Procedure : 2017/2136(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0137/2018

Ingediende teksten :

A8-0137/2018

Debatten :

PV 18/04/2018 - 10
CRE 18/04/2018 - 10

Stemmingen :

PV 18/04/2018 - 12.16
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0121

VERSLAG     
PDF 1280kWORD 184k
4.4.2018
PE 612.402v02-00 A8-0137/2018

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen

(2017/2136(DEC))

Commissie begrotingscontrole

Rapporteur: Joachim Zeller

1. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 2. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

1. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie

(2017/2136(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016(COM(2017)0356 – C8-0247/2017)(2),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2017)0379),

–  gezien het jaarlijks beheers- en prestatieverslag van de Commissie over de EU-begroting 2016 (COM(2017)0351),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2016 uitgevoerde interne controles (COM(2017)0497) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2017)0306),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(3), en de speciale verslagen van de Rekenkamer,

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 februari 2018 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016 (05940/2018 – C8-0042/2018),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien artikel 93 en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8‑0137/2018),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de Commissie kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van … over de speciale verslagen van de Rekenkamer, in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2016(6);

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, alsmede aan de nationale parlementen en de nationale en regionale controle-instanties van de lidstaten, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L‑serie).

(1)

PB L 48 van 24.4.2016.

(2)

PB C 323 van 28.9.2017, blz. 1.

(3)

PB C 322 van 28.9.2017, blz. 1.

(4)

PB C 322 van 28.9.2017, blz. 10.

(5)

PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(6)

Aangenomen teksten van die datum, P8_TA-PROV(2018)0000.


2. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur voor het begrotingsjaar 2016

(2017/2136(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016 (COM(2017)0365 – C8-0247/2017)(2),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur voor het begrotingsjaar 2016(3),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2017)0379),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2016 uitgevoerde interne controles (COM(2017)0497) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2017)0306),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(4), en de speciale verslagen van de Rekenkamer,

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(5) voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 februari 2018 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016 (05942/2018 – C8-0043/2018),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(6), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(7), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(8), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/776/EU van de Commissie van 18 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur en tot intrekking van Besluit 2009/336/EG(9),

–  gezien artikel 93 en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0137/2018),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2016;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van … over de speciale verslagen van de Rekenkamer, in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2016(10);

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie, en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L‑serie).

3.  ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen voor het begrotingsjaar 2016

(2017/2136(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016(11),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016 (COM(2017)0365 – C8-0247/2017)(12),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen voor het begrotingsjaar 2016(13),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2017)0379),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2016 uitgevoerde interne controles (COM(2017)0497) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2017)0306),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen voor het begrotingsjaar 2016, vergezeld van het antwoord van het Agentschap(14),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(15) voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 februari 2018 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016 (05942/2018 – C8-0043/2018),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(16), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(17), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(18), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/771/EU van de Commissie van 17 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen en tot intrekking van de Besluiten 2004/20/EG en 2007/372/EG(19),

–  gezien artikel 93 en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0137/2018),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor het begrotingsjaar 2016;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van … over de speciale verslagen van de Rekenkamer, in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2016(20);

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie, en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

4.  ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding voor het begrotingsjaar 2016

(2017/2136(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016(21),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016 (COM(2017)0365 – C8-0247/2017)(22),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding voor het begrotingsjaar 2016(23),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2017)0379),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2016 uitgevoerde interne controles (COM(2017)0497) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2017)0306),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding voor het begrotingsjaar 2016, vergezeld van het antwoord van het Agentschap(24),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(25) voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 februari 2018 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016 (05942/2018 – C8-0043/2018),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(26), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(27), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(28), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/770/EU van de Commissie van 17 december 2013 tot oprichting van een Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid en voeding en tot intrekking van Besluit 2004/858/EG(29),

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2014/927/EU van de Commissie van 17 december 2014 tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2013/770/EU teneinde het "Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid en voeding" om te vormen tot het "Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding"(30),

–  gezien artikel 93 en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0137/2018),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor het begrotingsjaar 2016

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van … over de speciale verslagen van de Rekenkamer, in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2016(31);

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie, en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L‑serie).

5.  ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad voor het begrotingsjaar 2016

(2017/2136(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016(32),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016 (COM(2017)0365 – C8-0247/2017)(33),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad voor het begrotingsjaar 2016(34),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2017)0379),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2016 uitgevoerde interne controles (COM(2017)0497) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2017)0306),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad voor het begrotingsjaar 2016, vergezeld van het antwoord van het Agentschap(35),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(36) voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 februari 2018 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016 (05942/2018 – C8-0043/2018),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(37), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(38), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(39), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/779/EU van de Commissie van 17 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad en tot intrekking van Besluit 2008/37/EG(40),

–  gezien artikel 93 en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0137/2018),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor het begrotingsjaar 2016

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van … over de speciale verslagen van de Rekenkamer, in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2016(41);

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie, en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

6.  ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap onderzoek voor het begrotingsjaar 2016

(2017/2136(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016(42),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016 (COM(2017)0365 – C8-0247/2017)(43),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap onderzoek voor het begrotingsjaar 2016(44),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2017)0379),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2016 uitgevoerde interne controles (COM(2017)0497) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2017)0306),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap onderzoek voor het begrotingsjaar 2016, vergezeld van het antwoord van het Agentschap(45),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(46) voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 februari 2018 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016 (05942/2018 – C8-0043/2018),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(47), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(48), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(49), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/778/EU van de Commissie van 13 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap onderzoek en tot intrekking van Besluit 2008/46/EG(50),

–  gezien artikel 93 en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0137/2018),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap onderzoek kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor het begrotingsjaar 2016;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van … over de speciale verslagen van de Rekenkamer, in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2016(51);

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie, en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap onderzoek, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L‑serie).

7.  ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken voor het begrotingsjaar 2016

(2017/2136(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016(52),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016 (COM(2017)0365 – C8-0247/2017)(53),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken voor het begrotingsjaar 2016(54),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2017)0379),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2016 uitgevoerde interne controles (COM(2017)0497) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2017)0306),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken voor het begrotingsjaar 2016, vergezeld van het antwoord van het Agentschap(55),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(56) voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 februari 2018 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016 (05942/2018 – C8-0043/2018),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(57), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(58), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(59), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/801/EU van de Commissie van 23 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken en tot intrekking van Besluit 2007/60/EG, als gewijzigd bij Besluit 2008/593/EG(60),

–  gezien artikel 93 en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0137/2018),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor het begrotingsjaar 2016;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van … over de speciale verslagen van de Rekenkamer, in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2016(61);

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie, en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

8.  ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de afsluiting van de rekeningen van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie

(2017/2136(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016(62),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016 (COM(2017)0365 – C8-0247/2017)(63),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2017)0379),

–  gezien het jaarlijks beheers- en prestatieverslag van de Commissie over de EU-begroting 2016 (COM(2017)0351),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2016 uitgevoerde interne controles (COM(2017)0497) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2017)0306),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(64), en de speciale verslagen van de Rekenkamer,

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(65) voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 februari 2018 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016 (05940/2018 – C8-0042/2018),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 februari 2018 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016 (05942/2018 – C8-0043/2018),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(66), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(67), en met name artikel 14, leden 2 en 3,

–  gezien artikel 93 en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0137/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van … over de speciale verslagen van de Rekenkamer, in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2016(68);

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, alsmede aan de nationale parlementen en de nationale en regionale controle-instanties van de lidstaten, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

9.  ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen

(2017/2136(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie,

–  gezien zijn besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begrotingen van de uitvoerende agentschappen voor het begrotingsjaar 2016,

–  gezien artikel 93 en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0137/2018),

A.  overwegende dat de uitgaven van de Unie in aanzienlijke mate bijdragen aan de verwezenlijking van beleidsdoelstellingen en gemiddeld 1,9 % van de overheidsuitgaven van de lidstaten vertegenwoordigen;

B.  overwegende dat het Parlement bij het verlenen van kwijting aan de Commissie controleert of de middelen correct zijn besteed en of de beleidsdoelstellingen zijn verwezenlijkt;

C.  overwegende dat de kwijtingsautoriteit in het kader van de kwijtingsprocedure de nadruk legt op het bijzondere belang van het verder versterken van de democratische legitimiteit van de instellingen van de Unie door de transparantie en de verantwoordingsplicht te vergroten, het concept van resultaatgericht begroten ten uitvoer te leggen en een goed personeelsbeheer te verzekeren;

D.  overwegende dat de begrotingsbeginselen van eenheid, begrotingswaarachtigheid, jaarperiodiciteit, evenwicht, universaliteit, specialiteit, goed financieel beheer en transparantie moeten worden geëerbiedigd wanneer de begroting van de Unie ten uitvoer wordt gelegd;

E.  overwegende dat met de uitgaven uit de begroting van de Unie wordt beoogd de leefomstandigheden en de levenskwaliteit van haar burgers te verbeteren en de Unie derhalve de leemten in haar sociale beleid moet dichten;

F.  overwegende dat in de begroting van de Unie rekening moet worden gehouden met de uitvoering van een sociale pijler;

G.  overwegende dat het cohesiebeleid een bron van publieke investeringen is waarmee wordt beoogd een duidelijke toegevoegde waarde te leveren en de levenskwaliteit van burgers in de Unie te verbeteren;

Beleidsprioriteiten

1.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de beleidsdoelstellingen van de Unie, de financiële cycli, de zittingsperiode van het Parlement en de ambtstermijn van de Commissie op elkaar af te stemmen;

2.  verzoekt de Commissie om een tussentijdse evaluatie van de huidige financiële periode en een evaluatie van de vorige financiële perioden, om vast te stellen welke programma's geen duidelijke meerwaarde hebben gehad en vervolgens de uitgaven te analyseren;

3.  herinnert eraan dat de Commissie in haar voorstellen voor een nieuw meerjarig financieel kader (MFK) rekening moet houden met het feit dat bepaalde beleidsterreinen, zoals cohesie en onderzoek, vaak berusten op programmering op langere termijn en meer tijd nodig hebben dan andere beleidsterreinen om hun beleidsdoelstellingen te verwezenlijken; onderstreept evenwel dat er voldoende flexibiliteit moet worden geboden voor noodsituaties;

4.  benadrukt dat de begroting van de Unie als gevolg van het initiatief voor een resultaatgerichte begroting moet worden ingediend overeenkomstig de beleidsdoelstellingen van de Unie voor het MFK; herinnert er, ook in het licht van het MFK voor de periode na 2020, aan dat de begroting van de Unie echte Europese toegevoegde waarde moet leveren en moet worden ingezet voor gemeenschappelijke Unie-doelstellingen ter bevordering van duurzame economische en sociale ontwikkeling in de hele Unie, die lidstaten alleen niet kunnen realiseren, en dat de begroting derhalve niet moet worden gezien als een nettobalans of iets dat alleen voordeel oplevert voor bepaalde lidstaten;

5.  merkt op dat er een onafhankelijk onthullings-, advies- en verwijzingsorgaan nodig is om klokkenluiders te helpen de juiste kanalen te gebruiken om informatie over mogelijke onregelmatigheden te onthullen en tegelijkertijd hun geheimhouding te beschermen en de nodige ondersteuning en advies te bieden;

6.  verzoekt de Commissie zich ertoe te verbinden de regelingen voor jonge landbouwers en vergroening voor het volgende MFK fundamenteel te herzien in het licht van de bevindingen van de Rekenkamer;

7.  vraagt de Commissie in haar prestatieverslagen beoordelingen op te nemen van de kwaliteit van de gebruikte gegevens, evenals een verklaring inzake de kwaliteit van de informatie over de prestaties;

8.  roept de Commissie op evenwichtiger verslag uit te brengen aan het Parlement en de Rekenkamer, door in haar prestatieverslagen transparantere informatie op te nemen over uitdagingen, valkuilen en mislukkingen;

9.  verzoekt de Commissie vaart te zetten achter de uitvoering van de cohesiebeleidsprogramma's en de daarmee samenhangende betalingen teneinde de uitvoeringsperiode in eerste instantie terug te brengen tot het jaar n +2;

10.  roept de Commissie op het oorspronkelijke uitgavenstreefcijfer van 20 % voor de integratie van klimaatactie in de verschillende uitgavenprogramma's van de Unie te realiseren;

11.  dringt erop aan dat de Commissie haar directoraten-generaal eindelijk de opdracht geeft om hun voorstellen voor landenspecifieke aanbevelingen in hun respectieve jaarlijkse activiteitenverslagen (JAV’s) op te nemen, zoals gevraagd door het Parlement;

12.  verzoekt de Commissie om meer transparantie inzake de financiering van het migratiebeleid, zoals aanbevolen door de Rekenkamer in haar jaarverslag voor 2016, en om actief toe te zien op aanbestedingsprocedures die in noodsituaties worden uitgevoerd;

13.  verzoekt de Commissie tevens de transparantie van het beleid voor onderzoek en plattelandsontwikkeling te vergroten om de oorzaken van de foutenpercentages vast te stellen en te corrigeren aangezien deze, zoals de Rekenkamer in haar jaarverslagen aangeeft, opvallend hoog en hardnekkig zijn;

14.  verzoekt de Commissie de transparantie inzake de trustfondsen en de toezichtsverslagen over externe steun te vergroten, door regelmatig alle beschikbare gegevens te verstrekken;

15.  verzoekt de Commissie te onderhandelen voor een verlaging van de vergoedingen die de Europese Investeringsbank aanrekent om financiële instrumenten te creëren en te beheren en regelmatig informatie te presenteren over de begunstigden van deze instrumenten en de resultaten die ermee zijn behaald;

16.  verzoekt de Commissie om vaart te zetten achter de voorbereiding van de rekeningen van de Unie, om ervoor te zorgen dat betrouwbare informatie van de lidstaten over de uitgaven onder gedeeld beheer eerder wordt verkregen, en het standpunt inzake het beheer van de uitgaven van de Unie eerder en samen met de rekeningen kenbaar te maken, teneinde een besluit tot verlening van kwijting in jaar n +1 te kunnen vaststellen, waarbij gegevens van hoge kwaliteit en een goed financieel beheer gewaarborgd moeten zijn;

Betrouwbaarheidsverklaring van de Rekenkamer

17.   is ingenomen met het feit dat de Rekenkamer geen bezwaar heeft gemaakt wat betreft de betrouwbaarheid van de rekeningen voor 2016, wat reeds sinds 2007 het geval is, en dat zij vaststelt dat de ontvangsten in 2016 geen materiële fouten vertoonden; stelt met tevredenheid vast dat de onderliggende vastleggingen bij de rekeningen voor het per 31 december 2016 afgesloten begrotingsjaar op alle materiële punten wettig en regelmatig zijn;

18.  is ingenomen met de positieve trend van het meest waarschijnlijke foutenpercentage dat de Rekenkamer heeft vastgesteld ten opzichte van dat van de voorbije jaren, namelijk dat de betalingen in 2016 een meest waarschijnlijk foutenpercentage vertonen van 3,1 %; herinnert eraan dat het meest waarschijnlijke foutenpercentage voor de betalingen in het begrotingsjaar 2015 werd geschat op 3,8 %, in 2014 op 4,4 %, in 2013 op 4,7 %, in 2012 op 4,8 %, in 2011 op 3,9 %, in 2010 op 3,7 %, in 2009 op 3,3 %, in 2008 op 5,2 % en in 2007 op 6,9 %; is van mening dat het belangrijk is dat bij de beoordeling van de efficiëntie van financiering door de Unie rekening wordt gehouden met het restfoutenpercentage van de Commissie, aangezien het geschatte foutenpercentage van de Rekenkamer niet definitief is;

19.  benadrukt dat het geschatte foutenpercentage voor cohesie, wegens de verschillende methoden die moeten worden gebruikt voor de berekening ervan, geen rekening houdt met de voorschotten voor financiële instrumenten in 2016 voor een bedrag van 2,5 miljard EUR, die volgens de Rekenkamer buiten de subsidiabiliteitsperiode vallen zoals bedoeld in artikel 56, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad; wijst erop dat, indien de Rekenkamer deze onregelmatigheid had gekwantificeerd, het meest waarschijnlijke foutenpercentage waarschijnlijk aanzienlijk hoger was geweest; betreurt de unilaterale beslissing van de Commissie om tot 31 maart 2017 uitgaven te aanvaarden; wijst erop dat de Commissie de nodige wetgevingsvoorstellen had moeten opstellen om een einde te maken aan deze onregelmatigheid;

20.  betreurt dat het toegenomen gebruik van financiële instrumenten om de begroting van de Unie te ontlasten, leidt tot hogere risico's met betrekking tot de verantwoording en coördinatie van het beleid en de activiteiten van de Unie;

21.  wijst erop dat er niet genoeg informatie beschikbaar is om financiële instrumenten naar behoren te evalueren, met name wat de sociale en milieueffecten ervan betreft; benadrukt dat financieringsinstrumenten subsidies kunnen aanvullen, maar niet mogen vervangen;

22.  stelt met voldoening vast dat de Rekenkamer voor het eerst in 23 jaar een oordeel met beperking heeft afgegeven (in plaats van een afkeurend oordeel) over de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende betalingen bij de rekeningen, hetgeen volgens de Rekenkamer laat zien dat het beheer van de EU-financiën aanzienlijk is verbeterd en betekent dat de materiële fouten hoofdzakelijk beperkt waren tot uitgaven in het kader van vergoedingen, die ongeveer de helft van de gecontroleerde betalingen uitmaken;

23.  betreurt dat de betalingen voor het 23e jaar op rij materiële fouten vertonen vanwege de gebrekkige doeltreffendheid van de beheers- en controlesystemen om een goed financieel beheer en tijdige betaling te waarborgen;

24.  wijst er met bezorgdheid op dat, indien de door de lidstaten en de Commissie genomen corrigerende maatregelen niet waren toegepast op de door de Rekenkamer gecontroleerde uitgaven, het totale geschatte foutenpercentage 4,3 % zou hebben bedragen in plaats van 3,1 % (d.w.z. hetzelfde niveau als in 2015; zie paragraaf 1.34 van het jaarverslag 2016 van de Rekenkamer);

25.  stelt vast dat het soort beheer een beperkte impact op de foutenpercentages heeft, aangezien de Rekenkamer heeft geconstateerd dat het geschatte foutenpercentage voor uitgaven onder gedeeld beheer met de lidstaten en voor alle andere vormen van operationele uitgaven die rechtstreeks door de Commissie worden beheerd gelijk is, namelijk 3,3 %;

26.  vestigt de aandacht op het feit dat de Rekenkamer de hoogste geschatte foutenpercentages heeft vastgesteld bij uitgaven op het gebied van plattelandsontwikkeling, milieu, klimaatactie en visserij (4,9 %), economische, sociale en territoriale cohesie (4,8 %) en concurrentievermogen voor groei en banen (4,1 %), terwijl de administratieve uitgaven het laagste geschatte foutenpercentage (0,2 %) kenden;

27.  merkt op dat, volgens de bevindingen van de Rekenkamer, de verschillende risicopatronen van vergoedingsregelingen en rechtenregelingen in belangrijke mate hebben bijgedragen aan het foutenpercentage van de verschillende uitgaventerreinen; constateert dat het foutenpercentage 4,8 % bedraagt (5,2 % in 2015) wanneer de Unie subsidiabele kosten voor subsidiabele activiteiten vergoedt op basis van kostendeclaraties van begunstigden, terwijl dat percentage 1,3 % bedraagt (1,9 % in 2015) wanneer, in plaats van vergoeding van gedeclareerde kosten, betalingen worden gedaan indien aan de voorwaarden is voldaan;

Jaarlijks beheers- en prestatieverslag (AMPR): beheersresultaten

28.  wijst erop dat, ondanks gelijkluidende conclusies van de Commissie en de Rekenkamer, de verklaring in het jaarverslag van de Rekenkamer en de analyse van de Commissie in haar jaarlijks beheers- en prestatieverslag gedeeltelijk uiteenlopen;

29.  merkt met name op dat de Commissie in haar jaarlijks beheers- en prestatieverslag voor 2016(69) stelt dat het voorbehoud van de directeuren-generaal in hun jaarlijkse activiteitenverslagen is toegenomen en 35,3 miljard EUR bedraagt, wat overeenkomt met 26 % van de betalingen (2015: 29,8 miljard EUR, 21 % van de betalingen);

30.  wijst erop dat volgens de Commissie de werkelijke financiële gevolgen uitgedrukt in bedragen die het risico lopen te worden gemeld in 2016 ook zijn toegenomen tot 1,6 miljard EUR (1,3 miljard EUR in 2015);

31.   merkt op dat de Commissie in haar jaarlijks beheers- en prestatieverslag wijst op een verslechtering van de indicatoren voor financieel beheer, die blijkt uit het voorbehoud in de jaarlijkse activiteitenverslagen, en dat zij dit verklaart door de moeilijkheden bij de invoering van nieuwe en meer veeleisende regelingen, met name vergroening(70), terwijl de Rekenkamer wijst op een duidelijke verbetering in dit zeer specifieke beleidsterrein;

32.  merkt in het bijzonder op dat de Rekenkamer verklaart dat het ELGF op 1,7 % na geen materiële fouten vertoont, wat een wezenlijke verbetering is ten opzichte van 2015, toen dit nog 2,2 % was, en het foutenpercentage voor op rechten gebaseerde uitgaven op 1,3 % schat, en daarbij opmerkt dat het grootste deel van de eerste pijler van het GLB in dit soort uitgaven is opgenomen;

33.  neemt nota van de bewering van de Rekenkamer dat de fouten bij de uitgaven niet "van diepgaande invloed" zijn (jaarverslag Rekenkamer, punt 1.8); vraagt de Commissie en de Rekenkamer hun methoden te stroomlijnen door te steunen op de internationale auditnormen voordat zij hun volgende jaarverslag of jaarlijks activiteitenverslag uitbrengen;

34.  benadrukt dat de Commissie in haar jaarlijks beheers- en prestatieverslag voor 2016 stelt dat de uitgaven een materieel foutenpercentage vertonen, aangezien zij het algemene gemiddelde foutenpercentage schat tussen 2,1 % en 2,6 % (in 2015 was dit tussen 2,3 % en 3,1 %) van de totale relevante uitgaven, en het betrokken totale geschatte risicobedrag bij betaling zich tussen 2,9 en 3,6 miljard EUR situeert (in 2015 lag dit tussen 3,3 en 4,5 miljard EUR);

35.  merkt op dat deze daling volgens de Commissie vooral het gevolg is van het lagere inherente foutenrisico op het gebied van cohesie voor programma's van het huidige MFK; is verbaasd over deze uitleg gezien het zeer lage uitvoeringsniveau van de begroting op dit gebied; vraagt de Europese Commissie de kwestie verder toe te lichten;

36.  is van mening dat dit lage uitvoeringspercentage verklaard kan worden door het feit dat inzake cohesie in 2016 geen uitgaven in de bij de Commissie ingediende jaarrekeningen werden gecertificeerd, en dat de Commissie na haar controle evenmin financiële correcties heeft opgelegd (AMPR 2016, bijlage 4, blz. 20);

37.  wijst erop dat de Commissie verwacht dat ze de komende jaren fouten zal vaststellen en corrigeren voor een bedrag van in totaal tussen de 2,0 en 2,1 miljard EUR, d.w.z. tussen 1,5 % en 1,6 %;

38.  deelt het standpunt van de Rekenkamer dat de door de Commissie toegepaste methode voor de schatting van het foutenpercentage bij de vaststelling van het risicobedrag in de afgelopen jaren is verbeterd, maar dat de schattingen van het percentage onregelmatige uitgaven door de afzonderlijke directoraten-generaal niet zijn gebaseerd op een consistente methode; vraagt de Commissie voor de schatting van het foutenpercentage bij de vaststelling van het risicobedrag voor alle DG's dezelfde methode te gebruiken en de kwijtingsautoriteit op de hoogte te brengen van de vorderingen;

39.   merkt op dat de Commissie het risico dat de impact van corrigerende maatregelen wordt overschat, dankzij een aantal verbeteringen weliswaar heeft verminderd, maar niet heeft kunnen wegnemen;

40.  wijst er met name op dat de directoraten-generaal van de Commissie hun schattingen van het risicobedrag voor meer dan driekwart van de uitgaven in 2016 baseren op door de nationale autoriteiten verstrekte gegevens, hoewel helaas uit de jaarlijkse activiteitenverslagen van de betrokken directoraten-generaal van de Commissie (met name DG AGRI en DG REGIO) blijkt dat de controleverslagen van de lidstaten weliswaar de door de lidstaat gedetecteerde fout bevestigen, maar de betrouwbaarheid van sommige beheers- en controlesystemen toch een probleem blijft; wijst erop hoe belangrijk het is dat de gegevens van de lidstaten betrouwbaar zijn;

41.  wijst erop dat fouten achteraf nog gedurende meer dan tien jaar kunnen worden gecorrigeerd, zodat het willekeurig lijkt om de raming van de impact van toekomstige correcties te baseren op de gedurende de voorgaande zes jaar verrichte correcties;

42.  wijst erop dat de Commissie in de bespreking en analyse van de financiële staten (FSDA) melding maakt van ten uitvoer gelegde financiële correcties en terugvorderingen voor een totaal bedrag van 3,4 miljard EUR (3,9 in 2015), dat ongeveer 0,6 miljard EUR (1,2 miljard in 2015) van de correcties en terugvorderingen aan de bron is toegepast (vóór aanvaarding van de uitgaven door de Commissie) en dat van de resterende 2,8 miljard EUR ongeveer 0,6 miljard EUR is ingetrokken door de lidstaten na aanvaarding van de uitgaven, door niet-subsidiabele bedragen te vervangen door nieuwe cohesieprojecten;

43.  herhaalt met klem zijn oproep aan de Commissie en de lidstaten om deugdelijke procedures in te voeren om de timing, de herkomst en de bedragen van corrigerende maatregelen te bevestigen en om informatie te verstrekken waarmee zoveel mogelijk een aansluiting kan worden gemaakt tussen het jaar waarin de betaling is verricht, het jaar waarin de betrokken fout is opgespoord en het jaar waarin terugvorderingen of financiële correcties zijn bekendgemaakt in de toelichtingen bij de rekeningen;

Interne governance-instrumenten van de Commissie

44.  herinnert aan het advies dat de Rekenkamer uitbracht in zijn Speciaal verslag nr. 27/2016, waarin wordt gesteld dat het onderscheid dat ontstaat met de hervorming van Kinnock-Prodi tussen de politieke verantwoordelijkheid van commissarissen en de operationele verantwoordelijkheid van directeuren-generaal betekent dat niet altijd is verduidelijkt of politieke verantwoordelijkheid de verantwoordingsplicht voor de uitvoering van de begroting van de directoraten-generaal omvat of daar los van staat;

45.  wijst erop dat het college van commissarissen geen jaarlijkse governanceverklaring opstelt, wat echter in overeenstemming zou zijn met de goede praktijken en de gangbare procedure in de lidstaten; vraagt de Commissie een jaarlijkse governanceverklaring op te stellen om de transparantie en de verantwoordingsplicht van haar college te vergroten;

46.   verzoekt de Commissie uitvoering te geven aan aanbeveling 2 van Speciaal verslag nr. 27/2016 van de Rekenkamer, en tevens bij haar financiële staten een jaarlijkse verklaring te voegen inzake governance en interne controle, en met name:

(a)   een beschrijving van de interne governance-instrumenten van de Commissie,

(b)   een beoordeling van de operationele en strategische risicoactiviteiten in het betrokken jaar en een verklaring over de houdbaarheid van de begroting op middellange en lange termijn;

Politiek voorbehoud

47.  sluit zich aan bij het voorbehoud dat de directeuren-generaal van DG REGIO, EMPL, MARE, HOME, DEVCO en AGRI in hun jaarlijks activiteitenverslag hebben gemaakt; is van mening dat dit voorbehoud aantoont dat de controleprocedures van de Commissie en de lidstaten de nodige waarborgen kunnen bieden betreffende de wettigheid en regelmatigheid van alle onderliggende verrichtingen in de overeenkomstige beleidsterreinen indien de noodzakelijke correctieprocedures succesvol worden uitgevoerd;

Begrotings- en financieel beheer

48.  wijst erop dat de vertragingen bij de uitvoering van programma's in de eerste drie jaar van het huidige MFK, die het gevolg waren van de late goedkeuring van het MFK voor 2014-2020 en de aanzienlijke hoeveelheid nieuwe aspecten die werden ingevoerd voor de periode 2014-2020, hetgeen, ondanks de pogingen tot vereenvoudiging, administratieve problemen veroorzaakte, hebben geleid tot de overdracht van vastleggingskredieten van 2014 naar voornamelijk 2015 en 2016, en tot weinig betalingen in 2016 (en een uitvoering van de begroting van de Unie van 7 % in de periode 2014-2016 van het huidige MFK); wijst er echter op dat 2017 het eerste jaar was dat de uitvoering van de ESIF-programma's werd versneld; verwacht dat deze trend zich in 2018 en 2019 zal voortzetten; is van mening dat moet worden voorzien in voldoende vastleggings- en betalingskredieten om een soepele uitvoering mogelijk te maken;

49.  neemt met bezorgdheid nota van het gecompliceerde web van regelingen binnen en rondom de EU-begroting, aangezien dit de verantwoordingsplicht, transparantie, publieke controle en het democratische toezicht op de EU-begroting en de hieraan gekoppelde financiële regelingen belemmert; betreurt in dit opzicht het gebrek aan eenheid van de EU-begroting en deelt de bezorgdheid van de Rekenkamer met betrekking tot de complexiteit van de EU-begroting dan ook volledig;

50.  vreest dat, ondanks het uitgebreide gebruik van speciale instrumenten (de reserve voor noodhulp, het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering en het flexibiliteitsinstrument) en de marges, er wellicht onvoldoende kredieten overblijven om onvoorziene gebeurtenissen te financieren die zich nog vóór 2020 voordoen;

51.  stelt met bezorgdheid vast dat er sprake is van een ongekend hoog bedrag aan uitstaande vastleggingen, dat eind 2016 een historisch peil van 238 miljard EUR haalde, d.i. 72 % hoger dan in 2007, en overeenkomt met 2,9 jaar aan betalingen tegenover 2,2 jaar in 2007; is van mening dat de schuldenlast van de EU en bijgevolg de financiële blootstelling van de begroting van de Unie hierdoor zijn toegenomen;

52.  betreurt dat de algehele financiële blootstelling van de begroting van de Unie is toegenomen, met aanzienlijke schulden, garanties en juridische verbintenissen op lange termijn, wat inhoudt dat er in de toekomst sprake moet zijn van zorgvuldig beheer;

53.  herinnert eraan dat de Unie in toenemende mate gebruik maakt van financiële instrumenten en betreurt dat de oprichting van het EFSI nieuwe governancesystemen een niveau van publieke controle in het leven roept dat onbevredigend blijft, en er dus meer zorgvuldige bewaking van het Parlement nodig is; wijst erop dat alle wetgevingsvoorstellen het geografische bereik van het EFSI fors dienen te verbeteren; herinnert eraan dat het EFSI een aanvullend instrument voor de bevordering van investeringen moet blijven aangezien het cohesiebeleid het investeringsbeleid van de Unie moet blijven; merkt echter de succesvolle uitvoering van het fonds op evenals de grote hoeveelheid particulier kapitaal die het heeft aangetrokken en erkent de verdere verbeteringen met betrekking tot de transparantie van het fonds die zijn overeengekomen bij de onderhandelingen voor de verlenging van EFSI, waarnaar wordt verwezen als EFSI 2.0; roept de Rekenkamer op haar toezicht op de plannings- en uitgavefase van de ESI-fondsen aan te scherpen;

54.  herinnert eraan dat de herziening van het Financieel Reglement in dit opzicht dankzij de bijdrage van het Parlement een grote stap voorwaarts is aangezien erin wordt voorgesteld financiële instrumenten efficiënter te presenteren en er in dit kader voor het eerst begrotingsgaranties en financiële bijstand worden verschaft;

55.  wijst erop dat EFSI-fondsen, overeenkomstig de beginselen van het cohesiebeleid, een belangrijk deel van de uitgaven van sommige lidstaten uitmaken, en dat met name in negen lidstaten (Litouwen, Bulgarije, Letland, Roemenië, Hongarije, Polen, Kroatië, Estland en Slowakije) steun in de vorm van nog te betalen vastleggingen uit de ESI-fondsen meer dan 15 % van de algemene overheidsuitgaven vertegenwoordigt; roept de Commissie op ook een positieve publiciteitscampagne op te zetten om burgers uit deze landen uitgebreider te informeren over de rechtstreekse voordelen van lidmaatschap;

56.  vreest dat lidstaten waar middelen uit de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) een aanzienlijk percentage van de overheidsuitgaven vertegenwoordigen, het moeilijk kunnen hebben om voldoende hoogwaardige projecten aan te wijzen waaraan ze de beschikbare middelen van de Unie kunnen besteden of om cofinanciering te verstrekken; roept de Commissie en de Rekenkamer op meer aandacht te besteden aan het duurzaamheidsaspect van de voorgestelde investeringsprojecten en hun geschiktheid kritisch te beoordelen;

57.  toont zich bezorgd dat de lidstaten drie jaar na de start van de programmeringsperiode 2014-2020 nog maar 77 % van de programma-autoriteiten hebben aangewezen die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de ESI-fondsen; toont zich echter tevreden dat er inmiddels een percentage van 99 % is bereikt; vraagt zich af of het noodzakelijk is de procedures aan het begin van elke programmeringsperiode te wijzigen; verzoekt de Commissie om een nauwkeurige analyse uit te voeren van de redenen waarom in bepaalde regio's het opnamepercentage van de fondsen laag blijft en specifieke acties te ondernemen om de structurele problemen op te lossen;

58.  benadrukt dat de omvang van de middelen van de Unie en het tijdstip van ontvangst aanzienlijke macro-economische gevolgen kunnen hebben, bijvoorbeeld op het gebied van investeringen, groei en banen;

59.  benadrukt dat openbare investeringen nodig zijn om de investeringskloof te dichten, werkgelegenheid en groei te stimuleren en de toepassing van sociale normen binnen de Unie te garanderen;

60.  wijst erop dat de Commissie diverse bronnen heeft gemobiliseerd om het hoofd te bieden aan de vluchtelingen- en migratiecrisis, maar betreurt dat zij geen rapportagestructuur heeft ingevoerd om uitgebreid te kunnen rapporteren over de gebruikmaking van de betrokken middelen; betreurt dat het momenteel onmogelijk is de werkelijke uitgaven vast te stellen die toe te rekenen zijn aan iedere migrant of vluchteling;

61.  merkt op dat, wat de financiële instrumenten voor het cohesiebeleid betreft, de betalingen aan de eindontvangers bij de afsluiting (op 31 maart 2017) 15 192,18 miljoen EUR bedroegen, waarvan 10 124,68 miljoen EUR bij de structuurfondsen, waardoor een uitbetalingspercentage aan eindontvangers werd gehaald van bijna 93 % uit de operationele programma's aan acties op het gebied van financiële instrumentering, d.w.z. een stijging van 20 % ten opzichte van eind 2015;

62.  merkt op dat er bij de uitbetalingspercentages aan eindontvangers sprake is van grote verschillen tussen de financieringsinstrumenten, en dit niet alleen variërend van 60 % tot 99 % tussen lidstaten, maar ook tussen de sectoren waaraan bijstand wordt verleend;

63.  vreest dat er tegen het einde van het huidige MFK en in de eerste jaren van het volgende MFK een achterstand in de betalingen kan ontstaan; is van mening dat voor de financiering van het nieuwe MFK realistische begrotingskredieten nodig zijn om de verwachte niet-afgewikkelde vastleggingen te dekken;

Te nemen maatregelen

64.  verzoekt de Commissie:

(a)  rekening te houden met de toename van de niet-afgewikkelde vastleggingen in haar raming van de betalingskredieten voor het volgende MFK om te helpen zorgen voor een passend evenwicht tussen vastleggings- en betalingskredieten;

(b)  voorstellen te doen aan het Parlement en de Raad om te zorgen voor een consistente aanpak van de kwestie van het al dan niet meetellen van speciale instrumenten in de maxima voor betalingskredieten in het MFK;

(c)  voor beheer- en rapportagedoeleinden een manier te vinden om begrotingsuitgaven van de Unie zodanig te registreren dat alle financiering met betrekking tot de vluchtelingen- en migratiecrisis kan worden gerapporteerd;

(d)  bij het Parlement in het kader van de kwijtingsprocedure een uitgebreid verslag in te dienen over de middelen uit de EU-begroting die door de EIB-groep (EIB en EIF) naast zijn externe mandaat indirect worden beheerd en uitgevoerd, te beginnen met het begrotingsjaar 2017;

(e)  in de context van het debat over de toekomst van Europa, na te denken over de vraag hoe het begrotingsstelsel van de Unie kan worden hervormd om een toereikende begroting te garanderen om het voorgenomen beleid te financieren, een beter evenwicht te vinden tussen voorspelbaarheid en reactievermogen, en hoe het best kan worden gewaarborgd dat de algehele financieringsregelingen niet complexer zijn dan nodig om de beleidsdoelstellingen van de Unie te verwezenlijken en om verantwoording te garanderen;

(f)  ook de mogelijkheid te overwegen om autoriteiten die voor de periode 2014-2020 zijn aangewezen of geaccrediteerd om beheers-, certificerings- en auditfuncties uit te voeren en die hun capaciteiten hebben bewezen, de mogelijkheid te bieden dergelijke functies in de volgende programmeringsperiode zonder onderbreking of vertraging te blijven uitoefenen;

(g)  verzoekt de Commissie eens te meer een jaarlijks bijgewerkte kasstroomraming voor een periode van zeven tot tien jaar te maken waarin begrotingsplafonds, betalingsbehoeften, capaciteitsbeperkingen en de mogelijke annuleringen van vastleggingen worden opgenomen, met het oog op een betere afstemming tussen betalingsverplichtingen en beschikbare middelen;

