Procedure : 2017/2190(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0139/2018

Ingediende teksten :

A8-0139/2018

Debatten :

PV 02/05/2018 - 21
CRE 02/05/2018 - 21

Stemmingen :

PV 03/05/2018 - 7.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0198

VERSLAG     
PDF 483kWORD 77k
6.4.2018
PE 612.207v02-00 A8-0139/2018

over het jaarverslag inzake de controle van de financiële activiteiten van de EIB voor 2016

(2017/2190(INI))

Commissie begrotingscontrole

Rapporteur voor advies: Marco Valli

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES van de Commissie internationale handel
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het jaarverslag inzake de controle van de financiële activiteiten van de EIB voor 2016

(2017/2190(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het activiteitenverslag 2016 van de Europese Investeringsbank (EIB),

–  gezien het financieel verslag 2016 en het statistisch verslag 2016 van de EIB,

–  gezien het duurzaamheidsverslag 2016, het verslag 2016 over de driepijlerbeoordeling voor EIB-verrichtingen binnen de EU en het verslag 2016 over de resultaten buiten de EU van de Europese Investeringsbank,

–  gezien de jaarverslagen van het Comité ter controle van de boekhouding van de EIB over 2016,

–  gezien het activiteitenverslag 2016 van de EIB-groep over fraudebestrijding,

–  gezien het verslag over de uitvoering van het transparantiebeleid van de EIB in 2016 en het verslag over corporate governance van 2016,

–  gezien het activiteitenverslag 2016 van het bureau van het hoofd Naleving van de EIB,

–  gezien de operationele plannen van de EIB-groep voor 2015-2017 en 2016-2018,

–  gezien de artikelen 3 en 9 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 15, 126, 174, 175, 208, 209, 271, 308 en 309 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), Protocol nr. 5 bij het VWEU betreffende de statuten van de EIB en Protocol nr. 28 bij het VWEU betreffende economische, sociale en territoriale cohesie,

–  gezien Protocol nr. 1 bij het VWEU betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

–  gezien het reglement van orde van de Europese Investeringsbank,

–  gezien zijn resoluties van 11 maart 2014 over de Europese Investeringsbank (EIB) — jaarverslag 2012(1), van 30 april 2015 over de Europese Investeringsbank (EIB) — jaarverslag 2013(2), van 28 april 2016 over de Europese Investeringsbank (EIB) — jaarverslag 2014(3) en van 27 april 2017 over het jaarverslag inzake de controle van de financiële activiteiten van de EIB voor 2015 — jaarverslag 2015(4),

–   gezien Besluit nr. 1080/2011/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 over het externe mandaat van de EIB voor de periode 2007-2013(5) en Besluit nr. 466/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot verlening van een EU-garantie voor verliezen van de Europese Investeringsbank op financieringsverrichtingen van projecten buiten de Unie(6),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 november 2014 getiteld "Een investeringsplan voor Europa" (COM(2014) 903),

–  gezien Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2015 betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Europese investeringsadvieshub en het Europese investeringsprojectenportaal en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013 – het Europees Fonds voor strategische investeringen(7),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 juli 2015 getiteld "Samen werken aan werkgelegenheid en groei: de rol van nationale stimuleringsbanken (NPB's) bij de facilitering van het Investeringsplan voor Europa" (COM(2015) 361),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 1 juni 2016 getiteld "Europa investeert weer – Balans van het investeringsplan voor Europa en volgende stappen" (COM(2016) 359),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 14 september 2016 over de verlenging van de looptijd van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), en de invoering van technische versterkingen voor dat fonds en de Europese investeringsadvieshub (COM(2016) 597, SWD(2016) 297 en SWD(2016) 298),

–  gezien de evaluatie door de EIB van september 2016 van de werking van het Europees Fonds voor Strategische Investeringen (EFSI),

–  gezien advies nr. 2/2016 van de Europese Rekenkamer over het voorstel voor een verordening tot verlenging en uitbreiding van het EFSI,

–  gezien speciaal verslag nr. 19/2016 van de Europese Rekenkamer getiteld "Uitvoering van de EU-begroting via financieringsinstrumenten – lessen die uit de programmeringsperiode 2007-2013 moeten worden getrokken",

–  gezien de ad-hocaudit door Ernst & Young van 8 november 2016 van de toepassing van Verordening (EU) 2015/1017 ("EFSI-verordening"),

–  gezien het verslag van de Commissie van 16 juni 2017 over het beheer van het garantiefonds van het Europees Fonds voor strategische investeringen in 2016 (COM(2017) 326) en (SWD(2017) 235),

–  gezien de driepartijenovereenkomst van september 2016 tussen de Europese Commissie, de Europese Rekenkamer en de Europese Investeringsbank,

–  gezien de brief d.d. 22 juli 2016 van de Europese Ombudsman aan de president van de Europese Investeringsbank,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie internationale handel (A8-0139/2018),

A.  overwegende dat de EIB volgens de definitie van de artikelen 308 en 309 van het VWEU de bank van de EU is, en 's werelds grootste multilaterale bank en grootste publieke kredietverstrekker op de internationale kapitaalmarkten;

B.  overwegende dat de EIB krachtens het Verdrag verplicht is bij te dragen aan de integratie, de economische en sociale cohesie en de regionale ontwikkeling in de EU door middel van specifieke investeringsinstrumenten zoals leningen, aandelen, garanties, risicodelingsfaciliteiten en adviesdiensten;

C.  overwegende dat uitdagingen in verband met duurzaamheid steeds groter worden, met name in de context van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, die moet worden omgezet in een aantal concrete doelstellingen van de EIB;

D.  overwegende dat de EIB een fundamentele rol vervult bij de implementatie van een groeiend aantal financieringsinstrumenten die de begrotingsmiddelen van de EU een hefboomeffect geven;

E.  overwegende dat investeringen in innovatie en vaardigheden van cruciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de kenniseconomie in Europa en de verwezenlijking van de Europa 2020-doelstellingen;

F.  overwegende dat het leveren van een bijdrage aan een evenwichtige en ongestoorde ontwikkeling van de interne markt door middel van de financiering van projecten voor minder ontwikkelde regio's en projecten die niet volledig kunnen worden gefinancierd door individuele lidstaten volgens artikel 309 van het VWEU de kerntaak van de EIB is;

