Procedure : 2017/2053(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0041/2018

Ingediende teksten :

A8-0041/2018

Debatten :

PV 13/03/2018 - 13
CRE 13/03/2018 - 13

Stemmingen :

PV 14/03/2018 - 8.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0076

VERSLAG     
PDF 575kWORD 104k
26.2.2018
PE 616.543v02-00 A8-0041/2018

over hervorming van het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie

(2017/2053(INI))

Begrotingscommissie

Corapporteurs: Gérard Deprez, Janusz Lewandowski

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES van de Commissie internationale handel
 ADVIES van de Commissie begrotingscontrole
 ADVIES van de Commissie economische en monetaire zaken
 ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
 ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling
 ADVIES van de Commissie constitutionele zaken
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over hervorming van het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie

(2017/2053(INI))

Het Europees Parlement,

  gezien artikel 311 en artikel 332, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

  gezien de artikelen 106 bis en 171 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

  gezien Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(1),

  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 608/2014 van de Raad van 26 mei 2014 tot vaststelling van uitvoeringsmaatregelen voor het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(2),

  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014 van de Raad van 26 mei 2014 betreffende de regels en procedures voor de terbeschikkingstelling van de traditionele eigen middelen, de btw- en de bni-middelen, en betreffende de maatregelen om in de behoefte aan kasmiddelen te voorzien(3),

  gezien de mededeling van de Commissie van 21 september 2017 aan het Europees Parlement en de Raad getiteld 'Een eerlijk en efficiënt belastingstelsel in de Europese Unie voor de digitale eengemaakte markt' (COM(2017)0547),

  gezien zijn resolutie van 29 maart 2007 over de toekomst van de eigen middelen van de Europese Unie(4),

  gezien zijn resolutie van 8 juni 2011 over investeren in de toekomst: een nieuw meerjarig financieel kader (MFK) voor een concurrerend, duurzaam en integratiegericht Europa(5),

  gezien zijn resolutie van 15 april 2014 over de onderhandelingen over het MFK 2014-2020: welke lessen kunnen worden getrokken en hoe moet het verder?(6),

  gezien zijn resolutie van 16 april 2014 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(7),

  gezien zijn resolutie van 17 december 2014 over het stelsel van eigen middelen van de van de Europese Gemeenschappen(8),

  gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over de voorbereiding van de postelectorale herziening van het MFK 2014-2020(9),

  gezien het verslag getiteld "De toekomstige financiering van de EU – slotverslag en aanbevelingen van de Groep op hoog niveau eigen middelen", van december 2016,

  gezien artikel 1 van het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 inzake de procedure voor het verlenen van toestemming voor de opstelling van initiatiefverslagen,

  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de Commissie internationale handel, de Commissie begrotingscontrole, de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de Commissie constitutionele zaken (A8-0041/2018),

A.  overwegende dat de Europese Economische Gemeenschap overeenkomstig het Verdrag van Rome van 25 maart 1957 slechts gedurende een overgangsperiode gefinancierd zou worden door nationale bijdragen en daarna door een stelsel van eigen middelen;

B.  overwegende dat de Europese Raad van Luxemburg in april 1970 besloot tot een stelsel van eigen middelen, waarmee een einde werd gemaakt aan nationale bijdragen en twee echte eigen middelen werden ingevoerd, namelijk landbouwheffingen en douanerechten, aangevuld met een derde eigenmiddelenbron op basis van de belasting over de toegevoegde waarde (btw);

C.  overwegende dat de Europese Raad in juni 1988 een eigenmiddelenbron invoerde die gebaseerd was op het bni van de lidstaten, aangezien de inkomsten uit de bestaande eigen middelen niet toereikend waren om de totale uitgaven uit de EU-begroting te dekken;

D.  overwegende dat het aandeel van de bni-bijdrage aanzienlijk is toegenomen, van circa 11 % in 1988 tot 69 % in 2014, waarmee deze "aanvullende" en "voor evenwicht zorgende" middelenbron thans de belangrijkste bron van financiering voor de EU-begroting is geworden; overwegende dat de btw-middelen momenteel goed zijn voor ongeveer 12 % van de EU-begroting en de traditionele eigen middelen (douanerechten, landbouwheffingen en suiker- en isoglucoseheffingen) voor ongeveer 13 %, terwijl het resterende percentage wordt gedekt door andere ontvangsten, zoals door EU-personeel betaalde belastingen of geldboetes die worden betaald door ondernemingen wegens overtreding van de mededingingsregels;

E.  overwegende dat, sinds de Europese Raad van Fontainebleau in 1984 de Britse korting invoerde, waarbij 66 % van de Britse nettobijdrage werd terugbetaald, geleidelijk verschillende andere kortingen en correctiemechanismen zijn ingevoerd om de tekortkomingen van de zogenaamde "operationele begrotingssaldo's" van bepaalde lidstaten aan te pakken; overwegende dat die correcties momenteel voornamelijk ofwel een vermindering van de financiering van de Britse correctie, ofwel een brutovermindering van de jaarlijkse btw- of bni-bijdrage betreffen;

F.  overwegende dat het Parlement de afgelopen tien jaar in een aantal resoluties de problemen en het complexe karakter van het stelsel van eigen middelen van de EU heeft benadrukt en bij herhaling heeft aangedrongen op een diepgaande hervorming om het stelsel eenvoudiger, transparanter en democratischer te maken, onder meer door nieuwe, echte eigen middelen in te voeren die de bni-bijdragen geleidelijk en in de mate van het mogelijke moeten vervangen;

G.  overwegende dat de Commissie in 2011 een ambitieus wetgevingspakket inzake de eigen middelen heeft voorgesteld (COM(2011) 510) en dat samen met de voorstellen voor het MFK 2014-2020 heeft gepresenteerd, met als doel de bijdragen van de lidstaten te vereenvoudigen, nieuwe eigen middelen – een hervormde btw en een belasting op financiële transacties (bft) – in te voeren en de correctiemechanismen te hervormen; overwegende dat die voorstellen door de Raad werden genegeerd;

H.  overwegende dat er naar aanleiding van de onderhandelingen over het MFK 2014-2020 een Groep op hoog niveau eigen middelen (hierna "Groep op hoog niveau") werd opgericht, bestaande uit vertegenwoordigers van de drie grootste EU-instellingen en voorgezeten door Mario Monti; overwegende dat de Groep op hoog niveau in december 2016 zijn slotverslag en aanbevelingen uitbracht, die de basis vormen voor de uitwerking van het standpunt van het Parlement zoals dat in dit verslag uiteen wordt gezet; overwegende dat dit verslag unaniem is goedgekeurd door alle leden van de Groep, met inbegrip van de door de Raad benoemde leden;

1.  merkt op dat de Commissie uiterlijk in mei 2018 haar voorstellen voor het MFK voor de periode na 2020 zal presenteren; eist dat het door de Commissie voorgestelde toekomstige MFK ambitieuze voorstellen zal inhouden voor de herziening van het eigenmiddelenbesluit en alle daarmee samenhangende wetgevingshandelingen, alsook voor de invoering van nieuwe eigen middelen; benadrukt dat de uitgaven- en de ontvangstenzijde van het volgende MFK bij de komende onderhandelingen tussen de Raad en het Parlement als één pakket zullen worden behandeld; verklaart dat er geen akkoord over het MFK zal worden bereikt als er niet terzelfder tijd vooruitgang wordt geboekt inzake de eigen middelen;

2.  presenteert dit verslag om zijn standpunt te verwoorden ten aanzien van de voornaamste elementen van de hervorming van het stelsel van eigen middelen van de EU, te weten de samenstelling van een pakket van nieuwe eigen middelen en de elementen van het huidige stelsel die behouden moeten blijven; verzoekt de Commissie bij de voorbereiding van haar wetgevingsvoorstellen inzake de eigen middelen van de EU, die ambitieus moeten zijn qua draagwijdte en samen met de voorstellen voor het MFK voor de periode na 2020 moeten worden gepresenteerd, terdege rekening te houden met het standpunt van het Parlement; is ervan overtuigd dat het absoluut noodzakelijk is aanzienlijke vooruitgang te boeken aan de ontvangstenzijde van de EU-begroting om gemakkelijker een akkoord te kunnen bereiken over het volgende MFK;

I.  Rechtskader en besluitvormingsproces

3.  herinnert eraan dat in artikel 311 VWEU het volgende wordt bepaald: "De Unie voorziet zich van de middelen die nodig zijn om haar doelstellingen te verwezenlijken en aan haar beleid uitvoering te geven. De begroting wordt, onverminderd andere ontvangsten, volledig uit eigen middelen gefinancierd"; benadrukt dat de wettelijke verplichting om de EU-begroting van echte eigen middelen te voorzien dus rechtstreeks voortvloeit uit het Verdrag;

4.  herinnert eraan dat artikel 310 VWEU voorschrijft dat "de ontvangsten en uitgaven op de Uniebegroting [...] in evenwicht [moeten] zijn; merkt bijgevolg op dat de ontvangsten alle uitgaven moeten dekken zoals die elk jaar door de begrotingsautoriteit worden vastgesteld; benadrukt dat de EU-begroting niet elk jaar een deficit mag vertonen of gefinancierd kan worden door geld te lenen op de financiële markten;

5.  merkt op dat de belangrijkste wetgevingshandeling waarin de bepalingen betreffende het stelsel van eigen middelen zijn neergelegd, het zogenaamde eigenmiddelenbesluit (EMB), door de Raad wordt vastgesteld met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Parlement, en dat dit besluit door alle lidstaten moet worden bekrachtigd; benadrukt dat dit een van de zwaarste wetgevingsprocedures is waarin het Verdrag voorziet;

6.  merkt op dat de Raad in dat wetgevingsbesluit onder meer het maximum van de eigen middelen bepaalt en nieuwe categorieën eigen middelen kan vaststellen of bestaande categorieën kan afschaffen; benadrukt dat het EMB weliswaar geen vervaldatum heeft, maar wel rechtstreeks gekoppeld is aan het respectieve MFK waarin het maximale uitgavenniveau is bepaald voor de periode waarop dat betrekking heeft;

7.  herinnert eraan dat het Verdrag van Lissabon nieuwe bepalingen bevat met betrekking tot de uitvoeringsmaatregelen voor het stelsel van eigen middelen en erin voorziet dat de Raad, na goedkeuring door het Parlement, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een verordening kan vaststellen; betreurt echter dat diverse uitvoeringsbepalingen, met name die inzake de berekening van de bni-middelen, nog steeds in het EMB staan; pleit daarom voor een vlottere goedkeuringsprocedure voor het EMB, dat volgens de gewone wetgevingsprocedure zou moeten worden vastgesteld, m.a.w. stemming bij gekwalificeerde meerderheid in de Raad en medebeslissing met het Parlement; herinnert eraan dat de Europese Raad ingevolge artikel 48, lid 7, VEU, een besluit kan nemen waardoor handelingen die niet onder de gewone wetgevingsprocedure vallen, toch kunnen worden behandeld volgens die procedure, die nog altijd veel democratischer en transparanter is; verzoekt de Europese Raad dat mechanisme onverwijld in gang te zetten;

8.  herinnert eraan dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor hun eigen fiscaal beleid en onderstreept dat de bevoegdheid tot het heffen van belastingen de kern van de soevereiniteit van de lidstaten vormt; benadrukt dat de hervorming van de eigen middelen van de EU geen overdracht van nationale soevereiniteit op dit gebied betekent, maar eerder het huidige stelsel in overeenstemming brengt met de letter en de geest van de EU-Verdragen;

II.  Waarom het huidige stelsel van eigen middelen op de schop moet

i.  De tekortkomingen van het huidige stelsel aanpakken

9.  benadrukt dat het huidige stelsel van eigen middelen uiterst complex, onbillijk en ondoorzichtig en voor de burgers van de EU volledig onbegrijpelijk is; wijst in het bijzonder op de ondoorzichtigheid van de berekeningen met betrekking tot de nationale kortingen en correctiemechanismen die van toepassing zijn op het stelsel van eigen middelen of de op statistische gegevens gebaseerde btw-middelen; benadrukt dat dit stelsel bovendien niet is onderworpen aan enige effectieve parlementaire controle op EU-niveau en in wezen democratische legitimiteit en verantwoordingsplicht ontbeert;

10.  benadrukt dat de wijze waarop het stelsel van eigen middelen zich heeft ontwikkeld, waarbij echte eigen middelen geleidelijk zijn vervangen door zogeheten nationale bijdragen, een onevenredige nadruk legt op de nettosaldo's tussen lidstaten, waardoor nauwelijks gekeken wordt naar de bijdrage die de EU-begroting levert aan de verwezenlijking van gemeenschappelijke Europese doelen waarbij alle EU-burgers baat hebben; betreurt het daarom dat het totale aandeel van de nationale bijdragen aan de EU-begroting, berekend op basis van het bni of als percentage van de op statistieken gebaseerde btw-middelen, ongeveer 83 % van de totale ontvangsten van de EU bedraagt;

11.  is ervan overtuigd dat de overheersende rol van de bni-middelen ertoe heeft geleid dat het begrotingsidee van de juste retour (evenredig rendement), dat de debatten in de Raad over zowel de uitgaven- als de ontvangstenzijde van de EU-begroting volledig beheerst, een nog grotere rol ging spelen; wijst in dit verband op de invoering van de Britse korting en een reeks daarmee samenhangende kortingen en andere correctiemechanismen aan de ontvangstenzijde, enerzijds, en anderzijds op het onvermogen om in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure overeenstemming te bereiken over een toereikend middelenniveau voor de EU-begroting; is van mening dat de EU moet afwijken van het concept van netto-exploitatiesaldo, aangezien in de praktijk alle lidstaten begunstigden van de EU-begroting zijn;

12.  is met name van mening dat de beslissing over de omvang van de jaarlijkse EU-begroting wordt beïnvloed door politieke en financiële overwegingen op nationaal niveau die een remmende factor vormen bij de begrotingsonderhandelingen, waardoor die vaak leiden tot een nulsomspel in de Raad tussen nettobetalers en netto-ontvangers, waarbij voorbijgegaan wordt aan de verplichtingen van de Unie, met inbegrip van die welke door de Raad zijn aangegaan; is van mening dat als gevolg daarvan een aantal EU-beleidsmaatregelen die de hoogste Europese meerwaarde te zien geven vaak de terreinen zijn waarop bezuinigingen worden voorgesteld en dat het EU-project als zodanig daardoor wordt verzwakt;

13.  merkt op dat de nationale bijdragen aan de EU-begroting in de nationale begrotingen duidelijk aan de uitgavenzijde worden opgevoerd en vaak worden beschouwd als een financiële last die zwaarder weegt dan de voordelen die teweeg worden gebracht door uitgaventerreinen van de EU die vaak minder zichtbaar zijn; benadrukt in dit verband dat er iets moet worden gedaan aan het gebrek aan publiek bewustzijn van de voordelen die de EU-begroting oplevert;

14.  is er derhalve van overtuigd dat het huidige stelsel van eigen middelen in wezen indruist tegen de letter en de geest van het Verdrag; herhaalt het standpunt dat het sinds geruime tijd huldigt, namelijk dat een grondige hervorming van de EU- middelen onontbeerlijk is om de financiering van de EU-begroting weer in overeenstemming te brengen met het Verdrag en de behoeften van de Unie als geheel;

ii.  Ervoor zorgen dat de Unie haar beleid kan financieren en kan inspelen op nieuwe uitdagingen

15.  onderstreept dat in het MFK voor de periode na 2020 zal moeten worden gezorgd voor een passende financiering van EU-beleid en -programma's met een duidelijke Europese meerwaarde, maar ook voor aanvullende middelen om in te spelen op nieuwe uitdagingen die al zijn geconstateerd op gebieden zoals groei en werkgelegenheid, klimaatverandering, milieubescherming, concurrentievermogen, cohesie, innovatie, migratie, controle aan de buitengrenzen van de EU, veiligheid en defensie;

16.  benadrukt bovendien dat de tekortkomingen van het huidige MFK moeten worden vermeden en dat van meet af aan moet worden gezorgd voor voldoende middelen om de Unie in staat te stellen haar beleidsagenda met voldoende financiële middelen uit te voeren en doeltreffend te reageren op onvoorziene gebeurtenissen of crises die zich kunnen voordoen tijdens de looptijd van het volgende financiële kader; benadrukt dat het terugkerende probleem van het tekort aan voldoende betalingskredieten in de jaarlijkse begrotingsprocedure moet worden opgelost; herinnert eraan dat alleen al vanwege de migratie- en vluchtelingencrisis ruimschoots gebruik moest worden gemaakt van de flexibiliteitsbepalingen van het MFK;

17.  verwacht dat de gevolgen van de terugtrekking van het VK uit de EU, hoe de financiële afwikkeling daarvan ook verloopt, ook voor het volgende MFK en alle daarmee verband houdende begrotingsbesluiten een belangrijke uitdaging zullen vormen; is ervan overtuigd dat de "brexit-kloof" moet worden overbrugd voordat er een besluit wordt genomen over het MFK voor de periode na 2020, en dat daarbij moet worden gewaarborgd dat de EU-middelen niet minder worden en de EU-programma's geen negatieve gevolgen ondervinden;

18.  is ingenomen met het voorstel voor de invoering van een specifieke lijn voor de eurozone in de EU-begroting, dat de voorzitter van de Commissie, Jean-Claude Juncker, in zijn "State of the Union"-rede voor het Europees Parlement heeft gelanceerd en dat verder is uitgewerkt in de mededeling van de Commissie van 6 december 2017 over nieuwe instrumenten voor een stabiele eurozone binnen het kader van de Unie (COM(2017)0822); wenst dat er hiervoor binnen de EU-begroting een begrotingscapaciteit wordt gecreëerd die de huidige maxima overstijgt;

III.  Naar een aanvaardbaar en evenwichtig stelsel van eigen middelen

Beginselen en aannames voor de invoering van een nieuw stelsel van eigen middelen

19.  pleit ervoor dat er, om stabiele financiën op EU-niveau te verkrijgen, een transparant, eenvoudiger en eerlijker nieuw stelsel van eigen middelen wordt ingevoerd dat voortbouwt op elementen van het huidige stelsel voor zover die doeltreffend zijn gebleken; is van mening dat de hervorming van het stelsel van eigen middelen gebaseerd moet zijn op een aantal leidende beginselen;

20.  benadrukt dat de ontvangsten gekoppeld moeten worden aan beleidsdoelstellingen, en met name aan de interne markt, de energie-unie en het milieu-, klimaat- en vervoersbeleid; is er in dit verband van overtuigd dat de EU-begroting zich moet richten op beleidsgebieden met Europese meerwaarde, zoals gedefinieerd in de resolutie van het Parlement over de discussienota over de toekomst van de EU-financiën(10);

21.  onderstreept dat het operationeel gezien niet mogelijk is om nieuwe eigen middelen allemaal tegelijk in te voeren en wijst op de noodzaak van een geleidelijke invoering; is daarom van mening dat de hervorming van het stelsel van eigen middelen via een tweefasenbenadering kan worden bereikt: in de eerste plaats technisch minder complexe eigen middelen invoeren die gemakkelijk en tegen redelijke kosten kunnen worden geïnd, en vervolgens geleidelijk nieuwe eigen middelen toevoegen volgens een vast tijdschema, totdat zij alle op kruissnelheid zijn;

22.  is van mening dat de invoering van nieuwe eigen middelen een tweeledig doel moet dienen, namelijk in de eerste plaats het aandeel van de bni-bijdragen aanzienlijk verlagen (gestreefd wordt naar 40 %), wat besparingen voor de begrotingen van de lidstaten oplevert, en in de tweede plaats het mogelijk maken om in het kader van het MFK voor de periode na 2020 een hoger uitgavenpeil van de EU te financieren en daarbij ook de door de terugtrekking van het VK ontstane kloof te overbruggen; herinnert er in dit verband aan dat de nieuwe eigen middelen niet tot doel hebben de totale fiscale lasten te verzwaren voor de Europese belastingbetaler, die geen negatieve gevolgen mag ondervinden van de invoering van nieuwe eigen middelen;

23.  pleit voor de afschaffing van alle kortingen en correcties en voor een eerlijke behandeling van alle lidstaten; onderstreept in dit verband dat de brexit zal betekenen dat de korting voor het VK en de daarmee verband houdende "kortingen op de korting" overbodig zullen worden en zullen verdwijnen, terwijl hervorming van de op statistische gegevens gebaseerde btw-middelen onvermijdelijk zal worden;

24.  is van mening dat de traditionele eigen middelen, te weten de douanerechten, de landbouwrechten en de suiker- en isoglucoseheffingen, een betrouwbare en authentieke ontvangstenbron van de EU vormen, aangezien deze rechtstreeks voortvloeien uit het feit dat de EU een douane-unie is en uit de juridische bevoegdheden en het gemeenschappelijk handelsbeleid die daarmee gepaard gaan; is daarom van mening dat de traditionele eigen middelen als bron van ontvangsten voor de EU-begroting moeten blijven bestaan; is van mening dat als het aandeel van de door de lidstaten ingehouden inningskosten kleiner wordt, een groter aandeel van deze ontvangsten naar de EU-begroting kan gaan;

25.  erkent dat de bni-bijdrage een betrouwbare, stabiele en eerlijke bron van ontvangsten voor de EU-begroting vormt en zeer sterke steun geniet van een grote meerderheid van de lidstaten; is derhalve van mening dat deze bijdrage moet blijven bestaan, maar alleen als een evenwicht scheppende, aanvullende ontvangstenbron voor de EU-begroting, zodat er een einde komt aan de begrotingslogica van "juste retour"; benadrukt in dit verband dat ervoor moet worden gezorgd dat de bni-bijdragen op dezelfde wijze in alle nationale begrotingen worden ingedeeld, namelijk als ontvangsten die naar de EU gaan en niet als uitgaven van de nationale regeringen;

Criteria voor het kiezen van nieuwe eigen middelen

26.  schaart zich achter het verslag van de Groep op hoog niveau eigen middelen volgens welke de volgende criteria in acht moeten worden genomen bij het vaststellen van mogelijke nieuwe eigen middelen: billijkheid/eerlijkheid, efficiëntie, toereikendheid en stabiliteit, transparantie en eenvoud, democratische verantwoording en begrotingsdiscipline, focus op Europese meerwaarde, subsidiariteitsbeginsel en fiscale soevereiniteit van de lidstaten en beperking van de politieke transactiekosten;

27.  verzoekt de Commissie om op basis van het bovenstaande de invoering van het volgende pakket van nieuwe eigen middelen te beoordelen;

Pakket van mogelijke nieuwe eigen middelen

a.  Doelstelling: De interne markt consolideren en transparanter maken en een gelijker speelveld creëren

•  Belasting over de toegevoegde waarde

28.  herinnert eraan dat de btw, sinds die bijna 50 jaar geleden werd ingevoerd, wordt gebruikt als basis voor de berekening van een van de eigen middelen van de EU-begroting en dat de btw-middelen momenteel ongeveer 12 % van de ontvangsten van de EU uitmaken;

29.  wijst er echter op dat het huidige stelsel ernstige tekortkomingen vertoont: de middelen worden berekend op basis van statistische gegevens, het stelsel is onnodig complex en heeft geen rechtstreekse koppeling met de burgers, het betreft louter de overdracht van een deel van de door de lidstaten geïnde ontvangsten en levert dus geen meerwaarde op ten opzichte van de bni-middelen, de bijdragegrondslag is niet transparant en er is geen gelijkheid tussen belastingbetalers;

30. betreurt dat OLAF herhaaldelijk ernstige gevallen van douanefraude in lidstaten heeft vastgesteld die een aanzienlijke inkomstenderving voor de begroting van de Unie hebben veroorzaakt; vestigt de aandacht op Speciaal verslag nr. 19/2017 van de Europese Rekenkamer getiteld "Invoerprocedures: tekortkomingen in het rechtskader en een ondoeltreffende uitvoering zijn van invloed op de financiële belangen van de EU", en vreest dat fraudeurs erin zullen blijven slagen de "zwakste schakel" tussen de lidstaten te vinden waarlangs zij toegang krijgen tot de douane-unie, en dat er ook tijdens het volgende MFK sprake zal zijn van verliezen voor de begroting van de Unie; roept de Commissie en de lidstaten op de nodige maatregelen te nemen om deze activiteiten, die schadelijk zijn voor de begroting van de Unie, een halt toe te roepen;

31.  herinnert aan het wetgevingsvoorstel uit 2011 inzake nieuwe btw-middelen, dat zou hebben geleid tot de toepassing van een vast, voor de gehele EU geldend tarief dat gebaseerd is op de nettowaarde van geleverde goederen en diensten of op de invoer van goederen waarvoor een gemeenschappelijke standaard-btw zou hebben gegolden; merkt op dat dit voorstel weliswaar niet werd aangenomen, maar dat de Europese Raad van februari 2013 de Raad aanmoedigde om aan dit dossier te blijven werken; is van mening dat de huidige context kansen biedt voor een doorbraak op dit gebied;

32. is ingenomen met de visie op de eigen middelen uit de btw die in het voorstel van de Groep op hoog niveau wordt verwoord en die gericht is op vereenvoudiging, verlaging van de administratieve kosten en versterking van de samenhang tussen het btw-beleid van de EU en de feitelijke btw-ontvangsten;

33.  neemt nota van het btw-actieplan van de Commissie ("Naar een gemeenschappelijke btw-ruimte in de EU — Tijd om knopen door te hakken"), dat op 7 april 2016 is gepubliceerd (COM(2016) 148), en van het vervolgvoorstel van 4 oktober 2017 voor een aantal grondbeginselen en belangrijke hervormingen voor de btw-ruimte in de EU; is voorstander van een grondige hervorming van het btw-stelsel in de EU die tot doel moet hebben de belastinggrondslag te verbreden, de fraudemogelijkheden te verkleinen en nieuwe ontvangsten te genereren; is van mening dat een deel van deze nieuwe ontvangsten moet worden toegewezen aan de EU-begroting;

34.  is van mening dat vereenvoudigde btw-middelen moeten worden gebaseerd op de gemeenschappelijke noemer van de btw-stelsels in de hele EU, en wijst erop dat dit bijgevolg dus niet alle specifieke nationale situaties zou uitsluiten die om uiteenlopende redenen gerechtvaardigd zijn;

35.  is voorstander van de vaststelling van een uniform heffingstarief (1 à 2 %) op de ontvangsten uit de hervormde btw, dat in zijn geheel door de overheid van de lidstaten wordt geïnd als eigenmiddelenbron van de Unie; is van mening dat een dergelijk systeem aanzienlijke en stabiele ontvangsten voor de EU zou opleveren tegen beperkte administratieve kosten;

36.  benadrukt dat de Commissie al wetgevingsvoorstellen heeft ingediend voor een ingrijpende hervorming van de btw-regels in de EU en dat er voor 2018 nog andere initiatieven worden verwacht; wijst met klem op de noodzaak om de btw-hervorming zo spoedig mogelijk en uiterlijk vóór het begin van het volgende MFK af te ronden;

37.  verzoekt de Commissie om, in afwachting van de vaststelling van de desbetreffende btw-wetgeving, een voorstel te presenteren voor hervormde eigen btw-middelen, als onderdeel van haar komende wetgevingspakket betreffende de eigen middelen van de EU; is van mening dat bij dat voorstel rekening moet worden gehouden met de belangrijkste resultaten van de huidige besprekingen over de hervorming van het btw-stelsel;

•  Vennootschapsbelasting

38.  herinnert eraan dat het Parlement er in zijn resolutie van 6 juli 2016 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect(11) bij de Commissie op aandrong met een voorstel te komen voor een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB), "met een geëigende en billijke verdeelsleutel, wat een integrale oplossing zou bieden voor de aanpak van schadelijke fiscale praktijken binnen de Unie, duidelijkheid en eenvoud voor bedrijven zou scheppen en grensoverschrijdende economische activiteiten binnen de Unie zou vergemakkelijken";

39.  neemt nota van de voorstellen van de Commissie voor een CCCTB en herhaalt zijn verzoek om deze geconsolideerde grondslag na een overgangsperiode uit te breiden tot alle bedrijven; benadrukt dat de huidige voorstellen voor een CCCTB ook betrekking moeten hebben op de digitale economie; stelt op basis van deze voorstellen voor dat de digitale aanwezigheid van een onderneming op dezelfde wijze moet worden behandeld als de fysieke vestiging door middel van de definiëring en vaststelling van een permanente digitale vestiging;

40.  is het eens met het oordeel van de Groep op hoog niveau dat de CCCTB de basis kan vormen voor een nieuwe eigenmiddelenbron die voldoet aan alle criteria van de groep; benadrukt dat de CCCTB ook een belangrijk element is in de ontwikkeling van de interne markt, die een Europees publiek goed is, omdat daarmee zowel misplaatste fiscale concurrentie tussen de lidstaten wordt voorkomen als belastingoptimalisatie die schadelijk is voor de gelijke concurrentievoorwaarden;

41.  herinnert eraan dat belastingontduiking in al haar vormen de EU een verlies oplevert dat door de Commissie op 1 biljoen EUR per jaar wordt geschat; wijst erop dat de gederfde belastingontvangsten via een gecoördineerd beleid ter bestrijding van belastingfraude en -ontduiking en een op transparantie, samenwerking en coördinatie gebaseerd kader moeten worden gerecupereerd;

42.  verzoekt de Commissie om, voortbouwend op de conclusies van de evaluatie van de CCCTB-richtlijn, de invoering van een nieuwe eigenmiddelenbron voor de begroting van de Unie voor te stellen die berekend wordt op basis van de ontvangsten van de lidstaten uit de CCCTB; is voorstander van de vaststelling van een uniform heffingstarief op de ontvangsten uit de CCCTB, die als eigenmiddelenbron moet worden geïnd; is van mening dat een dergelijk systeem aanzienlijke en stabiele ontvangsten voor de EU zou opleveren tegen beperkte administratieve kosten;

•  Muntloon

43.  is van mening dat de opbrengsten die voortvloeien uit de winst van de Europese Centrale Bank (ECB-ontvangsten uit de uitgifte van betaalmiddelen) en daarmee dus rechtstreeks zijn gekoppeld aan de monetaire unie van de EU, de basis voor een nieuwe eigenmiddelenbron moeten vormen in plaats van te worden uitbetaald aan nationale schatkisten;

b.  Doelstelling: Financiële speculatie verminderen en fiscale rechtvaardigheid bevorderen in sectoren die gebruikmaken van agressieve belastingplanningsinstrumenten of agressieve belastingoptimalisatie.

•  Een belasting op financiële transacties (bft) op Europees niveau

44.  is verheugd over de inspanningen die in het kader van nauwere samenwerking door een groep van elf lidstaten zijn gerealiseerd met het oog op de invoering van een belasting op financiële transacties (bft), naar aanleiding van het voorstel van de Commissie uit 2011; dringt er bij alle andere lidstaten op aan om zich bij die groep aan te sluiten om verstoring van de financiële markten te voorkomen en een soepel functioneren van de interne markt te waarborgen;

45.  schaart zich achter het oordeel van de Groep op hoog niveau dat de bft een mogelijke basis vormt voor een nieuwe eigenmiddelenbron voor de begroting van de Unie, maar dat ook andere vormen van belastingheffing op financiële activiteiten moeten worden verkend;

46.  pleit dan ook voor de invoering van een nieuwe eigenmiddelenbron voor de begroting van de Unie die moet worden berekend op basis van een gekozen methode om financiële activiteiten te belasten;

•  Belasting op bedrijven in de digitale sector

47.  is verheugd over de conclusies van de informele Raad van ministers van Financiën van 16 september 2017 waarin wordt opgeroepen tot de ontwikkeling van nieuwe belastingregels voor de digitale sector, in reactie op een schrijven van vier ministers van Financiën waarin de Commissie gevraagd werd om onderzoek te doen naar doeltreffende oplossingen die zijn gebaseerd op het concept van een zogenoemde "egalisatiebelasting" op de omzet die door digitale bedrijven wordt gegenereerd in Europa; beklemtoont dat de Commissie in haar mededeling van 21 september 2017 getiteld "Een eerlijk en efficiënt belastingstelsel in de Europese Unie voor de digitale eengemaakte markt" bevestigt dat de CCCTB een passend kader biedt voor een herziening van de regels met het oog op moderne en stabiele regelingen voor de belastingheffing op bedrijven in de digitale sector en voor het aanpakken van de uitdagingen die de digitale economie meebrengt; dringt aan op een op EU-niveau gecoördineerde benadering, zelfs voor kortetermijnoplossingen, om te voorkomen dat de interne markt verstoord wordt als gevolg van eenzijdig optreden en dat er digitale belastingparadijzen ontstaan;

48.  is het ermee eens dat er voor de digitale economie een modern en stabiel fiscaal kader moet zijn om innovatie te stimuleren, marktversnippering en oneerlijke concurrentie aan te pakken en alle spelers in staat te stellen te profiteren van de nieuwe billijke en evenwichtige voorwaarden, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat digitale bedrijven hun verschuldigd aandeel in de belastingen betalen daar waar zij hun winsten genereren; wijst er bovendien op dat het van essentieel belang is te zorgen voor fiscale zekerheid voor bedrijfsinvesteringen teneinde de huidige lacunes weg te werken en te voorkomen dat er binnen de interne markt nieuwe mazen in de belastingwetgeving ontstaan;

49.  acht het van cruciaal belang dat er fiscale maatregelen worden genomen voor de digitale markt om belastingontduiking en marktverstoring, agressieve fiscale planning of fiscale-optimalisatieregelingen en misbruik van Europese belastingvermijdingsmechanismen aan banden te leggen; is van mening dat dergelijke praktijken de mededinging binnen de interne markt verstoren en ervoor zorgen dat de lidstaten belastinginkomsten mislopen;

50.  pleit dan ook in principe voor de invoering van een eigenmiddelenbron voor de begroting van de Unie die afkomstig moet zijn van een belasting op transacties in de digitale economie; is echter van mening dat het, gezien de belangrijke onderhandelingen die momenteel gaande zijn op EU- en OESO-niveau, nog te vroeg is om te beslissen over de precieze regels voor de invoering van zo'n eigenmiddelenbron;

51.  is niettemin van mening dat alle regelingen die door de autoriteiten van de EU worden getroffen, zoals registratie- of monitoringsystemen of reguleringsmechanismen, het onmiddellijk mogelijk moeten maken om rechten of heffingen te innen ten gunste van de begroting van de Unie op basis van hun Europese toegevoegde waarde; is van mening dat dit publieke goederen van de EU zijn die, zoals als de Groep op hoog niveau stelt, een grondslag bieden voor de invoering van een heffing die valt onder de "andere ontvangsten" welke voortvloeien uit beleid van de Unie;

c.  Doelstelling: De energietransitie bevorderen en de opwarming van de aarde tegengaan

•  Milieubelastingen en -heffingen

52.  bevestigt dat de strijd tegen klimaatverandering, alsook de overgang naar een duurzame, circulaire en koolstofarme economie en de gezamenlijk overeengekomen doelstellingen van de energie-unie, belangrijke doelstellingen van het EU-beleid zijn;

53.  herhaalt dat het ervan overtuigd is dat alleen gemeenschappelijke energie- of milieubelastingen op EU-niveau kunnen zorgen voor eerlijke concurrentie tussen bedrijven en een goede werking van de interne markt en zodoende als motor kunnen fungeren voor een vooruitstrevender en duurzamer ontwikkelingsmodel;

54. benadrukt het belang van groene belastingen als bij uitstek geschikt mechanisme om bij te dragen aan de Europese eigen middelen; doet een beroep op de Commissie om de voorstellen voor aanvullende milieugerelateerde eigen middelen verder te integreren, zoals geschetst in het verslag van de Groep op hoog niveau en door de commissaris voor de EU-begroting, die in overeenstemming zijn met bepaalde beleidsmaatregelen van de Unie, bijvoorbeeld op het gebied van energie (energiebelasting), milieu en klimaat (grenscorrectietaks voor koolstof, kunststofheffing en het emissiehandelssysteem (ETS)) en vervoer (belastingen op brandstof voor wegvoertuigen en vliegtickets), om toekomstige extra eigen middelen van de Unie te bevorderen;

55. vraagt dat een groot deel van de inkomsten uit ETS-veilingen vanaf fase 4 (2021) wordt beschouwd als een nieuwe eigenmiddelenbron van de EU; herinnert eraan dat deze optie is besproken in de Groep op hoog niveau en expliciet door de Commissie wordt voorgesteld in haar mededeling van 14 februari 2018 getiteld "Een nieuw, modern meerjarig financieel kader voor een Europese Unie die efficiënt haar prioriteiten verwezenlijkt na 2020" (COM(2018) 98); verzoekt daarnaast om invoering van een grenscorrectietaks voor koolstof als nieuwe eigenmiddelenbron voor de EU-begroting, wat er ook toe moet leiden dat er een gelijk speelveld ontstaat in de internationale handel en dat er minder productieverplaatsingen plaatsvinden doordat de kosten van de klimaatverandering geïnternaliseerd worden in de prijs van ingevoerde goederen;

