Procedure : 2016/0382(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0392/2017

Ingediende teksten :

A8-0392/2017

Debatten :

PV 15/01/2018 - 12
CRE 15/01/2018 - 12
PV 12/11/2018 - 14
CRE 12/11/2018 - 14

Stemmingen :

PV 17/01/2018 - 10.4
CRE 17/01/2018 - 10.4
Stemverklaringen
PV 13/11/2018 - 4.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0009
P8_TA(2018)0444

VERSLAG     ***I
PDF 2879kWORD 603k
6.12.2017
PE 597.755v02-00 A8-0392/2017

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking)

(COM(2016)0767 – C8-0500/2016 – 2016/0382(COD))

Commissie industrie, onderzoek en energie

Rapporteur: José Blanco López

(Herschikking – Artikel 104 van het Reglement)

ERRATA/ADDENDA
ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 BIJLAGE: LIJST VAN ENTITEITEN WAARVAN OF PERSONEN VAN WIE DE RAPPORTEUR INPUT HEEFT ONTVANGEN
 BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE JURIDISCHE ZAKEN
 BIJLAGE: ADVIES VAN DE ADVIESGROEP VAN DE JURIDISCHE DIENSTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD EN DE COMMISSIE
 ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking
 ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
 ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling
 ADVIES van de Commissie verzoekschriften
 PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking)

(COM(2016)0767 – C8-0500/2016 – 2016/0382(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure – herschikking)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0767),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 194, lid 2 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0500/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 26 april 2017(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten(2),

–  gezien de brief van … 2017 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie industrie, onderzoek en energie overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 104 en 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de Commissie verzoekschriften (A8-0392/2017),

A.  overwegende dat het voorstel van de Commissie volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere handelingen met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel louter een codificatie van de bestaande handelingen behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast, rekening houdend met de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Amendement    1

Voorstel voor een richtlijn

Visum 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 194, lid 2,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 194 en artikel 191, lid 1,

Amendement    2

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(2)  De bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen is een van de doelstellingen van het energiebeleid van de Unie. Het veelvuldiger gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen vormt, samen met energiebesparing en grotere energie-efficiëntie, een belangrijk onderdeel van het pakket maatregelen dat nodig is om de broeikasgasemissies te doen dalen en om te voldoen aan de Klimaatovereenkomst van Parijs van 2015 het en aan beleidskader voor klimaat en energie 2030 van de Unie, met inbegrip van de bindende doelstelling om het emissieniveau tegen 2030 met ten minste 40 % te verminderen ten opzichte van het emissieniveau van 1990. Dit speelt ook een belangrijke rol bij het versterken van de energievoorzieningszekerheid, technologische ontwikkeling en innovatie en het scheppen van werkgelegenheid en kansen voor regionale ontwikkeling, met name in plattelandsgebieden en geïsoleerde gebieden of gebieden met een lage bevolkingsdichtheid.

(2)  Krachtens artikel 194, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is de bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen een van de doelstellingen van het energiebeleid van de Unie. Het veelvuldiger gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen vormt, samen met energiebesparing en grotere energie-efficiëntie, de essentie van het pakket maatregelen dat nodig is om de broeikasgasemissies te doen dalen en om te voldoen aan de verbintenis van de Unie uit hoofde van de Klimaatovereenkomst van Parijs van 2015 en aan de noodzaak om in de Unie uiterlijk in 2050 tot CO2-neutraliteit te komen. Dit speelt ook een fundamentele rol bij de bevordering van de energievoorzieningszekerheid, duurzame energie voor een betaalbare prijs, technologische ontwikkeling en innovatie, alsook technologisch en industrieel leiderschap, en biedt tegelijkertijd ook maatschappelijke, milieu- en gezondheidsvoordelen en grote kansen voor werkgelegenheid en regionale ontwikkeling, met name in plattelandsgebieden en geïsoleerde gebieden, in gebieden met een lage bevolkingsdichtheid en in gebieden waar zich een gedeeltelijke de-industrialisatie voltrekt.

Amendement    3

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(2 bis)  Met de Klimaatovereenkomst van Parijs heeft de wereld de lat in verband met de beperking van de klimaatverandering veel hoger gelegd doordat de ondertekenaars zich ertoe hebben verbonden om de mondiale temperatuurstijging te beperken tot beduidend minder dan 2 °C in vergelijking met het pre-industriële tijdperk en te streven naar een maximale stijging van 1,5 °C boven het pre-industriële niveau. De Unie moet zich voorbereiden op veel drastischere en snellere emissiereducties dan aanvankelijk gepland om uiterlijk in 2050 de omschakeling te kunnen maken naar een uiterst energie-efficiënt en op hernieuwbare bronnen gebaseerd energiesysteem. Daar staat tegenover dat deze reducties haalbaar zijn tegen lagere kosten dan eerder was ingeschat, gezien het tempo waaraan hernieuwbare-energietechnologieën zoals wind- en zonne-energie worden ontwikkeld en worden ingezet.

Amendement    4

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(3)  Vooral meer technologische verbeteringen, stimulansen voor het gebruik en de uitbreiding van het openbaar vervoer, het gebruik van technologieën die een efficiënter energiegebruik mogelijk maken en de bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen in de elektriciteits-, verwarmings- en koelingssectoren, alsook in de vervoersector, zijn, samen met energie-efficiëntiebevorderende maatregelen, zeer doeltreffende middelen om de broeikasgasemissie in de Unie terug te dringen en de Unie minder afhankelijk te maken van de invoer van gas en olie.

(3)  Vooral de beperking van het energieverbruik, meer technologische verbeteringen, de uitbreiding van het openbaar vervoer, het gebruik van technologieën die een efficiënter energiegebruik mogelijk maken en de bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen in de elektriciteits-, verwarmings- en koelingssectoren, alsook in de vervoersector, zijn, samen met energie-efficiëntiebevorderende maatregelen, zeer doeltreffende middelen om de broeikasgasemissie in de Unie en de energieafhankelijkheid van de Unie terug te dringen.

Amendement    5

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(4)  In Richtlijn 2009/28/EG is een regelgevingskader vastgesteld ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, met bindende, tegen 2020 te behalen nationale streefcijfers voor het aandeel hernieuwbare energiebronnen in het energieverbruik en het vervoer. In de mededeling van de Commissie van 22 januari 201412 is een kader voor het toekomstige beleid van de Unie inzake energie en klimaat vastgesteld en is de aanzet gegeven tot een gemeenschappelijke visie op de ontwikkeling van dat beleid na 2020. De Commissie heeft hierin voorgesteld om op Unieniveau een streefcijfer van ten minste 27 % voor het aandeel van in de Unie tegen 2030 verbruikte hernieuwbare energie vast te stellen.

(4)  In Richtlijn 2009/28/EG is een regelgevingskader vastgesteld ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, met bindende, tegen 2020 te behalen nationale streefcijfers voor het aandeel hernieuwbare energiebronnen in het energieverbruik en het vervoer.

__________________

 

12 "Een beleidskader voor klimaat en energie in de periode 2020-2030" (COM/2014/015 final).

 

Amendement    6

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(5)  De Europese Raad van oktober 2014 heeft dit streefcijfer bekrachtigd en aangegeven dat lidstaten zelf ambitieuzere nationale streefcijfers kunnen vaststellen.

Schrappen

Amendement    7

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(6)  Het Europees Parlement heeft in zijn resoluties over "een beleidskader voor klimaat en energie in de periode 2020-2030" en "het voortgangsverslag hernieuwbare energie" de voorkeur gegeven aan een bindend streefcijfer op Unieniveau van ten minste 30 % voor het aandeel hernieuwbare energie in het totale eindenergieverbuik tegen 2030, hierbij benadrukkend dat dit doel moet worden nagestreefd door middel van individuele nationale streefcijfers, rekening houdend met de individuele situatie en het potentieel van elke lidstaat.

(6)  Het Europees Parlement heeft in zijn resolutie van 5 februari 2014 over een kader voor klimaat- en energiebeleid voor 2030 gepleit voor een bindend streefcijfer op Unieniveau van ten minste 30 % voor het aandeel hernieuwbare energie in het totale eindenergieverbuik tegen 2030, hierbij benadrukkend dat dit doel moet worden nagestreefd door middel van individuele nationale streefcijfers, rekening houdend met de individuele situatie en het potentieel van elke lidstaat. In zijn resolutie van 23 juni 2016 over het voortgangsverslag hernieuwbare energie ging het Europees Parlement nog een stap verder door te wijzen op zijn eerdere standpunt betreffende een streefcijfer van de Unie van ten minste 30 % en te benadrukken dat het in het licht van de Overeenkomst van Parijs en de recente verlaging van de kosten van hernieuwbare-energietechnologie wenselijk zou zijn veel meer ambitie aan de dag te leggen.

Amendement    8

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(6 bis)  De in de Overeenkomst van Parijs vastgelegde ambitie en de technologische ontwikkeling, waaronder de verlaging van de kosten voor investeringen in hernieuwbare energie, moeten daarom in acht worden genomen.

Amendement    9

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(7)  Bijgevolg is het passend om op Unieniveau een bindend streefcijfer van ten minste 27 % voor het aandeel hernieuwbare energie vast te stellen. De lidstaten moeten bepalen hoe zij in het kader van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen zullen bijdragen tot de verwezenlijking van dit streefdoel door middel van de in Verordening [governance] vastgestelde governanceprocedure.

(7)  Bijgevolg is het passend om op Unieniveau een bindend streefcijfer van ten minste 35 % voor het aandeel hernieuwbare energie vast te stellen en dat vergezeld te doen gaan van nationale streefcijfers.

Amendement    10

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 7 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(7 bis)  Bij de vaststelling van streefcijfers van de lidstaten inzake hernieuwbare energie moet rekening worden gehouden met de verplichtingen in het kader van de Klimaatovereenkomst van Parijs, het grote potentieel dat er nog steeds is voor hernieuwbare energie en de noodzakelijke investeringen om de energietransitie tot stand te brengen.

Amendement    11

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 7 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(7 ter)  Bij de omzetting van het streefcijfer van de Unie van 35 % in afzonderlijke streefcijfers voor elke lidstaat moet de nodige aandacht worden besteed aan een billijke en adequate toewijzing, rekening houdend met het bbp van de lidstaten en de uiteenlopende uitgangssituaties en mogelijkheden van elke lidstaat, met inbegrip van het percentage energie uit hernieuwbare bronnen dat tegen 2020 moet worden behaald.

Amendement    12

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(8)  De vaststelling op Unieniveau van een bindend streefcijfer voor het gebruik van hernieuwbare energie tegen 2030 zou de ontwikkeling van technologieën voor de productie van hernieuwbare energie aanmoedigen en investeerders zekerheid bieden. Een op Unieniveau vastgesteld streefcijfer zou de lidstaten meer ruimte bieden om hun streefcijfers voor de beperking van broeikasgasemissies op de meest kosteneffectieve wijze te halen overeenkomstig hun specifieke situatie, energiemix en mogelijkheden om hernieuwbare energie te produceren.

(8)  De vaststelling op Unieniveau van een bindend streefcijfer voor het gebruik van hernieuwbare energie tegen 2030 zou de ontwikkeling van technologieën voor de productie van hernieuwbare energie aanmoedigen en investeerders zekerheid bieden.

Amendement    13

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 8 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(8 bis)  De lidstaten moeten rekening houden met de mate waarin het gebruik van verschillende soorten energiebronnen verenigbaar is met het streefcijfer om de opwarming van de aarde tot 1,5 °C boven pre-industriële niveaus te beperken, en verenigbaar met het doel om in één beweging een economie zonder fossiele brandstoffen en een koolstofarme economie tot stand te brengen. De Commissie moet in dit verband de bevoegdheid krijgen handelingen vast te stellen om te beoordelen op welke manier verschillende soorten hernieuwbare energiebronnen bijdragen aan deze doelstellingen, op basis van de terugverdientijd en de resultaten in vergelijking met fossiele brandstoffen, en om te overwegen een maximaal toegelaten terugverdientijd als duurzaamheidscriterium voor te stellen, in het bijzonder voor lignocellulosische biomassa.

Motivering

Het amendement houdt verband met de duurzaamheidscriteria van artikel 26, hetgeen een cruciaal element vormt van de herschikking van de richtlijn hernieuwbare energie.

Amendement    14

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 10

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(10)  De lidstaten moeten aanvullende maatregelen nemen indien het aandeel hernieuwbare energie op Unieniveau niet op koers ligt voor het behalen van het streefcijfer van ten minste 27 % hernieuwbare energie. Als bepaald in Verordening [governance] kan de Commissie, indien bij de beoordeling van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen een ambitiekloof wordt vastgesteld, op Unieniveau maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat het streefcijfer wordt behaald. Indien de Commissie bij de beoordeling van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen een gebrek aan concrete resultaten vaststelt, moeten de lidstaten de in Verordening [governance] opgenomen maatregelen toepassen, die hen voldoende ruimte bieden om keuzes te maken.

Schrappen

Amendement    15

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 15

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(15)  Van steunregelingen voor uit hernieuwbare bronnen opgewekte elektriciteit is gebleken dat zij op een doeltreffende manier het gebruik van hernieuwbare energie aanmoedigen. Wanneer lidstaten beslissen steunregelingen ten uitvoer te leggen, moet dergelijke steun zodanig worden verleend dat deze de werking van de elektriciteitsmarkten zo min mogelijk verstoort. Daartoe kennen steeds meer lidstaten de steun zodanig toe dat deze een aanvulling vormt op de marktinkomsten.

(15)  Van steunregelingen voor uit hernieuwbare bronnen opgewekte elektriciteit is gebleken dat zij op een doeltreffende manier het gebruik van hernieuwbare energie aanmoedigen. Wanneer lidstaten beslissen steunregelingen ten uitvoer te leggen, moet dergelijke steun zodanig worden verleend dat deze de werking van de elektriciteitsmarkten zo min mogelijk verstoort. Daartoe kennen steeds meer lidstaten de steun zodanig toe dat deze een aanvulling vormt op de marktinkomsten, rekening houdend met de specifieke kenmerken van verschillende technologieën en het uiteenlopende vermogen van kleine en grote producenten om te reageren op marktsignalen.

Amendement    16

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 16

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(16)  De opwekking van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen moet worden ingezet op een manier die de afnemers en belastingbetalers zo weinig mogelijk kost. Bij het ontwerpen van steunregelingen en het toekennen van steun moeten de lidstaten ernaar streven de totale systeemkosten voor de inzet ervan te minimaliseren en daarbij ten volle rekening houden met de behoeften met betrekking tot de ontwikkeling van het net en het systeem, de hieruit voortvloeiende energiemix en het langetermijnpotentieel van technologieën.

(16)  De opwekking van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, met inbegrip van energieopslag, moet zo worden ingezet dat de langetermijnkosten van de energietransitie voor afnemers en belastingbetalers zo laag mogelijk blijven. Bij het ontwerpen van steunregelingen en het toekennen van steun moeten de lidstaten ernaar streven de totale systeemkosten voor de inzet ervan te minimaliseren en daarbij ten volle rekening houden met de behoeften met betrekking tot de ontwikkeling van het net en het systeem, de hieruit voortvloeiende energiemix en het langetermijnpotentieel van technologieën. De lidstaten moeten ook steun verlenen aan installaties via openbare aanbestedingen, die technologiespecifiek of technologieneutraal kunnen zijn.

Amendement    17

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 16 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(16 bis)  In zijn conclusies van oktober 2014 over het kader voor het klimaat- en energiebeleid 2030 benadrukte de Europese Raad het belang van een meer onderling verbonden interne energiemarkt en de noodzaak om de integratie van de steeds toenemende elektriciteitstoevoer uit variabele hernieuwbare energiebronnen voldoende te ondersteunen, opdat de Unie haar leidersambities op het gebied van de energietransitie kan waarmaken. Daarom is het van belang dat er met spoed meer onderlinge verbindingen tot stand worden gebracht en dat er vorderingen worden gemaakt bij de verwezenlijking van de door de Europese Raad afgesproken doelstellingen, teneinde het volledige potentieel van de energie-unie maximaal te benutten.

Amendement    18

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 16 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(16 ter)  Bij het ontwerpen van steunregelingen voor energie uit hernieuwbare bronnen moeten de lidstaten de beginselen van de circulaire economie en de afvalhiërarchie van de EU in acht nemen. Afvalpreventie en -recycling verdienen daarbij de voorkeur. De lidstaten moeten vermijden steunregelingen te ontwerpen die strijdig zouden zijn met streefdoelen inzake afvalverwerking en die zouden leiden tot inefficiënt gebruik van recycleerbaar afval. De lidstaten moeten er ook voor zorgen dat de in het kader van deze regelingen ingevoerde maatregelen niet indruisen tegen de doelstellingen van Richtlijn 2008/98/EU.

Amendement    19

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 16 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(16 quater)  In verband met het gebruik van biotische energiebronnen moeten de lidstaten voorzien in waarborgen ter bescherming van de biodiversiteit en ter voorkoming van de uitputting of het verlies van ecosystemen, alsook ter voorkoming van eventuele afwijkingen van bestaand gebruik die negatieve indirecte of directe gevolgen zouden hebben voor de biodiversiteit, de bodem of de algehele broeikasgasbalans.

Amendement    20

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 16 quinquies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(16 quinquies)  De lidstaten moeten het gebruik van energie uit binnenlandse hernieuwbare bronnen bevorderen en daar zoveel mogelijk de voorkeur aan geven, en moeten voorkomen dat er verstorende situaties ontstaan die leiden tot omvangrijke invoer van bronnen uit derde landen. In dit verband moet de levensloopbenadering worden gehanteerd en bevorderd.

Amendement    21

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 16 sexies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(16 sexies)  Hernieuwbare-energiegemeenschappen, steden en lokale overheden moeten het recht hebben om op gelijke voet met andere grote partijen te kunnen deelnemen aan beschikbare steunregelingen. Met het oog hierop moeten de lidstaten de mogelijkheid krijgen om maatregelen te nemen, waaronder het verstrekken van informatie en van technische en financiële ondersteuning via de enkele administratieve contactpunten als bedoeld in artikel 16 van deze richtlijn, om administratieve voorwaarden te beperken, op gemeenschappen gerichte inschrijvingscriteria op te nemen, op maat gesneden inschrijvingsintervallen voor hernieuwbare-energiegemeenschappen in te stellen, of toe te staan dat hernieuwbare-energiegemeenschappen worden vergoed met directe steun.

Amendement    22

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 16 septies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(16 septies)  Bij het opstellen van plannen voor de infrastructuur die nodig is voor de opwekking van energie uit hernieuwbare bronnen moet naar behoren rekening worden gehouden met beleidsmaatregelen die verband houden met de deelname van al wie wordt getroffen door de projecten, met inbegrip van eventuele inheemse bevolking, en moeten hun landrechten worden geëerbiedigd.

Amendement    23

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 16 octies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(16 octies)  Consumenten moeten uitgebreid worden geïnformeerd, onder meer over de winst op het vlak van energie-efficiëntie van bepaalde verwarmings- en koelingssystemen en over de lagere gebruikskosten van elektrische wagens, zodat zij als consument in staat zijn individuele keuzes te maken met betrekking tot hernieuwbare energie en kunnen vermijden in een technologische lock-in te belanden.

Amendement    24

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 16 nonies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(16 nonies)  Wanneer de ontwikkeling van de markt voor energie uit hernieuwbare bronnen wordt gestimuleerd, is het noodzakelijk rekening te houden met de negatieve gevolgen voor andere marktdeelnemers. Daarom moeten steunregelingen het risico van markt- en concurrentieverstoring tot een minimum beperken.

Motivering

Biomassa, en meer bepaald bosbiomassa, is een waardevolle grondstof voor de houtindustrie, die van economisch belang is voor de Europese plattelandsgebieden. Daarom mag de grotere vraag naar bosbiomassa niet tot marktverstoringen leiden in de betrokken sector.

Amendement    25

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 17 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(17 bis)  Hoewel de lidstaten moeten worden verplicht steunregelingen geleidelijk en gedeeltelijk open te stellen voor projecten in andere lidstaten tot op een niveau dat overeenstemt met de fysieke stromen tussen lidstaten, moet de openstelling van steunregelingen voorbij dit verplichte aandeel vrijwillig blijven. De lidstaten hebben een verschillend potentieel wat energie uit hernieuwbare bronnen betreft en hanteren op nationaal niveau verschillende steunregelingen voor energie uit hernieuwbare bronnen. De meerderheid van de lidstaten hanteert steunregelingen waarbij alleen de op hun grondgebied geproduceerde energie uit hernieuwbare bronnen voor steun in aanmerking komt. Voor de goede werking van nationale steunregelingen is het van wezenlijk belang dat de lidstaten greep hebben op het effect en de kosten van hun nationale steunregelingen overeenkomstig hun respectieve potentieel. Een belangrijke manier om het doel van deze richtlijn te bereiken, is te zorgen voor de goede werking van nationale steunregelingen, zoals in het kader van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2009/28/EG, teneinde het vertrouwen van de investeerders te bewaren en de lidstaten in staat te stellen doeltreffende nationale maatregelen voor het naleven van de streefcijfers uit te werken. Deze richtlijn heeft tot doel grensoverschrijdende ondersteuning van energie uit hernieuwbare bronnen te vergemakkelijken zonder op onevenredige wijze aan nationale steunregelingen te raken. Naast de verplichte gedeeltelijke openstelling van steunregelingen worden met deze richtlijn facultatieve samenwerkingsmechanismen tussen de lidstaten ingevoerd waardoor zij afspraken kunnen maken over de mate waarin de ene lidstaat de energieproductie in een andere lidstaat steunt en over de mate waarin de energieproductie uit hernieuwbare bronnen moet worden meegeteld voor het bereiken van de nationale algemene streefcijfers van de ene of de andere. Om te waarborgen dat beide maatregelen voor het naleven van de streefcijfers – nationale steunregelingen en samenwerkingsmechanismen – doeltreffend zijn, is het van wezenlijk belang dat de lidstaten, voor wat buiten het verplichte minimumaandeel voor openstelling valt, kunnen vaststellen of en in welke mate hun nationale steunregelingen van toepassing zijn op energie uit hernieuwbare bronnen die in andere lidstaten is geproduceerd, en dat zij hierover afspraken kunnen maken door gebruik te maken van de samenwerkingsmechanismen waarin wordt voorzien in deze richtlijn.

Amendement    26

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 18

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(18)  Onverlet wijzigingen van steunregelingen teneinde ze in overeenstemming te brengen met de staatssteunregels, moeten beleidsmaatregelen ter ondersteuning van hernieuwbare energie stabiel zijn en moet worden vermeden dat deze voortdurend worden gewijzigd. Dergelijke wijzigingen hebben een directe impact op de kapitaalkosten, de projectontwikkelingskosten en bijgevolg op de totale kost voor de inzet van hernieuwbare energiebronnen in de Unie. De lidstaten moeten voorkomen dat de herziening van steun die is toegekend aan projecten op het gebied van hernieuwbare energie, een negatieve impact heeft op de economische levensvatbaarheid van die projecten. In dit verband moeten de lidstaten kostenefficiënte steunmaatregelen bevorderen en de financiële duurzaamheid ervan garanderen.

(18)  Uit hoofde van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie moeten beleidsmaatregelen ter ondersteuning van hernieuwbare energie voorspelbaar en stabiel zijn en moet worden vermeden dat deze voortdurend of met terugwerkende kracht worden gewijzigd. Onvoorspelbaar en onstabiel beleid heeft een directe impact op de kapitaalkosten, de projectontwikkelingskosten en bijgevolg op de totale kost voor de inzet van hernieuwbare energiebronnen in de Unie. De lidstaten moeten wijzigingen aan steunregelingen goed op tijd aankondigen en de belanghebbenden op passende wijze raadplegen. De lidstaten moeten hoe dan ook voorkomen dat de herziening van steun die is toegekend aan projecten op het gebied van hernieuwbare energie, een negatieve impact heeft op de economische levensvatbaarheid van die projecten. In dit verband moeten de lidstaten kostenefficiënte steunmaatregelen bevorderen en de financiële duurzaamheid ervan garanderen.

Amendement    27

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 19

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(19)  De verplichtingen van de lidstaten om actieplannen en voortgangsverslagen met betrekking tot energie uit hernieuwbare bronnen op te stellen en de verplichting van de Commissie om verslag uit te brengen over de voortgang van de lidstaten, zijn van cruciaal belang om de transparantie te vergroten, investeerders en consumenten klaarheid te verschaffen en doeltreffende monitoring mogelijk te maken. In Verordening [governance] worden deze verplichtingen geïntegreerd in het governancesysteem van de energie-unie, waarin de verplichtingen inzake planning, rapportage en toezicht op het vlak van energie en klimaat worden gestroomlijnd. Het transparantieplatform voor hernieuwbare energie is ook geïntegreerd in het ruimere, bij Verordening [governance] vastgestelde e-platform.

(19)  De verplichtingen van de lidstaten om actieplannen en voortgangsverslagen met betrekking tot energie uit hernieuwbare bronnen op te stellen en de verplichting van de Commissie om verslag uit te brengen over de voortgang van de lidstaten, zijn van cruciaal belang om de transparantie te vergroten, investeerders en consumenten klaarheid te verschaffen en doeltreffende monitoring mogelijk te maken. Om ervoor te zorgen dat de burgers centraal staan in de energietransitie moeten de lidstaten in hun actieplannen met betrekking tot energie uit hernieuwbare bronnen langetermijnstrategieën ontwikkelen die de opwekking van hernieuwbare energie door steden, hernieuwbare-energiegemeenschappen en consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie bevorderen. In Verordening [governance] worden deze verplichtingen geïntegreerd in het governancesysteem van de energie-unie, waarin de verplichtingen inzake langetermijnstrategieën, planning, rapportage en toezicht op het vlak van energie en klimaat worden gestroomlijnd. Het transparantieplatform voor hernieuwbare energie is ook geïntegreerd in het ruimere, bij Verordening [governance] vastgestelde e-platform.

Amendement    28

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 20 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(20 bis)  Hernieuwbare mariene energie biedt de Europese Unie een unieke kans om haar afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verminderen, haar streefcijfers inzake de beperking van CO2-emissies te behalen en een nieuwe bedrijfstak uit te bouwen die zorgt voor werkgelegenheid in grote delen van haar grondgebied, waaronder de ultraperifere gebieden. De Europese Unie moet bijgevolg streven naar de totstandbrenging van regelgeving en economische voorwaarden die gunstig zijn voor het inzetten van hernieuwbare mariene energie.

Amendement    29

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 24 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(24 bis)  In haar mededeling van 20 juli 2016 getiteld "Een Europese strategie voor emissiearme mobiliteit" wijst de Commissie op het bijzondere belang op de middellange termijn van geavanceerde biobrandstoffen voor de luchtvaart. De commerciële luchtvaart is volledig afhankelijk van vloeibare brandstoffen, aangezien er geen veilig noch gecertificeerd alternatief voorhanden is voor de sector van de burgerluchtvaart.

Amendement    30

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 25

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(25)  Teneinde ervoor te zorgen dat in bijlage IX rekening wordt gehouden met de in Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad17 vastgestelde beginselen van afvalhiërarchie, de duurzaamheidscriteria van de Unie, en de noodzaak om geen extra landgebruik te veroorzaken door de bevordering van het gebruik van afvalstoffen en residuen, moet de Commissie bij haar regelmatige beoordelingen van de bijlage overwegen deze uit te breiden met aanvullende grondstoffen die geen significant verstorend effect hebben op markten voor (bij)producten, afvalstoffen of residuen.

(25)  Teneinde ervoor te zorgen dat in bijlage IX rekening wordt gehouden met de beginselen van de circulaire economie, de in Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad17 vastgestelde afvalhiërarchie, de duurzaamheidscriteria van de Unie, een levenscyclusbeoordeling van emissies en de noodzaak om geen extra landgebruik te veroorzaken door de bevordering van het gebruik van afvalstoffen en residuen, moet de Commissie de bijlage regelmatig beoordelen en in eventuele wijzigingen die zij voorstelt rekening houden met de effecten op markten voor (bij)producten, afvalstoffen of residuen.

__________________

__________________

17 Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).

17 Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).

Amendement    31

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 25 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(25 bis)  In zijn resolutie van 4 april 2017 over palmolie en de ontbossing van regenwouden heeft het Europees Parlement de Commissie verzocht maatregelen te treffen om het gebruik als bestanddeel van biobrandstoffen van plantaardige oliën die ontbossing in de hand werken, waaronder palmolie, geleidelijk af te bouwen, bij voorkeur tegen 2020.

Amendement    32

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 28

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(28)  Het moet mogelijk zijn dat ingevoerde elektriciteit die geproduceerd is uit hernieuwbare energiebronnen buiten de Unie, meetelt voor het verwezenlijken van de aandelen van hernieuwbare energie van de lidstaten. Teneinde ervoor te zorgen dat de vervanging van conventionele energie door energie uit hernieuwbare bronnen zowel in de Unie als in de derde landen een passend effect sorteert, dient te worden gegarandeerd dat ingevoerde energie op betrouwbare wijze kan worden getraceerd en verantwoord. Overeenkomsten met derde landen betreffende de organisatie van deze handel in elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen zullen worden overwogen. Indien bij een op grond van het Energiegemeenschapsverdrag18 genomen besluit daartoe, de toepasselijke bepalingen van deze richtlijn bindend zijn voor de betrokken verdragspartijen, moeten de in deze richtlijn bepaalde maatregelen voor samenwerking tussen de lidstaten op die partijen van toepassing zijn.

(28)  Het moet mogelijk zijn dat ingevoerde elektriciteit die geproduceerd is uit hernieuwbare energiebronnen buiten de Unie, meetelt voor het verwezenlijken van de aandelen van hernieuwbare energie van de lidstaten. Teneinde ervoor te zorgen dat de vervanging van conventionele energie door energie uit hernieuwbare bronnen zowel in de Unie als in de derde landen een passend effect sorteert, dient te worden gegarandeerd dat ingevoerde energie op betrouwbare wijze kan worden getraceerd en verantwoord en dat die invoer plaatsvindt met volledige inachtneming van het internationaal recht. Overeenkomsten met derde landen betreffende de organisatie van deze handel in elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen zullen worden overwogen. Indien bij een op grond van het Energiegemeenschapsverdrag18 genomen besluit daartoe, de toepasselijke bepalingen van deze richtlijn bindend zijn voor de betrokken verdragspartijen, moeten de in deze richtlijn bepaalde maatregelen voor samenwerking tussen de lidstaten op die partijen van toepassing zijn.

__________________

__________________

18 PB L 198 van 20.7.2006, blz. 18.

18 PB L 198 van 20.7.2006, blz. 18.

Amendement    33

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 28 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(28 bis)  Indien lidstaten samen met een of meer derde landen gezamenlijke projecten op het gebied van de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen opzetten, is het passend dat deze gezamenlijke projecten alleen betrekking hebben op nieuwe installaties of installaties waarvan de capaciteit recentelijk is verhoogd. Dit zal er mee voor zorgen dat het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het totale energieverbruik van het derde land niet wordt gereduceerd ten gevolge van de invoer van energie uit hernieuwbare bronnen in de Unie. Bovendien moeten de betrokken lidstaten bevorderen dat een deel van de elektriciteit die is geproduceerd door de onder het gezamenlijk project vallende installaties kan dienen voor binnenlands verbruik door het betrokken derde land. Daarnaast moet het betrokken derde land door de Commissie en de lidstaten worden aangespoord om een beleid inzake hernieuwbare energie op te zetten dat ambitieuze streefcijfers omvat.

Amendement    34

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 28 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(28 ter)  Deze richtlijn voorziet niet alleen in een Uniekader voor de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen, maar draagt ook bij aan de potentiële positieve effecten die de Unie en de lidstaten ten deel kunnen vallen wanneer ze de ontwikkeling van de sector hernieuwbare energie in derde landen zouden stimuleren. De Unie en de lidstaten moeten ijveren voor onderzoek, ontwikkeling en investeringen in de productie van hernieuwbare energie in ontwikkelings- en andere partnerlanden, die daardoor hun economische en milieuduurzaamheid en hun uitvoercapaciteit voor hernieuwbare energie kunnen verbeteren. Daarnaast kan de invoer van hernieuwbare energie uit partnerlanden de Unie en de lidstaten helpen hun ambitieuze doelen in verband met de vermindering van koolstofemissies te verwezenlijken.

Amendement    35

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 28 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(28 quater)  Ontwikkelingslanden kiezen op nationaal niveau steeds vaker voor een beleid van hernieuwbare energie, daar zij energie uit hernieuwbare bronnen willen produceren om aan de toenemende vraag te kunnen voldoen. Meer dan 173 landen, waaronder 117 ontwikkelingslanden of opkomende economieën, hadden eind 2015 streefcijfers voor hernieuwbare energie vastgesteld.

Amendement    36

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 28 quinquies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(28 quinquies)  Het energiegebruik in ontwikkelingslanden is nauw verbonden met een reeks maatschappelijke kwesties: armoedebestrijding, onderwijs, gezondheid, bevolkingsgroei, werkgelegenheid, ondernemerschap, communicatie, verstedelijking en een gebrek aan kansen voor vrouwen. Hernieuwbare energie draagt een groot potentieel in zich om tegelijk ontwikkeling mogelijk te maken en uitdagingen op milieugebied aan te pakken. De afgelopen jaren hebben er belangrijke ontwikkelingen plaatsgevonden op het gebied van technologieën voor alternatieve energie, zowel wat prestaties als wat vermindering van de kosten betreft. Bovendien bevinden veel ontwikkelingslanden zich in een bijzonder gunstige positie als het gaat om de ontwikkeling van een nieuwe generatie energietechnologieën. Behalve aan ontwikkeling en milieuvoordelen kunnen hernieuwbare energievormen ook bijdragen aan grotere veiligheid en economische stabiliteit. Een toegenomen gebruik van hernieuwbare energiebronnen zou de afhankelijkheid van dure invoer van fossiele brandstoffen verminderen en vele landen helpen om hun betalingsbalans te verbeteren.

Amendement    37

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 31 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(31 bis)  Afhankelijk van de geologische kenmerken van een gebied kan de productie van geothermische energie broeikasgassen en andere stoffen vrijmaken uit ondergrondse vloeistoffen en andere ondergrondse geologische formaties. Investeringen mogen alleen worden gericht op de productie van geothermische energie waarvan de milieueffecten gering zijn en waarbij minder broeikasgassen vrijkomen dan bij conventionele energiebronnen. Daarom moet de Commissie uiterlijk in december 2018 beoordelen of er behoefte is aan een wetgevingsvoorstel tot regulering van de uitstoot door geothermische installaties van alle stoffen, met inbegrip van CO2, die schadelijk zijn voor de gezondheid en het milieu, zowel in de fase van exploratie als van exploitatie.

Amendement    38

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 33

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(33)  Op nationaal en regionaal niveau hebben regels en verplichtingen betreffende minimumeisen voor het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen in nieuwe en gerenoveerde gebouwen geleid tot een aanzienlijke toename in het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen. Dergelijke maatregelen moeten ook op ruimere schaal in de hele Unie worden aangemoedigd; voorts moet ook het gebruik van energie-efficiëntere toepassingen van energie uit hernieuwbare bronnen in het kader van bouwvoorschriften en -regels worden aangemoedigd.

(33)  Op nationaal, regionaal en lokaal niveau hebben regels en verplichtingen betreffende minimumeisen voor het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen in nieuwe en gerenoveerde gebouwen geleid tot een aanzienlijke toename in het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen. Dergelijke maatregelen moeten ook op ruimere schaal in de hele Unie worden aangemoedigd; voorts moet ook het gebruik van energie-efficiëntere toepassingen van energie uit hernieuwbare bronnen in combinatie met maatregelen voor energiebesparing en energie-efficiëntie in het kader van bouwvoorschriften en -regels worden aangemoedigd.

Motivering

Een van de doelstellingen van de energie-unie is de toepassing van het beginsel "energie-efficiëntie eerst", dat daarom moet worden geïntegreerd in alle energiewetgeving van de EU en dus ook moet worden toegepast op het beleid inzake het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen in het kader van gebouwen. Dit amendement is noodzakelijk om redenen in verband met de interne logica van de tekst en houdt onlosmakelijk verband met andere amendementen.

Amendement    39

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 35

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(35)  Om ervoor te zorgen dat nationale maatregelen ter ontwikkeling van hernieuwbare bronnen voor verwarming en koeling gebaseerd zijn op een uitgebreide inventarisatie en analyse van het nationale potentieel inzake hernieuwbare energie en afvalenergie, en om te voorzien in een betere integratie van hernieuwbare energiebronnen en afvalwarmte- en afvalkoudebronnen voor verwarming en koeling, is het passend van de lidstaten te verlangen dat zij hun nationale potentieel inzake hernieuwbare energiebronnen en het gebruik van afvalwarmte en -koude voor verwarming en koeling beoordelen, met name ter bevordering van de brede integratie van hernieuwbare energie in verwarmings- en koelingsinstallaties en van efficiënte en concurrerende stadsverwarming en -koeling als gedefinieerd in artikel 2, punt 41, van Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad21. Om de samenhang met de vereisten betreffende energie-efficiëntie voor verwarming en koeling te garanderen en de administratieve lasten te verminderen, moet deze beoordeling worden opgenomen in de overeenkomstig artikel 14 van die richtlijn uitgevoerde en meegedeelde uitgebreide beoordelingen.

(35)  Om ervoor te zorgen dat nationale maatregelen ter ontwikkeling van hernieuwbare bronnen voor verwarming en koeling gebaseerd zijn op een uitgebreide inventarisatie en analyse van het nationale potentieel inzake hernieuwbare energie en afvalenergie, en om te voorzien in een betere integratie van hernieuwbare energiebronnen – in het bijzonder door ondersteuning van innovatieve technologieën zoals warmtepompen, geothermische technologieën en thermische zonne-energietechnologieën – en afvalwarmte- en afvalkoudebronnen voor verwarming en koeling, is het passend van de lidstaten te verlangen dat zij hun nationale potentieel inzake hernieuwbare energiebronnen en het gebruik van afvalwarmte en -koude voor verwarming en koeling beoordelen, met name ter bevordering van de brede integratie van hernieuwbare energie in verwarmings- en koelingsinstallaties en van efficiënte en concurrerende stadsverwarming en -koeling als gedefinieerd in artikel 2, punt 41, van Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad21. Om de samenhang met de vereisten betreffende energie-efficiëntie voor verwarming en koeling te garanderen en de administratieve lasten te verminderen, moet deze beoordeling worden opgenomen in de overeenkomstig artikel 14 van die richtlijn uitgevoerde en meegedeelde uitgebreide beoordelingen.

__________________

__________________

21 Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).

21 Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).

Amendement    40

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 36

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(36)  Het gebrek aan transparante regels en coördinatie tussen de verschillende vergunningsinstanties is een hinderpaal voor de ontwikkeling van energie uit hernieuwbare bronnen gebleken. De oprichting van één enkel administratief contactpunt waarin alle vergunningsprocedures worden geïntegreerd en gecoördineerd, moet de complexiteit verminderen en de efficiëntie en transparantie verhogen. Administratieve goedkeuringsprocedures moeten gestroomlijnd worden met transparante termijnen voor installaties die gebruikmaken van energie uit hernieuwbare bronnen. De voorschriften en regels op het gebied van ruimtelijke ordening moeten worden aangepast om rekening te houden met kostenefficiënte en milieuvriendelijke apparatuur voor verwarming, koeling en elektriciteitsopwekking op basis van hernieuwbare energiebronnen. Deze richtlijn, en met name de bepalingen inzake de organisatie en duurtijd van de vergunningsprocedure, moet worden toegepast onverminderd de toepassing van het internationale recht en het recht van de Unie, waaronder de bepalingen ter bescherming van het milieu en de volksgezondheid.

(36)  Het gebrek aan transparante regels en coördinatie tussen de verschillende vergunningsinstanties is een hinderpaal voor de ontwikkeling van energie uit hernieuwbare bronnen gebleken. De oprichting van één enkel administratief contactpunt waarin alle vergunningsprocedures worden geïntegreerd en gecoördineerd, moet de complexiteit verminderen en de efficiëntie en transparantie verhogen, onder meer voor consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie en hernieuwbare-energiegemeenschappen. Administratieve goedkeuringsprocedures moeten gestroomlijnd worden met transparante termijnen voor installaties die gebruikmaken van energie uit hernieuwbare bronnen. De voorschriften en regels op het gebied van ruimtelijke ordening moeten worden aangepast om rekening te houden met kostenefficiënte en milieuvriendelijke apparatuur voor verwarming, koeling en elektriciteitsopwekking op basis van hernieuwbare energiebronnen. Deze richtlijn, en met name de bepalingen inzake de organisatie en duurtijd van de vergunningsprocedure, moet worden toegepast onverminderd de toepassing van het internationale recht en het recht van de Unie, waaronder de bepalingen ter bescherming van het milieu en de volksgezondheid.

Amendement    41

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 43

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(43)  Een garantie van oorsprong die is afgegeven met het oog op de toepassing van deze richtlijn heeft uitsluitend tot doel de eindafnemer aan te tonen dat een bepaald aandeel of een bepaalde hoeveelheid energie geproduceerd is uit hernieuwbare bronnen. Een garantie van oorsprong kan, ongeacht de energie waarop zij betrekking heeft, van de ene houder aan de andere worden overgedragen. Teneinde ervoor te zorgen dat een eenheid hernieuwbare energie slechts eenmaal aan een afnemer verstrekt wordt, moeten dubbeltellingen en dubbele verstrekkingen van garanties van oorsprong worden vermeden. Energie uit hernieuwbare bronnen waarvan de bijbehorende garantie van oorsprong afzonderlijk door de producent is verkocht, zou niet aan de eindafnemer mogen verstrekt of verkocht worden als energie uit hernieuwbare bronnen.

(43)  Een garantie van oorsprong die is afgegeven met het oog op de toepassing van deze richtlijn heeft uitsluitend tot doel de eindafnemer aan te tonen dat een bepaald aandeel of een bepaalde hoeveelheid energie geproduceerd is uit hernieuwbare bronnen. Een garantie van oorsprong kan, ongeacht de energie waarop zij betrekking heeft, van de ene houder aan de andere worden overgedragen. Teneinde ervoor te zorgen dat een eenheid hernieuwbare energie slechts eenmaal aan een afnemer verstrekt wordt, moeten dubbeltellingen en dubbele verstrekkingen van garanties van oorsprong worden vermeden. Energie uit hernieuwbare bronnen waarvan de bijbehorende garantie van oorsprong afzonderlijk door de producent is verkocht, zou niet aan de eindafnemer mogen verstrekt of verkocht worden als energie uit hernieuwbare bronnen. Het is van belang een duidelijk onderscheid te maken tussen in het kader van een steunregeling gebruikte groene certificaten en garanties van oorsprong.

Amendement    42

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 45

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(45)  Het is belangrijk informatie te verstrekken over de wijze waarop de elektriciteit waarvoor steun wordt verleend, aan de eindafnemers wordt toegewezen. Om de kwaliteit van deze informatie aan de consumenten te verbeteren, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat garanties van oorsprong worden afgegeven voor alle geproduceerde eenheden hernieuwbare energie. Om dubbele compensatie te vermijden, dienen producenten van hernieuwbare energie waaraan reeds steun wordt verleend, geen garanties van oorsprong te krijgen. Deze garanties van oorsprong moeten echter worden gebruikt voor informatieverstrekking, zodat eindafnemers duidelijk, betrouwbaar en afdoend bewijs kunnen krijgen over de hernieuwbare oorsprong van de desbetreffende energie-eenheden. Voor elektriciteit waarvoor steun is verleend, moeten de garanties van oorsprong bovendien aan de markt worden geveild en moet de opbrengst hiervan worden gebruikt om de overheidssubsidies voor hernieuwbare energie te verminderen.

(45)  Het is belangrijk informatie te verstrekken over de wijze waarop de elektriciteit waarvoor steun wordt verleend, aan de eindafnemers wordt toegewezen. Om de kwaliteit van deze informatie aan de consumenten te verbeteren, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat garanties van oorsprong worden afgegeven voor alle geproduceerde eenheden hernieuwbare energie.

Amendement    43

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 49

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(49)  De mogelijkheden om via innovatie en een duurzaam concurrerend energiebeleid tot economische groei te komen, zijn onderkend. De productie van energie uit hernieuwbare bronnen hangt vaak af van lokale of regionale kmo's. De kansen op het gebied van groei en werkgelegenheid die investeringen in regionale en lokale productie van energie uit hernieuwbare bronnen in de lidstaten en hun regio's scheppen, zijn belangrijk. De Commissie en de lidstaten zouden daarom nationale en regionale ontwikkelingsmaatregelen op deze gebieden moeten steunen, de uitwisseling van optimale praktijken bij de productie van energie uit hernieuwbare bronnen tussen lokale en regionale ontwikkelingsinitiatieven moeten aanmoedigen en het gebruik van de fondsen van het cohesiebeleid op dit gebied moeten bevorderen.

(49)  De mogelijkheden om via innovatie en een duurzaam concurrerend energiebeleid tot economische groei te komen, zijn onderkend. De productie van energie uit hernieuwbare bronnen hangt vaak af van lokale of regionale kmo's. De kansen op het gebied van ontwikkeling van het plaatselijke bedrijfsleven, duurzame groei en werkgelegenheid van hoge kwaliteit die investeringen in regionale en lokale productie van energie uit hernieuwbare bronnen in de lidstaten en hun regio's scheppen, zijn belangrijk. De Commissie en de lidstaten zouden daarom nationale en regionale ontwikkelingsmaatregelen op deze gebieden moeten bevorderen en steunen, de uitwisseling van optimale praktijken bij de productie van energie uit hernieuwbare bronnen tussen lokale en regionale ontwikkelingsinitiatieven moeten aanmoedigen, en meer technische bijstand en opleidingsprogramma's moeten aanbieden om op het terrein een grotere regelgevings-, technische en financiële deskundigheid te ontwikkelen en de kennis van beschikbare financieringsmogelijkheden te bevorderen, waaronder een doelgerichter gebruik van EU-fondsen zoals het gebruik van de fondsen van het cohesiebeleid op dit gebied.