(h)  lidstaten die moeilijkheden ondervinden bij het tijdig en soepel absorberen van beschikbare Unie-financiering bij te staan door op initiatief van de Commissie gebruik te maken van de beschikbare middelen voor technische bijstand;

Resultaten behalen met de begroting van de Unie

65.  merkt bezorgd op dat de Commissie twee reeksen doelstellingen en indicatoren, met zeer minimale kruisverwijzingen, hanteert om de prestaties van haar diensten en uitgavenprogramma's te meten, waardoor het erg lastig is twee verschillende soorten prestatiedocumenten te vergelijken; betreurt dat er vrijwel geen bruikbare en efficiënte impact- en resultaatindicatoren zijn om de prestaties van de Unie-uitgaven te meten en er informatie over te verspreiden;

66.  wijst erop dat de directeuren-generaal in hun jaarlijkse activiteitenverslagen verslag uitbrengen over de jaarlijkse betalingen van de directoraten-generaal per type activiteit of uitgavenprogramma, maar dat zij de prestaties rapporteren aan de hand van de verwezenlijking van algemene en specifieke doelstellingen, zonder indicatie van de bijbehorende uitgaven; is het niet eens met de uitleg van de Commissie dat het niet mogelijk is te beoordelen hoeveel er is uitgegeven om de doelstellingen te verwezenlijken; roept de Commissie op het beginsel van prestatiegebonden budgettering van planning, uitvoering en verslaglegging, volledig ten uitvoer te leggen, zodat achteraf kan worden gerapporteerd over de fondsen die zijn uitgegeven om de geformuleerde doelstellingen te verwezenlijken;

67.  herinnert eraan dat de OESO in 2016 in de OESO-landen en bij de Commissie een enquête heeft gehouden over resultaatgericht begroten; is in dit opzicht ingenomen met de erkenning door de OESO van de kwaliteit van de gegevens en de uitvoering van de EU-begroting; herinnert eraan dat de OESO van mening was dat het prestatiekader van de Commissie het meest uitgebreid was, wat wellicht deels kan worden verklaard door de omvang van de wettelijke vereisten in de EU;

68.  merkt op dat uit de grafiek van de OESO evenwel blijkt dat dit hogere niveau aan specificering niet tot uitdrukking komt in het gebruik en de gevolgen van het kader voor de besluitvorming (jaarverslag 2016 Rekenkamer, punt 3.21);

69.  merkt op dat de programmaverklaringen voor het ontwerp van algemene begroting 2017 van de EU 294 doelstellingen en 709 indicatoren bevatten, die zeer sterk geconcentreerd zijn in de rubrieken 1a, 3 en 4 van het MFK, en dat de Commissie via het initiatief voor een "resultaatgerichte begroting" (BFOR) momenteel bezig is met een evaluatie van de indicatoren om input te leveren voor de uitgavenprogramma's van de volgende generatie; benadrukt dat de Commissie met name resultaatindicatoren zou moeten gebruiken waarvan de waarde relevant is voor de prestaties;

70.  benadrukt dat het noodzakelijk is dat het proces van opstelling van prestatie-indicatoren transparant en democratisch is en dat alle relevante instellingen, partners en belanghebbenden van de Unie erbij worden betrokken om ervoor te zorgen dat de indicatoren geschikt zijn voor de meting van de uitvoering van de begroting van de Unie, en om aan de verwachtingen van de EU-burgers te voldoen;

71.  betreurt dat de jaarlijkse activiteitenverslagen van de directeuren-generaal van de Commissie die de Rekenkamer heeft onderzocht, weinig informatie bevatten over de tekortkomingen en uitdagingen met betrekking tot de doelstellingen van de directoraten-generaal (jaarverslag 2016 Rekenkamer, paragraaf 3.26);

72.  betreurt dat de AMPR's voor 2015 en 2016 de prestaties niet volledig dekten en te positief waren, aangezien uitvoeringsvertragingen de enige tekortkomingen waren waaraan werd gerefereerd; betreurt dat de verslagen tevens:

(a)   een beperkt inzicht boden in de resultaten van de Europa 2020-strategie, hoewel het Parlement daarom had verzocht in zijn kwijtingsbesluit over 2014;

(b)   niet altijd een duidelijke uitleg bevatten over de invloed van externe factoren op resultaten;

(c)   te laat verschenen om door de Rekenkamer in haar jaarverslag te worden beoordeeld;

73.  onderschrijft het standpunt van de Rekenkamer (jaarverslag 2016, paragraaf 3.38) dat de beoordelaars aanbevelingen aan de Commissie moeten doen, met inbegrip van actieplannen om tekortkomingen aan te pakken;

74.  betreurt het feit dat de Commissie sinds 2005 geen studie meer heeft verricht of laten verrichten naar haar gebruik van evaluatieresultaten;

75.  wijst erop dat de Commissie geen gedocumenteerd institutioneel systeem heeft voor de regelmatige follow-up van evaluaties;

76.  wijst er met name op dat de beheersplannen voor 2016 van de directoraten-generaal in de praktijk geen basis introduceerden voor het toezicht op de follow-up van evaluaties;

77.  betreurt verder dat, aangezien de Commissie geen overzicht heeft van de conclusies, aanbevelingen en actieplannen die voortvloeien uit haar evaluaties, en zij de uitvoering ervan niet op DG- of institutioneel niveau bijhoudt, zij de belanghebbenden niet kan informeren over het positieve effect van evaluaties;

78.  betreurt dat de jaarlijkse activiteitenverslagen geen verklaring bevatten over de kwaliteit van de gerapporteerde gegevens over de prestaties, en dat het college van commissarissen bijgevolg bij de goedkeuring van het AMPR de algehele politieke verantwoordelijkheid voor het beheer van de EU-begroting op zich neemt, maar niet voor de informatie over de prestaties en resultaten;

79.  is verheugd over en heeft zorgvuldig nota genomen van de opmerkingen van de Rekenkamer over prestatiekaders en verslaglegging door entiteiten binnen en buiten de EU, in het bijzonder wat betreft de kwaliteit van gegevens over prestaties en de verklaring inzake de kwaliteit van informatie over prestaties;

80.  wijst erop dat er geen centrale website bestaat met informatie over de prestaties van alle diensten van de Commissie voor alle gebieden van de EU-begroting;

81.  deelt de mening van de Rekenkamer dat het kader voor verslaglegging over prestaties dat door de Commissie wordt toegepast, zou kunnen worden verbeterd door internationale goede praktijken toe te passen;

Te nemen maatregelen

82.  verzoekt de Commissie:

(a)  de verslaglegging over prestaties te stroomlijnen door:

-  het aantal doelstellingen en indicatoren dat zij voor haar verschillende prestatieverslagen gebruikt, verder te verminderen en zich op die doelstellingen en indicatoren te richten waarmee de prestaties van de begroting van de Unie het beste kunnen worden gemeten; bij de voorbereiding van het volgende MFK moet de Commissie minder maar wel geschiktere resultaat- en impactindicatoren voorstellen voor het wettelijk kader van de volgende generatie programma's; in dit verband moet zij de relevantie nagaan van indicatoren waarvoor pas na een aantal jaar informatie kan worden verkregen;

–   financiële informatie zodanig te presenteren dat deze kan worden vergeleken met de informatie over prestaties, zodat het verband tussen de uitgaven en de prestaties duidelijk is;

–   de algemene samenhang tussen haar twee reeksen doelstellingen en indicatoren voor programma's enerzijds en directoraten-generaal anderzijds uit te leggen en te verbeteren;

(b)   de verslaglegging over prestaties beter in evenwicht te brengen door duidelijk informatie te presenteren over de belangrijkste uitdagingen die nog moeten worden verwezenlijkt;

(c)   beter te laten zien dat de evaluatieresultaten goed worden gebruikt door te vereisen dat evaluaties altijd conclusies bevatten waarnaar gehandeld kan worden, of aanbevelingen waaraan de Commissie vervolgens follow-up moet geven;

(d)   in het AMPR de algehele politieke verantwoordelijkheid voor de informatie over de prestaties en resultaten op zich te nemen, en aan te geven of naar haar weten de kwaliteit van de verstrekte prestatiegegevens toereikend is;

(e)   prestatiegegevens gemakkelijker toegankelijk te maken door een specifiek webportaal en een zoekmachine te ontwikkelen;

Presentatie van de EU-begroting

83.  merkt op dat de begroting van de Unie gepresenteerd is in afdelingen die overeenkomen met activiteiten die worden geleid door de instellingen (een op activiteiten gebaseerde begroting); is van mening dat deze presentatie niet zorgt voor een duidelijk en snel begrip van de doelstellingen; wijst erop dat het MFK daarentegen is gepresenteerd in rubrieken die overeenkomen met beleidsterreinen;

84.  merkt op dat de operationele programma's die de ontwerpbegroting vergezellen de link leggen tussen elk begrotingsonderdeel en de beoogde beleidsdoelstellingen;

85.   verzoekt de Commissie de begroting van de Unie te presenteren volgens de beleidsdoelstellingen van het MFK;

Ontvangsten

86.  is ingenomen met het feit dat uit de algemene controle-informatie van de Rekenkamer blijkt dat de ontvangsten geen materiële fouten vertonen en dat de onderzochte systemen voor de ontvangstenzijde in het algemeen doeltreffend zijn; merkt evenwel op dat wat de traditionele eigen middelen betreft, de essentiële interne controles in een aantal door de Rekenkamer bezochte lidstaten slechts gedeeltelijk doeltreffend zijn;

87.   stelt met bezorgdheid vast dat OLAF begin 2017 een onderzoek heeft afgerond naar een geval van fraude in het VK, waarbij er mogelijk sprake is van een verlies van 1,987 miljard EUR voor de begroting van de Unie in de vorm van douanerechten op textiel en schoenen die in de periode 2013-2016 via het VK uit China zijn ingevoerd; wijst erop dat het onderzoek ook aanzienlijke btw-fraude in verband met invoer via het VK aan het licht heeft gebracht, door misbruik van de opschorting van btw-betalingen (douaneregeling 42);

88.  merkt met bezorgdheid op dat de directeur-generaal van het directoraat-generaal Begroting ten aanzien van de ontvangsten voor 2016 voorbehoud heeft gemaakt met betrekking tot de ontvangsten uit de traditionele eigen middelen, in het licht van de fraudezaak van OLAF in verband met douanerechten van het Verenigd Koninkrijk;

89.  wijst erop dat de ontvangsten voor 2016 waarop dit voorbehoud betrekking heeft, ongeveer 517 miljoen EUR bedragen tegen een totaalbedrag van 20,1 miljard EUR aan traditionele eigen middelen, en dus 2,5 % van de traditionele eigen middelen en 0,38 % van alle middelen vertegenwoordigen; verzoekt de Commissie nauwkeurige informatie te verstrekken over deze fraudezaak, die indirect gevolgen kan hebben voor de btw-basis van sommige lidstaten en bijgevolg ook voor de btw-gerelateerde middelen en de bni-gerelateerde verrekening van de Commissie(71);

90.  is bezorgd over de vaststelling van de Commissie dat de Britse autoriteiten in oktober 2017 nog geen corrigerende maatregelen hadden genomen om het aanhoudende verlies van traditionele eigen middelen te voorkomen; merkt op dat de Britse autoriteiten vanaf 12 oktober 2017 bij inklaring tijdelijk waardedrempels toepassen bij bepaalde handelaars (in het kader van douane-initiatief Swift Arrow), met als resultaat dat de verliezen van traditionele eigen middelen in het VK onmiddellijk drastisch daalden;

91.  betreurt de discrepanties die zijn vastgesteld ten aanzien van de douanecontroles in de verschillende lidstaten; benadrukt hoe belangrijk het is de controles bij alle toegangspunten tot de douane-unie te harmoniseren en verzoekt de lidstaten om een gecoördineerde, uniforme en doelmatige tenuitvoerlegging van het grenssysteem te verzekeren door afwijkende praktijken tussen de lidstaten te ontmoedigen om de bestaande tekortkomingen in de douanecontrolesystemen te verminderen; verzoekt de Commissie in dit verband om de verschillende praktijken op het gebied van douanecontrole in de EU en de impact ervan op de verlegging van het handelsverkeer te onderzoeken en zich daarbij met name te richten op de EU-douanediensten aan de buitengrenzen, en om een nulmeting en informatie te verschaffen over de douanepraktijken en de procedures van de lidstaten;

92.  roept de Commissie op een actieplan te ontwikkelen om de volledige en tijdige tenuitvoerlegging van de btw-voorschriften in alle lidstaten te garanderen en zo deze bron van eigen middelen van de Unie veilig te stellen;

93.  herinnert eraan dat het nieuwe besluit over de eigen middelen van de Unie (EMB 2014), dat op 1 oktober 2016 in werking is getreden, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2014, bepaalt dat, indien rekening wordt gehouden met bni-gegevens bij de vaststelling van eigen middelen, het boekhoudkundig kader van het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen (ESR 2010) moet worden gebruikt, en dat dit erin voorziet dat de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling worden beschouwd als een investering (in plaats van de huidige uitgave uit hoofde van het voorgaande ESR 95); wijst erop dat dezelfde overweging moet worden toegepast voor andere programma's met een hoge toegevoegde waarde voor de EU, zoals het EFC;

94.  merkt op dat het gerapporteerde Ierse bni in 2015 zeer sterk is gestegen doordat multinationale ondernemingen O&O-activa naar het land hebben verplaatst;

95.   wijst erop dat de Commissie bijkomende werkzaamheden moet verrichten om de potentiële gevolgen van activiteiten van multinationals voor nationale rekeningen te onderzoeken, zowel wat de methodologie als het verificatieproces betreft, en dat deze kunnen leiden tot het toepassen van correcties voor de bni-bijdragen van de lidstaten;

96.  merkt op dat, wat het beheer van de traditionele eigen middelen betreft, de Rekenkamer en de Commissie tekortkomingen hebben geconstateerd in het beheer van de vorderingen (ook wel de B-boekhouding genoemd) in sommige lidstaten;

97.  benadrukt dat de Rekenkamer constateerde dat in België de controles na douaneafhandeling werden geselecteerd op basis van de kenmerken van afzonderlijke verrichtingen in plaats van op de risicoprofielen van ondernemingen, en dat controles na douaneafhandeling niet algemeen werden uitgevoerd (jaarverslag 2016 Rekenkamer, paragraaf 4.18);

98.  betreurt dat de Commissie heeft moeten vaststellen dat zes lidstaten (België, Estland, Italië, Portugal, Roemenië en Slovenië) ofwel geen controles na douaneafhandeling uitvoerden, ofwel geen informatie over deze controles verstrekten;

Te nemen maatregelen

99.  verzoekt de Commissie:

(a)  alle nodige maatregelen te nemen om te zorgen voor de terugvordering van de eigen middelen van de EU die de Britse autoriteiten niet hebben geïnd met betrekking tot de invoer van textiel en schoenen uit China, en een einde te maken aan btw-fraude;

(b)  te overwegen om tijdig een inbreukprocedure te starten voor de fraudezaak betreffende douanerechten in het VK;

(c)  in samenwerking met de lidstaten alle potentiële gevolgen van multinationale activiteiten te analyseren voor de schatting van het bni en hun begeleiding te bieden in het omgaan met deze activiteiten bij het opstellen van de nationale rekeningen;

(d)  tijdens de bni-verificatiecyclus te bevestigen dat O&O-activa correct zijn opgenomen in de nationale rekeningen van de lidstaten, waarbij in het bijzonder rekening moet worden gehouden met de waardering van O&O-activa en de locatiecriteria in gevallen waarin multinationale activiteiten zijn overgebracht;

(e)  voorstellen te doen voor nieuwe eigen middelen om de stabiliteit van de EU-begroting te garanderen;

Concurrentievermogen voor groei en banen

Bevindingen van de Rekenkamer

100.  merkt op dat de Rekenkamer voor het eerst een oordeel met beperking heeft vastgesteld ten aanzien van de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende betalingen bij de rekeningen; benadrukt dat vergoedingsregelingen foutgevoeliger blijven dan rechtenregelingen; wijst er evenwel op dat de gegevens voor de rubriek "concurrentievermogen voor groei en banen" niet wezenlijk zijn veranderd ten opzichte van de voorgaande jaren;

101.  herinnert eraan dat onderzoek en innovatie, in de vorm van het zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling 2007-2013 (het "zevende kaderprogramma voor onderzoek") en Horizon 2020 – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie 2014-2020 ("Horizon 2020"), goed is voor 59 % van de uitgaven;

102.  wijst erop dat de Rekenkamer het foutenpercentage op 4,1 % schat, dat niet-subsidiabele directe personeelskosten goed zijn voor 44 %, niet-subsidiabele andere directe kosten voor 12 %, indirecte kosten voor 16 %, en niet-subsidiabele projecten of begunstigden voor16 %; merkt evenwel op dat in 19 gevallen waarin begunstigden kwantificeerbare fouten hadden gemaakt, de Commissie of onafhankelijke controleurs over voldoende informatie beschikten om de fouten te voorkomen, of op te sporen en te corrigeren, voordat zij de uitgaven accepteerden;

103.  merkt op dat, indien de Commissie of onafhankelijke controleurs alle beschikbare informatie naar behoren hadden gebruikt, het geschatte foutenpercentage voor dit hoofdstuk 1,2 % lager zou zijn geweest;

104.  waardeert dat de Commissie aanzienlijke inspanningen heeft geleverd op het gebied van vereenvoudiging, met een vermindering van de administratieve complexiteit tot gevolg, door een nieuwe definitie van een aanvullende vergoeding voor onderzoekers te introduceren, het Horizon 2020-werkprogramma voor 2018-2020 te stroomlijnen, gerichte steun voor start-ups en innovatieve ondernemers te verstrekken, en meer gebruik te maken van vereenvoudigde kostenopties; wijst er echter op dat de Rekenkamer mogelijkheden ziet om het juridisch kader verder te vereenvoudigen, maar meent dat hieraan ook risico's zijn verbonden;

105.  wijst erop dat de Rekenkamer kwesties met betrekking tot de prestaties van onderzoeks- en innovatieprojecten heeft onderzocht; is evenwel van mening dat de resultaten, waarbij wordt gekeken naar de uitkomst, de kosten en de verspreiding, als voorlopig moeten worden beschouwd;

Jaarlijks activiteitenverslag van het directoraat-generaal Onderzoek en Innovatie (DG R&I)

106.  merkt op dat DG R&I, in overeenstemming met de Europa 2020-strategie volgens het Strategisch Plan 2016-2020 vier doelstellingen heeft nagestreefd:

(a)  een nieuwe stimulans voor banen, groei en investeringen;

(b)  een connectieve digitale eengemaakte markt;

(c)  een veerkrachtige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering; en

(d)  een krachtiger rol op het wereldtoneel;

107.  is ingenomen met het feit dat commissaris Moedas bij het nastreven van deze doelstellingen drie prioriteiten heeft vastgesteld, namelijk "open innovatie", "open wetenschap" en "open staan voor de wereld";

108.  merkt op dat, om de voortgang met betrekking tot de vastgestelde doelstellingen te meten, DG R&I gebruik heeft gemaakt van vijf kernprestatie-indicatoren (KPI's):

(a)  het aandeel in Horizon 2020 aan kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) toegewezen middelen om maatschappelijke uitdagingen aan te pakken en ontsluitende en industriële technologieën te bevorderen, waarbij het aandeel van de financiële bijdrage van de Unie via het kmo-instrument wordt toegekend;

(b)  het aandeel nieuwkomers bij succesvolle aanvragers van Horizon 2020;

(c)  aan klimaat en duurzaamheid gerelateerde uitgaven van Horizon 2020;

(d)  het aandeel van de deelname van derde landen aan Horizon 2020;

(e)  het aandeel van subsidies met een subsidietoekenningstermijn van minder dan 245 dagen;

109.  wijst erop dat DG R&I in zijn antwoorden op schriftelijke vragen een lijst van landen heeft gepubliceerd waarvoor DG R&I landenspecifieke aanbevelingen heeft opgesteld; dringt er bij DG R&I op aan de voorstellen van het directoraat voor de landenspecifieke aanbevelingen rechtstreeks in zijn jaarlijks activiteitenverslag te publiceren, zoals het Parlement reeds meermaals heeft gevraagd;

110.  herinnert eraan dat de beoordeling van het KP7 in het vorige kwijtingsverslag is behandeld(72);

111.  is ingenomen met de vorderingen die het directoraat-generaal heeft gemaakt bij de verwezenlijking van zijn KPI's voor Horizon 2020:

(a)  23,9 % van de financiële bijdrage van de EU is naar kmo's gegaan (de doelstelling voor 2020 is 20 %);

(b)  55 % van de succesvolle aanvragers was nieuwkomer (de doelstelling voor 2020 is 70 %);

(c)  26 % van de financiële bijdrage van de EU was aan het klimaat gerelateerd (de doelstelling voor 2020 is 25 %);

(d)  54,9 % van de financiële bijdrage van de EU was aan duurzaamheid gerelateerd (de doelstelling voor 2020 is 60 %);

(e)  de deelname van derde landen aan Horizon 2020-projecten bedraagt 3,6 % (de doelstelling voor 2020 is 4,73 %);

(f)  in 91 % van de gevallen hield DG R&I zich aan de subsidietoekenningstermijn van 245 dagen (de doelstelling voor 2020 is 100 %);

112.  wijst er met bezorgdheid op dat de territoriale distributie van Horizon 2020 opvallend beperkt is aangezien 72,5 % (12 121 miljoen EUR) van de financiering in het kader van Horizon 2020 naar Duitsland (3 464 miljoen EUR), het Verenigd Koninkrijk (3 083 miljoen EUR), Frankrijk (2 097 miljoen EUR), Spanje (1 813 miljoen EUR) en Italië (1 664 miljoen EUR) gaat;

113.  merkt op dat er in 2016 183 subsidieovereenkomsten voor Horizon 2020 zijn getekend met deelnemers uit derde landen; wijst erop dat er 299,5 miljoen EUR is toegezegd aan deelnemers uit Zwitserland in subsidie-overeenkomsten die werden ondertekend in 2016, terwijl de bijdrage van Zwitserland aan Horizon 2020 180,9 miljoen EUR bedroeg; weigert een "status van netto-ontvanger" toe te kennen aan een van de rijkste landen ter wereld; roept de Commissie op regelgeving voor te stellen om dergelijke onevenwichtigheden te compenseren;

114.  erkent het succes van het gemeenschappelijk ondersteuningscentrum en zijn bijdrage aan de vereenvoudiging en het verstrekken van juridisch en technisch advies; vraagt DG R&I welke vereenvoudigingsmaatregelen het wil voorstellen voor de periode na 2020;

115.  neemt kennis van de betalingskredieten voor DG R&I in 2016:

Betalingskredieten voor DG R&I, inclusief EVA-bijdrage

Beheerswijze

Uitvoering

In miljoen EUR

Procentpunten

Gecodelegeerd of gesubdelegeerd aan andere DG's

161,20

5,34

DG R&I rechtstreeks

1 878,28

62,17

DG R&I aan organen bedoeld in artikel 185

86,40

2,86

DG R&I aan EIB

312,72

10,35

DG R&I aan gemeenschappelijke ondernemingen

582,37

19,28

Totaal

3 020,97

100%

116.  benadrukt dat 14,39 % van de begroting, wat neerkomt op bijna 444 miljoen EUR, werd uitgevoerd door middel van financiële instrumenten;

117.  benadrukt tevens dat 39,36 % (tegenover 28,14 % in 2015) van de begroting van DG R&I werd toevertrouwd aan andere entiteiten buiten de Commissie, vooral voor de uitvoering van onderdelen van de kaderprogramma's onder (indirect) subsidiebeheer en controlesystemen van financiële instrumenten;

118.  heeft met belangstelling vernomen dat DG R&I een toezichtstrategie voor financiële instrumenten heeft ingevoerd en zou daarom willen weten hoe DG R&I bepaalt of financiële en onderzoeksgerelateerde doelstellingen zijn verwezenlijkt;

119.  merkt op dat DG R&I het totale vastgestelde foutenpercentage heeft geschat op 4,42 %, met een restfoutenpercentage van 3,03 %;

120.  stelt vast dat de Commissie het totale risicobedrag bij afsluiting heeft geschat tussen 73,5 en 104 miljoen EUR;

121.  is ingenomen met het onderzoek van DG R&I naar de kosteneffectiviteit van direct en indirect subsidiebeheer;

122.  betreurt dat DG R&I opnieuw een horizontaal voorbehoud heeft afgegeven betreffende het restfoutenpercentage bij kostendeclaraties in het kader van het zevende kaderprogramma voor onderzoek (KP7) dat het zelf rechtstreeks uitvoert;

123.  herinnert aan zijn standpunt, uitgedrukt in paragraaf 76 van zijn resolutie over het verlenen van kwijting aan de Commissie voor 2015, dat het voor de Commissie nodig is "eindelijk een zinvollere, risicogebaseerde aanpak te ontwikkelen en, indien nodig, specifieke punten van voorbehoud te gebruiken";

Te nemen maatregelen

124.  verzoekt DG R&I de voorstellen van het directoraat voor de landenspecifieke aanbevelingen op te nemen in zijn jaarlijks activiteitenverslag;

125.  verzoekt DG R&I gehoor te geven aan de aanbevelingen van de dienst Interne Audit (IAS), die tekortkomingen heeft geconstateerd bij het waarborgen van een consistente aanpak inzake projecttoezicht bij alle uitvoeringsorganen in het kader van Horizon 2020;

126.  verzoekt DG R&I verslag uit te brengen over de vorderingen van de gemeenschappelijke auditdienst bij het verbeteren van de werking van zijn interne processen;

127.  verzoekt DG R&I aan de bevoegde commissie van het Parlement verslag uit te brengen over zijn toezichtstrategie voor financiële instrumenten en over de wijze waarop DG R&I bepaalt of financiële en onderzoeksgerelateerde doelstellingen zijn verwezenlijkt;

128.  verzoekt DG R&I aan de bevoegde commissie van het Parlement uit te leggen welke maatregelen het heeft genomen om horizontale voorbehouden betreffende het restfoutenpercentage in kostendeclaraties te voorkomen;

129.  is van mening dat normen en normalisatie in onderzoeks- en innovatieprojecten en bij  coördinatie- en ondersteuningsacties gunstig zijn voor de impact van onderzoeksresultaten op verschillende niveaus van technologische paraatheid, aangezien zij de verhandelbaarheid en overdraagbaarheid van innovatieve producten en oplossingen vergroten; merkt verder op dat normen en verwante activiteiten een positieve bijdrage leveren aan de verbreiding van de resultaten van de Horizon 2020-projecten door kennis, zelfs nadat de projecten zijn afgerond, openbaar beschikbaar te stellen en zo te verspreiden; roept de Commissie op de rol van normalisatie in toekomstige oproepen uit te breiden en kernprestatie-indicatoren te ontwikkelen die rekening houden met normalisatie-activiteiten;

Economische, sociale en territoriale samenhang

Inleiding

130.  heeft uit het zevende verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie(73) vernomen dat aan de ene kant convergentie een broos proces is dat gemakkelijk kan worden gestopt en omgebogen door economische crises, maar dat aan de andere kant investeringen van de overheid de gevolgen van crises kunnen beperken;

131.  is verheugd over het feit dat de werkgelegenheid in 2016 weer het niveau van vóór de crisis van 2008 van 71 % heeft bereikt, maar geeft aan dat er grote verschillen bestaan binnen de Unie en het cijfer nog steeds een stuk lager is dan de Europa 2020-streefwaarde van 75 %; merkt bezorgd op dat de werkloosheid nog steeds te hoog is, met name onder jongeren, en dat veel mensen langdurig werkloos zijn;

132.  blijft ervan overtuigd dat betere en meer verbindingen nodig zijn tussen de mechanismen voor economische governance en het cohesiebeleid; is van mening dat voor dat doeleinde kan worden voorzien in positieve stimuleringsmaatregelen;

133.  is verheugd over het feit dat DG REGIO, in antwoord op de vragen van het Parlement, zijn landenspecifieke aanbevelingen nader heeft gespecificeerd

134.  is zich ervan bewust dat sommige bepalingen van het herziene Financieel Reglement betreffende het cohesiebeleid met terugwerkende kracht in werking moeten treden;

135.  is bezorgd over het feit dat dergelijke aanpassingen een bron van bijkomende fouten kunnen worden, aangezien programma's en projecten werden geselecteerd op grond van verordeningen die op 1 januari 2014 in werking zijn getreden;

Bevindingen van de Rekenkamer

136.  merkt op dat de Rekenkamer voor het eerst een oordeel met beperking heeft afgegeven ten aanzien van de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende betalingen bij de rekeningen; benadrukt dat vergoedingsregelingen foutgevoeliger blijven dan rechtenregelingen; wijst er evenwel op dat de gegevens voor de rubriek "economische, sociale en territoriale samenhang" niet wezenlijk zijn veranderd ten opzichte van het voorgaande jaar;

137.  herinnert eraan dat in 2016 onder de rubriek "economische en sociale samenhang" een bedrag beschikbaar was van 51,25 miljard EUR, wat overeenkomt met 33 % van de begroting van de Unie;

138.  wijst erop dat de Rekenkamer het foutenpercentage voor dit beleidsterrein op 4,8 % heeft geschat, en verder heeft opgemerkt dat het geschatte foutenpercentage voor cohesie niet de kwantificering omvat van de stortingen in financieringsinstrumenten in 2016 voor een bedrag van 2,5 miljard EUR, die volgens haar buiten de subsidiabiliteitsperiode vallen zoals bepaald in artikel 56, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25) (zie de paragrafen 6.20 en 6.21); merkt op dat met deze stortingen het geschatte foutenpercentage voor de totale uitgaven van de Unie 2,0 % hoger zou zijn geweest(74);

139.  wijst erop dat de fouten op het gebied van cohesie 43 % uitmaakten van het totale geschatte foutenpercentage van 3,1 %; merkt op dat het foutenpercentage onder meer hoog is wegens de complexiteit van de wetgeving van de Unie en lidstaten;

140.  merkt op dat de Rekenkamer een steekproef heeft onderzocht van 180 verrichtingen uit 54 tussentijdse betalingen voor de periode 2007-2013, met betrekking tot 92 projecten uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), 36 projecten uit het Cohesiefonds (CF), 40 projecten uit het Europees Sociaal Fonds (ESF), 11 financiële instrumenten uit het EFRO en één financieel instrument uit het ESF;

141.  roept de Commissie op om de opmerkingen van de Rekenkamer ter harte te nemen, die onnauwkeurigheden had aangetroffen in de analyse van de prestaties van ten minste vier van de twaalf financiële instrumenten van het EFRO en het ESF die in het verslag van de Europese Rekenkamer van 2016 werden onderzocht; deelt de bezorgdheid van de Rekenkamer, die benadrukt dat deze fouten tot gevolg hebben dat de prestaties worden overgewaardeerd en, als ze niet gecorrigeerd worden, de gedeclareerde hoeveelheid subsidiabele uitgaven bij sluiting kunstmatig opvoeren, vooral in het geval van garantiefondsen;

142.  merkt tevens op dat 42 % van de fouten toe te schrijven is aan niet-subsidiabele kosten in de uitgavendeclaraties, 30 % betrekking heeft op ernstige inbreuken op de regels inzake overheidsopdrachten, en 28 % verband houdt met niet-subsidiabele projecten, activiteiten of begunstigden;

143.  betreurt dat een van de belangrijkste oorzaken van fouten in de uitgaven van de rubriek "Economische, sociale en territoriale samenhang" nog steeds de inbreuken op de regels voor overheidsopdrachten is; herhaalt dat de ernstige op de regels voor overheidsopdrachten onder meer rechtstreekse gunningen die niet door contracten worden gerechtvaardigd, bijkomende werkzaamheden of diensten, de onwettige uitsluiting van inschrijvers, belangenconflicten en discriminerende selectiecriteria omvatten; acht een beleid van volledige transparantie betreffende de gegevens van de aannemers en de onderaannemers cruciaal om fouten en misbruik tegen te gaan;

144.  is ingenomen met het feit dat de Rekenkamer heeft benadrukt dat projecten waarvoor vereenvoudigde kostenopties worden gebruikt, minder foutgevoelig zijn dan wanneer de reële kosten worden vergoed;

145.  is bezorgd over het feit dat de steekproef ook drie "grote projecten" omvatte, waarvoor de goedkeuring van de Commissie vereist is, en waarvoor de autoriteiten van de lidstaten de vereiste aanvraag niet hadden ingediend tegen de uiterste termijn van 31 maart 2017; merkt op dat de Commissie daarom de uitgaven moet terugvorderen;

146.  is ontstemd over het feit dat, net zoals in de voorgaande jaren, het foutenpercentage 3,7 % lager had kunnen zijn indien de lidstaten alle beschikbare informatie hadden gebruikt om de fouten bij de eerste controles te voorkomen, of op te sporen en te corrigeren, alvorens de uitgaven bij de Commissie te declareren;

147.  is bezorgd over het feit dat, jaren na de start van de programmeringsperiode 2014-2020, de lidstaten nog maar 77 % van de programma-autoriteiten hebben aangewezen die verantwoordelijk zijn voor de fondsen voor het cohesiebeleid; dat de Commissie per 1 maart 2017 de definitieve rekeningen ontving met uitgaven die slechts 0,7 % van de aan de volledige programmeringsperiode toegewezen begroting vertegenwoordigden; en dat er medio 2017 sprake was van grotere vertragingen in de uitvoering van de begroting dan op hetzelfde moment in de periode 2007-2013; merkt op dat de nog te betalen vastleggingen aan het eind van de huidige financieringsperiode bijgevolg zelfs hoger zouden kunnen zijn dan in de vorige periode;

148.  waardeert dat het hoofdstuk over economische, sociale en territoriale samenhang tevens een hoofdstuk omvat over de prestaties van de projecten; betreurt evenwel dat dit onderdeel grotendeels gericht is op kwantitatieve informatie, d.w.z. het aantal bestaande prestatiemeetsystemen;

Acties op het gebied van financiële instrumentering

149.  herinnert eraan dat de samenvatting van de gegevens over de vorderingen bij de financiering en uitvoering van acties op het gebied van financiële instrumentering in 2016 pas op 20 september 2017 werd gepubliceerd, waardoor de Rekenkamer geen commentaar op het document kon geven;

150.  wijst op de belangrijkste cijfers voor 2016:

(a)  25 lidstaten maken gebruik van acties op het gebied van financiële instrumentering, waarbij 25 deze gebruiken voor de ondersteuning van ondernemingen, 11 voor stadsontwikkeling en 9 voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie;

(b)  in de hele Unie zijn er 1 058 acties op het gebied van financiële instrumentering, waarvan 77 holdingfondsen en 981 specifieke fondsen;

(c)  89 % van deze acties op het gebied van financiële instrumentering verleent steun aan ondernemingen, 7 % aan stadsontwikkeling en 4 % aan energie-efficiëntie en hernieuwbare energie;

(d)  de betalingen aan acties op het gebied van financiële instrumentering belopen 16,4 miljard EUR, waarvan 11,3 miljard EUR aan de structuurfondsen;

(e)  de betalingen aan eindontvangers belopen 15,2 miljard EUR, waarvan 10,1 miljard EUR bij de structuurfondsen, d.w.z. 93 % van de totale betalingen aan acties op het gebied van financiële instrumentering;

(f)  op basis van de 81 % acties op het gebied van financiële instrumentering die verslag hebben uitgebracht, bedroegen de beheerskosten en vergoedingen in totaal 0,9 miljard EUR of 6,7 % van de totale betalingen aan de betrokken acties op het gebied van financiële instrumentering;

(g)  8,5 miljard EUR aan middelen zijn teruggestort;

(h)  314 000 eindontvangers ontvingen steun;

151.  wijst erop dat het gebruik van acties op het gebied van financiële instrumentering met de jaren en financieringsperioden drastisch is toegenomen, waardoor de financiering van de structuurfondsen complexer is geworden en er bijgevolg meer risico's inzake democratische verantwoordingsplicht zijn ontstaan; merkt op dat naar verwachting 20,1 miljard EUR van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) en het Cohesiefonds (CF) tegen eind 2020 via financieringsinstrumenten zal worden uitgevoerd;

152.  is in dit verband bezorgd over het feit dat de nationale controleautoriteiten onvoldoende aandacht besteden aan de uitvoering van acties op het gebied van financiële instrumentering;

153.  constateert dat 63 % (675) van de acties op het gebied van financiële instrumentering werd gestart in Polen (247), Frankrijk (152), Hongarije (139) en Italië (137);

154.  betreurt dat 6,7 % van de totale betalingen aan de betrokken acties op het gebied van financiële instrumentering (900 miljoen EUR) bestemd was voor beheerskosten en vergoedingen; acht dit bedrag onevenredig hoog;

155.  merkt op dat er in de rapportage van gegevens een aantal fouten en tegenstrijdigheden blijft voorkomen; wijst erop dat het hierbij gaat om kleine maar significante hoeveelheden operationele programmamiddelen die werden vastgelegd in de financieringsovereenkomsten maar bij de afsluiting niet werden betaald aan de acties op het gebied van financiële instrumentering, en om een toename van zowel de betaling van vastgelegde bedragen aan een aantal acties op het gebied van financiële instrumentering na 31 december 2015, als in sommige gevallen van hogere betalingen aan de eindontvangers dan aan de acties op het gebied van financiële instrumentering(75);

Jaarlijks activiteitenverslag van het directoraat-generaal Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling (DG REGIO)

156.  wijst ook op het feit dat in de evaluatie achteraf van EFRO-CF wordt aangegeven dat de regionale convergentie tijdens de programmeringsperiode 2007-2013 weliswaar onvoldoende was, maar dat er zonder cohesiebeleid sprake zou zijn geweest van divergentie, aangezien de financiële crisis van 2007-2008 een ongunstig klimaat creëerde voor investeringen en convergentie;

