Procedure : 2017/2040(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0389/2017

Ingediende teksten :

A8-0389/2017

Debatten :

PV 15/01/2018 - 15
CRE 15/01/2018 - 15

Stemmingen :

PV 16/01/2018 - 5.2
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0002

VERSLAG     
PDF 441kWORD 75k
1.12.2017
PE 604.868v02-00 A8-0389/2017

over de uitvoering van de macroregionale strategieën van de EU

(2017/2040(INI))

Commissie regionale ontwikkeling

Rapporteur: Andrea Cozzolino

TOELICHTING – SAMENVATTING VAN DE FEITEN EN BEVINDINGEN
 ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

TOELICHTING – SAMENVATTING VAN DE FEITEN EN BEVINDINGEN

Achtergrond

Macroregionale strategieën (MRS) zijn de laatste jaren belangrijker geworden als platform voor transnationale samenwerking tussen de lidstaten maar ook met derde landen. Zij bieden een geïntegreerd kader om gemeenschappelijke uitdagingen aan te pakken en het gezamenlijke potentieel te benutten. Voor de programmeringsperiode 2014-2020 zijn de MRS geïntegreerd in de programma's van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI‑fondsen).

Momenteel brengen de vier bestaande MRS (Oostzeegebied, Donaugebied, Adriatische en Ionische gebied en Alpenregio) 19 lidstaten en 8 niet-EU-landen bij elkaar. Sommige lidstaten nemen deel aan meer dan een MRS.

MRS worden vastgesteld binnen de grenzen van het beginsel van de "drie negatieven": geen nieuwe EU-fondsen, geen extra formele EU-structuren en geen nieuwe EU-wetgeving.

Financiële steun is afkomstig van transnationale samenwerkingsprogramma's in het kader van de Europese territoriale samenwerking (ETS), die worden gefinancierd uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO). Vier van die programma's ondersteunen de uitvoering van MRS (totale begroting operationeel programma tussen haakjes):

–  Oostzeegebied (333 414 456 EUR),

–  Donaugebied (262 989 839 EUR),

–  Adriatische en Ionische regio (117 918 198 EUR),

–  Alpenregio (139 751 456 EUR).

De landen worden overigens aangemoedigd gebruik te maken van verschillende financieringsbronnen (ESI-fondsen en andere EU-instrumenten, IPA, ENI, nationale, regionale en lokale middelen, private bronnen enzovoort) om bij te dragen aan de gemeenschappelijke doelstellingen van de MRS.

Zoals de Commissie aangeeft(1), gaan de MRS over meer dan financiering alleen, omdat zij ervoor zorgen "dat burgers van verschillende lidstaten de handen in elkaar slaan en hun sociale en economische levensomstandigheden via grensoverschrijdende samenwerking verbeteren".

De MRS hebben verschillende bestuursstructuren en krijgen te maken met verschillende uitdagingen. Sommige problemen zoals het waarborgen van een passend niveau van politiek engagement en het beschikbaar stellen van voldoende middelen zijn gemeenschappelijk, zij het in verschillende mate.

De Commissie speelt een coördinerende rol bij de uitvoering van de MRS.

In 2010 heeft de Commissie op verzoek van de Raad een groep op hoog niveau voor macroregionale strategieën opgericht, met als taak "haar bij te staan bij de uitoefening van haar taken en bevoegdheden inzake de werking van macroregionale strategieën" en als specifieke opdracht "de Commissie te adviseren bij de coördinatie en de monitoring van macroregionale strategieën"(2). Haar leden zijn vertegenwoordigers van de lidstaten en niet‑EU-landen die aan de MRS deelnemen. Ook de vertegenwoordigers van het Comité van de Regio's en de Europese Investeringsbank worden uitgenodigd om de vergaderingen als waarnemer bij te wonen.

Toekomst

De besprekingen over het cohesiebeleid na 2020 zijn goed op gang en het is hoog tijd om de toekomst van de MRS in het kader van dit beleid te bespreken.

Er moet een antwoord komen op verschillende vragen in verband met de toekomst van de MRS:

–  Eigen verantwoordelijkheid en politiek engagement - hoe garanderen dat alle deelnemende landen voldoende middelen in de MRS investeren?

–  Resultaatgerichtheid - zijn er mogelijkheden om de resultaten van de MRS beter meetbaar te maken?

–  Toepassingsgebied - zijn er redenen om het concept van de MRS uit te breiden?

De Raad onderkent het belang van de MRS, herhaalt het beginsel van de "drie negatieven" en "blijft bereid zich te beraden op elk gemeenschappelijk overeengekomen en weloverwogen initiatief van lidstaten die in een afgebakend geografisch gebied met dezelfde uitdagingen worden geconfronteerd, met het oog op de instelling van een nieuwe macroregionale strategie"(3).

De Commissie regionale ontwikkeling zal op haar vergadering van 12-13 juli 2017 een workshop met deskundigen over de MRS organiseren om de werkzaamheden in het kader van dit uitvoeringsverslag te ondersteunen. De bevindingen zullen hun weerslag krijgen in de amendementen op het ontwerpverslag.

(1)

Mededeling van de Commissie van 14 december 2015 getiteld "Investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen" (COM(2015) 639 final).

(2)

Register van deskundigengroepen en andere adviesorganen van de Commissie - groep op hoog niveau voor macroregionale strategieën: http://ec.europa.eu/transparency/regexpert/index.cfm?do=groupDetail.groupDetail&groupID=2455

(3)

Conclusies van de Raad over de uitvoering van de macroregionale strategieën van de EU: http://ec.europa.eu/regional_policy/sources/cooperate/macro_region_strategy/pdf/concl_implementation_macro_region_strategy_en.pdf


ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de uitvoering van de macroregionale strategieën van de EU

(2017/2040(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name titel XVIII,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (hierna "de GB-verordening" genoemd)(1),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking"(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1302/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1082/2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS), wat de verduidelijking, vereenvoudiging en verbetering van de oprichting en werking van dergelijke groeperingen betreft(3),

–  gezien de conclusies van de Raad van 25 april 2017 over de uitvoering van de macroregionale strategieën van de EU,

–  gezien het verslag van de Commissie van 16 december 2016 betreffende de uitvoering van de macroregionale strategieën van de EU (COM(2016)0805) en het begeleidende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0443),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 juni 2009 inzake de strategie van de Europese Unie voor het Oostzeegebied (COM(2009)0248),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 8 december 2010 getiteld "Strategie van de Europese Unie voor de Donau-regio" (COM(2010)0715),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 17 juni 2014 betreffende de strategie van de Europese Unie voor de Adriatische en Ionische regio (COM(2014)0357),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 28 juli 2015 betreffende een strategie van de Europese Unie voor het Alpengebied (COM(2015)0366),

–  gezien het verslag van de Commissie van 20 mei 2014 betreffende het bestuur van macroregionale strategieën (COM(2014)0284),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 december 2015 getiteld "Investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen" (COM(2015)0639),

–  gezien zijn resolutie van 17 februari 2011 over de tenuitvoerlegging van de EU-strategie voor het Donaugebied(4),

–  gezien zijn resolutie van 3 juli 2012 over de ontwikkeling van de macroregionale strategieën van de EU: huidige praktijk en vooruitzichten, vooral in het Middellandse Zeegebied(5),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2012 over de EU-strategie voor het Atlantisch gebied van het cohesiebeleid(6),

–  gezien zijn resolutie van 28 oktober 2015 over een strategie van de EU voor de Adriatische en Ionische regio(7),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over een EU-strategie voor het Alpengebied(8),

–  gezien de studie van januari 2015 getiteld "New role of macro-regions in European Territorial Cooperation" (De nieuwe rol van macroregio's in de Europese territoriale samenwerking) die gepubliceerd werd door zijn directoraat-generaal Intern Beleid, beleidsondersteunende afdeling B: Structuur- en Cohesiebeleid,

