Procedure : 2017/2146(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0123/2018

Ingediende teksten :

A8-0123/2018

Debatten :

PV 18/04/2018 - 10
CRE 18/04/2018 - 10

Stemmingen :

PV 18/04/2018 - 12.18

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0123

VERSLAG     
PDF 371kWORD 82k
27.3.2018
PE 612.030v02-00 A8-0123/2018

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2016

(2017/2146(DEC))

Commissie begrotingscontrole

Rapporteur: Barbara Kappel

1. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

1. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2016

(2017/2146(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de balansen en resultatenrekeningen van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2016 (COM(2017)0364 – C8‑257/2017),

–  gezien de financiële informatie over de Europese Ontwikkelingsfondsen (COM(2017)0299),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de activiteiten van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2016, tezamen met de antwoorden van de Commissie(1),

–  gezien de verklaring(2) van de Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbevelingen van de Raad van 20 februari 2018 inzake de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de verrichtingen van het Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2016 (05078/2018 – C8-0053/2018, 05079/2018 – C8-0054/2018, 05080/2018 – C8-0055/2018, 05082/2018 – C8-56/2018),

–  gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000(3) en gewijzigd te Ouagadougou (Burkina Faso) op 22 juni 2010(4),

–  gezien Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie ("LGO-besluit")(5),

–  gezien artikel 33 van het intern akkoord van 20 december 1995 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het tweede financieel protocol van de vierde ACS-EG-overeenkomst(6),

–  gezien artikel 32 van het intern akkoord van 18 september 2000 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het financieel protocol bij de partnerschapsovereenkomst tussen de staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000, en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het EG-Verdrag van toepassing zijn(7),

–  gezien artikel 11 van het intern akkoord van 17 juli 2006 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Gemeenschap binnen het meerjarig financieel kader voor 2008-2013 voor de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van deel vier van het EG-Verdrag van toepassing zijn(8),

–  gezien artikel 11 van het intern akkoord van 24 juni 2013 en 26 juni 2013 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Europese Unie binnen het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020 overeenkomstig de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst, en betreffende de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van deel vier van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn(9),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 74 van het Financieel Reglement van 16 juni 1998 van toepassing op de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering in het kader van de vierde ACS‑EG-overeenkomst(10),

–  gezien artikel 119 van het Financieel Reglement van 27 maart 2003 van toepassing op het negende Europees Ontwikkelingsfonds(11),

–  gezien artikel 50 van Verordening (EG) nr. 215/2008 van de Raad van 18 februari 2008 inzake het Financieel Reglement van toepassing op het tiende Europees Ontwikkelingsfonds(12),

–  gezien artikel 48 van Verordening (EU) 2015/323 van de Raad van 2 maart 2015 inzake het financieel reglement van toepassing op het elfde Europees Ontwikkelingsfonds(13),

–  gezien artikel 93, artikel 94, derde streepje, en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8‑0123/2018),

1.  verleent de Commissie kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2016;

2.  formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Rekenkamer en de Europese Investeringsbank, en te zorgen voor bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

2. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de afsluiting van de rekeningen van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2016

(2017/2146(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de balansen en resultatenrekeningen van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2016 (COM(2017)0364 – C8‑257/2017),

–  gezien de financiële informatie over de Europese Ontwikkelingsfondsen (COM(2017)0299),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de activiteiten van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2016, tezamen met de antwoorden van de Commissie(14),

–  gezien de verklaring(15) van de Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbevelingen van de Raad van 20 februari 2018 inzake de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de verrichtingen van het Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2016 (05078/2018 – C8‑0053/2018, 05079/2018 – C8‑0054/2018, 05080/2018 – C8‑0055/2018, 05082/2018 – C8‑56/2018),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow‑up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2017)0379),

–  gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000(16) en gewijzigd te Ouagadougou (Burkina Faso) op 22 juni 2010(17),

–  gezien Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie ("LGO-besluit")(18),

–  gezien artikel 33 van het intern akkoord van 20 december 1995 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het tweede financieel protocol van de vierde ACS-EG-overeenkomst(19),

–  gezien artikel 32 van het intern akkoord van 18 september 2000 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het financieel protocol bij de partnerschapsovereenkomst tussen de staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000, en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het EG-Verdrag van toepassing zijn(20),

–  gezien artikel 11 van het intern akkoord van 17 juli 2006 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Gemeenschap binnen het meerjarig financieel kader voor 2008-2013 voor de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van deel vier van het EG-Verdrag van toepassing zijn(21),

–  gezien artikel 11 van het intern akkoord van 24 juni 2013 en 26 juni 2013 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Europese Unie binnen het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020 overeenkomstig de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst, en betreffende de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van deel vier van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn(22),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 74 van het Financieel Reglement van 16 juni 1998 van toepassing op de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering in het kader van de vierde ACS-EG-overeenkomst(23),

–  gezien artikel 119 van het Financieel Reglement van 27 maart 2003 van toepassing op het negende Europees Ontwikkelingsfonds(24),

–  gezien artikel 50 van Verordening (EG) nr. 215/2008 van de Raad van 18 februari 2008 inzake het Financieel Reglement van toepassing op het tiende Europees Ontwikkelingsfonds(25),

–  gezien artikel 48 van Verordening (EU) 2015/323 van de Raad van 2 maart 2015 inzake het financieel reglement van toepassing op het elfde Europees Ontwikkelingsfonds(26),

–  gezien artikel 93, artikel 94, derde streepje, en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8‑0123/2018),

A.  overwegende dat het Parlement in het kader van de kwijtingsprocedure de nadruk wil leggen op het bijzondere belang van het verder versterken van de democratische legitimiteit van de instellingen van de Unie door de transparantie en de verantwoordingsplicht te vergroten, en het uitvoeren van het concept van resultaatgericht begroten en een goed personeelsbeheer;

1.  hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2016;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Rekenkamer en de Europese Investeringsbank, en te zorgen voor bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L‑serie).

3. ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2016

(2017/2146(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2016,

–  gezien artikel 93, artikel 94, derde streepje, en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8‑0123/2018),

A.  overwegende dat de belangrijkste doelstelling van de Overeenkomst van Cotonou, als het kader voor de betrekkingen van de Unie met landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS-landen) en de landen en gebieden overzee (LGO), het verminderen en uiteindelijk uitroeien van armoede is, in overeenstemming met de doelstellingen van duurzame ontwikkeling en de geleidelijke integratie van de ACS‑landen en de LGO in de wereldeconomie;

B.  overwegende dat de Europese Ontwikkelingsfondsen (EOF's) het belangrijkste financiële instrument van de Unie zijn voor ontwikkelingssamenwerking met de ACS‑landen en de LGO;

C.  overwegende dat de geschiedenis van de lidstaten maakt dat de Unie de verplichting heeft om bij te dragen aan ontwikkeling in de ACS-landen en om samen te werken met LGO, die verbonden zijn met de toekomst van de Unie om geopolitieke redenen, vanwege de globalisering en vanwege wereldwijde uitdagingen zoals de gevolgen van de klimaatverandering en demografische ontwikkelingen;

D.  overwegende dat de Commissie, als uitvoerend orgaan, verantwoording moet afleggen in het kader van de verlening van kwijting voor de uitvoering van de middelen uit de EOF's;

E.  overwegende dat de modellen van ontwikkelingshulp grondig worden veranderd door de opkomst van nieuwe mondiale uitdagingen, waardoor alle ontwikkelingshulpverleners nadenken over een nieuwe hulpbenadering en over een heroriëntering van het huidige kader voor externe hulp;

F.  overwegende dat de beginselen van duurzaamheid, beleidssamenhang en doeltreffendheid cruciaal zijn voor het formuleren van een nieuwe horizontale ontwikkelingsaanpak van de Unie teneinde de positieve impact van haar ontwikkelingshulp en ‑doelstellingen te vergroten;

