Procedure : 2017/0063(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0057/2018

Ingediende teksten :

A8-0057/2018

Debatten :

PV 13/11/2018 - 13
CRE 13/11/2018 - 13

Stemmingen :

PV 14/11/2018 - 14.4
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0452

VERSLAG     ***I
PDF 742kWORD 131k
6.3.2018
PE 610.704v02-00 A8-0057/2018

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot toekenning van bevoegdheden aan de mededingingsautoriteiten van de lidstaten voor een doeltreffendere handhaving en ter waarborging van de goede werking van de interne markt

(COM(2017)0142 – C8-0119/2017 – 2017/0063(COD))

Commissie economische en monetaire zaken

Rapporteur: Andreas Schwab

AMENDEMENTEN
ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES van de Commissie interne markt en consumentenbescherming
 PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot toekenning van bevoegdheden aan de mededingingsautoriteiten van de lidstaten voor een doeltreffendere handhaving en ter waarborging van de goede werking van de interne markt

(COM(2017)0142 – C8-0119/2017 – 2017/0063(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0142),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 103 en 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0119/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door de Tsjechische Senaat, het Spaanse parlement, het Portugese parlement en de Roemeense Senaat, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0057/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Amendement    1

AMENDEMENTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT(1)*

op het voorstel van de Commissie

---------------------------------------------------------

2017/0063(COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot toekenning van bevoegdheden aan de mededingingsautoriteiten van de lidstaten voor een doeltreffendere handhaving en ter waarborging van de goede werking van de interne markt

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 103 en 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  De artikelen 101 en 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) zijn voorschriften van openbare orde en moeten in de gehele Unie op doelmatige wijze worden toegepast om ervoor te zorgen dat de mededinging op de interne markt niet wordt vervalst. Doeltreffende handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU is noodzakelijk om in Europa opener, billijker en concurrerender markten te waarborgen, waar ondernemingen meer kunnen concurreren op basis van hun merites en zonder door ondernemingen gecreëerde belemmeringen voor markttoegang, zodat zij welvaart kunnen genereren en banen kunnen creëren. Dit beschermt consumenten en op de interne markt actieve ondernemingen tegen bedrijfspraktijken waarmee de prijzen van goederen en diensten kunstmatig hoog worden gehouden en verruimt hun keuze aan innovatieve goederen en diensten.

(2)  De publieke handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU is in handen van de nationale mededingingsautoriteiten (NMA's) van de lidstaten en de Commissie, die bevoegd is uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad ((3)). De NMA's en de Commissie vormen samen een netwerk van overheidsinstanties die in nauwe samenwerking de mededingingsregels van de EU toepassen (het European Competition Network).

(2a)  Om de invoering van onnodige nieuwe procedurele voorschriften in de lidstaten te voorkomen, wordt de beproefde verdeling van besluitvormings- en onderzoeksbevoegdheden tussen verschillende NMA's binnen een lidstaat niet in gevaar gebracht door deze richtlijn.

(3)  Artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1/2003 verplicht de NMA's en de nationale gerechtelijke instanties om de artikelen 101 en 102 VWEU toe te passen op overeenkomsten of gedragingen die de handel tussen de lidstaten kunnen beïnvloeden. In de praktijk passen de meeste NMA's bepalingen uit het nationale mededingingsrecht en de artikelen 101 en 102 VWEU parallel toe. Deze richtlijn, die tot doel heeft bepaalde regels vast te stellen om ervoor te zorgen dat de onafhankelijkheid van de NMA's gewaarborgd is en zij beschikken over de middelen en de bevoegdheden om de artikelen 101 en 102 VWEU doeltreffend toe te passen, zal onvermijdelijk gevolgen hebben voor de bepalingen van nationaal mededingingsrecht die parallel door de NMA's worden toegepast.

(4)  De toekenning van de bevoegdheid aan NMA's om alle informatie in verband met de onderzochte onderneming in digitale vorm te verkrijgen, ongeacht het medium waarop die is opgeslagen, moet ook gevolgen hebben voor de reikwijdte van de bevoegdheden van de NMA's wanneer zij ook op grond van bepalingen van nationaal mededingingsrecht die parallel met de artikelen 101 en 102 VWEU worden toegepast, in de vroege fase van de procedure de nodige onderzoeksmaatregelen treffen. Het toekennen aan NMA's van inspectiebevoegdheden met een andere reikwijdte naargelang zij uiteindelijk enkel bepalingen van nationaal mededingingsrecht of ook parallel de artikelen 101 en 102 VWEU toepassen, zou de doeltreffendheid van de handhaving van het mededingingsrecht op de interne markt belemmeren. Daarom moet het toepassingsgebied van de richtlijn zowel de autonome toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU als de parallelle toepassing van het nationale mededingingsrecht op dezelfde zaak omvatten. Een uitzondering wordt gemaakt voor de bescherming van clementieverklaring en verklaringen met het oog op een schikking, die ook geldt voor nationaal mededingingsrecht dat autonoom wordt toegepast.

(5)  Door het nationale recht ontbreekt het vele NMA's aan de noodzakelijke waarborgen voor hun onafhankelijkheid, alsmede de bevoegdheden voor de handhaving en voor de oplegging van geldboeten om deze regels doeltreffend te kunnen handhaven. Dit ondermijnt hun vermogen om de artikelen 101 en 102 VWEU, en in voorkomend geval de bepalingen van nationaal mededingingsrecht parallel met de artikelen 101 en 102 VWEU, doeltreffend toe te passen. Zo beschikken vele NMA's naar nationaal recht niet over doeltreffende instrumenten om bewijsmateriaal te vergaren over inbreuken op de artikelen 101 en 102 VWEU, of om ondernemingen die overtredingen begaan geldboeten op te leggen, of hebben zij niet de nodige personele en financiële middelen en budgettaire autonomie om de artikelen 101 en 102 VWEU doeltreffend toe te passen. Dit kan hen beletten op te treden of kan ertoe leiden dat hun handhavingsoptreden beperkt blijft. Wanneer de NMA's in vele gevallen over onvoldoende operationele instrumenten en waarborgen beschikken om de artikelen 101 en 102 VWEU doeltreffend toe te passen, betekent dit dat de procedures van ondernemingen die gebruikmaken van concurrentieverstorende praktijken, tot zeer verschillende resultaten kunnen leiden naargelang van de lidstaten waar zij actief zijn: het kan gebeuren dat ondernemingen helemaal niet geconfronteerd worden met handhaving op grond van de artikelen 101 of 102 VWEU, of met handhaving die ondoeltreffend is. Zo kunnen ondernemingen in sommige lidstaten eenvoudig via een herstructurering aan hun aansprakelijkheid voor geldboeten ontsnappen. Ongelijke handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU en van nationaal mededingingsrecht dat parallel met de artikelen 101 en 102 VWEU wordt toegepast, leidt tot gemiste kansen om in de hele ▌Unie belemmeringen voor markttoegang weg te nemen en opener, billijker en concurrerender markten te creëren, waar ondernemingen op basis van hun merites kunnen concurreren. Ondernemingen en consumenten ondervinden met name nadeel in de lidstaten waar de NMA's minder goed voor doeltreffende handhaving zijn uitgerust. Ondernemingen kunnen niet concurreren op basis van hun merites wanneer er vrijhavens voor concurrentieverstorende praktijken bestaan, bijvoorbeeld omdat er van de concurrentieverstorende praktijken geen bewijs kan worden vergaard of omdat de ondernemingen kunnen ontsnappen aan de aansprakelijkheid voor geldboeten. Daardoor worden zij ontmoedigd om dergelijke markten te betreden en hun recht uit te oefenen zich daar zich te vestigen en goederen of diensten te leveren. Consumenten in lidstaten waar er minder handhaving is, missen de voordelen van doeltreffende handhaving van de mededingingsregels. Ongelijke handhaving in de hele Unie van de artikelen 101 en 102 VWEU en van bepalingen van nationaal mededingingsrecht die parallel met de artikelen 101 en 102 VWEU worden toegepast, verstoort dus de mededinging op de interne markt en ondermijnt de goede werking ervan.

(6)  De lacunes en beperkingen bij de instrumenten en waarborgen van de NMA's ondermijnen tevens het systeem van parallelle bevoegdheden voor de handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU, dat ontworpen is om als een coherent geheel te functioneren op basis van een nauwe samenwerking met het European Competition Network. Voor de werking van het systeem moeten autoriteiten op elkaar kunnen rekenen om voor elkaars rekening onderzoeksmaatregelen uit te voeren teneinde de samenwerking en wederzijdse bijstand tussen de lidstaten te bevorderen. Maar dit functioneert niet goed wanneer er nog steeds NMA's zijn die geen passende onderzoeksinstrumenten hebben. Op andere cruciale vlakken zijn de NMA's evenmin in staat wederzijdse bijstand te verlenen. Zo kunnen ondernemingen met grensoverschrijdende activiteiten in de meeste lidstaten aan geldboeten ontsnappen doordat zij juridisch niet aanwezig zijn op het grondgebied van een aantal lidstaten waar zij actief zijn. Daardoor verminderen de stimulansen om de artikelen 101 en 102 VWEU na te leven. De ondoeltreffende handhaving die daarvan het gevolg is, verstoort de mededinging voor ondernemingen die de regels naleven en ondermijnt het vertrouwen van de consument in de interne markt, met name in de digitale omgeving.

(7)  Om te zorgen voor een echte gemeenschappelijke zone voor de handhaving van de mededinging in Europa, die voor ondernemingen die op de interne markt actief zijn een gelijker speelveld creëert en voor consumenten de ongelijkheid vermindert, moet er worden voorzien in minimale waarborgen inzake onafhankelijkheid, voldoende financiële, personele en technologische middelen, en in kernbevoegdheden voor de handhaving en voor de oplegging van geldboeten wanneer de artikelen 101 en 102 VWEU en bepalingen van nationaal mededingingsrecht parallel met de artikelen 101 en 102 VWEU worden toegepast, zodat de NMA's zo doeltreffend mogelijk kunnen zijn.

(8)  Het is passend deze richtlijn te baseren op de dubbele rechtsgrondslag van de artikelen 103 en 114 VWEU. Deze richtlijn heeft immers niet enkel betrekking op de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU en de toepassing van de bepalingen van nationaal mededingingsrecht parallel met de artikelen 101 en 102 VWEU maar ook op de lacunes en beperkingen bij de instrumenten en waarborgen van de nationale mededingingsautoriteiten voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU, die zowel de mededinging als de goede werking van de interne markt ongunstig beïnvloeden.

(9)  Door te voorzien in minimale waarborgen om ervoor te zorgen dat de NMA's de artikelen 101 en 102 VWEU op uniforme wijze en doeltreffend toepassen, wordt geen afbreuk gedaan aan de mogelijkheid voor de lidstaten om uitgebreidere waarborgen te behouden of in te voeren met betrekking tot de onafhankelijkheid en de middelen van de NMA's, alsmede om in nadere bepalingen te voorzien inzake de bevoegdheden van die autoriteiten voor de handhaving en voor de oplegging van geldboeten. De lidstaten kunnen de NMA's met name aanvullende bevoegdheden toekennen die verder gaan dan de kernbevoegdheden waarin deze richtlijn voorziet, om de doeltreffendheid ervan te verhogen.

(10)  Omgekeerd zijn nadere bepalingen vereist wat betreft de voorwaarden voor de toekenning van clementie voor geheime kartels. Ondernemingen zullen enkel open kaart spelen wat betreft kartels waaraan zij hebben deelgenomen wanneer zij voldoende rechtszekerheid hebben over de vraag of zij immuniteit tegen geldboeten zullen genieten. De opvallende verschillen tussen de clementieregelingen die in de lidstaten van toepassing zijn, leiden tot rechtsonzekerheid bij mogelijke clementieverzoekers, waardoor zij mogelijk minder gestimuleerd worden om clementie aan te vragen. Die verschillen kunnen er tevens toe leiden dat verscheidene leden van een geheim kartel trachten voordeel te halen uit clementieregelingen in verschillende lidstaten. Indien lidstaten voor clementie in de zin van deze richtlijn regels kunnen implementeren of toepassen die duidelijker en geharmoniseerd zijn, dan draagt dat niet alleen bij aan de verwezenlijking van de doelstelling om stimulansen voor verzoekers te behouden met het oog op een zo doeltreffende mogelijke handhaving van de mededinging in de Unie, maar zou dat tevens een gelijk speelveld waarborgen voor ondernemingen die actief zijn op de interne markt. Dit belet lidstaten niet clementieregelingen toe te passen die niet allen van toepassing zijn op geheime kartels, maar ook op andere inbreuken op de artikelen 101 en 102 VWEU en gelijkwaardige nationale bepalingen.

(11)  Deze richtlijn is niet van toepassing op de nationale wetgeving voor zover die voorziet in de oplegging van strafsancties aan natuurlijke personen, met uitzondering van de regels voor de wisselwerking tussen clementieregelingen en de oplegging van sancties aan natuurlijke personen.

(12)  Voor de uitoefening van de bevoegdheden die aan de NMA's zijn verleend, moeten passende waarborgen gelden, die ten minste voldoen aan de normen volgens de algemene beginselen van het EU-recht en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in overeenstemming met de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie, in het bijzonder in de context van procedures die tot oplegging van sancties zouden kunnen leiden. Deze waarborgen omvatten het recht op behoorlijk bestuur en de naleving van de rechten van de verdediging van de onderneming, waaronder het recht om te worden gehoord. De NMA's moeten de onderzochte partijen met name in kennis stellen van de voorlopige bezwaren op grond van artikel 101 of artikel 102 VWEU die tegen hen zijn opgeworpen, voordat een besluit wordt genomen dat hun belangen schaadt. Deze partijen moeten dan in de gelegenheid worden gesteld om hun standpunten met betrekking tot deze bezwaren op een doeltreffende manier kenbaar te maken voordat een dergelijk besluit wordt genomen. De onderzochte partijen moeten daarom ten minste een verklaring van bezwaren ontvangen waarin alle bezwaren uiteen worden gezet waarop de NMA haar definitieve inbreukbesluit baseert en die de belangen van de betrokken ondernemingen schaden. Partijen die in kennis zijn gesteld van voorlopige bezwaren in verband met een beweerde inbreuk op artikel 101 of artikel 102 VWEU, moeten het recht hebben de relevante stukken in het dossier van de NMA's in te zien om hun rechten van verdediging doeltreffend uit te oefenen. Daarvoor moeten ondernemingen een rechtmatig belang hebben om hun bedrijfsgeheimen te beschermen en het inzagerecht geldt dan ook niet voor vertrouwelijke informatie en interne documenten van de Commissie en de NMA's en de onderlinge briefwisseling. De adressaten van ▌besluiten van NMA's die een inbreuk op artikel 101 of artikel 102 VWEU vaststellen, of maatregelen of geldboeten opleggen, of toezeggingen een verbindend karakter verlenen, moeten verder toegang hebben tot een doeltreffende voorziening in rechte, in overeenstemming met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Dergelijke definitieve besluiten van NMA's moeten met redenen zijn omkleed zodat de adressaten de motivering kunnen nagaan en hun recht op een doeltreffend rechtsmiddel kunnen uitoefenen. Overeenkomstig het recht op behoorlijk bestuur moeten de lidstaten er verder voor zorgen dat procedures van NMA's met betrekking tot de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU binnen een redelijke termijn worden uitgevoerd. Deze waarborgen moeten zodanig zijn ontworpen dat een evenwicht wordt bereikt tussen de naleving van de grondrechten van ondernemingen en de plicht om te waarborgen dat de artikelen101 en 102 VWEU doeltreffend worden gehandhaafd.

(13)  Het toekennen van bevoegdheden aan NMA's om de artikelen 101 en 102 VWEU onpartijdig en in het gemeenschappelijk belang van de doeltreffende handhaving van de Europese mededingingsregels toe te passen, is een cruciale component van de doeltreffende en uniforme toepassing van deze regels.

(14)  De onafhankelijkheid van NMA's moet worden versterkt om ervoor te zorgen dat de artikelen 101 en 102 VWEU doeltreffend en uniform worden toegepast. Hiertoe moeten uitdrukkelijke bepalingen worden opgenomen in de nationale wetgeving om ervoor te zorgen dat NMA's, bij de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU, beschermd zijn tegen externe interventie of politieke druk die hun onafhankelijke oordeel over de hun voorgelegde vraagstukken in gevaar zouden kunnen brengen. Daarom moeten vooraf duidelijke en transparante regels en procedures worden vastgesteld met betrekking tot de benoeming en de redenen voor ontslag van de leden van het besluitvormingsorgaan van de NMA's om ervoor te zorgen dat er volstrekt geen twijfels kunnen zijn over de onpartijdigheid en de ongevoeligheid voor externe factoren van dat orgaan. Ter ondersteuning van hun onpartijdigheid mogen de geldboeten die NMA's opleggen bovendien niet worden gebruikt om zichzelf rechtstreeks te financieren.

(15)  Om de onafhankelijkheid van de NMA's te waarborgen, moeten het management, de leden van het besluitvormingsorgaan en het personeel integer optreden en zich onthouden van elk optreden dat niet verenigbaar is met de uitoefening van hun taken. Daartoe moeten zij zich tijdens hun dienst en tijdens hun ambtstermijn, en gedurende een redelijke termijn daarna, onthouden van onverenigbare activiteiten die in een specifiek zaak aanleiding kunnen geven tot een belangenconflict. Dit betekent tevens dat zij bij de uitoefening van hun functies tijdens hun dienst en tijdens hun ambtstermijn geen belangen hebben in ondernemingen of organisaties die het voorwerp zijn van procedures voor de handhaving van artikel 101 of 102 VWEU waaraan zij deelnemen, waardoor hun onafhankelijkheid bij de behandeling van de betrokken zaak in het gedrang kan komen. Het personeel en de leden van het besluitvormingsorgaan moeten aangifte doen van belangen of activa die bij de uitoefening van hun taken aanleiding zouden kunnen geven tot een belangenconflict. Zij moeten het besluitvormingsorgaan, de andere leden daarvan of, in het geval van NMA's waar de besluitvormingsbevoegdheid bij één persoon berust, het tot aanstelling bevoegde gezag ervan in kennis stellen wanneer zij bij de uitvoering van hun taken moeten beslissen over aangelegenheden waarin zij belang hebben en die hun onpartijdigheid in het gedrang zouden kunnen brengen.

(15 bis)  Elke NMA moet een gedragscode publiceren die de toepassing van striktere nationale regels onverlet laat en die ten minste regels bevat om belangenconflicten te vermijden, met inbegrip van bepalingen inzake afkoelingsperioden en het accepteren van uitnodigingen, alsmede regels inzake activiteiten die op persoonlijke titel worden verricht.

(16)  De onafhankelijkheid van NMA's laat de rechterlijke toetsing en het parlementair toezicht overeenkomstig het nationale recht van de lidstaten onverlet. Verantwoordingsverplichtingen dragen bij tot de geloofwaardigheid en de legitimiteit van het optreden van NMA's. Evenredige verantwoordingsverplichtingen houden in dat de NMA's hun periodieke activiteitenverslagen aan regeringsorganen of parlementaire organen bekendmaken. Tevens kunnen de financiële uitgaven van NMA's worden gecontroleerd of gemonitord, mits dit geen gevolgen heeft voor hun onafhankelijkheid.