–  gezien het verslag van INTERact van februari 2017 getiteld "Added value of macro-regional strategies – programme and project perspective" (Toegevoegde waarde van macroregionale strategieën – programma- en projectperspectief),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement alsmede artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 inzake de procedure voor het verlenen van toestemming voor de opstelling van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8‑0389/2017),

A.  overwegende dat een macroregio gedefinieerd kan worden als een geografisch gebied dat bestaat uit regio's die zich uitstrekken over een aantal verschillende landen met een of meer gemeenschappelijke kenmerken of uitdagingen(9)6;

B.  overwegende dat de macroregionale strategieën (MRS) gesitueerd zijn in gebieden die kenmerkend zijn voor de natuurlijke ontwikkeling van de EU op het gebied van grensoverschrijdende samenwerking; overwegende dat zij van belang zijn, omdat zij publieke en particuliere actoren, het maatschappelijk middenveld en de academische wereld kunnen mobiliseren, en middelen kunnen vrijmaken voor gemeenschappelijke beleidsdoelstellingen van de EU;

C.  overwegende dat MRS een platform bieden voor diepere en bredere interactie op sectoroverschrijdend, regionaal en grensoverschrijdend niveau tussen de EU-lidstaten en buurlanden om gemeenschappelijke uitdagingen aan te pakken, een gezamenlijke planning te maken, de samenwerking tussen en integratie van verschillende partners en beleidssectoren te bevorderen, onder meer op het vlak van de bescherming van het milieu en de biodiversiteit, de beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering, afvalverwerking en watervoorziening, maritieme ruimtelijke ordening en systemen voor geïntegreerd kustbeheer; verheugt zich in dit verband over de gedane pogingen om de samenwerking tussen de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI) en het instrument voor pretoetredingssteun (IPA) te bevorderen;

D.  overwegende dat macroregio's betrokken zijn bij de uitvoering van onderling samenhangende, horizontale politieke activiteiten op lange termijn, aangezien macroregio's verbonden zijn aan het cohesiebeleid via de in hun operationele programma's ingebedde MRS-doelstellingen en zij projecten opzetten door middel van slimme synergieën; overwegende dat macroregio's daardoor doeltreffender bijdragen aan het verwezenlijken van MRS-doelstellingen, het aantrekken van particuliere investeringen, het aantonen van vertrouwen, en het aangaan van dialoog, grensoverschrijdende samenwerking en solidariteit;

E.  overwegende dat MRS gebaseerd zijn op het beginsel van de "drie negatieven" (geen nieuwe fondsen, structuren of wetgeving) binnen het bestaande beleidskader van de EU;

F.  overwegende dat reeds bestaande samenwerkingsmechanismen, op EU-niveau en tussen de lidstaten, de uitvoering van MRS bevorderen, met name in de vroege fasen;

G.  overwegende dat de Commissie om de twee jaar één enkel verslag goedkeurt over de uitvoering van alle vier momenteel bestaande MRS van de EU, waarin zowel de geboekte successen als de verbeterpunten worden besproken, en dat het volgende verslag eind 2018 klaar moet zijn; is in dit kader van oordeel dat onderzoek nodig is naar aspecten die betrekking hebben op het milieu, als een van de pijlers van duurzame ontwikkeling;

Macroregionale strategieën als platform voor samenwerking en coördinatie

1.  meent dat het belang van de MRS is beklemtoond door de globalisering, die de onderlinge afhankelijkheid van afzonderlijke landen heeft vergroot en oplossingen voor de betrokken grensoverschrijdende problemen noodzakelijk maakt;

2.  erkent dat elementen als engagement, eigen verantwoordelijkheid, middelen en bestuur, waarvan de kwaliteit van de tenuitvoerlegging afhangt, in verschillende mate blijven zorgen voor moeilijk op te lossen problemen bij het verwezenlijken van de vooraf bepaalde doelstellingen;

3.  benadrukt dat MRS een onschatbare en innovatieve bijdrage blijven leveren aan grens-, sector- en niveauoverschrijdende samenwerking in Europa, waarvan het potentieel nog onvoldoende is verkend, met het oog op de bevordering van de connectiviteit en de consolidatie van de economische banden en de overdracht van kennis tussen regio's en landen; wijst er echter op dat de toegang tot EU-middelen voor MRS-projecten – als gevolg van het overleg over gezamenlijke actie op verschillende niveaus en in meer dan één land/regio – een uitdaging blijft;

4.  is van mening dat de MRS en de daaraan verbonden milieuprogramma's adequate instrumenten zijn om de voordelen van Europese samenwerking voor de burgers zichtbaar te maken, en dringt er daarom bij alle partijen op aan zich volledig voor de strategieën in te zetten en hun rol te spelen bij de uitvoering ervan;

5.  is van mening dat diverse bestuursniveaus met een passende rol voor de betrokken regio's van meet af aan een hoeksteen moeten vormen van alle MRS, en dat ook regionale en plaatselijke gemeenschappen, publieke en private spelers en belanghebbenden uit de derde sector bij dat proces moeten worden betrokken; spoort de betrokken lidstaten en regio's er daarom toe aan adequate beheersstructuren en praktische regelingen op te zetten om de samenwerking te bevorderen, met inbegrip van gezamenlijke planning, het bevorderen van financieringsmogelijkheden en een bottom‑upbenadering;

6.  spoort aan tot betere coördinatie en betere partnerschappen, zowel verticaal als horizontaal, tussen de verschillende publieke en private actoren, universiteiten, ngo's, internationale organisaties die actief zijn op dit gebied, en de diverse beleidsmaatregelen op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau om de uitvoering van de MRS en de grensoverschrijdende samenwerking te vergemakkelijken en verbeteren; verzoekt de Commissie de deelname van deze belanghebbenden aan onder meer de raden van bestuur van de MRS te bevorderen, en de algemene toepassing van de EU-beginselen daarbij te eerbiedigen;

7.  benadrukt het belang van voldoende personele middelen en bestuurlijke capaciteit voor de bevoegde nationale en regionale instanties om te waarborgen dat het politieke engagement wordt vertaald naar een doeltreffende uitvoering van de strategieën; beklemtoont in dit verband de waarde van het steunprogramma voor structurele hervormingen, waarmee op verzoek van een lidstaat bijstand kan worden verleend bij de capaciteitsopbouw en doeltreffende steun kan worden geboden voor de ontwikkeling en financiering van MRS-projecten; verzoekt de Commissie en de lidstaten voorts de verspreiding en toepassing van goede bestuurlijke methoden en ervaringen op het gebied van een succesvolle tenuitvoerlegging van de MRS actief te bevorderen;

8.  onderstreept dat MRS voldoende flexibel moeten zijn om doeltreffend te worden aangepast aan en in te spelen op onvoorziene gebeurtenissen en behoeften die zich in de betrokken regio's, de lidstaten en de EU in het algemeen kunnen voordoen; meent dat bij de uitvoering van de MRS rekening moet worden gehouden met de specifieke regionale en plaatselijke situaties; benadrukt dat de Commissie in dit verband een coördinerende rol moet spelen, ook met het oog op een verfijning van de specifieke doelstellingen van elke strategie;

De EU-strategie voor het Oostzeegebied (EUSBSR)

9.  uit zijn voldoening over de resultaten die sinds de lancering van de strategie in 2009 zijn verwezenlijkt, met name in verband met de samenwerkingsmechanismen, niet alleen tussen (binnen de Raad tijdens de desbetreffende ministeriële bijeenkomsten) maar ook in de betrokken regio's en landen, bijvoorbeeld binnen het parlement of de regering; merkt op dat de EU-strategie voor het Oostzeegebied (EUSBSR) een stabiel samenwerkingskader is met meer dan 100 vlaggenschipinitiatieven en nieuwe netwerken;