G.  overwegende dat moderne, duurzame infrastructuur een essentiële rol speelt in de bestrijding van de klimaatverandering en bij het met elkaar verbinden van de interne markten en de Europese economieën; overwegende dat alle gerelateerde investeringen door de EIB ervoor moeten zorgen dat de EU over de duurzame, efficiënte, milieuvriendelijke en goed geïntegreerde infrastructuur beschikt die zij nodig heeft om een "Slim Europa" tot stand te brengen en werkelijk duurzame en inclusieve langetermijngroei te ondersteunen;

H.  overwegende dat de EIB een referentiebank is die gericht is op bevordering van de groei van start-ups en innoverende bedrijven;

I.  overwegende dat de EIB-leningen voor klimaatactie de overgang naar een koolstofarme, milieuvriendelijke en klimaatbestendige economie moeten ondersteunen, met name via projecten ter bevordering van een efficiënt gebruik van natuurlijke hulpbronnen, hernieuwbare energie en energie-efficiëntie;

J.   overwegende dat het Investeringsplan voor Europa berust op drie pijlers: geld vrijmaken voor investeringen, ervoor zorgen dat de investeringen de reële economie bereiken en het investeringsklimaat in de Unie verbeteren;

K.  overwegende dat de investeringen van de EIB niet alleen rendabele verrichtingen moeten zijn, maar ook moeten beantwoorden aan duurzaamheidscriteria en bestuurlijke normen, in overeenstemming met de in het Verdrag opgenomen vereiste om zonder winstoogmerk te handelen in het belang van de Unie;

L.  overwegende dat het binnen de EIB ontwikkelde transparantiebeleid met het probleem kampt dat de EIB enerzijds een overheidsorgaan is – de bank van de EU – en anderzijds een commerciële bank die cliënten van de EIB beheert en over informatie over die cliënten beschikt;

M.  overwegende dat de EIB haar AAA-rating moet behouden, die een fundamenteel pluspunt vormt van haar bedrijfsmodel, nl. het aantrekken van middelen en het verstrekken van leningen tegen gunstige tarieven en het beschikken over een solide activaportefeuille;

N.  overwegende dat de EIB zich gezien haar aard af en toe moet bezighouden met particuliere, winstgerichte ondernemingen, maar dat het de primaire rol van de bank is om de belangen van de EU-burgers te dienen en deze boven de belangen van particuliere ondernemingen, bedrijven en concerns te stellen;

Bevordering van financieel duurzame activiteiten voor een solide langetermijneffect van EIB-investeringen

1.  merkt op dat de EIB-groep in 2016 in totaal 83,8 miljard EUR heeft gefinancierd en dat jaar in totaal 280 miljard EUR aan investeringen heeft gemobiliseerd;

2.  neemt nota van de reeks jaarverslagen van de EIB over 2016 waarin de diverse verwachte effecten van de investeringsactiviteiten worden gepresenteerd; herhaalt zijn verzoek aan de EIB om een vollediger, gedetailleerder en geharmoniseerder jaarlijks activiteitenverslag te presenteren en de presentatie van de informatie aanzienlijk te verbeteren door gedetailleerde en betrouwbare uitsplitsingen te verstrekken van de investeringen die voor een bepaald jaar zijn goedgekeurd, ondertekend en uitbetaald en de gebruikte financieringsbronnen (eigen middelen, EFSI, centraal beheerde EU-programma's enz.) evenals informatie van dergelijke aard met betrekking tot begunstigden (lidstaten, overheid, particuliere sector, intermediairs of directe ontvangers), ondersteunde sectoren en de resultaten van de ex‑postevaluaties;

3.  verzoekt de EIB zich daarvoor in te spannen door de beleidsmakers complete en uitputtende informatie te verstrekken over de bereikte concrete economische, sociale en milieueffecten en de toegevoegde waarde van haar verrichtingen in de lidstaten en buiten de EU, in de vorm van respectievelijk driepijlerbeoordelingen (3PA) en Results Measurement (ReM) Framework-verslagen; benadrukt het belang van een onafhankelijke ex-ante- en ex-postevaluatie van elk project; verzoekt de EIB om in de rapportage over de impact van haar investeringen gedetailleerde voorbeelden van grensoverschrijdende meerwaarde te geven, alsook kernindicatoren voor sectorale en intersectorale successen; verzoekt de EIB de resultaten van de ex-postevaluaties te doen toekomen aan het Parlement;

4.  herinnert eraan dat door de EIB ondersteunde activiteiten in overeenstemming moeten zijn met de kerntaak van de bank uit hoofde van het VWEU, met de beginselen van de EU-beleidsdoelstellingen zoals uiteengezet in de Europa 2020-strategie en met de COP 21-overeenkomst; wijst er daarom op dat het de taak van de EIB is om de Europese economie nieuw leven in te blazen teneinde kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid te stimuleren en slimme, inclusieve en duurzame groei in de Unie, evenals de grotere samenhang die nodig is om de trend van groeiende ongelijkheid binnen en tussen lidstaten om te buigen, te ondersteunen; hoopt derhalve op een steeds nauwere samenwerking tussen de EIB, de Commissie en de lidstaten om zo het niveau van de programmering en de vaststelling van doelstellingen te verbeteren, zodat de financieringsdoelstellingen weer geprioriteerd worden;

5.  onderstreept dat investeringen in kmo's, start-ups, onderzoek, innovatie, de digitale economie en energie-efficiëntie, gezien de gevolgen en het belang ervan voor zowel lokale als nationale economieën, de meest cruciale factor zijn om het economisch herstel in de EU en hoogwaardige werkgelegenheid te stimuleren;

6.  wijst erop dat het steeds weer noodzakelijk blijkt dat de EIB bijdraagt tot de vermindering van de aanhoudende investeringskloof op basis van degelijke economische criteria; benadrukt dat bij de beoordeling van gefinancierde projecten ook rekening moet worden gehouden met de – positieve of negatieve – sociale, economische en milieueffecten, met name de gevolgen van de projecten voor de lokale gemeenschappen, om te kunnen uitmaken of er echte meerwaarde wordt geboden aan de burgers van de EU;

7.  is van mening dat de goedkeuring van investeringsprojecten gebaseerd moet zijn op een deugdelijke, onafhankelijke analyse met een beoordeling van de financiële duurzaamheid en de risico’s die aan de projecten verbonden zijn, om te voorkomen dat, wanneer het om openbare middelen gaat, verliezen gesocialiseerd en winsten geprivatiseerd worden; wijst erop dat verlening van overheidssubsidies alleen moet worden overwogen voor de uitvoering van opdrachten van algemeen belang en wanneer de markt niet in staat is de nodige resultaten te leveren op het gebied van openbaar beleid;