(17)  Voor een doeltreffend gebruik van hun middelen en om zich te kunnen concentreren op het voorkomen en beëindigen van concurrentieverstorend gedrag dat de mededinging op de interne markt vervalst, moeten NMA's hun procedures voor de handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU voorrang kunnen geven. Hiertoe moeten zij klachten kunnen afwijzen wanneer deze geen prioriteit vormen, met uitzondering van klachten van bevoegde overheidsdiensten, mits dit geen gevolgen heeft voor de middelen van de NMA's. Dit mag geen afbreuk doen aan de bevoegdheid van de NMA's om klachten te verwerpen om andere redenen, wegens onbevoegdheid, of omdat zij geen gronden hebben om op te treden. In geval van afwijzing moet de klager daar tijdig van in kennis worden gesteld, met opgave van redenen. In het geval van formele klachten moet tegen een afwijzing verder toegang tot een voorziening in rechte mogelijk zijn. De bevoegdheid van NMA's om voorrang te verlenen aan hun handhavingsprocedures doet geen afbreuk aan het recht van de overheid van een lidstaat om algemene beleidslijnen of prioritaire richtsnoeren voor NMA's uit te vaardigen die geen verband houden met specifieke procedures voor de handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU.

(18)  NMA's moeten kunnen beschikken over voldoende middelen, d.w.z. gekwalificeerd personeel, juridische en economische deskundigheid, financiële middelen en technische en technologische uitrusting om bij de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU hun taken doeltreffend te kunnen uitvoeren. Wanneer hun taken en bevoegdheden naar nationaal recht uitgebreid worden, moeten de middelen om deze uit te voeren nog steeds toereikend zijn. De onafhankelijkheid van NMA's moet worden vergroot door ze in staat te stellen zelfstandig te beslissen over de inzet van de begrotingstoewijzingen voor het uitvoeren van hun taken, onverminderd nationale begrotingsregels en -procedures.

(18 bis)   Teneinde doeltreffend toezicht op de tenuitvoerlegging van deze richtlijn te garanderen, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat NMA's aan hun nationale regering of parlement periodieke verslagen over hun activiteiten en middelen doen toekomen, en voor eenieder openbaar maken. De verslagen in kwestie bevatten informatie over de benoemingen en ontslagen van leden van het besluitvormingsorgaan, over het bedrag van de middelen dat in het desbetreffende jaar werd toegewezen en over eventuele veranderingen in dit bedrag in vergelijking met voorafgaande jaren. Dergelijke verslagen worden aan de Unie voorgelegd.

(19)  NMA's moeten over een minimum aan gemeenschappelijke onderzoeks- en besluitvormingsbevoegdheden beschikken om de artikelen 101 en 102 VWEU doeltreffend te kunnen toepassen.

(20)  Nationale administratieve mededingingsautoriteiten moeten doeltreffende onderzoeksbevoegdheden krijgen om, in elke fase van de procedures die bij hen worden ingeleid, bij artikel 101 VWEU verboden overeenkomsten, beslissingen of onderling afgestemde feitelijke gedragingen of bij artikel 102 VWEU verboden misbruik van machtsposities op te sporen.

(21)  De onderzoeksbevoegdheden van nationale administratieve mededingingsautoriteiten moeten afdoende zijn om opgewassen te zijn tegen de uitdagen die de digitale omgeving meebrengt. Zij moeten de nationale mededingingsautoriteiten in staat stellen om alle informatie in elektronische vorm te verkrijgen, met inbegrip van forensische gegevens, die verband houden met de onderzochte onderneming of ondernemersvereniging, ongeacht het medium waarop deze zijn opgeslagen, zoals laptops, mobiele telefoons en andere mobiele apparatuur, en cloudopslag.

(22)  Nationale administratieve mededingingsautoriteiten moeten de bevoegdheid hebben om de bedrijfsruimten te inspecteren van ondernemingen en ondernemersverenigingen waartegen op grond van de artikelen 101 en 102 VWEU procedures worden gevoerd, en van andere marktdeelnemers die mogelijk informatie bezitten die voor dergelijke procedures van belang is. Nationale administratieve mededingingsautoriteiten moeten dergelijke inspecties kunnen uitvoeren wanneer er minstens redelijke gronden zijn om een inbreuk op artikel 101 of artikel 102 VWEU te vermoeden. Deze richtlijn belet de lidstaten niet om voor dergelijke inspecties een voorafgaande machtiging van een nationale gerechtelijke instantie te eisen.

(23)  Om doeltreffend te zijn, moet de bevoegdheid van nationale administratieve mededingingsautoriteiten om inspecties uit te voeren de mogelijkheid bieden om toegang te krijgen tot informatie die toegankelijk is voor de onderzochte onderneming of ondernemersvereniging en die verband houdt met de onderzochte onderneming.

(24)  Om het nodeloos rekken van inspecties zo veel mogelijk te beperken, moeten de nationale mededingingsautoriteiten de bevoegdheid hebben om hun onderzoek in de ruimten van de mededingingsautoriteit of in andere aangewezen ruimten voort te zetten met kopieën van of uittreksels uit boeken en bescheiden die verband houden met het bedrijf van de geïnspecteerde onderneming of ondernemersvereniging.

(25)  Uit de praktijk blijkt dat zakelijke bescheiden kunnen worden bewaard in de woning van directeuren of andere mensen die voor een onderneming werken, in het bijzonder nu steeds meer gebruik wordt gemaakt van flexibele werkregelingen. Om ervoor te zorgen dat inspecties doeltreffend zijn, moeten de nationale administratieve mededingingsautoriteiten de bevoegdheid hebben om alle gebouwen binnen te gaan, met inbegrip van particuliere woningen, wanneer een redelijk vermoeden bestaat dat daar zakelijke bescheiden worden bewaard die relevant kunnen zijn om een ▌inbreuk op artikel 101 of artikel 102 VWEU te bewijzen. Deze bevoegdheid mag enkel worden uitgeoefend nadat vooraf machtiging door een gerechtelijke instantie is verkregen. Dit belet de lidstaten niet in gevallen van urgentie de taken van een nationale gerechtelijke autoriteit toe te vertrouwen aan een nationale administratieve mededingingsautoriteit die optreedt als gerechtelijke instantie.

(26)  NMA's moeten doeltreffende bevoegdheden hebben om de informatie te verlangen die noodzakelijk is om bij artikel 101 VWEU verboden overeenkomsten, beslissingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, of bij artikel 102 VWEU verboden vormen van misbruik op te sporen. Dit dient tevens het recht te omvatten om informatie te verlangen die opgeslagen is in elke digitale vorm, met inbegrip van e-mails en berichten van berichtensystemen, en ongeacht waar die is opgeslagen, met inbegrip van in de cloud en op servers, mits die informatie voor de adressaat van het verzoek om informatie toegankelijk is. Dit recht mag niet resulteren in een last voor de onderneming die onevenredig is aan wat voor het onderzoek noodzakelijk is, bijvoorbeeld onnodige kosten of inspanningen. Hoewel het recht om informatie te verlangen van cruciaal belang is voor het opsporen van inbreuken, moeten dergelijke verzoeken evenredig zijn wat de opgevraagde informatie betreft. Dergelijke verzoeken moeten een onderneming niet dwingen toe te geven dat een inbreuk is gepleegd; het is aan de NMA's dit te bewijzen. Uit de ervaring is gebleken dat vrijwillig verstrekte informatie van derden, zoals concurrenten, klanten en consumenten op de markt eveneens een waardevolle bron van informatie kunnen zijn voor geïnformeerde en doortastende handhaving, en dit zou door de NMA's moeten worden aangemoedigd.

(27)  NMA's moeten beschikken over doeltreffende middelen om de mededinging op de markt te herstellen door de oplegging van evenredige structurele maatregelen en maatregelen ter correctie van gedragingen, die evenredig zijn aan de gepleegde inbreuk en noodzakelijk om een eind aan de inbreuk te maken.

(27 bis)  Terwijl er een onderzoek gaande is, kunnen tijdelijke maatregelen een belangrijk instrument zijn om ervoor te zorgen dat de onderzochte inbreuk de mededinging niet ernstig en onherstelbaar schaadt, en niet tot marktontwikkelingen leidt die moeilijk kunnen worden omgebogen door een besluit van een NMA aan het einde van de procedures. Om te voorkomen dat de mededinging op onherstelbare wijze wordt geschaad, moeten de NMA's voorlopige maatregelen kunnen opleggen. Deze richtlijn weerhoudt NMA's er overigens niet van om tijdelijke maatregelen te treffen in andere gepaste gevallen. Het besluit om voorlopige maatregelen op te leggen, moet uitsluitend gelden voor een bepaalde periode, hetzij tot de afronding van de procedure door een NMA, hetzij voor een vaste termijn, die indien noodzakelijk en passend kan worden verlengd. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de vraag of dergelijke maatregelen gepast zijn in een versnelde beroepsprocedure kan worden getoetst. Om de mededingingsautoriteiten in staat te stellen te reageren op ontwikkelingen op zich snel evoluerende markten, moet de Commissie onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om ofwel procedures bij mededingingsautoriteiten voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 te versnellen, ofwel het treffen van tijdelijke maatregelen te vereenvoudigen. Zij moet een onderzoek verrichten en de resultaten daarvan tegen het einde van 2020 aan het Europees Parlement en de Raad voorleggen en, zo nodig, een wetgevingsvoorstel dienaangaand indienen. Bovendien moeten de lidstaten de noodzakelijke voorwaarden creëren op grond waarvan NMA's in de praktijk gebruik kunnen maken van tijdelijke maatregelen.

(28)  Wanneer de betrokken ondernemingen of ondernemersverenigingen in de loop van een procedure die tot een verbod van een overeenkomst of van een praktijk zou kunnen leiden, de NMA's toezeggingen doen om aan hun bezwaren tegemoet te komen, moeten deze autoriteiten bij besluit die toezeggingen voor die ondernemingen een bindend en afdwingbaar karakter kunnen verlenen. In principe zijn dergelijke toezeggingsbesluiten niet geschikt in geval van geheime kartels, waarvoor NMA's een geldboete moeten opleggen. In toezeggingsbesluiten moet worden vastgesteld dat er niet langer gronden voor een optreden van de NMA's bestaan, zonder dat wordt geconcludeerd of er al dan niet sprake was van een inbreuk op artikel 101 VWEU of artikel 102 VWEU. Toezeggingsbesluiten doen geen afbreuk aan de bevoegdheid van de mededingingsautoriteiten en de gerechtelijke instanties van de lidstaten om een dergelijke inbreuk vast te stellen en een beslissing over de zaak te nemen. Bovendien zijn doeltreffende middelen voor het uitoefenen van toezicht op de naleving door ondernemingen met toezeggingen en voor het opleggen van sancties in het geval van niet-naleving doeltreffende instrumenten gebleken voor mededingingsautoriteiten. NMA's moeten de bevoegdheid hebben om procedures te heropenen als er een materiële verandering plaatsvindt in een van de feiten waarop een toezeggingsbesluit gebaseerd is, als een onderneming in strijd met haar toezeggingen handelt of als het toezeggingsbesluit op onvolledige, onjuiste of misleidende informatie van de partijen gebaseerd is.

(29)  Om de doeltreffende en uniforme handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU te waarborgen, moeten de nationale administratieve mededingingsautoriteiten de bevoegdheid hebben om ondernemingen en ondernemersverenigingen doeltreffende, evenredige en ontradende geldboeten op te leggen wegens inbreuken op de artikelen 101 of 102 VWEU, hetzij door dit rechtstreeks en zelfstandig te doen in administratieve procedures, hetzij door de oplegging van geldboeten te vorderen in niet-strafrechtelijke gerechtelijke procedures. Dit doet geen afbreuk aan het nationale recht van de lidstaten dat voorziet in de oplegging van strafrechtelijke sancties door gerechtelijke instanties wegens inbreuken op de artikelen 101 en 102 VWEU.

(30)  Om te waarborgen dat ondernemingen en ondernemersverenigingen zich gedragen naar de onderzoeks- en beslissingsbevoegdheden van de NMA's, moeten de nationale administratieve mededingingsautoriteiten doeltreffende geldboeten kunnen opleggen wanneer dat niet gebeurt en dwangsommen om hen daartoe te dwingen, hetzij door dit rechtstreeks en zelfstandig te doen in administratieve procedures, hetzij door de oplegging van geldboeten te vorderen in niet-strafrechtelijke gerechtelijke procedures. Dit doet geen afbreuk aan het nationale recht van de lidstaten dat voorziet in de oplegging van dergelijke geldboeten door gerechtelijke instanties in strafprocedures. Deze richtlijn doet bovendien geen afbreuk aan de nationale voorschriften inzake de bewijsstandaard of aan de plicht van de NMA's de feiten van een zaak vast te stellen, mits dergelijke voorschriften en verplichtingen verenigbaar zijn met algemene beginselen van het recht van de Unie. De geldboeten en dwangsommen moeten worden bepaald naar evenredigheid met de totale omzet van de betrokken ondernemingen en ondernemersverenigingen.

(31)  Om ervoor te zorgen dat de artikelen 101 en 102 VWEU doeltreffend en uniform worden toegepast, moet het begrip onderneming, zoals bedoeld in de artikelen 101 en 102 VWEU, worden toegepast in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie om een economische eenheid aan te duiden, ook al bestaat die uit verschillen rechtspersonen of natuurlijke personen. Dienovereenkomstig moeten de NMA's het begrip onderneming kunnen toepassen om een moederonderneming wegens het gedrag van een van haar dochterondernemingen aansprakelijk te kunnen stellen en haar geldboeten op te leggen wanneer een dergelijke moederonderneming en haar dochteronderneming een economische eenheid vormen. Om te voorkomen dat ondernemingen ontsnappen aan hun aansprakelijkheid voor geldboeten wegens inbreuken op de artikelen 101 en 102 VWEU door juridische of organisatorische aanpassingen, moeten de NMA's de rechtsopvolgers of de economische opvolgers van de onderneming aansprakelijk kunnen houden en daaraan geldboeten kunnen opleggen wegens inbreuken op de artikelen 101 en 102 VWEU overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

(32)  Om te waarborgen dat de geldboeten die worden opgelegd wegens inbreuken op de artikelen 101 en 102 VWEU het economische belang daarvan weerspiegelen, moeten de NMA's rekening houden met de ernst van de inbreuk. De NMA's moeten tevens geldboeten kunnen vaststellen die evenredig zijn met de duur van de inbreuk. Deze factoren moeten worden beoordeeld in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Met name wat betreft de beoordeling van de ernst van de inbreuk heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie vastgesteld dat rekening moet worden gehouden met de omstandigheden van de zaak en de context waarin de inbreuk heeft plaatsgehad en het afschrikkend effect van de geldboeten. Tot de factoren die deel kunnen uitmaken van deze beoordeling, behoren de omzet voor de goederen en diensten in verband waarmee de inbreuk was gepleegd, en de omvang en de economische macht van de onderneming, bijvoorbeeld of het om een kleine of middelgrote onderneming met een beperkt productassortiment gaat, aangezien die weerspiegelen welke invloed de onderneming op de markt heeft kunnen uitoefenen. Het bestaan van herhaalde inbreuken door dezelfde dader wijst bovendien op zijn neiging tot het plegen van dergelijke inbreuken, en is daarom een zeer belangrijke indicatie van de ernst van het desbetreffende gedrag en dienovereenkomstig van de noodzaak om het niveau van de boete te verhogen teneinde een afschrikkend effect te bereiken. Bij het bepalen van de op te leggen geldboete moeten de NMA's rekening houden met de waarde van de verkoop van die goederen en diensten van de onderneming waarmee de inbreuk direct of indirect verband houdt. Op dezelfde manier moeten de NMA's de geldboete kunnen verhogen voor een onderneming of een ondernemersvereniging die doorgaat met een inbreuk of een gelijkaardige inbreuk pleegt nadat de Commissie of een nationale mededingingsautoriteit in een besluit heeft vastgesteld dat die onderneming of ondernemersvereniging artikel 101 of artikel 102 VWEU heeft geschonden. Verder moeten NMA's rekening kunnen houden met de economische levensvatbaarheid van de betrokken onderneming en, in overeenstemming met artikel 18, lid 3, van Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad(4), met elke eventuele schadevergoeding die ingevolge een schikkingsovereenkomst is betaald.

(33)  Uit de ervaring is gebleken dat ondernemersverenigingen regelmatig een rol spelen bij inbreuken op de mededinging en dat NMA's dergelijke verenigingen doeltreffend moeten kunnen beboeten. Bij procedures tegen ondernemersverenigingen waarbij de inbreuk verband houdt met de activiteiten van de leden ervan, moet bij de beoordeling van de ernst van de inbreuk voor het bepalen van het bedrag van de geldboete rekening worden gehouden met de totale verkoop van die goederen en diensten waarmee de inbreuk direct of indirect verband houdt door de ondernemingen die lid zijn van de vereniging. Om te waarborgen dat de geldboeten die aan ondernemersverenigingen voor door hen begane inbreuken zijn opgelegd, daadwerkelijk worden geïnd, moeten de voorwaarden worden vastgelegd waaronder de NMA's de leden van de vereniging tot betaling van de geldboete kan aanspreken indien de vereniging insolvent is. Daarbij dienen de NMA's rekening te houden met de relatieve grootte van de tot de vereniging behorende ondernemingen en vooral met de situatie van kleine en middelgrote ondernemingen. Betaling van de geldboete door een of meer leden van een vereniging doet geen afbreuk aan het nationale recht dat voorziet in invordering van het betaalde bedrag bij andere leden van de vereniging.

(34)  Het afschrikkend effect van geldboeten vertoont in Europa grote verschillen en in sommige lidstaten is het mogelijke maximumbedrag voor de geldboete bijzonder laag. Om te waarborgen dat de NMA's afschrikkende geldboeten kunnen bepalen, moet het maximumbedrag van de geldboeten worden vastgesteld op een niveau dat ten minste 10 % van de totale wereldwijde omzet van de betrokken onderneming bedraagt. Dit mag de lidstaten niet beletten hogere maximumbedragen voor de geldboete te handhaven of in te voeren.

(35)  Clementieregelingen zijn belangrijke instrumenten voor het opsporen van geheime kartels en dragen dus bij tot efficiënte vervolging en bestraffing van de ernstigste inbreuken op het mededingingsrecht. Op dit ogenblik zijn er echter opvallende verschillen tussen de clementieregelingen die in de lidstaten worden toegepast. Deze verschillen leiden bij de ondernemingen die inbreuken plegen tot rechtsonzekerheid met betrekking tot de voorwaarden voor hun clementieverzoek en hun immuniteitsstatuut volgens de respectievelijke clementieregelingen. Door de onzekerheid kunnen potentiële clementieverzoekers minder gestimuleerd worden om clementie aan te vragen. Dat kan op zijn beurt dan weer leiden tot minder doeltreffende handhaving van de mededingingsregels in de Unie, aangezien minder geheime kartels worden ontdekt.