10.  benadrukt de overblijvende uitdagingen, met name die in verband met het milieu en de connectiviteit; dringt erop aan dat de deelnemende landen hun inspanningen intensiveren om de vervuiling (de kwaliteit van water en lucht en eutrofiëring) van de Oostzee aan te pakken, aangezien het een van de meest vervuilde zeeën ter wereld is; merkt op dat het bereiken van een goede milieutoestand tegen 2020 hier een van de belangrijkste doelstellingen van de beleidsmaatregelen is;

11.  hecht belang aan de mogelijkheid om de Oostzeeregio met energienetwerken te verbinden om de energiearmoede te verminderen en te beëindigen en de energieveiligheid en de voorzieningszekerheid te vergroten;

De EU-strategie voor het Donaugebied (EUSDR)

12.  benadrukt de positieve impact die de strategie heeft gehad op de samenwerking tussen de deelnemende landen en regio's doordat ze de mobiliteit en de verbindingen voor alle vormen van vervoer heeft verbeterd, schone energie, cultuur en duurzaam toerisme heeft bevorderd en vooral ook rechtstreekse contacten tussen mensen heeft verbeterd en grotere cohesie tussen de aan de strategie deelnemende regio's en landen heeft bewerkstelligd;

13.  beschouwt het project "Euro Access", het initiatief "Keep Danube Clean" en de financieringsdialoog voor het Donaugebied als duidelijk positieve voorbeelden van manieren om de financiële obstakels uit de weg te ruimen die vaak voorkomen bij projecten van transnationaal en grensoverschrijdend belang; is van mening dat de verschillen in ontwikkeling tussen de regio's in het Donaugebied via deze dialoog verder kunnen worden verkleind; meent voorts dat het heropenen van een Donau-strategiepunt zou kunnen bijdragen aan een soepeler uitvoering van de strategie;

14.  benadrukt dat het voorkomen van schade door zware overstromingen een van de grote milieu-uitdagingen voor de landen van de macroregio van het Donaugebied blijft; benadrukt dat aanvullende gezamenlijke maatregelen ter voorkoming van grensoverschrijdende vervuiling moeten worden overwogen;

15.  brengt in herinnering dat er behoefte is aan strategische projecten en benadrukt dat het essentieel is ruime politieke steun te behouden en de middelen en de capaciteit van de bevoegde overheidsinstanties te verhogen om de overblijvende uitdagingen aan te pakken; benadrukt daarom dat het politieke momentum voor de EU-strategie voor het Donaugebied (EUSDR) moet worden gehandhaafd en dat moet worden gewaarborgd dat de EUSDR-stuurgroep goed werk verricht;

16.  verzoekt de deelnemende landen, gezien de natuurlijke verbinding tussen de Donau en de Zwarte Zee, de EUSDR en de grensoverschrijdende samenwerking in het Zwarte Zeegebied beter op elkaar af te stemmen, en nauw samen te werken om gemeenschappelijke sociaaleconomische, milieu- en vervoersuitdagingen het hoofd te bieden;

17.  benadrukt dat een meer geïntegreerde aanpak van mobiliteit en multimodaliteit in het Donaugebied ook aan het milieu ten goede zal komen;

De EU-strategie voor het Adriatische en Ionische gebied (EUSAIR)

18.  benadrukt de specifieke aard van de EU-strategie voor het Adriatische en Ionische gebied (EUSAIR) wegens het aantal landen die aan de strategie kunnen deelnemen of kandidaat zijn om deel te nemen, en is van mening dat deze vorm van samenwerking grote kansen biedt voor de hele regio; is van oordeel dat de EUSAIR een nieuwe impuls kan geven aan het uitbreidings- en integratieproces;

19.  wijst met bezorgdheid op de aanhoudende problemen inzake de gebrekkige binding tussen de beschikbaarheid van middelen, bestuur en eigen verantwoordelijkheid, waardoor de EUSAIR-doelstellingen niet volledig kunnen worden verwezenlijkt; roept de deelnemende landen op de bevoegde instanties te steunen en toe te rusten voor de tenuitvoerlegging van de strategie;

20.  benadrukt dat de regio de afgelopen jaren een vooraanstaande rol heeft gespeeld in de migratiecrisis; is van mening dat de EUSAIR met de noodzakelijke instrumenten en middelen kan helpen dergelijke problemen aan te pakken; is in dit verband ingenomen met de inspanningen van de Commissie om financiële middelen vrij te maken voor migratiegerelateerde activiteiten, waaronder samenwerking met derde landen;

21.  beschouwt de pijler inzake duurzaam toerisme van de Adriatische en Ionische regio als een positief instrument om duurzame economische groei in de regio te scheppen en om het bewustzijn ten aanzien van milieuproblemen en de MRS te verhogen;

22.  verzoekt de betrokken landen prioriteit te verlenen aan capaciteitsopbouw ten behoeve van de belangrijkste uitvoerders van EUSAIR en van programma-autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor EUSAIR-gerelateerde operationele programma's;

De EU-strategie voor de Alpenregio (EUSALP)

23.  is van mening dat de EUSALP aantoont dat het macroregionale concept ook met succes op meer ontwikkelde regio's kan worden toegepast; vraagt de belanghebbenden van deze strategie zich in te zetten voor milieugerelateerde investeringen waarmee het hoofd kan worden geboden aan de gevolgen van klimaatverandering; wijst er voorts op dat het Alpengebied een belangrijk regionaal vervoersknooppunt is en tegelijk een van de grootste unieke natuur- en recreatiegebieden dat beschermd moet worden; benadrukt dat daarom gestreefd moet worden naar duurzame en onderling afgestemde vervoersstrategieën;

24.  uit zijn voldoening over de bestuursstructuur van de strategie die momenteel wordt opgezet, aangezien de eerste stappen in de uitvoering van de strategie moeizaam zijn verlopen en werden beheerst door verschillende structuren, kaders en termijnen; verzoekt de deelnemende landen daarom hun engagement en steun ten aanzien van de leden van de EUSALP-actiegroep te handhaven;

25.  benadrukt dat de EUSALP een goed voorbeeld van een modelstrategie voor territoriale cohesie kan zijn, omdat zij tegelijkertijd verschillende specifieke gebieden, productieve gebieden, berg- en plattelandsgebieden en enkele van de belangrijkste en meest ontwikkelde steden van de EU omvat, en een platform biedt om gezamenlijk hun uitdagingen aan te gaan (klimaatverandering, demografie, biodiversiteit, migratie, globalisatie, duurzaam toerisme, duurzame landbouw, energievoorziening, vervoer en mobiliteit, en de digitale kloof); roept de deelnemende landen en regio's op bij het aanpakken van gemeenschappelijke prioriteiten voldoende aandacht te besteden aan het gebruik van het Interreg-programma voor het Alpengebied en van andere relevante fondsen;

26.  benadrukt dat de Alpenregio door vele grenzen wordt omsloten en dat het wegnemen van deze obstakels een fundamentele voorwaarde is voor een goed functionerende samenwerking, in het bijzonder op het vlak van de arbeidsmarkt en economische activiteiten die verband houden met kmo's; is van mening dat de EUSALP eveneens de mogelijkheid kan bieden om de grensoverschrijdende samenwerking tussen aangrenzende regio's, steden en plaatselijke gemeenschappen te versterken en om banden en netwerken tussen volkeren tot stand te brengen, ook op het vlak van vervoersverbindingen en internetdekking; wijst bovendien op de kwetsbaarheid van het milieu in deze regio;

Macroregionaal Europa na 2020?

