Procedure : 2017/2137(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0105/2018

Ingediende teksten :

A8-0105/2018

Debatten :

PV 18/04/2018 - 10
CRE 18/04/2018 - 10

Stemmingen :

PV 18/04/2018 - 12.19

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0124

VERSLAG     
PDF 563kWORD 106k
26.3.2018
PE 612.130v01-00 A8-0105/2018

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling I – Europees Parlement

(2017/2137(DEC))

Commissie begrotingscontrole

Rapporteur: Derek Vaughan

1. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

1. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling I – Europees Parlement

(2017/2137(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016 (COM(2017)0365 – C8-0248/2017)(2),

–  gezien het verslag over het begrotings- en financieel beheer voor het begrotingsjaar 2016, afdeling I – Europees Parlement(3),

–  gezien het jaarverslag van de intern controleur voor het begrotingsjaar 2016,

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016, tezamen met de antwoorden van de instellingen(4),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(5) voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 314, lid 10, en artikel 318 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(6) van de Raad, en met name de artikelen 164, 165 en 166,

–  gezien het besluit van het Bureau van 16 juni 2014 over de interne voorschriften voor de uitvoering van de begroting(7) van het Europees Parlement, en met name artikel 22,

–  gezien artikel 94 en artikel 98, lid 3, van en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8‑0105/2018),

A.  overwegende dat de Voorzitter de jaarrekening van het Parlement voor het begrotingsjaar 2016 op 28 juni 2017 heeft goedgekeurd;

B.  overwegende dat de secretaris-generaal, als gedelegeerd hoofdordonnateur, op 10 juli 2017 heeft verklaard redelijke zekerheid te hebben dat de aan de begroting van het Parlement toegewezen middelen zijn gebruikt voor het beoogde doel en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer en dat de vastgestelde controleprocedures de nodige garanties bieden betreffende de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen;

C.  overwegende dat op grond van artikel 166, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 elke instelling van de Unie verplicht is alles in het werk te stellen om gevolg te geven aan de opmerkingen waarvan het kwijtingsbesluit van het Europees Parlement vergezeld gaat;

1.  verleent zijn Voorzitter kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2016;

2.  formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L‑serie).

2. ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling I – Europees Parlement

(2017/2137(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling I – Europees Parlement,

–  gezien artikel 94 en artikel 98, lid 3, van en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8‑0105/2018),

A.  overwegende dat de rekenplichtige van het Europees Parlement ("Parlement") in zijn certificering van de definitieve rekeningen heeft verklaard redelijke zekerheid te hebben dat deze, in alle materiële opzichten, een getrouw beeld geven van de vermogenspositie, de resultaten van de verrichtingen en de kasstromen van het Parlement;

B.  overwegende dat overeenkomstig de gebruikelijke procedure 141 vragen aan de administratie van het Parlement zijn gestuurd, en dat de schriftelijke antwoorden door de Commissie begrotingscontrole zijn ontvangen en in het openbaar zijn besproken in aanwezigheid van de voor begrotingsaangelegenheden verantwoordelijke ondervoorzitter, de secretaris-generaal en de intern controleur;

C.  overwegende dat er voortdurend verbetering mogelijk is op het gebied van kwaliteit, doeltreffendheid en doelmatigheid bij het beheer van overheidsfinanciën, en dat toezicht noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat het politiek leiderschap en de administratie van het Parlement verantwoording afleggen ten aanzien van burgers van de Unie;

Toezicht op het begrotings- en financieel beheer van het Parlement

1.  merkt op dat het formele toezicht op het begrotings- en financieel beheer van het Parlement bestaat uit vier hoofdonderdelen:

- de certificering van de definitieve rekeningen door de rekenplichtige van het Parlement;

- de jaarverslagen van de intern controleur en diens advies inzake het interne controlesysteem;

- de beoordeling van de administratieve en andere uitgaven van alle instellingen van de Unie, inclusief het Parlement, door zijn externe controleur, de Rekenkamer;

- de door de Commissie CONT voorbereide kwijtingsprocedure, die moet leiden tot het besluit tot verlening van kwijting aan de Voorzitter van het Parlement;

2.  is ingenomen met het feit dat de Rekenkamer de steekproef met betrekking tot het aantal verrichtingen van het Parlement heeft uitgebreid, en moedigt de Rekenkamer aan op deze manier verder te gaan, omdat het risico op reputatieschade relatief hoog is, aangezien financiële fouten en fouten in de begroting een negatief effect kunnen hebben op de reputatie van de instelling;

3.  dringt er bij de Rekenkamer op aan de publicatie van meer speciale verslagen over specifieke gebieden van de werkzaamheden van het Parlement, zoals het communicatie­beleid en het beheer van de subsidies voor Europese politieke partijen en stichtingen, in overweging te nemen met bijzondere aandacht voor prestatiegebonden budgettering;

4.  is ingenomen met de follow‑up door de administratie om de interne expertise op het gebied van boekhouding en controle te vergroten, door het opzetten van aanvullende diensten voor leden die betrokken zijn bij de kwijtingsprocedures met betrekking tot de instellingen van de Unie, en zodoende hulp en ondersteuning te bieden bij het begrijpen en interpreteren van de resultaten van de jaar- en controleverslagen;

Het begrotings- en financieel beheer van het Parlement

5.  stelt vast dat de definitieve kredieten van het Parlement voor 2016 in totaal 1 838 613 983 EUR beliepen, oftewel 19,39 % van rubriek V van het meerjarig financieel kader(8) (MFK) voor de administratieve uitgaven van de EU-instellingen als geheel in 2016, en een stijging met 2,4 % vertoonden ten opzichte van de begroting 2015 (1 794 929 112 EUR);

6.  stelt vast dat de totale per 31 december 2016 in de rekeningen opgenomen ontvangsten 183 381 513 EUR bedroegen (tegenover 176 367 724 EUR in 2015), met inbegrip van 30 589 787 EUR aan bestemmingsontvangsten (tegenover 27 988 590 EUR in 2015);

7.  benadrukt dat vier hoofdstukken 69,92 % van de totale vastleggingen uitmaken: hoofdstuk 10 (Leden van de instelling), hoofdstuk 12 (Ambtenaren en tijdelijke functionarissen), hoofdstuk 20 (Gebouwen en daarmee samenhangende kosten) en hoofdstuk 42 (Assistentie aan de leden), hetgeen getuigt van weinig flexibiliteit wat betreft het grootste deel van de uitgaven van het Parlement;

8.  neemt kennis van de onderstaande cijfers, op grond waarvan de rekeningen van het Parlement voor het begrotingsjaar 2016 werden gesloten:

(a) Beschikbare kredieten (EUR)

kredieten voor 2016:

1 838 613 983

niet-automatische overdrachten van het begrotingsjaar 2015:

-

automatische overdrachten van het begrotingsjaar 2015:

289 323 907

kredieten corresponderend met bestemmingsontvangsten voor 2016:

30 589 787

overdrachten corresponderend met bestemmingsontvangsten van 2015:

103 055 269

Totaal:

2 261 582 946

b) Besteding van de kredieten in het begrotingsjaar 2016 (EUR)

vastleggingen:

2 225 465 435

verrichte betalingen:

1 900 199 164

automatisch overgedragen kredieten, waaronder die afkomstig van bestemmingsontvangsten:

324 909 094

niet-automatisch overgedragen kredieten:

-

geannuleerde kredieten:

36 094 295

(c) Begrotingsontvangsten (EUR)

ontvangen in 2016:

183 381 513

(d) Totale balans op 31 december 2016 (EUR)

1 574 480 381

9.  wijst erop dat 99,2 % van de in de begroting van het Parlement opgenomen kredieten, in totaal 1 823 844 172 EUR, was vastgelegd, met een annuleringspercentage van 0,8 %; stelt met tevredenheid vast dat, net als in voorgaande jaren, een zeer groot deel van de begroting ten uitvoer is gelegd; stelt vast dat de betalingen in totaal 1 538 531 527 EUR beliepen, resulterend in een uitvoeringspercentage van 84,4 %, hetgeen een toename van 0,7 % vertegenwoordigt in vergelijking met het voorgaande jaar;

10.  benadrukt het feit dat de geannuleerde kredieten voor het begrotingsjaar 2016, in totaal 14 769 811 EUR, hoofdzakelijk bestemd waren voor bezoldiging en andere vorderingen, alsmede, wederom, voor uitgaven met betrekking tot gebouwen;

11.  stelt vast dat er in het begrotingsjaar 2016, zeven overschrijvingen zijn goedgekeurd overeenkomstig artikelen 27 en 46 van het Financieel Reglement, die in totaal 66 655 000 EUR bedroegen, oftewel 3,6 % van de definitieve kredieten; constateert bezorgd dat de meerderheid van dergelijke overschrijvingen wederom in verband stonden met het vastgoedbeleid van het Parlement en meer in het bijzonder met het Konrad Adenauer-project; is van mening dat de collectieve overschrijvingen nog steeds zeer hoog zijn; is ervan overtuigd dat een doeltreffend begrotingsbeheer dergelijke overschrijvingen tot een absoluut minimum kan beperken; wijst er uitdrukkelijk op dat het gebouwenbeleid van het Parlement duidelijk moet uitkomen als onderdeel van de begrotingsstrategie;

De adviezen van de Rekenkamer inzake de betrouwbaarheid van de jaarrekening 2016 en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen

12.  herinnert eraan dat de Rekenkamer de administratieve en andere uitgaven voor alle Europese instellingen als één beleidsgroep aan een specifieke beoordeling onderwerpt; wijst erop dat administratieve en aanverwante uitgaven bestaan uit uitgaven voor personele middelen (salarissen, toelagen en pensioenen), die 60 % van de totale administratieve uitgaven beslaan, en uitgaven voor gebouwen, uitrusting, energieverbruik, communicatie en informatietechnologie;

13.  herinnert eraan dat de controle bestond uit het onderzoeken van een representatieve steekproef van 100 betalingsverrichtingen, met inbegrip van een risicogerichte steekproef van 20 vastleggingen die zijn goedgekeurd tegen het eind van het begrotingsjaar 2016 en automatisch zijn overgedragen naar 2017, teneinde te controleren of de begroting wordt besteed overeenkomstig het jaarperiodiciteitsbeginsel;

14.  is het eens met de Rekenkamer dat de controle-informatie erop duidt dat de uitgaven voor "administratie" geen materieel foutenpercentage vertoonden; merkt op dat, op grond van de 12 gekwantificeerde fouten, het geschatte foutenpercentage aanwezig in rubriek 5 van het MFK inzake administratie, 0,2 % bedraagt (in vergelijking met 0,6 % in 2015);

Beheer van middelen door de politieke fracties

15.  herinnert eraan dat de politieke fracties verantwoording verschuldigd zijn aan het Parlement voor het beheer van de aan hen toegewezen middelen, binnen de grenzen van hun door het Bureau toegekende bevoegdheden; stelt met bezorgdheid vast dat de Rekenkamer tekortkomingen heeft geconstateerd in de controles van de goedkeuring en betaling van uitgaven met betrekking tot de fractie van Europa van Naties en Vrijheid (ENF) en dat er betalingen werden gedaan zonder dat deze werden gedekt door contracten die voortvloeiden uit een aanbestedingsprocedure; wijst op het feit dat de externe controleur "Ernst & Young" een oordeel met beperking heeft afgegeven; verzoekt het Bureau van het Parlement om passende maatregelen te nemen met betrekking tot de ENF-fractie, waaronder mogelijke terugbetaling;

