Procedure : 2017/2084(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0005/2018

Ingediende teksten :

A8-0005/2018

Debatten :

PV 05/02/2018 - 23
CRE 05/02/2018 - 23

Stemmingen :

PV 06/02/2018 - 5.7
CRE 06/02/2018 - 5.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0026

VERSLAG     
PDF 503kWORD 90k
23.1.2018
PE 609.590v02-00 A8-0005/2018

inzake versnelling van de innovatie op het gebied van schone energie

(2017/2084(INI))

Commissie industrie, onderzoek en energie

Rapporteur: Jerzy Buzek

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
 ADVIES van de Commissie vervoer en toerisme
 ADVIES van de Commissie regionale ontwikkeling
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

inzake versnelling van de innovatie op het gebied van schone energie

(2017/2084(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 30 november 2016 getiteld "Versnelling van de innovatie op het gebied van schone energie" (COM(2016)0763),

–  gezien de Overeenkomst van Parijs in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, die op 4 oktober 2016 door de Europese Unie is geratificeerd,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 15 september 2015, getiteld "Towards an Integrated Strategic Energy Technology (SET) Plan: Accelerating the European Energy System Transformation" (COM(2015)6317),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 25 februari 2015 getiteld "Een kaderstrategie voor een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering" (COM(2015)0080) en de resolutie van het Parlement van 15 december 2015 getiteld "Op weg naar een Europese energie-unie"(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 15 december 2011 getiteld "Stappenplan Energie 2050" (COM(2011)0885) en de resolutie van het Parlement van 14 maart 2013 over het Stappenplan Energie 2050, een toekomst met energie(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld "Europa 2020. Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien het voorstel voor een verordening van de Commissie van 30 november 2016 inzake de governance van de energie-unie, en daarin met name de dimensie "onderzoek, innovatie en concurrentievermogen" van de energie-unie, en in het bijzonder artikel 22 over geïntegreerde rapportering over onderzoek, innovatie en concurrentievermogen (COM(2016)0759),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020)(3),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 juli 2017 getiteld "Versterking van innovatie in de Europese regio's: strategieën voor veerkrachtige, inclusieve en duurzame groei" (COM(2017) 376),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 november 2016 getiteld "De toekomstige leiders van Europa: het starters- en opschalingsinitiatief" (COM(2016)0733),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie vervoer en toerisme en de Commissie regionale ontwikkeling (A8‑0005/2018),

A.  overwegende dat onderzoek, ontwikkeling en innovatie een aparte dimensie van de energie-unie van de EU vormen, met onderzoek, ontwikkeling en innovatie op het gebied van energie als belangrijke drijvende krachten achter het industriële leiderschap, het mondiale concurrentievermogen, de duurzame groei en de banencreatie van de Unie, en achter de algehele energiezekerheid van de lidstaten en de EU, doordat ze de afhankelijkheid van energie-invoer verkleinen en een doeltreffend en duurzaam gebruik van alle energiebronnen bevorderen;

B.  overwegende dat de EU een wereldleider blijft op het gebied van hoogwaardige, emissiearme energie-innovatie, ook op het vlak van energie-efficiëntie, hernieuwbare energiebronnen en opkomende schone technologieën, waardoor de EU over een stevige basis beschikt om nog meer vorderingen te maken inzake onderzoek en innovatie op het gebied van schone energie, met inbegrip van de ontwikkeling van batterijen voor elektrische mobiliteit en energieopslag; overwegende dat ambitieuze, gerichte klimaat- en energiebeleidsmaatregelen, met name middels het klimaat- en energiekader 2030 en het Stappenplan Energie 2050, belangrijke drijvende krachten achter dit leiderschap zijn geweest; overwegende dat de Klimaatovereenkomst van Parijs in dit verband de mondiale ambitie en de concrete toezeggingen van de ondertekenaars om de klimaatverandering te beperken aanzienlijk heeft doen toenemen; overwegende dat de EU met haar beleid en instrumenten ambitieus moet blijven om de juiste investeringssignalen af te geven en haar leidende positie op de wereldmarkt inzake onderzoek en innovatie op het gebied van schone energie niet te verliezen;

C.  overwegende dat het met het oog op het toekomstige concurrentievermogen van de EU, met inbegrip van de Europese industrie, van essentieel belang is vooruitgang te boeken in innovatie en O&O op het gebied van energie-efficiëntie en hernieuwbare energie; overwegende dat de EU slechts "de wereldleider op het vlak van hernieuwbare energie" kan worden door de invoering van kosteneffectieve innovaties en intensievere O&O-inspanningen in deze specifieke sector; overwegende dat de tenuitvoerlegging van het beginsel "voorrang voor energie-efficiëntie" moet worden ondersteund door een krachtig innovatiebeleid op Europees niveau, met name waar het systeemintegratie betreft;

D.  overwegende dat een volledig functionerende en concurrerende interne energiemarkt, met een passend regelgevingskader en geschikte infrastructuur, van essentieel belang is om onderzoek, ontwikkeling en innovatie verder te stimuleren en de aanvaarding door de markt van nieuwe schone technologieën in alle regio's van de EU te maximaliseren door schaalvoordelen, rechtszekerheid en investeringszekerheid te bieden, en zo de Unie in staat te stellen optimaal gebruik te maken van technologieneutrale energie-innovatie ter bevordering van efficiëntie, een emissiearm en duurzaam gebruik van energiebronnen en gedecentraliseerde opwekkings-, opslag- en vervoersoplossingen en ‑technologieën;

E.  overwegende dat innovatie op het gebied van schone energie ook moet bijdragen aan de totstandbrenging van een betaalbare energievoorziening voor Europese consumenten door hen te laten profiteren van lagere energietarieven, hen meer controle te geven over hun energieverbruik en ‑productie en hen producten en diensten aan te bieden die minder energie verbruiken;

F.  overwegende dat het energiebeleid en de financieringsinstrumenten van de EU en haar lidstaten, met inbegrip van desbetreffende overheidsinvesteringen, erop gericht moeten zijn de steeds snellere technologische ontwikkelingen optimaal te benutten en dat daarbij de nadruk in de eerste plaats moet liggen op een geleidelijke overgang naar schone, uiterst efficiënte energiesystemen met een lage uitstoot; overwegende dat financiering door de particuliere sector als gevolg van marktonzekerheid of technologische en wetenschappelijke onzekerheid vaak ontoereikend of niet voorhanden is; overwegende dat de EU krachtige en consequente signalen moet geven en stimulansen moet creëren teneinde investeringszekerheid te bieden en particuliere investeringen in innovatie, onderzoek en ontwikkeling op het gebied van schone energie en het gebruik daarvan te bevorderen;

G.  overwegende dat innovatie in de eerste plaats door innovatoren en de marktvraag wordt gestuurd; overwegende dat de Commissie zich voornamelijk moet richten op het creëren van een stimulerend kader voor innovatoren dat onder meer de toegang tot onderzoeksfinanciering vergemakkelijkt en het mogelijk maakt kennis om te zetten in commercieel rendabele producten; overwegende dat partnerschappen tussen onderzoekers en de desbetreffende industriële partners in dit verband nuttig kunnen zijn;

H.  overwegende dat energiesubsidies de marktprijzen beïnvloeden, waardoor de werkelijke kosten van energie uit verschillende bronnen en de ware kostprijs van de met energie samenhangende technologieën worden gemaskeerd, wat de randvoorwaarden voor onderzoek en investeringen in innovatie op het gebied van schone energie en de uiteindelijke toepassing daarvan niet ten goede komt; overwegende dat het gebruik van subsidies geleidelijk moet worden afgeschaft en ondertussen moet worden beperkt tot tijdelijke instrumenten die erop gericht zijn gelijke voorwaarden en een concurrerende markt tot stand te brengen en de toepassing van nieuwe schone technologieën, met name op het gebied van energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, te bevorderen;

I.  overwegende dat de levenscyclusanalyse (LCA) van broeikasgasemissies van energiebronnen, ‑distributienetten en ‑technologieën als referentie moet worden gebruikt wanneer concrete beleidsmaatregelen en stimuli op EU-niveau worden vastgesteld ter bevordering van schone, emissiearme, energie-efficiënte oplossingen en technologieën, met inbegrip van het duurzaam betrekken van grondstoffen en mineralen; overwegende dat het accent moet komen te liggen op innovaties rond schone energie die van rechtstreeks belang zijn voor burgers en prosumenten, hun deelname aan de energietransitie mogelijk maken en de transitie zelf betaalbaarder maken;

J.  overwegende dat onderzoek en innovatie op energiegebied prioritaire gebieden zijn in het zevende kaderprogramma en Horizon 2020, en dat gezien de toezeggingen van de Unie in het kader van de energie-unie en de Klimaatovereenkomst van Parijs moeten blijven in het negende kaderprogramma, om doeltreffender publieke en particuliere financiering voor O&O aan te trekken en de investeringsrisico's van de meest toekomstgerichte innovaties met het oog op schone energie te helpen verlagen, met name op het vlak van energie-efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen;

K.  overwegende dat de vervoerssector verantwoordelijk is voor een derde van het totale energieverbruik van de EU, een enorm potentieel voor energie-efficiëntie en de vermindering van CO2-emissies heeft en daarom een vitale rol moet spelen bij de overgang naar nieuwe energie-oplossingen en een koolstofarme samenleving;

1.  is verheugd over de mededeling van de Commissie, die het kader opzet om de innovatie op het gebied van schone energie in de EU te versnellen; benadrukt dat er een regelgevings- en financieringskader voor innovatie op energiegebied nodig is dat strookt met het Stappenplan Energie 2050 van de EU en haar verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs, en het efficiënte en duurzame gebruik van alle energiebronnen bevordert, wat moet resulteren in energiebesparing en voordelen in ruimere zin, onder meer op het gebied van gezondheid, veiligheid en lucht- en waterkwaliteit, en tegelijk het concurrentievermogen van de Europese industrie, de energievoorzieningszekerheid van de Unie en de naleving van de verplichtingen van het EU-verdrag moet waarborgen en een omvattend antwoord op milieuproblemen moet bieden; erkent dat het kader om de innovatie op het gebied van schone energie in de EU te versnellen integraal deel uitmaakt van een ruimere reeks wetgevingsvoorstellen in het kader van het pakket "Schone energie voor alle Europeanen" en dat daarom de diverse onderdelen ervan, de verbintenissen van de Unie in het kader van de Overeenkomst van Parijs en de bredere wetgeving en beginselen in verband met de energie-unie, met name die welke zijn opgenomen in het klimaat- en energiekader 2030 en het Stappenplan Energie 2050, moeten worden versterkt, met inachtneming van de bepalingen van de artikelen 191 en 194 VWEU;

2.  erkent dat het welslagen van energie-innovatie een veelzijdige uitdaging is waarbij de waardeketens aan vraag- en aanbodzijde, menselijk kapitaal, de marktdynamiek, regelgeving, innovatie en industrieel beleid allemaal een rol spelen; benadrukt dat voor deze uitdaging de betrokkenheid van burgers – zowel consumenten als prosumenten – nodig is, alsook een breed ecosysteem van belanghebbenden, waaronder academische instellingen, organisaties voor onderzoek en technologie, kmo's, start-ups, energie- en bouwbedrijven, aanbieders van mobiliteitsdiensten, dienstverleners, apparatuurfabrikanten, IT- en telecombedrijven, financiële instellingen, Unie-, nationale, regionale en lokale autoriteiten, hernieuwbare-energiegemeenschappen, ngo's, opleiders en opinieleiders; benadrukt het belang van nieuwe bedrijfsmodellen die gebruikmaken van innovatieve digitale technologieën voor onder andere het optimaliseren van de eigen productie, de opslag, de uitwisseling en het eigen verbruik van schone energie ter plaatse, en die de toegang tot hernieuwbare vormen van energie verbeteren, onder meer voor huishoudens die onder energiearmoede lijden;

3.  is van mening dat voor een kostenefficiënte energietransitie naar milieuvriendelijke, klantgerichte en meer gedigitaliseerde en gedecentraliseerde systemen met actieve prosumenten en prosumentengemeenschappen onderzoek en innovatie in alle energiesectoren noodzakelijk zijn, met inbegrip van niet‑technologiespecifieke en systemische oplossingen, waaronder oplossingen met het oog op efficiëntie en gedecentraliseerde opwekking van energie; erkent dat deze transitie bevorderlijk is voor de creatie van nieuwe organisatiemodellen, vooral bij de opwekking, de transmissie, de distributie en de opslag van energie, elektromobiliteit, bedrijfs- en behoeftenbeheer, en dienstverlening; erkent dat er gemeenschappelijke normen moeten worden vastgesteld voor het stimuleren van een gekoppeld en gedigitaliseerd energiesysteem; beklemtoont dat duurzame grootschalige proefprojecten, met inbegrip van gemeenschapsprojecten, een belangrijke rol kunnen spelen bij de introductie van systemische energie-innovatie;

4.  wijst erop dat energie-efficiëntie een sectoroverschrijdende horizontale prioriteit in het onderzoeks- en innovatiebeleid van de EU moet vormen die geldt voor alle sectoren en niet beperkt mag blijven tot energiegerelateerde projecten, waarbij stelselmatig de productie van energie-efficiëntere processen, diensten en goederen wordt gestimuleerd en bevorderd en het beginsel van voorrang voor energie-efficiëntie wordt toegepast in de hele energieketen, met inbegrip van opwekking, transmissie, distributie en eindgebruik van energie;