27.  wijst erop dat MRS hun vruchten afwerpen als zij zijn geworteld in een politiek langetermijnperspectief en zo worden georganiseerd dat alle openbare – met name regionale en lokale autoriteiten – en particuliere belanghebbenden evenals het maatschappelijk middenveld vanaf het begin doeltreffend zijn vertegenwoordigd, waarvoor een doeltreffende uitwisseling van informatie, optimale werkmethoden, technische kennis en ervaring tussen de macroregio's is vereist; acht het noodzakelijk het meerlagig bestuur van de MRS, dat transparant moet zijn, te versterken met behulp van meer doeltreffende coördinatie- en openbarecommunicatiemechanismen om de MRS bekendheid te geven en ze ingang te doen vinden bij de plaatselijke en regionale gemeenschappen;

28.  is van mening dat strategieën alleen met succes kunnen worden uitgevoerd als zij gebaseerd zijn op een langetermijnvisie en efficiënte coördinatie- en samenwerkingsstructuren met de nodige bestuurlijke capaciteit, alsook op gezamenlijk langdurig politiek engagement tussen de betrokken institutionele niveaus, en ondersteund worden met voldoende financiële middelen; wijst er daarom op dat de doeltreffendheid van de investeringen moet worden verhoogd door rechtstreekse financiering en door te streven naar onderlinge afstemming, synergie en complementariteit tussen regionale en nationale financiering en de bestaande financieringsinstrumenten van de EU, die niet alleen de ETS-programma's verbeteren maar ook grensoverschrijdende projecten in het kader van de EFSI-fondsen en het EFSI promoten;

29.  is van mening dat een vereenvoudiging van de middelen en de procedures achter de MRS de doeltreffendheid ervan zou verhogen;

30.  stelt voor dat de deelnemende landen vanaf het begin duidelijke toezeggingen doen op het gebied van financiering en van de in te zetten personele middelen voor de uitvoering van de MRS; verzoekt de Commissie te helpen voor een betere coördinatie binnen de MRS te zorgen, optimale werkwijzen te promoten en maatregelen uit te werken om de actieve deelname van en coördinatie tussen alle betrokken partijen te stimuleren, ook met het oog op een grotere samenhang tussen het EU-beleid en de tenuitvoerlegging van de MRS; pleit er bovendien voor om bij de MRS gebruik te maken van groene overheidsopdrachten om eco-innovatie, de bio-economie, de ontwikkeling van nieuwe bedrijfsmodellen en het gebruik van secundaire grondstoffen te stimuleren, zoals in de kringloopeconomie, met het oog op een hoger niveau van milieu- en gezondheidsbescherming en de ontwikkeling van een nauwe band tussen producenten en consumenten;

31.  benadrukt dat een meer resultaatgerichte aanpak vereist is en dat er concrete problemen moeten worden overwonnen, onder meer op het gebied van milieubescherming, om plannen te kunnen ontwikkelen die werkelijk effect hebben op het betrokken gebied om de investering van de middelen te rechtvaardigen die op hun beurt in verhouding moeten staan tot de vastgelegde doelstellingen en moeten stroken met de werkelijke behoeften van de betrokken gebieden;

32.  dringt erop aan dat op de vragen over de MRS, bijvoorbeeld die over de eigen verantwoordelijkheid en de nodige politieke stimulansen, moet worden ingegaan op een vooraf door de betrokken regio's overeengekomen wijze;

33.  is van mening dat de activiteiten van de macroregio's zichtbaarder moeten worden en dat het publiek meer bewust moet worden gemaakt van de activiteiten in de betrokken regio's en van de behaalde resultaten, door middel van informatiecampagnes en uitwisseling van optimale werkwijzen, onder meer via online platforms en sociale netwerken, zodat het publiek er gemakkelijk toegang toe heeft;

34.  beklemtoont dat de aanstaande herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) de gelegenheid biedt om ook de doelstellingen van de MRS te herzien, teneinde de band tussen die strategieën te versterken en de prioriteiten van de EU en de desbetreffende financiële verbintenissen te consolideren;

35.  verzoekt de Commissie om in het kader van de volgende herziening van de cohesiebeleidverordeningen voorstellen in te dienen die een betere tenuitvoerlegging van de MRS in de hand kunnen werken;

36.  verzoekt de Commissie in het kader van het volgende verslag over de uitvoering van de MRS, dat in 2018 klaar moet zijn, een grondiger analyse uit te voeren van met name onder meer:

a.  de doeltreffendheid van transnationale ETS-programma's bij het verstrekken van financiering en het bieden van een strategische stimulans voor de MRS;

b.  indicatoren die in elke MRS kunnen worden geïntegreerd om een meer resultaatgerichte aanpak en betere monitoring en evaluatie mogelijk te maken;

c.  maatregelen om de band met de EU-prioriteiten te versterken;

d.  een vereenvoudiging van de uitvoering en integratie van financieringsregelingen;

e.  de kwaliteit van de betrokkenheid van regionale en lokale instanties bij de tenuitvoerlegging van de MRS;

37.  beklemtoont dat de oproep om nieuwe strategieën te ontwikkelen, bijvoorbeeld voor de Karpaten, het Atlantisch of Middellandse Zeegebied of de Iberische regio, de aandacht niet mag afleiden van de voornaamste doelstelling, namelijk een verbeterde, diepere tenuitvoerlegging van de bestaande MRS;

38.  ondersteunt het beginsel van de "drie negatieven" voor de MRS (geen nieuwe EU-wetgeving, EU-fondsen, of EU-structuren); stelt echter voor dat de Commissie de weerslag van deze negatieven op programma's in het kader van de ESI-fondsen in haar volgende uitvoeringsverslag over de MRS evalueert;

39.  onderstreept de noodzaak van een territoriale benadering per geval wat samenwerkingsactiviteiten betreft, aangezien MRS geschikt zijn om territoriale problemen aan te pakken die samen op doeltreffender wijze kunnen worden opgelost; benadrukt het belang van synergie en convergentie tussen de verschillende elementen van territoriale samenwerking in ETS-programma's en de macroregio's om de effecten van de transnationale programma's te versterken, middelen te bundelen, de financiering van de MRS te vereenvoudigen, en de resultaten van de uitvoering en de efficiëntie van de geïnvesteerde middelen te verbeteren;

40.  wijst andermaal op het engagement van de EU ten aanzien van de verwezenlijking van de SDG; onderstreept hoe belangrijk het is dat de MRS-doelstellingen worden afgestemd op de vlaggenschipinitiatieven van de EU, zoals de energie-unie, de Klimaatovereenkomst van Parijs en blauwe groei in mariene macroregio's; vestigt de aandacht op het beheer van milieurisico's, zoals het behoud van de natuur, biodiversiteit en visbestanden en de strijd tegen zwerfvuil op zee, alsook op de ontwikkeling van duurzaam en groen toerisme; pleit voor samenwerking op het gebied van hernieuwbare energie; is in dit verband voorstander van het toepassen van strategieën voor slimme specialisatie (S3), het versterken van kmo's en het scheppen van hoogwaardige werkgelegenheid;

41.  benadrukt dat het Parlement de macroregio's vanaf het prille begin heeft gesteund via proefprojecten en voorbereidende acties; wijst voorts op de door de Oostzeeregio opgedane ervaring waaruit blijkt dat macroregionale samenwerking gebaseerd moet blijven op een langetermijnvisie;

42.  verzoekt de Commissie het Parlement uit te nodigen om als waarnemer deel te nemen aan de werkzaamheden van de groep op hoog niveau voor macroregionale strategieën;

o

o    o

43.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Europees Comité van de Regio's, het Europees Economisch en Sociaal Comité en de regeringen en nationale en regionale parlementen van de lidstaten en de derde landen die aan de MRS deelnemen.