16.  wijst op de specifieke bevindingen met betrekking tot het Parlement opgenomen in het jaarverslag van de Rekenkamer voor 2016; merkt op dat de Rekenkamer bij één betaling aan een fractie tekortkomingen heeft vastgesteld in de controles van de goedkeuring en betaling van de in 2015 gedane, maar in 2016 goedgekeurde uitgaven; merkt eveneens op dat de Rekenkamer constateerde dat er betalingen werden gedaan zonder dat deze vielen onder contracten die voortvloeiden uit een aanbestedingsprocedure; merkt ten slotte op dat de Rekenkamer vergelijkbare tekortkomingen constateerde in een transactie met betrekking tot een andere politieke fractie in 2015;

17.  wijst op de antwoorden van het Parlement aan de Rekenkamer tijdens de contradictoire procedure; verzoekt de Rekenkamer om de verantwoordelijke commissie op de hoogte te houden van haar aanbeveling teneinde het controlekader voor het monitoren van de uitvoering van aan politieke fracties toegewezen kredieten te herzien en doeltreffender toezicht te houden op hoe zij de regels voor het goedkeuren en betalen van uitgaven toepassen en hoe zij aanbestedingsprocedures uitvoeren;

18.  moedigt het secretariaat van het Parlement aan door te gaan met de aanvullende inspanningen om de politieke fracties te ondersteunen bij het verbeteren van hun intern financieel beheer en hen betere begeleiding te bieden; roept de fracties op de toepassing van de desbetreffende regelgeving voor het goedkeuren en betalen van uitgaven verder te verbeteren, alsmede de uitvoering van aanbestedingsprocedures te verbeteren en verder te harmoniseren;

Jaarverslag van de intern controleur

19.  wijst erop dat de intern controleur in de openbare vergadering van 23 januari 2018 van de bevoegde commissie zijn jaarverslag heeft gepresenteerd en heeft uitgelegd hoe hij in 2016 controles heeft uitgevoerd op het gebied van de volgende onderwerpen:

-  evaluatie van het project voor het nieuwe systeem voor financieel beheer (FMS) – Fase 3;

-  follow-up van nog niet afgewikkelde acties uit de verslagen van de intern controleur;

-  audiovisuele sector;

-  aanwervingsprocedure voor ambtenaren en tijdelijke functionarissen;

-  externe expertise inzake werkprojecten in het directoraat-generaal Infrastructuur en Logistiek (DG INLO);

-  activiteitenverslagleggingsprocedure;

-  aanwervingsprocedure voor arbeidscontractanten;

-  IT-infrastructuur en -activiteiten: gegevenscentruminventaris en beheer van externe expertise;

20.  wijst er nogmaals op dat het jaarlijkse activiteitenverslag een hoeksteen is van de bestuursstructuur van het Parlement; benadrukt dat na de controle van de activiteitenverslagleggingsprocedure, die was toegespitst op de effectiviteit van de jaarlijkse activiteitenverslagen als instrument voor verslaglegging over verantwoording en prestatie, de intern controleur de volgende aanbevelingen heeft gedaan:

-  het vaststellen van een geïntegreerd kader voor planning en verslaglegging dat zowel de formulering van strategische doelstellingen als de jaarlijkse operationele doelstellingen van alle directoraten-generaal omvat, essentiële resultaatindicatoren definieert en de verslaglegging over prestaties in de jaarlijkse activiteitenverslagen bevordert;

-  het aanstellen door de secretaris-generaal van een dienst met een uitgebreider mandaat voor het coördineren van en toezicht houden op de activiteitenverslagleggingsprocedure;

-  het bevorderen van de beoordeling van het internecontrolekader en de verslaglegging daarover, door het aanstellen van een coördinator van de interne controle in elk directoraat-generaal en het verschaffen van passende richtsnoeren en hulpmiddelen aan de directoraten-generaal, alsmede het waarborgen van een samenhangende verslaglegging over interne controles in de jaarlijkse activiteitenverslagen;

-  het vaststellen van Parlement-specifieke richtsnoeren voor het opstellen van de betrouwbaarheidsverklaring en het beoordelen van de behoefte aan het maken van eventuele voorbehouden;

21.  merkt op dat de follow-upprocedure van 2016 heeft geleid tot het afsluiten van 22 van de 48 vastgestelde niet-afgewikkelde acties, alsmede dat het risicoprofiel van de acties waarvan de uitvoering vertraagd is, verder is verlaagd in 2016; merkt daarbij specifiek op dat aan het eind van het jaar, 10 van de 26 niet-afgewikkelde acties tot de categorie "aanzienlijk risico" behoorden en de overige 16 tot de categorie "gematigd risico";

Follow-up van de kwijtingsresolutie voor 2015

22.  erkent de schriftelijke antwoorden op de kwijtingsresolutie voor 2015, die de Commissie begrotingscontrole op 4 oktober 2017 heeft ontvangen, en van de presentatie door de secretaris-generaal naar aanleiding van de diverse vragen en verzoeken in de kwijtingsresolutie van het Parlement voor 2015 en de in aansluiting daarop gehouden gedachtewisseling met de leden; vindt het belangrijk om in de Commissie begrotingscontrole vaker van gedachte te kunnen wisselen met de secretaris-generaal over aangelegenheden die van invloed zijn op de begroting van het Parlement en de uitvoering daarvan;

23.  dringt er nogmaals op aan dat het, om de transparantie van de instelling en met name die van haar besluitvormingsprocedure te vergroten, noodzakelijk is het werk van de interne besluitvormingsorganen van het Parlement, en dan met name het Bureau, te vergemakkelijken en toegankelijker te maken, in het bijzonder wat betreft de procedure voorafgaand aan de besluitvorming; verzoekt de agenda's van het Bureau tijdig op het intranet te publiceren en de termijn voor publicatie van de notulen van de bijeenkomsten aanzienlijk te verkorten; geeft aan dat het voor publicatie niet nodig is te wachten totdat de notulen zijn vertaald naar alle talen; feliciteert het College van quaestoren met de op dit terrein gemaakte vorderingen, in het bijzonder wat betreft zijn nieuwe beleid voor de bekendmaking van besluiten;

24.  verzoekt de secretaris-generaal om deze resolutie te doen toekomen aan het Bureau, en om daarbij te wijzen op alle punten waarin het Bureau wordt gevraagd om iets te ondernemen of besluiten te nemen; verzoekt de secretaris-generaal om een actieplan en een tijdspad uit te werken voor de follow-up en/of reactie van het Bureau op de aanbevelingen die het van het Parlement heeft gekregen via zijn kwijtingsresoluties en om de resultaten daarvan op te nemen in het jaarlijkse follow-updocument; verzoekt de secretaris-generaal de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole te gepasten tijde op de hoogte te brengen van alle projecten die het Bureau voorstelt die aanzienlijke gevolgen hebben voor de begroting;

25.  betreurt echter dat veel van de aanbevelingen uit de kwijtingsresolutie voor 2015 niet opgevolgd zijn en dat hier geen reden of rechtvaardiging voor is gegeven; uit zijn grote bezorgdheid over het feit dat noch het Bureau noch de secretaris-generaal een voortgangsverslag heeft gepubliceerd of voldoende voortgang heeft geboekt met betrekking tot een aantal verzoeken om actie of besluitvorming door het Bureau of de secretaris-generaal;

26.  verzoekt het Bureau nogmaals een follow-up te geven aan alle kwijtingsbesluiten zoals volgt uit artikel 25 en bijlage IV, artikel 6, van het Reglement, en artikel 166 van het Financieel Reglement;

27.  herinnert eraan dat in de kwijtingsresoluties van het Parlement voor zowel 2014 als 2015 werd gevraagd om een technische oplossing om leden in staat te stellen hun individuele pagina op de website van het Parlement te gebruiken voor het op vrijwillige basis publiceren van vergaderingen met belangenvertegenwoordigers; dringt er bij het Bureau van het Parlement en de secretaris-generaal op aan om dit zonder verder uitstel mogelijk te maken;

28.  verzoekt de secretaris-generaal om de leden te informeren over de voortgang die is geboekt met betrekking tot het project iPACS (dat als doel heeft de veiligheid van mensen, gebouwen en bezittingen van het Parlement te vergroten en te moderniseren); merkt op dat dit project is aangenomen bij het besluit van het Bureau van 9 maart 2015; benadrukt dat het belangrijk is om na te gaan of een project dat zo belangrijk is voor het Parlement als dit – en dat zo veel geld heeft gekost – op schema ligt;

29.  verzoekt de secretaris-generaal om maatregelen te treffen met betrekking tot de aanzienlijk verhoogde hotelprijzen in Straatsburg, die van jaar tot jaar dramatisch zijn gestegen, met een duidelijke piek tijdens de plenaire vergadering; beveelt aan het vervoer tussen Straatsburg en de Duitse zijde van de grens, waar de prijzen aanzienlijk lager liggen, te vergemakkelijken (mogelijk door middel van een pendelbus tussen Kehl en het Parlementsgebouw);

30.  is ingenomen met de initiatieven van de secretaris-generaal met betrekking tot het herzien van de strategie voor bedrijfscontinuïteit in het geval van een crisissituatie met als doel de veerkracht van het Parlement te vergroten in het geval van een ernstig incident (van welke aard dan ook, bijvoorbeeld op het gebied van IT, veiligheid, of gebouwen) dat van invloed is op de activiteiten van het Parlement, vastgesteld in een besluit van het Bureau van 3 mei 2016;

Kwijting van het Parlement voor 2016

31.  neemt kennis van de gedachtewisseling tussen de voor begrotingsaangelegenheden verantwoordelijke ondervoorzitter, de secretaris-generaal en de Commissie begrotingscontrole, die op 23 januari 2018 in aanwezigheid van de intern controleur is gehouden in het kader van de kwijting van het Parlement voor 2016;

32.  merkt op dat het Bureau tijdens zijn vergadering van 4 juli 2016 de gevolgen van het op 23 juni 2016 gehouden referendum in het Verenigd Koninkrijk heeft besproken; merkt op dat het standpunt van de voorzitter is dat zolang het Verenigd Koninkrijk volledig lid is van de Europese Unie, de Britse leden en het Britse personeel van het Parlement over precies dezelfde rechten en plichten beschikken als alle andere leden en het andere personeel van de instelling; merkt op dat deze regeling flexibel moet zijn en in overeenstemming moet blijven met de mogelijke resultaten van de brexitonderhandelingen; merkt op dat de situatie van Britse leden en het Britse personeel van het Parlement kan veranderen tijdens de nog vast te stellen transitieperiode;

33.  erkent dat de uitkomst van het referendum aanzienlijke gevolgen heeft gehad voor de commissiesecretariaten, onderzoeksafdelingen en horizontale diensten van de politieke directoraten-generaal; merkt op dat de diensten van het Parlement analyses hebben verricht op basis van feitenonderzoek, teneinde de impact van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk op het beleid en de wetgeving op hun respectievelijke terreinen in aanmerking te nemen; erkent bovendien dat het toekomstige werk in verband met dit vraagstuk van ingewikkelde juridische aard is, en dat op elk moment in de achtereenvolgende fasen van de terugtrekkingsprocedure op basis van genomen politieke besluiten een beroep kan worden gedaan op de in de commissiesecretariaten en beleidsafdelingen opgebouwde expertise;

34.  is ingenomen met de nauwere samenwerking op het gebied van veiligheid tussen het Parlement en de nationale overheden van de gastlanden, in het bijzonder die van België;