G.  overwegende dat transparantie en verantwoordingsplicht voorwaarden zijn voor de democratische controle van het optreden van de Unie inzake ontwikkeling en voor de samenhang daarvan met de doelstellingen van andere actoren zoals lidstaten, internationale organisaties, internationale financiële instellingen of multilaterale ontwikkelingsbanken;

H.  overwegende dat effectieve coördinatie van groot belang is om het risico op versnippering van de hulp te verkleinen en te zorgen voor een zo coherent mogelijke impact en een zo groot mogelijke eigen inbreng van de partners over de ontwikkelingsprioriteiten;

I.  overwegende dat gezamenlijke ontwikkelingsfinanciering en ‑programma's moeten leiden tot gerichtere doelstellingen waarbij synergieën worden vastgesteld en informatie wordt gedeeld uit de resultatenkaders van de verschillende organisaties;

J.  overwegende dat het opzetten van nieuwe vormen van interventie, zoals gemengde financiering, investeringsmogelijkheden of ‑platformen en specifieke trustfondsen, een manier is om extra financiering aan te trekken boven op de officiële ontwikkelingshulp, mits wordt voldaan aan transparantievoorwaarden, sprake is van additionaliteit en positieve effecten ter plaatse worden gegenereerd;

K.  overwegende dat het cruciaal is de particuliere sector te mobiliseren en verdere investeringen aan te trekken, gezien het tekort aan financiering dat moet worden overbrugd om de ambitieuze ontwikkelingsdoelen te halen, om te zorgen voor de beste bouwstenen voor duurzame ontwikkeling in de ontvangende landen in overeenstemming met hun eigen administratieve capaciteit en binnen hun eigen maatschappelijke structuur;

L.  overwegende dat begrotingssteun weliswaar een belangrijke rol speelt bij het stimuleren van verandering en het aanpakken van de belangrijkste uitdagingen op ontwikkelingsgebied, maar ook een aanzienlijk fiduciair risico met zich meebrengt en alleen moet worden verleend als er sprake is van voldoende transparantie, traceerbaarheid en verantwoording, samen met een duidelijk engagement van de partnerlanden om het beleid te hervormen;

M.  overwegende dat ontwikkelingshulp wordt verleend in een complexe en kwetsbare geopolitieke context, die wordt gekenmerkt door bijvoorbeeld zwakke bestuurskaders, corruptie, sociale en economische instabiliteit, gewapende conflicten, crises en de nasleep daarvan met migratie of verdrijving tot gevolg, of gezondheidscrises;

N.  overwegende dat het Parlement herhaaldelijk heeft verzocht om de opname van de EOF-fondsen in de algemene begroting van de Unie;

Betrouwbaarheidsverklaring

Belangrijkste bevindingen met betrekking tot de financiële uitvoering in 2016

1.  is ingenomen met de doorlopende inspanningen van de diensten van de Commissie om het algemene financiële beheer van de EOF's inzake vastleggingen en betalingen met betrekking tot eerdere uitstaande voorfinanciering te verbeteren;

2.  merkt met name op dat het streefcijfer (een vermindering met 25 %) licht is overschreden voor de eerdere openstaande vastleggingen (28 %) en de eerdere niet‑uitgegeven vastleggingen (36 %);

3.  wijst voorts op de acties om openstaande verlopen overeenkomsten te verminderen en te beëindigen, aangezien vertragingen van langer dan 18 maanden na het verstrijken van de operationele periode een aanzienlijk risico op onregelmatigheden vormen, omdat de ondersteunende documentatie mogelijk niet meer voorhanden is en het personeel dat die overeenkomsten beheerde mogelijk niet meer in functie is en voldoende continuïteit van de verrichtingen dus niet kan worden gegarandeerd;

4.  merkt op dat het totale percentage aan verlopen overeenkomsten in de portefeuille van het directoraat-generaal Internationale Samenwerking en Ontwikkeling van de Commissie (DEVCO) eind 2016 neerkwam op 15,15 % tegenover een streefcijfer van 15 %; betreurt dat 1 058 (56 %) van de 1 896 verlopen overeenkomsten verband houden met het beheer van EOF-verrichtingen en dat de operationele periode van 156 van die 1 058 verlopen EOF-overeenkomsten meer dan vijf jaar geleden is verstreken, waarbij de 156 overeenkomsten een waarde van 323 miljoen EUR vertegenwoordigen;

5.  betreurt evenwel dat de toezichts- en controlesystemen door de Rekenkamer nog steeds werden beoordeeld als slechts ten dele doeltreffend;

Betrouwbaarheid van de EOF-rekeningen

6.  is ingenomen met het oordeel van de Rekenkamer dat de definitieve jaarrekening van het achtste, negende, tiende en elfde EOF voor het jaar 2016 een in elk materieel opzicht getrouw beeld van de financiële situatie van de EOF's per 31 december 2016 geeft, en dat de resultaten van hun verrichtingen, hun kasstromen en de veranderingen in de nettoactiva over het op die datum afgesloten jaar in overeenstemming zijn met de bepalingen van het financieel reglement van het EOF en de boekhoudregels die zijn gebaseerd op internationaal aanvaarde boekhoudnormen voor de publieke sector;

7.  dringt er bij de Commissie op aan het probleem op te lossen van de terugvorderingen van niet-uitgegeven voorfinanciering die ten onrechte waren geboekt als bedrijfsontvangsten, aangezien deze onjuiste boeking tot correcties ten bedrage van 3,2 miljoen EUR heeft geleid;

8.  betreurt dat deze coderingsfouten reeds sinds 2015 voorkomen bij het beheer van invorderingsopdrachten; merkt echter op dat DG DEVCO in 2016 zijn personeelsleden gedetailleerde instructies heeft gegeven over de juiste codering van invorderingsopdrachten van dit type;

Wettigheid en regelmatigheid van de EOF-verrichtingen

9.  is verheugd over het oordeel van de Rekenkamer dat de onderliggende ontvangsten bij de rekeningen voor het begrotingsjaar 2016 op alle materiële punten wettig en regelmatig zijn;

10.  herhaalt zijn bezorgdheid over het oordeel van de Rekenkamer ten aanzien van de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende betalingen bij de rekeningen die fouten van materieel belang vertonen;

11.  merkt op dat het foutenpercentage voor de onderliggende uitgaven bij de rekeningen van het achtste, negende, tiende en elfde EOF volgens de raming van de Rekenkamer in haar jaarverslag 3,3 % bedraagt, een lichte daling ten opzichte van 2014 en 2015 (3,8 %) en 2013 (3,4 %), tegenover 3 % in 2012;

12.  merkt op en betreurt dat 24 % van de onderzochte transacties (35 van de 143) fouten vertoonde; neemt kennis van de resultaten van de steekproeven ten aanzien van projecten, waarbij 35 van de 130 betalingen (27 %) fouten vertoonden, en met name van het feit dat het bij 26 van deze 35 betalingen (74 %) kwantificeerbare fouten betrof, terwijl 9 definitieve verrichtingen zijn goedgekeurd nadat alle controles vooraf waren uitgevoerd;

13.  merkt met bezorgdheid op dat de diensten van de Commissie in twee gevallen van kwantificeerbare fouten over voldoende informatie in hun beheersystemen beschikten om de fouten te kunnen voorkomen, opsporen of corrigeren alvorens de uitgaven te accepteren, dat dit leidde tot een directe stijging van het geraamde foutenpercentage, dat anders 0,7 procentpunt lager zou liggen, en dat vijf verrichtingen met fouten niet werden ontdekt door externe controleurs of toezichthouders;