Motivering

Deze overweging is onlosmakelijk verbonden met verdere wijzigingen in de tekst en wijst erop dat het lokale niveau moet worden versterkt op het vlak van technische en financiële knowhow, om ervoor te zorgen dat de doelstelling van de richtlijn – het aandeel hernieuwbare energie in de lidstaten doen toenemen – wordt behaald. Dit amendement is noodzakelijk om redenen in verband met de interne logica van de tekst en houdt onlosmakelijk verband met andere amendementen.

Amendement    44

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 49 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(49 bis)  Lokale en regionale autoriteiten hebben vaak streefcijfers inzake hernieuwbare energie vastgesteld die ambitieuzer zijn dan de nationale streefcijfers. Regionale en lokale toezeggingen om de ontwikkeling van energie uit hernieuwbare bronnen en energie-efficiëntie te stimuleren, worden momenteel ondersteund via netwerken – zoals het Burgemeestersconvenant of de initiatieven in verband met slimme steden en slimme gemeenschappen – en via de ontwikkeling van actieplannen voor duurzame energie. Dergelijke netwerken zijn onmisbaar en moeten worden uitgebreid, aangezien ze het bewustzijn vergroten en de uitwisseling van beste praktijken en beschikbare financiële steun bevorderen. In dit verband moet de Commissie ook steun verlenen aan belangstellende koplopersregio's en lokale autoriteiten die over de grenzen heen willen samenwerken, door bijstand te verlenen bij het opzetten van samenwerkingsmechanismen, zoals een Europese Groepering voor Territoriale Samenwerking die de overheden van diverse lidstaten in staat stelt de handen in elkaar te slaan en gezamenlijke diensten en projecten af te leveren, zonder dat er vooraf door de nationale parlementen een internationale overeenkomst moet worden ondertekend en geratificeerd.

Amendement    45

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 49 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(49 ter)  Lokale autoriteiten en steden zijn koplopers wat het aandrijven van de energietransitie en het op grotere schaal inzetten van hernieuwbare energie betreft. Lokale besturen zijn het overheidsniveau dat het dichtst bij de burger staat en vervullen als zodanig een cruciale rol bij het opbouwen van een draagvlak voor de energie- en klimaatdoelstellingen van de EU; daarnaast zetten ze ook meer gedecentraliseerde en geïntegreerde energiesystemen in. Het is belangrijk om steden, gemeenten en regio's een betere toegang tot financiering te verschaffen om investeringen in lokale hernieuwbare energie te bevorderen.

Amendement    46

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 49 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(49 quater)  Er moeten ook andere innovatieve maatregelen worden overwogen om meer investeringen in nieuwe technologieën aan te trekken, zoals energieprestatiecontracten en normaliseringsprocessen in overheidsfinanciering.

Amendement    47

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 50

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(50)  Ter bevordering van de ontwikkeling van een markt voor energie uit hernieuwbare bronnen is het noodzakelijk rekening te houden met de positieve gevolgen daarvan voor de regionale en lokale ontwikkelingsmogelijkheden, de perspectieven voor de uitvoer, de sociale samenhang en de werkgelegenheidskansen, vooral wat betreft kmo's en onafhankelijke energieproducenten.

(50)  Ter bevordering van de ontwikkeling van een markt voor energie uit hernieuwbare bronnen is het noodzakelijk rekening te houden met de positieve gevolgen daarvan voor de regionale en lokale ontwikkelingsmogelijkheden, de perspectieven voor de uitvoer, de sociale samenhang en de werkgelegenheidskansen, vooral wat betreft kmo's en onafhankelijke energieproducenten, met inbegrip van consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie en hernieuwbare-energiegemeenschappen.

Motivering

Dit amendement is onlosmakelijk verbonden met andere amendementen die zijn ingediend voor bepalingen die door de Commissie in haar voorstel zijn gewijzigd. Dit amendement is noodzakelijk om redenen in verband met de interne logica van de tekst en houdt onlosmakelijk verband met andere amendementen.

Amendement    48

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 51

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(51)  De specifieke situatie van de ultraperifere gebieden wordt erkend in artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. De energiesector in de ultraperifere gebieden wordt vaak gekenmerkt door isolement, beperkte levering en afhankelijkheid van fossiele brandstoffen, hoewel deze gebieden over grote lokale hernieuwbare energiebronnen beschikken. De ultraperifere gebieden kunnen de Unie dus tot voorbeeld strekken wat de toepassing van innovatieve energietechnologieën betreft. Daarom is het nodig dat het gebruik van hernieuwbare energie wordt gestimuleerd, zodat deze gebieden autonomer in hun energiebehoeften kunnen voorzien, en dat hun specifieke situatie wordt erkend met betrekking tot hun potentieel op het gebied van hernieuwbare energie en hun behoeften op het vlak van overheidssteun.

(51)  De specifieke situatie van de ultraperifere gebieden wordt erkend in artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. De energiesector in de ultraperifere gebieden wordt vaak gekenmerkt door isolement, beperkte en duurdere levering en afhankelijkheid van fossiele brandstoffen, hoewel deze gebieden over grote lokale hernieuwbare energiebronnen beschikken, met name biomassa en mariene energie. De ultraperifere gebieden kunnen de Unie dus tot voorbeeld strekken wat de toepassing van innovatieve energietechnologieën betreft en kunnen gebieden worden waar 100 % hernieuwbare energie wordt gebruikt. Daarom is het nodig dat de strategie inzake hernieuwbare energie wordt aangepast, zodat deze gebieden autonomer in hun energiebehoeften kunnen voorzien, de voorzieningszekerheid wordt versterkt, en hun specifieke situatie wordt erkend met betrekking tot hun potentieel op het gebied van hernieuwbare energie en hun behoeften op het vlak van overheidssteun. Bovendien moeten de ultraperifere gebieden de mogelijkheid krijgen om hun hulpbronnen ten volle te exploiteren, met naleving van strenge duurzaamheidscriteria en in overeenstemming met lokale omstandigheden en behoeften, zodat de productie van hernieuwbare energie wordt opgevoerd en hun energieonafhankelijkheid groter wordt.

Motivering

In de ultraperifere gebieden brengt de energievoorziening in de vorm van fossiele brandstoffen (80 % of meer in bepaalde gebieden) extra kosten met zich mee die zwaar wegen op de lokale economie en de koopkracht van de inwoners. Tegelijkertijd beschikt een aantal van deze gebieden over aanzienlijke bronnen van biomassa en moeten zij de mogelijkheid krijgen deze zelf te gebruiken.

Amendement    49

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 52

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(52)  Het is passend om de ontwikkeling van technologieën voor gedecentraliseerde hernieuwbare energie mogelijk te maken onder niet-discriminerende voorwaarden en zonder de financiering van investeringen in infrastructuur te belemmeren. De overgang naar een gedecentraliseerde energieproductie heeft vele voordelen, waaronder het gebruik van lokale energiebronnen, meer plaatselijke energievoorzieningszekerheid, kortere aanvoerwegen en minder verliezen bij de transmissie van energie. Ook de ontwikkeling en de cohesie van gemeenschappen worden door zulke decentralisatie bevorderd, omdat er lokaal bronnen van inkomsten en werkgelegenheid worden gecreëerd.

(52)  Het is passend om de ontwikkeling van technologieën voor gedecentraliseerde hernieuwbare energie en de opslag ervan mogelijk te maken onder niet-discriminerende voorwaarden en zonder de financiering van investeringen in infrastructuur te belemmeren. De overgang naar een gedecentraliseerde energieproductie heeft vele voordelen, waaronder het gebruik van lokale energiebronnen, meer plaatselijke energievoorzieningszekerheid, kortere aanvoerwegen en minder verliezen bij de transmissie van energie. Ook de ontwikkeling en de cohesie van gemeenschappen worden door zulke decentralisatie bevorderd, omdat er lokaal bronnen van inkomsten en werkgelegenheid worden gecreëerd.

Amendement    50

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 53

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(53)  Door het toenemende belang van de consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare elektriciteit is er behoefte aan een definitie van "consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie", alsook aan een regelgevingskader dat consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie de mogelijkheid biedt om elektriciteit te produceren, op te slaan, te verbruiken en te verkopen zonder met onevenredige lasten te worden geconfronteerd. Collectieve consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie moet in sommige gevallen worden toegestaan zodat burgers die in appartementen wonen bijvoorbeeld dezelfde mate van empowerment kunnen genieten als huishoudens in eengezinswoningen.

(53)  Door het toenemende belang van de consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare elektriciteit is er behoefte aan een definitie van "consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie", alsook aan een regelgevingskader dat consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie de mogelijkheid biedt om elektriciteit te produceren, op te slaan, te verbruiken en te verkopen zonder met onevenredige lasten te worden geconfronteerd. De tarieven en vergoedingen voor consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie moeten slimmere technologieën voor de integratie van hernieuwbare energie stimuleren en consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie aanzetten tot het nemen van investeringsbesluiten die zowel de afnemer als het net ten goede komen. Om tot een dergelijk evenwicht te komen, moeten consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie en hernieuwbare-energiegemeenschappen het recht krijgen om een vergoeding te ontvangen voor de zelfgeproduceerde hernieuwbare elektriciteit die zij aan het net leveren en moet die vergoeding de marktwaarde van die geleverde elektriciteit weerspiegelen, evenals de langetermijnwaarde voor het net, het milieu en de samenleving. Hierbij moeten zowel langetermijnkosten als -opbrengsten van het verbruik van zelfgeproduceerde energie in aanmerking worden genomen, uitgedrukt als vermeden kosten voor het net, de samenleving en het milieu, vooral in combinatie met andere gedistribueerde energiebronnen zoals energie-efficiëntie, energieopslag, vraagrespons en gemeenschapsnetwerken. Deze vergoeding moet worden vastgesteld aan de hand van de kosten-batenanalye voor gedistribueerde energiebronnen uit hoofde van artikel 59 van [herschikking van Richtlijn 2009/72/EG als voorgesteld bij COM(2016) 864].

Amendement    51

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 53 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(53 bis)  Collectieve consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie moet in sommige gevallen worden toegestaan zodat burgers die bijvoorbeeld in appartementen wonen dezelfde mate van empowerment kunnen genieten als huishoudens in eengezinswoningen. Wanneer collectieve consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie mogelijk wordt gemaakt, biedt dit de hernieuwbare-energiegemeenschappen ook kansen om de energie-efficiëntie van huishoudens te verbeteren en energiearmoede te bestrijden dankzij een lager verbruik en voordeligere leveringstarieven. De lidstaten moeten deze kans aangrijpen door onder meer na te gaan hoe hernieuwbare-energiegemeenschappen kunnen bijdragen aan de beperking van de brandstofarmoede en hoe ze het voor huishoudens die anders misschien niet zouden kunnen deelnemen, onder meer kwetsbare consumenten en huurders, mogelijk kunnen maken toch deel te nemen.

Amendement    52

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 53 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(53 ter)  De lidstaten moeten zorgen voor naleving van de voorschriften in verband met verbruik en de invoering of versterking van maatregelen ter bestrijding van gedwongen verkoop, oneerlijke verkooppraktijken en misleidende beweringen met betrekking tot de installatie van apparatuur voor hernieuwbare energie die vooral de kwetsbaarste groepen treffen (bejaarden, plattelandsbewoners enz.).

Amendement    53

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 54

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(54)  Lokale burgerparticipatie in projecten op het gebied van hernieuwbare energie via hernieuwbare-energiegemeenschappen heeft tot aanzienlijk meer lokale acceptatie van hernieuwbare energie en toegang tot extra particulier kapitaal geleid. Deze lokale betrokkenheid zal des te essentiëler zijn wanneer in de toekomst de hernieuwbare-energiecapaciteit toeneemt.

(54)  Lokale burgerparticipatie en de participatie van lokale autoriteiten in projecten op het gebied van hernieuwbare energie via hernieuwbare-energiegemeenschappen heeft tot aanzienlijk meer lokale acceptatie van hernieuwbare energie en toegang tot extra particulier kapitaal geleid, met als resultaat lokale investeringen, meer keuze voor de consument, aanmoediging van participatie van burgers in de energietransitie, meer bepaald door het aansporen van huishoudens die anders misschien niet zouden kunnen deelnemen, bevordering van de energie-efficiëntie van huishoudens en bestrijding van de energiearmoede aan de hand van een lager verbruik en voordeligere leveringstarieven. Deze lokale betrokkenheid zal des te essentiëler zijn wanneer in de toekomst de hernieuwbare-energiecapaciteit toeneemt.

Amendement    54

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 55 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(55 bis)  Het is belangrijk dat de lidstaten zorgen voor een eerlijke en niet-verstorende toewijzing van netwerkkosten en -heffingen voor alle gebruikers van het elektriciteitssysteem. Alle nettarieven moeten de kosten weerspiegelen.

Amendement    55

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 57

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(57)  Verscheidene lidstaten hebben maatregelen genomen in de verwarmings- en koelingssector om hun streefcijfer inzake hernieuwbare energie voor 2020 te halen. Bij gebrek aan bindende nationale streefcijfers voor de periode na 2020 zullen de overblijvende nationale stimulansen wellicht onvoldoende zijn om de langetermijndoelstellingen inzake decarbonisatie voor 2030 en 2050 te halen. Om met het oog op dergelijke doelstellingen te handelen, investeerders meer zekerheid te bieden en de ontwikkeling van een Uniebrede markt voor hernieuwbare verwarming en koeling te bevorderen, is het passend de lidstaten aan te moedigen wanneer zij een inspanning leveren met betrekking tot de levering van hernieuwbare verwarming en koeling teneinde bij te dragen aan een progressieve toename van het aandeel hernieuwbare energie. Aangezien sommige markten voor verwarming en koeling versnipperd zijn, is het van groot belang dat bij dergelijke inspanningen voor flexibiliteit wordt gezorgd. Het is ook belangrijk om ervoor te zorgen dat een potentiële toename van het gebruik van hernieuwbare verwarming en koeling geen schadelijke neveneffecten heeft voor het milieu.

(57)  Verscheidene lidstaten hebben maatregelen genomen in de verwarmings- en koelingssector om hun streefcijfer inzake hernieuwbare energie voor 2020 te halen. Om met het oog op dergelijke doelstellingen te handelen, investeerders meer zekerheid te bieden en de ontwikkeling van een Uniebrede markt voor hernieuwbare verwarming en koeling te bevorderen, met inachtneming van het beginsel "energie-efficiëntie eerst", is het passend de lidstaten aan te moedigen wanneer zij een inspanning leveren met betrekking tot de levering van hernieuwbare verwarming en koeling teneinde bij te dragen aan een progressieve toename van het aandeel hernieuwbare energie. Aangezien sommige markten voor verwarming en koeling versnipperd zijn, is het van groot belang dat bij dergelijke inspanningen voor flexibiliteit wordt gezorgd. Het is ook belangrijk om ervoor te zorgen dat een potentiële toename van het gebruik van hernieuwbare verwarming en koeling geen schadelijke neveneffecten heeft voor het milieu en de volksgezondheid.

Amendement    56

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 59 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(59 bis)  Huishoudens en gemeenschappen die hun flexibiliteit verhandelen, zelfgeproduceerde energie verbruiken of zelfgeproduceerde elektriciteit verkopen, behouden hun consumentenrechten, waaronder het recht om een overeenkomst te sluiten met een leverancier naar keuze en het recht om van leverancier te veranderen.

Amendement    57

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 60

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(60)  Nadruk moet worden gelegd op de potentiële synergieën tussen de inspanning om het gebruik van hernieuwbare verwarming en koeling te laten toenemen enerzijds en de bestaande regelingen van de Richtlijnen 2010/31/EU en 2012/27/EU anderzijds. In de mate van het mogelijke moeten lidstaten de mogelijkheid hebben om bestaande administratieve structuren te gebruiken om aan een dergelijke inspanning uitvoering te geven, zodat de administratieve lasten worden beperkt.

(60)  Het gebruik van efficiënte verwarmings- of koelingssystemen op basis van energie uit hernieuwbare bronnen moet gepaard gaan met een grondige renovatie van gebouwen, teneinde de energievraag en -kosten voor de afnemers te verlagen, bij te dragen aan de terugdringing van energiearmoede en plaatselijke werkgelegenheid voor gekwalificeerd personeel te creëren. Daartoe moet nadruk worden gelegd op de potentiële synergieën tussen de noodzaak om het gebruik van hernieuwbare verwarming en koeling te laten toenemen enerzijds en de bestaande regelingen van de Richtlijnen 2010/31/EU en 2012/27/EU anderzijds. In de mate van het mogelijke moeten lidstaten de mogelijkheid hebben om bestaande administratieve structuren te gebruiken om aan een dergelijke inspanning uitvoering te geven, zodat de administratieve lasten worden beperkt.

Amendement    58

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 61 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(61 bis)  Op het gebied van intelligent vervoer is het van belang de ontwikkeling en toepassing van elektrische mobiliteit op de weg te stimuleren, en daarnaast de integratie van geavanceerde technologieën in innovatief spoorverkeer te versnellen door het Shift2Rail-initiatief ten behoeve van schoon openbaar vervoer naar voren te schuiven.

Amendement    59

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 62

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(62)  In de Europese strategie voor koolstofarme mobiliteit van juli 2016 werd betoogd dat biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen een beperkte rol spelen in het koolstofvrij maken van de vervoersector, dat het gebruik hiervan moet worden uitgefaseerd en dat deze door geavanceerde biobrandstoffen moeten worden vervangen. Om de overgang naar geavanceerde biobrandstoffen voor te bereiden en de totale impact van indirecte veranderingen in het landgebruik tot een minimum te beperken, is het wenselijk om de hoeveelheid uit voedsel- en voedergewassen geproduceerde biobrandstoffen en vloeibare biomassa die kan worden meegeteld voor het behalen van het in deze richtlijn vastgestelde streefcijfer van de Unie, te verlagen.

(62)  Wanneer weilanden of landbouwgronden die voordien bestemd waren voor de productie van voedsel- en voedergewassen worden herbestemd voor de productie van biobrandstoffen, moet nog steeds worden voldaan aan de niet aan brandstoffen gerelateerde vraag, hetzij door intensivering van de huidige productie, hetzij door elders niet-landbouwgrond in productie te nemen. In dit laatste geval is er sprake van indirecte veranderingen in het landgebruik en wanneer dit de conversie betreft van land met een grote koolstofvoorraad, kan dit resulteren in aanzienlijke emissies van broeikasgassen. In de Europese strategie voor koolstofarme mobiliteit van juli 2016 werd betoogd dat biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen een beperkte rol spelen in het koolstofvrij maken van de vervoersector, dat het gebruik hiervan moet worden uitgefaseerd en dat deze door geavanceerde biobrandstoffen moeten worden vervangen. Om de overgang naar geavanceerde biobrandstoffen voor te bereiden en de totale impact van indirecte veranderingen in het landgebruik tot een minimum te beperken, is het wenselijk om de hoeveelheid uit voedsel- en voedergewassen geproduceerde biobrandstoffen en vloeibare biomassa die kan worden meegeteld voor het behalen van het in deze richtlijn vastgestelde streefcijfer van de Unie, te verlagen, en daarbij biobrandstoffen op basis van gewassen met een hoge broeikasgasefficiëntie en een gering risico van indirecte veranderingen in het landgebruik als een aparte categorie te behandelen. De invoering van geavanceerde biobrandstoffen en elektrische mobiliteit moet worden versneld.

Amendement    60

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 63 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(63 bis)  De Unie en de lidstaten moeten ernaar streven de energiemix uit hernieuwbare bronnen te vergroten, het totale energieverbruik in het vervoer te verminderen en de energie-efficiëntie in alle vervoersectoren te doen toenemen. Daartoe kunnen maatregelen worden bevorderd op het gebied van vervoersplanning en de productie van wagens met een hogere energie-efficiëntie.

Motivering

Het idee uit overwegingen 28 en 29 van Richtlijn 2009/28/EG wordt opnieuw ingevoegd. Voor een hogere reductie van broeikasgasemissies zijn maatregelen nodig in de hele vervoersector, dus zowel in de productie- als toeleveringsketen.

Amendement    61

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 63 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(63 ter)  Brandstofefficiëntienormen voor wegvervoer zouden een doeltreffende manier zijn om het gebruik van alternatieve hernieuwbare energiebronnen in de vervoersector te doen toenemen en om op lange termijn een verdere reductie van broeikasgasemissies en decarbonisatie tot stand te brengen in de vervoersector. Brandstofefficiëntienormen moeten worden bevorderd in overeenstemming met technologische ontwikkelingen en de streefcijfers inzake klimaat en energie.

Motivering

Voor een hogere reductie van broeikasgasemissies zijn maatregelen nodig in de hele vervoersector. Brandstofefficiëntienormen voor wegvervoer kunnen een doeltreffende manier zijn om het gebruik van alternatieve hernieuwbare energiebronnen ingang te doen vinden.

Amendement    62

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 64

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(64)  Geavanceerde biobrandstoffen en andere biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX vermelde grondstoffen, hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, en hernieuwbare elektriciteit in het vervoer kunnen bijdragen aan lage koolstofemissies, het koolstofvrij maken van de vervoersector van de Unie op een kosteneffectieve manier stimuleren en onder meer de diversificatie in de vervoersector verbeteren, en tegelijkertijd innovatie, groei en werkgelegenheid in de economie van de Unie bevorderen en de afhankelijkheid van ingevoerde energie verminderen. Met de vermengingsverplichting voor brandstofleveranciers moet de voortdurende ontwikkeling van geavanceerde brandstoffen, zoals biobrandstoffen, worden aangemoedigd en het is belangrijk om ervoor te zorgen dat deze verplichting stimulansen biedt voor de verbetering van de broeikasgasprestaties van de brandstoffen die worden geleverd om aan deze verplichting te voldoen. De Commissie moet de broeikasgasprestaties, technische vernieuwing en duurzaamheid van die brandstoffen beoordelen.

(64)  Geavanceerde biobrandstoffen en andere biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX vermelde grondstoffen, hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, en hernieuwbare elektriciteit in het vervoer kunnen bijdragen aan lage koolstofemissies, het koolstofvrij maken van de vervoersector van de Unie op een kosteneffectieve manier stimuleren en onder meer de diversificatie in de vervoersector verbeteren, en tegelijkertijd innovatie, groei en werkgelegenheid in de economie van de Unie bevorderen en de afhankelijkheid van ingevoerde energie verminderen. Het beginsel van cascadering moet in acht worden genomen om te garanderen dat het gebruik van grondstoffen voor de productie van geavanceerde biobrandstoffen niet ten koste gaat van andere toepassingen waarvoor de grondstoffen moeten worden vervangen door andere grondstoffen met een grotere emissie-intensiteit. Met de vermengingsverplichting voor brandstofleveranciers moet de voortdurende ontwikkeling van geavanceerde brandstoffen, zoals biobrandstoffen, worden aangemoedigd en het is belangrijk om ervoor te zorgen dat deze verplichting stimulansen biedt voor de verbetering van de broeikasgasprestaties van de brandstoffen die worden geleverd om aan deze verplichting te voldoen. De Commissie moet de broeikasgasprestaties, technische vernieuwing en duurzaamheid van die brandstoffen beoordelen.

Amendement    63

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 65 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(65 bis)  Om het aandeel van hernieuwbare elektriciteit in het vervoer nauwkeuriger te kunnen meten, moet een passende methodologie worden ontwikkeld en moeten verschillende technische en technologische oplossingen worden onderzocht.

Amendement    64

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 66

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(66)  Grondstoffen die slechts in beperkte mate tot indirecte veranderingen in het landgebruik leiden wanneer ze worden gebruikt voor biobrandstoffen, moeten worden bevorderd vanwege de bijdrage die hiermee kan worden geleverd aan het koolstofvrij maken van de economie. In het bijzonder grondstoffen voor geavanceerde biobrandstoffen die innovatievere en minder ontwikkelde technologie en dus meer ondersteuning vereisen, moeten worden opgenomen in een bijlage bij deze richtlijn. Om ervoor te zorgen dat deze bijlage de nieuwste technologische ontwikkelingen volgt en dat onbedoelde negatieve gevolgen worden vermeden, moet na de vaststelling van de richtlijn een evaluatie plaatsvinden om na te gaan of de bijlage kan worden uitgebreid tot nieuwe grondstoffen.

(66)  Grondstoffen die slechts in beperkte mate tot indirecte veranderingen in het landgebruik leiden wanneer ze worden gebruikt voor biobrandstoffen, moeten worden bevorderd vanwege de bijdrage die hiermee kan worden geleverd aan het koolstofvrij maken van de economie. In het bijzonder grondstoffen voor geavanceerde biobrandstoffen die innovatievere en minder ontwikkelde technologie en dus meer ondersteuning vereisen, moeten worden opgenomen in een bijlage bij deze richtlijn. Om ervoor te zorgen dat deze bijlage de nieuwste technologische ontwikkelingen volgt en dat onbedoelde negatieve gevolgen worden vermeden, moet de bijlage regelmatig worden geëvalueerd.

Amendement    65

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 68

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(68)  Teneinde maximaal voordeel te halen uit het potentieel van biomassa om bij te dragen aan het koolstofarm maken van de economie dankzij het gebruik ervan voor materialen en energie, moeten de Unie en de lidstaten het duurzame gebruik van bestaande houtopstanden en agrarische hulpbronnen stimuleren en zorgen voor de ontwikkeling van nieuwe bosbouwsystemen en systemen voor landbouwproductie.

(68)  Teneinde maximaal voordeel te halen uit het potentieel van biomassa om bij te dragen aan het koolstofarm maken van de economie dankzij het gebruik ervan voor materialen en energie, mogen de Unie en de lidstaten uitsluitend energiegebruik stimuleren dat stoelt op het duurzame gebruik van bestaande houtopstanden en agrarische hulpbronnen en zorgen voor de ontwikkeling van nieuwe bosbouwsystemen en systemen voor landbouwproductie, op voorwaarde dat aan de criteria inzake duurzaamheid en de reductie van broeikasgasemissies wordt voldaan.

Amendement    66

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 69

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(69)  Biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen moeten altijd op een duurzame manier worden geproduceerd. Biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen die worden gebruikt om de streefcijfers van deze richtlijn te halen en deze waarop steunregelingen van toepassing zijn, moeten dan ook voldoen aan duurzaamheidscriteria en criteria inzake broeikasgasemissiereductie.

(69)  Hernieuwbare energie moet altijd op een duurzame manier worden geproduceerd. Biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen die worden gebruikt om de streefcijfers van deze richtlijn te halen en de vormen van hernieuwbare energie waarop steunregelingen van toepassing zijn, moeten dan ook voldoen aan duurzaamheidscriteria en criteria inzake broeikasgasemissiereductie.

Amendement    67

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 71

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(71)  De productie van landbouwgrondstoffen voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen en de in deze richtlijn vastgestelde stimulansen voor hun gebruik mogen niet leiden tot de vernietiging van gebieden met grote biodiversiteit. Dergelijke eindige hulpbronnen, die volgens diverse internationale instrumenten waardevol zijn voor de volledige mensheid, moeten worden beschermd. Het is dan ook noodzakelijk duurzaamheidscriteria en criteria inzake broeikasgasemissiereductie vast te stellen om te garanderen dat biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen alleen voor stimuleringsmaatregelen in aanmerking komen indien gewaarborgd is dat de landbouwgrondstoffen niet afkomstig zijn van gebieden met grote biodiversiteit of wanneer de bevoegde autoriteiten ten aanzien van voor natuurbescherming of voor de bescherming van zeldzame, kwetsbare of bedreigde ecosystemen of soorten aangewezen gebieden, aantoont dat de productie van de landbouwgrondstoffen niet in strijd is met dergelijke doelstellingen. Volgens de duurzaamheidscriteria moeten bossen worden geacht een grote biodiversiteit te herbergen als het gaat om oerbossen volgens de definitie die gebruikt wordt door de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) in haar raming van het wereldbosbestand (Global Forest Resource Assessment) of om bossen die beschermd zijn door nationale wetgeving voor natuurbescherming. Gebieden waar andere bosproducten dan hout worden verzameld, moeten worden beschouwd als bossen met een grote biodiversiteit, mits de gevolgen van het menselijk ingrijpen gering blijven. Andere bostypen in de zin van de definitie van de FAO, zoals gewijzigde natuurlijke bossen, semi-natuurlijke bossen en plantages dienen niet als oerbossen te worden beschouwd. Gezien de grote biodiversiteitswaarde van bepaalde graslanden, zowel in gematigde als tropische gebieden, waaronder savannen, steppen, met struikgewas bedekte gronden en prairies met een grote biodiversiteit, mogen biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen die geproduceerd zijn op basis van landbouwgrondstoffen die op dergelijke gronden worden geteeld, niet in aanmerking komen voor de in deze richtlijn vastgestelde stimulansen. De Commissie moet passende criteria vaststellen om dergelijke graslanden met grote biodiversiteitswaarde te definiëren overeenkomstig de beste beschikbare wetenschappelijke kennis en relevante internationale normen.

(71)  De productie van landbouwgrondstoffen voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen en de in deze richtlijn vastgestelde stimulansen voor hun gebruik mogen binnen of buiten de Unie geen nadelig effect op de biodiversiteit hebben of in de hand werken. Dergelijke eindige hulpbronnen, die volgens diverse internationale instrumenten waardevol zijn voor de volledige mensheid, moeten worden beschermd. Het is dan ook noodzakelijk duurzaamheidscriteria en criteria inzake broeikasgasemissiereductie vast te stellen om te garanderen dat biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen alleen voor stimuleringsmaatregelen in aanmerking komen indien gewaarborgd is dat de landbouwgrondstoffen niet afkomstig zijn van gebieden met grote biodiversiteit of wanneer de bevoegde autoriteiten ten aanzien van voor natuurbescherming of voor de bescherming van zeldzame, kwetsbare of bedreigde ecosystemen of soorten aangewezen gebieden, aantoont dat de productie van de landbouwgrondstoffen niet in strijd is met dergelijke doelstellingen. Volgens de duurzaamheidscriteria moeten bossen worden geacht een grote biodiversiteit te herbergen als het gaat om oerbossen volgens de definitie die gebruikt wordt door de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) in haar raming van het wereldbosbestand (Global Forest Resource Assessment) of om bossen die beschermd zijn door nationale wetgeving voor natuurbescherming. Gebieden waar andere bosproducten dan hout worden verzameld, moeten worden beschouwd als bossen met een grote biodiversiteit, mits de gevolgen van het menselijk ingrijpen gering blijven. Andere bostypen in de zin van de definitie van de FAO, zoals gewijzigde natuurlijke bossen, semi-natuurlijke bossen en plantages dienen niet als oerbossen te worden beschouwd. De biodiversiteit en de kwaliteit, gezondheid, levensvatbaarheid en vitaliteit van deze bossen moeten echter worden gewaarborgd. Gezien de grote biodiversiteitswaarde van bepaalde graslanden, zowel in gematigde als tropische gebieden, waaronder savannen, steppen, met struikgewas bedekte gronden en prairies met een grote biodiversiteit, mogen biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen die geproduceerd zijn op basis van landbouwgrondstoffen die op dergelijke gronden worden geteeld, niet in aanmerking komen voor de in deze richtlijn vastgestelde stimulansen. De Commissie moet passende criteria vaststellen om dergelijke graslanden met grote biodiversiteitswaarde te definiëren overeenkomstig de beste beschikbare wetenschappelijke kennis en relevante internationale normen.

Amendement    68

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 72 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(72 bis)  Via duurzaamheidscriteria van de Unie voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen moet worden gewaarborgd dat de overgang naar een koolstofarme economie de doelstellingen van het actieplan voor de circulaire economie ondersteunt en strikt volgens de beginselen van de afvalhiërarchie van de Unie verloopt.

Motivering

Er moeten nieuwe duurzaamheidscriteria worden ingevoerd om ervoor te zorgen dat de richtlijn hernieuwbare energie in overeenstemming is met het actieplan voor de circulaire economie en de afvalhiërarchie van de Unie.

Amendement    69

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 73

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(73)  Landbouwgrondstoffen voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen mogen niet in veengebieden worden geproduceerd aangezien als gevolg van de teelt van deze gewassen een aanzienlijke koolstofvoorraad zou vrijkomen indien de grond verder wordt ontwaterd, en niet gemakkelijk kan worden geverifieerd dat geen ontwatering heeft plaatsgevonden.

(73)  Landbouwgrondstoffen voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen mogen niet in veengebieden of waterrijke gebieden worden geproduceerd indien dit tot ontwatering van de grond zou leiden, aangezien als gevolg van de teelt van deze gewassen in veengebieden of waterrijke gebieden een aanzienlijke koolstofvoorraad zou vrijkomen indien de grond verder wordt ontwaterd.

Motivering

Ontwaterde veengebieden bieden geen zekerheid als koolstofvoorraad. Daarom lijkt het onredelijk om het gebruik ervan voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen uit te sluiten.

Amendement    70

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 74 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(74 bis)  Landbouwgrondstoffen voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen moeten worden geproduceerd op basis van praktijken die stroken met de bescherming van de bodemkwaliteit en de organische koolstof in de bodem.

Motivering

Volgens de effectbeoordeling van de Commissie kan de productie van agrarische biomassa negatieve gevolgen hebben voor de bodemkwaliteit (bv. verlies van voedingsstoffen en organisch materiaal in de bodem, erosie, ontwatering van veengebieden), de beschikbaarheid van water en de biodiversiteit. Het randvoorwaardensysteem in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid volstaat niet om de bescherming van de bodemkwaliteit en het behoud van de organische koolstof in de bodem te waarborgen.

Amendement    71

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 75

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(75)  Het is passend om in de hele Unie duurzaamheidscriteria en criteria inzake broeikasgasemissiereductie in te voeren voor biomassabrandstoffen die worden gebruikt voor de productie van elektriciteit, verwarming en koeling, om hoge broeikasgasemissiereducties te blijven garanderen ten opzichte van alternatieven op basis van fossiele brandstoffen zodat onbedoelde duurzaamheidseffecten worden vermeden, en om de interne markt te bevorderen.

(75)  Het is passend om in de hele Unie duurzaamheidscriteria en criteria inzake broeikasgasemissiereductie in te voeren voor biomassabrandstoffen die worden gebruikt voor de productie van elektriciteit, verwarming en koeling, om hoge broeikasgasemissiereducties te blijven garanderen ten opzichte van alternatieven op basis van fossiele brandstoffen zodat onbedoelde duurzaamheidseffecten worden vermeden, en om de interne markt te bevorderen. Onverminderd de strikte eerbiediging van primaire grondstoffen met hoge milieuwaarde, moeten de ultraperifere gebieden de mogelijkheid krijgen om het potentieel van hun hulpbronnen te benutten, met het oog op een hogere productie van hernieuwbare energie en een grotere energieonafhankelijkheid.

Motivering

Deze richtlijn mag geen verbod opleggen op de exploitatie van biomassa in de ultraperifere gebieden, zoals oerbossen, die een van de belangrijkste hulpbronnen van deze gebieden vormen. Voor de exploitatie van deze hulpbronnen gelden reeds strikte duurzaamheidscriteria die de milieu-integriteit van deze activiteit waarborgen.

Amendement    72

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 75 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(75 bis)  Om volledige transparantie in alle sectoren van de energieproductie te garanderen, moet de Commissie uiterlijk op 31 december 2018 aan de hand van gedelegeerde handelingen productiecriteria voor fossiele brandstoffen en fossiele energiebronnen opstellen.

Motivering

Productiecriteria zijn dringend nodig om een gelijk speelveld tussen biobrandstoffen en fossiele brandstoffen te garanderen.

Amendement    73

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 76

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(76)  Om ervoor te zorgen dat bosbiomassa, ondanks de toenemende vraag ernaar, op een duurzame manier wordt geoogst in bossen met gewaarborgde herbebossing, dat er bijzondere aandacht wordt geschonken aan gebieden die expliciet zijn aangewezen ter bescherming van de biodiversiteit, de landschappen en specifieke natuurlijke elementen, dat de biodiversiteit wordt beschermd en dat koolstofvoorraden worden gevolgd, dient hout als grondstof enkel uit bossen te komen waarin wordt geoogst volgens de beginselen van duurzaam bosbeheer die zijn ontwikkeld in het kader van internationale bosbouwprocessen zoals Forest Europe en die worden uitgevoerd door middel van nationale wetgeving of de beste beheerspraktijken op het niveau van het bosbedrijf. De beheerders moeten de nodige stappen zetten om het risico op het gebruik van niet-duurzame bosbiomassa voor de productie van bio-energie tot een minimum te beperken. Daartoe moeten de beheerders een risicogebaseerde aanpak invoeren. In dit verband is het passend dat de Commissie operationele richtsnoeren ontwikkelt inzake de controle op de naleving van de op risico gebaseerde aanpak, na raadpleging van het comité voor de governance van de energie-unie en het bij Beschikking 89/367/EEG van de Raad ingestelde Permanent Comité voor de bosbouw24.

(76)  Om ervoor te zorgen dat bosbiomassa, ondanks de toenemende vraag ernaar, op een duurzame manier wordt geoogst in bossen met gewaarborgde herbebossing, dat er bijzondere aandacht wordt geschonken aan gebieden die expliciet zijn aangewezen ter bescherming van de biodiversiteit, de landschappen en specifieke natuurlijke elementen, dat de biodiversiteit wordt beschermd en dat koolstofvoorraden worden gevolgd, dient hout als grondstof enkel uit bossen te komen waarin wordt geoogst volgens de beginselen van duurzaam bosbeheer die zijn ontwikkeld in het kader van internationale bosbouwprocessen zoals Forest Europe en die worden uitgevoerd door middel van nationale wetgeving of de beste beheerspraktijken op het niveau van het bevoorradingsgebied. De beheerders moeten ervoor zorgen dat er maatregelen zijn genomen om nadelige gevolgen van de oogst op het milieu te vermijden of te beperken. Daartoe moeten de beheerders een risicogebaseerde aanpak invoeren. In dit verband is het passend dat de Commissie regelingen uitwerkt voor de toepassing van de vereisten op grond van beste praktijken in de lidstaten, alsook operationele richtsnoeren ontwikkelt inzake de controle op de naleving van de op risico gebaseerde aanpak, na raadpleging van het comité voor de governance van de energie-unie en het bij Beschikking 89/367/EEG van de Raad ingestelde Permanent Comité voor de bosbouw24.

Amendement    74

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 76 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(76 bis)  Indien de nationale en/of subnationale wetgeving of de toezichtsystemen van een lidstaat niet voldoen aan een bepaald criterium in verband met de duurzaamheid van bosbiomassa, moet aanvullende informatie over dat criterium worden verstrekt op het niveau van het bevoorradingsgebied, zonder dat aanvullende informatie wordt vereist over de criteria waaraan op lidstaatniveau reeds is voldaan.

Motivering

De risicogebaseerde aanpak wordt criterium per criterium toegepast. De voorgestelde praktijk zou het doel van de risicogebaseerde aanpak veiligstellen en tegelijk het risico beperken dat er gebruik wordt gemaakt van niet-duurzame biomassa wegens tekortkomingen met betrekking tot een enkel criterium.

Amendement    75

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 76 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(76 ter)  Een "op risico gebaseerde aanpak" moet in eerste instantie op nationaal niveau worden uitgevoerd. Indien aan de vereisten van een bepaald criterium niet kan worden voldaan aan de hand van nationale en/of subnationale wetgeving of toezichtsystemen, moet de informatie met betrekking tot dat deel op het niveau van het bevoorradingsgebied worden verstrekt, teneinde het risico van niet-duurzame productie van bosbiomassa te beperken.

Amendement    76

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 76 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(76 quater)  Het oogsten voor energiedoeleinden is toegenomen en zal naar verwachting blijven groeien, wat zowel meer invoer van grondstoffen vanuit derde landen als een toegenomen productie van die grondstoffen binnen de Unie met zich zal meebrengen. De beheerders moeten ervoor zorgen dat de oogst voldoet aan de duurzaamheidscriteria.

Amendement    77

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 78

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(78)  Biomassabrandstoffen moeten op een efficiënte manier worden omgezet in elektriciteit en warmte met het oog op maximale energiezekerheid en broeikasgasemissiereductie en om de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen te beperken en de druk op beperkte bronnen van biomassa zo veel mogelijk te beperken. Daarom moet overheidssteun aan installaties met een brandstofcapaciteit van 20 MW of meer, indien nodig, uitsluitend worden toegekend aan hoogrenderende warmtekrachtkoppelingsinstallaties als gedefinieerd in artikel 2, punt 34, van Richtlijn 2012/27/EU. Bestaande steunregelingen voor elektriciteit uit biomassa moeten echter tot hun voorziene einddatum voor alle biomassainstallaties worden toegestaan. Bovendien dient elektriciteit die wordt opgewekt uit biomassa in nieuwe installaties met een brandstofcapaciteit van 20 MW of meer enkel te worden meegerekend voor de streefcijfers en verplichtingen inzake hernieuwbare energie in het geval van hoogrenderende warmtekrachtkoppelingsinstallaties. Om een grotere afhankelijkheid van fossiele brandstoffen met een grote impact op het klimaat en het milieu te vermijden, moeten de lidstaten overeenkomstig de staatssteunregels echter de mogelijkheid hebben om installaties overheidssteun toe te kennen voor de opwekking van hernieuwbare energie en de in deze installaties geproduceerde elektriciteit mee te rekenen voor de streefcijfers en verplichtingen inzake hernieuwbare energie indien zij, na alle technische en economische mogelijkheden voor de bouw van hoogrenderende warmtekrachtkoppelingsinstallaties te hebben benut, een gegrond risico zouden lopen wat de leveringszekerheid van elektriciteit betreft.

(78)  Biomassabrandstoffen moeten op een efficiënte manier worden omgezet in elektriciteit en warmte met het oog op maximale energiezekerheid en broeikasgasemissiereductie en om de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen te beperken en de druk op beperkte bronnen van biomassa zo veel mogelijk te beperken. Daarom moet overheidssteun aan installaties met een brandstofcapaciteit van 20 MW of meer, indien nodig, uitsluitend worden toegekend aan hoogrenderende warmtekrachtkoppelingsinstallaties als gedefinieerd in artikel 2, punt 34, van Richtlijn 2012/27/EU. Bestaande steunregelingen voor elektriciteit uit biomassa moeten echter tot hun voorziene einddatum voor alle biomassainstallaties worden toegestaan. Bovendien dient elektriciteit die wordt opgewekt uit biomassa in nieuwe installaties met een brandstofcapaciteit van 20 MW of meer enkel te worden meegerekend voor de streefcijfers en verplichtingen inzake hernieuwbare energie in het geval van hoogrenderende warmtekrachtkoppelingsinstallaties. Om een grotere afhankelijkheid van fossiele brandstoffen met een grote impact op het klimaat en het milieu te vermijden, moeten de lidstaten overeenkomstig de staatssteunregels echter de mogelijkheid hebben om installaties overheidssteun toe te kennen voor de opwekking van hernieuwbare energie en de in deze installaties geproduceerde elektriciteit mee te rekenen voor de streefcijfers en verplichtingen inzake hernieuwbare energie indien zij, na alle technische en economische mogelijkheden voor de bouw van hoogrenderende warmtekrachtkoppelingsinstallaties te hebben benut, een gegrond risico zouden lopen wat de leveringszekerheid van elektriciteit betreft. Er moet met name meer steun worden verleend aan installaties voor de productie van hernieuwbare energie uit biomassa in ultraperifere gebieden die sterk afhankelijk zijn van ingevoerde energie, op voorwaarde dat de duurzaamheidscriteria in acht worden genomen die voor de productie van deze hernieuwbare energie gelden, en die steun moet worden aangepast aan de specifieke kenmerken van deze gebieden.

Amendement    78

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 80

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(80)  Uit ervaring met de praktische uitvoering van de duurzaamheidscriteria van de Unie blijkt dat het passend is de rol van vrijwillige internationale en nationale certificeringsregelingen voor de controle op de naleving van de duurzaamheidscriteria op geharmoniseerde wijze te versterken.

(80)  Uit ervaring met de praktische uitvoering van de duurzaamheidscriteria van de Unie blijkt dat het passend is rekening te houden met de rol van vrijwillige internationale en nationale certificeringsregelingen voor de controle op de naleving van de duurzaamheidscriteria op geharmoniseerde wijze.

Amendement    79

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 82

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(82)  Vrijwillige regelingen spelen een steeds belangrijkere rol bij het leveren van bewijzen dat aan de duurzaamheidscriteria en criteria inzake broeikasgasemissiereductie voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen wordt voldaan. Daarom is het passend dat de Commissie eist dat vrijwillige regelingen, ook de reeds door de Commissie erkende, op regelmatige basis verslag uitbrengen over hun werkzaamheden. Dergelijke verslagen moeten openbaar worden gemaakt om de transparantie te vergroten en het toezicht door de Commissie te verbeteren. Daarnaast zouden deze verslagen de Commissie de nodige informatie geven om verslag uit te brengen over de werking van de vrijwillige regelingen om een beste praktijk vast te stellen en indien passend een voorstel in te dienen om een dergelijke beste praktijk verder te promoten.