157.  benadrukt dat de conclusies met betrekking tot prestaties beperkt blijven, aangezien dit een meer omvattende evaluatie van de door de programma's van de periode 2007-2013 verstrekte gegevens vergt, die in augustus 2017 had moeten zijn afgerond; verzoekt de Commissie de Commissie begrotingscontrole te informeren over de resultaten van deze evaluatie;

158.  constateert dat de Commissie voor de uitvoering van de financieringsperiode 2014-2020 meldt dat meer dan 50 000 projecten werden geselecteerd voor een totale investering van 64,1 miljard EUR, dat 45 000 samenwerkingsprojecten tussen ondernemingen en onderzoeksinstellingen tot stand zijn gebracht, en dat meer dan 380 000 kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) steun hebben ontvangen uit de cohesiemiddelen, wat heeft geleid tot het creëren van meer dan 1 000 000 banen;

159.  constateert dat de Commissie tevens meldt dat voor dezelfde financieringsperiode meer dan 75 miljard EUR uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en het Cohesiefonds bestemd was om de doelstellingen van de energie-unie en de aanpassing aan de klimaatverandering te ondersteunen, en dat bovendien meer dan 5 000 projecten werden geselecteerd ter ondersteuning van de koolstofarme economie;

160.  wijst op onderstaande tabel, die de totale goedgekeurde vastleggings- en betalingskredieten voor 2016 weergeeft:

2016, in miljoen EUR

 

Goedgekeurde vastleggings­kredieten

Goedgekeurde betalings­kredieten

Administratieve uitgaven op het beleidsterrein "Regionaal beleid en stadsontwikkeling"

16,75

24,52

Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en andere regionale acties

27 163,16

22 911,83

Cohesiefonds (CF)

8 775,98

7 456,71

Instrument voor pretoetredingssteun – Regionale ontwikkeling en regionale en territoriale samenwerking

54,14

522,95

Solidariteitsfonds

81,48

68,48

Totaal

36 091,51

30 984,47

161.  merkt evenwel op dat deze statistische gegevens weinig informatie verstrekken over de duurzaamheid en de resultaten van deze projecten;

162.  wijst op het grote belang van ex‑antevoorwaarden, ter vaststelling van sectorspecifieke en horizontale voorwaarden om doeltreffende besteding van ESIF-middelen te waarborgen; zodra aan de ex-antevoorwaarden is voldaan, en de 10 % inhouding op de betalingen uit hoofde van de herziene verordening is doorgevoerd, zal de uitvoering van projecten eenvoudiger zijn en minder gevoelig voor fouten; wijst er echter op dat de Rekenkamer zich in haar Speciaal verslag 15/2017 afvraagt in hoeverre dit effectief heeft geleid tot veranderingen ter plaatse;

163.  betreurt dat eind 2016 slechts 87 % (181 van de 209) van de certificerende instanties was aangewezen, en dat geen enkele instantie was aangewezen voor 28 hoofdprogramma's (in Oostenrijk was slechts voor 1 programma een instantie aangewezen, in België slechts voor 2, in Duitsland slechts voor 8, in Finland slechts voor 1, in Frankrijk slechts voor 2, in Ierland slechts voor 2, in Italië slechts voor 6, in Roemenië slechts voor 4, in Slowakije slechts voor 1 en in het Verenigd Koninkrijk slechts voor 1);

164.  constateert met verbazing dat de grootste moeilijkheden in de aanwijzingsprocedure verband hielden met het opzetten van IT-systemen om de nieuwe elementen van de programmeringsperiode 2014-2020 op het vlak van verslaglegging te integreren, en met het opstellen van procedures om te zorgen voor een degelijk toezicht van de beheersautoriteiten op de bemiddelende instanties;

165.  betreurt bovendien dat over het algemeen slechts 26,1 % van de projecten werd geselecteerd en dat eind 2016 slechts 3,7 % van de beschikbare middelen uit de structuurfondsen was opgenomen, terwijl het selectieproces in 2017 werd versneld; wijst erop dat de trage start kan leiden tot een groot aantal nog te betalen vastleggingen aan het eind van de huidige financieringsperiode; verzoekt de Commissie om verdere inspanningen te leveren om de administratieve capaciteit van de nationale, regionale en lokale autoriteiten te versterken;

166.  benadrukt dat de projectselectie bijzonder traag verliep in Spanje, Cyprus, Roemenië, Oostenrijk, de Tsjechische Republiek, Kroatië en Slowakije;

167.  merkt op dat voor de meeste operationele programma's (247 van de 295) bijgevolg geen bedragen op de rekeningen werden gecertificeerd ("nulrekeningen") aangezien tot 31 juli 2016 geen uitgaven werden gedeclareerd;

168.  is tevreden dat de Commissie op basis van de voorlopige controleadviezen betreffende de ontvangen zekerheidspakketten geen materiële onnauwkeurigheden heeft ontdekt;

169.  is evenwel bezorgd over het feit dat 7 van de 9 controles van de Commissie bij operationele programma's of gebieden met een hoog risico ernstige tekortkomingen aan het licht hebben gebracht (in Hongarije, vervoer, elektronisch beheer en uitvoering van operationele programma's; in Italië, het Reti e mobilità, istruzione, prioriteit 3 en de operationele programma's voor technische bijstand; in Roemenië, de operationele programma's voor concurrentievermogen en milieu);

170.  merkt op dat 278 van de 322 beheers- en controlesystemen een goedkeurend oordeel of een oordeel met matige impact hebben gekregen, en dat de Commissie in 40 gevallen een oordeel met aanzienlijke impact heeft afgeleverd;

171.  merkt op dat de Commissie heeft berekend dat het totale risicobedrag bij betaling tussen 644,7 en 1 257,3 miljoen EUR bedraagt, en dat zij in het kader van haar toezichthoudende rol in 2016 voor 481 miljoen EUR financiële correcties heeft uitgevoerd;

172.  merkt op dat de Commissie het totale gemiddelde foutenpercentage voor betalingen in 2016 voor de programma's 2007-2013 van het EFRO/CF tussen 2,2 % en 4,2 % heeft geschat, en het restfoutenpercentage bij afsluiting op ongeveer 0,4 %; onderstreept dat "Cohesie" ook in 2016 de grootste bijdrage aan het geschatte foutenpercentage heeft geleverd, gevolgd door "Natuurlijke hulpbronnen", "Concurrentievermogen" en "Europa als wereldspeler"; verzoekt de Commissie met de lidstaten te blijven samenwerken om hun beheers- en controlesystemen te verbeteren en gebruik te blijven maken van de beschikbare wettelijke toezichtinstrumenten om te waarborgen dat alle materiële fouten worden gecorrigeerd;

173.  merkt op dat de Commissie 68 punten van voorbehoud voor de vorige financieringsperiode en 2 punten van voorbehoud voor de huidige financieringsperiode heeft gemaakt;

Specifieke kwesties

Griekenland

174.  is ingenomen met de inspanningen van DG REGIO om vorderingen te maken met de lijst van prioritaire projecten in Griekenland;

175.  is in dit verband ingenomen met:

(a)  de invoering van vier snelwegconcessies (Athene-Thessaloniki, Korinthe-Tripoli-Kalamata, Korinthe-Patras en Patras-Ioannina, die samen meer dan 1 000 km weg bestrijken), die nu operationeel zijn en door de gebruikers ten zeerste worden gewaardeerd,

(b)  het programma "energiebesparing bij huishoudens" (combinatie van acties op het gebied van financiële instrumentering en subsidies), dat de energie-efficiëntie in 46 000 huishoudens heeft verbeterd en goed was voor 6 000 nieuwe banen; de vraag was zo groot dat onmiddellijk een vervolgprogramma voor de periode 2014-2020 werd opgericht,

(c)  financiële instrumenten, met name JEREMIE, waardoor meer dan 20 000 banen konden worden gecreëerd of behouden,

(d)  het project betreffende elektronische voorschriften voor geneesmiddelen, dat maandelijks meer dan 5,5 miljoen elektronische voorschriften en 2,4 miljoen diagnoseverzoeken beheert, waarbij 13 000 apotheken en 50 000 artsen zijn betrokken, en dat heeft geleid tot aanzienlijke kostenbesparingen voor de Griekse gezondheidszorgbegroting;

176.  betreurt anderzijds dat:

(a)  de metroprojecten in Athene (verlenging van lijn 3 tot Piraeus) en Thessaloniki (hoofdlijn) ernstige vertraging hebben opgelopen, waardoor ze ook nog moesten worden opgenomen in de programmeringsperiode 2014-2020;

(b)  een aantal belangrijke projecten in de spoorwegsector, de digitale sector en de energiesector is geannuleerd of vertraging heeft opgelopen, waardoor ze geheel of nog gedeeltelijk moesten worden opgenomen in de programmeringsperiode 2014‑2020;

(c)  een groot deel van de infrastructuur voor de verwerking van afvalwater en vaste afvalstoffen nog moet worden voltooid;

177.  is ingenomen met het feit dat het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) zijn administratief onderzoek naar het Tsjechische "ooievaarsnest"-project heeft afgerond; neemt kennis van het feit dat het OLAF-dossier is bekendgemaakt in de Tsjechische media; betreurt dat OLAF ernstige onregelmatigheden heeft geconstateerd;

178.  verzoekt DG REGIO de betrokken medefinanciering van de Unie, namelijk 1,67 miljoen EUR, terug te vorderen en de nodige sancties op te leggen;

179.  merkt op dat het "ooievaarsnest"-project met ingang van 25 januari 2018 door de Tsjechische Republiek aan EU-financiering is onttrokken en dat het project, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, in de Tsjechische Republiek reeds aan rechterlijke toetsing is onderworpen;

180.  is bezorgd over de vaststelling door de Commissie dat in Hongarije het percentage van gegunde opdrachten waarbij slechts één bod is uitgebracht 36 % bedraagt; wijst erop dat het gemiddelde in de Unie 17 % is; roept de Commissie op concurrentie in de aanbestedingsprocedures te bevorderen;

181.  is ingenomen met de positieve beoordeling van het mechanisme voor samenwerking en toetsing voor Bulgarije en Roemenië dat tien jaar bestaat(76); is bezorgd dat onlangs een stap terug is gezet in de bestrijding van corruptie op hoog niveau in Bulgarije en Roemenië; verzoekt de Commissie de rechtshandhavings- en corruptiebestrijdingsautoriteiten in beide lidstaten te steunen en aan te moedigen; benadrukt dat het agentschap voor corruptiebestrijding in Roemenië op het gebied van het oplossen van corruptiezaken op middelhoog en hoog niveau indrukwekkende resultaten heeft behaald; onderstreept dat het met het oog op de versterking van de corruptiebestrijding van het grootste belang is om deze inspanningen voort te zetten;

182.  veroordeelt de recente misdaad tegen een Slowaakse journalist, die mogelijk verband houdt met zijn onderzoekswerk; dringt er bij de Commissie op aan het Parlement op de hoogte te stellen van de landbouwfondsen van de Unie in Slowakije;

183.  merkt op dat OLAF ook een administratief onderzoek heeft afgerond betreffende een lening die de Europese Investeringsbank (EIB) aan de Volkswagengroep heeft verstrekt;

184.  neemt kennis van een verklaring van de president van de EIB, de heer Werner Hoyer, waarin hij stelt: "Wij kunnen nog steeds niet uitsluiten dat een van onze leningen – de lening "Volkswagen Antrieb RDI" van 400 miljoen EUR – verband houdt met emissiecontroletechnologie die werd ontwikkeld op het ogenblik dat de sjoemelsoftware werd ontworpen en gebruikt. Wij zullen de conclusies van OLAF analyseren en elke mogelijke en passende actie overwegen. [...] Wij zijn zeer teleurgesteld over wat wordt beweerd in het onderzoek van OLAF, namelijk dat de EIB door VW werd misleid in verband met het gebruik van de sjoemelsoftware.";

Jaarlijks activiteitenverslag van het directoraat-generaal Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie (DG EMPL)

185.  merkt op dat DG EMPL erop wijst dat het als volgt bijdraagt aan de Europa 2020-doelstellingen:

(a)  de arbeidsparticipatie in de EU voor personen in de leeftijdsgroep van 20 tot 64 jaar bedroeg 71,2 % in het derde kwartaal van 2016; dit percentage is nu voor het eerst hoger dan dat van 2008 (70,3 %) en het streefcijfer van de Europa 2020-strategie kan worden gehaald indien de trend zich voortzet;

(b)  de totale werkloosheid blijft dalen en bedraagt nu minder dan 10 % voor zowel de EU als de eurozone; de werkloosheid onder jongeren en de langdurige werkloosheid blijven evenwel grote uitdagingen voor de EU, ondanks de geconstateerde daling van respectievelijk 19,5 % in december 2015 tot 18,6 % in december 2016, en van 4,3 % in het derde kwartaal van 2015 tot 3,8 % in het derde kwartaal van 2016;

(c)  het economisch herstel, dat in 2013 begon, is ook gepaard gegaan met een gestage, zij het onvoldoende, afname van de armoede, gemeten aan de hand van het percentage mensen dat het risico loopt in armoede terecht te komen dat is gedaald van 24,7 % in 2012 tot 23,7 % in 2015, maar het herstel bereikt nog steeds niet alle delen van de samenleving en in 2016 liepen 118 miljoen mensen het risico in armoede en sociale uitsluiting terecht te komen (1,7 miljoen mensen meer dan in 2008), waardoor het Europese streefdoel voor 2020 inzake armoede en sociale uitsluiting nog bij lange na niet wordt gehaald;

(d)  investeringen ter verbetering van de geografische en beroepsmobiliteit, in combinatie met het aanpakken van mogelijke verstoringen en misbruik, hebben bijgedragen tot een geleidelijke stijging van de mobiliteit binnen de EU tot 3,6 % van de bevolking in 2015;

186.  betreurt evenwel dat de ongelijke inkomensverdeling tussen 2013 en 2014 is toegenomen en sindsdien weliswaar in algemene zin stabiel is gebleven, maar in sommige gevallen blijft toenemen; maakt zich er zorgen over dat de rijkste 20 % van de bevolking in 2016 een circa vijf keer hoger besteedbaar inkomen had dan de armste 20 %, met grote verschillen tussen de landen (en een toenemende ongelijkheid in sommige landen);

187.  is ingenomen met de evaluatie achteraf van de programmeringsperiode 2007-2013 voor het ESF, die op 12 december 2016 werd afgerond; merkt op dat uit de evaluatie blijkt dat eind 2014 minstens 9,4 miljoen inwoners in Europa een baan hadden gevonden met steun van het ESF, 8,7 miljoen personen een kwalificatie of diploma hadden behaald, en 13,7 miljoen deelnemers andere positieve resultaten zoals hogere vaardighedenniveaus vermeldden; merkt op dat het ESF volgens macro-economische simulaties ook een positief effect had op het bruto binnenlands product (bbp) van de 28 lidstaten (toename van 0,25 %) en op de productiviteit;

188.  merkt op dat dergelijke kwantitatieve gegevens inderdaad een positieve trend laten zien maar weinig zeggen over de prestaties en de duurzaamheid van de maatregelen;

189.  uit scherpe kritiek op DG EMPL omdat het de voorstellen van het directoraat voor de landenspecifieke aanbevelingen niet heeft gepubliceerd, ondanks het feit dat het Parlement dit reeds meermaals heeft gevraagd;

190.  wijst op onderstaande tabel, die de totale goedgekeurde vastleggings- en betalingskredieten voor 2016 weergeeft:

2016, in miljoen EUR

 

Goedgekeurde vastleggings­kredieten

Goedgekeurde betalings­kredieten

Europees Sociaal Fonds (ESF) en jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI)

12 438,2

8 132

Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD)

534,7

278

Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering

27,6

27,6

Instrument voor pretoetredingssteun (IPA) – Ontwikkeling van het menselijk potentieel (IPA-HRD)

0

82,3

Direct beheer (programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie, programma Rechten, gelijkheid en burgerschap, Erasmus+) en agentschappen

289

275

Totaal

13 290

8 795

191.  is ingenomen met het feit dat DG EMPL een methode heeft ontwikkeld om de prestaties van de programma's jaarlijks te beoordelen, maar heeft twijfels over de informatieve waarde van criteria als "goed", "aanvaardbaar" en "slecht";

192.  is bezorgd over het feit dat in maart 2017 slechts 87 % van de certificerende autoriteiten was aangewezen;

193.  is ingenomen met het feit dat DG EMPL voor 15 februari 2017 een volledig zekerheidspakket heeft ontvangen, inclusief de rekeningen, het jaarlijkse controleverslag en de controleadviezen betreffende de rekeningen, het beheers- en controlesysteem en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen, de betrouwbaarheidsverklaring en de jaarlijkse samenvatting voor alle programma's; merkt op dat DG EMPL over het algemeen slechts kleine opmerkingen had en de jaarrekening aanvaardde;

194.  is tevens ingenomen met het feit dat DG EMPL tegen eind 2016 zijn meerjarig controleplan had voltooid, waarbij 89 van de 92 controleautoriteiten zijn gecontroleerd, wat betrekking had op 115 van de 118 operationele programma's;

195.  merkt op dat DG EMPL in 2016 financiële correcties voor een bedrag van 255,8 miljoen EUR heeft uitgevoerd, dat het totale gecumuleerde goedgekeurde of vastgestelde bedrag van de financiële correcties voor de programmeringsperiode 2007‑2013 eind 2016 1 454 miljoen EUR bedroeg, en dat de lidstaten voor dezelfde periode financiële correcties voor een bedrag van 2 253,8 miljoen EUR rapporteerden;

196.  betreurt dat DG EMPL de volgende punten van voorbehoud heeft gehandhaafd of gemaakt met betrekking tot:

(a)  de beheer- en controlesystemen voor één operationeel programma van het ESF in Italië voor de programmeringsperiode 2000-2006 (reputationeel voorbehoud);

(b)  de beheer- en controlesystemen voor 23 specifieke operationele programma's van het ESF voor de programmeringsperiode 2007-2013; and

(c)  de beheer- en controlesystemen voor 3 operationele programma's van het ESF of het YEI en 1 van het FEAD voor de programmeringsperiode 2014-2020;

197.  merkt op dat het geschatte totale risicobedrag voor de betrokken uitgaven in 2016 279 miljoen EUR beloopt;

Specifieke kwesties

Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI)

198.  is in kennis gesteld van de eerste bevindingen van een studie naar de uitvoering van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI), waarin wordt vermeld dat:

(a)  eind 2016 het aantal jongeren die geen werk hebben en evenmin onderwijs of een opleiding volgen (NEET's) en die hebben deelgenomen aan door het YEI ondersteunde projecten die bedoeld zijn om hun vaardigheden te verbeteren of werkervaring op te doen, is verdrievoudigd ten opzichte van eind 2015 (1,3 miljoen ten opzichte van 0,5 miljoen);

(b)  onder hen, 712 000 werkloze en inactieve deelnemers die geen onderwijs of opleiding volgen, een door het YEI gefinancierde actie hebben voltooid; meer dan de helft van hen (ongeveer 346 000 werkloze en inactieve deelnemers die geen onderwijs of opleiding volgen) een positief resultaat heeft geboekt, aangezien ze na de actie onderwijs of een opleiding zijn gaan volgen, een kwalificatie hebben verworven of aan het werk zijn (sommigen ook als zelfstandige);

(c)  in Italië uit een contrafeitelijke evaluatie is gebleken dat nieuwe innovatieve beleidsmaatregelen die grotendeels door het YEI worden gesteund, de arbeidskansen van jongeren met 7,8 % hebben doen toenemen, ondanks de aanzienlijke regionale verschillen, waaruit blijkt dat zich grote problemen voordoen op de terreinen waar de jeugdwerkloosheid het hoogst is;

199.  merkt verder op dat:

(a)  Italië en Spanje een aanzienlijk aantal NEET's via YEI acties hebben geactiveerd, maar dat de werkloosheid onder jongeren in die landen nog steeds hoog blijft;

(b)  Slowakije de focus heeft verlegd van jongerenregelingen bij de overheid naar meer doeltreffende maatregelen zoals een groter aanbod van beroepsopleiding;

(c)  in Italië uit een contrafeitelijke evaluatie is gebleken dat nieuwe innovatieve beleidsmaatregelen die grotendeels door het YEI worden gesteund, de arbeidskansen van jongeren met 7,8 % hebben doen toenemen, ondanks de aanzienlijke regionale verschillen;

(d)  in Portugal, door het YEI medegefinancierde programma's voor ondernemerschap succesvoller bleken dan maatregelen in het hoger onderwijs;

(e)  Griekenland heeft aangegeven dat het zijn vouchersysteem voor jongerenbanen en opleiding moet herzien;

(f)  in Polen 62 % van de YEI-deelnemers een werkaanbieding, opleiding of onderwijs heeft gekregen, waarbij de deelnemers over het algemeen zeer tevreden waren;

200.  betreurt niettemin dat amper 30 % van de beschikbare middelen werd gebruikt, met name voor initiële voorfinanciering en tussentijdse betalingen;

201.  is ingenomen met het feit dat tegen oktober 2017 alle lidstaten waarop de ex-antevoorwaarden inzake de Roma van toepassing zijn (Oostenrijk, België, Bulgarije, de Tsjechische Republiek, Frankrijk, Duitsland, Griekenland, Hongarije, Litouwen, Polen, Portugal, Roemenië, Slowakije en Spanje) aan deze voorwaarden hadden voldaan en dus beschikten over een nationale strategie voor de integratie van de Roma;

202.  merkt op dat voor de programmeringsperiode 2014-2020 twee investeringsprioriteiten van het ESF rechtstreeks non-discriminatie en integratie van de Roma aanpakken (zie onderstaande tabel)

Investeringsprioriteit (IP)

Lidstaten die de IP hebben gekozen

Financiële toewijzing(miljoen EUR)

 

Bestrijding van alle vormen van discriminatie en bevordering van gelijke kansen

11 lidstaten (BE, CY, CZ, DE, ES, FR, GR, IE, PL, PT en SK)

447

Sociaal-economische integratie van gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma

12 lidstaten (AT, BE, BG, CZ, ES, FR, GR, HU, IT, PL, RO en SK)

1 600

Het merendeel van de financiering (1,2 miljoen EUR) is geconcentreerd in de volgende landen: BG, CZ, HU en RO

203.  merkt op dat het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, hoewel de maximale jaarbegroting 150 miljoen EUR bedroeg, slechts 28 miljoen EUR aan vastleggingen uit de reserve in 2016 heeft besteed, wat ten goede is gekomen aan acht lidstaten;

Te nemen maatregelen

204.  verzoekt de lidstaten en de Commissie in de financiële periode na 2020 meer aandacht te besteden aan:

(a)  het creëren van meerwaarde voor de EU via het cohesiebeleid;

(b)  de versterking van de coördinatie tussen cohesie, economisch bestuur en het Europees semester, onder meer door middel van positieve stimulansen voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het cohesiebeleid ter bestrijding van ongelijkheden en ongelijkheden, zoals vastgelegd in de Verdragen, binnen de drie dimensies – economisch, sociaal en territoriaal;

(c)  het uitwerken van een systeem waardoor de middelen uit het cohesiefonds vooral naar de regio's gaan die deze het meest nodig hebben;

(d)  het bieden van strategische administratieve ondersteuning aan regio's die moeite hebben om de financiering op te nemen;

(e)  het opstellen van één stel regels voor de structuurfondsen;

(f)  het boeken van vooruitgang met het oog op de invoering van het beginsel van één enkele controle;

(g)  een snellere uitvoering van programma's en projecten, met het oog op de naleving van de financiële periode van zeven jaar (n +3);

(h)  nationale controleautoriteiten in staat stellen de financieringsinstrumenten in de EU-begroting te controleren, het aantal financieringsinstrumenten te verminderen en strengere rapportageregels in te voeren voor fondsbeheerders, met inbegrip van de EIB-groep en andere internationale financiële instellingen, inzake prestaties en bereikte resultaten, met het oog op het vergroten van de transparantie en de verantwoordingsplicht;

(i)  het in aanmerking nemen van lessen die uit de huidige periode zijn getrokken en de behoefte aan meer vereenvoudiging om een evenwichtig systeem te creëren, waarbij het bereiken van resultaten en een gezond financieel beheer wordt gewaarborgd, zonder buitensporige administratieve lasten die mogelijke begunstigden zouden ontmoedigen en tot meer fouten zouden leiden;

(j)  het geografische en sociale evenwicht, opdat de investeringen worden gedaan waar zij het meest nodig zijn;

205.  dringt erop aan dat DG REGIO en DG EMPL hun voorstellen voor de landenspecifieke aanbevelingen opnemen in hun respectief jaarlijks activiteitenverslag, zoals het Parlement reeds meermaals heeft gevraagd;

206.  verzoekt DG REGIO:

(a)  verslag uit te brengen aan de bevoegde commissie van het Parlement over de verschillende lopende OLAF-dossiers wanneer de daarmee samenhangende gerechtelijke procedures zijn afgesloten;

(b)  in het kader van de follow‑up van de kwijting aan de Commissie voor 2016 aan de bevoegde commissie van het Parlement verslag uit te brengen over de vorderingen van alle bovengenoemde projecten;

207.  verzoekt de EIB onverwijld de bevindingen van OLAF te analyseren en de nodige conclusies te trekken; verzoekt de EIB het Parlement in te lichten over haar conclusies en de genomen maatregelen;

208.  verzoekt de Commissie het gebruik van de vereenvoudigde kostenopties, ingevoerd met de "Omnibus"-verordening, aan te moedigen;

209.  verzoekt DG EMPL gehoor te geven aan de aanbeveling van de dienst Interne audit (IAS) met betrekking tot de snelle uitvoering van de controlestrategie voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) en het Parlement te informeren wanneer dit gebeurd is;

210.  verzoekt de Commissie om de regels verder te vereenvoudigen en de administratieve lasten te verminderen om het foutenpercentage nog verder te doen dalen;

Natuurlijke hulpbronnen

Kernprestatie-indicatoren (KPI's) en een eerlijk GLB

211.  wijst erop dat volgens het jaarlijks activiteitenverslag van DG AGRI (blz. 15 – KPI 1: landbouwfactorinkomen per voltijdwerker), de toegevoegde waarde en de productiviteit van de sector in 2016 opnieuw lichtjes zijn gedaald, en dat het voor DG AGRI moeilijk is om aan te geven wat precies de oorzaak is van de algemene daling van het factorinkomen sinds 2013;

212.  herinnert eraan dat KPI 4 betreffende de arbeidsparticipatie bij plattelandsontwikkeling niet relevant is, aangezien de arbeidsparticipatie bij plattelandsontwikkeling niet uitsluitend wordt beïnvloed door GLB-maatregelen;

213.  betreurt dat de Commissie geen gehoor heeft gegeven aan de aanbevelingen van het Parlement in zijn resolutie bij de kwijting voor het begrotingsjaar 2015 om KPI 4 anders te definiëren "om de specifieke effecten van de GLB-maatregelen op de werkgelegenheid in die gebieden te benadrukken";

214.  wijst erop dat in 2016 aan 51 % van de begunstigden van rechtstreekse betalingen minder dan 1 250 EUR werd toegekend, wat neerkomt op 4 % van het totaalbedrag van de rechtstreekse betalingen(77);

215.  herhaalt zijn opmerkingen(78) over de structuur van de GLB-uitgaven, die niet duurzaam is: 44,7 % van alle landbouwbedrijven in de Unie heeft een jaarlijks inkomen van minder dan 4 000 EUR, en ongeveer 60 % van de betalingen ging in 2016 naar gemiddeld de eerste 10 % van de begunstigden van rechtstreekse GLB-steun(79); merkt op dat de verdeling van de rechtstreekse betalingen in ruime mate de concentratie van land weerspiegelt, aangezien 20 % van de landbouwers 80 % van het land bezit; (antwoord op schriftelijke vraag 17 van de hoorzitting van CONT met commissaris Hogan op 28 november 2017); is bezorgd over de hoge concentratie begunstigden en benadrukt dat er een beter evenwicht tussen grote en kleine begunstigden moet worden gevonden;

216.  merkt op dat ongeveer 72 % van de steun wordt betaald aan landbouwbedrijven van tussen 5 en 250 hectare, waarbij het meestal om familiebedrijven gaat;

217.  verzoekt DG AGRI in het volgende MFK doelstellingen met indicatoren vast te stellen om de inkomensverschillen tussen landbouwbedrijven te verminderen;

218.  herhaalt zijn standpunt dat rechtstreekse betalingen hun rol als vangnet om de landbouwinkomens te stabiliseren niet volledig kunnen vervullen, met name voor kleinere landbouwbedrijven, gezien de onevenwichtige verdeling van de betalingen;

219.  is van mening dat landbouwbedrijven met een groter inkomen in tijden van inkomensschommelingen niet noodzakelijkerwijs evenveel steun nodig hebben om de landbouwinkomens te stabiliseren als kleinere bedrijven, aangezien zij kunnen profiteren van schaalvoordelen waardoor ze waarschijnlijk weerbaarder zijn;

220.  verzoekt de Commissie om de procedure en de documenten die nodig zijn om toegang te krijgen tot de financiering echt te vereenvoudigen, zonder daarbij afbreuk te doen aan de beginselen van controle en toezicht; verzoekt om bijzondere aandacht te schenken aan de administratieve ondersteuning van kleine producenten, voor wie de financiering een absolute voorwaarde is om de productie voort te kunnen zetten;

Foutenpercentage

221.  wijst erop dat de Rekenkamer het foutenpercentage voor de rubriek natuurlijke hulpbronnen in zijn geheel op 2,5 % heeft geschat (2,9 % in 2015 en 3,6 % in 2014); is verheugd over de positieve ontwikkeling van het foutenpercentage, maar merkt weliswaar op dat het cijfer voor 2016 boven de materialiteitsdrempel ligt;

222.  is ingenomen met het feit dat de Rekenkamer in haar beoordeling van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) stelt dat de betalingen voor marktondersteuning en rechtstreekse steun in 2016 geen materiële fouten vertonen, waarbij het meest waarschijnlijke foutenpercentage door de Rekenkamer wordt geschat op 1,7 % (2,2 % in 2015);

223.  benadrukt dat de Rekenkamer minder fouten constateerde als gevolg van door de landbouwer te hoog aangegeven of niet-subsidiabel land, wat het gevolg is van de invoering van een nieuwe, meer flexibele definitie van blijvend grasland, de verwezenlijking van actieplannen om de kwaliteit van de gegevens in het landbouwpercelenidentificatiesysteem te verbeteren, en het nieuwe online geospatiale systeem om aanvragen in te dienen;

224.  merkt op dat de betalingen voor vergroening een bron van fouten waren die betrekking hadden op 17 % van het door de Rekenkamer geschatte foutenpercentage, en dat de fouten vooral verband hielden met de eisen inzake het ecologisch aandachtsgebied, hoewel het foutenpercentage voor ELGF onder de materialiteitsdrempel lag; is in dit verband verheugd over de daling van het foutenpercentage voor ELFG tot 1,7 %;

225.  wijst erop dat de Rekenkamer ook tekortkomingen constateerde bij de bescherming van blijvend grasland, waarbij de Tsjechische Republiek en Polen geen historische gegevens hebben om te controleren of is voldaan aan de verplichting dat bouwland gedurende vijf opeenvolgende jaren met gras moet zijn bezaaid, terwijl Duitsland, Frankrijk, Italië, Portugal en het Verenigd Koninkrijk geen volledig betrouwbare classificatie hadden voor blijvend grasland;

226.  onderstreept de positieve trend in de foutenpercentages van de Rekenkamer ondanks de ontwikkeling van de risicobedragen die DG AGRI in zijn jaarlijkse activiteitenverslagen meldt, namelijk van 1,38 % in 2015 naar 1,996 % in 2016 (marktmaatregelen met een foutenpercentage van 2,85 % niet inbegrepen) en 4 % voor beide begrotingsjaren voor plattelandsontwikkeling; begrijpt dat hiermee geen statistisch significante afwijkingen worden weergegeven;

227.  betreurt dat de betalingen voor plattelandsontwikkeling, milieu, klimaatactie en visserij in 2016 materiële fouten vertoonden, waarbij het meest waarschijnlijke foutenpercentage wordt geschat op 4,9 % (5,3 % in 2015); merkt op dat, indien alle informatie waarover de nationale autoriteiten beschikken was gebruikt om fouten te corrigeren, het geschatte foutenpercentage 1,5 procentpunt lager zou zijn geweest;

228.  merkt op dat bij plattelandsontwikkeling drie van de grootste subsidiabiliteitsfouten werden veroorzaakt door begunstigden die niet aangaven dat zij werden beheerd door, gezamenlijk subsidie aanvroegen met of kochten van gelieerde bedrijven, wat een inbreuk vormt op nationale of EU-regels (jaarverslag 2016 Rekenkamer, punt 7.26);

Beheer- en controlesystemen

229.  wijst erop dat de directeur-generaal van DG AGRI in zijn jaarlijks activiteitenverslag een voorbehoud heeft gemaakt bij de rechtstreekse betalingen met betrekking tot 18 betaalorganen in 12 lidstaten, en dat het bedrag dat wordt beheerd door de betaalorganen waarvoor een voorbehoud is gemaakt en versterkt toezicht geldt, wordt geschat op 13 618,6 miljoen EUR, waarbij het feitelijke risicobedrag voor de uitgaven onder voorbehoud 541,2 miljoen EUR is;

230.  benadrukt dat er tekortkomingen zijn geconstateerd in met name het beheer- en controlesysteem van Hongarije (betreffende de te late beheersverklaring van het betaalorgaan en tekortkomingen in de vergroeningsbetalingen), Bulgarije (betreffende vergroening en de biologische status van landbouwers), Polen (betreffende vergroeningsbetalingen) en Italië (betreffende tekortkomingen bij het correct bepalen van de subsidiabiliteit van grond en een actieve landbouwer);

231.  betreurt de recente fraudegevallen met betrekking tot de betaalorganen in Italië; verzoekt de Commissie om actief toe te zien op de situatie en om het Parlement te informeren over de follow-up van de kwijtingsprocedure;

232.  verzoekt de Commissie de op 8 januari 2016 ingeleide conformiteitsgoedkeuringsprocedure om gedetailleerde en precieze informatie te krijgen over het risico van een belangenconflict met betrekking tot het landelijk interventiefonds voor de landbouw in de Tsjechische Republiek te bespoedigen; neemt kennis van het feit dat, als een belangenconflict niet wordt verholpen, de accreditering van het betaalorgaan uiteindelijk kan worden ingetrokken door de bevoegde instantie of financiële correcties kunnen worden opgelegd door de Commissie; verzoekt de Commissie het Parlement onverwijld op de hoogte te brengen als aan het eind van de conformiteitsgoedkeuringsprocedure informatie over mogelijke gevallen van fraude, corruptie of andere illegale activiteiten die de financiële belangen van de Unie schaden door OLAF aan DG AGRI zou worden overgelegd;

Betrouwbaarheid van door de lidstaten verstrekte gegevens

233.  wijst erop dat, aangezien de beheer- en controlesystemen van sommige lidstaten tekortkomingen vertonen, DG AGRI de gemelde controlestatistieken aanpast, voornamelijk op basis van controles die de Commissie en de Rekenkamer de laatste drie jaar hebben verricht en van het advies van de certificerende instantie voor het desbetreffende boekjaar;

234.  wijst erop dat, ondanks het feit dat de certificeringsinstanties van de lidstaten sinds 2015 de plicht hebben zich te vergewissen van de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen:

(a)  voor marktmaatregelen, DG AGRI correcties heeft aangebracht bij in totaal 32 regelingen (d.i. minder dan 20 % van het totale aantal regelingen waarvoor uitgaven zijn gedeclareerd in 2016);

(b)  voor rechtstreekse betalingen, correcties werden aangebracht in 52 gevallen (van de 69), waarbij de meeste van deze correcties minder dan 1 % bedroegen, 7 tussen 1 % en 2 % lagen en 9 meer dan 2 % bedroegen;

(c)  voor plattelandsontwikkeling, verhogingen werden doorgevoerd voor 39 betaalorganen (van de 72), waarbij 21 correcties van meer dan 1 % en 16 van meer dan 2 %;

Prestatiegerelateerde kwesties bij plattelandsontwikkeling

235.  is ingenomen met het feit dat de Rekenkamer prestatiegerelateerde kwesties heeft onderzocht voor geselecteerde verrichtingen op het gebied van plattelandsontwikkeling in de afgelopen drie jaar; stelt met voldoening vast dat 95 % van de op het ogenblik van de controle voltooide projecten was uitgevoerd zoals gepland, maar betreurt dat er onvoldoende bewijs was dat de kosten redelijk waren;

236.   benadrukt dat bijna alle door de Rekenkamer gecontroleerde projecten een systeem gebruikten waarbij de gemaakte kosten worden vergoed, en merkt op dat de lidstaten in de programmeringsperiode 2014-2020 als alternatief een systeem van vereenvoudigde kostenopties kunnen gebruiken waarbij standaardschalen van eenheidskosten, forfaitaire bedragen en forfaitaire financiering worden gehanteerd, waardoor het risico op buitensporig hoge prijzen daadwerkelijk wordt beperkt;

Vergroening

237.  merkt op dat de Rekenkamer in haar jaarverslag 2016 (paragraaf 7.17) met betrekking tot de vergroeningsbetalingen aan 63 door haar bezochte bedrijven meldt dat:

(a)  alle landbouwbedrijven waarop de vereisten voor gewasdiversificatie van toepassing waren, die vereisten naleefden;

(b)  de meeste fouten de niet-naleving van de vereisten inzake het ecologisch aandachtsgebied (EAG) betroffen;

(c)  wat betreft de instandhouding van bestaand blijvend grasland, de percelen correct in het landbouwpercelenidentificatiesysteem (LPIS) geregistreerd stonden;

(d)  niet al het blijvend grasland correct geregistreerd stond;

238.  is echter met name bezorgd over de eerste conclusies die de Commissie trekt in haar werkdocument "Review of greening after one year" (SWD(2016) 218, deel twee, blz. 14), namelijk dat landbouwers over het algemeen van gewas zouden moeten veranderen op minder dan 1 % van de totale oppervlakte bouwland in de EU om te voldoen aan de vereiste van gewasdiversificatie, en aangezien de overgrote meerderheid van het bouwland in de EU is onderworpen aan de verplichting inzake gewasdiversificatie, die beperkte impact de huidige praktijken lijkt weer te geven van landbouwers die reeds aan de vereiste voldoen;

239.  benadrukt dat de Rekenkamer in haar jaarverslag (paragrafen 7.43 t/m 7.54) de analyse van de Commissie bevestigt en erop wijst dat de gewasdiversificatie en de EAG-regeling voor het merendeel van de bezochte landbouwbedrijven geen wijzigingen hebben teweeggebracht (89 % voor de gewasdiversificatie en 67 % voor de EAG-regeling);

240.  is met name bezorgd over het feit dat volgens Speciaal verslag nr. 21/2017 van de Rekenkamer getiteld "Vergroening: een complexere inkomenssteunregeling, die vanuit milieuoogpunt nog niet doeltreffend is", vergroening waarschijnlijk geen beduidende voordelen zal opleveren voor het milieu en het klimaat … omdat vergroeningsvereisten in het algemeen weinig veeleisend zijn en grotendeels overeenkomen met normale landbouwpraktijken (blz. 47);

241.  wijst er verder op dat de Rekenkamer stelt dat de meeste landbouwers (65 %) dankzij uitgebreide vrijstellingen de vergroeningsbetaling ontvangen zonder te worden onderworpen aan vergroeningsverplichtingen, en dat als gevolg daarvan vergroening slechts bij een zeer gering percentage van de landbouwgrond in de EU tot een positieve verandering in landbouwpraktijken leidt;

242.  betreurt het feit dat de vergroeningsregelingen meer een instrument zijn voor de ondersteuning van het inkomen van de landbouwers dan voor het verbeteren van de milieu- en klimaatprestatie van het GLB; is van mening dat landbouwprogramma's voor de aanpak van milieu- en klimaatbehoeften prestatiestreefcijfers moeten bevatten, alsmede financiering die de kosten en gederfde inkomsten weergeeft die het gevolg zijn van activiteiten die verder gaan dan de basisnormen voor milieubeheer;

243.  betreurt het feit dat de vergroeningsregelingen in het huidige ontwerp van het programma, doordat zij deel uitmaken van de oppervlaktegebonden betalingen, de onevenwichtigheden in de verdeling van de GLB-steun kunnen doen toenemen; verzoekt in dit verband de Commissie het opvolgen van de aanbevelingen van de Rekenkamer in het Speciaal verslag nr. 21/2017 in overweging te nemen;

244.  merkt op dat, volgens de Commissie, de concrete impact van de vergroeningsregelingen op de milieuresultaten afhangt van de keuzes van de lidstaten en de landbouwers, en dat tot dusver weinig lidstaten gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheden om het gebruik van bestrijdingsmiddelen en meststoffen in ecologische aandachtsgebieden te beperken;

245.  benadrukt het feit dat voor de overheidsdiensten, de last van de vergroening in wezen berust bij de ontwikkeling van nieuwe beheersinstrumenten, zoals de EAG-laag van het LPIS, hetgeen ten dele verklaart waarom DG AGRI het aantal punten van voorbehoud en aan de lidstaten opgelegde actieplannen heeft verhoogd;

246.  neemt nota van het feit dat de vergroening het GLB heel wat ingewikkelder maakt, als gevolg van overlappingen met andere milieu-instrumenten van het GLB (cross-compliance en milieumaatregelen in het kader van de tweede pijler); neemt met het oog hierop kennis van Speciaal verslag nr. 21/2017 van de Rekenkamer over vergroening, waarin wordt gesteld dat de Commissie en de lidstaten het hieruit voortvloeiende risico op het buitenkanseffect en dubbele financiering beperken;

Betalingsregeling voor jonge landbouwers

247.  wijst erop dat, met de enorme verschillen in de ontwikkeling van de landbouwsector in de EU, een groot probleem de demografische uitdaging is, die beleid vereist om het tekort aan jonge landbouwers aan te pakken, teneinde de duurzaamheid op lange termijn van de landbouw in de Unie te garanderen;

248.  benadrukt het feit dat jonge landbouwers worden geconfronteerd met specifieke problemen bij de toegang tot financiering en met een geringe omzet gedurende de eerste jaren na de bedrijfsstart, in combinatie met een trage generatievernieuwing en een moeizame toegang tot landbouwgrond;

249.  wijst erop dat het dalende aantal jongeren in de sector de generatievernieuwing bemoeilijkt en het verlies kan betekenen van waardevolle vaardigheden en kennis, wanneer oudere, ervaren mensen met pensioen gaan; benadrukt bijgevolg het feit dat ondersteuning nodig is zowel voor uittredende landbouwers als voor opvolgers die een boerderij overnemen;

250.  is met name bezorgd over het feit dat de Rekenkamer in haar speciaal verslag nr. 10/2017 over steun voor jonge landbouwers opmerkt dat voor rechtstreekse betalingen,

(a)  de steun voor jonge landbouwers niet berust op een deugdelijke behoeftenanalyse;

(b)  het doel ervan niet tot uitdrukking komt in de algemene doelstelling om generatievernieuwing te bevorderen;

(c)  de steun niet eens altijd wordt verstrekt aan behoeftige jonge landbouwers; en

(d)  de steun soms wordt verstrekt aan landbouwbedrijven waarin jonge landbouwers slechts een beperkte rol spelen;

251.  betreurt het feit dat, wat de steun aan jonge landbouwers via de plannen voor plattelandsontwikkeling betreft, de Rekenkamer concludeerde dat de maatregelen over het algemeen gebaseerd zijn op een vage behoeftenbeoordeling en dat er geen werkelijke coördinatie is tussen betalingen in het kader van pijler 1 en steun in het kader van pijler 2 aan jonge landbouwers;

Te nemen maatregelen

252.  verzoekt:

(a)  de Commissie een zorgvuldige analyse uit te voeren van de oorzaken van de algemene daling van het factorinkomen sinds 2013 en een nieuwe kernprestatiedoelstelling voor het volgende MFK te bepalen, vergezeld van resultaat- en effectindicatoren, om de inkomensongelijkheid tussen landbouwers te verminderen;

(b)  de lidstaten zich te blijven inspannen om betrouwbaardere en actuele informatie op te nemen in hun LPIS-database;

(c)  de Commissie een evaluatie uit te voeren van de aanpak van de betaalorganen voor het classificeren en actualiseren van de grondcategorieën in hun LPIS en de vereiste kruiscontroles uit te voeren om het foutenrisico in vergroeningsbetalingen te beperken;

(d)  de Commissie passende maatregelen te nemen om te vereisen dat de actieplannen van de lidstaten voor plattelandsontwikkeling corrigerende maatregelen omvatten om veelvuldig vastgestelde fouten aan te pakken;

(e)  de Commissie richtsnoeren te verstrekken en beste praktijken te verspreiden onder de nationale autoriteiten en onder de begunstigden en hun partnerschappen om ervoor te zorgen dat bij hun controles verbanden worden vastgesteld tussen aanvragers en andere belanghebbenden die bij de ondersteunde projecten op het gebied van plattelandsontwikkeling betrokken zijn;

(f)  de Commissie waakzaam te blijven ten aanzien van de controles die door de autoriteiten van de lidstaten worden uitgevoerd en de gegevens die door hen worden verstrekt, en deze bevindingen in aanmerking te nemen bij de toekenning van haar auditlast op basis van risicobeoordelingen;

(g)  de lidstaten en de begunstigden en hun partnerschappen volledig de mogelijkheden te benutten die worden geboden door het systeem van vereenvoudigde kostenopties in het kader van plattelandsontwikkeling;

(h)  de Commissie voor de volgende GLB-hervorming een complete interventielogica voor te bereiden en te ontwikkelen voor milieu- en klimaatgerelateerde actie van de EU op het gebied van landbouw, met inbegrip van specifieke streefdoelen, op basis van actuele wetenschappelijke kennis van de verschijnselen in kwestie;

253.  verzoekt de Commissie zich te laten leiden door de volgende principes bij het vormgeven van een nieuw voorstel inzake vergroening:

(a)  landbouwers moeten GLB-betalingen ontvangen indien ze voldoen aan één reeks basismilieunormen, inclusief GLMC's en vergroeningsvereisten, die verder gaan dan de vereisten van de milieuwetgeving; is in dit verband ingenomen met de logica van de "resultaatgerichte begroting"-aanpak van de Commissie; is van mening dat een toekomstgericht uitvoeringssysteem meer op resultaat gericht dient te zijn;

(b)  in specifieke, plaatselijke milieu- en klimaatgerelateerde behoeften kan naar behoren worden voorzien door meer doeltreffend gericht geprogrammeerde actie op het gebied van landbouw;

(c)  wanneer de lidstaten bij de uitvoering van het GLB een keuze kunnen maken uit verschillende opties, moeten ze vóór de uitvoering kunnen aantonen dat de opties die ze kiezen, doeltreffend en doelmatig zijn met betrekking tot de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen; met name de doelstellingen op het gebied van voedselzekerheid, de kwaliteit van levensmiddelen en het belang ervan voor de gezondheid, vergroening, ruimtelijke ordening en de strijd tegen ontvolking in de EU;

254.  verzoekt de Commissie:

(a)  een uitgebreide evaluatie uit te voeren van alle bestaande beleidsmaatregelen en instrumenten van het GLB die kunnen worden gecombineerd om jonge landbouwers te helpen en de factoren te identificeren die de toegang tot bestaande bedrijven of het starten van bedrijven door jonge landbouwers belemmeren die in het kader van de toekomstige herziening van het GLB kunnen worden aangepakt;

(b)  ervoor te zorgen dat in het kader van de landbouwherziening de voorwaarden waaronder de plattelandsontwikkeling tot stand moet worden gebracht, zoals onder andere vastgelegd in de Cork 2.0-verklaring 2016, verder worden verbeterd om te waarborgen dat de steunprogramma's voor jonge landbouwers succesvol zijn;

(c)  in de wetgeving voor het GLB na 2020 een duidelijke interventielogica op te nemen voor de beleidsinstrumenten waarmee generatievernieuwing in de landbouw wordt aangepakt (of de lidstaten verplichten om die in overeenstemming met de bepalingen inzake gedeeld beheer aan te geven); is van mening dat de interventielogica het volgende moet omvatten:

–   een degelijke beoordeling van de behoeften van jonge landbouwers;

–   een beoordeling van de behoeften waarin EU-beleidsinstrumenten kunnen voorzien en de behoeften waarin het beleid van de lidstaten beter tegemoet kan komen, alsmede een analyse van de vormen van steun (bijv. rechtstreekse betalingen, forfaitair bedrag, financiële instrumenten) die het meest geschikt zijn om te voorzien in de vastgestelde behoeften;

–  bewustmakingsmaatregelen voor de autoriteiten, de begunstigden en hun partnerschappen met betrekking tot mogelijke soorten steun voor eerdere overdracht van landbouwbedrijven aan een opvolger, met begeleidende adviesdiensten of -maatregelen zoals een bevredigende pensioenregeling die gebaseerd is op nationale of regionale inkomens of inkomsten in de landbouw-, voedingsmiddelen- en bosbouwsector;

–   een definitie van SMART-doelstellingen, waarin de verwachte resultaten van beleidsinstrumenten wat betreft het verwachte generatievernieuwingspercentage en de bijdrage tot de levensvatbaarheid van de ondersteunde landbouwbedrijven expliciet en kwantificeerbaar worden gemaakt; in het bijzonder moet duidelijk zijn of de beleidsinstrumenten gericht moeten zijn op het ondersteunen van zo veel mogelijk jonge landbouwers dan wel op een specifiek type jonge landbouwers;

(d)  ervoor te zorgen dat de Commissie en de lidstaten met de regelgeving die zij voor het GLB na 2020 voorstelt, het toezicht- en evaluatiesysteem verbeteren (overeenkomstig de bepalingen inzake gedeeld beheer);

Europa als wereldspeler

Foutenpercentages

255.  wijst erop dat de uitgaven voor "Europa als wereldspeler" volgens de bevindingen van de Rekenkamer een materieel foutenpercentage vertonen, met een geraamd foutenpercentage van 2,1 % (2,8 % in 2015 en 2,7 % in 2014); is tevreden met de positieve trend van het foutenpercentage op dit beleidsterrein;

256.  betreurt het dat, als verrichtingen in het kader van door meerdere donoren gefinancierde trustfondsen en begrotingssteun worden uitgesloten, het foutenpercentage voor de specifieke verrichtingen die rechtstreeks door de Commissie worden beheerd op 2,8 % is vastgesteld (3,8 % in 2015; 3,7 % in 2014);

257.  wijst erop dat de Commissie en haar uitvoerende partners meer fouten begingen bij verrichtingen die verband hielden met subsidies en bijdrageovereenkomsten met internationale organisaties dan bij andere steunvormen; wijst er met name op dat de verrichtingen voor begrotingssteun die de Rekenkamer heeft onderzocht, geen fouten ten aanzien van de wettigheid en de regelmatigheid bevatten;

258.  merkt op dat, als alle informatie waarover de Commissie en de door haar aangestelde accountants beschikte, was gebruikt om fouten recht te zetten, het geschatte foutenpercentage voor het hoofdstuk "Europa als wereldspeler" 0,9 % lager was geweest, 1,4 % onder de materialiteitsdrempel.

259.  wijst erop dat:

(a)  37 % van het geschatte foutenpercentage te wijten was aan uitgaven waarvoor geen essentiële bewijsstukken werden verstrekt;

(b)  28 % van het geschatte foutenpercentage verklaard wordt door twee gevallen waarvoor de Commissie uitgaven had geaccepteerd die in werkelijkheid niet waren gedaan; betreurt het feit dat deze situatie reeds vorig jaar is gedetecteerd en wijst erop dat de door de Rekenkamer uitgevoerde tests van de verrichtingen wezen op enkele controlegebreken in de systemen van de Commissie;

(c)  26 % van het geschatte foutenpercentage betrekking heeft op niet-subsidiabele uitgaven: uitgaven in verband met activiteiten die niet onder een overeenkomst vallen of die waren gedaan buiten de subsidiabiliteitsperiode, niet-naleving van de oorsprongsregel, niet-subsidiabele belastingen en indirecte kosten die ten onrechte waren opgevoerd als directe kosten;

Betrouwbaarheidsverklaring

260.  is uiterst bezorgd over het feit dat volgens de Rekenkamer controleurs van DG NEAR tekortkomingen hebben ontdekt in het indirecte beheer van het tweede instrument voor pretoetredingssteun (IPA II), nader bepaald bij de auditautoriteiten van drie IPA II-landen (Albanië, Turkije en Servië), en dit ondanks het feit dat de Albanese en Servische auditautoriteiten veranderingen hebben doorgevoerd om de ontdekte problemen op te lossen; wijst erop dat er in het geval van Turkije "belangrijke gebieden van de systemen van de auditautoriteit [zijn] die nog steeds de garantie die deze de Commissie kan bieden, kunnen beperken (jaarverslag 2016 van de Rekenkamer, paragraaf 9.24);

261.  maakt zich zorgen door het feit dat de corrigerende capaciteit van DG NEAR volgens de raming van de Rekenkamer overschat is en bijgevolg ook het totale risicobedrag op het moment van betaling;

Prestaties

262.  merkt op dat DG DEVCO in zijn jaarlijkse activiteitenverslag kernprestatie-indicatoren met betrekking tot menselijke ontwikkeling, klimaatverandering, gender en foutenpercentage heeft vastgesteld, maar betreurt dat geen van deze indicatoren de prestatie van het beleid inzake ontwikkelingssamenwerking kan meten, aangezien de indicatoren alleen het deel van de steun aangeven dat is toegewezen aan elk van de doelstellingen in plaats van de daadwerkelijke effecten te meten op basis van de vorderingen die met betrekking tot het nastreven van de doelstellingen zijn gerealiseerd;

263.   maakt zich zorgen door de verklaring van de dienst Interne Audit van de Commissie (DIA) dat "de informatie over de prestaties van DG DEVCO in de verschillende verslagen inzake strategische planning en programmering [jaarlijks activiteitenverslag, verslag van de gesubdelegeerd ordonnateur, toezichtsverslag externe steun (External Assistance Management Report, EAMR)] veeleer beperkt [is] en op basis hiervan (...) niet feitelijk [wordt] nagegaan of de doelstellingen al dan niet zijn verwezenlijkt";

Toezichtsverslagen externe steun

264.  betreurt opnieuw dat de door de hoofden van de Uniedelegaties opgestelde toezichtverslagen voor externe steun (External Assistance Management Report, EAMR) niet als bijlage bij het jaarlijks activiteitenverslag van DG DEVCO en DG NEAR zijn gevoegd als voorgeschreven in artikel 67, lid 3, van het Financieel Reglement; betreurt het feit dat zij steevast worden aangemerkt als vertrouwelijk, hoewel ze op grond van artikel 67, lid 3, van het Financieel Reglement "ter beschikking [moeten worden] gesteld van het Europees Parlement en de Raad, in voorkomend geval met inachtneming van het vertrouwelijke karakter ervan";

265.  neemt kennis van het feit dat de Commissie in het antwoord van commissaris Oettinger op de brief van de rapporteur meedeelt dat zij een nieuwe vorm van verslag onderzoekt dat aan het Parlement zou kunnen worden overgelegd zonder vertrouwelijksheidsprocedures, waarmee in elk geval de risico's van schade aan het diplomatieke beleid van de Europese Unie worden vermeden;

266.  is tevreden met het feit dat DG DEVCO de lijst openbaar heeft gemaakt van de bij het EAMR betrokken delegaties en een analyse heeft verstrekt van het overzicht van de kernprestatie-indicatoren van DG DEVCO in zijn jaarlijkse activiteitenverslag; benadrukt evenwel het feit dat het Financieel Reglement volledig moet worden nageleefd;

Trustfondsen

267.  herinnert eraan dat de mogelijkheid voor de Commissie om trustfondsen van de Unie op te richten en te beheren is bedoeld:

(a)  ter versterking van de internationale rol van de Europese Unie, alsook voor het vergroten van de zichtbaarheid en de efficiëntie van haar externe optreden en ontwikkelingssteun;

(b)  om te zorgen voor een versneld besluitvormingsproces bij de keuze van de uit te voeren maatregelen, hetgeen bij acties in en na noodsituaties van cruciaal belang is;

(c)  om te zorgen voor een hefboomwerking met betrekking tot aanvullende middelen voor extern optreden; en

(d)  om door het bundelen van middelen de coördinatie tussen verschillende donoren van de Unie op geselecteerde interventiegebieden te vergroten;

268.  spreekt in het licht van de recente ervaringen enige bezorgdheid uit met betrekking tot de verwezenlijking van de voornaamste doelstellingen van de oprichting van het trustfonds, en merkt met name op dat:

(a)  het hefboomeffect van dit nieuwe instrument niet noodzakelijkerwijs gegarandeerd is, aangezien de bijdrage van andere donoren in bepaalde gevallen zeer beperkt is;

(b)  de zichtbaarheid van het externe optreden van de Unie niet verbeterd is, ondanks het bestaan van verschillende regelingen met de belanghebbenden en dat een betere coördinatie van het optreden van alle belanghebbenden niet noodzakelijkerwijs gegarandeerd is;

(c)  de a priori voorkeur voor agentschappen van de lidstaten in sommige constitutieve overeenkomsten van de trustfondsen eerder leidt tot een belangenconflict dan dat het een prikkel voor lidstaten is om meer financiële middelen te verschaffen;

269.  herinnert er in het bijzonder aan dat het Trustfonds voor Afrika meer dan 3,2 miljard EUR waard is, waarvan meer dan 2,9 miljard EUR afkomstig is van het Europees Ontwikkelingsfonds en 228 667 miljoen EUR van andere donoren; vindt het onaanvaardbaar dat de mogelijkheid voor het Parlement om EU-uitgaven nauwgezet te controleren verder wordt beperkt door de betrokkenheid van het Europees Ontwikkelingsfonds bij trustfondsen;

270.  wijst erop dat de bundeling van middelen van het EOF, de begroting van de Unie en andere donoren niet tot gevolg mag hebben dat voor de ACS-landen bestemde middelen hun eigenlijke begunstigden niet bereiken;

271.  benadrukt dat het toenemende gebruik van andere financiële mechanismen, zoals trustfondsen, om beleid van de Unie uit te voeren, samen met de EU-begrotingsrisico's, het niveau van verantwoording en transparantie ondermijnt, omdat de regelingen inzake verslaglegging, controle en publiek toezicht niet op elkaar zijn afgestemd (jaarverslag 2016 Rekenkamer, paragraaf 2.31); benadrukt in dat verband het belang van de belofte van de Commissie om de begrotingsautoriteit periodiek te informeren over de financiering en de geplande en lopende operaties van de trustfondsen, met inbegrip van de bijdragen van de lidstaten;

Fondsen voor de Palestijnse autoriteit

272.  wenst dat het onderwijs- en opleidingsmateriaal dat door Uniefondsen zoals Pegase wordt gefinancierd, in overeenstemming moet zijn met gemeenschappelijke waarden als vrijheid, tolerantie en non-discriminatie in het onderwijs, zoals op 17 maart 2015 door de onderwijsministers van de Unie in Parijs is besloten;

Te nemen maatregelen:

273.  verzoekt DG NEAR (jaarverslag 2016 Rekenkamer, paragraaf 9.37):

(a)  samen te werken met de controleautoriteiten in door IPA II begunstigde landen om hun competentie te verbeteren;

(b)  risico-indicatoren te ontwikkelen om de beoordeling op basis van internebeheersingsmodellen die terecht door het directoraat-generaal zijn ingevoerd te verbeteren, om zo de impact van fouten beter te kunnen meten;

(c)  de reikwijdte van het onderzoek naar het restfoutenpercentage en de geschatte onderste en bovenste foutengrens naar behoren bekend te maken in het volgende jaarlijkse activiteitenverslag;

(d)  de berekening van het corrigerend vermogen voor 2017 te verbeteren door de tekortkomingen aan te pakken die door de Rekenkamer werden vastgesteld;

274.  verzoekt DG DEVCO en DG NEAR te overwegen in samenwerking met DG HOME een kernprestatie-indicator inzake de aanpak van de diepere oorzaken en de oorsprong van irreguliere migratie vast te stellen;

275.  verzoekt de Commissie de nodige maatregelen te nemen om de door haar eigen dienst Interne Audit geconstateerde tekortkomingen met betrekking tot de verslaglegging over de prestaties van DG DEVCO te verhelpen en het toezichtsverslag externe steun (EAMR) om te vormen tot een betrouwbaar en volledig openbaar document dat de betrouwbaarheidsverklaring van de delegatiehoofden en de directeur-generaal van DG DEVCO naar behoren staaft; verzoekt DG DEVCO de KPI's zo te definiëren dat de prestaties van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid kunnen worden gemeten, zonder dat dit ten koste gaat van het diplomatieke beleid van de EU via haar delegaties;

276.  acht het van fundamenteel belang dat de uitbetaling van de pretoetredingsmiddelen moet kunnen worden opgeschort, niet alleen in het geval van bewezen misbruik van deze middelen, maar ook wanneer het pretoetredingsland op enigerlei wijze de in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens verankerde rechten schendt;

277.  benadrukt dat trustfondsen alleen moeten worden opgericht als het gebruik hiervan gerechtvaardigd is en de vereiste actie niet via andere, bestaande financieringskanalen kan worden gerealiseerd; verzoekt in dit verband de Commissie om bij de oprichting van trustfondsen richtsnoeren op te stellen voor de uitvoering van een bondige en structurele beoordeling van de voordelen van trustfondsen ten opzichte van andere steunconstructies en ook om te analyseren welke specifieke leemten de trustfondsen moeten opvullen; verzoekt de Commissie te overwegen een einde te maken aan trustfondsen die niet in staat zijn een significante bijdrage van andere donoren aan te trekken of geen toegevoegde waarde bieden vergeleken met de "traditionele" externe instrumenten van de EU;

278.  betreurt de vastgestelde gevallen van geweld, seksueel misbruik en totaal ongepast gedrag door personeel dat humanitaire hulp verleent aan de burgerbevolking in of na conflictsituaties ten zeerste; neemt nota van het feit dat de Commissie zich ertoe heeft verbonden de financiering van de partners die niet aan de voorgeschreven hoge ethische normen voldoen te evalueren en indien nodig te schorsen; dringt er bij de Commissie op aan om, teneinde deze misstanden uit te roeien en te voorkomen dat zij zich nog eens voordoen, de preventiemechanismen in de procedures voor de selectie van het personeel te versterken en te voorzien in een opleiding en voortdurende capaciteitsopbouw om meer aandacht te schenken aan het voorkomen van deze misstanden; verzoekt daarom een beleid uit te werken om klokkenluiders die dergelijke gevallen aan de kaak stellen te beschermen;

279.  verzoekt de Commissie om de strategienota's nauwkeuriger op te stellen om uitgebreider en nauwkeuriger te beoordelen wat de financieringsbehoeften en de beste instrumenten zijn;

280.  verzoekt de Commissie te waarborgen dat subsidiegelden van de Unie in overeenstemming met de Unesco-normen van vrede en tolerantie worden verstrekt;

281.  acht het van essentieel belang dat de Commissie de administratieve capaciteit van de lidstaten die financiering ontvangen actief ondersteunt middels passende technische bijstand;

Migratie en veiligheid

282.  wijst erop dat de Rekenkamer in hoofdstuk 8 van haar jaarverslag over "veiligheid en burgerschap"(80) geen foutenpercentage heeft berekend op basis van de 15 onderzochte verrichtingen, aangezien het niet de bedoeling was dat deze steekproef representatief zou zijn voor de uitgaven binnen deze MFK-rubriek;

283.  neemt met bezorgdheid kennis van de conclusie van de Rekenkamer dat er twee jaar nadat de zevenjarige programmeringsperiode was ingegaan, slechts trage vooruitgang was geboekt bij het verrichten van de betalingen onder gedeeld beheer voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF(81)) en het Fonds voor interne veiligheid (ISF) (jaarverslag 2016 Rekenkamer, tekstvak 8.2);

284.   wijst erop dat de Rekenkamer diverse systeemgebreken met betrekking tot Solid, AMIF en ISF heeft aangetroffen op het niveau van de Commissie en de lidstaten;

285.  betreurt met name dat:

(a)  de Rekenkamer heeft gewezen op de vele ontwerpprogramma's voor AMIF en ISF die door de lidstaten worden opgesteld en door de Commissie worden geëvalueerd voordat ze worden goedgekeurd, hetgeen de tenuitvoerlegging kan vertragen;

(b)   de beoordeling door de Commissie van de systemen van de lidstaten voor het AMIF en het ISF volgens de Rekenkamer vaak gebaseerd was op onvoldoende gedetailleerde informatie, met name op het gebied van auditstrategieën;

(c)  er vertragingen optraden bij de verslaglegging over conformiteitscontroles achteraf voor Solid-programma's, en kwaliteitscontroleprocedures voor uitbesteed controlewerk onvoldoende gedocumenteerd waren;

286.  betreurt dat de Rekenkamer tevens de volgende tekortkomingen op het niveau van de lidstaten heeft vastgesteld: onvoldoende gedocumenteerde controles ter plaatse, het ontbreken van een specifiek IT-instrument voor het beheer en de controle van middelen, en een aantal tekortkomingen in de door de controleautoriteiten van de lidstaten uitgevoerde controles;

287.  betreurt het feit dat de Rekenkamer in haar jaarverslag heeft opgemerkt dat de Commissie in 2016 het totaalbedrag van de middelen die voor de vluchtelingen- en migratiecrisis werden gemobiliseerd niet heeft gerapporteerd, en dat dit bedrag moeilijk te schatten is (jaarverslag 2016 Rekenkamer, paragraaf 2.28);

288.  betreurt dat de Rekenkamer met betrekking tot de hotspots heeft geconcludeerd (Speciaal verslag nr. 6/2017) dat:

(a)  ondanks de aanzienlijke steun van de EU eind 2016 de opvangfaciliteiten in Griekenland en Italië nog niet toereikend waren;

(b)  er ook onvoldoende geschikte faciliteiten waren om onbegeleide minderjarigen onder te brengen en hun dossier af te handelen overeenkomstig de internationale normen;

(c)  volgens de hotspotbenadering verder de juiste vervolgprocedure voor de migrant moet worden ingeleid, d.w.z. een nationale asielaanvraag of terugkeer naar het land van herkomst, en dat de uitvoering van deze vervolgprocedures vaak langzaam verloopt en verscheidene knelpunten kent, hetgeen consequenties kan hebben voor het functioneren van de hotspots;

289.  betreurt het feit dat, volgens Human Rights Watch, vrouwen regelmatig melding maken van seksuele intimidatie in de hotspots in Griekenland;

290.  is het eens met de beoordeling van de Rekenkamer betreffende het gebrek aan transparantie over de wijze waarop in de financiering de publieke middelen zich verhouden tot de inkomsten afkomstig van migranten bij noodhulp ten behoeve van vervoer van niet-EU-migranten van de Griekse eilanden naar het Griekse vasteland, waarnaar de Rekenkamer in haar jaarverslag verwijst (jaarverslag 2016 Rekenkamer, tekstvak 8.4); herinnert eraan dat de wetgeving van de Unie niet toestaat dat begunstigden van subsidies van de Unie winst maken dankzij de uitvoering van een project; is van mening dat dit geval de reputatie van de Commissie in zeker opzicht schaadt en leidt tot vraagtekens bij haar optreden vanuit ethisch oogpunt;

Te nemen maatregelen

291.  verzoekt:

(a)  DG HOME te overwegen in samenwerking met DG DEVCO en DG NEAR een kernprestatie-indicator inzake de aanpak van de diepere oorzaken die aan de basis liggen van irreguliere migratie vast te stellen;

(b)  de Commissie de begrotingsonderdelen ter financiering van het migratiebeleid onder één rubriek te hergroeperen teneinde de transparantie te vergroten;

(c)  de Commissie specifieke strategieën met ondersteuningsteams van de EU vast te stellen om de veiligheid van vrouwen en onbegeleide minderjarigen in de hotspots te waarborgen;

(d)  de Commissie en de lidstaten de nodige maatregelen te treffen om te voorzien in toereikende opvangfaciliteiten in Griekenland en Italië;

(e)  de Commissie en de lidstaten de door de Rekenkamer geconstateerde systeemgebreken bij het beheer van de AMIF/ISF-middelen te verhelpen;

(f)   de Commissie per land een schatting te maken van de per migrant of asielzoeker betaalde kosten;

(g)  de Commissie om een controlesysteem in te stellen met het oog op de eerbiediging van de mensenrechten van vluchtelingen en asielzoekers;

(h)  de Commissie om een intensivering van de controles van de middelen voor vluchtelingen, die vaak in noodsituaties worden verstrekt door de lidstaten zonder zich daarbij te houden aan de geldende regels;

Gedragscode voor commissarissen en procedures voor de nominatie van hoge ambtenaren

292.  waardeert het dat de Commissie het vereiste gevolg heeft gegeven aan zijn oproepen om de gedragscode voor commissarissen voor het einde van 2017 te herzien, onder meer door te bepalen wat onder een belangenconflict wordt verstaan, en door criteria in te voeren om de verenigbaarheid van dienstverbanden na uitdiensttreding te beoordelen en de afkoelingsperiode van drie jaar uit te breiden tot de voorzitter van de Commissie; neemt nota van het feit dat de nieuwe code op 1 februari van dit jaar in werking is getreden;

293.  herinnert eraan dat de afwezigheid van enig belangenconflict eveneens een essentiële voorwaarde moet zijn opdat de hoorzittingen met de commissarissen worden gehouden, dat de formulieren voor de verklaring van financiële belangen daarom ingevuld en beschikbaar moeten zijn voordat een commissaris door de bevoegde commissie van het Parlement wordt gehoord, en dat ze ten minste één keer per jaar en elke keer dat de betreffende gegevens worden gewijzigd, moeten worden geactualiseerd.

294.  is van mening dat de Commissie ervoor moet zorgen dat de speciale adviseurs van de commissarissen meer verantwoording verschuldigd zijn en dat hun professionele banden en achtergrond transparant en openbaar zijn en kunnen worden gecontroleerd, om hun mogelijke belangenconflicten te voorkomen, aangezien zij ongehinderd toegang tot de Commissie hebben; denkt dat met deze stappen de mogelijkheden voor heimelijk lobbyen op het hoogste niveau kunnen worden beperkt;

295.  wijst erop dat de uitbreiding van de afkoelingsperiode naar drie jaar moet gelden voor alle leden van de Europese Commissie, zoals het Parlement bij verschillende gelegenheden heeft gevraagd; dringt erop aan dat de adviezen van het ethisch comité openbaar worden gemaakt zodra zij worden uitgebracht;

296.  vreest dat de benoemingsprocedures voor het onafhankelijk ethisch comité geen garantie bieden voor de onafhankelijkheid ervan en benadrukt dat onafhankelijke deskundigen zelf niet de functie van commissaris of hoge ambtenaar van de Commissie mogen hebben bekleed; vraagt de Commissie overeenkomstig deze opmerking nieuwe regels aan te nemen met betrekking tot het onafhankelijk ethisch comité;

297.  verzoekt de Commissie om ter waarborging van een excellent Europees overheidsapparaat voor eind 2018 een voorstel in te dienen voor een procedure voor de benoeming van hoge ambtenaren, die garandeert dat de beste kandidaten worden geselecteerd in de meest transparante omstandigheden met gelijke kansen voor iedereen, en die voldoende breed is om op de overige instellingen, zoals het Parlement en de Raad, te kunnen worden toegepast;

298.  verzoekt de Commissie met het oog op de toekomst de volgende verbeteringen in overweging te nemen:

(a)  de aanvaarding van geschenken van donoren uit de lidstaten moet worden verboden (artikel 6, lid 4);

(b)  de deelname van leden van de Commissie in nationale politiek tijdens hun ambtstermijn moet worden opgeschort of beperkt tot passief partijlidmaatschap;

(c)   de verwijzing naar diplomatiek gebruik of beleefdheid (artikel 6, leden 2 en 5), die onnauwkeurig en onduidelijk is en daarom zou kunnen worden misbruikt, moet worden verduidelijkt;

(d)   de deelname van leden van de Commissie aan nationale verkiezingscampagnes moet worden afgestemd op de deelname aan Europese verkiezingscampagnes (artikelen 9 en 10); in beide gevallen moeten de Commissieleden verplicht onbetaald verkiezingsverlof opnemen;

(e)   de criteria voor een mogelijke aanhangigmaking bij het Hof van Justitie van de Europese Unie op grond van artikel 245 of 247 VWEU moeten worden verduidelijkt;

(f)  commissarissen moeten al hun relevante belangen melden (als aandeelhouder, lid van de raad van bestuur, adviseur en consulent, lid van een stichting, enz.) en niet alleen de belangen kiezen die volgens hen tot het ontstaan van een belangenconflict zouden kunnen leiden;

(g)  belangenverklaringen moeten worden verbeterd in overeenstemming met de resolutie van het Parlement van 1 december 2016 over de belangenverklaringen van commissarissen – Richtsnoeren (2016/2080(INI));

Administratie

Bevindingen van de Rekenkamer

299.  wijst erop dat de instellingen het aantal posten in de organigrammen gezamenlijk hebben verminderd met 4,0 % in de periode van 2013 tot en met 2017 (van 39 649 naar 38 072 posten), en dat de instellingen het aantal personeelsleden (posten die daadwerkelijk door een personeelslid worden bezet) tussen 2013 en 2017 hebben teruggebracht met 1,4 % (van 37 153 naar 36 657 posten);

300.  wijst tevens op de aanvullende conclusies van de Rekenkamer:

"30. In dezelfde periode heeft de begrotingsautoriteit echter nieuwe posten toegekend aan de instellingen, organen en agentschappen in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure. Deze posten werden met name ter beschikking gesteld voor de ontwikkeling van hun activiteiten (dit verklaart de aanzienlijke toename van het aantal aan agentschappen toegekende ambten), de toetreding van Kroatië en de fracties in het Europees Parlement.

31. Als gevolg hiervan is het aantal posten in de organigrammen tussen 2012 en 2017 met 1,1 % afgenomen, met significante verschillen tussen de instellingen (- 3,5 %), gedecentraliseerde agentschappen (+ 13,7 %) en uitvoerende agentschappen (+ 42,9 %). Het aantal daadwerkelijk bezette posten nam tussen 1 januari 2013 en 1 januari 2017 met 0,4 % toe (- 1,3 % voor de instellingen en organen en + 11,3 % voor de agentschappen, waarbij een stijging van 9,6 % voor de gedecentraliseerde agentschappen en een stijging van 33,7 % voor de uitvoerende agentschappen op te tekenen viel). Het gemiddelde vacaturepercentage daalde van 6,9 % op 1 januari 2013 tot 4,5 % op 1 januari 2017 en bereikte een niveau van minder dan 2 % bij een aantal instellingen en organen."(82);

301.  neemt met bezorgdheid nota van de discriminatie van EU-personeelsleden in Luxemburg, die blijft voortduren ondanks het arrest van het Hof van Justitie van de EU van oktober 2000 in de zaak Ferlini, C-411/98, en Richtlijn 2011/24/EU, waarin deze praktijk wordt bestraft; wijst er eveneens op dat er nog steeds hogere tarieven worden aangerekend op grond van twee akkoorden met de Fédération des Hôpitaux (FH) van het Groothertogdom Luxemburg en de Association des Médecins et Dentistes (AMD), waarin de hogere tarieven die mogen worden aangerekend, zijn beperkt tot 15 %, hoewel de tarieven oplopen tot 500 % wanneer de zorg in een ziekenhuis wordt verleend; betreurt het feit dat niet alleen deze twee conventies indruisen tegen het arrest van het Hof van 2000 en tegen Richtlijn 2011/24/EU, maar dat ook heel wat nationale zorgverleners de regels overtreden; verzoekt de Commissie om ten eerste de jaarlijkse extra kosten van de overfacturering voor de EU-begroting (JSIS) te berekenen en deze te rechtvaardigen, ten tweede een inbreukprocedure of een soortgelijke rechtsvordering tegen het Groothertogdom in te stellen; ten derde het Parlement te laten weten welk gevolg er wordt gegeven aan openbaar verzoekschrift nr. 765 bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers van het Groothertogdom Luxemburg en het openbaar debat dat erover is gevoerd op 19 oktober 2017, en ten vierde protest aan te tekenen tegen de twee akkoorden met de FH en de AMD;

302.  is ingenomen met de verklaringen van commissaris Oettinger over het einde van de beperkingen met betrekking tot het personeelsbeleid om te vermijden dat de goede werking van de Europese instellingen, en daarmee ook de kwaliteit van de openbare dienstverlening van de EU aan de Europese burgers ernstig zou worden geschaad; wijst op het belang van een degelijk Europees ambtenarenapparaat dat ten dienste staat van de burgers en in staat is om de uitdagingen van de Unie het hoofd te bieden en de tenuitvoerlegging van haar beleid met de grootste beroepsintegriteit en uitmuntendheid tot een goed einde te brengen, en dat tegelijkertijd over de nodige wettelijke en begrotingsmiddelen moet beschikken; onderstreept dat het Europees ambtenarenapparaat opnieuw aantrekkelijk moet worden gemaakt voor jonge afgestudeerden in de EU; verzoekt de Commissie om een verslag op te stellen over de gevolgen van de beperkingen voor de aantrekkingskracht van het Europees ambtenarenapparaat en de huidige ondergefinancierde staat ervan en om in dat verslag met oplossingen te komen om het ambtenarenapparaat dichter bij de Europese burgers te brengen en hun belangstelling te wekken om er deel van uit te maken;

303.  wijst erop dat een oplossing moet worden gevonden voor de te hoge – vaak zelfs buitensporig hoge – medische kosten van de medewerkers en de leden van het Parlement in sommige lidstaten; verzoekt de Commissie om een oplossing te vinden voor dit probleem, dat in een aantal lidstaten, waaronder Luxemburg, jaarlijks ongeveer 2 miljoen EUR kost (bijv. onderhandelingen met de openbare en/of particuliere socialezekerheidsstelsels van de lidstaten, invoering van een soortgelijke kaart als de Europese ziekteverzekeringskaart voor verplaatsingen enz.);

De Jean Monnetgebouwen (JMO I en II) in Luxemburg

304.  stelt vast dat de bouw van het nieuwe Jean Monnetgebouw (JMO II) aanzienlijke vertraging heeft opgelopen, met alle extra kosten van dien;

305.  betreurt dat de Commissie en de Luxemburgse autoriteiten 15 jaar (1994-2009) nodig hadden om overeenstemming te bereiken over de toekomstige regelingen voor de huisvesting van de diensten van de Commissie in Luxemburg;

306.  kijkt ernaar uit het volledige verhaal over JMO I/JMO II tussen 1975 en 2011 te ontvangen, overeenkomstig de belofte van de Commissie in haar schriftelijke antwoorden ter voorbereiding van de hoorzitting met commissaris Oettinger op 23 januari 2018;

307.  betreurt dat hoewel al in 1997 een volledige asbestinventaris van het JMO I-gebouw is opgemaakt, de Commissie het gebouw pas in januari 2014 heeft ontruimd en AIB‑Vinçotte Luxembourg zijn conclusies pas in 2013 heeft herzien; wijst erop dat de asbestplaten in JMO I minder dik waren dan voordien werd gedacht en bijgevolg gevoeliger waren voor mechanische impact (wrijving zou al kunnen volstaan om de vezels te doen vrijkomen, waarna ze kunnen worden ingeademd); is van mening dat de Commissie gezien de ernstige gezondheidsrisico's van het inademen van asbest een beroep had moeten doen op de deskundigheid en het oordeel van andere deskundigen ter zake, in het bijzonder na de ervaringen in het Berlaymontgebouw in Brussel; verzoekt de Commissie om het Parlement te laten weten of alle werknemers naar behoren op de hoogte zijn gebracht van de situatie en de ernstige gezondheidsrisico's waaraan zij zijn blootgesteld, of er gevallen zijn vastgesteld van ziekten die het gevolg kunnen zijn van de inademing van asbestdeeltjes, welke maatregelen er in voorkomend geval zijn genomen en of er preventieve maatregelen zijn genomen (screening en tests voor vroegtijdige opsporing enz.); verzoekt de Commissie om mee te delen of er in dit verband stappen zijn gezet tegen AIB-Vinçotte Luxembourg;

308.  heeft vernomen dat de Commissie en de Luxemburgse autoriteiten in december 2015 zijn overeengekomen de kosten in verband met het vroegtijdige verlaten van JMO I te delen; wijst erop dat JMO II oorspronkelijk op 31 december 2014 had moeten worden opgeleverd;

309.  verzoekt de Commissie om gedetailleerde informatie te verstrekken over de huurkosten voor de zes gebouwen die de Commissie in tussentijd gebruikt (ARIA, LACC, HITEC, DRB, BECH en T2) vanwege de vertragingen bij de oplevering van het JMO II-gebouw en ten gevolge van de verlenging van de huurovereenkomsten; verzoekt de Commissie om erop toe te zien dat de arbeidsomstandigheden in die zes gebouwen verbeteren, in nauwe samenwerking met het CSHT, en om snel een verbetering van de mobiliteitssituatie rond en de toegankelijkheid van de gebouwen uit te onderhandelen met de Luxemburgse overheid; wijst er eveneens op dat er medische antennes in elk van de gebouwen moeten worden opgezet, in overeenstemming met de Luxemburgse nationale wetgeving;

310.  heeft onlangs vernomen dat de eerste bouwfase van JMO II naar verwachting pas in 2020 wordt voltooid, en de tweede fase in 2024; wijst erop dat de Commissie de volgende verklaringen voor de vertragingen geeft:

(a)  het architectenconsortium KSP verzocht om een herziening van bepaalde clausules van het beheerscontract;

(b)  een aanbestedingsprocedure voor het grondverzet stuitte op administratieve problemen;

(c)  aanzienlijke wijzigingen met betrekking tot de beveiligingsmaatregelen;

311.  wenst de bewijsstukken voor deze verklaringen vóór 30 juni 2018 te ontvangen;

Europese Scholen

312.  herinnert eraan dat de Commissie in 2016 61 % (177,8 miljoen EUR) van de begroting van de scholen heeft betaald;

313.  betreurt dat er na meer dan 15 jaar(83) nog steeds geen degelijk systeem voor financieel beheer voor de Europese Scholen is ingevoerd;

314.  wijst in dit verband op het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van de Europese Scholen voor het begrotingsjaar 2016, waarin de volgende tekortkomingen aan het licht kwamen(84):

"27. De Rekenkamer heeft aanzienlijke tekortkomingen aangetroffen in de toepassing van de boekhouding op transactiebasis in de rekeningen van het Centraal Bureau en de Scholen van Alicante en Karlsruhe, met name in de berekening en boekhouding van voorzieningen voor personeelsbeloningen en de registratie van schulden en vorderingen. Belangrijke fouten zijn tijdens de consolidatieprocedure gecorrigeerd. De interne controlesystemen van de Scholen van Alicante en Karlsruhe wezen op enkele tekortkomingen, terwijl het interne controlesysteem van het Centraal Bureau nog steeds aanzienlijke tekortkomingen vertoont. Uit de controleverslagen van de onafhankelijke externe controleur bleek ook dat er sprake was van belangrijke tekortkomingen in de aanwervings-, aanbestedings- en betalingsprocedures. De Rekenkamer kan bijgevolg niet bevestigen dat het financieel beheer in overeenstemming was met het algemeen kader."

315.  merkt op dat de directeur-generaal dus slechts dienovereenkomstig handelde toen zij haar betrouwbaarheidsverklaring inperkte, waarin zij verklaart dat zij in haar hoedanigheid van gedelegeerd ordonnateur de betrouwbaarheidsverklaring heeft ondertekend, doch met een reputationeel voorbehoud betreffende het doeltreffende beheer van bepaalde aan de Europese Scholen toegewezen middelen van de Commissie(85);

316.  betreurt dat het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van de Europese Scholen voor het begrotingsjaar 2016 talrijke tekortkomingen aan het licht bracht; is van mening dat de financiële verantwoordingsplicht van het systeem van de Europese Scholen naar een behoorlijk niveau moet worden getild door een speciaal kwijtingsproces voor de 177,8 miljoen EUR die hiervoor ter beschikking is gesteld;

317.  wijst nogmaals op het standpunt van het Parlement dat er dringend behoefte is aan een "uitgebreide herziening" van het systeem van de Europese Scholen om een hervorming van beheers-, financiële, organisatorische en pedagogische kwesties in overweging te nemen en herinnert aan zijn verzoek aan de Commissie om jaarlijks een verslag met een beoordeling van de vorderingen aan het Parlement voor te leggen;

318.  vraagt de Commissie wanneer zij verwacht dat er een degelijk systeem voor financieel beheer voor de Europese Scholen in gebruik wordt genomen; vraagt de Commissie om de nodige maatregelen te nemen teneinde een degelijk systeem voor financieel beheer voor de Europese Scholen in gebruik te kunnen nemen;

Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)

319.  vindt het verbazingwekkend dat de ontwikkeling van een nieuw, intern ontworpen casemanagementsysteem 12,2 miljoen EUR zal kosten; vraagt of OLAF marktonderzoek heeft verricht om naar goedkopere oplossingen te zoeken alvorens deze kosten op zich te nemen; verwacht dat de Commissie en OLAF de kwijtingsautoriteit uitgebreide uitleg bieden over de geschatte kosten en de stappen die zijn gezet om een economischere oplossing te vinden;

320.  uit zijn grote twijfel over:

(a)  het creëren van posten waarvan het enige doel is om als springplank voor een detachering te dienen,

(b)  de hoge ambtenaar die geen "afkoelingsperiode" in acht neemt voordat hij een functie met nauwe banden met zijn vorige werk aanvaardt,

(c)  de hoge ambtenaar die verzeild dreigt te raken in een belangenconflict tussen loyaliteit aan zijn vorige en huidige werkgever;

Deskundigengroepen

321.  roept de Commissie op te zorgen voor een evenwichtige samenstelling van deskundigengroepen; neemt nota van het rapport van het Corporate Europe Observatory van 14 februari 2017 getiteld "Corporate interests continue to dominate key expert groups"(86); is bezorgd over de conclusie van dit rapport, met name wat betreft de onevenwichtige samenstelling van de deskundigengroepen GEAR2030, Automatische Uitwisseling van financiële rekeninggegevens, het Gezamenlijk Forum voor verrekenprijzen, het Platform voor goed fiscaal bestuur en de subgroep Emissies onder reële rijomstandigheden – lichte bedrijfsvoertuigen van de Werkgroep motorvoertuigen; wijst erop dat het Parlement nog steeds geen formeel antwoord heeft gehad op zijn resolutie inzake "Controle van het register en de samenstelling van de deskundigengroepen van de Commissie" van 14 februari 2017(87); roept de Commissie op onverwijld een grondig antwoord in te dienen;

Volkswagengroep

Onderzoeksjournalistiek en corruptiebestrijding

322.  veroordeelt de moord op de Slowaakse onderzoeksjournalist Jan Kuciak en zijn verloofde Martina Kusnirova op 22 februari 2018 en maakt zich grote zorgen over informatie waaruit blijkt dat deze moord in verband kan worden gebracht met frauduleuze betalingen uit Uniefondsen aan een inwoner van Slowakije die banden zou onderhouden met de misdaadorganisatie 'Ndràngheta; verzoekt de Commissie en OLAF dit dossier nauwkeurig te onderzoeken en hierover verslag uit te brengen in het kader van de follow-up van de kwijting aan de Commissie;

Overbruggingstoelagen

323.  neemt nota van de bevindingen en aanbevelingen van de studie van beleidsafdeling D van het Parlement getiteld "Transitional allowances for former EU office holders – too few conditions?"; verzoekt de Commissie deze aanbevelingen in aanmerking te nemen en een herziening van de overbruggingstoelagen voor voormalige bekleders van een openbaar ambt in de EU te starten, om de transparantie van de toelagen en de verantwoording voor de EU-begroting tegenover de burgers te vergroten;

Uitvoerende agentschappen

324.  roept de betreffende uitvoerende agentschappen op:

(a)  de aanbevelingen van de dienst Interne Audit op te volgen en ten uitvoer te leggen;

(b)  overdrachten zoveel mogelijk te vermijden door gesplitste begrotingskredieten in te voeren om het meerjarige karakter van de activiteiten beter weer te geven;

(c)  gedetailleerde en volledige gegevens bij te houden over openbare aanbestedings- en aanwervingsprocedures.

Adviezen van de commissies

Buitenlandse Zaken

325.  neemt kennis van het eindverslag over de externe evaluatie van het Europees instrument voor democratie en mensenrechten, dat in juni 2017 werd gepubliceerd; verwelkomt de indicaties dat de verkiezingswaarneming bijdraagt aan de algemene en specifieke doelstellingen van het EIDHR; onderstreept hoe belangrijk het is in het kader van verkiezingswaarnemingsmissies te blijven zorgen voor steun bij de lokale bevolking; wijst er daarom op hoe belangrijk het is te zorgen voor kosteneffectiviteit en grotere evenredigheid tussen de middelen die besteed worden aan verkiezingswaarnemingsmissies en de middelen voor follow-up van de aanbevelingen van die missies; verzoekt de Commissie de voorstellen uit het eindverslag over de externe evaluatie van het EIDHR te overwegen om de follow-up te versterken van de aanbevelingen die uit verkiezingswaarneming voortvloeien;

326.  is ingenomen met de vooruitgang die is geboekt, maar merkt op dat 4 van de 10 civiele missies in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) nog niet door de Commissie zijn erkend als zijnde in overeenstemming met artikel 60 van het Financieel Reglement; dringt er bij de Commissie op meer te doen voor de accreditatie van alle civiele GVDB-missies, overeenkomstig de aanbeveling van de Europese Rekenkamer, zodat ze kunnen worden belast met begrotingsuitvoeringstaken onder indirect beheer; Ontwikkeling en samenwerking

327.  is zeer verontrust over een duidelijke trend in recente voorstellen van de Commissie, namelijk het negeren van juridisch bindende voorschriften van Verordening (EU) nr. 233/2014(88) wanneer het gaat om voor officiële ontwikkelingshulp (ODA) in aanmerking komende uitgaven en om landen die voor middelen uit het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) in aanmerking komen; herinnert eraan dat de wettigheid van de uitgaven van de Unie een centraal beginsel van goed financieel beheer is en dat politieke overwegingen geen voorrang mogen krijgen boven duidelijke wettelijke bepalingen; herinnert eraan dat het DCI in de eerste plaats een instrument ter bestrijding van armoede is;

328.  steunt het gebruik van begrotingssteun maar dringt bij de Commissie aan op een betere omschrijving en duidelijke beoordeling van de ontwikkelingsresultaten die voor elk geval behaald moeten worden, en bovenal op een versterking van de mechanismen voor het toezicht op het gedrag van de ontvangende landen op het gebied van corruptie, eerbiediging van de mensenrechten, rechtsstaat en democratie; spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over het mogelijke gebruik van begrotingssteun in landen met een gebrekkige democratische controle, ofwel vanwege het ontbreken van een functionerende parlementaire democratie en van vrijheden voor maatschappelijke organisaties en de media, of vanwege een gebrek aan capaciteit van met controle belaste organen;

329.  is bezorgd over de verklaring van de Rekenkamer dat er een ernstig risico bestaat dat de Unie haar doel om de klimaatverandering in alle gebieden van de Uniebegroting te integreren niet haalt, en dat de doelstelling om 20 % van haar uitgaven te besteden aan klimaatgerelateerde acties evenmin zal worden gehaald;

330.  is bezorgd over de bevinding van de Rekenkamer dat het certificeringssysteem van de Unie voor duurzame biobrandstoffen niet geheel betrouwbaar is2; benadrukt de mogelijke negatieve gevolgen voor ontwikkelingslanden die de Rekenkamer aanhaalt: "Met name heeft de Commissie niet voorgeschreven dat vrijwillige regelingen moeten controleren of de te certificeren productie van biobrandstoffen gepaard gaat met een significant risico van ongewenste sociaal-economische effecten, zoals conflicten rond grondbezit, dwangarbeid/kinderarbeid, slechte werkomstandigheden voor landbouwers of gevaren voor de gezondheid en de veiligheid": verzoekt de Commissie dit probleem aan te pakken;

331.  rekent erop volledig te worden geïnformeerd en geraadpleegd over de tussentijdse herziening van het DCI, die bedoeld is om Agenda 2030 en een nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling in aanmerking te nemen;

332.  verzoekt de Commissie een op stimulansen gebaseerde benadering voor ontwikkeling te integreren door het "meer-voor-meer"-beginsel in te voeren, en daarvoor het Europees nabuurschapsbeleid als voorbeeld te nemen; is van oordeel dat een land dat in zijn interne hervormingen meer en sneller vooruitgang boekt bij de opbouw en consolidatie van democratische instellingen, de uitbanning van corruptie, de eerbiediging van mensenrechten en de rechtsstaat, ook meer steun van de Unie moet ontvangen; benadrukt dat deze "positief voorwaardelijke" aanpak, met veel aandacht voor de financiering van kleinschalige projecten voor plattelandsgemeenschappen, een daadwerkelijke verandering teweeg kan brengen en ervoor instaat dat het geld van de belastingbetaler in de Unie op een duurzamere wijze wordt besteed; veroordeelt anderzijds met kracht alle pogingen om grenscontroles als voorwaarde voor hulpverlening te gebruiken.

Werkgelegenheid en sociale zaken

333.  is bezorgd over het feit dat in het kader van de beoordeling door de Rekenkamer van 168 voltooide projecten in het kader van het uitgaventerrein "Economische, sociale en territoriale samenhang", slechts een derde beschikte over een systeem voor prestatiemeting met output- en resultaatindicatoren die verband houden met de doelstellingen van het operationele programma en dat 42 % niet over resultaatindicatoren of doelstellingen beschikte, waardoor het onmogelijk was de specifieke bijdrage van deze projecten aan de verwezenlijking van de algemene doelstellingen van het programma te beoordelen;

334.  neemt kennis van de aanbeveling van de Rekenkamer dat de Commissie, wanneer zij het ontwerp en de implementatiemechanismen van de ESI-fondsen voor de periode na 2020 heroverweegt, een prominentere rol toekent aan het aspect 'prestatie' en het betalingsmechanisme vereenvoudigt door, in voorkomend geval, aanvullende maatregelen te treffen om het betalingsniveau te koppelen aan 'prestatie', in plaats van zich ertoe te beperken simpelweg kosten te vergoeden;

335.  is ingenomen met de resultaten die in 2016 zijn bereikt in het kader van de drie pijlers van het programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI); vestigt de aandacht op het feit dat de EaSI-steun, met name de onderdelen Progress en Eures (netwerk van Europese diensten voor arbeidsvoorziening) ervan, belangrijk zijn voor de tenuitvoerlegging van de Europese pijler van sociale rechten; stelt met bezorgdheid vast dat de thematische afdeling Sociaal ondernemerschap binnen het zwaartepunt Microfinanciering en sociaal ondernemerschap van het EaSI slecht blijft presteren; verzoekt de Commissie erop aan te dringen dat het Europees Investeringsfonds zich ertoe verplicht de middelen in het kader van de thematische afdeling voor Sociaal ondernemerschap volledig te benutten;

Milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid

336.  benadrukt dat in 2016 naar aanleiding van de opmerkingen van de Rekenkamer een actieplan is opgesteld om de laattijdige betalingen in het kader van het LIFE-programma aan te pakken; merkt op dat het aantal laattijdige betalingen in 2016 3,9 % bedroeg;

337.  betreurt dat er geen door de Commissie beheerd specifiek verslagleggingskader bestaat om de ongewenste gevolgen van Unie-beleidsmaatregelen die in negatieve zin bijdragen aan de klimaatverandering vast te stellen en te meten, en om het aandeel van de desbetreffende uitgaven in de totale Uniebegroting te kwantificeren;

338.  benadrukt dat uit interne controles tevens is gebleken dat er vertraging is bij de tenuitvoerlegging van één zeer belangrijke aanbeveling met betrekking tot IT‑beveiliging (betreffende het beheer van de veiligheid van het EU-ETS IT-systeem), waardoor de diensten van de Commissie risico lopen op inbreuken op de beveiliging;

339.  merkt op dat uit de evaluatie achteraf van het tweede gezondheidsprogramma, die in juli 2016 werd gestart, is gebleken dat hoewel het programma waardevolle resultaten heeft opgeleverd met een duidelijke band met de prioriteiten van het uniale en nationale gezondheidsbeleid, er nog ruimte is voor verbetering inzake de verspreiding van de resultaten van de acties en inzake synergieën met andere financieringsinstrumenten van de Unie, zoals de structuurfondsen;

Vervoer en toerisme

340.  betreurt dat de Rekenkamer, nu het volgende MFK wordt opgesteld, geen volledige informatie heeft verschaft over de controles die met betrekking tot de vervoerssector zijn uitgevoerd op het beleidsgebied "Concurrentievermogen voor groei en banen", met name wat de CEF betreft;

341.  neemt er nota van dat de CEF eind 2016 steun had verleend aan 452 vervoersprojecten, voor in totaal 19,4 miljard EUR aan investeringen in heel Europa; wijst eens te meer op het belang van de CEF voor de voltooiing van het TEN-V-netwerk en voor de totstandbrenging van een interne Europese vervoersruimte; benadrukt dat de verlaging van de middelen voor de CEF die in het verleden is doorgevoerd om het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) te financieren, in de toekomst moet worden voorkomen;

342.  neemt er nota van dat het EFSI in 2016 3,64 miljard EUR heeft uitgetrokken ter financiering van 29 operaties: 25 vervoersprojecten en 4 multisectorale fondsen met in totaal naar verwachting 12,65 miljard EUR aan investeringen; betreurt dat de Commissie en de Europese Investeringsbank (EIB) geen volledige informatie per sector op jaarbasis hebben verstrekt over de door het EFSI gesteunde projecten;

343.  neemt er nota van dat in 2016 het programma "Green Shipping Guarantee" is opgezet via het nieuwe CEF-schuldinstrument en het EFSI, waarmee potentieel 3 miljard EUR aan investeringen zal worden aangetrokken om schepen met schone technologie uit te rusten; verzoekt de Commissie gedetailleerde informatie te verstrekken over de uitvoering van dit programma, onder meer over de financiële en technologische aspecten en de milieu- en economische effecten;

344.  stelt vast dat het aantal financieringsinstrumenten aanzienlijk is toegenomen, waardoor nieuwe mogelijkheden voor gecombineerde financiering in de vervoerssector ontstaan, maar waardoor er ook een ingewikkeld web van regelingen rond de EU-begroting is ontstaan; vreest dat deze instrumenten naast de EU-begroting de mate van verantwoording en transparantie zouden kunnen ondermijnen, omdat de verslaglegging, de controle en het publieke toezicht niet op elkaar zijn afgestemd; betreurt voorts dat met het gebruik van de EFSI-fondsen uitvoeringsbevoegdheden worden gedelegeerd aan de EIB, met minder publiek toezicht dan bij andere instrumenten die door de EU-begroting worden ondersteund;

345.  verzoekt de Commissie om voor de vervoerssector duidelijk een beoordeling van het effect van het EFSI op andere financieringsinstrumenten te presenteren, met name wat betreft de CEF en de samenhang van het CEF-schuldinstrument met andere EU-initiatieven, en wel ruim vóór het voorstel voor het volgende MFK en de volgende CEF; vraagt dat in deze beoordeling een duidelijke analyse wordt gemaakt van het geografische evenwicht van de investeringen in de vervoerssector; herinnert er echter aan dat het bedrag dat uit hoofde van een financieringsinstrument wordt uitgegeven, niet als het enige relevante criterium voor de beoordeling van de prestaties daarvan mag worden beschouwd; verzoekt de Commissie daarom haar beoordeling van de resultaten die in het kader van door de Unie gefinancierde vervoersprojecten zijn behaald, te verdiepen en de toegevoegde waarde ervan te meten;

346.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om, gezien de talrijke financieringsbronnen, een gemakkelijke toegang – in de vorm van één loket – tot projecten te bieden om de burgers in staat te stellen de ontwikkelingen en de financiering van infrastructuur die mede door EU-fondsen en het EFSI wordt gefinancierd, duidelijk te volgen;

347.  verzoekt de Commissie de financiële doeltreffendheid van de overeenkomst met Eurocontrol over het prestatiebeoordelingsorgaan (PRB) te evalueren en vaart te zetten achter het voorstel om het PRB op te richten als Europese economische toezichthouder onder toezicht van de Commissie; verzoekt de Commissie voorts, gezien de noodzaak om het gemeenschappelijk Europees luchtruim zo snel mogelijk tot stand te brengen en teneinde het concurrentievermogen van de luchtvaartsector te vergroten, vaart te zetten achter het voorstel om de netwerkbeheerder aan te wijzen als zelfstandige dienstverlener die als sectoraal partnerschap wordt opgezet;

348.  verzoekt de Commissie een beoordeling te presenteren van het effect van de door de lidstaten gefinancierde vervoersprojecten in het kader van de Donaustrategie en een voorstel in te dienen om de toegevoegde waarde van de toekomstige projecten te verhogen teneinde bij te dragen tot de voltooiing van deze belangrijke vervoerscorridor;

349.  betreurt ten zeerste dat er door het ontbreken van een specifieke begrotingslijn voor toerisme een gebrek aan transparantie is met betrekking tot de EU-middelen die worden gebruikt om acties voor toerisme te ondersteunen; herhaalt zijn verzoek om in toekomstige EU-begrotingen een begrotingslijn voor toerisme op te nemen;

Regionale ontwikkeling

350.  vestigt de aandacht op de rol die de bestuurlijke capaciteit speelt bij het regelmatige gebruik van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen); is van mening dat een uitwisseling van goede praktijken op een effectieve manier kan bijdragen tot de versterking van de capaciteiten van de lidstaten op dit gebied;

351.  vindt het zeer zorgwekkend dat de grote vertraging bij de uitvoering van het beleid inzake economische, sociale en territoriale cohesie de vele ongelijkheden heeft verergerd, zowel in de gehele Unie als binnen de lidstaten en regio's, waardoor de integriteit van de Unie in gevaar komt;

352.  neemt kennis van het strategisch verslag 2017 over de uitvoering van de ESI-fondsen, waarin wordt beklemtoond dat in het kader van de ESI-fondsen(89) nu in totaal voor 278 miljard EUR aan projecten is geselecteerd, ofwel 44 % van de totale investering die gepland is voor 2014-2020, een bedrag dat sinds het begin van de financieringsperiode in de reële economie van Europa is geïnvesteerd; is van mening dat de uitvoering van de programma's voor 2014-2020 nu op kruissnelheid is en dat de meerwaarde van de investeringen in het kader van het cohesiebeleid voor alle regio's in de Unie hieruit blijkt, maar ook bewijst dat er meer inspanningen moeten worden geleverd om de bestuurlijke capaciteit van de nationale, regionale en lokale autoriteiten te versterken;

Landbouw en plattelandsontwikkeling

353.  is ingenomen met het feit dat het landbouwpercelenidentificatiesysteem (Land Parcel Identification System, LPIS) verder verbeterd is en nauwkeuriger is geworden, waardoor het een uitstekend instrument wordt om het foutenpercentage omlaag te brengen en de administratieve lasten voor landbouwers en betaalorganen te verlichten;

354.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de sterke prijsvolatiliteit van landbouwproducten, die negatieve gevolgen heeft voor de inkomens van landbouwers, te monitoren en wanneer dat nodig is snel en doeltreffend in te grijpen;

355.  merkt op dat het eerste volledige jaar van de tenuitvoerlegging van de "vergroening" kennelijk geen invloed heeft gehad op het foutenpercentage, wat als een belangrijke prestatie van de landbouwers en de betaalorganen kan worden beschouwd gezien de complexe aard van de vergroeningsregels; is het eens met de Commissie dat het nog te vroeg is om conclusies te trekken over de precieze uitkomst voor het milieu; wijst er op dat er afgezien van de vergroening nog andere factoren zijn die de milieuprestaties van de landbouwsector beïnvloeden; benadrukt dat "vergroening" als voorbeeld dient van de toegenomen behoefte aan prestatie-auditing, ook op het gebied van de landbouw;

356.  is ingenomen met de vergroeningsregeling en het feit dat die bedoeld is om de landbouwbedrijven in de Unie milieuvriendelijker te maken door middel van gewasdiversificatie, de instandhouding van blijvend grasland en de vaststelling van ecologische aandachtsgebieden op landbouwgrond, zoals geschetst in het jaarverslag van de Rekenkamer;

357.  herinnert eraan dat er een aanzienlijk verschil bestaat wat soorten fouten en de omvang van fouten betreft, d.w.z. tussen onopzettelijke nalatigheden, die een administratief karakter hebben, en gevallen van fraude, en dat nalatigheden in de regel geen financiële schade berokkenen aan de belastingbetaler, waarmee ook rekening moet worden gehouden bij de raming van het werkelijke foutenpercentage; wijst de Commissie erop dat het risico van onopzettelijke fouten die te wijten zijn aan de complexe regelgeving, uiteindelijk gedragen wordt door de begunstigde; betreurt het feit dat, zelfs als de investering doeltreffend was, de uitgaven door de Rekenkamer toch 100 % niet-subsidiabel worden geacht, als er sprake is van fouten bij de openbare aanbesteding, benadrukt daarom het feit dat een verdere rationalisering van de methode voor het berekenen van fouten wenselijk is;

358.  wijst erop dat de toegang tot gegevens en een goede monitoring, met name van milieuaspecten, essentieel is, aangezien bepaalde natuurlijke hulpbronnen, zoals bodem en biodiversiteit, bepalend zijn voor de productiviteit van de landbouw op de lange termijn;

359.  hoopt dat de Rekenkamer haar controlepraktijken zo aanpast dat het gebruik van middelen daarin een even grote rol gaat spelen als de toewijzing ervan;

Visserij

360.  dringt erop aan dat de Rekenkamer in haar volgende verslagen een afzonderlijk foutenpercentage vermeldt voor visserij en voor maritieme zaken om een einde te maken aan de verdraaiingen die voortvloeien uit het onderbrengen van andere domeinen onder dezelfde rubriek; constateert dat het activiteitengebied maritieme zaken en visserij in het jaarverslag van de Rekenkamer onvoldoende gedetailleerd is, waardoor het moeilijk is het financieel beheer op dit gebied correct te beoordelen;

361.  feliciteert de Commissie met het zeer hoge uitvoeringspercentage voor titel 11 van afdeling III van de begroting 2016 betreffende maritieme zaken en visserij, zowel bij de vastleggingskredieten (99,2 %) als bij de betalingskredieten (94,7 %); herinnert eraan dat krachtens artikel 13 van Verordening (EU) nr. 508/2014(90) de begrotingsmiddelen worden opgesplitst volgens hun toewijzing en dat de Commissie in haar verslag daarom het uitvoeringspercentage per begrotingsonderdeel moet opnemen;

362.  neemt kennis van het voorbehoud ten aanzien van acht lidstaten in het jaarlijks activiteitenverslag van DG MARE met betrekking tot niet-subsidiabele uitgaven bij het Europees Visserijfonds (EVF);

363.  moedigt DG MARE aan bij zijn controle-inspanningen inzake kredieten in gedeeld beheer, met name bij zijn optreden ten aanzien van het EVF en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV);

364.  constateert dat het risico op verlies van middelen 5,9 miljoen EUR betreft en dat de Commissie de nodige maatregelen heeft genomen om de uitgaven in 2017 te beoordelen en in voorkomend geval de toegewezen middelen terug te vorderen;

365.  constateert dat het uitvoeringsniveau van het EFMZV voor de periode 2014-2020 drie jaar na de goedkeuring van het fonds op 15 mei 2014 nog steeds te wensen overlaat, aangezien in september 2017 slechts 1,7 % van de 5,7 miljard EUR aan beschikbare middelen voor gedeeld beheer was besteed; merkt op dat het gebruik van het EFMZV onder de bevoegdheid van de lidstaten valt; herinnert eraan dat krachtens artikel 13 van Verordening (EU) nr. 508/2014 de begrotingsmiddelen worden opgesplitst volgens hun toewijzing en dat de Commissie in haar verslag daarom het uitvoeringspercentage per begrotingsonderdeel moet opnemen;

366.  acht het noodzakelijk de lidstaten alle mogelijke steun te verlenen om een adequaat en volledig gebruik van de financiële middelen van het EFMZV te garanderen, met hoge uitvoeringspercentages, in overeenstemming met hun respectieve prioriteiten en behoeften, met name wat de duurzame ontwikkeling van de visserijsector betreft;

Cultuur en onderwijs

367.  is ingenomen met het feit dat in 2016 dankzij Erasmus+ 500 000 mensen de kans kregen in het buitenland te studeren, een opleiding te volgen of vrijwilligerswerk te doen en dat het behalen van de doelstelling van 4 miljoen deelnemers in 2020 op schema ligt; benadrukt dat Erasmus+-studenten een groot aantal overdraagbare vaardigheden, competenties en kennis plegen te ontwikkelen en betere carrièreperspectieven hebben dan niet-mobiele studenten en dat het programma een strategische investering in Europa's jongeren betekent; wijst er echter op dat het programma beter toegankelijk gemaakt moet worden, met name voor kansarme jongeren;

368.  juicht het toe dat de aanvraagprocedure voor financiering uit Erasmus+ grotendeels online is geplaatst; is echter van mening dat de procedure verder vereenvoudigd kan worden door niet langer te eisen dat de accrediteringsbrieven van projectpartners met de hand ondertekend moeten worden;

369.  merkt op dat er nog steeds problemen zijn met de toegang tot Erasmus+-financiering in de jeugdsector doordat het programma decentraal wordt beheerd door nationale agentschappen; verzoekt de Commissie de nodige maatregelen te nemen, bijvoorbeeld door een deel van de financiering bij het uitvoerend agentschap te centraliseren; verzoekt de Commissie bovendien de nodige middelen te verstrekken om alle begunstigden van het programma meer te betrekken, bijvoorbeeld door vaste sectorspecifieke subcomités op te richten overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1288/2013(91);

370.  meent dat universitaire uitwisselingen tot dusver cruciaal waren voor het succes van Erasmus+ en dat, om dit niet te laten afkalven, geen middelen van dit programma voor een ander programma mogen worden gebruikt en het toepassingsgebied van Erasmus+ evenmin mag worden uitgebreid tot andere ontvangers, bijvoorbeeld migranten;

371.  is verontrust over de chronisch lage succespercentages van de projecten in het kader van het programma "Europa voor de burger" en het subprogramma Cultuur van Creatief Europa (respectievelijk 16 % en 11 % in 2016); benadrukt dat lage succespercentages zorgen voor frustratie bij de aanvragers en symptomatisch zijn voor ontoereikende financieringsniveaus, wat niet strookt met de ambitieuze doelstellingen van de programma's;

372.  wijst erop dat het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur (EACEA) van de Commissie zelf zegt dat het programma "Europa voor de burger" in 2016 – het derde jaar van uitvoering – tot volle wasdom is gekomen; dringt er derhalve bij de Commissie en de Raad op aan terdege rekening te houden met de lange termijnen die nodig zijn gebleken voor de volledige tenuitvoerlegging van de nieuwe programma's binnen het MFK voor 2014-2020, om te voorkomen dat zich soortgelijke vertragingen voordoen in het financieel kader voor de periode na 2020;

373.  is ingenomen met de rol die het EACEA speelt bij de uitvoering van de drie programma's voor cultuur en onderwijs, zoals blijkt uit de positieve evaluatie van de werkzaamheden van het agentschap in 2016; juicht het toe dat het EACEA meer gebruikmaakt van elektronische rapportering voor gefinancierde projecten, wat de gegevensverzameling en het projecttoezicht zou moeten verbeteren, de beleidswerkzaamheden van de Commissie ten goede zou moeten komen en de begunstigden zou moeten helpen; is verheugd dat het EACEA 92 % van zijn betalingen verricht binnen de termijnen van het Financieel Reglement; roept het EACEA op, gezien het feit dat de begunstigden van onderwijs- en cultuurprogramma's vaak zeer kleine organisaties zijn, om te streven naar betere resultaten, bijvoorbeeld door gebruik te maken van een indicator van de gemiddelde tijd tot betaling;

374.  neemt kennis van de lancering in 2016 van de garantiefaciliteit voor de culturele en creatieve sectoren, met een budget van 121 miljoen EUR tot 2022, en van de aanvankelijke belangstelling van de sector en van financiële intermediairs; dringt aan op een snelle uitvoering van de geplande vervroegde financiering van de faciliteit met 60 miljoen EUR uit het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI); herinnert eraan dat leningen een aanvulling vormen op andere belangrijke financieringsbronnen voor de sector, zoals subsidies;

375.  maakt zich zorgen over de zeer geringe hoeveelheid EFSI-financiering die in 2016 naar onderwijs en de culturele en creatieve sector is gevloeid; is van mening dat op maat gesneden, sectorspecifieke ondersteuning van essentieel belang is om ervoor te zorgen dat de culturele en creatieve sector van EFSI-leningen profiteert;

376.  betuigt nogmaals zijn steun voor onafhankelijke berichtgeving in de media over Europese aangelegenheden, met name door budgettaire steun te verlenen aan televisie-, radio- en onlinenetwerken; is ingenomen met de verdere subsidieverlening aan Euranet+ tot 2018 en dringt er bij de Commissie op aan een duurzamer financieringsmodel voor het netwerk te vinden;

Burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

377.  herinnert eraan dat in 2016 uitgebreid gebruik werd gemaakt van speciale instrumenten als reactie op de humanitaire situatie van asielzoekers in de Unie, en dat daarom de kans bestaat dat de resterende bedragen niet zullen volstaan tot aan het einde van het huidige MFK om het hoofd te bieden aan eventuele onverwachte gebeurtenissen voor 2020; verzoekt de Commissie dit structureel probleem in het volgende MFK op te lossen en het Parlement hierover naar behoren op de hoogte te houden;

378.  dringt aan op de ontwikkeling van een coherente en systematische strategie, met duidelijkere en sterkere politieke en operationele prioriteiten op lange termijn voor de bescherming van de grondrechten en fundamentele vrijheden, en op de waarborging van de effectieve tenuitvoerlegging daarvan, onder meer door te voorzien in voldoende middelen.

Rechten van de vrouw en gendergelijkheid

379.  onderstreept dat de bevordering van gelijke kansen voor mannen en vrouwen op alle beleidsterreinen gewaarborgd moet zijn; pleit daarom eens te meer voor de toepassing van genderbewust budgetteren tijdens alle stadia van de begrotingsprocedure, met inbegrip van de uitvoering van de begroting en de beoordeling van deze uitvoering;

380.  betreurt dat voor de begrotingsonderdelen die vallen onder het programma Rechten, gelijkheid en burgerschap (REC) voor de periode 2014-2020 niet is aangegeven welke middelen er precies zijn uitgetrokken voor elk van de aan gendergelijkheid gerelateerde doelstellingen van het programma; is ingenomen met het feit dat het Netwerk van vrouwen tegen geweld en de Europese Vrouwenlobby in 2016 subsidies hebben ontvangen voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen en voor de gelijkheid van mannen en vrouwen;

381.  herhaalt zijn verzoek om een afzonderlijk begrotingsonderdeel voor de specifieke Daphne-doelstelling te behouden en er meer middelen aan toe te wijzen als compensatie voor de verlaging van de middelen voor Daphne in de periode 2014-2020;

382.  betreurt dat in het Europees Fonds voor strategische investeringen geen genderperspectief wordt toegepast en beklemtoont dat er slechts kans is op een geslaagd herstelproces als er aandacht gaat naar de invloed van crises op vrouwen;

383.  benadrukt dat gendermainstreaming ook tot de basisbeginselen van het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) behoort; betreurt evenwel het gebrek aan gerichte acties op het gebied van gendergelijkheid met specifieke begrotingsonderdelen, ondanks de herhaalde oproepen van het Parlement om ook in het migratie- en asielbeleid rekening te houden met de genderaspecten;

384.  herhaalt zijn verzoek om in de gemeenschappelijke reeks resultaatindicatoren voor de uitvoering van de begroting van de Unie genderspecifieke indicatoren op te nemen, met inachtneming van het beginsel van goed financieel beheer, namelijk overeenkomstig de beginselen van zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid;

385.  dringt erop aan gendereffectbeoordeling als een algemene ex‑antevoorwaarde voor EU‑fondsen op te nemen en indien mogelijk de verzameling van gegevens over begunstigden en deelnemers uit te splitsen volgens geslacht;

386.  is ingenomen met de vrij evenwichtige betrokkenheid van mannen en vrouwen (52 % vrouwen tegenover 48 % mannen) bij de interventies in het kader van het Europees Sociaal Fonds in 2016;

387.  wenst dat het Parlement, de Raad en de Commissie zich opnieuw inzetten voor gendergelijkheid in het volgende MFK, door middel van een gezamenlijke verklaring bij het MFK met de toezegging om genderbewust budgetteren toe te passen en de tenuitvoerlegging van deze verklaring in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure te controleren door een bepaling op te nemen in een herzieningsclausule van de nieuwe MFK-verordening.

31.1.2018

ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken

aan de Commissie begrotingscontrole

inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen

(2017/2136(DEC))

Rapporteur voor advies: Cristian Dan Preda

SUGGESTIES

De Commissie buitenlandse zaken verzoekt de bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  neemt met tevredenheid kennis van de daling van het aantal fouten in rubriek 4 in begrotingsjaar 2016 in vergelijking met 2015 (van 2,8 % naar 2,1 %), zoals geschat door de Europese Rekenkamer in zijn jaarverslag; geeft zijn volledige steun aan alle aanbevelingen van de Europese rekenkamer, en spoort de Commissie aan deze snel op te volgen;

2.  beklemtoont dat, wanneer de verrichtingen op het vlak van begrotingssteun en de door verschillende donoren gefinancierde projecten buiten beschouwing worden gelaten, het geschatte foutenpercentage aanzienlijk hoger ligt; onderstreept dat de Commissie het geschatte foutenpercentage met nog eens 0,7 % had kunnen verlagen indien ze gebruik had gemaakt van alle haar ter beschikking staande informatie; dringt erop aan dat de verrichtingen op het vlak van begrotingssteun vergezeld gaan van actieve maatregelen ter bestrijding van corruptie;

3.  benadrukt dat de meeste fouten (73 %) toe te schrijven zijn aan het ontbreken van essentiële bewijsstukken; wijst nog eens op het belang van het verbeteren van het toezicht op subsidies en de technische bijstand die in dit verband wordt verleend; roept de Commissie op met het oog hierop de noodzakelijke maatregelen te nemen;

4.  onderstreept dat de algemene verslaglegging over uitgaven aan migratie en de vluchtelingencrisis coherenter en uitgebreider moet zijn; vindt het in dit verband zorgwekkend dat het gebruik van andere financiële mechanismen om EU-beleid uit te voeren naast de EU-begroting, zoals trustfondsen en de faciliteit voor vluchtelingen in Turkije, de verantwoordingsplicht en de transparantie dreigt te ondermijnen;

5.  neemt met bezorgdheid kennis van de tekortkomingen in het indirect beheer door auditinstanties in sommige begunstigde landen die onder het tweede instrument voor pretoetredingssteun (IPA II) vallen; verzoekt DG NEAR de nationale autoriteiten in kwestie passende ondersteuning te bieden bij het wegwerken van de tekortkomingen en, meer specifiek, bij het naar een hoger plan tillen van hun auditmethodologie, toezicht en planning, alsook bij het verbeteren van de aanwerving en opleiding van personeel; herinnert eraan dat de toewijzing van pretoetredingsmiddelen gekoppeld is aan de toegewijdheid van de ontvangende landen aan hervormingen en aan de vooruitgang bij de implementatie daarvan;

6.  neemt kennis van het eindverslag over de externe evaluatie van het Europees instrument voor democratie en mensenrechten, dat in juni 2017 werd gepubliceerd; verwelkomt de indicaties dat de verkiezingswaarneming bijdraagt aan de algemene en specifieke doelstellingen van het EIDHR; onderstreept hoe belangrijk het is in het kader van verkiezingswaarnemingsmissies te blijven zorgen voor steun bij de lokale bevolking; wijst er daarom op hoe belangrijk het is te zorgen voor kosteneffectiviteit en grotere evenredigheid tussen de middelen die besteed worden aan verkiezingswaarnemingsmissies en de middelen voor follow-up van de aanbevelingen van die missies; verzoekt de Commissie de voorstellen uit het eindverslag over de externe evaluatie van het EIDHR te overwegen om de follow-up te versterken van de aanbevelingen die uit verkiezingswaarneming voortvloeien;

7.  verheugt zich over de vooruitgang die is geboekt, maar merkt op dat 4 van de 10 civiele missies in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) nog niet door de Commissie zijn erkend als zijnde in overeenstemming met artikel 60 van het Financieel Reglement; dringt er bij de Commissie op aan haar werkzaamheden te intensiveren met het oog op de accreditatie van alle civiele GVDB-missies, overeenkomstig de aanbeveling van de Europese Rekenkamer, zodat ze kunnen worden belast met begrotingsuitvoeringstaken onder indirect beheer.

8.  is ingenomen met het Speciaal verslag van de Europese Rekenkamer over EU-bijstand aan Tunesië en stelt met tevredenheid vast dat de EU met haar financiering een aanzienlijke en tijdige bijdrage heeft geleverd tot de democratische overgang en de economische stabiliteit van het land in moeilijke omstandigheden; verwelkomt de aanbevelingen van de Europese Rekenkamer en verzoekt de Commissie deze volledig uit te voeren, onder meer wat betreft het "meer voor meer"-mechanisme en de noodzaak om het aantal prioriteiten te beperken teneinde de impact van de EU-bijstand te vergroten; verzoekt de Commissie te onderzoeken op welke wijze de mechanismen voor de goedkeuring van macrofinanciële bijstand kunnen worden versneld, in het bijzonder in het geval van noodfinanciering;

9.  neemt kennis van Speciaal verslag nr. 11/2017 van de Europese Rekenkamer over het EU-Trustfonds Bêkou voor de Centraal-Afrikaanse Republiek; verwelkomt alle aanbevelingen van de Europese Rekenkamer en roept de Commissie op deze uit te voeren; onderstreept in dit verband vooral de noodzaak om de problemen aan te pakken met betrekking tot de coördinatie tussen belanghebbenden, het aantrekken van nieuwe donoren, de transparantie en de kosteneffectiviteit, alsook om monitorings- en evaluatiemechanismen volledig te ontwikkelen;

10.  is ingenomen met het Speciaal verslag van de Europese Rekenkamer over EU-steun voor de strijd tegen mensenhandel in Zuid- en Zuidoost-Azië; spoort de Commissie aan om, in samenwerking met de EDEO, het strategisch kader voor mensenhandel verder te ontwikkelen, ook voor Zuid- en Zuidoost-Azië, teneinde de impact van de desbetreffende projecten te vergroten en de duurzaamheid van de resultaten ervan te waarborgen;

11.  roept de Europese Rekenkamer op een Speciaal verslag over EU-bijstand aan Libië uit te brengen, gezien de omvangrijke bilaterale steun die aan Libië gegeven wordt op het gebied van onder meer het maatschappelijk middenveld, bestuur, gezondheid, onderwijs, migratie en bescherming, steun voor het politieke proces, en veiligheid en bemiddeling;

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

23.1.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

50

3

5

Bij de eindstemming aanwezige leden

Lars Adaktusson, Michèle Alliot-Marie, Nikos Androulakis, Francisco Assis, Petras Auštrevičius, Amjad Bashir, Bas Belder, Goffredo Maria Bettini, Victor Boştinaru, Elmar Brok, Klaus Buchner, James Carver, Fabio Massimo Castaldo, Lorenzo Cesa, Javier Couso Permuy, Arnaud Danjean, Georgios Epitideios, Eugen Freund, Michael Gahler, Iveta Grigule-Pēterse, Sandra Kalniete, Tunne Kelam, Janusz Korwin-Mikke, Andrey Kovatchev, Eduard Kukan, Ilhan Kyuchyuk, Ryszard Antoni Legutko, Sabine Lösing, Andrejs Mamikins, Alex Mayer, David McAllister, Tamás Meszerics, Francisco José Millán Mon, Clare Moody, Javier Nart, Pier Antonio Panzeri, Ioan Mircea Paşcu, Alojz Peterle, Tonino Picula, Jozo Radoš, Sofia Sakorafa, Alyn Smith, Jaromír Štětina, Dubravka Šuica, László Tőkés, Miguel Urbán Crespo, Ivo Vajgl

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Brando Benifei, Rebecca Harms, Marek Jurek, Jo Leinen, Miroslav Poche, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Traian Ungureanu, Bodil Valero, Marie-Christine Vergiat

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Tiemo Wölken

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

50

+

ALDE

Petras Auštrevičius, Iveta Grigule-Pēterse, Ilhan Kyuchyuk, Javier Nart, Jozo Radoš, Ivo Vajgl

ECR

Amjad Bashir, Bas Belder, Marek Jurek, Ryszard Antoni Legutko

EFDD

Fabio Massimo Castaldo

PPE

Lars Adaktusson, Michèle Alliot-Marie, Elmar Brok, Lorenzo Cesa, Arnaud Danjean, Michael Gahler, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Sandra Kalniete, Tunne Kelam, Andrey Kovatchev, Eduard Kukan, David McAllister, Francisco José Millán Mon, Alojz Peterle, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Jaromír Štětina, Dubravka Šuica, László Tőkés, Traian Ungureanu

S&D

Nikos Androulakis, Francisco Assis, Brando Benifei, Goffredo Maria Bettini, Victor Boştinaru, Eugen Freund, Jo Leinen, Andrejs Mamikins, Alex Mayer, Clare Moody, Pier Antonio Panzeri, Ioan Mircea Paşcu, Tonino Picula, Miroslav Poche, Tiemo Wölken

VERTS/ALE

Klaus Buchner, Rebecca Harms, Tamás Meszerics, Alyn Smith, Bodil Valero

3

-

EFDD

James Carver

NI

Georgios Epitideios, Janusz Korwin-Mikke

5

0

GUE/NGL

Javier Couso Permuy, Sabine Lösing, Sofia Sakorafa, Miguel Urbán Crespo, Marie-Christine Vergiat

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

2.2.2018

ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking

aan de Commissie begrotingscontrole

inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen

(2017/2136(DEC))

Rapporteur voor advies: Doru-Claudian Frunzulică

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is verheugd over Speciaal verslag nr. 33/2016 van de Europese Rekenkamer over het Uniemechanisme voor civiele bescherming; vestigt de aandacht op de conclusie van de Rekenkamer dat de Commissie in grote lijnen doeltreffend is geweest in haar coördinerende rol, zoals is gebleken tijdens de overstromingen in Bosnië en Herzegovina (2014), de uitbraak van ebola in West-Afrika (2014-2016) en de aardbeving in Nepal (2015); verzoekt de Commissie de aanbevelingen van de Rekenkamer te volgen om de werking van het Uniemechanisme voor civiele bescherming verder te verbeteren;

2.  wijst op de positieve bevindingen in Speciaal verslag nr. 30/2016 van de Rekenkamer over de doeltreffendheid van de EU-steun voor prioritaire sectoren in Honduras en in Special verslag nr. 3/2017 over de EU-bijstand aan Tunesië; wijst op de beoordeling van de Rekenkamer, in overeenstemming met eerdere speciale verslagen over de ontwikkelingsuitgaven van de Unie, dat het geld van de Unie over het algemeen goed is besteed, wat een bewijs is van de hoge kwaliteit van de ontwikkelingsuitgaven van de Unie; merkt op dat dit in schril contrast staat met andere beleidsterreinen, zoals de uitgaven voor externe migratie, waar de bevindingen veel negatiever zijn(92);

3.  merkt op dat de Unie volgens Speciaal verslag nr. 9/2017 van de Rekenkamer over EU‑steun voor de strijd tegen mensenhandel in Zuid- en Zuidoost-Azië met haar strategie tegen mensenhandel de strijd tegen mensenhandel in die regio ten dele doeltreffend heeft kunnen ondersteunen, hoewel niet duidelijk is in welke mate de verbeteringen te danken zijn aan het optreden van de Unie; wijst erop dat met geen enkel land in de regio een partnerschap voor de strijd tegen mensenhandel tot stand is gebracht; merkt op dat de meeste projecten weliswaar positieve, maar zelden duurzame resultaten opleveren; betreurt het gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel en inzet op nationaal niveau; stelt met bezorgdheid vast dat de duurzaamheid van de bereikte resultaten twijfelachtig is;

4.  is verheugd over de positieve bevindingen in Speciaal verslag nr. 11/2017 van de Rekenkamer over het Bêkou-trustfonds voor de Centraal-Afrikaanse Republiek, dat inspeelt op de behoeften inzake noodhulp en herstel en deze respons koppelt aan ontwikkeling; wijst op het fundamentele verschil tussen trustfondsen van deze soort en het trustfonds voor Afrika; ondersteunt de aanbeveling om richtsnoeren te ontwikkelen voor de keuze van een steunconstructie en onderstreept dat deze richtsnoeren een afspiegeling moeten zijn van de mogelijke risico's en nadelen van het gebruik van trustfondsen en van de gemengde ervaringen die tot dusver zijn opgedaan met het gebruik ervan; verzoekt de Commissie via gedetailleerde en regelmatige verslaggeving doeltreffende mechanismen te garanderen voor de controlebevoegdheid van het Parlement over de wijze waarop het fonds ten uitvoer wordt gelegd;

5.  is zeer verontrust over een duidelijke trend in recente voorstellen van de Commissie, namelijk het negeren van juridisch bindende voorschriften van Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad(93) wanneer het gaat om voor officiële ontwikkelingshulp (ODA) in aanmerking komende uitgaven en om landen die voor middelen uit het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) in aanmerking komen; herinnert eraan dat de wettigheid van de uitgaven van de Unie een centraal beginsel van goed financieel beheer is en dat politieke overwegingen geen voorrang mogen krijgen boven duidelijk vastgelegde wettelijke bepalingen; herinnert eraan dat het DCI in de eerste plaats een instrument ter bestrijding van armoede is;

6.  steunt het gebruik van begrotingssteun maar dringt bij de Commissie aan op een betere omschrijving en duidelijke beoordeling van de ontwikkelingsresultaten die voor elk geval behaald moeten worden, en bovenal op een versterking van de mechanismen voor het toezicht op het gedrag van de ontvangende landen op het gebied van corruptie, eerbiediging van de mensenrechten, rechtsstaat en democratie; spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over het mogelijke gebruik van begrotingssteun in landen met een gebrekkige democratische controle, ofwel vanwege het ontbreken van een functionerende parlementaire democratie en van vrijheden voor maatschappelijke organisaties en de media, of vanwege een gebrek aan capaciteit van met controle belaste organen; neemt kennis van Speciaal verslag nr. 35/2016 van de Rekenkamer over gebruikmaking van begrotingssteun ter verbetering van de mobilisering van binnenlandse inkomsten (DRM) in Afrika ten zuiden van de Sahara, waarin wordt geconstateerd dat door de Commissie uitgevoerde ex-anteanalyses van DRM niet voldoende gedetailleerd zijn en niet overeenstemmen met haar eigen richtsnoeren, dat de Commissie belastingvrijstellingen en illegale kapitaalvlucht dikwijls niet in de beoordeling meeneemt, winningsdividenden niet naar behoren in overweging neemt en niet naar behoren nagaat of royalty's voor toegang tot natuurlijke hulpbronnen zijn betaald; is bezorgd over het lage en soms niet relevante gebruik door de Commissie van DRM-specifieke voorwaarden in contracten voor begrotingssteun;

7.  is bezorgd over de verklaring van de Rekenkamer(94) dat er een ernstig risico bestaat dat de Unie haar doel om de klimaatverandering in alle gebieden van de Uniebegroting te integreren niet haalt, en dat de doelstelling om 20 % van haar uitgaven te besteden aan klimaatgerelateerde acties evenmin zal worden gehaald;

8.  is bezorgd over de bevinding van de Rekenkamer dat het certificeringssysteem van de Unie voor duurzame biobrandstoffen niet geheel betrouwbaar is(95); benadrukt de mogelijke negatieve gevolgen voor ontwikkelingslanden die de Rekenkamer aanhaalt, namelijk dat "de Commissie niet [heeft] voorgeschreven dat vrijwillige regelingen moeten controleren of de te certificeren productie van biobrandstoffen gepaard gaat met een significant risico van ongewenste sociaal-economische effecten, zoals conflicten rond grondbezit, dwangarbeid/kinderarbeid, slechte werkomstandigheden voor landbouwers of gevaren voor de gezondheid en de veiligheid", en verzoekt de Commissie dit probleem aan te pakken;

9.  wijst op de bevindingen van de Rekenkamer in haar Speciaal verslag nr. 8/2017 over EU-visserijcontroles en betreurt de aanzienlijke tekortkomingen die zijn geconstateerd; benadrukt het grote risico dat de aangegeven vangsten kleiner zijn dan in werkelijkheid het geval is, wat ernstige gevolgen kan hebben voor de visbestanden in de wateren van ontwikkelingslanden; dringt er bij de lidstaten op aan volledig uitvoering te geven aan Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad(96);

10.  rekent erop volledig te worden geïnformeerd en geraadpleegd over de tussentijdse herziening van het DCI, die bedoeld is om de Agenda 2030 en een nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling in aanmerking te nemen;

11.  wijst nogmaals op de gezamenlijke verbintenis van de Unie om de officiële ontwikkelingshulp van de Unie en de lidstaten tot 0,7 % van het bruto nationaal inkomen op te trekken;

12.  verzoekt de Commissie een op stimulansen gebaseerde benadering voor ontwikkeling te integreren door het "meer-voor-meer"-beginsel in te voeren, en daarvoor het Europees nabuurschapsbeleid als voorbeeld te nemen; is van oordeel dat een land dat in zijn interne hervormingen meer en sneller vooruitgang boekt bij de opbouw en consolidatie van democratische instellingen, de uitbanning van corruptie, de eerbiediging van mensenrechten en de rechtsstaat, ook meer steun van de Unie moet ontvangen; benadrukt dat deze op "positieve conditionaliteit" gebaseerde aanpak, in combinatie met een sterke nadruk op de financiering van kleinschalige projecten voor plattelandsgemeenschappen, daadwerkelijk verandering teweeg kan brengen en ervoor kan zorgen dat het geld van de belastingbetaler in de Unie op duurzamere wijze wordt besteed; veroordeelt anderzijds met klem alle pogingen om grenscontroles als voorwaarde voor hulpverlening te gebruiken.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

24.1.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

16

1

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Ignazio Corrao, Mireille D’Ornano, Doru-Claudian Frunzulică, Charles Goerens, Enrique Guerrero Salom, György Hölvényi, Arne Lietz, Linda McAvan, Norbert Neuser, Vincent Peillon, Lola Sánchez Caldentey, Elly Schlein, Eleftherios Synadinos, Bogdan Brunon Wenta, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Ádám Kósa, Paul Rübig, Judith Sargentini, Adam Szejnfeld

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Jean Lambert, Miroslav Mikolášik

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

16

+

ALDE

Charles Goerens

PPE

György Hölvényi, Ádám Kósa, Miroslav Mikolášik, Paul Rübig, Adam Szejnfeld, Bogdan Brunon Wenta

S&D

Doru-Claudian Frunzulică, Enrique Guerrero Salom, Arne Lietz, Linda McAvan, Norbert Neuser, Vincent Peillon, Elly Schlein

Verts/ALE

Jean Lambert, Judith Sargentini

1

-

NI

Eleftherios Synadinos

4

0

EFDD

Ignazio Corrao, Mireille D'Ornano

GUE/NGL

Lola Sánchez Caldentey

PPE

Joachim Zeller

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

24.1.2018

ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

aan de Commissie begrotingscontrole

inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen

(2017/2136(DEC))

Rapporteur voor advies: Claude Rolin

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  stelt vast dat het globale geschatte foutenpercentage bij betalingen met middelen van de EU‑begroting de afgelopen paar jaar constant is gedaald (4,4 % in 2014; 3,8 % in 2015; 3,1 % in 2016); merkt voorts op dat de percentages van de op rechten gebaseerde betalingen, een aanzienlijk deel van de gecontroleerde uitgaven, goed voor circa 49 % van de uitgaven van de Unie, onder de drempel lagen van 2 % voor materiële fouten (namelijk 1,3 %); juicht het toe dat de Rekenkamer voor het eerst sinds 1994 een verklaring met beperking heeft afgegeven over de regelmatigheid van de ten grondslag liggende verrichtingen in 2016;

2.  neemt kennis van de globale positieve impact van de corrigerende maatregelen die de autoriteiten in de lidstaten en de Commissie hebben genomen, die positief hebben uitgewerkt op het geschatte foutenpercentage en zonder dewelke het geschatte foutenpercentage 1,2 % hoger was geweest;

3.  stelt bezorgd het hoge geschatte foutenpercentage op het beleidsgebied "Economische, sociale en territoriale samenhang" vast, namelijk 4,8 %, hetgeen nog altijd hoger is dan de drempel voor materiële fouten (2 %) en het foutenpercentage voor de hele EU‑begroting (3,1 %); stelt overigens vast dat dit percentage iets lager ligt dan het percentage van het voorgaande jaar (5,2 %);

4.  stelt vast dat het hoge geschatte foutenpercentage op het beleidsgebied "Economische, sociale en territoriale samenhang" voornamelijk toe te schrijven is aan de niet in aanmerking komende kosten die de begunstigden in hun declaraties opvoeren, de selectie van niet in aanmerking komende activiteiten, projecten of begunstigden, en inbreuken op de wetgeving inzake openbare aanbestedingen; onderstreept het feit dat doeltreffende maatregelen moeten worden genomen om deze bronnen van fouten te verminderen én goede resultaten te boeken;

5.  merkt bezorgd op dat het geschatte foutenpercentage op het beleidsterrein "Concurrentievermogen voor groei en banen" 4,1 % bedraagt en dat de meeste fouten verband hielden met de vergoeding van niet-subsidiabele personeels- en indirecte kosten die door de begunstigden van onderzoeksprojecten waren gedeclareerd; onderstreept het feit dat doeltreffende maatregelen moeten worden genomen om deze bronnen van fouten te verminderen én goede resultaten te boeken;

6.  betreurt het dat de lidstaten, net als in de voorgaande jaren, over voldoende informatie beschikten om een aanzienlijk aantal fouten te voorkomen, of vast te stellen en te corrigeren; merkt op dat, als deze informatie was gebruikt om fouten te corrigeren, het geschatte foutenpercentage voor de totale uitgaven voor "Economische, sociale en territoriale samenhang" 1,1 % zou hebben bedragen, d.w.z. onder de materialiteitsdrempel van 2 % zou hebben gelegen, en het geschatte foutenpercentage voor de totale uitgaven voor "Concurrentievermogen voor groei en banen" 2,9 % zou hebben bedragen; neemt kennis van de aanbeveling van de Rekenkamer om de Unie‑uitgaven niet aan aanvullende controles te onderwerpen, maar erop toe te zien dat de bestaande controlemechanismen op correcte wijze worden toegepast;

7.  is bezorgd over het feit dat in het kader van de beoordeling door de Rekenkamer van 168 voltooide projecten in het kader van het uitgaventerrein "Economische, sociale en territoriale samenhang", slechts een derde beschikte over een systeem voor prestatiemeting met output- en resultaatindicatoren die verband houden met de doelstellingen van het operationele programma en dat 42 % niet over resultaatindicatoren of doelstellingen beschikte, waardoor het onmogelijk was de specifieke bijdrage van deze projecten aan de verwezenlijking van de algemene doelstellingen van het programma te beoordelen;

8.  stelt bezorgd vast dat de lidstaten drie jaar na het begin van de periode 2014‑2020 slechts 77 % van de programma-autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de ESI-fondsen, hebben aangewezen en dat de vertragingen in de begrotingsuitvoering medio 2017 groter zijn dan op hetzelfde moment in de periode 2007-2013;

9.  neemt kennis van de aanbeveling van de Rekenkamer dat de Commissie, wanneer zij het ontwerp en de implementatiemechanismen van de ESI-fondsen voor de periode na 2020 heroverweegt, een prominentere rol toekent aan het aspect 'prestatie' en het betalingsmechanisme vereenvoudigt door, in voorkomend geval, aanvullende maatregelen te treffen om het betalingsniveau te koppelen aan 'prestatie', in plaats van zich ertoe te beperken simpelweg kosten te vergoeden;

10.  vestigt de aandacht op de opmerkingen van de Rekenkamer in haar jaarverslag over de uitvoering van de begroting over het begrotingsjaar 2016 met betrekking tot het feit dat zij de afgelopen vijf jaar geen fouten heeft gekwantificeerd met betrekking tot het gebruik van SCO's voor transacties op het beleidsgebied "Economische, sociale en territoriale samenhang"; is derhalve van mening dat de bevordering van een breder gebruik van SCO's kan zorgen voor een vermindering van de administratieve last, minder fouten dan in het systeem van terugbetaling van kosten, en een grotere gerichtheid op prestaties en resultaten; verzoekt de Commissie voort te gaan met het verlenen van advies en ondersteuning aan de lidstaten over de toepassing van SCO's, gezien de toenemende toepasbaarheid hiervan, om een zo ruim mogelijk gebruik van SCO's te bevorderen;

11.  is ingenomen met de resultaten van het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (Youth Employment Initiative, YEI) in 2016 en het feit dat in het kader hiervan bijna drie keer zoveel mensen zijn ondersteund in 2016 in vergelijking met de periode 2014-2015 (7,8 miljoen mensen in 2016, tegenover 2,7 miljoen mensen in 2014-2015); merkt op dat, als gevolg van de steun uit het ESF en het YEI, 787 000 deelnemers een baan hadden, 820 000 deelnemers een kwalificatie verwierven en 276 000 deelnemers onderwijs of opleiding volgden;

12.  is ingenomen met de resultaten die in 2016 zijn bereikt in het kader van de drie pijlers van het programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI); vestigt de aandacht op het feit dat de EaSI-steun, met name de onderdelen Progress en Eures (netwerk van Europese diensten voor arbeidsvoorziening) ervan, belangrijk zijn voor de tenuitvoerlegging van de Europese pijler van sociale rechten; stelt bezorgd vast dat de thematische afdeling Sociaal ondernemerschap binnen de pijler Microfinanciering en sociaal ondernemerschap van het EaSI ondermaats blijft en verzoekt de Commissie erop aan te dringen dat het Europees Investeringsfonds zich ertoe verplicht de middelen in het kader van de thematische afdeling voor Sociaal ondernemerschap volledig te benutten.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

23.1.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

39

8

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Guillaume Balas, Vilija Blinkevičiūtė, Enrique Calvet Chambon, David Casa, Ole Christensen, Michael Detjen, Martina Dlabajová, Lampros Fountoulis, Arne Gericke, Marian Harkin, Czesław Hoc, Agnes Jongerius, Rina Ronja Kari, Jan Keller, Ádám Kósa, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Jean Lambert, Jérôme Lavrilleux, Jeroen Lenaers, Verónica Lope Fontagné, Javi López, Thomas Mann, Dominique Martin, Anthea McIntyre, Joëlle Mélin, Elisabeth Morin-Chartier, João Pimenta Lopes, Georgi Pirinski, Marek Plura, Dennis Radtke, Terry Reintke, Claude Rolin, Siôn Simon, Romana Tomc, Ulrike Trebesius, Marita Ulvskog, Tatjana Ždanoka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Georges Bach, Lynn Boylan, Rosa D’Amato, Tania González Peñas, Krzysztof Hetman, Paloma López Bermejo, António Marinho e Pinto, Edouard Martin, Ivari Padar, Flavio Zanonato

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Geoffroy Didier, Morten Messerschmidt

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

39

+

ALDE

Enrique Calvet Chambon, Martina Dlabajová, Marian Harkin, António Marinho e Pinto

GUE/NGL

Lynn Boylan, Tania González Peñas, Rina Ronja Kari, Paloma López Bermejo

PPE

Georges Bach, David Casa, Geoffroy Didier, Krzysztof Hetman, Ádám Kósa, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Jérôme Lavrilleux, Jeroen Lenaers, Verónica Lope Fontagné, Thomas Mann, Elisabeth Morin-Chartier, Marek Plura, Dennis Radtke, Claude Rolin, Romana Tomc

S&D

Guillaume Balas, Vilija Blinkevičiūtė, Ole Christensen, Michael Detjen, Agnes Jongerius, Jan Keller, Javi López, Edouard Martin, Ivari Padar, Georgi Pirinski, Siôn Simon, Marita Ulvskog, Flavio Zanonato

Verts/ALE

Jean Lambert, Terry Reintke, Tatjana Ždanoka

8

-

ECR

Arne Gericke, Czesław Hoc, Anthea McIntyre, Morten Messerschmidt, Ulrike Trebesius

ENF

Dominique Martin, Joëlle Mélin

NI

Lampros Fountoulis

2

0

EFDD

Rosa D'Amato

GUE/NGL

João Pimenta Lopes

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

25.1.2018

ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

aan de Commissie begrotingscontrole

inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen

(2017/2136(DEC))

Rapporteur voor advies: Adina-Ioana Vălean

SUGGESTIES

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is tevreden over de algemene uitvoering door de Commissie in 2016 van de begrotingsonderdelen met betrekking tot milieu, klimaatbeleid, volksgezondheid en voedselveiligheid;

2.  is tevreden over het werk van de vijf gedecentraliseerde agentschappen die onder haar mandaat vallen en die technische, wetenschappelijke of beheerstaken uitvoeren die de instellingen van de Unie in staat stellen beleid te formuleren en ten uitvoer te leggen op het gebied van milieu, klimaat, volksgezondheid en voedselveiligheid, alsook over de wijze waarop de begroting van die agentschappen is uitgevoerd;

3.  wijst, met betrekking tot het algehele foutenpercentage van de afdeling "Plattelandsontwikkeling, visserij, milieu en klimaat", op een lichte afname van het foutenpercentage in het verslag van de Rekenkamer voor 2016, namelijk 4,9 % ten opzichte van 5,3 % in 2015 en 6,2 % in 2014; is ingenomen met de inspanningen om de foutenpercentages te beperken, maar stelt vast dat er meer moet gebeuren; merkt voorts op dat 50 % van de tien onderzochte verrichtingen met betrekking tot milieu, klimaatmaatregelen en visserij fouten bevatten;

Milieu en klimaatmaatregelen

4.  benadrukt dat de begroting van DG ENV voornamelijk wordt uitgevoerd via direct gecentraliseerd beheer, en dat de vastleggings- en betalingskredieten in 2016 respectievelijk 438,31 miljoen EUR en 357,62 miljoen EUR bedroegen; benadrukt zijn tevredenheid over het feit dat de uitvoeringsgraad van de vastleggingskredieten aan het eind van het jaar 98,95 % bedroeg, en van de betalingskredieten 99,17 %;

5.  merkt op dat het LIFE-programma in 2016 315 miljoen EUR heeft verstrekt voor de medefinanciering van 157 nieuwe projecten in 23 lidstaten, wat op zijn beurt heeft geleid tot 236 miljoen EUR bijkomende investeringen;

6.  benadrukt dat in 2016 naar aanleiding van de opmerkingen van de Rekenkamer een actieplan is opgesteld om de laattijdige betalingen in het kader van het LIFE-programma aan te pakken; merkt op dat het aantal laattijdige betalingen in 2016 3,9 % bedroeg;

7.  betreurt dat er geen door de Commissie beheerd specifiek verslagleggingskader bestaat om de ongewenste gevolgen van Unie-beleidsmaatregelen die in negatieve zin bijdragen aan de klimaatverandering vast te stellen en te meten, en om het aandeel van de desbetreffende uitgaven in de totale Uniebegroting te kwantificeren;

8.  merkt op dat uit in 2016 verrichte interne controles is gebleken dat het personeelsbeheer in DG ENV kan worden verbeterd, aangezien dit DG niet in staat was de werklast in het DG efficiënt te controleren en te vergelijken;

9.  benadrukt dat uit interne controles tevens is gebleken dat er vertraging is bij de tenuitvoerlegging van één zeer belangrijke aanbeveling met betrekking tot IT-beveiliging (betreffende het beheer van de veiligheid van het EU-ETS IT-systeem), waardoor het DG risico loopt op inbreuken op de beveiliging;

10.  wijst erop dat de begroting van DG CLIMA voornamelijk wordt uitgevoerd via direct gecentraliseerd beheer, en dat de vastleggings- en betalingskredieten in 2016 respectievelijk 118,1 miljoen EUR en 59,25 miljoen EUR bedroegen; wijst erop dat de uitvoeringsgraad van de vastleggingskredieten 99,72 % bedroeg, maar die van de betalingskredieten slechts 70,49 %, en dat dit voortvloeit uit het feit dat drie nieuwe acties in het kader van het financieringsinstrument "particuliere financiering van energie-efficiëntie" (PF4EE) pas eind december 2016 werden ondertekend;

Volksgezondheid

11.  merkt op dat DG SANTE in 2016 verantwoordelijk was voor de uitvoering van 184,40 miljoen EUR voor begrotingsonderdelen op het gebied van volksgezondheid, waarvan 89,88 % op bevredigende wijze werd vastgelegd; wijst erop dat het uitvoeringsniveau van de betalingen 89,86 % bedroeg;

12.  merkt op dat uit de evaluatie achteraf van het tweede gezondheidsprogramma, die in juli 2016 werd afgerond, is gebleken dat hoewel het programma waardevolle resultaten heeft opgeleverd met een duidelijke band met de prioriteiten van het uniale en nationale gezondheidsbeleid, er nog ruimte is voor verbetering inzake de verspreiding van de resultaten van de acties en inzake synergieën met andere financieringsinstrumenten van de Unie, zoals de structuurfondsen;

Voedselveiligheid, diergezondheid en dierwelzijn en plantgezondheid

13.  merkt op dat DG SANTE in 2016 verantwoordelijk was voor de uitvoering van 240,5 miljoen EUR voor begrotingsonderdelen op het gebied van voedsel- en voederveiligheid, diergezondheid, dierwelzijn en plantgezondheid, waarvan 98,37 % op bevredigende wijze werd vastgelegd; wijst erop dat het uitvoeringsniveau van de betalingen 98,00 % bedroeg;

14.  wijst erop dat de Rekenkamer een speciaal verslag heeft uitgebracht over een doelmatigheidscontrole van de programma's voor de uitroeiing van dierziekten in de periode 2009-2014, waarin werd geconcludeerd dat de door de Commissie gevolgde aanpak deugdelijk was en enkele opmerkelijke successen kende, zoals de daling van het aantal gevallen van boviene spongiforme encefalopathie (BSE) bij runderen, salmonella bij pluimvee en rabiës bij in het wild levende dieren;

15.  wijst erop dat de Rekenkamer een speciaal verslag heeft gepubliceerd waarin wordt gesteld dat meer inspanningen nodig zijn om het potentieel van het Natura 2000-netwerk ten volle te benutten, inclusief aanbevelingen voor verbeteringen zoals nauwkeurigere en volledigere ramingen van de daadwerkelijke uitgaven en toekomstige financiële middelen die ter plaatse nodig zijn;