14.  merkt op dat op het gebied van begrotingssteun en op het gebied waar de hypothetische aanpak wordt toegepast bij de uitvoering van multidonorprojecten door internationale organisaties, de aard van de financiering en de betalingsvoorwaarden de mate beperken waarin deze verrichtingen vatbaar zijn voor fouten; herhaalt zijn bezorgdheid over het samenvoegen van Uniemiddelen met de financiering van andere donoren – met name over het feit dat de Uniemiddelen niet zijn geoormerkt voor specifiek identificeerbare uitgavenposten – en over de beperkingen van de controlewerkzaamheden van de Rekenkamer die voortvloeien uit de toepassing van de hypothetische aanpak;

15.  is bezorgd over de aanhoudende, hardnekkige fouten, in het bijzonder op het gebied van openbare aanbestedingen, ondanks de achtereenvolgende corrigerende actieplannen, zoals niet-naleving van de aanbestedingsvoorschriften, waarbij in een geval dienstenovereenkomsten werden gegund zonder selectieprocedure op basis van mededinging, niet-gedane uitgaven, niet-subsidiabele uitgaven of een gebrek aan ondersteunende documenten; merkt op dat die fouten ook betrekking hadden op transacties in verband met programmaramingen, subsidies en bijdrageovereenkomsten tussen de Commissie en internationale organisaties; verzoekt de Commissie onverwijld de tekortkomingen op het gebied van contractbeheer, selectieprocedures, documentenbeheer en het aanbestedingssysteem, aan te pakken;

16.  dringt er opnieuw bij de Commissie op aan haar inspanningen op deze specifieke samenwerkingsgebieden te intensiveren door het bestaande corrigerende actieplan te verfijnen, met name wanneer kwantificeerbare fouten duiden op tekortkomingen in de controles door internationale organisaties op naleving van contractuele bepalingen, als onderdeel van de algemene inspanning om de methoden voor risicobeheer te verbeteren en de monitoringsystemen en de bedrijfscontinuïteit te versterken;

17.  verzoekt DG DEVCO om de nodige aandacht te besteden aan de codering en monitoring van de betalingen om de gestelde termijnen in het financiële circuit en de werkprocedures te eerbiedigen;

Doeltreffendheid van het controlekader

18.  is verheugd over de aanhoudende inspanningen van DG DEVCO om de tenuitvoerlegging van zijn beheerskader te verbeteren, en in het bijzonder over de gerichte aanpak voor hoogrisicogebieden met betrekking tot middelen onder indirect beheer van internationale organisaties en ontwikkelingsorganisaties en subsidies onder direct beheer; neemt nota van de uitbreiding van het voorbehoud naar subsidies en programmaramingen onder indirect beheer;

19.  erkent dat de tenuitvoerlegging van ontwikkelingshulp vaak plaatsvindt in moeilijke, onstabiele of kritieke omstandigheden die foutgevoelig zijn;

20.  herhaalt zijn oproep om doorlopend aandacht te besteden aan de aanhoudende tekortkomingen in de uitvoering van essentiële controlestappen, te weten de kwetsbaarheid van de controles die voorafgaand aan projectbetalingen worden verricht en van externe controles van de uitgaven; merkt op dat DG DEVCO momenteel aan een herziening werkt van het mandaat voor de controles en verificaties om informatie te verkrijgen waarmee een kwaliteitsbeoordeling kan worden gemaakt;

21.  juicht toe dat de studie naar het restfoutenpercentage (RFP) voor het vijfde jaar op rij werd verricht overeenkomstig de RFP-methodologie en daarom voortaan een bouwsteen is in de zekerheidsopbouw van DG DEVCO;

22.  juicht toe dat DG DEVCO alle door de Europese Rekenkamer in 2013 opgemerkte tekortkomingen heeft aangepakt, maar merkt op dat de specifieke ramingsmethode voor het restfoutenpercentage nog altijd een te ruime marge laat voor afzonderlijke foutenpercentages;

23.  neemt er met belangstelling kennis van dat in de RFP-studie van 2016 het RFP voor het eerst werd geraamd op 1,7 %, onder de materialiteitsdrempel van 2 %, waarmee de neerwaartse trend sinds 2014 wordt bevestigd en waarbij een bedrag van 105 miljoen EUR (1,9 % van de uitgaven in 2016) risico loopt, tegenover een corrigerend vermogen – of geraamde toekomstige correcties – ten belope van 25 miljoen EUR (24 %), zonder evenwel de tekortkomingen te vergeten die zijn vastgesteld bij de registratie van invorderingsopdrachten in het boekhoudsysteem; meent evenwel dat voortdurend bijzondere aandacht moet worden besteed aan verrichtingen voor begrotingssteun gelet op het hoge inherente risico daarvan;

24.  herhaalt zijn steun voor een overgang van een algemeen voorbehoud naar gedifferentieerde voorbehouden, waarom het Parlement in zijn eerdere EOF-resoluties verzocht, om de inventarisatie van de betrouwbaarheid van de verschillende operationele processen geleidelijk te versterken, met (i) een voorbehoud op basis van de foutenpercentages van de volgende vier grootste risicogebieden – subsidies onder direct en indirect beheer, indirect beheer door internationale organisaties en ontwikkelingsorganisaties en programmaramingen – en (ii) een specifiek, hernieuwd voorbehoud voor de Vredesfaciliteit voor Afrika (African Peace Facility, APF); moedigt de Commissie aan haar beheersprocessen te blijven verfijnen, rekening houdend met risico's en financiële volumes en, indien noodzakelijk, bijkomende voorwaarden toe te voegen;

25.  steunt dat de Commissie haar voorbehoud ten aanzien van de APF, met betrekking tot het bestuur en de rapportage over corrigerende maatregelen bij het beheer van de middelen, heeft aangehouden; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om zich in het kader van de pijlerbeoordeling te blijven inzetten voor een sterker controlesysteem voor het beheer en de operationele monitoring van de APF teneinde de EOF's te beschermen tegen onwettige en onregelmatige uitgaven; verzoekt de Commissie om de ontwikkeling en de doeltreffendheid van de corrigerende maatregelen op overeenkomstniveau te blijven verbeteren;

26.  merkt op dat 14,16 miljoen EUR is teruggevorderd in verband met de terugbetaling van onverschuldigde betalingen wegens onregelmatigheden en fouten;

27.  merkt op dat de kosten voor controles neerkwamen op 280,17 miljoen EUR, oftewel 4,26 % van de totale betalingen die in 2016 door DG DEVCO werden gedaan; meent in dit verband dat regelmatig aandacht moet worden besteed aan de algemene doeltreffendheid van het kader van controleactiviteiten en de complementariteit ervan met beginselen inzake goed bestuur om voldoende garanties te bieden;

28.  acht het noodzakelijk om een samenhangende controlestrategie aan te houden waarin een evenwicht bestaat tussen het absorptievermogen van de partnerlanden, eerbiediging van de nalevingsbepalingen en de prestatiedoelen, hetgeen terdege in aanmerking moet worden genomen bij het beheer van de verschillende hulpoperaties en wijzen van steunverlening;

29.  is van mening dat voor infrastructuurprojecten die door de EOF's zijn gefinancierd een onafhankelijke ex-antebeoordeling waarbij rekening wordt gehouden met de sociale en milieugevolgen en de meerwaarde van de projecten, van essentieel belang is;

Monitoring van en verslaglegging over de prestaties van DG DEVCO met het oog op het halen van zijn doelstellingen

30.  verzoekt DG DEVCO om zijn regelingen inzake monitoring van en verslaglegging over de prestaties aanzienlijk te verbeteren om ervoor te zorgen dat de in de verschillende prestatiesystemen vastgestelde kernindicatoren systematisch en regelmatig worden gemonitord en dat het hogere management tijdig de beschikking krijgt over passende en betrouwbare informatie; herhaalt dat bij de beoordeling van ontwikkelingsdoelstellingen rekening moet worden gehouden met sociale en milieuaspecten, alsmede met economische aspecten;

31.  meent dat de frequentie van de monitoring en de verslaglegging moet worden bepaald op basis van de aard van de te monitoren doelstellingen, het type indicator en de verzamelmethoden, alsmede op basis van de behoeften op het gebied van monitoring en verslaglegging;