(82)  Vrijwillige regelingen kunnen een belangrijke rol spelen bij het leveren van bewijzen dat aan de minimumcriteria inzake duurzaamheid en broeikasgasemissiereductie voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen wordt voldaan. Daarom is het passend dat de Commissie eist dat vrijwillige regelingen, ook de reeds door de Commissie erkende, op regelmatige basis verslag uitbrengen over hun werkzaamheden. Dergelijke verslagen moeten openbaar worden gemaakt om de transparantie te vergroten en het toezicht door de Commissie te verbeteren. Daarnaast zouden deze verslagen de Commissie de nodige informatie geven om verslag uit te brengen over de werking van de vrijwillige regelingen om een beste praktijk vast te stellen en indien passend een voorstel in te dienen om een dergelijke beste praktijk verder te promoten.

Motivering

Consumenten moeten middels garanties van oorsprong worden geïnformeerd over de naleving van duurzaamheidscriteria en broeikasgasemissiereducties.

Amendement    80

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 84

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(84)  Om disproportionele administratieve lasten te vermijden, moet een lijst standaardwaarden voor gebruikelijke routes voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen worden vastgesteld, die, steeds wanneer nieuwe betrouwbare gegevens beschikbaar komen, geactualiseerd en uitgebreid moet worden. Marktpartijen moeten steeds het recht hebben het in die lijst voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen vermelde niveau van broeikasgasemissiereductie te doen gelden. Als de standaardwaarde voor broeikasgasemissiereductie van een productieketen onder de vereiste minimumreductie voor broeikasgasemissiereductie blijft, moeten producenten die wensen aan te tonen dat ze dit minimumniveau bereikten, aantonen dat de werkelijke emissies van hun productieprocessen lager zijn dan die waarvan is uitgegaan bij de berekening van de standaardwaarden.

(84)  Om disproportionele administratieve lasten te vermijden, moet een lijst standaardwaarden voor gebruikelijke routes voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen worden vastgesteld, die, steeds wanneer nieuwe betrouwbare gegevens beschikbaar komen, geactualiseerd en uitgebreid moet worden. Marktpartijen moeten steeds het recht hebben het in die lijst voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen vermelde niveau van rechtstreekse broeikasgasemissiereductie te doen gelden. Als de standaardwaarde voor rechtstreekse broeikasgasemissiereductie van een productieketen onder de vereiste minimumreductie voor broeikasgasemissiereductie blijft, moeten producenten die wensen aan te tonen dat ze dit minimumniveau bereikten, aantonen dat de werkelijke emissies van hun productieprocessen lager zijn dan die waarvan is uitgegaan bij de berekening van de standaardwaarden.

Motivering

Dit amendement is onlosmakelijk verbonden met de amendementen op artikel 25, lid 1.

Amendement    81

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 85

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(85)  Het is noodzakelijk duidelijke regels vast te stellen voor de berekening van de reductie van broeikasgasemissie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen en van vergelijkbare fossiele brandstoffen.

(85)  Het is noodzakelijk duidelijke regels op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria vast te stellen voor de berekening van de reductie van broeikasgasemissie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen en van vergelijkbare fossiele brandstoffen.

Amendement    82

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 95

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(95)  De wereldwijde vraag naar landbouwgrondstoffen stijgt. Het antwoord op deze stijgende vraag ligt ten dele in een toename van het landbouwareaal. Het herstel van gronden die ernstig zijn aangetast en bijgevolg in hun huidige toestand niet voor landbouwdoeleinden kunnen worden gebruikt, is een van de middelen om het voor de teelt beschikbare areaal te vergroten. Omdat het bevorderen van het gebruik van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen de vraag naar landbouwgrondstoffen zal doen toenemen, moet de duurzaamheidsregeling het gebruik van hersteld aangetast land stimuleren.

(95)  De wereldwijde vraag naar landbouwgrondstoffen stijgt. Het antwoord op deze stijgende vraag ligt ten dele in een toename van het landbouwareaal. Het herstel van gronden die ernstig zijn aangetast en bijgevolg in hun huidige toestand niet voor landbouwdoeleinden kunnen worden gebruikt, is een van de middelen om het voor de teelt beschikbare areaal te vergroten. Omdat het bevorderen van het gebruik van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen de vraag naar landbouwgrondstoffen zal doen toenemen, moet de duurzaamheidsregeling het gebruik van hersteld aangetast land stimuleren, wat kan leiden tot emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik.

Motivering

Dit amendement is onlosmakelijk verbonden met de amendementen op artikel 7, lid 1.

Amendement    83

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

In deze richtlijn wordt een gemeenschappelijk kader vastgesteld voor het bevorderen van energie uit hernieuwbare bronnen. Voorts wordt een bindend streefcijfer op Unieniveau vastgesteld voor het totale aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie in 2030. Zij stelt ook regels vast voor financiële steun aan uit hernieuwbare bronnen opgewekte elektriciteit en aan het gebruik van hernieuwbare energie in de verwarmings- en koelings- en vervoersectoren, regionale samenwerking tussen lidstaten onderling en met derde landen, garanties van oorsprong, administratieve procedures en voorlichting en opleiding. Zij stelt duurzaamheidscriteria en criteria inzake broeikasgasemissiereductie vast voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen.

In deze richtlijn wordt een gemeenschappelijk kader vastgesteld voor het bevorderen van energie uit hernieuwbare bronnen. Voorts worden bindende minimumstreefcijfers op Unieniveau vastgesteld voor het totale aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie en voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het vervoer in 2030. Deze streefcijfers van de Unie moeten gezamenlijk worden verwezenlijkt door de lidstaten middels nationale streefcijfers. De richtlijn stelt ook regels vast voor financiële steun aan uit hernieuwbare bronnen opgewekte elektriciteit en aan het gebruik van hernieuwbare energie in de verwarmings- en koelings- en vervoersectoren, regionale samenwerking tussen lidstaten onderling en met derde landen, garanties van oorsprong, administratieve procedures en voorlichting en opleiding. Zij stelt duurzaamheidscriteria en criteria inzake broeikasgasemissiereductie vast voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen.

Amendement    84

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 2 – letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

a)  "energie uit hernieuwbare bronnen": energie uit hernieuwbare niet-fossiele bronnen, namelijk wind-, zonne- (thermische zonne-energie en fotovoltaïsche energie) en, geothermische energie, omgevingswarmte, getijdenenergie, golfslagenergie en andere energie uit de oceanen, waterkracht, biomassa, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties en biogassen;

a)  "energie uit hernieuwbare bronnen": energie uit hernieuwbare niet-fossiele bronnen, namelijk wind-, zonne- (thermische zonne-energie en fotovoltaïsche energie), en geothermische energie, omgevingsenergie, getijdenenergie, golfslagenergie en andere energie uit de oceanen, waterkracht, biomassa, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties en biogassen;

Amendement    85

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 2 – letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

b)  "omgevingswarmte": thermische energie op een bruikbaar temperatuurniveau die wordt geëxtraheerd of onttrokken door middel van op elektriciteit of andere hulpenergie werkende warmtepompen, en die in de omgevingslucht, onder het vaste aardoppervlak of in het oppervlaktewater kan worden opgeslagen. De gerapporteerde waarden worden vastgesteld op basis van dezelfde methodologie die wordt gebruikt voor de rapportering van door middel van warmtepompen geëxtraheerde en onttrokken thermische energie;

b)  "omgevingsenergie": thermische energie op een bruikbaar temperatuurniveau die kan worden opgeslagen in de omgevingslucht – met uitzondering van afvoerlucht – in het oppervlaktewater of in rioolwater. De gerapporteerde waarden worden vastgesteld op basis van dezelfde methodologie die wordt gebruikt voor de rapportering van door middel van warmtepompen geëxtraheerde en onttrokken thermische energie;

Amendement    86

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 2 – letter b bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

b bis)  "geothermische energie": energie die in de vorm van warmte onder het vaste aardoppervlak is opgeslagen;

Amendement    87

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 2 – letter c

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

c)  "biomassa": de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van biologische oorsprong uit de landbouw, met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, met inbegrip van de visserij en de aquacultuur, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van afval, met inbegrip van industrieel en huishoudelijk afval van biologische oorsprong;

c)  "biomassa": de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van biologische oorsprong uit de landbouw, met inbegrip van bacteriën, plantaardige en dierlijke stoffen, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, met inbegrip van de visserij en de aquacultuur, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van afval, met inbegrip van industrieel en huishoudelijk afval van biologische oorsprong;

Amendement    88

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 2 – letter d

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

d)  "bruto-eindverbruik van energie": de energiegrondstoffen die geleverd worden aan de industrie, het vervoer, de huishoudens, de dienstensector inclusief de openbare diensten, de land- en bosbouw en de visserij, inclusief het verbruik van elektriciteit en warmte door de energiesector voor het produceren van elektriciteit en warmte en inclusief het verlies aan elektriciteit en warmte tijdens de distributie en de transmissie;

d)  "bruto-eindverbruik van energie": de energiegrondstoffen die geleverd worden aan de industrie, het vervoer, de huishoudens, de dienstensector inclusief de openbare diensten, de land- en bosbouw en de visserij, inclusief het verbruik van elektriciteit en warmte door de energiesector voor het produceren van elektriciteit, warmte en transportbrandstoffen, en inclusief het verlies aan elektriciteit en warmte tijdens de distributie en de transmissie;

Motivering

De efficiëntieverliezen bij de productie van warmte en transportbrandstoffen kunnen aanzienlijk zijn en moeten worden meegerekend in het bruto-eindverbruik van energie. Dit amendement is noodzakelijk om redenen in verband met de interne logica van de tekst en houdt onlosmakelijk verband met andere amendementen.

Amendement    89

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 2 – letter e

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

e)  "stadsverwarming" of "stadskoeling": de distributie van thermische energie in de vorm van stoom, warm water of gekoelde vloeistoffen vanuit een centrale productie-installatie via een netwerk dat verbonden is met meerdere gebouwen of locaties, voor het verwarmen of koelen van ruimten of processen;

e)  "stadsverwarming" of "stadskoeling": de distributie van thermische energie in de vorm van stoom, warm water of gekoelde vloeistoffen vanuit een centrale of gedecentraliseerde productie-installatie via een netwerk dat verbonden is met meerdere gebouwen of locaties, voor het verwarmen of koelen van ruimten of processen;

Amendement    90

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 2 – letter f

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

f)  "vloeibare biomassa": vloeibare brandstof voor energiedoeleinden andere dan vervoer, waaronder elektriciteit, verwarming en koeling, die geproduceerd is uit biomassa;

f)  "vloeibare biomassa": vloeibare brandstof voor energiedoeleinden andere dan vervoer, waaronder elektriciteit, verwarming en koeling, die geproduceerd is uit biomassa of door biomassa;

Amendement    91

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 2 – letter i

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

i)  "steunregeling": een instrument, regeling of mechanisme, toegepast door een lidstaat of een groep lidstaten, die het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen bevordert door de kosten van deze energievorm te verlagen, de verkoopprijs te verhogen of het volume aangekochte energie te vergroten door een verplichting tot het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen of op een andere wijze. Dit omvat, maar blijft niet beperkt tot, investeringssteun, belastingvrijstelling of -verlaging, terugbetaling van belasting, steunregelingen voor verplichting tot gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, met inbegrip van regelingen betreffende groenestroomcertificaten, en directe prijssteunregelingen, met inbegrip van feed-in-tarieven en premiebetalingen;

i)  "steunregeling": een instrument, regeling of mechanisme, toegepast door een lidstaat of een groep lidstaten, die het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen bevordert door de kosten van deze energievorm te verlagen, de verkoopprijs te verhogen of het volume aangekochte energie te vergroten door een verplichting tot het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen of op een andere wijze. Dit omvat, maar blijft niet beperkt tot, steun voor onderzoek en investeringen, belastingvrijstelling of -verlaging, terugbetaling van belasting, steunregelingen voor verplichting tot gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, met inbegrip van regelingen betreffende groenestroomcertificaten, en directe prijssteunregelingen, met inbegrip van feed-in-tarieven en premiebetalingen;

Motivering

Sommige lidstaten subsidiëren indirect de productie van hernieuwbare energie via steun voor onderzoek.

Amendement    92

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 2 – letter n bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

n bis)  "restafval": afvalstoffen die ontstaan bij een behandeling of een nuttige toepassing, waaronder recycling, waarvoor geen verdere nuttige toepassing is en die bijgevolg moeten worden verwijderd;

Motivering

De definitie moet worden toegevoegd om het gebruik van afvalstoffen zoals geavanceerde biobrandstoffen te omschrijven als louter afvalstoffen die niet meer kunnen worden gerecycled of teruggewonnen.

Amendement    93

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 2 – letter q

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

q)  "non-food cellulosemateriaal": grondstoffen hoofdzakelijk bestaande uit cellulose en hemicellulose, en met een lager ligninegehalte dan lignocellulosisch materiaal; het omvat residuen van voedsel- en voedergewassen (zoals stro, stelen en bladeren, vliezen en doppen), grasachtige energiegewassen met een laag zetmeelgehalte (zoals raaigras, switchgrass, miscanthus, pijlriet en bodembedekkende gewassen die worden verbouwd voor en na de hoofdgewassen), industriële residuen (ook uit voedsel- en voedergewassen nadat plantaardige oliën, suikers, zetmeel en eiwitten zijn geëxtraheerd) en materiaal uit bioafval;

q)  "non-food cellulosemateriaal": grondstoffen hoofdzakelijk bestaande uit cellulose en hemicellulose, en met een lager ligninegehalte dan lignocellulosisch materiaal; het omvat residuen van voedsel- en voedergewassen (zoals stro, stelen en bladeren, vliezen en doppen), grasachtige energiegewassen met een laag zetmeelgehalte (zoals raaigras, switchgrass, miscanthus, pijlriet en bodembedekkende gewassen die worden verbouwd voor en na de hoofdgewassen en gewassen van kunstweiden zoals gras, klaver en luzerne), industriële residuen (ook uit voedsel- en voedergewassen nadat plantaardige oliën, suikers, zetmeel en eiwitten zijn geëxtraheerd) en materiaal uit bioafval;

Motivering

Gewassen van kunstweiden kunnen worden gebruikt voor de productie van biogas.

Amendement    94

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 2 – letter u

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

u)  "biobrandstoffen en vloeibare biomassa met een laag risico op indirecte veranderingen in het landgebruik": biobrandstoffen en vloeibare biomassa waarvan de grondstoffen zijn geproduceerd in het kader van regelingen die de verplaatsing van productie voor andere doeleinden dan het maken van biobrandstoffen en vloeibare biomassa beperken, en die zijn geproduceerd overeenkomstig de duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa vermeld in artikel 26.

u)  "biobrandstoffen en vloeibare biomassa met een laag risico op indirecte veranderingen in het landgebruik": biobrandstoffen en vloeibare biomassa waarvan de grondstoffen zijn geproduceerd op ongebruikte, minderwaardige grond en die de koolstofafvang van deze grond verbeteren, in het kader van regelingen die de verplaatsing van productie voor andere doeleinden dan het maken van biobrandstoffen en vloeibare biomassa, onder meer voor het maken van eiwitrijke diervoeders, beperken, en die zijn geproduceerd overeenkomstig de duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa vermeld in artikel 26.

Motivering

Dit amendement is onlosmakelijk verbonden met een amendement op artikel 7, lid 1.

Amendement    95

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 2 – letter z

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

z)  "repowering": het vernieuwen van hernieuwbare energie producerende elektriciteitscentrales, met inbegrip van de volledige of gedeeltelijke vervanging van installaties of exploitatiesystemen en apparatuur, teneinde de capaciteit te vervangen of de efficiëntie te verhogen;

z)  "repowering": het vernieuwen van hernieuwbare energie producerende elektriciteitscentrales, met inbegrip van de volledige of gedeeltelijke vervanging van exploitatiesystemen en apparatuur van installaties, teneinde de capaciteit te vergroten of te vervangen en/of de efficiëntie te verhogen;

Amendement    96

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 2 – letter y

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

y)  "afvalwarmte of afvalkoude": warmte of koude die als bijproduct in industriële of stroomopwekkingsinstallaties wordt geproduceerd en die ongebruikt terecht zou komen in lucht of water zonder verbinding met een stadsverwarmings- of stadskoelingssysteem;

y)  "afvalwarmte of afvalkoude": onvermijdelijke warmte of koude die als bijproduct in industriële installaties of stroomopwekkingsinstallaties wordt geproduceerd (nadat eerst gebruik is gemaakt van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling of wanneer warmtekrachtkoppeling niet haalbaar is) of afkomstig is van de tertiaire sector, en die ongebruikt terecht zou komen in lucht of water zonder verbinding met een stadsverwarmings- of stadskoelingssysteem;

Amendement    97

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 2 – letter aa

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

aa)  "consument van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie": een actieve afnemer als gedefinieerd in Richtlijn [MDI Directive] die hernieuwbare elektriciteit die op eigen terrein is geproduceerd, met inbegrip van een appartementsgebouw, een commerciële locatie of een locatie met gedeelde diensten of een gesloten distributiesysteem, verbruikt en kan opslaan en verkopen, op voorwaarde dat dit voor niet-huishoudelijke consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie niet hun primaire commerciële of professionele activiteit is;

aa)  "consument van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie": een actieve afnemer of een groep gezamenlijk optredende afnemers als gedefinieerd in Richtlijn [MDI Directive] die hernieuwbare elektriciteit die op eigen terrein is geproduceerd, met inbegrip van een appartementsgebouw, een woongebied, een commerciële of industriële locatie of een locatie met gedeelde diensten of in hetzelfde gesloten distributiesysteem, verbruiken en kunnen opslaan en verkopen, op voorwaarde dat dit voor niet-huishoudelijke consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie niet hun primaire commerciële of professionele activiteit is;

Amendement    98

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 2 – letter aa bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

aa bis)  "hernieuwbare-energiegemeenschap": een lokale energiegemeenschap als omschreven in artikel 2 van Richtlijn ... van het Europees Parlement en de Raad [betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (herschikking), 2016/0380(COD)] die voldoet aan de voorschriften van artikel 22, lid 1, van deze richtlijn;

Amendement    99

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 2 – letter bb

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

bb)  "consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie": productie en verbruik, en in voorkomend geval opslag, van hernieuwbare elektriciteit door consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie;

bb)  "consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie": productie en verbruik, en in voorkomend geval opslag, van hernieuwbare energie door consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie;

Amendement    100

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 2 – letter cc

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

cc)  "stroomafnameovereenkomst": een overeenkomst waarmee een rechtspersoon zich ertoe verbindt hernieuwbare energie rechtstreeks van een stroomproducent te kopen;

cc)  "hernieuwbare-stroomafnameovereenkomst": een overeenkomst waarmee een rechtspersoon of natuurlijke persoon zich ertoe verbindt hernieuwbare energie rechtstreeks van een stroomproducent te kopen;

Amendement    101

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 2 – letter dd

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

dd)  "voedsel- en voedergewassen": zetmeelrijke gewassen, suikers en oliegewassen die als hoofdgewas op landbouwgrond worden geteeld, met uitzondering van residuen, afvalstoffen of lignocellulosisch materiaal;

dd)  "voedsel- en voedergewassen": zetmeelrijke gewassen, suikers en oliegewassen en andere gewassen die hoofdzakelijk voor energiedoeleinden op landbouwgrond worden geteeld als hoofdgewas, met uitzondering van residuen en afvalstoffen;

Amendement    102

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 2 – letter ee

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

ee)  "geavanceerde biobrandstoffen": brandstoffen die worden geproduceerd uit in bijlage IX, deel A, vermelde grondstoffen;

ee)  "geavanceerde biobrandstoffen": brandstoffen zoals die welke worden geproduceerd uit in bijlage IX, deel A, vermelde grondstoffen en andere biomassa dan voedsel-/voedergewassen, op voorwaarde dat is voldaan aan de duurzaamheidsregeling van de EU;

Motivering

Het innovatieve gebruik van biomassa moet worden aangemoedigd wanneer aan de duurzaamheidscriteria is voldaan.

Amendement    103

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 2 – letter ff

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

ff)  "uit afval geproduceerde fossiele brandstoffen": vloeibare en gasvormige brandstoffen die zijn geproduceerd uit afvalstromen van niet-hernieuwbare oorsprong, met inbegrip van afvalverwerkings- en uitlaatgassen;

Schrappen

Amendement    104

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 2 – letter ff bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

ff bis)  "brandstoffen op basis van gerecycleerde koolstof": vloeibare en gasvormige brandstoffen die zijn geproduceerd uit onvermijdelijke afvalstromen van niet-hernieuwbare oorsprong, met inbegrip van afvalverwerkings- en afvoergassen, met aanzienlijke broeikasgasemissiereducties gedurende hun volledige levenscyclus; indien zij worden geproduceerd uit vaste afvalstromen wordt enkel afval gebruikt dat niet herbruikbaar en niet mechanisch recycleerbaar is, met volledige inachtneming van de hiërarchie van het afvalbeheer; indien zij worden geproduceerd uit gasvormige procesemissies moeten deze worden uitgestoten als een onvermijdelijk en onopzettelijk gevolg van het productieproces; het aandeel gasvormig afval dat wordt gebruikt voor de productie van deze brandstoffen op basis van gerecycleerde koolstof mag niet worden meegerekend in het kader van andere emissiebeperkingsregelingen, zoals de EU-regeling voor de emissiehandel;

Amendement    105

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 2 – letter jj

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

jj)  "oogstvergunning": een officieel document dat recht geeft op het oogsten van bosbiomassa;

jj)  "oogstvergunning": een wettelijke vergunning of vergelijkbaar recht krachtens de nationale en/of regionale wetgeving voor het oogsten van bosbiomassa;

Amendement    106

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 2 – letter mm

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

mm)  "bosbedrijf": één of meerdere percelen bosgebied en andere beboste grond die vanuit het oogpunt van beheer of gebruik een eenheid vormen;

mm)   "bevoorradingsgebied": de geografische regio waaruit de grondstof voor de biomassa afkomstig is;

Amendement    107

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 2 – letter nn

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

nn)  "bioafval": biologisch afbreekbaar tuin- en plantsoenafval, levensmiddelen- en keukenafval van huishoudens, restaurants, cateringfaciliteiten en winkels en vergelijkbare afvalstoffen van de levensmiddelenindustrie;

nn)  "bioafval": bioafval als omschreven in artikel 3, punt 4, van Richtlijn 2008/98/EG;

Amendement    108

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Algemeen bindend streefcijfer op Unieniveau voor 2030

Algemeen bindend streefcijfer op Unieniveau en nationale streefcijfers voor 2030

Amendement    109

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  De lidstaten zorgen er samen voor dat het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie in de Unie in 2030 minstens 27 % bedraagt.

1.  De lidstaten zorgen er samen voor dat het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie in de Unie in 2030 minstens 35 % bedraagt.

Amendement    110

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – lid 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 bis.  Elke lidstaat ziet erop toe dat het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in alle vormen van vervoer in 2030 ten minste 12 % bedraagt van het eindverbruik van energie in het vervoer in die lidstaat.

 

Om in aanmerking te kunnen komen voor het bereiken van dit streefcijfer moeten de broeikasgasemissiereducties die afkomstig zijn van het gebruik van biobrandstoffen en biogassen in overeenstemming zijn met de in artikel 26, lid 7, vastgelegde criteria bij een vergelijking met fossiele brandstoffen volgens de methodologie als bedoeld in artikel 28, lid 1.

Amendement    111

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  De respectieve bijdragen van de lidstaten aan dit algemeen streefcijfer voor 2030 worden vastgesteld en meegedeeld aan de Commissie als onderdeel van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen overeenkomstig de artikelen 3 tot en met 5 en de artikelen 9 tot en met 11 van Verordening [governance].

2.  De lidstaten stellen streefcijfers vast om te voldoen aan dit algemeen streefcijfer voor 2030 als onderdeel van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen overeenkomstig de artikelen 3 tot en met 5 en de artikelen 9 tot en met 13 van Verordening [governance]. Indien de Commissie op basis van de beoordeling van de ingevolge artikel 3 van Verordening [governance] ingediende definitieve geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen tot de conclusie komt dat de streefcijfers van de lidstaten niet volstaan om het algemeen bindend streefcijfer op Unieniveau gezamenlijk te bereiken, stellen de lidstaten die een streefcijfer hebben voorgesteld dat lager ligt dan wanneer de formule als vastgesteld in bijlage I bis wordt toegepast, een hoger streefcijfer vast aan de hand van deze formule.

 

In gevallen waarin een lidstaat wegens uitzonderlijke en naar behoren gerechtvaardigde omstandigheden niet op koers ligt om het bedoelde streefcijfer te behalen, kan deze lidstaat met maximaal 10 % afwijken van het bedoelde niveau van dit streefcijfer. In dat geval stellen de lidstaten de Commissie daarvan uiterlijk in 2025 in kennis. Indien hierdoor de verwezenlijking van het algemeen bindend streefcijfer op Unieniveau in gevaar komt, nemen de Commissie en de lidstaten corrigerende maatregelen zoals de in artikel 27, lid 4, van Verordening [governance] vastgestelde maatregelen om de kloof daadwerkelijk te overbruggen.

Amendement    112

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – lid 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis.  De lidstaten zorgen ervoor dat hun nationaal beleid aansluit bij de beginselen van de afvalhiërarchie als vastgesteld in artikel 4 van Richtlijn 2008/98/EG. De lidstaten evalueren daartoe regelmatig hun nationaal beleid en geven voor elke afwijking een rechtvaardiging in de krachtens artikel 18, onder c), van Verordening [governance] vereiste verslagen.

Motivering

De lidstaten moeten de samenhang tussen hun beleid ter ondersteuning van hernieuwbare energie en de afvalwetgeving evalueren, met name met betrekking tot de toepassing van de afvalhiërarchie.

Amendement    113

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.  De Commissie ondersteunt het hoge ambitieniveau van de lidstaten door middel van een kader dat een intensiever gebruik van EU-middelen mogelijk maakt, met name van financieringsinstrumenten, voornamelijk om de kapitaalkosten van projecten op het gebied van hernieuwbare energie te verlagen.

4.  De Commissie ondersteunt het hoge ambitieniveau van de lidstaten door middel van een kader dat een intensiever gebruik van EU-middelen mogelijk maakt, met name van financieringsinstrumenten, voornamelijk om de kapitaalkosten van projecten op het gebied van hernieuwbare energie te verlagen en om projecten voor de opwekking van energie uit hernieuwbare bronnen met een grensoverschrijdende dimensie te ondersteunen.

Amendement    114

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Financiële steun voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen

Steun voor energie uit hernieuwbare bronnen

Amendement    115

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  In overeenstemming met de staatssteunregels kunnen de lidstaten steunregelingen hanteren om het in artikel 3, lid 1, vastgestelde streefcijfer op Unieniveau te halen. Steunregelingen voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen worden zodanig ontworpen dat onnodige verstoringen van de elektriciteitsmarkten worden vermeden en ervoor wordt gezorgd dat producenten rekening houden met het aanbod van en de vraag naar elektriciteit, alsook mogelijke netbeperkingen.

1.  Overeenkomstig artikel 194 VWEU en in overeenstemming met de artikelen 107 en 108 daarvan kunnen de lidstaten steunregelingen hanteren om de in artikel 3 vastgestelde streefcijfers op Unie- en nationaal niveau te halen of te overschrijden. Steunregelingen voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen zijn marktgericht, zodat een verstoring van de elektriciteitsmarkten wordt vermeden, en zorgen ervoor dat producenten rekening houden met het aanbod van en de vraag naar elektriciteit, alsook met mogelijke systeemintegratiekosten of netbeperkingen.

Amendement    116

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 bis.  De lidstaten kunnen steunregelingen hanteren die technologieneutraal dan wel technologiespecifiek zijn. Technologiespecifieke steunregelingen kunnen met name op basis van een of meer van de volgende gronden worden toegepast:

 

a)  het langetermijnpotentieel van een bepaalde technologie;

 

b)  de noodzaak om de energiemix technologisch of regionaal te diversifiëren;

 

c)  efficiënte systeemplanning en netintegratie;

 

d)  netwerkrestricties en netwerkstabiliteit;

 

e)beperkingen op milieugebied.

Amendement    117

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  Steun voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen wordt zodanig ontworpen dat elektriciteit uit hernieuwbare bronnen wordt geïntegreerd in de elektriciteitsmarkt en ervoor wordt gezorgd dat producenten van hernieuwbare energie inspelen op marktprijssignalen en hun marktinkomsten maximaliseren.

2.  Steun voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen wordt zodanig ontworpen dat de integratie van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in de elektriciteitsmarkt wordt gemaximaliseerd en ervoor wordt gezorgd dat producenten van hernieuwbare energie inspelen op marktprijssignalen en hun marktinkomsten maximaliseren; daarnaast wordt energie uit hernieuwbare bronnen compensaties geboden voor marktverstoringen.

 

De lidstaten kunnen uitzonderingen toestaan voor kleinschalige installaties van minder dan 500 kW en demonstratieprojecten. Voor elektriciteit uit windenergie geldt echter een drempel ter hoogte van een geïnstalleerde elektriciteitscapaciteit van 3 MW of drie productie-eenheden.

 

Onverminderd de eerder in deze alinea genoemde drempels kunnen de lidstaten hernieuwbare-energiegemeenschappen steunen via andere mechanismen en procedures.

Amendement    118

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 3 – alinea 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Indien steun voor energie uit hernieuwbare bronnen wordt toegekend via een aanbestedingsprocedure, zijn de vereisten van lid 3 bis van toepassing. Deze vereisten gelden echter niet voor kleinschalige installaties van minder dan 1 MW, voor windenergieprojecten tot maximaal zes productie-eenheden oftewel 6 MW, of voor demonstratieprojecten.

Amendement    119

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

3 bis.  Indien steun voor energie uit hernieuwbare bronnen wordt toegekend via een aanbesteding, zorgen de lidstaten met het oog op een hoge uitvoeringsgraad van de projecten voor:

 

a)  de vaststelling en publicatie van niet-discriminerende en transparante voorselectiecriteria en regels voor de leveringstermijn van het project;

 

b)  overleg met belanghebbenden om het ontwerpbestek te evalueren;

 

c)  de publicatie van informatie over eerdere aanbestedingen, met inbegrip van de uitvoeringsgraad van de projecten.

Amendement    120

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 3 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

3 ter.  De lidstaten publiceren een langetermijnplanning van de verwachte steuntoewijzing, die betrekking heeft op ten minste de vijf daaropvolgende jaren en waarin het indicatieve tijdschema is opgenomen, met inbegrip – in voorkomend geval – van de frequentie van aanbestedingen, en waarin ook de capaciteit, de begroting of het maximale steunbedrag per eenheid dat naar verwachting zal worden toegekend en de in aanmerking komende technologieën worden vermeld.

Amendement    121

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 3 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

3 quater.  De lidstaten houden bij het ontwerpen van steunregelingen rekening met de specifieke kenmerken van hernieuwbare-energiegemeenschappen en consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie, teneinde hen in staat te stellen op gelijke voet te concurreren.

Amendement    122

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 3 quinquies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

3 quinquies.  Om ervoor te zorgen dat in ultraperifere gebieden en op kleine eilanden meer energie uit hernieuwbare bronnen wordt opgewekt, kunnen de lidstaten financiële steun voor projecten in die gebieden aanpassen om rekening te houden met de productiekosten die samenhangen met hun specifieke omstandigheden, zoals hun geïsoleerde ligging en hun afhankelijkheid van externe leveranciers.

Amendement    123

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.  De lidstaten beoordelen ten minste om de vier jaar de doeltreffendheid van hun steun voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen. Besluiten over de voortzetting of verlenging van de steun en over het ontwerp van nieuwe steun worden gebaseerd op de resultaten van de beoordelingen.

4.  De lidstaten beoordelen ten minste om de vier jaar de doeltreffendheid van hun steun voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen en de verdelingseffecten ervan op verschillende groepen consumenten, onder meer op het concurrentievermogen van de industrie.

 

Bij de beoordeling wordt ook rekening gehouden met de gevolgen die mogelijke veranderingen aan de steunregelingen kunnen hebben voor investeringen. De lidstaten nemen deze beoordeling overeenkomstig Verordening ... van het Europees Parlement en de Raad [inzake de governance van de energie-unie] op in hun nationale energie- en klimaatplannen en de actualiseringen van die plannen.

 

De langetermijnplanning met betrekking tot de besluiten in verband met de steun en het ontwerp van nieuwe steun wordt gebaseerd op de resultaten van de beoordelingen. Daarbij wordt rekening gehouden met hun algehele doeltreffendheid om de streefcijfers inzake hernieuwbare energie en andere doelstellingen, zoals betaalbaarheid en de ontwikkeling van energiegemeenschappen, te verwezenlijken, alsook met de verdelingseffecten ervan op verschillende groepen consumenten, onder meer op het concurrentievermogen van de industrie.

Amendement    124

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

4 bis.  Uiterlijk ... [2021] en vervolgens om de drie jaar brengt de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de uitvoering van aanbestedingen in de Unie, waarbij ze met name onderzoekt of aanbestedingen in staat zijn:

 

a)  kosten te beperken;

 

b)  technologische verbeteringen tot stand te brengen;

 

c)  een hoge uitvoeringsgraad te bereiken;

 

d)  te zorgen voor niet-discriminerende participatie van kleine actoren en lokale overheden.

Amendement    125

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 4 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

4 ter.  Uiterlijk ... [zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] herziet de Commissie de richtsnoeren staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2014-2020 (2014/C 200/01) met het oog op de volledige integratie van de in artikel 4 vastgelegde algemene beginselen.

Amendement    126

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 4 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

4 quater.  In afwijking van lid 1 van dit artikel zorgen de lidstaten ervoor dat er geen steunregeling voor energie uit hernieuwbare bronnen wordt aangeboden voor stedelijk afval dat niet voldoet aan de verplichtingen inzake gescheiden inzameling zoals vastgesteld in Richtlijn 2008/98/EG.

Motivering

De steunregelingen voor hernieuwbare energiebronnen mogen niet bevorderend zijn voor afval waarbij de afvalhiërarchie niet in acht is genomen. Er mag met name geen steun worden verleend aan gemengd afval. De steunregelingen mogen enkel betrekking hebben op stedelijk restafval, ofwel gescheiden ingezameld stedelijk afval dat niet meer kan worden gerecycleerd of teruggewonnen en dat uitsluitend bedoeld is om te worden weggegooid.

Amendement    127

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 5 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  De lidstaten stellen de steun aan uit hernieuwbare bronnen opgewekte elektriciteit open voor producenten die in andere lidstaten gevestigd zijn overeenkomstig de in dit artikel vastgestelde voorwaarden.

1.  De lidstaten stellen de steun aan uit hernieuwbare bronnen opgewekte elektriciteit open voor producenten die in andere lidstaten gevestigd zijn overeenkomstig de in dit artikel vastgestelde voorwaarden. De lidstaten kunnen hun steun beperken tot installaties in lidstaten waarmee ze een directe verbinding hebben via interconnectoren.

Amendement    128

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 5 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat steun voor ten minste 10 % van de nieuw gefinancierde capaciteit in elk jaar tussen 2021 en 2025 en ten minste 15 % van de nieuw gefinancierde capaciteit in elk jaar tussen 2026 en 2030 wordt opengesteld voor installaties die zich in andere lidstaten bevinden.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat steun voor ten minste 8 % van de nieuw gefinancierde capaciteit in elk jaar tussen 2021 en 2025 en ten minste 13 % van de nieuw gefinancierde capaciteit in elk jaar tussen 2026 en 2030 wordt opengesteld voor installaties die zich in andere lidstaten bevinden. Als aan deze minimumniveaus is voldaan, hebben de lidstaten het recht om overeenkomstig de artikelen 7 tot en met 13 van deze richtlijn te besluiten in welke mate zij in een andere lidstaat geproduceerde energie uit hernieuwbare bronnen steunen.

Amendement    129

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 5 – lid 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis.  De lidstaten mogen de Commissie verzoeken hen vrij te stellen van de in dit artikel vastgestelde verplichting, met inbegrip van het besluit om installaties die zich op hun grondgebied bevinden geen toestemming te verlenen om deel te nemen aan steunregelingen die in andere lidstaten worden georganiseerd, en wel op een of meer van de volgende gronden:

 

a)  ontoereikende interconnectiecapaciteit;

 

b)  ontoereikende natuurlijke hulpbronnen;

 

c)  schadelijke gevolgen voor de energiezekerheid of de goede werking van de energiemarkt van de lidstaat die om een vrijstelling verzoekt.

 

Eventuele krachtens dit lid verleende vrijstellingen worden gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie en moeten uiterlijk tegen het einde van 2025 worden geëvalueerd.

Amendement    130

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 5 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.  Steunregelingen kunnen worden opengesteld voor grensoverschrijdende participatie, onder meer door middel van opengestelde aanbestedingen, gezamenlijke aanbestedingen, opengestelde certificeringregelingen of gezamenlijke steunregelingen. De toewijzing van hernieuwbare elektriciteit waarvoor steun wordt toegekend in het kader van opengestelde aanbestedingen, gezamenlijke aanbestedingen of opengestelde certificeringregelingen aan de respectieve bijdragen van de lidstaten wordt vastgesteld in een samenwerkingsovereenkomst die voorziet in de regels voor grensoverschrijdende uitbetaling van middelen volgens het principe dat energie wordt meegeteld ten bate van de lidstaat die de installatie financiert.

3.  Steunregelingen kunnen worden opengesteld voor grensoverschrijdende participatie, onder meer door middel van opengestelde aanbestedingen, gezamenlijke aanbestedingen, opengestelde certificeringregelingen of gezamenlijke steunregelingen. De toewijzing van hernieuwbare elektriciteit waarvoor steun wordt toegekend in het kader van opengestelde aanbestedingen, gezamenlijke aanbestedingen en opengestelde certificeringregelingen aan de respectieve bijdragen van de lidstaten wordt vastgesteld in een samenwerkingsovereenkomst die voorziet in de regels voor de grensoverschrijdende regeling, met inbegrip van voorwaarden voor participatie en uitbetaling van middelen, rekening houdend met verschillende belastingen en kosten, volgens het principe dat energie wordt meegeteld ten bate van de lidstaat die de installatie financiert. De samenwerkingsovereenkomst heeft ten doel de voorwaarden van het administratieve kader in de samenwerkende landen te harmoniseren om een gelijk speelveld te waarborgen.

Amendement    131

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 5 – lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.  De Commissie beoordeelt tegen 2025 de voordelen van de bepalingen van dit artikel ten aanzien van het kosteneffectieve gebruik van hernieuwbare elektriciteit in de Unie. Op basis van deze beoordeling kan de Commissie voorstellen de in lid 2 vastgestelde percentages te verhogen.

4.  De Commissie staat de lidstaten bij in het onderhandelingsproces en de opstelling van de samenwerkingsregelingen door gedurende het gehele proces informatie en analyses, waaronder kwantitatieve en kwalitatieve gegevens over directe en indirecte kosten en voordelen van samenwerking, alsook richtsnoeren en technische deskundigheid te verstrekken. Hiertoe stimuleert de Commissie de uitwisseling van beste praktijken en de ontwikkeling van modellen voor samenwerkingsovereenkomsten die het proces vergemakkelijken.

 

De Commissie beoordeelt tegen 2025 de voordelen van de bepalingen van dit artikel ten aanzien van het kosteneffectieve gebruik van hernieuwbare elektriciteit in de Unie. Op basis van deze beoordeling kan de Commissie voorstellen de in lid 2 vastgestelde percentages te wijzigen.

Amendement    132

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 6 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Onverminderd de nodige aanpassingen om te voldoen aan de staatssteunregels zorgen de lidstaten ervoor dat de herziening van het niveau van en de voorwaarden voor de steun die wordt toegekend aan projecten op het gebied van hernieuwbare energie geen negatieve gevolgen heeft voor de in dat kader verleende rechten en de rendabiliteit van de gefinancierde projecten.

De lidstaten zorgen ervoor dat de herziening van het niveau van en de voorwaarden voor de steun die wordt toegekend aan nieuwe of bestaande projecten op het gebied van hernieuwbare energie geen negatieve gevolgen heeft voor de in dat kader verleende rechten en de rendabiliteit ervan.

 

Wanneer andere regelgevingsinstrumenten worden gewijzigd en deze wijzigingen van invloed zijn op gefinancierde projecten op het gebied van hernieuwbare energie, zorgen de lidstaten ervoor dat wijzigingen in de regelgeving geen negatieve gevolgen hebben voor de rendabiliteit van de gefinancierde projecten.

Amendement    133

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 6 – alinea 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

De lidstaten zien erop toe dat eventuele wijzigingen in steunregelingen worden uitgevoerd op basis van een langetermijnplanning overeenkomstig artikel 4, lid 4, en ten minste negen maanden vóór ze van kracht worden publiek worden aangekondigd, en dat een dergelijke wijziging wordt onderworpen aan een transparante en inclusieve openbare raadpleging. Voor elke substantiële wijziging in een bestaande steunregeling wordt een passende overgangsperiode vastgesteld voordat de nieuwe steunregeling van kracht wordt.

 

Wanneer wijzigingen in de regelgeving of het netbeheer in aanzienlijke mate of op discriminerende wijze negatieve gevolgen hebben voor de rendabiliteit van gefinancierde projecten, zorgen de lidstaten ervoor dat deze gefinancierde projecten een compensatie ontvangen.

Amendement    134

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 7 – lid 1 – alinea 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Voor het berekenen van het bruto-eindverbruik van energie uit hernieuwbare energiebronnen in een lidstaat bedraagt de bijdrage van biobrandstoffen en vloeibare biomassa, alsook van in het vervoer verbruikte biomassabrandstoffen, indien geproduceerd uit voedsel- of voedergewassen, niet meer dan 7 % van het eindverbruik van energie in het vervoer over de weg of per spoor in die lidstaat. Deze drempel wordt in 2030 verlaagd tot 3,8 % volgens het in deel A van bijlage X vastgestelde traject. De lidstaten kunnen een lagere drempel vaststellen en een onderscheid maken tussen verschillende soorten biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen die worden geproduceerd uit voedsel- of voedergewassen, bijvoorbeeld door een lagere drempel vast te stellen voor de bijdrage van uit oliegewassen geproduceerde vloeibare biomassa op basis van voedsel- of voedergewassen, rekening houdend met indirecte veranderingen in het landgebruik.

Voor het berekenen van het bruto-eindverbruik van energie uit hernieuwbare energiebronnen in een lidstaat bedraagt de bijdrage van biobrandstoffen en vloeibare biomassa, alsook van in het vervoer verbruikte biomassabrandstoffen, indien geproduceerd uit voedsel- of voedergewassen, niet meer dan 7 % van het eindverbruik van energie in het vervoer over de weg of per spoor in die lidstaat, tenzij die brandstoffen voldoen aan de drempel voor de reductie van broeikasgassen zoals bedoeld in artikel 26, lid 7, met inachtneming van de gemiddelde geraamde emissies van grondstoffen voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik in deel A van bijlage VIII, of tenzij ze op basis van een door de Commissie ontwikkelde methodologie zijn gecertificeerd als biobrandstoffen en vloeibare biomassa met een laag risico op indirecte veranderingen in het landgebruik. Deze drempel wordt in 2030 verlaagd tot % volgens het in deel A van bijlage X vastgestelde traject. De bijdrage van uit palmolie geproduceerde biobrandstoffen en vloeibare biomassa bedraagt 0 % vanaf 2021. De Commissie ontwikkelt uiterlijk op 31 december 2019 een methodologie voor het certificeren van biobrandstoffen en vloeibare biomassa met een laag risico op indirecte veranderingen in het landgebruik als gedefinieerd in artikel 2, lid 2, onder u). De lidstaten kunnen een lagere drempel vaststellen en een onderscheid maken tussen verschillende soorten biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen die worden geproduceerd uit voedsel- of voedergewassen, bijvoorbeeld door een lagere drempel vast te stellen voor de bijdrage van uit oliegewassen geproduceerde vloeibare biomassa op basis van voedsel- of voedergewassen, rekening houdend met indirecte veranderingen in het landgebruik en andere onbedoelde duurzaamheidseffecten.

Amendement    135

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 7 – lid 1 – alinea 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 32 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de gemiddelde geraamde emissies van grondstoffen voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik in deel A van bijlage VIII te wijzigen op basis van het meest recente wetenschappelijke bewijsmateriaal. De Commissie evalueert de gemiddelde geraamde emissies van grondstoffen voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik vóór 31 december 2019, rekening houdend met alle broeikasgasreducties die verband houden met bijproducten van eiwithoudende diervoeders, en introduceert in voorkomend geval afzonderlijke waarden voor palmolie, sojaolie en andere oliegewassen.

Motivering

Het amendement is onlosmakelijk verbonden met de amendementen op de vorige alinea's en is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat de waarden in deel A van bijlage VIII voortdurend worden bijgewerkt op basis van het meest recente wetenschappelijke bewijsmateriaal.

Amendement    136

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 7 – lid 2 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Voor de toepassing van lid 1, onder a), wordt het bruto-eindverbruik van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen berekend als de hoeveelheid elektriciteit die in een lidstaat wordt geproduceerd uit hernieuwbare energiebronnen, met inbegrip van de productie van elektriciteit door consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie en energiegemeenschappen, en met uitzondering van de elektriciteitsproductie door middel van pompaccumulatie van water dat eerder omhoog is gepompt.

