Procedure : 2017/2170(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0087/2018

Ingediende teksten :

A8-0087/2018

Debatten :

PV 18/04/2018 - 10
CRE 18/04/2018 - 10

Stemmingen :

PV 18/04/2018 - 12.42

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0147

VERSLAG     
PDF 308kWORD 59k
23.3.2018
PE 613.467v02-00 A8-0087/2018

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2016

(2017/2170(DEC))

Commissie begrotingscontrole

Rapporteur: Bart Staes

1. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

1. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2016

(2017/2170(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2016,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2016, vergezeld van het antwoord van het Instituut(1),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(2) voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 februari 2018 over de aan het Instituut te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016 (05941/2018 – C8-0080/2018),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(3), en met name artikel 208,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1922/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot oprichting van een Europees Instituut voor gendergelijkheid(4), en met name artikel 15,

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(5), en met name artikel 108,

–  gezien artikel 94 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0087/2018),

1.  verleent de directeur van het Europees Instituut voor gendergelijkheid kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Instituut voor het begrotingsjaar 2016;

2.  formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de directeur van het Europees Instituut voor gendergelijkheid, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

2. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de afsluiting van de rekeningen van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2016

(2017/2170(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2016,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2016, vergezeld van het antwoord van het Instituut(6),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(7) voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 februari 2018 over de aan het Instituut te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016 (05941/2018 – C8-0080/2018),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(8), en met name artikel 208,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1922/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot oprichting van een Europees Instituut voor gendergelijkheid(9), en met name artikel 15,

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(10), en met name artikel 108,

–  gezien artikel 94 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0087/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2016;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de directeur van het Europees Instituut voor gendergelijkheid, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

3. ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2016

(2017/2170(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2016,

–  gezien artikel 94 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0087/2018),

A.  overwegende dat de kwijtingsautoriteit in het kader van de kwijtingsprocedure de nadruk legt op het bijzonder belang van het verder versterken van de democratische legitimiteit van de instellingen van de Unie door de transparantie en de verantwoordingsplicht te vergroten, en het uitvoeren van het concept van resultaatgericht begroten en een goed personeelsbeheer;

B.  overwegende dat volgens zijn staat van ontvangsten en uitgaven(11) de definitieve begroting van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (hierna: "het Instituut") voor het begrotingsjaar 2016 in totaal 7 628 000 EUR bedroeg, hetgeen een toename van 3,15 % ten opzichte van 2015 betekent; overwegende dat de begroting van het Instituut voornamelijk wordt gefinancierd met middelen van de begroting van de Unie;

C.  overwegende dat de Rekenkamer in haar verslag over de jaarrekening van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2016 (hierna "het verslag van de Rekenkamer") verklaard heeft redelijke zekerheid te hebben gekregen dat de jaarrekening van het Instituut betrouwbaar is en de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn;

D.  overwegende dat gendergelijkheid een van de fundamentele waarden van de Unie is en dat de Unie zich ertoe heeft verbonden gendermainstreaming in al haar optreden te bevorderen, zoals is neergelegd in artikel 8 VWEU;

E.  overwegende dat genderbewust budgetteren deel uitmaakt van de gendermainstreamingstrategie;

Financieel en begrotingsbeheer

1.  stelt vast dat de inspanningen op het gebied van begrotingstoezicht in het begrotingsjaar 2016 hebben geresulteerd in een hoog uitvoeringspercentage van de begroting, namelijk 98,42 %, waaruit blijkt dat de vastleggingen tijdig werden verricht en dat er sprake is van een lichte daling van 0,13 % ten opzichte van 2015; merkt bovendien op dat in 2016 het uitvoeringspercentage van de betalingskredieten 72,83 % was, wat een stijging van 5,19 % ten opzichte van het voorgaande jaar betekent;

Vastleggingen en overdrachten

2.  merkt op dat het niveau van de overgedragen vastgelegde kredieten volgens het verslag van de Rekenkamer hoog bleef voor titel III (operationele uitgaven), namelijk 1 700 000 EUR ofwel 51 % (ten opzichte van 2 200 000 EUR ofwel 60 % in 2015), voornamelijk in verband met studies die doorlopen tot in het volgende jaar; merkt op dat het Instituut eventueel kan overwegen om gesplitste begrotingskredieten in te voeren om het meerjarige karakter van de activiteiten en het onvermijdelijke tijdsverloop tussen de ondertekening van een contract, de levering en de betaling beter weer te geven; merkt op dat het Instituut een haalbaarheidsanalyse zal uitvoeren om na te gaan of het in de toekomst zal beslissen al dan niet te werken met gesplitste begrotingskredieten;