8.  wijst nogmaals op de zorgen van het Parlement over de vaststelling van een evenwichtige strategie met een dynamische, eerlijke en transparante geografische spreiding van projecten en investeringen over de lidstaten, rekening houdend met de specifieke nadruk op minder ontwikkelde landen en regio's; merkt op dat 70 % van de totale kredietverlening door de EIB voor 2016 (46,8 miljard EUR) is geconcentreerd in zes lidstaten, hetgeen aantoont dat niet alle lidstaten of regio's in gelijke mate van investeringsmogelijkheden kunnen profiteren;

9.  spreekt zijn steun uit voor de vier publieke beleidsdoelstellingen van de EIB en voor twee horizontale doelstellingen die als een rode draad door deze doelstellingen lopen, te weten economische en sociale cohesie en klimaatactie, en die talrijke aspecten bestrijken, zoals regionale onevenwichtigheden aanpakken, zwakkere regio's helpen om aantrekkelijker te worden en een gunstig klimaat scheppen voor de bevordering van duurzame en inclusieve groei; herhaalt echter zijn oproep aan de EIB om economische, sociale en territoriale cohesie weer tot een primaire doelstelling van openbaar beleid te maken;

10.  verzoekt de EIB rekening om bij grootschalige infrastructuurprojecten rekening te houden met alle risico’s die van invloed kunnen zijn op het milieu en voorrang te geven aan de financiering van projecten waarvan is aangetoond dat ze werkelijk meerwaarde hebben voor het milieu, de economie en de plaatselijke bevolking; benadrukt het belang van streng toezicht op mogelijke risico's van fraude en corruptie, en verzoekt de EIB om de leningen voor projecten waarnaar een officieel onderzoek loopt, te bevriezen;

11.  betreurt dat veel lidstaten onvoldoende in staat zijn om financiële instrumenten toe te passen, publiek-private partnerschappen (PPP's) tot stand te brengen en synergieën te realiseren tussen verschillende soorten financiering, hetgeen negatieve consequenties heeft voor de algehele voortgang van de investeringen;

12.  benadrukt dat het gebruik van EU-gelden en -subsidies, evenals de aanpak van de EIB bij het verstrekken van technische steun en financieel advies aan de lidstaten in een gemakkelijk toegankelijke vorm, geoptimaliseerd moeten worden op basis van een combinatie van leningen (projectleningen, leningen via een intermediair, microkredieten, durfkapitaal, aandelenkapitaal en kapitaalinvestering), gemengde financiering (rechtstreekse financiering ondersteund door extra investeringsbronnen, zoals garanties, projectobligaties, enz.) en advies (financiële en technische expertise); verzoekt de EIB derhalve om in samenwerking met de Commissie aan lidstaten die slechts een gering deel van de financiering van de EIB ontvangen meer technische bijstand te verlenen op het gebied van advies- en analysediensten, projectbeheer en capaciteitsopbouw; herinnert eraan dat financieringsinstrumenten, zoals projectobligaties, serieus moeten worden beoordeeld op hun financiële, sociale en milieugevolgen, teneinde te voorkomen dat de volledige risicolast wordt afgewenteld op het publiek;

13.  erkent dat er verschillen kunnen bestaan tussen de beoordeling van een bank van de haalbaarheid van projecten en een traditionele sectorale beoordeling die voor de structuurfondsen wordt gebruikt; is voorts van mening dat de doeltreffendheid van interventies moet worden beoordeeld op basis van het potentieel en de duurzaamheid van financieringsinstrumenten, waarbij ook rekening moet worden gehouden met de kwantificeerbare resultaten die zouden kunnen worden behaald;

14.  verzoekt de EIB om, gezien het grote aantal mandaten dat zij beheert, aandacht te besteden aan de kosteneffectiviteit van haar bedrijfsvoering door zorgvuldig toezicht te houden op en verslag uit te brengen over beheerskosten en vergoedingen; acht het van essentieel belang dat de kosten van activiteiten proportioneel zijn; vraagt de EIB om in haar rapportage uitvoerige informatie over de structuur van de beheerskosten en vergoedingen op te nemen (direct, indirect en cumulatief) naar gelang van de aard van de beheerde mandaten, de omvang van de projecten en de gebruikte financiële instrumenten (lening, garantie of aandelen);

15.  beschouwt de AAA-rating als een essentiële troef voor de ontwikkeling van de investeringsstrategie en de leningprioriteiten van de EIB voor de lange termijn; wijst er evenwel op dat de instrumenten en interventies van de EIB (met name als die gebaseerd zijn op risico-overdracht), willen zij kunnen bijdragen aan de economische ontwikkeling van de EU, niet risicovrij kunnen zijn;

16.  merkt op dat het VK 16,1 % van het kapitaal van de EIB inbrengt, wat neerkomt op 3,5 miljard EUR van het gestorte kapitaal en 35,7 miljard EUR van het opvraagbare kapitaal van de bank; vraagt de directie van de EIB om snel vast te stellen wat de gevolgen van de brexit zullen zijn en het Parlement daar snel over te informeren, teneinde te garanderen dat de EIB in staat blijft om haar beleidsdoelstellingen te verwezenlijken;

17.  verzoekt de EIB, gezien de meest directe uitdaging voor de bank die voortvloeit uit het besluit van het VK om artikel 50 in gang te zetten en het feit dat niet kan worden vooruitgelopen op de exacte terugtrekkingsvoorwaarden, het Parlement een gedetailleerde uitsplitsing te verschaffen van de projecten en de uitvoeringsfase waarin deze zich aan het einde van 2017 bevonden, in combinatie met een voorlopige evaluatie van de mogelijke risico's die hiermee zijn gemoeid;

Betere monitoring van meerwaarde en additionaliteit bij het financieel beheer van de EIB

18.  wijst erop dat de EIB in 2016 via leningen, garanties en investeringen in totaal 280 miljard EUR heeft gemobiliseerd; constateert dat 67,7 miljard EUR aan investeringen verband hield met EFSI-goedkeuringen in 2016, die hoofdzakelijk betrekking hadden op kleinere bedrijven (31 %), de energiesector (22 %) en onderzoek, ontwikkeling en innovatie (22 %); betreurt echter dat een groot deel van de investeringen in het kader van de EFSI-portefeuille bestemd was bestemd voor projecten in verband met fossiele brandstoffen; wijst nogmaals op de noodzaak van een grondige analyse en evaluatie van de milieueffecten van elk project;