(1)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.

(2)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259.

(3)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 303.

(4)

PB CE 188 van 28.6.2012, blz. 30.

(5)

PB C 349 E van 29.11.2013, blz. 1.

(6)

PB C 353 E van 3.12.2013, blz. 122.

(7)

PB C 355 van 20.10.2017, blz. 23.

(8)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0336.

(9)

6 Schmitt et al. (2009), EU macro-regions and macro-regional strategies – A scoping study (Macroregio's en macroregionale strategieën van de EU – Een verkennende studie), NORDREGIO, elektronisch werkdocument 2009:4.


ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (28.9.2017)

aan de Commissie regionale ontwikkeling

inzake de uitvoering van de macroregionale strategieën van de EU

(2017/2040(INI))

Rapporteur voor advies: Biljana Borzan

SUGGESTIES

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de bevoegde Commissie regionale ontwikkeling onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  erkent het belang van de macroregionale strategieën van de Unie, namelijk de EU-strategie voor het Oostzeegebied (EUSBSR) van 2009, de EU-strategie voor het Donaugebied (EUSDR) van 2011, de EU-strategie voor de Adriatische en Ionische regio (EUSAIR) van 2014 en de EU-strategie voor het Alpengebied (EUSALP) van 2015; merkt op dat de macroregionale strategieën consequent in de beleidsplanning op EU-niveau geïntegreerd worden, maar dat dit op nationaal en regionaal niveau veeleer sporadisch gebeurt; is ingenomen met het verslag van de Commissie, maar is van mening dat nader onderzoek nodig was naar de uitvoering van de bestaande macroregionale strategieën, en met name de aspecten die betrekking hebben op het milieu, als een van de pijlers van duurzame ontwikkeling; dringt er bij de Commissie op aan in toekomstige verslagen in het bijzonder te focussen op de resultaten van de projecten in het kader van de macroregionale strategieën;

2.  onderkent het belang van de macroregionale strategieën als een uniek geïntegreerd kader ter bevordering van een gecoördineerd optreden voor het aangaan van de gemeenschappelijke uitdagingen waarmee verschillende actoren worden geconfronteerd in een afgebakend geografisch gebied dat zich uitstrekt over lidstaten en derde landen, die aldus voordeel halen uit nauwere samenwerking welke tot de verwezenlijking van economische, sociale en territoriale samenhang bijdraagt; vraagt de Commissie en de deelnemende landen en hun regio's synergieën te ontwikkelen en de macroregionale strategieën verder in het sectorale beleid van de EU te integreren, met name op het vlak van de bescherming van het milieu en de biodiversiteit en de beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering;

3.  onderstreept de potentiële voordelen van collectieve actie in het kader van macroregionale strategieën met betrekking tot milieukwesties, waaronder kwesties van grensoverschrijdende aard, zoals de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en verontreinigende stoffen, de biodiversiteit en milieubescherming en op het ecosysteem gebaseerde strategieën voor aanpassing aan de klimaatverandering; is van oordeel dat de strategieën nog doeltreffender kunnen worden ingezet op het vlak van duurzame ontwikkeling, klimaatverandering, hernieuwbare energie en de blauwe economie; is van mening dat beleidscoördinatie tussen regio's een doeltreffende manier is om duurzame oplossingen te vinden voor milieuproblemen; spoort ertoe aan de integratie van milieuoverwegingen gemeengoed te maken bij het ontwerp en de uitvoering van de diverse sectoroverschrijdende beleidslijnen voor de huidige en toekomstige macroregio's;

4.  zou graag zien dat er meer beschermingszones komen om het milieu te beschermen en het verlies aan biodiversiteit een halt toe te roepen, met name via de opwaardering van het Natura 2000- en het Emerald-netwerk en het LIFE-programma;

5.  is van mening dat de macroregionale strategieën en de daaraan verbonden milieuprogramma's adequate instrumenten zijn om de voordelen van Europese samenwerking voor de burgers zichtbaar te maken, en dringt er daarom bij alle betrokken partijen op aan zich volledig voor de strategieën in te zetten en hun rol te spelen bij de uitvoering ervan;

6.  vraagt de lidstaten en de aan een kust gelegen kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten om de strategieën voor maritieme ruimtelijke ordening en geïntegreerd kustbeheer spoedig goed te keuren;

7.  wijst erop dat natuur in plattelandsgebieden de economische basis is voor vele inwoners en dat milieuprogramma's alleen succesvol kunnen zijn indien zij door de lokale inwoners worden gesteund; benadrukt dan ook dat bij dergelijke projecten ten volle rekening moet worden gehouden met de economische belangen van de plaatselijke bevolking op lange termijn, opdat er resultaten worden bereikt met betrekking tot milieubeschermingsdoelstellingen;

8.  dringt er bij alle betrokkenen op aan een beleid inzake klimaatverandering te voeren dat productie- en consumptiepatronen omvat die stroken met de beginselen van de kringloopeconomie, milieu- en gezondheidsbescherming en kortere voedselvoorzieningsketens, de nadruk te leggen op rationeel gebruik en hergebruik van plaatselijke materialen en natuurlijke rijkdommen om te zorgen voor niet-toxische materiaalcycli, met inbegrip van afvalwater en landbouwafval, en een nauwe band tussen producenten en consumenten op plaatselijk niveau te bevorderen; is er voorstander van dat er bij alle macroregionale strategieën een beleid van groene overheidsopdrachten wordt gehanteerd om eco-innovatie en de ontwikkeling van nieuwe bedrijfsmodellen te stimuleren;

9.  vraagt dat het mariene Natura 2000-netwerk wordt versterkt en dat er tegen 2020 in het kader van de kaderrichtlijn mariene strategie een samenhangend en representatief netwerk van beschermde mariene gebieden komt;

10.  wijst op het belang van overleg met de belanghebbenden en communicatie met het publiek om de macroregionale strategieën bekendheid te geven en ze ingang te doen vinden bij de plaatselijke gemeenschappen; acht dit een cruciaal element voor het succes van de macroregionale strategieën;

11.  wenst dat met het oog op het bereiken van macroregionale doelstellingen de bestaande financiële middelen op alle niveaus worden gesynchroniseerd en beter gecoördineerd worden besteed, en vraagt om het potentieel van macroregionale strategieën te benutten; beveelt aan om de ervaring die met de macroregionale strategieën is opgedaan, te gebruiken om de desbetreffende financiële instrumenten van de Unie doeltreffender te maken; merkt op dat Uniefinanciering doorgaans gekoppeld is aan welbepaalde projecten, terwijl milieu-uitdagingen een aanpak op lange termijn vergen; benadrukt dat de Commissie, de lidstaten en de bevoegde autoriteiten bij de financiering van projecten en de uitwerking van toekomstige financieringsprogramma's rekening moeten houden met dit langetermijnperspectief en dat zij de middelen die beschikbaar zijn voor de financiering van de specifieke milieudoelstellingen van de macroregio's doeltreffender moeten coördineren en ze op de politieke prioriteiten moeten afstemmen;

12.  benadrukt dat er monitoring- en evaluatie-instrumenten voor diverse indicatoren moeten worden ontwikkeld om de verwezenlijking van de milieudoelstellingen beter te kunnen meten zonder onnodige administratieve lasten te creëren voor projectpartners en belanghebbenden;

13.  vraagt de relevante actoren in de macroregio's gebruik te maken van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) en andere EU-financiering met het oog op de bevordering van milieugerelateerde investeringen die onder meer tot doel hebben de klimaatverandering tegen te gaan;

14.  vraagt de relevante actoren in de macroregio's om naast de voor de macroregionale strategieën relevante fondsen en de instrumenten voor de financiering van bijzondere milieudoelstellingen ook het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) in aanmerking te nemen;