Voor de toepassing van lid 1, onder a), wordt het bruto-eindverbruik van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen berekend als de hoeveelheid elektriciteit die in een lidstaat wordt geproduceerd uit hernieuwbare energiebronnen, met inbegrip van de productie van elektriciteit door consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie en hernieuwbare-energiegemeenschappen, en met uitzondering van de elektriciteitsproductie door middel van pompaccumulatie van water dat eerder omhoog is gepompt.

Amendement    137

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 7 – lid 3 – alinea 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Omgevingswarmte-energie die wordt onttrokken door warmtepompen wordt in aanmerking genomen voor de toepassing van lid 1, onder b), mits de output van finale energie de input van primaire energie die nodig is voor het aandrijven van de warmtepompen, aanzienlijk overstijgt. De hoeveelheid warmte die voor de toepassing van deze richtlijn geacht wordt energie uit hernieuwbare bronnen te zijn, wordt berekend volgens de in bijlage VII bepaalde methodiek.

Omgevingsenergie en geothermische energie die worden overgedragen door warmtepompen voor de productie van verwarming of koeling worden in aanmerking genomen voor de toepassing van lid 1, onder b), mits de output van finale energie de input van primaire energie die nodig is voor het aandrijven van de warmtepompen, aanzienlijk overstijgt. De hoeveelheid warmte die voor de toepassing van deze richtlijn geacht wordt energie uit hernieuwbare bronnen te zijn, wordt berekend volgens de in bijlage VII bepaalde methodiek.

Amendement    138

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 7 – lid 3 – alinea 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 32 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot vaststelling van een methodologie voor de berekening van de hoeveelheid energie uit hernieuwbare bronnen die wordt gebruikt voor verwarming en koeling en in stadsverwarming en -koeling, en tot herziening van bijlage VII betreffende de berekening van energie uit warmtepompen.

Amendement    139

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 7 – lid 4 – letter b bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

b bis)  Om te voldoen aan het in artikel 3, lid 1, onder a), genoemde streefcijfer wordt de bijdrage van brandstoffen die in de lucht- en zeevaartsector worden verstrekt geacht respectievelijk 2 maal en 1,2 maal de energie-inhoud ervan te zijn en wordt de bijdrage van hernieuwbare elektriciteit die aan wegvoertuigen wordt geleverd geacht 2,5 maal de energie-inhoud ervan te zijn.

Amendement    140

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 7 – lid 5 – alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De Commissie is bevoegd gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 32 vast te stellen om de lijst van grondstoffen in de delen A en B van bijlage IX te wijzigen met het oog op het toevoegen, maar niet het schrappen van grondstoffen. Elke gedelegeerde handeling is gebaseerd op een analyse van de meest recente wetenschappelijke en technische vooruitgang, met inachtneming van de beginselen van de afvalhiërarchie zoals vastgelegd in Richtlijn 2008/98/EG, in overeenstemming met de duurzaamheidscriteria van de Unie, waaruit kan worden afgeleid dat de betrokken grondstof niet leidt tot extra landgebruik en waardoor het gebruik van afval- en reststoffen wordt bevorderd, waarbij significant verstorend effecten op markten voor (bij)producten, afvalstoffen of residuen worden vermeden, aanzienlijke broeikasgasemissiereducties worden opgeleverd in vergelijking met fossiele brandstoffen, en geen negatieve gevolgen voor het milieu en de biodiversiteit dreigen te worden veroorzaakt.

De Commissie is bevoegd gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 32 vast te stellen om de lijst van grondstoffen in de delen A en B van bijlage IX te wijzigen. Elke gedelegeerde handeling is gebaseerd op een analyse van de meest recente wetenschappelijke en technische vooruitgang, met inachtneming van de beginselen van de circulaire economie, de afvalhiërarchie zoals vastgelegd in Richtlijn 2008/98/EG, in overeenstemming met de duurzaamheidscriteria van de Unie, waaruit kan worden afgeleid dat de betrokken grondstof niet leidt tot extra landgebruik en waardoor het gebruik van afval- en reststoffen wordt bevorderd, waarbij significante verstorende effecten op markten voor (bij)producten, afvalstoffen of residuen worden vermeden, aanzienlijke broeikasgasemissiereducties worden opgeleverd in vergelijking met fossiele brandstoffen op basis van een levenscyclusbeoordeling van emissies, en geen negatieve gevolgen voor het milieu en de biodiversiteit dreigen te worden veroorzaakt.

Amendement    141

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 7 – lid 5 – alinea 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Om de twee jaar evalueert de Commissie de lijst van grondstoffen in de delen A en B van bijlage IX met het oog op het toevoegen van grondstoffen in overeenstemming met de in dit lid vastgestelde beginselen. De eerste evaluatie wordt uiterlijk zes maanden na [de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] uitgevoerd. In voorkomend geval stelt de Commissie gedelegeerde handelingen vast om de lijst van grondstoffen in de delen A en B van bijlage IX te wijzigen met het oog op het toevoegen, maar niet het schrappen van grondstoffen.

Om de twee jaar evalueert de Commissie de lijst van grondstoffen in de delen A en B van bijlage IX met het oog op het toevoegen of het schrappen van grondstoffen in overeenstemming met de in dit lid vastgestelde beginselen. De eerste evaluatie wordt uiterlijk zes maanden na [de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] uitgevoerd. In voorkomend geval stelt de Commissie gedelegeerde handelingen vast om de lijst van grondstoffen in de delen A en B van bijlage IX te wijzigen met het oog op het toevoegen of het schrappen van grondstoffen.

Amendement    142

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 7 – lid 5 – alinea 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Indien een grondstof wordt geschrapt uit de lijst in bijlage IX mogen installaties die geavanceerde biobrandstoffen maken van die grondstof deze nog vijf jaar na de inwerkingtreding van de gedelegeerde handeling tot schrapping van de grondstof uit bijlage IX gebruiken, mits het een geavanceerde biobrandstof is overeenkomstig artikel 2 van deze richtlijn.

Motivering

Hoewel de Commissie moet kunnen voorstellen om een grondstof uit bijlage IX te schrappen, moeten de exploitanten de mogelijkheid hebben om hun productieproces binnen een overgangsperiode aan te passen om investeringen tot op zekere hoogte veilig te stellen.

Amendement    143

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 7 – lid 5 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

5 bis.  Bij de vaststelling van beleidsmaatregelen ter bevordering van de productie van brandstoffen uit de in bijlage IX bij deze richtlijn vermelde grondstoffen zorgen de lidstaten ervoor dat de afvalhiërarchie als vastgesteld in artikel 4 van Richtlijn 2008/98/EG in acht wordt genomen, met inbegrip van de bepalingen over de levenscyclusbenadering met betrekking tot de algemene effecten van het produceren en beheren van verschillende afvalstromen.

Motivering

Heropname van de tekst van (EU) 2015/1513, artikel 2.

Amendement    144

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 9 – lid 5 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

5 bis.  De Commissie bevordert de totstandbrenging van gezamenlijke projecten tussen de lidstaten, vooral door middel van specifieke technische bijstand en steun bij projectontwikkeling.

Motivering

Dit amendement is noodzakelijk om redenen in verband met de interne logica van de tekst en houdt onlosmakelijk verband met andere amendementen.

Amendement    145

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 11 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  Een of meerdere lidstaten kunnen met een of meer derde landen samenwerken in alle soorten gezamenlijke projecten betreffende productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen. Bij deze samenwerking kunnen particuliere exploitanten betrokken zijn.

1.  Een of meerdere lidstaten kunnen met een of meer derde landen samenwerken in alle soorten gezamenlijke projecten betreffende productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen. Bij deze samenwerking kunnen particuliere exploitanten betrokken zijn en moet het internationaal recht volledig in acht worden genomen.

Motivering

Om de rechtszekerheid van activiteiten in derde landen te waarborgen, moeten goedgekeurde projecten volledig in overeenstemming zijn met de desbetreffende bepalingen van het internationaal recht, zoals het recht op zelfbeschikking in het geval van bezette gebieden.

Amendement    146

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 11 – lid 2 – letter c bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

c bis)  de elektriciteit is geproduceerd overeenkomstig het internationaal recht, met inbegrip van het recht inzake de mensenrechten.

Motivering

Het mag niet zo zijn dat de bepalingen van de richtlijn onbedoeld gunstig uitpakken voor het produceren van elektriciteit onder omstandigheden die in strijd zijn met het internationaal recht.

Amendement    147

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 11 – lid 3 – letter e

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

e)  de toepassing heeft betrekking op een gezamenlijk project dat voldoet aan de criteria van lid 2, onder b) en c), en maakt gebruik van de interconnector nadat deze operationeel is geworden, en op een hoeveelheid elektriciteit die niet groter is dan de hoeveelheid die naar de Unie zal worden uitgevoerd nadat de interconnector operationeel wordt.

e)  de toepassing heeft betrekking op een gezamenlijk project dat voldoet aan de criteria van lid 2, onder b), c) en c bis), en maakt gebruik van de interconnector nadat deze operationeel is geworden, en op een hoeveelheid elektriciteit die niet groter is dan de hoeveelheid die naar de Unie zal worden uitgevoerd nadat de interconnector operationeel wordt.

Motivering

Noodzakelijk voor consistentie met het voorgaande lid, letter c bis, toegevoegd via amendement 25.

Amendement    148

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 11 – lid 5 – letter d

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

d)  een schriftelijke bevestiging van de punten onder b) en c) door het derde land op wiens grondgebied de installatie operationeel zal worden, en het aandeel of de hoeveelheid door de installatie geproduceerde elektriciteit voor binnenlands verbruik in dit derde land.

d)  een schriftelijke bevestiging van lid 2, onder b), c) en c bis), door het derde land op wiens grondgebied de installatie operationeel zal worden, en het aandeel of de hoeveelheid door de installatie geproduceerde elektriciteit voor binnenlands verbruik in dit derde land.

Motivering

Noodzakelijk voor consistentie met het voorgaande lid 2, letter c bis, toegevoegd via amendement 25.

Amendement    149

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 13 – lid 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

3 bis.  De Commissie bevordert de totstandbrenging van gezamenlijke steunregelingen tussen de lidstaten, met name via het verspreiden van richtsnoeren en beste praktijken.

Motivering

Dit amendement is noodzakelijk om redenen in verband met de interne logica van de tekst en houdt onlosmakelijk verband met andere amendementen.

Amendement    150

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 15 – lid 1 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten zien erop toe dat nationale regels voor toestemmings-, certificerings- en vergunningsprocedures die worden toegepast op centrales en bijbehorende transmissie- en distributienetinfrastructuur voor de productie van elektriciteit, verwarming of koeling uit hernieuwbare energiebronnen, en op de omzetting van biomassa in biobrandstoffen of andere energieproducten, evenredig en noodzakelijk zijn.

De lidstaten zien erop toe dat nationale regels voor toestemmings-, certificerings- en vergunningsprocedures die worden toegepast op centrales en bijbehorende transmissie- en distributienetten voor de productie van elektriciteit, verwarming of koeling uit hernieuwbare energiebronnen, op de omzetting van biomassa in biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen of andere energieproducten, en op hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, evenredig en noodzakelijk zijn en in overeenstemming zijn met het beginsel "energie-efficiëntie eerst".

Motivering

Dit amendement is noodzakelijk om redenen in verband met de interne logica van de tekst en houdt onlosmakelijk verband met andere amendementen.

Amendement    151

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 15 – lid 1 – alinea 2 – letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

a)  de administratieve procedures worden gestroomlijnd en worden afgehandeld op het juiste administratieve niveau;

a)  de administratieve procedures worden gestroomlijnd en worden afgehandeld op het juiste administratieve niveau en voorzien in voorspelbare termijnen voor de afgifte van de noodzakelijke vergunningen en licenties;

Amendement    152

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 15 – lid 1 – alinea 2 – letter d

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

d)  vereenvoudigde en minder omslachtige toestemmingsprocedures, onder meer door een eenvoudige kennisgeving indien dit op grond van het toepasselijk regelgevend kader is toegestaan, worden opgesteld voor gedecentraliseerde apparaten voor het produceren van energie uit hernieuwbare bronnen.

d)  vereenvoudigde en minder omslachtige toestemmingsprocedures, onder meer door eenvoudige kennisgeving, worden opgesteld voor kleine projecten en gedecentraliseerde apparaten voor het produceren en opslaan van energie uit hernieuwbare bronnen, waaronder consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie en hernieuwbare-energiegemeenschappen.

Amendement    153

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 15 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.  De lidstaten zorgen voor voldoende voorspelbaarheid voor investeerders met betrekking tot het geplande gebruik van steunmaatregelen voor energie uit hernieuwbare bronnen. Hiertoe wordt door de lidstaten een langetermijnplanning van de verwachte steuntoewijzing vastgesteld en bekendgemaakt, die betrekking heeft op ten minste de drie daaropvolgende jaren en waarin voor elke regeling het indicatieve tijdschema, de capaciteit, het budget dat naar verwachting zal worden toegekend en een raadpleging van belanghebbenden over het ontwerp van de steun is opgenomen.

Schrappen

Amendement    154

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 15 – lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat hun bevoegde autoriteiten op nationaal, regionaal en lokaal niveau voorzien in bepalingen over de integratie en inzet van hernieuwbare energie en het gebruik van onvermijdelijke afvalwarmte of -koude bij de planning, het ontwerp, de bouw, en de renovatie van stedelijke infrastructuur, industriële of residentiële zones en energie-infrastructuur, met inbegrip van elektriciteit, stadsverwarming en -koeling, en netwerken voor aardgas en alternatieve brandstoffen.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat hun bevoegde autoriteiten op nationaal, regionaal en lokaal niveau voorzien in bepalingen over de integratie en inzet van hernieuwbare energie, onder meer betreffende vroegtijdige ruimtelijke planning, beoordelingen van behoeften en toereikendheid waarin rekening wordt gehouden met de energie-efficiëntie en vraagrespons, alsook specifieke bepalingen inzake de consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie en hernieuwbare-energiegemeenschappen, en het gebruik van onvermijdelijke afvalwarmte of -koude bij de planning, het ontwerp, de bouw, en de renovatie van stedelijke infrastructuur, industriële, commerciële of residentiële zones en energie-infrastructuur, met inbegrip van elektriciteit, stadsverwarming en -koeling, en netwerken voor aardgas en alternatieve brandstoffen. De lidstaten sporen met name lokale en regionale administratieve organen ertoe aan verwarming en koeling uit hernieuwbare energiebronnen in voorkomend geval op te nemen in de planning van stedelijke infrastructuur.

Amendement    155

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 15 – lid 5 – alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Bij de vaststelling van zulke maatregelen of in hun steunregelingen kunnen de lidstaten rekening houden met nationale maatregelen die verband houden met aanzienlijke verbeteringen van de energie-efficiëntie en met warmtekrachtkoppeling en passieve, lage- of nulenergiegebouwen.

Bij de vaststelling van zulke maatregelen of in hun steunregelingen kunnen de lidstaten rekening houden met nationale maatregelen die verband houden met aanzienlijke verbeteringen van de consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie, lokale opslag van energie, energie-efficiëntie en met warmtekrachtkoppeling en passieve, lage- of nulenergiegebouwen.

Motivering

Dit amendement is noodzakelijk om redenen in verband met de interne logica van de tekst en houdt onlosmakelijk verband met andere amendementen.

Amendement    156

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 15 – lid 5 – alinea 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

In hun bouwvoorschriften en -regels of op andere wijze met gelijkwaardig effect eisen de lidstaten dat in nieuwe gebouwen en bestaande gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd minimumniveaus van energie uit hernieuwbare bronnen worden gebruikt, rekening houdend met de resultaten van de kostenoptimaliteitsberekening die overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2010/31/EU wordt uitgevoerd. De lidstaten staan toe dat deze minimumniveaus onder meer worden verwezenlijkt middels een aanzienlijk aandeel van hernieuwbare energiebronnen.

In hun bouwvoorschriften en -regels of op andere wijze met gelijkwaardig effect eisen de lidstaten dat in nieuwe gebouwen en bestaande gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd minimumniveaus van energie uit hernieuwbare bronnen of installaties voor het opwekken van hernieuwbare energie worden gebruikt, rekening houdend met de resultaten van de kostenoptimaliteitsberekening die overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2010/31/EU wordt uitgevoerd. De lidstaten staan toe dat deze minimumniveaus onder meer worden verwezenlijkt middels stadsverwarming en -koeling die voor een aanzienlijk deel uit hernieuwbare energiebronnen wordt geproduceerd door middel van individuele of collectieve consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie als bedoeld in artikel 21, of door middel van warmtekrachtkoppeling op basis van hernieuwbare energie en het gebruik van afvalwarmte en -koude.

Amendement    157

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 15 – lid 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

6.  De lidstaten dragen er zorg voor dat nieuwe gebouwen, en bestaande gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd, van nationale, regionale en lokale overheden in het kader van deze richtlijn vanaf 1 januari 2012 een voorbeeldfunctie vervullen. De lidstaten kunnen onder meer toestaan dat aan die verplichting moet worden voldaan door ervoor te zorgen dat de daken van openbare of gemengde private-openbare gebouwen door derde partijen worden gebruikt voor installaties die energie uit hernieuwbare bronnen produceren.

6.  De lidstaten dragen er zorg voor dat nieuwe gebouwen, en bestaande gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd, van nationale, regionale en lokale overheden in het kader van deze richtlijn vanaf 1 januari 2012 een voorbeeldfunctie vervullen. De lidstaten kunnen onder meer toestaan dat aan die verplichting moet worden voldaan door naleving van de normen voor bijna-energieneutrale gebouwen als vereist in de richtlijn [EPBD], of door ervoor te zorgen dat de daken van openbare of gemengde private-openbare gebouwen door derde partijen worden gebruikt voor installaties die energie uit hernieuwbare bronnen produceren.

Amendement    158

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 15 – lid 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

7.  Met betrekking tot hun bouwvoorschriften en -regels bevorderen de lidstaten het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen voor verwarmings- en koelingssystemen en apparatuur die een aanzienlijk lager energieverbruik mogelijk maakt. De lidstaten maken gebruik van energie- of milieukeuren of van andere op nationaal of Unieniveau opgestelde geschikte certificaten of normen, voor zover deze bestaan, om dergelijke systemen en apparatuur aan te moedigen.

7.  Met betrekking tot hun bouwvoorschriften en -regels bevorderen de lidstaten het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen voor verwarmings- en koelingssystemen en apparatuur die een aanzienlijk lager energieverbruik mogelijk maakt. Hiertoe maken de lidstaten gebruik van energie- of milieukeuren of van andere op nationaal of Unieniveau opgestelde geschikte certificaten of normen, voor zover deze bestaan, en zij zorgen verder voor adequate informatie en advies over hernieuwbare, uiterst energie-efficiënte alternatieven en mogelijke beschikbare financiële instrumenten en stimulansen in het geval van vervanging, met het oog op de bevordering van een groter aantal vervangingen van oude verwarmingssystemen en een toegenomen overschakeling naar op hernieuwbare energie gebaseerde oplossingen zoals vereist in de richtlijn [EPBD].

Amendement    159

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 15 – lid 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

8.  De lidstaten beoordelen hun potentieel inzake hernieuwbare energiebronnen en het gebruik van afvalwarmte en -koude voor verwarming en koeling. Deze beoordeling wordt opgenomen in de tweede uitgebreide beoordeling die is vereist overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Richtlijn 2012/27/EU, voor het eerst uiterlijk op 31 december 2020 en in de daaropvolgende actualiseringen van de uitgebreide beoordelingen.

8.  De lidstaten beoordelen hun potentieel inzake hernieuwbare energiebronnen en het gebruik van afvalwarmte en -koude voor verwarming en koeling. In deze beoordeling moet specifiek aandacht worden besteed aan een ruimtelijke analyse van geschikte gebieden waar de milieurisico's bij het inzetten van deze oplossingen gering zijn en aan de mogelijkheden voor kleinschalige projecten binnen huishoudens. Deze beoordeling wordt opgenomen in de tweede uitgebreide beoordeling die is vereist overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Richtlijn 2012/27/EU, voor het eerst uiterlijk op 31 december 2020 en in de daaropvolgende actualiseringen van de uitgebreide beoordelingen.

Amendement    160

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 15 – lid 8 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

8 bis.  De lidstaten zorgen ervoor dat hun bevoegde autoriteiten op nationaal, regionaal en lokaal niveau in hun plannen met betrekking tot mobiliteit en vervoer bepalingen opnemen voor de integratie en invoering van vervoerswijzen die gebruikmaken van energie uit hernieuwbare bronnen.

Amendement    161

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 15 – lid 9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

9.  De lidstaten nemen de administratieve belemmeringen weg voor langlopende stroomafnameovereenkomsten op bedrijfsniveau om hernieuwbare energie te financieren en het gebruik ervan te bevorderen.

9.  De lidstaten beoordelen de regelgevings- en administratieve belemmeringen en het potentieel voor de afname van energie uit hernieuwbare bronnen door zakelijke afnemers op hun grondgebied en brengen een ondersteunend regelgevings- en administratief kader tot stand ter bevordering van langlopende afnameovereenkomsten voor stroom uit hernieuwbare bronnen op bedrijfsniveau om hernieuwbare energie te financieren en het gebruik ervan te bevorderen, waarbij ze erop toezien dat voor deze hernieuwbare-stroomafnameovereenkomsten geen onevenredige procedures en lasten worden ingevoerd die de kosten niet weerspiegelen. Met het sluiten van dergelijke hernieuwbare-stroomafnameovereenkomsten wordt namens de zakelijke afnemer een gelijkwaardige hoeveelheid overeenkomstig artikel 19 afgegeven garanties van oorsprong geschrapt. Dit gunstige kader maakt deel uit van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen overeenkomstig Verordening [governance].

Amendement    162

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 16 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  Het enkele administratieve contactpunt biedt op transparante wijze bijstand aan de aanvrager doorheen de aanvraagprocedure, verstrekt de aanvrager alle nodige informatie, coördineert en betrekt in voorkomend geval andere autoriteiten, en stelt een juridisch bindend besluit vast aan het einde van de procedure.

2.  Het enkele administratieve contactpunt biedt op transparante wijze bijstand aan de aanvrager doorheen de aanvraagprocedure, verstrekt de aanvrager alle nodige informatie, coördineert en betrekt in voorkomend geval andere autoriteiten, en stelt een juridisch bindend besluit vast aan het einde van de procedure. Aanvragers moeten de mogelijkheid krijgen alle relevante documenten in digitale vorm in te dienen.

Amendement    163

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 16 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.  In samenwerking met de transmissie- en distributiesysteembeheerders publiceert het enkele administratieve contactpunt een procedurehandleiding voor ontwikkelaars van projecten op het gebied van hernieuwbare energie, met inbegrip van kleinschalige projecten en projecten voor consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie.

3.  Om gemakkelijker toegang te krijgen tot de nodige informatie brengt het enkele administratieve contactpunt in samenwerking met de transmissie- en distributiesysteembeheerders één enkel online informatieplatform tot stand met uitleg over de procedures voor ontwikkelaars van projecten op het gebied van hernieuwbare energie, met inbegrip van kleinschalige projecten, projecten voor consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie en projecten voor hernieuwbare-energiegemeenschappen. Indien de lidstaat besluit meer dan een enkel administratief contactpunt op te richten, vindt de aanvrager via het informatieplatform de weg naar het voor de aanvraag relevante contactpunt.

Amendement    164

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 16 – lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.  De in lid 1 bedoelde vergunningsprocedure duurt niet langer dan drie jaar, met uitzondering van de in artikel 16, lid 5, en artikel 17 omschreven gevallen.

4.  De in lid 1 bedoelde vergunningsprocedure duurt niet langer dan drie jaar, met uitzondering van de in artikel 16, leden 4 bis en 5, en artikel 17 omschreven gevallen.

Amendement    165

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 16 – lid 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

4 bis.  Voor installaties met een elektrisch vermogen tussen 50 kW en 1 MW duurt de vergunningsprocedure niet langer dan één jaar. In buitengewone, naar behoren gemotiveerde omstandigheden kan deze termijn worden verlengd met drie bijkomende maanden.

 

De termijnen als bedoeld in de leden 4 en 4 bis gelden onverminderd gerechtelijke beroepsprocedures en rechtsmiddelen en kunnen hooguit worden verlengd met de duur van de gerechtelijke beroeps- en rechtsmiddelenprocedures.

 

De lidstaten zorgen ervoor dat aanvragers toegang hebben tot buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsmechanismen of eenvoudige en toegankelijke gerechtelijke procedures voor het beslechten van geschillen in verband met vergunningsprocedures en de afgifte van bouw- en exploitatievergunningen voor installaties voor de productie van energie uit hernieuwbare bronnen.

Amendement    166

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 16 – lid 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

5.  De lidstaten bevorderen de repowering van bestaande installaties voor hernieuwbare energie door onder meer te voorzien in een vereenvoudigde en snelle vergunningsprocedure, die niet langer duurt dan één jaar vanaf de datum waarop het verzoek om repowering is ingediend bij het enkele administratieve contactpunt.

5.  De lidstaten bevorderen de repowering van bestaande installaties voor hernieuwbare energie door onder meer te voorzien in een vereenvoudigde en snelle vergunningsprocedure, die niet langer duurt dan één jaar vanaf de datum waarop het verzoek om repowering is ingediend bij het enkele administratieve contactpunt. Onverminderd artikel 11, lid 4, van de elektriciteitsverordening zien de lidstaten erop toe dat de toegangs- en aansluitingsrechten met betrekking tot het netwerk gehandhaafd worden voor repoweringprojecten, op zijn minst voor gevallen waarin de capaciteit ongewijzigd blijft.

Amendement    167

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 17 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  Demonstratieprojecten en -installaties met een elektrisch vermogen van minder dan 50 kW mogen worden aangesloten op het net na een kennisgeving aan de distributiesysteembeheerder.

1.  Demonstratieprojecten en -installaties met een elektrisch vermogen van minder dan 50 kW mogen worden aangesloten op het net na een kennisgeving aan de distributiesysteembeheerder.

 

In afwijking van de eerste alinea kan de distributiesysteembeheerder voor demonstratieprojecten en -installaties met een vermogen tussen 10,8 kW en 50 kW besluiten deze eenvoudige kennisgeving om gegronde redenen te weigeren, of een andere oplossing voorstellen. In dit geval volgt er binnen de twee weken na de kennisgeving een voorstel en kan de aanvrager vervolgens verzoeken om via de standaardprocedures te worden aangesloten. Indien de distributiesysteembeheerder binnen deze termijn geen negatief besluit neemt, kan de installatie worden aangesloten.

Amendement    168

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 18 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  De lidstaten zien erop toe dat informatie over steunmaatregelen ter beschikking wordt gesteld van alle belanghebbende actoren, zoals consumenten, fabrikanten, installateurs, architecten, en leveranciers van apparatuur en systemen voor verwarming, koeling en elektriciteitsopwekking en van voertuigen die gebruik kunnen maken van energie uit hernieuwbare bronnen.

1.  De lidstaten zien erop toe dat informatie over steunmaatregelen ter beschikking wordt gesteld van alle belanghebbende actoren, zoals consumenten, met name kwetsbare consumenten met een laag inkomen, consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie, ontwikkelaars van hernieuwbare-energiegemeenschappen, installateurs, architecten, en leveranciers van apparatuur en systemen voor verwarming, koeling en elektriciteitsopwekking en van voertuigen die gebruik kunnen maken van energie uit hernieuwbare bronnen.

Motivering

In het voorstel van de Commissie wordt een nieuwe categorie consumenten geïntroduceerd. Kwetsbare consumenten met een laag inkomen, consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie en hernieuwbare-energiegemeenschappen zijn gevoelige groepen consumenten die speciale aandacht verdienen, omdat ze veel problemen ondervinden bij de toegang tot adequate en toegankelijke informatie over het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en de voordelen hiervan.

Amendement    169

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 18 – lid 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis.  De lidstaten zorgen voor informatie over de voordelen van intelligente vervoersystemen en aangesloten voertuigen voor de verkeersveiligheid, de bestrijding van files en brandstofefficiëntie.

Motivering

Dit amendement is noodzakelijk om redenen in verband met de interne logica van de tekst en houdt onlosmakelijk verband met andere amendementen.

Amendement    170

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 18 – lid 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

6.  De lidstaten ontwikkelen met deelneming van lokale en regionale autoriteiten passende informatie-, voorlichtings-, begeleidings- en/of opleidingsprogramma's om hun burgers in te lichten over de voordelen en praktische aspecten van de ontwikkeling en het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen.

6.  De lidstaten ontwikkelen met deelneming van lokale en regionale autoriteiten passende informatie-, voorlichtings-, begeleidings- en/of opleidingsprogramma's om hun burgers duidelijk te maken hoe ze hun rechten als actieve consumenten kunnen doen gelden en hen in te lichten over de voordelen en praktische aspecten – onder meer op technisch en financieel gebied – van de ontwikkeling en het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, met inbegrip van consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie en verbruik in het kader van hernieuwbare-energiegemeenschappen, alsook over de voordelen van mechanismen voor samenwerking tussen lidstaten en andere vormen van grensoverschrijdende samenwerking.

Motivering

Dit amendement is noodzakelijk om redenen in verband met de interne logica van de tekst en houdt onlosmakelijk verband met andere amendementen.

Amendement    171

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 19 – lid 2 – alinea 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten zorgen ervoor dat geen garanties van oorsprong worden afgegeven aan een producent die voor dezelfde uit hernieuwbare bronnen geproduceerde energie financiële steun van een steunregeling ontvangt. De lidstaten geven dergelijke garanties van oorsprong af en dragen deze over aan de markt door ze te veilen. De opbrengst van deze veiling wordt gebruikt om de kosten van de ondersteuning van hernieuwbare energie te compenseren.

De lidstaten zorgen ervoor dat er voor hernieuwbare-energie-installaties die na ... [datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] in bedrijf zijn gesteld geen garanties van oorsprong worden afgegeven aan een producent die voor dezelfde uit hernieuwbare bronnen geproduceerde energie financiële steun van een steunregeling ontvangt, tenzij er geen sprake is van dubbele compensatie. Er wordt aangenomen dat er geen sprake is van dubbele compensatie wanneer:

 

a)  de financiële steun wordt toegekend middels een aanbestedingsprocedure of een systeem van verhandelbare groene certificaten;

 

b)  de marktwaarde van de garanties van oorsprong administratief in aanmerking is genomen bij de vaststelling van de financiële steun; of

 

c)  de garanties van oorsprong niet rechtstreeks aan de producent worden afgegeven maar aan een leverancier of consument die de hernieuwbare energie afneemt via een voor mededinging openstaande procedure of een langlopende hernieuwbare-stroomafnameovereenkomst op bedrijfsniveau.

 

In andere dan de hierboven omschreven gevallen geven de lidstaten de garantie van oorsprong af voor statistische doeleinden, waarna ze de garantie onmiddellijk annuleren.

Amendement    172

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 19 – lid 7 – alinea 1 – letter a bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

a bis)  of de energiebron waarmee de energie is geproduceerd, voldoet aan de in artikel 26 van deze richtlijn vermelde duurzaamheidscriteria en criteria inzake broeikasgasemissiereductie;

Amendement    173

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 19 – lid 7 – alinea 1 – letter b – punt ii

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

ii)  gas; of

ii)  gas, met inbegrip van waterstof; of

Amendement    174

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 19 – lid 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

8.  Een elektriciteitsleverancier die voor de toepassing van artikel 3 van Richtlijn 2009/72/EG het aandeel of de hoeveelheid energie uit hernieuwbare bronnen in zijn energiemix moet aantonen, doet dat door middel van zijn garanties van oorsprong. Overeenkomstig artikel 14, lid 10, van Richtlijn 2012/27/EG gecreëerde garanties van oorsprong worden gebruikt om te voldoen aan alle vereisten om de hoeveelheid uit warmtekrachtkoppeling geproduceerde elektriciteit te staven. De lidstaten zorgen ervoor dat ten volle rekening wordt gehouden met transmissieverliezen wanneer garanties van oorsprong worden gebruikt om de consumptie van hernieuwbare energie of elektriciteit uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling aan te tonen.

8.  Een elektriciteitsleverancier die voor de toepassing van artikel 3 van Richtlijn 2009/72/EG het aandeel of de hoeveelheid energie uit hernieuwbare bronnen in zijn energiemix moet aantonen, doet dat door middel van zijn garanties van oorsprong. Overeenkomstig artikel 14, lid 10, van Richtlijn 2012/27/EG gecreëerde garanties van oorsprong worden gebruikt om te voldoen aan alle vereisten om de hoeveelheid uit warmtekrachtkoppeling geproduceerde elektriciteit te staven. Met betrekking tot lid 2 wordt, indien elektriciteit wordt opgewekt via hoogrenderende warmtekrachtkoppeling met gebruik van hernieuwbare bronnen, slechts één garantie van oorsprong afgegeven waarin beide kenmerken worden gespecificeerd. De lidstaten zorgen ervoor dat ten volle rekening wordt gehouden met transmissieverliezen wanneer garanties van oorsprong worden gebruikt om de consumptie van hernieuwbare energie of elektriciteit uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling aan te tonen.

Amendement    175

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 20 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  In voorkomend geval gaan de lidstaten na of de bestaande gasnetinfrastructuur moet worden uitgebreid om de integratie van gas uit hernieuwbare energiebronnen te vergemakkelijken.

1.  In voorkomend geval gaan de lidstaten na of de bestaande gasnetinfrastructuur moet worden uitgebreid om de integratie van gas uit hernieuwbare energiebronnen te vergemakkelijken. Transmissienetbeheerders en distributienetbeheerders zijn verantwoordelijk voor de goede werking van de gasnetinfrastructuur, met inbegrip van het onderhoud en het regelmatig schoonmaken ervan.

Motivering

Dit amendement is noodzakelijk om redenen in verband met de interne logica van de tekst en houdt onlosmakelijk verband met andere amendementen.

Amendement    176

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 20 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.  Op basis van hun overeenkomstig bijlage I bij Verordening [governance] in de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen opgenomen evaluatie van de noodzaak om nieuwe infrastructuur te bouwen voor stadsverwarming en -koeling uit hernieuwbare energiebronnen teneinde het in artikel 3, lid 1, van deze richtlijn bedoelde streefdoel van de Unie te halen, nemen de lidstaten waar nodig stappen om een infrastructuur voor stadsverwarming op te zetten teneinde de ontwikkeling van de productie van verwarming en koeling uit grote biomassa-installaties, zonne-energie-installaties en geothermische faciliteiten mogelijk te maken.

3.  Op basis van hun overeenkomstig bijlage I bij Verordening [governance] in de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen opgenomen evaluatie van de noodzaak om nieuwe infrastructuur te bouwen voor stadsverwarming en -koeling uit hernieuwbare energiebronnen teneinde het in artikel 3, lid 1, van deze richtlijn bedoelde streefdoel van de Unie te halen, nemen de lidstaten waar nodig stappen om een infrastructuur voor stadsverwarming op te zetten teneinde de ontwikkeling van de productie van verwarming en koeling uit grote installaties die gebruikmaken van duurzame biomassa, omgevingswarmte in grote warmtepompen, zonne-energie en geothermische energie, alsook overtollige warmte uit de industrie en andere bronnen, mogelijk te maken.

Motivering

Voegt duurzame energiebronnen toe die niet worden vermeld in de oorspronkelijke tekst.

Amendement    177

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 21 – lid 1 – alinea 1 – inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten zorgen ervoor dat consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie individueel of via aankoopgroeperingen:

De lidstaten waarborgen dat consumenten het recht hebben om consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie te worden. Daartoe zorgen de lidstaten ervoor dat consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie individueel of via aankoopgroeperingen:

Amendement    178

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 21 – lid 1 – alinea 1 – letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

a)  het recht hebben zelfgeproduceerde energie te consumeren en hun overtollige productie van hernieuwbare elektriciteit te verkopen, ook via stroomafnameovereenkomsten, zonder dat zij hierbij worden onderworpen aan onevenredige procedures en tarieven die de kosten niet weerspiegelen;

a)  het recht hebben zelfgeproduceerde energie te consumeren en hun overtollige productie van hernieuwbare elektriciteit te verkopen, ook via stroomafnameovereenkomsten en regelingen voor peer-to-peerhandel, zonder dat zij hierbij worden onderworpen aan discriminerende of onevenredige procedures en tarieven die de kosten niet weerspiegelen;

Amendement    179

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 21 – lid 1 – alinea 1 – letter a bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

a bis)  het recht hebben hun zelfgeproduceerde hernieuwbare elektriciteit binnen de grenzen van hun eigen terrein te gebruiken, zonder aan heffingen, leges of belastingen te worden onderworpen;

Amendement    180

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 21 – lid 1 – alinea 1 – letter a ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

a ter)  het recht hebben elektriciteitsopslagsystemen gecombineerd met installaties voor het opwekken van hernieuwbare elektriciteit voor eigen gebruik te installeren en te exploiteren, zonder te worden onderworpen aan heffingen, met inbegrip van belastingen en dubbele nettarieven voor opgeslagen elektriciteit binnen de grenzen van hun eigen terrein;

Amendement    181

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 21 – lid 1 – alinea 1 – letter c

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

c)  niet worden beschouwd als energieleveranciers overeenkomstig het recht van de Unie of het nationale recht wanneer zij een hoeveelheid hernieuwbare elektriciteit aan het net leveren die op jaarbasis niet meer is dan 10 MWh voor huishoudens en niet meer dan 500 MWh voor rechtspersonen; en

c)  niet worden beschouwd als energieleveranciers overeenkomstig het recht van de Unie of het nationale recht wanneer zij een hoeveelheid hernieuwbare elektriciteit aan het net leveren die op jaarbasis niet meer is dan 10 MWh voor huishoudens en niet meer dan 500 MWh voor rechtspersonen, onverminderd de procedures die ingevolge de artikelen 15 tot en met 18 zijn vastgesteld voor het toezicht op en de goedkeuring van de aansluiting van opwekkingscapaciteit op het net door distributienetbeheerders;

Amendement    182

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 21 – lid 1 – alinea 1 – letter d

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

d)  voor de zelfgeproduceerde hernieuwbare energie die zij aan het net leveren een vergoeding ontvangen die een weerspeigeling is van de marktwaarde van de geleverde elektriciteit.

d)  voor de zelfgeproduceerde hernieuwbare energie die zij aan het net leveren een vergoeding ontvangen die ten minste gelijkwaardig is aan de marktprijs en waarin eventueel rekening wordt gehouden met de waarde op lange termijn voor het net, het milieu en de samenleving, overeenkomstig de kosten-batenanalyse van gedistribueerde energiebronnen uit hoofde van artikel 59 van Richtlijn ... van het Europees Parlement en de Raad [betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit].

Amendement    183

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 21 – lid 1 – alinea 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

De lidstaten zorgen ervoor dat de verdeling van de kosten voor het beheer en de ontwikkeling van het netwerk billijk en evenredig is, en een weerspiegeling vormt van de systeembrede voordelen van zelfopwekking, met inbegrip van de waarde op lange termijn voor het net, het milieu en de samenleving.

Amendement    184

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 21 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie die in hetzelfde appartementsgebouw wonen of gevestigd zijn op dezelfde commerciële locatie of locatie met gedeelde diensten of een gesloten distributiesysteem gezamenlijk zelfgeproduceerde energie mogen consumeren, alsof zij een individuele consument van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie zijn. In dit geval is de in lid 1, onder c), bedoelde drempel van toepassing op iedere betrokken consument van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie die in hetzelfde appartementsgebouw of woongebied wonen of gevestigd zijn op dezelfde commerciële of industriële locatie of locatie met gedeelde diensten of in hetzelfde gesloten distributiesysteem gezamenlijk zelfgeproduceerde energie mogen consumeren, alsof zij een individuele consument van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie zijn. In dit geval is de in lid 1, onder c), bedoelde drempel van toepassing op iedere betrokken consument van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie.

Amendement    185

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 21 – lid 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis.  De lidstaten verrichten een beoordeling van de bestaande belemmeringen en het ontwikkelingspotentieel met betrekking tot de consumptie van zelfgeproduceerde energie op hun grondgebied, teneinde een gunstig kader te scheppen om de ontwikkeling van de consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie te bevorderen en te faciliteren. Dat kader omvat onder meer:

 

a)  specifieke maatregelen om te waarborgen dat de consumptie van zelfgeproduceerde energie toegankelijk is voor alle consumenten, met inbegrip van huishoudens met een laag inkomen of kwetsbare huishoudens, of al wie een sociale woning of huurwoning betrekt;

 

b)  instrumenten om de toegang tot financiering te vergemakkelijken;

 

c)  stimulansen voor huiseigenaren om voor huurders mogelijkheden te scheppen voor de consumptie van zelfgeproduceerde energie;

 

d)  opheffing van alle ongerechtvaardigde regelgevingsbelemmeringen die het gebruik van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie in de weg staan, onder meer voor huurders.

 

Dit gunstige kader maakt deel uit van de nationale energie- en klimaatplannen overeenkomstig Verordening ... van het Europees Parlement en de Raad [inzake de governance van de energie-unie].

Amendement    186

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 21 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.  De installatie van een consument van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie kan door een derde partij worden beheerd wat betreft installatie, beheer, met inbegrip van de meteropneming, en onderhoud.

3.  Met de instemming van de consument van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie kan diens installatie het eigendom zijn van of worden beheerd door een derde partij wat betreft installatie, beheer, met inbegrip van de meteropneming, en onderhoud. Deze derde partij wordt zelf niet beschouwd als een consument van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie.

Amendement    187

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 22 – lid 1 – alinea -1 (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

De lidstaten zorgen ervoor dat eindafnemers, met name huishoudelijke afnemers, het recht hebben om deel te nemen aan een hernieuwbare-energiegemeenschap zonder hun rechten te verliezen als eindafnemers en zonder te worden onderworpen aan ongegronde voorwaarden of procedures die hun deelname aan een hernieuwbare-energiegemeenschap kunnen verhinderen of ontmoedigen, mits voor particuliere ondernemingen geldt dat hun deelname niet hun belangrijkste commerciële of professionele activiteit vormt.

Amendement    188

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 22 – lid 1 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten zorgen ervoor dat hernieuwbare-energiegemeenschappen het recht hebben hernieuwbare energie te produceren, consumeren, opslaan en verkopen, ook via stroomafnameovereenkomsten, zonder dat zij hierbij worden onderworpen aan onevenredige procedures en tarieven die de kosten niet weerspiegelen.

De lidstaten zorgen ervoor dat hernieuwbare-energiegemeenschappen het recht hebben hernieuwbare energie te produceren, consumeren, opslaan en verkopen, ook via stroomafnameovereenkomsten, zonder dat zij hierbij worden onderworpen aan discriminerende of onevenredige procedures en tarieven die de kosten niet weerspiegelen.

Amendement    189

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 22 – lid 1 – alinea 2 – inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Voor de toepassing van deze richtlijn is een hernieuwbare-energiegemeenschap een kmo of een organisatie zonder winstoogmerk waarvan de aandeelhouders of leden samenwerken om energie uit hernieuwbare bronnen te produceren, te verdelen, op te slaan of te leveren, waarbij aan ten minste vier van de volgende criteria wordt voldaan:

Voor de toepassing van deze richtlijn is een hernieuwbare-energiegemeenschap een kmo of een organisatie zonder winstoogmerk waarvan de aandeelhouders of leden samenwerken om energie uit hernieuwbare bronnen te produceren, te verdelen, op te slaan of te leveren.

 

Om te kunnen genieten van een behandeling als hernieuwbare-energiegemeenschap moet ten minste 51 % van de zetels in de raad van bestuur of de bestuursorganen van de entiteit zijn voorbehouden aan lokale leden, d.w.z. vertegenwoordigers van lokale publieke en private lokale sociaaleconomische belangen of individuele burgers.

 

Bovendien voldoet een hernieuwbare-energiegemeenschap aan ten minste drie van de volgende criteria:

Amendement    190

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 22 – lid 1 – alinea 2 – letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

a)  de aandeelhouders of leden zijn natuurlijke personen, lokale overheden, met inbegrip van gemeenten, of kmo's die actief zijn op het gebied van hernieuwbare energie;

a)  de aandeelhouders of leden zijn natuurlijke personen, lokale overheden, met inbegrip van gemeenten, of kmo's;

Amendement    191

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 22 – lid 1 – alinea 2 – letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

b)  ten minste 51 % van de stemgerechtigde aandeelhouders of leden van de entiteit zijn natuurlijke personen;

b)  ten minste 51 % van de stemgerechtigde aandeelhouders of leden van de entiteit zijn natuurlijke personen of overheidsinstanties;

Amendement    192

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 22 – lid 1 – alinea 2 – letter c

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

c)  ten minste 51 % van de aandelen of medezeggenschapsrechten van de entiteit zijn eigendom van lokale leden, d.w.z. vertegenwoordigers van publieke en private lokale sociaaleconomische belangen of burgers met een direct belang in de activiteit van de gemeenschap en de impact ervan;

c)  ten minste 51 % van de aandelen of medezeggenschapsrechten van de entiteit zijn eigendom van lokale leden, d.w.z. vertegenwoordigers van publieke en private lokale sociaaleconomische belangen of individuele burgers;

Amendement    193

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 22 – lid 1 – alinea 2 – letter d

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

d)  ten minste 51 % van de zetels in de raad van bestuur of de bestuursorganen van de entiteit zijn voorbehouden aan lokale leden, d.w.z. vertegenwoordigers van publieke en private lokale sociaaleconomische belangen of burgers met een direct belang in de activiteit van de gemeenschap en de impact ervan;

Schrappen

Amendement    194

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 22 – lid 1 – alinea 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

De lidstaten zien toe op de toepassing van deze criteria en nemen maatregelen om misbruik of negatieve gevolgen voor de concurrentie te vermijden.