19.  is van mening dat versterking van de impact en waarborging van additionaliteit van cruciaal belang zijn; neemt nota van de modellering en de verwachte impact van de activiteiten van de EIB, die zouden moeten bijdragen tot een extra groei van het bbp met 1,1 % en het scheppen van 1,4 miljoen extra banen tegen 2030; juicht het toe dat 385 000 kmo's zullen profiteren van EIF-financiering en herinnert eraan dat die ondernemingen de ruggengraat van de Europese economie vormen en werkgelegenheid en duurzame groei stimuleren; verzoekt de EIB regelmatig verslag uit te brengen over geactualiseerde hefboomeffecten; begrijpt echter dat het hefboomeffect per sector kan verschillen en dat een project met een laag hefboomeffect niet per definitie een lage toegevoegde waarde heeft;

20.  benadrukt dat de activiteiten van de EIB in de huidige periode van traag herstel zorgvuldig moeten worden gericht op projecten van hoge kwaliteit die zorgen voor sterkere additionaliteit ten opzichte van andere bestaande instrumenten van de Unie en van de hoofdverrichtingen van de EIB; hoopt derhalve ook op een nauwere samenwerking tussen de EIB, de Commissie en de lidstaten met het oog op een meer flexibele markt en verbetering van de digitale en de vervoersinfrastructuur, het ontbreken waarvan dikwijls wordt gezien als een obstakel voor investeringen;

21.  is van mening dat voor elk betrokken project relevante kwalitatieve beleidsinformatie moet worden verstrekt op basis van monitoring of additionaliteitsindicatoren, alsmede de risicoblootstelling, zodat voor elk project correct kan worden beoordeeld welke de meerwaarde ervan is, of het de efficiëntie kan vergroten en of het bijdraagt aan de economie van de EU;

22.  verzoekt de EIB om, wanneer de EU een hefboomeffect sorteert op overheidsmiddelen, precieze informatie te verstrekken over de minimale en de gemiddelde hefboomwerking die is bereikt en die naar begunstigden of projecten is gegaan, en te vermelden hoeveel privaat kapitaal is aangetrokken; verlangt dat duidelijk wordt vastgesteld wat het aandeel van de hefboomwerking van de publieke financiering respectievelijk het private kapitaal is; is van mening dat het risico bestaat dat het multiplicatoreffect wordt overschat en dat de vastgestelde doelstellingen en resultaten enkel projecties zijn die niet bevestigd worden door concrete, nauwkeurige, duidelijke en actuele statistieken;

Resultaten van het EFSI tot op heden

23.  constateert dat het EFSI eind 2016 naar verwachting in totaal 163,9 miljard EUR aan in aanmerking komende investeringen zou moeten hebben gemobiliseerd; merkt echter ook op dat het daadwerkelijke volume van de investeringen die in 2016 zijn gemobiliseerd in het kader van het venster infrastructuur en innovatie (IIW) en het kmo-venster (SMEW) volgens het operationeel plan 2018 van de EIB-groep niet meer dan 85,5 miljard EUR bedroeg, wat opgeteld bij de 37 miljard EUR van 2015 een totaal bedrag van 122,5 miljard EUR aan door EFSI gemobiliseerde investeringen geeft;

24.  betwijfelt of het geformuleerde streefcijfer van 500 miljard EUR kan worden bereikt bij de uitvoering van EFSI 2.0 en roept de EIB op om de toegevoegde waarde van het EFSI als financieringsinstrument voor het stimuleren van particuliere investeringen aan te tonen;

25.  herinnert eraan dat het uitgangspunt van het EFSI, dat wordt ondersteund vanuit de EU-begroting, is dat het, in tegenstelling tot andere financieringsinstrumenten van de EIB, voor additionaliteit moet zorgen door werkelijk aanvullende en innovatieve toekomstgerichte sectoren te bepalen en projecten waarmee een hoger risico is gemoeid, alsook door nieuwe tegenpartijen uit de particuliere sector te kiezen;

26.  merkt op dat complementariteit tussen de verschillende pijlers van het Investeringsplan voor Europa (IPE) nog in een vroeg stadium verkeert; erkent dat de EIB-groep in het kader van de tweede pijler weliswaar veel invloed heeft op de Europese investeringsadvieshub (EIAH), maar slechts zeer weinig op de rest van die tweede pijler (ervoor zorgen dat investeringen de reële economie bereiken) of op de derde pijler (verbetering van het investeringsklimaat, hervorming van de regelgeving);

27.  benadrukt het belang van de additionaliteitscriteria, die impliceren dat verrichtingen moeten worden ondersteund die alleen voor EFSI-steun in aanmerking komen als ze duidelijk aantoonbaar marktfalen of suboptimale investeringssituaties aanpakken en die niet of niet in dezelfde mate of binnen hetzelfde tijdsbestek hadden kunnen worden uitgevoerd zonder het EFSI; verlangt dat de EIB-groep ten volle gebruik maakt van haar risicodragende capaciteit om ondernemingen te selecteren die innoverend zijn, maar tegelijkertijd ook laten zien dat zij echte meerwaarde kunnen bieden, bijvoorbeeld in de vorm van stabiele en hoogwaardige banen;

28.   herinnert eraan dat de beoordeling van de additionaliteit van door het EFSI ondersteunde projecten naar behoren moet worden gedocumenteerd; betreurt dat de scoreborden voor de goedgekeurde projecten niet bekend worden gemaakt in het kader van EFSI 1.0; wijst erop dat dit verzuim tot zowel verantwoordings- als transparantieproblemen leidt; benadrukt het belang van transparantie ten aanzien van het EFSI-scorebord van indicatoren, die ook noodzakelijk is om het investeringscomité van het EFSI ter verantwoording te kunnen roepen, en merkt daarom met tevredenheid op dat het scorebord van indicatoren in het kader van EFSI 2.0 openbaar wordt gemaakt; wijst bovendien op de noodzaak van een duidelijkere definitie van het additionaliteitsbeginsel ten aanzien van activiteiten die meer risicovol zijn dan de standaardverrichtingen van de EIB, om te kunnen zorgen voor meer samenhang en transparantie bij de selectie van de projecten;

