gill, Roberto Gualtieri, Brian Hayes, Gunnar Hökmark, Cătălin Sorin Ivan, Barbara Kappel, Wajid Khan, Georgios Kyrtsos, Philippe Lamberts, Sander Loones, Olle Ludvigsson, Ivana Maletić, Gabriel Mato, Costas Mavrides, Bernard Monot, Caroline Nagtegaal, Luděk Niedermayer, Stanisław Ożóg, Dimitrios Papadimoulis, Pirkko Ruohonen-Lerner, Anne Sander, Alfred Sant, Molly Scott Cato, Pedro Silva Pereira, Peter Simon, Theodor Dumitru Stolojan, Kay Swinburne, Ramon Tremosa i Balcells, Ernest Urtasun, Marco Valli, Tom Vandenkendelaere, Miguel Viegas, Jakob von Weizsäcker, Marco Zanni, Sotirios Zarianopoulos

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Matt Carthy, Andrea Cozzolino, Herbert Dorfmann, Frank Engel, Ashley Fox, Ramón Jáuregui Atondo, Paloma López Bermejo, Thomas Mann, Siegfried Mureşan

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Bogdan Brunon Wenta, Wim van de Camp


HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

40

+

ALDE

Caroline Nagtegaal, Ramon Tremosa i Balcells, Thierry Cornillet

ECR

Pirkko Ruohonen-Lerner

PPE

Anne Sander, Bogdan Brunon Wenta, Brian Hayes, Frank Engel, Gabriel Mato, Georgios Kyrtsos, Gunnar Hökmark, Herbert Dorfmann, Ivana Maletić, Luděk Niedermayer, Markus Ferber, Siegfried Mureşan, Theodor Dumitru Stolojan, Thomas Mann, Tom Vandenkendelaere, Wim van de Camp

S&D

Alfred Sant, Andrea Cozzolino, Costas Mavrides, Cătălin Sorin Ivan, Hugues Bayet, Jakob von Weizsäcker, Jonás Fernández, Neena Gill, Olle Ludvigsson, Pedro Silva Pereira, Pervenche Berès, Peter Simon, Ramón Jáuregui Atondo, Roberto Gualtieri, Udo Bullmann, Wajid Khan

VERTS/ALE

Ernest Urtasun, Molly Scott Cato, Philippe Lamberts, Sven Giegold

7

-

EFDD

Marco Valli

ENF

Bernard Monot, Gerolf Annemans, Marco Zanni

GUE/NGL

Miguel Viegas, Paloma López Bermejo

NI

Sotirios Zarianopoulos

7

0

ECR

Ashley Fox, Kay Swinburne, Stanisław Ożóg, Sander Loones

ENF

Barbara Kappel

GUE/NGL

Dimitrios Papadimoulis, Matt Carthy

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Juridische mededeling