15.  wijst erop dat de wateren van de Adriatische en Ionische regio worden bedreigd door verschillende bronnen van verontreiniging, waaronder onbehandeld afval, zwerfvuil op zee, onbehandeld afvalwater en eutrofiëring door agrarische waterafvloeiing en viskwekerijen; verzoekt de deelnemende landen hun inspanningen te intensiveren om deze uitdagingen op milieugebied aan te pakken; benadrukt hierbij dat passende systemen voor het afvalbeheer, de behandeling van afvalwater en preventie op het vlak van water moeten worden ingevoerd;

16.  wijst erop dat de Adriatische Zee, vanwege het feit dat zij half-ingesloten is, bijzonder kwetsbaar is voor verontreiniging en dat zij uitzonderlijke hydrografische kenmerken vertoont doordat de diepten en de lengte van de kustlijn in het noorden en het zuiden van de regio aanzienlijk verschillen; is ingenomen met het feit dat alle vier de pijlers van de Adriatische en de Ionische regio zijn ontworpen om bij te dragen tot de duurzaamheidsdoelstellingen;

17.  is van mening dat de aanvulling van de wegen- en vervoersinfrastructuur en de bevordering van het enorme onderbenutte potentieel van de bronnen van hernieuwbare energie essentiële voorwaarden zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen in verband met de duurzame en milieuvriendelijke ontwikkeling van de macroregio;

18.  wijst erop dat de ecologische duurzaamheid van de Adriatische en Ionische macroregio moet worden gewaarborgd door middel van concrete milieubeschermingsmaatregelen, waaronder projecten om verzakkingen te onderzoeken en te voorkomen;

19.  herinnert aan zijn vorige standpunt, als verwoord in zijn resolutie van 3 juli 2012 over de ontwikkeling van de macroregionale strategieën van de EU: huidige praktijk en vooruitzichten, vooral in het Middellandse Zeegebied; wijst erop dat het Middellandse Zeegebied een samenhangend geheel is, dat een enkel cultuur- en milieubekken vormt en een groot aantal gemeenschappelijke eigenschappen en prioriteiten deelt als gevolg van het "mediterrane klimaat": dezelfde landbouwproducten, een groot potentieel inzake hernieuwbare energie en met name zonne-energie, het belang van toerisme, dezelfde risico's met betrekking tot natuurrampen (branden, overstromingen, aardbevingen, waterschaarste) en dezelfde risico's als gevolg van menselijk gedrag, in het bijzonder de verontreiniging van de zee; bevestigt nogmaals zijn steun voor de invoering van een macroregionale strategie voor het Middellandse Zeebekken met als doel een actieplan te bieden voor het aangaan van de gemeenschappelijke uitdagingen en problemen waarmee de mediterrane landen en regio's worden geconfronteerd, en dit voor de toekomst van Europa essentiële gebied een structuur te geven, en verzoekt de Raad en de Commissie om in dit verband snel op te treden;

20.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat derde landen die bij projecten in de macroregio betrokken zijn, aan het desbetreffende acquis van de Unie voldoen om een duurzame exploitatie van de rijkdommen van de Unie te garanderen, en met name aan de kaderrichtlijn mariene strategie, de kaderrichtlijn water, de richtlijn inzake de behandeling van stedelijk afvalwater, de nitraatrichtlijn, de afvalrichtlijn, de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn alsook de strategie voor groene infrastructuur; beveelt aan overeenkomsten en verdragen te gebruiken om landen buiten de EU bij milieuprojecten van de EU te betrekken;

21.  beschouwt de pijler inzake duurzaam toerisme van de Adriatische en Ionische regio als een positief instrument om duurzame economische groei in de regio te scheppen en om het bewustzijn over milieuproblemen en de macroregionale strategieën te verhogen;

22.  wijst erop dat de rijke biodiversiteit van de mariene en kustgebieden van de Adriatisch-Ionische regio een enorme aantrekkingskracht heeft voor toerisme, recreatie- en visserijactiviteiten, en bijdraagt tot het cultureel erfgoed van de macroregio; vindt het derhalve betreurenswaardig dat er geen habitatkaarten zijn; vraagt de deelnemende landen in het kader van de EU-strategie voor de Adriatische en Ionische regio (Eusair) dergelijke kaarten op te stellen;

23.  wijst erop dat een op ecosystemen gebaseerde benadering van de coördinatie van activiteiten noodzakelijk is in het kader van het geïntegreerd kustbeheer (GKB) en de mariene ruimtelijke ordening (MRO) met het oog op een duurzaam gebruik van de hulpbronnen, aangezien beide kaders belangrijke aanjagers zijn voor grensoverschrijdende samenwerking en samenwerking met belanghebbenden tussen verschillende kust- en maritieme sectorale activiteiten en het potentieel hebben om op een duurzame manier kansen van de ecosysteemdiensten en blauwe groei samen te brengen;

24.  vraagt dat een gecoördineerd monitoringsysteem en een databank inzake zwerfvuil op zee en verontreiniging van de zee worden ingevoerd, inclusief de identificatie van de bronnen en soorten van zwerfvuil en verontreiniging, alsook een databank met een geografisch informatiesysteem (GIS) over de locatie en de bronnen van zwerfvuil op zee;

25.  dringt aan op de ontwikkeling en uitvoering van een gezamenlijk rampenplan voor olielekkage en grootschalige vervuiling, voortbouwend op de werkzaamheden van het door de Gemengde Commissie voor de bescherming van de Adriatische Zee en haar kustgebieden ontwikkelde subregionale rampenplan en de protocollen bij het Verdrag van Barcelona;

26.  verzoekt de betrokken landen prioriteit te verlenen aan capaciteitsopbouw ten behoeve van de belangrijkste uitvoerders van Eusair, alsook van programma-autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de voor Eusair relevante operationele programma's;

27.  benadrukt dat het voorkomen van schade door zware overstromingen een van de grote milieu-uitdagingen voor de landen van de macroregio van het Donaugebied blijft; benadrukt dat aanvullende gezamenlijke maatregelen ter voorkoming van grensoverschrijdende vervuiling moeten worden overwogen;

28.  neemt met voldoening kennis van de uitvoering van projecten zoals DANUBEPARKS 2.0, STURGEON 2020, SEERISK, CC-WARE en de Danube Air Nexus-cluster voor het bereiken van de milieudoelstellingen in de EU-strategie voor het Donaugebied;

29.  is ingenomen met het project "EuroAccess" voor het Donaugebied, als instrument om de beschikbare financiering toegankelijker te maken, en moedigt andere macroregionale regio's aan dit als een goede praktijk te beschouwen;

30.  verzoekt de Commissie een begin te maken met de ontwikkeling van een macroregio op het Iberisch Schiereiland om in te spelen op de uitdagingen van een behoorlijk gepland bosbouwbeleid dat met de klimaatvereisten strookt, de leegloop van het platteland, verwoestijning en bodemverarming kan tegengaan, gericht is op bosdiversificatie middels een juiste omgang met ecologische successie en de aanplant van brandbestendiger inheemse soorten loofbomen, en het mogelijk maakt iets te doen aan de massale teloorgang van bossen als gevolg van de branden die zich jaarlijks in Portugal en Spanje voordoen;

31.  is verheugd over de oprichting van het grensoverschrijdende Interreg-programma voor de Donau omdat dit het beheer van het stroomgebied kan ondersteunen, en wijst op de rechtstreekse bijdrage ervan aan de tenuitvoerlegging van de strategie als een van de meest zichtbare resultaten van de EU-strategie voor het Donaugebied;

32.  benadrukt dat een meer geïntegreerde aanpak van mobiliteit en multimodaliteit in het Donaugebied ook aan het milieu ten goede zal komen;