29.  verzoekt de EIB om volledige en relevante kwalitatieve beheersinformatie te verstrekken over de tenuitvoerlegging van de verklaarde doelstellingen van het EFSI, waarin de werkelijke additionaliteit en impact worden afgezet tegen benchmarks;

30.   roept de bank op licht te werpen op EFSI-projecten die mogelijkerwijs gepaard gaan met infrastructuurvoorzieningen met grote milieueffecten en een twijfelachtige additionaliteit, zoals bioraffinaderijen, staalfabrieken, verdampingsinstallaties, gasopslaginstallaties en snelwegen; roept de Bank op serieus aandacht te besteden aan verklaringen van plaatselijke autoriteiten, de betroffen gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld in overeenstemming met haar procedures voor due diligence; verwijst naar het voorzorgsbeginsel en beveelt de EIB aan om financieringen op te schorten en zo nodig in te trekken wanneer er wetenschappelijk bewijs is of er een aanzienlijk risico bestaat dat de milieuregels zijn overtreden en dat de samenleving of de lokale gemeenschappen schade ondervinden;

31.  dringt er omwille van de verantwoording op aan dat het investeringscomité de ontwikkeling van resultaatgerichte investeringen regelmatig beoordeelt met behulp van het scorebord van indicatoren teneinde goed gerichte projecten, dat wil zeggen projecten die een effectieve macro-economische impact hebben of groei en werkgelegenheid stimuleren, te identificeren; verzoekt om een objectief overzicht van de additionaliteit en meerwaarde van die projecten en van de mate waarin ze stroken met Uniebeleid en andere klassieke EIB-verrichtingen;

32.  betreurt dat met slechts 20 % van de EFSI-financiering projecten zijn ondersteund die bijdragen tot matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering, terwijl de standaardportefeuille van de EIB de drempel van 25 % heeft bereikt; verzoekt de EIB ervoor te zorgen dat in alle omstandigheden de hand wordt gehouden aan haar maximumnormen omwille van de bescherming van het milieu en de toepassing van de COP21-criteria;

33.  is bezorgd over het feit dat de EFSI-investeringen in sociale infrastructuur (menselijk kapitaal, cultuur en gezondheid) aan het eind van 2016 slechts 4 % bedroegen (minder dan 900 miljoen EUR), waardoor dat de sector is die in het algemeen en binnen de twee individuele vensters (IIW en SMEW) de minste EFSI-steun ontvangt; benadrukt dat er een duidelijke en dringende noodzaak is om het aandeel en het volume van dergelijke investeringen aanzienlijk te verhogen;

34.   betreurt dat de bestaande ondersteuningsdiensten niet in elke lidstaat lokaal aanwezig zijn om capaciteitsgebreken aan te pakken; is van mening dat er goede uitleg of strategische richtsnoeren moeten worden gegeven voor lokale en regionale actoren, met name met betrekking tot de positionering van het EFSI en de mogelijke combinatie ervan met andere EU- of EIB-fondsen; wijst erop dat de samenwerking tussen het EFSI en andere financieringsbronnen van de EU (COSME, Horizon 2020) moet worden verbeterd om betere synergieën teweeg te brengen; wijst erop dat het EFSI niet moet worden beschouwd als de zoveelste financieringsbron en dat overlapping van doelstellingen of financiering zorgvuldig moet worden vermeden;

35.  neemt kennis van de toename van het aantal bijzondere activiteiten van de EIB die het gevolg zijn van het eerste anderhalf jaar EFSI; is van mening dat door het EFSI gesteunde speciale activiteiten van de EIB moeten zorgen voor additionaliteit ten opzichte van andere financieringsinstrumenten van de EIB, het EIF of de Unie;

36.  dringt erop aan het selectieproces voor de verrichtingen transparanter te maken en alle operationele informatie over ondertekende verrichtingen bekend te maken via het scorebord van indicatoren, alsook om het verantwoordingsproces voor verrichtingen te verbeteren;

37.  verzoekt om gestroomlijnde bestuursregelingen om de respectieve verantwoordelijkheden van de Commissie en de EIB beter af te bakenen, onafhankelijkheid te waarborgen en belangenconflicten van de diverse actoren die deelnemen aan het besluitvormingsproces, en met name van de leden van het investeringscomité van het EFSI, te voorkomen;

38.  is ingenomen met het feit dat er bij EFSI 2.0 meer verantwoording moet worden afgelegd aan het Europees Parlement (onder meer via regelmatige verslagen en een vertegenwoordiger van het EP in het bestuur van het EFSI), en dat het EFSI-scorebord van indicatoren transparanter wordt; verwacht dan ook dat de projectbeoordelingen in het kader van het scorebord van indicatoren bekend worden gemaakt zoals bepaald in de EFSI 2.0-verordening, om ervoor te zorgen dat de EU-begrotingsmiddelen uitsluitend worden gebruikt als garantie voor projecten waarvan de aard een dergelijke aanvullende overheidssteun rechtvaardigt; betreurt evenwel dat het voorstel voor de verlenging van het EFSI niet vergezeld ging van een effectbeoordeling zoals voorzien in de richtsnoeren voor betere regelgeving, noch van een evaluatie vooraf zoals in de artikelen 30 en 140 van het Financieel Reglement is voorgeschreven voor uitgavenprogramma’s en financieringsinstrumenten;

39.  beveelt aan dat de EIB in haar jaarverslagen aangeeft hoe zij de in de resoluties van het Europees Parlement gedane aanbevelingen heeft geïntegreerd, een praktijk op het gebied van verantwoording die moet worden geformaliseerd;

Factoren voor verandering en waardecreatie bij de uitvoering van de doelstellingen van het EU-overheidsbeleid

40.  neemt nota van het verslag over de verrichtingen van de EIB binnen de EU in 2016, met een overzicht van de financiering die zij heeft verleend op vier fundamentele beleidsterreinen, te weten innovatie en vaardigheden (19,6 % van de ondertekeningen door de EIB in 2016 — 13,1 miljard EUR), financiering voor kmo's en midcaps (31,7 % — 21,3 miljard EUR), infrastructuur (27,1 % — 18,1 miljard EUR) en milieu (21,6 % — 14,5 miljard EUR);

41.  betreurt dat in het verslag over de activiteiten van de EIB binnen de EU in 2016 geen gestructureerde informatie wordt verstrekt over een van de horizontale beleidsterreinen van de bank, namelijk economische en sociale samenhang; uit zijn bezorgdheid over het feit dat de EIB in 2016 voor een tweede jaar op rij het beoogde doel van 30 % voor investeringen voor cohesie niet heeft bereikt (26,8 % in 2016 en 25,2 % in 2015 binnen de EU);