5.  erkent het belang van de verdere liberalisering van de Europese energiemarkten – met name door het wegnemen van belemmeringen voor vrije prijsvorming en het geleidelijk afschaffen van energiesubsidies – ter bevordering van verdere innovatie en de toepassing van nieuwe technologieën die tot een duurzamer energiegebruik leiden en het toenemende aanbod van hernieuwbare energie stimuleren, en ter verwezenlijking van een gelijk speelveld en een concurrerende markt die energieconsumenten, prosumenten, gemeenschappen en bedrijven betere voorwaarden kan bieden;

Samenhang van de EU-maatregelen

6.  merkt op dat onderzoek, ontwikkeling en innovatie op het gebied van schone energie sterk afhankelijk zijn van een stabiele markt en de voorspelbaarheid en zekerheid van een regelgevingskader en dat daarvoor een ambitieuze en realiseerbare beleidsvisie op lange termijn, met inbegrip van energie- en klimaatgerelateerde doelstellingen en verbintenissen, volgehouden gerichte stimuleringsmaatregelen en geduldkapitaal nodig zijn teneinde een gelijk speelveld tussen de technologieën te creëren, om zo innovatie te faciliteren, de energievoorziening te vergemakkelijken, de markt toegankelijker te maken en ervoor te zorgen dat innovaties op het gebied van schone energie gemakkelijker de voor marktintroductie noodzakelijke kritische massa kunnen bereiken; is verheugd over en stimuleert de uitgesproken gerichtheid op sleuteltechnologieën, zoals bevestigd in het strategisch plan voor energietechnologie (SET-plan) en de mededeling van de Commissie; wijst op de bepalingen van artikel 194 VWEU en merkt op dat deze tot uiting moeten komen in de beleids- en financieringsinstrumenten ter ondersteuning van innovatie op het gebied van schone energie; benadrukt echter dat meer voorrang moet worden gegeven aan horizontale, sectoroverschrijdende, systemische innovatie in de energiesector en aan de bevordering van onderwijs en ondernemerschap, aangezien innovatie niet alleen een kwestie van technologie is; beklemtoont dat in deze systemische aanpak verschillende al beschikbare of in ontwikkeling zijnde oplossingen doeltreffend moeten kunnen worden geïntegreerd, met name op het gebied van energie-efficiëntie en de integratie van hernieuwbare energiebronnen; dringt erop aan gebruik te maken van Europese technologie- en innovatieplatforms bij het helpen in kaart brengen van toekomstgerichte innovaties op het gebied van schone energie die gerichte steun verdienen;

7.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten, en zo nodig de regionale autoriteiten, op aan mechanismen in te voeren om de programma's voor onderzoek en energie-innovatie op nationaal, regionaal en EU‑niveau op elkaar af te stemmen om synergieën te stimuleren en dubbel werk te voorkomen zodat de bestaande middelen en infrastructuur en de energiebronnen die in de lidstaten beschikbaar zijn, zo efficiënt mogelijk worden gebruikt, teneinde nieuwe technologieën en innovaties zo veel mogelijk ingang te doen vinden en nieuwe bedrijfsmodellen in de hele EU te stimuleren; is van oordeel dat het verstrekken van relevante informatie in geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen tot dit doel kan bijdragen; benadrukt in dit verband dat het belangrijk is de uitwisseling van goede praktijken en informatie te bevorderen en de regels inzake deelname aan programma's voor energie-innovatie te stroomlijnen voor alle organisaties, ondernemingen, universiteiten en instellingen, zowel uit de EU als uit derde landen;

8.  is verheugd over de toezegging van de Commissie dat zij fundamenteel onderzoek zal blijven financieren via Horizon 2020 en de Europese Onderzoeksraad; benadrukt dat de financiering van collaboratief onderzoek op energiegebied in het kader van het onderdeel "Maatschappelijke uitdagingen" van Horizon 2020 verder moet worden verhoogd, maar dat energie-innovatie ook in de andere maatschappelijke uitdagingen moet worden geïntegreerd; neemt kennis van het voorstel van de Commissie inzake het intensiveren van marktcreërende innovatie door de oprichting van een Europese Innovatieraad in aanvulling op het starters- en opschalingsinitiatief, hetgeen moet bijdragen tot de bevordering van baanbrekende innovaties die markten kunnen veroveren en nieuwe markten kunnen creëren; is van mening dat de totstandbrenging van marktgebaseerde financieringsinstrumenten (zoals leningen en deelnemingen) niet ten koste mag gaan van subsidieregelingen met behulp waarvan non-profitorganisaties en publieke actoren, waaronder universiteiten, hogescholen en het maatschappelijk middenveld, kunnen deelnemen aan hoogwaardige transnationale Europese projecten;

9.  blijft bezorgd over het grote aantal en de complexiteit van de bestaande financieringsinstrumenten en beklemtoont dat er een grotere samenhang moet komen tussen de verschillende fondsen voor projecten voor schone energie, met inbegrip van de structuurfondsen, en dat de bestaande financieringsinstrumenten op EU‑ en lidstaatniveau overzichtelijker moeten worden gemaakt; roept de Commissie op om de verschillende financieringsinstrumenten over de gehele waardeketen in kaart te brengen en vindt dat moet worden bekeken of het mogelijk is de verschillende instrumenten te bundelen zonder daarbij aan hun complementariteit te raken; is voorts van mening dat sommige lidstaten niet over de capaciteit beschikken om maatregelen ter ondersteuning van energiegerelateerde innovatie te ontwikkelen, met name via nationale financiële steunregelingen, en verzoekt de Commissie in dit verband deze capaciteiten verder te versterken en te zorgen voor een coherent en vereenvoudigd EU‑kader voor financiering in innovatie op het gebied van schone energie;

10.  verzoekt de Commissie de werking van haar energiegerelateerde financieringsinstrumenten en fondsen te evalueren, en met spoed in actie te komen om deze instrumenten te verbeteren als uit deze evaluatie specifieke gevallen van stagnatie, incoherentie of behoefte aan verbetering naar voren komen, en de voormelde instrumenten en fondsen op de nieuwe energiedoelstellingen van de EU af te stemmen;

11.  verzoekt de Commissie, als onderdeel van het industriebeleid van de Unie, een gerichte, technologieneutrale energiedimensie voor de lange termijn voor te stellen op basis van een hoge energie-efficiëntie, verdere liberalisering van de markt en meer transparantie om investeringen in verouderde middelen te helpen voorkomen; benadrukt dat deze dimensie een onderdeel moet vormen van de strategie en het actieplan van de EU voor het industriebeleid; benadrukt de rol die innovatieve processen en technologieën spelen bij het verbeteren van de emissieprestaties van energie-intensieve sectoren; verzoekt de Commissie om van energie- en hulpbronnenefficiëntie een prioriteit te maken bij onderzoek en innovatie, en spoort de lidstaten ertoe aan de inkomsten uit de verhandeling van emissierechten verantwoord te investeren in energie-efficiëntie en duurzame lage-emissietechnologieën; wijst op de oprichting van een innovatiefonds ter ondersteuning van innovatie in koolstofarme technologieën en processen tijdens fase IV van ETS; acht het van cruciaal belang een systeem van open innovatie te bevorderen waarin de industrie en ondernemingen hun kennis op uiteenlopende gebieden bundelen en gezamenlijk hoogwaardige, duurzame oplossingen ontwikkelen; erkent de rol die het forum voor de concurrentiekracht van schone-energiebedrijven speelt bij de introductie van belangrijke vernieuwingen op energiegebied, onder meer in de sector van fotovoltaïsche energie en windenergie, maar mogelijk ook voor onder andere opslagmogelijkheden, het afvangen en opslaan van kooldioxide, en energieproducerende bioprocessen; is verheugd over de inzet en steun van de Commissie voor sectorgestuurde initiatieven om het wereldleiderschap van de EU op het gebied van schone energie en emissiearme technologische oplossingen te bevorderen;

12.  wijst erop dat de fotovoltaïsche industrie centraal moet staan in het Europese industriebeleid om te voldoen aan de eisen van een groeiende mondiale markt in een context waarin fotovoltaïsche cellen en modules vandaag de dag voor het grootste deel buiten de Europese Unie, met name in China worden geproduceerd; benadrukt dat de EU volledig moet worden geïntegreerd in de nieuwe investeringscyclus teneinde haar leidende positie te behouden op het gebied van O&O inzake de productiemiddelen voor zonne‑energie en bepaalde andere aspecten zoals omvormers, grondstoffen, in gebouwen geïntegreerde fotovoltaïsche cellen, bedrijfsexploitatie, onderhoud en balancering van de systeemcapaciteit; benadrukt bovendien dat het van belang is dat de EU haar deskundigheid op het gebied van systeemintegratie in stand houdt, onder meer met betrekking tot kleinschalige fotovoltaïsche oplossingen voor ontwikkelingslanden;

13.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan, waar het de energiesector en andere daarmee verbonden sectoren betreft, meer inspanningen te leveren ter ondersteuning van innovatie in verband met het duurzaam betrekken van grondstoffen, beter productontwerp, recycling, hergebruik en cascadering van bestaande metalen en materialen in het kader van de circulaire economie en energiebesparing;

14.  erkent de verbanden tussen digitalisering, informatietechnologieën en onderzoek en innovatie op het gebied van energie, met name met betrekking tot verbeterde gegevensverzameling, interoperabiliteit en bijbehorende garanties op het gebied van gegevensbeveiliging en privacy; is van mening dat gedeeldgrootboektechnologieën, zoals het blokketensysteem, een rol kunnen spelen bij het verbeteren van de efficiëntie van energiegerelateerde processen en bij het bevorderen van de betrokkenheid van burgers bij de transformatie van het energiesysteem, onder meer middels "peer-to-peer"-handel in energie; verzoekt de Commissie hiertoe dit initiatief aan te moedigen, het regelgevingskader errond te verbeteren en te zorgen voor samenhang tussen de gerelateerde aspecten van de energie-unie, de digitale eengemaakte markt, cyberbeveiligingsstrategieën en het Europees gegevensbeschermingskader, ter versterking van het vermogen van de Unie om het voortouw te nemen bij deze nieuwe ontwikkeling;

15.  dringt er bij de Commissie op aan een speciaal interdepartementaal team op te richten, dat onder andere:

(a)  de planning van een nieuw gemeenschappelijk onderzoeks- en innovatiebeleid mogelijk maakt om de consistentie en samenhang te waarborgen en herhaalde prioriteitswijzigingen te voorkomen;

(b)  identificeert wie de belanghebbenden zijn in de ruimere ecosystemen voor energie-innovatie binnen de EU, op alle niveaus en door alle sectoren heen, met inbegrip van technologieën voor windenergie op zee en andere op hernieuwbare energie gerichte technologieën;

(c)  bestaande fora van belanghebbenden inzake onderzoek en innovatie op het gebied van energie, meer in het bijzonder op het gebied van energie-efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen, in kaart brengt; de vorming van clusters, integratie in internationale waardecreërende netwerken, investeringen en innovatie bevordert; instrumenten aanreikt voor intersectorale, interdisciplinaire en interregionale uitwisseling, onder andere inzake energie-innovatieprojecten, nationale en lokale langetermijnmaatregelen voor energie-innovatie, gemeenschappelijke investeringsmogelijkheden, de aanvaarding van de energietransitie door burgers en initiatieven vanuit de basis;

(d)  overheidsdiensten op alle niveaus aanspoort om plannen voor het aantrekken van nieuw kapitaal te ontwikkelen en stimulansen voor innovatie op het gebied van schone energie te bieden om zo het investeerdersvertrouwen te vergroten en particulier kapitaal te mobiliseren;

(e)  een compendium van beste praktijken, beleids- en financieringsinstrumenten inzake energie, met inbegrip van PPP's, aanbestedingen en belastingvoordelen, uitwisselings- en informatiemechanismen, en communicatie-instrumenten en ‑campagnes samenstelt en operationele richtsnoeren en technische ondersteuning ter bevordering van innovatie en gebruik van schone energie en betrokkenheid van prosumenten opstelt, zodat de EU alle stadia van de innovatiecyclus terdege kan ondersteunen, en uiteindelijk een praktische toolkit kan bieden aan de lidstaten, lokale overheden en belanghebbenden;

(f)  manieren onderzoekt om innovatievriendelijke, gestroomlijnde en flexibele regels, gericht op een groter effect op lange termijn, voor de verordeningen inzake het negende kaderprogramma en de ESI-fondsen op te stellen, met als doel ze beter op elkaar af te stemmen, verkwisting van de middelen van kandidaten te voorkomen en excellentie op het gebied van innovatie in heel Europa te stimuleren;

(g)  een mechanisme inricht ter ondersteuning van een transnationaal ecosysteem voor startende ondernemingen op het gebied van energie, met inbegrip van een Europees systeem van starterscentra, met als doel te waarborgen dat de introductie van energie-innovatie en bedrijfsmodellen op de markt de "vallei des doods" in de innovatiecyclus overleeft;

(h)  synergieën met Horizon 2020 en andere financieringsinitiatieven vergroot om zo de capaciteitsopbouw met betrekking tot onderzoek en innovatie in slecht presterende regio's in de EU te versterken;

(i)  de Europese instellingen adviseert over coherente aanbestedingspraktijken zodat innovatieve energieoplossingen ruimer ingang vinden, en helpt om concrete doelstellingen vast te leggen bij overheidsopdrachten voor innovatieve oplossingen op Europees niveau;

(j)  concrete voorstellen formuleert om een efficiënt eenheidsloket op te richten dat aan innovatoren advies verstrekt over de financiering van energie-innovatie via fondsen en instrumenten die de EU, de lidstaten en de Europese Investeringsbank, dan wel andere mogelijke particuliere bronnen, beschikbaar stellen; de technische ondersteuning verbetert door gegevens over particuliere en openbare financieringsmogelijkheden te bundelen en kandidaten de weg te wijzen naar het meest geschikte financieringsmechanisme, met name op het gebied van energie-efficiëntie, waar kleinschalige projecten per definitie in grotere portefeuilles moeten worden ondergebracht;