Amendement    195

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 22 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  Onverminderd staatssteunregels houden de lidstaten bij het ontwerpen van steunregelingen rekening met de specifieke kenmerken van hernieuwbare-energiegemeenschappen.

2.  Bij het ontwerpen van steunregelingen houden de lidstaten rekening met de specifieke kenmerken van hernieuwbare-energiegemeenschappen en waarborgen ze tegelijkertijd een gelijk speelveld voor producenten van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen.

Amendement    196

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 22 – lid 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis.  De lidstaten verrichten een beoordeling van de bestaande belemmeringen en het potentieel met betrekking tot de ontwikkeling van hernieuwbare-energiegemeenschappen op hun grondgebied, teneinde een gunstig kader te scheppen om de deelname van hernieuwbare-energiegemeenschappen aan de opwekking, consumptie, opslag en verkoop van hernieuwbare energie te bevorderen en te faciliteren.

 

Dat kader omvat:

 

a)  doelstellingen en specifieke maatregelen om overheden te helpen de ontwikkeling van hernieuwbare-energiegemeenschappen mogelijk te maken, en om rechtstreeks deel te nemen;

 

b)  specifieke maatregelen om te waarborgen dat deelname aan hernieuwbare-energiegemeenschappen toegankelijk is voor alle consumenten, met inbegrip van huishoudens met een laag inkomen of kwetsbare huishoudens, of al wie een sociale woning betrekt of huurder is;

 

c)  instrumenten om de toegang tot financiering en informatie te vergemakkelijken;

 

d)  ondersteuning van overheden op het gebied van regelgeving en capaciteitsopbouw bij de oprichting van hernieuwbare-energiegemeenschappen;

 

e)  opheffing van ongegronde regelgevings- en administratieve belemmeringen voor hernieuwbare energie-gemeenschappen.

 

f)  regels om de gelijke en niet-discriminerende behandeling van consumenten die deelnemen aan de energiegemeenschap te verzekeren, waarbij wordt gezorgd voor een consumentenbescherming die gelijkwaardig is aan de bescherming van wie aangesloten is op de distributienetten.

 

Dit gunstige kader maakt deel uit van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen overeenkomstig Verordening [inzake de governance van de energie-unie].

Amendement    197

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 23 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  Om de penetratie van hernieuwbare energie in de verwarmings- en koelingssector te bevorderen, doen alle lidstaten het nodige om het aandeel voor verwarming en koeling geleverde hernieuwbare energie ieder jaar te doen toenemen met ten minste één percentpunt (pp), uitgedrukt in nationaal aandeel eindenergieverbruik en berekend volgens de in artikel 7 bedoelde methodologie.

1.  Om de penetratie van hernieuwbare energie in de verwarmings- en koelingssector te bevorderen, doen alle lidstaten het nodige om het aandeel voor verwarming en koeling geleverde hernieuwbare energie ieder jaar te doen toenemen met ten minste twee procentpunten (pp), uitgedrukt in nationaal aandeel eindenergieverbruik en berekend volgens de in artikel 7 bedoelde methodologie. Indien een lidstaat niet in staat is dit percentage te bereiken, maakt deze lidstaat een rechtvaardiging voor de niet-naleving bekend en bezorgt deze aan de Commissie. De lidstaten geven voorrang aan de beste beschikbare technologieën.

Amendement    198

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 23 – lid 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 bis.  Voor de toepassing van lid 1 nemen de lidstaten bij de berekening van het aandeel voor verwarming en koeling geleverde hernieuwbare energie en van hun verplichte jaarlijkse toename het volgende in acht:

 

a)  de lidstaten mogen elke toename die is verwezenlijkt in een gegeven jaar meerekenen alsof deze gedeeltelijk of volledig werd verwezenlijkt in een van de twee voorgaande of de twee volgende jaren, afgebakend tot de periode tussen 1 januari 2021 en 31 december 2030;

 

b)  de lidstaten mogen afvalwarmte en -koude opnemen in de berekening van de jaarlijkse toename als bedoeld in lid 1, weliswaar beperkt tot 50 % van de jaarlijkse toename;

 

c)  indien het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen en afvalwarmte- en afvalkoudebronnen in de verwarmings- en koelingssector tussen de 50 % en 80 % bedraagt, beperkt de lidstaat de toename tot één procentpunt per jaar;

 

d)  de lidstaten mogen zelf bepalen hoeveel hun jaarlijkse toename bedraagt – ook of ze al dan niet de beperking voor afvalwarmte en -koude als bedoeld onder b) toepassen – met ingang van het jaar waarin ze een aandeel energie uit hernieuwbare bronnen en afvalwarmte- en afvalkoudebronnen in de verwarmings- en koelingssector bereiken van meer dan 80 %.

Amendement    199

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 23 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  De lidstaten kunnen op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria een lijst met maatregelen en uitvoeringsorganen, zoals brandstofleveranciers, aanwijzen en bekendmaken die moeten bijdragen aan de in lid 1 bedoelde toename.

2.  De lidstaten stellen op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria een lijst op met maatregelen en uitvoeringsorganen, zoals brandstofleveranciers, die moeten bijdragen aan de in lid 1 bedoelde toename, en maken deze lijst bekend.

Amendement    200

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 23 – lid 3 – inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.  De in lid 1 bedoelde toename kan worden verwezenlijkt door middel van een of meer van de volgende opties:

3.  De in lid 1 bedoelde toename kan onder meer worden verwezenlijkt door middel van een of meer van de volgende opties:

Amendement    201

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 23 – lid 3 – letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

a)  fysieke vermenging van hernieuwbare energie in de voor verwarming en koeling geleverde energie en brandstof;

a)  fysieke vermenging van hernieuwbare energie en/of afvalwarmte en -koude in de voor verwarming en koeling geleverde energie en brandstof;

Amendement    202

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 23 – lid 3 – letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

b)  directe matigingsmaatregelen, zoals de installatie in gebouwen van hoogrenderende systemen voor hernieuwbare verwarming en koeling of het gebruik van hernieuwbare energie in industriële verwarmings- en koelingsprocessen;

b)  directe matigingsmaatregelen, zoals de installatie in gebouwen van hoogrenderende systemen voor hernieuwbare verwarming en koeling of het gebruik van hernieuwbare energie of het gebruik van afvalwarmte en -koude in industriële verwarmings- en koelingsprocessen;

Amendement    203

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 23 – lid 3 – letter c bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

c bis)  andere beleidsmaatregelen met een evenwaardig effect om de in lid 1 of lid 1 bis vermelde toename te bereiken.

Amendement    204

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 23 – lid 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

3 bis.  Bij de uitvoering van de onder a) tot en met d) bedoelde maatregelen zien de lidstaten erop toe dat de maatregelen zodanig worden ontworpen dat de toegang voor alle consumenten gewaarborgd is, met name voor wie een laag inkomen heeft of voor kwetsbare huishoudens, die mogelijk vooraf niet over voldoende kapitaal beschikken om er gebruik van te kunnen maken.

Amendement    205

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 23 – lid 5 – letter b bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

b bis)  de hoeveelheid voor verwarming en koeling geleverde afvalwarmte of -koude;

Amendement    206

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 23 – lid 5 – letter c

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

c)  het aandeel hernieuwbare energie in de totale hoeveelheid voor verwarming en koeling geleverde energie; en

c)  het aandeel hernieuwbare energie en afvalwarmte of -koude in de totale hoeveelheid voor verwarming en koeling geleverde energie; en

Amendement    207

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 24 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  De lidstaten zorgen evoor dat leveranciers van stadsverwarming en -koeling aan de eindconsument informatie verstrekken over hun energieprestaties en het aandeel hernieuwbare energie in hun systemen. Dergelijke informatie voldoet aan de in het kader van Richtlijn 2010/31/EU gebruikte normen.

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat leveranciers van stadsverwarming en -koeling aan de eindconsument informatie verstrekken over hun energieprestaties en het aandeel hernieuwbare energie in hun systemen. Dergelijke informatie wordt jaarlijks of op verzoek verschaft en voldoet aan de in het kader van Richtlijn 2010/31/EU gebruikte normen.

Amendement    208

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 24 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om het afnemers van systemen voor stadsverwarming en koeling die geen "efficiënte stadsverwarming en -koeling" zijn in de zin van artikel 2, punt 41, van Richtlijn 2012/27/EU, mogelijk te maken van het systeem te worden ontkoppeld teneinde zelf verwarming of koeling uit hernieuwbare energiebronnen te produceren of over te stappen op een andere leverancier van verwarming of koeling die toegang heeft tot het systeem zoals bedoeld in lid 4.

2.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om het afnemers van systemen voor stadsverwarming en -koeling die geen "efficiënte stadsverwarming en -koeling" zijn in de zin van artikel 2, punt 41, van Richtlijn 2012/27/EU of dit op basis van hun investeringsplannen niet zullen worden binnen de eerstkomende vijf jaar, mogelijk te maken van het systeem te worden ontkoppeld teneinde zelf verwarming of koeling uit hernieuwbare energiebronnen te produceren.

Amendement    209

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 24 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.  De lidstaten kunnen het recht om te worden ontkoppeld of van leverancier te veranderen beperken tot afnemers die kunnen bewijzen dat de geplande alternatieve oplossing voor de levering van verwarming of koeling zal leiden tot significant betere energieprestaties. De prestatiebeoordeling van de alternatieve voorzieningsoplossing kan op het in Richtlijn 2010/31/EU gedefinieerde energieprestatiecertificaat worden gebaseerd.

3.  De lidstaten kunnen het recht om te worden ontkoppeld beperken tot afnemers die kunnen bewijzen dat de geplande alternatieve oplossing voor de levering van verwarming of koeling zal leiden tot significant betere energieprestaties. De prestatiebeoordeling van de alternatieve voorzieningsoplossing kan op het in Richtlijn 2010/31/EU gedefinieerde energieprestatiecertificaat worden gebaseerd.

Amendement    210

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 24 – lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen ter waarborging van niet-discriminerende toegang voor uit hernieuwbare energiebronnen geproduceerde verwarming en koeling en afvalwarmte en -koude tot systemen voor stadsverwarming en -koeling. Deze niet-discriminerende toegang maakt het mogelijk dat andere leveranciers dan de beheerder van het systeem voor stadsverwarming of -koeling rechtstreeks verwarming en koeling uit dergelijke bronnen kunnen leveren aan afnemers die gekoppeld zijn aan het systeem voor stadsverwarming of -koeling.

4.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen ter waarborging van niet-discriminerende toegang voor uit hernieuwbare energiebronnen geproduceerde verwarming en koeling en voor afvalwarmte of -koude tot systemen voor stadsverwarming en -koeling, op basis van niet-discriminerende criteria die worden vastgesteld door de bevoegde instantie in de lidstaat. In deze criteria wordt rekening gehouden met de economische en technische haalbaarheid voor de beheerders van het systeem voor stadsverwarming of -koeling en de aangesloten afnemers.

Amendement    211

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 24 – lid 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

5.  Een beheerder van een systeem voor stadsverwarming of -koeling kan leveranciers toegang weigeren indien in het systeem de nodige capaciteit ontbreekt ten gevolge van andere leveringen van afvalwarmte of -koude, van verwarming of koeling uit hernieuwbare energiebronnen, of van verwarming of koeling uit hoogrenderende warmtekrachtkoppelingsinstallaties. De lidstaten zorgen ervoor dat in het geval van een dergelijke weigering de beheerder van een systeem voor stadsverwarming en -koeling aan de bevoegde instantie overeenkomstig lid 9 relevante informatie verstrekt over de maatregelen die nodig zijn om het systeem te versterken.

5.  Een beheerder van een systeem voor stadsverwarming of -koeling kan leveranciers toegang weigeren indien aan een of meer van de volgende voorwaarden is voldaan:

 

a)  in het systeem ontbreekt de nodige capaciteit ten gevolge van andere leveringen van afvalwarmte of -koude, van verwarming of koeling uit hernieuwbare energiebronnen, of van verwarming of koeling uit hoogrenderende warmte-krachtkoppelingsinstallaties, of deze toegang zou de veilige werking van het stadsverwarmingssysteem in gevaar brengen;

 

b)  het systeem is een "efficiënte stadsverwarming en -koeling" in de zin van artikel 2, punt 41, van Richtlijn 2012/27/EU;

 

c)  het verlenen van toegang zou leiden tot een te grote stijging van de warmte- of koudeprijs voor de eindverbruikers in vergelijking met de prijs voor het gebruik van de belangrijkste plaatselijke warmtevoorziening waarmee de hernieuwbare energiebron of de afvalwarmte of -koude zouden kunnen concurreren.

 

De lidstaten zorgen ervoor dat in het geval van een dergelijke weigering de beheerder van een systeem voor stadsverwarming en -koeling aan de bevoegde instantie overeenkomstig lid 9 relevante informatie verstrekt over de maatregelen die nodig zijn om het systeem te versterken, met inbegrip van de economische gevolgen van de maatregelen.

Amendement    212

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 24 – lid 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

6.  Nieuwe systemen voor stadsverarming en -koeling kunnen op verzoek voor een bepaalde periode worden vrijgesteld van de toepassing van lid 4. De bevoegde autoriteit beslist geval per geval over dergelijke vrijstellingsverzoeken. Een vrijstelling wordt uitsluitend toegekend indien het nieuwe systeem voor stadsverwarming of -koeling een "efficiënte stadsverwarming en -koeling" is in de zin van artikel 2, punt 41, van Richtlijn 2012/27/EU en indien het systeem gebruikmaakt van het potentieel voor het gebruik van hernieuwbare energiebronnen en afvalwarmte of -koude zoals vastgesteld in de overeenkomstig artikel 14 van Richtlijn 2012/27/EU uitgevoerde uitgebreide beoordeling.

6.  Nieuwe systemen voor stadsverwarming en -koeling kunnen op verzoek voor een bepaalde periode worden vrijgesteld van de toepassing van lid 4. De bevoegde autoriteit beslist geval per geval over dergelijke vrijstellingsverzoeken. Een vrijstelling wordt uitsluitend toegekend indien het nieuwe systeem voor stadsverwarming of -koeling een "efficiënte stadsverwarming en -koeling" is in de zin van artikel 2, punt 41, van Richtlijn 2012/27/EU en indien het systeem gebruikmaakt van het potentieel voor het gebruik van hernieuwbare energiebronnen, hoogrenderende warmtekrachtkoppeling in de zin van artikel 2, punt 34, van Richtlijn 2012/27/EU, en afvalwarmte of -koude zoals vastgesteld in de overeenkomstig artikel 14 van Richtlijn 2012/27/EU uitgevoerde uitgebreide beoordeling.

Amendement    213

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 24 – lid 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

7.  Het recht om te worden ontkoppeld of van leverancier te veranderen kan worden uitgeoefend door individuele afnemers, gemeenschappelijke ondernemingen die zijn opgericht door afnemers of door partijen die namens afnemers optreden. In het geval van appartementsgebouwen kan een dergelijke ontkoppeling uitsluitend worden uitgevoerd op het niveau van het volledige gebouw.

7.  Het recht om te worden ontkoppeld kan worden uitgeoefend door individuele afnemers, gemeenschappelijke ondernemingen die zijn opgericht door afnemers of door partijen die namens afnemers optreden. In het geval van appartementsgebouwen kan een dergelijke ontkoppeling uitsluitend worden uitgevoerd op het niveau van het volledige gebouw.

Amendement    214

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 24 – lid 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

8.  De lidstaten vereisen dat beheerders van elektriciteitsdistributiesystemen ten minste tweejaarlijks, in samenwerking met de beheerders van systemen voor stadsverwarming of -koeling in hun respectieve gebieden, beoordelen wat het potentieel is van systemen voor stadsverwarming of -koeling om balanceringsdiensten en andere systeemgerelateerde diensten te verstrekken, met inbegrip van vraagrespons en opslag van overtollige, uit hernieuwbare bronnen opgewekte elektriciteit, en of het gebruik van het vastgestelde potentieel meer hulpbronnen- en kostenefficiënt zou zijn dan andere mogelijke oplossingen.

8.  De lidstaten vereisen dat beheerders van elektriciteitsdistributiesystemen ten minste om de vier jaar, in samenwerking met de beheerders van systemen voor stadsverwarming of -koeling in hun respectieve gebieden, beoordelen wat het potentieel is van systemen voor stadsverwarming of -koeling om balanceringsdiensten en andere systeemgerelateerde diensten te verstrekken, met inbegrip van vraagrespons en opslag van overtollige, uit hernieuwbare bronnen opgewekte elektriciteit, en of het gebruik van het vastgestelde potentieel meer hulpbronnen- en kostenefficiënt zou zijn dan andere mogelijke oplossingen.

Amendement    215

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 24 – lid 9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

9.  De lidstaten wijzen een of meerdere onafhankelijke instanties aan om ervoor te zorgen dat de rechten van de consument en regels voor het beheer van systemen voor stadsverwarming en -koeling in overeenstemming met dit artikel duidelijk zijn gedefinieerd en worden afgedwongen.

9.  De lidstaten wijzen een of meerdere bevoegde instanties aan om ervoor te zorgen dat de rechten van de consument en regels voor het beheer van systemen voor stadsverwarming en -koeling in overeenstemming met dit artikel duidelijk zijn gedefinieerd en worden afgedwongen.

Amendement    216

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 25 – lid 1 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Met ingang van 1 januari 2021 eisen de lidstaten dat de totale hoeveelheid transportbrandstoffen die brandstofleveranciers tijdens een kalenderjaar leveren voor consumptie of gebruik op de markt, een minimumaandeel bevat van energie uit geavanceerde biobrandstoffen en andere biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX vermelde grondstoffen, van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en van hernieuwbare elektriciteit.

Om het in artikel 3 bedoelde streefcijfer van 12 % energie uit hernieuwbare bronnen in het eindverbruik van energie te halen, eisen de lidstaten met ingang van 1 januari 2021 dat de totale hoeveelheid transportbrandstoffen die brandstofleveranciers tijdens een kalenderjaar leveren voor consumptie of gebruik op de markt, een minimumaandeel bevat van energie uit geavanceerde biobrandstoffen en andere biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX vermelde grondstoffen, van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, van brandstoffen op basis van gerecycleerde koolstof en van hernieuwbare elektriciteit.

Amendement    217

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 25 – lid 1 – alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Het minimumaandeel zal in 2021 ten minste 1,5 % bedragen en stijgen tot minstens 6,8 % in 2030, waarbij de in deel B van bijlage X uitgezette koers wordt gevolgd. Binnen dit totale aandeel zijn geavanceerde biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX vermelde grondstoffen, per 1 januari 2021 goed voor minstens 0,5 % van de transportbrandstoffen die worden geleverd voor consumptie of gebruik op de markt en uiterlijk in 2030 voor minstens 3,6 %, waarbij de in deel C van bijlage X uitgezette koers wordt gevolgd.

Het minimumaandeel zal in 2021 ten minste 1,5 % bedragen en stijgen tot minstens 10 % in 2030, waarbij de in deel B van bijlage X uitgezette koers wordt gevolgd. Binnen dit totale aandeel zijn geavanceerde biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX vermelde grondstoffen, per 1 januari 2021 goed voor minstens 0,5 % van de transportbrandstoffen die worden geleverd voor consumptie of gebruik op de markt en uiterlijk in 2030 voor minstens 3,6 %, waarbij de in deel C van bijlage X uitgezette koers wordt gevolgd.

 

Brandstofleveranciers die uitsluitend brandstoffen in de vorm van elektriciteit en hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong leveren, hoeven niet te voldoen aan het minimumaandeel van energie uit geavanceerde biobrandstoffen, andere biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX vermelde grondstoffen.

Amendement    218

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 25 – lid 1 – alinea 4 – letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

a)  voor de berekening van de noemer, zijnde de energie-inhoud van de in het vervoer over de weg of per spoor verbruikte transportbrandstoffen die worden geleverd voor consumptie of gebruik op de markt, wordt rekening gehouden met benzine, diesel, aardgas, biobrandstoffen, biogas, hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, uit afval geproduceerde fossiele brandstoffen en elektriciteit;

a)  voor de berekening van de noemer, zijnde de energie-inhoud van de in het vervoer over de weg of per spoor verbruikte transportbrandstoffen die worden geleverd voor consumptie of gebruik op de markt, wordt rekening gehouden met benzine, diesel, aardgas, biobrandstoffen, biogas, hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, brandstoffen op basis van gerecycleerde koolstof en elektriciteit;

Amendement    219

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 25 – lid 1 – alinea 4 – letter b – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

voor de berekening van de teller wordt rekening gehouden met de energie-inhoud van geavanceerd biobrandstoffen en andere biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX vermelde grondstoffen, hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, uit afval geproduceerde fossiele brandstoffen die aan alle vervoersectoren worden geleverd, en aan wegvoertuigen geleverde hernieuwbare elektriciteit.

voor de berekening van de teller wordt rekening gehouden met de energie-inhoud van geavanceerd biobrandstoffen en andere biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX vermelde grondstoffen, hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, brandstoffen op basis van gerecycleerde koolstof die aan alle vervoersectoren worden geleverd, en aan wegvoertuigen geleverde hernieuwbare elektriciteit.

Amendement    220

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 25 – lid 1 – alinea 4 – letter b – alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Voor de berekening van de teller wordt de bijdrage van biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in deel B van bijlage IX vermelde grondstoffen, beperkt tot 1,7 % van de energie-inhoud van transportbrandstoffen die worden geleverd voor consumptie of gebruik op de markt, en wordt de bijdrage van in de lucht- en zeevaartsector geleverde brandstoffen geacht 1,2 maal hun energie-inhoud te zijn.

Voor de berekening van de teller wordt de bijdrage van biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in deel B van bijlage IX vermelde grondstoffen, beperkt tot 1,7 % van de energie-inhoud van transportbrandstoffen die worden geleverd voor consumptie of gebruik op de markt.

 

De lidstaten kunnen de beperking die geldt voor grondstoffen van deel B van bijlage IX wijzigen indien dit kan worden gerechtvaardigd op grond van de beschikbaarheid van grondstoffen. Eventuele wijzigingen moeten worden goedgekeurd door de Commissie.

 

De bijdrage van in de lucht- en zeevaartsector geleverde brandstoffen wordt geacht respectievelijk 2 maal en 1,2 maal de energie-inhoud ervan te zijn, en de bijdrage van aan wegvoertuigen geleverde hernieuwbare elektriciteit wordt geacht 2,5 maal de energie-inhoud ervan te zijn.

Amendement    221

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 25 – lid 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 bis.  De lidstaten mogen hun nationale beleidsmaatregelen zodanig ontwerpen om aan de verplichtingen in het kader van dit artikel te voldoen als een verplichting met betrekking tot broeikasgasemissiereductie, en mogen deze maatregelen ook toepassen op uit afval geproduceerde fossiele brandstoffen, mits dit geen averechtse uitwerking heeft op de doelstellingen van de circulaire economie en mits er wordt voldaan aan het in lid 1 bedoelde aandeel energie uit hernieuwbare bronnen.

Motivering

Een verplichting inzake de reductie van broeikasgasemissies zou uit klimaatoogpunt beter zijn, maar wordt door de Commissie in administratief opzicht omslachtiger geacht. De lidstaten moeten niettemin de mogelijkheid hebben om hun beleid tot uitvoering van de verplichting met betrekking tot de integratie van hernieuwbare energie de vorm te geven van een streefcijfer inzake de reductie van broeikasgasemissies, tevens rekening houdend met het reductiepotentieel van uit afval geproduceerde fossiele brandstoffen, op voorwaarde dat wordt voldaan aan het minimumaandeel hernieuwbare energie.

Amendement    222

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 25 – lid 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis.  Met ingang van 1 januari 2021 verlangen de lidstaten van brandstofleveranciers dat zij de broeikasgasemissies gedurende de hele levenscyclus per geleverde eenheid energie uit brandstof en energie tegen 31 december 2030 met 20 % verminderen ten opzichte van de in Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad1 bis vermelde uitgangsnorm voor brandstoffen.

 

____________________

 

1 bis Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad van 20 april 2015 tot vaststelling van berekeningsmethoden en rapportageverplichtingen overeenkomstig Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof (PB L 107 van 25.4.2015, blz. 26).

Motivering

De ambitieuze doelstelling om de broeikasgasintensiteit van brandstoffen tegen 2030 met 20 % te verminderen, is gerechtvaardigd gezien de hoge broeikasgasemissiereducties van reeds bestaande biobrandstoffen op basis van gewassen en een grotere marktpenetratie van geavanceerde biobrandstoffen en alternatieve hernieuwbare energiebronnen in het vervoer. De aan brandstofleveranciers opgelegde verplichting om broeikasgasemissies van brandstoffen te verminderen, is een doeltreffend instrument gebleken om tot grotere klimaatefficiëntie te komen.

Amendement    223

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 25 – lid 3 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Om het aandeel hernieuwbare elektriciteit te bepalen voor de toepassing van lid 1 kan of het gemiddelde aandeel elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen in de Unie, of het aandeel elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in de lidstaat waar de elektriciteit wordt geleverd, gemeten twee jaar vóór het jaar in kwestie, worden gebruikt. In beide gevallen wordt een gelijkwaardige hoeveelheid overeenkomstig artikel 19 afgegeven garanties van oorsprong geschrapt.

Om het aandeel hernieuwbare elektriciteit te bepalen voor de toepassing van lid 1 wordt het aandeel elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in de lidstaat waar de elektriciteit wordt geleverd, gemeten twee jaar vóór het jaar in kwestie, gebruikt, op voorwaarde dat er voldoende bewijs is dat het om additionele elektriciteit uit hernieuwbare bronnen gaat. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 32 gedelegeerde handelingen vast te stellen om een methodologie tot stand te brengen, waaronder een methodologie voor de lidstaten om hun uitgangswaarde vast te stellen, voor het bewijzen van additionaliteit.

Amendement    224

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 25 – lid 3 – alinea 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

In afwijking van de eerste alinea wordt voor het bepalen van het aandeel elektriciteit voor de toepassing van lid 1, elektriciteit die wordt verkregen uit een rechtstreekse aansluiting op een installatie voor het opwekken van hernieuwbare elektriciteit en die aan wegvoertuigen wordt geleverd, volledig als hernieuwbare elektriciteit beschouwd. Op dezelfde manier wordt elektriciteit die verkregen wordt via langlopende stroomafnameovereenkomsten voor hernieuwbare elektriciteit, volledig als hernieuwbare elektriciteit beschouwd. Hoe dan ook wordt een gelijkwaardige hoeveelheid overeenkomstig artikel 19 afgegeven garanties van oorsprong geschrapt.

Amendement    225

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 25 – lid 3 – alinea 3 – letter a – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Wanneer elektriciteit wordt gebruikt voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, hetzij rechtstreeks of voor de productie van tussenproducten, kan of het gemiddelde aandeel elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen in de Unie of het aandeel elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in het land van productie, gemeten twee jaar vóór het jaar in kwestie, worden gebruikt om het aandeel hernieuwbare energie te bepalen. In beide gevallen wordt een gelijkwaardige hoeveelheid overeenkomstig artikel 19 afgegeven garanties van oorsprong geschrapt.

Wanneer elektriciteit wordt gebruikt voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, hetzij rechtstreeks of voor de productie van tussenproducten, kan het gemiddelde aandeel elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen in het land van productie, gemeten twee jaar vóór het jaar in kwestie, worden gebruikt om het aandeel hernieuwbare energie te bepalen. Een gelijkwaardige hoeveelheid overeenkomstig artikel 19 afgegeven garanties van oorsprong wordt geschrapt.

Amendement    226

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 25 – lid 4 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten zetten een databank op die het mogelijk maakt transportbrandstoffen te volgen die in aanmerking komen om te worden meegeteld bij de berekening van de in lid 1, onder b), bedoelde teller en eisen dat de betrokken marktdeelnemers informatie invoeren over de transacties en de duurzaamheidskenmerken van de in aanmerking komende brandstoffen, met inbegrip van hun broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus, van hun plaats van productie tot aan de brandstofleverancier die de brandstof op de markt brengt.

De Commissie zet een EU-databank op die het mogelijk maakt transportbrandstoffen, waaronder elektriciteit, te volgen die in aanmerking komen om te worden meegeteld bij de berekening van de in lid 1, onder b), bedoelde teller. De lidstaten eisen van de betrokken marktdeelnemers dat zij informatie invoeren over de transacties en de duurzaamheidskenmerken van de in aanmerking komende brandstoffen, met inbegrip van hun broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus, van hun plaats van productie tot aan de brandstofleverancier die de brandstof op de markt brengt.

Amendement    227

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 25 – lid 4 – alinea 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De nationale databanken worden onderling met elkaar verbonden zodat brandstoftransacties tussen lidstaten kunnen worden gevolgd. Om ervoor te zorgen dat de nationale databanken compatibel zijn, stelt de Commissie technische specificaties met betrekking tot hun inhoud en gebruik vast door overeenkomstig de in artikel 31 bedoelde onderzoeksprocedure uitvoeringshandelingen vast te stellen.

De Commissie stelt technische specificaties met betrekking tot hun inhoud en gebruik vast door overeenkomstig de in artikel 31 bedoelde onderzoeksprocedure uitvoeringshandelingen vast te stellen.

Amendement    228

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 25 – lid 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

5.  De lidstaten brengen verslag uit over de geaggregeerde gegevens uit de nationale databanken, met inbegrip van de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van de brandstoffen, overeenkomstig bijlage VII van Verordening [governance].

5.  De lidstaten brengen verslag uit over de geaggregeerde gegevens, met inbegrip van de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van de brandstoffen, overeenkomstig bijlage VII van Verordening [governance]. De Commissie publiceert op jaarbasis geaggregeerde gegevens uit de databank.

Amendement    229

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 25 – lid 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

6.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 32 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de in lid 3, onder b), van dit artikel bedoelde methodologie nader te specifieren ter bepaling van het aandeel biobrandstoffen uit biomassa die in een gezamenlijk proces met fossiele brandstoffen worden verwerkt, ter specificering van de methodologie voor de beoordeling van broeikasgasemissiereducties door hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en uit afval geproduceerde fossiele brandstoffen, en ter bepaling van de minimumreductie van broeikasgasemissies nodig voor deze brandstoffen voor de toepassing van lid 1 van deze richtlijn.

6.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 32 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de in lid 3, onder b), van dit artikel bedoelde methodologie nader te specificeren ter bepaling van het aandeel biobrandstoffen uit biomassa die in een gezamenlijk proces met fossiele brandstoffen worden verwerkt, ter specificering van de methodologie voor de beoordeling van broeikasgasemissiereducties door hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en koolstofarme fossiele brandstoffen, die worden verkregen uit afgas dat ontstaat als het onvermijdelijke en onbedoelde nevenproduct van de vervaardiging of productie van voor commercieel gebruik en/of verkoop bestemde producten, en ter bepaling van de minimumreductie van broeikasgasemissies nodig voor deze brandstoffen voor de toepassing van lid 1 van dit artikel.

Motivering

Middels de richtlijn hernieuwbare energie moet worden gewaarborgd dat de Commissie over de nodige bevoegdheden beschikt om het gebruik van koolstofarme brandstoffen te bevorderen, aangezien deze in belangrijke mate bijdragen tot een vermindering van de hoeveelheid uit fossiele bronnen onttrokken koolstof in de energiemix van de Unie en daarnaast indirect de productie van hernieuwbare elektriciteit stimuleren.

Amendement    230

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 25 – lid 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

7.  Uiterlijk op 31 december 2025 beoordeelt de Commissie, in de context van de tweejaarlijkse beoordeling van de in het kader van Verordening [governance] geboekte voortgang, of de in lid 1 bedoelde verplichting daadwerkelijk innovatie stimuleert en de reductie van broeikasgasemmissies in de vervoersector bevordert en of de toepasselijke vereisten inzake broeikasgasemissiereductie voor biobrandstoffen en biogassen passend zijn. Indien nodig dient de Commissie een voorstel in tot wijziging van de in lid 1 bedoelde verplichting.

7.  Uiterlijk op 31 december 2025 beoordeelt de Commissie, in de context van de tweejaarlijkse beoordeling van de in het kader van Verordening [governance] geboekte voortgang, of de in lid 1 bedoelde verplichting daadwerkelijk innovatie stimuleert en de reductie van broeikasgasemissies in de vervoersector waarborgt en of de toepasselijke vereisten inzake broeikasgasemissiereductie voor biobrandstoffen en biogassen passend zijn. Bij deze beoordeling wordt ook nagegaan of met de bepalingen van dit artikel inderdaad wordt voorkomen dat hernieuwbare energie dubbel wordt geteld. Indien nodig dient de Commissie een voorstel in tot wijziging van de in lid 1 bedoelde verplichting. De gewijzigde verplichtingen handhaven ten minste de niveaus die overeenkomen met de capaciteit voor geavanceerde biobrandstoffen die in 2025 reeds geïnstalleerd of in aanbouw is.

Amendement    231

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 1 – alinea 1 – inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  Energie uit biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen wordt enkel in aanmerking genomen voor de doeleinden genoemd onder a), b) en c) van dit lid hieronder, indien ze voldoen aan de duurzaamheidscriteria van de leden 2 tot en met 6 en aan de criteria inzake broeikasgasemissiereductie van lid 7:

1.  Ongeacht of de grondstoffen werden geteeld op het grondgebied van de Unie of daarbuiten, wordt energie uit biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen enkel in aanmerking genomen voor de doeleinden genoemd onder a), b) en c) van dit lid hieronder, indien ze voldoen aan de duurzaamheidscriteria van de leden 2 tot en met 6 en aan de criteria inzake broeikasgasemissiereductie van lid 7:

Motivering

Het voorstel bevat belangrijke nieuwe elementen met betrekking tot duurzaamheidscriteria en transportbrandstoffen. Vandaar dat de precieze reikwijdte van de term financiële steun moet worden verduidelijkt om er fiscale prikkels onder te laten vallen.

Amendement    232

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 1 – alinea 1 – letter c

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

c)  het in aanmerking komen voor financiële steun voor het verbruik van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen.

c)   het in aanmerking komen voor financiële steun, met inbegrip van fiscale prikkels, voor het verbruik van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen.

Motivering

De herschikking van de richtlijn hernieuwbare energie brengt grote veranderingen teweeg in de reikwijdte van de bepalingen inzake de duurzaamheid van bio-energie, met name door vele van de bepalingen voor het eerst uit te breiden naar biomassabrandstoffen zoals hout. Ook worden er aanzienlijke wijzigingen voorgesteld van de streefcijfers met betrekking tot biobrandstoffen en vloeibare biomassa. Op basis hiervan moeten er ook wijzigingen worden aangebracht om de reikwijdte van de term "financiële steun" te verduidelijken, aangezien deze in een aantal lidstaten momenteel niet gericht is of in de toekomst mogelijk niet voldoende gericht zal zijn op de verschillende manieren – naast rechtstreekse subsidies – waarop de productie of het gebruik van biomassabrandstoffen en andere soorten van bio-energie worden bevorderd of aangemoedigd. Mechanismen als belastingverlagingen voor het gebruik van biomassabrandstoffen op basis van hun veronderstelde koolstofneutraliteit, of aan leveranciers opgelegde mandaten voor het mengen van biomassabrandstoffen of andere biobrandstoffen, worden reeds toegepast of kunnen in de toekomst worden toegepast, en brengen zelf ook kosteneffecten met zich mee. De bewoordingen van de bepaling over het in aanmerking komen voor financiële steun moet daarom worden verruimd om te waarborgen dat de bepaling volledig is en strookt met de geest van de oorspronkelijke richtlijn.

Amendement    233

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 1 – alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen die vervaardigd zijn uit niet van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw afkomstige afvalstoffen en residuen hoeven, om in aanmerking te worden genomen voor de doeleinden genoemd onder a), b) en c) van dit lid alleen te voldoen aan de criteria inzake broeikasgasemissiereductie van lid 7. Deze bepaling is ook van toepassing op afvalstoffen en residuen die in een product zijn verwerkt alvorens zij verder worden verwerkt in biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen.

Biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen die vervaardigd zijn uit niet van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw afkomstige afvalstoffen en residuen hoeven, om in aanmerking te worden genomen voor de doeleinden genoemd onder a), b) en c) van dit lid alleen te voldoen aan de criteria inzake broeikasgasemissiereductie van lid 7. Bij de productie ervan moet evenwel het beginsel van de afvalhiërarchie als vastgesteld in Richtlijn 2008/98/EG in acht worden genomen en mogen er geen aanzienlijke verstoringen van de markten voor (bij)producten, afvalstoffen of residuen ontstaan. Deze bepaling is ook van toepassing op afvalstoffen en residuen die in een product zijn verwerkt alvorens zij verder worden verwerkt in biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen. 

Motivering

De productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen kan ervoor zorgen dat residuen die bestemd zijn voor bestaand materiaalgebruik worden afgeleid naar energie en dat afvalstoffen die bestemd zijn voor recycling worden afgeleid naar energie, hetgeen in strijd is met de doelstellingen van de afvalhiërarchie en de circulaire economie. Om te waarborgen dat de decarbonisatie van het vervoer de doelstellingen van het actieplan voor de circulaire economie ondersteunt en in overeenstemming is met de EU-afvalhiërarchie, moeten er nieuwe duurzaamheidscriteria worden vastgesteld.

Amendement    234

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 1 – alinea 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Uit afval en residuen van landbouwgrond geproduceerde biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen worden alleen in aanmerking genomen voor de doeleinden als bedoeld onder a), b) en c), van dit lid wanneer de beheerders maatregelen hebben genomen om negatieve gevolgen voor de bodemkwaliteit en de koolstof in de bodem tot een minimum te beperken. Informatie over deze maatregelen wordt overeenkomstig artikel 27, lid 3, bekendgemaakt.

Motivering

Dit amendement is onlosmakelijk verbonden met de nieuwe verplichting inzake transportbrandstoffen van artikel 25.

Amendement    235

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 1 – alinea 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Biomassabrandstoffen hoeven alleen te voldoen aan de duurzaamheidscriteria en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie van de leden 2 tot en met 7 indien zij worden gebruikt in installaties voor de productie van elektriciteit, verwarming en koeling of brandstoffen, met een brandstofcapaciteit van 20 MW of meer in het geval van vaste biomassabrandstoffen, of met een elektrische capaciteit van 0,5 MW of meer in het geval van gasvormige biomassabrandstoffen. De lidstaten kunnen de duurzaamheidscriteria en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie toepassen op installaties met een lagere brandstofcapaciteit.

Biomassabrandstoffen hoeven alleen te voldoen aan de duurzaamheidscriteria en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie van de leden 2 tot en met 7 indien zij worden gebruikt in installaties voor de productie van elektriciteit, verwarming en koeling of brandstoffen, met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 20 MW of meer in het geval van vaste biomassabrandstoffen, of met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 2 MW of meer in het geval van gasvormige biomassabrandstoffen. De lidstaten kunnen de duurzaamheidscriteria en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie toepassen op installaties met een lagere brandstofcapaciteit.

Amendement    236

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 2 – letter a bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

a bis)  bos met grote biodiversiteit en andere beboste grond die rijk is aan soorten en niet is aangetast, of die door de relevante bevoegde autoriteit is aangemerkt als grond met grote biodiversiteit, tenzij wordt aangetoond dat de productie van de grondstof in kwestie geen invloed heeft op die natuurbeschermingsdoeleinden;

Motivering

Ook bossen die geen oerbossen zijn, kunnen een belangrijke biodiversiteit herbergen.

Amendement    237

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 2 – letter c – inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

c)  grasland met grote biodiversiteit van meer dan een hectare dat:

c)   grasland met grote biodiversiteit, met inbegrip van beboste weiden en weilanden, dat:

Amendement    238

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 2 – letter c – punt ii

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

ii)  niet-natuurlijk is, d.w.z. grasland dat zonder menselijk ingrijpen zou ophouden grasland te zijn en dat rijk is aan soorten en niet is aangetast en door de relevante bevoegde autoriteit is aangemerkt als grasland met grote biodiversiteit, tenzij is aangetoond dat de oogst van de grondstoffen noodzakelijk is voor het behoud van de status van grasland met grote biodiversiteit.

ii)   niet-natuurlijk is, d.w.z. grasland dat zonder menselijk ingrijpen zou ophouden grasland te zijn en dat rijk is aan soorten en niet is aangetast of door de relevante bevoegde autoriteit is aangemerkt als grasland met grote biodiversiteit, tenzij is aangetoond dat de oogst van de grondstoffen noodzakelijk is voor het behoud van de status van grasland met grote biodiversiteit.

Amendement    239

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.  Biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen uit agrarische biomassa die in aanmerking worden genomen voor de doeleinden, genoemd in lid 1, onder a), b) en c), mogen niet geproduceerd zijn uit grondstoffen verkregen van land dat in januari 2008 veengebied was.

4.  Biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen uit agrarische biomassa die in aanmerking worden genomen voor de doeleinden, genoemd in lid 1, onder a), b) en c), mogen niet geproduceerd zijn uit grondstoffen verkregen van land dat in januari 2008 veengebied was, tenzij door verifieerbaar bewijs wordt aangetoond dat de teelt en het oogsten van grondstoffen geen ontwatering van een voorheen niet-ontwaterde bodem met zich meebrengt.

Amendement    240

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

5.  De biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen uit bosbiomassa die in aanmerking worden genomen voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c), voldoen aan de volgende eisen om het risico op het gebruik van niet-duurzame bosbiomassa tot een minimum te beperken:

5.  De biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen uit bosbiomassa die in aanmerking worden genomen voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c), voldoen aan de volgende eisen om het risico op het gebruik van niet-duurzame bosbiomassa tot een minimum te beperken:

a)  in het land waar de bosbiomassa is geoogst, is nationale en/of subnationale wetgeving van kracht die van toepassing is op de oogst, alsmede monitoring- en handhavingssystemen die ervoor zorgen dat:

a)  in het land waar de bosbiomassa is geoogst, is nationale en/of subnationale wetgeving van kracht die van toepassing is op de oogst, alsmede monitoring- en handhavingssystemen die ervoor zorgen dat:

i)  het oogsten gebeurt in overeenstemming met de voorwaarden van de oogstvergunning binnen in een wettig officieel publicatieblad bekendgemaakte grenzen;

i)  het oogsten gebeurt in overeenstemming met de voorwaarden van de oogstvergunning of een gelijkwaardig bewijs van het wettelijk recht om te oogsten binnen de in een wettig officieel publicatieblad bekendgemaakte nationale of regionale grenzen;

ii)  de gebieden waar is geoogst, worden herbebost;

ii)  de gebieden waar is geoogst, worden herbebost;

iii)  gebieden met een hoge instandhoudingswaarde, met inbegrip van watterrijke gebieden en veengebieden, worden beschermd;

iii)  gebieden die bij internationale of nationale wetgeving of door de desbetreffende bevoegde autoriteit zijn aangewezen ter bevordering van het behoud van de biodiversiteit of met het oog op de instandhouding van de natuur, met inbegrip van waterrijke gebieden en veengebieden, worden beschermd;

iv)  de gevolgen van het oogsten van bossen op de bodemkwaliteit en de biodiversiteit tot een minimum worden beperkt; en

iv)  het oogsten op een zodanige wijze wordt uitgevoerd dat de bodemkwaliteit en de biodiversiteit in stand worden gehouden, teneinde de nadelige effecten tot een minimum te beperken; en

v)  er niet meer wordt geoogst dan de productiecapaciteit van het bos op lange termijn toelaat;

v)  het oogsten de productiecapaciteit van het bos op lange termijn handhaaft of verbetert op landelijk of regionaal niveau;

b)  wanneer geen bewijs beschikbaar is met betrekking tot het bepaalde in de eerste alinea, worden biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen uit bosbiomassa in aanmerking genomen voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c), indien op het niveau van het bosbedrijf beheersystemen voorhanden zijn om ervoor te zorgen dat:

b)  wanneer geen bewijs beschikbaar is met betrekking tot het bepaalde in de eerste alinea, worden biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen uit bosbiomassa in aanmerking genomen voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c), indien op het niveau van het bevoorradingsgebied aanvullende informatie over de wettigheid en over de bosbeheerpraktijken worden verstrekt om ervoor te zorgen dat:

i)  de bosbiomassa is geoogst op grond van een wettelijke vergunning;

i)  het oogsten gebeurt in overeenstemming met de voorwaarden van de oogstvergunning of een gelijkwaardig nationaal of regionaal bewijs van het wettelijk recht om te oogsten;

ii)  de gebieden waar is geoogst, worden herbebost;

ii)  de gebieden waar is geoogst, worden herbebost;

iii)  gebieden met een hoge instandhoudingswaarde, met inbegrip van veengebieden en waterrijke gebieden, worden geïdentificeerd en beschermd;

iii)  gebieden die bij internationale of nationale wetgeving of door de desbetreffende bevoegde autoriteit zijn aangewezen ter bevordering van het behoud van de biodiversiteit of met het oog op de instandhouding van de natuur, met inbegrip van waterrijke gebieden en veengebieden, worden beschermd;

iv)  de gevolgen van het oogsten van bossen op de bodemkwaliteit en de biodiversiteit tot een minimum worden beperkt;

iv)  het oogsten op een zodanige wijze wordt uitgevoerd dat de bodemkwaliteit en de biodiversiteit in stand worden gehouden; met inbegrip van de gebieden die deze gebieden omringen, op voorwaarde dat zij door het oogsten worden beïnvloed;

v)  er niet meer wordt geoogst dan de productiecapaciteit van het bos op lange termijn toelaat.

v)  het oogsten de productiecapaciteit van het bos op lange termijn handhaaft of verbetert op landelijk of regionaal niveau; en

 

vi)  in milieu- en natuurregels of -maatregelen is voorzien die stroken met de desbetreffende milieu- en natuurnormen van de Unie.