3.  wijst erop dat overdrachten vaak gedeeltelijk of geheel zijn gerechtvaardigd als gevolg van het meerjarige karakter van de operationele programma's van de agentschappen en niet noodzakelijkerwijs op zwakke punten wijzen in de planning en tenuitvoerlegging van de begroting, en niet altijd strijdig zijn met het begrotingsbeginsel van jaarperiodiciteit, vooral niet als ze van tevoren door het Instituut zijn gepland en aan de Rekenkamer zijn meegedeeld;

Aanbestedingen

4.  merkt op dat het Instituut volgens het verslag van de Rekenkamer in 2016 een openbare aanbesteding uitschreef voor een kaderovereenkomst betreffende het onderhoud en de actualisering van zijn instrumenten en hulpmiddelen op het gebied van genderstatistieken voor een maximumbedrag van 1 600 000 EUR; wijst er bovendien op dat de aanbesteding werd gesplitst in twee percelen zonder dat de bedragen per perceel werden gespecificeerd; wijst erop dat het Instituut naar aanleiding van een vraag van één inschrijver op zijn website heeft verduidelijkt dat het maximumbedrag per perceel op 800 000 EUR werd geschat; stelt vast dat het volgens het Instituut om een administratieve fout ging, die ervoor heeft gezorgd dat het genoemde bedrag niet werd aangepast, en dat er geen gevolgen voor de begroting waren; stelt voorts met spijt vast dat de prijsconcurrentie in de aanbesteding volgens het verslag van de Rekenkamer slechts gebaseerd was op dagtarieven en niet tevens op de tijd die nodig was om de taken uit te voeren, zodat het niet mogelijk was voor het Instituut om de economisch voordeligste aanbiedingen te kiezen en de beste prijs-kwaliteitverhouding niet gegarandeerd was; stelt vast dat het Instituut de desbetreffende templates van de technische specificaties naar eigen zeggen heeft aangepast en dat het Instituut het risico gaat beperken door in toekomstige verzoeken om specifieke dienstverlening een maximumaantal werkdagen te vermelden;

Personeelsbeleid

5.  merkt op dat de bezettingsgraad van de personeelsformatie van het Instituut aan het eind van 2016 96 % bedroeg; maakt uit de personeelsformatie op dat op 31 december 2016 27 van de 28 in het kader van de begroting van de Unie toegestane posten bezet waren, tegenover 28 posten in 2015;

6.  betreurt dat er met betrekking tot het totale aantal op 31 december 2016 bezette posten geen genderevenwicht is bereikt, met een verhouding van 72 % vrouwen en 28 % mannen; wijst voorts op het gebrek aan genderevenwicht in de raad van bestuur, met een verhouding van 80 % ten opzichte van 20 %; dringt er bij het Instituut op aan te streven naar een personeelssamenstelling met een beter genderevenwicht;

7.  merkt op dat uit de screening is gebleken dat 76,3 % van alle personeelsleden operationele taken verricht, dat 14,8 % administratief ondersteunend werk verricht en dat 8,9 % een neutrale functie heeft;

8.  benadrukt dat het evenwicht tussen werk en privéleven deel moet uitmaken van het personeelsbeleid van het Instituut; benadrukt dat de begroting die is uitgegeven aan welzijnsactiviteiten 36 437 EUR bedroeg, wat overeenkomt met 2,25 dagen per personeelslid; stelt vast dat in 2016 het gemiddelde aantal ziektedagen per personeelslid 2,17 dagen bedroeg in het geval van niet door een medisch attest gerechtvaardigde ziektedagen, en 8,23 dagen in het geval van wel door een medisch attest gerechtvaardigde ziektedagen;

9.  herinnert eraan dat het Instituut in juni 2012 een besluit heeft goedgekeurd over psychisch geweld en seksuele intimidatie; steunt de reeks cursussen die is georganiseerd om het personeel sterker bewust te maken van de problematiek en stelt voor dat het Instituut regelmatig cursussen en informatiebijeenkomsten over dit onderwerp organiseert;

10.  merkt op dat er één artikel-90-procedure openstond met betrekking tot de beëindiging van een contract;

Preventie van en omgang met belangenconflicten, transparantie en democratie

11.  stelt met bezorgdheid vast dat het Instituut in 2016 zes uitzonderingen met financiële en procedurele afwijkingen noteerde, tegenover drie in het jaar daarvoor;

12.  stelt met voldoening vast dat er in 2016 geen fraudezaken zijn ontdekt;

13.  toont zich verheugd over de opleiding fraudepreventie die alle personeelsleden hebben gevolgd op 2 maart 2016, verzorgd door het hoofd van de administratie en de rekenplichtige, die hiervoor de nodige opleiding hadden gekregen van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF); stelt vast dat alle personeelsleden op 28 september 2016 een opleiding ethiek en integriteit hebben gevolgd;

14.  steunt de benoeming van twee personeelsleden – bij besluit nr. 117 van de directeur van 22 juni 2016 – tot contactpersonen voor het beleid inzake klokkenluiders van het Instituut;

15.  merkt op dat er een onafhankelijk onthullings-, advies- en verwijzingsorgaan met voldoende begrotingsmiddelen nodig is om klokkenluiders te helpen de juiste kanalen te gebruiken om hun informatie over mogelijke onregelmatigheden met betrekking tot de financiële belangen van de Unie te onthullen en tegelijkertijd hun geheimhouding te beschermen en de nodige ondersteuning en advies te bieden;

Belangrijkste verwezenlijkingen

16.  is verheugd over de volgende door het Instituut vermelde belangrijkste verwezenlijkingen van 2016:

–  het vergaren van bewijsmateriaal over de economische voordelen van gendergelijkheid voor economische groei en een stijging van de werkgelegenheid;

–  de ontwikkeling en invoering van een onlinetool om gendergelijkheid te bevorderen in organisaties die onderzoek uitvoeren (GEAR);

–  de ontwikkeling van uniforme definities voor de lidstaten van vormen van gendergerelateerd geweld en de totstandbrenging van een woordenlijst en thesaurus met termen;

17.  betreurt echter dat het Instituut geen ex-antebeoordelingen verricht van de beschikbare opties om doelstellingen te verwezenlijken;

Interne audit

18.  erkent dat er in 2016 aan 96 % van de aanbevelingen (ofwel 49 van de 51) van de dienst Interne Audit (IAS) gehoor is gegeven (tegenover 90 %, ofwel 46 van de 51, in 2015), waaronder de aanbevelingen over operationele processen ter ondersteuning van aanbestedingen in EIGE, het strategische interne-auditplan 2015-2017 van de IAS, de IAS-audit over het personeelsmanagement in het Instituut, de IAS-audit over begroting/uitvoering van de begroting, en de beperkte evaluatie door de IAS van de tenuitvoerlegging van de internecontrolenormen;

Interne controles

19.  stelt vast dat het Instituut een reeks internecontrolenormen heeft goedgekeurd, gebaseerd op goede praktijken in andere agentschappen van de Unie, met als doel de verwezenlijking van beleids- en operationele doelstellingen te waarborgen;

Overige opmerkingen

20.  stelt tevreden vast dat het Instituut in 2016 nauw heeft samengewerkt met zijn zusteragentschappen, de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Eurofound), het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) en het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk (EU-OSHA); merkt voorts op dat het Instituut mogelijke synergieën heeft besproken en zijn werkzaamheden heeft voorgesteld aan andere agentschappen zoals het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) en het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA); wijst op de deelname van het Instituut aan het door het FRA georganiseerde grondrechtenforum, als voorbeeld van een synergie, dat de gelegenheid bood om contacten te leggen met andere belangrijke belanghebbenden in het beleid;

