Procedure : 2017/2260(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0052/2018

Ingediende teksten :

A8-0052/2018

Debatten :

PV 13/03/2018 - 20
CRE 13/03/2018 - 20

Stemmingen :

PV 14/03/2018 - 8.12
CRE 14/03/2018 - 8.12
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0078

VERSLAG     
PDF 396kWORD 79k
5.3.2018
PE 615.238v02-00 A8-0052/2018

over het Europees semester voor de coördinatie van het economisch beleid: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2018

(2017/2260(INI))

Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

Rapporteur: Krzysztof Hetman

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de COMMISSIE cultuur en onderwijs
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het Europees semester voor de coördinatie van het economisch beleid: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2018

(2017/2260(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 3 en 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 9, 145, 148, 152, 153, 174 en 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven(1),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name titel IV (solidariteit),

–  gezien het herziene Europees Sociaal Handvest,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind,

–  gezien de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de VN, met name 1, 3, 4, 5, 8, en 10,

–  gezien de interinstitutionele afkondiging van de Europese pijler van sociale rechten op 17 november 2017 in Gotenburg,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 november 2017 getiteld "Jaarlijkse groeianalyse 2018" (COM(2017)0690),

–  gezien het ontwerp van gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid van de Commissie en de Raad van 22 november 2017 bij de mededeling van de Commissie over de jaarlijkse groeianalyse 2018 (COM(2017)0674),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 22 november 2017 voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (COM(2017)0677),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie van 22 november 2017 voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone (COM(2017)0770),

–  gezien het verslag van de Commissie van 22 november 2017 getiteld "Waarschuwingsmechanismeverslag 2018" (COM(2017)0771),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 november 2017 getiteld "Ontwerpbegrotingsplannen 2018: Algemene beoordeling" (COM(2017)0800),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 april 2017 inzake de oprichting van een Europese pijler van sociale rechten (COM(2017)0250),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 april 2017 getiteld "Een initiatief om het evenwicht tussen werk en privéleven voor werkende ouders en mantelzorgers te ondersteunen" (COM(2017)0252),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 26 april 2017, getiteld 'Taking stock of the 2013 Recommendation on "Investing in children: breaking the cycle of disadvantage"' (Balans van de aanbeveling uit 2013 "Investeren in kinderen: de cyclus van benadeling doorbreken") (SWD(2017)0258),

–  gezien de publicatie door de Commissie van de zevende uitgave van het jaarverslag "Employment and Social Developments in Europe (2017)" (Werkgelegenheids- en sociale ontwikkelingen in Europa: verslag 2017), met bijzondere aandacht voor billijkheid en solidariteit tussen de generaties in Europa,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 4 oktober 2016 getiteld "Drie jaar jongerengarantie en jongerenwerkgelegenheidsinitiatief" (COM(2016)0646),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 14 september 2016 voor een verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (COM(2016)0604),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 september 2016 getiteld "Stimuleren van Europese investeringen voor banen en groei: naar een tweede fase van het Europees Fonds voor strategische investeringen en een nieuw Europees extern investeringsplan" (COM(2016)0581),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 juni 2016 getiteld "Een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa – Samenwerken ter versterking van het menselijk kapitaal, de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en het concurrentievermogen" (COM(2016)0381),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 juni 2016 getiteld "Een Europese agenda voor de deeleconomie" (COM(2016)0356),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 1 juni 2016 getiteld "Europa investeert weer – Balans van het investeringsplan voor Europa en volgende stappen" (COM(2016)0359),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 8 maart 2016 getiteld "Lancering van een raadpleging over een Europese pijler van sociale rechten" (COM(2016)0127) en de bijlagen hierbij,

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een besluit van de Raad van 15 februari 2016 betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (COM(2016)0071) en het desbetreffende standpunt van het Parlement van 15 september 2016(2),

–  gezien het sociaal investeringspakket van de Commissie van 20 februari 2013, met onder meer Aanbeveling 2013/112/EU, getiteld "Investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken"(3),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld "Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020), alsook zijn resolutie van 16 juni 2010 over EU-2020(4),

–  gezien het verslag van de vijf voorzitters van 22 juni 2015 over "De voltooiing van Europa's Economische en Monetaire Unie",

–  gezien de conclusies van de Raad van 7 december 2015 over de bevordering van de sociale economie als centrale motor van economische en sociale ontwikkeling in Europa,

–  gezien zijn resolutie van 16 november 2017 over de bestrijding van ongelijkheid als hefboom om het scheppen van banen en groei te stimuleren(5),

–  gezien zijn resolutie van 26 oktober 2017 over het economisch beleid van de eurozone(6),

–  gezien zijn resolutie van 24 oktober 2017 over beleid ter garantie van een minimuminkomen als instrument om de armoede te bestrijden(7),

–  gezien zijn resolutie van 14 september 2017 over een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa(8),

–  gezien zijn resolutie van 14 juni 2017 over de noodzaak van een EU-strategie tot beëindiging en preventie van de genderpensioenkloof(9),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2017 over gelijkheid tussen mannen en vrouwen in de Europese Unie 2014-2015(10),

–  gezien zijn resolutie van 15 februari 2017 over het Europees semester voor economische beleidscoördinatie: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2017(11),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2017 over een Europese pijler van sociale rechten(12),

–  gezien de resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2016 over het creëren van arbeidsmarktomstandigheden die bevorderlijk zijn voor het evenwicht tussen werk en privéleven(13),

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 2 februari 2016 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europees platform voor de intensivering van de samenwerking bij het voorkomen en tegengaan van zwartwerk(14),

–  gezien zijn resolutie van 24 november 2015 over vermindering van de ongelijkheid, met bijzondere focus op kinderarmoede(15),

–  gezien zijn resolutie van 8 juli 2015 over het initiatief voor groene werkgelegenheid: het banenpotentieel van de groene economie benutten(16),

–  gezien zijn resolutie van 4 juli 2013 over het effect van de crisis op de toegang tot zorg voor kwetsbare groepen(17),

–  gezien zijn resolutie van 11 juni 2013 over sociale huisvesting in de Europese Unie(18),

–  gezien de slotopmerkingen van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over het initiële verslag van de Europese Unie (september 2015),

–  gezien speciaal verslag nr. 5/2017 van de Europese Rekenkamer van maart 2017 getiteld: "Jeugdwerkloosheid – heeft het EU-beleid een verschil gemaakt? Een evaluatie van de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief",

–  gezien het verslag van Eurofound van 25 september 2017, getiteld "Developments in working life in Europe: EurWORK annual review 2016" (Ontwikkelingen in het arbeidsleven in Europa: jaarlijks overzicht 2016 van EurWork), en meer bepaald het hoofdstuk "Pay inequalities –Evidence, debate and policies" (Loonongelijkheid – Bewijzen, debat en beleid),

–  gezien de themagebonden update van Eurofound van 18 juli 2017 getiteld "Pay inequalities experienced by posted workers: Challenges to the "equal treatment" principle" (Ongelijke beloning van gedetacheerde werknemers: uitdagingen in verband met het beginsel van gelijke beloning voor gelijk werk), die een gedetailleerd overzicht bevat van de standpunten van regeringen en sociale partners in heel Europa met betrekking tot het beginsel van gelijke beloning voor gelijk werk,

–  gezien het verslag van Eurofound van 26 juni 2017, getiteld "Beroepsgerelateerde veranderingen en loonongelijkheid: Europese banenmonitor 2017",

-  gezien het verslag van Eurofound van 19 april 2017, getiteld "Sociale mobiliteit in de EU",

–  gezien het verslag van Eurofound van 13 maart 2017, getiteld "Inkomensongelijkheid en arbeidspatronen in Europa voor en na de grote recessie",

–  gezien de verslagen van Eurofound van 24 februari 2017 over de betrokkenheid van de sociale partners bij het Europees Semester: update 2016 en van 16 februari 2016 over de rol van de sociale partners bij het Europees Semester in de periode 2011 tot 2014,

–  gezien het overzichtsverslag van Eurofound van 17 november 2016, getiteld "Zesde Europese enquête naar de arbeidsomstandigheden",

–  gezien het verslag van Eurofound van 12 maart 2015, getiteld "Nieuwe vormen van werk",

–  gezien het verslag van Eurofound van 29 oktober 2013, getiteld "Vrouwen, mannen en arbeidsomstandigheden in Europa",

–  gezien het debat met de vertegenwoordigers van de nationale parlementen over de prioriteiten van het Europees semester van 2018,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en het advies van de Commissie cultuur en onderwijs (A8‑0052/2018),

A.  overwegende dat de arbeidsparticipatiegraad in de EU stijgt en in het tweede kwartaal van 2017 is uitgekomen op 72,3 %, wat overeenkomt met 235,4 miljoen mensen met een baan, en een stap vooruit betekent naar het streefcijfer van 75 % dat in de Europa 2020-strategie is neergelegd; overwegende dat de arbeidsparticipatiegraad in veel lidstaten echter sterk uiteenloopt, gaande van ver onder het EU-gemiddelde van 65 % in Griekenland, Kroatië, Italië en Spanje, tot meer dan 75 % in Nederland, Denemarken, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Zweden, en de arbeidsparticipatiegraad nog steeds moet herstellen van de crisis en met name de nationale streefcijfers van de Europa 2020-strategie nog niet heeft bereikt; overwegende dat de werkgelegenheid bij ouderen, hoogopgeleide werknemers en mannen sterker is toegenomen dan bij jongeren, laaggeschoolde werknemers en vrouwen; overwegende dat de arbeidsparticipatiegraad gemeten in aantal gewerkte uren per werknemer in de EU 3 % en in de eurozone 4 % onder het niveau van voor de crisis blijft, hetgeen toe te schrijven is aan de toename van deeltijdarbeid en aan arbeidsduurverkorting voor voltijdse werknemers; overwegende dat in de EU op dit moment 18,9 miljoen mensen nog altijd geen baan hebben, dat de investeringen nog altijd te laag blijven, dat de loongroei zwak is en dat armoede onder werkenden blijft toenemen; wijst erop dat artikel 3 VWEU bepaalt dat de Unie streeft naar volledige werkgelegenheid;

B.  overwegende dat 18,9 miljoen mensen nog altijd geen baan hebben ondanks het feit dat de werkloosheid in de EU en in de eurozone op het laagste niveau ligt sinds negen, en 7,5 % respectievelijk 8,9 % bedraagt; overwegende dat de werkloosheidspercentages in de lidstaten echter nog altijd sterk uiteenlopen, gaande van ongeveer 4 % in Duitsland tot bijna 20 % in Spanje en 23,6 % in Griekenland; overwegende dat verborgen werkloosheid – werklozen die bereid zijn te werken maar niet actief op zoek zijn naar werk – 20 % in 2016 20 % bedroeg, terwijl het aandeel van de langdurig werklozen in de EU met meer dan 46,4 % nog steeds alarmerend hoog is, (het overeenkomstige cijfer voor de eurozone is 49,7 %); overwegende dat het werkloosheidscijfer in sommige lidstaten hoog blijft door een gebrek aan groei en structurele zwakte; overwegende dat ontoereikende hervormingen van de arbeidsmarkt tot een van de redenen voor de hoge werkloosheid behoort; overwegende dat de begeleiding van langdurig werklozen van essentieel belang is, aangezien deze toestand anders hun zelfvertrouwen, welbevinden en toekomstige ontwikkeling zal beginnen aantasten, waardoor zij het risico lopen in een situatie van armoede en sociale uitsluiting terecht te komen en waardoor zowel de houdbaarheid van de socialezekerheidsstelsels als het Europees sociaal model worden ondermijnd;

C.  overwegende dat deeltijdarbeid in vergelijking met 2008 met 11 % gestegen is en dat voltijdse arbeid in diezelfde periode met 2 % is gedaald, terwijl onvrijwillige deeltijdarbeid van 29,3 % in 2013 tot 27,7 % in 2016 gedaald is, maar nog altijd een vierde van dit soort arbeidsovereenkomsten vertegenwoordigt;

D.  overwegende dat de arbeidsmarktsegmentatie tussen vaste betrekkingen en atypische arbeidsvormen onrustwekkend blijft, waarbij het percentage tijdelijke arbeidsovereenkomsten in sommige lidstaten schommelt van 10 % tot 20 %, met zeer lage overgangspercentages naar vaste betrekkingen en waarbij tijdelijke banen eerder "een doodlopend straatje" dan een "opstapje" naar een vaste betrekking zijn; overwegende dat dit verschijnsel grote aantallen werknemers belet te profiteren van veilige, relatief goed betaalde werkgelegenheid en mooie vooruitzichten, dat dit een loonkloof teweegbrengt tussen werknemers in vaste dienst en tijdelijke werknemers;

E.  overwegende dat er weliswaar een lichte verbetering te zien valt in de jeugdwerkloosheid, maar dat deze met 16,6 % (18,7 % in de eurozone) nog steeds verontrustend hoog is; overwegende dat, volgens het ontwerp van het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid, jongeren vaker in dienst worden genomen in atypische arbeidsvormen, onder meer tijdelijke banen, onvrijwillige deeltijdbanen en slecht betaalde banen; overwegende dat er in 2016 nog steeds 6,3 miljoen jongeren tussen 15 en 24 jaar zonder baan zaten en geen onderwijs of opleiding volgden (NEET's); overwegende dat de lidstaten de jeugdwerkloosheid kunnen aanpakken door de ontwikkeling en uitvoering van een regelgevingskader voor de arbeidsmarkt, onderwijs- en opleidingsstelsels en een actief arbeidsmarktbeleid, gebaseerd op het verbod van discriminatie op grond van leeftijd in verband met artikel 19 VWEU en Richtlijn 2000/78/EG van de Raad tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep;

F.  overwegende dat de verschillen tussen de lidstaten met betrekking tot de werkloosheidscijfers weliswaar kleiner zijn, maar nog steeds boven het niveau van voor de crisis liggen; overwegende dat langdurige werkloosheid in sommige lidstaten meer dan 50 % van de totale werkloosheid, in de EU 46,6 % en in de eurozone 49,7 % van de totale werkloosheid uitmaakt; overwegende dat het werkloosheidscijfer alleen personen volgt die geen baan hebben en die de voorbije vier weken actief werk hebben gezocht en dat het cijfer voor langdurige werkloosheid alleen het aandeel meet van de beroepsbevolking tussen 15 en 74 jaar die twaalf maanden of langer werkloos zijn;

G.  overwegende dat de arbeidsparticipatiekloof tussen mannen en vrouwen nog altijd voortduurt en voor de EU 11,6 % bedraagt, met een genderspecifieke arbeidsparticipatiegraad van 76,9 % voor mannen en 65,3 % voor vrouwen, en dat er zelfs grotere verschillen zijn met niet in de EU geboren vrouwen en Romavrouwen; overwegende dat de genderkloof in deeltijdarbeid nog dieper is, met een verschil van 23 procentpunten in 2016, en dat deze in vier lidstaten hoger is dan 30 procentpunten, met een score van 23,5 % vrouwen die onvrijwillige deeltijdarbeid verrichten; overwegende dat de arbeidsparticipatiegraad van vrouwen met ten minste een kind jonger dan zes jaar 9 procentpunten lager ligt dan die van vrouwen zonder kinderen en dat 19 % van de potentiële vrouwelijke arbeidskrachten in de EU in 2016 inactief was omdat zij zorg droegen voor kinderen of zorgbehoevende volwassenen; overwegende dat vrouwen, door een lagere arbeidsparticipatiegraad voor voltijdequivalenten, een fors loonverschil lijden dat in 2015 voor de EU gemiddeld 16,3 % bedroeg, en varieerde van 26,9 % in Estland tot 5,5 % in Italië en Luxemburg;

H.  overwegende dat andere lidstaten worden geconfronteerd met structurele uitdagingen op de arbeidsmarkt zoals een lage participatie, mismatches in vaardigheden en kwalificaties; overwegende dat er een stijgende behoefte is aan concrete maatregelen voor de integratie of re-integratie van inactieven om tegemoet te komen aan de behoeften van de arbeidsmarkt;

I.  overwegende dat de samenlevingen in de Europese Unie vergrijzen (bijna 20 % van de Europese bevolking is ouder dan 65 en volgens schattingen zal dit stijgen tot 25 % in 2050) en de afhankelijkheidsratio van ouderen stijgt, hetgeen een extra uitdaging voor de lidstaten vormt en ertoe kan verplichten aanpassingen door te voeren om goed gefinancierde stelsels van sociale zekerheid, gezondheidszorg en langdurige zorg te blijven waarborgen en aan de behoefte aan formele en informele zorgverlening tegemoet te komen; overwegende dat mantelzorgers een cruciale troef zijn voor de samenleving; overwegende dat de levensverwachting bij de geboorte in de EU‑28 in 2015 lichtjes is gedaald – ze werd geraamd op 80,6 jaar (0,3 jaar minder dan in 2014), namelijk 83,3 jaar voor vrouwen (0,3 jaar minder dan in 2014) en 77,9 jaar voor mannen (0,2 jaar minder dan in 2014); overwegende dat dit de eerste daling in de levensverwachting in de EU‑28 was sinds 2002 toen de gegevens over levensverwachting beschikbaar kwamen voor alle lidstaten, en dat deze daling in de meeste lidstaten kan worden waargenomen; overwegende dat het volgens Eurostat nog niet mogelijk is te zeggen of de daling in levensverwachting tussen 2014 en 2015 slechts tijdelijk is of zich in de volgende jaren zal doorzetten;

J.  overwegende dat de demografische uitdagingen factoren omvatten zoals ontvolking en de verspreiding van de bevolking, hetgeen groei bemoeilijkt in de regio's die daarmee worden geconfronteerd en de economische, sociale en territoriale cohesie in de EU bedreigt;

K.  overwegende dat het percentage voortijdige schoolverlaters rond de 20 % ligt in verschillende lidstaten zoals Malta, Spanje en Roemenië, en boven het EU-streefcijfer van 10 % ligt in Portugal, Bulgarije, Italië, Hongarije, het Verenigd Koninkrijk en Griekenland; overwegende dat voortijdig schoolverlaten een complexe uitdaging is op individueel, nationaal en Europees niveau; overwegende dat lage onderwijsprestaties het meeste voorkomen bij studenten met een kansarme sociaal-economische of een migratieachtergrond en bij degenen met speciale behoeften, rekening houdend met het feit dat het gemiddelde aandeel voor de EU van mensen met lage prestaties in wetenschap in het onderste sociaaleconomische kwartiel van de studentenbevolking volgens PISA 2015 ongeveer 34 % bedraagt, d.i. 26 procentpunten meer dan in het bovenste sociaal-economische kwartiel;

L.  overwegende dat de sector van de sociale economie 2 miljoen ondernemingen omvat (ruwweg 10 % van het totaal aantal ondernemingen in de EU) waarin meer dan 14 miljoen werknemers in dienst zijn (ongeveer 6,5 % van de werknemers in de EU); overwegende dat deze sector een belangrijke rol te vervullen heeft bij het aanpakken van de talloze uitdagingen waarmee de huidige samenlevingen worden geconfronteerd, niet in het minst de vergrijzing van de bevolking;

M.  overwegende dat 80 miljoen Europeanen een handicap hebben; overwegende dat de uitvoering van toegankelijkheidsmaatregelen ten behoeve van deze mensen nog steeds achterloopt;

N.  overwegende dat er weliswaar enige vooruitgang kan worden vastgesteld bij het terugdringen van armoede en sociale uitsluiting, maar dat er nog steeds benadeelde groepen in de samenleving zijn met een onaanvaardbare 119 miljoen Europeanen die het risico lopen van armoe of sociale uitsluiting, van wie meer dan 25 miljoen kinderen (dit is meer dan 1 kind op 4 van alle kinderen in de EU), terwijl regionale verschillen binnen lidstaten en de Unie als geheel ook voortduren, wat betekent dat de EU nog ver verwijderd is van het EU 2020-streefcijfer; overwegende dat de inkomensongelijkheid blijft groeien in twee derde van alle EU-lidstaten; overwegende dat in de EU als geheel, de rijkste 20 % van de huishoudens een inkomensaandeel ontving dat 5,1 keer zo hoog is als dat van de armste 20 %, dat deze verhouding 6,5 of hoger is in bepaalde oostelijke en zuidelijke Europese landen, bijna dubbel zo hoog als in bepaalde landen uit Centraal- en Noord-Europa die het best presteren; overwegende dat hoge ongelijkheidsniveaus een belemmering blijven voor gelijke kansen bij toegang tot onderwijs, opleiding en sociale bescherming, en dat ze daarom afbreuk doen aan sociale rechtvaardigheid, sociale samenhang en duurzame economische ontwikkeling;

O.  overwegende dat, volgens de publicatie "Employment and Social Developments in Europe 2017" (Werkgelegenheids- en sociale ontwikkelingen in Europa) van de Commissie: verslag 2017) in 2015 118,8 miljoen mensen werden bedreigd met armoede of sociale uitsluiting, hetgeen 1,7 miljoen meer is dan in 2008 en ver verwijderd is van het in de Europa 2020-strategie vastgestelde streefcijfer om het aantal mensen die met armoede of sociale uitsluiting worden bedreigd met 20 miljoen te verminderen, waarbij de lidstaten heel uiteenlopende percentages vertonen, gaande van 5 % of minder in Tsjechië of Duitsland tot ongeveer 20 % in Griekenland en Spanje; overwegende dat dit percentage voor kinderen (0-17) in 2016 26,4 % bedroeg en daarmee hoger was dan de 24,2 % voor volwassenen (16-64) en bijna 10 procentpunten hoger dan ditzelfde percentage voor ouderen (65+), namelijk 18,3 %; overwegende dat het aantal kinderen in armoede in Europa alarmerend hoog blijft en dat ze momenteel met meer dan 25 miljoen zijn en overwegende dat de gevolgen van armoede voor kinderen een heel leven kunnen duren en de intergenerationele overdracht van kansarmoede voortzetten; overwegende dat sociaal beleid van belang is om tot cohesie te komen en de EU dichter bij de burgers te brengen;

P.  overwegende dat de armoede onder werkenden in heel Europa blijft toenemen, waarbij de hoogste niveaus worden opgetekend in Spanje (13,1 %), Griekenland (14 %) en Roemenië (18,6 %), hetgeen aantoont dat werkgelegenheid op zich niet altijd volstaat om mensen uit de armoede te halen, en uiteenlopende arbeidsmarktpatronen weergeeft, onder meer deeltijdse en/of tijdelijke banen, loonniveaus en arbeidsintensiteit in de huishoudens en slechte arbeidsomstandigheden; overwegende dat de loongroei in de EU zwak blijft, met een toename van minder dan 1 % in de voorbije twee jaar en dat de vergoedingen van werknemers in de EU vrij sterk uiteenlopen, gaande van 4,6 EUR per werkuur in Bulgarije tot 43,3 EUR in Luxemburg; overwegende dat de echte loongroei in 18 van de 28 lidstaten is achtergebleven bij de gemiddelde productiviteitstoename en zelfs achterblijft bij de verlaging van de werkloosheid; overwegende dat loonvorming een nationale bevoegdheid is;

Q.  overwegende dat onderwijs een bepalende factor is voor de integratie van jongeren in de arbeidsmarkt en allereerst de verantwoordelijkheid is van de lidstaten, hoewel met ondersteuning van de Commissie; overwegende dat onderwijs en opleiding van hoge kwaliteit voor iedereen toegankelijk moet zijn, rekening houdend met het feit dat de arbeidsparticipatiegraad van jongeren met een hogere opleiding (tussen 20-34 jaar) in de EU 82,8 % bedraagt, hetgeen meer dan 10 procentpunten hoger is dan die van jongeren met een diploma van het hoger middelbaar onderwijs; overwegende dat beroepsopleiding geloofwaardiger begint te worden, zowel in de ogen van jonge Europeanen als voor bedrijven die hun competenties erkennen; overwegende dat opleiding die in een informele context werd verworven Europeanen ook van essentiële instrumenten voor de arbeidsmarkt voorziet;

R.  overwegende dat werknemers met het oog op de digitale transformatie ten minste over digitale basisvaardigheden moeten beschikken, maar dat naar schatting 44 % van de EU-bevolking deze niet heeft(19);

S.  overwegende dat volgens artikel 168 VWEU bij de bepaling en de uitvoering van elk beleid en elk optreden van de Unie een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid moet worden verzekerd; overwegende dat dit zou bijdragen aan sociale inclusie, sociale rechtvaardigheid en gelijkheid; overwegende dat de technologische en wetenschappelijke vooruitgang, die in de jaarlijkse groeianalyse 2018 positief wordt onthaald, het mogelijk maakt betere, doeltreffendere en beter betaalbare behandelingen en geneesmiddelen te vinden; overwegende dat deze vooruitgang er mede voor zorgt dat mensen die aan bepaalde aandoeningen lijden, fit genoeg zijn om de arbeidsmarkt te betreden of om langer aan de slag te blijven; overwegende dat het bereiken van dit doel momenteel wordt tegengewerkt door hoge prijzen voor geneesmiddelen;

T.  overwegende dat het begrotingsbeleid in de lidstaten een rol speelt bij de stabilisatie van het macro-economische klimaat, terwijl dit ook nog andere doelstellingen nastreeft, zoals budgettaire houdbaarheid en herverdeling;

U.  overwegende dat de instelling en het beheer van socialezekerheidsstelsels onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen en dat de Unie hier coördinerend, maar niet harmoniserend optreedt;

V.  overwegende dat het bruto beschikbaar gezinsinkomen per hoofd in verschillende lidstaten de niveaus van voor de crisis nog niet opnieuw heeft bereikt, en dat dit niveau in sommige lidstaten 20 tot 30 procentpunten lager ligt dan in 2008;

W.  overwegende dat de capaciteit van de EU-economie om langdurige groei aan te zwengelen kleiner is dan die van onze belangrijkste concurrenten; overwegende dat de potentiële groei in de EU volgens ramingen van de Commissie ongeveer 1,4 % is, terwijl die in de VS 2 % bedraagt;

X.  overwegende dat zwartwerk werknemers hun rechten ontneemt, sociale dumping aanmoedigt, ernstige gevolgen voor de begroting met zich meebrengt, en negatieve gevolgen heeft voor de werkgelegenheid, de productiviteit, de kwaliteit van de arbeid en de ontwikkeling van vaardigheden, en voor de doeltreffendheid en doelmatigheid van het pensioenrechtenstelsel; overwegende dat de inspanningen om zwartwerk om te zetten in legaal werk moeten worden voortgezet;

Y.  overwegende dat de ultraperifere gebieden het hoofd moeten bieden aan enorme problemen die samenhangen met hun specifieke kenmerken en die hun groeipotentieel beperken; overwegende dat het werkloosheidspercentage in die gebieden tussen 11,2 % en 27,1 % en het percentage langdurig werklozen tussen 54,5 % en 80,9 % ligt; overwegende dat de jeugdwerkloosheid in die gebieden hoger is dan 40 %;

Z.  overwegende dat de betrokkenheid van de sociale partners bij de opstelling van de nationale hervormingsprogramma's, volgens onderzoek van Eurofound, geleidelijk verbetert in de meeste lidstaten, hoewel er aanzienlijke verschillen in resultaten blijven bestaan in de kwaliteit en doeltreffendheid van de betrokkenheid van de nationale sociale partners bij het Europees Semester;

AA.  overwegende dat de aanstaande studie van Eurofound betreffende de betrokkenheid van de sociale partners bij het Europees Semester melding zal maken van een consolidatieproces en groeiende bewustwording, na werkgelegenheidsrichtsnoer nr. 7 over het verbeteren van de werking van arbeidsmarkten; overwegende dat de sociale partners niettemin benadrukken dat passende betrokkenheid moet worden gewaarborgd door de bevordering van zinvol en tijdig overleg, de uitwisseling van bijdragen en feedback, en door hun standpunten zichtbaarheid te geven;

1.  is ingenomen met de jaarlijkse groeianalyse 2018, samen met de geïntegreerde Europese pijler van sociale rechten, die wordt gezien als een belangrijk onderdeel van het algemene beleid voor hoogwaardige banen, duurzame groei en investeringen, gericht op de verhoging van de productiviteit en de lonen, het scheppen van banen, de vermindering van ongelijkheden en armoede en de verbetering van de sociale bescherming en de toegang tot en de kwaliteit van de openbare diensten; erkent dat de jaarlijkse groeianalyse is gebaseerd op een strategie van investeringen, structurele hervormingen en een verantwoorde omgang met overheidsgelden, die moet worden gekoppeld aan beleid en maatregelen voor het naleven van de beginselen en het verwezenlijken van de doelstellingen van de Europese pijler van sociale rechten; benadrukt dat de Commissie, in het kader van het Europees Semester, het beleidscoördinatieproces dient te verbeteren om negatieve trends die de ongelijkheden zouden kunnen doen toenemen en de sociale vooruitgang zouden kunnen afremmen of die negatieve gevolgen zouden kunnen hebben voor de sociale rechtvaardigheid beter te volgen, te voorkomen en te corrigeren, als een middel om economische coördinatie te koppelen aan prestaties op sociaal en werkgelegenheidsgebied; verzoekt de lidstaten de prioriteiten te volgen die worden benoemd in het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid dat de analyse en de Europese pijler van sociale rechten vergezelt met het oog op hun nationale beleidsmaatregelen en strategieën ter bevordering van groei, hoogwaardige werkgelegenheid, sociale cohesie en sociale bescherming en inclusie; wijst op het belang van de bescherming van de rechten van werknemers en de bevordering van de onderhandelingspositie van de werknemers;

2.  benadrukt de noodzaak van sociaal en economisch evenwichtige structurele hervormingen gericht op de verwezenlijking van de "sociale AAA-score", door verbetering van een inclusief arbeidsmarkt- en sociaal beleid die de aan de behoeften van werknemers en kwetsbare groepen tegemoetkomt, teneinde investeringen te stimuleren, hoogwaardige banen te scheppen, de actieve bevolking bij de verwerving van de nodige vaardigheden te ondersteunen, gelijke kansen op de arbeidsmarkt en eerlijke arbeidsvoorwaarden te bevorderen, de arbeidsproductiviteit te verhogen, loongroei en duurzame, adequate stelsels voor sociale bescherming te bevorderen, en de levensomstandigheden voor alle burgers te verbeteren; wijst uitdrukkelijk op de noodzaak om een gunstig bedrijfsklimaat te versterken voor zowel ondernemingen als werknemers met het oog op het scheppen van meer stabiele werkgelegenheid waarbij de sociale en economische dimensies in evenwicht zijn en beslissingen gezamenlijk en complementair worden genomen; verzoekt de lidstaten gaandeweg over te schakelen van belasting op arbeid naar belasting op andere bronnen zonder de sociale zekerheid in gevaar te brengen; verzoekt de lidstaten maatregelen te treffen om de sociale normen te verhogen en ongelijkheden terug te dringen;

3.  pleit voor een sterkere inzet om armoede en toenemende ongelijkheid te bestrijden en voor het stimuleren van sociale investeringen, met het oog op het economisch rendement en de sociale voordelen die deze met zich meebrengen; herinnert eraan dat economieën met een hogere graad van sociale investeringen schokbestendiger zijn; verzoekt de lidstaten en de Commissie, binnen de bestaande regels van het stabiliteits- en groeipact, meer ruimte te bieden voor sociale overheidsinvesteringen en, waar nodig, meer te investeren in sociale infrastructuur en ondersteuning voor degenen die het ergst getroffen zijn, om ongelijkheid correct aan te pakken, met name via systemen voor sociale bescherming die adequate en goedgerichte inkomenssteun verlenen; verzoekt de Commissie om, in voorkomend geval, een grondigere beoordeling te verrichten van de soorten uitgaven die vast en zeker als sociale investeringen moeten worden beschouwd;

4.  meent dat het belangrijk is om de interculturele dialoog te bevorderen teneinde het voor migranten, vluchtelingen en asielzoekers gemakkelijker te maken hun intrede te doen op de arbeidsmarkt en zich te integreren in de samenleving; uit zijn bezorgdheid over het feit dat de arbeidsmarktparticipatie van etnische minderheden nog steeds laag is; vraagt de lidstaten in dit verband om Richtlijn 2000/78/EG en Richtlijn 2000/43/EG correct ten uitvoer te leggen; herinnert eraan dat nieuwkomers nieuwe vaardigheden en kennis meebrengen, en dringt aan op de verdere ontwikkeling en bevordering van instrumenten om meertalige informatie te verstrekken over de bestaande mogelijkheden op het gebied van formeel en informeel leren, beroepsopleidingen, stages en vrijwilligerswerk;

5.  dringt er bij de Commissie op aan inspanningen te leveren teneinde mensen die aan bepaalde aandoeningen lijden, bijvoorbeeld chronische pijn, te helpen de arbeidsmarkt te betreden of er te blijven; meent dat de arbeidsmarkt op dergelijke situaties moet worden ingesteld en soepeler en niet-discriminerend moet worden gemaakt opdat de betrokkenen eveneens kunnen bijdragen aan de economische ontwikkeling van de EU en op die manier de druk op het socialezekerheidsstelsel verlichten;

6.  is ingenomen met de door de Commissie verleende steun voor investeringen ter verbetering van de milieuduurzaamheid en de erkenning van het potentieel daarvan voor de gehele economie; is het ermee eens dat steun voor de overgang naar een circulaire en groene economie een hoog potentieel heeft voor nettobanengroei;

7.  is verheugd over de interinstitutionele afkondiging van de Europese pijler van sociale rechten en is van mening dat het Europees semester de ontwikkeling moet ondersteunen van de 20 daarin geformuleerde centrale beginselen over gelijke kansen en toegang tot de arbeidsmarkt, eerlijke arbeidsvoorwaarden en sociale bescherming en inclusie die als referentiepunt en als aanbeveling moeten dienen in de cyclus van beleidscoördinatie in het kader van het Europees Semester teneinde een daadwerkelijke "sociale AAA-score" voor Europa op te bouwen, economische groei te creëren en een voorspelbare, duurzame financiële situatie tot stand te brengen die ondergeschikt is aan de streefcijfers van het economische en het werkgelegenheidsbeleid en die aldus dienen om de geprioriteerde hoofddoelstellingen van de Europa 2020-strategie te behalen; wijst erop dat het coördinatieproces van het Europees Semester een essentieel middel is voor de consolidatie van de Europese sociale dimensie, waarvan de pijler van sociale rechten is afgeleid; beklemtoont dat de EPSR een eerste stap is door het opbouwen van een gezamenlijke aanpak van de bescherming en ontwikkeling van sociale rechten in de gehele EU, die moet worden weerspiegeld in de door de lidstaten nagestreefde maatregelen; verzoekt de Commissie daarom om met concrete voorstellen te komen om de sociale rechten te versterken door middel van concrete en specifieke instrumenten (wetgeving, beleidsvormingsmechanismen en financiële instrumenten) en concrete resultaten te bereiken; beklemtoont het primordiale belang van de grondrechten;

8.  erkent de inspanningen om de sociale dimensie van het Semester te versterken; pleit voor verdere maatregelen om de sociale en economische prioriteiten met elkaar in evenwicht te brengen en de kwaliteit van monitoring en aanbevelingen op sociaal gebied te verbeteren;

9.  is verheugd over het nieuwe scorebord, dat 14 hoofdindicatoren omvat voor het meten van de prestaties van de lidstaten op sociaal en werkgelegenheidsgebied aan de hand van drie brede criteria die in de context van de pijler zijn vastgesteld;

10.  onderstreept dat voor de EU gemiddeld op 11 van de 14 hoofdindicatoren een verbetering is geregistreerd gedurende het laatste beschikbare jaar, als bevestiging van de gestage verbetering op de arbeidsmarkt en op sociaal gebied die met het economisch herstel is opgetreden; merkt echter op dat er maatregelen nodig zijn om sociaal opwaartse convergentie te bereiken aan de hand van de in de sociale pijler vastgestelde criteria, zoals vastgesteld door de Commissie, en dat de analyse van de hoofdindicatoren aantoont dat in 17 van de 28 lidstaten sprake is van ten minste één "kritieke situatie";

11.  erkent dat, hoewel de economische en werkgelegenheidssituatie in de hele EU de afgelopen jaren is verbeterd, de opbrengsten niet altijd gelijkelijk zijn verdeeld, gezien het feit dat het aantal personen dat in een situatie van armoede en sociale uitsluiting leeft nog steeds te hoog is; maakt zich zorgen over toenemende ongelijkheid in de EU en haar lidstaten en over het groeiende aandeel werknemers, niet alleen deeltijdwerkers, die met armoede worden bedreigd; vraagt de Commissie en de lidstaten om zich te blijven inspannen voor de verbetering van de levensomstandigheden van deze personen, evenals voor een betere erkenning van de werkzaamheden en kennis van ngo's, armoedebestrijdingsorganisaties en personen die in een situatie van armoede verkeren, door hun deelname aan de uitwisseling van goede praktijken te bevorderen; wijst erop dat hoge ongelijkheidsniveaus de output van de economie en het potentieel voor duurzame groei vermindert; benadrukt het feit dat de integratie van langdurig werklozen met behulp van persoonsgerichte maatregelen een cruciale factor is in de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting en bijdraagt aan de duurzaamheid van nationale socialezekerheidsstelsels; pleit voor de oprichting en ontwikkeling van partnerschappen waarbij alle belanghebbenden zijn betrokken zodat de nodige instrumenten worden aangereikt om doeltreffender in te spelen op de behoeften van de arbeidsmarkt, voor effectieve oplossingen te zorgen, en om langdurige werkloosheid te voorkomen; beklemtoont dat een doeltreffend arbeidsmarktbeleid ten uitvoer moet worden gelegd om de langdurige werkloosheid terug te dringen; meent dat de lidstaten werklozen verder moeten helpen door betaalbare, toegankelijke en hoogwaardige dienstverlening te verschaffen voor het zoeken naar werk, voor opleiding en omscholing, en dat ze tegelijkertijd degenen moeten beschermen die niet aan de arbeidsmarkt kunnen deelnemen;

12.  verzoekt de Commissie rekening te houden met de sociale-ontwikkelingsdoelstellingen wanneer ze beleidsaanbevelingen voorstelt in het kader van het Europees Semester;

13.  spreekt nogmaals zijn bezorgdheid uit over de uiteenlopende arbeidsparticipatie- en werkloosheidspercentages in de verschillende lidstaten en waarschuwt met name voor de verontrustende omvang van gedeeltelijke en verborgen werkloosheid; is met name bezorgd over de omvang van de jeugdwerkloosheid, die meer dan 11 % bedraagt in de EU, met uitzondering van enkele lidstaten (Oostenrijk, Tsjechië, Nederland, Hongarije, Malta en Duitsland); is van mening dat het in sommige landen nog steeds hoge aantal NEET's en voortijdige schoolverlaters bijzonder zorgwekkend is; is in dit verband ingenomen met de verhoging van de subsidie voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief met 2,4 miljard EUR voor de periode 2017‑2020; benadrukt dat, indien nodig, het verstrekken van aanvullende middelen op EU-niveau voor het initiatief moet worden overwogen en dat de lidstaten moeten garanderen dat de jongerengarantie volledig openstaat voor alle groepen, met inbegrip van kwetsbare personen; wijst op het Speciaal verslag nr. 5/2017 van de Europese Rekenkamer: "Jeugdwerkloosheid – heeft het EU-beleid een verschil gemaakt?;

14.  is het er met de Commissie over eens dat stelsels voor sociale bescherming het recht op een minimuminkomen moeten waarborgen; verzoekt de lidstaten te zorgen voor een adequaat minimuminkomen boven de armoedegrens, in overeenstemming met de nationale wetgeving en praktijken en met de betrokkenheid van de sociale partners en ervoor te zorgen dat het toegankelijk is voor iedereen en is toegespitst op de meest behoeftige landen; is van mening dat minimumloonstelsels doeltreffend kunnen zijn bij de armoedebestrijding op voorwaarde dat ze gepaard gaan met toegang tot openbare goederen en diensten van goede en betaalbare kwaliteit en maatregelen om het (her)betreden van de arbeidsmarkt door mensen in kwetsbare situaties, die in staat zijn te werken, te bevorderen;

15.  verzoekt de Commissie een Europees socialezekerheidsnummer te creëren teneinde de uitwisseling van informatie te vergemakkelijken, mensen te voorzien van een dossier met hun huidige en historische recht op verstrekkingen, en misbruik te voorkomen;

16.  herinnert de Commissie eraan dat toegang tot sociale bescherming van fundamenteel belang is voor het scheppen van billijke arbeidsvoorwaarden en dat het als follow‑up van het overleg met de sociale partners nodig is met concrete voorstellen te komen om te garanderen dat alle mensen in alle arbeidsvormen het recht op socialezekerheidsverstrekkingen opbouwen, met inbegrip van het recht op een passend pensioen;

17.  is van mening dat de ontwikkeling van een Europees stelsel voor werkloosheidsherverzekering dat wordt ontworpen ter aanvulling van de nationale socialezekerheidsstelsels, niet alleen de capaciteit zou verbeteren om economische crises op te vangen met asymmetrische resultaten, maar dat dit ook een manier zou zijn om de sociale dimensie van de EU te versterken;

18.  verzoekt de Commissie haar inspanningen aan de hand van het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) en het Europees Semester te versterken om alomvattende overheidsbeleidsmaatregelen in de lidstaten te ondersteunen door zich te richten op een vlottere overgang van onderwijs en (langdurige) werkloosheid naar arbeid, en verzoekt met name de volledige tenuitvoerlegging van de maatregelen op nationaal niveau die worden geschetst in de Aanbeveling van de Raad betreffende de integratie van langdurig werklozen op de arbeidsmarkt(20); roept de lidstaten en de Commissie ertoe op een leven lang leren te stimuleren, in het bijzonder onder oudere werknemers, om hen te helpen hun vaardigheden aan te passen en hun inzetbaarheid te verhogen;

19.  maakt zich zorgen over de aanhoudend hoge armoedeniveaus in Europa bijna tien jaar na het begin van de crisis en de intergenerationele kloof die daarvan het gevolg is, ook in lidstaten met een lager aandeel van mensen dat met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd; is vooral bezorgd over de toenemende percentages kinderen in armoede en werkende armen in verschillende lidstaten ondanks het macro-economisch herstel van de voorbije jaren; merkt op dat in meer dan een derde van de lidstaten sprake is van een kritieke situatie in verband met het aandeel kinderen dat deelneemt aan opvang en onderwijs voor peuters en kleuters; verzoekt de Commissie de lidstaten te ondersteunen bij het ontwerpen en uitvoeren van structurele hervormingen, en de gevolgen daarvan voor de samenleving en de herverdeling te evalueren;

20.  verzoekt de Commissie alle nodige maatregelen te treffen om de armoede in Europa, en vooral de armoede bij kinderen, drastisch te verminderen, en met name concrete voorstellen te doen die kinderen in het middelpunt van het bestaande armoedebestrijdingsbeleid plaatsen, in overeenstemming met haar aanbeveling "Investeren in kinderen", en met inachtneming van de voorbereidende maatregelen die zijn vastgesteld in de EU-begrotingen van 2017 en 2018 en de resoluties van het EP, door ervoor te zorgen dat elk kind dat met armoede wordt bedreigd toegang krijgt tot gratis gezondheidszorg, gratis onderwijs, gratis kinderopvang, fatsoenlijke huisvesting en degelijke voeding; beklemtoont dat de lidstaten nationale plannen moeten goedkeuren voor de vermindering van kinderarmoede, door met name de beperkte gevolgen van sociale overdrachten voor de verlaging van het armoederisico aan te pakken;

21.  is verheugd over de aandacht die in de jaarlijkse groeianalyse 2018 wordt besteed aan passende sociale huisvesting en andere bijstand op het gebied van huisvesting als essentiële dienstverlening, die onder meer mensen in kwetsbare situaties beschermt tegen onrechtmatige gedwongen uitzetting en beslaglegging, en die dak- en thuisloosheid aanpakt; pleit voor versterkte monitoring van dak- en thuisloosheid en uitsluiting van huisvesting in het Semester en voor aanbevelingen waar dat nodig is;

22.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een richtlijn betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie ter vervanging van de huidige richtlijn schriftelijke verklaringen;

23.  wijst erop dat de werkloosheidspercentages bij jongeren en laaggeschoolde werknemers hoger zijn dan bij volwassen hoogopgeleide werknemers; verzoekt de Commissie en de lidstaten sneller werk te maken van de tenuitvoerlegging van de nieuwe vaardighedenagenda om mensen met specifieke vaardigheidsproblemen bij te scholen en hen op die manier opnieuw te integreren in de arbeidsmarkt;

24.  verzoekt de Commissie en de lidstaten zich maximaal in te zetten voor investeringen in betaalbaar, toegankelijk en kwalitatief hoogwaardig onderwijs, opleidingen, arbeidsproductiviteit bevorderende innovatie, een actief arbeidsmarktbeleid, sociale inclusie en integratie op de arbeidsmarkt, en in meer doeltreffende en op maat gesneden openbare en particuliere diensten voor arbeidsvoorziening – rekening houdend met de geografische demografische en inkomensverschillen binnen regio's en landen – om te waarborgen dat de verworven vaardigheden aansluiten bij de vraag vanuit de arbeidsmarkt, dat mensen zeggenschap hebben over zichzelf en ze op de arbeidsmarkt worden geïntegreerd, en het aantal vroegtijdige schoolverlaters wordt teruggedrongen; onderstreept in dit verband de groeiende vraag naar digitale en andere overdraagbare vaardigheden en wijst erop dat hun ontwikkeling dringend noodzakelijk is en moet gelden voor alle maatschappelijke groepen, met bijzondere aandacht voor laaggeschoolden en jongeren; herinnert aan het belang van initiatieven ter ondersteuning van de mobiliteit op lange termijn van lerenden in en jonge afgestudeerden van het beroepsonderwijs en beroepsopleidingen, die gekwalificeerd en mobiel personeel voor groeisectoren voortbrengen;

25  is van mening dat de wederzijdse erkenning van kwalificaties gunstig zal zijn om de kloof tussen de tekorten aan vakmensen op de Europese arbeidsmarkt en werkzoekenden, vooral jongeren, te dichten; wijst erop dat kwalificaties en vaardigheden die tijdens niet-formeel en informeel leren worden verworven, belangrijk zijn in de mate dat zij de inzetbaarheid verbeteren van jongeren en van mensen die zich een tijd afzijdig hebben gehouden van de arbeidsmarkt om zorgtaken op zich te nemen; wijst er daarom op dat het belangrijk is een waarderingsstelsel vast te stellen voor niet‑formele en informele vormen van leren en ervaring opdoen, vooral wanneer kennis en/of ervaring werd opgedaan tijdens vrijwilligerswerk; is verheugd over het feit dat de Commissie in de jaarlijkse groeianalyse rekening heeft gehouden met het belang van erkenning voor deze vaardigheden met het oog op de nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan beroepsopleidingen te verbeteren en het concept werkend leren te versterken, met inbegrip van kwalitatief hoogwaardige leerlingplaatsen;

26.  verzoekt de lidstaten het leerlingprogramma's te ondersteunen en de beschikbare Erasmus+-middelen voor stagiairs ten volle te benutten om de kwaliteit en de aantrekkelijkheid van dit soort scholing te waarborgen; vestigt de aandacht van de Commissie op de noodzaak om de deelname aan dit programma door jongeren in de ultraperifere gebieden te stimuleren, zoals werd geschetst in de mededeling van de Commissie getiteld "Een nieuw en sterker strategisch partnerschap met de ultraperifere gebieden van de EU";

27.  moedigt de lidstaten ertoe aan meer inspanningen te leveren om de landenspecifieke aanbevelingen op het gebied van onderwijs en jeugd uit te voeren en de uitwisseling van beste praktijken te stimuleren;

28.  verzoekt de Commissie en de lidstaten verder te gaan met initiatieven die bedoeld zijn om de toegang tot beter onderwijs, betere vaardigheden en werkgelegenheid te verhogen en tijdens al hun werkzaamheden in verband met vaardigheden te zorgen voor een sterkere focus op de groene en circulaire economie;

29.  is van mening dat een toekomstbestendige agenda voor vaardigheden ook leren op het gebied van duurzaamheid moet omvatten en deel moet uitmaken van een breder beraad over professionele geletterdheid in het kader van de toenemende digitalisering en robotisering van de Europese samenlevingen, waarbij de nadruk niet alleen op economische groei, maar ook op de persoonlijke ontwikkeling en op een betere gezondheid en een beter welzijn van de lerenden moet liggen;

30.  is tevreden met de mededeling van de Commissie van 14 november 2017 met als titel "De Europese identiteit versterken via onderwijs en cultuur", waarin ambitieuze doelstellingen zijn opgenomen op het gebied van onderwijs, met name de totstandbrenging van een Europese onderwijsruimte en een verbetering van het taalonderwijs in Europa;

31.  wijst er andermaal op dat de creatieve bedrijfstakken tot de ondernemendste sectoren behoren en dat creatief onderwijs overdraagbare vaardigheden ontwikkelt zoals creatief denken, probleemoplossend vermogen, teamwork en vindingrijkheid; roept ertoe op de kunsten en creatieve leerprocessen te integreren in het onderwijs in wetenschap, technologie, techniek en wiskunde (STEM), gezien de nauwe band tussen creativiteit en innovatie; wijst bovendien op het potentieel van de culturele en creatieve sector (CCS) voor het behoud en de bevordering van de Europese culturele en taaldiversiteit en voor economische groei, innovatie en werkgelegenheid, met name werkgelegenheid voor jongeren; benadrukt het feit dat verdere stimulering van en investering in de CCS een aanzienlijke bijdrage kunnen leveren aan investering, groei, innovatie en werkgelegenheid; verzoekt de Commissie daarom te denken aan de mogelijkheden die worden geboden door de volledige CCS, met name ngo's en kleine verenigingen, bijvoorbeeld in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

32.  herinnert eraan dat meisjes en jonge vrouwen moeten worden aangemoedigd om ICT‑studies te volgen en roept de lidstaten ertoe op meisjes en jonge vrouwen aan te sporen om STEM-vakken te studeren, maar hier ook kunsten en menswetenschappen bij te nemen, en de vertegenwoordiging van vrouwen in STEM-sectoren te vergroten;

33.  verzoekt de lidstaten en de Commissie alle nodige maatregelen te nemen, in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel, ter verbetering van de diensten en de wetgeving die van belang zijn voor een goed evenwicht tussen werk en privéleven en voor de gendergelijkheid; dringt aan op het ontwikkelen van het aanbod aan toegankelijke, hoogwaardige en betaalbare kinderopvang, opvang van afhankelijke personen en vroegschoolse educatie en op het creëren van gunstige voorwaarden voor ouders en mantelzorgers door het opnemen van gezinsverlof ruimhartig toe te staan en flexibele arbeidsregelingen aan te bieden met gebruikmaking van de mogelijkheden van de moderne technologie, die, waar nodig, sociale bescherming waarborgen en in voldoende scholing voorzien; beklemtoont dat het echter noodzakelijk is om familieleden te ontlasten van de verplichte zorg en vraagt om een gereguleerd kader vast te stellen voor huispersoneel en zorgverstrekkers dat het evenwicht tussen werk en privéleven gemakkelijker zal maken en tegelijkertijd voor nieuwe banen zorgt; onderstreept in dit verband, het potentieel van publiek-private partnerschappen en de belangrijke rol van socialedienstverleners en ondernemingen in de sociale economie; benadrukt met klem dat het nodig is toe te zien op de sociale vooruitgang en de vooruitgang inzake gendergelijkheid en op de impact van de hervormingen in de loop van de tijd;

34.  verzoekt de Commissie en de lidstaten streefcijfers in te voeren voor de zorg voor ouderen, mensen met een handicap en andere personen ten laste, zoals eerder is gedaan met de streefcijfers van Barcelona voor kinderopvang, met monitoringinstrumenten die ervoor zorgen dat deze streefcijfers worden gehaald; verzoekt de Commissie en de lidstaten te streven naar kwaliteitsnormen voor alle zorgdiensten, met inbegrip van hun beschikbaarheid, toegankelijkheid en betaalbaarheid; verzoekt de lidstaten en de Commissie de conclusies van de Raad Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken (Epsco) inzake het versterken van gemeenschapsgebaseerde ondersteuning en zorg voor zelfstandig leven in acht te nemen en te voorzien in een duidelijke strategie en aanzienlijke investeringen om moderne hoogwaardige gemeenschapsgebaseerde diensten te ontwikkelen en zorgverstrekkers, vooral mantelzorgers, meer steun te verlenen;

35.  vraagt de Commissie en de lidstaten om de arbeidskwaliteit te verbeteren, zowel op het gebied van de arbeidsvoorwaarden, gezondheid en veiligheid als op dat van een loon dat een fatsoenlijke verlof- en gezinsplanning mogelijk maakt; beklemtoont dat het belangrijk is zwartwerk doeltreffend aan te pakken, door de sociale partners erbij te betrekken, en er passende boetes voor op te leggen; dringt er bij de lidstaten op aan hun inspanningen om zwartwerk in legaal werk om te zetten te verdubbelen door hun arbeidsinspectiemechanismen te versterken en maatregelen in te voeren die werknemers in staat stellen van de informele naar de formele economie over te stappen; herinnert de lidstaten aan het bestaan van het Europees platform tegen zwartwerk, waaraan ze actief dienen deel te nemen door het te gebruiken voor de uitwisseling van goede praktijken en de aanpak van zwartwerk, brievenbusondernemingen en schijnzelfstandigheid, die allemaal zowel de kwaliteit van het werk en de toegang van werknemers tot socialebeschermingsstelsels als de nationale overheidsfinanciën in gevaar brengen, en leiden tot oneerlijke concurrentie tussen Europese ondernemingen; is ingenomen met nieuwe, door de Commissie voorgestelde initiatieven zoals het opzetten van een openbare raadpleging over een Europese Arbeidsautoriteit, of een Europees socialezekerheidsnummer; verzoekt de lidstaten arbeidsinspecties en andere relevante overheidsinstanties voldoende middelen te geven om het probleem van zwartwerk aan te pakken, maatregelen te ontwikkelen om werknemers in staat te stellen van de grijze naar de officiële economie over te stappen en de grensoverschrijdende samenwerking tussen inspectiediensten en de elektronische uitwisseling van gegevens te verbeteren teneinde de controles die bedoeld zijn om sociale fraude en zwartwerk te bestrijden doeltreffender te maken en de bureaucratie te verminderen;

36.  vraagt de lidstaten ervoor te zorgen dat hun actieve arbeidsmarktbeleid doeltreffend en  doelmatig is en bedoeld is om de mobiliteit tussen sectoren en de herscholing van werknemers te ondersteunen, kwesties die steeds belangrijker zal worden naarmate onze arbeidsmarkten zich aanpassen aan de digitalisering van onze economieën;

37.  onderstreept de mogelijkheden die kmo's en sociale ondernemingen hebben waar het gaat om nieuwe banen en de economie als geheel; acht het van het grootste belang het hoge percentage mislukkingen bij startende ondernemingen te beoordelen om daar lering uit te trekken voor de toekomst, en het ondernemerschap te ondersteunen door middel van de ontwikkeling en ondersteuning van de modellen van de sociale en circulaire economie; acht het voorts cruciaal het bedrijfsklimaat te verbeteren door administratieve belemmeringen weg te nemen en de voorschriften aan te passen, de toegang tot financiële middelen te verbeteren en de ontwikkeling van fiscale modellen en vereenvoudigde procedures voor het naleven van de belastingregels te ondersteunen die kmo's, ondernemers, zelfstandigen, microbedrijven, starters en ondernemingen in de sociale economie ten goede komen, en belastingontduiking en een gebrek aan betrouwbare informatie voor het identificeren van belastinggrondslagen en hun daadwerkelijke eigenaren te voorkomen; verzoekt de lidstaten beleidsmaatregelen te ontwikkelen die bij jongeren van jongs af een verantwoordelijke en effectieve ondernemingscultuur bevorderen door hen de kans te bieden stages te volgen en bedrijven te bezoeken, en de juiste kennis bij te brengen om mislukking te voorkomen; dringt er in dit verband bij de Commissie op aan de Erasmusprogramma's voor jonge ondernemers voort te zetten; vraagt de lidstaten verenigingen en initiatieven te ondersteunen die jonge ondernemers helpen bij de ontwikkeling van innovatieve projecten;

38.  wijst erop dat sociaal ondernemerschap een groeiende sector is die de economische bedrijvigheid kan aanzwengelen en tegelijk ontbering, sociale uitsluiting en andere maatschappelijke problemen kan verlichten; is daarom van mening dat onderwijs in ondernemersvaardigheden een sociale dimensie moet hebben en onder meer onderwerpen moet behandelen als eerlijke handel, sociale ondernemingen en alternatieve ondernemingsmodellen zoals coöperaties, om te streven naar een meer sociale, meer inclusieve en meer duurzame economie;

39.  wijst erop dat ondernemingen in de sociale economie van cruciaal belang zijn geweest om de gevolgen van de crisis te temperen; beklemtoont daarom dat dergelijke bedrijven meer ondersteuning moet worden geboden, met name voor toegang tot de verschillende vormen van financiering, met inbegrip van Europese fondsen, en hun administratieve last te verminderen; benadrukt dat ze een wettelijk kader moeten krijgen waarin hun activiteiten in de EU worden erkend en waarmee oneerlijke concurrentie wordt voorkomen; betreurt het feit dat de beoordeling van hun activiteiten niet is opgenomen in de jaarlijkse groeianalyse, zoals het Parlement had gevraagd;

40.  erkent dat vrouwen nog altijd ondervertegenwoordigd zijn op de arbeidsmarkt; meent in dit verband dat flexibele arbeidsovereenkomsten, onder meer vrijwillige tijdelijke en deeltijdcontracten, een belangrijke rol kunnen vervullen voor de verhoging van de arbeidsparticipatie voor groepen, ook vrouwen, die anders van de arbeidsmarkt uitgesloten zouden zijn;

41.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te investeren in het onderzoek naar en de ontwikkeling te bevorderen van nieuwe productietechnieken en diensten in het kader van een rechtvaardige overgang; wijst erop dat zij kansen bieden om de productiviteit en duurzaamheid te verhogen, nieuwe hoogwaardige banen te scheppen en de ontwikkeling op lange termijn te stimuleren;

42.  vraagt de Commissie en de lidstaten om in overeenstemming met de Europa 2020-strategie investeringen in de sector O&O te stimuleren; is van mening dat investeringen in deze sector bijdragen aan een groter concurrentievermogen en een hogere productiviteit van de economie en ze op die manier bijdragen aan het scheppen van stabiele banen en hogere lonen;

43.  benadrukt dat het belangrijk is de toegang tot breedband te verzekeren in alle regio's, ook op het platteland en in regio's met ernstige en blijvende milieu- of demografische problemen, teneinde een harmonieuze ontwikkeling in de hele EU te bevorderen;

44.  ziet de bevolkingskrimp, waarmee de regio's in de EU in uiteenlopende mate te kampen hebben, als een van de ernstige belemmeringen voor ontwikkeling in de EU, die verschillende benaderingen en inspanningen vereist; verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te nemen om deze uitdaging aan te pakken; onderstreept dat bevolkingskrimp een holistische benadering vereist, met aanpassing van de nodige infrastructuur, hoogwaardige banen met fatsoenlijke lonen, verbetering van de openbare dienstverlening en vrijwillige flexibele arbeidsregelingen, die gepaard moeten gaan met een adequate arbeidszekerheid en toegankelijke sociale bescherming;

45.  is verheugd dat de Commissie in haar Europees statistisch programma de noodzaak heeft opgenomen om te voorzien in statistieken inzake demografische uitdagingen zoals ontvolking of de verspreiding van de bevolking; is van mening dat dergelijke gegevens bijdragen aan het op een betrouwbare wijze in kaart brengen van de problemen waarmee de regio's nog steeds te maken hebben en ervoor zorgen dat er betere oplossingen kunnen worden gevonden; vraagt de Commissie om bij het uitwerken van het toekomstig meerjarig financieel kader rekening te houden met dergelijke statistieken (MFK);

46.  herinnert eraan dat een toenemende levensverwachting om een aanpassing van de pensioenstelsels vraagt, zodat de duurzaamheid ervan kan worden verzekerd en ouderen een goede levenskwaliteit kan worden gegarandeerd; benadrukt dat dit kan worden bereikt door de economische afhankelijkheidsratio te verlagen, onder meer door adequate arbeidsomstandigheden te bieden aan hen die langer willen blijven werken, en door op het niveau van de lidstaten en in samenwerking met de sociale partners – de noodzaak te evalueren om zowel de wettelijke als de daadwerkelijke pensioenleeftijd duurzaam te laten aansluiten bij de stijging van de levensverwachting en het aantal premiejaren, en door vervroegde uittreding uit de arbeidsmarkt te voorkomen, alsook vluchtelingen en migranten en jongeren op de arbeidsmarkt tegemoet te komen; verzoekt de Commissie de lidstaten te ondersteunen wanneer zij overheids- en bedrijfspensioenregelingen versterken en te zorgen voor zorgpunten ter compensatie van verloren pensioenbijdragen van vrouwen en mannen doordat ze de zorg voor kinderen of langdurige zorg op zich hebben genomen en op die manier de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen te verminderen en een passend pensioeninkomen boven de armoedegrens te verstrekken en gepensioneerden in staat te stellen een waardig en onafhankelijk leven te leiden;

47.  verzoekt de Commissie en de lidstaten een beleid te voeren dat gericht is op actief ouder worden, de maatschappelijke integratie van ouderen en solidariteit tussen de generaties; herinnert eraan dat kosteneffectievere gezondheidszorgstelsels en langdurige zorg die tijdige toegang tot betaalbare preventieve en curatieve gezondheidszorg van goede kwaliteit garanderen ook voor de productiviteit van fundamenteel belang zijn;

48.  is van mening dat het cohesiebeleid als belangrijkste investeringsbeleid van de Europese Unie doeltreffend is gebleken bij het verminderen van de ongelijkheid en het verbeteren van de inclusie en de armoedebestrijding en dat de middelen voor dit beleid daarom in het toekomstige meerjarig financieel kader moeten worden verhoogd; is van mening dat het Europees Sociaal Fonds moet worden gehandhaafd als belangrijkste instrument van de EU voor de integratie en re-integratie van werknemers op de arbeidsmarkt, evenals voor ondersteunende maatregelen op het gebied van sociale inclusie, armoedebestrijding en de bestrijding van ongelijkheid, en voor de ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de Europese pijler van sociale rechten; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de middelen voor het Europees Sociaal Fonds worden verhoogd, ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de Europese pijler van sociale rechten in het volgende MFK;

49.  benadrukt de noodzaak dat het EFSI groei en werkgelegenheid steunt in investeringsprojecten met een hoog risico, en jeugdwerkloosheid en langdurige werkloosheid aanpakt; is echter bezorgd over het enorm onevenwichtige gebruik van het fonds door de EU‑15 in vergelijking met de EU‑13; beklemtoont voorts de rol van programma Werkgelegenheid en sociale vernieuwing in de bevordering van een hoog niveau van hoogwaardige en duurzame werkgelegenheid, het waarborgen van een adequate en fatsoenlijke sociale bescherming en voor de bestrijding van sociale uitsluiting en armoede;

50.  dringt er bij de lidstaten op aan na te gaan of zij de belastingen op essentiële producten, met name levensmiddelen, zouden kunnen verlagen, een stap die een van de fundamenteelste maatregelen op het gebied van sociale rechtvaardigheid is;

51.  verzoekt de Commissie en de lidstaten intensiever te streven naar verdere integratie van mensen met een beperking in het arbeidsproces door wettelijke belemmeringen weg te nemen, discriminatie aan te pakken, werkplekken aan te passen en stimulansen in te voeren om deze mensen in dienst te nemen; herinnert eraan dat een aangepaste werkomgeving voor mensen met een beperking, hun integratie op alle onderwijs- en opleidingsniveaus en doelgerichte financiële steun, essentiële maatregelen zijn om hen te helpen volledig deel te nemen aan de arbeidsmarkt en aan de samenleving in haar geheel; verzoekt de Commissie in het sociale scorebord indicatoren op te nemen betreffende de sociale en arbeidsintegratie van mensen met een beperking;

52.  is ingenomen met de integratie van de rechten van personen met een beperking in de voorgestelde nieuwe richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten die zijn gevoegd bij de jaarlijkse groeianalyse voor 2018; vraagt niettemin dat deze bepalingen concrete maatregelen omvatten om de geformuleerde doelstellingen te realiseren, overeenkomstig de verplichtingen van de EU en de lidstaten in het kader van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (CRPD);

53.  spoort de lidstaten aan de nodige maatregelen toe te passen voor de sociale inclusie van vluchtelingen en mensen die tot een etnische minderheid behoren en mensen met een migratieachtergrond;

54.  onderstreept dat het niet op elkaar aansluiten van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt een probleem voor werkgevers is dat in alle regio's in de EU speelt, ook in de meest ontwikkelde, en niet kan worden opgelost met onzekere of instabiele werkgelegenheid; verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te bevorderen ter vergemakkelijking van de mobiliteit van werknemers tussen banen, sectoren en locaties, teneinde zowel in minder als in sterker ontwikkelde regio's aan de vraag naar werknemers te voldoen, en tegelijkertijd te zorgen voor stabiliteit en fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden en vooruitgang en promotie in het beroep mogelijk te maken; erkent dat de arbeidsmobiliteit binnen de EU over de grenzen van de lidstaten heen bijdraagt aan de invulling van vraag en aanbod; verzoekt de Commissie en de lidstaten voorts bijzondere aandacht te besteden aan de speciale omstandigheden waarin grensarbeiders en werknemers in perifere en ultraperifere regio's zich bevinden;

55.  betreurt het feit dat de ultraperifere regio's, na talloze verzoeken van het Parlement, nog steeds niet in de jaarlijkse groeianalyse zijn opgenomen; dringt er bij de Commissie op aan met het oog op de waarborging van de gelijkheid tussen de regio's en de bevordering van de opwaartse convergentie, waarover reeds veel discussie is gevoerd, de toepassing van artikel 349 VWEU te bevorderen in een poging om de integratie van de ultraperifere gebieden in de EU te stimuleren; beklemtoont dat de bijzondere aandacht die aan de ultraperifere gebieden wordt gegeven, moet worden gehandhaafd, niet alleen met betrekking tot de toewijzing van financiële middelen, maar ook in het licht van de gevolgen die Europese beleidsmaatregelen kunnen hebben op hun sociale situatie en arbeidsparticipatiegraad;

56.  benadrukt dat in de periode 2014‑2016 de reële loongroei is achtergebleven bij de groei van de productiviteit, ondanks verbeteringen op de arbeidsmarkt; herinnert eraan dat groei van de reële lonen als gevolg van toegenomen productiviteit van cruciaal belang is om ongelijkheid aan te pakken;

57.  onderstreept de rol in het hervormingsproces van de sociale partners als cruciale belanghebbenden, van de nationale praktijk inzake sociale dialoog en van het maatschappelijk middenveld alsmede de toegevoegde waarde die hun actieve betrokkenheid bij de voorbereiding, ordening en uitvoering van hervormingen oplevert; beklemtoont dat als de sociale partners daadwerkelijk betrokken worden bij het ontwerpen van de beleidsmaatregelen zij zich meer zullen inzetten voor de nationale hervormingen die worden vastgesteld als resultaat van de landenspecifieke aanbevelingen van het Semester en dat daardoor hun eigen verantwoordelijkheid voor de uitkomsten zal worden versterkt; verzoekt daarom de Commissie richtsnoeren voor dusdanige passende betrokkenheid van alle belanghebbenden voor te stellen; onderschrijft de opvatting dat nieuwe vormen van werkgelegenheid op de gemondialiseerde markt om nieuwe vormen van sociale en civiele dialoog vragen en verzoekt de Commissie en de lidstaten steun te verlenen aan de totstandkoming van deze nieuwe vormen van sociale dialoog en de bescherming voor deze nieuwe vormen van werkgelegenheid; benadrukt dat alle werknemers over hun rechten moeten worden geïnformeerd en worden beschermd als zij klokkenluiden om misbruik melden; is van mening dat in elke fase van het proces van het Europees Semester sociale dialoog moet worden nagestreefd, als het de bedoeling is dat we in de richting van opwaartse convergentie evolueren; bekrachtigt dat de lidstaten de mensen moeten helpen bij het verwerven van de vaardigheden die op de arbeidsmarkt vereist zijn;

58.  wijst erop dat volgens het Cedefop en het scorebord voor EU-2020, de verdeling van vaardigheden bij de beroepsbevolking grotendeels overeenstemde met de kwalificatievereisten van de arbeidsmarkt in 2016, dat het arbeidsaanbod voor alle kwalificatietypes hoger was dan de vraag, en met name hoog was voor lage en gemiddelde kwalificaties; beklemtoont dat de prognoses van het Cedefop wijzen op een parallelle stijging van de vaardigheden aan vraag- en aanbodzijde tot 2025 en dat het niveau van de vaardigheden naar verwachting sneller zal veranderen voor de beroepsbevolking dan dat van de vaardigheden die voor de arbeidsmarkt vereist zijn; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom de problemen bij de toegang tot de arbeidsmarkt aandachtig opnieuw te bekijken; maakt zich zorgen over de stijging van het overkwalificatiepercentage (25 % in 2014);

59.  beklemtoont dat genderdiscriminatie, zoals de loonkloof of de kloof in de arbeidsparticipatiegraad tussen mannen en vrouwen, nog altijd ernstig is, aangezien het gemiddelde bruto-uurloon van mannelijke werknemers ongeveer 16 % hoger is dan dat van vrouwelijke werknemers; benadrukt dat deze verschillen voortvloeien uit de ondervertegenwoordiging van vrouwen in goedbetaalde sectoren, discriminatie op de arbeidsmarkt en het grote aantal vrouwen in deeltijdbanen; dringt aan op verdere vooruitgang om deze kloven te dichten; verzoekt de Commissie in dit verband in de Europa 2020-strategie een pijler voor gendergelijkheid en een overkoepelende doelstelling voor gendergelijkheid in te voeren;

60.  verzoekt de lidstaten om de genderdimensie en het beginsel van gelijkheid tussen mannen en vrouwen in hun nationale hervormingsprogramma's en stabiliteits- en convergentieprogramma's op te nemen door kwalitatieve streefdoelen vast te stellen en maatregelen te bedenken om de aanhoudende genderkloven aan te pakken;

61.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(2)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0355.

(3)

PB L 59 van 2.3.2013, blz. 5.

(4)

PB CE 236 van 12.8.2011, blz. 57.

(5)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0451.

(6)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0418.

(7)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0403.

(8)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0360.

(9)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0260.

(10)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0073.

(11)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0039.

(12)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0010.

(13)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0338.

(14)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0033.

(15)

PB C 366 van 27.10.2017, blz. 19.

(16)

PB C 265 van 11.8.2017, blz. 48.

(17)

PB C 75 van 26.2.2016, blz. 130.

(18)

PB C 65 van 19.2.2016, blz. 40.

(19)

Index van de digitale economie en maatschappij, Europese Commissie.

(20)

PB C 67 van 20.2.2016, blz. 1.


TOELICHTING

De jaarlijkse groeianalyse (JG), die een integrerend onderdeel vormt van het Europese semester, is bedoeld om de duurzame economische ontwikkeling en de sociale convergentie te stimuleren door de prioriteiten voor de Europese Unie en haar lidstaten voor het komende jaar aan te geven. De rapporteur merkt op dat in deze editie van het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid de resultaten van het sociaal scorebord worden gepresenteerd; dit scorebord is in de plaats gekomen van het in 2013 ingevoerde scorebord van kernindicatoren op sociaal en werkgelegenheidsgebied. Het nieuwe scorebord berust op een aantal hoofdindicatoren voor het meten van de prestaties van de lidstaten op sociaal en werkgelegenheidsgebied aan de hand van drie brede criteria die in de context van de pijler zijn vastgesteld, te weten i) gelijke kansen en toegang tot de arbeidsmarkt, ii) dynamische arbeidsmarkten en eerlijke arbeidsvoorwaarden, en iii) overheidssteun / sociale bescherming en inclusie.

Positief is dat in de JG voor 2018 wordt gewezen op tekenen van herstel van de Europese economie: een stabiele economische groei, dalende werkloosheidscijfers en verbetering van de investeringen en de overheidsfinanciën. In het tweede kwartaal van 2017 had een recordaantal van 235,4 miljoen mensen een baan en sinds het tweede kwartaal van 2014 zijn er 8 miljoen nieuwe banen bijgekomen. Het percentage armen en maatschappelijk uitgeslotenen daalt. Niettemin zijn er nog steeds bepaalde problemen. In dit verslag wordt gewezen op de grootste struikelblokken op de weg naar een duurzame economische ontwikkeling in combinatie met sociale convergentie en worden aanbevelingen aan de Commissie en de lidstaten gedaan.

Ondanks een bescheiden daling blijft de jeugdwerkloosheid op een onaanvaardbaar hoog niveau van 16,6 % (voor de eurozone ligt het cijfer bij 18,7 %). Daarnaast zijn er 6,3 miljoen jongeren tussen 15 en 24 jaar die geen baan hebben en geen onderwijs of een opleiding volgen. Dit is een van de zwaarste uitdagingen die dringend moet worden aangepakt. De Europese Commissie heeft een aantal maatregelen voorgesteld, met als uithangbord het werkgelegenheidsinitiatief voor jongeren, waaraan onlangs nog eens 2,4 miljard EUR is toegekend voor de periode 2017-2020. Niettemin moet er zowel door de Commissie als door de lidstaten nog meer worden gedaan.

Een van de mogelijkheden om de hoge werkloosheid terug te dringen, is ervoor te zorgen dat de vaardigheden van de actieve bevolking beter aansluiten op de eisen die de arbeidsmarkt stelt. Met het oog daarop is het wenselijk dat het onderwijsbeleid wordt aangepast en de opleidingskaders worden verbeterd. Verder ontbreekt het volgens Eurostat naar schatting 44 % van de Europeanen aan digitale vaardigheden, terwijl deze voor 90 % van alle banen tot op zekere hoogte nodig zijn. Daarom is de ontwikkeling van digitale en andere overdraagbare vaardigheden in hoge mate noodzakelijk. In bepaalde sectoren hebben werkgevers moeite hun vacatures te bezetten, een fenomeen dat zich zowel in minder ontwikkelde als in sterker ontwikkelde gebieden voordoet. Er moet daarom steun worden verleend ten behoeve van de mobiliteit van werknemers tussen banen, sectoren en locaties.

Er zijn structurele hervormingen nodig om de investeringen te stimuleren en de productiviteit te verhogen en er tegelijk voor te zorgen dat de sociale systemen afdoende bescherming bieden. De hervormingen moeten met name gericht zijn op een verbetering van het bedrijfsklimaat voor kleine en middelgrote ondernemingen, die 85 % van de nieuwe banen creëren. De Commissie en de lidstaten moeten nieuwe productietechnieken ondersteunen omdat daardoor de productiviteit kan worden verhoogd en nieuwe banen kunnen ontstaan.

De rapporteur stelt dat de demografische situatie (vergrijzing van de Europese samenlevingen en onevenredig snelle leegloop van sommige gebieden) een uitdaging betekent voor de socialezekerheidsstelsels, de sociale diensten en de arbeidsmarkt als geheel. Om hieraan het hoofd te bieden, is een holistische benadering vereist met de totstandbrenging en aanpassing van de nodige infrastructuur, een hervorming van de nationale pensioenstelsels en een beleid gericht op actief ouder worden. Daarnaast zal het voor de samenleving als geheel van voordeel blijken als de solidariteit tussen de generaties en de maatschappelijke integratie van ouderen worden aangemoedigd.

De rapporteur wijst erop dat ondanks de vele maatregelen die al zijn genomen om mensen met een beperking volledig op de arbeidsmarkt te integreren, het probleem nog steeds bestaat en om verder optreden vraagt. De diverse stimulerende maatregelen die werkgevers ertoe moeten aanzetten mensen met een beperking in dienst te nemen, bieden bijzondere mogelijkheden om de kansen van deze mensen op een baan te verhogen. Voorts moeten de wettelijke obstakels die de volledige integratie van mensen met een beperking op de arbeidsmarkt belemmeren, worden weggenomen.

Concluderend is de rapporteur van mening dat de jaarlijkse groeianalyse voor de lidstaten een belangrijke indicator vormt bij de opstelling van hun nationale beleid en hervormingsplannen. Uit een oogpunt van efficiënt optreden moet echter worden vermeden dat de landenspecifieke aanbevelingen, de volgende stap in het Europees semester, ongelijkmatig worden uitgevoerd.


ADVIES van de COMMISSIE cultuur en onderwijs (22.2.2018)

aan de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

inzake het Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2018

(2017/2260(INI))

Rapporteur voor advies: Julie Ward

SUGGESTIES

De Commissie cultuur en onderwijs verzoekt de bevoegde Commissie werkgelegenheid en sociale zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is ingenomen met de goedkeuring van de gezamenlijke afkondiging van de Europese pijler van sociale rechten en wijst op de politieke omschakeling naar de bevordering van sociaal beleid die hieruit blijkt; herinnert eraan dat de afkondiging zonder concrete maatregelen weinig zoden aan de dijk zal zetten en dat voorrang moet worden gegeven aan vermindering van de ongelijkheden, bestrijding van armoede en toegang tot hoogwaardig onderwijs om solidariteit en sociale rechtvaardigheid te bevorderen en duurzame groei te realiseren; benadrukt dat hoogwaardig onderwijs en een verhoging van de uitgaven voor onderwijs, jeugd en cultuur van essentieel belang zijn om de economische en sociale doelstellingen van de EU te realiseren;

2.  is ingenomen met het voornemen om de nieuwe pijler van sociale rechten op te nemen in de tenuitvoerlegging van het Europees semester, met inbegrip van de landspecifieke aanbevelingen, omdat sociale investeringen en maatregelen niet slechts een gunstig neveneffect van het economisch beleid mogen zijn, maar volledig deel moeten uitmaken van de inspanningen van de lidstaten op het gebied van beleidscoördinatie voor de opbouw van een sociale Unie; dringt er bij de lidstaten op aan beste praktijken op dit gebied uit te wisselen;

3.  verzoekt de Commissie in verband hiermee volledig gebruik te maken van de flexibiliteitsclausule van het stabiliteits- en groeipact, om de lidstaten in staat te stellen krachtig te investeren in cultuur- en jeugdbeleid, onderwijs, opleiding, onderzoek en innovatie, die van essentieel belang zijn voor het vormen van actieve burgers, met de creatie van een goed functionerende arbeidsmarkt en het scheppen van stabiele en duurzame economische welvaart, maar met naleving van het beginsel van sluitende begrotingen;

4.  moedigt de lidstaten ertoe aan meer inspanningen te leveren om de landspecifieke aanbevelingen op het gebied van onderwijs en jeugd uit te voeren en de uitwisseling van beste praktijken te stimuleren;

5.  is ingenomen met de vooruitgang op het gebied van het aantal personen dat hoger onderwijs volgt en met het terugdringen van het voortijdig schoolverlaten, maar merkt met betrekking tot dit laatste op dat in sommige lidstaten nog steeds problemen bestaan; benadrukt niettemin dat uit de meest recente Onderwijs- en opleidingsmonitor en PISA-onderzoeken blijkt dat het verwerven van basisvaardigheden achteruitgaat en dat de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen en tussen sociale categorieën nog altijd groot zijn; herinnert eraan dat jongeren uit kansarme groepen een groter risico blijven lopen om NEET's te worden (Not in Education, Employment or Training) of laaggeschoolde, instabiele of slecht betaalde banen te krijgen; benadrukt dat de doelstellingen van Europa 2020 op het gebied van onderwijs en opleiding nog niet zijn gerealiseerd; onderstreept dat het nodig is het recht op kwalitatief hoogwaardig, inclusief onderwijs en opleiding voor alle leeftijden en alle soorten lerenden te bevorderen, te investeren in voorlichting, concrete maatregelen te ontwikkelen ter ondersteuning van de kwetsbaarste lerenden en kansarmen, zoals lerenden met een handicap, NEET's en jongeren en kinderen met een migratieachtergrond, en te zorgen voor hun systematische inclusie in het reguliere onderwijs;

6.  is van mening dat migranten volledige toegang moeten hebben tot onderwijsstelsels, hetgeen extra, gerichte overheidsuitgaven vereist, en moeten kunnen profiteren van hoogwaardige sociale en ecologisch duurzame investeringen om werknemers te integreren in de arbeidsmarkt en werkloosheid terug te dringen;

7.  is bezorgd over het gebrek aan basisvaardigheden en digitale vaardigheden bij volwassenen, die onder andere hun toegang tot hoogwaardige vaste banen kunnen belemmeren; merkt op dat onze onderwijsstelsels moeten worden bijgewerkt om ze aan te passen aan de uitdagingen van onze snel veranderende en steeds meer aangesloten maatschappij, bijvoorbeeld de uitdagingen die het gevolg zijn van de mondialisering en de technologische vooruitgang; benadrukt in verband hiermee dat het belangrijk is lerenden van alle leeftijden en achtergronden te voorzien van sociale, overdraagbare vaardigheden, bijvoorbeeld interculturele vaardigheden, creatief en kritisch denken en digitale en mediageletterdheid, en ICT en onderwijs in ondernemerschap te bevorderen als doeltreffende manier voor het ontwikkelen van transversale vaardigheden en zin voor innovatie en creativiteit, die zowel belangrijk zijn voor zelfstandigen als voor werknemers; onderstreept het feit dat programma's voor een leven lang leren een essentiële rol spelen voor de bestrijding van armoede, sociale uitsluiting en werkloosheid, in overeenstemming met de doelstellingen van de Europa 2020-strategie, alsmede voor het garanderen van continue hoogwaardige opleiding voor leraren en lesgevers;

8.  is van mening dat een toekomstbestendige agenda voor vaardigheden ook leren op het gebied van duurzaamheid moet omvatten en deel moet uitmaken van een breder beraad over professionele geletterdheid in het kader van de toenemende digitalisering en robotisering van de Europese samenlevingen, waarbij de nadruk niet alleen op economische groei, maar ook op de persoonlijke ontwikkeling en op een betere gezondheid en een beter welzijn van de lerenden moet liggen;

9.  dringt aan op een behoorlijke erkenning van de cruciale rol van informeel en niet‑formeel leren, in het bijzonder voor de meest kwetsbaren, onder meer door de vaststelling van ambitieuze benchmarks en de validering van verworven vaardigheden en kwalificaties; herinnert er daarom aan dat een mondiale strategie nodig is voor een leven lang leren in een snel veranderende arbeidsmarkt met een toenemende behoefte aan nieuwe vaardigheden en innovatie;

10.  is tevreden met de mededeling van de Commissie van 14 november 2017 met als titel "De Europese identiteit versterken via onderwijs en cultuur", waarin ambitieuze doelstellingen zijn opgenomen op het gebied van onderwijs, met name de totstandbrenging van een Europese onderwijsruimte en een verbetering van het taalonderwijs in Europa;

11.  is tevreden met de bijdrage van Erasmus+ aan de bevordering van mobiliteit en culturele uitwisselingen binnen en buiten de EU; vraagt dat de Europese instrumenten voor mobiliteit en de erkenning van vaardigheden en kwalificaties beter worden bevorderd en gebruikt om mobiliteit met betrekking tot leren, opleiding en banen te faciliteren; herhaalt dat meer mobiliteitsmogelijkheden moeten worden geboden aan mensen in beroepsopleidingen, kansarme jongeren en mensen die getroffen worden door diverse, van elkaar verschillende vormen van discriminatie; benadrukt het feit dat het belangrijk is de mobiliteit te faciliteren van studenten en werknemers, met bijzondere focus op het stimuleren van het leren van andere Europese talen;

12.  is tevreden met de toename van de banenschepping in de hele EU; merkt evenwel op dat de cijfers voor jeugdwerkloosheid volgens de gegevens van Eurostat voor 2017 in sommige landen erg hoog blijven (16,5 % in de EU-28 en 18,6 % in de eurozone); herinnert er daarom aan dat bestrijding van de jeugdwerkloosheid een prioriteit moet blijven, evenals het waarborgen van de kwaliteit en zekerheid van de gecreëerde banen en het voorkomen van onzekere werkgelegenheid, overeenkomstig de IAO-agenda voor waardig werk; is in verband hiermee van mening dat de voortdurende ongelijkheden in de toegang tot onderwijs beter moeten worden aangepakt en dat betere resultaten moeten worden gegarandeerd wat de verwerving van basisvaardigheden betreft, met name om de integratie in de arbeidsmarkt te garanderen van kwetsbare en kansarme personen, inclusief personen met een handicap, personen met een migratieachtergrond en vluchtelingen; wijst op de discrepantie tussen het aanbod van en de vraag naar vaardigheden, die kan leiden tot een vaardighedenpolarisatie op de arbeidsmarkt en tot een zwakkere sociale cohesie; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom maatregelen te nemen om de interactie te bevorderen tussen onderwijsinstellingen, bedrijven, de onderzoeksector en andere sociale partners dit op dit gebied actief zijn;

13.  wijst er andermaal op dat de creatieve bedrijfstakken tot de ondernemendste sectoren behoren en dat creatief onderwijs overdraagbare vaardigheden ontwikkelt zoals creatief denken, probleemoplossend vermogen, teamwork en vindingrijkheid; roept ertoe op de kunsten en creatieve leerprocessen te integreren in het onderwijs in wetenschap, technologie, techniek en wiskunde (STEM), gezien de nauwe band tussen creativiteit en innovatie; wijst bovendien op het potentieel van de culturele en creatieve sector (CCS) voor het behoud en de bevordering van de Europese culturele en taaldiversiteit en voor economische groei, innovatie en werkgelegenheid, met name werkgelegenheid voor jongeren; benadrukt het feit dat verdere stimulering van en investering in de CCS een aanzienlijke bijdrage kunnen leveren aan investering, groei, innovatie en werkgelegenheid; verzoekt de Commissie daarom te denken aan de mogelijkheden die worden geboden door de volledige CCS, met name ngo's en kleine verenigingen, bijvoorbeeld in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

14.  wijst erop dat sociaal ondernemerschap een groeiende sector is die de economische bedrijvigheid kan aanzwengelen en tegelijk ontbering, sociale uitsluiting en andere maatschappelijke problemen kan verlichten; is daarom van mening dat onderwijs in ondernemerschap een sociale dimensie moet omvatten en onderwerpen moet behandelen als eerlijke handel, sociale ondernemingen en alternatieve ondernemingsmodellen, inclusief coöperaties, om te streven naar een socialere, inclusievere en duurzamere economie;

15.  benadrukt het enorme innovatie- en werkgelegenheidspotentieel van hernieuwbare energiebronnen en het streven naar meer hulpbronnen- en energie-efficiëntie; vraagt de Commissie een specifieke energie- en milieustrategie op te nemen in het Europees semester die ook onderwijs en werkgelegenheid omvat;

16.  betreurt het feit dat de genderongelijkheden op het gebied van werkgelegenheid, met inbegrip van een discriminerend aanwervings- en ontslagbeleid, de loonkloof, gedwongen regelingen voor deeltijds werk, seksuele intimidatie en maatregelen inzake ouderschapsverlof die niet volstaan om een daadwerkelijk evenwicht tussen werk en privéleven te garanderen voor beide ouders, nog steeds aanzienlijk zijn, ondanks de omvangrijke wetgeving die is goedgekeurd en een aanzienlijk betere documentatie van de genoemde praktijken; roept er daarom toe op de huidige wetgeving op het gebied van gendergelijkheid te handhaven en snel ten uitvoer te leggen en verzoekt de lidstaten ondernemerschap voor vrouwen en gezinsvriendelijke maatregelen verder te stimuleren;

17.  herinnert eraan dat meisjes en jonge vrouwen moeten worden aangemoedigd om ICT‑studies te volgen en roept de lidstaten ertoe op meisjes en jonge vrouwen aan te sporen om STEM-vakken te studeren, maar hier ook kunsten en menswetenschappen bij te nemen, en de vertegenwoordiging van vrouwen in STEM-sectoren te vergroten;

18.  herhaalt zijn verzoek om instelling van een kindergarantie en verzoekt de Commissie haar beoordeling door middel van de desbetreffende voorbereidende actie (begrotingslijn 04 03 77 25) spoedig af te ronden; herinnert eraan dat de beoordeling bedoeld is om na te gaan hoe sociale investeringen kunnen worden gedaan in de vroege kinderjaren, hoe de tenuitvoerlegging kan worden gegarandeerd van de aanbeveling "Investeren in kinderen"(1) en hoe optimaal gebruik kan worden gemaakt van bestaande instrumenten en programma's; dringt aan op een goede en snelle tenuitvoerlegging van de jongerengarantie, inclusief de toewijzing van adequate middelen op basis van grondige evaluaties en, indien nodig, aanzienlijke hervormingen en op maat gesneden aanpassingen, om ervoor te zorgen dat zij jongeren goede werkaanbiedingen kan voorleggen en voor hun duurzame integratie op de arbeidsmarkt kan zorgen; dringt ook aan op een betere monitoring van de garantie en op een betere communicatie erover, om de ontwikkeling te bevorderen van jeugdbeleid dat meer empirisch onderbouwd is;

19.  herinnert eraan dat het Europees semester een opener, transparanter en democratischer proces moet zijn; vraagt de Commissie richtsnoeren in te voeren voor een dialoog met de belanghebbenden, om de kwaliteit van de participatie van het maatschappelijk middenveld te verbeteren, en hiervoor gebruik te maken van de bijkomende instrumenten die worden geboden door e‑democratie;

20.  is ingenomen met de integratie van de rechten van personen met een handicap in de voorgestelde nieuwe richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten die zijn gevoegd bij de jaarlijkse groeianalyse voor 2018; vraagt niettemin dat deze bepalingen concrete maatregelen omvatten om de geformuleerde doelstellingen te realiseren, overeenkomstig de verplichtingen van de EU en de lidstaten in het kader van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (CRPD).

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

21.2.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

19

4

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Isabella Adinolfi, Dominique Bilde, Andrea Bocskor, Nikolaos Chountis, Silvia Costa, Mircea Diaconu, Damian Drăghici, María Teresa Giménez Barbat, Giorgos Grammatikakis, Petra Kammerevert, Svetoslav Hristov Malinov, Curzio Maltese, Rupert Matthews, Stefano Maullu, Luigi Morgano, Momchil Nekov, Michaela Šojdrová, Yana Toom, Helga Trüpel, Julie Ward, Bogdan Brunon Wenta, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Milan Zver, Krystyna Łybacka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Francis Zammit Dimech

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

19

+

PPE

Svetoslav Hristov Malinov, Stefano Maullu, Michaela Šojdrová, Bogdan Brunon Wenta, Andrzej Zdrojewski, Francis Zammit Dimech

S&D

Silvia Costa, Damian Drăghici, Giorgos Grammatikakis, Petra Kammerevert, Luigi Morgano, Momchil Nekov, Julie Ward, Krystyna Łybacka

ALDE

Mircea Diaconu, María Teresa Giménez Barbat, Yana Toom

Verts/ALE

Helga Trüpel

EFDD

Isabella Adinolfi

4

-

ECR

Rupert Matthews

GUE/NGL

Nikolaos Chountis, Curzio Maltese

ENF

Dominique Bilde

2

0

PPE

Andrea Bocskor, Milan Zver

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

PB L 59 van 2.3.2013, blz. 5.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

27.2.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

24

10

14

Bij de eindstemming aanwezige leden

Guillaume Balas, Vilija Blinkevičiūtė, Enrique Calvet Chambon, David Casa, Ole Christensen, Michael Detjen, Martina Dlabajová, Lampros Fountoulis, Arne Gericke, Marian Harkin, Agnes Jongerius, Rina Ronja Kari, Jan Keller, Ádám Kósa, Kostadinka Kuneva, Jean Lambert, Jérôme Lavrilleux, Patrick Le Hyaric, Jeroen Lenaers, Verónica Lope Fontagné, Javi López, Dominique Martin, Anthea McIntyre, Elisabeth Morin-Chartier, Marek Plura, Dennis Radtke, Terry Reintke, Robert Rochefort, Claude Rolin, Siôn Simon, Romana Tomc, Yana Toom, Ulrike Trebesius, Marita Ulvskog, Renate Weber, Tatjana Ždanoka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Maria Arena, Georges Bach, Heinz K. Becker, Krzysztof Hetman, Dieter-Lebrecht Koch, Paloma López Bermejo, Edouard Martin, Sven Schulze, Joachim Schuster, Kosma Złotowski

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Evelyne Gebhardt, Paul Tang


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

24

+

ALDE

Enrique Calvet Chambon, Martina Dlabajová, Marian Harkin, Robert Rochefort, Yana Toom, Renate Weber

PPE

Georges Bach, Heinz K. Becker, David Casa, Krzysztof Hetman, Dieter-Lebrecht Koch, Ádám Kósa, Jérôme Lavrilleux, Jeroen Lenaers, Verónica Lope Fontagné, Elisabeth Morin-Chartier, Marek Plura, Dennis Radtke, Claude Rolin, Sven Schulze, Romana Tomc

Verts/ALE

Jean Lambert, Terry Reintke, Tatjana Zdanoka

10

-

ECR

Arne Gericke, Anthea McIntyre, Ulrike Trebesius, Kosma Złotowski

ENF

Dominique Martin

GUE/NGL

Rina Ronja Kari, Kostadinka Kuneva, Patrick Le Hyaric, Paloma López Bermejo

NI

Lampros Fountoulis

14

0

S&D

Maria Arena, Guillaume Balas, Vilija Blinkevičiūtė, Ole Christensen, Michael Detjen, Evelyne Gebhardt, Agnes Jongerius, Jan Keller, Javi López, Edouard Martin, Joachim Schuster, Simon Siôn, Paul Tang, Marita Ulvskog

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 9 maart 2018Juridische mededeling