Amendement    241

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 6 – alinea 1 – punt ii

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

ii)  een nationaal vastgestelde bijdrage (Nationally Determined Contribution of NDC) voor het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) hebben ingediend, die betrekking heeft op emissies en verwijderingen van landbouw, bosbouw en landgebruik om ervoor te zorgen dat wijzigingen in de koolstofvoorraad die verband houden met de oogst van biomassa worden verrekend in het in de NDC gespecificeerde streefcijfer van het land voor het terugdringen of beperken van broeikasgasemissies, of dat er nationale of subnationale wetgeving van kracht is, overeenkomstig artikel 5 van de Overeenkomst van Parijs, die van toepassing is op het oogsten, met het oog op de instandhouding en de uitbreiding van koolstofvoorraden en -putten;

ii)  een nationaal vastgestelde bijdrage (Nationally Determined Contribution of NDC) voor het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) hebben ingediend, die betrekking heeft op emissies en verwijderingen van landbouw, bosbouw en landgebruik om ervoor te zorgen dat wijzigingen in de koolstofvoorraad die verband houden met de oogst van biomassa worden verrekend in het in de NDC gespecificeerde streefcijfer van het land voor het terugdringen of beperken van broeikasgasemissies, of dat er nationale of subnationale wetgeving van kracht is, overeenkomstig artikel 5 van de Overeenkomst van Parijs, en dat emissies van de sector landgebruik de verwijderingen niet overschrijden, hetgeen van toepassing is op het oogsten, met het oog op de instandhouding en de uitbreiding van koolstofvoorraden en -putten;

Amendement    242

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 6 – alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Wanneer geen bewijs beschikbaar is met betrekking tot het bepaalde in de eerste alinea, worden biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen uit bosbiomassa in aanmerking genomen voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c), indien op het niveau van het bosbedrijf beheersystemen voorhanden zijn om ervoor te zorgen dat de niveaus van de koolstofvoorraden en -putten in het bos worden gehandhaafd.

Wanneer geen bewijs beschikbaar is met betrekking tot het bepaalde in de eerste alinea, worden biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen uit bosbiomassa in aanmerking genomen voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c), indien op het niveau van het bevoorradingsgebied beheersystemen voorhanden zijn om ervoor te zorgen dat de niveaus van de koolstofvoorraden en -putten in het bos worden gehandhaafd of verhoogd.

Amendement    243

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 6 – alinea 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De Commissie kan, door middel van uitvoeringshandelingen die worden vastgesteld volgens de in artikel 31, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure, vaststellen hoe wordt aangetoond dat is voldaan aan de eisen van de leden 5 en 6.

Uiterlijk op 1 januari 2021 stelt de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen die worden vastgesteld volgens de in artikel 31, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure, vast hoe wordt aangetoond dat is voldaan aan de eisen van de leden 5 en 6.

Amendement    244

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 6 – alinea 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Uiterlijk op 31 december 2023 beoordeelt de Commissie op basis van de beschikbare gegevens of de in de leden 5 en 6 bedoelde criteria op doeltreffende wijze het risico op het gebruik van niet-duurzame biomassa tot een minimum beperken en voldoen aan de eisen in het kader van LULUCF. Indien nodig dient de Commissie een voorstel in tot wijziging van de eisen van de leden 5 en 6.

Uiterlijk op 31 december 2023 beoordeelt de Commissie, in nauwe samenwerking met de lidstaten, op basis van de beschikbare gegevens of de in de leden 5 en 6 bedoelde criteria op doeltreffende wijze het risico op het gebruik van niet-duurzame biomassa tot een minimum beperken en voldoen aan de eisen in het kader van LULUCF. Indien nodig dient de Commissie een voorstel in tot wijziging van de eisen van de leden 5 en 6 voor de periode na 2030.

Amendement    245

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 7 – letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

a)  ten minste 50 % voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa die worden geproduceerd in installaties die operationeel waren op of vóór 5 oktober 2015;

a)   ten minste 50 % voor biobrandstoffen, uit biomethaan gewonnen brandstoffen voor gebruik in het vervoer, en vloeibare biomassa die worden geproduceerd in installaties die operationeel waren op of vóór 5 oktober 2015;

Amendement    246

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 7 – letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

b)  ten minste 60 % voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa die worden geproduceerd in installaties die operationeel werden vanaf 5 oktober 2015;

b)   ten minste 60 % voor biobrandstoffen, uit biomethaan gewonnen brandstoffen voor gebruik in het vervoer, en vloeibare biomassa die worden geproduceerd in installaties die operationeel werden vanaf 5 oktober 2015;

Amendement    247

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 7 – letter c

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

c)  ten minste 70 % voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa die worden geproduceerd in installaties die operationeel worden na 1 januari 2021;

c)  ten minste 65 % voor biobrandstoffen, uit biomethaan gewonnen brandstoffen voor gebruik in het vervoer, en vloeibare biomassa die worden geproduceerd in installaties die operationeel worden na 1 januari 2021;

Amendement    248

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 7 – letter d

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

d)  ten minste 80 % voor de productie van elektriciteit, verwarming en koeling uit biomassabrandstoffen die worden gebruikt in installaties die operationeel worden na 1 januari 2021, en ten minste 85 % voor installaties die operationeel worden na 1 januari 2026.

d)  ten minste 70 % voor de productie van elektriciteit, verwarming en koeling uit biomassabrandstoffen die worden gebruikt in installaties die operationeel worden na 1 januari 2021, en ten minste 80 % voor installaties die operationeel worden na 1 januari 2026.

Amendement    249

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 7 – alinea 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

De lidstaten kunnen hogere broeikasgasemissiereducties vaststellen dan bepaald in dit lid.

Amendement    250

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 8 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Elektriciteit uit biomassabrandstoffen die wordt geproduceerd in installaties met een brandstofcapaciteit van 20 MW of meer, wordt alleen in aanmerking genomen voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c) indien zij is geproduceerd aan de hand van hoogrenderende-warmtekrachtkoppelingtechnologie als omschreven in artikel 2, lid 34, van Richtlijn 2012/27/EU. Voor de toepassing van lid 1, onder a) en b), is deze bepaling alleen van toepassing op installaties die na [3 jaar na de datum van aanneming van deze richtlijn] van start gaan. Voor de toepassing van lid 1, onder c), laat deze bepaling de overheidssteun die wordt verleend in het kader van regelingen die uiterlijk op [3 jaar na de datum van aanneming van deze richtlijn] worden goedgekeurd, onverlet.

Elektriciteit uit biomassabrandstoffen die wordt geproduceerd in installaties met een geïnstalleerde elektrische capaciteit van 20 MW of meer, wordt alleen in aanmerking genomen voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c), van dit artikel indien zij is geproduceerd aan de hand van hoogrenderende-warmtekrachtkoppelingtechnologie als omschreven in artikel 2, lid 34, van Richtlijn 2012/27/EU of is geproduceerd in voormalige met vaste fossiele brandstoffen gestookte installaties die zijn omgebouwd. Voor de toepassing van lid 1, onder a) en b), van dit artikel is deze bepaling alleen van toepassing op installaties die na [3 jaar na de datum van aanneming van deze richtlijn] van start gaan. Voor de toepassing van lid 1, onder c), van dit artikel laat deze bepaling de overheidssteun die wordt verleend in het kader van regelingen die uiterlijk op [3 jaar na de datum van aanneming van deze richtlijn] worden goedgekeurd, onverlet.

Amendement    251

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 8 – alinea 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

De eerste alinea is niet van toepassing op elektriciteit die is geproduceerd in installaties waarvoor niet de verplichting geldt om overeenkomstig artikel 14 van Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad1 bis hoogrenderende-warmtekrachtkoppelingtechnologie toe te passen, op voorwaarde dat deze installaties uitsluitend gebruikmaken van biomassabrandstoffen geproduceerd uit van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw afkomstige residuen onder normale bedrijfsomstandigheden.

 

____________________

 

1 bis Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van de Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).

Motivering

Hoewel een hoge omzettingsefficiëntie een belangrijk aspect is van de duurzaamheid van bio-energie en moet worden gewaarborgd, zijn er bepaalde omstandigheden zoals klimatologische omstandigheden die leiden tot onvoldoende vraag naar warmte voor investeringen in warmtekrachtkoppeling. Deze omstandigheden komen reeds aan bod in artikel 14 van de richtlijn energie-efficiëntie (2012/27/EU) over bevordering van de efficiëntie bij verwarming en koeling. Er moet echter op worden toegezien dat installaties die elektriciteit produceren uitsluitend gebruikmaken van residuen die niet meer geschikt zijn voor materiaalgebruik, teneinde hiermee niet te concurreren.

Amendement    252

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 8 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

8 bis.  De Commissie brengt om de twee jaar verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de effecten en voordelen van in de Unie verbruikte biobrandstoffen, onder meer over de productie van voedsel en diervoeder en andere materialen, en de economische, sociale en milieuduurzaamheid, zowel binnen de Unie als in derde landen.

Motivering

Wederopname van de rapportagebepalingen (artikel 17, lid 7, van de bestaande richtlijn) die in het Commissievoorstel werden geschrapt.

Amendement    253

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 8 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

8 ter.  In afwijking van de leden 1 tot en met 8 bis van dit artikel, en rekening houdend met de bijzonderheden van de ultraperifere gebieden als vastgesteld in artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, is artikel 26 van deze richtlijn niet van toepassing op die gebieden. Uiterlijk ... [zes maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn] legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een wetgevingsvoorstel voor waarin voor de ultraperifere gebieden criteria worden vastgesteld inzake de duurzaamheid en de reductie van broeikasgasemissies. In deze criteria wordt rekening gehouden met de specifieke lokale kenmerken. De ultraperifere gebieden moeten met name het volledige potentieel van hun hulpbronnen kunnen benutten, met inachtneming van strikte duurzaamheidscriteria, teneinde de opwekking van hernieuwbare energie op te voeren en hun energieonafhankelijkheid te stimuleren.

Motivering

In de ultraperifere gebieden brengt de energievoorziening in de vorm van fossiele brandstoffen (80 % of meer in bepaalde gebieden) extra kosten met zich mee die zwaar wegen op de lokale economie en de koopkracht van de inwoners. Tegelijkertijd beschikken deze gebieden voor een deel over aanzienlijke biomassahulpbronnen die zij zouden moeten kunnen benutten.

Amendement    254

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 10

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

10.  Voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c), kunnen de lidstaten aanvullende duurzaamheidseisen voor biomassabrandstoffen opleggen.

10.  Voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c), kunnen de lidstaten aanvullende duurzaamheidseisen voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen opleggen.

Amendement    255

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 27 – lid 1 – letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

a)   toelaat leveringen van grondstoffen of biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen met verschillende duurzaamheidskenmerken en verschillende kenmerken met betrekking tot de broeikasgasemissiereductie te mengen, bijvoorbeeld in een container, verwerkings- of logistiekfaciliteit of transmissie- en distributie-infrastructuur of -locatie;

a)   toelaat leveringen van grondstoffen of biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen met verschillende duurzaamheidskenmerken en verschillende kenmerken met betrekking tot de broeikasgasemissiereductie te mengen, bijvoorbeeld in een container, verwerkings- of logistiekfaciliteit of transmissie- en distributie-infrastructuur of -locatie, op voorwaarde dat elke levering op zichzelf voldoet aan de in artikel 26 vastgestelde vereisten, en dat er passende systemen voorhanden zijn om de naleving van de afzonderlijke leveringen te controleren en te meten;

Amendement    256

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 27 – lid 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 bis.  Ter bevordering van de grensoverschrijdende handel en de informatieverstrekking aan consumenten, bevatten de garanties van oorsprong voor in het net geïnjecteerde hernieuwbare energie informatie over de duurzaamheidscriteria en de broeikasgasemissiereducties als omschreven in artikel 26, leden 2 tot en met 7, en kunnen zij afzonderlijk worden overgedragen.

Motivering

Consumenten moeten middels de garanties van oorsprong worden geïnformeerd over de naleving van de vereisten op het gebied van duurzaamheid en een lagere uitstoot van broeikasgassen.

Amendement    257

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 27 – lid 2 – letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

a)   als de verwerking van een levering grondstoffen slechts leidt tot één output die bedoeld is voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen, worden de omvang van de levering en de desbetreffende duurzaamheidskenmerken en kenmerken met betrekking tot de broeikasgasemissiereductie aangepast door toepassing van een omzettingsfactor die de verhouding weergeeft tussen de massa van de output die bestemd is voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen, en de massa van de grondstof vóór verwerking;

a)   als de verwerking van een levering grondstoffen slechts leidt tot één output die bedoeld is voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen, worden de omvang van de levering en de desbetreffende duurzaamheidskenmerken en kenmerken met betrekking tot de broeikasgasemissiereductie aangepast door toepassing van een omzettingsfactor die de verhouding weergeeft tussen de massa van de output die bestemd is voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen, en de massa van de grondstof vóór verwerking, op voorwaarde dat elke levering waaruit het mengsel is samengesteld aan de vereisten van artikel 26 voldoet;

Amendement    258

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 27 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.  De lidstaten nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat de marktpartijen betrouwbare informatie over de naleving van de duurzaamheidscriteria en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie van artikel 26, leden 2 tot en met 7, indienen en de gegevens die gebruikt zijn om die informatie op te stellen, op verzoek ter beschikking van de lidstaat stellen. De lidstaten verplichten de marktpartijen om een passende norm op te stellen voor onafhankelijke audits van de door hen ingediende informatie, en om aan te tonen dat dit gebeurd is. Tijdens de audits moet worden nagegaan of de door de marktpartijen gebruikte systemen nauwkeurig en betrouwbaar zijn en bestand zijn tegen fraude. Voorts wordt ook de frequentie en de methode van de monsterneming gecontroleerd en wordt de robuustheid van de gegevens beoordeeld.

3.  De lidstaten nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat de marktpartijen betrouwbare informatie over de naleving van de duurzaamheidscriteria en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie van artikel 26, leden 2 tot en met 7, indienen en de gegevens die gebruikt zijn om die informatie op te stellen, op verzoek ter beschikking van de lidstaat stellen. De lidstaten verplichten de marktpartijen om een passende norm op te stellen voor onafhankelijke audits van de door hen ingediende informatie, en om aan te tonen dat dit gebeurd is. Tijdens de audits moet worden nagegaan of de door de marktpartijen gebruikte systemen nauwkeurig en betrouwbaar zijn en bestand zijn tegen fraude, met inbegrip van een controle om te waarborgen dat materialen niet opzettelijk worden gewijzigd of verwijderd, opdat de levering of een deel ervan overeenkomstig artikel 26, leden 2 tot en met 7, een afvalstof of residu kan worden. Voorts wordt ook de frequentie en de methode van de monsterneming gecontroleerd en wordt de robuustheid van de gegevens beoordeeld.

Motivering

Dit amendement beoogt ervoor te zorgen dat de in artikel 25, lid 1, genoemde beperking van de bijdrage van biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in deel B van bijlage IX vermelde grondstoffen, in acht wordt genomen.

Amendement    259

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 27 – lid 3 – alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De in dit lid neergelegde verplichtingen zijn van toepassing ongeacht of de biobrandstoffen, de vloeibare biomassa en de biomassabrandstoffen in de Unie geproduceerd dan wel ingevoerd zijn.

De in dit lid neergelegde verplichtingen zijn van toepassing ongeacht of de biobrandstoffen, de vloeibare biomassa en de biomassabrandstoffen in de Unie geproduceerd dan wel ingevoerd zijn. De informatie betreffende de geografische oorsprong van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen wordt voor de consumenten beschikbaar gesteld.

Motivering

Dit amendement is verbonden met de verplichting inzake transportbrandstoffen van artikel 25.

Amendement    260

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 27 – lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.   De Commissie kan besluiten dat vrijwillige nationale of internationale systemen waarbij normen worden bepaald voor de productie van biomassaproducten, accurate gegevens bevatten met het oog op de toepassing van artikel 26, lid 7, en/of aantonen dat leveringen van biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen voldoen aan de duurzaamheidscriteria van artikel 26, leden 2 tot en met 6, en/of dat geen materialen doelbewust zijn gewijzigd of verwijderd opdat de levering of een deel ervan onder bijlage IX komt te vallen. Om aan te tonen dat is voldaan aan de eisen van artikel 26, leden 5 en 6, voor bosbiomassa, kunnen de marktpartijen beslissen het vereiste bewijs rechtstreeks op het niveau van het bosbedrijf te verstrekken. Voor de toepassing van artikel 26, lid 2, onder b), ii), kan de Commissie tevens gebieden voor de bescherming van zeldzame, kwetsbare of bedreigde ecosystemen of soorten erkennen die bij internationale overeenkomsten zijn erkend of die zijn opgenomen in lijsten van intergouvernementele organisaties of de International Union for the Conservation of Nature.

4.   De Commissie kan besluiten dat vrijwillige nationale of internationale systemen waarbij normen worden bepaald voor de productie van biomassaproducten, accurate gegevens bevatten met het oog op de toepassing van artikel 26, lid 7, en/of aantonen dat leveringen van biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen voldoen aan de duurzaamheidscriteria van artikel 26, leden 2 tot en met 6, en/of dat geen materialen doelbewust zijn gewijzigd of verwijderd opdat de levering of een deel ervan onder bijlage IX komt te vallen. Om aan te tonen dat is voldaan aan de eisen van artikel 26, leden 5 en 6, voor bosbiomassa, kunnen de marktpartijen beslissen het vereiste bewijs rechtstreeks op het niveau van het bevoorradingsgebied te verstrekken. Voor de toepassing van artikel 26, lid 2, onder b), ii), kan de Commissie tevens gebieden voor de bescherming van zeldzame, kwetsbare of bedreigde ecosystemen of soorten erkennen die bij internationale overeenkomsten zijn erkend of die zijn opgenomen in lijsten van intergouvernementele organisaties of de International Union for the Conservation of Nature.

Amendement    261

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 27 – lid 5 – alinea 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Om ervoor te zorgen dat op een efficiënte en geharmoniseerde manier wordt gecontroleerd of de duurzaamheidscriteria en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie worden nageleefd, en met name ten behoeve van fraudepreventie kan de Commissie uitvoeringsbepalingen, met inbegrip van passende normen voor betrouwbaarheid, transparantie en onafhankelijke auditing, vaststellen en alle vrijwillige systemen ertoe verplichten die normen toe te passen. Bij het bepalen van die normen besteedt de Commissie bijzondere aandacht aan de noodzaak om de administratieve lasten tot een minimum te beperken. Dat geschiedt door middel van uitvoeringshandelingen die worden vastgesteld volgens de in artikel 31, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure. In dergelijke uitvoeringshandelingen wordt een termijn gesteld waarbinnen de vrijwillige systemen de normen geïmplementeerd moeten hebben. De Commissie kan besluiten tot erkenning van vrijwillige systemen intrekken indien zij die normen niet binnen de daarvoor gestelde termijn hebben geïmplementeerd.

Om ervoor te zorgen dat op een efficiënte en geharmoniseerde manier wordt gecontroleerd of de duurzaamheidscriteria en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie worden nageleefd, en met name ten behoeve van fraudepreventie kan de Commissie uitvoeringsbepalingen, met inbegrip van passende normen voor betrouwbaarheid, transparantie en onafhankelijke auditing, vaststellen en alle vrijwillige systemen ertoe verplichten die normen toe te passen. Bij het bepalen van die normen besteedt de Commissie bijzondere aandacht aan de noodzaak om de administratieve lasten tot een minimum te beperken. Dat geschiedt door middel van uitvoeringshandelingen die worden vastgesteld volgens de in artikel 31, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure. In dergelijke uitvoeringshandelingen wordt een termijn gesteld waarbinnen de vrijwillige systemen de normen geïmplementeerd moeten hebben. De Commissie kan besluiten tot erkenning van vrijwillige systemen intrekken indien zij die normen niet binnen de daarvoor gestelde termijn hebben geïmplementeerd. Indien een lidstaat zijn bezorgdheid uit over de werking van een vrijwillig systeem, onderzoekt de Commissie deze kwestie en neemt zij passende maatregelen.

Motivering

Dit amendement is verbonden met de verplichting inzake transportbrandstoffen van artikel 25.

Amendement    262

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 27 – lid 7 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

7 bis.  De Commissie kan op elk moment de betrouwbaarheid controleren van de informatie inzake de naleving van de duurzaamheidscriteria of de broeikasgasemissiereductie die door op de markt van de Unie actieve marktpartijen wordt verstrekt, ook op verzoek van een lidstaat.

Motivering

Dit amendement is verbonden met de verplichting inzake transportbrandstoffen van artikel 25.

Amendement    263

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 28 – lid 1 – alinea 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Grondstoffen waarvan de productie heeft geleid tot directe veranderingen in het landgebruik, zoals een verandering van een van de volgende IPCC-categorieën van landgebruik: van bosland, grasland, waterrijke gebieden, woongebieden of overig land, in akkerland of land voor vaste gewassen, en waarbij de emissiewaarde ten gevolge van directe veranderingen in het landgebruik (el) wordt berekend overeenkomstig punt 7 van deel C van bijlage V, worden geacht een geraamde emissie ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik te hebben ter waarde van nul.

Motivering

Dit amendement is onlosmakelijk verbonden met de amendementen op artikel 7, lid 1.

Amendement    264

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 28 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.   De lidstaten kunnen bij de Commissie verslagen indienen met informatie over de typische broeikasgasemissies ten gevolge van de teelt van landbouwgrondstoffen van de gebieden op hun grondgebied die volgens Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad als niveau 2 in de gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek ("NUTS") dan wel als een meer gedesaggregeerd NUTS-niveau zijn ingedeeld. De verslagen gaan vergezeld van een beschrijving van de methode en de gegevensbronnen die zijn gebruikt om het niveau van de emissies te berekenen. Die methode houdt rekening met de bodemkenmerken, het klimaat en de verwachte opbrengst aan grondstoffen.

2.   De lidstaten kunnen bij de Commissie verslagen indienen met informatie over de typische broeikasgasemissies ten gevolge van de teelt van landbouw- en bosbouwgrondstoffen van de gebieden op hun grondgebied die volgens Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad als niveau 2 in de gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek ("NUTS") dan wel als een meer gedesaggregeerd NUTS-niveau zijn ingedeeld. De verslagen gaan vergezeld van een beschrijving van de methode en de gegevensbronnen die zijn gebruikt om het niveau van de emissies te berekenen. Die methode houdt rekening met de bodemkenmerken, het klimaat en de verwachte opbrengst aan grondstoffen.

Amendement    265

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 28 – lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.   De Commissie kan door middel van een volgens de in artikel 31, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vast te stellen uitvoeringshandeling besluiten dat de in de leden 2 en 3 van dit artikel bedoelde verslagen nauwkeurige gegevens bevatten ten behoeve van de meting van broeikasgasemissies gerelateerd aan de verbouwing van landbouwgrondstoffen voor biomassabrandstoffen die in de in die verslagen opgenomen gebieden wordt geproduceerd voor de doeleinden van artikel 26, lid 7. Die gegevens mogen dan ook worden gebruikt in de plaats van de gedesaggregeerde standaardwaarden voor de teelt als vastgelegd in deel D of E van bijlage V voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa en in deel C van bijlage VI voor biomassabrandstoffen.

4.   De Commissie kan door middel van een volgens de in artikel 31, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vast te stellen uitvoeringshandeling besluiten dat de in de leden 2 en 3 van dit artikel bedoelde verslagen nauwkeurige gegevens bevatten ten behoeve van de meting van broeikasgasemissies gerelateerd aan de verbouwing van landbouw- en bosbouwgrondstoffen voor biomassabrandstoffen die in de in die verslagen opgenomen gebieden worden geproduceerd voor de doeleinden van artikel 26, lid 7. Die gegevens mogen dan ook worden gebruikt in de plaats van de gedesaggregeerde standaardwaarden voor de teelt als vastgelegd in deel D of E van bijlage V voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa en in deel C van bijlage VI voor biomassabrandstoffen.

Amendement    266

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 28 – lid 5 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De Commissie evalueert regelmatig de bijlagen V en VI, met het oog op de toevoeging of de herziening van waarden voor productieketens voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen. Tijdens die evaluatie wordt tevens de wijziging van de in bijlage V, deel C, en in bijlage VI, deel B, vastgestelde methode in overweging genomen.

De Commissie evalueert regelmatig de bijlagen V en VI, met het oog op de toevoeging of de herziening van waarden voor productieketens voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen op basis van de laatste technologische ontwikkelingen en wetenschappelijke bewijzen. Tijdens die evaluatie wordt tevens de wijziging van de in bijlage V, deel C, en in bijlage VI, deel B, vastgestelde methode in overweging genomen.

Motivering

Dit amendement is verbonden met de verplichting inzake transportbrandstoffen van artikel 25.

Amendement    267

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 30 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  De Commissie houdt toezicht op de oorsprong van de in de Unie verbruikte biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen en analyseert de gevolgen van de productie ervan, met inbegrip van de gevolgen van verdringingseffecten, voor het landgebruik in de Unie en de belangrijkste derde landen die dergelijke biobrandstoffen en vloeibare biomassa leveren. Dit toezicht is gebaseerd op de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en de bijbehorende voortgangsverslagen van de lidstaten, zoals vereist in de artikelen 3, 15 en 18 van Verordening [governance], en van de relevante derde landen en intergouvernementele organisaties en op wetenschappelijke studies en andere relevante informatie. De Commissie houdt ook toezicht op de wijzigingen van de grondstoffenprijzen ten gevolge van het gebruik van biomassa voor energie en op de daarmee verband houdende positieve en negatieve gevolgen voor de voedselvoorzieningszekerheid.

1.  De Commissie houdt toezicht op de oorsprong van de biobrandstoffen en vloeibare biomassa, en in de Unie verbruikte biomassabrandstoffen, alsook op de gevolgen van de productie van hernieuwbare energie uit deze en andere bronnen, met inbegrip van de gevolgen van verdringingseffecten, voor het landgebruik in de Unie en de derde landen die dergelijke biobrandstoffen en vloeibare biomassa leveren. Dit toezicht is gebaseerd op de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en de bijbehorende voortgangsverslagen van de lidstaten, zoals vereist in de artikelen 3, 15 en 18 van Verordening [governance], en van de relevante derde landen en intergouvernementele organisaties en op wetenschappelijke studies, satellietobservatiegegevens en andere relevante informatie. De Commissie houdt ook toezicht op de wijzigingen van de grondstoffenprijzen ten gevolge van het gebruik van biomassa voor energie en op de daarmee verband houdende positieve en negatieve gevolgen voor de voedselvoorzieningszekerheid en voor concurrerend gebruik van materialen.

Motivering

Er moet een alomvattende benadering worden gehanteerd die vergelijking mogelijk maakt.

Amendement    268

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 32 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  De in artikel 7, lid 5, artikel 7, lid 6, artikel 19, leden 11 en 14, artikel 25, lid 6, en artikel 28, lid 5, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar met ingang van 1 januari 2021.

2.  De in artikel 7, lid 3, artikel 7, lid 5, artikel 7, lid 6, artikel 19, leden 11 en 14, artikel 25, lid 6, en artikel 28, lid 5, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar met ingang van 1 januari 2021.

Motivering

Dit amendement is noodzakelijk om redenen in verband met de interne logica van de tekst en houdt onlosmakelijk verband met andere amendementen.

Amendement    269

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 32 – lid 3 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 7, lid 5, artikel 7, lid 6, artikel 19, leden 11 en 14, artikel 25, lid 6, en artikel 28, lid 5, bedoelde

Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 7, lid 3, artikel 7, lid 5, artikel 7, lid 6, artikel 19, leden 11 en 14, artikel 25, lid 6, en artikel 28, lid 5, bedoelde

Motivering

Dit amendement is noodzakelijk om redenen in verband met de interne logica van de tekst en houdt onlosmakelijk verband met andere amendementen.

Amendement    270

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Bijlage I bis

 

1.  De streefcijfers van de lidstaten voor 2030 zijn gelijk aan de som van de volgende componenten, elk uitgedrukt in procentpunten:

 

a)  het nationale bindende streefcijfer van de lidstaat voor 2020 als opgenomen in bijlage I bij deze richtlijn;

 

b)  een forfaitaire bijdrage ("CFlat");

 

c)  een op het bbp per hoofd van de bevolking gebaseerde bijdrage ("CGDP");

 

d)  een op het potentieel gebaseerde bijdrage ("CPotential");

 

e)  een bijdrage waarin de interconnectiegraad van de lidstaat in aanmerking is genomen ("CInterco").

 

2.  CFlat is hetzelfde bedrag voor elke lidstaat. De som van de CFlat-bijdragen van alle lidstaten zorgt voor een bijdrage van 30 % aan het verschil tussen de EU-streefcijfers voor 2030 en 2020.

 

3.  De CGDP-bijdrage wordt onder de lidstaten verdeeld aan de hand van een index van het bbp per hoofd van de bevolking ten opzichte van het EU-gemiddelde, waarbij de index voor elke lidstaat afzonderlijk maximaal 150 % van het EU-gemiddelde bedraagt. De som van de CGDP-bijdragen van alle lidstaten zorgt voor een bijdrage van 30 % aan het verschil tussen de EU-streefcijfers voor 2030 en 2020.

 

4.  De CPotential -bijdrage wordt onder de lidstaten verdeeld aan de hand van het verschil tussen het aandeel hernieuwbare energiebronnen (HEB) van een lidstaat in 2030 zoals blijkt uit het Primes EUCO3535-scenario en het nationale bindende streefcijfer van die lidstaat voor 2020. De som van de CPotential-bijdragen van alle lidstaten zorgt voor een bijdrage van 30 % aan het verschil tussen de EU-streefcijfers voor 2030 en 2020.

Amendement    271

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage V – Deel C – lid 3 – letter a – formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

REDUCTIE = (E F(t) – E B /E F(t))

REDUCTIE = (E F(t) – E B) /E F(t)

Motivering

De voorgestelde formule is wiskundig onjuist. De bestaande formule klopt wiskundig gezien wel: de uitkomst van de formule is een dimensieloos aandeel dat een percentage voor broeikasgasemissiereductie oplevert, uitgedrukt in verhouding tot 100 %.

Amendement    272

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage V – Deel C – lid 15

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

15.  Met betrekking tot de emissiereductie door het afvangen en vervangen van koolstof, eccr, die rechtstreeks verband houdt met de productie van biobrandstoffen of vloeibare biomassa waaraan deze wordt toegeschreven, wordt alleen rekening gehouden met emissies die vermeden worden door de afvang van uitgestoten CO2 waarvan de koolstof afkomstig is van biomassa en die gebruikt wordt in de sectoren energie en vervoer.

15.  Met betrekking tot de emissiereductie door het afvangen en vervangen van koolstof, eccr, wordt alleen rekening gehouden met emissies die vermeden worden door de afvang van uitgestoten CO2 waarvan de koolstof afkomstig is van biomassa en die gebruikt wordt om de in commerciële producten en diensten gebruikte CO2 uit fossiele brandstoffen te vervangen.

Motivering

De huidige wettelijke situatie moet worden gehandhaafd. Emissiereducties in andere sectoren dan vervoer mogen niet worden verwaarloosd.

Amendement    273

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage VII – alinea 1 – streepje 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

-  Qusable = de geraamde totale hoeveelheid bruikbare warmte die wordt afgeleverd door warmtepompen die aan de in artikel 7, lid 4, bedoelde criteria voldoen, als volgt ten uitvoer gelegd: enkel warmtepompen waarvoor SPF > 1,15 * 1/η worden in aanmerking genomen;

-  Qusable = de geraamde totale hoeveelheid bruikbare warmte die wordt afgeleverd door warmtepompen voor de productie van verwarming en koeling die aan de in artikel 7, lid 4, bedoelde criteria voldoen, als volgt ten uitvoer gelegd: enkel warmtepompen waarvoor SPF > 1,15 * 1/η worden in aanmerking genomen;

Amendement    274

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage IX – Deel A – letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

b)  De biomassafractie van gemengd stedelijk afval, maar niet gescheiden ingezameld huishoudelijk afval waarvoor de recyclingstreefcijfers gelden overeenkomstig artikel 11, lid 2, onder a), van Richtlijn 2008/98/EG.

Schrappen

Motivering

Voor een betere coherentie van de streefcijfers inzake emissiereductie.

Amendement    275

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage IX – Deel A – letter c

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

c)   Bioafval als gedefinieerd in artikel 3, punt 4, van Richtlijn 2008/98/EG van particuliere huishoudens, waarop gescheiden inzameling van toepassing is als gedefinieerd in artikel 3, punt 11, van die richtlijn.

c)   Bioafval als gedefinieerd in artikel 3, punt 4, van Richtlijn 2008/98/EG, waarop gescheiden inzameling van toepassing is als gedefinieerd in artikel 3, punt 11, van die richtlijn.

Amendement    276

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage IX – Deel A – letter d

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

d)  De biomassafractie van industrieel afval ongeschikt voor gebruik in de voeder- of voedselketen, met inbegrip van materiaal van de groot- en detailhandel, de agrovoedingsmiddelenindustrie en de visserij- en aquacultuursector, met uitzondering van de in deel B van deze bijlage vermelde grondstoffen.

d)  Biomassaresiduen uit andere hernieuwbare industriële productie ongeschikt voor gebruik in de voeder- of voedselketen of voor herverwerking tot niet voor de menselijke voeding bestemd materiaal. Dit omvat materiaal afkomstig van de groot- en detailhandel, de bedrijfstak van biogebaseerde chemische producties, de agrovoedingsmiddelenindustrie en de visserij- en aquacultuursector, met uitzondering van de in deel B van deze bijlage vermelde grondstoffen.

Motivering

Alleen productieresiduen die niet geschikt zijn om te worden hergebruikt in voedsel, voeder of niet voor de menselijke voeding bestemde producten mogen als geavanceerde biobrandstoffen worden beschouwd, in overeenstemming met de beginselen van een circulaire economie en een efficiënt gebruik van hulpbronnen.

Amendement    277

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage IX – Deel A – letter g

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

g)  Effluenten van palmoliefabrieken en palmtrossen.

Schrappen

Motivering

De residuen van de productie van plantaardige oliën met een hoog ILUC-effect mogen niet in aanmerking komen als een passende grondstof voor geavanceerde biobrandstoffen.

Amendement    278

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage IX – Deel A – letter h

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

h)  Tallolie en talloliepek.

Schrappen

Motivering

Tallolie wordt op grote schaal gebruikt in de industrie. Zonder effectbeoordeling kunnen we niet nagaan wat de gevolgen zouden zijn van een verplaatsing van het gebruik.

Amendement    279

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage IX – Deel A – letter j

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

j)  Bagasse.

Schrappen

Motivering

Grondstoffen die nu in de industrie worden gebruikt en die beperkt beschikbaar zijn, mogen niet worden bevorderd als geavanceerde biobrandstof, aangezien er waarschijnlijk negatieve gevolgen voor het klimaat en de economie zullen ontstaan wanneer ze moeten worden vervangen door andere stoffen die bestaande toepassingen hebben.

Amendement    280

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage IX – Deel A – letter o

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

o)  Biomassafractie van afvalstoffen en residuen uit de bosbouw en de houtsector, zoals schors, takken, precommercieel dunningshout, bladeren, naalden, boomkruinen, zaagsel, houtkrullen/spaanders, zwart residuloog, bruin residuloog, vezelslib, lignine.

o)  Biomassafractie van restafvalstoffen en residuen uit op de bosbouw gebaseerde industrieën die geen verplaatsing van het huidige materiaalgebruik van de residuen veroorzaken, zoals schors, takken, precommercieel dunningshout, bladeren, naalden, boomkruinen, zaagsel, houtkrullen/spaanders, zwart residuloog, bruin residuloog, vezelslib, lignine.

Motivering

Dit zorgt voor coherentie en ondersteunt de tenuitvoerlegging en de verdere handhaving van de wijziging van artikel 26 voor een hiërarchie van het gebruik van houtproducten.

Amendement    281

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage IX – Deel A – letter p

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

p)  Ander non-food cellulosemateriaal als omschreven in artikel 2, tweede alinea, onder s).

p)  Ander non-food cellulosemateriaal als omschreven in artikel 2, tweede alinea, onder s), met uitsluiting van energiegewassen die op productieve landbouwgrond worden geteeld.

Motivering

Energiegewassen die op productieve landbouwgrond worden geteeld, moeten worden uitgesloten, daar zij een vergelijkbare verplaatsing van het landgebruik veroorzaken als de productie van voedsel- en voedergewassen ten behoeve van biobrandstoffen.

Amendement    282

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage IX – Deel A – letter q

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

q)  Ander lignocellulosisch materiaal als omschreven in artikel 2, tweede alinea, onder r), met uitzondering van voor verzaging geschikte stammen of blokken en fineer.

q)  Lignocellulosische biomassa uit hakhout met korte omlooptijd dat op minderwaardige landbouwgrond wordt geproduceerd, en afval en residuen uit boslandbouwsystemen op oppervlakte cultuurgrond.

Motivering

De definitie was te ruim, aangezien alle houtachtige afval en residuen uit de bosbouw al onder o) vallen. Met dit amendement wordt voorgesteld de reikwijdte van letter q) te beperken tot oppervlakte cultuurgrond, tot minderwaardige grond voor het hoofdzakelijk gebruik, en tot residuen en afval uit boslandbouwsystemen, takken, schors, bladeren, enz.

Amendement    283

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage IX – Deel A – letter q bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

q bis)  Afvang en benutting van koolstof voor vervoersdoeleinden, als de energiebron hernieuwbaar is overeenkomstig artikel 2, lid 2, onder a).

Motivering

Voortzetting van de huidige regel. De bestaande wettelijke bepalingen moeten worden gehandhaafd. Vervanging van fossiele koolstof en de cascadering daarvan vormen relevante en steeds belangrijkere bijdragen aan klimaatbescherming.

Amendement    284

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage IX – Deel B – letter c

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

c)  Melasse verkregen als bijproduct bij de raffinage van suikerriet of suikerbieten, op voorwaarde dat er is voldaan aan de hoogste industrienormen voor de extractie van suiker.  

Schrappen

Motivering

Melasse is een bijproduct van suikerriet dat in de agrovoedingsindustrie wordt gebruikt, met name voor de productie van gist. De opname van melasse in bijlage IX zou tot een grondstoffentekort leiden, terwijl de toepassing van melasse in andere sectoren dan energie volgens de afvalhiërarchie een betere benutting vormt.

Amendement    285

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage X – Deel A

Kalenderjaar

Maximumaandeel

2021

7,0 %

2022

6,7 %

2023

6,4 %

2024

6,1 %

2025

5,8 %

2026

5,4 %

2027

5,0 %

2028

4,6 %

2029

4,2 %

2030

3,8 %

 

Amendement

Deel A: Maximumaandeel van uit voedsel- of voedergewassen geproduceerde vloeibare biobrandstoffen ten aanzien van het EU-streefcijfer inzake hernieuwbare energie, als bedoeld in artikel 7, lid 1

Kalenderjaar

Maximumaandeel

2021

7,0 %

2022

6,3 %

2023

5,6 %

2024

4,9 %

2025

4,2 %

2026

3,5 %

2027

2,8 %

2028

2,1 %

2029

1,4 %

2030

0 %

(1)

Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.

(2)

PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.


TOELICHTING

Naar een koolstofarme economie in 2050

Het Europees Parlement zet zich in voor de Europese burgers en hun levenskwaliteit en voor economische en maatschappelijke vooruitgang.

Dit is het moment om een duidelijk en doeltreffend juridisch kader op te stellen dat in overeenstemming is met het tijdpad voor een koolstofarme economie dat is vastgelegd in het historische Akkoord van Parijs, dat in 2015 is ondertekend en sinds november 2016 van kracht is.

We moeten meer dan ooit ambitieus zijn in de nieuwe richtlijn om het gebruik van hernieuwbare energie te bevorderen en ons best doen voor schone en veilige energie die voor alle burgers toegankelijk is en werkgelegenheid creëert.

Europa: pionier in hernieuwbare energie?

De huidige en verwachte ontwikkelingen op de markt van hernieuwbare energie op mondiaal niveau bieden een belangrijke kans voor onze ondernemingen en voor het scheppen van hoogwaardige banen in de Unie. We moeten onze technologische kennisbasis, industriële structuur en gekwalificeerde experts, die ervoor hebben gezorgd dat we een belangrijke rol op het wereldtoneel spelen in de ontwikkeling van technologieën voor hernieuwbare energie, benutten en bevorderen.

Het gebruik van hernieuwbare energie draagt ook bij aan het vergroten van de energie-onafhankelijkheid van de Unie, wat ons meer energiezekerheid geeft en ons minder kwetsbaar maakt ten opzichte van externe energieleveranciers.

De afgelopen jaren is er vertraging zichtbaar geworden in investeringen die noodzakelijk zijn om de Europese economie koolstofarm te maken. Zo worden er in Europa minder snel investeringen gedaan in hernieuwbare energie, terwijl in andere delen van de wereld juist investeringsrecords worden behaald.

Naar een nieuw regelgevingskader ter bevordering van het gebruik van hernieuwbare energie

Doelstelling conform het streven naar een geheel koolstofarme economie in 2050: 35% hernieuwbare energie

Hoewel de rapporteur ingenomen is met het merendeel van de nieuwe bepalingen die de Europese Commissie voorstelt, betreurt hij het gebrek aan ambitie in de vastgestelde doelstelling om een aandeel van 27% hernieuwbare energie in de Unie te halen.

Het is belangrijk te onderstrepen dat de bijeenkomst van de Europese Raad van oktober 2014, waarin een doelstelling van ten minste 27% hernieuwbare energie werd onderschreven, nog voor de ondertekening van het Akkoord van Parijs plaatsvond.

Aan de andere kant verschilt een wereldwijde doelstelling van 27% niet wezenlijk van het trendmatige scenario, waarin 24,3% in 2030 behaald zou worden (een scenario waarin geen rekening wordt gehouden met een waarschijnlijke afname in kosten voor de rijpste technologieën op het gebied van hernieuwbare energie).

Er moet daarnaast worden opgemerkt dat het Europees Parlement in 2016 een resolutie heeft aangenomen waarin werd gepleit voor een doelstelling van ten minste 30% hernieuwbare energie, waarbij werd aangegeven dat "een aanzienlijk ambitieuzere doelstelling wenselijk is".

Momenteel blijkt zelfs deze door het Europees Parlement voorgestelde doelstelling bescheiden vergeleken met de op de COP21 overeengekomen vereisten om de economie koolstofarm te maken. Dit brengt niet alleen de verwezenlijking van de streefcijfers van Parijs in gevaar, maar ook het leiderschap van de Europese Unie op het gebied van schone energie.

Sterker nog, een aantal lidstaten werkt momenteel aan streefcijfers die de eerdergenoemde streefcijfers voor 2030 duidelijk overtreffen.

IRENA (2016) stelt bijvoorbeeld dat 36% hernieuwbare energie op wereldwijde schaal voor 2030 niet alleen mogelijk maar zelfs noodzakelijk is om de stijging van de gemiddelde temperatuur op aarde met 2°C te beperken.

De rapporteur stelt daarom voor om een bindende EU-doelstelling voor 2030 vast te stellen van 35% hernieuwbare energie in het bruto eindenergieverbruik. Deze minimale doelstelling kan alleen met gezamenlijke inspanning van alle lidstaten worden bereikt door nieuwe bindende nationale streefcijfers op te stellen, onder andere in de vervoerssector.

Nationale verplichtingen op het gebied van schone energie

Het succes van de vigerende Richtlijn 2009/28/EG, waarmee zonder twijfel vooruitgang is geboekt richting een grotere inzet van hernieuwbare energie, is vooral te danken aan de duidelijkheid en stelligheid waarmee men bindende streefcijfers op nationaal niveau heeft vastgesteld.

Deze bindende streefcijfers geven investeerders zekerheid, waardoor de behoefte aan financiële ondersteuning afneemt. Bovendien zorgen zij voor een duidelijke verdeling van verantwoordelijkheden, wat betekent dat er corrigerende maatregelen genomen kunnen worden indien een lidstaat deze verantwoordelijkheden niet nakomt.

Het feit dat de Europese Commissie zelf heeft aangegeven dat bindende nationale streefcijfers het meest effectieve middel zijn om de doelstellingen voor hernieuwbare energie in 2020 te bereiken, maakt het lastig om de verdwijning ervan uit te leggen. Een systeem gebaseerd op vrijwillige nationale bijdragen geeft geen krachtig signaal van ambitie af.

Flexibel, zeker en Europees gericht financieringskader

De op de markt gebaseerde criteria voor het opstellen van ondersteuningsplannen stimuleren de concurrentie en leiden tot een afname in de kosten ter bevordering van hernieuwbare energiebronnen.

Tegelijkertijd is het noodzakelijk om lidstaten te garanderen dat zij zelf over hun technologische diversificatie kunnen beslissen, daarbij rekening houdend met maatschappelijke, geografische, milieu- en klimaatfactoren. Deze flexibiliteit draagt ook bij aan een beperking van de kosten om hernieuwbare energie in het energiesysteem te integreren. De rapporteur stelt daarom voor om enkele algemene gemeenschappelijke beginselen voor steunregelingen op het gebied van hernieuwbare energie op te stellen.

Het openstellen van steunregelingen voor producenten van hernieuwbare energie die zich in andere lidstaten bevinden is een manier om de concurrentie te verhogen en zodoende de kosten voor de steunregelingen te drukken en te harmoniseren.