21.  merkt op dat het Instituut volgens het verslag van de Rekenkamer in januari 2016 zijn externe evaluatie heeft gepubliceerd, waarvan de conclusie luidde dat de activiteiten van het Instituut overeenstemmen met zijn opdracht en dat het bestuur het relatief goed doet wat governance en efficiëntie betreft; merkt bovendien op dat de evaluatie verschillende aanbevelingen omvatte om de bedrijfsvoering van het Instituut te verbeteren, door bijvoorbeeld duidelijkere prioriteiten te stellen, gerichtere outputs te leveren, synergieën te ontwikkelen met relevante externe actoren en tevens door de rol van de raad van bestuur te versterken en de rol van het forum van deskundigen te verduidelijken; stelt vast dat het Instituut is begonnen met de uitvoering van een actieplan voor de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen; verzoekt het Instituut bij de kwijtingsautoriteit verslag uit te brengen over de uitvoering van dit actieplan;

22.  herinnert eraan dat het Instituut is opgericht om gendergelijkheid in de EU te helpen bevorderen en te versterken, onder meer door gendermainstreaming op te nemen in alle relevante beleidssectoren van de Unie en het daaruit voortvloeiende nationale beleid, om discriminatie op grond van geslacht te bestrijden en om de burgers van de Unie bewust te maken van gendergelijkheid; toont zich verheugd dat prioriteit wordt gegeven aan de werkzaamheden op enkele gebieden met hoogwaardige resultaten en hoge zichtbaarheid zonder gendermainstreaming uit het oog te verliezen;

23.  is blij met de lopende samenwerking tussen het Instituut en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid van het Parlement en toont zich verheugd over de bijdrage van het Instituut aan de aanhoudende inspanningen van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid; verzoekt om meer interactie tussen de wetgevings- en niet-wetgevingsprioriteiten van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het onderzoek van het Instituut, tevens rekening houdend met de gegevens van de gendergelijkheidsindex van het Instituut;

o

o o

24.  verwijst voor andere opmerkingen van horizontale aard bij het kwijtingsbesluit naar zijn resolutie van ... 2018(12) over het functioneren en het financiële beheer van en de controle op de agentschappen.

5.2.2018

ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid

aan de Commissie begrotingscontrole

inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2016

(2017/2170(DEC))

Rapporteur voor advies: Barbara Matera

SUGGESTIES

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat gendergelijkheid een van de grondbeginselen van de Unie is en dat de Unie zich ertoe heeft verplicht gendermainstreaming in al haar beleid te bevorderen, zoals is neergelegd in artikel 8 VWEU;

B.  overwegende dat genderbewust budgetteren deel uitmaakt van de gendermainstreamingstrategie;

1.  herinnert eraan dat het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) is opgericht om gendergelijkheid in de Unie te bevorderen, onder meer door gendermainstreaming op te nemen in alle relevante beleidssectoren van de Unie en het daaruit voortvloeiende nationale beleid, om discriminatie op grond van geslacht te bestrijden en om de burgers van de Unie bewust te maken van gendergelijkheid, en is verheugd dat voorrang wordt gegeven aan werkzaamheden op verschillende gebieden met kwalitatief hoogstaande resultaten en een grote zichtbaarheid, zonder de dimensie van gendermainstreaming uit het oog te verliezen;

2.  verwelkomt de lopende samenwerking tussen het EIGE en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en toont zich verheugd over de bijdrage van het EIGE aan de aanhoudende inspanningen van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid; verzoekt om meer interactie tussen de wetgevings- en niet-wetgevingsprioriteiten van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het onderzoek van het EIGE, tevens rekening houdend met de gegevens van de gendergelijkheidsindex van het EIGE;

3.  neemt kennis van het oordeel van de Rekenkamer dat de jaarrekening van het EIGE op alle materiële punten een getrouw beeld geeft van zijn financiële situatie per 31 december 2016 en van de resultaten van zijn verrichtingen, kasstromen en veranderingen van de nettoactiva in het op die datum afgesloten jaar, overeenkomstig de bepalingen van zijn financieel reglement en de door de rekenplichtige van de Commissie vastgestelde boekhoudregels;

4.  neemt kennis van het oordeel van de Rekenkamer dat de onderliggende ontvangsten en uitgaven bij de jaarrekening van het EIGE betreffende het op 31 december 2016 afgesloten begrotingsjaar op alle materiële punten wettig en regelmatig zijn;