56.  verzoekt de Commissie na te denken over de invoering van een heffing op kunststof en artikelen voor eenmalig gebruik, teneinde het gebruik van duurzamere alternatieven aan te moedigen;

57.  is van mening dat eigen middelen op basis van een elektriciteitsbelasting zouden overlappen met het toepassingsgebied van ETS en problemen zouden opleveren voor de stabiliteit van het investeringsklimaat en de financiële lasten voor huishoudens;

58.  is van mening dat, wanneer de ene of andere eigenmiddelenbron voor een bepaalde lidstaat een buitensporig zware last betekent, die last kan worden verlicht door middel van aanvullende steun via EU-programma's voor een beperkte duur en een beperkt bedrag, in overeenstemming met de doelstellingen en streefdoelen van de Unie; benadrukt dat die steun niet moet worden verleend in de vorm van nieuwe kortingen of correcties aan de ontvangstenzijde van de EU-begroting;

59.  benadrukt dat de invoering van milieubelastingen en -heffingen geen invloed mag hebben op het recht van de lidstaten om de voorwaarden voor de exploitatie van hun energiebronnen te bepalen, tussen verschillende energiebronnen te kiezen en de algemene structuur van hun energievoorziening te bepalen;

Andere ontvangstenbronnen

60.  herinnert eraan dat eigen middelen weliswaar het belangrijkste onderdeel van de ontvangsten van de EU-begroting moeten vormen, maar dat zij moeten worden aangevuld met wat in artikel 311 VWEU "andere ontvangsten" wordt genoemd, bestaande uit: door het personeel van de EU betaalde loonbelasting, ontvangsten die voortvloeien uit de administratieve werking van de instellingen, zoals de opbrengst van de verkoop van de goederen, huur en verhuur, de verlening van diensten en bankrente, bijdragen van derde landen aan bepaalde EU-programma’s, achterstandsrente, door bedrijven betaalde boetes, in de meeste gevallen wegens inbreuk op het EU-mededingingsrecht en ontvangsten afkomstig van opgenomen en verstrekte leningen;

61.  merkt op dat het saldo van elk begrotingsjaar in het geval van een overschot als ontvangstenpost op de begroting van het volgende begrotingsjaar wordt geboekt en dat andere ontvangsten, saldi en technische aanpassingen, inclusief het overschot van het voorgaande jaar, ongeveer 6 % van de totale ontvangsten uitmaken; onderstreept dat de "andere ontvangsten" in de afgelopen jaren voor het grootste deel bestonden uit geldboetes, die alleen al goed zijn voor 2,5 % van de totale ontvangsten (exclusief bestemmingsontvangsten);

62.  betreurt dat het potentieel van die andere ontvangsten tot dusver verwaarloosd is in het debat over de financiering van de EU; is van mening dat die ontvangsten, zelfs als ze vanwege hun omvang, veranderlijkheid en onvoorspelbaarheid geen alternatief vormen voor andere eigen middelen, toch een mogelijke manier bieden om in het kader van het volgende MFK de toegenomen financiële behoeften te dekken;

63.  herinnert eraan dat de juridische procedures met betrekking tot deze ontvangsten en eventuele wijzigingen daarin flexibeler zijn dan die voor eigen middelen, omdat zij niet in het eigenmiddelenbesluit, maar in de secundaire wetgeving zijn vastgesteld en derhalve niet onderworpen zijn aan het unanimiteitsvereiste;

64.  herinnert eens te meer aan zijn vaste standpunt dat alle ontvangsten uit boetes die aan ondernemingen zijn opgelegd vanwege inbreuken op het mededingingsrecht van de EU, of die verband houden met te late betalingen van nationale bijdragen aan de EU-begroting, als extra ontvangstenpost op de EU-begroting moeten worden geboekt, zonder dat de bni-bijdragen dienovereenkomstig worden verlaagd;

65.  pleit ervoor om hiertoe een speciale reserve aan te leggen aan de ontvangstenkant van de EU-begroting, die geleidelijk zal worden aangevuld met alle soorten onvoorziene andere ontvangsten; is van mening dat deze reserve moet worden ingezet om extra betalingsbehoeften te dekken, in het bijzonder de behoeften die verband houden met de gebruikmaking van de overkoepelende marge voor vastleggingen of de speciale MFK-instrumenten;

66.  wijst nadrukkelijk op het potentieel voor de EU-begroting van vergoedingen die betaald moeten worden voor de uitvoering van beleidsmaatregelen van de EU, en in het bijzonder van Europese regelingen zoals het Europees systeem voor reisinformatie en -autorisatie (Etias) voor onderdanen van derde landen; is van mening dat die ontvangsten in bepaalde gevallen kunnen worden gereserveerd voor hetzelfde beleid of doel; is van mening dat er voor de EU-programma's en -beleidsvormen van de periode na 2020 stelselmatiger rekening moet worden gehouden met dit soort verwachte ontvangsten, met als doel de EU-begroting van een aanvullende ontvangstenbron te voorzien;

67. wijst erop dat in 2016 de aan decentrale EU-organen toegewezen ontvangsten, zoals vergoedingen en heffingen van industrieën en bijdragen uit nationale begrotingen, circa 1 miljard EUR bedroegen; verzoekt de Commissie om in het volgende MFK een coherente benadering voor te stellen ten aanzien van de financiering uit bijdragen van agentschappen;

***

68.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105.

(2)

PB L 168 van 7.6.2014, blz. 29.

(3)

PB L 168 van 7.6.2014, blz. 39.

(4)

PB C 27E van 31.1.2008, blz. 214.

(5)

PB C 380E van 11.12.2012, blz. 89.

(6)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0378.

(7)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0432.

(8)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0097.

(9)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0309.

(10)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0401.

(11)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0310.


ADVIES van de Commissie internationale handel (22.1.2018)

aan de Begrotingscommissie

inzake hervorming van het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie

(2017/2053(INI))

Rapporteur voor advies: Wim van de Camp

SUGGESTIES

De Commissie internationale handel verzoekt de bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  vraagt het stelsel voor eigen middelen te hervormen, en daarbij aandacht te besteden aan moderne prioriteiten, een goede kosteneffectiviteit en een efficiënt financieel beheer te verzekeren, en een voorspelbare en stabiele basis voor de EU-begroting te bieden, die onafhankelijk, transparant en evenwichtig is, en die de bestaande en steeds grotere druk op de EU-begroting zal aanpakken en de huidige complexe en ondoorzichtige kortingsregelingen zal vereenvoudigen met het oog op hun afschaffing, teneinde de financiële middelen op te leveren die nodig zijn om aan de vraag van onze burgers te voldoen;

2.  vraagt om de EU minder afhankelijk te maken van nationale bijdragen op basis van btw en bni, en een stelsel te overwegen waarin eigen middelen op basis van btw vervangen worden door de overdracht van een aandeel van de op nationaal niveau geheven btw;

3.  is ingenomen met de initiatieven om de eigen middelen van de EU grondig te hervormen, teneinde de steun van de lidstaten en de burgers voor een echt geloofwaardige en onafhankelijke EU-begroting te vergroten, de duurzame economie van de EU te bevorderen en Europese meerwaarde te creëren;

4.  onderstreept dat de douane-unie een fundamentele pijler is van de EU en als een van de grootste handelsblokken ter wereld van essentieel belang is bij onderhandelingen van de EU over handelsovereenkomsten; wijst erop dat de internationale handel van de EU rechtstreeks verband houdt met haar traditionele eigen middelen, die onder meer bestaan uit douanerechten op invoer van buiten de EU en suikerheffingen en die in 2015 goed was voor 12,8 % van de totale EU-ontvangsten;

5.  onderstreept dat de gevolgen van de sluiting van (vrij)handelsovereenkomsten door de EU voor de traditionele eigen middelen moeten worden geanalyseerd en dat er inkomstenbronnen moeten worden aangeboord om een eventuele daling van deze middelen en de eventuele daaropvolgende instabiliteit te compenseren;

6.  dringt erop aan dat de mogelijkheden inzake het creëren van douanerechten en heffingen op handel in goederen en diensten op basis van duurzaamheid en emissies aan een grondige juridische analyse en een haalbaarheidscontrole worden onderworpen en dat deze maatregelen mogelijk in het beleid en de overeenkomsten van de EU op het gebied van internationale handel worden opgenomen, als stimulans voor de handelspartners om op klimaatvriendelijke wijze te produceren en als bron van eigen middelen; benadrukt in dit verband dat dergelijke maatregelen uitsluitend ingevoerd kunnen worden als zij zonder enige twijfel in overeenstemming zijn met de WTO-regels, en zij een internationaal gelijk speelveld en het concurrentievermogen van EU-bedrijven, waarvan kmo's een belangrijk deel zijn, verzekeren;

7.  herhaalt zijn vorige oproepen voor een benadering van de douanevoorschriften en -procedures van de EU die moderner, effectiever, efficiënter, ondubbelzinnig en minder uiteenlopend is, waarbij gestreefd wordt naar optimalisering en handhaving van het huidige EU-douanestelsel, en samenwerking gestimuleerd wordt met het oog op het aanpakken en bestrijden van belastingontduiking en alle vormen van oneerlijke concurrentie zodat douanerechten en heffingen daadwerkelijk voor de eigen middelen van de EU kunnen worden geïnd;

8.  merkt op dat handelsbeschermingsinstrumenten (TDI's) een bron van eigen middelen van de EU zijn, maar dat zij door hun aard niet gebruikt mogen of kunnen worden als voorspelbare en stabiele basis voor een consistente bijdrage aan de eigen middelen van de EU; onderstreept het feit dat TDI's niet in de eerste plaats mogen worden gebruikt als bron van eigen middelen van de EU, aangezien zij alleen mogen worden ingezet op passende en proportionele wijze, in overeenstemming met de geldende voorschriften.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

23.1.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

25

6

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

William (The Earl of) Dartmouth, Laima Liucija Andrikienė, Maria Arena, Tiziana Beghin, David Borrelli, David Campbell Bannerman, Daniel Caspary, Salvatore Cicu, Eleonora Forenza, Karoline Graswander-Hainz, Nadja Hirsch, Yannick Jadot, France Jamet, Bernd Lange, David Martin, Emma McClarkin, Anne-Marie Mineur, Sorin Moisă, Alessia Maria Mosca, Franz Obermayr, Artis Pabriks, Inmaculada Rodríguez-Piñero Fernández, Tokia Saïfi, Joachim Schuster, Joachim Starbatty, Adam Szejnfeld, Hannu Takkula, Iuliu Winkler

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Reimer Böge, Seán Kelly, Sander Loones, Fernando Ruas, Lola Sánchez Caldentey, Jarosław Wałęsa

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Virginie Rozière

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

25

+

ALDE

Nadja Hirsch, Hannu Takkula

EFDD

Tiziana Beghin, David Borrelli

PPE

Laima Liucija Andrikienė, Reimer Böge, Daniel Caspary, Salvatore Cicu, Seán Kelly, Sorin Moisă, Artis Pabriks, Fernando Ruas, Tokia Saïfi, Adam Szejnfeld, Jarosław Wałęsa, Iuliu Winkler

S&D

Maria Arena, Karoline Graswander-Hainz, Bernd Lange, David Martin, Alessia Maria Mosca, Inmaculada Rodríguez-Piñero Fernández, Virginie Rozière, Joachim Schuster

VERTS/ALE

Yannick Jadot

6

-

ECR

David Campbell Bannerman, Sander Loones, Emma McClarkin, Joachim Starbatty

ENF

France Jamet, Franz Obermayr

4

0

EFDD

William (The Earl of) Dartmouth

GUE/NGL

Eleonora Forenza, Anne-Marie Mineur, Lola Sánchez Caldentey

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie begrotingscontrole (27.11.2017)

aan de Begrotingscommissie

inzake hervorming van het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie

(2017/2053(INI))

Rapporteur voor advies: Nedzhmi Ali

SUGGESTIES

De Commissie begrotingscontrole verzoekt de bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat er in een situatie van beperkte middelen nieuw belang moet worden gehecht aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie wanneer de inkomsten op de EU-begroting worden verhoogd met een hoger geraamd bedrag aan eigen middelen; overwegende er ook weer meer belang moet worden toegekend aan versterkte samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten;

B.  overwegende dat de EU-begroting primair een investeringsbegroting is met een zekere mate van herverdeling tussen de lidstaten, en voornamelijk dient ter ondersteuning van gemeenschappelijke EU-beleidsmaatregelen en -doelstellingen, door zaaikapitaal te leveren voor investeringen op middellange tot lange termijn;

C.  overwegende dat een van de voornaamste doelen van de EU-begroting de ondersteuning moet zijn van een snellere groei en werkgelegenheid in de minder ontwikkelde regio's, om te komen tot een gelijk sociaal en economisch niveau van ontwikkeling in alle lidstaten, waaraan een ruimer gebruik van eigen middelen in aanzienlijke mate zou bijdragen;

1.  is van mening dat eigen middelen moeten worden geconcentreerd op projecten die de grootste Europese toegevoegde waarde (ETW) kunnen genereren; benadrukt dat de uitgaven moeten worden geconcentreerd op gebieden waarvoor financiering op Europees niveau onontbeerlijk is, of waarvoor financiering op nationaal niveau onvoldoende zou zijn om de Europese doelstellingen te verwezenlijken;

2.  wijst erop dat het huidige stelsel van eigen middelen buitensporig complex is en dat daarin onevenredig veel nadruk wordt gelegd op de nettosaldi tussen lidstaten; is voorstander van de invoering van nieuwe eigen middelen, waardoor de EU-begroting minder afhankelijk wordt van de bni-bijdragen van de lidstaten en de EU-middelen beter kunnen worden ingezet voor de financiering van EU-beleid en -prioriteiten; is van mening dat het aandeel van nieuwe echte eigen middelen moet worden verhoogd tot minstens 50 % van de ontvangsten van de EU-begroting;

3.  is van mening dat de komende onderhandelingen over het volgende meerjarig financieel kader (MFK), alsook de brexit de EU de kans bieden om haar stelsel van eigen middelen te hervormen; meent dat de lidstaten en de Commissie een hervorming moeten voorbereiden die stoelt op duidelijke en gezamenlijk overeengekomen beginselen; verzoekt de lidstaten derhalve over te gaan tot een diepgaande hervorming van het stelsel en de financiering van de EU in de toekomst stabieler, duurzamer en voorspelbaarder te maken, met een grotere mate van transparantie en meer verantwoording naar de burgers toe; verzoekt de Commissie de aanbevelingen in overweging te nemen die de Groep op hoog niveau eigen middelen heeft gedaan in zijn verslag over de toekomstige financiering van de EU;

4.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de hervorming aan te grijpen om stimuleringsmaatregelen in te voeren en de lidstaten ertoe aan te moedigen te investeren in het Europese project, en alle correctie- en kortingsmechanismen af te schaffen, zodat er een eenvoudigere, stabielere, eerlijkere en transparantere structuur ontstaat; is in dit verband van mening dat nationale bijdragen aan de EU-begroting buiten beschouwing moeten worden gelaten bij de berekening van tekorten in het kader van het stabiliteits- en groeipact;

5.  verzoekt de lidstaten rekening te houden met de risico's die verhoging van de eigen middelen kan meebrengen voor het stelsel voor de inning van ontvangsten, waarin dus de nodige waarborgen moeten worden ingebouwd;

6.  vestigt de aandacht op de noodzaak van versterking van de bestaande controlesystemen en de invoering van nieuwe mechanismen om fraude en onregelmatigheden te voorkomen die een bedreiging kunnen vormen voor de financiële belangen van de EU bij de inning van nieuwe eigen middelen; verzoekt de Commissie in dit verband bereid te zijn om relevante maatregelen voor te stellen voor de bescherming van de financiële belangen van de EU wanneer en indien er door de lidstaten nieuwe eigen middelen voor de begroting van de Unie worden ingevoerd;

7.  betreurt de verschillen in de douanecontroles die in de Unie worden verricht, en de grote bedragen die gemoeid zijn met de fraude waarmee het stelsel voor de inning van de eigen middelen te maken heeft; benadrukt het belang van douane-inspecties en de daarmee verbonden inning van douaneheffingen; vestigt de aandacht op het inkomstenverlies als gevolg van de btw-kloof en grensoverschrijdende btw-fraude; onderstreept dat smokkel van zwaarbelaste goederen grote inkomstenverliezen betekent voor de begroting van de EU en de lidstaten; verzoekt de Commissie het gemeenschappelijk beleid inzake douanecontroles te versterken en toe te werken naar werkelijke harmonisatie, zodat de inning van de traditionele eigen middelen kan worden verbeterd;

8.  herinnert eraan dat het belangrijk is de informatie-uitwisseling met instanties als OLAF en Europol te faciliteren en te versnellen om douanefraude en grensoverschrijdende belastingcriminaliteit te bestrijden; vestigt de aandacht met name op de toename van de gevallen van transnationale btw-fraude, de zogenoemde "carousselfraude", en verzoekt de Commissie om verdere aanscherping van de maatregelen om dit soort fraude te voorkomen en te vermijden; acht het essentieel dat de btw-middelen in praktische zin geoptimaliseerd worden zonder extra lasten voor de EU-burgers en de lidstaten;

9.  is van mening dat eventuele nieuwe middelen moeten stoelen op drie grondbeginselen: eenvoud, eerlijkheid en democratische controle; herinnert eraan dat bij het nadenken over nieuwe middelen rekening moet worden gehouden met de door de Groep op hoog niveau eigen middelen genoemde beginselen; wijst erop dat een nieuw systeem begrijpelijk en transparant moet zijn voor de Europese belastingbetaler, en veroordeelt het op een nulsaldo gerichte beleid dat sommige lidstaten momenteel voeren; is van mening dat men zich in de begrotingsonderhandelingen niet laat leiden door het ETW-beginsel, maar door de nationale logica van een "eerlijk rendement" en begrotingsevenwicht;

10.  moedigt de Commissie en de lidstaten voorts aan om andere voor de EU beschikbare belastingmiddelen in overweging te nemen waarmee meer ETW in bepaalde risicogerelateerde beleidsdomeinen kan worden gerealiseerd en tegelijkertijd de EU-begroting kan worden versterkt en de op het bni en de btw gebaseerde middelen kunnen worden verlaagd; is van mening dat de huidige op de btw gebaseerde stelsel van eigen middelen vervangen moet worden door een correcte overdracht van een percentage van de op nationaal niveau geheven btw; meent dat er ook nieuwe middelen zouden kunnen komen uit Europese beleidsdomeinen, zoals het milieu-, energie-, klimaat- of vervoerbeleid;

11.  wijst erop dat het gebruik van eigen middelen moet worden gericht op Europese publieke goederen waar alle lidstaten in gelijke mate van kunnen profiteren en waarvoor optreden op EU-niveau niet alleen relevant maar ook onontbeerlijk is, of wanneer de nationale financieringsmogelijkheden niet volstaan om EU-prioriteiten en doelstellingen te verwezenlijken; benadrukt in dit verband het belang van de EU-begroting voor de bevordering van verdere integratie van de EU en cohesie tussen de lidstaten; wijst op twee gebieden met een toegenomen ETW die ook hoog gewaardeerd worden door de burgers, namelijk onderzoek en ontwikkeling en interne en externe veiligheid;

12.  wijst erop dat de EU moet overwegen minder te doen op terreinen waarop de Unie blijkbaar slechts een beperkte toegevoegde waarde heeft of haar beloftes niet kan nakomen; benadrukt echter dat, als er ambitieuze Europese doelstellingen bepaald worden, daarvoor ook voldoende middelen moeten worden toegewezen, en dat er voor nieuwe doelen ook nieuwe middelen moeten worden gepresenteerd;

13.  is ervan overtuigd dat uitgaven uit de eigen middelen voor projecten op het gebied van interne en externe veiligheid positief ontvangen zullen worden door de burgers, waardoor de ETW zal toenemen; is bezorgd over het lage niveau van de uitgaven op een aantal belangrijke gebieden, zoals voorbereidende acties gericht op samenwerking en onderzoek op het gebied van defensie en veiligheid;

14.  is ingenomen met het toegenomen gebruik van eigen middelen in projecten op het gebied van onderzoek en ontwikkeling, hoewel twijfel blijft bestaan over de aard van de gefinancierde projecten; benadrukt dat de uitgaven moeten worden geconcentreerd op projecten die winstgevend zijn op lange termijn en voordelen voor de EU opleveren, en niet zozeer op de financiering van programma's die alleen voordelen op korte termijn bieden;

15.  toont zich bezorgd over het geringe aandeel van de EU-begroting dat bestemd is voor klimaatgerelateerde uitgaven; blijft erbij dat de inkomsten uit eigen middelen moeten worden gebruikt voor projecten die een hogere ETW opleveren, waaronder projecten voor het tegengaan van klimaatverandering;

16.  verzoekt om een open debat over de handhaving van het betalingsniveau voor het cohesiebeleid en het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) in de volgende programmeringsperiode, gezien de additionaliteit en de hoge toegevoegde waarde van deze beleidsdomeinen voor de stabiliteit, het concurrentievermogen en de economische groei in Europa;

17.  dringt aan op gerichte capaciteitsopbouw in lidstaten die moeilijkheden ondervinden met centraal beheerde programma's, zoals de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF), Horizon 2020 het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI);

18.  verzoekt de Commissie in de loop van het komende jaar een mededeling voor te leggen aan het Parlement waarin zij uiteenzet hoe zij politieke langetermijndoelstellingen, zoals de Europa 2020-strategie, wil verwezenlijken tegen de achtergrond van de situatie die zal ontstaan na aanvang van het volgende MFK in 2020; is ervan overtuigd dat een EU-agenda voor het komende decennium een doorslaggevende rol moet spelen bij het ontwikkelen van opeenvolgende MFK's;

19.  herinnert eraan dat bij de toewijzing van eigen middelen rekening moet worden gehouden met langetermijnprojecten, zoals Horizon 2020 en de 10 prioriteiten van de Commissie-Juncker; verzoekt de Commissie om haar prioriteiten te richten op de succesvolle verwezenlijking van deze langetermijnprojecten;

20.  is van mening dat eenvoudigere en duidelijkere regels zullen bijdragen tot een snelle toewijzing van middelen en meer efficiëntie en transparantie, met minder fouten als gevolg; verzoekt de Commissie hiertoe een actieplan op te stellen;

21.  is bezorgd over de wijze waarop de toewijzing van uitgaven wordt gemeten; is van mening dat het systeem van begrotingsevenwicht niet passend is wanneer het gaat om projecten met ETW, aangezien deze projecten mogelijk slechts in één enkele lidstaat worden uitgevoerd, hetgeen tot een verstoord evenwicht tussen de rekeningen van het betrokken land en die van andere landen kan leiden;

22.  wijst erop dat de beleidsmaatregelen die alle EU-burgers ten goede komen en een grotere ETW opleveren, niet aantrekkelijk zijn vanuit een oogpunt van nettosaldi; is dan ook van oordeel dat een nieuwe methode voor het meten van de waarde van projecten moet worden ontwikkeld en een gestroomlijnde rapportage moet worden ingevoerd;

23.  wijst er nogmaals op dat het van cruciaal belang is eigen middelen toe te wijzen aan projecten die de grootste ETW kunnen genereren, in plaats van alleen te kijken naar de rekeningen van elke lidstaat; spoort de Commissie aan om ambitieuze voorstellen voor nieuwe eigen middelen in te dienen; is van mening dat dit het relatieve aandeel van de nationale bni-bijdragen aan de EU-begroting zou kunnen verkleinen en aldus een einde zou helpen maken aan de anti-Europese focus op alleen maar eerlijk rendement op nettosaldi;

24.  is van mening dat de Commissie moet nagaan of het mogelijk is de EU-begroting te versterken door een CO2-heffing in te voeren waarbij voor koolstof betaald wordt in de vorm van belasting of met behulp van marktinstrumenten; is van oordeel dat een dergelijk instrument kan zorgen voor een grote ETW, aangezien de heffing een stimulans voor consumenten en producenten kan zijn om hun gedrag te veranderen ten faveure van een minder koolstofintensieve toekomst; is echter van oordeel dat elke EU-oplossing die op belastingen gebaseerd is zo neutraal mogelijk moet zijn voor de totale belastingdruk van een bepaalde lidstaat; wijst erop dat bij zo'n heffing ook rekening moet worden gehouden met de huidige regelingen voor de emissiehandel om overlapping en conflicterende middelen en doelstellingen te voorkomen;

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

20.11.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

17

1

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Nedzhmi Ali, Inés Ayala Sender, Martina Dlabajová, Luke Ming Flanagan, Ingeborg Gräßle, Arndt Kohn, Monica Macovei, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Petri Sarvamaa, Bart Staes, Hannu Takkula, Tomáš Zdechovský, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Brian Hayes, Karin Kadenbach, Younous Omarjee, Julia Pitera

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Tiziana Beghin, Tiemo Wölken

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

17

+

ALDE

ECR

GUE/NGL

PPE

S&D

Verts/ALE

Nedzhmi Ali, Martina Dlabajová, Hannu Takkula

Monica Macovei

Younous Omarjee

Ingeborg Gräßle, Brian Hayes, Julia Pitera, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Petri Sarvamaa, Tomáš Zdechovský, Joachim Zeller

Arndt Kohn, Karin Kadenbach, Inés Ayala Sender, Tiemo Wölken

Bart Staes

1

-

EFDD

Tiziana Beghin

1

0

GUE/NGL

Luke Ming Flanagan

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie economische en monetaire zaken (29.1.2018)

aan de Begrotingscommissie

inzake de hervorming van het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie

(2017/2053(INI))

Rapporteur voor advies: Luigi Morgano

SUGGESTIES

De Commissie economische en monetaire zaken verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat uit recente enquêtes naar voren komt dat een meerderheid van de Europese burgers voorstander is van een actievere EU op het gebied van defensie en veiligheid, onderwijs en innovatie en sociaaleconomisch beleid, en dat dit budgettaire gevolgen heeft;

B.  overwegende dat de brexit een aanzienlijk effect zal hebben op de inkomstenzijde van de EU-begroting;

C.  overwegende dat de bni-bijdrage is ingevoerd om uitgaven op te vangen die niet door andere inkomsten op EU-niveau worden gedekt, en als zodanig een aanvullende functie kan hebben; benadrukt dat het aandeel van de bni-bijdrage is gegroeid van 13,2 % in 1991 tot 66,3 % in 2016, en thans de belangrijkste bron van financiering voor de EU-begroting is;

1.  is verheugd over de benadering waarvoor is gekozen in het reflectiedocument over de toekomst van de EU-financiën, namelijk dat de grondbeginselen van de EU-begroting moeten zijn dat er een Europese meerwaarde ten opzichte van de nationale begrotingen wordt gerealiseerd, schaalvoordelen worden behaald en het meest efficiënte en gerichte gebruik van de EU-middelen wordt verzekerd om "het maximale uit elke bestede euro te halen";

2.  benadrukt dat een hervormd stelsel van eigen middelen van de EU er niet toe mag leiden dat de belastingdruk op de EU-burgers verder omhoog gaat en het regressieve karakter van dit stelsel wordt versterkt;

3.  is van mening dat door al te sterk te leunen op de bni-bijdrage als belangrijkste bron van financiering voor de EU-begroting de logica van een "juste retour" wordt bestendigd; is ingenomen met de werkzaamheden van de Groep op hoog niveau eigen middelen, en met name met de maatregelen die zijn voorgesteld om het aandeel van de bni-bijdrage te compenseren; stelt dat door het gebruik van traditionele en nieuwe echte eigen middelen de bni-bijdrage ten minste gedeeltelijk kan worden vervangen en daarmee verminderd;

4.  is van oordeel dat bij de hervorming van het stelsel van eigen middelen moet worden uitgegaan van de beginselen van eenvoud, stabiliteit, flexibiliteit, transparantie, billijkheid, democratie en Europese meerwaarde, opdat de burgers beter begrijpen hoe de EU-begroting wordt gefinancierd;

5.  is van mening dat, zoals in het verslag van de Groep op hoog niveau wordt onderstreept, de voorkeur moet worden gegeven aan echte eigen middelen met een duidelijke Europese bestemming;

6.  is ingenomen met de visie op de eigen middelen uit de btw die in het voorstel van de Groep op hoog niveau wordt verwoord en gericht is op vereenvoudiging, verlaging van de administratieve kosten en versterking van de samenhang met het btw-beleid van de EU en de feitelijke btw-ontvangsten; is van mening dat een dergelijke hervorming van de eigen middelen uit de btw een bijdrage zou leveren aan een doeltreffender bestrijding van belastingfraude, -ontduiking en -ontwijking; is voorts van mening dat alleen een definitief btw-stelsel in de EU en de daarmee samenhangende eigen middelen de Europese burger een eerlijk EU-begrotingssysteem kunnen verschaffen;

7.  is van mening dat de Commissie, uitgaande van de conclusies van de evaluatie van de CCCTB-richtlijn (gemeenschappelijke geconsolideerde grondslag voor de vennootschapsbelasting), de voorwaarden dient voor te stellen waaronder een deel van de op basis van de CCCTB geïnde belastinginkomsten wordt toegewezen aan de Uniebegroting, teneinde de begrotingsbijdragen van de lidstaten dienevenredig te verminderen;

8.  is verheugd over het debat over de mogelijke fiscale opties ter ondersteuning van de inspanningen van de EU bij de aanpak van milieuproblemen;

9.  benadrukt dat alle kortingen aan de inkomstenzijde moeten worden afgeschaft; is van mening dat het aandeel van de beheerskosten die nationale douanekantoren voor geïnde tarieven en betaalde vergoedingen ontvangen, niet hoger mag zijn dan de overeenkomstige administratiekosten;

10.  is ingenomen met het voornemen van de Commissie om een voorstel in te dienen over het opnemen van een specifieke begrotingslijn voor de eurozone in de EU-begroting;

11.  benadrukt dat het, ondanks de behoefte aan voldoende financiële middelen voor de EU, van belang is dat de belastingdruk op de burgers niet wordt verhoogd;

12.  neemt kennis van het EMU-pakket van de Commissie van 6 december 2017, waarin zij voorstellen presenteert om de functie van een zogeheten "Europese minister van Economische Zaken en Financiën" te creëren, het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM) om te vormen tot een Europees Monetair Fonds en nieuwe begrotingsinstrumenten in te voeren voor een stabiele eurozone in EU-verband;

13.  is van mening dat het, om te bereiken dat de eurozone alle burgers ten goede komt, van voordeel zou kunnen zijn een begrotingscapaciteit voor de eurozone in te voeren met een specifieke begrotingslijn in de EU-begroting, in het kader van de Unie, maar bovenop de maxima die worden berekend voor vastleggingen en betalingen in het meerjarig financieel kader, en binnen de in de Verdragen bepaalde juridische grenzen, waarbij overlapping met bestaande beleidslijnen en versnippering van de begroting vermeden moeten worden; pleit ervoor deze begrotingscapaciteit te voorzien van de middelen en instrumenten die nodig zijn om als macro-economische stabilisator te kunnen fungeren; benadrukt evenwel dat de lidstaten zich moeten houden aan het stabiliteits- en groeipact, met inbegrip van de bestaande flexibiliteitsclausules daarin; wijst op de noodzaak om ook investeringen te waarborgen, werkloosheid en onveiligheid te voorkomen, de lidstaten te stimuleren om structurele hervormingen door te voeren ter modernisering van hun economie, economische en sociale convergentie te realiseren en het financiële stelsel in Europa als geheel te versterken;

14.  is van mening dat, zoals voorgesteld door de Groep op hoog niveau, een begrotingscapaciteit voor de eurozone gedeeltelijk zou kunnen worden gefinancierd uit eigen middelen die eenvoudiger kunnen worden ingevoerd in de eurozone, zoals een deel van de opbrengst van een belasting op financiële transacties, benadrukt evenwel dat een koppeling tussen specifieke inkomsten en uitgaven in de begroting dient te worden vermeden;

15.  is van oordeel dat er een duidelijk verband moet worden aangebracht tussen de begrotingsuitgaven en de strategische doelstellingen, zodat de democratische legitimiteit van de op Europees niveau overeengekomen maatregelen verzekerd is; is van mening dat, wil men het draagvlak voor Europese eigen middelen vergroten, deze middelen een duidelijke meerwaarde op EU-niveau moeten hebben;

16.  is van mening dat democratische procedures, transparantie en een duidelijke koppeling tussen besluitvorming, verantwoordingsplicht en aansprakelijkheid het fundament vormen van de legitimiteit van het overheidsbeleid op EU- en nationaal niveau, met name waar het gaat om begrotingsbeleid; neemt kennis van het voorstel van de voorzitter van de Commissie om binnen de Commissie de functie van een zogeheten "Europese minister van Economische Zaken en Financiën" te creëren; is van mening dat hierdoor de democratische verantwoording voor de economische governance in de EU, met name ten aanzien van het Europees Parlement, zou kunnen verbeteren;

17.  is van mening dat het besluit van de Raad over de eigen middelen op basis van een grotere betrokkenheid van het Europees Parlement moet worden genomen.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

24.1.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

39

13

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Gerolf Annemans, Burkhard Balz, Hugues Bayet, Pervenche Berès, Udo Bullmann, David Coburn, Esther de Lange, Markus Ferber, Jonás Fernández, Sven Giegold, Roberto Gualtieri, Brian Hayes, Danuta Maria Hübner, Cătălin Sorin Ivan, Barbara Kappel, Wajid Khan, Wolf Klinz, Philippe Lamberts, Werner Langen, Sander Loones, Bernd Lucke, Olle Ludvigsson, Ivana Maletić, Fulvio Martusciello, Bernard Monot, Caroline Nagtegaal, Luděk Niedermayer, Stanisław Ożóg, Dimitrios Papadimoulis, Sirpa Pietikäinen, Dariusz Rosati, Pirkko Ruohonen-Lerner, Anne Sander, Martin Schirdewan, Molly Scott Cato, Pedro Silva Pereira, Peter Simon, Kay Swinburne, Ramon Tremosa i Balcells, Ernest Urtasun, Marco Valli, Tom Vandenkendelaere, Jakob von Weizsäcker

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Enrique Calvet Chambon, Matt Carthy, Mady Delvaux, Herbert Dorfmann, Ramón Jáuregui Atondo, Verónica Lope Fontagné, Thomas Mann, Luigi Morgano, Lieve Wierinck

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Edward Czesak, Manolis Kefalogiannis, Rainer Wieland

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

39

+

ALDE

Enrique Calvet Chambon, Ramon Tremosa i Balcells, Lieve Wierinck

PPE

Burkhard Balz, Herbert Dorfmann, Markus Ferber, Brian Hayes, Danuta Maria Hübner, Manolis Kefalogiannis, Esther de Lange, Werner Langen, Verónica Lope Fontagné, Ivana Maletić, Thomas Mann, Fulvio Martusciello, Luděk Niedermayer, Sirpa Pietikäinen, Dariusz Rosati, Anne Sander, Tom Vandenkendelaere, Rainer Wieland

S&D

Hugues Bayet, Pervenche Berès, Udo Bullmann, Mady Delvaux, Jonás Fernández, Roberto Gualtieri, Cătălin Sorin Ivan, Ramón Jáuregui Atondo, Wajid Khan, Olle Ludvigsson, Luigi Morgano, Pedro Silva Pereira, Peter Simon, Jakob von Weizsäcker

VERTS/ALE

Sven Giegold, Philippe Lamberts, Molly Scott Cato, Ernest Urtasun

13

-

ALDE

Caroline Nagtegaal

ECR

Edward Czesak, Sander Loones, Bernd Lucke, Stanisław Ożóg, Pirkko Ruohonen-Lerner, Kay Swinburne

EFDD

David Coburn, Marco Valli

ENF

Gerolf Annemans, Bernard Monot

GUE/NGL

Matt Carthy, Martin Schirdewan

3

0

ALDE

Wolf Klinz

ENF

Barbara Kappel

GUE/NGL

Dimitrios Papadimoulis

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (8.12.2017)

aan de Begrotingscommissie

inzake hervorming van het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie

(2017/2053(INI))

Rapporteur voor advies: Ivo Belet

SUGGESTIES

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  benadrukt dat tijdens de periode 2020-2030 aanzienlijke bijkomende investeringen noodzakelijk zijn om de overgang naar een duurzame, circulaire en koolstofarme economie te stimuleren, de gezamenlijk overeengekomen doelstellingen van de energie-unie te verwezenlijken en de in het kader van de Overeenkomst van Parijs gedane toezeggingen na te komen;

2.  is ervan overtuigd dat het, wil men tastbare vooruitgang boeken op deze belangrijke EU-beleidsterreinen en halverwege deze eeuw CO2-neutraliteit te bereiken, essentieel is het klimaat te mainstreamen en de EU-begroting grondig te hervormen; wijst erop dat in artikel 2, onder c), van de Overeenkomst van Parijs de noodzaak wordt benadrukt om de geldstromen in lijn te brengen met een traject naar broeikasgasarme en klimaatbestendige ontwikkeling;

3.  is van mening dat subsidiariteit, solidariteit en duurzaamheid de leidende beginselen moeten zijn voor een hervorming van de EU-begroting, zodat er een meer doeltreffende EU-begroting ontstaat die steunt op een combinatie van nieuwe en bestaande eigen middelen, die rechtstreeks en op transparante wijze bijdragen tot investeringen in projecten met een duidelijke Europese meerwaarde voor de burgers, het bedrijfsleven en het milieu;

4.  herinnert eraan dat de invoering van nieuwe eigen middelen of andere soorten EU-inkomsten de EU-begroting minder afhankelijk moet maken van bijdragen die gebaseerd zijn op het bruto nationaal inkomen (bni) van de lidstaten en moet leiden tot verlaging van deze bijdragen;

5.  is van mening dat eigen middelen op basis van een elektriciteitsbelasting zouden overlappen met het toepassingsgebied van het emissiehandelssysteem van de EU (EU-ETS) en problemen kunnen opleveren voor de stabiliteit van het investeringsklimaat en de financiële lasten voor huishoudens;

6.  wijst erop dat het DG Milieu goed is voor het op een na grootste aandeel boetes wegens niet-naleving van de EU-wetgeving, ten belope van 284 miljoen EUR voor de periode 2014-2017; vraagt dat ontvangsten die rechtstreeks voortvloeien uit EU-wetgeving en de handhaving ervan als "overige ontvangsten" in de EU-begroting worden opgenomen en bestemd worden voor investeringen in projecten die de grootste Europese meerwaarde op het gebied van het milieu opleveren; herinnert er echter aan dat inkomsten uit boetes geen stabiele inkomstenbron voor de EU-begroting zijn;

7.  vraagt dat een deel van de inkomsten uit ETS-veilingen vanaf fase 4 (2021) wordt aangewend voor concrete, duurzame en koolstofarme EU-projecten, zoals maximalisering van het gebruik van bestaande, en zo nodig de aanleg van nieuwe grensoverschrijdende energie-infrastructuur (bijvoorbeeld om de integratie van hernieuwbare energiebronnen te vergemakkelijken), energieopslag en investeringen in baanbrekende innovatie in de industrie, teneinde bij te dragen aan een correcte transitie naar een koolstofarme economie; verzoekt de Commissie nader in te gaan op de vraag hoe bestaande en toekomstige EU-fondsen en -programma's kunnen worden gebruikt ter ondersteuning van de correcte transitie in steenkool- en koolstofintensieve regio's; merkt op dat de inkomsten uit de veiling van emissierechten naar verwachting vanaf fase 4 zullen stijgen;

8.  wenst dat wordt nagegaan of inkomsten uit gezamenlijk overeengekomen nationale tolheffingssystemen op basis van de afstand, de reistijd en de uitstoot van het vervoer kunnen bijdragen aan de financiering van EU-projecten ter bevordering van emissieloze en emissiearme mobiliteit, met inbegrip van stimulansen voor emissiearme of emissieloze voertuigen, emissiearme alternatieve energiebronnen voor vervoer, en duurzaam multimodaal vervoer, in het bijzonder hogesnelheidsspoorlijnen en emissiearme binnenvaart; verzoekt de Commissie en de lidstaten bij de ontwikkeling van tolheffingssystemen rekening te houden met de specifieke situatie van afgelegen en plattelandsgebieden, die worden gekenmerkt door, bijvoorbeeld, lange afstanden en gebrekkig openbaar vervoer;

9.  is van mening dat extra ontvangsten uit emissiebijdragen van de intracommunautaire luchtvaart vooral moeten worden gebruikt voor onderzoek naar en investeringen in koolstofarme vliegtuigen in de EU en voor een nog efficiënter luchtruimgebruik;

10.  is van mening dat, omdat er geen geharmoniseerde internationale maatregelen voor kerosineheffing bestaan, moet worden overwogen om een op koolstofintensiteit van vluchten gebaseerde heffing in te voeren;

11.  is van mening dat eventuele toekomstige op emissies gebaseerde scheepvaartbijdragen opnieuw in de Europese scheepvaartsector moeten worden geïnvesteerd via de financiering van onderzoek naar en ontwikkeling van schonere technologie en duurzame schepen;

12.  is van mening dat inkomsten uit het Europees Systeem voor reisinformatie en -autorisatie (Etias) voor onderdanen van derde landen moeten worden gebruikt voor investeringen in onderzoek en ontwikkeling op het gebied van schone, koolstofarme luchtvaart en voor het nog efficiënter maken van het luchtruimgebruik, en om de financiering voor de Europese grens- en kustwacht uit te breiden;

13.  verzoekt om verkenning van de mogelijkheid om eigen middelen in te voeren die gebaseerd zijn op het koolstofgehalte van in de interne markt verkochte consumptiegoederen, met inbegrip van goederen die in de interne markt worden ingevoerd, zoals een mechanisme voor koolstofgrenscorrectie of een belasting op toegevoegde koolstof (btk) die geleidelijk aan een deel van de huidige eigen middelen uit de btw zouden vervangen.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

7.12.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

37

7

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marco Affronte, Zoltán Balczó, Ivo Belet, Biljana Borzan, Paul Brannen, Soledad Cabezón Ruiz, Nessa Childers, Miriam Dalli, Angélique Delahaye, Stefan Eck, Bas Eickhout, Karl-Heinz Florenz, Gerben-Jan Gerbrandy, Arne Gericke, Jens Gieseke, Sylvie Goddyn, Françoise Grossetête, Jytte Guteland, Karin Kadenbach, Urszula Krupa, Peter Liese, Norbert Lins, Susanne Melior, Rory Palmer, Piernicola Pedicini, Pavel Poc, John Procter, Julia Reid, Annie Schreijer-Pierik, Jadwiga Wiśniewska, Damiano Zoffoli

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Jørn Dohrmann, Herbert Dorfmann, Luke Ming Flanagan, Martin Häusling, Krzysztof Hetman, Merja Kyllönen, Gesine Meissner, Nuno Melo, Ulrike Müller, Gabriele Preuß, Bart Staes, Claude Turmes

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Norbert Erdős, Sven Schulze

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

37

+

ALDE

Gerben-Jan Gerbrandy, Gesine Meissner, Ulrike Müller

EFDD:

Piernicola Pedicini

GUE/NGL:

Stefan Eck, Merja Kyllönen

NI:

Zoltán Balczó

PPE:

Ivo Belet, Angélique Delahaye, Herbert Dorfmann, Norbert Erdős, Karl-Heinz Florenz, Jens Gieseke, Françoise Grossetête, Krzysztof Hetman, Peter Liese, Norbert Lins, Nuno Melo, Annie Schreijer-Pierik, Sven Schulze

S&D:

Biljana Borzan, Paul Brannen, Soledad Cabezón Ruiz, Nessa Childers, Miriam Dalli, Jytte Guteland, Karin Kadenbach, Susanne Melior, Rory Palmer, Pavel Poc, Gabriele Preuß, Damiano Zoffoli

VERTS/ALE:

Marco Affronte, Bas Eickhout, Martin Häusling, Bart Staes, Claude Turmes

7

-

ECR:

Jørn Dohrmann, Arne Gericke, Urszula Krupa, John Procter, Jadwiga Wiśniewska

EFDD:

Julia Reid

ENF:

Sylvie Goddyn

1

0

GUE/NGL:

Luke Ming Flanagan

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (24.1.2018)

aan de Begrotingscommissie

inzake de hervorming van het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie

(2017/2053(INI))

Rapporteur voor advies: Nicola Caputo

SUGGESTIES

De Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling verzoekt de bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  pleit voor een grondige hervorming van het stelsel van eigen middelen, zonder de fiscale druk voor de Europese belastingbetaler te verhogen, inclusief duidelijke prioriteiten en nieuwe eigen middelen die het aandeel verminderen van op het bni gebaseerde bijdragen (die goed waren voor 65,4 % van de inkomsten van de Unie in 2016); wijst erop dat hoewel het grootste deel van de inkomsten van de EU nog steeds afkomstig is van nationale bni- en btw-bijdragen, die niet als echte eigen middelen worden beschouwd; benadrukt dat de EU behoefte heeft aan een stabiele hervorming van het stelsel van eigen middelen en wijst er derhalve op dat bijvoorbeeld strafheffingen niet geschikt zijn als begrootbare inkomstenbronnen omdat ze niet voorspelbaar zijn; pleit tevens voor een geleidelijke afschaffing van alle vormen van korting; wijst erop dat het huidige systeem complexe en ondoorzichtige correctiemechanismen omvat die bijdragen aan het tekort aan voldoende betalingskredieten elk jaar;

2.  wijst erop dat in het verslag van de Groep op hoog niveau inzake eigen middelen (HLGOR) nieuwe voorstellen worden gedaan, waaronder de hervorming van de eigen middelen uit de btw en het emissiehandelssysteem van de EU, een CO2-heffing, belastingen op vervoer en elektriciteit, en inkomsten uit de eengemaakte digitale markt; onderstreept dat de invoering van nieuwe eigen middelen zou kunnen leiden tot meer beleidssamenhang tussen de inkomsten- en uitgavenzijde van de begroting; benadrukt dat, in weerwil van deze voorstellen, de bijdragen van de lidstaten als belangrijke bron van eigen middelen gehandhaafd moeten blijven in een eenvoudiger, transparanter, eerlijker, en aan democratische controle onderworpen stelsel, waarin de inkomsten op een doordachte manier worden besteed;

3.  nodigt alle partijen uit de passende conclusies te trekken uit het verslag van de HLGOR en de haalbaarheid te onderzoeken van de aanbevelingen die kunnen bijdragen aan het transparanter, stabieler, eenvoudiger, coherent eerlijker en voorspelbaarder maken van de EU-begroting, en waarbij met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel steeds meer de nadruk komt te liggen op solidariteit en herverdeling tussen rijkere en armere landen; dit omdat het huidige systeem van eigen middelen wordt gekenmerkt door een hoge mate van complexiteit die leidt tot een gebrek aan transparantie dat door een gezamenlijke inspanning van de EU-instellingen en de lidstaten moet worden verholpen;

4.  wijst erop dat deze nieuwe soorten eigen middelen essentieel zijn voor de financiering van nieuwe uitdagingen voor de EU zoals migratie, het klimaatakkoord van Parijs, interne veiligheid en defensie, en voor de compensatie van het verwachte verlies van 9 tot 12 miljard EUR aan inkomsten per jaar als gevolg van de brexit; merkt tevens op dat er om de Europese toegevoegde waarde te behouden van de EU-begroting nieuwe eigen middelen nodig zijn om de EU in staat te stellen haar traditionele beleid en nieuwe prioriteiten naar behoren te financieren en de mogelijke bezuinigingen op de uitgaven voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) te voorkomen, die genoemd worden in de discussienota van de Commissie over de toekomst van de financiën van de EU;

5.  benadrukt dat landbouwheffingen zowel een beleids- als een financieringsinstrument zijn voor het GLB en dat vrijhandelsovereenkomsten zullen leiden tot een daling van de ontvangsten uit accijnzen; merkt op dat in het verslag van de HGLOR wordt aanbevolen deze heffingen in de toekomst te handhaven in de GLB-begroting omdat zij eenvoudige, efficiënte en echte eigen middelen vormen voor de Unie; merkt op dat het belang van de traditionele eigen middelen in de loop der jaren gestaag is verminderd, aangezien de daling van de gemiddelde tarieven niet voldoende is gecompenseerd door een toename van het handelsvolume;

6.  benadrukt dat extra inkomsten, waaronder boetes in mededingingszaken en hoger dan verwachte douanerechten, niet leiden tot mogelijkheden voor extra uitgaven, maar tot lagere op het bni gebaseerde bijdragen;

7.  wijst erop dat hervorming van de eigen middelen uit de btw (vervanging van het bestaande stelsel), eigen middelen op basis van de vennootschapsbelasting, een belasting op financiële transacties of andere belastingen op financiële activiteiten, als voordeel heeft dat de werking van de eengemaakte markt wordt verbeterd;

8.  benadrukt de meerwaarde van het GLB voor de bevordering van de innovatie in, het concurrentievermogen en de duurzaamheid van de agrarische sector, de versterking van de voedsel- en milieuzekerheid van de Unie op lange termijn en de waarborgen voor de stabiliteit van de voedselprijzen door middel van meer stabiele landbouwinkomens en duurzame maatregelen op het gebied van plattelandsontwikkeling waarbij wordt geïnvesteerd in plattelandsgemeenschappen en landbouwbedrijven om ontvolking van het platteland te voorkomen en het potentieel van plattelandsgebieden te benutten; erkent de noodzaak van een hervorming van het GLB ter versterking van de geloofwaardigheid en het draagvlak onder niet-landbouwers met betrekking tot voortzetting van de steun door meer collectieve milieugoederen te leveren en voor een billijkere verdeling van de betalingen tussen en in de lidstaten te zorgen; ten slotte, onderstreept de noodzaak om de bijdrage van landbouwrechten aan de EU-financiën te waarborgen;

9.  wijst erop dat het GLB in de eerste plaats dagelijks circa 500 miljoen Europese burgers voorziet van betaalbare levensmiddelen van hoge kwaliteit; wijst er daarnaast op dat dit elke EU-burger gemiddeld 32 cent per dag kost als bijdrage voor gezonde, veilige voedingsmiddelen en een rijk geschakeerd cultuurlandschap; benadrukt dat het GLB als enig volledig geïntegreerd Europees beleid de grootste Europese meerwaarde oplevert en dat een nationaal gefinancierd landbouwbeleid aanzienlijk duurder zou zijn;

10.  benadrukt dat een onrechtstreekse inkomstenverbetering ook kan worden verwezenlijkt door het vereenvoudigen en minder bureaucratisch maken van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;

11.  vraagt met klem dat de middelen die via het mechanisme voor financiële discipline in de landbouwsector zijn toegekend en niet gebruikt zijn, in het volgende begrotingsjaar volledig als rechtstreekse betalingen beschikbaar worden gesteld.