De samenwerkingsmechanismen tussen de lidstaten bieden potentiële voordelen ter bevordering van hernieuwbare energie in termen van kosteneffectiviteit. Om deze voordelen te kunnen verwezenlijken en tegelijkertijd de lidstaten flexibiliteit te bieden, stelt de rapporteur voor dat de verplichting om steunregelingen open te stellen kan worden vervangen door de uitvoering van gezamenlijke projecten.

De regionale samenwerking moet in overeenstemming zijn met de interconnectieniveaus, opdat de verschillende hernieuwbare energiebronnen op een juiste manier worden beheerd en de kosten om ze in het energiesysteem te integreren worden beperkt. Lidstaten met lage interconnectieniveaus moeten dan ook niet worden verplicht om deel te nemen aan deze openstelling van steunregelingen.

Versterking van de rechtszekerheid

De abrupte veranderingen in het steunbeleid voor hernieuwbare energiebronnen hebben voor twijfels gezorgd bij investeerders. Verschillende landen hebben maatregelen met terugwerkende kracht genomen, waarmee ze het vertrouwen van investeerders hebben verloren en twijfel hebben gezaaid in de hernieuwbare-energiesector. Ook kunnen nieuwe installaties hierdoor niet meer worden gefinancierd. Dit heeft de verwezenlijking van de voor 2020 vastgestelde streefcijfers in gevaar gebracht en een geavanceerde autochtone industrie in veel gebieden verzwakt.

Het is dan ook van essentieel belang om het beeld te bevestigen van de Europese Unie als aantrekkelijk gebied voor investeringen in hernieuwbare energie vanwege onder andere de rechtszekerheid die haar regelgevingskader biedt. Om die reden wordt artikel 6 versterkt, opdat het geen dubbelzinnigheden meer bevat en duidelijk wordt dat het van toepassing is op zowel huidige als toekomstige investeringen. Er wordt gepleit voor een breder regelgevingskader, waarin overgangsperiodes worden vastgelegd in het geval van wijzigingen van bepalingen en vergoedingen worden vastgelegd in het geval van externe veranderingen die nadelig zijn voor het gebruik van hernieuwbare energie en aanzienlijk invloed hebben op de economische rendabiliteit van gefinancierde projecten.

Het wegwerken van administratieve drempels

Een andere factor die de inzet van hernieuwbare energiebronnen in de Unie bemoeilijkt zijn de gecompliceerde administratieve procedures met lange wachttijden. Het voorgestelde éénloketsysteem is een middel waar al meerdere malen tegen is geprotesteerd door vertegenwoordigers uit de sector.

Een maximale wachttijd van drie jaar voor een vergunning is wellicht realistisch voor grotere installaties, maar lijkt buitensporig lang voor kleinere installaties. Voor projecten van minder grote omvang, waarvoor lang niet zoveel raadplegingen en evaluaties nodig zijn als voor grotere projecten, moeten de wachttijden korter worden.

Deelname van de consument aan de energietransitie

Sinds de vaststelling van de huidige richtlijn hebben de technologische vooruitgang en sterke kostendaling van een aantal technologieën nieuwe vormen van energiebeheer bevorderd die de consument in het middelpunt van het energiebeleid stellen. Het is van belang deze nieuwe vormen van deelname op te nemen in het energiesysteem en te bevorderen. In de nieuwe richtlijn moet het verbruik van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie en de ontwikkeling van duurzame-energiegemeenschappen daarom niet alleen worden toegestaan, maar actief worden bevorderd. Ook moet worden voorkomen dat gebruikers van hernieuwbare energie worden benadeeld of het hoofd moeten bieden aan onevenredige procedures of belastingen. Het verbruik van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie die buiten het net valt moet niet worden onderworpen aan belastingen van welke aard dan ook.

Burgers met gemiddelde of hoge inkomens hebben doorgaans gemakkelijker toegang tot het startkapitaal dat nodig is om te investeren in installaties waarmee men zelf hernieuwbare energie kan opwekken.

In Europa, waar 50 miljoen mensen zich in een situatie van energiearmoede bevinden, moet het gebruik van hernieuwbare energie echter een fundamentele rol gaan spelen in de ontwikkeling van een nieuw energiemodel dat ten goede komt aan de samenleving in zijn geheel.

Om die reden moeten de steunregelingen die zelfproductie bevorderen zodanig worden ontworpen dat ze binnen het bereik van alle consumenten komen, en met name van de minderbedeelden.

Het belang van streefcijfers per sector

De introductie van specifieke streefcijfers voor de verwarming- en koelingssector en vervoerssector is absoluut noodzakelijk, gezien het feit dat deze sectoren de meeste ingangen voor hernieuwbare energie bieden en ongeveer 75%(1) van het eindenergieverbruik van de Unie vertegenwoordigen. We kunnen de streefcijfers inzake het koolstofarm maken van de economie bereiken als de inspanningen in deze sectoren worden verdubbeld.

In de verwarming- en koelingssector moet een hoger bindend ambitieniveau worden nagestreefd en moet gezorgd worden voor flexibiliteitsbepalingen voor lidstaten die hernieuwbare energie al in hoge mate inzetten.

Ook moeten voorzorgsmaatregelen worden getroffen opdat de goedgekeurde bepalingen in deze sector met name worden toegespitst op kwetsbare huishoudens die risico op energiearmoede lopen.

De vervoersector vertegenwoordigt ongeveer een derde van het eindenergieverbruik in de EU, maar wordt met 94% nog altijd gedomineerd door brandstoffen op basis van aardolie. In de huidige richtlijn is een streefcijfer van 10% hernieuwbare energie vastgesteld voor de vervoersector voor 2020. Om vooruitgang te boeken in deze sector, die verantwoordelijk is voor 35% van alle CO2-uitstoot in de Europese Unie, is het noodzakelijk om deze sectordoelstelling te behouden en te actualiseren voor 2030. Het is dan ook van belang om vervoer op basis van alternatieve brandstoffen, bijvoorbeeld elektriciteit, te bevorderen.

De rapporteur ziet het als een noodzaak om deze richtlijn van meer ambitie te voorzien, opdat Europa zijn verplichting kan nakomen in de strijd tegen klimaatverandering. Het gebrek aan ambitie op het gebied van hernieuwbare energie kost ons niet alleen onze geloofwaardigheid, maar zet vooral ook onze toekomstige ontwikkeling op het spel.

(1)

Bron: Eurostat (2014).


BIJLAGE: LIJST VAN ENTITEITEN WAARVAN OF PERSONEN VAN WIE DE RAPPORTEUR INPUT HEEFT ONTVANGEN

1.  Red Eléctrica Española (REE)

2.  Repsol

3.  Unión Fotovoltaica Española (UNEF)

4.  Dupont Industrial Biosciences

5.  Gas Natural Fenosa (GNF)

6.  Europese Commissie

7.  Regering van Denemarken

8.  Regering van het Verenigd Koninkrijk

9.  Regering van Duitsland

10.  Statoil

11.  European Renewable Energies Federation (EREF)

12.  Danish Energy Association. DONG Energy

13.  Eurelectric

14.  “Clean Energy For All Europeans Package”: (diner-debat met Orgalime, Electrolux, Bosch, Diehl, European Forum for Manufacturing - EFM)

15.  Asociación Española de Operadores de Gases Licuados de Petróleo (AOGLP)

16.  Unión de Petroleros Europeos Independientes (UPI)

17.  Falck Renewables

18.  Österreichischer Biomasse-Verband

19.  Oostenrijkse Kamer van Landbouw

20.  Endesa

21.  Metsä Group

22.  Arizona Chemical

23.  Gas Distributors for Sustainability: GRDF, GNF, Italgas, Galp en Athenora

24.  "SolarPower Summit": Europese Commissie, Eurelectric, Greenpeace, SolarPower Europe, Energy Post et altri.

25.  Acciona

26.  Abengoa

27.  EPURE

28.  European Biomass Association

29.  Oostenrijks Verband van overheidsondernemingen en -diensten

30.  Regering van Zweden

31.  COGEN Europe

32.  Siemens

33.  Seminar "Overgang naar een nieuw energiemodel in Europa" Europese Commissie, PSOE, UNEF, Asociación Eólica Española, REE, Asociación de Comercializadores de Energía Independiente (ACIE), Asociación General de Consumidores (ASGECO), Iberdrola, Plataforma para un Nuevo Modelo Energético

34.  ANPIER

35.  Fundación Renovables

36.  Climate Action Network (CAN)

37.  Ocean Energy Europe

38.  Wind Europe

39.  Greenpeace

40.  North Carolina office of the Southern Environmental Law Center

41.  Drax Power Station

42.  IDA Group

43.  APPA en APPA Biocarburantes

44.  Hydrogen Europe

45.  International Air Transport Association (IATA)

46.  Transport & Environment

47.  Birdlife Europe

48.  Iberdrola

49.  Euroheat & Power

50.  EDF

51.  European Geothermal Energy Council

52.  European Solar Thermal Industry Federation

53.  European Hydrogen Association

54.  Greenpeace

55.  European Copper Institute

56.  ENGIE

57.  "3e EU-Energietop" Europese Commissie, regering van België, Iberdrola, ENEL, 50 Hertz, Wind Europe et altri.

58.  Regering van de Canarische Eilanden

59.  Confederation of Swedish Enterprise

60.  Scania AB

61.  Eurochambres

62.  Center for European Policy (CEP)

63.  Confederation of European Paper Industries (CEPI)

64.  Innogy

65.  Arcelormittal

66.  Shell

67.  REScoop

68.  Oxfam

69.  EDSO

70.  Tesla

71.  "Biofuels Round Table": Europese Commissie, Leaders of Sustainable Biofuels (LSB), European Waste-to-Advanced Biofuels Association (EWABA), FEDIOL, ePURE, European Biodiesel Board (EBB), Transport & Environment et altri.

72.  European Federation of Local Energy Companies (CEDEC)

73.  Oostenrijkse Federale Kamer van Koophandel

74.  ENCE

75.  EDP Renewables

76.  Handelskamer van Spanje in België en Luxemburg (lunch-debat met de Europese Commissie, Acciona en andere Spaanse bedrijven)

77.  Regering van Spanje

78.  Paikallisvoima ry

79.  Rune Henriksen, lid van het Noorse Parlement

80.  EREF (lunch-debat met de Europese Commissie en academici: Fraunhofer Institute Munich, IG Windkraft et altri)

81.  True North Venture Partners

82.  Eurobat

83.  Noordse Raad (parlementariërs uit Denemarken, IJsland, Finland, Noorwegen en Zweden)

84.  European Federation for Intelligent Energy Efficiency Services (EFIEES)

85.  European Biogas Association

86.  Seminar "Overgang naar schone energie en de herziene richtlijn inzake hernieuwbare energie": Europese Commissie, PSOE, ANPIER, Fundación Renovables et altri.

87.  Raad van Europese energieregulators (CEER) /

Comisión Nacional del Mercado de la Competencia (CNMC)

88.  Snam S.p.A.

89.  Platform for Electro-mobility

90.  Verband van Oostenrijkse elektriciteitsbedrijven

91.  European Ventilation Industry Association (EVIA)

92.  FERN

93.  Total, ENI en NESTE

94.  Raad van Europese gemeenten en regio's

95.  Airbus

96.  ABB - Wind Sector Initiative

97.  Regering van Portugal

98.  Poolse elektriciteitsvereniging (PKEE)

99.  Regering van Nederland

100.  Seminar "Energie-unie - het Europees Parlement beslist"


BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE JURIDISCHE ZAKEN

 

D(2017)45796

Jerzy Buzek

voorzitter, Commissie industrie, onderzoek en energie

PHS 08B046

Brussel

Betreft:  Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking)

  (COM(2016)0767 – C8-0500/2016 – 2016/0382(COD))

Geachte voorzitter,

De Commissie juridische zaken heeft bovengenoemd voorstel bestudeerd, overeenkomstig artikel 104 inzake herschikking, zoals opgenomen in het Reglement van het Europees Parlement.

Lid 3 van dat artikel luidt als volgt:

"Als de voor juridische zaken bevoegde commissie van oordeel is dat het ontwerp geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig zijn aangegeven, stelt zij de bevoegde commissie hiervan in kennis.

In dat geval en onverminderd de in de artikelen 169 en 170 vastgelegde voorwaarden zijn amendementen in de ter zake bevoegde commissie alleen ontvankelijk als zij betrekking hebben op onderdelen van het ontwerp die wijzigingen bevatten.

Amendementen op ongewijzigd gebleven onderdelen van het ontwerp kunnen evenwel in uitzonderlijke en individuele gevallen door de voorzitter van de ter zake bevoegde commissie worden aanvaard indien hij van oordeel is dat dit noodzakelijk is om dwingende redenen die verband houden met de interne logica van de tekst of omdat de amendementen onlosmakelijk verbonden zijn met andere ontvankelijke amendementen. Deze redenen dienen in een schriftelijke motivering bij de amendementen te worden vermeld."

Op grond van het advies van de Adviesgroep, bestaande uit vertegenwoordigers van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, die het voorstel tot herschikking heeft onderzocht en overeenkomstig de aanbevelingen van de rapporteur voor advies, is de Commissie juridische zaken van oordeel dat het voorstel geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel en in het advies van de Adviesgroep worden aangegeven en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die inhoudelijke wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel een loutere codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen.

Samenvattend doet de Commissie juridische zaken na haar vergadering van 21 november 2017 met algemene stemmen(1) de aanbeveling dat uw commissie als bevoegde commissie bovengenoemd voorstel overeenkomstig artikel 104 in behandeling kan nemen.

Hoogachtend,

Pavel Svoboda

Bijl.: Advies van de adviesgroep

(1)

De volgende leden waren aanwezig: Isabella Adinolfi, Max Andersson, Joëlle Bergeron, Marie-Christine Boutonnet, Daniel Buda, Jean-Marie Cavada, Mady Delvaux, Rosa Estaràs Ferragut, John Flack, Enrico Gasbarra, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Gilles Lebreton, António Marinho e Pinto, Jiří Maštálka, Emma McClarkin, Emil Radev, Julia Reda, Evelyn Regner, Pavel Svoboda, József Szájer, Tiemo Wölken, Francis Zammit Dimech.


BIJLAGE: ADVIES VAN DE ADVIESGROEP VAN DE JURIDISCHE DIENSTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD EN DE COMMISSIE

 

 

 

 

ADVIESGROEP VAN DE

JURIDISCHE DIENSTEN

Brussel, 28 september 2017

ADVIES

  AAN  HET EUROPEES PARLEMENT

    DE RAAD

    DE COMMISSIE

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen

COM(2016)0767 van 23.2 2017– 2016/0382(COD)

Overeenkomstig het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten, en met name paragraaf 9 daarvan, is de uit de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie bestaande adviesgroep op donderdag 29 juni 2017 bijeengekomen om bovengenoemd voorstel van de Commissie te bestuderen.

Op die bijeenkomst(1) werd het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad voor de herschikking van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG onderzocht, waarna de adviesgroep in onderlinge overeenstemming tot de onderstaande conclusies is gekomen:

1. De volgende tekstdelen hadden gemarkeerd moeten worden met de grijze achtergrond die gewoonlijk wordt gebruikt om materiële wijzigingen aan te geven:

- in overweging 2, de schrapping van de woorden "Beperking van het Europese energieverbruik";

- in overweging 3, de schrapping van de laatste woorden "in de vervoersector [...], waarin het probleem van de energievoorzieningszekerheid het meest acuut is, en om de markt voor transportbrandstoffen te beïnvloeden";

- in overweging 20, de schrapping van de tweede zin van overweging 11 van Richtlijn 2009/28/EG "In dit verband moet rekening worden gehouden met de energie die aanwezig is in de oceanen en andere waterlichamen in de vorm van golven, zeestromingen, getijden en energie uit de thermische gradiënt of de zoutgradiënt van de oceanen".

- in overweging 26, de schrapping van de woorden "nationale streefcijfers", "flexibiliteitsmaatregelen" en "die echter onder de controle van de lidstaten blijven opdat hun vermogen tot het halen van hun nationale streefcijfers niet wordt aangetast";

- in overweging 27, de schrapping van de woorden "transparantieplatform";

- in overweging 28, de schrapping van het laatste woord "streefcijfers" van de eerste zin en van de laatste zin van overweging 37 van Richtlijn 2009/28/EG "Om te vermijden dat zich een netto stijging van de broeikasgasemissies voordoet door de omleiding van bestaande hernieuwbare energiebronnen en de volledige of gedeeltelijke vervanging ervan door conventionele energiebronnen, zou alleen elektriciteit die wordt geproduceerd door installaties die gebruikmaken van hernieuwbare energie die na de inwerkingtreding van deze richtlijn operationeel zijn geworden of door de verhoogde capaciteit van een installatie die na die datum gerenoveerd werd, mogen worden meegerekend";

- in overweging 34, de schrapping van de woorden "kan het wenselijk zijn dat de lidstaten erin voorzien dat deze niveaus worden gehaald door een factor voor energie uit hernieuwbare bronnen op te nemen in het kader van de verplichting om te voldoen aan de minimumvereisten op het gebied van energieprestatie krachtens Richtlijn 2002/91/EG, wat de kostenoptimale vermindering van koolstofemissies per gebouw betreft";

- in overweging 39, de schrapping van de laatste woorden "apparaten voor het produceren van energie uit hernieuwbare bronnen";

- in overweging 43, de schrapping van de laatste zin van overweging 52 van Richtlijn 2009/28/EG "Het is zaak een duidelijk onderscheid te maken tussen in het kader van een steunregeling gebruikte groene certificaten en garanties van oorsprong";

- in overweging 44, de schrapping van de woorden "een minimumpercentage";

- in overweging 45, de schrapping van de woorden "met name wat de hoeveelheid door nieuwe installaties geproduceerde energie uit hernieuwbare bronnen betreft, moet de Commissie de doeltreffendheid van de door de lidstaten genomen maatregelen beoordelen";

- de schrapping van de volledige tekst van overweging 56 van Richtlijn 2009/28/EG;

- in overweging 48, de schrapping van de woorden "niet permanent ter beschikking staande";

- in overweging 52, de schrapping van de woorden "Er moet steun worden verleend voor de demonstratie- en marketingfase van";

- in overweging 70, de schrapping van de laatste woorden "de ontwikkeling van biobrandstoffen van de tweede en derde generatie in de Gemeenschap en wereldwijd, en zij dient meer te doen aan landbouwkundig onderzoek en de vergaring van kennis op deze gebieden";

- in overweging 72, de schrapping van de laatste twee zinnen van overweging 73 van Richtlijn 2009/28/EG "Beboste gebieden met een bedekkingsgraad tussen 10 en 30 % moeten eveneens worden opgenomen, tenzij wordt aangetoond dat hun koolstofvoorraden laag genoeg zijn om hun omschakeling conform de voorschriften van deze richtlijn te rechtvaardigen. Bij de verwijzing naar waterrijke gebieden moet rekening worden gehouden met de definitie neergelegd in de Convention on Wetlands of International Importance, especially as Waterfowl Habitat, die op 2 februari 1971 is aangenomen in Ramsar";

- in overweging 81, de schrapping van de woorden "multilaterale en bilaterale overeenkomsten" en "dergelijke overeenkomsten";

- in overweging 95, de schrapping van de woorden "of vervuild" evenals de laatste zes zinnen van overweging 85 van Richtlijn 2009/28/EG "Ook als de biobrandstof zelf geproduceerd wordt uit op bestaande landbouwgrond geteelde grondstoffen, kan de door de stimulering van biobrandstoffen veroorzaakte nettostijging van de grondstoffenvraag een nettotoename van de beteelde oppervlakte tot gevolg hebben. Als daarvoor grond met veel koolstof wordt aangesproken, kunnen, als schadelijk neveneffect, koolstofvoorraden vrijkomen. Teneinde dit risico te beperken, is het dienstig begeleidende maatregelen te nemen ter stimulering van de productiviteitsstijging op de reeds beteelde gronden, het gebruik van aangetast land, en de aanneming van duurzaamheidsvereisten, vergelijkbaar met die welke in deze richtlijn worden vastgesteld voor het verbruik van biobrandstoffen in de Gemeenschap, door andere biobrandstofgebruikende rechtsgebieden. Ook zou de Commissie moeten werken aan de ontwikkeling van een concrete methodologie om de uitstoot van broeikasgas als gevolg van indirecte veranderingen in het landgebruik te verminderen. Daartoe moet de Commissie, op grond van de beste wetenschappelijke bewijzen, met nam onder meer, de opname van een factor voor indirecte veranderingen in het landgebruik bij de berekening van broeikasgasemissies analyseren, evenals de noodzaak het gebruik van duurzame biobrandstoffen die de invloed van veranderingen in het landgebruik minimaliseren en de duurzaamheid van biobrandstof in verband met indirecte veranderingen in landgebruik verbeteren. De Commissie moet zich daarbij onder meer buigen over de potentiële effecten op indirecte veranderingen in het landgebruik van biobrandstof die wordt geproduceerd uit non-food cellulosemateriaal en uit lignocellulosisch materiaal.

- in overweging 100, de schrapping van de huidige verwijzing naar Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden;

- in overweging 101, de schrapping van de vermelding "20 %";

- in artikel 1 en in artikel 2, onder j), de schrapping van het woord "nationale";

- in artikel 2, onder g), de schrapping van de woorden "of gasvormige";

- in artikel 7, lid 1, de vervanging van de huidige verwijzing naar "artikel 17, leden 2 tot en met 6" door een verwijzing naar "artikel 26, leden 2 tot en met 7";

- de schrapping van de gehele tekst van artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2009/28/EG;

- in artikel 7, lid 3, de schrapping van de woorden "Aerothermische, geothermische en hydrothermische";

- in artikel 8, lid 1, de schrapping van de woorden "en regelingen treffen voor", "wordt gemeten of", "voldoet aan de eisen van artikel 3, leden 1, 2 en 4" en "wordt gemeten of";

- in artikel 8, lid 2, en in artikel 12, lid 1, de schrapping van het woord "drie";

- in artikel 9, leden 2 en 3, en in artikel 10, lid 1, de schrapping van het woord "streefcijfer";

- in artikel 9, lid 4, de schrapping van de eerste zin "De in lid 3, onder d), aangegeven periode loopt niet door na 2020." en van de vermelding "2020" in de tweede zin;

- in artikel 10, lid 3, de schrapping van de woorden "Wanneer wordt gemeten of het streefcijfer voldoet aan de voorschriften" en "met betrekking tot de nationale algemene streefcijfers";

- in artikel 13, lid 1, de vervanging van de huidige verwijzing naar "artikel 3" door een verwijzing naar "artikel 5";

- de schrapping van de gehele tekst van artikel 13, lid 1, onder a) en b) van Richtlijn 2009/28/EG;

- in artikel 19, lid 13, de vervanging van het woord "consument" door "afnemer" en de schrapping van de laatste woorden "afkomstig van na 25 juni 2009 operationeel geworden installaties of capaciteitsverhogingen";

- in artikel 26, lid 1, de schrapping van het woord "duurzaamheidscriteria";

- in artikel 27, lid 4, de vervanging van de huidige verwijzing naar "artikel 17, lid 2" door een verwijzing naar "artikel 26, lid 7", alsook van de huidige verwijzing naar "artikel 17, leden 3, 4 en 5" door een verwijzing naar "artikel 26, leden 2 tot en met 6";

- in artikel 27, lid 6, derde alinea, het schrappen van het woord "transparantieplatform";

- in artikel 27, lid 6, vijfde alinea, en lid 7, de vervanging van de huidige verwijzing naar "artikel 17, leden 2 tot en met 5" door een verwijzing naar "artikel 26, leden 2 tot en met 7";

- in artikel 28, leden 1 en 4, de vervanging van de huidige verwijzing naar "artikel 17, lid 2" door een verwijzing naar "artikel 26, lid 7";

- in artikel 28, lid 5, de schrapping van de woorden "in het bijzonder met betrekking tot" en van het woord "aangevuld";

- in artikel 30, lid 3, de vervanging van de vermelding "2018" door "2026";

- in artikel 30, lid 4, de vervanging van de vermelding "2021" door "2032";

- in artikel 32, lid 2, de vervanging van de vermelding "5 oktober 2015" door "1 januari 2021";

- in artikel 32, leden 2, 3 en 6, de vervanging van de huidige verwijzing naar "artikel 3, lid 5" door een verwijzing naar "artikel 7, lid 5", en de toevoeging van nieuwe verwijzingen naar "artikel 19, leden 11 en 14" en "artikel 25, lid 6";

- in punt A van bijlage V, de schrapping van de vermelding "52%" met betrekking tot het onderdeel "Suikerbietethanol";

- in punt B van bijlage V, de schrapping van de vermelding "92%" met betrekking tot het onderdeel "DME uit geteeld hout";

- in punt C, lid 3, van bijlage V, de schrapping van de formule "(EF – EB)/EF" met betrekking tot het onderdeel "DME uit geteeld hout";

- de schrapping van de gehele tekst van punt C, lid 8, onder b), ii), van bijlage V bij Richtlijn 2009/28/EG;

- in punt C, lid 8, tweede alinea van bijlage V, de schrapping van het woord "tien";

- de schrapping van de gehele tekst van punt C, lid 9, onder b) van bijlage V bij Richtlijn 2009/28/EG;

- de schrapping van de gehele tekst van punt C, lid 9, tweede alinea, van bijlage V bij Richtlijn 2009/28/EG;

- in punt C, lid 10, van bijlage V, de schrapping van de vermelding "2009";

- in punt C, lid 12, van bijlage V, de schrapping van de woorden "en de opslag";

- niet van toepassing op de Nederlandse versie;

- in punt C, lid 15, van bijlage V, de schrapping van de laatste woorden "om de in commerciële producten en diensten gebruikte CO2 uit fossiele brandstoffen te vervangen";

- in punt C, lid 18, van bijlage V, de schrapping van de woorden "eec + el, + fracties van ep, etd en eee";

- de schrapping van de gehele tekst van punt C, lid 19, vierde alinea, van bijlage V bij Richtlijn 2009/28/EG.

2. In de tweede alinea van lid 5 en in de eerste en vijfde alinea van lid 6 van artikel 27, moet de verwijzing naar "artikel 31, lid 3" worden gewijzigd in "artikel 31, lid 2".

De adviesgroep heeft na bestudering van het voorstel eensgezind geconstateerd dat het voorstel geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig zijn aangemerkt. Voorts heeft de adviesgroep met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere rechtshandeling met die inhoudelijke wijzigingen geconstateerd dat het voorstel louter een codificatie van de bestaande wettekst behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen.

F. DREXLER      H. LEGAL      L. ROMERO REQUENA

Juridisch adviseur    Juridisch adviseur    Directeur-generaal

(1)

De adviesgroep heeft gewerkt op basis van de Engelse versie, aangezien de tekst in kwestie oorspronkelijk in deze taal gesteld was.


ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (24.10.2017)

aan de Commissie industrie, onderzoek en energie

inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking)

(COM(2016)767 – C8-0500/2016 – 2016/0382(COD))

Rapporteur voor advies: Florent Marcellesi

BEKNOPTE MOTIVERING

Het Europees klimaat- en energiebeleid moet in overeenstemming zijn met het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling, als vastgelegd in artikel 208 van het Verdrag van Lissabon, en de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling. De transitie naar hernieuwbare energie is van essentieel belang om deze doelstellingen te verwezenlijken. Aangezien bio-energie slechts een beperkte rol kan spelen om aan de vraag naar energie in de EU te voldoen en het bio-energiebeleid van de EU zeker als model zal worden gebruikt bij internationale onderhandelingen, is de rapporteur van mening dat het van het grootste belang is om ervoor te zorgen dat de voorgestelde richtlijn aan strenge criteria inzake sociale en milieuduurzaamheid beantwoordt.

Hiertoe moet de voorgestelde richtlijn op verschillende manieren worden versterkt:

De klimaatambitie van het voorstel naar een hoger niveau tillen door het aandeel hernieuwbare energie te verhogen tot 45 % in 2030, met bindende nationale doelstellingen zodat de doelstellingen van de overeenkomst van Parijs kunnen worden behaald;

Volledig op land geproduceerde biobrandstoffen tegen 2030 geleidelijk afbouwen om zo de negatieve effecten van bio-energie op landrechten, het recht op voedsel, de biodiversiteit, de bodem en de totale effecten van indirecte veranderingen in landgebruik te beperken. Het aandeel van biobrandstoffen die afkomstig zijn van op grond geteelde gewassen en vloeibare biomassa dat kan worden meegeteld voor het streefcijfer voor transportbrandstof van de richtlijn, moet vanaf nu geleidelijk worden verminderd tot 2030, wanneer dit aandeel gelijk is aan nul;

Afbouwen van alle beleidsstimulansen voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen geproduceerd uit voedsel- en voedergewassen of overige gewassen die worden verbouwd op productieve landbouwgrond;

De regels inzake indirecte veranderingen in landgebruik (Indirect Land-use Changes, ILUC) versterken, aangezien nonfoodenergiegewassen kunnen bijdragen aan ILUC indien deze gewassen verbouwd worden op land dat voordien werd gebruikt voor de productie van levensmiddelen;

Ervoor zorgen dat de herschikkingsrichtlijn in overeenstemming is met de afvalhiërarchie en het beginsel van cascadering;

De waarborgen voor geavanceerde biobrandstoffen versterken, waardoor de uitstoot van broeikasgassen effectief zou moeten verminderen en die kunnen inspelen op sterke ecologische duurzaamheidscriteria wanneer het gebruik van afvalstoffen en residuen voor energie wordt gestimuleerd;

Sociale duurzaamheidscriteria invoeren, rekening houdend met het feit dat landconflicten als gevolg van grootschalige investeringen in de landbouw voor de productie van grondstoffen steeds vaker voorkomen. De richtlijn moet dan ook in overeenstemming zijn met de internationale normen op het gebied van landeigendom, die des te belangrijker zijn in landen waar op gewoonterecht gebaseerde rechten niet duidelijk in de geschreven wet worden erkend en de inheemse plattelandsbevolking in het verleden is verplaatst door instandhoudingsprojecten.

AMENDEMENTEN

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de bevoegde Commissie industrie, onderzoek en energie onderstaande amendementen in aanmerking te nemen:

Amendement    1

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(8)  De vaststelling op Unieniveau van een bindend streefcijfer voor het gebruik van hernieuwbare energie tegen 2030 zou de ontwikkeling van technologieën voor de productie van hernieuwbare energie aanmoedigen en investeerders zekerheid bieden. Een op Unieniveau vastgesteld streefcijfer zou de lidstaten meer ruimte bieden om hun streefcijfers voor de beperking van broeikasgasemissies op de meest kosteneffectieve wijze te halen overeenkomstig hun specifieke situatie, energiemix en mogelijkheden om hernieuwbare energie te produceren.

(8)  De vaststelling op Unie- en nationaal niveau van bindende streefcijfers voor het gebruik van hernieuwbare energie tegen 2030 zou de ontwikkeling van technologieën voor de productie van hernieuwbare energie aanmoedigen en investeerders zekerheid bieden.

Motivering

De verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs vereist een verhoging van het aandeel van hernieuwbare energie, op het niveau van zowel de EU als de lidstaten. Wanneer de streefcijfers van de lidstaten consistent zijn met het streefcijfer van de EU helpt dit te waarborgen dat de algemene EU-doelstelling wordt gehaald.

Amendement    2

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 15 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(15 bis)  Het gebruik van biomassa voor energie brengt aanzienlijke alternatieve kosten mee die verband houden met de uitputting of het verlies van ecosystemen. De lidstaten dienen geen subsidiëring te verstrekken aan of verplichtingen op te leggen met betrekking tot het gebruik van grondstoffen voor energie wanneer dit gebruik schadelijke gevolgen heeft voor grondrechten, voedselrechten, de biodiversiteit, de bodem of de algehele broeikasgasbalans.

Motivering

De Agenda 2030 is een transformatief politiek kader om armoede uit te roeien en wereldwijd duurzame ontwikkeling te realiseren. EU-maatregelen om de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering ten uitvoer te leggen, moeten dan ook stroken met de verwezenlijking van haar 17 doelstellingen voor duurzame ontwikkeling en rekening houden met de essentiële koppeling tussen haar doelstellingen en streefcijfers.

Amendement    3

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 15 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(15 ter)  De bevordering van hernieuwbare energiebronnen moet gebaseerd zijn op het beginsel van cascadering, in het bijzonder met betrekking tot bos- en landbouwbiomassa, en de circulaire economie. Steunregelingen ter bevordering van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen mogen geen ondermijnend effect hebben op de beginselen van de circulaire economie en de afvalhiërarchie, waarin afvalbeheeropties naar duurzaamheid zijn gerangschikt en de hoogste prioriteit uitgaat naar de preventie en recycling van afval.

Motivering

De EU en haar lidstaten moeten de Agenda 2030 volgens een alomvattende en strategische benadering op alle interne en externe beleidsterreinen uitvoeren, waarbij zij moeten zorgen voor een evenwichtige en samenhangende integratie van de drie dimensies van duurzame ontwikkeling en aandacht moeten besteden aan de onderlinge verbanden tussen de verschillende SDG's, alsmede aan de bredere gevolgen van hun binnenlandse maatregelen op internationaal en mondiaal niveau.

Amendement    4

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 15 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(15 quater)  Voor het gebruik van biotische energiebronnen moeten de lidstaten waarborgen introduceren ter bescherming van de biodiversiteit en ter voorkoming van de uitputting of het verlies van ecosystemen, en ter voorkoming van afwijkingen van enig bestaand gebruik die negatieve indirecte of directe gevolgen zouden hebben voor de biodiversiteit, de bodem of de algehele broeikasgasbalans.

Amendement    5

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 17

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(17)  Door grensoverschrijdende participatie in aanmerking te laten komen voor steunregelingen, worden de negatieve gevolgen voor de interne energiemarkt beperkt en kunnen lidstaten onder bepaalde voorwaarden op een kostenefficiëntere manier het streefcijfer op Unieniveau behalen. Grensoverschrijdende participatie is ook een logisch gevolg van de ontwikkeling van het beleid van de Unie op het gebied van hernieuwbare energiebronnen, waarbij een bindend streefcijfer op Unieniveau de nationale bindende streefcijfers vervangt. Het is derhalve passend om van de lidstaten te verlangen dat zij de steun geleidelijk en deels openstellen voor projecten in andere lidstaten en verschillende manieren te bepalen waarop een dergelijke geleidelijke openstelling ten uitvoer kan worden gelegd met inachtneming van de bepalingen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 30, 34 en 110.

(17)  Door grensoverschrijdende participatie in aanmerking te laten komen voor steunregelingen, worden de negatieve gevolgen voor de interne energiemarkt beperkt en kunnen lidstaten onder bepaalde voorwaarden op een kostenefficiëntere manier het streefcijfer op Unieniveau behalen. Grensoverschrijdende participatie is ook een logisch gevolg van de ontwikkeling van het beleid van de Unie op het gebied van hernieuwbare energiebronnen, waarbij een bindend streefcijfer op Unieniveau de nationale bindende streefcijfers flankeert. Het is derhalve passend om van de lidstaten te verlangen dat zij de steun geleidelijk en deels openstellen voor projecten in andere lidstaten en verschillende manieren te bepalen waarop een dergelijke geleidelijke openstelling ten uitvoer kan worden gelegd met inachtneming van de bepalingen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 30, 34 en 110.

Motivering

De verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs vereist een verhoging van het aandeel van hernieuwbare energie, op het niveau van zowel de EU als de lidstaten. Wanneer de streefcijfers van de lidstaten consistent zijn met het streefcijfer van de EU helpt dit te waarborgen dat de algemene EU-doelstelling wordt gehaald.

Amendement    6

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 25

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(25)  Teneinde ervoor te zorgen dat in bijlage IX rekening wordt gehouden met de in Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad25 vastgestelde beginselen van afvalhiërarchie, de duurzaamheidscriteria van de Unie, en de noodzaak om geen extra landgebruik te veroorzaken door de bevordering van het gebruik van afvalstoffen en residuen, moet de Commissie bij haar regelmatige beoordelingen van de bijlage overwegen deze uit te breiden met aanvullende grondstoffen die geen significant verstorend effect hebben op markten voor (bij)producten, afvalstoffen of residuen.

(25)  Teneinde ervoor te zorgen dat in bijlage IX rekening wordt gehouden met de in Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad25 vastgestelde beginselen van afvalhiërarchie, de duurzaamheidscriteria van de Unie, het beginsel van cascadering, en de noodzaak om geen extra landgebruik te veroorzaken door de bevordering van het gebruik van afvalstoffen en residuen, moet de Commissie bij haar regelmatige beoordelingen van die bijlage overwegen deze uit te breiden met aanvullende grondstoffen die aanzienlijke broeikasgasemissiereducties kunnen opleveren op basis van een levenscyclusbeoordeling, rekening houdend met indirecte emissies die verband houden met eventuele verschuivingseffecten, en die geen significant verstorend effect hebben op markten voor (bij)producten, afvalstoffen of residuen.

__________________

__________________

25 Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).

25 Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).

Motivering

Slechts weinig grondstoffen zijn echt emissieloos beschikbaar. Als materialen van hun huidige gebruik worden afgeleid om biobrandstof te maken, zal dat van invloed zijn op de andere gebruikers. Het is noodzakelijk dat de verschuivingseffecten worden geanalyseerd, waarbij in kaart wordt gebracht welke materialen ter vervanging van de grondstoffen zouden worden gebruikt en welke emissies daarmee gepaard gaan, om te begrijpen wat de gevolgen voor het klimaat zijn als dat materiaal voor alternatieve brandstof wordt gebruikt. Overeenkomstig de EU-strategie voor de circulaire economie en de EU-bosbouwstrategie moet rekening worden gehouden met het beginsel van biomassacascadering.

Amendement    7

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 50 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(50 bis)  Deze richtlijn voorziet niet alleen in een Uniekader voor de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen, maar draagt ook bij aan de potentiële positieve impact die de Unie en de lidstaten zouden kunnen hebben door de ontwikkeling van de sector hernieuwbare energie in derde landen te stimuleren. De Unie en de lidstaten dienen onderzoek, ontwikkeling en investeringen in de productie van hernieuwbare energie in ontwikkelings- en andere partnerlanden te promoten en daarbij hun economische en milieuduurzaamheid en hun uitvoercapaciteit voor hernieuwbare energie te verbeteren. Daarnaast kan de invoer van hernieuwbare energie uit partnerlanden de Unie en de lidstaten helpen hun ambitieuze doelen in verband met de vermindering van koolstofemissies te bereiken.

Amendement    8

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 62

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(62)  In de Europese strategie voor koolstofarme mobiliteit van juli 2016 werd betoogd dat biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen een beperkte rol spelen in het koolstofvrij maken van de vervoersector, dat het gebruik hiervan moet worden uitgefaseerd en dat deze door geavanceerde biobrandstoffen moeten worden vervangen. Om de overgang naar geavanceerde biobrandstoffen voor te bereiden en de totale impact van indirecte veranderingen in het landgebruik tot een minimum te beperken, is het wenselijk om de hoeveelheid uit voedsel- en voedergewassen geproduceerde biobrandstoffen en vloeibare biomassa die kan worden meegeteld voor het behalen van het in deze richtlijn vastgestelde streefcijfer van de Unie, te verlagen.

(62)  Wanneer weiland of landbouwgrond dat voordien bestemd was voor de productie van voedsel en veevoeder, wordt herbestemd voor de productie van biobrandstoffen, moet nog steeds worden voldaan aan de niet aan brandstoffen gerelateerde vraag, hetzij door intensivering van de huidige productie, hetzij door elders niet-landbouwgrond in productie te nemen. Wanneer niet-landbouwgrond voor landbouw wordt gebruikt, is er sprake van indirecte verandering in het landgebruik en wanneer dit de conversie betreft van land met een hoge koolstofvoorraad, kan dit resulteren in aanzienlijke broeikasgasemissies. In de Europese strategie voor koolstofarme mobiliteit van juli 2016 werd betoogd dat biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen een beperkte rol spelen in het koolstofvrij maken van de vervoersector, dat het gebruik hiervan moet worden uitgefaseerd en dat deze door geavanceerde biobrandstoffen moeten worden vervangen. Om de overgang naar geavanceerde biobrandstoffen voor te bereiden en de totale impact van indirecte veranderingen in het landgebruik tot een minimum te beperken, is het wenselijk om de hoeveelheid uit voedsel- en voedergewassen geproduceerde biobrandstoffen en vloeibare biomassa die kan worden meegeteld voor het behalen van het in deze richtlijn vastgestelde streefcijfer van de Unie, te verlagen en in de berekening van broeikasgasemissies een raming op te nemen van indirecte veranderingen in het landgebruik.

Motivering

In de bepalingen van de richtlijn moet het verschijnsel van indirecte veranderingen in het landgebruik duidelijk worden onderkend en worden meegewogen.

Amendement    9

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 64

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(64)  Geavanceerde biobrandstoffen en andere biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX vermelde grondstoffen, hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, en hernieuwbare elektriciteit in het vervoer kunnen bijdragen aan lage koolstofemissies, het koolstofvrij maken van de vervoersector van de Unie op een kosteneffectieve manier stimuleren en onder meer de diversificatie in de vervoersector verbeteren, en tegelijkertijd innovatie, groei en werkgelegenheid in de economie van de Unie bevorderen en de afhankelijkheid van ingevoerde energie verminderen. Met de vermengingsverplichting voor brandstofleveranciers moet de voortdurende ontwikkeling van geavanceerde brandstoffen, zoals biobrandstoffen, worden aangemoedigd en het is belangrijk om ervoor te zorgen dat deze verplichting stimulansen biedt voor de verbetering van de broeikasgasprestaties van de brandstoffen die worden geleverd om aan deze verplichting te voldoen. De Commissie moet de broeikasgasprestaties, technische vernieuwing en duurzaamheid van die brandstoffen beoordelen.

(64)  Geavanceerde biobrandstoffen en andere biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX vermelde grondstoffen, hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, en hernieuwbare elektriciteit in het vervoer kunnen bijdragen aan lage koolstofemissies, het koolstofvrij maken van de vervoersector van de Unie op een kosteneffectieve manier stimuleren en onder meer de diversificatie in de vervoersector verbeteren, en tegelijkertijd innovatie, groei en werkgelegenheid in de economie van de Unie bevorderen en de afhankelijkheid van ingevoerde energie verminderen. Non-foodgrondstoffen kunnen echter leiden tot emissies door veranderingen in landgebruik of andere indirecte emissies. Teneinde indirecte emissies als gevolg van de verschuiving van bestaande toepassingen voor sommige grondstoffen te kunnen verantwoorden, moeten in de berekening van broeikasgasemissies ramingen worden opgenomen. Het is mogelijk dat deze ramingen veranderen wanneer er aanvullende gegevens beschikbaar komen of wanneer de markten voor die non-foodgrondstoffen in de loop der tijd veranderingen ondergaan. Ze moeten daarom op gezette tijden worden geëvalueerd. Met de vermengingsverplichting voor brandstofleveranciers moet de voortdurende ontwikkeling van geavanceerde brandstoffen, zoals biobrandstoffen, worden aangemoedigd en het is belangrijk om ervoor te zorgen dat deze verplichting stimulansen biedt voor de verbetering van de broeikasgasprestaties van de brandstoffen die worden geleverd om aan deze verplichting te voldoen. De Commissie moet de broeikasgasprestaties, technische vernieuwing en duurzaamheid van die brandstoffen beoordelen.

Motivering

Het is noodzakelijk dat de verschuivingseffecten worden geanalyseerd, waarbij in kaart wordt gebracht welke materialen ter vervanging van de grondstoffen zouden worden gebruikt en welke emissies daarmee gepaard gaan, om te begrijpen wat de gevolgen voor het klimaat zijn als dat materiaal voor alternatieve brandstof wordt gebruikt.

Amendement    10

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 69 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(69 bis)  De productie van biobrandstoffen en dus ook de desbetreffende doelstellingen en tijdschema's mogen geen veranderingen in het landgebruik teweegbrengen en op geen enkele wijze de voedselketen aantasten.

Amendement    11

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 69 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(69 ter)  Het biobrandstoffenbeleid van de Unie kan niet alleen negatieve gevolgen hebben voor het milieu maar ook voor het bestaan van lokale gemeenschappen, landrechten en voedselzekerheid indien er geen waarborgen zijn voor duurzaamheid en mensenrechten.

Amendement    12

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 73

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(73)  Landbouwgrondstoffen voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen mogen niet in veengebieden worden geproduceerd aangezien als gevolg van de teelt van deze gewassen een aanzienlijke koolstofvoorraad zou vrijkomen indien de grond verder wordt ontwaterd, en niet gemakkelijk kan worden geverifieerd dat geen ontwatering heeft plaatsgevonden.

(73)  Landbouwgrondstoffen voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen mogen niet in veengebieden of wetlands worden geproduceerd aangezien als gevolg van de teelt van deze gewassen in veengebieden of wetlands een aanzienlijke koolstofvoorraad zou vrijkomen indien de grond verder wordt ontwaterd, en niet gemakkelijk kan worden geverifieerd dat geen ontwatering heeft plaatsgevonden.

Motivering

Veengronden en wetlands zijn habitats met een hoge instandhoudingswaarde, waar zich een aantal van de grootste koolstofreservoirs in de EU en de wereld bevindt. Wanneer ze worden aangetast, stoten ze echter enorme hoeveelheden broeikasgassen uit.

Amendement    13

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 73 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(73 bis)  Land- en bosbouwresiduen voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen moeten worden geteeld en geoogst op een wijze die strookt met de bescherming van de bodemkwaliteit en de organische koolstof in de bodem.