5.  merkt op dat het niveau van de overdrachten voor titel III (beleidsuitgaven) met 51 % van de vastgelegde kredieten hoog is gebleven en dat deze overdrachten voornamelijk het gevolg waren van lopende studies die volgens de planning in 2016 zouden worden afgerond; wijst er evenwel op dat dit een verbetering is in vergelijking met het niveau van 61 % in 2015; verzoekt het EIGE te overwegen om gesplitste begrotingskredieten in te voeren die het meerjarige karakter van de activiteiten en onvermijdelijke vertragingen tussen de ondertekening van contracten, leveringen en betalingen beter weergeven;

6.  beveelt, op grond van de beschikbare feiten, aan om kwijting te verlenen aan de directeur van het EIGE voor de uitvoering van de begroting van het EIGE voor het begrotingsjaar 2016.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

24.1.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

29

1

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Daniela Aiuto, Maria Arena, Heinz K. Becker, Malin Björk, Vilija Blinkevičiūtė, Anna Maria Corazza Bildt, Iratxe García Pérez, Arne Gericke, Anna Hedh, Mary Honeyball, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Florent Marcellesi, Angelika Mlinar, Angelika Niebler, Maria Noichl, Marijana Petir, João Pimenta Lopes, Michaela Šojdrová, Ernest Urtasun, Ángela Vallina, Elissavet Vozemberg-Vrionidi

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Catherine Bearder, Izaskun Bilbao Barandica, Lívia Járóka, Urszula Krupa, Edouard Martin, Clare Moody, Monika Vana

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Artis Pabriks

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

29

+

ALDE

Catherine Bearder, Izaskun Bilbao Barandica, Angelika Mlinar

ECR

Urszula Krupa

EFDD

Daniela Aiuto

GUE/NGL

Malin Björk, João Pimenta Lopes, Ángela Vallina

PPE

Heinz K. Becker, Anna Maria Corazza Bildt, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Lívia Járóka, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Angelika Niebler, Artis Pabriks, Michaela Šojdrová, Elissavet Vozemberg-Vrionidi, Jarosław Wałęsa

S&D

Maria Arena, Vilija Blinkevičiūtė, Iratxe García Pérez, Anna Hedh, Mary Honeyball, Edouard Martin, Clare Moody, Maria Noichl

VERTS/ALE

Florent Marcellesi, Ernest Urtasun, Monika Vana

1

-

ECR

Arne Gericke

1

0

PPE

Marijana Petir

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

20.3.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

19

5

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Nedzhmi Ali, Inés Ayala Sender, Zigmantas Balčytis, Dennis de Jong, Tamás Deutsch, Martina Dlabajová, Raffaele Fitto, Ingeborg Gräßle, Cătălin Sorin Ivan, Jean-François Jalkh, Arndt Kohn, Notis Marias, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Petri Sarvamaa, Claudia Schmidt, Bart Staes, Indrek Tarand, Marco Valli, Derek Vaughan, Tomáš Zdechovský, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Karin Kadenbach, Julia Pitera, Miroslav Poche

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

19

+

ALDE

Nedzhmi Ali, Martina Dlabajová

PPE

Tamás Deutsch, Ingeborg Gräßle, Julia Pitera, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Petri Sarvamaa, Claudia Schmidt, Tomáš Zdechovský, Joachim Zeller

S&D

Inés Ayala Sender, Zigmantas Balčytis, Cătălin Sorin Ivan, Karin Kadenbach, Arndt Kohn, Miroslav Poche, Derek Vaughan

VERTS/ALE

Bart Staes, Indrek Tarand

5

-

ECR

Raffaele Fitto, Notis Marias

EFDD

Marco Valli

ENF

Jean-François Jalkh

GUE/NGL

Dennis de Jong

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

PB C 417 van 6.12.2017, blz. 120.

(2)

PB C 417 van 6.12.2017, blz. 120.

(3)

PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(4)

PB L 403 van 30.12.2006, blz. 9.

(5)

PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42.

(6)

PB C 417 van 6.12.2017, blz. 120.

(7)

PB C 417 van 6.12.2017, blz. 120.

(8)

PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(9)

PB L 403 van 30.12.2006, blz. 9.

(10)

PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42.

(11)

PB C 113 van 30.3.2016, blz. 126.

(12)

Aangenomen teksten van die datum, P8_TA-PROV(2018)0000.

Laatst bijgewerkt op: 28 maart 2018Juridische mededeling