(k)  binnen de EU‑wetgeving inzake overheidsopdrachten manieren bedenkt om innovatieve energieoplossingen in de publieke sector te stimuleren;

16.  benadrukt dat openbare aanbestedingen zowel innovatie als meer duurzame groei kunnen stimuleren, zoals onder meer tot uiting komt in de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling; wijst erop dat de keuze van duurzame producten, diensten en overheidsopdrachten van essentieel belang is en toonaangevende of nieuwe markten voor innovatieve producten kan creëren; is verheugd over het initiatief van de Commissie om in het kader van het starters- en opschalingsinitiatief maatregelen inzake EU‑aanbestedingen in te voeren om onder meer de lidstaten aan te moedigen ambitieuze doelen met betrekking tot de aankoop van innovatie vast te stellen; benadrukt bovendien de rol die lokale en regionale overheden kunnen spelen door het goede voorbeeld te geven en door goede praktijken uit te wisselen op fora zoals het Burgemeestersconvenant;

17.  dringt er bij de Commissie op aan meer aandacht te besteden aan het aspect innovatievermogen wanneer de gevolgen voor het concurrentievermogen in effectbeoordelingen worden bekeken en het onderzoeks- en innovatie-instrument bij alle nieuwe voorstellen op het gebied van energiebeleid en de beoordeling van bestaande wetgeving toe te passen, zonder de doeltreffendheid van de wetgeving te ondergraven;

18.  verzoekt de Commissie erop toe te zien dat haar werkzaamheden op het gebied van innovatie enerzijds en standaarden en interoperabiliteit anderzijds volledig op elkaar zijn afgestemd zodat de EU wereldwijd een leidende en maatgevende rol kan spelen met betrekking tot schone-energiesectoren waar het "internet der dingen" integraal deel van uitmaakt; is in dit opzicht bijvoorbeeld verheugd over de ontwikkeling van de nieuwe Europese norm voor slimme apparaten (Saref) die mogelijk op EU‑niveau een nieuwe referentie-ontologie voor energiegerelateerde gegevens zal opleveren op basis waarvan huishoudapparaten informatie kunnen uitwisselen met ieder willekeurig energiebeheersysteem;

19.  wijst erop dat het energie-innovatiebeleid moet stroken met de EU‑verbintenis koolstofputten te behouden en te verbeteren met behoud van de biodiversiteit, met name in bossen, op land en in zee;

20.  moedigt de relevante lidstaten aan gepaste bijdragen te leveren om de EU‑doelstelling van 3 % van het bbp voor O&O te halen; merkt op dat een algemene toename tot 3 % meer dan 100 miljard EUR extra per jaar zou opleveren voor onderzoek en innovatie in Europa; wijst erop dat twee derde van de O&O-financiering van de particuliere sector zou moeten komen;

Financieringszekerheid op lange termijn

21.  herhaalt zijn oproep voor een hogere totaalbegroting van ten minste 120 miljard EUR voor het negende kaderprogramma en dringt er bij de Commissie op aan het aandeel financiering voor duurzame, emissiearme energieprojecten in het kader van het negende kaderprogramma te verhogen met ten minste 50 % bovenop de desbetreffende bedragen in het kader van Horizon 2020, zodat er voldoende financiering beschikbaar is om de energietransitie van de EU en de doeltreffende tenuitvoerlegging van de energie-unie te ondersteunen; dringt met name aan op een verhoging van de financiële middelen in het kader van het negende kaderprogramma teneinde doorbraken en marktcreërende innovatie te stimuleren, in het bijzonder door kmo's en startende bedrijven; benadrukt het belang van sterke excellentiecriteria om van de EU een mondiaal centrum voor innovatie, onderzoek en toonaangevende technologieën te maken, met inbegrip van grensverleggend onderzoek; wijst op de resultaten van de tussentijdse evaluatie van Horizon 2020, waaruit blijkt dat het programma per 1 januari 2017 onderpresteert waar het de uitgaven voor klimaat en duurzaamheid betreft; is verheugd dat de financiering voor de maatschappelijke uitdaging energie in het kader van Horizon 2020 in de begroting voor 2018 is verhoogd, maar blijft uiterst bezorgd over bezuinigingen op energieprojecten in het kader van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, die het strijdig acht met de doelstellingen van de energie-unie;

22.  herhaalt dat het van belang is de kwaliteit van door het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) gefinancierde investeringen te verbeteren en zich met name te richten op stimuli ten behoeve van een betere geografische toewijzing waarbij rekening wordt gehouden met de huidige onevenwichtige geografische dekking van het EFSI en de specifieke behoeften van minder ontwikkelde regio's en overgangsregio's; erkent dat er moet worden samengewerkt met nationale stimuleringsbanken, investeringsplatformen en bevoegde financiële tussenpersonen, eventueel op basis van een aan hen toegewezen EU‑garantie; dringt aan op een aanzienlijk grotere rol en ruimere bevoegdheden voor de Europese investeringsadvieshub, met name door te voorzien in aanwezigheid ter plaatse en een proactieve rol bij de voorbereiding van projecten;

23.  is van mening dat het negende kaderprogramma initiatieven moet ondersteunen zoals "volledig op hernieuwbare vormen van energie gebaseerde steden", waarbij steden en lokale overheden worden betrokken die de hernieuwbare-energiecapaciteit voor elektriciteit, mobiliteit, verwarming en koeling in steden aanzienlijk willen verhogen door middel van innovatieprojecten, waartoe onder meer ook slimme netten, energiesysteembeheer en activiteiten met het oog op de koppeling van sectoren en de aanmoediging van het gebruik van elektrische voertuigen kunnen behoren;

24.  erkent de rol van het SET-plan, de kennis- en innovatiegemeenschap InnoEnergy en de relevante gezamenlijke technologie-initiatieven als motor van de energie-innovatie; beklemtoont dat deze kaders beter moeten aansluiten op onder andere het InnovFin-initiatief, het EFSI en het voorgestelde programma van pan-Europese paraplufondsen voor durfkapitaal als onderdeel van een gecoördineerde, doelgerichte investeringsstrategie voor innovatie op het gebied van schone energie die projecten in een vroeg stadium, start-ups en kmo's effectief moet helpen om de "vallei des doods" door te komen en voldoende marktrijp te worden voor wereldwijde expansie; is van mening dat doeltreffende stimuli voor investeringen in energie-innovatie, door middel van nationale investeringsfondsen en pensioenfondsen, van cruciaal belang kunnen zijn om het noodzakelijke kapitaal te mobiliseren;

25.  wijst erop dat voor het eerst gelanceerde (first-of-a-kind, ofwel FOAK) projecten een bijzonder hoog risico met zich meebrengen en de verstrekking van kapitaal en schuldfinanciering veel lager ligt dan bij de financiering van bewezen koolstofarme technologieën het geval is; roept de Commissie derhalve op de resterende regelgevende obstakels weg te nemen en een SET-FOAK-aandelenfonds op te richten;

26.  erkent de rol die de Europese Innovatieraad kan spelen door in een vroeg stadium verkerende ondernemingen bij te staan bij het aantrekken van financiering en stelt voor dat de Europese Innovatieraad ook een rol speelt bij de coördinatie van de verschillende aspecten van een coherente investeringsstrategie voor innovatie op het gebied van schone energie; vraagt meer informatie over de structuur van de Europese Innovatieraad en de samenhang ervan met bestaande instrumenten ter ondersteuning van innovatie;

27.  is van mening dat door burgers aangestuurde energie-innovatie minder belemmeringen voor markttoegang vergt en onbenutte mogelijkheden voor innovatiefinanciering kan openen; verzoekt de Commissie te onderzoeken hoe energie-innovatie door middel van onder meer crowdfunding doeltreffend kan worden bevorderd, en de mogelijkheid te overwegen om een crowdfundingfonds voor innovatie op energiegebied op te richten; is van mening dat nieuwe en diverse financieringsmethoden een aanvulling moeten vormen op de huidige methoden;

28.  benadrukt dat het belangrijk is slimmenetwerktechnologie te bevorderen, naast de bevordering en integratie van gedecentraliseerde opwekking van onderaf, onder meer door middel van clusters en samenwerkingsregelingen; verzoekt de Commissie deze terreinen van innovatie op het gebied van schone energie te ondersteunen met financiële mechanismen, waaronder mechanismen om de risico's voor particuliere investeringen te beperken en de lasten voor overheidsinvesteringen in de modernisering van energiesystemen te verminderen; is voorts verheugd over het voornemen van de Commissie om meer gebruik te maken van aanmoedigingsprijzen als een waardevol instrument ter bevordering van baanbrekende innovaties van onderaf;

29.  benadrukt dat voor het stimuleren van een bottom‑upbenadering ten aanzien van innovatie de aanvaarding door de markt van kleinschalige toepassingen (zoals NegaWatt, opwekking ter plaatse en lokale opslag) moet worden aangemoedigd, alsook de bundeling en samenvoeging van deze toepassingen, teneinde meer investeringen aan te trekken en de betaalbaarheid te verhogen, met speciale aandacht voor huishoudens met een laag inkomen en gebouwen met meerdere bewoners;

Het wereldleiderschap van de EU

30.  herinnert aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs om de wereldwijde inspanningen ter versnelling van de innovatie op het gebied van schone energie te bevorderen; benadrukt dat er financiering moet blijven gaan naar onderzoek en gegevensverzameling inzake klimaatverandering; verzoekt de Commissie, in overstemming met de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG's), verschillende manieren te onderzoeken waarmee ontwikkelingslanden en opkomende economieën bij hun energietransitie kunnen worden bijgestaan, onder meer via maatregelen voor capaciteitsopbouw, hulp bij het terugdringen van de kapitaalkosten die samengaan met projecten op het gebied van hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, het bevorderen van mogelijke technologieoverdracht en het aanreiken van oplossingen voor de ontwikkeling van slimme steden en leefgemeenschappen in afgelegen en landelijke gebieden, om zo de ecosystemen op het gebied van energie-innovatie in ontwikkelingslanden te versterken en ze te helpen hun verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs na te komen; is in dit verband verheugd over het onlangs opgerichte Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling;

31.  verzoekt de Commissie het potentieel van het Mission Innovation-initiatief ten volle te benutten zodat de leden hun belofte kunnen nakomen om hun jaarlijkse uitgaven aan O&O op het gebied van schone energie tussen 2015 en 2020 te verdubbelen; benadrukt het belang van het streven naar synergieën met andere wereldwijde initiatieven, zoals de Breakthrough Energy Coalition, en mondiale aandelen- en beleggingsfondsen; is in dit opzicht verheugd over de leidende rol van de Unie in de "Converting Sunlight Innovation Challenge" en de "Affordable Heating and Cooling of Buildings Innovation Challenge"; vraagt in dit verband om na te gaan of het mogelijk is de werkzaamheden op het gebied van energie-innovatie op een gecoördineerde manier wereldwijd te verdelen;

32.  verzoekt de Commissie een uitgebreide exportstrategie voor duurzame technologieën op het gebied van schone energie en systemische oplossingen te ontwikkelen, met inbegrip van een specifieke ondersteuningsfaciliteit en doelgerichte bijstand van EU‑delegaties in derde landen; benadrukt in dit verband de rol die diepe en brede vrijhandelsruimten kunnen spelen bij de tenuitvoerlegging van een dergelijke strategie;

33.  vraagt de Commissie en de lidstaten de registratieprocedures voor octrooien grondig te bestuderen en dringt erop aan alle onnodige administratieve lasten weg te nemen die de marktpenetratie van innovatieve producten vertragen en een negatief effect hebben op de rol van de EU als leider op het gebied van de omschakeling naar schone energie;

Door burgers aangestuurde energie-innovatie

34.  is van mening dat er voor een versnelling van de innovatie op het gebied van schone energie bij de Europese burgers een mentaliteitsverandering moet komen die een evolutie inhoudt van zich louter bewust zijn van energiekwesties naar een dieper begrip van de gedragsveranderingen, met name met betrekking tot energiebesparing en nieuwe productie- en consumptiepatronen, die nodig zijn om een antwoord te bieden op de dringende uitdagingen van duurzame groei en de voordelen van de digitale revolutie en innovatie op alle gebieden te benutten, zodat de energietransitie uiteindelijk een succes wordt; merkt op dat innovatie burgers in staat kan stellen een actievere rol op zich te nemen in verband met de opwekking van energie, onder meer door zelfgeproduceerde energie aan het net te leveren, en bij te dragen aan een doeltreffender gebruik van energie door het huishoudelijke verbruik te verminderen en zo de uitstoot en de rekeningen te verlagen;

35.  benadrukt dat de kennisbasis van Europa moet worden versterkt en de versnippering moet worden teruggebracht door excellentie op het vlak van wetenschap en onderwijs te bevorderen teneinde internationaal toonaangevende onderzoekscentra van hoge academische kwaliteit tot stand te brengen; benadrukt dat er een strategie moet worden ontwikkeld op basis waarvan Europa talent uit het buitenland kan aantrekken en tegelijkertijd contacten kan onderhouden met Europees toptalent in het buitenland; is van mening dat gekwalificeerd personeel een groot voordeel is voor Europa en een belangrijke motor voor de ontwikkeling van investeringen in onderzoek, ontwikkeling en innovatie;

36.  erkent het belang van de volledige democratische betrokkenheid van Europese burgers en gemeenschappen als essentieel onderdeel van een succesvolle energietransitie; benadrukt tegelijk dat voor een doeltreffende uitvoering van deze transformatie openheid, transparantie en gelijke voorwaarden nodig zijn en dat ze op eerlijke concurrentie moet berusten;