12.  is van mening dat het GLB doeltreffend is en dat de legitimiteit ervan als een van de voornaamste manieren waarop de EU optreedt om banen in plattelandsgebieden, met name in de landbouw, te behouden en te scheppen, nogmaals dient te worden bevestigd.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

23.1.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

28

7

5

Bij de eindstemming aanwezige leden

John Stuart Agnew, Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, Richard Ashworth, José Bové, Daniel Buda, Nicola Caputo, Paolo De Castro, Jean-Paul Denanot, Albert Deß, Jørn Dohrmann, Herbert Dorfmann, Norbert Erdős, Edouard Ferrand, Luke Ming Flanagan, Martin Häusling, Esther Herranz García, Peter Jahr, Ivan Jakovčić, Jarosław Kalinowski, Zbigniew Kuźmiuk, Philippe Loiseau, Mairead McGuinness, Ulrike Müller, James Nicholson, Maria Noichl, Marijana Petir, Laurenţiu Rebega, Bronis Ropė, Ricardo Serrão Santos, Czesław Adam Siekierski, Tibor Szanyi, Marc Tarabella, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Franc Bogovič, Stefan Eck, Jens Gieseke, Maria Heubuch, Karin Kadenbach, Momchil Nekov, Sofia Ribeiro, Annie Schreijer-Pierik, Hannu Takkula, Tom Vandenkendelaere, Thomas Waitz

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Stanisław Ożóg

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

28

+

ALDE

Ivan Jakovčić, Ulrike Müller, Hannu Takkula

EFDD

Marco Zullo

ENF

Rebega Laurentiu

PPE

Franc Bogovič, Daniel Buda, Albert Deß, Herbert Dorfmann, Norbert Erdős, Jens Gieseke, Esther Herranz García, Mairead McGuinness, Marijana Petir, Sofia Ribeiro, Annie Schreijer-Pierik, Czesław Adam Siekierski, Tom Vandenkendelaere

S & D

Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, Nicola Caputo, Paolo De Castro, Jean-Paul Denanot, Karin Kadenbach, Maria Noichl, Ricardo Serrão Santos, Tibor Szanyi, Marc Tarabella

7

-

ECR

Jørn Dohrmann, Zbigniew Kuźmiuk, James Nicholson, Stanisław Ożóg

EFDD

John Stuart Agnew

GUE/NGL

Stefan Eck, Luke Ming Flanagan

5

0

ECR

Richard Ashworth

ENF

Philippe Loiseau

VERTS/ALE

José Bové, Martin Häusling, Bronis Ropė

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie constitutionele zaken (11.10.2017)

aan de Begrotingscommissie

inzake een hervorming van het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie

(2017/2053(INI))

Rapporteur voor advies: Mercedes Bresso

SUGGESTIES

De Commissie constitutionele zaken verzoekt de bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  betuigt opnieuw zijn volledige steun aan een brede hervorming van het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie; wijst erop dat het huidige stelsel van eigen middelen indruist tegen de geest van de Verdragen aangezien in artikel 310, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is bepaald dat de Unie geen handelingen vaststelt die gevolgen kunnen hebben voor de begroting, zonder de verzekering te geven dat die uitgaven gefinancierd kunnen worden binnen de grenzen van de eigen middelen van de Unie, en in artikel 311 VWEU is bepaald dat de begroting van de Unie volledig uit eigen middelen wordt gefinancierd; onderstreept dat het grootste deel van de EU-inkomsten echter afkomstig is uit nationale bijdragen in de vorm van een percentage van het bni (69,1 %) en btw (12,4 %), die niet worden beschouwd als echte eigen middelen, aangezien zij geleid hebben tot een nulsomspel-beleid tussen de lidstaten;

2.  benadrukt dat het huidige stelsel van eigen middelen wordt gekenmerkt door een hoge mate van complexiteit en een gebrek aan transparantie; verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten daarom deze tekortkomingen efficiënt en constructief aan te pakken;

3.  is van oordeel dat de rol van het Parlement in de procedure voor het aannemen van eigen middelen moet worden versterkt; is van oordeel dat het overgaan van eenparigheid van stemmen op besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid en de gewone wetgevingsprocedure voor het aannemen van eigen middelen, het Parlement en de Raad dezelfde rechten zouden geven ten aanzien van de besluitvorming over de EU-begroting aan zowel de inkomsten- als de uitgavenzijde;

4.  benadrukt het belang om gebruik te maken van de mogelijkheid die de brexit biedt en moedigt de lidstaten en de Commissie aan om het huidige stelsel van kortingen en correcties te herzien, niet alleen omdat dit indruist tegen de geest van de Verdragen, maar ook omdat is gebleken dat het de aandacht bij de besprekingen doet verschuiven van de Europese meerwaarde van de EU-begroting naar het effect van het "nettosaldo" op de bijdragen van de lidstaten, zonder rekening te houden met de overloopeffecten van de EU-begroting;

5.  benadrukt dat de EU-begroting moet worden voorzien van een stelsel van echte eigen middelen, in overeenstemming met de aanbevelingen van de Groep op hoog niveau eigen middelen;

6.  verzoekt de Commissie zich te bezinnen over de vraag over hoe rechtstreeks door EU-beleid gegenereerde middelen inkomsten kunnen worden voor de EU-begroting;

7.  is van mening dat elke hervorming van het stelsel van eigen middelen gebaseerd moet zijn op de beginselen van billijkheid, stabiliteit, eenheid, solidariteit, duurzaamheid, subsidiariteit en begrijpelijkheid voor de Europese burgers; herinnert aan de beginselen die zijn vastgelegd in het rapport-Monti en die gebruikt worden door de Groep op hoog niveau eigen middelen voor de evaluatie van mogelijke nieuwe eigen middelen, en meent dat zij bruikbare richtsnoeren vormen voor de bezinning over de hervormingen; onderstreept voorts hoe belangrijk het is voldoende middelen te waarborgen voor de EU-begroting met het oog op een adequate en geloofwaardige financiering van het EU-beleid, met name na de brexit;

8.  is van oordeel dat een hervorming aan de inkomstenzijde samen met een hervorming van de uitgaven tot stand moet komen met het oog op een verhoging van de Europese meerwaarde van EU-uitgaven door te zorgen voor een zichtbare link tussen de uitgaven van de EU enerzijds en de beleidsmaatregelen en prioriteiten van de EU anderzijds, en door het EU-beleid te ondersteunen op essentiële terreinen die onder de bevoegdheid van de EU vallen met een groot potentieel voor Europese meerwaarde, zoals de interne markt, milieubescherming en klimaatactie, de energie-unie, het gemeenschappelijk defensiebeleid en de fiscale heterogeniteit in de interne markt te verminderen, zoals in het rapport-Monti wordt bepleit(1);

9.  benadrukt hoe belangrijk het is om, bij de uitvoering van toekomstige hervormingen, de eenheid van de EU-begroting te behouden en het gebruik van programma's en instrumenten die parallel lopen aan de EU-begroting te beperken, waarbij deze worden voorbehouden aan strikt gerechtvaardigde gevallen waar sprake is van passende toetsing, zoals aanbevolen door de Groep op hoog niveau eigen middelen;

10.  benadrukt dat behoefte is aan een diepe bezinning over de effecten van het debat over de toekomst van Europa, dat in maart 2017 door de Commissie is opgestart, op de hervorming van het stelsel van eigen middelen; is van mening dat in alle vijf scenario's voor de toekomst van de EU die de Commissie in maart 2017 heeft voorgesteld bijkomende financiering is vereist uit echte eigen middelen voor de verwezenlijking van de doelstellingen overeenkomstig artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, die nu zijn opgenomen in de nieuwe prioriteiten van de Unie; onderstreept hoe belangrijk het is de eenheid van de begroting te behouden en de complexiteit ervan te verlagen in plaats van te verhogen, zodat de coherentie van het EU-beleid intern en extern wordt gewaarborgd.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

11.10.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

14

3

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Mercedes Bresso, Richard Corbett, Pascal Durand, Danuta Maria Hübner, Diane James, Alain Lamassoure, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Markus Pieper, Paulo Rangel, György Schöpflin, Pedro Silva Pereira, Claudia Țapardel, Kazimierz Michał Ujazdowski

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Ashley Fox, Enrique Guerrero Salom, Jérôme Lavrilleux, Jasenko Selimovic

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Tadeusz Zwiefka

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

14

+

ALDE

Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Jasenko Selimovic

PPE

Danuta Maria Hübner, Alain Lamassoure, Jérôme Lavrilleux, Paulo Rangel, György Schöpflin, Tadeusz Zwiefka

S&D

Mercedes Bresso, Richard Corbett, Enrique Guerrero Salom, Pedro Silva Pereira, Claudia Țapardel

VERTS/ALE

Pascal Durand

3

-

ECR

Ashley Fox, Kazimierz Michał Ujazdowski

NI

Diane James

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

Eindverslag en aanbevelingen van de Groep op hoog niveau eigen middelen inzake de toekomstige financiering van de EU, vastgesteld in december 2016.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

22.2.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

31

4

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Nedzhmi Ali, Lefteris Christoforou, Gérard Deprez, Manuel dos Santos, André Elissen, José Manuel Fernandes, Eider Gardiazabal Rubial, Jens Geier, Esteban González Pons, John Howarth, Zbigniew Kuźmiuk, Vladimír Maňka, Siegfried Mureşan, Jan Olbrycht, Urmas Paet, Paul Rübig, Petri Sarvamaa, Jordi Solé, Patricija Šulin, Eleftherios Synadinos, Indrek Tarand, Isabelle Thomas, Inese Vaidere, Daniele Viotti, Tiemo Wölken, Marco Zanni

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Xabier Benito Ziluaga, Jean-Paul Denanot, Janusz Lewandowski, Ivana Maletić, Stanisław Ożóg, Pavel Poc, Nils Torvalds, Helga Trüpel, Tomáš Zdechovský

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Anders Primdahl Vistisen


HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

31

+

ALDE

Nedzhmi Ali, Gérard Deprez, Urmas Paet, Nils Torvalds

ECR

Zbigniew Kuźmiuk, Stanisław Ożóg

PPE

Lefteris Christoforou, José Manuel Fernandes, Esteban González Pons, Janusz Lewandowski, Ivana Maletić, Siegfried Mureşan, Jan Olbrycht, Paul Rübig, Petri Sarvamaa, Patricija Šulin, Inese Vaidere, Tomáš Zdechovský

S&D

Jean-Paul Denanot, Eider Gardiazabal Rubial, Jens Geier, John Howarth, Vladimír Maňka, Pavel Poc, Isabelle Thomas, Daniele Viotti, Tiemo Wölken, Manuel dos Santos

VERTS/ALE

Jordi Solé, Indrek Tarand, Helga Trüpel

4

-

ECR

Anders Primdahl Vistisen

ENF

André Elissen, Marco Zanni

NI

Eleftherios Synadinos

1

0

GUE/NGL

Xabier Benito Ziluaga

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 1 maart 2018Juridische mededeling