32.  spoort DG DEVCO aan om samen met andere belanghebbenden op het gebied van de externe betrekkingen zijn communicatiestrategie en ‑instrumenten verder te ontwikkelen door de belangrijkste resultaten voor het voetlicht te brengen, en de algehele zichtbaarheid van door het EOF ondersteunde projecten verder te vergroten om een breder publiek te bereiken door het verstrekken van relevante informatie over de bijdrage van de Unie aan wereldwijde uitdagingen;

33.  beschouwt de 86 toezichtsverslagen externe steun waarin de Uniedelegaties over de vorderingen rapporteren als een nuttige bijdrage aan de verantwoordingsketen en aan de prestatiemeting van elke Uniedelegatie, en onderstreept tegelijkertijd dat de in die verslagen gebruikte gegevens betrouwbaar moeten zijn; wijst op de positieve trend bij DG DEVCO wat de prestaties van de Uniedelegaties betreft: voor 21 van de 24 kernprestatie-indicatoren werden de streefcijfers in 2016 gehaald (tegenover 20 in 2015 en 15 in 2014), met uitzondering van drie kernprestatie-indicatoren met betrekking tot "de nauwkeurigheid van financiële prognoses met het oog op beslissingen", "het percentage betalingen dat binnen de termijn van dertig dagen wordt verricht" en "de naleving van de flexibiliteitsregelingen inzake de inzet van personeel in EU-delegaties";

34.  is evenwel bezorgd dat 980 van de 3 151 projecten (31 %) als problematisch zijn aangemerkt en dat zes Uniedelegaties zich nog onder de benchmark van 60 % groene kernprestatie-indicatoren bevinden; verzoekt de diensten van de Commissie om de Uniedelegaties die de drempel van 60 % onlangs hebben gehaald of net boven deze drempel zitten nauwlettend te volgen om de trendanalyse voor Uniedelegaties te kunnen verfijnen en consolideren;

35.  verzoekt DG DEVCO de mogelijkheid te overwegen om de benchmark van 60 % te herzien of op te waarderen; herhaalt dat ook de definitie van bepaalde kernprestatie-indicatoren kan worden herzien, naargelang de aard van de vastgestelde problematiek of de risico-omgeving waardoor elke Uniedelegatie wordt gekenmerkt, om verdere ruimte voor verbetering te vinden;

36.  wijst erop hoe belangrijk het is te zorgen voor goed afgestemde programma's die niet te ambitieus zijn, zodat de verwachte resultaten van de hulp niet in gevaar komen; verzoekt DG DEVCO naar aanleiding van de monitoring van de prestaties van de Uniedelegaties om in die delegaties een realistische planning van projecten te handhaven;

37.  acht het van wezenlijk belang om de delegatiehoofden tijdens regionale of ad‑hocseminars regelmatig te herinneren aan hun cruciale rol bij de consolidering van de verantwoordingsketen van DG DEVCO en hun algehele verantwoordingsplicht inzake het beheer van de projectportfolio's, waarbij de verschillende onderdelen die waarschijnlijk tot de afgifte van een voorbehoud leiden toereikend moeten worden beoordeeld en gewogen, in aanvulling op hun politieke taken; merkt op dat geen enkele Uniedelegatie in 2016 een voorbehoud heeft gemaakt in haar toezichtsverslag externe steun;

38.  verzoekt de Commissie onmiddellijk verslag uit te brengen over de specifieke corrigerende maatregelen die worden genomen wanneer een project twee opeenvolgende jaren als "rood" is aangemerkt om de oorspronkelijke projectopzet spoedig te herbeoordelen, middelen toe te wijzen aan levensvatbaardere projecten en behoeften, of zelfs te overwegen het project te beëindigen;

Toezicht en beheer van EU-trustfondsen

Complementariteit en impact

39.  benadrukt dat samenhang en complementariteit van financieringsinstrumenten voor ontwikkeling met de strategie van de EOF's en met de overkoepelende doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid van de Unie voortdurend moeten worden gewaarborgd;

40.  erkent dat de EU-trustfondsen zijn opgezet om te voorzien in een snelle politieke reactie op het middelengebrek in bepaalde kritieke situaties of ernstige crises, zoals de migratiecrisis, of op de noodzaak om noodhulp, herstel en ontwikkeling aan elkaar te koppelen;

41.  begrijpt dat specifieke EU-trustfondsen in dergelijke omstandigheden flexibiliteit en een reeks mogelijkheden bieden waarbij geografische en thematische interventies worden gecombineerd aan de hand van verschillende kanalen;

42.  benadrukt echter dat de Commissie moet waarborgen dat dergelijke trustfondsen waarde toevoegen aan bestaande acties en bijdragen aan een betere zichtbaarheid van het externe optreden en de zachte macht van de Unie, en dat overlapping met andere financiële instrumenten wordt voorkomen;

43.  merkt op dat van de totale toezeggingen voor alle EU-trustfondsen (5,026 miljard EUR eind november 2017) 2,403 miljard EUR afkomstig is uit de EOF's, waarbij 2,290 miljard EUR is toegezegd voor het EU-noodtrustfonds voor Afrika en 113 miljoen EUR voor het EU-trustfonds Bêkou voor de Centraal-Afrikaanse Republiek;

44.  herinnert evenwel aan de hoge risico's die inherent zijn aan die ontwikkelingsinstrumenten en aan de tot op heden gemengde ervaringen bij de tenuitvoerlegging ervan; herhaalt dat moet worden gezorgd voor maximale transparantie bij en rekenschap over het gebruik van die instrumenten;

45.  is ingenomen met Speciaal verslag nr. 11/2017 van de Rekenkamer over het Bêkou-trustfonds; erkent dat het Bêkou-trustfonds ondanks enkele tekortkomingen hoopvol van start is gegaan en merkt op dat de oprichting van een trustfonds een snelle reactie was op de noodzaak om noodhulp, herstel en ontwikkeling aan elkaar te koppelen; verzoekt de Commissie de aanbevelingen van de Rekenkamer op te volgen om richtsnoeren te ontwikkelen voor de keuze van een steunconstructie (trustfondsen of andere constructies); is van mening dat deze richtsnoeren een afspiegeling moeten zijn van de mogelijke risico's en nadelen van het gebruik van trustfondsen en de gemengde ervaringen in aanmerking moeten nemen die tot dusver zijn opgedaan met het gebruik ervan; betreurt dat het Bêkou-trustfonds de algemene coördinatie tussen de donoren niet aanzienlijk heeft verbeterd;

46.  roept op tot de vaststelling van goede praktijken om bij te dragen tot een betere coördinatie van de bilaterale hulp en steunconstructies van de verschillende donoren;

47.  herinnert eraan dat de EU-trustfondsen voor additionaliteit moeten zorgen, met name om op passende wijze te voorzien in de behoeften en prioriteiten van partnerlanden waar een conflict of een ramp heeft plaatsgevonden, waarbij de focus moet liggen op de terreinen met de grootste meerwaarde en strategische impact;

48.  meent dat EU-trustfondsen waarmee één land wordt ondersteund of waarmee programma's voor meerdere landen worden ondersteund, doeltreffender zijn wanneer zij zijn voorzien van een formele en samenhangende bestuursstructuur die de stem van belanghebbenden, waarden en gedeelde resultatenkaders kan bevorderen;

49.  acht het van wezenlijk belang dat de EU-trustfondsen tot doel hebben om aanvullende middelen aan te trekken bij de lidstaten, de particuliere sector en andere donoren;

50.  wijst erop dat de selectiviteit, het toezicht en de verantwoordingsplicht inzake de resultaten die met de EU-trustfondsen worden behaald, moeten worden verdiept in partnerschapsprogramma's en gebaseerd moeten zijn op een voorlopige beoordeling van de comparatieve voordelen van EU-trustfondsen in vergelijking met andere hulpkanalen; brengt in herinnering dat volledige transparantie en toegang tot gegevens moet worden gewaarborgd, evenals duidelijke regels voor toezicht en controle;