(36)  De verschillen tussen de clementieregelingen op het niveau van de lidstaten brengen voor ondernemingen die actief zijn op de interne markt ook het gelijke speelveld in het gedrang. Het is daarom aangewezen meer rechtszekerheid te bereiken door deze verschillen te verkleinen door ervoor te zorgen dat alle NMA's immuniteit tegen en vermindering van geldboeten kunnen verlenen, en onder dezelfde voorwaarden beknopte verzoeken kunnen aanvaarden. Om ondernemingen op de interne markt een nog grotere mate van rechtszekerheid te bieden en clementieregelingen in de Unie aantrekkelijker te maken, moeten de lidstaten hun clementievoorwaarden meer op één lijn brengen.

(37)  NMA's moeten ondernemingen immuniteit tegen en vermindering van geldboeten verlenen indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Ondernemingen worden geacht een nationale mededingingsautoriteit in verband met een geheim kartel bewijsmateriaal verstrekt te hebben waarmee een inbreuk op artikel 101 VWEU kan worden vastgesteld, wanneer die nationale mededingingsautoriteit op het tijdstip van de indiening van dergelijk bewijsmateriaal door de onderneming in verband met datzelfde kartel niet over voldoende bewijsmateriaal beschikte om een inbreuk op artikel 101 VWEU vast te stellen.

(38)  Verzoekers moeten de mogelijkheid hebben schriftelijk om clementie te verzoeken, of waar nodig op een andere manier die geen aanleiding geeft tot de overlegging van documenten, informatie of andere materialen die de verzoeker bezit, bewaart of controleert. Hiertoe moeten de NMA's beschikken over een systeem dat hen in staat stelt clementieverklaringen te aanvaarden, hetzij mondeling, hetzij op een andere manier, waaronder digitaal. Ter vermindering van de administratieve en andere aanzienlijke lasten in verband met de tijd die gemoeid is met meervoudige verzoeken, moeten verzoekers verder de mogelijkheid hebben om clementieverzoeken niet alleen in een officiële taal van de betrokken NMA in te dienen, maar ook in een andere werktaal van de Unie.

(39)  Met het oog op de gedeelde bevoegdheden van de Commissie en de NMA's op het gebied van de handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU, is een soepel werkend systeem van beknopte verzoeken van essentieel belang. Verzoekers die bij de Europese Commissie om clementie hebben verzocht in verband met een beweerd geheim kartel moeten met betrekking tot hetzelfde kartel een beknopt verzoek kunnen indienen bij de NMA's die zij geschikt achten. NMA's moeten het beknopte verzoek met een minimum aan informatie over het beweerde kartel aanvaarden zonder aanvullende informatie te verlangen die uitgebreider zou zijn dan dit minimum, voordat zij voornemens zijn om de zaak in behandeling te nemen. Het is echter aan de verzoekers om de NMA's waarbij zij een beknopt verzoek hebben ingediend ervan in kennis te stellen wanneer de reikwijdte van hun clementieverzoek bij de Commissie verandert. De NMA's moeten de verzoeker een ontvangstbewijs met de datum en het tijdstip van ontvangst verstrekken, en hem meedelen of zij over hetzelfde kartel reeds eerder een al dan niet beknopt clementieverzoek hebben ontvangen, behalve als dit negatieve gevolgen heeft voor de integriteit van een onderzoek. Zodra de Commissie heeft beslist de zaak niet geheel of gedeeltelijk in behandeling te nemen, moeten de verzoekers het recht hebben om een volledig clementieverzoek in te dienen bij de NMA's waar zij beknopte verzoeken hebben ingediend.

(40)  Rechtsonzekerheid aangaande de vraag of werknemers van de onderneming beschermd zijn tegen individuele sancties kan potentiële verzoekers beletten om clementie te verzoeken. De huidige en de voormalige werknemers en directeuren van ondernemingen die bij mededingingsautoriteiten om immuniteit verzoeken, moeten daarom beschermd worden tegen sancties van overheidsinstanties voor hun betrokkenheid bij geheime kartels die onder het verzoek vallen. Voor dergelijke bescherming moeten de werknemers en de directeuren ▌effectief met de NMA's samenwerken en moet het immuniteitsverzoek dateren van voor de aanvang van de strafrechtelijke procedure.

(41)  In een systeem van parallelle bevoegdheden voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU is nauwe samenwerking tussen de NMA's onderling en tussen de NMA's en de Commissie vereist. Met name wanneer een NMA overeenkomstig artikel 22, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad een inspectie uitvoert namens een andere NMA, moeten de aanwezigheid en de bijstand van de ambtenaren van de verzoekende autoriteit mogelijk gemaakt worden om dergelijke inspecties doeltreffender te maken door meer middelen, kennis en technische deskundigheid ter beschikking te stellen.

(42)  Op dezelfde manier moeten regelingen worden getroffen waarmee NMA's om wederzijdse bijstand kunnen verzoeken voor de kennisgeving van voorlopige bezwaren en besluiten en voor de handhaving van besluiten tot oplegging van geldboeten of dwangsommen wanneer de betrokken onderneming juridisch niet op hun grondgebied aanwezig is. Dit zou de doeltreffende handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU waarborgen en bijdragen tot de goede werking van de interne markt. Om te waarborgen dat NMA's redelijke pogingen ondernemen om besluiten tot oplegging van geldboeten of dwangsommen te handhaven voordat ze om wederzijdse bijstand verzoeken, moet van de aangezochte autoriteiten alleen verlangd worden dat ze dergelijke besluiten handhaven voor zover de betrokken onderneming juridisch niet aanwezig is of duidelijk niet over voldoende middelen beschikt in de lidstaat van de NMA die om wederzijdse bijstand verzoekt. Om te waarborgen dat NMA's voldoende middelen beschikbaar stellen voor de verzoeken om wederzijdse bijstand en om te bevorderen dat daadwerkelijk bijstand wordt verleend, moeten de aangezochte autoriteiten de kosten kunnen terugvorderen.

(43)  Om de doeltreffende handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU door de NMA's te waarborgen, moeten er werkbare regels worden vastgesteld over de opschorting van verjaringstermijnen. In een systeem van parallelle bevoegdheden moeten met name de nationale verjaringstermijnen worden opgeschort voor de duur van de procedure bij NMA's van een andere lidstaat of bij de Commissie. Dit belet de lidstaten niet absolute verjaringstermijnen te handhaven of in te voeren, mits de duur daarvan de doeltreffende handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU niet praktisch onmogelijk of buitensporig moeilijk maakt.

(44)  In de lidstaten waar een nationale administratieve mededingingsautoriteit bevoegd is om inbreuken op de artikelen 101 of 102 VWEU te onderzoeken en een nationale gerechtelijke mededingingsautoriteit bevoegd is om een besluit tot vaststelling van de inbreuk en/of tot oplegging van de geldboete vast te stellen, moet de nationale administratieve mededingingsautoriteit de zaak met het oog op een efficiënte en doeltreffende behandeling van de zaken in het European Competition Network rechtstreeks voor de nationale gerechtelijke mededingingsautoriteit aanhangig kunnen maken. In de mate dat nationale gerechtelijke instanties optreden als beroepsinstantie in procedures tegen handhavingsbesluiten van NMA's op grond van de artikelen 101 en 102, moeten de nationale administratieve mededingingsautoriteiten bovendien zelf de volle bevoegdheid hebben om als aanklager of verweerder aan deze procedures deel te nemen en dezelfde rechten van die partij bij die procedure te genieten.

(45)  Ten gevolge van het risico dat voor de clementieverzoeker zelf bezwarend materiaal wordt bekendgemaakt buiten de context van het onderzoek waarvoor het werd verstrekt, kunnen potentiële clementieverzoekers zich minder gestimuleerd voelen om met mededingingsautoriteiten samen te werken. Bijgevolg mag informatie uit clementieverklaringen, ongeacht de vorm waarin die werden ingediend, die via toegang tot het dossier is verkregen, enkel worden gebruikt in een zeer beperkt aantal gevallen die rechtstreeks verband houden met de zaak waarvoor toegang tot het dossier is verleend, indien dit noodzakelijk is om de rechten van verdediging uit te oefenen in de procedure voor de gerechtelijke instanties van de lidstaten. Dit mag de mededingingsautoriteiten niet beletten hun besluiten overeenkomstig het toepasselijke Unierecht of nationale recht bekend te maken.

(46)  Bewijsmateriaal is een belangrijk element bij de handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU. NMA's moeten rekening kunnen houden met relevant bewijsmateriaal, of dit nu is geleverd in schriftelijke, mondelinge of opgenomen vorm, met inbegrip van verborgen opnames die gemaakt zijn door rechtspersonen of natuurlijke personen, mits dit niet de enige bron van bewijs is. Dit laat het recht om te worden gehoord onverlet.

(47)  Ter ondersteuning van de nauwe samenwerking in het European Competition Network moet de Commissie zorgen voor het onderhoud, de ontwikkeling, de opslag, de exploitatie en de ondersteuning van een centraal informatiesysteem (European Competition Network System) overeenkomstig de relevante normen inzake vertrouwelijkheid, gegevensbescherming en gegevensbeveiliging. Het European Competition Network steunt voor de doeltreffende en efficiënte werking ervan op interoperabiliteit. De algemene begroting van de Unie moet de kosten dragen voor het onderhoud, de ontwikkeling, de opslag, de ondersteuning van gebruikers en de exploitatie van het centraal informatiesysteem en andere administratieve kosten in verband met de werking van het European Competition Network, en met name de kosten in verband met de organisatie van vergaderingen. Naar verwachting zullen de kosten voor het European Competition Network System tot 2020 worden gefinancierd uit het programma voor interoperabiliteitsoplossingen en gemeenschappelijke kaders voor Europese overheidsdiensten (ISA²-programma), mits het programma over voldoende middelen beschikt en de maatregelen voldoen aan de subsidiabiliteits- en prioriteringscriteria.

(48)  Daar de doelstelling van deze richtlijn, te weten ervoor te zorgen dat de onafhankelijkheid van de NMA's gewaarborgd is en zij beschikken over de middelen en de bevoegdheden voor de handhaving en voor de oplegging van geldboeten, zodat zij de artikelen 101 en 102 VWEU, en het nationale mededingingsrecht parallel met deze artikelen, doeltreffend kunnen toepassen, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege het vereiste van doelmatige en coherente toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU beter door Unie kan worden verwezenlijkt, met name gezien de territoriale werkingssfeer ervan, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde proportionaliteitsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(49)  Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken(5) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van die stukken gerechtvaardigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.  Deze richtlijn stelt bepaalde regels vast om ervoor te zorgen dat de onafhankelijkheid van de nationale mededingingsautoriteiten gewaarborgd is en zij beschikken over de middelen en de bevoegdheden voor de handhaving en voor de oplegging van geldboeten, met het oog op de doeltreffende toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU, zodat de mededinging op de interne markt niet verstoord wordt en consumenten en ondernemingen, met name kleine en middelgrote ondernemingen, geen nadelen ondervinden van nationale wetgeving en maatregelen die de nationale mededingingsautoriteiten beletten de mededingingsregels doeltreffend te handhaven. Het toepassingsgebied van de richtlijn omvat de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU en van bepalingen van nationaal mededingingsrecht die parallel met de artikelen 101 en 102 VWEU op dezelfde zaak worden toegepast, met uitzondering van artikel 29, lid 2, dat ook van toepassing is op exclusief toegepast nationaal mededingingsrecht.

2.  Deze richtlijn stelt bepaalde regels vast voor wederzijdse bijstand om de goede werking van de interne markt en het systeem van nauwe samenwerking binnen het European Competition Network te waarborgen.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

(1)  nationale mededingingsautoriteit: een overeenkomstig artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1/2003 door een lidstaat aangewezen autoriteit die bevoegd is de artikelen 101 en 102 VWEU toe te passen. De lidstaten kunnen een of meer administratieve autoriteiten (nationale administratieve mededingingsautoriteit) alsmede gerechtelijke autoriteiten (nationale gerechtelijke mededingingsautoriteit) aanwijzen om deze functies uit te oefenen;

(2)  mededingingsautoriteit: een nationale mededingingsautoriteit, de Commissie, of beide, indien de omstandigheden dit vereisen;

(3)  European Competition Network: het netwerk van publieke autoriteiten dat wordt gevormd door de nationale mededingingsautoriteiten en de Commissie om een forum te bieden voor discussie en samenwerking bij de toepassing en de handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU;

(4)  nationaal mededingingsrecht: de bepalingen van nationaal recht die overwegend dezelfde doelstelling nastreven als de artikelen 101 en 102 VWEU en die in dezelfde zaak en parallel met het mededingingsrecht van de Unie worden toegepast overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1/2003, met uitzondering van het gebruik van informatie uit clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking als bedoeld in artikel 29, lid 2, en met uitzondering van bepalingen van nationaal recht waarbij natuurlijke personen strafrechtelijke sancties worden opgelegd;

(5)  nationale gerechtelijke instantie: een gerechtelijke instantie van een lidstaat in de zin van artikel 267 VWEU;

(6)  beroepsinstantie: een nationale gerechtelijke instantie die bevoegd is kennis te nemen van met gebruikmaking van de gangbare rechtsmiddelen ingestelde beroepen tegen besluiten van een nationale mededingingsautoriteit of tegen gerechtelijke uitspraken over deze besluiten, ongeacht of deze gerechtelijke instantie al dan niet bevoegd is om een inbreuk op het mededingingsrecht vast te stellen;

(7)  procedure: de procedure voor een nationale mededingingsautoriteit voor de toepassing van artikel 101 of artikel 102 VWEU, tot deze autoriteit de procedure heeft afgesloten door een in artikel 9 of artikel 11 bedoeld besluit vast te stellen of tot de conclusie is gekomen dat er voor haar geen gronden zijn om verder op te treden; of in geval van de Commissie: de procedure bij de Commissie voor de toepassing van artikel 101 of 102 VWEU tot zij deze procedure heeft afgesloten door een in artikel 7, artikel 9 of artikel 10 van Verordening (EG) nr. 1/2003 bedoeld besluit vast te stellen of tot de conclusie is gekomen dat er voor haar geen gronden zijn om verder op te treden;

(8)  onderneming, als bedoeld in de artikelen 101 en 102 VWEU: elke entiteit die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm van de entiteit en de wijze waarop zij wordt gefinancierd, in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie;

(9)  geheim kartel: overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen tussen twee of meer concurrenten met als doel hun concurrerend handelen op de markt te coördineren en/of de relevante mededingingsparameters te beïnvloeden via praktijken zoals het afspreken van aan- of verkoopprijzen of andere contractuele voorwaarden, de toewijzing van productie- of verkoopquota, de verdeling van markten (met inbegrip van offertevervalsing), het beperken van importen of exporten, en/of concurrentieverstorende maatregelen tegen andere concurrenten die niet geheel of gedeeltelijk gekend zijn, tenzij door de deelnemers;

(10)  immuniteit tegen geldboeten: als beloning voor de samenwerking van een onderneming met een mededingingsautoriteit in het kader van een clementieregeling wordt haar geen geldboete opgelegd voor haar deelname aan een geheim kartel;

(11)  vermindering van geldboeten: als beloning voor de samenwerking van een onderneming met een mededingingsautoriteit in het kader van een clementieregeling wordt haar een lagere geldboete opgelegd dan anders aan een onderneming wordt opgelegd voor haar deelname aan een geheim kartel;

(12)  clementie: immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten;

(13)  clementieregeling: een regeling met betrekking tot de toepassing van artikel 101 VWEU of nationaal mededingingsrecht op basis waarvan een deelnemer aan een geheim kartel onafhankelijk van de andere bij het kartel betrokken ondernemingen meewerkt aan een onderzoek van de mededingingsautoriteit door vrijwillig informatie te verschaffen over de kennis die deze deelnemer heeft van het kartel en de rol die hij daarin speelt, in ruil waarvoor de deelnemer, op grond van een besluit of door de procedure stop te zetten, immuniteit wordt verleend tegen geldboeten voor betrokkenheid bij het kartel of een vermindering van deze geldboeten;

(14)  clementieverklaring: een vrijwillig door of namens een onderneming of een natuurlijke persoon ten overstaan van een mededingingsautoriteit afgelegde mondelinge of schriftelijke verklaring of een opname daarvan, waarin de onderneming of een natuurlijke persoon mededeelt wat zij of hij weet over een geheim kartel en wat haar of zijn rol daarin was, en die speciaal ten behoeve van die autoriteit is opgesteld met het oog op het verkrijgen van immuniteit tegen of vermindering van de geldboeten in het kader van een clementieregeling; het betreft geen reeds bestaande informatie;

(15)  reeds bestaande informatie: bewijsmateriaal dat los van de procedure van een mededingingsautoriteit bestaat, ongeacht of deze informatie zich al dan niet in het dossier van een mededingingsautoriteit bevindt;

(16)  verklaring met het oog op een schikking: een vrijwillige verklaring ten overstaan van een mededingingsautoriteit, afgelegd door of namens een onderneming, waarin de onderneming haar deelname aan een inbreuk op artikel 101 VWEU of nationaal mededingingsrecht en haar aansprakelijkheid voor die inbreuk op het mededingingsrecht erkent of ervan afziet deze te betwisten, en die speciaal is opgesteld om de mededingingsautoriteit in staat te stellen een vereenvoudigde procedure of een spoedprocedure toe te passen;

(17)  verzoeker: een onderneming die verzoekt om immuniteit tegen of om vermindering van geldboeten in het kader van een clementieregeling;

(18)  verzoekende autoriteit: een nationale mededingingsautoriteit die verzoekt om wederzijdse bijstand als bedoeld in de artikelen 23, 24 of 25;

(19)  aangezochte autoriteit: een nationale mededingingsautoriteit die een verzoek om wederzijdse bijstand ontvangt en in het geval van een verzoek om bijstand als bedoeld in de artikelen 24 en 25 de bevoegde openbare dienst, autoriteit of afdeling met de voornaamste verantwoordelijkheid voor de handhaving van dergelijke besluiten volgens de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en administratieve praktijk.

Alle verwijzingen naar toepassing van en inbreuken op artikel 101 of artikel 102 VWEU hebben tevens betrekking op de parallelle toepassing van de bepalingen van nationaal mededingingsrecht op dezelfde zaak.

HOOFDSTUK II

GRONDRECHTEN

Artikel 3

Waarborgen

1.  Bij de uitoefening door nationale mededingingsautoriteiten van de bevoegdheden waarnaar in deze richtlijn wordt verwezen, ▌worden de algemene beginselen van het Unierecht en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in acht genomen.

2.  De lidstaten zorgen er in het bijzonder voor dat de uitoefening van die bevoegdheden gekoppeld is aan passende waarborgen met betrekking tot het recht van verdediging van ondernemingen, waaronder het recht om te worden gehoord en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat procedures van nationale mededingingsautoriteiten met betrekking tot de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU binnen een redelijke termijn worden uitgevoerd. De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale mededingingsautoriteiten, alvorens een besluit te nemen zoals bedoeld in artikel 9 van deze richtlijn, een mededeling met punten van bezwaar vaststellen.