37.  is van mening dat innovatie op het gebied van schone energie en energie-efficiëntie nieuwe en betere banen kan opleveren; is van mening dat een succesvolle transitie naar een duurzame koolstofarme economie vereist dat de arbeidsmarkten afdoende kunnen voorzien in de nieuwe vraag naar innovatieve schone-energiesystemen;

38.  vraagt de Commissie om in haar O&O-initiatieven meer aandacht te besteden aan het verband tussen innovatie op het gebied van energiesystemen en nieuwe beroepsprofielen, onderwijsbehoeften, banen en opleidingsvereisten;

39.  erkent de behoefte aan systematische voorlichtings- en participatieprogramma's om de maatschappij ten volle te betrekken bij de transformatie van het energiesysteem en Europese burgers van alle leeftijden geleidelijk te doen evolueren van bewustzijn en begrip naar actieve betrokkenheid en verantwoordelijkheidsgevoel; roept de Commissie, de lidstaten, de regionale en lokale overheden en de particuliere sector op om weloverwogen consumentenkeuzes en de betrokkenheid van burgers bij energievraagstukken te stimuleren, onder andere door bewustwordingscampagnes, uitgebreide en toegankelijke informatieverstrekking op energiefacturen en instrumenten voor prijsvergelijking, het aanmoedigen van zelfopwekking, vraagresponsvoorzieningen en coöperatieve deelsystemen, participatieve begrotingen en crowdfunding voor energiegerelateerde investeringen, en belasting- en investeringssteunmaatregelen, en het sturen van technologische oplossingen en innovaties; verzoekt de Commissie, de lidstaten en de bevoegde autoriteiten goede praktijken in kaart te brengen voor de aanpak van huishoudens die onder energiearmoede lijden;

40.  is van mening dat voor regio's en steden een cruciale rol is weggelegd met betrekking tot het optimaliseren van duurzame-energiemodellen; erkent de essentiële rol van regio's en steden bij het bevorderen van betrokkenheid bij de energietransitie en het stimuleren van klimaatactie en energiegerelateerde innovatie op basis van een bottom‑upbenadering; merkt op dat regio's en steden het meest geschikt zijn voor het testen en uitvoeren van geïntegreerde oplossingen met rechtstreekse betrokkenheid van de burgers; benadrukt in dit verband de rol van het Burgemeestersconvenant, dat de wereldwijde uitwisseling van beste praktijken en de bundeling van middelen en investeringen nastreeft; merkt op dat ook plattelandsgebieden ruimte bieden voor innovaties waarmee uitdagingen zoals hun afgelegen ligging, demografische veranderingen en de verlening van nieuwe diensten het hoofd kunnen worden geboden;

41.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan regionale en lokale overheden te helpen gecoördineerde stappen te ondernemen om energie-innovatie op lokaal en transregionaal niveau aan te moedigen met de bedoeling samenhangende strategieën te ontwikkelen; onderstreept dat de energietransitie ingrijpende gevolgen zal hebben voor de werkgelegenheid in sommige regio's van de Europese Unie, en benadrukt in dat verband dat er speciale aandacht moet uitgaan naar regio's die voor de uitdaging staan om energieopwekking met bruinkool, steenkool en andere vaste fossiele brandstoffen geleidelijk af te schaffen, alsook naar de mijnbouw, in reactie op een besluit van een lidstaat, de lokale autoriteiten of de industrie, of in reactie op andere omstandigheden; onderstreept dat deze regio's ondersteund moeten worden bij de ontwikkeling van inclusieve, lokale en rechtvaardige transitiestrategieën en bij het aanpakken van maatschappelijke, sociaal-economische en milieugerelateerde effecten en de uitdagingen die gepaard gaan met de herbestemming van locaties; wijst op de financiële opties voor het verlenen van dergelijke steun door gedeeltelijk gebruik te maken van de ETS-veilingopbrengsten, en door middel van het moderniseringsfonds dat zal worden opgericht voor de periode 2021-2030; is van mening dat de belanghebbenden op inclusieve wijze bij het proces moeten worden betrokken door te onderzoeken op welke manier alternatieve innovatieve ondernemingen, start-ups en industrieën het best kunnen worden aangetrokken met als doel een duurzame regionale economie tot stand te brengen, de menselijke waardigheid te bevorderen en de bestaande elektriciteitsopwekkingscapaciteit te helpen vervangen door hernieuwbare vormen van energie of oplossingen op het gebied van energie-efficiëntie; is van mening dat onderzoeks- en innovatiebeleidsmaatregelen gericht moeten zijn op manieren om de desbetreffende regio's nieuw leven in te blazen met betrekking tot duurzame werkgelegenheid en groeiperspectieven, met name in het geval van het afbouwen van aan mijnbouwactiviteiten gerelateerde energieopwekkingscapaciteit op basis van bruinkool, steenkool of andere vaste fossiele brandstoffen;

42.  verzoekt de Commissie lokale en regionale overheden bij te staan bij het verkrijgen van meer bevoegdheden voor de toepassing van innovatie op het gebied van schone energie, zoals slimme steden, e‑mobiliteit, slimme netten en micronetten, en bij de marktpenetratie van hernieuwbare energie, afhankelijk van de marktrijpheid, en deze overheden de uitdagingen te helpen aangaan waarmee zij te kampen hebben bij het stimuleren van de energietransitie, onder meer waar het de betrokkenheid van de burgers betreft; spoort de uitwisseling van beste praktijken aan, alsook het bundelen van investeringen, het beter beoordelen van de financiële haalbaarheid van projecten, de ontwikkeling van financieringsstrategieën, met inbegrip van businesscases, en het gebruik van openbare aanbestedingen en leningen;

43.  is van mening dat in de vervoerssector een enorm potentieel aanwezig is en dat er voor deze sector derhalve een sleutelrol in de transitie weggelegd moet zijn, en moedigt de Commissie aan bestaande financiering voor de uitrol van de infrastructuur voor elektrische voertuigen te ondersteunen; verzoekt de Commissie verdere initiatieven te blijven ondersteunen en ontwikkelen, zoals het Europabrede elektromobiliteitsinitiatief en de Gemeenschappelijke Onderneming brandstofcellen en waterstof;

44.  spoort de Commissie aan de voordelen van mobiliteit op basis van waterstof te onderkennen, alsook die van de koppeling van de vervoerssector met de elektriciteitssector, en op die gebieden steunmaatregelen in het leven te roepen voor nieuwe bedrijfsmodellen, zoals slim opladen en triggers voor de koppeling van voertuigen en stroomnetten op basis waarvan eigenaren van elektrische voertuigen op een flexibele manier energie aan het elektriciteitssysteem kunnen verkopen; verzoekt de Commissie de financiering te waarborgen van innovatie gericht op de ontwikkeling van oplossingen voor waterstofopslag, geavanceerde oplossingen voor de langetermijnopslag van energie voor elektrische voertuigen, de infrastructuur voor oplaadsystemen voor voertuigen op waterstof en de infrastructuur voor plug‑in-oplossingen, met inbegrip van de oplaadinfrastructuur voor elektrische voertuigen; spoort de lidstaten en lokale overheden aan aanvullende initiatieven te nemen, zoals fiscale prikkels met betrekking tot de marktpenetratie van elektrische en waterstofvoertuigen, belastingverlagingen en ‑vrijstellingen voor eigenaren van elektrische en waterstofvoertuigen, en verschillende andere initiatieven ter bevordering van het gebruik van elektrische voertuigen, zoals prijsverlagingen, bonussen en premies voor kopers van elektrische voertuigen, en het aanleggen van gratis parkeerplaatsen voor elektrische voertuigen;

45.  neemt kennis van de grote inspanningen die in het kader van het Horizon 2020-programma voor onderzoek en ontwikkeling worden verricht met het oog op de doelstelling om de broeikasgasemissies in de vervoerssector tegen 2050 met 60 % te verminderen ten opzichte van hun niveau in 1990(4); herinnert eraan dat de EU‑programma's voor onderzoek en innovatie determinerend zijn voor de marktacceptatie van energie, ICT-innovatie en slimme vervoerssystemen; verzoekt de Commissie om de beschikbare middelen in de toekomst duidelijker in te zetten voor onderling verbonden strategische prioriteiten, zoals emissiearme mobiliteit, infrastructuur voor het opladen met alternatieve brandstoffen en geïntegreerd stedelijk vervoer, met bijzondere aandacht voor alle vervuilende emissies, geluidshinder, verkeersveiligheid, congestie en knelpunten, en in overeenstemming met het beginsel van technologische neutraliteit; wijst tevens op het belang van de ontwikkeling van geavanceerde biobrandstoffen en verhoging van het aandeel van het spoorvervoer en het gebruik van de fiets;

46.  is verheugd dat de Commissie de marktacceptatie van innovatieve oplossingen met schone energie via openbare aanbestedingen en de herziening van de richtlijn ter bevordering van schone voertuigen zal ondersteunen, en erkent de mogelijke voordelen voor openbaarvervoersautoriteiten en ‑exploitanten, busconstructeurs, industriële toeleveranciers, energieleveranciers, nationale en internationale organisaties en onderzoekscentra; verzoekt de Commissie snel met voorstellen in die zin te komen;

47.  is voorstander van het opstellen van een strategische agenda voor onderzoek en innovatie in het vervoer, met stappenplannen die in overleg tussen de lidstaten en de Commissie, maar ook lokale en regionale overheden en exploitanten ontwikkeld zijn, en een bijbehorend beheersmechanisme voor het ondersteunen van de uiterst noodzakelijke werkzaamheden op het gebied van onderzoek, innovatie en toepassing in de vervoerssector van nieuwe technologieën, en voor het bevorderen van emissiearme mobiliteit; vraagt dat de conclusies van deze stappenplannen in het jaarlijkse werkprogramma van de Commissie worden opgenomen;

48.  verzoekt om een geïntegreerde en gecoördineerde aanpak die rekening houdt met de stedelijke dimensie van de EU en met nationaal beleid en nationale wetgeving, alsmede om ontwikkeling van duurzame stedelijke mobiliteitsplannen, teneinde de lidstaten te helpen, in staat te stellen en aan te moedigen om de gezondheid en levenskwaliteit van de burgers en de toestand van het milieu in stedelijke gebieden te verbeteren; moedigt de invoering van coöperatieve intelligente vervoerssystemen (C-ITS) en autonome voertuigen aan, alsmede de toepassing van communicerende infrastructuren om hoge capaciteit en korte latentietijd te waarborgen voor een 5G-netwerk; vraagt dat er actieve stappen worden gezet om het verschil in infrastructuurkwaliteit tussen stedelijke en plattelandsgebieden en tussen meer ontwikkelde gebieden en achterstandsgebieden te verkleinen en de samenwerking te verbeteren;

49.  erkent het belang van de in juni 2017 ondertekende nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling, die een gemeenschappelijke visie en een gemeenschappelijk actiekader voor de EU en haar lidstaten op het gebied van ontwikkelingssamenwerking omvat; wijst erop dat de 17 SDG's en aanverwante doelen die tegen 2030 moeten worden gehaald, voor het eerst universeel van toepassing zijn op alle landen, en dat de EU heeft toegezegd het voortouw te nemen bij de uitvoering ervan; merkt op dat de consensus het ontwikkelingsbeleid van de Unie afstemt op de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en belangrijke maatregelen inzake duurzame energie en klimaatverandering in kaart brengt;

50.  wijst erop dat artikel 8 van de verordening gemeenschappelijke bepalingen (GB-verordening) het volgende bepaalt: "De doelstellingen van de ESI-fondsen worden nagestreefd in overeenstemming met het beginsel van duurzame ontwikkeling", met de doelstelling van de EU om de kwaliteit van het milieu te behouden, beschermen en verbeteren, en met haar beloftes in het kader van de Overeenkomst van Parijs;

51.  wijst erop dat de partnerschapsovereenkomsten en ‑programma's die onder de GB‑verordening vallen, gericht zijn op het bevorderen van een efficiënt gebruik van hulpbronnen en de beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering, en de horizontale beginselen van partnerschap, meerlagig bestuur, non-discriminatie en gelijkheid van vrouwen en mannen;

52.  is van mening dat de synergieën in het EU‑beleid moeten worden versterkt door een uniforme en consistente houding van de EU ten aanzien van antidumpingmaatregelen om ervoor te zorgen dat de productie-industrie ten volle van de energietransitie profiteert;

53.  erkent de vitale rol van regio's en steden om de inspraak in en controle over de energietransitie wereldwijd te bevorderen en innovatie in verband met klimaat en energie van onderaf aan te moedigen; roept derhalve op om dezelfde milieukwaliteitsnormen toe te passen op alle energietechnologieën die op de EU‑markt binnenkomen; maakt zich zorgen over het behoud van stedelijke groengebieden;

o

o    o

54.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de lidstaten.

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0444.

(2)

PB C 36 van 29.1.2016, blz. 62.

(3)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 104.

(4)

Zoals neergelegd in het Witboek van de Commissie van 28 maart 2011 getiteld "Stappenplan voor een interne Europese vervoersruimte – werken aan een concurrerend en zuinig vervoerssysteem" (COM(2011)0144).


TOELICHTING

I. Inleiding

Moderne economieën maken momenteel een ingrijpende transitie door voor wat betreft de manier waarop ze energie produceren, vervoeren, opslaan en gebruiken. Deze transitie steunt op drie elementen. Het meest fundamentele element is de behoefte aan betaalbare, betrouwbare en veilige energie om onze economische groei aan te drijven. Op de lange termijn vereist aanhoudende economische groei echter ook een almaar duurzamer gebruik van de beschikbare bronnen. Ten slotte bieden nieuwe technologieën – waaronder meer recentelijk de door de digitale revolutie aangedreven technologieën – veel nieuwe mogelijkheden om energiesystemen volledig opnieuw op te zetten.