Motivering

Het landbouwbeleid van de EU moet in overeenstemming zijn met de verplichtingen van de EU met betrekking tot de klimaatverandering en de uitbanning van armoede. De milieu-uitdagingen waar de landbouw zich wereldwijd voor geplaatst ziet, worden verergerd door de klimaatverandering. Landbouwers moeten meer dan ooit een bijdrage leveren aan de beperking van de klimaatverandering door duurzame landbouwmethoden te hanteren.

Amendement    14

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 95 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(95 bis)  Het biobrandstofbeleid van de Unie en de lidstaten moet in overeenstemming zijn met de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling van de VN en het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling, als vastgelegd in het Verdrag van Lissabon. De Europese Unie en de lidstaten moeten ervoor zorgen dat hun beleid inzake biobrandstoffen geen negatieve effecten heeft op de ontwikkelingslanden en de eigendomsrechten van de plaatselijke bewoners eerbiedigen, zoals voorgeschreven in het Verdrag betreffende inheemse en in stamverband levende volken in onafhankelijke landen (nr. 169) van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) alsook in de vrijwillige richtsnoeren van de VN voor een verantwoord beheer van bodem- en landgebruik, visgronden en bossen in de context van de nationale voedselzekerheid, de beginselen voor verantwoord investeren in landbouw en voedselsystemen en de richtsnoeren van de OESO-FAO voor een verantwoord beheer van de landbouwketens.

Motivering

De Overeenkomst van Parijs bepaalt dat de partijen wanneer zij maatregelen tegen de klimaatverandering nemen, de internationale verplichtingen op het gebied van de mensenrechten en de rechten van inheemse volken in acht moeten nemen. Zij bepaalt ook dat klimaatmaatregelen moeten worden uitgevoerd op basis van billijkheid en in de context van duurzame ontwikkeling en inspanningen om armoede uit te bannen. Overwegende dat het EU-beleid inzake biobrandstoffen druk kan uitoefenen op grond in het buitenland, is het van belang ervoor te zorgen dat het beleid niet van invloed is op de bestaande eigendomsrechten van plaatselijke bewoners.

Amendement    15

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 99

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(99)  Om niet-essentiële onderdelen van de bepalingen van deze richtlijn te wijzigen of aan te vullen, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd met betrekking tot de lijst van grondstoffen voor de productie van geavanceerde biobrandstoffen, waarvan de bijdrage aan de naleving door de brandstofleveranciers van hun verplichting op het gebied van vervoer beperkt is; de aanpassing van de energie-inhoud van transportbrandstoffen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang; de methode om het aandeel biobrandstof uit biomassa te bepalen wanneer deze in een gemeenschappelijk proces met fossiele brandstoffen wordt verwerkt; de uitvoering van overeenkomsten van onderlinge erkenning van garanties van oorsprong; de vaststelling van regels om toezicht te houden op de werking van het systeem van garanties van oorsprong; en de regels voor het berekenen van het effect van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en hun fossiele alternatieven op de broeikasgasemissie. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(99)  Om niet-essentiële onderdelen van de bepalingen van deze richtlijn te wijzigen of aan te vullen, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd met betrekking tot de lijst van grondstoffen voor de productie van geavanceerde biobrandstoffen, met inbegrip van de geraamde indirecte emissies die daarmee gepaard gaan; de aanpassing van de energie-inhoud van transportbrandstoffen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang; de methode om het aandeel biobrandstof uit biomassa te bepalen wanneer deze in een gemeenschappelijk proces met fossiele brandstoffen wordt verwerkt; de uitvoering van overeenkomsten van onderlinge erkenning van garanties van oorsprong; de vaststelling van regels om toezicht te houden op de werking van het systeem van garanties van oorsprong; en de regels voor het berekenen van het effect van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en hun fossiele alternatieven op de broeikasgasemissie. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

Motivering

Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat bij de overweging van de verschillende grondstoffen volledig rekening wordt gehouden met indirecte emissies.

Amendement    16

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 101 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(101 bis)  1,4 miljard mensen in de wereld hebben geen toegang tot elektriciteit. Rond 3 miljard mensen zijn voor het koken aangewezen op traditionele brandstoffen als kolen en hout, en beschikken vaak niet over goede ventilatie in huis. Bijna 2 miljoen mensen overlijden jaarlijks aan longontsteking en chronische longziekten als gevolg van het gebruik van deze brandstoffen.

Amendement    17

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 101 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(101 ter)  Ontwikkelingslanden kiezen op nationaal niveau steeds vaker voor een beleid van hernieuwbare energie, daar zij energie uit hernieuwbare bronnen willen produceren om aan de toenemende vraag te kunnen voldoen. Meer dan 173 landen, waaronder 117 ontwikkelingslanden of opkomende economieën, hadden eind 2015 streefcijfers voor hernieuwbare energie vastgesteld.

Amendement    18

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 101 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(101 quater)  Het energiegebruik in ontwikkelingslanden is nauw verbonden met een reeks maatschappelijke vraagstukken: armoedeverlichting, onderwijs, gezondheid, bevolkingsgroei, werkgelegenheid, ondernemerschap, communicatie, verstedelijking en een gebrek aan kansen voor vrouwen. Hernieuwbare energie biedt de grote kans om tegelijk ontwikkeling mogelijk te maken én uitdagingen op milieugebied aan te pakken. De afgelopen jaren heeft er een belangrijke ontwikkeling in de alternatieve-energietechnologie plaatsgevonden, zowel wat prestaties als wat vermindering van de kosten betreft. Bovendien bevinden veel ontwikkelingslanden zich in een bijzonder gunstige positie als het gaat om het ontwikkelen van een nieuwe generatie energietechnologie. Behalve aan ontwikkeling en milieuvoordelen kunnen hernieuwbare energievormen ook bijdragen aan grotere veiligheid en economische stabiliteit. Meer gebruik van hernieuwbare energiebronnen zou de afhankelijkheid van dure invoer van fossiele brandstoffen verminderen en veel landen helpen om hun betalingsbalans te verbeteren.

Amendement    19

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

In deze richtlijn wordt een gemeenschappelijk kader vastgesteld voor het bevorderen van energie uit hernieuwbare bronnen. Voorts wordt een bindend streefcijfer op Unieniveau vastgesteld voor het totale aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie in 2030 . Zij stelt ook regels vast voor financiële steun aan uit hernieuwbare bronnen opgewekte elektriciteit en aan het gebruik van hernieuwbare energie in de verwarmings- en koelings- en vervoersectoren, regionale samenwerking tussen lidstaten onderling en met derde landen, garanties van oorsprong, administratieve procedures en voorlichting en opleiding. Zij stelt duurzaamheidscriteria en criteria inzake broeikasgasemissiereductie vast voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen.

In deze richtlijn wordt een gemeenschappelijk kader vastgesteld voor het bevorderen van energie uit hernieuwbare bronnen. Voorts worden verplichte streefcijfers op Unie- en nationaal niveau vastgesteld voor het totale aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie in 2030. Ook worden er regels vastgesteld voor financiële steun aan uit hernieuwbare bronnen opgewekte elektriciteit en aan het gebruik van hernieuwbare energie in de verwarmings- en koelings- en vervoersectoren, regionale samenwerking tussen lidstaten onderling en met derde landen, garanties van oorsprong, administratieve procedures en voorlichting en opleiding. Er worden duurzaamheidscriteria en criteria inzake broeikasgasemissiereductie vastgesteld voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen.

Motivering

De verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs vereist een verhoging van het aandeel van hernieuwbare energie, op het niveau van zowel de EU als de lidstaten. Wanneer de streefcijfers van de lidstaten consistent zijn met het streefcijfer van de EU helpt dit te waarborgen dat de algemene EU-doelstelling wordt gehaald.

Amendement    20

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 2 – letter n bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

n bis)  "energiegewassen": gewassen die voornamelijk voor energiedoeleinden als hoofdgewas op landbouwgrond worden geteeld, met uitzondering van residuen en afvalstoffen;

Motivering

Verduidelijking van definitie.

Amendement    21

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Algemeen bindend streefcijfer op Unieniveau voor 2030

Bindende globale Unie- en nationale streefcijfers voor 2030

Motivering

Noodzakelijk voor consistentie met artikel 1, lid 1.

Amendement    22

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – lid 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

3 bis.  Bij de verwezenlijking van de in lid 3 genoemde doelstellingen zorgen de lidstaten ervoor dat hun nationale streefcijfers zo worden bepaald dat zij stroken met de afvalhiërarchie zoals vastgesteld in Richtlijn 2008/98/EG, met name wat betreft het gebruik van land- en bosbouwbiomassa voor energiedoeleinden, en kunnen voldoen aan de beginselen van de circulaire economie en van cascadering. Hiertoe herzien de lidstaten hun nationale streefcijfers regelmatig om ervoor te zorgen dat deze beginselen worden geëerbiedigd.

Motivering

De EU en haar lidstaten moeten de Agenda 2030 op alle interne en externe beleidsterreinen uitvoeren en aandacht moeten besteden aan de onderlinge verbanden tussen de verschillende SDG's, alsmede aan de bredere gevolgen van hun binnenlandse maatregelen op internationaal en mondiaal niveau. Dat betekent dat de beginselen van de circulaire economie en van cascadering in voorkomend geval moeten worden toegepast, ook in het kader van deze richtlijn, zodat zij als model voor derde landen kunnen fungeren.

Amendement    23

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 11 – lid 2 – letter c bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

c bis)  de elektriciteit is geproduceerd overeenkomstig het internationaal recht, waaronder het recht inzake mensenrechten.

Motivering

Het mag niet zo zijn dat de bepalingen van de richtlijn onbedoeld gunstig uitpakken voor het produceren van elektriciteit onder omstandigheden die in strijd zijn met het internationaal recht.

Amendement    24

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 11 – lid 3 – letter e

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

e)  de toepassing heeft betrekking op een gezamenlijk project dat voldoet aan de criteria van lid 2, onder b) en c), en maakt gebruik van de interconnector nadat deze operationeel is geworden, en op een hoeveelheid elektriciteit die niet groter is dan de hoeveelheid die naar de Unie zal worden uitgevoerd nadat de interconnector operationeel wordt.

e)  de toepassing heeft betrekking op een gezamenlijk project dat voldoet aan de criteria van lid 2, onder b), c) en c bis), en maakt gebruik van de interconnector nadat deze operationeel is geworden, en op een hoeveelheid elektriciteit die niet groter is dan de hoeveelheid die naar de Unie zal worden uitgevoerd nadat de interconnector operationeel wordt.

Motivering

Noodzakelijk voor consistentie met het voorgaande lid, letter c bis, toegevoegd via amendement 25.

Amendement    25

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 11 – lid 5 – letter d

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

d)  een schriftelijke bevestiging van de punten onder b) en c) door het derde land op wiens grondgebied de installatie operationeel zal worden, en het aandeel of de hoeveelheid door de installatie geproduceerde elektriciteit voor binnenlands verbruik in dit derde land.

d)  een schriftelijke bevestiging van de punten onder b), c) en c bis) van lid 2, door het derde land op wiens grondgebied de installatie operationeel zal worden, en het aandeel of de hoeveelheid door de installatie geproduceerde elektriciteit voor binnenlands verbruik in dit derde land.

Motivering

Noodzakelijk voor consistentie met het voorgaande lid 2, letter c bis, toegevoegd via amendement 25.

Amendement    26

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 19 – lid 11

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

11.  De lidstaten erkennen door derde landen afgegeven garanties van oorsprong niet, behalve wanneer de Commissie met dat derde land een overeenkomst heeft gesloten over de wederzijdse erkenning van in de Unie afgegeven garanties van oorsprong en verenigbare systemen voor garanties van oorsprong die zijn vastgesteld in dat land, indien energie rechtstreeks wordt ingevoerd of uitgevoerd. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 32 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde de naleving van deze overeenkomsten af te dwingen.

11.  De lidstaten erkennen door derde landen afgegeven garanties van oorsprong niet, behalve wanneer de Commissie met dat derde land een overeenkomst heeft gesloten over de wederzijdse erkenning van in de Unie afgegeven garanties van oorsprong en verenigbare systemen voor garanties van oorsprong die zijn vastgesteld in dat land, indien energie rechtstreeks wordt ingevoerd of uitgevoerd. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 32 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde de naleving van deze overeenkomsten af te dwingen. Deze overeenkomsten zijn in overeenstemming met het internationaal recht, waaronder het recht inzake mensenrechten, alsook met alle relevante besluiten van de Commissie en de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Motivering

De mogelijkheid om geïmporteerde elektriciteit uit hernieuwbare bronnen op te nemen in de berekening van het aandeel hernieuwbare energie moet in overeenstemming zijn met het internationaal en het EU-recht. Het mag niet leiden tot een verlaging van de mensenrechtennormen of oneerlijke concurrentie tot gevolg hebben.

Amendement    27

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 25 – lid 1 – alinea 4 – letter b – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

b)  voor de berekening van de teller wordt rekening gehouden met de energie-inhoud van geavanceerd biobrandstoffen en andere biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX vermelde grondstoffen, hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, uit afval geproduceerde fossiele brandstoffen die aan alle vervoersectoren worden geleverd, en aan wegvoertuigen geleverde hernieuwbare elektriciteit.

b)  voor de berekening van de teller wordt rekening gehouden met de energie-inhoud van geavanceerde biobrandstoffen die worden geproduceerd uit in bijlage IX vermelde grondstoffen, hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, en hernieuwbare elektriciteit die aan alle vervoersectoren worden geleverd.

Motivering

De Agenda 2030 en 17 SDG's daarvan zijn universeel en gelden voor alle landen in alle stadia van ontwikkeling, gebaseerd op nationale zeggenschap en gedeelde verantwoordelijkheid. Het is niet wenselijk fossiele brandstoffen – ook al zijn ze uit afval geproduceerd – in de richtlijn hernieuwbare energie op te nemen, met name in een context waarin het energiebeleid van de EU als model in internationale onderhandelingen zou kunnen worden gebruikt.

Amendement    28

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 25 – lid 1 – alinea 4 – letter c bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

c bis)  voor de berekening van zowel teller als noemer worden alleen biobrandstoffen en vloeibare biomassa in aanmerking genomen die zijn geproduceerd uit in de Unie gewonnen of geproduceerde grondstoffen.

Motivering

Omwille van de duurzaamheid en om rekening te houden met de effecten van directe en indirecte veranderingen in het landgebruik, mogen alleen biobrandstoffen en vloeibare biomassa in aanmerking komen die zijn geproduceerd uit grondstoffen (met inbegrip van afval) die afkomstig zijn uit de EU.

Amendement    29

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 5 – letter a – punt v

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

v)  er niet meer wordt geoogst dan de productiecapaciteit van het bos op lange termijn toelaat;

v)  het oogsten houdt de productiecapaciteit van het bos op lange termijn in stand of verbetert die;

Amendement    30

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 5 – letter b – punt i

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

i)  de bosbiomassa is geoogst op grond van een wettelijke vergunning;

i)  de bosbiomassa op legale wijze is geoogst;

Amendement    31

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 5 – letter b – punt v

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

v)  er niet meer wordt geoogst dan de productiecapaciteit van het bos op lange termijn toelaat.

v)  het oogsten de productiecapaciteit van het bos op lange termijn in stand houdt of verbetert.

Amendement    32

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 6 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

6 bis.  De biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen uit land- en bosbouwbiomassa die in aanmerking worden genomen voor de doeleinden genoemd in lid 1, eerste alinea, onder a), b) en c), voldoen aan de volgende eisen:

 

a)  grondstoffen zijn verkregen van grond of bossen waarvoor de rechten van derden betreffende grondgebruik en grondbezit van de grond of bossen worden geëerbiedigd door het verkrijgen van vrije, voorafgaande en geïnformeerde instemming van deze derden, met deelname van vertegenwoordigende instellingen en organisaties;

 

b)  de mensen- en arbeidsrechten van derden worden geëerbiedigd; en

 

c)  de beschikbaarheid van voedsel en veevoeder voor derden komt niet in het gedrang.

 

Tegen deze achtergrond worden de eigendomsrechten van lokale bewoners, in overeenstemming met Verdrag nr. 169 van de IAO alsook de vrijwillige richtsnoeren van de VN voor een verantwoord beheer van bodem- en landgebruik, visgronden en bossen in de context van de nationale voedselzekerheid, de beginselen voor verantwoord investeren in landbouw en voedselsystemen en de richtsnoeren van de OESO-FAO voor een verantwoord beheer van de landbouwketens, volledig en prioritair geëerbiedigd.

 

Voor de toepassing van dit lid verwijst de term "derden" naar lokale en inheemse gemeenschappen of eventuele andere personen die zijn betrokken bij de productie of het oogsten van grondstoffen of waarvoor de activiteiten met betrekking tot het produceren of oogsten van grondstoffen gevolgen hebben.

Motivering

De teelt en de oogst van biomassa moet de rechten van derden beschermen, de arbeidswetgeving eerbiedigen en bescherming bieden tegen nadelige gevolgen voor de voedselzekerheid.

Amendement    33

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 10

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

10.  Voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c), kunnen de lidstaten aanvullende duurzaamheidseisen voor biomassabrandstoffen opleggen.

10.  Voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c), kunnen de lidstaten aanvullende duurzaamheidseisen voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen opleggen.

Motivering

Het recht van de lidstaten om aanvullende duurzaamheidseisen te stellen mag niet worden beperkt tot biomassabrandstoffen.

Amendement    34

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 27 – lid 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

3 bis.  De lidstaten nemen maatregelen om adequate, alomvattende en op de mensenrechten gebaseerde duurzaamheidswaarborgen vast te stellen voor het gebruik van biobrandstoffen, teneinde landrechtenkwesties en andere met rechten verbonden gevolgen van de productie en invoer van biobrandstoffen aan te pakken.

Amendement    35

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 28 – lid 1 – letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

a)  indien een standaardwaarde voor de broeikasgasemissiereductie met betrekking tot de productieketen is vastgesteld in deel A of B van bijlage V voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa of in deel A van bijlage VI voor biomassabrandstoffen , en indien de el-waarde voor deze biobrandstoffen of vloeibare biomassa berekend overeenkomstig punt 7 van deel C van bijlage V of voor deze biomassabrandstoffen berekend overeenkomstig punt 7 van deel B van bijlage VI, gelijk is aan of lager is dan nul, wordt die standaardwaarde gebruikt;

a)  indien een standaardwaarde voor de broeikasgasemissiereductie met betrekking tot de productieketen is vastgesteld in deel A of B van bijlage V voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa of in deel A van bijlage VI voor biomassabrandstoffen, en indien de el-waarde voor deze biobrandstoffen of vloeibare biomassa berekend overeenkomstig punt 7 van deel C van bijlage V of voor deze biomassabrandstoffen berekend overeenkomstig punt 7 van deel B van bijlage VI, gelijk is aan of lager is dan nul, wordt die standaardwaarde gebruikt en wordt daarvan de standaardvermindering van broeikasgasemissiereducties afgetrokken afkomstig van indirecte veranderingen in landgebruik als vermeld in deel A van bijlage VIII of van indirecte emissies als vermeld in deel B bis van bijlage VIII;

Motivering

Slechts weinig grondstoffen zijn echt emissieloos beschikbaar. Als materialen van hun huidige gebruik worden afgeleid om biobrandstof te maken, zal dat van invloed zijn op de andere gebruikers. Bij de berekening van broeikasgasemissiereducties moeten ramingen van de indirecte CO2-uitstoot worden gebruikt op basis van een analyse van de verschuivingseffecten, waarbij in kaart wordt gebracht welke materialen ter vervanging van de grondstoffen zouden worden gebruikt en welke emissies daarmee gepaard gaan, om weer te geven wat de gevolgen voor het klimaat zijn als dat materiaal voor alternatieve brandstof wordt gebruikt.

Amendement    36

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 28 – lid 1 – letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

b)  de werkelijke waarde, berekend overeenkomstig de in bijlage V, deel C, voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa en in bijlage VI, deel B, voor biomassabrandstoffen vastgestelde methode, wordt gebruikt;

b)  de werkelijke waarde, berekend overeenkomstig de in bijlage V, deel C, voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa en in bijlage VI, deel B, voor biomassabrandstoffen vastgestelde methode, wordt gebruikt en daarvan wordt de standaardvermindering van broeikasgasemissiereducties afgetrokken afkomstig van indirecte veranderingen in landgebruik als vermeld in deel A van bijlage VIII of van indirecte emissies als vermeld in deel B bis van bijlage VIII;

Motivering

Slechts weinig grondstoffen zijn echt emissieloos beschikbaar. Als materialen van hun huidige gebruik worden afgeleid om biobrandstof te maken, zal dat van invloed zijn op de andere gebruikers. Bij de berekening van broeikasgasemissiereducties moeten ramingen van de indirecte CO2-uitstoot worden gebruikt op basis van een analyse van de verschuivingseffecten, waarbij in kaart wordt gebracht welke materialen ter vervanging van de grondstoffen zouden worden gebruikt en welke emissies daarmee gepaard gaan, om weer te geven wat de gevolgen voor het klimaat zijn als dat materiaal voor alternatieve brandstof wordt gebruikt. Dit amendement is onlosmakelijk verbonden met het amendement op artikel 25, lid 1.

Amendement    37

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 28 – lid 1 – letter c

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

c)  er wordt een waarde gebruikt die wordt berekend als de som van de factoren van de formules in punt 1 van deel C van bijlage V, waarbij gedesaggregeerde standaardwaarden in bijlage V, deel D of E, kunnen worden gebruikt voor een aantal factoren, en de feitelijke waarden, berekend volgens de methode van bijlage V, deel C, voor alle andere factoren; of

c)  er wordt een waarde gebruikt die wordt berekend als de som van de factoren van de formules in punt 1 van deel C van bijlage V, waarbij gedesaggregeerde standaardwaarden in bijlage V, deel D of E, kunnen worden gebruikt voor een aantal factoren, en de feitelijke waarden, berekend volgens de methode van bijlage V, deel C, voor alle andere factoren, en van de berekende waarde wordt de standaardvermindering van broeikasgasemissiereducties afgetrokken afkomstig van indirecte veranderingen in landgebruik als vermeld in deel A van bijlage VIII of van indirecte emissies als vermeld in deel B bis van bijlage VIII; of

Motivering

Slechts weinig grondstoffen zijn echt emissieloos beschikbaar. Als materialen van hun huidige gebruik worden afgeleid om biobrandstof te maken, zal dat van invloed zijn op de andere gebruikers. Bij de berekening van broeikasgasemissiereducties moeten ramingen van de indirecte CO2-uitstoot worden gebruikt op basis van een analyse van de verschuivingseffecten, waarbij in kaart wordt gebracht welke materialen ter vervanging van de grondstoffen zouden worden gebruikt en welke emissies daarmee gepaard gaan, om weer te geven wat de gevolgen voor het klimaat zijn als dat materiaal voor alternatieve brandstof wordt gebruikt.

Amendement    38

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 28 – lid 1 – letter d

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

d)  er wordt een waarde gebruikt die wordt berekend als de som van de factoren van de formules in punt 1 van deel B van bijlage VI, waarbij gedesaggregeerde standaardwaarden in deel C van bijlage VI kunnen worden gebruikt voor een aantal factoren, en de feitelijke waarden, berekend volgens de methode van bijlage VI, deel B, voor alle andere factoren.

d)  er wordt een waarde gebruikt die wordt berekend als de som van de factoren van de formules in punt 1 van deel B van bijlage VI, waarbij gedesaggregeerde standaardwaarden in deel C van bijlage VI kunnen worden gebruikt voor een aantal factoren, en de feitelijke waarden, berekend volgens de methode van bijlage VI, deel B, voor alle andere factoren, en van de berekende waarde wordt de standaardvermindering van broeikasgasemissiereducties afgetrokken afkomstig van indirecte veranderingen in landgebruik als vermeld in deel A van bijlage VIII.

Motivering

Slechts weinig grondstoffen zijn echt emissieloos beschikbaar. Als materialen van hun huidige gebruik worden afgeleid om biobrandstof te maken, zal dat van invloed zijn op de andere gebruikers. Bij de berekening van broeikasgasemissiereducties moeten ramingen van de indirecte CO2-uitstoot worden gebruikt op basis van een analyse van de verschuivingseffecten, waarbij in kaart wordt gebracht welke materialen ter vervanging van de grondstoffen zouden worden gebruikt en welke emissies daarmee gepaard gaan, om weer te geven wat de gevolgen voor het klimaat zijn als dat materiaal voor alternatieve brandstof wordt gebruikt.

Amendement    39

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 30 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  De Commissie houdt toezicht op de oorsprong van de in de Unie verbruikte biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen en analyseert de gevolgen van de productie ervan, met inbegrip van de gevolgen van verdringingseffecten, voor het landgebruik in de Unie en de belangrijkste derde landen die dergelijke biobrandstoffen en vloeibare biomassa leveren. Dit toezicht is gebaseerd op de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en de bijbehorende voortgangsverslagen van de lidstaten, zoals vereist in de artikelen 3, 15 en 18 van Verordening [governance], en van de relevante derde landen en intergouvernementele organisaties en op wetenschappelijke studies en andere relevante informatie. De Commissie houdt ook toezicht op de wijzigingen van de grondstoffenprijzen ten gevolge van het gebruik van biomassa voor energie en op de daarmee verband houdende positieve en negatieve gevolgen voor de voedselvoorzieningszekerheid.

1.  De Commissie houdt toezicht op de oorsprong van de biobrandstoffen en vloeibare biomassa, en in de Unie verbruikte biomassabrandstoffen alsook op de gevolgen van de productie van hernieuwbare energie uit deze en andere bronnen, met inbegrip van de gevolgen van verschuivingseffecten, voor het landgebruik in de Unie en de derde landen die dergelijke biobrandstoffen en vloeibare biomassa leveren. Dit toezicht is gebaseerd op de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en de bijbehorende voortgangsverslagen van de lidstaten, zoals vereist in de artikelen 3, 15 en 18 van Verordening [governance], en van de relevante derde landen en intergouvernementele organisaties en op wetenschappelijke studies en andere relevante informatie. De Commissie houdt ook toezicht op de wijzigingen van de grondstoffenprijzen ten gevolge van het gebruik van biomassa voor energie en op de daarmee verband houdende positieve en negatieve gevolgen voor de voedselvoorzieningszekerheid.

Motivering

Er moet een alomvattende benadering worden gehanteerd die vergelijking mogelijk maakt.

Amendement    40

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 30 – lid 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis.  Uiterlijk op 31 december 2023 beoordeelt de Commissie of de in artikel 26 vastgestelde criteria het gebruik van niet-duurzame land- en bosbouwbiomassa effectief tegengaan, het beginsel van biomassacascadering ondersteunen en de directe en indirecte koolstofemissies ervan aanpakken, met inbegrip van die uit de bosbouwsector, en dient zij in voorkomend geval een voorstel in tot wijziging van de betreffende vereisten.

Motivering

Dit amendement is onlosmakelijk verbonden met de invoering van nieuwe duurzaamheidscriteria voor bio-energie afkomstig van bos- en landbouw en de amendementen op artikel 26.

Amendement    41

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage IX – deel A – letter g

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

g)  Effluenten van palmoliefabrieken en palmtrossen

Schrappen

Motivering

Het energiebeleid van de EU moet in overeenstemming zijn met het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling en de verwezenlijking van de Agenda 2030. Deze grondstoffen zijn gekoppeld aan de productie van niet-duurzame biobrandstoffen van de eerste generatie en zullen voor een toename van de economische waarde zorgen, waarmee het recht op voedsel en landrechten in ontwikkelingslanden in gevaar worden gebracht.

Amendement    42

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage IX – deel A – letter i

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

i)  Ruwe glycerine.

Schrappen

Motivering

Deze grondstof is gekoppeld aan de productie van niet-duurzame dieselolie.

Amendement    43

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage IX – deel A – letter p

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

p)  Ander non-food cellulosemateriaal als omschreven in artikel 2, tweede alinea, onder s).

Schrappen

Motivering

De bevordering van het gebruik van land voor energiegewassen is niet verenigbaar met het engagement van de EU voor de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling.

Amendement    44

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage IX – deel A – letter q

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

q)  Ander lignocellulosisch materiaal als omschreven in artikel 2, tweede alinea, onder r), met uitzondering van voor verzaging geschikte stammen of blokken en fineer.

Schrappen

Motivering

Om ontbossing of overexploitatie van bossen te voorkomen, moet alleen het gebruik van echt houtafval worden gestimuleerd .

PROCEDURE VAN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Titel

Bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking)

Document- en procedurenummers

COM(2016)0767 – C8-0500/2016 – 2016/0382(COD)

Commissie ten principale

       Datum bekendmaking

ITRE

1.3.2017

 

 

 

Advies uitgebracht door

       Datum bekendmaking

DEVE

15.6.2017

Rapporteur voor advies

       Datum benoeming

Florent Marcellesi

6.4.2017

Behandeling in de commissie

30.8.2017

 

 

 

Datum goedkeuring

10.10.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

15

11

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Beatriz Becerra Basterrechea, Ignazio Corrao, Nirj Deva, Doru-Claudian Frunzulică, Enrique Guerrero Salom, Maria Heubuch, György Hölvényi, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Arne Lietz, Norbert Neuser, Vincent Peillon, Maurice Ponga, Lola Sánchez Caldentey, Eleftherios Synadinos, Eleni Theocharous, Patrizia Toia, Paavo Väyrynen, Bogdan Brunon Wenta, Anna Záborská, Joachim Zeller, Željana Zovko

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Marina Albiol Guzmán, Thierry Cornillet, Brian Hayes, Cécile Kashetu Kyenge, Florent Marcellesi

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

15

+

ALDE

Beatriz Becerra Basterrechea, Thierry Cornillet, Paavo Väyrynen

EFDD

Ignazio Corrao

GUE/NGL

Marina Albiol Guzmán, Lola Sánchez Caldentey

S&D

Doru-Claudian Frunzulică, Enrique Guerrero Salom, Cécile Kashetu Kyenge, Arne Lietz, Norbert Neuser, Vincent Peillon, Patrizia Toia

Verts/ALE

Maria Heubuch, Florent Marcellesi

11

-

ECR

Nirj Deva, Eleni Theocharous

NI

Eleftherios Synadinos

PPE

Brian Hayes, György Hölvényi, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Maurice Ponga, Bogdan Brunon Wenta, Joachim Zeller, Željana Zovko, Anna Záborská

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (13.11.2017)

aan de Commissie industrie, onderzoek en energie

inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking)

(COM(2016)0767 – C8-0500/2016 – 2016/0382(COD))

Rapporteur voor advies: Bas Eickhout

BEKNOPTE MOTIVERING

De Unie en haar lidstaten hebben de Overeenkomst van Parijs geratificeerd en toegezegd de stijging van de gemiddelde temperatuur op de aarde te beperken tot ruim onder 2 °C en zich tegelijkertijd in te zetten voor een beperking van de temperatuurstijging tot 1,5 °C. Een snelle transitie naar hernieuwbare energie is van essentieel belang om deze doelstellingen te verwezenlijken.

Het voorstel van de Commissie omvat een totale EU-doelstelling van ten minste 27 % hernieuwbare energie, hetgeen een stijging van slechts 6 % vertegenwoordigt ten opzichte van het verwachte aandeel van hernieuwbare energie in 2020 over een periode van tien jaar, en in feite het tempo van de invoering van hernieuwbare energie ten opzichte van de vorige periode vertraagt. De rapporteur stelt voor een hoger ambitieniveau vast te stellen in de vorm van een aandeel van energie uit duurzame energiebronnen van 35% tegen 2030, inclusief bindende nationale streefcijfers, prioritaire toegang en een systeem voor garanties van oorsprong dat alleen als traceerbaarheids- en boekhoudinstrument fungeert.

Wanneer wetgevers het gebruik van bepaalde energiebronnen stimuleren door middel van streefcijfers en subsidies, dragen zij ook de verantwoordelijkheid voor eventuele negatieve gevolgen voor het milieu of de economie als geheel en moeten er dus voldoende waarborgen worden ingebouwd overeenkomstig het voorzorgsbeginsel. Vanuit een klimaatperspectief moet alleen bio-energie uit afvalstoffen en residuen worden gestimuleerd en moeten er passende waarborgen worden geboden met betrekking tot de bescherming van de bodemkwaliteit, de koolstof in de bodem en de biodiversiteit, en de verdringing van andere toepassingen. Een beleid dat mogelijk tot hogere emissies of een afname van de koolstofputten in natuurlijke bossen leidt zou een averechts effect hebben op het behalen van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs.

Met betrekking tot transport wordt er met het voorstel beoogd de EU-steun langzaam te verschuiven van biobrandstoffen op basis van gewassen naar betere hernieuwbare transportbrandstoffen, zoals geavanceerde biobrandstoffen en hernieuwbare elektriciteit. De limiet voor biobrandstoffen op basis van gewassen die kan worden meegeteld voor het behalen van de streefcijfers voor hernieuwbare energie zal geleidelijk worden teruggebracht van 7 % naar 0 % in 2030. De bijdrage van biobrandstoffen en vloeibare biomassa geproduceerd uit palmolie moet vanaf 2021 0 zijn. De Commissie moet een methodologie ontwikkelen voor het certificeren van biobrandstoffen en vloeibare biomassa met een laag risico op indirecte veranderingen in het landgebruik.

Het voorstel legt brandstofleveranciers tevens de verplichting op om tegen 2030 in de door hen geleverde transportbrandstoffen geleidelijk tot 9 % geavanceerde biobrandstoffen, hernieuwbare elektriciteit en op koolstofafvang en -benutting gebaseerde brandstoffen te vermengen. Het minimumaandeel moet overeenkomen met een vermindering van de intensiteit van de broeikasgasemissies van ten minste 7 % ten opzichte van 2020. Het is zaak erop toe te zien dat die biobrandstoffen staan voor aanzienlijke broeikasgasemissiereducties. Slechts weinig grondstoffen zijn echt emissieloos beschikbaar. Wanneer grondstoffen worden herbestemd voor de productie van biobrandstoffen is dit van invloed op andere toepassingen. Bij de berekening van broeikasgasemissiereducties met betrekking tot de drempel voor geavanceerde biobrandstoffen moeten ramingen van de indirecte CO2-uitstoot worden gebruikt op basis van een analyse van de verplaatsingseffecten, waarbij in kaart wordt gebracht welke materialen ter vervanging van de grondstoffen zouden worden gebruikt en welke emissies daarmee gepaard gaan.

Het is niet wenselijk fossiele brandstoffen – ook al zijn ze uit afval geproduceerd – in de richtlijn hernieuwbare energie op te nemen. Uit afval geproduceerde fossiele brandstoffen moeten via andere wegen worden bevorderd in het kader van de EU-strategie inzake de circulaire economie.

Hernieuwbare elektriciteit is de schoonste energiebron die voor de vervoersector beschikbaar is. Dit is momenteel de oplossing die op duurzame wijze het meest schaalbaar is. De invoering van elektrisch vervoer op grote schaal vergt echter prikkels aan zowel vraag- als aanbodzijde. Een belangrijk element voor de bevordering van de invoering van elektrische voertuigen is een toereikend netwerk van oplaadpunten.

Naar verwachting zullen geavanceerde biobrandstoffen voornamelijk een belangrijke rol spelen bij het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen in de luchtvaart. De aan de luchtvaartsector geleverde hernieuwbare energie zal meetellen voor de algemene vermengingsverplichting voor de vervoersector.

Het ontwerpadvies heeft tevens ten doel de administratieve lasten te vereenvoudigen en te verlagen. Een van de maatregelen die in dit opzicht worden voorgesteld is de invoering van een EU-brede databank in plaats van 28 nationale databanken waarin brandstofleveranciers hun overdrachten documenteren om zo aan hun incorporatieverplichting te voldoen.

AMENDEMENTEN

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de bevoegde Commissie industrie, onderzoek en energie onderstaande amendementen in aanmerking te nemen:

Amendement    1

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(6)  Het Europees Parlement heeft in zijn resoluties over “een beleidskader voor klimaat en energie in de periode 2020-2030” en “het voortgangsverslag hernieuwbare energie” de voorkeur gegeven aan een bindend streefcijfer op Unieniveau van ten minste 30 % voor het aandeel hernieuwbare energie in het totale eindenergieverbuik tegen 2030, hierbij benadrukkend dat dit doel moet worden nagestreefd door middel van individuele nationale streefcijfers, rekening houdend met de individuele situatie en het potentieel van elke lidstaat.

(6)  Het Europees Parlement heeft in zijn resoluties over “een beleidskader voor klimaat en energie in de periode 2020-2030” en “het voortgangsverslag hernieuwbare energie” de voorkeur gegeven aan een bindend streefcijfer op Unieniveau van ten minste 30 % voor het aandeel hernieuwbare energie in het totale eindenergieverbuik tegen 2030, hierbij benadrukkend dat dit doel moet worden nagestreefd door middel van individuele nationale streefcijfers, rekening houdend met de individuele situatie en het potentieel van elke lidstaat. In zijn resolutie over "het voortgangsverslag hernieuwbare energie" ging het Europees Parlement verder door te beklemtonen dat in het kader van de Klimaatovereenkomst van Parijs een significant ambitieuzer streefcijfer op Unieniveau wenselijk was.

Amendement    2

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 7

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(7)  Bijgevolg is het passend om op Unieniveau een bindend streefcijfer van ten minste 27 % voor het aandeel hernieuwbare energie vast te stellen. De lidstaten moeten bepalen hoe zij in het kader van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen zullen bijdragen tot de verwezenlijking van dit streefdoel door middel van de in Verordening [governance] vastgestelde governanceprocedure.

(7)  Bijgevolg is het passend om op Unieniveau een bindend streefcijfer van ten minste 35 % voor het aandeel hernieuwbare energie vast te stellen en dat vergezeld te doen gaan van nationale bindende streefcijfers. De lidstaten moeten bepalen hoe zij in het kader van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen zullen bijdragen tot de verwezenlijking van dit streefdoel door middel van de in Verordening [governance] vastgestelde governanceprocedure.

Amendement    3

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 8

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(8)  De vaststelling op Unieniveau van een bindend streefcijfer voor het gebruik van hernieuwbare energie tegen 2030 zou de ontwikkeling van technologieën voor de productie van hernieuwbare energie aanmoedigen en investeerders zekerheid bieden. Een op Unieniveau vastgesteld streefcijfer zou de lidstaten meer ruimte bieden om hun streefcijfers voor de beperking van broeikasgasemissies op de meest kosteneffectieve wijze te halen overeenkomstig hun specifieke situatie, energiemix en mogelijkheden om hernieuwbare energie te produceren.

(8)  De vaststelling op Unie- en nationaal niveau van bindende streefcijfers voor het gebruik van hernieuwbare energie tegen 2030 zou de ontwikkeling van technologieën voor de productie van hernieuwbare energie aanmoedigen en investeerders zekerheid bieden.

Amendement    4

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 8 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(8 bis)  De lidstaten moeten rekening houden met de mate waarin het gebruik van verschillende soorten energiebronnen verenigbaar is met het streefcijfer om de opwarming van de aarde tot 1,5°C boven pre-industriële niveaus te beperken, en met het doel een economie zonder fossiele brandstoffen en met lage koolstofuitstoot te bereiken. De bevoegdheid om in dit kader handelingen vast te stellen, moet aan de Commissie worden gedelegeerd, zodat zij de bijdrage aan deze doelstellingen van de verschillende soorten hernieuwbare energiebronnen kan beoordelen op basis van de terugverdientijd en de resultaten in vergelijking met fossiele brandstoffen, en zodat zij kan overwegen een maximaal toegelaten terugverdientijd als duurzaamheidscriterium voor te stellen, in het bijzonder voor lignocellulosische biomassa.

Motivering

Het amendement houdt verband met de duurzaamheidscriteria in artikel 26, dat een cruciaal element van de herschikking van de richtlijn hernieuwbare energie is.

Amendement    5

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 10

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(10)  De lidstaten moeten aanvullende maatregelen nemen indien het aandeel hernieuwbare energie op Unieniveau niet op koers ligt voor het behalen van het streefcijfer van ten minste 27 % hernieuwbare energie. Als bepaald in Verordening [governance] kan de Commissie, indien bij de beoordeling van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen een ambitiekloof wordt vastgesteld, op Unieniveau maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat het streefcijfer wordt behaald. Indien de Commissie bij de beoordeling van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen een gebrek aan concrete resultaten vaststelt, moeten de lidstaten de in Verordening [governance] opgenomen maatregelen toepassen, die hen voldoende ruimte bieden om keuzes te maken.

(10)  De lidstaten moeten aanvullende maatregelen nemen indien het aandeel hernieuwbare energie op Unieniveau niet op koers ligt voor het behalen van het streefcijfer van ten minste 35 % hernieuwbare energie. Als bepaald in Verordening [governance] kan de Commissie, indien bij de beoordeling van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen een ambitiekloof wordt vastgesteld, op Unieniveau maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat het streefcijfer wordt behaald. Indien de Commissie bij de beoordeling van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen een gebrek aan concrete resultaten vaststelt, moeten de lidstaten de in Verordening [governance] opgenomen maatregelen toepassen.

Amendement    6

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 10 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(10 bis)  Energie uit hernieuwbare bronnen moet worden bevorderd op basis van de beginselen van de circulaire economie en de cascadering van hulpbronnen om de hulpbronnenefficiëntie voor producten en materialen te verhogen en de afvalproductie terug te dringen. Daarom moet deze richtlijn consistent met deze beginselen zijn en de herwerking van afval tot secundaire grondstoffen bevorderen, overeenkomstig de streefcijfers die in Richtlijn 2008/98/EG zijn vastgesteld.

Motivering

De richtlijn hernieuwbare energie moet overeenstemmen met de beginselen van de circulaire economie en de markt voor secundaire grondstoffen bevorderen.

Amendement    7

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 11

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(11)  Ter ondersteuning van de ambitieuze bijdragen die de lidstaten leveren aan de verwezenlijking van het streefcijfer van de Unie, moet een financieel kader worden vastgesteld om het investeren in projecten op het gebied van hernieuwbare energie in de lidstaten te vergemakkelijken, ook door middel van het gebruik van financieringsinstrumenten.

(11)  Om de lidstaten te steunen bij de verwezenlijking van hun streefcijfers moet een financieel kader worden vastgesteld om het investeren in projecten op het gebied van hernieuwbare energie in de lidstaten te vergemakkelijken, ook door middel van het gebruik van financieringsinstrumenten.

Amendement    8

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 13

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(13)  De Commissie moet de uitwisseling van beste praktijken tussen de bevoegde nationale of regionale autoriteiten of organen vergemakkelijken, bijvoorbeeld door middel van periodieke vergaderingen teneinde een gezamenlijke aanpak uit te werken ter bevordering van kostenefficiënte projecten op het gebied van hernieuwbare energie en investeringen in nieuwe, flexibele en schone technologieën en om een adequate strategie uit te werken voor de stopzetting, op basis van transparant criteria en betrouwbare marktprijssignalen, van technologieën die niet bijdragen aan de emissiereductie of die onvoldoende flexibiliteit bieden.

(13)  De Commissie moet de uitwisseling van beste praktijken tussen de bevoegde nationale of regionale en lokale autoriteiten of organen vergemakkelijken, bijvoorbeeld door middel van periodieke vergaderingen teneinde een gezamenlijke aanpak uit te werken ter bevordering van kostenefficiënte projecten op het gebied van hernieuwbare energie en investeringen in nieuwe, flexibele en schone technologieën en om een adequate strategie uit te werken voor de stopzetting, op basis van transparant criteria en betrouwbare marktprijssignalen, van technologieën die niet bijdragen aan de emissiereductie of die onvoldoende flexibiliteit bieden.

Amendement    9

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 15

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(15)  Van steunregelingen voor uit hernieuwbare bronnen opgewekte elektriciteit is gebleken dat zij op een doeltreffende manier het gebruik van hernieuwbare energie aanmoedigen. Wanneer lidstaten beslissen steunregelingen ten uitvoer te leggen, moet dergelijke steun zodanig worden verleend dat deze de werking van de elektriciteitsmarkten zo min mogelijk verstoort. Daartoe kennen steeds meer lidstaten de steun zodanig toe dat deze een aanvulling vormt op de marktinkomsten.

(15)  Van steunregelingen voor uit hernieuwbare bronnen opgewekte elektriciteit is gebleken dat zij op een doeltreffende manier het gebruik van hernieuwbare energie aanmoedigen. Wanneer lidstaten beslissen steunregelingen ten uitvoer te leggen, moet dergelijke steun zodanig worden verleend dat deze de werking van de elektriciteitsmarkten zo min mogelijk verstoort. Daartoe kennen steeds meer lidstaten de steun zodanig toe dat deze een aanvulling vormt op de marktinkomsten. In het geval van bronnen van biomassa waar concurrentie met materiaalfabrikanten kan optreden, moeten de steunregelingen zo weinig mogelijk de werking van de biomassamarkt verstoren.

Motivering

Met het oog op de overgang naar een circulaire economie moeten de steunregelingen voor hernieuwbare energiebronnen geen concurrentieverstorende gevolgen hebben voor de verschillende betrokken sectoren met betrekking tot de levering van biomassa.

Amendement    10

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 16

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(16)  De opwekking van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen moet worden ingezet op een manier die de afnemers en belastingbetalers zo weinig mogelijk kost. Bij het ontwerpen van steunregelingen en het toekennen van steun moeten de lidstaten ernaar streven de totale systeemkosten voor de inzet ervan te minimaliseren en daarbij ten volle rekening houden met de behoeften met betrekking tot de ontwikkeling van het net en het systeem, de hieruit voortvloeiende energiemix en het langetermijnpotentieel van technologieën.

(16)  De opwekking van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen