Procedure : 2017/2279(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0138/2018

Ingediende teksten :

A8-0138/2018

Debatten :

PV 16/04/2018 - 27
CRE 16/04/2018 - 27

Stemmingen :

PV 17/04/2018 - 6.14
CRE 17/04/2018 - 6.14
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0105

VERSLAG     
PDF 527kWORD 95k
5.4.2018
PE 616.856v02-00 A8-0138/2018

over de versterking van de economische, sociale en territoriale cohesie in de Europese Unie: het zevende verslag van de Europese Commissie

(2017/2279(INI))

Commissie regionale ontwikkeling

Rapporteur: Marc Joulaud

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Begrotingscommissie
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE
 ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken
 ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

inzake de versterking van de economische, sociale en territoriale cohesie in de Europese Unie: het zevende verslag van de Europese Commissie

(2018/2279(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 3 van het Verdrag van de Europese Unie (VEU) en de artikelen 4, 162, 174 tot en met 178 en 349 van het Verdrag betreffende de werking van de EU (VWEU),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad(1),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling "Investeren in groei en werkgelegenheid", en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1300/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1084/2006 van de Raad(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking"(5),

–  gezien het zevende verslag van de Commissie inzake de versterking van de economische, sociale en territoriale cohesie, "Mijn regio, mijn Europa, onze toekomst: Het zevende verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie" (COM(2017)0583) van 9 oktober 2017,

–  gezien het Pact van Amsterdam tot vaststelling van de stedelijke agenda voor de EU, waarover op 30 mei 2016 in Amsterdam overeenstemming werd bereikt tijdens de informele bijeenkomst van EU-ministers met verantwoordelijkheid voor stedelijke aangelegenheden,

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 december 2015(6),

–  gezien de Europese pijler van sociale rechten, afgekondigd op 17 november 2017 te Göteborg door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie,

–  gezien de conclusies van de Raad van 25 april 2017 over het vergroten van de effectiviteit, relevantie en zichtbaarheid van het cohesiebeleid voor de burgers(7),

–  gezien de conclusies van de Raad van 15 november 2017 over synergie en vereenvoudiging voor het cohesiebeleid na 2020(8),

–  gezien het Witboek van de Commissie van 1 maart 2017 "De toekomst van Europa – Beschouwingen en scenario's voor de EU27 tegen 2025", (COM(2017)2025),

–  gezien de discussienota van de Commissie van 26 april 2017 over de sociale dimensie van Europa (COM(2017)0206),

–  gezien de discussienota van de Commissie van 10 mei 2017 over het in goede banen leiden van de mondialisering (COM(2017)0240),

–  gezien de discussienota van de Commissie van 31 mei 2017 over de verdieping van de economische en monetaire unie (COM(2017)0291),

  gezien de discussienota van de Commissie van 28 juni 2017 over de toekomst van de EU-financiën,

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 10 april 2017 "Competitiveness in low-income and low-growth regions: report on the regions whose development is lagging behind" (SWD (2017)0132),

–  gezien het werkdocument van de Commissie "Why Regional Development matters for Europe’s Economic Future" (WP 07/2017)(9),

  gezien de mededeling van de Commissie van 14 februari 2018 "Een nieuw, modern meerjarig financieel kader voor een Europese Unie die efficiënt haar prioriteiten verwezenlijkt na 2020" (COM(2018) 0098),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 24 oktober 2017 over een nieuw en sterker strategisch partnerschap met de ultraperifere gebieden van de EU (COM(2017)0623),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 11 mei 2017 "De toekomst van het cohesiebeleid na 2020: Naar een sterk en doeltreffend Europees cohesiebeleid na 2020"(10),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 25 mei 2016 over de mededeling van de Commissie getiteld "Investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen"(11),

–  gezien zijn resolutie van 9 september 2015 over de stedelijke dimensie van EU-beleid: bevordering van de economische, sociale en territoriale cohesie in de Unie"(12),

–  gezien zijn resolutie van 9 september 2015 over de stedelijke dimensie van EU-beleid(13),

–  gezien zijn resolutie van 10 mei 2016 over nieuwe instrumenten voor territoriale ontwikkeling in het cohesiebeleid 2014-2020: geïntegreerde territoriale investeringen (ITI) en door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling (CLLD)(14),

–  gezien zijn resolutie van 18 mei 2017 over een goede financieringsmix voor de regio's van Europa: op zoek naar een evenwichtige verdeling van financieringsinstrumenten en subsidies in het cohesiebeleid van de EU(15),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over cohesiebeleid en onderzoeks- en innovatiestrategieën voor slimme specialisatie (RIS3)(16),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over Europese territoriale samenwerking – beste praktijken en innovatieve maatregelen(17),

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen: een evaluatie van het verslag uit hoofde van artikel 16, lid 3, van de GB-verordening(18),

–  gezien zijn resolutie van 13 juni 2017 over bouwstenen voor een cohesiebeleid van de EU na 2020(19),

–  gezien zijn resolutie van 13 juni 2017 over het vergroten van de betrokkenheid van de partners en de zichtbaarheid van de resultaten van de Europese structuur- en investeringsfondsen(20),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2017 over de bevordering van cohesie en ontwikkeling in de ultraperifere gebieden van de EU: uitvoering van artikel 349 VWEU(21),

–  gezien zijn resolutie van 24 oktober 2017 over de discussienota over de toekomst van de EU-financiën(22),

  gezien zijn resolutie van 13 maart 2018 over achterstandsregio's in de EU(23),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2018 over het volgende MFK: voorbereiding van het standpunt van het Parlement ten aanzien van het MFK voor de periode na 2020(24),

–  gezien de conclusies en aanbevelingen van de groep op hoog niveau voor toezicht op vereenvoudiging ten behoeve van begunstigden van ESI-fondsen,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0138/2018),

A.  overwegende dat het cohesiebeleid gericht is op het bevorderen van een harmonische en evenwichtige ontwikkeling van de hele Unie en haar regio's, waarmee in een sfeer van solidariteit en met het oog op de bevordering van duurzame groei, werkgelegenheid en sociale inclusie en de bewerkstelliging van minder ongelijkheid tussen en binnen regio's en het inlopen van de achterstand door de minst begunstigde regio's, de economische, sociale en territoriale cohesie in overeenstemming met de Verdragen wordt versterkt;

B.  overwegende dat het zevende verslag inzake cohesie aantoont dat regionale verschillen opnieuw kleiner worden maar dat de situatie van gebied tot gebied enorm verschilt, ongeacht of er wordt gemeten aan de hand van het bbp per hoofd van de bevolking, werkgelegenheid of andere indicatoren, en dat bepaalde verschillen tussen en binnen regio's en lidstaten, zo ook binnen het eurogebied, blijven bestaan, zich verplaatsen of toenemen;

C.  overwegende dat in het zevende verslag inzake cohesie een zorgwekkend beeld wordt geschetst van de werkloosheid, waaronder jeugdwerkloosheid, die in veel regio's nog steeds hoger ligt dan vóór de crisis, en van het concurrentievermogen, de armoede en de sociale inclusie;

D.  overwegende dat 24 % van de Europeanen, oftewel bijna 120 miljoen mensen, arm is, met armoede wordt bedreigd, kampt met ernstige materiële ontberingen en/of woont in een huishouden met een lage arbeidsintensiteit; overwegende dat het aantal werkende armen toeneemt en dat het aantal jonge werklozen nog altijd hoog is;

E.  overwegende dat de werkloosheid en jeugdwerkloosheid in de Unie sinds 2013 geleidelijk dalen, maar nog altijd hoger zijn dan in 2008, respectievelijk 7,3 % en 16,1 % (december 2017)(25), en dat er zowel tussen als binnen de lidstaten grote verschillen zijn, vooral in enkele van de lidstaten die het zwaarst getroffen zijn door de financiële crisis; overwegende dat de regionale ongelijkheden kleiner beginnen te worden; overwegende dat de verschillen in werkloosheidpercentages tussen de lidstaten nog steeds aanzienlijk zijn, volgens de laatste cijfers variërend van 2,4 % in Tsjechië en 3,6 % in Duitsland tot 16,3 % in Spanje en 20,9 % in Griekenland(26); overwegende dat de verborgen werkloosheid – het fenomeen dat werkloze personen bereid zijn te werken maar niet actief op zoek zijn naar een baan – 18 % bedroeg in 2016;

F.  overwegende dat in het zevende verslag inzake cohesie de aandacht wordt gevestigd op de grote diversiteit tussen de regio's en grondgebieden, ook binnen de huidige categorieën regio's, vanwege hun specifieke omstandigheden (ultraperifere ligging, kleine bevolkingsdichtheid, lage inkomens of zwakke groei, enz.), waardoor een territoriale aanpak op maat noodzakelijk is;

G.  overwegende dat het in kaart brengen van bepaalde regio's die gevangen zitten in de "midden-inkomensval" en die dreigen uit de boot te vallen, te stagneren of een achterstand op te lopen een van de belangrijkste nieuwe aspecten is die aan bod komen in het zevende verslag inzake cohesie;

H.  overwegende dat in het zevende verslag inzake cohesie wordt benadrukt dat er ook in relatief welvarende regio's armoedekernen, het risico op territoriale versplintering en toenemende ongelijkheden binnen regio's voorkomen;

I.  overwegende dat het zevende verslag inzake cohesie aantoont dat "de impact van globalisering, migratie, armoede en een gebrek aan innovatie, klimaatverandering, energieomschakeling en vervuiling niet beperkt blijft tot minder ontwikkelde regio's";

J.  overwegende dat het cohesiebeleid weliswaar een beduidende rol heeft gespeeld in het herstel van de EU-economie via de bevordering van slimme, duurzame en inclusieve groei, maar dat de overheidsinvesteringen in de EU nog altijd onder het niveau van vóór de crisis liggen, met enorme tekorten in enkele lidstaten die het zwaarst door de crisis getroffen zijn, aangezien deze investeringen daalden van 3,4 % van het bbp in 2008 naar 2,7 % in 2016;

K.  overwegende dat het zevende verslag inzake cohesie de resultaten van het cohesiebeleid op het gebied van groei, banen, vervoer, energie, milieu, onderwijs en opleiding duidelijk presenteert, zoals in de programmeringsperiode 2014-2020 bleek uit de steun aan 1,1 miljoen kmo's, waardoor nog eens 420 000 nieuwe banen zijn gecreëerd, meer dan 7,4 miljoen werklozen aan een baan zijn geholpen en bovendien meer dan 8,9 miljoen mensen nieuwe kwalificaties hebben kunnen verwerven, waardoor dit beleid de lijm is die Europa bij elkaar houdt;

De meerwaarde van het cohesiebeleid

1.  acht het van groot belang dat het cohesiebeleid in de nieuwe programmeringsperiode alle Europese regio's in toereikende mate bestrijkt en het belangrijkste overheidsinvesteringsinstrument van de Europese Unie blijft op basis van een langetermijnstrategie en -perspectieven, met een begroting die afdoende is om de bestaande en nieuwe uitdagingen te kunnen aangaan en de basisdoelstellingen van het beleid te kunnen verwezenlijken; benadrukt dat de voortgang van de politieke prioriteiten van de Unie als geheel zou worden belemmerd als het cohesiebeleid zich uitsluitend concentreert op de minst ontwikkelde regio's;

2.  benadrukt dat het cohesiebeleid Europese meerwaarde biedt door bij te dragen aan de Europese collectieve voorzieningen en prioriteiten (zoals groei, sociale inclusie, innovatie en milieubescherming) en aan particuliere en overheidsinvesteringen, en dat het een essentieel hulpmiddel is om de doelstelling van het Verdrag, namelijk het terugdringen van ongelijkheden te halen teneinde de levensstandaard op te vijzelen en de achterstand van de minst begunstigde regio's te beperken;

3.  geeft aan zeer veel belang te hechten aan gedeeld beheer en het partnerschapsbeginsel dat in de periode na 2020 moet worden gehandhaafd en versterkt, evenals aan meerlagig bestuur en subsidiariteit, beginselen die bijdragen aan de meerwaarde van het cohesiebeleid; benadrukt dat de meerwaarde van dit beleid vooral gelegen is in het feit dat er rekening wordt gehouden met de nationale ontwikkelingsbehoeften en met de behoeften en specifieke kenmerken van de verschillende regio's en gebieden en dat het de Unie dichter bij de burgers brengt;