35.  dringt er bij de secretaris-generaal op aan om met de Belgische spoorwegmaatschappij te onderhandelen over het inzetten van meer rechtstreekse treinen tussen het Luxemburg-station in Brussel en het vliegveld Zaventem op de drukste aankomst- en vertrektijden van de leden, om reistijd te besparen en tegelijkertijd de CO2-voetafdruk van de leden te verminderen; verzoekt het secretariaat treinreizen voor de leden te stimuleren;

36.  wijst er nogmaals op dat openheid voor het publiek een kenmerkende eigenschap van het Parlement is; ondersteunt de reorganisatie en verbetering van de toegang tot alle parlementsgebouwen op de drie werklocaties op grond van een nieuw veiligheidsconcept dat een veilige werkomgeving waarborgt voor parlementaire werkzaamheden en waarbij het open karakter van het Parlement behouden blijft; merkt op dat deze ingangen, die in 2015 zijn gemoderniseerd, zijn uitgerust met nieuwe toegangscontrolesystemen en dat zij zijn opgenomen in het nieuwe gecentraliseerde toegangscontrolesysteem; benadrukt dat de ingang van het Louise Weissgebouw in Straatsburg (LOW) een van de ingangen is die het meest gebruikt wordt door de leden, medewerkers van de Unie en bezoekers tijdens de plenaire vergaderingen; benadrukt dat dit de facto de meest zichtbare ingang in Straatsburg is; betreurt dat de "tijdelijke" veiligheidscontrole bij de ingang van het LOW-gebouw in feite permanent is geworden; dringt er bij de secretaris-generaal op aan om een alternatief voor te stellen om de toegang tot het LOW-gebouw te vergemakkelijken, waarbij het veiligheidsniveau en de aantrekkelijkheid van deze ingang behouden blijven;

37.  merkt op dat de aandacht die wordt geschonken aan prestatiegebonden budgettering nog steeds verschilt tussen de directoraten-generaal, en dat deze zich in delen van de administratie nog steeds in een vroeg stadium bevindt; verzoekt de secretaris-generaal ervoor te zorgen dat overal in de administratie duidelijke en meetbare streefdoelen worden gesteld en nagestreefd;

38.  erkent dat de kosten van de geografische spreiding van het Parlement volgens de Rekenkamer 114 miljoen EUR per jaar bedragen; wijst op de bevinding in zijn resolutie van 20 november 2013 over de plaats van de zetels van de instellingen van de Unie, volgens welke 78 % van alle dienstreizen van medewerkers van het Parlement die onder het Statuut vallen, plaatsvinden als direct gevolg van het feit dat de diensten van het Parlement geografisch gespreid zijn; herinnert eraan dat de milieugevolgen van deze spreiding worden geraamd op 11 000 tot 19 000 ton CO2-emissies; verzoekt de Raad om een oplossing te vinden voor deze verspilling van belastinggeld;

39.  neemt kennis van de publicatie van zeven rapporten over de kosten van een niet‑verenigd Europa, alsmede vijf beoordelingen van de Europese meerwaarde, die in 2016 werden voltooid;

40.  neemt kennis van de herziening van de bedragen van de vergoedingen voor geaccrediteerde parlementaire medewerkers (GPM's) voor de dienstreizen die zij maken tussen de drie werklocaties van het Parlement; merkt op dat voor ambtenaren en andere personeelsleden van het Parlement de maximale hotelvergoeding voor dienstreizen naar Straatsburg 180 EUR bedraagt en de dagvergoeding 102 EUR, wat neerkomt op een totaalbedrag van 282 EUR per dag; overwegende dat geaccrediteerde parlementaire medewerkers voor gelijksoortige uitgaven een lager bedrag ontvangen: 137 EUR, 160 EUR of 183 EUR per dag, afhankelijk van de keuze van het EP-lid; herinnert er echter aan dat geaccrediteerde parlementaire medewerkers wel dezelfde vergoedingen als ambtenaren en andere personeelsleden van het Parlement ontvangen voor dienstreizen naar andere bestemmingen dan Straatsburg; verzoekt het Bureau voor het derde opeenvolgende jaar om, met het oog op de gelijke behandeling van werknemers, snel de nodige maatregelen te nemen om de vergoedingen voor verblijf en de dagvergoedingen van geaccrediteerde parlementaire medewerkers voor dienstreizen naar Straatsburg gelijk te stellen aan die van ambtenaren en andere medewerkers; verzoekt het Bureau opnieuw om de vergoedingen voor ambtenaren, andere personeelsleden en geaccrediteerde medewerkers volledig met elkaar in overeenstemming te brengen;

41.  is verheugd over de goede wil die de secretaris-generaal heeft getoond om een oplossing te vinden en herhaalt zijn verzoek om een werkbare oplossing te vinden voor die geaccrediteerde parlementaire medewerkers die, hoewel ze zonder onderbreking gedurende twee zittingsperiodes gewerkt zullen hebben, geen recht hebben op een pensioen van het Europees pensioenstelsel wanneer ze de pensioengerechtigde leeftijd bereiken aan het einde van de huidige zittingsperiode, vanwege omstandigheden die buiten hun macht en die van de leden voor wie zij werken liggen, omdat ze als gevolg van de vervroegde verkiezingen in 2014 en de vertragingen bij de validering van hun nieuwe contracten, die toe te schrijven waren aan de hoge werkdruk in verband met personele middelen na de verkiezingen van 2009 en 2014, de tien daarvoor benodigde jaren niet volgemaakt zullen hebben; verzoekt dan ook twee zittingsperioden te beschouwen als tien jaar actieve dienst; verzoekt de secretaris-generaal om het directoraat-generaal Personeelszaken (DG PERS) opdracht te geven om spoedig mogelijke oplossingen te zoeken en de vertegenwoordigers van de geaccrediteerde parlementaire medewerkers over het proces te informeren en erbij te betrekken; verzoekt de Commissie om een wetgevingsvoorstel in te dienen vóór 1 september 2018 om dit probleem op te lossen;

42.  merkt op dat de terugbetaling van sommige reiskosten zeer veel vertraging oploopt en stelt voor om onderzoek te doen naar oplossingen om dit binnen een redelijk tijdsbestek te laten plaatsvinden;

43.  acht het juist om de lichte verhoging van begrotingslijn 422 "Assistentie aan de leden" te behouden, gezien de hogere werklast vanwege de brexit, een groeiend aantal trialogen, een toenemend aantal tijdelijke en speciale commissies, waarmee een historische record van 25 vaste en tijdelijke commissies wordt bereikt, en het samenvallen van het einde van de zittingsperiode met het complexe pakket aan MFK‑wetsvoorstellen;

44.  verzoekt de secretaris-generaal om de Commissie het verslag met betrekking tot de evaluatie van het nieuwe statuut voor geaccrediteerde medewerkers, zoals opgesteld na de op 28 april 2016 aangenomen resolutie met betrekking tot de kwijting voor het begrotingsjaar 2014 en waarnaar verwezen wordt in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 160/2009, te doen toekomen;

45.  dringt er bij het Bureau op aan om, bij het evalueren van de vorig jaar geïntroduceerde nieuwe regels met betrekking tot bezoekersgroepen, de mogelijkheid om geaccrediteerde medewerkers aan te wijzen als hoofd van een groep af te schaffen, aangezien dit professionele, juridische en ethische bezwaren en bezwaren vanuit het oogpunt van gegevensbescherming met zich meebrengt;

46.  merkt op dat stagiairs in dienst van leden een privaatrechtelijke overeenkomst hebben gesloten met desbetreffend lid, hetgeen hun geen recht geeft op dezelfde status in het Parlement als die van andere categorieën van personeelsleden van het Parlement, of op beurzen van het Parlement zelf (Schumanbeurzen); betreurt het feit dat er geen voorziening of juridisch kader bestaat binnen het directoraat-generaal Financiën (DG FINS) voor het rechtstreeks betalen van deze stagiairs voorafgaand aan dienstreizen, hetgeen wel gebeurt bij de rest van het personeel, met name aangezien het voorschieten van deze uitgaven aanzienlijke middelen vergt en dit voor stagiairs om voor de hand liggende redenen nogal problematisch kan zijn; benadrukt dat leden per geval een overeenkomst met betrekking tot vooruitbetaling kunnen sluiten met de stagiair en de uitbetalingsinstantie; merkt echter op dat veel leden geen gebruikmaken van de diensten van een uitbetalingsinstantie om de stagiairs die zij in dienst nemen te betalen; vraagt het Parlement om zo spoedig mogelijk te beoordelen of een dergelijke regeling voor directe betaling zou kunnen worden ingevoerd;

47.  merkt bezorgd op dat de cv's van meer dan de helft van de leden van het Europees Parlement nog niet op hun profielen op de officiële webpagina van het Parlement staan, terwijl deze zittingsperiode toch al behoorlijk ver is gevorderd; verzoekt het secretariaat-generaal de noodzakelijke maatregelen te nemen zodat de cv's van alle leden zo spoedig mogelijk beschikbaar worden op de officiële webpagina van het Europees Parlement;

48.  is van mening dat het nodig is om regels op te stellen met betrekking tot belangenverstrengeling bij deskundigen die worden ingehuurd door de commissies van het Parlement om te komen tot onafhankelijkere betrouwbaardere adviezen en onderzoeken;

49.  herinnert eraan dat in de kwijtingsresoluties van 2014 en 2015 werd opgemerkt dat de website van het Parlement niet bepaald gebruiksvriendelijk is en verzoekt het directoraat-generaal Communicatie (DG COMM) in dit verband dringend de website te verbeteren en een efficiëntere zoekmachine in te voeren; benadrukt dat er nog steeds vooruitgang moet worden geboekt met betrekking tot de aantrekkelijkheid en uitstraling van de website en dat er nog steeds inspanning nodig is om de beschikbare sociale media te diversifiëren; roept op tot tenuitvoerlegging van een nieuwe strategie, waarin alle mogelijkheden van de verschillende soorten sociale media worden weerspiegeld;

50.  neemt kennis van de geactualiseerde missieverklaring voor de voorlichtingsbureaus, vanaf nu "verbindingsbureaus" genoemd (aangenomen door het Bureau in november 2017); benadrukt ten zeerste dat hun voornaamste functie erin bestaat om op lokaal niveau te informeren en te communiceren namens het Parlement, teneinde informatie te verschaffen over de Unie en het beleid van de Unie door middel van activiteiten van externe belanghebbenden op lokaal, regionaal en nationaal niveau; onderstreept de noodzaak om het gebruik van nieuwe communicatietechnologieën en ‑patronen te optimaliseren, en te profiteren van de bevoorrechte geografische ligging dichtbij de burger van de verbindingsbureaus om plaatselijke activiteiten verder te intensiveren, bijvoorbeeld de organisatie van debatten tussen leden en het maatschappelijk middenveld, met de bedoeling naar de mensen te luisteren en met hen in dialoog te treden; is van mening dat online debatten en de media-aandacht die door deze evenementen wordt gegenereerd, dienen bij te dragen tot verdere contacten met de burgers; roept op tot een verbetering in de aangenomen strategie met betrekking tot de voorlichtingsbureaus van het Europees Parlement en dringt er bij DG COMM op aan om het probleem met betrekking tot de onevenwichtigheid tussen de hoeveelheid geld die wordt besteed aan gebouwen en personeel en de belangrijkste taken van deze bureaus, hetgeen bestaat uit directe communicatie met lokale belanghebbenden en burgers, aan te pakken;