HOOFDSTUK III

ONAFHANKELIJKHEID EN MIDDELEN

Artikel 4

Onafhankelijkheid

1.  Om de onafhankelijkheid van de nationale administratieve mededingingsautoriteiten te waarborgen bij de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU, zien de lidstaten erop toe dat de uitvoering van hun taken en de uitoefening van hun bevoegdheden onpartijdig en in het belang van de doeltreffende en uniforme handhaving van die bepalingen geschiedt, mits aan evenredige verantwoordingsverplichtingen is voldaan en onverlet de nauwe samenwerking tussen de mededingingsautoriteiten in het European Competition Network.

2.  De lidstaten zien er met name op toe dat:

a)   het personeel en de leden van het besluitvormingsorgaan van nationale administratieve mededingingsautoriteiten voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU hun taken kunnen uitvoeren en hun bevoegdheden kunnen uitoefenen zonder politieke of andere externe inmenging;

b)   het personeel en de leden van het besluitvormingsorgaan van nationale administratieve mededingingsautoriteiten bij de uitvoering van hun taken en de uitoefening van hun bevoegdheden voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU geen instructies van overheidsinstanties of andere publieke of private entiteiten vragen of aanvaarden;

c)   het personeel en de leden van het besluitvormingsorgaan van nationale administratieve mededingingsautoriteiten zich onthouden van elk optreden dat niet verenigbaar is met de uitvoering van hun taken en de uitoefening van hun bevoegdheden voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU. De nationale mededingingsautoriteiten beschikken over procedures die waarborgen dat het personeel en de leden van het besluitvormingsorgaan van de nationale mededingingsautoriteiten gedurende een redelijke termijn nadat ze bij de nationale mededingingsautoriteiten zijn vertrokken geen functies aanvaarden die aanleiding zouden kunnen geven tot belangenverstrengelingen in verband met een specifieke zaak waarbij zij tijdens hun werk bij de nationale mededingingsautoriteit betrokken zijn geweest;

d)   het personeel en de leden van het besluitvormingsorgaan van nationale administratieve mededingingsautoriteiten enkel kunnen worden ontslagen wanneer zij niet langer voldoen aan de voorwaarden voor de uitvoering van hun taken of zich volgens het nationale recht schuldig gemaakt hebben aan ernstig wangedrag. De redenen voor ontslag moeten vooraf in nationaal recht zijn vastgesteld. Zij mogen niet worden ontslagen om redenen die verband houden met de behoorlijke uitvoering van hun taken en uitoefening van hun in artikel 5, lid 2, bepaalde bevoegdheden voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU;

e)   de nationale administratieve mededingingsautoriteiten de bevoegdheid hebben om hun prioriteiten te bepalen bij de uitvoering van hun in artikel 5, lid 2, bepaalde taken voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU. Voor zover nationale administratieve mededingingsautoriteiten verplicht zijn formele klachten in behandeling te nemen, omvat dit de bevoegdheid van die autoriteiten om dergelijke klachten te verwerpen wanneer zij deze niet als een prioriteit beschouwen, met uitzondering, indien aldus bepaald door het nationale recht, van klachten van bevoegde overheidsdiensten. Dit doet geen afbreuk doen aan de bevoegdheid van de nationale mededingingsautoriteiten om klachten te verwerpen om andere redenen bepaald door het nationale recht. Voor het verwerpen van een formele klacht moet worden voorzien in doeltreffende voorzieningen overeenkomstig het nationale recht;

e bis)   de leden van het besluitvormend orgaan van de nationale administratieve mededingingsautoriteiten worden geselecteerd en benoemd op grond van vooraf vastgestelde, duidelijke en transparante selectie- en benoemingsregels en -procedures.

Artikel 5

Middelen

1.  De lidstaten zien erop toe dat de nationale mededingingsautoriteiten voldoende gekwalificeerd personeel en voldoende financiële, technische en technologische middelen tot hun beschikking hebben voor de doeltreffende uitvoering van hun taken en uitoefening van hun bevoegdheden voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU als bepaald in lid 2 van dit artikel.

2.  De toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU door de nationale mededingingsautoriteiten omvat: het uitvoeren van onderzoeken met het oog op de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU; het vaststellen van besluiten tot uitvoering van deze bepalingen op grond van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1/2003; het geven van advies; de nauwe samenwerking binnen het European Competition Network om de doeltreffende en uniforme handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU te waarborgen.

2 bis.   Onverminderd de nationale begrotingsregels en begrotingsprocedures, zien de lidstaten erop toe dat de nationale mededingingsautoriteiten onafhankelijkheid wordt toegekend bij de toepassing van de toegekende begroting voor de uitvoering van hun taken zoals bedoeld in lid 2.

2 ter.  De lidstaten zien erop toe dat de nationale administratieve mededingingsautoriteiten periodiek verslagen over hun activiteiten en middelen bij een regeringsorgaan of parlementair orgaan indienen en openbaar maken. De lidstaten zien erop toe dat dergelijke verslagen informatie bevatten over de benoemingen en ontslagen van leden van het besluitvormingsorgaan, over het bedrag van de middelen dat in het desbetreffende jaar werd toegewezen, en over eventuele veranderingen in dit bedrag in vergelijking met voorafgaande jaren, en dat ze op het niveau van de Unie worden gepresenteerd.

HOOFDSTUK IV

BEVOEGDHEDEN

Artikel 6

Bevoegdheid om inspecties uit te voeren in bedrijfsruimten

1.  De lidstaten zien erop toe dat nationale administratieve mededingingsautoriteiten alle noodzakelijke onaangekondigde inspecties van ondernemingen en ondernemersverenigingen voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU kunnen uitvoeren. De lidstaten mogen voor dergelijke inspecties een voorafgaande machtiging van een nationale gerechtelijke instantie eisen. De lidstaten zien erop toe dat de ambtenaren en de andere door de nationale mededingingsautoriteiten tot het uitvoeren van een inspectie gemachtigde begeleidende personen ten minste de bevoegdheid hebben om:

a)   alle lokalen, terreinen en vervoermiddelen van ondernemingen en ondernemersverenigingen te betreden;

b)   de boeken en alle andere bescheiden in verband met het bedrijf te controleren, ongeacht het medium waarop deze zijn opgeslagen, met inbegrip van het recht op toegang tot informatie die toegankelijk is voor de geïnspecteerde entiteit;

c)   in eender welke vorm kopieën of uittreksels uit boeken of bescheiden te maken of te ontvangen, indien zij dat nodig achten voor nader onderzoek van deze kopieën of uittreksels, in hun ruimten of andere aangewezen ruimten;

d)   bedrijfsruimten en boeken of bescheiden te verzegelen zolang en voor zover dat nodig is voor de inspectie;

e)   vertegenwoordigers of personeelsleden van de betrokken onderneming of ondernemersvereniging te verzoeken om toelichting bij feiten of documenten die verband houden met het voorwerp en het doel van de inspectie, en om hun antwoord op te nemen.

2.  De lidstaten zien erop toe dat ondernemingen en ondernemersverenigingen worden gelast zich te onderwerpen aan inspecties van de nationale administratieve mededingingsautoriteiten. Wanneer een onderneming of ondernemersvereniging zich verzet tegen een inspectie die door de nationale administratieve mededingingsautoriteit is gelast of door een nationale gerechtelijke autoriteit is toegestaan, kunnen de nationale mededingingsautoriteiten van de politie of van een gelijkwaardige handhavingsinstantie bijstand krijgen zodat zij de inspectie kunnen uitvoeren. Dergelijke bijstand kan tevens als voorzorgsmaatregel worden verkregen.

Artikel 7

Bevoegdheid om inspecties uit te voeren in andere ruimten

1.  De lidstaten zien erop toe dat, indien er een redelijk vermoeden bestaat dat boeken of andere bescheiden in verband met het bedrijf en het voorwerp van de inspectie, die relevant kunnen zijn om een ▌inbreuk op artikel 101 of artikel 102 VWEU te bewijzen, worden bewaard in andere dan in artikel 6 bedoelde gebouwen, terreinen en vervoermiddelen, waaronder de woningen van directeuren, bestuurders en andere personeelsleden van de betrokken ondernemingen en ondernemersverenigingen, de nationale administratieve mededingingsautoriteiten in deze gebouwen, terreinen en vervoermiddelen onaangekondigde inspecties kunnen uitvoeren.

2.  Dergelijke inspecties worden niet uitgevoerd zonder voorafgaande machtiging van een nationale gerechtelijke instantie, met daarin het bewijs voor het in lid 1 bedoelde redelijk vermoeden.

3.  De lidstaten zien erop toe dat de ambtenaren en andere begeleidende personen die door de nationale gerechtelijke instanties gemachtigd zijn om een overeenkomstig lid 1 gelaste inspectie te verrichten, ten minste de in artikel 6, lid 1, onder a), b) en c), en artikel 6, lid 2, bedoelde bevoegdheden hebben.

Artikel 8

Verzoeken om informatie

De lidstaten zien erop toe dat nationale administratieve mededingingsautoriteiten ▌binnen een bepaald en redelijk tijdsbestek van ondernemingen en ondernemersverenigingen alle informatie kunnen verlangen die noodzakelijk is voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU. Dergelijke verzoeken om informatie zijn specifiek en passend wat de opgevraagde informatie betreft, en dwingen de bestemmeling van het verzoek niet een inbreuk op de artikelen 101 en 102 VWEU toe te geven. Deze verplichting is van toepassing op informatie die toegankelijk is voor de onderneming en de ondernemersvereniging.

Artikel 9

Vaststelling en beëindiging van inbreuken

1.  De lidstaten zien erop toe dat wanneer een nationale mededingingsautoriteit een inbreuk op artikel 101 of artikel 102 VWEU vaststelt, zij de ondernemingen en ondernemersverenigingen bij besluit kunnen gelasten aan die inbreuk een einde te maken. Zij kunnen daartoe alle maatregelen ter correctie van gedragingen of structurele maatregelen opleggen die evenredig zijn met de gepleegde inbreuk en noodzakelijk zijn om aan de inbreuk daadwerkelijk een einde te maken. Indien twee maatregelen even doeltreffend zijn, geven de nationale mededingingsautoriteiten de voorkeur aan de maatregel die voor de onderneming het minst belastend is. Indien zij hierbij een legitiem belang hebben, kunnen zij ook de vaststelling doen dat in het verleden een inbreuk is gepleegd.

1 bis.  Indien nationale mededingingsautoriteiten concluderen dat er geen gronden zijn om de procedures voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU voort te zetten, en deze bijgevolg beëindigen, zien de lidstaten erop toe dat de nationale mededingingsautoriteiten de Commissie hiervan op de hoogte stellen.

Artikel 10

Voorlopige maatregelen

1.  De lidstaten zien erop toe dat nationale administratieve mededingingsautoriteiten ambtshalve ten minste in dringende gevallen, wanneer de mededinging op ernstige en onherstelbare wijze dreigt te worden geschaad en na een eerste onderzoek dat op een vermoedelijke inbreuk op artikel 101 of artikel 102 VWEU wijst, bij besluit de oplegging van voorlopige maatregelen aan ondernemingen kunnen gelasten. Een dergelijk besluit is evenredig en is hetzij gedurende een bepaalde tijdspanne van toepassing, die kan worden verlengd voor zover dat nodig en dienstig is, hetzij tot een definitief besluit is genomen. Het European Competition Network moet worden geïnformeerd over dergelijke maatregelen en de tenuitvoerlegging ervan.

1 bis.  De lidstaten zorgen ervoor dat de vraag of de in lid 1 bedoelde voorlopige maatregelen gepast zijn in een versnelde beroepsprocedure kan worden getoetst.

Artikel 11

Vastleggingen

1.  De lidstaten zien erop toe dat in procedures, die werden ingesteld met het oog op een besluit waarmee wordt gelast een einde te maken aan een inbreuk op artikel 101 of 102 VWEU, de nationale mededingingsautoriteiten aan de door de ondernemingen voorgestelde toezeggingen om tegemoet te komen aan de bezwaren van deze autoriteiten bij besluit een bindend karakter kunnen verlenen nadat zij de standpunten van marktdeelnemers hebben ingewonnen. Een dergelijk besluit kan voor een bepaalde periode worden vastgesteld en bevat de conclusie dat er niet langer gronden voor een optreden van de betrokken nationale mededingingsautoriteit bestaan.

1 bis.  De lidstaten zien erop toe dat de nationale mededingingsautoriteiten over voldoende bevoegdheden beschikken om toezicht op de uitvoering van de in lid 1 bedoelde toezegging te kunnen houden.

1 ter.  Indien de betrokken onderneming zich niet aan het toezeggingsbesluit houdt, kunnen de nationale mededingingsautoriteiten de procedures heropenen.

HOOFDSTUK V

GELDBOETEN EN DWANGSOMMEN

Artikel 12

Geldboeten opgelegd aan ondernemingen en ondernemersverenigingen

1.  Onverminderd het nationale recht van de lidstaten dat voorziet in de oplegging van sancties in strafrechtelijke procedures, zien de lidstaten erop toe dat doeltreffende, evenredige en afschrikkende geldboeten, hetzij door de nationale administratieve mededingingsautoriteiten bij besluit kunnen worden opgelegd, hetzij in niet-strafrechtelijke gerechtelijke procedures kunnen worden gevorderd, wanneer ondernemingen en ondernemersverenigingen opzettelijk of uit onachtzaamheid inbreuk maken op artikel 101 of 102 VWEU.

2.  Onverminderd het nationale recht van de lidstaten dat voorziet in de oplegging van sancties in strafrechtelijke procedures, zien de lidstaten erop toe dat aan ondernemingen en ondernemersverenigingen doeltreffende, evenredige en afschrikkende geldboeten naar evenredigheid met de totale mondiale jaaromzet hetzij bij besluit van de nationale administratieve mededingingsautoriteiten kunnen worden opgelegd, hetzij in niet-strafrechtelijke gerechtelijke procedures kunnen worden gevorderd, wanneer opzettelijk of uit onachtzaamheid:

a)  zij zich niet onderwerpen aan een inspectie als bedoeld in artikel 6, lid 2;

b)  zegels zijn verbroken die werden aangebracht door ambtenaren of andere door de nationale mededingingsautoriteiten gemachtigde begeleidende personen als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder d);

c)  als antwoord op een vraag als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder e), een onjuist of misleidend antwoord is gegeven, is nagelaten of geweigerd een volledig antwoord te geven, of is nagelaten binnen de door de nationale mededingingsautoriteit gestelde termijn een onjuist of onvolledig antwoord van een personeelslid te corrigeren;

d)  zij onjuiste, onvolledige of misleidende informatie verstrekken als antwoord op een verzoek ▌als bedoeld in artikel 8 of geen informatie verstrekken binnen de gestelde termijn;

e)  zij nalaten een besluit als bedoeld in de artikelen 9, 10 en 11 na te leven.

3.  De lidstaten zien erop toe dat voor de oplegging van geldboeten het begrip onderneming wordt toegepast op moederondernemingen, rechtsopvolgers en economische opvolgers van ondernemingen.

Artikel 13

Berekening van de geldboeten

1.  De lidstaten zien erop toe dat de nationale mededingingsautoriteiten bij het bepalen van het bedrag van de geldboete wegens een inbreuk op artikel 101 of artikel 102 VWEU rekening houden met zowel de ernst als met de duur van de inbreuk. Verder kan rekening worden gehouden met de omvang en de marktpositie van de onderneming, en met het eventueel repetitieve karakter van de inbreuk.

1 bis.  Bij het bepalen van het bedrag van de geldboete wegens een inbreuk op artikel 101 of artikel 102 VWEU kunnen de nationale mededingingsautoriteiten overeenkomstig het bepaalde in artikel 18, lid 3, van Richtlijn 2014/104/EU rekening houden met schadevergoedingen die ingevolg schikkingsovereenkomsten zijn betaald.

2.  De lidstaten zien erop toe dat wanneer aan een ondernemersvereniging een geldboete is opgelegd rekening houdend met de totale omzet van haar leden en deze vereniging insolvent is, de vereniging verplicht wordt om van haar leden bijdragen te vragen om de geldboete te betalen.

Om de volledige betaling van de geldboete te waarborgen, zien de lidstaten erop toe dat nationale mededingingsautoriteiten bevoegd zijn de betaling van het uitstaande bedrag van de geldboete te gelasten door een van ondernemingen waarvan de vertegenwoordigers lid waren van het besluitvormingsorgaan van de vereniging. Voor zover nodig zijn de nationale mededingingsautoriteiten tevens bevoegd te gelasten dat het uitstaande bedrag van de geldboete wordt betaald door een van de leden van de vereniging die actief waren op de markt waar de inbreuk heeft plaatsgehad. De betaling zoals bedoeld in dit lid zal echter niet verlangd worden van die ondernemingen die aantonen dat zij het inbreukbesluit van de vereniging niet hebben uitgevoerd en hetzij er niet van op de hoogte waren, hetzij er voor de aanvang van het onderzoek actief afstand hebben genomen.

Artikel 14

Maximumbedrag van de geldboete

1.  De lidstaten zien erop toe dat het maximumbedrag van de geldboete welke een nationale mededingingsautoriteit kan opleggen aan elke onderneming of ondernemersvereniging die deelneemt aan een inbreuk op de artikelen 101 of 102 VWEU, niet wordt vastgesteld op een niveau dat lager is dan 10 % van haar totale wereldwijde omzet in het boekjaar dat aan het besluit voorafgaat.

2.  Wanneer de inbreuk van een ondernemersvereniging betrekking heeft op de activiteiten van haar leden, bedraagt het maximumbedrag van de geldboete ten minste 10 % van de som van de totale wereldwijde omzet van elk lid dat actief is op de markt die de gevolgen van de inbreuk van de vereniging ondervindt. De financiële aansprakelijkheid van elke onderneming met betrekking tot de betaling van de geldboete bedraagt echter niet meer dan het overeenkomstig het eerste lid bepaalde maximumbedrag.

Artikel 15

Dwangsommen

De lidstaten zien erop toe dat nationale administratieve mededingingsautoriteiten ondernemingen en ondernemersverenigingen bij besluit doeltreffende, evenredige en afschrikkende dwangsommen kunnen opleggen naar evenredigheid met hun dagelijkse omzet, teneinde deze te dwingen:

a)  zich te onderwerpen aan een inspectie als bedoeld in artikel 6, lid 2;

b)   volledige en juiste informatie te verstrekken zoals bedoeld in artikel 8;

c)   een besluit als bedoeld in de artikelen 9, 10 en 11 na te leven.

HOOFDSTUK VI

CLEMENTIE

Artikel 16

Immuniteit tegen geldboeten

1.  De lidstaten zien erop toe dat de nationale mededingingsautoriteiten beschikken over clementieregelingen waarmee zij ondernemingen immuniteit tegen geldboeten voor geheime kartels kunnen verlenen.

2.  De lidstaten zien erop toe dat slechts clementie voor geheime kartels kan worden verleend wanneer de onderneming

a)  voldoet aan de in artikel 18 uiteengezette voorwaarden;

b)  haar deelname aan een geheim kartel openbaar maakt; en

c)  als eerste bewijsmateriaal verstrekt dat:

i.  de nationale mededingingsautoriteit bij de indiening van het verzoek in staat stelt een gerichte inspectie uit te voeren in verband met het geheime kartel, mits de nationale mededingingsautoriteit op dat moment nog niet over bewijs beschikte om een inspectie in verband met het geheime kartel uit te voeren of nog geen dergelijke inspectie had uitgevoerd; of

ii.  volgens de nationale mededingingsautoriteit de vaststelling van een schending van het mededingingsrecht mogelijk maakt, mits de nationale mededingingsautoriteit op dat moment nog niet over bewijs beschikte om een dergelijke schending vast te stellen en dat geen enkele andere onderneming eerder in aanmerking is gekomen voor immuniteit op grond van artikel 2, punt c) onder i), met betrekking tot hetzelfde kartel.

3.  De lidstaten zien erop toe dat alle ondernemingen voor immuniteit van geldboeten in aanmerking komen, met uitzondering van ondernemingen die stappen hebben ondernomen om andere ondernemingen aan te zetten tot samenwerking in geheime kartels.

3 bis.  De lidstaten zien erop toe dat de nationale mededingingsautoriteiten de verzoeker om immuniteit meedelen of hem al dan niet voorlopige immuniteit is verleend. De verzoeker om immuniteit kan verzoeken dat de nationale mededingingsautoriteiten hem schriftelijk op de hoogte brengen van het resultaat van zijn verzoek. In het geval van een afwijzing kan de betrokken verzoeker de nationale mededingingsautoriteit vragen een reductie van de geldboete in overweging te nemen.

Artikel 17

Vermindering van geldboeten

1.  De lidstaten zien erop toe dat de nationale mededingingsautoriteiten beschikken over clementieregelingen waarmee zij ondernemingen die niet voor immuniteit in aanmerking komen, een vermindering van de geldboeten kunnen toekennen.

2.  De lidstaten zien erop toe dat een vermindering van de geldboeten slechts wordt toegekend wanneer aan de voorwaarden van artikel 18 is voldaan, de verzoeker zijn deelname aan een geheim kartel openbaar maakt en aan de nationale mededingingsautoriteit bewijsmateriaal over het kartel verstrekt dat, om een schending van artikel 101 VWEU of van een overeenkomstige bepaling in het nationale recht te bewijzen, een significante toegevoegde waarde heeft ten opzichte van het bewijsmateriaal waarover de nationale mededingingsautoriteit op het tijdstip van het verzoek reeds beschikt.

3.  De lidstaten zien erop toe dat de nationale mededingingsautoriteiten een aanvullende vermindering van de geldboeten kunnen toekennen wanneer de verzoeker bewijsmateriaal verstrekt dat de nationale mededingingsautoriteit gebruikt, zonder dat verdere bevestiging nodig is, om het bewijs te leveren van aanvullende feiten waardoor de geldboeten hoger zijn dan de gelboeten die anders aan de deelnemers in het geheime kartel zouden zijn opgelegd. De vermindering van de geldboeten voor de verzoeker is evenredig met de stijging van de geldboeten.

Artikel 18

Algemene voorwaarden voor clementie

De lidstaten zien erop toe dat de verzoeker, om voor clementie in aanmerking te komen, aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoet:

a)  hij heeft zijn betrokkenheid bij het beweerde geheime kartel onmiddellijk na zijn verzoek beëindigd, met uitzondering van wat volgens de nationale mededingingsautoriteit redelijkerwijs noodzakelijk is om de integriteit van haar onderzoek te vrijwaren;

b)  hij werkt vanaf het tijdstip van zijn verzoek daadwerkelijk, volledig, onafgebroken en zo snel mogelijk mee met de nationale mededingingsautoriteit, tot de autoriteit haar procedure tegen alle onderzochte partijen heeft afgesloten door een besluit vast te stellen of anderszins de procedure te beëindigen. Dit omvat:

i.  de nationale mededingingsautoriteit dadelijk alle relevante informatie en bewijsmateriaal verschaffen in verband met het geheime kartel die hij in zijn bezit krijgt of waarover hij kan beschikken, en in het bijzonder:

- de naam en het adres van de rechtspersoon die het verzoek om immuniteit indient;

- de namen van alle andere ondernemingen die deelnemen of hebben deelgenomen aan het vermeende geheime kartel;

  - een uitgebreide beschrijving van het vermeende kartel, met inbegrip van de betrokken producten, de betrokken grondgebieden, de duur en de aard van het vermeende geheime kartelgedrag;

  - bewijs van het beweerde geheime kartel dat voor de aanvrager toegankelijk is;

  - informatie over eerdere of mogelijke toekomstige clementieverzoeken die met betrekking tot het vermeende geheime kartel bij een andere nationale mededingingsautoriteit of de Commissie zijn of zullen worden ingediend.

ii.  ter beschikking blijven van de nationale mededingingsautoriteit om te antwoorden op elk verzoek dat kan bijdragen tot het vaststellen van de feiten;

iii.  de huidige (en indien mogelijk de voormalige) werknemers en directeuren ter beschikking houden voor interviews met de nationale mededingingsautoriteit;

iv.  geen relevante informatie of bewijzen vernietigen, vervalsen of verbergen; en

v.  tenzij anders is overeengekomen, de indiening van het verzoek of de inhoud daarvan niet bekendmaken voordat de nationale mededingingsautoriteit bezwaren heeft opgeworpen in de bij haar aanhangige zaak; en

c)  wanneer hij overweegt een verzoek in te dienen bij de nationale mededingingsautoriteit, mag hij noch:

i.  bewijsmateriaal over het beweerde geheime kartel hebben vernietigd, vervalst of verborgen; of

ii.  zijn voorgenomen verzoek of de inhoud daarvan hebben bekendgemaakt, tenzij aan andere mededingingsautoriteiten.

Artikel 19

Vorm van de clementieverzoeken

1.  De lidstaten zien erop toe dat verzoekers de mogelijkheid hebben een schriftelijk clementieverzoek in te dienen, en dat nationale mededingingsautoriteiten beschikken over systemen voor het aanvaarden van clementieverklaringen, hetzij mondeling, hetzij op een andere manier die geen aanleiding geeft tot de overlegging van documenten, informatie of andere materialen die de verzoeker bezit, bewaart of controleert. Op diens verzoek doen de nationale mededingingsautoriteiten de verzoeker een schriftelijke ontvangstbevestiging van het clementieverzoek toekomen.

1 bis.  De lidstaten zien erop toe dat clementieverzoeken in een officiële taal van de betrokken nationale mededingingsautoriteit of in één van de werktalen van de Unie kunnen worden ingediend.

Artikel 20

Marker voor een formeel verzoek om immuniteit

1.  De lidstaten zien erop toe dat ondernemingen die om clementie wensen te verzoeken, in eerste instantie bij de nationale mededingingsautoriteiten een marker kunnen aanvragen. De marker kent de verzoeker een plaats in de rij toe gedurende een periode die van geval tot geval wordt bepaald door de nationale mededingingsautoriteit welke de aanvraag van een marker heeft ontvangen. Dit stelt de verzoeker in staat de noodzakelijke informatie en bewijzen te verzamelen om te voldoen aan de bewijsvoorwaarde voor immuniteit.

De lidstaten zien erop toe dat aanvragen van een marker in een officiële taal van de betrokken nationale mededingingsautoriteit of in één van de werktalen van de Unie kunnen worden ingediend.

2.  De lidstaten zien erop toe dat de nationale mededingingsautoriteiten discretionaire bevoegdheid hebben om al dan niet een marker toe te kennen. Een marker mag alleen worden toegekend als de onderneming de nationale mededingingsautoriteit voorziet van de volgende informatie:

(a) de naam en het adres van de verzoeker;

(b) de basis voor het bezwaar op grond waarvan het clementieverzoek werd ingediend;

(c) de namen van alle andere ondernemingen die deelnemen of hebben deelgenomen aan het beweerde geheime kartel;

(d) de betrokken producten en grondgebieden;

(e) de duur en de aard van het beweerde geheime kartelgedrag;

(f) informatie over eerdere of mogelijke toekomstige clementieverzoeken die met betrekking tot het beweerde geheime kartel bij een andere mededingingsautoriteit zijn of worden ingediend.

3.  De lidstaten zien erop toe dat wanneer de verzoeker de marker binnen de door de diensten van de Commissie vastgestelde periode vervolledigt, de verschafte informatie en het verschafte bewijsmateriaal worden geacht te zijn ingediend op het tijdstip waarop de marker werd toegekend.

3 bis.  De lidstaten zien erop toe dat ondernemingen die een verzoek tot een verlaging van een geldboete willen indienen, in eerste instantie bij de nationale mededingingsautoriteiten een marker mogen aanvragen. Op een dergelijke marker zijn mutatis mutandis de leden 1 t/m 3 van toepassing.

Artikel 21

Beknopte verzoeken

1.  De lidstaten zien erop toe dat verzoekers die in verband met een beweerd geheim kartel bij de Commissie om clementie hebben verzocht, hetzij door een marker aan te vragen, hetzij door een volledig verzoek in te dienen, over hetzelfde kartel beknopte verzoeken kunnen indienen bij de nationale mededingingsautoriteiten die de verzoeker geschikt acht om de zaak in behandeling te nemen.

De lidstaten zien erop toe dat beknopte verzoeken in een officiële taal van de betrokken nationale mededingingsautoriteit of een andere werktaal van de Unie kunnen worden ingediend.

2.  De lidstaten zien erop toe dat de nationale mededingingsautoriteiten beknopte verzoeken aanvaarden, mits zij in een van de in artikel 19 bepaalde vormen zijn ingediend, qua product, geografisch gebied en duur dezelfde reikwijdte hebben als het clementieverzoek dat bij de Commissie is ingediend en een korte beschrijving bevatten, voor zover de verzoeker op het tijdstip van de indiening daar kennis van heeft, van de informatie waarnaar wordt verwezen in punt a) en de punten c) t/m f) van artikel 20, lid 2, alsmede informatie over de lidstaat waar het bewijsmateriaal zich waarschijnlijk bevindt ▌.

3.  De lidstaten zien erop toe dat nationale mededingingsautoriteiten van de verzoeker geen informatie verlangen ▌voor zij op grond van lid 6 de indiening van een volledig verzoek verlangen.

4.  De lidstaten zien erop toe dat de nationale mededingingsautoriteiten die een beknopt verzoek ontvangen, de verzoeker een ontvangstbewijs met de datum en het tijdstip van ontvangst verstrekken. Op diens verzoek doen de nationale mededingingsautoriteiten de verzoeker een schriftelijke ontvangstbevestiging van het beknopte verzoek toekomen.

5.  De lidstaten zien erop toe dat de nationale mededingingsautoriteiten die een beknopt verzoek ontvangen, nagaan of zij op het tijdstip van ontvangst reeds eerder een beknopt verzoek of een clementieverzoek hebben ontvangen in verband met hetzelfde beweerde geheime kartel en de verzoeker daarvan dienovereenkomstig in kennis stellen, behalve als dit de integriteit van het onderzoek zou aantasten.

6.  De lidstaten zien erop toe dat uitsluitend zodra de Commissie de betrokken nationale mededingingsautoriteiten ervan in kennis heeft gesteld dat zij de zaak niet geheel of gedeeltelijk in behandeling wenst te nemen, de verzoekers de mogelijkheid hebben om bij die autoriteiten een volledig clementieverzoek in te dienen, waarbij het in lid 1 bedoelde beknopte verzoek wordt aangevuld. De Commissie houdt de betrokken nationale mededingingsautoriteiten regelmatig op de hoogte van de stand van zaken en komt onverwijld tot het bovengenoemde besluit. De lidstaten zien erop toe dat de nationale mededingingsautoriteiten de bevoegdheid hebben om een redelijke termijn te bepalen waarbinnen de verzoeker het volledige verzoek, samen met het bewijsmateriaal en de informatie die daarmee overeenkomen, moet indienen.

7.  De lidstaten zien erop toe dat wanneer de verzoeker het volledige verzoek overeenkomstig artikel 6 binnen de door de nationale mededingingsautoriteit bepaalde termijn indient, de daarin vervatte informatie wordt geacht te zijn verstrekt op de datum en het tijdstip van het beknopte verzoek. Indien de verzoeker het beknopte verzoek uiterlijk 5 werkdagen na indiening van het clementieverzoek bij de Commissie heeft ingediend, wordt het beknopte verzoek geacht te zijn ingediend op de datum en het tijdstip van indiening van het clementieverzoek bij de Commissie.

Artikel 22

Wisselwerking tussen clementieregelingen en de oplegging van sancties aan natuurlijke personen

De lidstaten zien erop toe dat de huidige en de voormalige werknemers en directeuren van verzoekers om immuniteit tegen geldboeten van mededingingsautoriteiten volledig en onverwijld worden beschermd tegen strafrechtelijke en administratieve sancties van overheidsinstanties en tegen sancties opgelegd in andere dan strafrechtelijke procedures wegens hun betrokkenheid bij het geheime kartel waarop het verzoek betrekking heeft, waaronder in grensoverschrijdende gevallen, op voorwaarde dat deze werknemers en directeuren actief met de betrokken mededingingsautoriteiten samenwerken en het immuniteitsverzoek dateert van voor het moment waarop de werknemers en directeuren door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten in kennis zijn gesteld van de strafrechtelijke procedure.

HOOFDSTUK VII

WEDERZIJDSE BIJSTAND

Artikel 23

Samenwerking tussen nationale mededingingsautoriteiten

De lidstaten zien erop toe dat wanneer een nationale administratieve mededingingsautoriteit overeenkomstig artikel 22, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad een inspectie uitvoert namens andere nationale mededingingsautoriteiten, de ambtenaren en andere door de verzoekende autoriteit gemachtigde begeleidende personen de inspectie kunnen bijwonen en de aangezochte nationale mededingingsautoriteit actief bijstand kunnen verlenen door de in de artikelen 6 en 7 bedoelde bevoegdheden uit te oefenen.

Artikel 24

Verzoek om kennisgeving van voorlopige bezwaren en besluiten

1.  Onverminderd andere vormen van kennisgeving door een nationale mededingingsautoriteit van de verzoekende lidstaat overeenkomstig de geldende nationale bepalingen van die lidstaat, zien de lidstaten erop toe dat de aangezochte autoriteit op verzoek en in naam van de verzoekende autoriteit de adressaten in kennis stelt van de voorlopige bezwaren inzake klachten over schendingen van artikel 101 of 102 VWEU en besluiten op grond van deze artikelen, alsmede van documenten in verband met de handhaving van besluiten tot oplegging van geldboeten of dwangsommen.

2.  De aangezochte autoriteit zorgt ervoor dat de kennisgeving in de aangezochte lidstaat geschiedt volgens de geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en administratieve praktijken van de aangezochte lidstaat.

Artikel 25

Verzoek tot handhaving van besluiten tot oplegging van geldboeten of dwangsommen

1.  De lidstaten zien erop toe dat de aangezochte autoriteit op last van de verzoekende autoriteit de overeenkomstig de artikelen 12 en 15 door de verzoekende autoriteit vastgestelde besluiten tot oplegging van geldboeten of dwangsommen handhaaft. Dit geldt enkel voor zover:

a)  de onderneming jegens welke de geldboete of de dwangsom invorderbaar is, juridisch niet in de lidstaat van de verzoekende autoriteit aanwezig is; of

b)   duidelijk vaststaat dat de onderneming jegens welke de geldboete of de dwangsom kan worden ingevorderd, in de lidstaat van de verzoekende autoriteit niet over voldoende activa beschikt.

2.  De aangezochte autoriteit ziet erop toe dat de handhaving in de aangezochte lidstaat geschiedt in overeenstemming met de geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en administratieve praktijk van de aangezochte lidstaat.

3.  De verzoekende autoriteit kan een verzoek om handhaving enkel indienen wanneer het besluit op basis waarvan de handhaving in de verzoekende lidstaat mogelijk is, definitief is en daartegen geen gewone rechtsmiddelen meer openstaan, en als zij redelijke pogingen heeft ondernomen om de besluiten op haar eigen grondgebied te handhaven.

4.  De vraagstukken met betrekking tot de verjaring worden beheerst door het geldende recht van de verzoekende lidstaat.

5.  De aangezochte autoriteit is niet verplicht besluiten op grond van het eerste lid te handhaven indien zij aan de nationale mededingingsautoriteiten redelijke gronden kan aanvoeren waaruit blijkt dat dit kennelijk in strijd zou zijn met de openbare orde van de lidstaat waar om handhaving is verzocht.

Artikel 26

Geschillen inzake verzoeken tot kennisgeving en tot handhaving van besluiten tot oplegging van geldboeten of dwangsommen

1.  Geschillen met betrekking tot de rechtmatigheid van een ter kennis te brengen maatregel of van een besluit tot oplegging van geldboeten of dwangsommen van een verzoekende autoriteit vallen onder de bevoegdheid van de bevoegde instanties van de verzoekende lidstaat en worden beheerst door het nationale recht van die staat.

2.  Geschillen met betrekking tot de in de aangezochte lidstaat getroffen handhavingsmaatregelen of met betrekking tot de geldigheid van een kennisgeving door de aangezochte autoriteit, vallen onder de bevoegdheid van de bevoegde instanties van de aangezochte lidstaat en worden beheerst door het nationale recht van die staat.

Artikel 26 bis

Kostenverdeling tussen nationale mededingingsautoriteiten

De lidstaten zien erop toe dat de nationale administratieve mededingingsautoriteiten die om bijstand verzoeken, op verzoek van de aangezochte autoriteit:

(a)   alle redelijke bijkomende kosten in verband met het optreden uit hoofde van de artikelen 23 en 24 voor hun rekening nemen, inclusief die voor vertaling en administratie;

(b)   de aangezochte autoriteit toestaan de middels geldboeten of dwangsommen geïnde bedragen te gebruiken voor het dekken van de administratieve kosten in verband met het optreden uit hoofde van artikel 25.

HOOFDSTUK VIII

VERJARINGSTERMIJNEN

Artikel 27

Opschorting van de verjaring voor de oplegging van sancties

1.  De lidstaten zien erop toe dat de verjaringstermijnen voor de oplegging van geldboeten of dwangsommen door de nationale mededingingsautoriteiten op grond van de artikelen 12 en 15 worden opgeschort voor de duur van de procedures inzake een schending in verband met dezelfde overeenkomst, beslissing of onderling afgestemde feitelijke gedraging bij nationale mededingingsautoriteiten van andere lidstaten of bij de Commissie. De opschorting vangt aan bij de kennisgeving aan de bij de procedure betrokken onderneming van de eerste formele onderzoeksmaatregel. Zij loopt af op de dag waarop de betrokken autoriteit haar procedure heeft afgesloten en de onderneming daarvan in kennis heeft gesteld. De duur van deze opschortingstermijn doet geen afbreuk aan absolute verjaringstermijnen naar nationaal recht.

2.  De verjaringstermijn voor de oplegging van geldboeten en dwangsommen wordt opgeschort zolang de procedure over het besluit van een mededingingsautoriteit bij een beroepsinstantie aanhangig is.

2 bis.  De Commissie ziet erop toe dat de kennisgeving van de start van een formele onderzoeksmaatregel, zoals ontvangen van een nationale mededingingsautoriteit op grond van artikel 11, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1/2003, ter beschikking wordt gesteld van de mededingingsautoriteiten van de andere lidstaten binnen het European Competition Network System.

HOOFDSTUK IX

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 28

Rol van de nationale administratieve mededingingsautoriteiten bij nationale gerechtelijke instanties

1.  De lidstaten die zowel een nationale administratieve mededingingsautoriteit, bevoegd om inbreuken op de artikelen 101 of 102 VWEU te onderzoeken, als een nationale gerechtelijke mededingingsautoriteit, bevoegd om een besluit tot vaststelling van de inbreuk en/of tot oplegging van de geldboete vast te stellen, aanwijzen, zien erop toe dat de vordering voor de nationale gerechtelijke mededingingsautoriteit rechtstreeks door de nationale administratieve mededingingsautoriteit kan worden ingesteld.

2.  Voor zover nationale gerechtelijke instanties optreden als beroepsinstantie in procedures tegen handhavingsbesluiten van nationale mededingingsautoriteiten op grond van de artikelen 101 en 102, zien de lidstaten erop toe dat de nationale administratieve mededingingsautoriteit zelf de volle bevoegdheid heeft om als aanklager of verweerder aan deze procedures deel te nemen en dezelfde rechten als die partijen bij die procedures geniet.

Artikel 29

Beperkingen op het gebruik van informatie

1.  Informatie die op basis van de bepalingen van deze richtlijn is verzameld, kan enkel worden gebruikt voor het doel waarvoor die was verzameld. Zij mag niet worden gebruikt als bewijs om natuurlijke personen sancties op te leggen. Dit lid doet geen afbreuk aan de vereisten van het nationale strafrecht.

1 bis.  De lidstaten zien erop toe dat nationale mededingingsautoriteiten, hun management, personeel en andere personen die onder hun toezicht werken geen informatie openbaar maken die verkregen is uit hoofde van de toepassing van deze richtlijn en/of die onder het beroepsgeheim valt.

2.  De lidstaten zien erop toe dat enkel toegang tot clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking mag worden verleend voor de uitoefening van de rechten van de verdediging in procedures bij een nationale mededingingsautoriteit. De lidstaten zien erop toe dat de informatie uit dergelijke clementieverklaringen en verklaringen met het oog op een schikking door de partij die toegang heeft gekregen tot het dossier, enkel kan worden gebruikt wanneer dat noodzakelijk is om haar rechten van de verdediging uit te oefenen in procedures bij de gerechtelijke instanties van de lidstaten, in de gevallen die rechtstreeks verband houden met de zaak waarvoor toegang is verleend tot het dossier, en die betrekking hebben op:

a)  de verdeling van een door een nationale mededingingsautoriteit hoofdelijk opgelegde geldboete tussen leden van het kartel; of

b)  het beroep tegen een besluit van een nationale mededingingsautoriteit tot vaststelling van een inbreuk op artikel 101 VWEU of op bepalingen van nationaal mededingingsrecht.

3.  De lidstaten zien erop toe dat de volgende categorieën inlichtingen die tijdens procedures bij een nationale mededingingsautoriteit zijn verkregen, niet worden gebruikt in procedures bij nationale gerechtelijke instanties totdat de nationale mededingingsautoriteit haar procedure tegen alle onderzochte partijen heeft beëindigd door een in artikel 9 of artikel 11 bedoeld besluit vast te stellen of door de procedure anderszins te beëindigen:

a)  informatie die door andere natuurlijke personen of rechtspersonen specifiek voor de procedure van de nationale mededingingsautoriteit is voorbereid; en

b)  informatie die de nationale mededingingsautoriteit in de loop van haar procedure heeft opgesteld en aan de partijen heeft toegezonden.

4.  De lidstaten zien erop toe dat clementieverklaringen op grond van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 1/2003 tussen nationale mededingingsautoriteiten uitsluitend worden uitgewisseld:

a)  met de toestemming van de verzoeker; of

b)  indien de ontvangende autoriteit van dezelfde verzoeker ook een clementieverzoek met betrekking tot dezelfde inbreuk heeft ontvangen als de toezendende autoriteit, op voorwaarde dat er op het tijdstip van de overdracht van de informatie voor de verzoeker geen mogelijkheid bestaat om de aan die ontvangende autoriteit voorgelegde informatie terug te trekken; of

c)  indien de ontvangende autoriteit een schriftelijke toezegging heeft gedaan dat noch de inlichtingen die haar zijn toegezonden, noch andere inlichtingen die zij zou verkrijgen na de datum en het tijdstip van de toezending zoals genoteerd door de toezendende autoriteit, door haar of door enige andere autoriteit waaraan de inlichtingen vervolgens worden toegezonden, zullen worden gebruikt om sancties op te leggen aan de verzoeker, aan enige andere natuurlijke of rechtspersoon die onder de gunstige behandeling valt die door de toezendende autoriteit wordt geboden naar aanleiding van het beroep dat door de verzoeker is gedaan op de clementieregeling, of aan iedere werknemer of voormalige werknemer van een van de bovengenoemde natuurlijke personen of rechtspersonen;

en mits de tegen openbaarmaking door de ontvangende nationale mededingingsautoriteit toegekende bescherming evenwaardig is met de door de toezendende nationale mededingingsautoriteit verleende bescherming.

5.  Wanneer een mededingingsautoriteit door de verzoeker op grond van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 1/2003 vrijwillig verstrekte informatie zonder zijn toestemming toezendt, zien de lidstaten erop toe dat de ontvangende nationale mededingingsautoriteiten aan de in lid 4, onder c), bedoelde criteria kunnen voldoen.

6.  De leden 2 tot en met 5 zijn van toepassing ongeacht de vorm waarin de clementieverklaringen op grond van artikel 19 zijn ingediend.

Artikel 30

Toelaatbaarheid van bewijsmateriaal bij nationale mededingingsautoriteiten

De lidstaten zien erop toe dat de soorten bewijsmateriaal die bij een nationale mededingingsautoriteit toelaatbaar zijn, documenten, mondelinge verklaringen, opnames en enige andere informatie bevattende voorwerpen omvatten, ongeacht het medium waarop de informatie is opgeslagen.

Artikel 31

Het European Competition Network System

1.  De kosten die de Commissie heeft gemaakt in verband met het onderhoud en de ontwikkeling van het European Competition Network System en de samenwerking binnen het European Competition Network komen ten laste van de algemene begroting van de Unie, binnen de grenzen van de beschikbare kredieten.

2.  Het European Competition Network publiceert zo vaak als dat nodig is nuttige aanbevelingen en beste praktijken van verschillende nationale mededingingsautoriteiten met betrekking tot onafhankelijkheid, middelen, bevoegdheden, geldboeten en wederzijdse bijstand.

HOOFDSTUK X

SLOTBEPALINGEN

Artikel 32

Omzetting

1.  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk [two year period for transposition] aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 32 bis

Evaluatie

Uiterlijk ... [zeven jaar na de aanneming van deze richtlijn] dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de omzetting en tenuitvoerlegging van deze richtlijn, zo nodig vergezeld van een passend wetgevingsvoorstel.

Artikel 33

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 34

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement  Voor de Raad

De Voorzitter  De Voorzitter

(1)

* Amendementen: nieuwe of vervangende tekst staat in vet en cursief, schrappingen zijn met het symbool ▐ aangegeven.

(2)

  PB C , , blz. .

(3)

  Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB L 1 van 4.1.2003, blz. 1).

(4)

Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie (PB L 349 van 5.12.2014, blz. 1).

(5)

  PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.


ADVIES van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (21.11.2017)

aan de Commissie economische en monetaire zaken

inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot toekenning van bevoegdheden aan de mededingingsautoriteiten van de lidstaten voor een doeltreffendere handhaving en ter waarborging van de goede werking van de interne markt

(COM(2017)0142 – C8-0119/2017 – 2017/0063(COD))

Rapporteur voor advies: Eva Maydell

BEKNOPTE MOTIVERING

Naast de Europese Commissie spelen ook de nationale mededingingsautoriteiten (NMA's) een beslissende rol bij de handhaving van het EU-mededingingsrecht (artikelen 101 en 102 VWEU). Zo dragen zij in grote mate bij tot een goed functionerende, concurrerende en consumentgerichte interne markt. De rapporteur erkent dat deze functies van de NMA's slechts kunnen worden behouden en versterkt als de bij Verordening (EG) nr. 1/2003 gecreëerde handhavingsbevoegdheden worden ondersteund door de nodige instrumenten, middelen en procedures voor alle NMA's. Als alle NMA's over soortgelijke instrumenten en richtsnoeren beschikken, zal dat zorgen voor een meer uniforme, effectieve en consistente handhaving van de concurrentieregels in de hele EU. De rapporteur erkent derhalve dat het voorstel van de Commissie concrete voordelen kan bieden om concurrentieverstoring tegen te gaan en een belangrijke stap vormt om het potentieel van de interne EU-markt volledig tot ontwikkeling te laten komen.

De rapporteur wenst te benadrukken dat het feit dat sommige NMA's over onvoldoende financiële middelen beschikken, negatieve gevolgen kan hebben voor de prioritering van maatregelen en dus ook voor de handhavingscapaciteit van de NMA's in kwestie. Het is weliswaar niet haalbaar om voor alle lidstaten te bepalen wat als voldoende middelen voor de NMA's kan worden beschouwd, maar het voorstel kan worden versterkt door de NMA's meer budgettaire autonomie te geven bij de uitvoering van de toegewezen begroting. Dat zal de NMA's in staat stellen zaken te prioriteren en meerdere inspecties tegelijk uit te voeren, en zal hun meer onafhankelijkheid geven. De door de rapporteur voorgestelde amendementen houden dan ook meer budgettaire autonomie voor de NMA's in, met inachtneming van alle nationale begrotingsregels.

De rapporteur is van mening dat de onafhankelijkheid van de NMA's en bescherming tegen politieke en commerciële beïnvloeding van groot belang is, des te meer als zij extra instrumenten en middelen en, in sommige gevallen, nieuwe verantwoordelijkheden krijgen. Daarom zouden garanties tegen belangenconflicten en toezeggingen inzake transparante selectie- en ontslagprocedures vanwege de NMA's en hun bestuurders het voorliggende voorstel versterken. Dergelijke bepalingen kunnen nuttig zijn om aan bewustmaking te doen en het vertrouwen van het publiek in de NMA's te vergroten.

Wat betreft het niveau van de geldboeten die de NMA's opleggen, erkent de rapporteur dat bedrijven momenteel naar gelang van de lidstaat zeer uiteenlopende geldboeten kunnen krijgen voor vergelijkbare inbreuken. Deze situatie vormt een gevaar voor de uniforme handhaving van het mededingingsrecht. De rapporteur is verheugd dat in het voorstel wordt geprobeerd deze problemen aan te pakken en meent dat een gemeenschappelijke maximumboete de juiste stimulansen voor verbetering kan geven.

De rapporteur is voorts van mening dat de bevoegdheden van de NMA's om bewijzen te verzamelen, kunnen worden verbeterd door een aantal administratieve procedures te beperken en door hun onderzoeksbevoegdheden beter aan te passen aan de digitale realiteit van vandaag. Daarom stelt de rapporteur in dit verband een aantal toevoegingen aan het voorstel voor.

AMENDEMENTEN

De Commissie interne markt en consumentenbescherming verzoekt de ten principale bevoegde Commissie economische en monetaire zaken onderstaande amendementen in aanmerking te nemen:

Amendement    1

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(1)  De artikelen 101 en 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) zijn voorschriften van openbare orde en moeten in de gehele Unie op doelmatige wijze worden toegepast om ervoor te zorgen dat de mededinging op de interne markt niet wordt vervalst. Doeltreffende handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU is noodzakelijk om in Europa opener en concurrerender markten te waarborgen, waar ondernemingen meer kunnen concurreren op basis van hun merites en zonder door ondernemingen gecreëerde belemmeringen voor markttoegang, zodat zij welvaart kunnen genereren en banen kunnen creëren. Dit beschermt consumenten tegen bedrijfspraktijken waarmee de prijzen van goederen en diensten kunstmatig hoog worden gehouden en verruimt hun keuze aan innovatieve goederen en diensten.

(1)  De artikelen 101 en 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) zijn voorschriften van openbare orde en moeten in de gehele Unie op doelmatige wijze worden toegepast om ervoor te zorgen dat de mededinging op de interne markt niet wordt vervalst. Doeltreffende handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU is noodzakelijk om in Europa opener en concurrerender markten te waarborgen, zonder belemmeringen voor markttoegang, zodat ondernemingen kunnen concurreren op basis van hun merites en welvaart kunnen genereren en banen kunnen creëren. Dit beschermt consumenten tegen bedrijfspraktijken waarmee de prijzen van goederen en diensten kunstmatig hoog worden gehouden en verruimt hun keuze aan innovatieve goederen en diensten.

Motivering

De rapporteur beoogt de tekst duidelijker en beknopter te maken.

Amendement    2

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(5)  Door het nationale recht ontbreekt het vele NMA's aan de noodzakelijke waarborgen voor hun onafhankelijkheid, alsmede de bevoegdheden voor de handhaving en voor de oplegging van geldboeten om deze regels doeltreffend te kunnen handhaven. Dit ondermijnt hun vermogen om de artikelen 101 en 102 VWEU, en in voorkomend geval de bepalingen van nationaal mededingingsrecht parallel met de artikelen 101 en 102 VWEU, doeltreffend toe te passen. Zo beschikken vele NMA's naar nationaal recht niet over doeltreffende instrumenten om bewijsmateriaal te vergaren over inbreuken op de artikelen 101 en 102 VWEU, of om ondernemingen die overtredingen begaan geldboeten op te leggen, of hebben zij niet de nodige middelen om de artikelen 101 en 102 VWEU doeltreffend toe te passen. Dit kan hen beletten op te treden of kan ertoe leiden dat hun handhavingsoptreden beperkt blijft. Wanneer de NMA's in vele gevallen over onvoldoende operationele instrumenten en waarborgen beschikken om de artikelen 101 en 102 VWEU doeltreffend toe te passen, betekent dit dat de procedures van ondernemingen die gebruikmaken van concurrentieverstorende praktijken, tot zeer verschillende resultaten kunnen leiden naargelang van de lidstaten waar zij actief zijn: het kan gebeuren dat ondernemingen helemaal niet geconfronteerd worden met handhaving op grond van de artikelen 101 of 102 VWEU, of met handhaving die ondoeltreffend is. Zo kunnen ondernemingen in sommige lidstaten eenvoudig via een herstructurering aan hun aansprakelijkheid voor geldboeten ontsnappen. Ongelijke handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU en van nationaal mededingingsrecht dat parallel met de artikelen 101 en 102 VWEU wordt toegepast, leidt tot gemiste kansen om in de hele Europese Unie belemmeringen voor markttoegang weg te nemen en opener en concurrerender markten te creëren, waar ondernemingen op basis van hun merites kunnen concurreren. Ondernemingen en consumenten ondervinden met name nadeel in de lidstaten waar de NMA's minder goed voor doeltreffende handhaving zijn uitgerust. Ondernemingen kunnen niet concurreren op basis van hun merites wanneer er vrijhavens voor concurrentieverstorende praktijken bestaan, bijvoorbeeld omdat er van de concurrentieverstorende praktijken geen bewijs kan worden vergaard of omdat de ondernemingen kunnen ontsnappen aan de aansprakelijkheid voor geldboeten. Daardoor worden zij ontmoedigd om dergelijke markten te betreden en hun recht uit te oefenen zich daar zich te vestigen en goederen of diensten te leveren. Consumenten in lidstaten waar er minder handhaving is, missen de voordelen van doeltreffende handhaving van de mededingingsregels. Ongelijke handhaving over heel Europa van de artikelen 101 en 102 VWEU en van bepalingen van nationaal mededingingsrecht die parallel met de artikelen 101 en 102 VWEU worden toegepast, verstoort dus de mededinging op de interne markt en ondermijnt de goede werking ervan.

(5)  Door het nationale recht ontbreekt het vele NMA's aan de noodzakelijke waarborgen voor hun onafhankelijkheid, alsmede de bevoegdheden voor de handhaving en voor de oplegging van geldboeten om de artikelen 101 en 102 VWEU en de bepalingen van nationaal mededingingsrecht op doeltreffende wijze parallel toe te passen. Zo beschikken vele NMA's naar nationaal recht niet over doeltreffende instrumenten om bewijsmateriaal te vergaren over inbreuken op de artikelen 101 en 102 VWEU, of om ondernemingen die overtredingen begaan geldboeten op te leggen, of hebben zij niet de nodige middelen om de artikelen 101 en 102 VWEU doeltreffend toe te passen. Dit kan hen beletten op te treden of kan ertoe leiden dat hun handhavingsoptreden beperkt blijft. Wanneer de NMA's in vele gevallen over onvoldoende operationele instrumenten en waarborgen beschikken om de artikelen 101 en 102 VWEU doeltreffend toe te passen, betekent dit dat de procedures van ondernemingen die gebruikmaken van concurrentieverstorende praktijken, tot zeer verschillende resultaten kunnen leiden naargelang van de lidstaten waar zij actief zijn of gevestigd zijn: het kan gebeuren dat ondernemingen helemaal niet geconfronteerd worden met handhaving op grond van de artikelen 101 of 102 VWEU, of met handhaving die ondoeltreffend is. Zo kunnen ondernemingen in sommige lidstaten eenvoudig via een herstructurering aan hun aansprakelijkheid voor geldboeten ontsnappen. Ongelijke handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU en van nationaal mededingingsrecht dat parallel met de artikelen 101 en 102 VWEU wordt toegepast, leidt tot gemiste kansen om in de hele Europese Unie belemmeringen voor markttoegang weg te nemen en opener en concurrerender markten te creëren, waar ondernemingen op basis van hun merites kunnen concurreren. Ondernemingen en consumenten ondervinden met name nadeel in de lidstaten waar de NMA's minder goed voor doeltreffende handhaving zijn uitgerust. Ondernemingen kunnen niet concurreren op basis van hun merites wanneer er vrijhavens voor concurrentieverstorende praktijken bestaan, bijvoorbeeld omdat er van de concurrentieverstorende praktijken geen bewijs kan worden vergaard of omdat de ondernemingen kunnen ontsnappen aan de aansprakelijkheid voor geldboeten. Daardoor worden zij ontmoedigd om dergelijke markten te betreden en hun recht uit te oefenen zich daar zich te vestigen en goederen of diensten te leveren. Consumenten in lidstaten waar er minder handhaving is, missen de voordelen van doeltreffende handhaving van de mededingingsregels. Ongelijke handhaving over heel Europa van de artikelen 101 en 102 VWEU en van bepalingen van nationaal mededingingsrecht die parallel met de artikelen 101 en 102 VWEU worden toegepast, verstoort dus de mededinging op de interne markt en ondermijnt de goede werking ervan.

Motivering

De rapporteur beoogt de tekst duidelijker en beknopter te maken. Ondernemingen kunnen in meer dan één EU-lidstaat actief zijn, maar de verschillende uitkomst van de procedure kan ook afhangen van hun plaats van vestiging en dus van de desbetreffende NMA die de zaak behandelt.