4.  benadrukt dat de Europese meerwaarde sterk tot uitdrukking komt in de Europese territoriale samenwerking (ETS) in al haar dimensies (grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking, zowel binnen als buiten de Unie), door bij te dragen aan de algemene doelstellingen van economische, sociale en territoriale cohesie en aan solidariteit; verzoekt opnieuw om een verhoging van zijn aandeel in de begroting voor het cohesiebeleid en tevens om een betere onderlinge afstemming van de verschillende programma's teneinde overlappingen te vermijden; wijst op het belang van de tenuitvoerlegging van macroregionale strategieën om de doelstellingen van het cohesiebeleid te kunnen halen;

5.  merkt op dat de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid in een bepaalde regio externe effecten en directe en indirecte voordelen kan opleveren voor de hele EU, onder andere door de toegenomen handel waardoor de interne markt versterkt wordt; wijst er echter op dat deze voordelen aanmerkelijk verschillen per lidstaat, omdat ze met name afhangen van de geografische ligging en de economische structuur van de lidstaten;

6.  onderstreept dat er een methodologie moet worden ontwikkeld om "de kosten van het ontbreken van cohesiebeleid" te berekenen en daarmee aanvullende kwantificeerbare bewijzen te leveren voor de Europese meerwaarde van het cohesiebeleid, naar het voorbeeld van de werkzaamheden die het Europees Parlement heeft verricht over "de kosten van een niet-verenigd Europa";

De territoriale dimensie

7.  merkt op dat stedelijke gebieden grote kansen op groei, investeringen en innovatie combineren met diverse ecologische, economische en sociale uitdagingen, onder andere vanwege bevolkingsdichtheid en het bestaan van armoedekernen, zelfs in relatief welvarende steden; benadrukt dan ook dat het risico om in armoede te vervallen of buiten de boot te vallen in de samenleving een grote uitdaging blijft;

8.  benadrukt dat er, om de territoriale dimensie van het cohesiebeleid te versterken, meer aandacht moet worden besteed aan de problemen in stedelijke agglomeraties en plattelandsgebieden, waarbij gebruik moet worden gemaakt van de expertise van de lokale autoriteiten en er bijzondere aandacht moet uitgaan naar de middelgrote steden in elke lidstaat;

9.  benadrukt dat het van wezenlijk belang is plattelandsgebieden in al hun diversiteit te ondersteunen, door hun potentieel op waarde te schatten, investeringen te bevorderen in projecten die de lokale economie ten goede komen, en met betere transportverbindingen, toegankelijkheid en razendsnel breedbandinternet, en die gebieden te helpen het hoofd te bieden aan de uitdagingen waarmee ze kampen, zoals leegloop van het platteland, sociale inclusie, gebrek aan banen, stimulansen voor ondernemerschap en betaalbare huisvesting, een slinkende bevolking, teloorgang van stadscentra, gebrek aan gezondheidszorg in bepaalde gebieden, enz.; benadrukt in dit verband het belang van de tweede pijler van het GLB waarmee duurzame plattelandsontwikkeling wordt bevorderd;

10.  dringt erop aan om bij het bepalen van de investeringsprioriteiten meer rekening te houden met bepaalde specifieke territoriale kenmerken, zoals de kenmerken van de in artikel 174, lid 3, van het VWEU genoemde regio's, zoals insulaire en berggebieden, plattelandsgebieden, grensoverschrijdende gebieden, de meest noordelijke, kust- of perifere regio's; onderstreept hoe belangrijk het is voor deze verschillende regio's strategieën, programma's en maatregelen op maat te ontwikkelen, of zelfs de mogelijke lancering van nieuwe specifieke agenda's te onderzoeken, naar het voorbeeld van de stedelijke agenda voor de EU en het Pact van Amsterdam;

11.  brengt in herinnering dat de bijzondere structurele sociaal-economische situatie van de ultraperifere gebieden specifieke maatregelen vereisen, onder andere ten aanzien van hun voorwaarden om gebruik te kunnen maken van de ESI-fondsen, overeenkomstig artikel 349 van het VWEU; benadrukt dat alle afwijkingen ter compensatie van de structurele nadelen van deze gebieden een blijvend karakter moeten krijgen en dat de specifieke maatregelen voor deze regio's moeten worden verbeterd door ze telkens als dat nodig is aan te passen; roept de Commissie en de lidstaten op zich te baseren op het arrest van het Europees Hof van Justitie van 15 december 2015 zodat artikel 349 van het VWEU correct ten uitvoer wordt gelegd voor wat betreft de voorwaarden voor toegang tot de structuurfondsen; stelt met name voor de sociale component van de specifieke toewijzing voor de ultraperifere regio's uit te breiden, het huidige niveau van medefinanciering door de Unie in die regio's te behouden en te voorzien in een beter afgestemde thematische concentratie; onderstreept het potentieel van ultraperifere regio's als voorbeeld van bij uitstek geschikte gebieden voor de uitvoering van experimentele projecten;

12.  meent dat de invoering van geïntegreerde strategieën voor duurzame stedelijke ontwikkeling een succes is en daarom verder moeten worden versterkt en worden toegepast in andere subregionale gebieden, bijvoorbeeld door een geïntegreerde territoriale aanpak te hanteren bij de thematische doelstellingen, maar zonder afbreuk te doen aan de thematische concentratie; onderstreept het belang van door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling, waardoor het cohesiebeleid beter in staat is lokale actoren bij de strategieën te betrekken; benadrukt dat de mogelijkheid moet worden onderzocht hoe operationele programma's kunnen voorbereid op basis van geïntegreerde territoriale strategieën en strategieën voor slimme specialisatie;

De midden-inkomensregio's: weerbaarheid bevorderen en voorkomen dat kwetsbare gebieden uit de boot vallen

13.  onderstreept dat de midden-inkomensregio's niet dezelfde groei hebben doorgemaakt als de lage-inkomensregio's (die nog een inhaalslag moeten maken ten opzichte van de rest van de EU) en de regio's met een zeer hoog inkomen, aangezien deze regio's het hoofd moeten bieden aan de zogenaamde "midden-inkomensval" doordat hun kosten te hoog liggen ten opzichte van de lage-inkomensregio's en doordat hun innovatiesystemen te kwetsbaar zijn ten opzichte van de regio's met een zeer hoog inkomen; merkt bovendien op dat deze regio's worden gekenmerkt door een kwakkelende industrie en moeite hebben om de schokken als gevolg van de globalisering en de daaruit voortvloeiende sociaal-economische veranderingen op te vangen;

14.  is ervan overtuigd dat het een grote uitdaging voor het toekomstige cohesiebeleid is om de midden-inkomensregio's op een gepaste manier te ondersteunen, onder andere om een gunstig investeringsklimaat te creëren, en dat het cohesiebeleid verschillen en ongelijkheden moet wegwerken maar tegelijkertijd moet voorkomen dat kwetsbare gebieden uit de boot vallen, door rekening te houden met de verschillende trends, dynamische ontwikkelingen en omstandigheden;

15.  verzoekt de Commissie om de uitdagingen aan te pakken waarmee de midden-inkomensregio's kampen, namelijk een laag groeipercentage vergeleken bij het EU-gemiddelde, om de algemene harmonieuze ontwikkeling van de Unie te bevorderen; herinnert eraan dat, als het toekomstige cohesiebeleid steun wenst te verlenen aan deze regio's en oplossingen voor hun problemen wil bieden, het deze gebieden op passende wijze moet behandelen, ondersteunen en opnemen in de volgende programmeringsperiode, onder andere door de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van strategieën, programma's en maatregelen op maat; herinnert in dit verband aan het belang van indicatoren ter aanvulling van het bbp zodat er een nauwkeuriger beeld kan worden geschetst van de sociaal-economische omstandigheden van deze specifieke regio's; is van mening dat er meer aandacht moet worden besteed aan het vroegtijdig in kaart brengen van kwetsbare punten zodat dankzij het cohesiebeleid de weerbaarheid van regio's vergroot kan worden en het ontstaan van nieuwe ongelijkheden in alle soorten regio's kan worden voorkomen;

16.  verheugt zich erover dat de Commissie een proefproject heeft gelanceerd dat steun op maat biedt, aangepast aan de specifieke uitdagingen van de regio's die zich in een industriële overgangsperiode bevinden; verzoekt de Commissie lering te trekken uit het proefproject en verwacht de beoogde resultaten zo snel mogelijk; meent dat de strategieën voor slimme specialisatie mogelijkheden bieden om die regio's door middel van een holistische benadering op weg te helpen met hun ontwikkelingsstrategieën en, algemener gezien, om een gedifferentieerde uitvoering op het niveau van de regio's aan te moedigen, maar dat deze regio's ook kunnen worden bijgestaan via extra samenwerking en meer uitwisseling van kennis en ervaring tussen de regio's; is verheugd over maatregelen zoals het Vanguard-initiatief voor de aanwending van strategieën voor slimme specialisatie om groei en industriële vernieuwing te stimuleren in prioritaire gebieden in de EU;

17.  benadrukt dat sociale en fiscale convergentie bijdragen aan het bewerkstelligen van cohesie terwijl daarmee ook de werking van de interne markt wordt versterkt; meent dat uiteenlopende praktijken op dit vlak strijdig kunnen zijn met de cohesiedoelstelling en dat het goed mogelijk is dat de gebieden die uit de boot vallen of het meest te lijden hebben onder de globalisering daardoor nog meer problemen te verwerken krijgen, en wijst erop dat het nog steeds noodzakelijk is dat de minder ontwikkelde regio's de rest van de Unie kunnen bijbenen; is van mening dat het cohesiebeleid kan bijdragen aan sociale en fiscale convergentie (naast economische en territoriale convergentie) door positieve impulsen te bieden; onderstreept in dit verband de mogelijkheid om bijvoorbeeld te steunen op de Europese pijler van sociale rechten; verzoekt de Commissie in het kader van het Europees semester meer rekening te houden met dit aspect zodat de sociale dimensie van het cohesiebeleid beter kan worden afgestemd op het economisch beleid en de lokale en regionale autoriteiten er op passende wijze bij worden betrokken om de efficiëntie van dat proces te verhogen en het verantwoordelijkheidsgevoel aan te wakkeren;

Werkterreinen

18.  staat achter een sterke thematische focus op een beperkt aantal prioriteiten die samenhangen met de belangrijkste Europese politieke doelstellingen, maar geeft de beheersautoriteiten tegelijkertijd meer flexibiliteit bij het ontwikkelen van hun territoriale strategieën op basis van de behoeften en het potentieel, na inclusief overleg op lokaal en regionaal niveau bij de voorbereiding van de partnerschapsovereenkomsten; benadrukt dat werkgelegenheid (waaronder jeugdwerkgelegenheid), sociale inclusie, de bestrijding van armoede, ondersteuning van innovatie en digitalisatie, steun aan kmo's en start-ups, de strijd tegen de klimaatverandering, de circulaire economie en infrastructuur de belangrijkste terreinen moeten vormen voor het toekomstige cohesiebeleid;

19.  is ingenomen met de goedkeuring van de Europese pijler van sociale rechten, die een stap vooruit betekent in de opbouw van een sociaal Europa; toont zich toegewijd aan het ESF als een sterk geïntegreerd onderdeel van de ESI-fondsen, en voor de jeugdgarantie, het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en het Europees Solidariteitskorps, gezien hun taak om uitdagingen op het gebied van werkgelegenheid, economische groei, sociale inclusie, onderwijs en beroepsopleiding aan te pakken;

20.  benadrukt dat het toekomstige cohesiebeleid vooral moet inzetten op het beschermen en ondersteunen van bevolkingsgroepen en gebieden die te lijden hebben onder de negatieve effecten van de globalisering (verplaatsing van de productie, banenverlies) en soortgelijke trends binnen de EU; dringt erop aan de mogelijkheid te onderzoeken om de structuurfondsen en het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering in relevante gevallen op elkaar af te stemmen om daarmee onder andere verplaatsingen binnen de EU te dekken;

21.  merkt op dat de gevoeligheid voor de klimaatverandering sterk verschilt per regio; is van mening dat de ESI-fondsen zo doeltreffend mogelijk moeten worden ingezet om de toezeggingen van de EU in het kader van de klimaatovereenkomst van Parijs (COP21) na te komen, bijv. in verband met hernieuwbare energie, energie-efficiëntie of de uitwisseling van goede werkmethoden, met name in de huizensector, en dat er rekening moet worden gehouden met de VN-doelstellingen voor duurzame ontwikkeling; wijst erop dat de financiering in het kader van de solidariteitsinstrumenten bij natuurrampen zo snel als in de omstandigheden mogelijk is, moet kunnen worden ingezet en altijd op gecoördineerde wijze;

22.  pleit ervoor de ESI-fondsen te benutten om de demografische uitdagingen (vergrijzing, bevolkingsafname, demografische druk, het onvermogen om toereikend menselijk kapitaal aan te trekken of te behouden), die de Europese regio's op verschillende manieren treffen, op duurzame wijze aan te pakken; benadrukt met name dat passende steun moet uitgaan naar regio's zoals bepaalde ultraperifere gebieden;

23.  beklemtoont dat voor de periode na 2020 een specifiek financieringsmechanisme moet worden gecreëerd om, uit hoofde van artikel 349 VWEU, migranten te integreren in de ultraperifere gebieden die wegens hun specifieke kenmerken kampen met grotere migratiedruk, en aldus bij te dragen tot de duurzame ontwikkeling van die gebieden;

24.  is van mening dat de EU-middelen aan de bepalingen van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap moeten voldoen en ook in de toekomst moeten worden ingezet ter bevordering van de-institutionalisering;

25.  wijst op het potentieel van verdere investeringen in cultuur, onderwijs, erfgoed, jongeren, sport en duurzaam toerisme voor het creëren van banen, waaronder met name hoogwaardige banen voor jongeren, en groei, en voor de verbetering van de sociale cohesie en de bestrijding van armoede en discriminatie, wat vooral van belang is voor bijvoorbeeld de ultraperifere, plattelands- en afgelegen gebieden; steunt de ontwikkeling van culturele en creatieve sectoren die veel te maken hebben met innovatie en creativiteit;

Programmeringskader na 2020

26.  benadrukt dat er in het zevende verslag inzake cohesie wordt benadrukt dat er, naast het bbp per inwoner dat de voornaamste indicator moet blijven, aanvullende indicatoren moeten worden gehanteerd teneinde fondsen toe te wijzen en een nauwkeuriger beeld te schetsen van de sociaal-economische omstandigheden, in overeenstemming met de in kaart gebrachte uitdagingen en behoeften, ook op subregionaal niveau; wijst erop dat kwalitatief hoogstaande, betrouwbare, actuele, gestructureerde en beschikbare gegevens als uitgangspunt moeten worden genomen; verzoekt de Commissie en Eurostat dan ook zo gedetailleerd en geografisch divers mogelijke statistieken te verstrekken die relevant zijn voor het cohesiebeleid, voor een adequate weergave van de behoeften van de regio's in het programmeringsproces; is voorstander van het hanteren van sociale, ecologische en demografische criteria, en dan met name het werkloosheidspercentage en het jeugdwerkloosheidspercentage;

27.  ijvert voor het versterken van geïntegreerde benaderingen en benadrukt met klem dat het ESF, omwille van zijn cruciale cohesiedimensie, integraal deel moet blijven uitmaken van het Europese regionale beleid;

28.  onderstreept dat subsidies het belangrijkste financieringsinstrument van het cohesiebeleid moeten blijven, maar beseft dat financieringsinstrumenten een doeltreffende hefboomwerking kunnen hebben en dat het gebruik ervan moet worden aangemoedigd als ze meerwaarde bieden, op basis van een passende ex-antebeoordeling; benadrukt echter dat het gebruik ervan niet een doel op zich mag zijn, dat de doeltreffendheid ervan afhankelijk is van een groot aantal factoren (soort project, gebied of risico) en dat alle regio's, ongeacht hun ontwikkelingsniveau, naar eigen inzicht moeten kunnen bepalen wat de beste financieringsmethode is; is gekant tegen bindende streefcijfers voor het gebruik van financieringsinstrumenten;

29.  dringt erop aan de gebruiksvoorwaarden voor financieringsinstrumenten te vereenvoudigen en ze beter af te stemmen op subsidies, met het oog op complementariteit, efficiëntie en de situatie ter plaatse; benadrukt het belang van de bestuurlijke capaciteit en de kwaliteit van het bestuur, en van de complementaire rol van nationale ontwikkelingsbanken en instellingen bij de tenuitvoerlegging van financieringsinstrumenten die zijn afgestemd op de plaatselijke behoeften; acht het noodzakelijk de regels voor financieringsinstrumenten zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen, ongeacht de manier waarop ze worden beheerd; stelt voor om, naast de bestaande financieringsinstrumenten voor het cohesiebeleid, ook participatieve financieringsinstrumenten te bevorderen;

30.  is van mening dat een koppeling tussen het cohesiebeleid en de garantie voor een gunstig investeringsklimaat, de doeltreffendheid en het correcte gebruik van fondsen ook bijdraagt aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het cohesiebeleid, en blijft benadrukken dat het cohesiebeleid niet mag worden herleid tot een instrument dat ten dienste staat van prioriteiten en geen enkel verband houdt met de doelstellingen ervan; benadrukt dat het overeengekomen standpunt inzake het stabiliteits- en groeipact wat betreft flexibiliteit in het geval van conjunctuuromstandigheden, structurele hervormingen en overheidsinvesteringen moet worden toegepast; is van oordeel dat de in Verordening nr. 1303/2013 bedoelde maatregelen waarmee de doeltreffendheid van de ESI-fondsen wordt gekoppeld aan gezond economisch bestuur, zorgvuldig moeten worden geanalyseerd, onder meer door alle belanghebbenden daarbij te betrekken; is van mening dat de Commissie moet nadenken over aanpassingen aan de manier waarop het cohesiebeleid en het Europees semester met elkaar verbonden zijn om de territoriale en sociale dimensie van het Europees semester te versterken en rekening te houden met andere factoren die bijdragen aan het halen van de doelstellingen van het cohesiebeleid, zoals werkelijke convergentie; verzoekt de Commissie in dit verband en in het kader van het Europees semester te kijken naar regionale en nationale medefinanciering uit hoofde van de ESI-fondsen en het effect daarvan op de nationale tekorten;

31.  wenst dat de strategieën voor slimme specialisatie intensiever worden ingezet als een nieuw traject voor investeringen in groeipotentieel op de lange termijn, in een sfeer van snelle technologische veranderingen en globalisering; onderkent het nut van ex-antevoorwaarden maar benadrukt dat die voorwaarden in bepaalde gevallen complex zijn en voor vertraging hebben gezorgd bij het uitwerken en opstarten van de programmering; neemt nota van de opmerkingen over ex-antevoorwaarden van de Rekenkamer in diens Speciaal verslag 15/2017; dringt er bij de Commissie op aan te overwegen het aantal strategieën in voorkomend geval te verminderen en de naleving van de evenredigheids- en subsidiariteitsbeginselen op dat gebied te verbeteren door zich zoveel mogelijk te baseren op bestaande strategische documenten die kunnen voldoen aan toekomstige ex-antevoorwaarden; onderstreept dat ex-antevoorwaarden nauw verband moeten houden met de doeltreffendheid van investeringen;, maar dat daarbij de gelijke behandeling van alle lidstaten moet worden gegarandeerd;

32.  merkt op dat de kwaliteit en stabiliteit van het overheidsbestuur, waarvoor goed onderwijs, opleiding en lokaal beschikbare adviesdiensten basisvoorwaarden zijn, een bepalende factor blijft voor regionale groei en de doeltreffendheid van de ESI-fondsen; benadrukt dat de kwaliteit van het beheer moet worden verbeterd en dat er voldoende technische bijstand beschikbaar moet worden gesteld, aangezien deze fondsen van grote invloed zijn op de goede uitvoering van het cohesiebeleid en aanzienlijk kunnen verschillen per lidstaat, zoals vooral te zien is in bijvoorbeeld achterstandsregio's; verzoekt de Commissie met name het toekomstige Jaspers-programma te beoordelen aan de hand van de aanbevelingen van de Europese Rekenkamer;

33.  staat positief tegenover een overgang naar een meer resultaatgericht en inhoudelijk cohesiebeleid, door over te stappen van boekhouderslogica op prestatielogica waarmee de beheersautoriteiten meer flexibiliteit krijgen om doelstellingen te verwezenlijken, maar de beginselen van onder andere partnerschap, transparantie en verantwoordingsplicht wel degelijk worden nageleefd;

34.  acht het absoluut noodzakelijk fraude te blijven bestrijden en dringt aan op nultolerantie voor corruptie;

Een vereenvoudigd cohesiebeleid

35.  dringt er bij de Commissie op aan rekening te houden met de aanbevelingen van de groep op hoog niveau over de vereenvoudiging van haar toekomstige wetsvoorstellen;

36.  acht het noodzakelijk een kader te creëren dat rechtszekerheid waarborgt aan de hand van eenvoudige, duidelijke en voorspelbare regels, vooral op het gebied van beheer en audits, om een passend evenwicht te garanderen tussen de doelstellingen op het gebied van prestaties en vereenvoudiging; pleit in de volgende programmeringsperiode voor minder wetgeving en richtsnoeren (waarbij omzichtigheid in acht moet worden genomen om in nauwe samenwerking met de belanghebbenden te zorgen voor de noodzakelijke voortzetting van voorschriften en procedures waarmee de deelnemende partijen en beheersautoriteiten bekend zijn); pleit ervoor dat de relevante documenten worden vertaald in alle EU-talen en dat retroactieve toepassingen en interpretaties van de voorschriften zo veel mogelijk worden voorkomen; pleit voor een geharmoniseerd wettelijk kader en richtsnoeren voor grensoverschrijdende projecten;

37.  dringt er tegelijkertijd op aan overregulering te voorkomen en operationele programma's om te vormen tot echte strategische documenten die beknopter en flexibeler zijn, door een vereenvoudigde procedure uit te werken voor de gerichte wijziging ervan tijdens de programmeringsperiode (bijv. in het geval van een natuurramp), teneinde op passende wijze in te spelen op de veranderende mondiale realiteit en regionale vraag;

38.  dringt aan op de invoering van één reeks regels voor de ESI-fondsen, met inbegrip van de verdere harmonisering van gemeenschappelijke voorschriften voor instrumenten die bijdragen tot dezelfde thematische doelstelling; acht het noodzakelijk de aanbestedingen in het kader van de fondsen te stroomlijnen en de staatssteunprocedures die naleving vereisen te versnellen; staat positief tegenover een consistente en meer coherente behandeling van de Europese fondsen die rechtstreeks worden beheerd en van de cohesiefondsen waarmee ook staatssteun gemoeid is en, meer algemeen, tegenover geharmoniseerde regels voor de Europese instrumenten die zich richten op dezelfde begunstigden; benadrukt dat het cohesiebeleid en het toekomstige EU-onderzoeksprogramma elkaar in grotere mate moeten aanvullen zodat de hele cyclus gedekt is, van fundamenteel onderzoek tot commerciële toepassingen; meent dat de thematische concentratie moet worden gehandhaafd om synergieën tussen de verschillende financieringsbronnen op projectniveau mogelijk te maken;

39.  neemt kennis van de oprichting van een taskforce betreffende subsidiariteit en evenredigheid en verwacht van die werkgroep praktische voorstellen om de naleving van deze twee beginselen te versterken in het kader van het cohesiebeleid; schaart zich achter de toepassing van deze beginselen met het oog op echt meerlagig bestuur waarvoor een passende eigen inbreng van de lokale en regionale autoriteiten en andere belanghebbenden nodig is;

40.  betreurt het dat de Commissie niet is gekomen met een meer geïntegreerde evaluatie van horizontale beleidsmaatregelen, en dat er geen melding is gemaakt van synergieën tussen de verschillende Europese beleidsmaatregelen; vraagt om ambitieuze strategieën, financiering en maatregelen waarmee er meer synergie zal optreden met andere EU-fondsen en er aanvullende financiële steun zal worden aangetrokken; benadrukt dat de synergieën tussen de ESI-fondsen en andere instrumenten, zoals het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), alsook met de andere centraal beheerde programma's, zoals Horizon 2020 waarmee het cohesiebeleid wordt aangevuld bij de ondersteuning van onderzoek en innovatie, verder moeten worden geoptimaliseerd;

41.  wenst dat de eisen op het gebied van programmering, uitvoering en controle van de ESI-fondsen in de toekomst berusten op de differentiatie- en evenredigheidsbeginselen, gebaseerd zijn op transparante en billijke criteria en in verhouding zijn met de bedragen die zijn uitgetrokken voor de programma's, het risicoprofiel, de kwaliteit van het beheer en het eigen financieringsaandeel van de ontvangers;

42.  acht het noodzakelijk dat de relatie tussen de Commissie en de beheersautoriteiten een "vertrouwensovereenkomst" wordt; wijst in dit verband op het belang van een adequaat en functionerend kader voor meerlagig bestuur; verzoekt de Commissie door te gaan op de ingeslagen weg van goed beheer van overheidsfinanciering, door een keurmerk in te voeren om beheersautoriteiten te belonen die hebben laten zien dat zij de regels naleven; pleit er op het gebied van controle voor dat er meer geleund wordt op nationale en regionale regels waarvan de doeltreffendheid geverifieerd en gevalideerd is;

43.  verzoekt het beginsel van één enkele audit te versterken, de tenuitvoerlegging van e-cohesie te versnellen en overal het gebruik van vereenvoudigde en gestandaardiseerde kosten in te voeren, aangezien onder andere is gebleken dat het gemakkelijker uit te voeren is en geen aanleiding heeft gegeven tot fouten; benadrukt het potentieel van digitalisering voor controle- en verslagleggingsactiviteiten; is van mening dat de uitwisseling van deskundigheid moet worden bevorderd via de oprichting van een portaal voor kennisuitwisseling;

44.  verzoekt de Commissie op de proppen te komen met ideeën over manieren waarop het cohesiebeleid beter kan inspelen op onvoorziene gebeurtenissen, en herinnert in dit verband aan haar verzoek om een soort reserve aan te leggen die de regio's extra flexibiliteit kan geven zonder de langetermijndoelstellingen van de operationele programma's in het gedrang te brengen;

Uitdagingen en kansen

45.  is zeer verontrust over de scenario's die onlangs zijn gepresenteerd door de Commissie over de bezuinigingen in het cohesiebeleid die eventueel worden doorgevoerd in het kader van het volgende MFK en die ertoe kunnen leiden dat veel regio's uitgesloten worden van het cohesiebeleid; pleit voor een ambitieuze begroting die evenredig is met de uitdagingen waarmee de regio's zich geconfronteerd zien, en dringt erop aan het cohesiebeleid niet te reduceren tot een variabele waarmee aanpassingen kunnen worden doorgevoerd; wijst erop dat het cohesiebeleid alle regio's van de EU moet bestrijken en dat het Europees Parlement daar niet op afdingt; benadrukt dat de theorie van "groepen van economische ontwikkeling" bevestigt dat er een gedifferentieerde ondersteuning van alle Europese regio's nodig is, zo ook de regio's met een erg hoog inkomen die concurrerend moeten blijven ten opzichte van hun concurrenten op het wereldtoneel;

46.  is van mening dat het cohesiebeleid nieuwe uitdagingen, zoals de veiligheid of de integratie van vluchtelingen onder internationale bescherming, kan helpen aanpakken; benadrukt echter dat het cohesiebeleid niet de oplossing kan zijn voor alle crises, en verzet zich tegen het gebruik van de fondsen van het cohesiebeleid om de financieringsbehoeften op korte termijn te dekken die buiten het toepassingsgebied van het beleid vallen, en wijst erop dat dit beleid bedoeld is voor de sociaal-economische ontwikkeling van de EU op de middellange en lange termijn;

47.  onderkent de positieve resultaten van het EFSI waarmee echter nog transparanter en doelgerichter moet worden geïnvesteerd; benadrukt dat het cohesiebeleid en het EFSI uitgaan van verschillende concepten en doelstellingen die elkaar in bepaalde gevallen kunnen aanvullen maar niet vervangen, ongeacht het ontwikkelingsniveau van de regio's, vooral aangezien het EFSI, in tegenstelling tot de structuurfondsen, overwegend gebaseerd is op kredieten; wijst erop hoe belangrijk het is om een correct onderscheid te maken tussen de EFSI en het cohesiebeleid en naar duidelijke mogelijkheden te zoeken voor een combinatie van beide;

48.  herhaalt dat het veel belang hecht aan een programmering voor de lange termijn; is van mening dat het enige haalbare alternatief voor de huidige periode van zeven jaar voor het MFK een periode is van 5 + 5 jaar, met een tussentijdse herziening; verzoekt de Commissie een duidelijk voorstel uit te werken tot vaststelling van de methoden voor de praktische uitvoering van een financieel kader van 5 + 5 jaar;

49.  wil dat alles in het werk wordt gesteld om vertragingen in de programmering voor de nieuwe periode uit de weg te gaan ter voorkoming van te late betalingen en vrijmakingen die de positieve resultaten van het cohesiebeleid in gevaar brengen; benadrukt dat alle documenten in verband met het toekomstig juridisch kader op tijd en in alle officiële talen moeten worden ingediend om te zorgen voor een eerlijke en tijdige informatieverstrekking aan alle begunstigden;

50.  pleit voor maatregelen om de communicatie met de Europese burger te verbeteren en mensen op die manier bewust te maken van de concrete prestaties van het cohesiebeleid; verzoekt de Commissie een grotere rol toe te bedelen aan de beheersautoriteiten en projectontwikkelaars die vernieuwende plaatselijke communicatiemethoden hanteren om mensen te informeren over de resultaten die zijn geboekt met het gebruik van fondsen in bepaalde gebieden; benadrukt dat de informatie en communicatie moeten worden verbeterd, niet alleen in het eindstadium (prestaties van ESI-fondsen) maar ook eerder in het proces (financieringsmogelijkheden), vooral aan kleine projectontwikkelaars; verzoekt de Commissie en de lidstaten mechanismen en brede institutionele platforms voor samenwerking in het leven te roepen om de zichtbaarheid en bewustmaking te bevorderen;

51.  merkt op dat bepaalde Europese regio's erg te lijden hebben onder de gevolgen van de brexit; benadrukt dat het toekomstige cohesiebeleid de negatieve impact van de brexit op andere Europese regio's zoveel mogelijk moet beperken, en wil dat er goed wordt nagedacht over de mogelijkheid om partnerschappen aan te gaan in het kader van territoriale samenwerking;

°

°  °

52.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.

(2)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289.

(3)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470.

(4)

JO L 347, 20.12.2013, p. 281.

(5)

JO L 347, 20.12.2013, p. 259.

(6)

Judgment of the Court of Justice of 15 December 2015, Parliament and Commission/Council, C-132/14 to C-136/14, ECLI:EU:C:2015:813Arrest van het Hof van Justitie van 15 december 2015, Parlement en Commissie/Raad, C-132/14 t/m C-136/14, ECLI:EU:C:2015:813.

(7)

Doc. 8463/17

(8)

Doc. 14263/17

(9)

Iammarino, S., Rodriguez-Pose, A., Storper, M. (2017), "Why Regional Development matters for Europe's Economic Future", werkdocumenten 07/2017, directoraat-generaal Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling, Europese Commissie.

(10)

CdR 1814/2016.

(11)

PB C 303 van 19.8.2016, blz. 94.

(12)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0308.

(13)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0307.

(14)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0211.

(15)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0222.

(16)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0320.

(17)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0321.

(18)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0053.

(19)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0254.

(20)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0245.

(21)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0316.

(22)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0401.

(23)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0067.

(24)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0075.

(25)

http://ec.europa.eu/eurostat/documents/2995521/8631691/3-31012018-BP-EN.pdf/bdc1dbf2-6511-4dc5-ac90-dbadee96f5fb

(26)

http://ec.europa.eu/eurostat/documents/2995521/8701418/3-01032018-AP-EN/37be1dc2-3905-4b39-9ef6-adcea3cc347a


TOELICHTING

Volgens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie brengt de Europese Commissie om de drie jaar verslag uit over "de vorderingen die bij het bereiken van economische, sociale en territoriale cohesie in de Unie zijn gemaakt."

De Europese Commissie publiceerde het zevende rapport inzake cohesie op 9 oktober 2017, dus enkele maanden vóór haar voorstel over het volgende meerjarig financieel kader en haar voorstellen over het regelgevingskader van de Europese structuur- en investeringsfondsen na 2020.

Tegen deze bijzondere achtergrond wilde de rapporteur lessen trekken uit het verslag dat door de Commissie werd gepubliceerd, door die lessen om te zetten in concrete voorstellen voor het toekomstige cohesiebeleid.

Nu de nadruk terecht ligt op het begrip "Europese toegevoegde waarde", is de rapporteur van mening dat die toegevoegde waarde in de eerste plaats betekent dat het cohesiebeleid de Europese Unie dichter bij haar burgers kan brengen, door het beleid plaatselijk uit te voeren en door het subsidiariteitsbeginsel te versterken. Het cohesiebeleid moet op die manier gestalte geven aan een concreet en nuttig Europa op ons grondgebied.

In de tekst van de Commissie wordt toegelicht dat "de impact van globalisering, migratie, armoede en een gebrek aan innovatie, klimaatverandering, energieomschakeling en vervuiling niet beperkt blijft tot minder ontwikkelde regio's". De rapporteur deelt die vaststelling en is ervan overtuigd dat het toekomstige cohesiebeleid alle Europese regio's moet blijven bestrijken, met een begroting die toereikend is om de uitdagingen aan te pakken.

Als alle regio's moeten worden bestreken, toont het rapport van de Commissie goed aan in welke mate de gebieden binnen de Unie en de behoeften ervan verschillen. In dat opzicht moet de territoriale dimensie van het cohesiebeleid worden versterkt, om een aanpak op maat te waarborgen, die beter beantwoordt aan de uitdagingen van de verschillende stedelijke, semilandelijke, landelijke, eiland-, berg- of grensgebieden. Door de bijzondere structurele economische en sociale situatie van de ultraperifere gebieden dringen zich bovendien specifieke maatregelen op, die telkens wanneer dat nodig is moeten worden verbeterd en aangepast, zoals vastgesteld in de verdragen.

Het zevende verslag inzake cohesie toont niet alleen aan dat regionale verschillen opnieuw kleiner worden maar dat de situatie van gebied tot gebied verschilt en dat bepaalde verschillen tussen en binnen regio's blijven bestaan, zich verplaatsen of toenemen.

In die zin vormt de identificatie van bepaalde gebieden die zogenaamd vastzitten in de "midden-inkomensval" en die dreigen uit de boot te vallen een van de belangrijkste aspecten van het zevende verslag inzake cohesie. Deze regio's hebben niet dezelfde groei doorgemaakt als de regio's met een laag inkomen en de regio's met een zeer hoog inkomen, doordat hun kosten te hoog liggen ten opzichte van de regio's met een laag inkomen en doordat hun innovatiesystemen te kwetsbaar zijn ten opzichte van de regio's met een zeer hoog inkomen.

Om die situatie op te lossen, moet het toekomstige cohesiebeleid niet alleen de ongelijkheden wegwerken maar eveneens weerbaarheid aanmoedigen en voorkomen dat de zwakste gebieden uit de boot vallen, door rekening te houden met trends en ontwikkelingen.

Ten slotte wordt in het zevende verslag inzake cohesie benadrukt dat er ook in redelijk welvarende regio's kernen van armoede, territoriale versplintering en groter wordende ongelijkheden binnen regio's voorkomen. Aan deze problematiek moet bijzondere aandacht worden besteed, bijvoorbeeld aan de hand van een geïntegreerde territoriale doelstelling naast thematische doelstellingen.

Wat betreft de interventiegebieden staat de rapporteur achter een sterke thematische focus op een beperkt aantal prioriteiten, die samenhangen met de belangrijke Europese politieke doelstellingen en wil hij het ontwikkelen van de territoriale strategieën op basis van de behoeften overlaten aan de beheersautoriteiten. Werkgelegenheid, innovatie, steun aan kmo's, de strijd tegen de klimaatverandering en de circulaire economie moeten de belangrijkste interventiegebieden vormen voor het toekomstige cohesiebeleid.

Om deze uitdagingen aan te pakken, moeten er, naast het bbp per inwoner, aanvullende indicatoren worden gehanteerd voor de toewijzing van fondsen. Die indicatoren moeten stroken met de geïdentificeerde doelstellingen en uitdagingen, vooral op het gebied van werkgelegenheid. Om die reden verdedigt de rapporteur de opname van sociale indicatoren, met name het werkloosheidscijfer en het jeugdwerkloosheidscijfer.

De rapporteur deelt de ambitie om de sociale dimensie van de Europese Unie te versterken en streeft naar een betere coördinatie van de instrumenten die daartoe bijdragen, dus is hij van mening dat het Europees Sociaal Fonds integraal deel moet blijven uitmaken van het cohesiebeleid. Dit fonds heeft inderdaad ongetwijfeld een territoriale dimensie. Inzetten op de doeltreffendheid door het weg te halen uit het cohesiebeleid zou een strategische fout betekenen.

Doordat het cohesiebeleid in de verdragen is vastgelegd, is de rapporteur van mening dat het cohesiebeleid niet mag worden herleid tot een instrument dat ten dienste staat van prioriteiten en geen verband houdt met de doelstellingen. Het cohesiebeleid mag ook niet worden gebruikt als een strafinstrument. Hij is echter van mening dat het gerechtvaardigd is het cohesiebeleid te koppelen aan de garantie op een gunstig investeringsklimaat en aan de doeltreffendheid en het goede gebruik van fondsen.

In dat opzicht is hij van mening dat er eerst moet worden ingegaan op de kwestie van de koppeling tussen cohesie en sociale en fiscale convergentie, aangezien sociale en fiscale convergentie bijdraagt aan de cohesiedoelstelling en de werking van de interne markt verbetert. Omgekeerd zijn uiteenlopende praktijken ter zake strijdig met de cohesiedoelstelling en kunnen ze aan het licht brengen welke gebieden uit de boot vallen of het meest te lijden hebben onder de globalisering, zoals de gebieden die vastzitten in de midden-inkomensval, zoals beschreven in het verslag van de Commissie.

Wat betreft de financieringsmethoden moet het gebruik van financiële instrumenten worden aangemoedigd zodra die een toegevoegde waarde bieden, maar het gebruik ervan moet worden vereenvoudigd. De beheersautoriteiten moeten vrij kunnen bepalen welke financieringsmethode het meest geschikt is, daarom moet elk bindend streefcijfer inzake het gebruik van financiële instrumenten worden verboden.

Ten slotte meent de rapporteur dat vereenvoudiging centraal moet staan bij de hervorming van het cohesiebeleid. Nu talloze mogelijke begunstigden zich afkeren van Europese financiering, staat de geloofwaardigheid van de Europese actie op het spel. Er moet een einde worden gemaakt aan de wildgroei aan regels die onleesbaar zijn geworden. Er moet ook één geharmoniseerd geheel van regels voor de verschillende fondsen komen en de fondsen die rechtstreeks worden beheerd moeten op dezelfde manier worden behandeld als de fondsen van het cohesiebeleid inzake staatssteun. Ten slotte moet er pragmatisch worden gehandeld, waarbij de eisen inzake programmering en controle in de toekomst berusten op de differentiatie- en evenredigheidsbeginselen, in functie van de kwaliteit van de administratieve uitvoering en het bedrag van de programma's.


ADVIES van de Begrotingscommissie (21.3.2018)

aan de Commissie regionale ontwikkeling

inzake de versterking van de economische, sociale en territoriale cohesie in de Europese Unie: zevende verslag van de Europese Commissie

(2017/2279(INI))

Rapporteur voor advies: Younous Omarjee

SUGGESTIES

De Begrotingscommissie verzoekt de bevoegde Commissie regionale ontwikkeling onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  beklemtoont de cruciale rol van het cohesiebeleid voor de totstandbrenging van economische, sociale en territoriale convergentie in de EU en de verwezenlijking van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de VN, maar is tegelijkertijd verontrust door de aanhoudende ongelijkheid tussen de rijke en arme regio's en de toenemende sociaal-economische ongelijkheid tussen de verschillende sociale categorieën van burgers op het vlak van inkomen en toegang tot gezondheidszorg; toont zich bezorgd over de algemene verarming van een aantal regio's, waaronder overgangsregio's, sinds de financiële crisis van 2008; benadrukt het potentieel van het cohesiebeleid om de Europese economieën aan te passen aan de technologische revolutie, zodat zij beter bestand zijn tegen de vergrijzing van de bevolking en de openstelling van Europese en mondiale markten; wijst er daarom op dat investeringen in nieuwe technologieën, modernisering, nieuwe vaardigheden en kennis, innovatie en onderzoek en ontwikkeling, die minder ontwikkelde regio's zullen helpen om hun positie in de waardeketen te verbeteren, sterk moeten worden ondersteund door het cohesiebeleid; onderstreept dat de doelstellingen en de financiering uit de begroting van de Unie van het cohesiebeleid in geen geval mogen worden afgezwakt; benadrukt dat het cohesiebeleid alle regio's ten goede moet blijven komen;

2.  stelt vast dat er tekortkomingen zijn in het systeem van financiële planning en uitvoering, met vertragingen op het gebied van betalingsverzoeken en betalingen en een opeenstapeling van onbetaalde rekeningen tot gevolg, hetgeen ingaat tegen de geest van de Verdragen; is verontrust door de grote vertragingen bij de goedkeuring van de operationele programma's en bij de aanwijzing van de management-, betalings- en certificeringsautoriteiten voor het cohesiebeleid, hetgeen nog is verergerd door de late afronding van de onderhandelingen over het meerjarig financieel kader (MFK) voor de periode 2014-2020 en de late vaststelling van de verordeningen inzake de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen), en bovendien heeft geleid tot een uiterst povere absorptiegraad van het cohesiebeleid in de huidige programmeringsperiode, waarvoor in de eerste plaats de bedenkers van de projecten zelf het gelag moeten betalen; vraagt in dit verband dat de vereenvoudiging die op touw is gezet in het kader van de herziening van het financieel reglement(1) die sinds 1 januari 2016 van kracht is nog verder wordt doorgetrokken, met name door de aandacht toe te spitsen op controles achteraf, door procedures te harmoniseren en een grotere flexibiliteit te hanteren in het volgende MFK; beklemtoont dat het niveau van de betalingskredieten ten minste moet overeenstemmen met de verbintenissen die in het verleden zijn aangegaan; wijst bovendien op de aanbevelingen van de deskundigengroep op hoog niveau voor toezicht op vereenvoudiging voor begunstigden van de Europese structuur- en investeringsfondsen;

3.  stelt vast dat er elk jaar een enorm verschil is tussen de geraamde en feitelijke betalingen uit de EU-begroting voor het cohesiebeleid en verzoekt de Commissie om in nauwe samenwerking met de lidstaten een methodologie vast te stellen om de uitvoering van de EU-begroting beter te kunnen plannen; benadrukt dat de totstandbrenging van e-Cohesie, een systeem waarin de lidstaten gegevens kunnen invoeren over projectontwerpen, aanbestedingsplannen met geplande en feitelijke data voor inschrijving, aanbesteding en uitvoering, alsook alle financiële en boekhoudkundige gegevens met betrekking tot facturen, medefinanciering, subsidiabiliteit van uitgaven en dergelijke, in belangrijke mate zou bijdragen aan een beter beheer en een betere monitoring van de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid in de lidstaten, en ook een hulpmiddel kan zijn om nauwkeurigere ramingen te maken van de betalingen uit de EU-begroting;

4.  onderstreept dat financiële instrumenten in het EU-cohesiebeleid niet in de plaats mogen komen van rechtstreekse subsidies en steun en moeten worden beschouwd als aanvullende instrumenten die verder reiken dan het toepassingsgebied van een project of het gebied waar een project inkomsten genereert; benadrukt in dit verband dat bij het beheer van de ESI-fondsen en het EFSI een verschillende benadering wordt gehanteerd en dat de samenwerking tussen beide fondsen vruchten zou kunnen afwerpen bij grootschalige projecten, maar dat deze koppeling in geen geval ten koste mag gaan van de strategische samenhang, de territoriale concentratie en de langetermijnperspectieven van de programma's van het cohesiebeleid;

5.  dringt erop aan dat de wetgevingsvoorstellen voor het toekomstig MFK zo spoedig mogelijk worden voorgesteld om te voorkomen dat er vertragingen ontstaan bij de programmering voor de volgende periode; is van mening dat de maximale bedragen voor het cohesiebeleid in de volgende programmeringsperiode op hetzelfde niveau moeten liggen voor de EU-27, waarbij wordt gezorgd voor een steeds grotere doeltreffendheid en een verdere vereenvoudiging van de bijbehorende procedures, zodat de EU eindelijk over alle financiële middelen beschikt die ze overeenkomstig haar doelstellingen en prioriteiten uit hoofde van de Verdragen nodig heeft; wijst erop dat het cohesiebeleid de EU-burger beschermt tegen bepaalde negatieve effecten van de mondialisering en dat het kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) financiële steun biedt, onderzoeks- en samenwerkingsprojecten bevordert en aanzet tot deelname aan initiatieven om menselijk kapitaal te ontwikkelen, en dat het cohesiebeleid daarom sterk en doeltreffend moet blijven, met een grote zichtbaarheid voor de burger;

6.  benadrukt het verband tussen bestuurskwaliteit en succesvolle openbare en particuliere investeringen, innovatie en groei; is blij met de holistische aanpak die in het zevende verslag van de Commissie over de economische, sociale en territoriale cohesie wordt gehanteerd en dringt erop aan dat er bij de toekomstige toekenning van steun uit het Cohesiefonds volledig rekening wordt gehouden met deze punten;

7.  is van mening dat het beleid inzake economische, sociale en territoriale cohesie alle EU-regio's ten goede moet blijven komen, met name de regio's met de grootste ontwikkelingsachterstand en de ultraperifere gebieden, en dat het binnen de meest ontwikkelde regio's ten goede moet komen aan de perifere gebieden, die het meest door armoede zijn getroffen en op vlak van ontwikkeling en werkgelegenheid het minst aantrekkelijk zijn, met name ter ondersteuning van infrastructuurprojecten die het isolement kunnen helpen doorbreken;

8.  verzoekt om een betere samenhang tussen het cohesiebeleid en ander EU-beleid dat – zoals in het geval van handelsovereenkomsten – ten koste gaat van inspanningen die worden geleverd via het regionaal beleid om de doelstelling van convergentie binnen de EU te verwezenlijken;

9.  benadrukt dat het cohesiebeleid moet worden voortgezet en versterkt in de volgende MFK-programmeringsperiode; verzet zich tegen pogingen om de desbetreffende begroting drastisch te verlagen en tegen pogingen om het regionaal beleid, dat nog steeds het enige belangrijke solidariteitsbeleid van de EU is, te vervormen.

(1)

PB L 286 van 30.10.2015, blz. 1.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

21.3.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

29

4

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Nedzhmi Ali, Jean Arthuis, Richard Ashworth, Gérard Deprez, Manuel dos Santos, André Elissen, Eider Gardiazabal Rubial, Ingeborg Gräßle, Iris Hoffmann, Monika Hohlmeier, John Howarth, Bernd Kölmel, Zbigniew Kuźmiuk, Vladimír Maňka, Liadh Ní Riada, Jan Olbrycht, Younous Omarjee, Urmas Paet, Pina Picierno, Răzvan Popa, Paul Rübig, Jordi Solé, Patricija Šulin, Eleftherios Synadinos, Indrek Tarand, Inese Vaidere, Daniele Viotti, Tiemo Wölken, Marco Zanni

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Jean-Paul Denanot, Georgios Kyrtsos, Ivana Maletić, Tomáš Zdechovský

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

29

+

ALDE

Nedzhmi Ali, Jean Arthuis, Gérard Deprez, Urmas Paet

ECR

Zbigniew Kuźmiuk

GUE/NGL

Liadh Ní Riada, Younous Omarjee

PPE

Richard Ashworth, Ingeborg Gräßle, Monika Hohlmeier, Georgios Kyrtsos, Ivana Maletić, Jan Olbrycht, Paul Rübig, Patricija Šulin, Inese Vaidere, Tomáš Zdechovský

S&D

Jean-Paul Denanot, Eider Gardiazabal Rubial, Iris Hoffmann, John Howarth, Vladimír Maňka, Pina Picierno, Răzvan Popa, Manuel dos Santos, Daniele Viotti, Tiemo Wölken

VERTS/ALE

Jordi Solé, Indrek Tarand

4

-

ECR

Bernd Kölmel

ENF

André Elissen, Marco Zanni

NI

Eleftherios Synadinos

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (22.3.2018)

aan de Commissie regionale ontwikkeling

inzake versterking van de economische, sociale en territoriale cohesie in de Europese Unie: het zevende verslag van de Europese Commissie

(2017/2279(INI))

Rapporteur voor advies: Marita Ulvskog

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de bevoegde Commissie regionale ontwikkeling onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat de werkloosheid en jeugdwerkloosheid in de Unie sinds 2013 aan het dalen zijn, maar nog altijd hoger zijn dan in 2008, respectievelijk 7,3 % en 16,1 % (december 2017)(1), en dat er zowel tussen als binnen de lidstaten grote verschillen zijn, vooral in enkele van de EU-lidstaten die het zwaarst getroffen zijn door de financiële crisis; overwegende dat de regionale ongelijkheden kleiner beginnen te worden; overwegende dat het verschil in werkloosheidcijfers tussen de lidstaten nog steeds aanzienlijk is, volgens de laatste cijfers variërend van 2,4 % in Tsjechië en 3,6 % in Duitsland tot 16,3 % in Spanje en 20,9 % in Griekenland(2); overwegende dat de verborgen werkloosheid – werkloze personen die bereid zijn te werken, maar die niet actief op zoek zijn naar een baan – in 2016 18 % bedroeg;

B.  overwegende dat de langdurige werkloosheid aanhoudt en goed is voor meer van 50 % van de totale werkloosheid in sommige lidstaten, 45,6 % in de EU als geheel en 49,7 % in de eurozone; overwegende dat het werkloosheidscijfer alleen in kaart brengt hoeveel personen geen baan hebben en de voorafgaande vier weken actief werk hebben gezocht en dat het cijfer voor langdurige werkloosheid alleen het aandeel meet van personen in de beroepsbevolking tussen 15 en 74 jaar die twaalf maanden of langer werkloos zijn;

C.  overwegende dat de arbeidsparticipatie in de EU voor het vierde jaar op rij gegroeid is en momenteel 72,3 % bedraagt, wat hoger is dan in 2008, maar in enkele lidstaten nog altijd lager is dan vóór de crisis(3); overwegende dat er weliswaar nog steeds opvallende verschillen zijn tussen en binnen meer en minder ontwikkelde regio's wat de gemiddelde arbeidsparticipatiegraad betreft, maar dat de regionale ongelijkheden kleiner beginnen te worden; overwegende dat de arbeidsparticipatie uiteenloopt van ver onder het EU-gemiddelde in sommige lidstaten, met 58 % in Griekenland, 64 % in Kroatië, 63 % in Italië en 66 % in Spanje, tot meer dan 75 % in Nederland, Denemarken, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Tsjechië, Estland, Litouwen, Letland, Oostenrijk en Zweden(4); overwegende dat de arbeidsparticipatie gemeten in aantal gewerkte uren per werknemer in de EU 3 % en in de eurozone 4 % onder het niveau van voor de crisis blijft(5); overwegende dat jongeren vaker in dienst worden genomen in niet-standaard- en atypische arbeidsvormen(6); overwegende dat het misbruik van deeltijdcontracten moet worden veroordeeld;

D.  overwegende dat het bbp per hoofd van de bevolking in tal van minder ontwikkelde regio's dichter bij het EU-gemiddelde is gekomen door een snellere productiviteitsgroei, maar dat er tevens werkgelegenheid verloren is gegaan; overwegende dat het bruto besteedbare inkomen van huishoudens per hoofd in een aantal lidstaten de niveaus van voor de crisis nog niet opnieuw heeft bereikt; overwegende dat de stijging van de inkomensongelijkheid in een aantal lidstaten nog niet is omgebogen sinds het begin van de crisis en dat de stijging in sommige lidstaten zelfs erger is geworden(7); overwegende dat verschillen op het gebied van werkloosheid en inkomen binnen de EU mensen ertoe aanzetten te verhuizen om op zoek te gaan naar betere kansen; overwegende dat onevenwichtige en snelle veranderingen in de samenstelling van de bevolking als gevolg van een braindrain bijkomende problemen veroorzaken, vooral voor plattelandsgebieden in de EU-13;

E.  overwegende dat de afnemende ongelijkheid op het gebied van werkgelegenheid die wordt gevolgd door een afnemende ongelijkheid wat bbp per hoofd van de bevolking betreft duidelijk zichtbaar is op het regionale niveau in de hele EU;

F.  overwegende dat de arbeidsparticipatiekloof tussen mannen en vrouwen in de EU nog altijd meer dan tien procentpunt (11,6 %) bedraagt, met een arbeidsparticipatiegraad van 76,9 % voor mannen en 65,3 % voor vrouwen, en dat er zelfs grotere verschillen zijn in het geval van niet in de EU geboren vrouwen en Romavrouwen;

G.  overwegende dat het risico op armoede of sociale uitsluiting in de EU is gedaald tot het niveau van vóór de crisis, maar dat dit cijfer desalniettemin te hoog is – ook in meer ontwikkelde regio's – en nog altijd niet in de buurt komt bij het Europa 2020-streefcijfer voor armoede en sociale uitsluiting; overwegende dat ongelijkheden blijven toenemen; overwegende dat in 2015 118,8 miljoen mensen werden bedreigd met armoede of sociale uitsluiting, hetgeen 1,7 miljoen meer is dan in 2008 en ver verwijderd is van het in de Europa 2020-strategie vastgestelde streefcijfer om het aantal mensen dat met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd met 20 miljoen te verminderen; overwegende dat dit percentage voor kinderen (0-17) in 2016 26,4 % bedroeg en daarmee hoger was dan de 24,2 % voor volwassenen (16-64) en bijna 10 procentpunt hoger dan ditzelfde percentage voor ouderen (65+, 18,3 %)(8); overwegende dat het aantal kinderen in Europa dat met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd, dat in 2016 24,8 miljoen bedroeg, schrikbarend hoog blijft(9); overwegende dat alle EU-lidstaten de VN-doelstellingen voor duurzame ontwikkeling hebben onderschreven, die onder meer de doelstelling omvatten om armoede in al haar vormen overal uit te bannen;

H.  overwegende dat het cohesiebeleid tot hoofddoel heeft de economische, sociale en territoriale cohesie te versterken door regionale ongelijkheden zowel binnen als tussen de lidstaten weg te werken, het welzijn van de EU-burgers te verbeteren en hen gelijke kansen te bieden ongeacht de plaats waar ze verblijven; overwegende dat het cohesiebeleid in de voorbije jaren een belangrijke rol heeft gespeeld bij het aanpakken van de gevolgen van de economische en sociale crisis door broodnodige mogelijkheden voor openbare investeringen te bieden; overwegende dat van het cohesiebeleid in de huidige financiële periode wordt verwacht dat het een bijdrage levert aan de ondersteuning van 1,1 miljoen kmo's, 7,4 miljoen werklozen aan een baan helpt, 8,9 miljoen mensen helpt nieuwe kwalificaties te verwerven, 16 miljard EUR in de digitale economie investeert en aanzienlijk in sociale infrastructuur investeert;

I.  overwegende dat infraregionale ongelijkheden groter worden, ook in meer welvarende regio's die geïsoleerde kernen van armoede bevatten; overwegende dat de meest welvarende regio's een aanzienlijke stimulans voor groei bieden;

J.  overwegende dat de Commissie en de lidstaten een grotere inzet moeten tonen wat betreft de toepassing van de artikelen 174 en 175 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU);

1.  wijst erop dat op basis van het cohesiebeleid kan worden gezorgd voor het verbeteren van de opwaartse convergentie en gedeelde welvaart in de EU en dat dit beleid moet worden toegespitst op grote maatschappelijke uitdagingen zoals levensomstandigheden, werkloosheid, onzekerheid, armoede, uitsluiting, discriminatie, migratie en klimaatverandering; is van mening dat er voor het cohesiebeleid, het belangrijkste beleid van de Unie op het gebied van overheidsinvesteringen voor deze doelstellingen, in het toekomstig meerjarig financieel kader (MFK) ten minste vergelijkbare begrotingsmiddelen moeten worden uitgetrokken als nu het geval is;

2.  benadrukt dat aanzienlijk meer middelen moeten worden uitgetrokken voor het Europees Sociaal Fonds (ESF), het belangrijkste EU-instrument voor sociale cohesie en de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten, waaronder de integratie en re-integratie van werknemers op de arbeidsmarkt, alsmede voor de ondersteuning van maatregelen ter bevordering van sociale inclusie en ter bestrijding van armoede en ongelijkheid, en voor de totstandkoming van gelijke kansen, waarbij de financiering van de strijd tegen armoede moet worden gehandhaafd op 20 %; is van mening dat een scenario waarin het ESF opgaat in één enkel sociaal investeringsfonds de integriteit van het cohesiebeleid op het spel zou zetten, aangezien de doelstelling van sociale cohesie, die is verankerd in de Verdragen, voornamelijk wordt verwezenlijkt met middelen uit het ESF; benadrukt dat het ESF daarom integraal deel moet blijven uitmaken van het cohesiebeleid om te waarborgen dat de hernieuwde aandacht van de EU voor de totstandbrenging van een sociaal Europa in de praktijk kan worden gebracht;

3.  is van mening dat de regionale index voor sociale vooruitgang van de EU moet worden geëvalueerd als een mogelijke aanvulling op de bbp-indicator, aangezien een stijging van het bbp per hoofd van de bevolking niet in alle regio's overeenstemt met een evenwaardige stijging van de werkgelegenheid en op zich niet volstaat om de nieuwe vormen van ongelijkheid tussen de EU-regio's te meten, en de economische groei geen effect heeft op bepaalde determinanten van sociale vooruitgang en inclusie; verzoekt de Commissie ook het gebruik van nieuwe sociale criteria te overwegen bij het bepalen van de toewijzing van EU-middelen voor thematische doelstellingen met een sociale dimensie en om het cohesiebeleid beter in te passen in de domeinen die momenteel zijn aangemerkt voor EU-optreden; is van oordeel dat sociale indicatoren kunnen worden gebruikt als een instrument voor de evaluatie achteraf om te beoordelen of er met EU-middelen daadwerkelijk betere sociale resultaten zijn geboekt;

4.  wijst erop dat de overheidsinvesteringen in de EU nog steeds onder het niveau van voor de crisis liggen, waardoor regio's en lidstaten behoefte hebben aan bijkomende steun om te kunnen reageren op de huidige en toekomstige uitdagingen; is van mening dat het gezien de toenemende sociale verschillen in de hele EU noodzakelijk is de sociale investeringsaanpak centraal te stellen in een samenhangend beleidskader waarbij het EU-governancekader en de bijbehorende begroting in overeenstemming zijn gebracht met de verplichting om sociale investeringen te doen; benadrukt dat dit soort investeringen met rendement op lange termijn cruciaal zijn voor het concurrentievermogen van EU-regio's in de toekomst;

5.  neemt kennis van de gegevens die zijn opgenomen in het zevende cohesieverslag waaruit blijkt dat de sociale situatie er over het algemeen op vooruit is gegaan, maar die ook wijzen op aanhoudende sociale verschillen tussen de lidstaten, die zijn toegenomen als gevolg van de schade die is aangericht door de economische crisis en jarenlange bezuinigingsmaatregelen; stelt met bezorgdheid vast dat het risico om in een situatie van armoede of sociale uitsluiting terecht te komen ondanks de positieve signalen een belangrijke uitdaging blijft, en samen met de toename van ongelijkheden in vele lidstaten tot de voornaamste uitdagingen behoort voor sociale cohesie;

6.  is van mening dat de koppeling van de programmering van het cohesiebeleid aan kwantificeerbare Europa 2020-streefcijfers, bijvoorbeeld voor armoedebestrijding, tot de belangrijkste verwezenlijkingen van de programmeringsperiode 2014-2020 behoort; meent dat het de centrale doelstelling van een Europa-na-2020-strategie moet zijn bij te dragen aan economische, sociale en territoriale cohesie in de EU, op basis van de internationaal aangenomen duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen;

7.  wijst nogmaals op de noodzaak om de EU-begroting te versterken, gebaseerd op nationale bijdragen waarbij rekening wordt gehouden met het bruto nationaal inkomen, teneinde overheidsinvesteringen te bevorderen om nationale productieve sectoren te ondersteunen, en om bij te dragen aan het beperken van meervoudige structurele afhankelijkheden, om werkgelegenheid met rechten en kwaliteitsvolle openbare diensten te bevorderen, en om het mondiale potentieel van de lidstaten volledig tot zijn recht te laten komen;