42.  benadrukt de noodzaak om in het jaarverslag van de EIB een meer gedetailleerde analyse van de investeringsbehoeften per sector in de EU op te nemen, zodat kan worden nagegaan waar de investeringen achterblijven bij wat nodig is om de prioriteiten van de EU te verwezenlijken; is van mening dat de EIB moet beoordelen of haar investeringsinstrumenten deze tekorten kunnen wegwerken;

43.  is van mening dat een uitbreiding van de leningenactiviteit van de EIB kan worden bewerkstelligd door een efficiëntere en meer strategische toewijzing van middelen, gericht op productieve en duurzame investeringsprojecten met een aangetoonde meerwaarde en betere synergieën met overheidsfondsen, met als doel overheidsinvesteringen aan te moedigen en de interne vraag te stimuleren; benadrukt dat die uitbreiding gepaard moet gaan met een overeenkomstige diversificatie van het productassortiment van de EIB, onder meer via een efficiënt en transparant gebruik van publiek-private partnerschappen — waarbij de publieke en private voordelen in evenwicht moeten worden gehouden — en andere innovatieve oplossingen, teneinde beter te kunnen inspelen op de behoeften van de reële economie;

44.  vestigt de aandacht op de talrijke verzoeken aan de EIB om de verspreiding van best practices in alle lidstaten te stimuleren en te vergemakkelijken, in het bijzonder via de nationale stimuleringsbanken, investeringsplatforms en -instellingen, die voor de EU van groot belang zijn als middel om het lage investeringspeil op gecoördineerde wijze aan te pakken;

45.  betreurt dat sociale investeringen minder dan 6 % uitmaken van de jaarlijkse portefeuille van de EIB; onderstreept dat sociale cohesie een cruciale horizontale prioritaire doelstelling is voor de EIB en dringt er bij de bank op aan rekening te houden met de noodzaak om ongelijkheden en onevenwichtigheden binnen de EU terug te dringen en te investeren in de sociale sector en op een bredere geografische schaal;

Steun voor kmo's en midcaps

46.  beseft dat de trend om voor steun aan kmo's meer financieringsinstrumenten te ontwikkelen in plaats van klassieke subsidies een beleidsuitdaging en -verschuiving inhoudt voor wat betreft het toezicht op transacties, het fondsbeheer en de hoogte of de snelheid van de uitbetalingen aan kmo's; wijst erop dat kmo's en midcaps een cruciale rol spelen in de Europese economie doordat zij banen en welvaart creëren en innovatie bevorderen; benadrukt dat kmo's meer dan 90 % van alle bedrijven in de EU uitmaken en werk verschaffen aan twee derde van de actieve beroepsbevolking, en dat het ondersteunen van toegang tot financiering voor kmo's en midcaps derhalve een belangrijke prioriteit moet blijven voor de EIB; herinnert eraan dat de EIB een van de instellingen moet zijn die de financieringskloof waarmee kmo's te kampen hebben, moeten helpen verkleinen;

47.  merkt op dat de steun van de EIB aan kmo's circa 33,6 % van haar financiering over 2016 via het Europees Investeringsfonds uitmaakte, waarbij 36,2 miljard EUR aan investeringen werd gemobiliseerd via financiële intermediairs, met als doel 3,8 miljoen banen te behouden;

48.  neemt er nota van dat het scala van de InnovFin-producten is uitgebreid met twee nieuwe financieringsfaciliteiten die zijn opgezet voor demonstratieprojecten op het gebied van hernieuwbare energie en besmettelijke ziekten; is ingenomen met de nieuwe verrichting van 140 miljoen EUR die betrekking heeft op een "peer-to-peer"-leningenplatform dat beleggers in contact brengt met kmo's die op zoek zijn naar financiering;

49.  verzoekt de EIB om nauwer samen te werken met haar financiële intermediairs in de lidstaten om relevante informatie te verspreiden onder potentiële begunstigden, teneinde een ondernemersvriendelijk klimaat tot stand te brengen waarin kmo's gemakkelijker toegang tot financiering hebben; benadrukt het belang van de EIB voor de bevordering van het aangaan van partnerschappen en de versterking van steuninstrumenten voor de financiering van de activiteiten van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen en voor innovatieve start-ups; verzoekt de EIB ook nauwer samen te werken met regionale openbare instellingen om de financieringsmogelijkheden voor kmo's te optimaliseren;

50.  benadrukt dat de EIB haar risicocultuur verder moet ontwikkelen om haar doeltreffendheid en de complementariteit tussen haar interventies en de verschillende EU-beleidslijnen te verbeteren, in het bijzonder in regio's met een economische achterstand of een gebrek aan stabiliteit, in overeenstemming met de doelstelling die al jarenlang wordt nagestreefd om een laagdrempelige toegang tot financiering voor kmo's te garanderen, maar zonder afbreuk te doen aan de beginselen van deugdelijk beheer;

51.  benadrukt de noodzaak om investeringsprogramma's af te stemmen op kleinschalige projecten om de deelname van kmo's te verzekeren; is van mening dat de EIB moet bijdragen aan het overbruggen van mogelijke financieringskloven voor micro-ondernemingen door meer gebruik te maken van financieringsinstrumenten en producten zoals microfinancieringsfaciliteiten en garanties;

52.  benadrukt dat toegang tot financiering en internationalisering belangrijke obstakels vormen voor kmo's; onderstreept dat kmo's de ruggengraat van de Europese economie vormen; is van mening dat de EIB weliswaar de goede weg is ingeslagen, maar meer moet doen om ervoor te zorgen dat kmo's gemakkelijker en doeltreffender toegang hebben tot financiering zodat zij een plaats vinden in de mondiale waardeketens; merkt op dat de EIB ondersteuning moet bieden aan EU-ondernemingen die zaken willen doen in het buitenland, onder meer via de handelsfinancieringsfaciliteit;

Innovatie en vaardigheden

53.  onderstreept dat investeringen in innovatie en vaardigheden van cruciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de Europese kenniseconomie en de verwezenlijking van de doelstellingen van Europa 2020, met inbegrip van de doelstelling om 3 % van het bbp aan O&O te besteden; hoopt met name dat de EIB in samenwerking met de Commissie en de lidstaten projecten zal financieren die er op korte of middellange termijn voor zorgen dat het tekort aan gekwalificeerd personeel, dat een ernstig obstakel vormt voor investeringen, wordt weggewerkt;

54.  merkt op dat er in 2016 in totaal voor 13,5 miljard EUR aan leningen voor innovatieve projecten werd verstrekt, waarvan 12,2 miljard EUR betrekking had op eerste contracten, en dat de totale projectinvesteringskosten voor nieuwe operaties 50,2 miljard EUR bedroegen;

55.  dringt er bij de EIB op haar steun te waarborgen voor innovatieve bedrijven bij het ontwikkelen en commercialiseren van hun nieuwe producten, processen en diensten, aangezien het voor die bedrijven moeilijk is om financiële steun te krijgen van commerciële banken; benadrukt de rol van de EIB bij de voltooiing van het digitale netwerk van Europa (bv. snelle breedband) en de totstandbrenging van een digitale eengemaakte markt, met inbegrip van digitale diensten; moedigt de EIB aan om stimulansen te ontwikkelen die gericht zijn op het bevorderen van publieke en private investeringen in O&O op het gebied van informatie- en communicatietechnologie, biowetenschappen, levensmiddelen, duurzame landbouw, bosbouw en koolstofarme technologieën;

56.  is ingenomen met de herziening van het leningenprogramma voor de kenniseconomie op onderwijsgebied, die ertoe heeft geleid dat de financiering niet meer alleen voor op jongeren gerichte initiatieven bestemd is, maar nu ook beroepsopleiding en levenslang leren voor alle leeftijdscategorieën omvat;

Investeringen in infrastructuur

57.  is van mening dat het voor de Unie prioritair moet zijn om uitvoering te geven aan projecten met een echte Europese meerwaarde; is ervan overtuigd dat een innovatieve en doeltreffende economie geavanceerde, milieuvriendelijke en hoogwaardige vervoerssystemen en -infrastructuur vereist, en dat deze tot de prioriteiten van de Unie moeten behoren, met bijzondere nadruk op innovatieve intermodale infrastructuur en vervoersoplossingen in dunbevolkte gebieden;

58.  vraagt de EIB meer aandacht te besteden aan de realisering van infrastructuurprojecten, met name in de zwakkere regio's, om een vertraging van het economische convergentieproces te voorkomen; hoopt daarom dat er op het gebied van de openbare financiën op Unie-niveau wordt nagedacht over maatregelen, ook van tijdelijke aard, die een daadwerkelijke uitbreiding van de openbare investeringen in infrastructuur mogelijk maken;

59.  benadrukt dat in het Europese investeringsbeleid meer aandacht moet worden besteed aan horizontale thema’s, met name wat betreft duurzame vervoermiddelen en -diensten van de toekomst, waarvoor een gelijktijdige en coherente ontwikkeling van alternatieve energie en telecommunicatienetwerken nodig zal zijn; benadrukt daarom de cruciale rol van de EIB bij het tegen concurrerende voorwaarden verstrekken van de langetermijnfinanciering die nodig is voor deze projecttypes;

60.  neemt nota van de financieringsactiviteiten van de EIB op het gebied van infrastructuur en vervoer, die in 2016 in totaal 18,1 miljard EUR beliepen, en herinnert aan het belang van de verwezenlijking van een echte economische, ecologische en sociale meerwaarde voor de burgers van de EU alsook van zowel een gedetailleerde beoordeling vooraf van de geselecteerde projecten als een beoordeling achteraf van de bereikte resultaten;

61.  roept de EIB op om, met betrekking tot infrastructuurverrichtingen binnen de EU, aanzienlijk meer middelen te investeren in omvattende bijstand in de vorm van adviesdiensten aan lokale autoriteiten en kleinere gemeenten in een vroegtijdiger stadium van de vaststelling en beoordeling vooraf van projecten;

62.  uit zijn bezorgdheid over de mogelijke financiering door de EIB van het trans-Adriatische pijplijnproject, dat in de doorvoerlanden Albanië, Griekenland en Italië in verschillende mate strijdig is met de minimale sociale en milieunormen die zijn vastgesteld in de Equator Principles; betreurt dat de EBWO al 500 miljoen EUR aan financiering heeft toegewezen, en is van mening dat dit project niet geschikt is voor investeringen van de EIB en niet in aanmerking mag komen voor financiering door banken die de ambitie hebben om sociaal en ecologisch verantwoord te investeren;

Milieu- en klimaatmaatregelen

63.  neemt nota van de toezegging van de EIB om ten minste 25 % van de EU-leningenportefeuille toe te wijzen voor koolstofarme en klimaatbestendige groei; stelt vast dat de totale waarde van milieugerelateerde activiteiten in 2016 14,4 miljard EUR beliep, waarvan 4,9 miljard EUR voor duurzaam vervoer, 5,0 miljard EUR voor de bescherming van het milieu en de natuurlijke hulpbronnen, en 4,6 miljard EUR voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie; neemt voorts ter kennis dat voor de horizontale klimaatdoelstelling voor 17,5 miljard EUR aan leningen werd afgesloten;

64.  benadrukt het belang van de doelstellingen die in het kader van de COP21 voor het vervoer zijn vastgesteld met het oog op de bestrijding van de klimaatverandering; uit zijn bezorgdheid over het feit dat het vervoer verantwoordelijk is voor bijna een kwart van de Europese uitstoot van de broeikasgassen en de belangrijkste oorzaak van luchtverontreiniging in de steden is, en dat de uitstoot in deze sector nog steeds hoger is dan in 1990; neemt er nota van dat de EIB in de periode 2014-2016 fossiele-energieprojecten in lidstaten heeft gefinancierd voor een totale waarde van 5,3 miljard EUR, te weten twee aardolieprojecten, één kolenproject en 27 gasgerelateerde projecten, en daarnaast een externe garantie van 976 miljoen EUR heeft afgegeven voor zes projecten buiten de EU, waarvan er één betrekking had op kolen en vijf op fossiele gassen; onderstreept dat de financiering een verschuiving van het wegvervoer naar meer duurzame vormen van vervoer in de hand moet werken;

65.  benadrukt hoe belangrijk het is dat de projecten die op de nominatie staan om te worden gefinancierd of medegefinancierd door de EIB verenigbaar zijn met de nationale klimaatdoelstellingen die zijn gekoppeld aan de uitvoering van de COP 21;