Amendement    3

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(6)  De lacunes en beperkingen bij de instrumenten en waarborgen van de NMA's ondermijnen tevens het systeem van parallelle bevoegdheden voor de handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU, dat ontworpen is om als een coherent geheel te functioneren op basis van een nauwe samenwerking met het European Competition Network. Voor de werking van het systeem moeten autoriteiten op elkaar kunnen rekenen om voor elkaars rekening onderzoeksmaatregelen uit te voeren. Maar dit functioneert niet goed wanneer er nog steeds NMA's zijn die geen passende onderzoeksinstrumenten hebben. Op andere cruciale vlakken zijn de NMA's evenmin in staat wederzijdse bijstand te verlenen. Zo kunnen ondernemingen met grensoverschrijdende activiteiten in de meeste lidstaten aan geldboeten ontsnappen doordat zij juridisch niet aanwezig zijn op het grondgebied van een aantal lidstaten waar zij actief zijn. Daardoor verminderen de stimulansen om de artikelen 101 en 102 VWEU na te leven. De ondoeltreffende handhaving die daarvan het gevolg is, verstoort de mededinging voor ondernemingen die de regels naleven en ondermijnt het vertrouwen van de consument in de interne markt, met name in de digitale omgeving.

(6)  De lacunes en beperkingen bij de instrumenten en waarborgen van de NMA's ondermijnen tevens het systeem van parallelle bevoegdheden voor de handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU, dat ontworpen is om als een coherent geheel te functioneren op basis van een nauwe samenwerking met het European Competition Network. Voor de werking van het systeem moeten autoriteiten op elkaar kunnen rekenen om op elkaars verzoek onderzoeksmaatregelen uit te voeren. Maar dit functioneert niet goed wanneer er nog steeds NMA's zijn die geen passende onderzoeksinstrumenten hebben. Op andere cruciale vlakken zijn de NMA's evenmin in staat wederzijdse bijstand te verlenen. Zo kunnen ondernemingen met grensoverschrijdende activiteiten in de meeste lidstaten aan geldboeten ontsnappen doordat zij juridisch niet aanwezig zijn op het grondgebied van een aantal lidstaten waar zij actief zijn. Daardoor verminderen de stimulansen om de artikelen 101 en 102 VWEU na te leven. De ondoeltreffende handhaving die daarvan het gevolg is, verstoort de mededinging voor ondernemingen die de regels naleven en ondermijnt het vertrouwen van de consument in de interne markt, met name in de digitale omgeving.

Motivering

De rapporteur beoogt de tekst beter te laten aansluiten bij de definities: "verzoekende autoriteit" en "aangezochte autoriteit". Een NMA van een lidstaat kan onderzoek verrichten op verzoek van een NMA van een andere lidstaat.

Amendement    4

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(9)  Door te voorzien in minimale waarborgen om ervoor te zorgen dat de NMA's de artikelen 101 en 102 VWEU doeltreffend toepassen, wordt geen afbreuk gedaan aan de mogelijkheid voor de lidstaten om uitgebreidere waarborgen te behouden of in te voeren met betrekking tot de onafhankelijkheid en de middelen van de NMA's, alsmede om in nadere bepalingen te voorzien inzake de bevoegdheden van die autoriteiten voor de handhaving en voor de oplegging van geldboeten. De lidstaten kunnen de NMA's met name aanvullende bevoegdheden toekennen die verder gaan dan de kernbevoegdheden waarin deze richtlijn voorziet, om de doeltreffendheid ervan te verhogen.

(9)  Door te voorzien in minimale waarborgen om ervoor te zorgen dat de NMA's de artikelen 101 en 102 VWEU op uniforme en doeltreffende wijze toepassen, wordt geen afbreuk gedaan aan de mogelijkheid voor de lidstaten om uitgebreidere waarborgen te behouden of in te voeren met betrekking tot de onafhankelijkheid en de middelen van de NMA's, alsmede om in nadere bepalingen te voorzien inzake de bevoegdheden van die autoriteiten voor de handhaving en voor de oplegging van geldboeten. De lidstaten kunnen de NMA's met name aanvullende bevoegdheden toekennen die verder gaan dan de kernbevoegdheden waarin deze richtlijn voorziet, om de doeltreffendheid ervan te verhogen.

Amendement    5

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 10

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(10)  Omgekeerd zijn nadere bepalingen vereist wat betreft de voorwaarden voor de toekenning van clementie voor geheime kartels. Ondernemingen zullen enkel open kaart spelen wat betreft kartels waaraan zij hebben deelgenomen wanneer zij voldoende rechtszekerheid hebben over de vraag of zij immuniteit tegen geldboeten zullen genieten. De opvallende verschillen tussen de clementieregelingen die in de lidstaten van toepassing zijn, leiden tot rechtsonzekerheid bij mogelijke clementieverzoekers, waardoor zij mogelijk minder gestimuleerd worden om clementie aan te vragen. Indien lidstaten voor clementie in de zin van deze richtlijn regels kunnen implementeren of toepassen die minder streng of juist strenger zijn, dan gaat dat niet alleen in tegen de doelstelling om stimulansen voor verzoekers te behouden met het oog op een zo doeltreffende mogelijke handhaving van de mededinging in de Unie, maar dat zou tevens het risico inhouden dat het gelijke speelveld voor ondernemingen die actief zijn op de interne markt in het gedrang komt. Dit belet lidstaten niet clementieregelingen toe te passen die niet allen van toepassing zijn op geheime kartels, maar ook op andere inbreuken op de artikelen 101 en 102 VWEU en gelijkwaardige nationale bepalingen.

(10)  Omgekeerd zijn nadere bepalingen vereist wat betreft de voorwaarden voor de toekenning van clementie voor het onthullen van kartels. Ondernemingen zullen enkel open kaart spelen wat betreft kartels waaraan zij hebben deelgenomen wanneer zij voldoende rechtszekerheid hebben over de vraag of zij immuniteit tegen geldboeten zullen genieten. De opvallende verschillen tussen de clementieregelingen die in de lidstaten van toepassing zijn, leiden tot rechtsonzekerheid bij mogelijke clementieverzoekers, waardoor zij mogelijk minder gestimuleerd worden om clementie aan te vragen. Indien lidstaten voor clementie in de zin van deze richtlijn regels kunnen implementeren of toepassen die minder streng of juist strenger zijn, dan gaat dat niet alleen in tegen de doelstelling om stimulansen voor verzoekers te behouden met het oog op een zo doeltreffende mogelijke handhaving van de mededinging in de Unie, maar dat zou tevens het risico inhouden dat het gelijke speelveld voor ondernemingen die actief zijn op de interne markt in het gedrang komt. Dit belet lidstaten niet clementieregelingen toe te passen die niet allen van toepassing zijn op kartels, maar ook op andere inbreuken op de artikelen 101 en 102 VWEU en gelijkwaardige nationale bepalingen.

Motivering

In de praktijk wordt clementie verleend aan de eerste deelnemer aan het kartel die informatie over het kartel onthult, niet aan het hele kartel. Kartels zijn per definitie geheim. "Geheim kartel" is overal in de tekst een pleonasme. Schrapping van "geheim" brengt de tekst in overeenstemming met de terminologie in Richtlijn 2014/104/EU. Zie verder, AM 10.

Amendement    6

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 14

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(14)  De onafhankelijkheid van NMA's moet worden versterkt om ervoor te zorgen dat de artikelen 101 en 102 VWEU doeltreffend en uniform worden toegepast. Hiertoe moeten uitdrukkelijke bepalingen worden opgenomen in de nationale wetgeving om ervoor te zorgen dat NMA's, bij de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU, beschermd zijn tegen externe interventie of politieke druk die hun onafhankelijke oordeel over de hun voorgelegde vraagstukken in gevaar zouden kunnen brengen. Daarom moeten vooraf regels worden vastgesteld met betrekking tot de redenen voor ontslag van de leden van het besluitvormingsorgaan van de NMA's om ervoor te zorgen dat er volstrekt geen twijfels kunnen zijn over de onpartijdigheid en de ongevoeligheid voor externe factoren van dat orgaan.

(14)  De onafhankelijkheid van NMA's moet worden versterkt om ervoor te zorgen dat de artikelen 101 en 102 VWEU doeltreffend en uniform worden toegepast. Hiertoe moeten uitdrukkelijke bepalingen worden opgenomen in de nationale wetgeving om ervoor te zorgen dat NMA's, bij de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU, beschermd zijn tegen externe interventie of politieke druk die hun onafhankelijke oordeel over de hun voorgelegde vraagstukken in gevaar zouden kunnen brengen. Daarom moeten vooraf duidelijke en transparante regels en procedures worden vastgesteld met betrekking tot de benoeming en de redenen voor ontslag van de leden van het besluitvormingsorgaan van de NMA's om ervoor te zorgen dat er volstrekt geen twijfels kunnen zijn over de onpartijdigheid en de ongevoeligheid voor externe factoren van dat orgaan.

Motivering

De rapporteur is van mening dat het voorstel sommige NMA's meer bevoegdheden zal geven en dat het personeel van de NMA's daarom tegelijk over meer onafhankelijkheid en deskundigheid moet beschikken. Op verdiensten gebaseerde en transparante benoemingen en objectieve ontslagen zullen waarschijnlijk de besluitvorming onafhankelijker maken en het publiek meer vertrouwen geven in de NMA's.

Amendement    7

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 15

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(15)  Om de onafhankelijkheid van de NMA's te waarborgen, moeten het personeel ervan en de leden van het besluitvormingsorgaan integer optreden en zich onthouden van elk optreden dat niet verenigbaar is met de uitoefening van hun taken. Om te voorkomen dat de onafhankelijke beoordeling door personeel of leden van het besluitvormingsorgaan in het gedrang komt, moeten zij zich tijdens hun dienst en tijdens hun ambtstermijn, en gedurende een redelijke termijn daarna, onthouden van onverenigbare al dan niet bezoldigde activiteiten. Dit betekent dat zij tijdens hun dienst en tijdens hun ambtstermijn geen belangen hebben in ondernemingen of organisaties die te maken hebben met een NMA, waardoor hun onafhankelijkheid in het gedrang kan komen. Het personeel en de leden van het besluitvormingsorgaan moeten aangifte doen van belangen of activa die bij de uitoefening van hun taken aanleiding zouden kunnen geven tot een belangenconflict. Zij moeten het besluitvormingsorgaan, de andere leden daarvan of, in het geval van NMA's waar de besluitvormingsbevoegdheid bij één persoon berust, het tot aanstelling bevoegde gezag ervan in kennis stellen wanneer zij bij de uitvoering van hun taken moeten beslissen over aangelegenheden waarin zij belang hebben en die hun onpartijdigheid in het gedrang zouden kunnen brengen.

(15)  Om de onafhankelijkheid van de NMA's te waarborgen, moeten het personeel ervan, de leden van het besluitvormingsorgaan en het management integer optreden en zich onthouden van elk optreden dat niet verenigbaar is met de uitoefening van hun taken. Om te voorkomen dat de onafhankelijke beoordeling door personeel, leden van het besluitvormingsorgaan en het management van de NMA's in het gedrang komt, moeten zij zich tijdens hun dienst en tijdens hun ambtstermijn, en gedurende een redelijke termijn daarna, onthouden van al dan niet bezoldigde activiteiten die aanleiding zouden kunnen geven tot een belangenconflict of anderszins onverenigbaar zouden kunnen zijn. Dit betekent dat zij tijdens hun dienst en tijdens hun ambtstermijn geen belangen hebben in ondernemingen of organisaties die te maken hebben met een NMA, waardoor hun onafhankelijkheid in het gedrang kan komen. Het personeel, de leden van het besluitvormingsorgaan en het management van de NMA's moeten aangifte doen van belangen of activa die bij de uitoefening van hun taken aanleiding zouden kunnen geven tot een belangenconflict. Daartoe moeten het personeel, de leden van het besluitvormingsorgaan en het management van de NMA's jaarlijks een verbintenisverklaring en een belangenverklaring afleggen, waarin zij directe of indirecte belangen vermelden die kunnen worden geacht afbreuk te doen aan hun onafhankelijkheid en die van invloed kunnen zijn op hun functioneren. Zij moeten het besluitvormingsorgaan, de andere leden daarvan of, in het geval van NMA's waar de besluitvormingsbevoegdheid bij één persoon berust, het tot aanstelling bevoegde gezag ervan in kennis stellen wanneer zij bij de uitvoering van hun taken moeten beslissen over aangelegenheden waarin zij belang hebben en die hun onpartijdigheid in het gedrang zouden kunnen brengen.

Amendement    8

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 18 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(18 bis)  NMA's zullen onafhankelijker worden als zij de hun toegewezen begrotingsmiddelen op onafhankelijke wijze kunnen beheren. Deze vrijheid ten aanzien van het beheer van de toegewezen begrotingsmiddelen moet worden uitgeoefend in het kader van de nationale begrotingsregels en -procedures.

Amendement    9

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 21

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(21)  De onderzoeksbevoegdheden van nationale administratieve mededingingsautoriteiten moeten afdoende zijn om opgewassen te zijn tegen de uitdagen die de digitale omgeving meebrengt. Zij moeten de nationale mededingingsautoriteiten in staat stellen om alle informatie in elektronische vorm te verkrijgen, met inbegrip van forensische gegevens, die verband houden met de onderzochte onderneming of ondernemersvereniging, ongeacht het medium waarop deze zijn opgeslagen, zoals laptops, mobiele telefoons en andere mobiele apparatuur.

(21)  De onderzoeksbevoegdheden van nationale administratieve mededingingsautoriteiten moeten afdoende zijn om opgewassen te zijn tegen de uitdagen die de digitale omgeving meebrengt. Zij moeten de nationale mededingingsautoriteiten in staat stellen om alle informatie in elektronische vorm te verkrijgen, met inbegrip van forensische gegevens, die verband houden met de onderzochte onderneming of ondernemersvereniging, ongeacht het medium waarop deze zijn opgeslagen, zoals laptops, mobiele telefoons, andere mobiele apparatuur en cloudopslag.

Amendement    10

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 1 – punt 9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(9)  geheim kartel: overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen tussen twee of meer concurrenten met als doel hun concurrerend handelen op de markt te coördineren en/of de relevante mededingingsparameters te beïnvloeden via praktijken zoals het afspreken van aan- of verkoopprijzen of andere contractuele voorwaarden, de toewijzing van productie- of verkoopquota, de verdeling van markten (met inbegrip van offertevervalsing), het beperken van importen of exporten, en/of concurrentieverstorende maatregelen tegen andere concurrenten die niet geheel of gedeeltelijk gekend zijn, tenzij door de deelnemers;

(9)  kartel: een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging tussen twee of meer concurrenten met als doel hun concurrentiegedrag op de markt te coördineren of de relevante mededingingsparameters te beïnvloeden via praktijken zoals onder meer, doch niet uitsluitend, het afspreken of coördineren van aan- of verkoopprijzen of andere contractuele voorwaarden, onder meer met betrekking tot intellectuele-eigendomsrechten, de toewijzing van productie- of verkoopquota, de verdeling van markten en klanten, met inbegrip van offertevervalsing, het beperken van importen of exporten of mededingingsverstorende maatregelen tegen andere concurrenten;

(De wijziging van de gedefinieerde term dient in de hele tekst te worden doorgevoerd.)

Amendement    11

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De uitoefening door nationale mededingingsautoriteiten van de bevoegdheden waarnaar in deze richtlijn wordt verwezen, is gekoppeld aan passende waarborgen, waaronder de eerbiediging van het recht van de verdediging van ondernemingen en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, in overeenstemming met de algemene beginselen van het Unierecht en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

De uitoefening door nationale mededingingsautoriteiten van de bevoegdheden waarnaar in deze richtlijn wordt verwezen, is gekoppeld aan passende waarborgen, waaronder de eerbiediging van het recht van de verdediging van ondernemingen, het recht op goed bestuur, het recht op een eerlijk proces en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, in overeenstemming met de algemene beginselen van het Unierecht en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Amendement    12

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 2 – letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

a)  het personeel en de leden van het besluitvormingsorgaan van nationale administratieve mededingingsautoriteiten voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU hun taken kunnen uitvoeren en hun bevoegdheden kunnen uitoefenen zonder politieke of andere externe inmenging;

a)  de directeur, het personeel en de leden van het besluitvormingsorgaan van nationale administratieve mededingingsautoriteiten voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU hun taken kunnen uitvoeren en hun bevoegdheden kunnen uitoefenen zonder politieke of andere externe inmenging;

Amendement    13

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 2 – letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

b)  het personeel en de leden van het besluitvormingsorgaan van nationale administratieve mededingingsautoriteiten bij de uitvoering van hun taken en de uitoefening van hun bevoegdheden voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU geen instructies van overheidsinstanties of andere publieke of private entiteiten vragen of aanvaarden;

b)  de directeur, het personeel en de leden van het besluitvormingsorgaan van nationale administratieve mededingingsautoriteiten bij de uitvoering van hun taken en de uitoefening van hun bevoegdheden voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU geen instructies van overheidsinstanties of andere publieke of private entiteiten vragen of aanvaarden;

Amendement    14

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 2 – letter c

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

c)  het personeel en de leden van het besluitvormingsorgaan van nationale administratieve mededingingsautoriteiten zich onthouden van elk optreden dat niet verenigbaar is met de uitvoering van hun taken en de uitoefening van hun bevoegdheden voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU;

c)  de directeur, het personeel, de leden van het besluitvormingsorgaan en het management van nationale administratieve mededingingsautoriteiten zich onthouden van elk optreden dat niet verenigbaar is met de uitvoering van hun taken en de uitoefening van hun bevoegdheden voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU. Die verplichting houdt met name in dat zij tijdens hun dienst en tijdens hun ambtstermijn geen belang hebben in ondernemingen of organisaties die te maken hebben met een nationale administratieve mededingingsautoriteit in die mate dat dit belang hun onafhankelijkheid in het gedrang kan brengen;

Motivering

De rapporteur beoogt de onpartijdigheid van het personeel en de leden van de NMA te versterken.

Amendement    15

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 2 – letter c bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

c bis)  het personeel, de leden van het besluitvormingsorgaan en het management van de nationale administratieve mededingingsautoriteiten doen aangifte van belangen of activa die bij de uitoefening van hun taken aanleiding zouden kunnen geven tot een belangenconflict. Daartoe leggen het personeel, de leden van het besluitvormingsorgaan en het management van de nationale administratieve mededingingsautoriteiten jaarlijks een verbintenisverklaring en een belangenverklaring af, waarin zij directe of indirecte belangen vermelden die kunnen worden geacht afbreuk te doen aan hun onafhankelijkheid en die van invloed kunnen zijn op hun functioneren;

Motivering

De rapporteur beoogt de NMA's onafhankelijker te maken van politieke of commerciële beïnvloeding. Soortgelijke bepalingen bestaan al in sectorspecifieke regelgeving, bijvoorbeeld voor toezichthoudende instanties in de spoorwegsector (Richtlijn 2012/34/EU, artikel 55).