33.  dringt er bij de Commissie op aan snel studies voor een Iberische macroregio te bevorderen, rekening houdend met de grote grensoverschrijdende problemen die gepaard gaan met klimaatverandering en milieubescherming, risicopreventie en ‑beheer, bevordering van hulpbronnenefficiëntie, natuurbehoud, instandhouding van de biodiversiteit, het gemeenschappelijke gebruik van waterreserves en de benutting van het potentieel van de blauwe economie en hernieuwbare energie;

34.  uit zijn tevredenheid over de oprichting van het Donau-strategiepunt als nieuw orgaan ter bevordering van de uitvoering van de EU-strategie voor het Donaugebied, en pleit voor de betrokkenheid van alle belanghebbende partijen en potentieel geïnteresseerde actoren;

35.  merkt met bezorgdheid op dat de EU-strategie voor het Donaugebied, in vergelijking met de eerste jaren van haar werking, nu minder prioriteit lijkt te krijgen in het nationale politieke discours in de betrokken landen; benadrukt dat het politieke momentum moet worden gehandhaafd, aangezien het engagement van de landen rechtstreeks van invloed is op de beschikbaarheid van personele middelen bij de nationale en regionale overheidsdiensten, hetgeen van cruciaal belang is voor de goede werking van de strategie en voor het consolideren van de tot nog toe geboekte vooruitgang en behaalde resultaten;

36.  vraagt de deelnemende landen ervoor te zorgen dat voldoende nationale vertegenwoordigers deelnemen aan de vergaderingen van de EUSDR-stuurgroep op prioritaire gebieden, en te overwegen het aantal en de reikwijdte van de huidige prioritaire gebieden te verkleinen als niet binnen welbepaalde tijdskaders voldoende middelen worden toegewezen;

37.  vestigt de aandacht op de talrijke gezonken schepen in de Donau, die met name bij een lage waterstand een gevaar voor de scheepvaart en het milieu vormen; wijst erop dat de wrakken aanzienlijke hoeveelheden brandstof en andere stoffen bevatten die het water voortdurend verontreinigen, terwijl ook het roestende metaal van de schepen voor continue vervuiling zorgt, met alle gevolgen van dien; pleit ervoor EU-fondsen vrij te maken om dit probleem aan te pakken en verzoekt om hechtere samenwerking in het kader van de EU-strategie voor het Donaugebied;

38.  vraagt de belanghebbenden van de alpiene macroregio gebruik te maken van de ESI-fondsen en andere EU-financiering ter bevordering van milieugerelateerde investeringen die onder meer beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering als doelstelling hebben; is in het bijzonder ingenomen met de geïntegreerde aanpak van de regio om het behoud van het milieu en de ecosystemen af te stemmen op het streven naar economische en sociale welvaart;

39.  benadrukt dat milieubeleid een horizontaal karakter heeft en dat bij de keuzes die voor de Alpenstrategie worden gemaakt, een duurzaam milieu en economische ontwikkeling met elkaar moeten worden verzoend; wijst erop dat het Alpengebied een belangrijk regionaal vervoersknooppunt is en tegelijk een van de grootste natuur- en recreatiegebieden en een van de aantrekkelijkste toeristische regio's in Europa; merkt echter op dat wegens de bijzondere geografische en natuurlijke kenmerken van dit gebied sommige delen ervan moeilijk bereikbaar zijn; meent dat het, om het Alpengebied als uniek natuurgebied te behouden, van fundamenteel belang is duurzame en onderling verbonden vervoersstrategieën te ontwikkelen en rekening te houden met beleidsmaatregelen voor de beperking van klimaatverandering en het behoud van de biodiversiteit, zoals het verbinden van leefgebieden, om de migratie van soorten mogelijk te maken;

40.  is bezorgd over het feit dat klimaatverandering hydrogeologische destabilisatie teweeg kan brengen en de biodiversiteit in het Alpengebied in gevaar kan brengen; benadrukt dat de temperatuurstijgingen een ernstige bedreiging vormen voor het overleven van diersoorten die op grote hoogte leven en dat het smelten van de gletsjers een bijkomende reden tot bezorgdheid is, aangezien dat grote gevolgen heeft voor de grondwaterreserves;

41.  benadrukt dat het toerisme en de landbouw in het Alpengebied een cruciale rol spelen voor de duurzame ontwikkeling van de regio en daarom bij alle fasen van de tenuitvoerlegging van milieuprojecten moeten worden betrokken;

42.  merkt op dat bij de eerste stappen ter uitvoering van de EU-strategie voor het Alpengebied (Eusalp) is gebleken dat die moeilijk in de bestaande programma's te integreren valt, aangezien zij worden beheerst door structuren, kaders en termijnen die vaak niet afgestemd zijn op de behoeften van een macroregionale strategie;

43.  verzoekt de deelnemende landen om meer engagement, continuïteit, stabiliteit, versterking van de positie en ondersteuning ten aanzien van de leden van de Eusalp-actiegroep die hen vertegenwoordigen, en ervoor te zorgen dat alle actiegroepen naar behoren vertegenwoordigd zijn;

44.  is verheugd over de tenuitvoerlegging van milieuvriendelijke projecten in het Oostzeegebied, zoals BLASTIC ter vermindering van zwerfvuil op zee, het platform voor een klimaatdialoog ter versterking van een geïntegreerde reactie op klimaatuitdagingen, en PRESTO om de waterkwaliteit te verbeteren; is echter van mening dat verdere inspanningen nodig zijn om de uitdagingen op milieugebied in de macroregio Oostzee aan te pakken, en met name met betrekking tot eutrofiëring, betere bescherming van de zee zelf, luchtkwaliteit en vervuiling;

45.  wijst erop dat het verbeteren van de milieutoestand van de Oostzee het voornaamste aandachtspunt van de EU-strategie voor het Oostzeegebied (EUSBSR) blijft sinds de lancering ervan in 2009;

46.  herinnert eraan dat de Oostzee een van de meest verontreinigde zeeën ter wereld is; benadrukt het belang van samenwerking om de toestand van de Oostzee te verbeteren; vraagt om voortzetting van de nabuurschapsprogramma's in het hele stroomgebied van de Oostzee en de opname in die programma's van financiering om de toestand van het milieu in het hele stroomgebied te verbeteren;

47.  merkt op dat het bereiken van een goede milieutoestand tegen 2020 een van de belangrijkste doelstellingen van de beleidsmaatregelen in het Oostzeegebied is;

48.  acht het vanuit het oogpunt van de mariene macroregio's betreurenswaardig dat vaartuigen onbehandeld afvalwater in zee mogen lozen indien zij zich op meer dan 12 zeemijl (ongeveer 22 kilometer) van de kust bevinden, en dat behandeld afvalwater zelfs in het water geloosd mag worden op drie zeemijl (ongeveer 5,5 kilometer) van de kust; roept op tot het bieden van financiering ter vergroting van de opvangcapaciteit voor afvalwater in havens, zodat alle passagiersvaartuigen hun afvalwater kunnen verwerken overeenkomstig de herziene bijlage IV bij het Marpol-verdrag;

49.  roept alle belanghebbenden op frequenter en regelmatiger politieke discussies over de EU-strategie voor het Oostzeegebied te organiseren op nationaal niveau binnen het parlement of de regering, en ook binnen de Raad tijdens de desbetreffende ministeriële bijeenkomsten;

50.  is ingenomen, vanuit het oogpunt van de Baltische macroregio, met de zwavelrichtlijn die is vastgesteld door de EU, alsmede met het besluit van de Commissie voor de bescherming van het mariene milieu van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) van 27 oktober 2016 om de Oostzee en de Noordzee aan te wijzen als stikstofoxide-emissiebeheersgebieden; herinnert eraan dat de vervuilende brandstoffen die door vaartuigen worden gebruikt, nog altijd leiden tot de uitstoot in de lucht van grote hoeveelheden stikstof en zwavel, die vervolgens neerslaan in zee;