Directoraat-generaal Communicatie

51.  herinnert eraan dat het totale bereik of de totale blootstelling die wordt verwezenlijkt over alle communicatieplatforms en -kanalen van het Parlement tezamen, de belangrijkste prestatie-indicator is van DG COMM; stelt vast dat de aanwezigheid van het Parlement in de media en de gemiddelde verslaggeving per maand met 12 % is toegenomen in vergelijking met 2015 en met 7 % in vergelijking met het verkiezingsjaar 2014; erkent daarnaast de verbetering van het gebruik van sociale media door het Parlement, alsmede de activiteiten ontwikkeld in verband met het creëren van bewustzijn onder jongeren; wijst er echter op dat het Parlement zijn communicatieactiviteiten moet blijven verbeteren, met name wat betreft de aanwezigheid op sociale media, die momenteel onder het niveau ligt dat wordt verwacht van een parlementaire instelling; benadrukt dat, met name in het licht van de Europese verkiezingen in 2019, een brede strategie voor sociale media moet worden ontwikkeld en ten uitvoer gelegd; benadrukt dat deze strategie de hoeveelheid werk die het Parlement verricht moet weerspiegelen, waarbij rekening wordt gehouden met de veelzijdige belangen, bezorgdheden en ideeën voor de toekomst die Europese burgers naar voren brengen;

52.  merkt op dat DG COMM een nieuw meerjarig werkprogramma is gestart voor subsidies op het vlak van media en evenementenorganisatie voor de periode 2016-2019; erkent dat voor de gunning van een subsidie in de categorie media, 102 kaderpartnerschapsovereenkomsten werden gesloten en 48 subsidieaanvragen werden ingewilligd, met een totale waarde van 3,99 miljoen EUR; merkt op dat op het vlak van evenementenorganisatie, 18 projecten werden geselecteerd voor de gunning van een subsidie met een totale waarde van 0,8 miljoen EUR; verzoekt DG COMM zich te concentreren op een actievere benadering van personen die niet automatisch geïnteresseerd zijn in de werkzaamheden van het Parlement of zelfs sceptisch zijn over het functioneren ervan;

53.  neemt kennis van de belangrijkste technische en redactionele veranderingen aan de openbare website van het Parlement, met name met betrekking tot de zoekmachineoptimalisatie van de website; prijst DG COMM voor deze vooruitgang maar voegt daaraan toe dat dit proces nog steeds veel te langzaam verloopt; merkt op dat de projecten inzake responsief webdesign en de vernieuwing van het platform voor livestreaming en video‑on‑demand – die tot doel hebben de vormgeving van de website aan te passen aan allerlei soorten apparaten –, in 2016 werden opgestart en succesvol werden toegepast op delen van de website; roept op tot het voortzetten van deze projecten en het toepassen daarvan op alle delen van de website van het Parlement; merkt op dat er nog steeds veel moet worden gedaan voordat een doeltreffende website en communicatietool tot stand is gebracht; benadrukt dat alles tijdig moet worden vernieuwd, aangezien de zichtbaarheid en toegankelijkheid van het Parlement tegen de komende Europese verkiezingen van 2019, maar liefst ruim vóór deze datum moet worden gewaarborgd; benadrukt dat een transparante en toegankelijke website van cruciaal belang is voor de betrokkenheid van burgers;

54.  merkt op dat het aantal verzoeken ingediend bij de dienst Informatieverzoeken (AskEP) sinds 2014 aanzienlijk is toegenomen, voornamelijk als gevolg van schijnbaar gecoördineerde handtekeningencampagnes met betrekking tot bepaalde onderwerpen; stelt voor dat de antwoorden van het Parlement bekend worden gemaakt aan de leden, die wellicht niet van het bestaan hiervan op de hoogte zijn;

55.  vestigt de aandacht op het meest recente Eurobarometer-onderzoek in opdracht van het Parlement, waarin een specifieke vraag werd gesteld over het imago van het Parlement; is verheugd dat uit het onderzoek naar voren komt dat het percentage burgers met een positief beeld van het Parlement, groeit van 25 % (2016) tot 33 % (2017); stelt met tevredenheid vast dat het betere imago van het Parlement rechtstreeks verband houdt met een afname van het "negatieve beeld" met 7 procentpunten van 28 % (2016) tot 21 % (2017); wijst erop dat er, ondanks duidelijke tekenen van verbetering, nog steeds veel moet gebeuren;

56.  dringt er bij het Bureau op aan om, bij het evalueren van de vorig jaar geïntroduceerde nieuwe regels met betrekking tot bezoekersgroepen, de mogelijkheid om geaccrediteerde medewerkers aan te wijzen als hoofd van een groep af te schaffen;

57.  verzoekt om een evaluatie van het systeem dat wordt gebruikt voor het berekenen van de reiskostenvergoedingen voor bezoekende groepen die worden gesponsord door de leden, om enerzijds de gelijke behandeling van alle burgers van de Unie te garanderen en anderzijds het gebruik van meer milieuvriendelijke vervoersmiddelen te stimuleren, aangezien het systeem dat momenteel wordt gebruikt, dat is gebaseerd op berekeningen op basis van het aantal afgelegde kilometers, geen rekening houdt met de geïsoleerde ligging en natuurlijke barrières van sommige geografische gebieden in de Unie en geen kosten dekt die verband houden met het vervoer van deze gebieden naar plaatsen waar snellere en meer milieuvriendelijke vervoersmiddelen beschikbaar zijn;

58.  stelt vast dat op 31 december 2016 in totaal 5 375 ambtenaren en tijdelijke personeelsleden bij het secretariaat-generaal (een afname met 16 ten opzichte van 31 december 2015) en in totaal 806 ambtenaren en tijdelijke personeelsleden bij de fracties (een stijging met 35 ten opzichte van 31 december 2015) werkzaam waren; merkt op dat DG PERS, met inbegrip van de arbeidscontractanten, verantwoordelijk was voor 9 617 personeelsleden (een stijging met 264 ten opzichte van 31 december 2015);

59.  merkt op dat op 1 januari 2016 57 posten werden verwijderd uit het personeelsbestand van het Parlement, in overeenstemming met de herziening van het Statuut in 2014 en het MFK voor 2014-2020;

Directoraat-generaal Personeelszaken

60.  is ingenomen met het feit dat het stimuleren van gelijke kansen nog altijd een belangrijk aspect is van het personeelsbeleid van het Parlement; merkt op dat de uitvoering van het actieplan voor gendergelijkheid en diversiteit, dat in 2015 door het Bureau is goedgekeurd, in 2016 is voortgezet, samen met de specifieke doelstellingen en alle overige daarmee verband houdende maatregelen;

61.  is ingenomen met de vaststelling van een stappenplan voor gendergelijkheid in het secretariaat van het Europees Parlement; merkt op dat het stappenplan een uiteenzetting van concrete acties omvat en een duidelijk tijdschema voor specifieke maatregelen ten aanzien van beheer, professionele scholing, bewustmaking inzake gendergelijkheid, maatregelen inzake het combineren van werk en privéleven en het op gezette tijden toezicht houden op de gendergelijkheid aan de hand van statistieken;

62.  is ingenomen met het feit dat de gendergelijkheid onder door de secretaris-generaal aangestelde afdelingshoofden toegenomen is van 21 % in 2006 tot 36 % in 2016, en dat de functies die door vrouwen worden bekleed over het algemeen aantonen dat er een bevredigende toename is in de kwaliteit van de functies die aan vrouwen worden toegewezen;

63.  betreurt dat de gendergelijkheid op het niveau van directeur-generaal gedaald is van 33,3 %/66,7 % in 2015 tot 16,7 %/83,3 % in 2016; merkt op dat de gendergelijkheid op directeursniveau stabiel bleef tussen 2015 en 2016, op een niveau van respectievelijk 29,2 %/70,8 % en 29,8 %/70,2 %; is van mening dat dit in strijd is met het stappenplan voor gendergelijkheid bij het secretariaat van het Europees Parlement;

64.  beseft dat voor bepaalde activiteiten, zoals het beheer van de kantines en schoonmaakwerkzaamheden, uitbesteding de beste optie voor het Parlement was en dat bijgevolg het aantal externe personeelsleden in de gebouwen van het Parlement in bepaalde directoraten-generaal zelfs hoger kan zijn dan het aantal ambtenaren;

65.  herhaalt dat het van oordeel is dat extern personeel niet mag worden gebruikt ter compensatie van de vermindering van het aantal posten als overeengekomen in het kader van de herziening van het Statuut in 2014 en het huidige MFK;

66.  stelt vast dat per eind 2016 1 924 geaccrediteerde medewerkers bij het Parlement werkzaam waren, tegen 1 791 in het jaar daarvoor; vraagt om speciale aandacht voor de rechten van geaccrediteerde medewerkers en plaatselijke medewerkers, wier contracten rechtstreeks gekoppeld zijn aan het mandaat van het parlementslid dat zij bijstaan, rekening houdend met het feit dat geaccrediteerde medewerkers statutair personeel zijn, aangezien zij een arbeidsovereenkomst sluiten met het Parlement, terwijl plaatselijke medewerkers onder verschillende nationale wetgevingen vallen;

67.  herhaalt zijn bezorgdheid over de vermeende praktijk dat leden geaccrediteerde medewerkers verplichten dienstreizen te maken, met name naar Straatsburg, zonder dienstopdracht, zonder kostenvergoeding of gewoon zonder reisvergoeding; is van mening dat een dergelijke praktijk ruimte schept voor misbruik, gezien het feit dat als geaccrediteerde medewerkers zonder dienstopdracht reizen, ze niet alleen de kosten zelf moeten betalen, maar ze ook niet gedekt zijn door de arbeidsverzekering; verzoekt de secretaris-generaal deze vermeende praktijk te onderzoeken en aan het eind van het jaar hierover verslag uit te brengen;

68.  vraagt de Conferentie van voorzitters en het Bureau opnieuw de mogelijkheid te overwegen dat geaccrediteerde medewerkers onder bepaalde, nog vast te stellen voorwaarden leden vergezellen tijdens officiële parlementaire delegaties en dienstreizen, zoals reeds door verschillende leden is gevraagd; verzoekt de secretaris-generaal de begrotingsgevolgen en de organisatie en logistiek van deze dienstreizen te onderzoeken;

69.  merkt op dat het Parlement een begroting beschikbaar stelt voor het personeelscomité, en vraagt om een vergelijkbare begroting voor het comité voor geaccrediteerde medewerkers, aangezien zij taken vervullen die zijn opgenomen in het statuut van de leden van het Europees Parlement en de bepalingen ter uitvoering ervan, en die van nut zijn voor alle instellingen en leden;

70.  verzoekt de administratie om het comité voor geaccrediteerde medewerkers te betrekken in het besluitvormingsproces met betrekking tot alle voorschriften die uitsluitend van toepassing zijn op het comité voor geaccrediteerde medewerkers of die zij mogelijk gemeen hebben met alle andere personeelscategorieën die door het personeelscomité worden vertegenwoordigd;

71.  is ingenomen met de interesse in het aanhouden van personeelsleden die Brits staatsburger zijn en die Europees ambtenaar zijn geworden, en verzoekt de secretaris-generaal om verslag uit te brengen over de mogelijke risico's voor Britse personeelsleden en hoe kan worden voorkomen dat Brits personeel het slachtoffer wordt van de brexit, evenals om hun wettelijke, contractuele en verworven rechten volledig te waarborgen;

72.  erkent dat, overeenkomstig het Interinstitutioneel Akkoord betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(9), 57 posten werden verwijderd uit het personeelsbestand van het Parlement voor 2016, in overeenstemming met de vereiste van een afname van 5 % van het aantal posten; merkt op dat twee andere posten werden geschrapt met het oog op overdracht ervan naar de Commissie in het kader van interinstitutionele IT-projecten; merkt bovendien op dat het Parlement per 1 januari 2017 nog 76 andere posten diende te schrappen uit het personeelsbestand, als gevolg van het besluit van de begrotingsautoriteit;

73.  is van mening dat het Parlement in reactie op de #metoo-campagne een beleid van nultolerantie moet aanhouden met betrekking tot iedere vorm van geweld, of dit nu structureel, seksueel, fysiek of psychologisch van aard is; verzoekt dan ook om:

- volledige verantwoordelijkheid van de daders met volledige inachtneming van de beschikbare strafmaatregelen en sancties;

- de oprichting van een centraal meldpunt voor het melden van gevallen van intimidatie;

- toegang voor iedereen tot een onafhankelijk comité van het Parlement voor klachten over intimidatie, waarbij geen sprake is van een zelfde interne machtsstructuur doordat er parlementsleden in het comité zitten;

- bescherming voor slachtoffers en diegenen die melding maken van dergelijk geweld die volledige anonimiteit en discretie waarborgt;

- psychologische bijstand voor slachtoffers door een centraal bureau van het Parlement met artsen, maatschappelijk werkers en vertrouwenspersonen;

- een verplichte opleiding op het gebied van seksuele intimidatie en pesten voor leden en ambtenaren in machtsposities;

- opleidingen en informatie voor personeel zodat zij seksuele intimidatie herkennen en op de hoogte zijn van hun rechten;

74.  is van mening dat het relatief lage aantal klachten inzake intimidatie dat in 2016 is ingediend zowel bij het adviescomité intimidatie voor personeelsleden als door geaccrediteerde medewerkers, mogelijk het gevolg is van een gebrek aan passende kanalen; benadrukt dat het Statuut twee soorten intimidatie erkent (psychologische en seksuele intimidatie); is van mening dat de strijd tegen iedere vorm van intimidatie een van de belangrijkste prioriteiten moet zijn van de secretaris-generaal; is in dit opzicht ingenomen met het voorstel van de secretaris-generaal een netwerk van onafhankelijke vertrouwenspersonen te introduceren die de geaccrediteerde medewerkers, stagiairs die werkzaam zijn voor leden, fractiemedewerkers en alle andere personeelsleden en stagiairs kunnen benaderen; erkent dat deze vertrouwenspersonen geselecteerd zullen worden op grond van hun deskundigheid en sociale vaardigheden, en dat zij speciaal hiervoor opgeleid zullen worden; moedigt de herziening aan van de samenstelling van adviescomités die klachten met betrekking tot intimidatie behandelen om een gelijkwaardige vertegenwoordiging van leden, geaccrediteerde medewerkers en ander personeel, alsmede gendergelijkheid te waarborgen; verzoekt het Bureau de mogelijkheid te onderzoeken om een extern controleur aan te stellen teneinde de interne processen verder te verbeteren;

75.  wijst nogmaals op de kwetsbare positie die geaccrediteerde medewerkers en stagiairs bij leden innemen met betrekking tot de interne regels voor de bescherming van klokkenluiders; waarschuwt de secretaris-generaal voor mogelijke financiële gevolgen zolang het Parlement geaccrediteerde medewerkers die wangedrag van leden melden niet de vereiste bescherming voor klokkenluiders biedt; dringt er bij de secretaris-generaal op aan deze situatie onmiddellijk aan te pakken;

76.  verzoekt de weken met externe parlementaire activiteiten te benutten om opleidingsactiviteiten te organiseren die hoofdzakelijk zijn bedoeld voor assistenten van leden, waaronder intensieve taalcursussen;

77.  herinnert er nogmaals aan dat het Parlement nagenoeg de enige instelling is die in haar werkafspraken nog niet heeft voorzien in flexitime-regelingen, terwijl deze in de meeste andere instellingen al jaren worden toegepast, vooral bij de Commissie, waar zij aantoonbaar tot een hogere productiviteit en een betere levenskwaliteit voor de werknemers hebben geleid; wenst dat flexitime-regelingen zo spoedig mogelijk in de werkafspraken van het Parlement worden opgenomen en dat de Commissie begrotingscontrole op de hoogte wordt gehouden van de vorderingen die worden gemaakt met betrekking tot deze doelstelling;

78.  herhaalt dat stagiairs overeenkomstig het kwijtingsverslag van het Parlement voor 2015 (punt 89), gezien hun inkomen een hogere korting op de prijzen van de restaurants van het Parlement moeten krijgen;

79.  merkt met grote bezorgdheid op dat er onder leden steeds minder vraag is naar individuele taalcursussen Frans, en vooral Spaans en Italiaans, in het bijzonder sinds 2009; neemt er akte van dat alleen de vraag naar cursussen Engels en Duits stabiel is gebleven of zelfs is gestegen; herinnert de secretaris-generaal aan de belangrijke rol die meertaligheid speelt in het proces van Europese integratie en de rol die de administratie dient te spelen in de bevordering van taalverwerving onder door de burgers van de Unie gekozen vertegenwoordigers, aangezien talen eveneens fungeren als fundamenteel instrument voor begrip en communicatie in de uitvoering van hun parlementaire werkzaamheden; verzoekt de administratie de leden regelmatig op de hoogte te brengen van alle mogelijkheden die het Parlement hen op dit terrein biedt, niet alleen via de bestaande folder en de informatie die online kan worden geraadpleegd, maar ook via andere geschikte kanalen, en hierbij bijzondere nadruk te leggen op de lessen door interne taaldocenten in Brussel en door op verzoek beschikbare docenten in Straatsburg, aangezien deze vorm van onderwijs het meest flexibel is, het best kan worden afgestemd op hun behoeften en werkomstandigheden en ook nog eens de best mogelijke prijs-kwaliteitsverhouding biedt; verzoekt de secretaris-generaal eveneens de noodzakelijke middelen te ontwikkelen om taalpluralisme op dit terrein te bevorderen, onder andere door het aanbod van beschikbare interne taaldocenten te vergroten en te voorkomen dat zij onder precaire arbeidsomstandigheden werken; neemt nota van de verplaatsing van de afdeling Beroepsopleiding voor de leden van DG FINS naar DG PERS, teneinde de synergieën te vergroten met de afdeling Beroepsopleiding voor personeelsleden, die reeds onder DG PERS valt; verzoekt de secretaris-generaal informatie te verschaffen over de concrete beoogde resultaten van deze wijziging;

80.  verzoekt de secretaris-generaal een vrijwillig en transparant mobiliteitsbeleid uit te werken waarin rekening wordt gehouden met de interesses en vaardigheden van het personeel in het kader van een echte loopbaanontwikkelingsstrategie;

Directoraat-generaal Infrastructuur en Logistiek

81.  merkt op dat het geactualiseerde voorstel voor het gebouwenbeleid van het Parlement voor de middellange termijn, rekening houdend met recente ontwikkeling van de gebouwen in Luxemburg en Straatsburg, zich dient te concentreren op de gebouwen in Brussel en met name op de toekomst van het Paul-Henri Spaakgebouw; verzoekt het Bureau daarnaast de ouderdom van de infrastructuur in het Salvador de Madariaga-gebouw in Straatsburg te onderzoeken; merkt daarbij tevens op dat cruciale brexitgerelateerde factoren die bepalend zijn voor de toekomst van het gebouwenbeleid, zoals mogelijke gevolgen van brexit voor de meertaligheid, het aantal posten voor ambtenaren in het personeelsbestand en het aantal leden, nog niet bekend zijn; erkent dat een betrouwbare planning slechts kan worden gerealiseerd na afronding van het brexitproces; verzoekt het Bureau om risicobeperkende strategieën te ontwikkelen, waarbij rekening wordt gehouden met de behoefte om mogelijke verstoringen door toekomstige ontwikkelingen in de brexitonderhandelingen tegen te gaan; verzoekt de secretaris-generaal een uitgebreid plan voor te leggen betreffende de huisvesting van personeelsleden wanneer gebouwen worden gerenoveerd of opnieuw worden opgebouwd;

82.  dringt er bij de verantwoordelijke diensten op aan duidelijk te maken hoe zij van plan zijn uitvoering te geven aan de verklaring van het Parlement, de Raad en de Commissie over de voorbeeldfunctie die hun gebouwen vervullen binnen de context van de richtlijn inzake energie-efficiëntie, gezien de naderende deadline van 2020;

83.  erkent dat het Bureau de secretaris-generaal heeft gemachtigd gedetailleerde voorstellen uit te werken voor mogelijke opties voor de renovatie van het Paul-Henri Spaakgebouw; merkt daarbij tevens op dat in deze voorstellen alle mogelijke opties aan bod dienen te komen, inclusief niets doen, renoveren of herbouwen, en dat de voorstellen vergezeld dienen te gaan van gedetailleerde inschattingen van de haalbaarheid van de projecten en van een overzicht van alle relevante juridische kwesties; merkt op dat de door DG INLO voorbereide gedetailleerde voorstellen aan het begin van 2018 aan het Bureau aangeboden dienden te worden;

84.  merkt op dat de meeste gebouwen van het Parlement niet zijn ontworpen en gebouwd in overeenstemming met de Eurocodesvereisten inzake structurele integriteit, aangezien die normen niet bestonden ten tijde van de bouw van deze gebouwen; merkt op dat het Willy Brandtgebouw en het Wilfried Martensgebouw de enige gebouwen zijn die voldoen aan de Eurocodesnormen voor structurele integriteit; erkent dat het risico dat ontstaat door de mogelijke kwetsbaarheid van de structuur van de verschillende gebouwen gedeeltelijk wordt verkleind door de operationele maatregelen die DG INLO en het Directoraat-generaal Beveiliging en Veiligheid (DG SAFE) hebben genomen, en dat verdere organisatorische aanpassingen zijn voorzien om deze kwestie aan te pakken;

85.  wijst er nogmaals op dat het Bureau tijdens zijn bijeenkomst van 11 april 2016 een voorstel heeft goedgekeurd voor het intern organiseren van de vervoersdiensten voor leden; merkt met voldoening op dat de procedure van het intern organiseren van chauffeursdiensten heeft geleid tot een kwalitatieve en kwantitatieve toename van de aan leden geleverde diensten, alsmede een doeltreffend en doelmatig antwoord vormde op onvoorziene noodsituaties of een plotselinge toename van de vraag; betreurt het dat het beginsel van gendergelijkheid tijdens de aanwervingsprocedure voor de vervoersdienst van het Parlement niet werd geëerbiedigd; verzoekt de secretaris-generaal een voorstel te doen om de huidige situatie te verbeteren; maakt zich bovendien zorgen over de beloningsverschillen onder de chauffeurs en vraagt het Bureau of het voornemens is harmonisering te overwegen om mogelijk oneerlijke beloningsregelingen tegen te gaan;

86.  is ingenomen met de invoering van het proefproject voor digitale verzending van bewijsstukken tussen de initiërende dienst DG INLO en de dienst voorafgaande controle van de uitgavenverplichtingen van de afdeling Gebouwenbeheer en ‑onderhoud in Straatsburg; stelt met tevredenheid vast dat, op grond van de positieve ervaringen, het project werd uitgebreid naar de afdeling Bouwplannen Straatsburg; moedigt DG INLO aan de tenuitvoerlegging van het digitaal verzenden van documenten waar mogelijk voort te zetten, teneinde kosten te besparen en de doelmatigheid van aanverwante diensten te bevorderen;

87.  merkt op dat de herziening van prijzen in de zelfbedieningskantine van het Parlement noodzakelijk was, teneinde af te stappen van gesubsidieerde diensten en over te stappen op een soort concessieovereenkomsten, waarbij de cateraar het volledige economisch en commercieel risico draagt; is ingenomen met het feit dat stagiairs in het Parlement nog altijd recht hebben op een korting van 0,50 EUR op hoofdgerechten in alle zelfbedieningsrestaurants in Brussel en Luxemburg, en van 0,80 EUR in Straatsburg; vraagt DG INLO om toekomstige prijsstijgingen te volgen, teneinde een redelijke prijsstelling voor de diensten te waarborgen;

Directoraat-generaal Vertolking en Conferenties

88.  erkent dat er voor de nieuwe prestatiebenchmarks voor tolken een gemiddeld aantal van 11 uur werd vastgesteld als ondergrens en van 17 uur als bovengrens; merkt op dat het globale gemiddelde aantal uren per week dat tolken in vaste dienst besteedden aan het leveren van tolkdiensten in hun cabine, is toegenomen van 11 uur en 54 minuten in 2014 tot 13 uur en 25 minuten in 2016; merkt op dat 2014 een verkiezingsjaar was waarin minder vraag was naar vertolking; benadrukt dat de toename in de periode 2014‑2016 het gevolg is van de hervatting door het Parlement van zijn regelmatige ritme van commissieweken, fractieweken, weken in Straatsburg en turkooizen weken; wijst er nogmaals op dat, na de herziening van het Statuut van de ambtenaren in 2013, de wekelijkse arbeidsduur voor alle personeelsleden in de Europese instellingen is toegenomen van 37,5 tot 40-42 uur, hetgeen eveneens heeft geleid tot een toename van de wekelijkse arbeidsduur voor de tolkdiensten; dringt aan op toekomstige samenwerking tussen de vakbonden en de secretaris-generaal die gericht is op billijke arbeidsvoorwaarden en tegelijkertijd het vlotte verloop van de parlementaire werkzaamheden waarborgt; wijst erop dat discussies gaande zijn tussen de secretaris-generaal en het personeelscomité en roept alle partijen op tot een overeenkomst te komen; merkt op dat de toename van de vastgelegde kredieten voor "Ander personeel" gedeeltelijk werd toegeschreven aan de toegenomen behoefte aan externe vertolking in 2016 (2,2 miljoen EUR meer dan in 2015); merkt bovendien op dat er voor fractievergaderingen en commissievergaderingen gebrek is aan vertolking voor alle talen vanwege de toewijzingsregels; merkt ten slotte op dat de wijzigingen van het tijdstip waarop commissievergaderingen werden gehouden, waardoor vele vergaderingen op onregelmatige tijden werden gehouden, deels het gevolg zijn van de beperkte flexibiliteit om de vertolkingscapaciteit doeltreffend in te zetten;

89.  stelt met tevredenheid vast dat het Bureau een strategie voor de modernisering van conferentiebeheer in het Parlement heeft aangenomen, als voorgelegd door de secretaris-generaal; erkent dat de strategie voorziet in een centraal contact- en ondersteuningspunt voor organisatoren van conferenties, en ondersteunt zou moeten worden door een geïntegreerde conferentiedienst die gebruik maakt van een op maat gesneden IT-platform; erkent voorts dat een centraal aanspreekpunt voor ondersteuning ten tijde van een evenement en een centraal aanspreekpunt voor beheer en ondersteuning stapsgewijs dienen te worden ingesteld voor technische voorzieningen in vergaderzalen;

Directoraat-generaal Financiën

90.  wijst er nogmaals op dat het Bureau tijdens zijn bijeenkomst op 26 oktober 2015 een nieuwe benadering heeft bekrachtigd die als doel heeft de klantgerichtheid te bevorderen en de administratieve lasten voor leden te verminderen, door het invoeren van twee nieuwe instrumenten, het Ledenportaal en het e‑Portaal; is ingenomen met de implementatie van het Ledenportaal, een centraal loket dat alle diensten omvat die betrekking hebben op de formaliteiten in verband met financiële en sociale rechten, dat in juli 2016 volledig operationeel is geworden; merkt op dat de elektronische tegenhanger van het Ledenportaal, het e‑Portaal, sinds januari 2015 toegankelijk is met beknopte informatie voor de leden over de geldende regels en hun rechten; benadrukt dat vereenvoudiging van de administratieve regelingen niet alleen mag worden verwezenlijkt door het werk van het administratief personeel deels over te hevelen naar de leden en hun bureaus;

91.  dringt aan op vereenvoudiging van de aanwervingsprocedures en vergoedingen voor dienstreizen en reiskosten ten behoeve van plaatselijke medewerkers; betreurt het dat deze procedures vaak ingewikkeld zijn en veel tijd in beslag nemen, waardoor aanzienlijke vertragingen ontstaan; verzoekt DG FINS dit vraagstuk met voorrang aan te pakken;

92.  merkt op dat de huidige overeenkomst met de reisdienst van het Parlement eind 2018 ten einde loopt en dat een open aanbesteding in voorbereiding is teneinde een nieuwe reisagent te selecteren die het Parlement ondersteunt bij het afhandelen en organiseren van dienstreizen; verzoekt dat de nieuwe overeenkomst strengere voorwaarden bevat, met name met betrekking tot ticketprijzen en de doorlopende beschikbaarheid van het callcenter van de reisdienst, ook tijdens het weekend; benadrukt het belang van een eenvoudige en gebruiksvriendelijke klachtenregeling om ervoor te zorgen dat tekorten snel aan het licht komen en mogelijke problemen snel kunnen worden aangepakt; beklemtoont dat er meer aandacht moet worden besteed aan de specifieke behoeften van de leden en dat zij behoefte hebben aan diensten op maat;

93.  moedigt de opvolger van het reisbureau aan te streven naar de meest concurrerende prijzen voor de dienstreizen van het Parlement;

Vrijwillig pensioenfonds

94.  merkt op dat het vrijwillig pensioenfonds in 1990 door het Bureau werd opgericht in het kader van de Regeling voor het aanvullend (vrijwillig) Pensioenfonds en dat de leden daaraan tot het eind van de zesde zittingsperiode (13 juli 2009) konden deelnemen; merkt op dat het fonds werd opgezet om de leden een pensioenregeling aan te bieden die tot dan toe had ontbroken;

95.  herinnert eraan dat het Hof van Justitie in 2013 heeft geoordeeld dat het besluit van het Bureau om de pensioengerechtigde leeftijd voor de leden van het fonds te verhogen van 60 tot 63 jaar om een vroegtijdige uitputting van het kapitaal te voorkomen en deze leeftijd in overeenstemming te brengen met die waarin het nieuwe statuut van de leden voorziet, rechtsgeldig was;

96.  merkt op dat het geraamde actuarieel tekort van het vrijwillig pensioenfonds ten belope van 286 miljoen EUR eind 2015 was toegenomen tot 326,2 miljoen EUR eind 2016; stelt voorts vast dat de te berekenen netto activa en de actuariële vastlegging eind 2016 146,4 miljoen EUR respectievelijk 472,6 miljoen EUR bedroegen; merkt op dat deze geraamde toekomstige verplichtingen over meerdere decennia zijn uitgesmeerd, maar stelt vast dat er in 2016 door het vrijwillig pensioenfonds een totaalbedrag van 16,6 miljoen EUR is uitbetaald;

97.  wijst erop dat de komende vijf jaar, van het aantal leden dat de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en aanspraak kan maken op pensioenuitkeringen, aangezien zij hebben bijgedragen aan het fonds, en ervan uitgaand dat er geen begunstigden worden gekozen of herkozen in 2019 of anderszins een vrijgekomen Europees mandaat aanvaarden, het aantal nieuwe gepensioneerden 21 in 2018, 74 in 2019, 21 in 2020, 12 in 2021 en 17 in 2022 zal bedragen;

98.  betreurt het dat de beoordeling van de huidige toestand van het vrijwillig pensioenfonds nog altijd op zich laat wachten; herinnert aan paragraaf 109 van de kwijtingsresolutie over 2015 en paragraaf 112 van de kwijtingsresolutie over 2014, waarin werd gevraagd de huidige toestand van het vrijwillig pensioenfonds te beoordelen; verzoekt het Bureau zo spoedig mogelijk en uiterlijk tegen 30 juni 2018 een beoordeling uit te voeren van de huidige toestand van het vrijwillig pensioenfonds;

99.  wijst nogmaals op de aanhoudende moeilijkheden in verband met het vrijwillig pensioenfonds en vraag het Bureau en de secretaris-generaal stappen te ondernemen om het voortijdig faillissement ervan te voorkomen en mogelijke gevolgen voor de begroting van het Parlement te vermijden;

100.  wijst erop dat het Parlement garant staat voor de pensioenuitkeringen indien en wanneer dit fonds niet in staat blijkt aan zijn verplichtingen te voldoen; is verheugd over de aankondiging van de secretaris-generaal dat hij een actieplan bij het Bureau heeft ingediend;

101.  merkt op dat, gezien het huidige niveau van de financiële activa van het fonds, in combinatie met de bijbehorende jaarlijkse betalingsverplichtingen en de ontwikkeling van het rendement van zijn beleggingen op de financiële markten, de faillissementsdatum van het vrijwillig pensioenfonds volgens schattingen tussen 2024 en 2026 zal vallen;

Algemene kostenvergoeding

102.  is ingenomen met het besluit van het Bureau een ad-hocwerkgroep in het leven te roepen voor het vaststellen en bekendmaken van de regels voor het gebruik van de algemene kostenvergoeding; herinnert aan de verwachtingen die het Parlement heeft uitgesproken in zijn resoluties van 5 april 2017(10) en van 25 oktober 2017(11) over de begroting voor 2018, waarin het pleit voor meer transparantie over de algemene kostenvergoeding en erop wijst dat er preciezere regels moeten worden vastgesteld voor het afleggen van verantwoording over de uitgaven die zijn goedgekeurd in het kader van deze vergoeding, zonder bijkomende kosten voor het Parlement; vraagt het Bureau nogmaals gezwind de volgende concrete wijzigingen betreffende de algemene kostenvergoeding door te voeren:

- de algemene kostenvergoeding moet in elk geval worden behandeld op een afzonderlijke bankrekening;

- alle ontvangstbewijzen in verband met de algemene kostenvergoeding moeten door de leden worden bewaard;

- het niet-bestede deel van de algemene kostenvergoeding moet aan het eind van het mandaat van het lid in kwestie worden teruggegeven;

103.  herinnert aan het beginsel van onafhankelijkheid van het mandaat van een lid; onderstreept dat het de verantwoordelijkheid van gekozen leden is de vergoeding voor parlementaire werkzaamheden te gebruiken en dat de leden desgewenst op hun persoonlijke webpagina een overzicht van hun uitgaven uit de algemene kostenvergoeding kunnen publiceren;

104.  is van oordeel dat bij elke herziening van de algemene kostenvergoeding rekening moet worden gehouden met eerder aangenomen plenaire aanbevelingen inzake transparantie en financiële verantwoordelijkheid;

Directoraat-generaal Innovatie en Technologische Ondersteuning

105.  wijst er nogmaals op dat het versterken van de ICT-beveiliging in een open communicatieve wereld een belangrijke strategische pijler voor het Parlement is; erkent dat, in het kader van het actieplan inzake cyberbeveiliging, de pijler "cyberbeveiligingscultuur" gericht is op bewustmaking en opleidingsactiviteiten om te waarborgen dat de ICT-gebruikers van het Parlement op de hoogte zijn van de risico's en in dit opzicht bijdragen aan de eerste verdedigingslinie; neemt kennis van de bewustmakingscampagne betreffende cyberbeveiligingsrisico's met onder andere visuele herinneringen door het gehele parlementsgebouw, artikelen over cyberbeveiliging in de interne nieuwsbrief van het Parlement en informatiebijeenkomsten voor leden, assistenten en medewerkers; uit evenwel zijn bezorgdheid over de bedreigingen van de cyberveiligheid; is ingenomen met de benoeming van de "chief information security officer", de oprichting van de afdeling ICT-beveiliging met een team voor veiligheidsbeheer en een team voor veiligheidsoperaties ; verzoekt de secretaris-generaal te onderzoeken of het mogelijk is volledig in eigen beheer een expertisesysteem op te zetten, mede om een hoog personeelsverloop te voorkomen;

106.  is van oordeel dat de ICT-diensten eerst en vooral een goede toegang tot het internet moeten verschaffen en dat de systemen op dit ogenblik te vaak vastlopen;

107.  neemt nota van het project "ICT4MEPs" dat de ICT-diensten voor leden en hun medewerkers dient te verbeteren wanneer zij werkzaam zijn in hun regio's; constateert dat de eerste fase van het project in oktober 2016 ten uitvoer is gelegd met de totstandkoming van toegangsbeheer voor lokale medewerkers; merkt echter op dat het project nog ruimte laat voor verbetering; roept de desbetreffende diensten op de implementatie van het project voort te zetten, rekening houdend met de behoeften van gebruikers;

108.  is ingenomen met de invoering van de wifitoegang voor bezoekers van het Parlement, een ander voorbeeld van de voortgang naar een digitaal meer inclusief Parlement; wijst er echter op dat ICT-beveiliging een prioriteit moet blijven en dat het interne netwerk van het Parlement beschermd moet worden tegen mogelijke kwaadwillige aanvallen van buitenaf; merkt op dat de kwaliteit van de verrichte diensten, met name in Straatsburg, aanmerkelijk moet worden verbeterd en ziet ernaar uit dat in de nabije toekomst de noodzakelijke maatregelen worden getroffen;

109.  nodigt het Bureau uit in overleg met het directoraat-generaal Innovatie en Technologische Ondersteuning (DG ITEC) risicobeperkende maatregelen uit te werken om het vlotte verloop van de parlementaire werkzaamheden te waarborgen in het geval van schade aan of uitval van de systemen; benadrukt het belang van een ranglijst van de belangrijkste diensten, aan de hand waarvan deze zo snel mogelijk moeten worden hersteld, zodat de basisdiensten in het geval van een cyberaanval blijven werken; nodigt het Bureau uit een noodplan te ontwikkelen voor langdurige systeemuitval; beveelt aan dat de servers van de gegevenscentra over meerdere locaties worden verspreid om de veiligheid en continuïteit van de IT-systemen van het Parlement te verbeteren;

110.  herhaalt zijn in de kwijtingsresolutie voor 2014 en 2015 gedane verzoek om de oprichting van een systeem voor vroegtijdige waarschuwing in noodgevallen, met behulp waarvan DG ITEC, in samenwerking met DG SAFE, snel via sms of e‑mail berichten kan versturen naar leden en personeelsleden die hun naam op een lijst hebben laten zetten om in specifieke noodsituaties te worden gewaarschuwd;

Directoraat-generaal Beveiliging en Veiligheid

111.  erkent het nieuwe, verbeterde systeem voor de organisatie van beveiligingstaken dat door de secretaris-generaal aan het Bureau is gepresenteerd in januari 2018; erkent bovendien dat dit nieuwe systeem rekening houdt met de specifieke rol en functie van beveiligingsbeambten; hoopt dat een open dialoog in stand kan worden gehouden, teneinde blijvend aandacht te schenken aan de vereisten van deze groep medewerkers die werkzaam zijn in een uiterst gespannen veiligheidsklimaat;

112.  is verheugd dat er onafgebroken werk is gemaakt van de beveiliging en veiligheid in en rond de gebouwen van het Parlement; beseft dat voor de beveiliging in het Parlement een subtiel evenwicht moet worden gezocht tussen enerzijds het nemen van een aantal beschermende maatregelen en anderzijds een al te zeer op beveiliging gericht systeem dat de werking van het Parlement vertraagt; dringt er niettemin op aan de beveiliging van de gebouwen van het Parlement verder te versterken en verzoekt de secretaris-generaal nogmaals ervoor te zorgen dat de personeelsleden naar behoren worden opgeleid en in staat zijn hun taken professioneel te vervullen, ook in noodsituaties;

113.  verzoekt het beveiligingspersoneel van DG SAFE in het geval van ontruiming grondig het gehele gebouw waarvoor zij verantwoordelijk zijn te controleren, om ervoor te zorgen dat dit daadwerkelijk is ontruimd en om slechthorenden of mensen met een andere handicap te helpen het gebouw te verlaten;

Milieuvriendelijk Parlement

114.  wijst er nogmaals op dat het Bureau op 19 april 2004 in het Parlement gestart is met het project van het milieubeheersysteem; merkt op dat het Bureau sinds 2016 een vernieuwd milieubeleid voert, waarin de toezegging van het Parlement voortdurend te streven naar verbeteringen ten behoeve van het milieu wordt gehandhaafd en opnieuw wordt bevestigd;

115.  prijst de verbintenis van het Parlement tot groene overheidsopdrachten; merkt op dat de leidraad voor de organisatie van groene aanbestedingsprocedures van het Parlement, die dient als hulpmiddel voor ordonnateurs van het Parlement om groene aanbestedingsprocedures met succes te organiseren, in juni 2016 werd goedgekeurd; is verheugd over de oprichting van de interinstitutionele helpdesk voor groene overheidsopdrachten; pleit voor een beoordeling van de invoering van criteria voor een verplichte raadpleging van de helpdesk voor groene overheidsopdrachten voor openbare aanbestedingen boven een bepaald bedrag en voor specifieke productcategorieën; neemt akte van de bouw van een groene muur in het Altiero Spinelli gebouw; is van mening dat de kosten ervan buitensporig zijn ten opzichte van de baten die de muur kan opleveren; wenst dat met het milieubeheersysteem naar oplossingen wordt gezocht die niet alleen een ecologisch element hebben, maar ook rendabel zijn;

116.  is verheugd over de installatie van drinkfonteinen en het nieuwe systeem van herbruikbare glazen kannen; merkt op dat er weinig ruchtbaarheid wordt gegeven aan de drinkfonteinen en dat ze nog ontbreken in de kantoren; betreurt het dat er, hoewel in de aanbesteding werd gevraagd om vermindering van kunststofafval, steeds meer maaltijden in wegwerpverpakkingen werden verkocht door de restauratiefaciliteiten van het Parlement; pleit voor transparantie rondom het kunststofafval van de restauratiefaciliteiten; merkt op dat het merk flessenwater dat tijdens de vergaderingen van het Parlement wordt uitgedeeld in minder dan twee jaar tijd drie keer is veranderd, en dat dit niet lijkt te stroken met de eerder aangekondigde duur van de aanbestedingen, terwijl de flessen nog steeds van kunststof zijn; erkent dat de Commissie drinkwaterflessen van kunststof heeft afgeschaft en verzoekt het Parlement in navolging daarvan een plan uit te werken, met name gezien zijn voorbeeldrol en in het licht van een beleidsinitiatief voor een Europese strategie voor kunststofafval;

117.  stelt vast dat het Bureau zijn steun heeft verleend aan een door de secretaris-generaal voorgesteld stappenplan, dat toewerkt naar een wagenpark van elektrische auto's; erkent dat aan het eind van 2017 de helft van alle auto's en minibussen van het wagenpark van het Parlement elektrisch oplaadbare of plug-in hybride voertuigen moeten zijn, alsmede dat vanaf 2018 alle voor het Parlement nieuw aangeschafte auto's elektrisch oplaadbaar of plug-in hybride moeten zijn; merkt op dat in 2020 alle auto's in het wagenpark van het Parlement elektrisch oplaadbare of plug-in hybride voertuigen moeten zijn, en dat dit in 2021 tevens voor alle minibussen van het Parlement moet gelden; benadrukt met klem dat een kosten-batenanalyse moet worden gemaakt voorafgaand aan iedere grootschalige vernieuwing van het wagenpark en dat de Commissie begrotingscontrole op de hoogte moet worden gesteld van de kosten-batenanalyse die voorafging aan de uitvoering van het stappenplan voor een wagenpark van elektrische auto's; vindt dat er meer moet worden gedaan om actieve mobiliteit te bevorderen, onder meer door aantrekkelijkere, toegankelijkere en beveiligde fietsenstallingen aan te bieden;

118.  verzoekt het Bureau zich niet te beperken tot elektrische auto's als milieuvriendelijkere oplossing, aangezien er vragen zijn gerezen over de productie ervan (waaronder de voldoende beschikbaarheid van de noodzakelijke natuurlijke hulpbronnen) en de verwijdering van accu's aan het eind van hun levenscyclus; betreurt het dat de leden niet zijn geïnformeerd over een analyse van alternatieve brandstoffen, zoals biobrandstoffen, synthetische brandstoffen of waterstofbrandstofcellen; onderstreept dat diversificatie van een milieuvriendelijk wagenpark de afhankelijkheid van één leverancier vermindert en mogelijke bevoorradingsproblemen in de toekomst kan tegengaan;

119.  merkt op dat het Parlement zich moet houden aan de geldende regionale en lokale wetten en verzoekt de diensten van het Parlement nader toe te lichten hoe het het Brusselse regionale wetboek, het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing heeft toegepast, met name op het gebied van parkeerplaatsen ten behoeve van werknemers;

120.  is in verband met het klimaat- en energiebeleid van de Unie voor 2030 en daarna ingenomen met aanvullende maatregelen ter compensatie van onvermijdelijke emissies; verzoekt het Parlement het beleid voor de compensatie van CO2-uitstoot verder te ontwikkelen;

Jaarverslag over gegunde opdrachten

121.  wijst er nogmaals op dat in het Financieel Reglement(12) en de uitvoeringsvoorschriften(13) is vastgelegd welke informatie dient te worden verstrekt aan de begrotingsautoriteit en aan het publiek inzake de gunning van opdrachten door de instelling; merkt op dat krachtens het Financieel Reglement de bekendmaking van gegunde opdrachten die een waarde vertegenwoordigen van meer dan 15 000 EUR, de drempelwaarde waarboven een mededingingsprocedure verplicht wordt, is vereist;

122.  merkt op dat van de 219 in 2016 gegunde opdrachten, 77 gebaseerd waren op openbare of niet-openbare procedures, met een waarde van 436 miljoen EUR, en 141 op onderhandelingsprocedures, met een totale waarde van 64 miljoen EUR; merkt op dat het totaal aantal op basis van onderhandelingsprocedures toegewezen contracten 14 % lager was in 2016 (141 tegenover 151 in 2015) met een afname in waarde van 29 % (64 miljoen EUR tegenover 90 miljoen EUR in 2015);

123.  neemt kennis van de onderstaande onderverdeling naar type van in 2016 en 2015 gegunde opdrachten:

Type contract

2016

2015

Aantal

Percentage

Aantal

Percentage

Diensten

Levering

Werkzaamheden

Gebouwen

169

36

13

1

77 %

16 %

6 %

1 %

194

34

18

8

77 %

13 %

7 %

3 %

Totaal

219

100 %

254

100 %

Type contract

2016

2015

Waarde (EUR)

Percentage

Waarde (EUR)

Percentage

Diensten

244 881 189

49 %

539 463 943

70 %

Levering

155 805 940

31 %

78 424 245

11 %

Werkzaamheden

97 640 851

19 %

92 889 168

12 %

Gebouwen

1 583 213

1 %

55 804 154

7 %

Totaal

499 911 194

100 %

766 581 510

100 %

(Jaarverslag van de door het Europees Parlement toegewezen contracten, 2016, blz. 6)