De Europese Unie was tot nu toe wereldleider in deze energietransitie, die voor de EU van cruciaal belang blijft om haar mondiaal comparatief voordeel uit te bouwen. Dit blijkt sinds 2005 uit een aantal strategische documenten, gevolgd door conclusies van de Europese Raad en inspanningen van de Commissie die hebben geleid tot de vaststelling van het Europees klimaat- en energiepakket voor 2020. Met de ruimere sociaal-economische gevolgen van de energietransitie van de EU is ook rekening gehouden in de Europa 2020-strategie, het klimaat- en energiekader 2030 en de energiestrategie 2050 van de Europese Unie. Met het uitgebreide voorstel voor een kaderstrategie voor de energie-unie en de daaropvolgende regelgeving van 2016 en 2017, die momenteel ten uitvoer wordt gelegd of wordt aangenomen, heeft de EU de nodige bouwstenen aangebracht om deze ingrijpende energietransitie in goede banen te leiden.

In dit kader, met een almaar toenemend aantal economieën dat de voordelen van de energietransitie benut en wil benutten, is het vermogen van de EU om de innovatie op het gebied van schone energie te versnellen, van doorslaggevend belang. Het is duidelijk dat de Unie haar industrieel concurrentievermogen op mondiaal niveau, duurzame groei en hoogwaardige banen voor haar burgers probeert veilig te stellen, terwijl ze de overgang maakt naar een heel energie-efficiënte, emissiearme economie en haar globale energiezekerheid en onafhankelijkheid van energie-invoer versterkt.

Er staat een stevig fundament om op door te bouwen. Op de Global Cleantech Innovation Index 2017 staan vijf EU‑lidstaten bij de toptienlanden op het gebied van opkomende schone technologieën. Deze verhouding zet zich in grote lijnen door in alle ranglijsten, met 11 EU‑lidstaten in de top‑20 en 20 EU‑lidstaten in de groep van 40 landen die wereldwijd worden geanalyseerd. Het wereldleiderschap van de EU in hoogwaardige technologieën om de effecten van klimaatverandering terug te dringen blijkt ook uit de door het Europees Octrooibureau gepubliceerde gegevens. Uit de beschikbare statistieken blijkt echter ook dat slechts vijf EU‑lidstaten verantwoordelijk zijn voor zowat 80 % van de gepatenteerde innovaties op dat gebied. Voor wat betreft hernieuwbare energie, is de EU volgens de gegevens van 2016 die het Internationaal Agentschap voor hernieuwbare energie heeft gepubliceerd, verantwoordelijk voor bijna 21 % van het wereldwijde vermogen om hernieuwbare energie te produceren, waarmee zij per hoofd wereldleider is en in absolute termen alleen China moet laten voorgaan. Opkomende economieën in met name Azië zijn de achterstand echter snel aan het inhalen. Nu al hinkt de EU achterop ten opzichte van veel van haar belangrijkste concurrenten en blijft ze onder het wereldwijde gemiddelde qua capaciteit van hernieuwbare energiebronnen. Uit dit alles blijkt duidelijk dat de EU in haar geheel nog over onaangeboorde mogelijkheden beschikt om een grote stap voorwaarts te zetten om haar leiderspositie in innovatie op het gebied van schone energie te verstevigen.

In het volle besef van deze horizontale gevolgen en het veranderende energielandschap is de rapporteur ingenomen met de mededeling van de Europese Commissie inzake "versnelling van de innovatie op het gebied van schone energie", die ze als onderdeel van het pakket "Schone energie voor alle Europeanen" bekend heeft gemaakt. De rapporteur is ervan overtuigd dat de EU, om een grote stap voorwaarts te zetten in het energieonderzoek en de innovaties met succes te kunnen benutten, beleidsmaatregelen en instrumenten nodig heeft die licht zijn en inspelen op het snel veranderende landschap en met name opkomende technologieën, maar tegelijk voldoende voorspelbaarheid en zekerheid op lange termijn bieden om de nodige investeringen aan te trekken. Hij wil graag benadrukken dat een volledig functionerende interne energiemarkt van essentieel belang is om energiegebonden onderzoek en het succesvolle gebruik van innovaties verder te stimuleren.

II. Belangrijkste door de rapporteur vastgestelde punten

II.1. Samenhang van de EU‑maatregelen

De rapporteur erkent dat er een levenscyclusanalyse (LCA) – van de opwekking, het transport, de distributie, de opslag, het gebruik en de recycling of van ander gebruik van residuen – van energiebronnen en ‑technologieën moet worden uitgevoerd bij het bepalen van concrete beleidsmaatregelen en stimuli voor emissiearme oplossingen op EU‑niveau. Omdat de rapporteur de uitgebreide positieve gevolgen van gerichte maatregelen op het gebied van energie-efficiëntie en een duurzaam, technologieneutraal gebruik van alle in de EU beschikbare hulpbronnen – van hernieuwbare energie tot technologieën voor schone steenkool – erkent, is hij van mening dat grotere prioriteit moet worden gegeven aan horizontale, systemische innovatie in energie, over alle sectoren van het energiesysteem heen. Dit is nodig om de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de EU te halen, zoals verankerd in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, en om het recht van de lidstaten te vrijwaren om hun energiemix zelf te kiezen, zoals vastgelegd in artikel 194 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Deze benadering loopt als een rode draad door het verslag.

De rapporteur is van oordeel dat het om energie-innovatie te bevorderen van cruciaal belang is dat de globale samenhang van het beleidsoverschrijdende regelgevingskader wordt gewaarborgd. Dit vereist een stabiele beleidsvisie op lange termijn die de verschillende delen ervan – met inbegrip van de structuurfondsen – en de particuliere regelingen samenbrengt. Betere financiële consultancy en adviesdiensten voor innovators zijn eveneens van cruciaal belang. De rapporteur is er voorts van overtuigd dat de nationale en EU‑programma's effectief op elkaar moeten worden afgestemd om dubbel werk te voorkomen en een zo efficiënt mogelijk gebruik van de bestaande onderzoeksinfrastructuur en ‑middelen te waarborgen.

II.2. Financieringszekerheid op lange termijn

De rapporteur erkent dat het volgende kaderprogramma (2021-2027) een cruciale rol zal spelen in het versnellen van de innovatie op het gebied van technologieneutrale, schone energie. In deze context herhaalt hij de oproep van het Parlement voor een hogere totaalbegroting voor het negende kaderprogramma van 120 miljard EUR en stelt hij voorts voor om het deel voor energiegebonden financiering met 50 % te verhogen in vergelijking met Horizon 2020. Hierdoor zouden de investeringen van de EU in energieonderzoek en ‑innovatie binnen het kaderprogramma in feite meer dan verdubbelen. Dit voorstel moet worden aangevuld met een grotere onderlinge afstemming en vermenging van de bestaande investeringsinstrumenten van de EU en met particulier aandelenkapitaal, waarbij directe betrokkenheid van de burgers moet worden bekeken.

II.3. Het wereldwijde leiderschap van de EU

Inspanningen coördineren met mondiale partners, via Mission Innovation en de diverse coalities en initiatieven die in de schoot van de Overeenkomst van Parijs zijn ontstaan, is belangrijk om het leiderschap van de EU in energie-innovatie wereldwijd te versterken. De rapporteur is ervan overtuigd dat de investeringen in energie-innovatie sterk moeten stijgen en dat daarbij moet worden bekeken of het werk kan worden verdeeld over meerdere, op dit gebied toonaangevende landen, en de uitvoer van schone-energietechnologieën van de EU moet worden bevorderd.

II.4. Burgergedreven energie-innovatie

De rapporteur staat volledig achter het standpunt dat burgers een centrale rol moeten spelen in de energietransformatie en als motor van innovatie. Aangezien energiesystemen meer verspreid raken en meer op prosumenten gericht zijn, wordt het energielandschap in het algemeen democratischer. Dit geldt niet alleen voor productie en verbruik, maar ook voor nieuwe diensten en oplossingen en bij het ontwerpen en gebruiken van innovaties op energiegebied. De rapporteur is van mening dat de inspanningen van de EU om de innovatie op het gebied van schone energie te versnellen, alleen vruchten zullen afwerpen als ze ten volle beseft welke mentaliteitsverandering de Europese burgers moeten doormaken. Het is niet langer een kwestie van een beter besef en begrip van beleidsmaatregelen en processen. Nu informatietechnologieën en digitalisering de decentralisatie van de systemen bevorderen en steeds weer nieuwe wegen openen om de betrokkenheid van de burger te vergroten, zullen Europeanen van alle leeftijden geleidelijk actiever de energie-innovatie helpen sturen. Zoals alle maatschappelijke processen zal ook dit een proces van lange adem zijn en moet het goed worden aangepakt met behulp van systematische voorlichtings- en participatieprogramma's. De KIG InnoEnergy binnen het Europees Instituut voor innovatie en technologie heeft al werk verricht op het gebied van de maatschappelijke toe-eigening van energie en de rapporteur is er absoluut van overtuigd dat dit proces de komende jaren aan belang zal winnen en dus moet worden omarmd en ten volle ondersteund.

Het energiesysteem vormt de bloedtoevoer voor de het merendeel van de menselijke activiteit. De transformatie ervan beïnvloedt veel meer dan alleen de economie. Het unieke potentieel van de EU benutten om in alle energiesectoren te innoveren, en misschien met name in systemische oplossingen, biedt de beste kans om de uitdagingen van de ingrijpende energietransformatie om te zetten in een springplank voor zekere en duurzame groei, in industrieel wereldleiderschap voor de EU en in een belangrijke bouwsteen voor een toekomstige geëngageerde en kennisgebaseerde samenleving. Dit kan, met de doelstellingen van de energietransitie van de EU, Europa's diepgaandere bijdrage zijn aan de toekomst waarin we de volgende generaties Europeanen graag willen zien opgroeien.


ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (25.10.2017)

aan de Commissie industrie, onderzoek en energie

inzake versnelling van de innovatie op het gebied van schone energie

(2017/2084(INI))

Rapporteur voor advies: Stefan Eck

SUGGESTIES

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de bevoegde Commissie industrie, onderzoek en energie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  erkent dat de Europese Unie een van de wereldleiders en grootste openbare investeerders op het gebied van schone energie is; is van mening dat onderzoek en innovatie, met ruim 10 miljard EUR aan financiering op dit gebied, essentieel zijn voor het mondiale concurrentievermogen en de leidende positie van Europa op het gebied van geavanceerde energietechnologie en energie-efficiënte oplossingen;

2.  is van oordeel dat de overgang naar het gebruik van innovatieve, koolstofarme alternatieven, die een wezenlijk effect hebben op het verbruik van groene energie, met name via burgers (als consumenten, producenten en aanbieders) kan worden bereikt; vraagt de Commissie en de lidstaten daarom meer te doen om deze alternatieven toegankelijker te maken voor burgers, ook op binnenlands en met name op gemeenschapsniveau; steunt in dit verband het voornemen van de Commissie om ervoor te zorgen dat het gebouwenbestand van de EU, dat op zich al goed is voor meer dan 40 % van de eindvraag naar energie in de Unie, tegen 2050 koolstofvrij is; is bezorgd over de instrumenten en financiële steun die volgens de mededeling van de Commissie nodig zijn om deze grote uitdaging aan te gaan;

3.  is verheugd dat de Commissie opnieuw haar ambitie heeft bevestigd om vaart te zetten achter de overgang naar een concurrerende koolstofarme economie door een alomvattende strategie inzake stimuleringsmaatregelen voor particuliere investeringen, gerichte financiële instrumenten en financiering voor onderzoek en innovatie voor te stellen; is in dit verband ingenomen met het besluit van de Commissie om ruim 2 miljard EUR van de totale middelen voor het werkprogramma 2018-2020 van Horizon 2020 te besteden aan onderzoek en innovatie op het gebied van schone energie, elektromobiliteit, het koolstofarm maken van gebouwen en de integratie van hernieuwbare energiebronnen;

4.  wijst erop dat onderzoek en innovatie ertoe bijdragen om van Europa een betere woon- en werkplek te maken, het concurrentievermogen stimuleren en groei en werkgelegenheid in de hand werken; stelt vast dat maatregelen om de innovatie op het gebied van schone energie te bespoedigen, sterk moeten worden aangemoedigd door openbare en particuliere investeringen en het concurrentievermogen van de EU‑industrie te bevorderen en tegelijk de maatschappelijke gevolgen van de overschakeling op schone energie te verzachten;

5.  benadrukt het belang van beleid op het gebied van klimaat en schone energie voor innovatie in de reële economie; herinnert eraan dat de EU dankzij bindende normen en doelstellingen haar leidende positie op het gebied van eco‑innovatie heeft weten te behouden, maar vreest dat de EU haar leidende positie op het gebied van nieuwe technologieën en conceptuele innovatie al aan het verliezen is als zij haar ambities met betrekking tot het huidige beleid op het gebied van klimaat en schone energie niet versterkt;

6.  merkt op dat meer financiering voor onderzoek leidt tot kostenbesparingen en een verbetering van het concurrentievermogen van de Europese energieopslagsector; spoort de lidstaten aan om hun middelen te bundelen voor de uitvoering van grootschalige projecten met betrekking tot innovatie op het gebied van koolstofarme oplossingen ter verbetering van de samenwerking tussen de belangrijkste Europese belanghebbenden in de onderzoekswereld; is van mening dat dit het coördinatieproces voor deze belanghebbenden versnelt, wat bevorderlijk is voor hun concurrentievermogen;