Het Bêkou-trustfonds

51.  is ingenomen met de instelling van het Bêkou-trustfonds en de bijdrage daarvan aan de internationale reactie op de crisis in de Centraal-Afrikaanse Republiek; erkent dat dit eerste trustfonds in tal van opzichten als een belangrijk proefproject kan worden beschouwd en dat het nodig is nauwkeurigere richtsnoeren te ontwikkelen voor de systemische kwesties van donorcoördinatie, toezicht en evaluatie aan de hand van een systematischere benadering om garanties te verkrijgen;

52.  is van mening dat er meer tijd nodig is om de doeltreffendheid van het Bêkou-trustfonds naar behoren te beoordelen en om meer lessen te trekken uit de operationele tenuitvoerlegging ervan;

53.  is van mening dat ook bijzondere aandacht moet worden besteed aan de doeltreffendheid en de politieke governance van EU-trustfondsen en aan het gebrek aan garanties en toezicht op het uiteindelijke gebruik van de toegewezen middelen;

54.  is van mening dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de beperkte invloed van het Bêkou-trustfonds op de coördinatie tussen de belanghebbenden en dat de Commissie alles in het werk moet stellen om gebruik te maken van de reeds opgedane ervaringen bij de activiteiten van de EOF's op gebieden zoals de uitvoering en coördinatie van het beheer van investeringen door meerdere partijen en eigendom van de resultaten;

55.  vindt het zorgwekkend dat de bijdragen van de lidstaten aan het Bêkou-trustfonds tot op heden relatief gering zijn; roept de lidstaten op tot grotere betrokkenheid om ervoor te zorgen dat het Bêkou-trustfonds de verwachte beleidsdoelstellingen verwezenlijkt;

56.  meent dat de nodige aandacht moet worden besteed aan het beheer van de administratieve kosten afgezet tegen de totale bijdragen, aan het berekenen van de totale beheerskosten en aan het vinden van manieren om het aandeel van de toegewezen hulp dat bij de eindbegunstigden terechtkomt, te maximaliseren;

57.  verzoekt de Commissie om omvattende controlemechanismen in te stellen om politieke controle door het Parlement op de governance, het beheer en de uitvoering van deze nieuwe instrumenten in het kader van de kwijtingsprocedure mogelijk te maken; acht het belangrijk om specifieke toezichtsstrategieën voor EU-trustfondsen te ontwikkelen, met specifieke doelstellingen, streefdoelen en evaluaties;

Uitvoering van begrotingssteunactiviteiten

Subsidiabiliteit en inherente risico's

58.  merkt op dat de betalingen voor uit de EOF's gefinancierde begrotingssteun in 2016 644 miljoen EUR bedroegen; merkt op dat er in 2016 in het kader van de EOF's 109 begrotingssteunmaatregelen liepen, waarbij 56 keer een uitbetaling werd gedaan;

59.  onderkent de flexibiliteit van de Commissie bij haar beoordeling of is voldaan aan de algemene subsidiabiliteitscriteria om middelen uit te keren aan het partnerland (een gedifferentieerde en dynamische benadering van subsidiabiliteit) vanwege de brede interpretatie van de wettelijke bepalingen, en is bezorgd over het uiteindelijke gebruik van de uitgekeerde middelen en over de gebrekkige opspoorbaarheid wanneer de middelen van de Unie worden samengevoegd met de begrotingsmiddelen van het partnerland;

60.  dringt er bij de Commissie op aan de resultaatgerichte begrotingssteun uit te breiden door beter te definiëren welke ontwikkelingsresultaten voor alle begrotingssteunprogramma's en sectoren behaald moeten worden, en bovenal de mechanismen te versterken voor het toezicht op het gedrag van de ontvangende landen op het gebied van corruptie, de eerbiediging van de mensenrechten, de rechtsstaat en de democratie; spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over het mogelijke gebruik van begrotingssteun in landen met een gebrekkige democratische controle, ofwel vanwege het ontbreken van een functionerende parlementaire democratie en van vrijheden voor maatschappelijke organisaties en de media, of vanwege een gebrek aan capaciteit van met controle belaste organen; roept op tot de oprichting van een corruptievrije uitgavenprocedure; is van mening dat prioriteit gegeven moet worden aan het koppelen van deze steun aan een doeltreffende bestrijding van corruptie in landen die begrotingssteun ontvangen;

61.  brengt in herinnering dat het risico op het wegsluizen van middelen hoog blijft en dat het beheer en de hervorming van de overheidsfinanciën vaak gepaard gaan met een corruptie- en frauderisico; herhaalt dat grondiger moet worden gekeken naar de risico's in het kader van de beleidsdialoog en het ontwerpen van een strategie voor toekomstige overeenkomsten voor begrotingssteun, met name om te beoordelen in hoeverre overheden bereid en in staat zijn om hervormingen af te dwingen; wijst erop dat de risico's en de resultaten van de controles vooraf en achteraf zorgvuldig moeten worden gevolgd;

62.  verzoekt de Commissie echter om ervoor te zorgen dat de begrotingssteun en de uitbetaling van middelen wordt herzien, nagelaten, verminderd of stopgezet wanneer duidelijke en oorspronkelijke doelstellingen en toezeggingen niet worden waargemaakt en/of wanneer het politieke en financiële belang van de Unie op het spel staat;

63.  herhaalt dat de EOF's maximale openheid en transparantie moeten bieden; steunt de openbaarmaking van relevante begrotingsinformatie met betrekking tot programma's voor begrotingssteun teneinde de transparantie en verantwoordingsplicht van en jegens alle belanghebbenden, onder wie burgers, te vergroten;

Begrotingssteun ter verbetering van de mobilisering van binnenlandse inkomsten in Afrika ten zuiden van de Sahara

64.  benadrukt het belang van de mobilisering van binnenlandse inkomsten in landen met een lager ontwikkelingsniveau aangezien deze de afhankelijkheid van ontwikkelingssteun doet afnemen, tot een beter openbaar bestuur leidt en van essentieel belang is voor de staatsopbouw; dringt erop aan in overeenkomsten op het gebied van goed bestuur en ontwikkeling het gebruik te versterken van specifieke uitbetalingsvoorwaarden voor mobilisering van binnenlandse inkomsten;

65.  wijst erop dat de Commissie de overeenkomsten voor begrotingssteun nog niet doeltreffend heeft gebruikt om de mobilisering van binnenlandse inkomsten te ondersteunen in laag- of lagermiddeninkomenslanden in Afrika ten zuiden van de Sahara; stelt evenwel vast dat de nieuwe aanpak van de Commissie het potentieel van deze vorm van hulpverlening voor de doeltreffende ondersteuning van de mobilisering van binnenlandse inkomsten heeft vergroot; verzoekt de Commissie om in haar verslagen inzake begrotingssteun meer informatie te verstrekken over het gebruik van overeenkomsten voor begrotingssteun voor de mobilisering van binnenlandse inkomsten;

66.  onderstreept dat sterkere belastingstelsels niet alleen bijdragen tot meer voorspelbare inkomsten maar ook tot meer verantwoordingsplicht vanwege regeringen doordat er een rechtstreekse band ontstaat tussen de belastingbetalers en hun regering; ondersteunt dat de verbetering van de mobilisering van binnenlandse inkomsten uitdrukkelijk is opgenomen in de lijst van de Commissie met de belangrijkste uitdagingen op het gebied van ontwikkeling die via begrotingssteun worden aangepakt;

67.  wijst op de problematiek van belastingontwijking, belastingontduiking en illegale financiële stromen; verzoekt de Commissie om zich aan haar richtsnoeren te houden wanneer zij macro-economische beoordelingen en beoordelingen inzake het beheer van de overheidsfinanciën verricht met betrekking tot aspecten die verband houden met de mobilisering van binnenlandse inkomsten, teneinde een beter beeld te krijgen van de grootste problemen, bijv. de schaal van belastingprikkels, verrekenprijzen en belastingontduiking;