124.  neemt kennis van onderstaande onderverdeling naar type van gebruikte procedure van de in 2016 en 2015 gegunde opdrachten:

Soort procedure

2016

2015

Aantal

Percentage

Aantal

Percentage

Openbaar

Niet-openbaar

Door onderhandelingen

Mededinging

Buitengewoon

70

7

141

-

1

32 %

3%

64%

-

1%

93

10

151

-

-

37 %

4 %

59 %

-

-

Totaal

219

100 %

254

100 %

Soort procedure

2016

2015

Waarde (EUR)

Percentage

Waarde (EUR)

Percentage

Openbaar

Niet-openbaar

Door onderhandelingen

Mededinging

Buitengewoon

406 408 732

29 190 756

64 284 705

-

27 000

81 %

6 %

13 %

-

0 %

636 333 284

40 487 367

89 760 859

-

-

83 %

5 %

12 %

-

-

Totaal

499 911 194

100 %

766 581 510

100 %

(Jaarverslag van de door het Europees Parlement toegewezen contracten, 2016, blz. 8)

Fracties (begrotingspost 4 0 0)

125.  merkt op dat de voor 2016 op begrotingspost 4 0 0 opgenomen kredieten voor de fracties en de niet-fractiegebonden leden als volgt werden gebruikt:

Fractie

2016

2015

Jaarlijkse kredieten

Eigen middelen en overgedragen kredieten

Uitgaven

Gebruikmakingspercentage van de jaarlijkse kredieten

Overdrachten naar de volgende periode

Jaarlijkse kredieten

Eigen middelen en overgedragen kredieten

Uitgaven

Gebruikmakingspercentage van de jaarlijkse kredieten

Overdrachten naar de volgende periode

EVP

17 400

8 907

18 303

105,19 %

8 005

17 440

10 198

17 101

98,06 %

8 745

S&D

15 327

5 802

15 713

102,51 %

5 417

15 256

5 748

15 379

100,81 %

7 633

ECR

6 125

2 518

5 835

95,25 %

2 809

5 959

1 614

5 065

84,99 %

2 779

ALDE

5 759

2 366

6 448

111,98 %

1 676

5 692

2 517

5 865

103,03 %

2 839

GUE/NGL

4 340

1 729

4 662

107,43 %

1 407

4 305

1 256

3 832

89,02 %

2 156

Greens/EFA

4 180

1 557

3 921

93,82 %

1 815

4 153

1 293

3 890

93,67 %

2 078

EFDD

3 820

1 873

2 945

77,10 %

1 910

3 843

1 643

3 629

94,45 %

1 919

ENF**

-

-

-

-

-

1 587

0

827

52,09 %

793

Niet-fractiegebonden leden

772

216

616

79,90 %

257

1 627

533

1 001

61,51 %

214

Totaal***

57 723

24 968

58 443

101,25 %

23 296

59 860

24 803

56 588

94,53 %

29 155

*  Alle bedragen x 1000 EUR.

**  De definitieve bedragen van subsidiabele uitgaven van de ENF-Fractie zullen in een later stadium worden vastgesteld.

***  Het totaalbedrag is exclusief de bedragen met betrekking tot de ENF-Fractie.

126.  stelt met bezorgdheid vast dat, in het geval van één politieke fractie, de onafhankelijke extern controleur een verklaring onder voorbehoud heeft afgegeven; is met name bezorgd over het feit dat de controleur heeft vastgesteld dat de voorschriften voor het gebruik van kredieten uit begrotingspost 4 0 0 niet werden nageleefd in die gevallen waarbij kosten niet afdoende door bewijsstukken konden worden gestaafd, alsmede in het geval van aanbestedingsverplichtingen waaraan bij tien dienstverrichters niet werd voldaan;

127.  uit zijn bezorgdheid over het risico op reputatieschade voor het Parlement van zulke onregelmatigheden en is ervan overtuigd dat snelle en doeltreffende actie nodig is om soortgelijke onregelmatigheden in de toekomst aan te pakken en te voorkomen;

Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen

128.  merkt op dat de voor 2016 op begrotingspost 4 0 2 opgenomen kredieten voor politieke partijen als volgt werden gebruikt(14):

Partij

Afkor­ting

Eigen middelen

Subsidie EP

Totaal ontvangsten(15)

EP-subsidie als % van de subsidiabele uitgaven (max. 85 %)

Ontvangsten overschot (overgedragen naar reserves) of verlies

Europese Volkspartij

PPE

1 734

6 918

10 650

85 %

304

Europese Socialistische Partij

PSE

1 408

7 154

9 512

85 %

12

Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa

ALDE

611

2 337

3 162

85 %

88

Europese Groene Partij

EGP

502

1 795

2 587

85 %

78

Alliantie van Europese Conservatieven en Hervormers

AECR

472

2 292

3 232

85 %

-240

Partij van Europees Links

EL

335

1 594

2 119

85 %

25

Europese Democratische Partij

PDE

107

518

625

85 %

4

EUDemocraten

EUD

54

238

341

85 %

11

Europese Vrije Alliantie

EVA

158

777

1 008

85 %

5

Europese Christelijke Politieke Beweging

ECPM

109

493

665

85 %

0

Europese Alliantie voor Vrijheid

EAF

68

391

459

85 %

-40

Alliantie van Europese Nationale Bewegingen

AEMN

61

229

391

85 %

0

Beweging voor een Europa van Vrijheid en Democratie

MENL

189

785

1 020

85 %

0

Alliantie voor Vrede en Vrijheid

APF

62

329

391

85 %

-5

Totaal

 

5 870

25 850

36 160

85 %

242

 

129.  merkt op dat de voor 2016 op begrotingspost 4 0 3 opgenomen kredieten voor de politieke stichtingen als volgt werden gebruikt(16):

Stichting

Afkor­ting

Gelieerd aan partij

Eigen middelen

Definitieve subsidie EP

Totaal ontvangsten

EP-subsidie als % van de subsidiabele uitgaven (max. 85 %)

Wilfried Martens Centre for European Studies

WMCES

PPE

965 665

4 878 174

5 843 839

85 %

Foundation for European Progressive Studies

FEPS

PSE

1 041 910

4 430 253

5 472 163

84 %

European Liberal Forum

ELF

ALDE

248 996

1 126 430

1 375 426

85 %

Green European Foundation

GEF

EGP

204 866

1 090 124

1 294 990

85 %

Transform Europe

TE

EL

217 209

901 484

1 118 693

85 %

Institute of European Democrats

IED

PDE

50 690

272 033

322 724

85 %

Centre Maurits Coppieters

CMC

EVA

71 952

318 411

390 362

85 %

New Direction - Foundation for European Reform

ND

AECR

316 916

1 503 964

1 820 880

85 %

European Foundation for Freedom

EFF

EAF

41 923

226 828

268 751

85 %

Organisation For European Interstate Cooperation*

OEIC

EUD

21 702

126 727

148 429

99 %

Christian Political Foundation for Europe

SALLUX

ECPM

61 024

326 023

387 047

85 %

European Identities and Traditions

EIT

AEMN

37 896

184 685

222 581

85 %

Foundation for a Europe of Nations and Freedom

FENL

MENL

96 726

549 357

646 084

85 %

Europa Terra Nostra

ETN

APF

37 461

151 403

188 864

85 %

Totaal**

 

 

3 414 937

16 085 895

19 500 832

85 %

(*)  De definitieve subsidie voor OEIC bedraagt 99 % van de uitgaven, aangezien sommige uitgaven opnieuw zijn geclassificeerd als zijnde niet-subsidiabel, waardoor het totaal aan subsidiabele uitgaven is verlaagd.

(**)  De tabel bevat geen cijfers voor IDDE als gevolg van de stopzettingsprocedure van de subsidie uit 2016. Het besluit betreffende de subsidie is nog niet genomen.

 

 

 

 

 

 

130.  is verontrust over de recent vastgestelde onrechtmatigheden die hebben plaats gevonden met betrekking tot de uitgaven en de eigen middelen van een aantal Europese politieke partijen en stichtingen;

131.  uit zijn bezorgdheid over het risico op reputatieschade voor het Parlement van zulke onregelmatigheden en is ervan overtuigd dat snelle en doeltreffende actie nodig is om soortgelijke onregelmatigheden in de toekomst aan te pakken en te voorkomen; is echter van oordeel dat deze onregelmatigheden zich slechts bij een beperkt aantal politieke partijen en stichtingen hebben voorgedaan; is van mening dat die onregelmatigheden niet mogen leiden tot het in twijfel trekken van het financieel beheer van de andere politieke partijen en stichtingen; is van mening dat de mechanismen voor interne controle van het Parlement versterking behoeven;

132.  verzoekt de secretaris-generaal verslag te doen, tegen 1 mei dit jaar, aan de verantwoordelijke commissies van alle genomen maatregelen om misbruik van verstrekte subsidies tegen te gaan;

133.  wenst dat de onlangs ingestelde Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen na haar eerste jaar van activiteit, namelijk 2017, een voortgangsverslag aan het Parlement voorlegt; verzoekt de secretaris-generaal ervoor te zorgen dat de autoriteit de beschikking krijgt over alle noodzakelijke middelen om haar taken te vervullen;

134.  acht het noodzakelijk dat bij tewerkstelling door partijen en stichtingen de arbeidswetgeving en de sociale regelingen van de lidstaat waar de werkzaamheden worden verricht ten volle worden nageleefd; verzoekt deze ook bij de internecontroleactiviteiten te betrekken;

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

19.3.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

21

1

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Nedzhmi Ali, Inés Ayala Sender, Dennis de Jong, Tamás Deutsch, Luke Ming Flanagan, Ingeborg Gräßle, Jean-François Jalkh, Wolf Klinz, Arndt Kohn, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Petri Sarvamaa, Claudia Schmidt, Bart Staes, Marco Valli, Derek Vaughan, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Gerben-Jan Gerbrandy, Brian Hayes, Andrey Novakov, Miroslav Poche

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

John Howarth

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

21

+

ALDE

Nedzhmi Ali, Gerben-Jan Gerbrandy, Wolf Klinz

EFDD

Marco Valli

GUE/NGL

Luke Ming Flanagan, Dennis de Jong

PPE

Tamás Deutsch, Ingeborg Gräßle, Brian Hayes, Andrey Novakov, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Petri Sarvamaa, Claudia Schmidt, Joachim Zeller

S&D

Inés Ayala Sender, John Howarth, Arndt Kohn, Miroslav Poche, Derek Vaughan

VERTS/ALE

Benedek Jávor, Bart Staes

1

-

ENF

Jean-François Jalkh

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

PB L 48 van 24.2.2016.

(2)

PB C 323 van 28.9.2017, blz. 1.

(3)

PB C 266 van 11.8.2017, blz. 1.

(4)

PB C 322 van 28.9.2017, blz. 1.

(5)

PB C 322 van 28.9.2017, blz. 10.

(6)

PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(7)

PE 422.541/Bur.

(8)

Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020.

(9)

PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(10)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0114.

(11)

Aangenomen teksten, P8_TA_PROV(2017)0408.

(12)

Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2000 van de Raad (PB L 298 van 26.10.2000).

(13)

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB L 362 van 31.12.2012).

(14)

Alle bedragen x 1000 EUR.

(15)

Overeenkomstig artikel 125, lid 6, van het Financieel Reglement omvatten de inkomsten de overdrachten uit het voorgaande jaar.

(16)

Alle bedragen x 1000 EUR.

Laatst bijgewerkt op: 12 april 2018Juridische mededeling