Amendement    16

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 2 – letter d

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

d)  het personeel en de leden van het besluitvormingsorgaan van nationale administratieve mededingingsautoriteiten enkel kunnen worden ontslagen wanneer zij niet langer voldoen aan de voorwaarden voor de uitvoering van hun taken of zich volgens het nationale recht schuldig gemaakt hebben aan ernstig wangedrag. De redenen voor ontslag moeten vooraf in nationaal recht zijn vastgesteld. Zij mogen niet worden ontslagen om redenen die verband houden met de behoorlijke uitvoering van hun taken en uitoefening van hun in artikel 5, lid 2, bepaalde bevoegdheden voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU;

d)  de directeur en de leden van het besluitvormingsorgaan van nationale administratieve mededingingsautoriteiten enkel kunnen worden ontslagen wanneer zij niet langer voldoen aan de voorwaarden voor de uitvoering van hun taken of volgens het nationale recht schuldig zijn bevonden aan ernstig wangedrag. De redenen voor ontslag moeten vooraf in nationaal recht zijn vastgesteld. Zij mogen niet worden ontslagen om redenen die verband houden met de behoorlijke uitvoering van hun taken en uitoefening van hun in artikel 5, lid 2, van deze richtlijn bepaalde bevoegdheden voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU;

Amendement    17

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 2 – letter e bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

e bis)  De leden van het besluitvormend orgaan van de nationale administratieve mededingingsautoriteiten worden geselecteerd en benoemd op grond van vooraf vastgestelde, duidelijke en transparante regels en procedures.

Motivering

De rapporteur beoogt de NMA's onafhankelijker te maken van politieke of commerciële beïnvloeding. Soortgelijke bepalingen bestaan al in sectorspecifieke regelgeving, bijvoorbeeld voor toezichthoudende instanties in de spoorwegsector (Richtlijn 2012/34/EU, artikel 55).

Amendement    18

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 5 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  De lidstaten zien erop toe dat de nationale mededingingsautoriteiten de personele, financiële en technische middelen hebben die nodig zijn voor de doeltreffende uitvoering van hun taken en uitoefening van hun bevoegdheden voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU als bepaald in lid 2.

1.  De lidstaten zien erop toe dat de nationale mededingingsautoriteiten de personele, financiële en technische middelen hebben die nodig zijn voor de doeltreffende en onafhankelijke uitvoering van hun taken en uitoefening van hun bevoegdheden voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU als bepaald in lid 2.

Amendement    19

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 5 – lid 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 bis.  De lidstaten zien erop toe dat de nationale mededingingsautoriteiten aparte begrotingstoewijzingen hebben en dat zij, met inachtneming van de nationale begrotingsregels, de hun toegewezen begroting onafhankelijk kunnen beheren, zodat zij kunnen besluiten welke prioriteiten zij willen stellen voor het onderzoeken van specifieke gevallen.

Motivering

Als de NMA's het recht krijgen om hun financiële middelen zelf tussen verschillende zaken te verdelen, zullen ze flexibel en onafhankelijk kunnen kiezen welke zaken meer aandacht verdienen. Voor sommige NMA's kan dit een aanzienlijke verbetering zijn wat betreft hun onafhankelijkheid.

Amendement    20

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 6 – lid 1 – letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

b)  de boeken en alle andere bescheiden in verband met het bedrijf te controleren, ongeacht het medium waarop deze zijn opgeslagen, met inbegrip van het recht op toegang tot informatie die toegankelijk is voor de geïnspecteerde entiteit;

b)  de boeken en alle andere bescheiden in verband met het bedrijf te controleren, ongeacht het medium waarop deze zijn opgeslagen, zoals laptops, mobiele apparatuur en cloudopslag, met inbegrip van het recht op toegang tot informatie die toegankelijk is voor de geïnspecteerde entiteit;

Motivering

De rapporteur beoogt het voorstel aan te passen aan het digitale tijdperk en de NMA's in staat te stellen betere toegang te krijgen tot relevante media. Informatie over kartels staat zelden op papier, maar is veeleer in elektronische correspondentie te vinden.

Amendement    21

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 8 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten zien erop toe dat nationale administratieve mededingingsautoriteiten bij besluit binnen een bepaald tijdsbestek van ondernemingen en ondernemersverenigingen alle informatie kunnen verlangen die noodzakelijk is voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU. Deze verplichting is van toepassing op informatie die toegankelijk is voor de onderneming en de ondernemersvereniging.

De lidstaten zien erop toe dat nationale administratieve mededingingsautoriteiten binnen een bepaald tijdsbestek van ondernemingen en ondernemersverenigingen alle informatie kunnen verlangen die noodzakelijk is voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU. Deze verplichting is van toepassing op informatie die toegankelijk is voor de onderneming en de ondernemersvereniging.

Motivering

De rapporteur beoogt het voor de NMA's makkelijker te maken om informatie te verzoeken, hun meer flexibiliteit te bieden en de procedures te bespoedigen.

Amendement    22

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 12 – lid 2 – letter d

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

d)  zij onjuiste, onvolledige of misleidende informatie verstrekken als antwoord op een verzoek bij besluit als bedoeld in artikel 8 of geen informatie verstrekken binnen de gestelde termijn;

d)  zij onjuiste, onvolledige of misleidende informatie verstrekken als antwoord op een verzoek als bedoeld in artikel 8 of geen informatie verstrekken binnen de gestelde termijn;

Motivering

De rapporteur beoogt het voor de NMA's makkelijker te maken om informatie te verzoeken, hun meer flexibiliteit te bieden en de procedures te bespoedigen.

Amendement    23

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 14 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  De lidstaten zien erop toe dat het maximumbedrag van de geldboete welke een nationale mededingingsautoriteit kan opleggen aan elke onderneming of ondernemersvereniging die deelneemt aan een inbreuk op de artikelen 101 of 102 VWEU, niet wordt vastgesteld op een niveau dat lager is dan 10 % van haar totale wereldwijde omzet in het boekjaar dat aan het besluit voorafgaat.

1.  De lidstaten zien erop toe dat een nationale mededingingsautoriteit aan elke onderneming of ondernemersvereniging die deelneemt aan een inbreuk op de artikelen 101 of 102 VWEU, een maximale boete kan opleggen van niet minder dan 10 % van haar totale wereldwijde omzet in het boekjaar dat aan het besluit voorafgaat.

Motivering

Bepalingen tot vaststelling van minimale maximumboetes zijn gebruikelijk in EU-wetgeving inzake justitie en binnenlandse zaken. Deze bewoording komt overeen met die van artikel 5 van het kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding.

Amendement    24

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 14 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  Wanneer de inbreuk van een ondernemersvereniging betrekking heeft op de activiteiten van haar leden, bedraagt het maximumbedrag van de geldboete ten minste 10 % van de som van de totale wereldwijde omzet van elk lid dat actief is op de markt die de gevolgen van de inbreuk van de vereniging ondervindt. De financiële aansprakelijkheid van elke onderneming met betrekking tot de betaling van de geldboete bedraagt echter niet meer dan het overeenkomstig het eerste lid bepaalde maximumbedrag.

2.  Wanneer de inbreuk van een ondernemersvereniging betrekking heeft op de activiteiten van haar leden, bedraagt het maximumbedrag van de geldboete niet minder dan 10 % van de som van de totale wereldwijde omzet van elk lid dat actief is op de markt die de gevolgen van de inbreuk van de vereniging ondervindt. De financiële aansprakelijkheid van elke onderneming met betrekking tot de betaling van de geldboete bedraagt echter niet meer dan het overeenkomstig het eerste lid bepaalde maximumbedrag.

Motivering

Bepalingen tot vaststelling van minimale maximumboetes zijn gebruikelijk in EU-wetgeving inzake justitie en binnenlandse zaken. Deze bewoording komt overeen met die van artikel 5 van het kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding.

Amendement    25

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 19 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten zien erop toe dat verzoekers de mogelijkheid hebben een schriftelijk clementieverzoek in te dienen, en dat nationale mededingingsautoriteiten beschikken over systemen voor het aanvaarden van clementieverklaringen, hetzij mondeling, hetzij op een andere manier die geen aanleiding geeft tot de overlegging van documenten, informatie of andere materialen die de verzoeker bezit, bewaart of controleert.

De lidstaten zien erop toe dat verzoekers de mogelijkheid hebben een schriftelijk clementieverzoek in te dienen, en dat nationale mededingingsautoriteiten beschikken over systemen voor het aanvaarden van clementieverklaringen, hetzij mondeling, hetzij op een andere manier die geen aanleiding geeft tot de overlegging van documenten, informatie of andere materialen die de verzoeker bezit, bewaart of controleert. De lidstaten staan de nationale mededingingsautoriteiten toe volledige clementieverzoeken en beknopte verzoeken in een andere officiële taal van de Unie te accepteren naast de officiële taal of talen van de lidstaat van de nationale mededingingsautoriteit.

Motivering

De rapporteur beoogt ondernemingen een extra stimulans te geven om een clementieverzoek in te dienen door de kosten voor het vertalen van clementieverzoeken waar mogelijk te verlagen.

Amendement    26

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 21 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  De lidstaten zien erop toe dat verzoekers die in verband met een beweerd geheim kartel bij de Commissie om clementie hebben verzocht, hetzij door een marker aan te vragen, hetzij door een volledig verzoek in te dienen, over hetzelfde kartel beknopte verzoeken kunnen indienen bij de nationale mededingingsautoriteiten die de verzoeker geschikt acht om de zaak in behandeling te nemen.

1.  De lidstaten zien erop toe dat verzoekers die in verband met een beweerd kartel bij de Commissie om clementie hebben verzocht, hetzij door een marker aan te vragen, hetzij door een volledig verzoek in te dienen, over hetzelfde kartel beknopte verzoeken kunnen indienen bij de nationale mededingingsautoriteiten die de verzoeker geschikt acht om de zaak in behandeling te nemen.

Amendement    27

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 22 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten zien erop toe dat de huidige en de voormalige werknemers en directeuren van verzoekers om immuniteit tegen geldboeten van mededingingsautoriteiten worden beschermd tegen strafrechtelijke en administratieve sancties van overheidsinstanties en tegen sancties opgelegd in andere dan strafrechtelijke procedures wegens hun betrokkenheid bij het geheime kartel waarop het verzoek betrekking heeft, wanneer deze werknemers en directeuren actief met de betrokken mededingingsautoriteiten samenwerken en het immuniteitsverzoek dateert van voor de aanvang van de strafrechtelijke procedure.

De lidstaten zien erop toe dat de huidige en de voormalige werknemers en directeuren van verzoekers om immuniteit tegen geldboeten van mededingingsautoriteiten worden beschermd tegen strafrechtelijke en administratieve sancties van overheidsinstanties en tegen sancties opgelegd in andere dan strafrechtelijke procedures wegens hun betrokkenheid bij het geheime kartel waarop het verzoek betrekking heeft, wanneer deze werknemers en directeuren actief met de betrokken mededingingsautoriteiten samenwerken en het immuniteitsverzoek dateert van vóór het moment waarop de werknemers en directeuren door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten in kennis zijn gesteld van de strafrechtelijke procedure.

Motivering

Als de clementiebepaling in de richtlijn te ruim is, zou dat het afschrikkingseffect van sancties kunnen wegnemen.

Amendement    28

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 25 – lid 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

5.  De aangezochte autoriteit is niet verplicht besluiten op grond van het eerste lid te handhaven indien dit kennelijk in strijd zou zijn met de openbare orde van de lidstaat waar om handhaving is verzocht.

5.  De aangezochte autoriteit handhaaft besluiten op grond van het eerste lid, tenzij deze redelijke gronden kan aanvoeren aan de nationale mededingingsautoriteiten waaruit blijkt dat dit kennelijk in strijd zou zijn met de openbare orde van de lidstaat waar om handhaving is verzocht.

Amendement    29

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 26 bis

 

Kostenverdeling tussen nationale mededingingsautoriteiten

 

De lidstaten zien erop toe dat de verzoekende autoriteit, op verzoek van de aangezochte autoriteit:

 

a)  met betrekking tot maatregelen op grond van de artikelen 23 en 24, alle redelijke extra kosten draagt, met inbegrip van de vertalingen en administratieve kosten;

 

b)  met betrekking tot overeenkomstig artikel 25 ondernomen stappen, de aangezochte autoriteit toestaat​alle redelijke administratieve kosten te verhalen op een geïnde boete of dwangsom.

Amendement    30

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 27 – lid 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis.  De Commissie ziet erop toe dat de kennisgeving van de aanvang van de eerste formele onderzoeksmaatregel, zoals ontvangen van een nationale mededingingsautoriteit krachtens artikel 11, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1/2003, ter beschikking wordt gesteld van de mededingingsautoriteiten van de andere lidstaten binnen het European Competition Network System.

Amendement    31

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 29 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  Informatie die op basis van de bepalingen van deze richtlijn is verzameld, kan enkel worden gebruikt voor het doel waarvoor die was verzameld. Zij mag niet worden gebruikt als bewijs om natuurlijke personen sancties op te leggen.

1.  Informatie die op basis van de bepalingen van deze richtlijn is verzameld, kan enkel worden gebruikt voor het doel waarvoor die was verzameld. Zij mag niet worden gebruikt als bewijs om natuurlijke personen sancties op te leggen. Wanneer de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een persoon in het geding is, mag de mededingingsautoriteit gegevens uit het dossier over de zaak doorgeven aan de rechtbank of de openbare aanklager.

PROCEDURE VAN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Titel

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot toekenning van bevoegdheden aan de mededingingsautoriteiten van de lidstaten voor een doeltreffendere handhaving en ter waarborging van de goede werking van de interne markt

Document- en procedurenummers

COM(2017)0142 – C8-0119/2017 – 2017/0063(COD)

Bevoegde commissie

       Datum bekendmaking

ECON

26.4.2017

 

 

 

Advies uitgebracht door

       Datum bekendmaking

IMCO

26.4.2017

Rapporteur voor advies

       Datum benoeming

Eva Maydell

25.4.2017

Behandeling in de commissie

4.9.2017

11.10.2017

20.11.2017

 

Datum goedkeuring

21.11.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

34

0

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Pascal Arimont, Dita Charanzová, Carlos Coelho, Sergio Gaetano Cofferati, Lara Comi, Anna Maria Corazza Bildt, Daniel Dalton, Nicola Danti, Dennis de Jong, Maria Grapini, Sergio Gutiérrez Prieto, Liisa Jaakonsaari, Philippe Juvin, Antonio López-Istúriz White, Eva Maydell, Marlene Mizzi, Nosheena Mobarik, Virginie Rozière, Christel Schaldemose, Andreas Schwab, Olga Sehnalová, Jasenko Selimovic, Igor Šoltes, Ivan Štefanec, Catherine Stihler, Richard Sulík, Róża Gräfin von Thun und Hohenstein, Mylène Troszczynski, Mihai Ţurcanu, Anneleen Van Bossuyt, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Kaja Kallas, Arndt Kohn

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Heidi Hautala, Jaromír Štětina

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

34

+

ALDE

ECR

ENF

GUE/NGL

PPE

 

 

S&D

 

 

Verts/ALE

Dita Charanzová, Kaja Kallas, Jasenko Selimovic

Daniel Dalton, Nosheena Mobarik, Richard Sulík, Anneleen Van Bossuyt

Mylène Troszczynski

Dennis de Jong

Pascal Arimont, Carlos Coelho, Lara Comi, Anna Maria Corazza Bildt, Philippe Juvin, Antonio López-Istúriz White, Eva Maydell, Andreas Schwab, Ivan Štefanec, Jaromír Štětina, Róża Gräfin von Thun und Hohenstein, Mihai Ţurcanu

Sergio Gaetano Cofferati, Nicola Danti, Maria Grapini, Sergio Gutiérrez Prieto, Liisa Jaakonsaari, Arndt Kohn, Marlene Mizzi, Virginie Rozière, Christel Schaldemose, Olga Sehnalová, Catherine Stihler

Heidi Hautala, Igor Šoltes

0

-

 

 

1

0

EFDD

Marco Zullo

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Titel

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot toekenning van bevoegdheden aan de mededingingsautoriteiten van de lidstaten voor een doeltreffendere handhaving en ter waarborging van de goede werking van de interne markt

Document- en procedurenummers

COM(2017)0142 – C8-0119/2017 – 2017/0063(COD)

Datum indiening bij EP

23.3.2017

 

 

 

Bevoegde commissie

       Datum bekendmaking

ECON

26.4.2017

 

 

 

Adviserende commissies

       Datum bekendmaking

ITRE

26.4.2017

IMCO

26.4.2017

JURI

26.4.2017

 

Geen advies

       Datum besluit

ITRE

25.4.2017

JURI

12.4.2017

 

 

Rapporteurs

       Datum benoeming

Andreas Schwab

21.3.2017

 

 

 

Behandeling in de commissie

11.7.2017

9.10.2017

21.11.2017

 

Datum goedkeuring

27.2.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

48

5

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Burkhard Balz, Hugues Bayet, Pervenche Berès, Udo Bullmann, David Coburn, Esther de Lange, Markus Ferber, Jonás Fernández, Neena Gill, Roberto Gualtieri, Brian Hayes, Gunnar Hökmark, Danuta Maria Hübner, Cătălin Sorin Ivan, Petr Ježek, Wolf Klinz, Georgios Kyrtsos, Philippe Lamberts, Werner Langen, Bernd Lucke, Olle Ludvigsson, Gabriel Mato, Costas Mavrides, Bernard Monot, Caroline Nagtegaal, Luděk Niedermayer, Stanisław Ożóg, Dimitrios Papadimoulis, Dariusz Rosati, Pirkko Ruohonen-Lerner, Anne Sander, Alfred Sant, Molly Scott Cato, Pedro Silva Pereira, Theodor Dumitru Stolojan, Kay Swinburne, Tibor Szanyi, Ramon Tremosa i Balcells, Ernest Urtasun, Marco Valli, Tom Vandenkendelaere, Jakob von Weizsäcker

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Enrique Calvet Chambon, Jan Keller, Verónica Lope Fontagné, Paloma López Bermejo, Thomas Mann, Michel Reimon, Andreas Schwab, Romana Tomc, Miguel Urbán Crespo, Roberts Zīle

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Zbigniew Kuźmiuk, Edouard Martin

Datum indiening

6.3.2018


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

48

+

ALDE

Enrique Calvet Chambon, Petr Ježek, Wolf Klinz, Caroline Nagtegaal, Ramon Tremosa i Balcells

ECR

Zbigniew Kuźmiuk, Bernd Lucke, Stanisław Ożóg, Pirkko Ruohonen-Lerner, Kay Swinburne, Roberts Zīle

PPE

Burkhard Balz, Markus Ferber, Brian Hayes, Gunnar Hökmark, Danuta Maria Hübner, Georgios Kyrtsos, Werner Langen, Verónica Lope Fontagné, Thomas Mann, Gabriel Mato, Luděk Niedermayer, Dariusz Rosati, Anne Sander, Andreas Schwab, Theodor Dumitru Stolojan, Romana Tomc, Tom Vandenkendelaere, Esther de Lange

S&D

Hugues Bayet, Pervenche Berès, Udo Bullmann, Jonás Fernández, Neena Gill, Roberto Gualtieri, Cătălin Sorin Ivan, Jan Keller, Olle Ludvigsson, Edouard Martin, Costas Mavrides, Alfred Sant, Pedro Silva Pereira, Tibor Szanyi, Jakob von Weizsäcker

Verts/ALE

Philippe Lamberts, Michel Reimon, Molly Scott Cato, Ernest Urtasun

5

-

EFDD

David Coburn

ENF

Bernard Monot

GUE/ NGL

Paloma López Bermejo, Dimitrios Papadimoulis, Miguel Urbán Crespo

1

0

EFDD

Marco Valli

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 19 maart 2018Juridische mededeling