68.  verzoekt de Commissie verder haar inspanningen ter bestrijding van belastingontduiking en belastingmisbruik op te voeren door haar financiële steun aan op een zwarte lijst geplaatste belastingparadijzen door middel van de EOF's te verminderen om de landen op een dergelijke lijst die onrechtmatige fiscale praktijken aanmoedigen, aan te sporen aan de criteria voor eerlijke belastingen van de Unie te voldoen;

69.  wijst op een tekort aan passende monitoringinstrumenten om te beoordelen in welke mate de begrotingssteun heeft bijgedragen tot algehele verbeteringen in de mobilisering van binnenlandse inkomsten;

70.  is van mening dat het van essentieel belang is op het gebied van belastingbeleid eerlijke en transparante binnenlandse belastingstelsels te blijven bevorderen, op het gebied van natuurlijke hulpbronnen de steun op te voeren voor toezichtprocessen en ‑organen, en bestuurshervormingen ter bevordering van duurzame en transparante exploitatie van natuurlijke hulpbronnen te blijven ondersteunen;

71.  onderstreept dat specifieke voorwaarden voor de mobilisering van binnenlandse inkomsten vaker moeten worden toegepast, aangezien deze de uitbetaling van begrotingssteun duidelijk koppelen aan de vorderingen van het partnerland op het gebied van hervormingen inzake mobilisering van binnenlandse inkomsten;

72.  spoort de Commissie ertoe aan het onderdeel capaciteitsopbouw van de begrotingssteun uit te breiden, aangezien dit onderdeel stevige grondslagen legt voor een economische en sociale transformatie op lange termijn en een aantal belangrijke belemmeringen voor de efficiënte inning van overheidsinkomsten uit de weg ruimt;

73.  verzoekt de Commissie om voor alle bestaande en toekomstige overeenkomsten voor begrotingssteun met een onderdeel betreffende capaciteitsontwikkeling dat bestemd is voor de mobilisering van binnenlandse inkomsten het bewustzijn bij de partnerlanden van de beschikbaarheid van deze steun te verhogen en het gebruik ervan te vergemakkelijken, met name om behoeften op het gebied van capaciteitsontwikkeling te vervullen waarin andere donoren nog niet voorzien;

Behoefte aan meer samenwerking met internationale organisaties

74.  merkt op dat de EOF-betalingen aan multidonorprojecten die in 2016 werden uitgevoerd door internationale organisaties 914 miljoen EUR bedroegen;

75.  meent dat de multilaterale financiële instellingen voor ontwikkeling het gebruik van gemengde financiering doeltreffender moeten maken, met name wat betreft de additionaliteit;

76.  benadrukt dat de multilaterale ontwikkelingsbanken op een gecoördineerde en geharmoniseerde manier moeten bijdragen aan de sectorale financiering van de ambitieuze doelstellingen voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties voor 2030, met name door doeltreffend gebruik te maken van gemengde financiering en door particuliere financiering aan te trekken om de hulpfinanciering efficiënter te maken en de impact ervan te vergroten;

77.  moedigt de Commissie aan meer gebruik te maken van het microfinancieringsinstrument, dat wordt beschouwd als een substantieel en doeltreffend instrument ter bestrijding van armoede en ter ondersteuning van lokale economieën;

78.  herinnert aan de noodzaak voor de financiële instrumenten van het EOF om verdere investeringen van de particuliere sector aan te trekken; moedigt de Commissie aan een actieplan op te stellen om op deze behoefte in te spelen en de kwijtingautoriteit van de geboekte vooruitgang op de hoogte te houden;

79.  verzoekt de Commissie om het tweeledige doel van transparantie en zichtbaarheid van de Unie te realiseren en om in haar volgende verslag nadere informatie te verstrekken over de met Uniemiddelen beheerde projecten; meent dat de dialoog met de Verenigde Naties en de Wereldbankgroep verder moet worden verdiept om de gezamenlijke samenwerkingsinstrumenten transparanter te maken en te vereenvoudigen;

80.  verzoekt de Commissie niet alleen de gegevens betreffende de financiering van ngo's openbaar te maken, maar ook de gedetailleerde verslagen betreffende de gefinancierde projecten; uit zijn bezorgdheid over de recente beschuldigingen van wangedrag jegens enkele ngo's; verzoekt de Commissie de ontwikkeling van de situatie actief te volgen en, indien noodzakelijk, de toekenning van financiering opnieuw te beoordelen;

Aanpak van nieuwe mondiale ontwikkelingsprioriteiten

Operationele uitdagingen en nieuwe stimulansen

81.  erkent dat er nieuwe modellen voor het ontwerpen van ontwikkelingshulpinstrumenten en de bijbehorende voorwaarden moeten worden ontwikkeld, overeenkomstig de toezeggingen in het kader van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling en de nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling, om te reageren op nieuwe kritieke kenmerken zoals de koppeling tussen humanitaire en ontwikkelingshulp, tussen ontwikkeling, migratie en mobiliteit, de samenhang met klimaatverandering en de koppeling tussen vrede en veiligheid;

82.  benadrukt dat gezien de financieringskloof die vereist is om de ambitieuze doelstellingen voor duurzame ontwikkeling te behalen, de particuliere sector een cruciale rol kan spelen; merkt op dat gemengde financiering een nuttig instrument kan zijn voor het vrijmaken van aanvullende middelen, voor zover het gebruik ervan naar behoren gerechtvaardigd is, de toegevoegde waarde ervan is aangetoond en zij voldoet aan de beginselen inzake de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp;

83.  onderstreept echter dat de EOF's hun toepassingsgebied niet mogen overschrijden, dat de totstandbrenging van een nieuwe koppeling om op nieuwe uitdagingen in te spelen niet ten koste mag gaan van de verwezenlijking van andere ontwikkelingsdoelen en dat de invoering ervan gepaard moet gaan met nauwkeurige, duidelijke en transparante regels, die moeten worden vastgesteld op basis van objectieve en niet-discriminerende door de Commissie vastgelegde criteria;

84.  acht het van cruciaal belang om de coördinatie en synergie tussen de steun van verschillende donoren en hulpinstrumenten te verbeteren; verzoekt de verschillende belanghebbenden om de kwaliteit van de operationele resultatenkaders en de ontwikkelingsresultaten ter plekke te verbeteren;

85.  erkent de operationele moeilijkheden of uitdagingen die zich met name bij het creëren van consensus voordoen, in het bijzonder wanneer coördinatie tussen een groot aantal donoren plaatsvindt in een veranderende, complexe context met veranderende behoeften;

86.  is van mening dat investeringen in kwetsbare landen een kernprioriteit van het optreden van de Unie moeten blijven, waarbij de toepassing van een nuchtere monitoringsaanpak zo nodig kan leiden tot stopzetting van de financiering; meent dat het verrichten en delen van resultaatbeoordelingen met betrekking tot kwetsbare landen of landen waar zich een conflict afspeelt, moet worden versterkt;

87.  steunt de inspanningen om de problemen inzake de duurzaamheid van ontwikkelingsresultaten aan te pakken wanneer de mobilisering van binnenlandse inkomsten, de eigen inbreng en de politieke economie op het spel staan;

88.  herinnert eraan dat de klimaatverandering een van de grootste uitdagingen is waarvoor de Unie en regeringen wereldwijd staan; roept de Commissie nadrukkelijk op haar verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs na te komen om de klimaatvoorwaarden van de Uniefinanciering aan te scherpen, waardoor uitsluitend klimaatvriendelijke projecten die de klimaatdoelstellingen van de Unie weerspiegelen, worden gefinancierd, wat betekent dat de selectiecriteria een sterkere samenhang moeten vertonen;

89.  is bezorgd over de bevinding van de Rekenkamer dat het certificeringssysteem van de Unie voor duurzame biobrandstoffen niet geheel betrouwbaar is(27); benadrukt de mogelijk negatieve gevolgen voor ontwikkelingslanden aangezien, zoals de Rekenkamer stelt, "de Commissie niet [heeft] voorgeschreven dat vrijwillige regelingen moeten controleren of de te certificeren productie van biobrandstoffen gepaard gaat met een significant risico van ongewenste sociaal-economische effecten, zoals conflicten rond grondbezit, dwangarbeid/kinderarbeid, slechte werkomstandigheden voor landbouwers of gevaren voor de gezondheid en de veiligheid", en verzoekt de Commissie dan ook dit probleem aan te pakken;

90.  spoort aan tot opneming van de ethische dimensie in het ontwerp van beleidsinterventies;

91.  benadrukt dat door EU-fondsen, waaronder Pegase (Palestijns-Europees mechanisme voor het beheer van de sociaal-economische bijstand), gefinancierd opleidingsmateriaal in overeenstemming moet zijn met de verklaring over het bevorderen, via het onderwijs, van de gemeenschappelijke waarden vrijheid, tolerantie en non-discriminatie, die door de ministers van Onderwijs van de Unie in Parijs op 17 maart 2015 is aangenomen; verzoekt de Commissie te waarborgen dat de EU-middelen worden besteed in overeenstemming met de van Unesco afgeleide normen van vrede en tolerantie in het onderwijs;

De koppeling tussen ontwikkeling en migratie in de praktijk brengen

92.  merkt op dat 106 projecten ter waarde van in totaal 1,589 miljard EUR werden goedgekeurd, waarbij in 2016 594 miljoen EUR werd vastgelegd en 175 miljoen EUR werd betaald voor een beter beheer van de migratiestromen en om de hoofdoorzaken van irreguliere migratie aan te pakken via het EU-noodtrustfonds voor Afrika en verwante regionale kanalen; merkt op dat "goed beheerd migratiebeleid" een van de overeengekomen doelstellingen is;

93.  verzoekt de Commissie om op gestructureerde wijze verslag uit te brengen over de impact van de programma's die in het kader van het EU-noodtrustfonds voor Afrika zijn gelanceerd, met name aan de hand van de resultaatgerichte monitoring van de Unie en het resultatenkader van het EU-noodtrustfonds voor Afrika, om een overzicht te geven van de collectieve resultaten;

94.  merkt in dit verband voorts op dat het nieuwe Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling, als onderdeel van het Europees plan voor externe investeringen, zal worden gericht op Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara, met een bijdrage van 400 miljoen EUR uit de EOF's;

95.  steunt de verhoging van de impactfinancieringsenveloppe voor de ACS-landen, een afzonderlijk onderdeel van de ACS-investeringsfaciliteit, met 300 miljoen EUR tot een totale capaciteit van 800 miljoen EUR bestemd voor gerichte projecten die de onderliggende oorzaken van migratie rechtstreeks aanpakken, waarbij de impactfinancieringsenveloppe wordt omgezet in een revolverend fonds;

96.  merkt op dat de Europese Investeringsbank (EIB) via de ACS-investeringsfaciliteit hoofdzakelijk projecten ondersteunt ter bevordering van de ontwikkeling van de particuliere sector, terwijl subsidiabele overheidsprojecten ook in overweging worden genomen in het kader van het ACS-migratiepakket; is ingenomen met de ontwikkeling van nieuwe partnerschappen in het kader van de ACS-investeringsfaciliteit die door de EIB wordt beheerd; verzoekt de EIB evenwel om nadere informatie te verstrekken over de bestanddelen van de hefboomwerking, oftewel de delen die afkomstig zijn uit aandelenparticipaties respectievelijk uit publieke financiering door de Unie of andere multilaterale ontwikkelingsbanken, alsmede de terugvloeiende middelen die worden geherinvesteerd in de werking van de ACS-investeringsfaciliteit;

97.  ondersteunt de Europese Commissie bij de instelling van een migratiecode binnen de Commissie voor ontwikkelingsbijstand van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling teneinde de bijbehorende financiering doeltreffender te gebruiken en beter opspoorbaar te maken;

Naar een ACS op basis van een nieuw partnerschap

98.  ziet ernaar uit volledig te worden geïnformeerd en geraadpleegd over de tussentijdse herziening van het 11e EOF, waarbij Agenda 2030 en een nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling in aanmerking moeten worden genomen, maar waarbij ook de beginselen van ontwikkelingseffectiviteit volledig moeten worden geëerbiedigd zoals andermaal bevestigd tijdens het forum op hoog niveau van het mondiaal partnerschap in Nairobi, met name de eigen inbreng van prioriteiten door ontvangende landen;

99.  herhaalt zijn verzoek om de opname van de EOF-fondsen in de algemene begroting.

2.2.2018

ADVIES VAN DE COMMISSIE ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

aan de Commissie begrotingscontrole

inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2016

(2017/2146(DEC))

Rapporteur voor advies: Doru-Claudian Frunzulică

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  steunt het gebruik van begrotingssteun maar dringt bij de Commissie aan op een betere omschrijving en duidelijke beoordeling van de ontwikkelingsresultaten die voor elk geval behaald moeten worden, en bovenal op een versterking van de mechanismen voor het toezicht op het gedrag van de ontvangende landen op het gebied van corruptie, eerbiediging van de mensenrechten, rechtsstaat en democratie; spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over het mogelijke gebruik van begrotingssteun in landen met een gebrekkige democratische controle, ofwel vanwege het ontbreken van een functionerende parlementaire democratie en van vrijheden voor maatschappelijke organisaties en de media, of vanwege een gebrek aan capaciteit van met controle belaste organen; neemt kennis van Speciaal verslag van de Europese Rekenkamer nr. 35/2016 over gebruikmaking van begrotingssteun ter verbetering van de mobilisering van binnenlandse inkomsten (DRM) in Afrika ten zuiden van de Sahara, waarin wordt geconstateerd dat door de Commissie uitgevoerde ex-anteanalyses van DRM niet voldoende gedetailleerd zijn en niet overeenstemmen met haar eigen richtsnoeren, dat de Commissie belastingvrijstellingen en illegale kapitaalvlucht dikwijls niet in de beoordeling meeneemt, winningsdividenden niet naar behoren in overweging neemt en niet naar behoren nagaat of royalty’s voor toegang tot natuurlijke hulpbronnen zijn betaald; is bezorgd over het lage en soms niet relevante gebruik door de Commissie van DRM-specifieke voorwaarden in contracten voor begrotingssteun;

2.  betreurt het dat uitgaven van het EOF herhaaldelijk in strijd zijn met de voorschriften inzake overheidsopdrachten(28); onderstreept dat dit een aanhoudend probleem is, waarop de Europese Rekenkamer reeds jarenlang heeft gewezen; verzoekt de Commissie dit probleem aan te pakken, dat nog dreigt te verergeren door de spoedprocedures bij aanbestedingen in het kader van het EU-noodtrustfonds voor Afrika;

3.  is ingenomen met Speciaal verslag nr. 11/2017 van de Europese Rekenkamer over het EU-Trustfonds Bêkou voor de Centraal-Afrikaanse Republiek; erkent dat, ondanks enkele tekortkomingen het trustfonds hoopvol van start is gegaan en merkt op dat de oprichting van een trustfonds een snelle reactie was op de noodzaak van het koppelen van noodhulp, rehabilitatie en ontwikkeling; verzoekt de Commissie de aanbevelingen van de Rekenkamer op te volgen om richtsnoeren te ontwikkelen voor de keuze van een steunconstructie (trustfondsen of andere constructies); is van mening dat deze richtsnoeren een afspiegeling moeten zijn van de aanzienlijke risico's en nadelen van het gebruik van trustfondsen en de gemengde ervaringen in aanmerking moeten nemen die tot dusver zijn opgedaan met het gebruik ervan; betreurt het dat het trustfonds de algemene coördinatie tussen de donoren niet aanzienlijk heeft verbeterd;