8.  verklaart dat sommige van de significantere onevenwichtigheden op werkgelegenheids- en sociaal gebied alsook sociale verschillen in Europa, zoals arbeidsmarktsegmentatie, loonspreiding en kinderarmoede, niet zijn weggewerkt maar zijn toegenomen, waaruit blijkt dat overheidsbeleid op nationaal niveau en Europese mechanismen niet volstaan om een sterkere sociale cohesie en een eerlijkere Europese arbeidsmarkt tot stand te brengen; benadrukt dat sterker en breder EU-beleid vereist is om de inspanningen te ondersteunen die nu door de lidstaten worden verricht; benadrukt dat er een dringende noodzaak bestaat voor een soepele begroting ter ondersteuning van sociale investeringen in sociale rechten, en dat het tevens cruciaal is alle in de Europese pijler van sociale rechten verankerde beginselen doeltreffend te integreren in alle stadia;

9.  benadrukt hoe belangrijk het voor de economische vooruitgang en de cohesie van alle regio's is om gezin en loopbaan te kunnen combineren;

10.  betreurt de trage tenuitvoerlegging van de programma's voor 2014-2020, waarbij in juli 2017 amper 39 % van de totale middelen was toegewezen(10); meent dat er behoefte is aan snellere tenuitvoerlegging, een soepelere overgang tussen programmeringsperioden, duidelijke streefdoelen, benchmarks en resultaatindicatoren, echte vereenvoudiging en capaciteitsontwikkeling;

11.  wijst in dit verband op de suggestie die wordt gedaan in de discussienota van de Commissie over de toekomst van de EU-financiën(11) dat de coherentie kan worden verbeterd door middel van één enkel pakket regels voor het cohesiebeleid en andere financieringsinstrumenten met programma's of projecten van hetzelfde type, waardoor een grotere complementariteit wordt gewaarborgd tussen het cohesiebeleid en uitgaven op het gebied van innovatie en structuur en vereenvoudiging voor begunstigden; is van mening dat een efficiëntere en flexibelere tenuitvoerlegging van de fondsen van cruciaal belang zal zijn in de volgende MFK-periode;

12.  is van mening dat sociale financiering pas mag worden gekoppeld aan beleidsprioriteiten die in het kader van het Europees Semester zijn afgesproken met de lidstaten als eerst de regionale autoriteiten inspraak hebben gekregen en er veranderingen zijn aangebracht aan de indicatoren voor sociale vooruitgang in het cohesiebeleid; benadrukt dat landverslagen en landspecifieke aanbevelingen niet de enige referentiedocumenten mogen worden voor de programmering van EU-investeringen ter plaatse, met name in het geval van sociale investeringen;

13.  verzoekt de Commissie beleidsmaatregelen in te voeren om de demografische neergang en de verspreiding van de bevolking tegen te gaan; onderstreept dat het een prioriteit van het cohesiebeleid moet zijn om aandacht te besteden aan regio's die te kampen hebben met een demografische neergang; dringt daarom aan op strategische investeringen in deze regio's, met name in breedbandtoegang, teneinde deze regio's een groter concurrentievermogen, een beter industrieel weefsel en een betere territoriale structuur te bezorgen;

14.  wijst erop dat het proportionaliteitsbeginsel voorop moet staan in het beheer en de controle van cohesieprogramma's; verzoekt de Commissie en de lidstaten na te gaan of het mogelijk is een online aanvraagsysteem tot stand te brengen dat projectbeheerders beter in staat stelt administratieve procedures te stroomlijnen;

15.  benadrukt dat van de talrijke uitdagingen waar de Europese regio's de komende jaren mee te maken zullen krijgen, sociale inclusie, armoede, werkloosheid en ongelijkheden zowel tussen als binnen regio's van bijzonder belang zijn voor het cohesiebeleid; herinnert eraan dat ongelijkheden de toekomst van het Europees project in gevaar brengen, de legitimiteit ervan uithollen en schade kunnen toebrengen aan het vertrouwen in de EU als motor van sociale vooruitgang, en dat de vermindering van ongelijkheden een van de voornaamste EU-prioriteiten moet zijn, zoals onlangs door het Parlement werd verklaard; is van mening dat het essentieel is het proces van beleidscoördinatie op nationaal niveau te verbeteren met het oog op een betere monitoring, preventie en correctie van negatieve trends die ongelijkheid in de hand zouden kunnen werken en de sociale cohesie zouden kunnen verzwakken of een negatief effect zouden kunnen hebben op sociale rechtvaardigheid, door indien nodig preventieve en corrigerende maatregelen in te voeren; benadrukt dat het nodig is een bottom-upbenadering te hanteren om armoede en sociale uitsluiting binnen gemeenschappen op doeltreffende wijze aan te pakken, aangezien voor deze problemen een antwoord op maat en de actieve betrokkenheid van het bestuursniveau dat rechtstreeks met de problematiek te maken krijgt noodzakelijk zijn;

16.  is van mening dat de hefboomwerking van het banenscheppend potentieel van Uniemiddelen nog altijd ontoereikend is en derhalve moet worden versterkt door middel van doeltreffendere, op resultaten gebaseerde beleidsvorming en tenuitvoerlegging, ondersteund door effectieve technische bijstand, waarbij de aandacht in de eerste plaats uitgaat naar toekomstgerichte sectoren met een nettopotentieel voor het scheppen van hoogwaardige banen, met name de groene en circulaire economie, de zorgsector en de digitale sector; meent bovendien dat het voor alle begunstigden, waaronder marktdeelnemers uit de sociale economie, kmo's, ngo's, kleinere gemeenten en zelfstandigen, eenvoudiger moet worden om toegang te krijgen tot financiering;

17.  verzoekt de lidstaten meer te investeren in vaardigheden die voor een betere economische groei zorgen doordat de vaardighedenkloof wordt gedicht en kinderarmoede en sociale uitsluiting worden tegengegaan; verzoekt de lidstaten meer aandacht te besteden aan de plattelandsgebieden die onvoldoende de vruchten hebben kunnen plukken van de economische groei;

18.  verzoekt de lidstaten, met name de lidstaten met een laag productiviteitsniveau, structurele hervormingen op te starten of te blijven doorvoeren om te zorgen voor een groter concurrentievermogen, een beter bedrijfsklimaat en betere potentiële vaardigheden;

19.  hamert erop dat transparante openbare aanbestedingsprocedures van essentieel belang zijn om ontwikkeling en eerlijke concurrentie te bevorderen; is van mening dat openbare aanbestedingen het meest geschikt zijn om op sociaal en milieugebied gunstige investeringen te realiseren;

20.  verzoekt de Commissie en de lidstaten door te gaan met initiatieven ter bevordering van de toegang tot hoogwaardig en inclusief onderwijs en hoogwaardige en inclusieve opleiding, met inbegrip van tertiair onderwijs, beroepsonderwijs en -opleiding (vocational education and training, VET), werkplekleren, en het verwerven en op peil houden van vaardigheden – met name digitale vaardigheden – evenals de toegang tot kwaliteitsvolle, duurzame en inclusieve werkgelegenheid, met name voor jongeren, laaggeschoolden en oudere werknemers; wijst in dit verband op het belang van de nieuwe vaardighedenagenda voor Europa, en met name het bijbehorende initiatief inzake bijscholingstrajecten; wijst erop dat uit het ESF gefinancierde opleidingsprogramma's aan de behoeften van werknemers en werklozen moeten worden aangepast, en tegelijkertijd rekening moeten houden met kansen op de arbeidsmarkt;

21.  wijst nogmaals met bezorgdheid op de stijgende trend in de richting van onderbenutting en verborgen werkloosheid, de in toenemende mate chronische aard van langdurige werkloosheid en de omvang van jeugdwerkloosheid en langdurige werkloosheid; herinnert eraan hoe belangrijk het is te investeren in plannen die prioriteit geven aan de beperking van langdurige werkloosheid, via een combinatie van beroepsopleiding en gepersonaliseerde begeleiding;

22.  dringt aan op een versterking van begrotingslijnen ter bevordering van een doeltreffende aanpak voor de opvang en de sociale inclusie van vluchtelingen en migranten;

23.  benadrukt het feit dat sociale en fiscale convergentie bijdragen aan de cohesiedoelstelling en dat het uiteenlopen van praktijken op dit gebied bijkomende problemen dreigt te veroorzaken voor de grondgebieden die het meest kwetsbaar zijn voor mondialisering;

24.  onderstreept de noodzaak om scholen en onderwijsinstellingen dicht bij de verblijfplaats van mensen te houden en vraagt om nationale beleidsmaatregelen hiertoe, die indien mogelijk worden ondersteund met middelen uit de Europese structuurfondsen;

25.  is van mening dat EU-middelen aan de bepalingen van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap moeten voldoen en ook in de toekomst moeten worden ingezet ter bevordering van de-institutionalisering.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

21.3.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

34

6

5

Bij de eindstemming aanwezige leden

Laura Agea, Guillaume Balas, Brando Benifei, Enrique Calvet Chambon, David Casa, Michael Detjen, Lampros Fountoulis, Czesław Hoc, Danuta Jazłowiecka, Agnes Jongerius, Ádám Kósa, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Jean Lambert, Jeroen Lenaers, Thomas Mann, Dominique Martin, Anthea McIntyre, Joëlle Mélin, Miroslavs Mitrofanovs, Elisabeth Morin-Chartier, Emilian Pavel, Georgi Pirinski, Marek Plura, Dennis Radtke, Sofia Ribeiro, Robert Rochefort, Claude Rolin, Siôn Simon, Romana Tomc, Yana Toom, Ulrike Trebesius, Renate Weber

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Maria Arena, Georges Bach, Amjad Bashir, Lynn Boylan, Tania González Peñas, Sergio Gutiérrez Prieto, Paloma López Bermejo, Ivari Padar, Sven Schulze, Jasenko Selimovic, Tom Vandenkendelaere, Flavio Zanonato

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Jytte Guteland

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

34

+

ALDE

Enrique Calvet Chambon, Robert Rochefort, Jasenko Selimovic, Yana Toom, Renate Weber

EFDD

Laura Agea

PPE

Georges Bach, David Casa, Danuta Jazłowiecka, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Thomas Mann, Elisabeth Morin-Chartier, Marek Plura, Dennis Radtke, Sofia Ribeiro, Claude Rolin, Sven Schulze, Romana Tomc, Tom Vandenkendelaere

S&D

Maria Arena, Guillaume Balas, Brando Benifei, Michael Detjen, Jytte Guteland, Sergio Gutiérrez Prieto, Agnes Jongerius, Ivari Padar, Emilian Pavel, Georgi Pirinski, Siôn Simon, Flavio Zanonato

VERTS/ALE

Jean Lambert, Miroslavs Mitrofanovs

NI

Lampros Fountoulis

6

-

PPE

Jeroen Lenaers

GUE/NGL

Lynn Boylan, Tania González Peñas, Paloma López Bermejo

ENF

Dominique Martin, Joëlle Mélin

5

0

PPE

Ádám Kósa

ECR

Amjad Bashir, Czesław Hoc, Anthea McIntyre, Ulrike Trebesius

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

http://ec.europa.eu/eurostat/documents/2995521/8631691/3-31012018-BP-EN.pdf/bdc1dbf2-6511-4dc5-ac90-dbadee96f5fb

(2)

http://ec.europa.eu/eurostat/documents/2995521/8701418/3-01032018-AP-EN/37be1dc2-3905-4b39-9ef6-adcea3cc347a

(3)

http://ec.europa.eu/social/main.jsp?langId=en&catId=89&newsId=9051&furtherNews=yes, grafiek 14, blz. 21.

(4)

Cijfers volgens "Employment and Social Developments in Europe Quarterly Review", februari 2018.

(5)

Ontwerp van gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid 2018, afdeling 1.1.

(6)

Ontwerp van gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid 2018, afdeling 3.2.1.

(7)

Ontwerp van gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid 2018, afdeling 3.4.1.

(8)

Ontwerp van gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid 2018, afdeling 1.2.

(9)

http://ec.europa.eu/eurostat/en/web/products-eurostat-news/-/EDN-20171120-1

(10)

Zevende verslag van de Commissie inzake economische, sociale en territoriale cohesie, blz. 175.

(11)

https://ec.europa.eu/commission/sites/beta-political/files/reflection-paper-eu-finances_nl.pdf, blz. 25.


ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs (20.3.2018)

aan de Commissie regionale ontwikkeling

inzake de versterking van de economische, sociale en territoriale cohesie in de Europese Unie: zevende verslag van de Europese Commissie

(2017/2279(INI))

Rapporteur voor advies: Mircea Diaconu

SUGGESTIES

De Commissie cultuur en onderwijs verzoekt de bevoegde Commissie regionale ontwikkeling onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is van mening dat cultuur, onderwijs, jeugd en sport een cruciale rol spelen in het vormgeven van de toekomst van de Europese Unie, met name met het oog op de totstandbrenging van een gemeenschap van burgers die in verscheidenheid verenigd zijn door solidariteit, en dat deze sectoren een enorm potentieel hebben om onder meer zowel Europese toegevoegde waarde als economische welvaart in alle regio's van de EU te genereren, in het bijzonder in het kader van het cohesiebeleid;

2.  herinnert aan de betekenis van cultuur en cultureel erfgoed, ook voor de economische bloei van steden en regio's; dringt er daarom bij de lidstaten op aan alle noodzakelijke maatregelen te nemen om materieel en immaterieel cultureel erfgoed doeltreffend te beschermen en hiertoe alle beschikbare instrumenten van het cohesiebeleid in te zetten; beveelt aan cultureel erfgoed in de volgende generatie programma's te beschouwen als een horizontale prioriteit voor alle pijlers van het cohesiebeleid en rekening te houden met de aanbevelingen die in het Europees Jaar van het cultureel erfgoed 2018 zijn gedaan, en met de resultaten daarvan;

3.  wijst op het belang van gelijke kansen voor degenen die in fysiek of geografisch opzicht benadeeld zijn, om te waarborgen dat zij gelijke toegang tot cultuur en onderwijs hebben;

4.  onderstreept dat investeringen in cultuur, onderwijs, jeugd en sport de sociale samenhang in de EU significant doen toenemen, met name doordat zij de maatschappelijke integratie van Europese burgers faciliteren;

5.  is zich ervan bewust hoe belangrijk het is om zowel het natuurlijke als het culturele erfgoed te beschermen en het potentieel daarvan als aanjager van de economie te benutten;

6.  betreurt dat in het zevende verslag van de Commissie over de economische, sociale en territoriale cohesie geen aandacht wordt besteed aan investeringen in cultuur en noch kwantitatief, noch kwalitatief per sector wordt verwezen naar cultuurgerelateerde projecten, die goed waren voor ten minste 11 miljard EUR van de uitgaven voor het cohesiebeleid voor de programmaperiodes 2007-2013 en 2014-2020, toegewezen via het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling;

7.  merkt op dat het EU-beleid voor cohesie en plattelandsontwikkeling van doorslaggevend belang kan zijn voor het bevorderen van herstel van cultureel erfgoed, ondersteuning van de culturele en de creatieve sector (CCS) en financiering van de capaciteitsopbouw van beroepsbeoefenaars op cultureel gebied;

8.  onderstreept het belang van gelijke toegang tot onderwijs, opleiding en culturele activiteiten bij de totstandbrenging van werkelijke convergentie en de terugdringing van de verschillen en sociaaleconomische ongelijkheden tussen Europese regio's;

9.  dringt er bij de Commissie op aan te blijven investeren in cultuur, onderwijs, jeugd en sport, en voort te bouwen op de positieve resultaten van de vorige twee generaties van programma's (2007-2013; 2014-2020);

10.  dringt aan op het creëren, in de komende programmaperiode, van mogelijkheden om cultuur, onderwijs, jeugd en sport te financieren via speciaal daartoe ontwikkelde thematische doelstellingen voor investeringen uit de Europese structuur- en investeringsfondsen (EFSI);

11.  wijst op het potentieel van de culturele en creatieve sector wat betreft werkgelegenheid voor jongeren; benadrukt het feit dat verdere stimulering van en investeringen in de CCS een aanzienlijke bijdrage kunnen leveren aan investering, groei, innovatie en werkgelegenheid; verzoekt de Commissie daarom te denken aan de unieke mogelijkheden die worden geboden door de volledige CCS, met inbegrip van ngo's en kleine organisaties;

12.  verzoekt de Commissie cultuur en onderwijs op te nemen in de prioritaire en strategische doelstellingen voor de volgende programmaperiode, als aandachtsterreinen en horizontale aspecten van regionaal-ontwikkelingsbeleid;

13.  roept de lidstaten op om binnen het cohesiebeleid duurzame langetermijnstrategieën te ontwikkelen op het gebied van cultuur, onderwijs, jeugd en sport, die als basis kunnen dienen voor strategische investeringen tijdens de programmaperiode 2021-2027;

14.  benadrukt dat de geselecteerde projecten elkaar moeten aanvullen en roept de Commissie op ten volle gebruik te maken van de potentiële synergie tussen de ESI-fondsen, de beschikbare financiële instrumenten van de Europese Investeringsbank (de EFSI-fondsen) en andere EU-programma's die voor de programmaperiode 2014-2020 zijn voorzien, met specifieke aandacht voor Erasmus+ en Creatief Europa, door in de hele EU meer informatie te verstrekken en door voor een daadkrachtigere tenuitvoerlegging in de lidstaten en hun regio's te zorgen; onderstreept dat subsidie niet alleen op de ontwikkeling van infrastructuur moet worden gericht maar ook op de totstandbrenging van "culturele clusters" die verschillende verwante gebieden bijeen brengen, zoals cultureel erfgoed, CCS, opleidingsprogramma's, cultuurtoerisme alsmede plaatselijke kunsten en ambachten;

15.  dringt aan op stappen om in de volgende programmaperiode specifieke maatregelen te ontwikkelen en middelen uit te trekken voor fysieke infrastructuur, zoals starterscentra, digitale infrastructuur (bijvoorbeeld breedband) en immateriële infrastructuur voor onderwijs-, cultuur- en onderzoeksinstanties;

16.  is van mening dat investeringen in cultuur en onderwijs in het kader van het cohesiebeleid na 2020 efficiënter en doeltreffender moeten zijn, zowel wat betreft de kwaliteit als de kwantiteit van de uitgevoerde projecten;

17.  roept de Commissie en de lidstaten op kennispartnerschappen tussen universiteiten, onderwijs-, beroeps- en onderzoeksinstanties en culturele instellingen te ondersteunen, met het doel aan de groeiende vraag naar nieuwe vaardigheden en omscholing in de CCS te voldoen;

18.  verzoekt de Commissie om in de herziene verordening gemeenschappelijke bepalingen kwaliteitsindicatoren voor cultuurgerelateerde investeringen op te nemen, zoals ook gevraagd is door het Parlement in zijn resolutie van 8 september 2015 getiteld "Naar een geïntegreerde aanpak van cultureel erfgoed voor Europa";

19.  herinnert aan de rol van de CCS en spoort de Commissie andermaal aan de CCS als horizontale prioriteit op te nemen; benadrukt dat regio's een aantoonbaar vermogen hebben om clusters en grensoverschrijdende samenwerking te ontwikkelen en stelt vast dat slimme specialisatie in de CCS positieve effecten heeft, hetgeen blijkt uit de significante resultaten die tot nog toe konden worden vastgesteld; verzoekt de Commissie en de lidstaten het beleid op dit terrein te handhaven en te versterken en op doeltreffende wijze gebruik te maken van de middelen die beschikbaar zijn via de EU-programma's en de ESI-fondsen;

20.  dringt aan op grotere theoretische en praktische mogelijkheden voor middellange- en langetermijnprojecten in de culturele, audiovisuele en creatieve sfeer, door ruimte te bieden voor het combineren van ESI- en EFSI-middelen;

21.  dringt erop aan dat bij maatregelen van het cohesiebeleid meer nadruk wordt gelegd op investeringen in de culturele en educatieve sector, met name in stedelijke en afgelegen gebieden, door het inzetten van instrumenten voor omscholing en inclusie;

22.  spoort de Commissie aan de mogelijkheden van het EFRO voor de ondersteuning van sportinfrastructuur te benutten en duurzame sport- en openluchtactiviteiten als instrument voor regionale en plattelandsontwikkeling te bevorderen, en de mogelijkheden van het Europees Sociaal Fonds aan te wenden voor de verbetering van de vaardigheden en de inzetbaarheid van werknemers in de sportsector;

23.  dringt er bij de lidstaten op aan een percentage van de middelen voor cohesiebeleid apart te houden voor culturele en educatieve projecten van hoge kwaliteit die weliswaar financiering verdienen maar geen EU-steun krijgen als gevolg van een gebrek aan financiële middelen;

24.  roept de lidstaten op steun te verlenen aan geïntegreerde territoriale projecten met een culturele focus, zoals culturele routes, die territoriale ontwikkeling van hoge kwaliteit en publiek-private partnerschappen op het gebied van cultuurtoerisme bevorderen.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

20.3.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

23

0

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Isabella Adinolfi, Dominique Bilde, Andrea Bocskor, Nikolaos Chountis, Silvia Costa, Mircea Diaconu, Jill Evans, María Teresa Giménez Barbat, Petra Kammerevert, Svetoslav Hristov Malinov, Curzio Maltese, Rupert Matthews, Morten Messerschmidt, Luigi Morgano, John Procter, Yana Toom, Sabine Verheyen, Bogdan Brunon Wenta, Theodoros Zagorakis, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Milan Zver, Krystyna Łybacka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Elena Gentile, Liliana Rodrigues, Algirdas Saudargas

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

John Howarth, Luděk Niedermayer

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

23

+

ALDE

Mircea Diaconu, María Teresa Giménez Barbat, Yana Toom

EFDD

Isabella Adinolfi

ENF

Dominique Bilde

GUE/NGL

Nikolaos Chountis, Curzio Maltese

PPE

Andrea Bocskor, Svetoslav Hristov Malinov, Luděk Niedermayer, Algirdas Saudargas, Sabine Verheyen, Bogdan Brunon Wenta, Theodoros Zagorakis, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Milan Zver

S&D

Silvia Costa, Elena Gentile, John Howarth, Petra Kammerevert, Luigi Morgano, Liliana Rodrigues, Krystyna Łybacka

0

-

4

0

ECR

Rupert Matthews, Morten Messerschmidt, John Procter

Verts/ALE

Jill Evans

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

27.3.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

35

4

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Pascal Arimont, Franc Bogovič, Victor Boştinaru, Mercedes Bresso, Steeve Briois, Rosa D’Amato, Raymond Finch, Michela Giuffrida, Krzysztof Hetman, Ivan Jakovčić, Marc Joulaud, Constanze Krehl, Martina Michels, Iskra Mihaylova, Andrey Novakov, Paul Nuttall, Younous Omarjee, Konstantinos Papadakis, Mirosław Piotrowski, Stanislav Polčák, Liliana Rodrigues, Fernando Ruas, Monika Smolková, Ruža Tomašić, Ramón Luis Valcárcel Siso, Ángela Vallina, Matthijs van Miltenburg, Lambert van Nistelrooij, Derek Vaughan, Kerstin Westphal, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Daniel Buda, Elena Gentile, Elsi Katainen, Ivana Maletić, Tonino Picula, Bronis Ropė, Davor Škrlec, Damiano Zoffoli

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Ricardo Serrão Santos


HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

35

+

ALDE

Ivan Jakovčić, Elsi Katainen, Iskra Mihaylova, Matthijs van Miltenburg

ECR

Mirosław Piotrowski, Ruža Tomašić

GUE/NGL

Martina Michels, Younous Omarjee, Ángela Vallina

PPE

Pascal Arimont, Franc Bogovič, Daniel Buda, Krzysztof Hetman, Marc Joulaud, Ivana Maletić, Lambert van Nistelrooij, Andrey Novakov, Stanislav Polčák, Fernando Ruas, Ramón Luis Valcárcel Siso, Joachim Zeller

S&D

Victor Boştinaru, Mercedes Bresso, Elena Gentile, Michela Giuffrida, Constanze Krehl, Tonino Picula, Liliana Rodrigues, Ricardo Serrão Santos, Monika Smolková, Derek Vaughan, Kerstin Westphal, Damiano Zoffoli

VERTS/ALE

Bronis Ropė, Davor Škrlec

4

-

EFDD

Raymond Finch, Paul Nuttall

ENF

Steeve Briois

NI

Konstantinos Papadakis

1

0

EFDD

Rosa D'Amato

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 13 april 2018Juridische mededeling