16.  merkt op dat DG SANTE in 2016 het eerste product heeft gelanceerd van het initiatief "Gezondheidstoestand in de EU", namelijk het gezamenlijke verslag van de OESO en de Commissie "Health at a Glance: Europe 2016", 23 Europese referentienetwerken op het gebied van zeldzame ziekten heeft gecreëerd, een taskforce over antimicrobiële resistentie heeft opgezet en een nieuw EU-platform inzake voedselverlies en voedselverspilling heeft opgericht;

17.  is op basis van de beschikbare gegevens en het uitvoeringsverslag van oordeel dat de Commissie kwijting kan worden verleend voor de uitgaven op het gebied van milieu- en klimaatbeleid, volksgezondheid en voedselveiligheid voor het begrotingsjaar 2016.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

24.1.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

40

7

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marco Affronte, Pilar Ayuso, Ivo Belet, Simona Bonafè, Biljana Borzan, Paul Brannen, Soledad Cabezón Ruiz, Nessa Childers, Birgit Collin-Langen, Seb Dance, Stefan Eck, José Inácio Faria, Francesc Gambús, Elisabetta Gardini, Gerben-Jan Gerbrandy, Arne Gericke, Julie Girling, Françoise Grossetête, Andrzej Grzyb, Jytte Guteland, Anneli Jäätteenmäki, Karin Kadenbach, Urszula Krupa, Giovanni La Via, Peter Liese, Susanne Melior, Gilles Pargneaux, Piernicola Pedicini, Bolesław G. Piecha, John Procter, Julia Reid, Frédérique Ries, Daciana Octavia Sârbu, Renate Sommer, Claudiu Ciprian Tănăsescu, Ivica Tolić, Adina-Ioana Vălean, Jadwiga Wiśniewska, Damiano Zoffoli

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Martin Häusling, Norbert Lins, Nuno Melo, Ulrike Müller, Christel Schaldemose, Bart Staes, Keith Taylor, Carlos Zorrinho

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Jiří Maštálka

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

40

+

ALDE

Gerben-Jan Gerbrandy, Anneli Jäätteenmäki, Ulrike Müller, Frédérique Ries

GUE/NGL

Stefan Eck, Jiří Maštálka

PPE

Pilar Ayuso, Ivo Belet, Birgit Collin-Langen, José Inácio Faria, Francesc Gambús, Elisabetta Gardini, Françoise Grossetête, Andrzej Grzyb, Giovanni La Via, Peter Liese, Norbert Lins, Nuno Melo, Renate Sommer, Ivica Tolić, Adina-Ioana Vălean

S&D

Simona Bonafè, Biljana Borzan, Paul Brannen, Soledad Cabezón Ruiz, Nessa Childers, Seb Dance, Jytte Guteland, Karin Kadenbach, Susanne Melior, Gilles Pargneaux, Christel Schaldemose, Daciana Octavia Sârbu, Claudiu Ciprian Tănăsescu, Damiano Zoffoli, Carlos Zorrinho

VERTS/ALE

Marco Affronte, Martin Häusling, Bart Staes, Keith Taylor

7

-

ECR

Arne Gericke, Julie Girling, Urszula Krupa, Bolesław G. Piecha, John Procter, Jadwiga Wiśniewska

EFDD

Julia Reid

1

0

EFDD

Piernicola Pedicini

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

20.2.2018

ADVIES van de Commissie vervoer en toerisme

aan de Commissie begrotingscontrole

inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen

(2017/2136(DEC))

Rapporteur voor advies: Isabella De Monte

SUGGESTIES

De Commissie vervoer en toerisme verzoekt de bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  neemt nota van de conclusie van de Rekenkamer dat de geconsolideerde jaarrekeningen van de Unie voor het jaar 2016 betrouwbaar zijn en dat de onderliggende verrichtingen bij de rekeningen van de Commissie voor het begrotingsjaar 2016 op alle materiële punten wettig en regelmatig zijn, behalve kostenvergoedingen, die fouten bevatten; betreurt dat het geschatte totale foutenpercentage van 3,1 % boven de materialiteitsdrempel van de Rekenkamer (2 %) ligt; verwacht dat de Rekenkamer het Parlement een gedetailleerd verslag over de fouten doet toekomen;

2.   is verheugd dat de Rekenkamer voor het eerst sinds 1994 een oordeel met beperking heeft uitgebracht over de betalingen uit de EU-begroting, wat blijk geeft van een belangrijke verbetering in de EU-financiën;

3.  betreurt dat de Rekenkamer, nu het volgende meerjarig financieel kader (MFK) wordt opgesteld, geen volledige informatie heeft verschaft over de controles die met betrekking tot de vervoerssector zijn uitgevoerd op het beleidsgebied "Concurrentievermogen voor groei en banen", met name wat de CEF betreft;

4.  neemt nota van de opmerking van de Rekenkamer over het risico van achterstand van onbetaalde declaraties in de laatste jaren van het huidige MFK en de eerste jaren van het volgende MFK; verzoekt de Commissie het Parlement en de Raad een beoordeling van de gevolgen voor te leggen, met sectorspecifieke aanbevelingen;

5.  stelt vast dat in 2016:

–  4 346 miljoen EUR aan vastleggingskredieten en 2 321 miljoen EUR aan betalingskredieten beschikbaar waren voor vervoerbeleid, met inbegrip van de CEF, beveiliging van het vervoer, passagiersrechten, vervoersagentschappen, en onderzoek en innovatie in verband met vervoer (Horizon 2020);

–  3 854,9 miljoen EUR aan vastleggingskredieten en 1 794,6 miljoen EUR aan betalingskredieten aan het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (INEA) waren toegewezen voor de CEF – Vervoer (hoofdstuk 06 02 01) en Horizon 2020 (vervoer – artikel 06 03 03);  

–  71,3 miljoen EUR aan vastleggingskredieten en betalingskredieten beschikbaar was voor administratieve uitgaven;

6.  neemt er nota van dat de CEF eind 2016 steun had verleend aan 452 vervoersprojecten, voor in totaal 19,4 miljard EUR aan investeringen in heel Europa; wijst eens te meer op het belang van de CEF voor de voltooiing van het TEN-V-netwerk en voor de totstandbrenging van een interne Europese vervoersruimte; benadrukt dat de verlaging van de middelen voor de CEF die in het verleden is doorgevoerd om het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) te financieren, in de toekomst moet worden voorkomen;

7.   betreurt dat er vrij weinig vooruitgang is geboekt met de voltooiing van de strategische TEN-V-netwerken die in het kader van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds zijn gepland; verzoekt de Commissie na te gaan hoe de problemen in verband met de uitvoeringspercentages en het gebrek aan evenwicht tussen de lidstaten kunnen worden verholpen; verzoekt de Europese TEN-V-coördinatoren een grondige beoordeling te verrichten van de voltooide projecten en de verbeteringen langs de TEN-V-corridors die tijdens de huidige programmeringsperiode zijn uitgevoerd, en deze beoordeling aan de Commissie en het Parlement voor te leggen; verzoekt de Commissie voorts een mechanisme – waaronder technische bijstand – voor te stellen om de toegevoegde waarde van de Europese fondsen bij de voltooiing van de TEN-V-corridors te verhogen;

8.  neemt er nota van dat het EFSI in 2016 3,64 miljard EUR heeft uitgetrokken ter financiering van 29 operaties: 25 vervoersprojecten en 4 multisectorale fondsen met in totaal naar verwachting 12,65 miljard EUR aan investeringen; betreurt dat de Commissie en de Europese Investeringsbank (EIB) geen volledige informatie per sector op jaarbasis hebben verstrekt over de door het EFSI gesteunde projecten;

9.  neemt er nota van dat in 2016 het programma "Green Shipping Guarantee" is opgezet via het nieuwe financieringsproduct "CEF-schuldinstrument" en het EFSI, waarmee potentieel 3 miljard EUR aan investeringen zal worden aangetrokken om schepen met schone technologie uit te rusten; verzoekt de Commissie gedetailleerde informatie te verstrekken over de uitvoering van dit programma, onder meer over de financiële en technologische aspecten en de milieu- en economische effecten;

10.  stelt vast dat het aantal financieringsinstrumenten aanzienlijk is toegenomen, waardoor nieuwe mogelijkheden voor gecombineerde financiering in de vervoerssector ontstaan, maar waardoor er ook een ingewikkeld web van regelingen rond de EU-begroting is ontstaan; vreest dat deze instrumenten naast de EU-begroting de mate van verantwoording en transparantie zouden kunnen ondermijnen, omdat de verslaglegging, de controle en het publieke toezicht niet op elkaar zijn afgestemd; betreurt voorts dat met het gebruik van de EFSI-fondsen uitvoeringsbevoegdheden worden gedelegeerd aan de EIB, met minder publiek toezicht dan bij andere instrumenten die door de EU‑begroting worden ondersteund;

11.  onderschrijft de aanbevelingen van de Rekenkamer, in het bijzonder dat er moet worden nagedacht over de vraag hoe het EU-begrotingsstelsel kan worden hervormd, en met name hoe het best kan worden gewaarborgd dat de algehele financieringsregelingen niet complexer zijn dan nodig om de EU-beleidsdoelstellingen te verwezenlijken en om verantwoording, transparantie en controleerbaarheid te garanderen;

12.  verzoekt de Commissie om voor de vervoerssector duidelijk een beoordeling van het effect van het EFSI op andere financieringsinstrumenten te presenteren, met name wat betreft de CEF en de samenhang van het CEF-schuldinstrument met andere EU-initiatieven, en wel ruim vóór het voorstel voor het volgende MFK en de volgende CEF; vraagt dat in deze beoordeling een duidelijke analyse wordt gemaakt van het geografische evenwicht van de investeringen in de vervoerssector; herinnert er echter aan dat het bedrag dat uit hoofde van een financieringsinstrument wordt uitgegeven, niet als het enige relevante criterium voor de beoordeling van de prestaties daarvan mag worden beschouwd; verzoekt de Commissie daarom haar beoordeling van de resultaten die in het kader van door de Unie gefinancierde vervoersprojecten zijn behaald, te verdiepen en de toegevoegde waarde ervan te meten;

13.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om, gezien de talrijke financieringsbronnen, een gemakkelijke toegang – in de vorm van één loket – tot projecten te bieden om de burgers in staat te stellen de ontwikkelingen en de financiering van infrastructuur die mede door EU-fondsen en het EFSI wordt gefinancierd, duidelijk te volgen;

14.  merkt op dat onderzoek en innovatie goed zijn voor 59 % van de uitgaven van de subrubriek "Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid"; is bezorgd over het hoge foutenpercentage (4,1 %); benadrukt dat innovatie een hoeksteen is voor de duurzaamheid van het vervoer; vraagt Commissie verdere vereenvoudigingsmaatregelen voor te stellen en ervoor te zorgen dat er technische en financiële steun wordt verleend opdat er voldoende gebruik wordt gemaakt van de middelen en opdat meer deelnemers, met name kmo's, van de middelen van de Unie kunnen profiteren; wijst er nogmaals op dat in het volgende MFK voldoende EU-middelen in de vorm van subsidies moeten worden uitgetrokken voor onderzoek en innovatie;

15.  is verheugd over de verklaring over de eerste indienststelling van Galileo in 2016; benadrukt het belang van Egnos voor de vervoerssector; merkt in dit verband op dat er in de EU eind 2016 219 Egnos-luchthavens waren waar Egnos-landingprocedures werden toegepast en dat in het wegvervoer 1,1 miljoen vrachtwagens Egnos voor tolheffing gebruikten; verzoekt de Commissie in de volgende jaarlijkse begrotingen de nodige financiële middelen uit te trekken om op het volledige grondgebied van de EU Egnos-dekking te bieden;

16.  verzoekt de Commissie de financiële doeltreffendheid van de overeenkomst met Eurocontrol over het prestatiebeoordelingsorgaan (PRB) te evalueren en vaart te zetten achter het voorstel om het PRB op te richten als Europese economische toezichthouder onder toezicht van de Commissie; verzoekt de Commissie voorts, gezien de noodzaak om het gemeenschappelijk Europees luchtruim zo snel mogelijk tot stand te brengen en teneinde het concurrentievermogen van de luchtvaartsector te vergroten, vaart te zetten achter het voorstel om de netwerkbeheerder aan te wijzen als zelfstandige dienstverlener die als sectorieel partnerschap wordt opgezet;

17.  neemt er nota van dat het INEA in 2016 de INEA-auditstrategie 2017-2024 heeft goedgekeurd en dat er nog geen ramingen van de foutenpercentages beschikbaar zijn, aangezien de eerste audits van de CEF in 2017 zullen plaatsvinden;

18.  is ingenomen met de in 2016 goedgekeurde strategie van het INEA voor controles vooraf, waarin rekening wordt gehouden met best practices van het TEN-V-programma en met de specifieke kenmerken van het CEF-subprogramma Vervoer, en die op gerichte bemonstering berust teneinde het foutenpercentage laag te houden; is ook verheugd dat de controles vooraf het mogelijk maken om de wettigheid en regelmatigheid van de door de begunstigden ingediende kostendeclaraties in een vroeg stadium te beoordelen;

19.  verzoekt de Commissie een beoordeling te presenteren van het effect van de door de lidstaten gefinancierde vervoersprojecten in het kader van de Donaustrategie en een voorstel in te dienen om de toegevoegde waarde van de toekomstige projecten te verhogen teneinde bij te dragen tot de voltooiing van deze belangrijke vervoerscorridor;

20.  betreurt ten zeerste dat er door het ontbreken van een specifieke begrotingslijn voor toerisme een gebrek aan transparantie is met betrekking tot de EU-middelen die worden gebruikt om acties voor toerisme te ondersteunen; herhaalt zijn verzoek om in toekomstige EU-begrotingen een begrotingslijn voor toerisme op te nemen;

21.  stelt voor dat het Parlement met betrekking tot de sectoren waarvoor de Commissie vervoer en toerisme verantwoordelijk is, de Commissie kwijting verleent voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

20.2.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

37

4

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Daniela Aiuto, Lucy Anderson, Marie-Christine Arnautu, Georges Bach, Izaskun Bilbao Barandica, Deirdre Clune, Michael Cramer, Luis de Grandes Pascual, Andor Deli, Isabella De Monte, Ismail Ertug, Jacqueline Foster, Dieter-Lebrecht Koch, Miltiadis Kyrkos, Bogusław Liberadzki, Marian-Jean Marinescu, Renaud Muselier, Markus Pieper, Tomasz Piotr Poręba, Gabriele Preuß, Christine Revault d’Allonnes Bonnefoy, Dominique Riquet, Massimiliano Salini, Claudia Schmidt, Jill Seymour, Keith Taylor, Pavel Telička, István Ujhelyi, Wim van de Camp, Marie-Pierre Vieu, Janusz Zemke, Roberts Zīle, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Jakop Dalunde, Michael Detjen, Markus Ferber, Maria Grapini, Rolandas Paksas, Jozo Radoš, Evžen Tošenovský, Henna Virkkunen

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Olle Ludvigsson

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

37

+

ALDE

Izaskun Bilbao Barandica, Jozo Radoš, Dominique Riquet, Pavel Telička

ECR

Tomasz Piotr Poręba, Evžen Tošenovský, Roberts Zīle

GUE/NGL

Marie-Pierre Vieu

PPE

Georges Bach, Deirdre Clune, Andor Deli, Markus Ferber, Dieter-Lebrecht Koch, Marian-Jean Marinescu, Renaud Muselier, Markus Pieper, Massimiliano Salini, Claudia Schmidt, Henna Virkkunen, Luis de Grandes Pascual, Wim van de Camp, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska

S&D

Lucy Anderson, Isabella De Monte, Michael Detjen, Ismail Ertug, Maria Grapini, Miltiadis Kyrkos, Bogusław Liberadzki, Olle Ludvigsson, Gabriele Preuß, Christine Revault d'Allonnes Bonnefoy, István Ujhelyi, Janusz Zemke

VERTS/ALE

Michael Cramer, Jakop Dalunde, Keith Taylor

4

-

ECR

Jacqueline Foster

EFDD

Rolandas Paksas, Jill Seymour

ENF

Marie-Christine Arnautu

1

0

EFDD

Daniela Aiuto

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

21.2.2018

ADVIES van de Commissie regionale ontwikkeling

aan de Commissie begrotingscontrole

inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016: Afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen

(2017/2136(DEC))

Rapporteur voor advies: Iskra Mihaylova

SUGGESTIES

De Commissie regionale ontwikkeling verzoekt de bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  merkt op dat zoals vermeld in het jaarverslag van de Europese Rekenkamer het geschatte foutenpercentage voor de uitgaven voor "Economische, sociale en territoriale cohesie" van 5,2 % in 2015 tot 4,8 % in 2016 is gedaald; wijst op de voortdurende verbetering in de laatste drie jaren; juicht het toe dat de Rekenkamer een verklaring met beperking heeft afgegeven over de regelmatigheid van de ten grondslag liggende verrichtingen in 2016; onderkent dat het foutenpercentage voor de programmeringsperiode 2007-2013 aanzienlijk lager ligt dan het percentage dat voor de vorige periode werd gerapporteerd, wat wijst op de globale positieve impact van de corrigerende maatregelen die zijn getroffen; verzoekt de Commissie met de lidstaten te blijven samenwerken om hun beheers- en controlesystemen te verbeteren en gebruik te blijven maken van de beschikbare wettelijke toezichtinstrumenten om te waarborgen dat alle materiële fouten worden gecorrigeerd; houdt rekening met de aanvullende betrouwbaarheidsvereisten voor de programma's voor 2014-2020 die een jaarlijkse aanvaardingsprocedure van gecertificeerde rekeningen omvatten, met het oog op een permanente vermindering van de hoeveelheid restfouten; benadrukt dat een verdere vereenvoudiging van de regels en vermindering van de administratieve last het foutenpercentage nog verder zou kunnen doen dalen;

2.  merkt op dat de lidstaten, net als in de voorgaande jaren, over voldoende informatie beschikten om een aanzienlijk aantal fouten te voorkomen of op te sporen en te corrigeren alvorens om terugbetaling te vragen en dat het geschatte foutenpercentage tot onder de materialiteitsdrempel verlaagd had kunnen worden; neemt kennis van de conclusie van de Rekenkamer dat extra controles van de EU-uitgaven niet nodig zijn, maar dat de bestaande controles naar behoren moeten worden uitgevoerd; doet derhalve een beroep op de lidstaten om hun beheers- en controlesystemen naar behoren te handhaven om onregelmatigheden op te sporen en te corrigeren op basis van hun eigen controles en audits; benadrukt dat het totale corrigerend vermogen voor de nieuwe periode 2014-2020 verder is versterkt door de mogelijkheid die de Commissie heeft om financiële nettocorrecties op te leggen wanneer er ernstige tekorten worden opgespoord en dat dit een belangrijke prikkel voor de lidstaten zal zijn om ernstige onregelmatigheden op te sporen en te corrigeren voordat de gecertificeerde jaarrekeningen aan de Commissie worden voorgelegd; verzoekt de Commissie om alle instrumenten die tot haar beschikking staan, met inbegrip van technische bijstand, op een doeltreffende manier te gebruiken om steun te verlenen aan de autoriteiten van de lidstaten;

3.  verzoekt de lidstaten in samenwerking met hun nationale, regionale en lokale autoriteiten te blijven strijden tegen fraude en ambitieus te blijven inzake het vermijden van onregelmatigheden, het voorkomen en opsporen van fraude en het verder terugdringen van de foutenpercentages; is van mening dat de capaciteitsopbouw hiertoe moet worden voortgezet, ook in samenwerking met de relevante belanghebbenden en de tenuitvoerlegging van integriteitspacten; benadrukt dat er constante, duidelijke communicatie met het publiek nodig is met betrekking tot het verschil tussen fraude en fouten; herinnert eraan dat onregelmatigheden niet noodzakelijk allemaal op fraude wijzen en dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen frauduleuze en niet-frauduleuze onregelmatigheden; merkt op dat de opschorting van betalingen in geval van onregelmatigheden deels om deze reden slechts als laatste redmiddel mag worden ingezet;

4.  vestigt de aandacht op de rol die de bestuurlijke capaciteit speelt bij het regelmatige gebruik van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) en is van mening dat een uitwisseling van goede praktijken op een effectieve manier kan bijdragen tot de versterking van de capaciteit van de lidstaten op dit gebied;

5.  merkt op dat de voornaamste bronnen van fouten de opname van niet-subsidiabele kosten in de declaraties van de begunstigden waren (de opname van niet-subsidiabele kosten in de uitgavenstaten is goed voor 42 % van het door de Rekenkamer geschatte foutenpercentage), naast inbreuken op de regels inzake overheidsopdrachten (30 % van het geschatte foutenpercentage); verzoekt de Commissie in deze context de gepaste preventieve en corrigerende maatregelen te treffen; vindt het zeer zorgwekkend dat de lidstaten volgens het jaarverslag van de Rekenkamer drie jaar na de start van de periode 2014-2020 nog maar 77 % van de programma-autoriteiten hebben aangewezen en dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan nauw samen te werken om het proces af te ronden; verzoekt de Commissie de wetgeving inzake staatssteun te herzien en wijzigingen voor te stellen die de administratieve last voor de nationale autoriteiten en de begunstigden zouden verminderen en belemmeringen zouden wegnemen die EU-bedrijven en -organisaties benadelen in vergelijking met hun concurrenten uit derde landen;

6.  stelt met bezorgdheid de vertragingen bij de uitvoering van de programma's van de ESI-fondsen voor 2014-2020 en de gevolgen hiervan voor de regio's vast met betrekking tot de beschikbaarstelling en het gebruik van middelen uit de EU-fondsen en dus met betrekking tot overheidsinvesteringen, die meer dan ooit nodig zijn in de nasleep van de vele crisissen van de afgelopen tien jaar; wijst erop dat de vanaf eind 2016 aan geselecteerde projecten toegewezen begrotingsvastleggingen in totaal ongeveer 186,6 miljard EUR bedragen en dat daarvan slechts 41,9 miljard EUR werd uitbetaald, waardoor er dus meer dan 77 % aan niet-afgewikkelde, niet-betaalde vastleggingen is geaccumuleerd (144,6 miljard EUR), voornamelijk als gevolg van die vertragingen bij de uitvoering; onderstreept dat dit bedrag tot 2020 naar verwachting nog zal stijgen; benadrukt dat het wegwerken van deze achterstand een prioriteit moet zijn bij de planning van het volgende meerjarig financieel kader (MFK); benadrukt dat vertragingen bij de uitvoering in geen geval mogen worden geïnterpreteerd als een afnemende behoefte aan EU-financiering;

7.  herinnert eraan dat fouten in het kader van het "economische, sociale en territoriale cohesiebeleid" voornamelijk te wijten zijn aan niet-subsidiabele begunstigden, activiteiten, projecten of uitgaven (kostenvergoedingen); benadrukt dat het begrotingsjaar 2016 het laatste is waarin alle gecontroleerde uitgaven gekoppeld zijn aan de MFK-periode 2007-2013 en wij de komende jaren een groeiend aandeel middelen van het MFK 2014-2020 verwachten;

8.  vindt het zeer zorgwekkend dat de grote vertraging bij de uitvoering van het beleid inzake economische, sociale en territoriale cohesie de vele ongelijkheden heeft verergerd, zowel in de gehele Unie als binnen de lidstaten en regio's, waardoor de integriteit van de Unie in gevaar komt;

9.  neemt kennis van het strategisch verslag 2017 over de uitvoering van de ESI-fondsen(97), waarin wordt beklemtoond dat in het kader van de ESI-fondsen nu in totaal voor 278 miljard EUR aan projecten is geselecteerd, ofwel 44 % van de totale investering die gepland is voor 2014-2020, een bedrag dat sinds het begin van de financieringsperiode in de reële economie van Europa is geïnvesteerd; is van mening dat de uitvoering van de programma's voor 2014-2020 nu op kruissnelheid is en dat de meerwaarde van de investeringen in het kader van het cohesiebeleid voor alle regio's in de Unie hieruit blijkt, maar ook bewijst dat er meer inspanningen moeten worden geleverd om de bestuurlijke capaciteit van de nationale, regionale en lokale autoriteiten te versterken;

10.  benadrukt dat er medio 2017 sprake was van grotere vertragingen bij de uitvoering van de begroting dan op hetzelfde moment in de periode 2007-2013;

11.  stelt vast dat het gemiddelde uitbetalingspercentage voor financieringsinstrumenten eind 2015 slechts 75 % bedroeg; stelt evenwel vast dat het uitbetalingspercentage voor financieringsinstrumenten aan de uiteindelijk begunstigden op 31 maart 2017 93 % bedroeg en dat de Commissie bij afsluiting een aanzienlijke vooruitgang inzake het gemiddelde uitbetalingspercentage heeft gemeld, waaruit het praktische nut van deze instrumenten blijkt; is evenwel van mening dat subsidies de voornaamste vorm van steun in het kader van het cohesiebeleid zijn doordat niet alle investeringen bankabel zijn of kwantificeerbare resultaten op korte termijn hebben; wijst erop dat de herziening van het Financieel Reglement, dat in 2018 in werking moet treden, aanzienlijk kan bijdragen tot de vereenvoudiging, verbetering en optimalisering van het gebruik van die instrumenten in de huidige programmeringsperiode; benadrukt dat er verdere verbeteringen nodig zijn met betrekking tot het absorptiepercentage;

12.  is ingenomen met Speciaal verslag nr. 5/2017 van de Rekenkamer en dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om volledig uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Rekenkamer, om de dekking en de doeltreffendheid van de jongerengarantieregelingen te vergroten;

13.  dringt er bij de Commissie op aan om rekening te houden met de aanbevelingen van de Rekenkamer in het jaarverslag van 2016 met betrekking tot het kader voor de verslaglegging over prestaties, en internationale goede werkwijzen toe te passen wanneer zij de doeltreffendheid toetst van de gebruikte indicatoren in het kader van het initiatief voor een resultaatgerichte EU-begroting (BFOR) om het huidige systeem voor prestatiemeting te verbeteren, alsook wanneer zij het uitvoeringsmechanisme voor de periode na 2020 heroverweegt; benadrukt daarom dat de Commissie de prestatiemeting zou moeten vereenvoudigen; doet een beroep op de Commissie om de programma's meer te richten op resultaten en om de uitvoering van de ESI-fondsen te vereenvoudigen.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

20.2.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

36

2

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Mercedes Bresso, Steeve Briois, Andrea Cozzolino, Raymond Finch, John Flack, Iratxe García Pérez, Michela Giuffrida, Krzysztof Hetman, Ivan Jakovčić, Constanze Krehl, Sławomir Kłosowski, Louis-Joseph Manscour, Martina Michels, Iskra Mihaylova, Andrey Novakov, Paul Nuttall, Mirosław Piotrowski, Stanislav Polčák, Liliana Rodrigues, Fernando Ruas, Monika Smolková, Ruža Tomašić, Ramón Luis Valcárcel Siso, Ángela Vallina, Lambert van Nistelrooij, Kerstin Westphal, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Daniel Buda, Andor Deli, Ivana Maletić, Urmas Paet, Tonino Picula, Georgi Pirinski, Bronis Ropė, Milan Zver

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Eleonora Evi, Anna Hedh, Bogdan Brunon Wenta

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

36

+

ALDE

Ivan Jakovčić, Iskra Mihaylova, Urmas Paet

ECR

John Flack, Sławomir Kłosowski, Mirosław Piotrowski, Ruža Tomašić

EFDD

Eleonora Evi

ENF

Steeve Briois

GUE/NGL

Martina Michels, Ángela Vallina

PPE

Daniel Buda, Andor Deli, Krzysztof Hetman, Ivana Maletić, Lambert van Nistelrooij, Andrey Novakov, Stanislav Polčák, Fernando Ruas, Ramón Luis Valcárcel Siso, Bogdan Brunon Wenta, Joachim Zeller, Milan Zver

S&D

Mercedes Bresso, Andrea Cozzolino, Iratxe García Pérez, Michela Giuffrida, Anna Hedh, Constanze Krehl, Louis-Joseph Manscour, Tonino Picula, Georgi Pirinski, Liliana Rodrigues, Monika Smolková, Kerstin Westphal

VERTS/ALE

Bronis Ropė

2

-

EFDD

Raymond Finch, Paul Nuttall

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

24.1.2018

ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling

aan de Commissie begrotingscontrole

inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen

(2017/2136(DEC))

Rapporteur voor advies: Karin Kadenbach

SUGGESTIES

De Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling verzoekt de bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  merkt op dat de Rekenkamer voor landbouw stalen heeft gebruikt van 217 verrichtingen van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) in 21 landen en 163 verrichtingen in 20 landen op het gebied van visserij, milieu/klimaat en plattelandsontwikkeling (Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, ELFPO) en is ingenomen met de verdere daling van het foutenpercentage die de Rekenkamer heeft vastgesteld voor "natuurlijke hulpbronnen" tot 2,5 % in 2016 (tegenover 2,9 % in 2015);

2.  wijst erop dat het corrigerend vermogen van financiële correcties en terugvorderingen is versterkt en dat het risicobedrag voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) hierdoor is verminderd met 2,04 % voor 2016; wijst erop dat het foutenpercentage onveranderd blijft (2,5 %), maar dat de financiële impact ervan wordt verkleind door deze financiële correcties en terugvorderingen, aangezien een deel van de ten onrechte betaalde bedragen terugvloeit naar de begroting;

3.  verzoekt de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat de middelen die in de begroting voor 2017 waren toegewezen aan de reserve voor crises in de landbouwsector maar vervolgens niet werden besteed, voor het volgende begrotingsjaar volledig beschikbaar worden gemaakt als rechtstreekse betalingen;

4.  is ingenomen met het feit dat het landbouwpercelenidentificatiesysteem (Land Parcel Identification System, LPIS) verder verbeterd is en nauwkeuriger is geworden, waardoor het een uitstekend instrument wordt om het foutenpercentage omlaag te brengen en de administratieve lasten voor landbouwers en betaalorganen te verlichten;

5.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de sterke prijsvolatiliteit van landbouwproducten, die negatieve gevolgen heeft voor de inkomens van landbouwers, te monitoren en wanneer dat nodig is snel en doeltreffend in te grijpen;

6.  merkt op dat het eerste volledige jaar van de tenuitvoerlegging van de "vergroening" kennelijk geen invloed heeft gehad op het foutenpercentage, wat als een belangrijke prestatie van de landbouwers en de betaalorganen kan worden beschouwd gezien de complexe aard van de vergroeningsregels; maar is het eens met de Commissie dat het nog te vroeg is om conclusies te trekken over de precieze uitkomst voor het milieu; wijst er op dat er afgezien van de vergroening nog andere factoren zijn die de milieuprestaties van de landbouwsector beïnvloeden; benadrukt dat "vergroening" als voorbeeld dient van de toegenomen behoefte aan prestatie-auditing, ook op het gebied van de landbouw;

7.  is ingenomen met de vergroeningsregeling en het feit dat die bedoeld is om de landbouwbedrijven in de Unie milieuvriendelijker te maken door middel van gewasdiversificatie, de instandhouding van blijvend grasland en de vaststelling van ecologische aandachtsgebieden op landbouwgrond, zoals geschetst in het jaarverslag van de Rekenkamer;

8.  merkt op dat een klein aantal begunstigden de grootste betalingen ontvangt en dat 4 % van de rechtstreekse betalingen wordt verdeeld over meer dan de helft van de huidige begunstigden, die minder dan 1 250 EUR per jaar ontvangen; acht convergentie van de betalingen aan begunstigden, zowel tussen als binnen de lidstaten, van essentieel belang voor de geloofwaardigheid van het GLB;

9.  wijst er niettemin op dat die landbouwbedrijven een omzet van minder dan 2000 EUR per jaar hebben en geen commerciële landbouwbedrijven zijn, d.w.z. landbouwbedrijven die met de markt verbonden zijn, maar bedrijven die voedsel produceren, die gerund worden door personen die ook een andere baan hebben en die minder dan 4,6 % van het landbouwareaal van de Unie exploiteren; acht daarom een correctie nodig van een aantal grove misvattingen in verband met de stelling dat "20 % van de landbouwbedrijven 80 % van de steun ontvangt", omdat dit cijfer alle bedrijven omvat van 10 ha en meer, die goed zijn voor meer dan 88 % van het landbouwareaal van de Unie en 90 % van de landbouwproductie van de Unie;

10.  neemt kennis van de aanbevelingen van de Rekenkamer met betrekking tot de maatregelen ter verjonging van de landbouwgemeenschap en het feit dat hiervoor gerichtere programma's nodig zijn;

11.  is ingenomen met de daling van het foutenpercentage voor plattelandsontwikkeling tot 4,9 %, tegenover 5,3 % in 2015 en 6 % in 2014; erkent het feit dat plattelandsproblemen complexe investeringsprogramma's vergen en dat het foutenpercentage voortvloeit uit de verschillende doelstellingen voor het aanpakken van de uitdagingen op het gebied van economie, plattelandsinfrastructuur, het milieu en dierlijke gezondheid, waarbij er een contrast is met het ELGF-percentage van 1,7 %; betreurt daarom het feit dat bij de vereenvoudiging de nadruk ligt op de eerste pijler, terwijl algemeen erkend wordt dat de tweede pijler complexer is; is eveneens van mening dat investeringen in plattelandsontwikkeling een essentieel onderdeel zijn van het beleid, die gehandhaafd moeten worden naast risicobeheermodellen waarvan bewezen is dat ze degelijk en nuttig zijn; maakt zich zorgen door de dalende werkgelegenheid in de landbouw en is van mening dat investeringen in het kader van de tweede pijler essentieel zijn voor plattelandsontwikkeling en infrastructuur; benadrukt dat de methode voor de berekening van het foutenpercentage voor GLB-betalingen (met name programma's voor plattelandsontwikkeling) onder andere verbeterd kan worden door vereenvoudiging en minder bureaucratie;

12.  herinnert eraan dat er een aanzienlijk verschil bestaat wat soorten fouten en de omvang van fouten betreft, d.w.z. tussen onopzettelijke nalatigheden, die een administratief karakter hebben, en gevallen van fraude, en dat nalatigheden in de regel geen financiële schade berokkenen aan de belastingbetaler, waarmee ook rekening moet worden gehouden bij de raming van het werkelijke foutenpercentage; wijst de Commissie erop dat het risico van onopzettelijke fouten die te wijten zijn aan de complexe regelgeving, uiteindelijk gedragen wordt door de begunstigde; betreurt het feit dat, zelfs als de investering doeltreffend was, de uitgaven door de Rekenkamer toch 100 % niet-subsidiabel worden geacht, als er sprake is van fouten bij de openbare aanbesteding, benadrukt daarom het feit dat een verdere rationalisering van de methode voor het berekenen van fouten wenselijk is.