7.  benadrukt het potentieel van CO2-afvang en ‑opslag als doeltreffende, innovatieve oplossing voor het verminderen van de emissies die worden veroorzaakt door het gebruik van fossiele energie in industriële processen;

8.  herinnert eraan dat de kwaliteit van de regelgeving en de integriteit van de publieke sector twee facetten van openbaar bestuur zijn die van wezenlijk belang zijn voor investeringen in innovatie en infrastructuur op het gebied van schone energie; pleit ervoor dat de verschillende financieringsinstrumenten voor het realiseren van innovatieve oplossingen op het gebied van schone energie beter worden benut, door zowel publieke als particuliere organisaties; neemt kennis van de hiaten in de particuliere financiering van innovatieve technologieën en pleit ervoor dat er beter gebruik wordt gemaakt van openbare middelen met het oog op de verbetering van inkomende particuliere investeringen;

9.  benadrukt het belang van de stedelijke agenda van de EU en is ingenomen met de politieke ontwikkelingen waardoor gemeentelijke en regionale autoriteiten groene investeringen kunnen doen, wat de samenwerking op dit vlak vergemakkelijkt; onderstreept het belang van het Wereldwijde Burgemeestersconvenant voor klimaat en energie, aangezien de betrokkenheid van gemeentelijke en regionale autoriteiten bij de overgang naar een koolstofarme economie onontbeerlijk is;

10.  merkt op dat onze zeeën en oceanen een enorme hernieuwbare energiebron vormen, met name langs de Atlantische kust, en ook belangrijke bronnen van schone energie kunnen worden; merkt op dat mariene hernieuwbare energiebronnen, met name zeewind en de oceaan zelf, de EU kansen bieden om economische groei en werkgelegenheid te creëren, haar energievoorzieningszekerheid te vergroten en het concurrentievermogen te stimuleren door middel van technologische innovatie;

11.  benadrukt dat openbare diensten voor watervoorziening en afvalwaterbehandeling energie-intensief zijn en via onbehandeld afvalwater bijdragen tot broeikasgasemissies; merkt op dat er, met name gezien het cruciale belang van de samenhang tussen energie en water, coherent beleid inzake de circulaire economie moet worden bevorderd door middel van een efficiënter watergebruik, vermindering van het energieverbruik, de beschikbaarstelling van materialen met marktwaarde, de invoering van nieuwe automatiseringssystemen en efficiënte en toegankelijke gegevenssystemen, en de bevordering van innovatie en nieuwe technologieën;

12.  benadrukt hoe belangrijk het is ervoor te zorgen dat de toekomstige overgang naar een koolstofarme economie in Europa in het belang is van iedereen en in de eerste plaats gericht is op de behoeften van consumenten, kmo's en openbare diensten; pleit voor openbare aanbestedingen voor innovatieve koolstofarme oplossingen;

13.  beveelt aan om meer inspanningen te leveren voor investeringen in onderzoek en innovatie, in onderwijs op het gebied van technologie en gezondheid voor leerlingen en studenten, en in samenwerking binnen de kennisdriehoek (onderwijs, wetenschap en bedrijfsleven), onder meer met betrekking tot hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiëntie en het effect daarvan op het milieu en de volksgezondheid;

14.  is van mening dat het Europese water- en energiebeleid aan elkaar moet worden gekoppeld, door synergieën en nauwere integratie tussen de watersector en andere industriële sectoren aan te moedigen, innovatieve financieringsmodellen te bevorderen en meer hernieuwbare energie in plaats van fossiele brandstoffen voor de stedelijke watercyclus te gebruiken, zonder de betrouwbaarheid en doeltreffendheid ervan in het gedrang te brengen;

15.  beklemtoont dat de lasten van de milieuschade, de luchtvervuiling en de gezondheidskosten die de verbranding van fossiele brandstoffen tot gevolg heeft, door alle belanghebbenden moeten worden gedragen; is van oordeel dat de subsidiëring van fossiele brandstoffen innovaties op het gebied van schone energie aanzienlijk in de weg staat en dringt erop aan deze middelen in plaats daarvan in te zetten voor de financiering van innovaties op het gebied van schone energie en de toepassing ervan; roept de Commissie en de lidstaten op om gezamenlijk een stappenplan te ontwikkelen voor de geleidelijke afschaffing van de subsidies voor fossiele brandstoffen tegen 2020 en de vervanging daarvan door passende subsidies voor binnenlandse en communautaire projecten voor schone energie, met strikte tijdschema's en landspecifieke, meetbare resultaten;

16.  neemt nota van het pakket "schone energie" dat de Commissie op 30 november 2016 heeft gepresenteerd, waarmee een regelgevingskader voor hernieuwbare energie en de interne energiemarkt wordt ingevoerd om de voorzieningszekerheid en de energie-efficiëntie in de EU voor de periode na 2020 te waarborgen; betreurt echter dat de subsidiëring van fossiele brandstoffen en kernenergie in dit pakket onaangeroerd blijft en dat er geen regels worden ingevoerd om de door deze activiteiten veroorzaakte externe kosten mee te rekenen;

17.  benadrukt het belang van energiebesparing en energie-efficiëntie in de context van innovatie op het gebied van schone energie; onderstreept dat er zowel bij de productie als bij het gebruik van brandstoffen en energie rekening moet worden gehouden met energie-efficiëntie;

18.  herinnert aan de toezegging die de partijen in het kader van de Overeenkomst van Parijs hebben gedaan om bossen die als koolstofputten worden gebruikt, te behouden en te verbeteren, en wijst op het beperkte potentieel van bio-energie, aangezien het gebruik ervan negatieve effecten kan hebben op het klimaat, ecosysteemdiensten en het milieu;

19.  erkent het belang van de in juni 2017 ondertekende nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling, die een gemeenschappelijke visie en een gemeenschappelijk actiekader voor de EU en haar lidstaten op het gebied van ontwikkelingssamenwerking omvat; wijst erop dat de 17 duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) en aanverwante doelen die tegen 2030 moeten worden gehaald, voor het eerst universeel van toepassing zijn op alle landen, en dat de EU heeft toegezegd het voortouw te nemen bij de uitvoering ervan; merkt op dat de consensus het ontwikkelingsbeleid van de Unie afstemt op de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en belangrijke maatregelen inzake duurzame energie en klimaatverandering in kaart brengt;

20.  erkent het belang van mestverwerking, biovergisting en nutriëntenverwaarding voor de agro-economie en de energie-transitie in de Unie en de lidstaten, onder meer door de productie van groen gas, groene elektriciteit, warmte en de bijbehorende energiebesparing, lucht- en bodemkwaliteitsverbetering en emissiereductie;

21.  wijst erop dat in 2012 ongeveer 54 miljoen EU‑burgers (10,8 % van de EU‑bevolking) met energiearmoede te kampen hadden en hun woning niet voldoende konden verwarmen; vraagt de Commissie een krachtdadig beleid te voeren op het vlak van energie-efficiëntie in gebouwen – die het grootste gedeelte (40 %) van het energieverbruik in de EU uitmaken – door kosteneffectieve renovatie te steunen, met het oog op de langetermijndoelstelling om het gebouwenbestand in de EU, dat momenteel qua energie‑efficiëntie nog veel te wensen overlaat, koolstofvrij te maken.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

12.10.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

55

1

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marco Affronte, Pilar Ayuso, Zoltán Balczó, Catherine Bearder, Ivo Belet, Biljana Borzan, Lynn Boylan, Paul Brannen, Soledad Cabezón Ruiz, Nessa Childers, Birgit Collin-Langen, Miriam Dalli, Seb Dance, Mark Demesmaeker, Stefan Eck, José Inácio Faria, Karl-Heinz Florenz, Francesc Gambús, Elisabetta Gardini, Gerben-Jan Gerbrandy, Arne Gericke, Jens Gieseke, Julie Girling, Sylvie Goddyn, Françoise Grossetête, Andrzej Grzyb, Jytte Guteland, Jean-François Jalkh, Benedek Jávor, Karin Kadenbach, Kateřina Konečná, Urszula Krupa, Jo Leinen, Peter Liese, Norbert Lins, Rupert Matthews, Valentinas Mazuronis, Susanne Melior, Gilles Pargneaux, Piernicola Pedicini, Julia Reid, Daciana Octavia Sârbu, Annie Schreijer-Pierik, Renate Sommer, Ivica Tolić, Nils Torvalds, Adina-Ioana Vălean, Damiano Zoffoli

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Herbert Dorfmann, Luke Ming Flanagan, Elena Gentile, Merja Kyllönen, Ulrike Müller, Christel Schaldemose, Bart Staes, Keith Taylor

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

John Howarth, Răzvan Popa, Sven Schulze

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

55

+

ALDE

Catherine Bearder, Gerben-Jan Gerbrandy, Valentinas Mazuronis, Ulrike Müller, Nils Torvalds

ECR

Mark Demesmaeker, Arne Gericke, Julie Girling, Urszula Krupa, Rupert Matthews

EFDD

Piernicola Pedicini

GUE/NGL

Lynn Boylan, Stefan Eck, Luke Ming Flanagan, Kateřina Konečná, Merja Kyllönen

PPE

Pilar Ayuso, Ivo Belet, Birgit Collin-Langen, Herbert Dorfmann, José Inácio Faria, Karl-Heinz Florenz, Francesc Gambús, Elisabetta Gardini, Jens Gieseke, Françoise Grossetête, Andrzej Grzyb, Peter Liese, Norbert Lins, Annie Schreijer-Pierik, Sven Schulze, Renate Sommer, Ivica Tolić, Adina-Ioana Vălean

S&D

Biljana Borzan, Paul Brannen, Soledad Cabezón Ruiz, Nessa Childers, Miriam Dalli, Seb Dance, Elena Gentile, Jytte Guteland, John Howarth, Karin Kadenbach, Jo Leinen, Susanne Melior, Gilles Pargneaux, Răzvan Popa, Christel Schaldemose, Daciana Octavia Sârbu, Damiano Zoffoli

Verts/ALE

Marco Affronte, Benedek Jávor, Bart Staes, Keith Taylor

1

-

EFDD

Julia Reid

3

0

ENF

Sylvie Goddyn, Jean-François Jalkh

NI

Zoltán Balczó

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie vervoer en toerisme (24.11.2017)

aan de Commissie industrie, onderzoek en energie

inzake versnelling van de innovatie op het gebied van schone energie

(2017/2084(INI))

Rapporteur voor advies: Isabella De Monte

SUGGESTIES

De Commissie vervoer en toerisme verzoekt de bevoegde Commissie industrie, onderzoek en energie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat de vervoerssector verantwoordelijk is voor een derde van het totale energieverbruik van de EU, een enorm potentieel voor energie-efficiëntie en de vermindering van CO2-emissies heeft en daarom een vitale rol moet spelen bij de overgang naar nieuwe energie-oplossingen en een koolstofarme samenleving; overwegende dat daartoe geavanceerde innoverende oplossingen voor opslag en infrastructuur nodig zijn die baseren op alternatieve energiebronnen, alsmede digitale innovatie, ter ondersteuning van toerismebedrijven en slimme mobiliteitsdiensten, met name kmo's, startende ondernemers en nieuwe bedrijfsmodellen in de vervoerssector;

B.  overwegende dat voor de vervoerssector een essentiële rol is weggelegd bij de uitvoering van de klimaatakkoorden van Parijs en het daarin gestelde doel om de wereldwijde temperatuurstijging te beperken tot ruim onder de 2°C; overwegende dat de decarbonisering van de vervoerssector is aangewezen op een ruimere toepassing van hernieuwbare energiebronnen en dat er bijgevolg nood is aan nauwe verbanden tussen energie en vervoer alsmede doeltreffende integratie tussen het Europese bedrijfsleven en het wetenschappelijk onderzoek om sectorale integratie te kunnen verwezenlijken met volledige eerbiediging van het beginsel van technologische neutraliteit;

C.  overwegende dat de intensievere bevordering en ondersteuning van energie-efficiëntie, hernieuwbare-energietechnologieën en elektrische mobiliteit, samen met digitalisering, intelligente vervoerssystemen en intelligente infrastructuur die energieopwekking optimaliseert, de overgang naar een concurrerende, koolstofarme economie die werkgelegenheid, groei en investeringen ondersteunt, zal versnellen en de Europese economieën een impuls zal geven;

1.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie(1) en de daarin voorgestelde acties, waaronder het voornemen van de Commissie en de Europese Investeringsbank om een faciliteit voor schoner vervoer op te richten, zoals de bestaande Green Shipping Facility, ter ondersteuning van de toepassing en ontwikkeling van oplossingen voor nieuwe oplossingen voor alternatieve energie op vervoersgebied alsmede van innovatie op dit terrein; is ook ingenomen met de rol van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) bij het aantrekken van private investeringen op dit gebied; onderstreept dat publiek-private partnerschappen en gemeenschappelijke ondernemingen op het gebied van onderzoek, ontwikkeling en innovatie (zoals het Gezamenlijke technologie-initiatief op het gebied van brandstofcellen en waterstof) de risicofactor kunnen verkleinen en aldus de juiste stimulansen en voorwaarden tot stand kunnen brengen om investeerders in schone energie aan te trekken;

2.  dringt er bij de Commissie op aan de infrastructuurbehoeften voor het gebruik van alternatieve brandstoffen in kaart te brengen om alle specifieke energie-uitdagingen voor de verschillende vervoerssectoren aan te pakken, met inbegrip van spoorvervoer, lichte en zware bedrijfsvoertuigen, luchtvervoer, zee- en binnenvaart;