51.  merkt op dat de EU-strategie voor het Oostzeegebied een stabiel samenwerkingskader is met meer dan 100 vlaggenschipinitiatieven en nieuwe netwerken; roept de belanghebbenden niettemin op het momentum te handhaven en de coördinatie en inhoud van het beleid te verbeteren door voort te bouwen op de resultaten van projecten;

52.  dringt aan op een herziening van het recht van gebruikers van ontzwavelingsinstallaties met een open kringloop om het bij dit proces gebruikte water weer in zee te lozen; wijst erop dat afvalwater van ontzwavelingsinstallaties met een gesloten kringloop voor verwerking moet worden ingeleverd, maar dat afvalwater van ontzwavelingsinstallaties met een open kringloop rechtstreeks in zee wordt geloosd, wat in feite een vorm van groenwassen is, waarbij zwavel uit de lucht wordt gehaald maar uiteindelijk in zee terechtkomt;

53.  herinnert aan het belang van veiligheid op zee, met name op de Oostzee; benadrukt het belang van samenwerking tussen de landen van de Oostzeeregio bij het aanpakken van de uitdagingen die het groeiende volume van het zeevervoer, en in het bijzonder het vervoer van olie en gevaarlijke stoffen, met zich meebrengt;

54.  wijst erop dat blauwe groei in mariene macroregio's gebaseerd is op een duurzaam gebruik van de mogelijkheden die de zeeën bieden, hetgeen betekent dat bij alle activiteiten rekening moet worden gehouden met milieuaspecten; wijst erop dat in het kader van de blauwe bio-economie nieuwe producten en diensten kunnen worden ontwikkeld, waarmee knowhow kan worden opgebouwd en benut ter bevordering van de werkgelegenheid; benadrukt dat een duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen en een in goede toestand verkerend aquatisch en marien milieu een sterke basis vormen voor de blauwe bio-economie;

55.  wijst op de aanzienlijke verschuiving in de richting van de bio-economie en de circulaire economie in het economisch denken, de operationele procedures en methodes, wat kan helpen om de milieuproblemen in de Oostzeeregio aan te pakken; wijst op de mogelijkheden om hernieuwbare energie te benutten en de energie-efficiëntie te verbeteren in de Oostzeeregio;

56.  hecht belang aan de mogelijkheid om de Oostzeeregio met energienetwerken te verbinden om de energiearmoede te verminderen en uit te bannen en de energieveiligheid en de voorzieningszekerheid te vergroten;

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

28.9.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

59

1

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marco Affronte, Margrete Auken, Pilar Ayuso, Zoltán Balczó, Ivo Belet, Simona Bonafè, Biljana Borzan, Paul Brannen, Birgit Collin-Langen, Mireille D’Ornano, Seb Dance, Angélique Delahaye, Bas Eickhout, Arne Gericke, Jens Gieseke, Julie Girling, Françoise Grossetête, Andrzej Grzyb, Jytte Guteland, Anneli Jäätteenmäki, Jean-François Jalkh, Benedek Jávor, Josu Juaristi Abaunz, Karin Kadenbach, Kateřina Konečná, Urszula Krupa, Jo Leinen, Peter Liese, Norbert Lins, Rupert Matthews, Valentinas Mazuronis, Gilles Pargneaux, Piernicola Pedicini, Bolesław G. Piecha, Pavel Poc, Frédérique Ries, Michèle Rivasi, Annie Schreijer-Pierik, Davor Škrlec, Renate Sommer, Claudiu Ciprian Tănăsescu, Ivica Tolić, Nils Torvalds, Adina-Ioana Vălean, Jadwiga Wiśniewska, Damiano Zoffoli

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Guillaume Balas, Jørn Dohrmann, Eleonora Evi, Christofer Fjellner, Elena Gentile, Anja Hazekamp, Merja Kyllönen, Ulrike Müller, Stanislav Polčák, Gabriele Preuß, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Matt Carthy, Olle Ludvigsson, Bernard Monot, Jens Nilsson, Marita Ulvskog

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

59

+

ALDE

Anneli Jäätteenmäki, Valentinas Mazuronis, Ulrike Müller, Frédérique Ries, Nils Torvalds

ECR

Jørn Dohrmann, Arne Gericke, Julie Girling, Urszula Krupa, Rupert Matthews, Bolesław G. Piecha, Jadwiga Wiśniewska

EFDD

Eleonora Evi, Piernicola Pedicini

GUE/NGL

Matt Carthy, Anja Hazekamp, Josu Juaristi Abaunz, Kateřina Konečná, Merja Kyllönen

NI

Zoltán Balczó

PPE

Pilar Ayuso, Ivo Belet, Birgit Collin-Langen, Angélique Delahaye, Christofer Fjellner, Jens Gieseke, Françoise Grossetête, Andrzej Grzyb, Peter Liese, Norbert Lins, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska, Stanislav Polčák, Annie Schreijer-Pierik, Renate Sommer, Ivica Tolić, Adina-Ioana Vălean

S&D

Guillaume Balas, Simona Bonafè, Biljana Borzan, Paul Brannen, Seb Dance, Elena Gentile, Jytte Guteland, Karin Kadenbach, Jo Leinen, Olle Ludvigsson, Jens Nilsson, Gilles Pargneaux, Pavel Poc, Gabriele Preuß, Claudiu Ciprian Tănăsescu, Marita Ulvskog, Damiano Zoffoli

VERTS/ALE

Marco Affronte, Margrete Auken, Bas Eickhout, Benedek Jávor, Michèle Rivasi, Davor Škrlec

1

-

ENF

Mireille D’Ornano

2

0

ENF

Jean-François Jalkh, Bernard Monot

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

23.11.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

34

1

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Pascal Arimont, Franc Bogovič, Mercedes Bresso, Rosa D’Amato, John Flack, Iratxe García Pérez, Michela Giuffrida, Krzysztof Hetman, Ivan Jakovčić, Marc Joulaud, Constanze Krehl, Sławomir Kłosowski, Martina Michels, Iskra Mihaylova, Andrey Novakov, Younous Omarjee, Konstantinos Papadakis, Stanislav Polčák, Monika Smolková, Maria Spyraki, Ruža Tomašić, Monika Vana, Matthijs van Miltenburg, Lambert van Nistelrooij

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Daniel Buda, Viorica Dăncilă, Raffaele Fitto, Elena Gentile, John Howarth, Ivana Maletić, Demetris Papadakis, Dimitrios Papadimoulis, Bronis Ropė, Damiano Zoffoli, Milan Zver

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Olle Ludvigsson


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

34

+

ALDE

Ivan Jakovčić, Iskra Mihaylova, Matthijs van Miltenburg

ECR

Raffaele Fitto, Sławomir Kłosowski, Ruža Tomašić

EFDD

Rosa D'Amato

GUE/NGL

Martina Michels, Younous Omarjee, Dimitrios Papadimoulis

PPE

Pascal Arimont, Franc Bogovič, Daniel Buda, Krzysztof Hetman, Marc Joulaud, Ivana Maletić, Andrey Novakov, Stanislav Polčák, Maria Spyraki, Milan Zver, Lambert van Nistelrooij

S&D

Mercedes Bresso, Viorica Dăncilă, Iratxe García Pérez, Elena Gentile, Michela Giuffrida, John Howarth, Constanze Krehl, Olle Ludvigsson, Demetris Papadakis, Monika Smolková, Damiano Zoffoli,

VERTS/ALE

Bronis Ropė, Monika Vana

1

-

NI

Konstantinos Papadakis

1

0

ECR

John Flack

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Juridische mededeling