13.  deelt de mening van de Commissie dat plattelandsontwikkeling een gebied blijft waarop nauw toezicht moet worden gehouden; is ingenomen met het feit dat de Commissie vereenvoudigde kostenopties bevordert, vooral omdat gebruik van deze maatregelen het risico van buitensporige prijzen verkleint en de administratieve lasten voor de landbouwers vermindert; verzoekt de Commissie het gebruik van vereenvoudigde kostenopties verder te bevorderen, aangezien daar in de Unie nog weinig gebruik van wordt gemaakt; is ingenomen met het besluit van de Rekenkamer om over het gebruik van de vereenvoudigde kostenopties een verslag op te stellen, dat in 2018 moet worden voltooid;

14.  moedigt de Commissie aan te blijven toewerken naar een "single audit"-regeling, waarmee de door de controles veroorzaakte administratieve lasten op alle niveaus kunnen worden verlicht, terwijl een efficiënte controle op de wettigheid en regelmatigheid van betalingen behouden blijft;

15.  stelt vast dat de totale waarde van de landbouwproductie in 2016 volgens Eurostat 405 miljard EUR bedroeg, een lichte daling (2,8 %) ten opzichte van 2015 als gevolg van de daling van de marktprijzen van landbouwproducten;

16.  wijst erop dat de toegang tot gegevens en een goede monitoring, met name van milieuaspecten, essentieel is, aangezien bepaalde natuurlijke hulpbronnen, zoals bodem en biodiversiteit, bepalend zijn voor de productiviteit van de landbouw op de lange termijn;

17.  hoopt dat de Rekenkamer haar controlepraktijken zo aanpast dat het gebruik van middelen daarin een even grote rol gaat spelen als de toewijzing ervan;

18.  is ingenomen met de publicatie van het activiteitenverslag 2016 van DG AGRI, dat duidelijk toont dat het GLB heeft bijgedragen aan de stijging van de werkgelegenheid in plattelandsgebieden, die dankzij het GLB is teruggekeerd naar de niveaus van voor de crisis (65 % van de bevolking in de werkende leeftijd heeft een baan, tegen 64,8 % in 2008 en 62,5 % op het dieptepunt in 2011); acht het verheugend dat de rechtstreekse betalingen nu beter gericht zijn op jonge landbouwers, kleine landbouwers of landbouwers in gebieden met natuurlijke beperkingen;

19.  acht het verheugend dat de totale foutenpercentages die worden gerapporteerd door de Rekenkamer en voor het GLB in het activiteitenverslag 2016 van DG AGRI, heel dicht bij elkaar liggen, wat erop duidt dat de correctiemaatregelen die de afgelopen jaren door de lidstaten zijn uitgevoerd, met name met betrekking tot de verbetering van hun LPIS, doeltreffend zijn geweest;

20.  herhaalt het verzoek van het Europees Parlement van 8 september 2015 (resolutie A8-0240/2015) aan de Commissie, de lidstaten en de Rekenkamer om verder te gaan met de ontwikkeling van op risico gebaseerde auditstrategieën waarin rekening wordt gehouden met alle relevante gegevens.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

23.1.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

37

2

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

John Stuart Agnew, Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, Richard Ashworth, José Bové, Daniel Buda, Nicola Caputo, Paolo De Castro, Jean-Paul Denanot, Albert Deß, Jørn Dohrmann, Herbert Dorfmann, Norbert Erdős, Luke Ming Flanagan, Martin Häusling, Esther Herranz García, Peter Jahr, Ivan Jakovčić, Jarosław Kalinowski, Zbigniew Kuźmiuk, Philippe Loiseau, Mairead McGuinness, Ulrike Müller, James Nicholson, Maria Noichl, Marijana Petir, Laurenţiu Rebega, Bronis Ropė, Ricardo Serrão Santos, Czesław Adam Siekierski, Tibor Szanyi, Marc Tarabella, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Franc Bogovič, Stefan Eck, Jens Gieseke, Maria Heubuch, Karin Kadenbach, Momchil Nekov, Sofia Ribeiro, Annie Schreijer-Pierik, Tom Vandenkendelaere, Thomas Waitz

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Stanisław Ożóg

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

37

+

ALDE

Ivan Jakovčić, Ulrike Müller

ECR

Richard Ashworth, Jørn Dohrmann, Zbigniew Kuźmiuk, James Nicholson, Stanisław Ożóg

EFDD

Marco Zullo

ENF

Laurentiu Rebega

GUE/NGL

Stefan Eck, Luke Ming Flanagan

PPE

Franc Bogovič, Daniel Buda, Albert Deß, Herbert Dorfmann, Norbert Erdős, Jens Gieseke, Esther Herranz García, Mairead McGuinness, Marijana Petir, Sofia Ribeiro, Annie Schreijer-Pierik, Czesław Adam Siekierski, Tom Vandenkendelaere

S & D

Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, Nicola Caputo, Paolo De Castro, Jean-Paul Denanot, Karin Kadenbach, Maria Noichl, Ricardo Serrão Santos, Tibor Szanyi, Marc Tarabella

VERTS/ALE

José Bové, Martin Häusling, Bronis Ropė

2

-

EFDD

John Stuart Agnew

ENF

Philippe Loiseau

0

0

-

-

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

2.3.2018

ADVIES van de Commissie visserij

aan de Commissie begrotingscontrole

inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, Afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen

(2017/2136(DEC))

Rapporteur voor advies: Alain Cadec

SUGGESTIES

De Commissie visserij verzoekt de bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  neemt kennis van de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en de Rekenkamer over de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie over het begrotingsjaar 2016; neemt kennis van het jaarverslag van de Europese Rekenkamer (hierna "de Rekenkamer") over het begrotingsjaar 2016; neemt kennis van het jaarlijks activiteitenverslag van het directoraat-generaal Maritieme zaken en visserij (DG MARE) over 2016;

2.  constateert dat de gunstige trend in het begrotingsbeheer de afgelopen jaren behouden bleef en dat de Rekenkamer geen specifieke opmerkingen heeft over het jaarlijks activiteitenverslag van DG MARE over 2016;

3.  dringt erop aan dat de Rekenkamer in haar volgende verslagen een afzonderlijk foutenpercentage vermeldt voor visserij en voor maritieme zaken om een einde te maken aan de verdraaiingen die voortvloeien uit het onderbrengen van andere domeinen onder dezelfde rubriek; constateert dat het activiteitengebied maritieme zaken en visserij in het jaarverslag van de Rekenkamer onvoldoende gedetailleerd is, waardoor het moeilijk is het financieel beheer op dit gebied correct te beoordelen;

4.  benadrukt dat de Rekenkamer in haar verslag vermeldt dat het totale foutenpercentage is gedaald ten opzichte van het voorgaande begrotingsjaar en dringt er bij de Commissie op aan de dalende trend voort te zetten;

5.  feliciteert de Commissie met het zeer hoge uitvoeringspercentage voor titel 11 van afdeling III van de begroting 2016 betreffende maritieme zaken en visserij, zowel bij de vastleggingskredieten (99,2 %) als bij de betalingskredieten (94,7 %); herinnert eraan dat krachtens artikel 13 van Verordening (EU) nr. 508/2014 de begrotingsmiddelen worden opgesplitst volgens hun toewijzing en dat de Commissie in haar verslag daarom het uitvoeringspercentage per begrotingsonderdeel moet opnemen;

6.  neemt kennis van het voorbehoud ten aanzien van acht lidstaten in het jaarlijks activiteitenverslag van DG MARE met betrekking tot niet-subsidiabele uitgaven bij het Europees Visserijfonds (EVF);

7.  moedigt DG MARE aan bij zijn controle-inspanningen inzake kredieten in gedeeld beheer, met name bij zijn optreden ten aanzien van het EVF en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV);

8.  constateert dat het risico op verlies van middelen 5,9 miljoen EUR betreft en dat de Commissie de nodige maatregelen heeft genomen om de uitgaven in 2017 te beoordelen en in voorkomend geval de toegewezen middelen terug te vorderen;

9.  constateert dat het uitvoeringsniveau van het EFMZV voor de periode 2014-2020 drie jaar na de goedkeuring van het fonds op 15 mei 2014 nog steeds te wensen overlaat, aangezien in september 2017 slechts 1,7 % van de 5,7 miljard EUR aan beschikbare middelen voor gedeeld beheer was besteed; merkt op dat het gebruik van het EFMZV onder de bevoegdheid van de lidstaten valt; herinnert eraan dat krachtens artikel 13 van Verordening (EU) nr. 508/2014 de begrotingsmiddelen worden opgesplitst volgens hun toewijzing en dat de Commissie in haar verslag daarom het uitvoeringspercentage per begrotingsonderdeel moet opnemen;

10  acht het noodzakelijk de lidstaten alle mogelijke steun te verlenen om een adequaat en volledig gebruik van de financiële middelen van het EFMZV te garanderen, met hoge uitvoeringspercentages, in overeenstemming met hun respectieve prioriteiten en behoeften, met name wat de duurzame ontwikkeling van de visserijsector betreft;

11.  stelt op basis van de beschikbare gegevens voor de Commissie kwijting te verlenen voor haar uitgaven op het gebied van maritieme zaken en visserij voor het begrotingsjaar 2016.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

27.2.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

16

4

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Clara Eugenia Aguilera García, Alain Cadec, David Coburn, Linnéa Engström, João Ferreira, Sylvie Goddyn, Mike Hookem, Carlos Iturgaiz, Werner Kuhn, António Marinho e Pinto, Gabriel Mato, Norica Nicolai, Liadh Ní Riada, Ulrike Rodust, Annie Schreijer-Pierik, Remo Sernagiotto, Ricardo Serrão Santos, Isabelle Thomas, Ruža Tomašić, Peter van Dalen, Jarosław Wałęsa

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Norbert Erdős, Maria Lidia Senra Rodríguez

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Liliana Rodrigues

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

16

+

ALDE

António Marinho e Pinto, Norica Nicolai

ECR

Peter van Dalen, Remo Sernagiotto, Ruža Tomašić

PPE

Alain Cadec, Norbert Erdős, Carlos Iturgaiz, Werner Kuhn, Gabriel Mato, Annie Schreijer-Pierik, Jarosław Wałęsa

S&D

Clara Eugenia Aguilera García, Liliana Rodrigues, Ulrike Rodust, Isabelle Thomas

4

-

EFDD

David Coburn, Mike Hookem

ENF

Sylvie Goddyn

Verts/ALE

Linnéa Engström

2

0

GUE/NGL

João Ferreira, Liadh Ní Riada

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

26.1.2018

ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs

aan de Commissie begrotingscontrole

inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen

(2017/2136(DEC))

Rapporteur voor advies: Bogdan Andrzej Zdrojewski

SUGGESTIES

De Commissie cultuur en onderwijs verzoekt de bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is ingenomen met het feit dat in 2016 dankzij Erasmus+ 500 000 mensen de kans kregen in het buitenland te studeren, een opleiding te volgen of vrijwilligerswerk te doen en dat het behalen van de doelstelling van 4 miljoen deelnemers in 2020 op schema ligt; benadrukt dat Erasmus+-studenten een groot aantal overdraagbare vaardigheden, competenties en kennis plegen te ontwikkelen en betere carrièreperspectieven hebben dan niet-mobiele studenten en dat het programma een strategische investering in Europa's jongeren betekent; wijst er echter op dat het programma beter toegankelijk gemaakt moet worden, met name voor kansarme jongeren;

2.  juicht het toe dat de aanvraagprocedure voor financiering uit Erasmus+ grotendeels online is geplaatst; is echter van mening dat de procedure verder vereenvoudigd kan worden door niet langer te eisen dat de accrediteringsbrieven van projectpartners met de hand ondertekend moeten worden;

3.  merkt op dat er nog steeds problemen zijn met de toegang tot Erasmus+-financiering in de jeugdsector doordat het programma decentraal wordt beheerd door nationale agentschappen; verzoekt de Commissie de nodige maatregelen te nemen, bijvoorbeeld door een deel van de financiering bij het uitvoerend agentschap te centraliseren; verzoekt de Commissie bovendien de nodige middelen te verstrekken om alle begunstigden van het programma meer te betrekken, bijvoorbeeld door vaste sectorspecifieke subcomités op te richten overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1288/2013(98);

4.  meent dat universitaire uitwisselingen tot dusver cruciaal waren voor het succes van Erasmus+ en dat, om dit niet te laten afkalven, geen middelen van dit programma voor een ander programma mogen worden gebruikt en het toepassingsgebied van Erasmus+ evenmin mag worden uitgebreid tot andere ontvangers, bijvoorbeeld migranten;

5.   wijst op de geringe benutting en de ontoereikende geografische dekking van de Erasmus+-garantiefaciliteit voor studentenleningen; hoopt dat de recente directe overeenkomst met de Universiteit Luxemburg aanwijzingen zal bieden voor een doeltreffender leningmodel; dringt er bij de Commissie en het Europees Investeringsfonds op aan extra inspanningen te leveren voor een zo groot mogelijke doeltreffendheid van de faciliteit en verzoekt de Commissie een grondige beoordeling te maken van de voordelen van de faciliteit;

6.  is verontrust over de chronisch lage succespercentages van de projecten in het kader van het programma "Europa voor de burger" en het subprogramma Cultuur van Creatief Europa (respectievelijk 16 % en 11 % in 2016); benadrukt dat lage succespercentages zorgen voor frustratie bij de aanvragers en symptomatisch zijn voor ontoereikende financieringsniveaus, wat niet strookt met de ambitieuze doelstellingen van de programma's;

7.  wijst erop dat het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur (EACEA) van de Commissie zelf zegt dat het programma "Europa voor de burger" in 2016 – het derde jaar van uitvoering – tot volle wasdom is gekomen; dringt er derhalve bij de Commissie en de Raad op aan terdege rekening te houden met de lange termijnen die nodig zijn gebleken voor de volledige tenuitvoerlegging van de nieuwe programma's binnen het MFK voor 2014-2020, om te voorkomen dat zich soortgelijke vertragingen voordoen in het financieel kader voor de periode na 2020;

8.  is ingenomen met de rol die het EACEA speelt bij de uitvoering van de drie programma's voor cultuur en onderwijs, zoals blijkt uit de positieve evaluatie van de werkzaamheden van het agentschap in 2016; juicht het toe dat het EACEA meer gebruikmaakt van elektronische rapportering voor gefinancierde projecten, wat de gegevensverzameling en het projecttoezicht zou moeten verbeteren, de beleidswerkzaamheden van de Commissie ten goede zou moeten komen en de begunstigden zou moeten helpen; is verheugd dat het EACEA 92 % van zijn betalingen verricht binnen de termijnen van het Financieel Reglement; roept het EACEA op, gezien het feit dat de begunstigden van onderwijs- en cultuurprogramma's vaak zeer kleine organisaties zijn, om te streven naar betere resultaten, bijvoorbeeld door gebruik te maken van een indicator van de gemiddelde tijd tot betaling;

9.  neemt kennis van de lancering in 2016 van de garantiefaciliteit voor de culturele en creatieve sectoren, met een budget van 121 miljoen EUR tot 2022, en van de aanvankelijke belangstelling van de sector en van financiële intermediairs; dringt aan op een snelle uitvoering van de geplande vervroegde financiering van de faciliteit met 60 miljoen EUR uit het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI); herinnert eraan dat leningen een aanvulling vormen op andere belangrijke financieringsbronnen voor de sector, zoals subsidies;

10.  maakt zich zorgen over de zeer geringe hoeveelheid EFSI-financiering die in 2016 naar onderwijs en de culturele en creatieve sector is gevloeid; is van mening dat op maat gesneden, sectorspecifieke ondersteuning van essentieel belang is om ervoor te zorgen dat de culturele en creatieve sector van EFSI-leningen profiteert;

11.  betuigt nogmaals zijn steun voor onafhankelijke berichtgeving in de media over Europese aangelegenheden, met name door budgettaire steun te verlenen aan televisie-, radio- en onlinenetwerken; is ingenomen met de verdere subsidieverlening aan Euranet+ tot 2018 en dringt er bij de Commissie op aan een duurzamer financieringsmodel voor het netwerk te vinden;

12.  blijft bezorgd over het onvermogen van de Europese scholen om iets te doen aan de boekhoudkundige onregelmatigheden die herhaaldelijk door de Europese Rekenkamer zijn gesignaleerd en door het Europees Parlement zijn benadrukt in de kwijtingsverslagen; merkt bijvoorbeeld op dat de scholen het in het algemeen wel beter doen wat de afsluiting van de rekeningen betreft, maar dat twee van de veertien scholen en het Bureau van de secretaris-generaal hun rekeningen nog steeds niet binnen de wettelijke termijn hebben ingediend; betreurt dat, ondanks de inspanningen van de Europese scholen ter intensivering van de interne controles en de toe te juichen invoering van een externe audit, er zich nog steeds tekortkomingen voordoen in verband met aanbestedings-, aanwervings- en betalingsprocedures;

13.   is verheugd over het feit dat de Rekenkamer geen aanwijzingen van materiële fouten heeft gevonden, maar betreurt dat zij niet kan bevestigen dat het financieel beheer van de scholen in 2016 strookte met het Financieel Reglement, de uitvoeringsvoorschriften daarvan en het Statuut; is van mening dat de Europese scholen over een geschikt beheersysteem moeten beschikken waarbij rekenschap wordt afgelegd en dat voldoet aan de basisvereisten voor de uitoefening van een openbaar ambt, en dat zij derhalve aan hogere normen inzake verantwoordingsplicht en beheersverantwoordelijkheid moeten voldoen; is in dit verband verheugd over de goedkeuring in 2017 van een herzien financieel reglement voor de Europese scholen, dat het rechtskader moet bieden om een aantal van de door de Rekenkamer vastgestelde tekortkomingen aan te pakken, met name inzake de scheiding van boekhoudkundige functies van andere functies; wijst er evenwel op dat een correcte toepassing van de nieuwe voorschriften van essentieel belang blijft om de aanbevelingen van de Rekenkamer door te voeren; verlangt dan ook dat de Raad van bestuur van de Europese scholen vóór het einde van 2018 aan het Europees Parlement verslag uitbrengt over de vooruitgang bij de uitvoering van de maatregelen;

14.   stipt aan dat de Europese scholen samen een jaarlijkse begroting van bijna 300 miljoen EUR hebben, waarvan ongeveer 60 % van de Europese Commissie komt; wijst erop dat in de begroting voor 2018 kredieten zijn opgenomen ter financiering van de invoering van de nieuwe boekhouding en de tenuitvoerlegging van het herziene financieel reglement; beklemtoont dat de Commissie slechts één stem heeft in de Raad van bestuur en dat de hoofdverantwoordelijkheid voor een goed financieel beheer van de Europese scholen derhalve bij de lidstaten ligt; verzoekt de lidstaten de Commissie en de Europese scholen te steunen bij hun inspanningen om de aanbevelingen van de Rekenkamer door te voeren;

15.   is van mening dat de uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie bijzonder lastige vragen in verband met de Europese scholen doet rijzen, met name omdat ongeveer 21 % van alle leerlingen aan de Europese scholen in het schooljaar 2016-2017 in de Engelstalige sectie zat (alleen in de Franstalige sectie zaten er nog meer) en 61 % van alle leerlingen aan de Europese scholen Engels als tweede taal koos; is zich ervan bewust dat de onzekerheid over de vraag of er na de uittreding van het VK nog Engelstalig onderricht zal worden gegeven, zorgen baart bij de ouders en leerlingen aan de Europese scholen; verzoekt de Commissie en de Europese scholen aan de Commissie cultuur en onderwijs verslag uit te brengen over hun plannen om het hoofd te bieden aan de specifieke uitdagingen die de uittreding van het VK met zich meebrengt, en hoe zij van plan zijn in de toekomst in de Europese scholen hoogwaardig Engelstalig onderwijs te blijven aanbieden, met inbegrip van overwegingen voor mogelijke alternatieve arbeidsovereenkomsten voor leerkrachten;

16.  wijst erop dat in het begrotingsjaar 2016 volgens de Rekenkamer een nieuw record werd opgetekend inzake betalingskredieten die naar toekomstige begrotingen werden overgedragen; dringt er bij de Commissie en de Raad op aan het verschil tussen vastleggings- en betalingskredieten tot een minimum terug te dringen door toereikende middelen uit te trekken om tijdig de contractuele verplichtingen jegens de begunstigden van programma's na te komen;

17.  is van mening dat de EU-begroting minder afhankelijk moet worden van de rechtstreekse nationale bijdragen; steunt het voorstel om het stelsel van eigen middelen te hervormen.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

23.1.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

24

0

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Isabella Adinolfi, Dominique Bilde, Andrea Bocskor, Nikolaos Chountis, Silvia Costa, Mircea Diaconu, Damian Drăghici, Angel Dzhambazki, Jill Evans, María Teresa Giménez Barbat, Petra Kammerevert, Svetoslav Hristov Malinov, Curzio Maltese, Rupert Matthews, Stefano Maullu, Luigi Morgano, John Procter, Michaela Šojdrová, Yana Toom, Helga Trüpel, Sabine Verheyen, Julie Ward, Bogdan Brunon Wenta, Theodoros Zagorakis, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Krystyna Łybacka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Algirdas Saudargas

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

24

+

ALDE

Mircea Diaconu, María Teresa Giménez Barbat, Yana Toom

ECR

Angel Dzhambazki, Rupert Matthews, John Procter

EFDD

Isabella Adinolfi

PPE

Andrea Bocskor, Svetoslav Hristov Malinov, Stefano Maullu, Algirdas Saudargas, Michaela Šojdrová, Sabine Verheyen, Bogdan Brunon Wenta, Theodoros Zagorakis, Bogdan Andrzej Zdrojewski

S&D

Silvia Costa, Damian Drăghici, Petra Kammerevert, Krystyna Łybacka, Luigi Morgano, Julie Ward

Verts/ALE

Jill Evans, Helga Trüpel

0

-

 

 

3

0

ENF

Dominique Bilde

GUE/NGL

Nikolaos Chountis, Curzio Maltese

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

7.2.2018

ADVIES van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

aan de Commissie begrotingscontrole

inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen

(2017/2136(DEC))

Rapporteur voor advies: Kostas Chrysogonos

SUGGESTIES

De Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken verzoekt de bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  verwelkomt het advies van de Europese Rekenkamer over de jaarrekening van de Unie voor 2016; benadrukt met name de verdere terugdringing van betalingsfouten in 2016, tot een historisch minimum van 3,1 %, en merkt op dat het de eerste keer is sinds 1994 dat de Rekenkamer een oordeel met beperking over betalingen heeft afgegeven; stelt vast dat de Rekenkamer het betalingsfoutenpercentage voor rubriek 3 (veiligheid en burgerschap) niet berekend heeft, wegens de geringe omvang van de steekproef van gecontroleerde transacties;

2.  merkt op dat de betalingen onder gedeeld beheer voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie en het Fonds voor interne veiligheid traag verliepen, rekening houdend met het feit dat 2016 al het derde jaar is waarin het huidige meerjarig financieel kader (MFK) ten uitvoer gelegd wordt; benadrukt het belang van de beperking van risico's op vertragingen bij de uitvoering van nationale plannen en de correctie van gebreken in de controlesystemen van de lidstaten; onderstreept het belang van de beoordeling van de controlesystemen van de lidstaten op basis van voldoende gedetailleerde informatie;

3.  merkt op dat de Commissie het totale bedrag dat aan migratie en asiel besteed werd in 2016 niet meegedeeld heeft, en dat dit bedrag moeilijk te schatten is; moedigt de Commissie derhalve aan om daarvoor een coherente, alomvattende en specifieke verslagleggingsstructuur te ontwikkelen; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om de begrotingslijnen op te splitsen met het oog op meer transparantie en meer economische efficiëntie;

4.  herinnert eraan dat ook in 2016 uitgebreid gebruik werd gemaakt van speciale instrumenten, vooral in reactie op de humanitaire situatie van asielzoekers in de Unie, en dat daarom de kans bestaat dat de resterende bedragen niet zullen volstaan tot aan het einde van het huidige MFK om het hoofd te bieden aan eventuele onverwachte gebeurtenissen voor 2020; verzoekt de Commissie dit structureel probleem in het volgende MFK op te lossen en het Parlement hierover naar behoren op de hoogte te houden;

5.  wijst erop dat de dienst Interne Audit van de Commissie vastgesteld heeft dat de werkprogramma's van sommige agentschappen onvoldoende kwaliteit boden met betrekking tot het bepalen van doelstellingen en definities van kernprestatie-indicatoren; benadrukt dat DG HOME systematisch adviezen moet opstellen over de werkprogramma's van zijn agentschappen;

6.  dringt aan op de ontwikkeling van een coherente en systematische strategie, met duidelijkere en sterkere politieke en operationele prioriteiten op lange termijn voor de bescherming van de grondrechten en fundamentele vrijheden, en op de waarborging van de effectieve tenuitvoerlegging daarvan, onder meer door te voorzien in voldoende middelen.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

1.2.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

45

6

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Asim Ademov, Heinz K. Becker, Malin Björk, Michał Boni, Caterina Chinnici, Frank Engel, Cornelia Ernst, Raymond Finch, Lorenzo Fontana, Kinga Gál, Ana Gomes, Nathalie Griesbeck, Sylvie Guillaume, Monika Hohlmeier, Brice Hortefeux, Filiz Hyusmenova, Sophia in ‘t Veld, Dietmar Köster, Barbara Kudrycka, Cécile Kashetu Kyenge, Juan Fernando López Aguilar, Roberta Metsola, Claude Moraes, Péter Niedermüller, Ivari Padar, Soraya Post, Judith Sargentini, Birgit Sippel, Branislav Škripek, Csaba Sógor, Sergei Stanishev, Helga Stevens, Traian Ungureanu, Marie-Christine Vergiat, Udo Voigt, Josef Weidenholzer, Kristina Winberg, Tomáš Zdechovský, Auke Zijlstra

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Kostas Chrysogonos, Carlos Coelho, Gérard Deprez, Maria Grapini, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Marek Jurek, Andrejs Mamikins, Angelika Mlinar, Jaromír Štětina

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Georges Bach, Jonathan Bullock, Julia Reda, Francis Zammit Dimech

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

45

+

ALDE

Gérard Deprez, Nathalie Griesbeck, Filiz Hyusmenova, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar

ECR

Marek Jurek, Branislav Škripek, Helga Stevens

GUE/NGL

Kostas Chrysogonos, Cornelia Ernst, Marie-Christine Vergiat

PPE

Asim Ademov, Georges Bach, Heinz K. Becker, Michał Boni, Carlos Coelho, Frank Engel, Kinga Gál, Monika Hohlmeier, Brice Hortefeux, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Barbara Kudrycka, Roberta Metsola, Csaba Sógor, Jaromír Štětina, Traian Ungureanu, Francis Zammit Dimech, Tomáš Zdechovský

S&D

Caterina Chinnici, Ana Gomes, Maria Grapini, Sylvie Guillaume, Dietmar Köster, Cécile Kashetu Kyenge, Juan Fernando López Aguilar, Andrejs Mamikins, Claude Moraes, Péter Niedermüller, Ivari Padar, Soraya Post, Birgit Sippel, Sergei Stanishev, Josef Weidenholzer

VERTS/ALE

Julia Reda, Judith Sargentini

6

-

EFDD

Jonathan Bullock, Raymond Finch, Kristina Winberg

ENF

Lorenzo Fontana, Auke Zijlstra

NI

Udo Voigt

1

0

GUE/NGL

Malin Björk

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

2.2.2018

ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid

aan de Commissie begrotingscontrole

inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen

(2017/2136(DEC))

Rapporteur voor advies: Barbara Matera

SUGGESTIES

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat de gelijkheid van mannen en vrouwen een van de grondbeginselen van de Europese Unie is en dat de Unie zich ertoe heeft verplicht gendermainstreaming in al haar maatregelen te bevorderen, zoals is neergelegd in artikel 8 VWEU;

B.  overwegende dat het Europees Parlement de Commissie herhaaldelijk heeft verzocht gendermainstreaming, genderbewuste budgettering en gendereffectbeoordeling op diverse beleidsterreinen van de Unie toe te passen, en de Rekenkamer meerdere malen heeft gevraagd om een genderperspectief op te nemen in haar beoordeling van de uitvoering van de begroting van de Unie;

1.  onderstreept dat de bevordering van gelijke kansen voor mannen en vrouwen op alle beleidsterreinen gewaarborgd moet zijn; pleit daarom eens te meer voor de toepassing van genderbewust budgetteren tijdens alle stadia van de begrotingsprocedure, met inbegrip van de uitvoering van de begroting en de beoordeling van deze uitvoering;

2.  betreurt dat voor de begrotingsonderdelen die vallen onder het programma Rechten, gelijkheid en burgerschap (REC) voor de periode 2014-2020 niet is aangegeven welke middelen er precies zijn uitgetrokken voor elk van de aan gendergelijkheid gerelateerde doelstellingen van het programma; is ingenomen met het feit dat het Netwerk van vrouwen tegen geweld en de Europese Vrouwenlobby in 2016 subsidies hebben ontvangen voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen en voor de gelijkheid van mannen en vrouwen;

3.  wenst dat gendergelijkheid expliciet wordt genoemd in rubriek 3 "Veiligheid en burgerschap";

4.  herhaalt zijn verzoek om een afzonderlijk begrotingsonderdeel voor de specifieke Daphne-doelstelling te behouden en er meer middelen aan toe te wijzen als compensatie voor de verlaging van de middelen voor Daphne in de periode 2014-2020;

5.  betreurt dat in het Europees Fonds voor strategische investeringen geen genderperspectief wordt toegepast en beklemtoont dat er slechts kans is op een geslaagd herstelproces als er aandacht gaat naar de invloed van crises op vrouwen;

6.  benadrukt dat gendermainstreaming ook tot de basisbeginselen van het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) behoort; betreurt evenwel het gebrek aan gerichte acties op het gebied van gendergelijkheid met specifieke begrotingsonderdelen, ondanks de herhaalde oproepen van het Parlement om ook in het migratie- en asielbeleid rekening te houden met de genderaspecten;

7.  herhaalt zijn verzoek om in de gemeenschappelijke reeks resultaatindicatoren voor de uitvoering van de begroting van de Unie eveneens genderspecifieke indicatoren op te nemen, met inachtneming van het beginsel van goed financieel beheer, namelijk overeenkomstig de beginselen van zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid;

8.  dringt erop aan gendereffectbeoordeling als een algemene ex-antevoorwaarde voor EU‑fondsen op te nemen en indien mogelijk de verzameling van gegevens over begunstigden en deelnemers uit te splitsen volgens geslacht;

9.  is ingenomen met de vrij evenwichtige betrokkenheid van mannen en vrouwen (52 % vrouwen tegenover 48 % mannen) bij de interventies in het kader van het Europees Sociaal Fonds in 2016;

10.  wenst dat het Parlement, de Raad en de Commissie zich opnieuw inzetten voor gendergelijkheid in het volgende MFK, door middel van een gezamenlijke verklaring bij het MFK met de toezegging om genderbewust budgetteren toe te passen en de tenuitvoerlegging van deze verklaring in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure te controleren door een bepaling op te nemen in een herzieningsclausule van de nieuwe MFK-verordening.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

24.1.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

26

1

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Daniela Aiuto, Maria Arena, Heinz K. Becker, Malin Björk, Vilija Blinkevičiūtė, Anna Maria Corazza Bildt, Iratxe García Pérez, Arne Gericke, Anna Hedh, Mary Honeyball, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Florent Marcellesi, Angelika Mlinar, Angelika Niebler, Maria Noichl, Marijana Petir, João Pimenta Lopes, Michaela Šojdrová, Ernest Urtasun, Ángela Vallina, Elissavet Vozemberg-Vrionidi

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Catherine Bearder, Izaskun Bilbao Barandica, Lívia Járóka, Urszula Krupa, Edouard Martin, Clare Moody, Monika Vana

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Artis Pabriks, Jarosław Wałęsa

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

26

+

ALDE

Catherine Bearder, Izaskun Bilbao Barandica, Angelika Mlinar

ECR

Arne Gericke

EFDD

Daniela Aiuto

PPE

Heinz K. Becker, Anna Maria Corazza Bildt, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Lívia Járóka, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Angelika Niebler, Artis Pabriks, Michaela Šojdrová, Elissavet Vozemberg-Vrionidi, Jarosław Wałęsa

S&D

Maria Arena, Vilija Blinkevičiūtė, Iratxe García Pérez, Anna Hedh, Mary Honeyball, Edouard Martin, Clare Moody, Maria Noichl

Verts/ALE

Florent Marcellesi, Ernest Urtasun, Monika Vana

1

-

ECR

Urszula Krupa

4

0

GUE/NGL

Malin Björk, João Pimenta Lopes, Ángela Vallina

PPE

Marijana Petir

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

26.3.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

16

7

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Inés Ayala Sender, Ryszard Czarnecki, Martina Dlabajová, Raffaele Fitto, Luke Ming Flanagan, Ingeborg Gräßle, Jean-François Jalkh, Arndt Kohn, Gilles Pargneaux, Georgi Pirinski, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Claudia Schmidt, Bart Staes, Derek Vaughan, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Benedek Jávor, Andrey Novakov, Patricija Šulin

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Eleonora Evi, Anneli Jäätteenmäki, Norbert Lins, Rupert Matthews, Lieve Wierinck

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

16

+

ALDE

Martina Dlabajová, Anneli Jäätteenmäki, Lieve Wierinck

ECR

Rupert Matthews

PPE

Ingeborg Gräßle, Norbert Lins, Andrey Novakov, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Claudia Schmidt, Patricija Šulin, Joachim Zeller

S&D

Inés Ayala Sender, Arndt Kohn, Gilles Pargneaux, Georgi Pirinski, Derek Vaughan

7

-

ECR

Ryszard Czarnecki, Raffaele Fitto

EFDD

Eleonora Evi

ENF

Jean-François Jalkh

GUE/NGL

Luke Ming Flanagan

VERTS/ALE

Benedek Jávor, Bart Staes

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

PB L 48 van 24.2.2016.

(2)

PB C 323 van 28.9.2017, blz. 1.

(3)

PB C 384 van 14.11.2017, blz. 2.

(4)

PB C 417 van 6.12.2017, blz. 63.

(5)

PB C 322 van 28.9.2017, blz. 10.

(6)

PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(7)

PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.

(8)

PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.

(9)

PB L 343 van 19.12.2013, blz. 46.

(10)

Aangenomen teksten van die datum, P8_TA-PROV(2018)0000.

(11)

PB L 48 van 24.2.2016.

(12)

PB C 323 van 28.9.2017, blz. 1.

(13)

PB C 384 van 14.11.2017, blz. 11.

(14)

PB C 417 van 6.12.2017, blz. 74.

(15)

PB C 322 van 28.9.2017, blz. 10.

(16)

PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(17)

PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.

(18)

PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.

(19)

PB L 341 van 18.12.2013, blz. 73.

(20)

Aangenomen teksten van die datum, P8_TA-PROV(2018)0000.

(21)

PB L 48 van 24.2.2016.

(22)

PB C 323 van 28.9.2017, blz. 1.

(23)

PB C 384 van 14.11.2017, blz. 2.

(24)

PB C 417 van 6.12.2017, blz. 52.

(25)

PB C 322 van 28.9.2017, blz. 10.

(26)

PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(27)

PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.

(28)

PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.

(29)

PB L 341 van 18.12.2013, blz. 69.

(30)

PB L 363 van 18.12.2014, blz. 183.

(31)

Aangenomen teksten van die datum, P8_TA-PROV(2018)0000.

(32)

PB L 48 van 24.2.2016.

(33)

PB C 323 van 28.9.2017, blz. 1.

(34)

PB C 384 van 14.11.2017, blz. 9.

(35)

PB C 417 van 6.12.2017, blz. 171.

(36)

PB C 322 van 28.9.2017, blz. 10.

(37)

PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(38)

PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.

(39)

PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.

(40)

PB L 346 van 20.12.2013, blz. 58.

(41)

Aangenomen teksten van die datum, P8_TA-PROV(2018)0000.

(42)

PB L 48 van 24.2.2016.

(43)

PB C 323 van 28.9.2017, blz. 1.

(44)

PB C 384 van 14.11.2017, blz. 12.

(45)

PB C 417 van 6.12.2017, blz. 252.

(46)

PB C 322 van 28.9.2017, blz. 10.

(47)

PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(48)

PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.

(49)

PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.

(50)

PB L 346 van 20.12.2013, blz. 54.

(51)

Aangenomen teksten van die datum, P8_TA-PROV(2018)0000.

(52)

PB L 48 van 24.2.2016.

(53)

PB C 323 van 28.9.2017, blz. 1.

(54)

PB C 384 van 14.11.2017, blz. 11.

(55)

PB C 417 van 6.12.2017, blz. 247.

(56)

PB C 322 van 28.9.2017, blz. 10.

(57)

PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(58)

PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.

(59)

PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.

(60)

PB L 352 van 24.12.2013, blz. 65.

(61)

Aangenomen teksten van die datum, P8_TA-PROV(2018)0000.

(62)

PB L 48 van 24.2.2016.

(63)

PB C 323 van 28.9.2017, blz. 1.

(64)

PB C 322 van 28.9.2017, blz. 1.

(65)

PB C 322 van 28.9.2017, blz. 10.

(66)

PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(67)

PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.

(68)

Aangenomen teksten van die datum, P8_TA-PROV(2018)0000.

(69)

COM(2017) 351 final, blz. 81.

(70)

AMPR 2016, blz. 82; jaarlijks activiteitenverslag DG AGRI, bijlage 10, blz. 140.

(71)

Zie jaarlijks beheers- en prestatieverslag 2016 van de Commissie over de EU-begroting, blz. 81.

(72)

P8_TA(2017)0143, par. 120 en 121.

(73)

Het verslag is te vinden op: http://ec.europa.eu/regional_policy/en/information/cohesion-report/.

(74)

PB C 322 van 2017.2017, blz. 19, tekstvak 1.2., voetnoot 1

(75)

Samenvatting van gegevens over de geboekte vooruitgang bij de financiering en uitvoering van acties op het gebied van financiële instrumentering, gerapporteerd door de beheersautoriteiten, overeenkomstig artikel 67, lid 2, onder j, van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad, blz. 11;

(76)

Studie "Beoordeling van 10 jaar samenwerkings- en controlemechanisme voor Bulgarije en Roemenië", DG IPOL beleidsondersteunende afdeling D: begrotingszaken

(77)

Zie JAV 2016 van DG AGRI, blz. 17.

(78)

Zie paragraaf 207 van de resolutie van het Europees Parlement van 27 april 2017 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen (PB L 252 van 29.9.2017, blz. 28).

(79)

Zie de indicatieve cijfers over de verdeling van de steun, volgens de omvang van de steun, ontvangen in de context van aan producenten betaalde rechtstreekse steun overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1307/2013 van de Raad (boekjaar 2016).

(80)

Onder rubriek 3 van het MFK vallen verschillende beleidsterreinen; Migratie en veiligheid is het belangrijkste uitgaventerrein; daarnaast wordt tevens financiering verstrekt voor levensmiddelen en diervoeders en culturele en creatieve activiteiten, evenals programma's met betrekking tot justitie, rechten, gelijkheid en burgerschap, en consumenten en gezondheid.

(81)

AMIF vervangt het Solid-programma (Solidariteit en beheer van de migratiestromen).

(82)

Europese Rekenkamer – "Rapid case review on the implementation of the 5% reduction of staff posts", blz. 27.

(83)

P8_TA(2017)0143, par. 276, 281, 282.

(84)

Verslag over de jaarrekening van de Europese Scholen voor het begrotingsjaar 2016, tezamen met de antwoorden van de Scholen, november 2017, 11 en 12.

(85)

https://ec.europa.eu/info/sites/info/files/file_import/aar-hr-2016_en_0.pdf, blz.10.

(86)

https://corporateeurope.org/expert-groups/2017/02/corporate-interests-continue-dominate-key-expert-groups.

(87)

(2015/2319(INI)).

(88)

Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020 (PB L 77 van 15.3.2014, blz. 44).

(89)

http://ec.europa.eu/regional_policy/en/policy/how/stages-step-by-step/strategic-report/.

(90)

Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 149 van 20.5.2014, blz. 1).

(91)

Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van "Erasmus+": het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 50).

(92)

Speciaal verslag nr. 9/2016: EU-uitgaven voor externe migratie in de buurlanden in het oosten en in het zuidelijke Middellandse Zeegebied tot 2014.

(93)

Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020 (PB L 77 van 15.3.2014, blz. 44).

(94)

Speciaal verslag nr. 31/2016: Minimaal elke vijfde euro uit de EU-begroting aan klimaatactie besteden: er wordt ambitieus aan gewerkt, maar het risico dat het doel niet wordt gehaald, blijft groot.

(95)

Speciaal verslag nr. 18/2016: Het certificeringssysteem van de EU voor duurzame biobrandstoffen.

(96)

Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).

(97)

http://ec.europa.eu/regional_policy/en/policy/how/stages-step-by-step/strategic-report/

(98)

Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van "Erasmus+": het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 50).

Laatst bijgewerkt op: 13 april 2018Juridische mededeling