3.  is er vast van overtuigd dat de beleidsmakers, om de doelstellingen van de EU inzake het gebruik van hernieuwbare energie te bereiken, het investeringsklimaat dringend moeten versterken, niet alleen wat investeringsbeleid, maar ook wat mededingings-, handels- en financiëlemarktbeleid betreft; herinnert eraan dat het investeringsklimaat een van de belangrijkste remmen op investeringen en innovatie in hernieuwbare energie vormt en dat het ruimere investeringsklimaat investeringen en innovatie in hernieuwbare energie niet mag tegenwerken;

4.  benadrukt het belang van het ondersteunen en stimuleren van de meest veelbelovende innovaties en geavanceerde technologieën in Europa in het kader van een gebruikersgerichte, technologieneutrale en interdisciplinaire bottom-upbenadering, op het snijvlak van energie, de vervoerssector en digitale technologieën, met name de technologieën die over de hele levenscyclus genomen een aanzienlijke daling van de broeikasgasemissies opleveren (waaronder waterstof en elektrische voertuigen); is daarom verheugd met de rol van de Europese Onderzoeksraad op het gebied van fundamenteel onderzoek en met het initiatief van de Commissie om een ​​Europese Innovatieraad op te zetten; is van mening dat synergieën tussen de trans-Europese netwerken voor vervoer, telecommunicatie en hernieuwbare energie in het toekomstig meerjarig financieel kader (MFK) sterker moeten worden ondersteund;

5.  neemt kennis van de grote inspanningen die in het kader van het Horizon 2020 programma voor onderzoek en ontwikkeling worden verricht met het oog op de doelstelling om de broeikasgasemissies in de vervoerssector tegen 2050 met 60 % te verminderen ten opzichte van hun niveau in 1990(2); herinnert eraan dat de EU‑programma’s voor onderzoek en innovatie die door deze programma's worden ondersteund, determinerend zijn voor de marktacceptatie van energie, ICT-innovatie en slimme vervoerssystemen; verzoekt de Commissie om de beschikbare middelen in de toekomst duidelijker in te zetten voor onderling verbonden strategische prioriteiten, zoals emissiearme mobiliteit, infrastructuur voor het opladen met alternatieve brandstoffen en geïntegreerd stedelijk vervoer, met bijzondere aandacht voor alle vervuilende emissies, geluidshinder, verkeersveiligheid, congestie en knelpunten, en in overeenstemming met het beginsel van technologische neutraliteit; wijst tevens op het belang van de ontwikkeling van geavanceerde biobrandstoffen en verhoging van het aandeel van het spoorvervoer en het gebruik van de fiets;

6.  is verheugd dat de Commissie de marktacceptatie van innovatieve oplossingen met schone energie via openbare aanbestedingen en de herziening van de richtlijn ter bevordering van schone voertuigen zal ondersteunen en erkent de mogelijke voordelen voor openbaarvervoersautoriteiten en ‑exploitanten, busconstructeurs, industriële toeleveranciers, energieleveranciers, nationale en internationale organisaties en onderzoekscentra; verzoekt de Commissie snel met voorstellen in die zin te komen;

7.  is voorstander van het opstellen van een strategische agenda voor onderzoek en innovatie in het vervoer, met stappenplannen die in overleg tussen de lidstaten en de Commissie, maar ook lokale en regionale overheden en exploitanten ontwikkeld zijn en een bijbehorend beheersmechanisme voor het ondersteunen van de uiterst noodzakelijke werkzaamheden op het gebied van onderzoek, innovatie en toepassing in de vervoerssector van nieuwe technologieën, en voor het bevorderen van emissiearme mobiliteit; vraagt dat de conclusies van deze stappenplannen in het jaarlijkse werkprogramma van de Commissie worden opgenomen;

8.  onderstreept de noodzaak om beste praktijken en de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten over slimme, duurzame en inclusieve stedelijke projecten te delen en uit te breiden; benadrukt tevens de voordelen van strengere CO2‑normen na 2020‑2021 in overeenstemming met de decarboniseringsdoelstellingen van de EU als motor voor innovatie en efficiëntie; verzoekt om een geïntegreerde en gecoördineerde aanpak die rekening houdt met de stedelijke dimensie van de EU en met nationaal beleid en nationale wetgeving, alsmede om ontwikkeling van duurzame stedelijke mobiliteitsplannen, teneinde de lidstaten te helpen, in staat te stellen en aan te moedigen om de gezondheid en levenskwaliteit van de burgers en de toestand van het milieu in stedelijke gebieden te verbeteren; moedigt de invoering van coöperatieve intelligente vervoerssystemen (C‑ITS) en autonome voertuigen aan, alsmede de toepassing van communicerende infrastructuren om hoge capaciteit en korte latentietijd te waarborgen voor een 5G‑netwerk; vraagt dat er actieve stappen worden gezet om het verschil in infrastructuurkwaliteit tussen stedelijke en plattelandsgebieden en tussen meer ontwikkelde gebieden en achterstandsgebieden te verkleinen en de samenwerking te verbeteren;

9.  merkt op dat de vervoerssector verantwoordelijk is voor nagenoeg een kwart van de broeikasgasemissies in de EU en de grootste bron van luchtvervuiling is in steden; wijst erop dat bussen een belangrijk onderdeel van elk openbaarvervoerssysteem vormen, dat zij in veel steden in de EU de enige vorm van openbaar vervoer zijn en dat de elektrificatie van bussen, samen met de vele andere duurzame alternatieve brandstofoplossingen, een veelbelovende manier is om de koolstofvoetafdruk van de openbaarvervoerssector in de EU te verkleinen;

10.  wijst erop dat als we schoon vervoer willen, we ook schone energie moeten kunnen produceren; is van mening dat elektrische voertuigen die op in kolengestookte centrales geproduceerde elektriciteit rijden, eenvoudigweg niet in het concept van een koolstofvrije economie passen;

11.  beklemtoont dat alle investeringen in onderzoek naar en ontwikkeling van toekomstige technologieën die voor een schone en koolstofvrije mobiliteit noodzakelijk zijn, gepaard moeten gaan met de basisvoorwaarde dat er andere energiebronnen worden gebruikt;

12.  steunt de overkoepelende doelstellingen die de Commissie heeft bepaald, met name de noodzaak om prioriteit toe te kennen aan energie-efficiëntie, waaronder één intelligent EU‑elektriciteitsnet, meer financiële steun te verlenen aan met name kmo’s en de toerismesector, en beleid op het gebied van schone energie alsmede belastingregelingen vast te stellen om de transitie naar emissiearme alternatieve energiebronnen te versnellen; spoort de lidstaten aan toe te treden tot het Mission Innovation-initiatief en hun uitgaven voor onderzoek naar schone energie de komende jaren te verhogen; spoort de Commissie aan eveneens te investeren in gerichte communicatiecampagnes om kennis te verspreiden over de productiecyclus van energie, de uitdagingen voor onderzoekers op dit gebied en de risico's verbonden aan een niet‑duurzaam verbruiksmodel;

13.  merkt op dat, op vervoersgebied, elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen en andere alternatieve en duurzame energiebronnen onmiskenbaar veelbelovende alternatieven voor fossiele brandstoffen zijn; benadrukt evenwel dat er nog veel investeringen nodig zijn om de nodige infrastructuur te ontwikkelen; wijst erop dat moet worden erkend dat de overschakeling of zelfs transitie naar schonere, alternatieve energiebronnen voor sommige sectoren moeilijker is dan voor andere; beklemtoont de noodzaak van intensiever onderzoek naar innoverende systemen voor duurzame energie voor vervoer, bijvoorbeeld het gebruik van zonne- en windenergie voor schepen en het koppelen van hernieuwbare energiebronnen aan elektrische spoornetwerken, evenals – ook al zal de luchtvaart in de nabije toekomst waarschijnlijk afhankelijk blijven van vloeibare koolwaterstoffen als brandstof – onderzoek naar oplossingen voor de hele waardeketen in de luchtvaart die de milieu‑impact van productie en innovatie kunnen helpen verminderen.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

23.11.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

33

2

5

Bij de eindstemming aanwezige leden

Lucy Anderson, Marie-Christine Arnautu, Georges Bach, Deirdre Clune, Michael Cramer, Luis de Grandes Pascual, Andor Deli, Isabella De Monte, Ismail Ertug, Jacqueline Foster, Dieter-Lebrecht Koch, Merja Kyllönen, Miltiadis Kyrkos, Bogusław Liberadzki, Peter Lundgren, Marian-Jean Marinescu, Gesine Meissner, Cláudia Monteiro de Aguiar, Renaud Muselier, Markus Pieper, Salvatore Domenico Pogliese, Gabriele Preuß, Christine Revault d’Allonnes Bonnefoy, Dominique Riquet, Massimiliano Salini, Jill Seymour, Pavel Telička, Wim van de Camp, Janusz Zemke, Roberts Zīle, Kosma Złotowski, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Jakop Dalunde, Mark Demesmaeker, Jill Evans, Maria Grapini, Peter Kouroumbashev, Jozo Radoš, Olga Sehnalová

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Juan Fernando López Aguilar

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

33

+

ALDE

GUE/NGL

PPE

 

 

S&D

 

 

Verts/ALE

Gesine Meissner, Jozo Radoš, Dominique Riquet, Pavel Telička

Merja Kyllönen

Georges Bach, Deirdre Clune, Andor Deli, Dieter-Lebrecht Koch, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska, Marian-Jean Marinescu, Cláudia Monteiro de Aguiar, Renaud Muselier, Markus Pieper, Salvatore Domenico Pogliese, Massimiliano Salini, Luis de Grandes Pascual, Wim van de Camp,

Lucy Anderson, Isabella De Monte, Ismail Ertug, Maria Grapini, Peter Kouroumbashev, Miltiadis Kyrkos, Bogusław Liberadzki, Juan Fernando López Aguilar, Gabriele Preuß, Christine Revault d’Allonnes Bonnefoy, Olga Sehnalová, Janusz Zemke

Michael Cramer, Jakop Dalunde, Jill Evans

2

-

EFDD

Peter Lundgren, Jill Seymour

5

0

ECR

ENF

Mark Demesmaeker, Jacqueline Foster, Roberts Zīle, Kosma Złotowski

Marie-Christine Arnautu

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

  COM(2016)0763.

(2)

  Zoals neergelegd in het Witboek van de Commissie getiteld "Stappenplan voor een interne Europese vervoersruimte – werken aan een concurrerend en zuinig vervoerssysteem" (COM(2011)0144).


ADVIES van de Commissie regionale ontwikkeling (8.12.2017)

aan de Commissie industrie, onderzoek en energie

inzake versnelling van de innovatie op het gebied van schone energie

(2017/2084(INI))

Rapporteur voor advies: Monika Smolková

SUGGESTIES

De Commissie regionale ontwikkeling verzoekt de bevoegde Commissie industrie, onderzoek en energie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  wijst erop dat artikel 8 van de verordening gemeenschappelijke bepalingen (GB‑verordening) het volgende bepaalt: "De doelstellingen van de ESI-fondsen worden nagestreefd in overeenstemming met het beginsel van duurzame ontwikkeling", met de doelstelling van de EU om de kwaliteit van het milieu te behouden, beschermen en verbeteren, en met haar beloftes in het kader van de Overeenkomst van Parijs; benadrukt in dat verband de noodzaak van een grotere coherentie tussen het sectorale en het financieringsbeleid van de EU; dringt er bij de Commissie op aan om lidstaten, regio's en maatschappelijke organisaties te betrekken en een actieve rol te geven bij de ontwikkeling en uitvoering van specifieke maatregelen;

2.  wijst erop dat de partnerschapsovereenkomsten en ‑programma’s die onder de GB-verordening vallen, gericht zijn op het bevorderen van een efficiënt gebruik van hulpbronnen en de beperking en aanpassing aan de klimaatverandering, en de horizontale beginselen van partnerschap, meerlagig bestuur, non-discriminatie en gelijkheid van vrouwen en mannen;

3.  wijst erop dat de Europese structuur-en investeringsfondsen (ESI-fondsen) grote kansen bieden voor innovaties op energiegebied en de marktinvoering daarvan en op deze wijze een belangrijke rol kunnen spelen bij de energietransitie in Europa; verneemt met instemming het voornemen van de Commissie om doelgerichte financieringsinstrumenten op te stellen om het juiste evenwicht tussen subsidies en financiële instrumenten te bereiken, en onderstreept dat publiek-private partnerschappen en gemeenschappelijke ondernemingen op het gebied van onderzoek, ontwikkeling en innovatie investeringen van de private sector in schone energie kunnen aantrekken; benadrukt dat de ESI-fondsen meer steun moeten verlenen aan regio's en steden met betrekking tot de energietransitie; wijst er in het bijzonder op dat meer steun en economische middelen beschikbaar moeten worden gesteld voor de uitvoering van lokale programma’s voor energie-efficiëntie; verzoekt de lidstaten en de Commissie te stoppen met directe of indirecte steun voor verstorende of voor het milieu schadelijke subsidies, om de financieringsstromen te verschuiven naar onderzoek naar schone energie; wijst op de belofte in het kader van de EU 2020-strategie om voorrang te geven aan energie-efficiëntie en duurzame initiatieven;