4.  ziet ernaar uit volledig te worden geïnformeerd en geraadpleegd over de tussentijdse herziening van het 11e EOF, waarbij Agenda 2030 en een nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling in aanmerking moeten worden genomen, maar waarbij ook de beginselen van ontwikkelingseffectiviteit volledig moeten worden geëerbiedigd zoals andermaal bevestigd tijdens het forum op hoog niveau van het mondiaal partnerschap in Nairobi, met name de eigen inbreng van prioriteiten door ontvangende landen;

5.  benadrukt dat gezien de financieringskloof die vereist is om de ambitieuze ontwikkelingsdoelen te behalen, de particuliere sector een cruciale rol kan spelen; merkt op dat gemengde financiering een nuttig instrument kan zijn voor het vrijmaken van aanvullende middelen, voor zover het gebruik ervan gerechtvaardigd is, de toegevoegde waarde ervan is aangetoond en zij voldoet aan de beginselen inzake de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp;

6.  verzoekt de Commissie een op stimulansen gebaseerde benadering voor ontwikkeling te integreren door het "meer-voor-meer"-beginsel in te voeren, en daarvoor het Europees nabuurschapsbeleid als voorbeeld te nemen; is van oordeel dat een land dat in zijn interne hervormingen ten gunste van de opbouw en consolidatie van democratische instellingen, de uitbanning van corruptie, de eerbiediging van mensenrechten en de rechtsstaat meer en sneller vooruitgang boekt, ook meer steun van de Unie moet ontvangen; benadrukt dat deze op "positieve conditionaliteit" gebaseerde aanpak, met veel aandacht voor de financiering van kleinschalige projecten voor plattelandsgemeenschappen, daadwerkelijk verandering teweeg kan brengen en ervoor kan zorgen dat het geld van de belastingbetaler in de Unie op duurzamere wijze wordt besteed; veroordeelt anderzijds met kracht alle pogingen om grenscontroles als voorwaarde voor hulpverlening te gebruiken;

7.  is bezorgd over de verklaring van de Europese Rekenkamer(29) dat er een ernstig risico bestaat dat de Unie haar doel om de klimaatverandering op alle terreinen van de EU‑begroting te mainstreamen niet haalt, en dat de doelstelling om 20 % van haar uitgaven te besteden aan klimaatgerelateerde acties evenmin zal worden gehaald;

8.  is bezorgd over de bevinding van de Rekenkamer dat het certificeringssysteem van de Unie voor duurzame biobrandstoffen niet geheel betrouwbaar is(30); benadrukt de mogelijk negatieve gevolgen voor ontwikkelingslanden die de Rekenkamer aanhaalt, namelijk dat "de Commissie niet [heeft] voorgeschreven dat vrijwillige regelingen moeten controleren of de te certificeren productie van biobrandstoffen gepaard gaat met een significant risico van ongewenste sociaal-economische effecten, zoals conflicten rond grondbezit, dwangarbeid/kinderarbeid, slechte werkomstandigheden voor landbouwers of gevaren voor de gezondheid en de veiligheid", en verzoekt de Commissie dit probleem aan te pakken.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

24.1.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

17

0

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Ignazio Corrao, Mireille D’Ornano, Doru-Claudian Frunzulică, Charles Goerens, Enrique Guerrero Salom, György Hölvényi, Arne Lietz, Linda McAvan, Norbert Neuser, Vincent Peillon, Lola Sánchez Caldentey, Elly Schlein, Eleftherios Synadinos, Bogdan Brunon Wenta, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Ádám Kósa, Paul Rübig, Judith Sargentini, Adam Szejnfeld

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Jean Lambert, Miroslav Mikolášik

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

17

+

ALDE

Charles Goerens

NI

Eleftherios Synadinos

PPE

György Hölvényi, Ádám Kósa, Miroslav Mikolášik, Paul Rübig, Adam Szejnfeld, Bogdan Brunon Wenta

S&D

Doru-Claudian Frunzulică, Enrique Guerrero Salom, Arne Lietz, Linda McAvan, Norbert Neuser, Vincent Peillon, Elly Schlein

Verts/ALE

Jean Lambert, Judith Sargentini

0

-

4

0

EFDD

Ignazio Corrao, Mireille D'Ornano

GUE/NGL

Lola Sánchez Caldentey

PPE

Joachim Zeller

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

19.3.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

20

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Inés Ayala Sender, Dennis de Jong, Tamás Deutsch, Luke Ming Flanagan, Ingeborg Gräßle, Benedek Jávor, Barbara Kappel, Wolf Klinz, Arndt Kohn, Miroslav Poche, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Petri Sarvamaa, Claudia Schmidt, Bart Staes, Marco Valli, Derek Vaughan

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Gerben-Jan Gerbrandy, Brian Hayes, Andrey Novakov

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

John Howarth

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

20

+

ALDE

Gerben-Jan Gerbrandy, Wolf Klinz

EFDD

Marco Valli

ENF

Barbara Kappel

GUE/NGL

Luke Ming Flanagan, Dennis de Jong

PPE

Tamás Deutsch, Ingeborg Gräßle, Brian Hayes, Andrey Novakov, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Petri Sarvamaa, Claudia Schmidt

S&D

Inés Ayala Sender, John Howarth, Arndt Kohn, Miroslav Poche, Derek Vaughan

VERTS/ALE

Benedek Jávor, Bart Staes

0

-

 

 

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

  PB C 322 van 28.9.2017, blz. 281.

(2)

  PB C 322 van 28.9.2017, blz. 289.

(3)

  PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.

(4)

  PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3.

(5)

  PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1.

(6)

  PB L 156 van 29.5.1998, blz. 108.

(7)

  PB L 317 van 15.12.2000, blz. 355.

(8)

  PB L 247 van 9.9.2006, blz. 32.

(9)

  PB L 210 van 6.8.2013, blz. 1.

(10)

  PB L 191 van 7.7.1998, blz. 53.

(11)

  PB L 83 van 1.4.2003, blz. 1.

(12)

  PB L 78 van 19.3.2008, blz. 1.

(13)

  PB L 58 van 3.3.2015, blz. 17.

(14)

  PB C 322 van 28.9.2017, blz. 281.

(15)

  PB C 322 van 28.9.2017, blz. 289.

(16)

  PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.

(17)

  PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3.

(18)

  PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1.

(19)

  PB L 156 van 29.5.1998, blz. 108.

(20)

  PB L 317 van 15.12.2000, blz. 355.

(21)

  PB L 247 van 9.9.2006, blz. 32.

(22)

  PB L 210 van 6.8.2013, blz. 1.

(23)

  PB L 191 van 7.7.1998, blz. 53.

(24)

  PB L 83 van 1.4.2003, blz. 1.

(25)

  PB L 78 van 19.3.2008, blz. 1.

(26)

  PB L 58 van 3.3.2015, blz. 17.

(27)

  Speciaal verslag nr. 18/2016: Het certificeringssysteem van de EU voor duurzame biobrandstoffen.

(28)

Jaarverslag van de Rekenkamer over de activiteiten gefinancierd uit het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) over het begrotingsjaar 2016.

(29)

Speciaal Verslag nr. 31/2016: Minimaal elke vijfde euro uit de EU-begroting aan klimaatactie besteden: er wordt ambitieus aan gewerkt, maar het risico dat het doel niet wordt gehaald, blijft groot, Europese Rekenkamer, 2016.

(30)

Speciaal verslag nr. 18/2016: Het certificeringssysteem van de EU voor duurzame biobrandstoffen.

Laatst bijgewerkt op: 12 april 2018Juridische mededeling