4.  wijst op de algemene vooruitgang van de tenuitvoerlegging van de Europa 2020-doelstelllingen voor wat betreft de omschakeling naar hernieuwbare energie, maar onderstreept dat de resultaten tussen de verschillende lidstaten sterk verschillen; benadrukt dat verhoogde investeringen in schone-energiegerelateerde wetenschappelijke inspanningen kunnen bijdragen aan het bereiken van gestelde doelen en aan het opleveren van tastbare resultaten; wijst erop dat bindende normen en doelstellingen het potentieel hebben klimaatverandering en milieuproblemen aan te pakken, een duurzame continuïteit van voorzieningen te waarborgen en het concurrentievoordeel van de EU in klimaatvriendelijke energietechnologieën te handhaven; onderstreept dat het grootste deel van de momenteel gebruikte schone-energietechnologieën (bijvoorbeeld wind, zonne-energie) sterk afhankelijk is van variabele natuurlijke factoren die de stabiliteit van de energievoorziening in afzonderlijke regio's of zelfs de lidstaten in gevaar kunnen brengen en dringt er daarom op aan dat er voldoende aandacht wordt besteed aan de interconnectiviteit van de elektriciteitsnetwerken, balans in de stroomreserve, opslag en andere noodzakelijke maatregelen om de gemeenschappelijke energiemarkt volledig te laten functioneren; dringt erop aan bij investeringen in zowel onderzoek als innovatieve projecten vooral de focus te leggen op coöperaties voor hernieuwbare energie, initiatieven voor de decentralisatie en zelfopwekking van hernieuwbare energie, en voor innovatieve acties van kmo's; wijst verder op het belang om het territoriale evenwicht in de Europese Unie te handhaven en om intensievere steun te verlenen aan regio's en steden die in dit opzicht minder ontwikkeld zijn;

5.  is van mening dat de op slimme specialisering gerichte benadering (die is gekozen in het herziene cohesiebeleid voor 2014-2020 en heeft geleid tot meer dan 120 onderzoeks- en innovatiestrategieën voor slimme specialisering) verder moet worden ontwikkeld; moedigt in dit verband ook het aangaan van interregionale partnerschappen, o.a. voor energie, aan, met speciale aandacht voor grensoverschrijdende samenwerkingsprojecten; benadrukt de noodzaak om de informatie voor begunstigden op lokaal en regionaal niveau te verbeteren om ervoor te zorgen dat kleine en middelgrote ondernemingen die actief zijn op dit gebied, evenals jonge ondernemers, zo goed mogelijk bij deze aanpak betrokken worden, alsook de noodzaak van samenwerking met universiteiten om ervoor te zorgen dat innovatieve oplossingen zo snel mogelijk worden toegepast; benadrukt dat het voortdurende en versterkte cohesiebeleid nodig is voor de periode na 2020 om de EU‑doelstellingen inzake schone energie te bereiken;

6.  wijst op de bijzondere eigenschappen en troeven die sommige gebieden, zoals de ultraperifere regio's, voor innovatie op het gebied van schone energie te bieden hebben; onderstreept in dit verband dat extra ondersteuning nodig is voor minder ontwikkelde, meer afgelegen en plattelandsgebieden om de convergentie van energie voor alle regio's van de EU te waarborgen;

7.  wijst op het belang van een multidisciplinaire en technologieneutrale aanpak van onderop, waarbij alle relevante belanghebbenden – lokale, regionale en nationale overheden, universiteiten en kmo's – betrokken worden, met het oog op de bevordering van onderzoek, ontwikkeling en innovatie, in termen van zowel technologie als partnerschappen onder auspiciën van de Europese Innovatieraad, die kan bijdragen met innovatieve producten, met name via start- en opschalingsmaatregelen voor kmo's; benadrukt dat, om een succesvolle energietransitie te waarborgen, de regionale en lokale overheden en de belanghebbende partijen, ook kleinere, vanaf een vroeg stadium betrokken moeten worden bij de beleidsvorming;

8.  is bezorgd over de verscheidenheid en de complexiteit van de bestaande financiële instrumenten (Horizon 2020, ESI-fondsen, Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling, Europees Fonds voor strategische investeringen enz.), die als extra instrument kunnen worden ingezet, maar enkel in sectoren waarvoor is aangetoond dat zij geschikter zijn om de cohesiebeleidsdoelstellingen te verwezenlijken dan subsidies, wil dat er stappen worden ondernomen om deze instrumenten te vereenvoudigen en te coördineren, om lokale overheden en kleine projectontwikkelaars gemakkelijker toegang te geven tot financieringsbronnen, en aldus bij te dragen aan de algemene economische, sociale en territoriale cohesie; benadrukt dat de instrumenten afgestemd moeten worden op de specifieke behoeften van de verschillende regio’s; wijst erop dat, om synergieën te vergroten en de complementariteit van de EU‑fondsen te beperken, het éénloketsysteem voor advies en het Europees investeringsprojectenportaal verder moeten worden ontwikkeld, met als doel potentiële investeerders te wijzen op geschikte financieringsinstrumenten; onderstreept dat de vereenvoudiging en gebruikmaking van EU‑financieringsinstrumenten alleen door het stimuleren van particuliere investeringen niet voldoende zal zijn, en dat EU‑overheidsfinanciering nodig zal zijn om de noodzakelijke en ambitieuze infrastructuurprojecten te dekken, gezien de moeilijke toegang tot financiële instrumenten en de complexiteit van de procedures, die door de begunstigden als grootste problemen worden genoemd; merkt op dat er voor het gebruik van financiële instrumenten geen verplicht doel zou moeten zijn in het cohesiebeleid na 2020; steunt het idee om in het cohesiebeleid na 2020 de aan het klimaat gerelateerde uitgaven te verhogen;

9.  onderstreept dat er behoefte is aan een stabiel, duurzaam, transparant en voorspelbaar regelgevingskader voor de ontwikkeling van innovatieve projecten met een thematische en geografische toewijzing van middelen en het rechtstreekser verspreiden van innovaties richting burgers; is van mening dat de lidstaten een belangrijke rol spelen op het gebied van de energietransitie en benadrukt de noodzaak om op energietransitie gerichte onderzoeken en innovatiemaatregelen op EU‑niveau te coördineren om de energiedoelstellingen van de EU te halen; benadrukt dat meer inspanningen geleverd moeten worden voor de transitie van minder ontwikkelde regio's, zodat zij de mogelijkheden van schone energie en circulaire economie kunnen benutten, teneinde een vlotte cohesie te waarborgen; spoort de lidstaten aan toe te treden tot het Mission Innovation-initiatief en hun uitgaven voor onderzoek te verhogen; is van oordeel dat de toekomstige planning van de ESI-fondsen beter geïntegreerd zou moeten worden in de nationale energie- en klimaatplannen voor 2030;

10.  is van mening dat de stedelijke agenda voor de EU een belangrijk instrument is om steden te activeren en ook de energietransitie in de EU te bevorderen, en benadrukt de noodzaak van stimuleringsmaatregelen voor innovatie op het gebied van de energie-efficiëntie van gebouwen, om het energieverbruik in 2050 tot een minimum te beperken; vraagt om een flexibele aanpak op maat bij de tenuitvoerlegging van de stedelijke agenda, met daarbij stimulansen en begeleiding om de mogelijkheden van de steden volledig te benutten; merkt op dat regio's en stedelijke gebieden het meest geschikt zijn voor het testen en ten uitvoer leggen van geïntegreerde energieoplossingen die direct met burgers verband houden; is van mening dat de synergieën in het EU‑beleid zouden moeten worden versterkt door een uniforme en consistente houding van de EU ten aanzien van antidumpingmaatregelen om ervoor te zorgen dat de productie-industrie optimaal van de energietransitie gebruikmaakt;

11.  verwelkomt de komende herziening van de richtlijn energieprestatie van gebouwen, maar roept niettemin de lidstaten op om meer activiteiten te lanceren ter verbetering van de voorwaarden voor energiearme huishoudens; ziet verbeterde energie-efficiëntie als een kans om nieuwe banen te creëren, met name in de bouwsector; raadt daarom aan om de bio-economie te stimuleren, vooral onder jonge ondernemers die in de sector actief zijn;

12.  onderstreept de noodzaak om het investeringsplan voor Europa voor het financieren van kmo's zo veel mogelijk uit te breiden en aan hun behoeften aan te passen;

13.  gelooft dat de burger in de energietransitie centraal zou moeten staan en dat een meer gedecentraliseerd, van onderaf, gebruikersgericht energiesysteem, waaraan consumenten, lokale energie-gemeenschappen, steden en start-ups kunnen deelnemen en waarin deze toekomstige ontwikkelingen en innovaties gepromoot worden, een aanjager is voor innovatie; steunt daarom inspanningen om het technologisch onderwijs aan kinderen en jongeren in de EU te ondersteunen en te harmoniseren; wijst op het belang van bestuurlijke capaciteit en bekendheid bij burgers over de einddoelen van de omschakeling naar schone energie en de mogelijkheden van betrokkenheid daarbij;

14.  onderstreept het belang van het opsporen en aanpakken van buitensporige bureaucratie en oneerlijke marktpraktijken, gezien hun negatieve gevolgen in een vroeg stadium van revolutionaire nieuwe technologieën;

15.  erkent de vitale rol van regio's, steden en plaatsen om het eigendom van de energietransitie wereldwijdte bevorderen en aan klimaat en energie gerelateerde innovatie van onderaf aan te moedigen; roept derhalve op om dezelfde milieukwaliteitsnormen toe te passen op alle energietechnologieën die op de EU‑markt binnenkomen; spreekt zijn bezorgdheid uit met betrekking tot het behoud van stedelijke groengebieden.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

7.12.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

30

1

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Pascal Arimont, Victor Boştinaru, Andrea Cozzolino, Rosa D’Amato, John Flack, Michela Giuffrida, Krzysztof Hetman, Ivan Jakovčić, Constanze Krehl, Iskra Mihaylova, Andrey Novakov, Konstantinos Papadakis, Stanislav Polčák, Fernando Ruas, Monika Smolková, Ruža Tomašić, Ramón Luis Valcárcel Siso, Ángela Vallina, Monika Vana, Matthijs van Miltenburg, Lambert van Nistelrooij, Derek Vaughan, Kerstin Westphal, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Viorica Dăncilă, Andor Deli, Tunne Kelam, Norica Nicolai, Bronis Ropė, Claudia Schmidt, Milan Zver

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

30

+

ALDE

Ivan Jakovčić, Iskra Mihaylova, Matthijs van Miltenburg, Norica Nicolai

ECR

John Flack, Ruža Tomašić

EFDD

Rosa D’Amato

GUE/NGL

Ángela Vallina

PPE

Pascal Arimont, Andor Deli, Krzysztof Hetman, Tunne Kelam, Lambert van Nistelrooij, Andrey Novakov, Stanislav Polčák, Fernando Ruas, Claudia Schmidt, Ramón Luis Valcárcel Siso, Joachim Zeller, Milan Zver

S&D

Victor Boştinaru, Andrea Cozzolino, Viorica Dăncilă, Michela Giuffrida, Constanze Krehl, Monika Smolková, Derek Vaughan, Kerstin Westphal

Verts/ALE

Bronis Ropė, Monika Vana

1

-

NI

Konstantinos Papadakis

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

11.1.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

55

3

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Bendt Bendtsen, Xabier Benito Ziluaga, José Blanco López, David Borrelli, Jonathan Bullock, Reinhard Bütikofer, Jerzy Buzek, Edward Czesak, Fredrick Federley, Ashley Fox, Theresa Griffin, Hans-Olaf Henkel, Eva Kaili, Kaja Kallas, Barbara Kappel, Krišjānis Kariņš, Seán Kelly, Jeppe Kofod, Peter Kouroumbashev, Zdzisław Krasnodębski, Miapetra Kumpula-Natri, Christelle Lechevalier, Janusz Lewandowski, Edouard Martin, Csaba Molnár, Nadine Morano, Aldo Patriciello, Miroslav Poche, Paul Rübig, Massimiliano Salini, Algirdas Saudargas, Sven Schulze, Patrizia Toia, Claude Turmes, Vladimir Urutchev, Kathleen Van Brempt, Henna Virkkunen, Martina Werner, Lieve Wierinck, Hermann Winkler, Anna Záborská, Flavio Zanonato, Carlos Zorrinho

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Michał Boni, Mario Borghezio, Jens Geier, Gerben-Jan Gerbrandy, Werner Langen, Morten Løkkegaard, Florent Marcellesi, Marian-Jean Marinescu, Rupert Matthews, Clare Moody, Răzvan Popa, Dennis Radtke, Michèle Rivasi, Sofia Sakorafa, Anneleen Van Bossuyt

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Max Andersson, Mihai Ţurcanu


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

55

+

ALDE

Fredrick Federley, Gerben-Jan Gerbrandy, Kaja Kallas, Morten Løkkegaard, Lieve Wierinck

ECR

Edward Czesak, Ashley Fox, Hans-Olaf Henkel, Zdzisław Krasnodębski, Rupert Matthews, Anneleen Van Bossuyt

EFDD

David Borrelli

ENF

Barbara Kappel

PPE

Bendt Bendtsen, Michał Boni, Jerzy Buzek, Krišjānis Kariņš, Seán Kelly, Werner Langen, Janusz Lewandowski, Marian-Jean Marinescu, Nadine Morano, Aldo Patriciello, Dennis Radtke, Paul Rübig, Massimiliano Salini, Algirdas Saudargas, Sven Schulze, Vladimir Urutchev, Henna Virkkunen, Hermann Winkler, Anna Záborská, Mihai Ţurcanu

S&D

José Blanco López, Jens Geier, Theresa Griffin, Eva Kaili, Jeppe Kofod, Peter Kouroumbashev, Miapetra Kumpula-Natri, Edouard Martin, Csaba Molnár, Clare Moody, Miroslav Poche, Răzvan Popa, Patrizia Toia, Kathleen Van Brempt, Martina Werner, Flavio Zanonato, Carlos Zorrinho

Verts/ALE

Max Andersson, Reinhard Bütikofer, Florent Marcellesi, Michèle Rivasi, Claude Turmes

3

-

EFDD

Jonathan Bullock

GUE/NGL

Xabier Benito Ziluaga, Sofia Sakorafa

2

0

ENF

Mario Borghezio, Christelle Lechevalier

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 2 februari 2018Juridische mededeling