66.  roept de EIB ertoe op de financiering te bevorderen van projecten die in overeenstemming zijn met haar nieuwe klimaatstrategie en de Overeenkomst van Parijs en daarbij de steun voor fossiele brandstoffen geleidelijk af te schaffen om te evolueren tot een sleutelinstrument van de EU in het kader van de wereldwijde gemeenschappelijke inspanningen om de klimaatverandering tegen te gaan, en duurzame ontwikkeling en de verwezenlijking van een concurrerender, zekerder en duurzamer energiesysteem te ondersteunen dat aansluit bij de energiestrategie voor 2030; vraagt de EIB daarom geen projecten te financieren waarbij zwaar vervuilende en verouderde technologie wordt gebruikt, in het bijzonder wanneer zij investeringen in de energiesector stimuleert; roept de EIB ertoe op meer kredieten te verstrekken aan openbare infrastructuurprojecten die de gevolgen van de klimaatverandering, zoals overstromingen, verzachten, en aan kleinschalige projecten op het gebied van hernieuwbare energie;

67.  roept de EIB op haar steun voor de hernieuwbare-energiesector, en dan met name voor gedecentraliseerde en kleinschalige projecten, op te schroeven;

Respons op problemen wereldwijd

68.  herinnert eraan dat 10 % van de totale leenactiviteiten van de EIB bestemd is voor activiteiten buiten de Unie, en is ingenomen met het feit dat het totaalbedrag van de door de EIB aan projectontwikkelaars buiten de Europese Unie toegewezen financiële middelen is toegenomen ten opzichte van 2015; benadrukt daarom dat de EIB jaarlijks moet rapporteren over haar operaties buiten de EU wat betreft de naleving van de algemene beginselen die aan het extern optreden van de Unie ten grondslag liggen, en de rol moet spelen die voor haar is weggelegd in het kader van het hernieuwde engagement van de Unie inzake beleidscoherentie voor ontwikkeling en met het oog op de consistentie met andere beleidslijnen van de EU, de VN-agenda 2030 en de Overeenkomst van Parijs, en daarbij de totstandbrenging van degelijke banen en degelijk onderwijs te ondersteunen, de volledige eerbiediging van mensenrechten, arbeids- en milieurechten te garanderen, en gendergelijkheid te stimuleren; onderstreept dat de EIB bij het ondersteunen van EU-bedrijven in het buitenland terdege rekening moet houden met de handelsstrategie van de EU, inclusief de bestaande en toekomstige handelsovereenkomsten;

69.  vraagt de EIB om in samenwerking met de EDEO en DG DEVCO van de Commissie een methode uit te werken om de impact te meten van de door de EIB buiten de EU verstrekte leningen op de globale EU-ontwikkelingssamenwerking, met name wat betreft de Agenda 2030 en de gevolgen voor de mensenrechten;

70.  neemt nota van de initiatieven van de EIB om de economische veerkracht in de bronlanden van migratie te versterken, en met name haar inspanningen om een krachtig multiplicatoreffect van het externe EU-beleid in Afrika teweeg te brengen;

71.  acht het essentieel dat de EIB haar capaciteit om risico's te dragen en te garanderen vergroot, in het bijzonder met betrekking tot projecten ter ontwikkeling en versterking van de privésector en projecten in het kader van het initiatief voor economische veerkracht;

72.   wijst er nogmaals op dat de Rekenkamer haar evaluaties van door de EU-begroting ondersteunde EIB-verrichtingen moet verbeteren en meer toezicht moet uitoefenen op de verrichtingen in het kader van het mandaat van de EIB voor externe leningen;

73.  benadrukt dat de externe verrichtingen van de EIB een ondersteunende functie moeten hebben op beleidsterreinen die van bijzonder belang zijn voor de EU;

74.  constateert dat de EIB de capaciteit van de impactfinancieringsenveloppe voor de ACS-landen aan het vergroten is en daarvan een revolverend fonds maakt, met een bedrag van 300 miljoen EUR om migratie rechtstreeks aan te pakken door steun te verlenen aan initiatieven van de privésector; neemt ter kennis dat de EIB ook 500 miljoen EUR beschikbaar zal stellen in het kader van de ACS-investeringsfaciliteit voor overheidsprojecten die gericht zijn op migratie; benadrukt dat het van belang is dat EIB-middelen niet worden gebruikt voor veiligheidsdoeleinden of grenscontroles; is van mening dat de nadruk eerder moet worden gelegd op de duurzame ontwikkeling van derde landen; wijst er nogmaals op dat het van belang is om met betrekking tot de uitgevoerde projecten gedetailleerd te controleren of aan de zorgvuldigheidsplicht in verband met de mensenrechten wordt voldaan; verzoekt de EIB bij de tenuitvoerlegging van haar projecten rekening te houden met mensenrechtenschendingen en eventueel op grond daarvan leningen te beëindigen;

75.  onderstreept de doeltreffendheid van de in 2003 in het kader van de overeenkomst van Cotonou gelanceerde Investeringsfaciliteit, en vraagt dat een dergelijk instrument na de heronderhandeling in 2020 van de overeenkomsten tussen de EU en haar ACS-partners blijft bestaan;

76.  verzoekt de EIB met betrekking tot haar nieuwe mandaat voor externe leningen te waarborgen dat naast de eerdere prioriteiten, te weten klimaat, kmo's en sociaaleconomische infrastructuur, ook de nieuwe prioriteit migratie werkelijk meerwaarde en additionaliteit oplevert; benadrukt derhalve de noodzaak om op passende wijze uitvoering te geven aan het nieuwe initiatief voor economische veerkracht door andere projecten te ondersteunen dan die welke eerder werden gefinancierd;

77.  is ingenomen met de rol van de EIB bij de ontwikkeling van de lokale particuliere sector en haar steun voor microkredieten en erkent dat haar activiteiten nieuwe economische en commerciële mogelijkheden bieden; benadrukt de noodzaak van een daadwerkelijke en doeltreffende aanpassing van de activiteiten van de EIB aan de huidige internationale uitdagingen; pleit ervoor het mandaat voor externe leningen van de EIB uit te breiden teneinde haar rol voor het bereiken van duurzame ontwikkeling te versterken en een strategisch antwoord te bieden voor het aanpakken van de onderliggende oorzaken van migratie, en pleit ervoor dat de EIB actiever deelneemt aan de nieuwe strategie voor de particuliere sector; verzoekt de EIB in dit verband om meer betrokkenheid bij projecten betreffende de infrastructuur, het vervoer en de digitalisering die nodig zijn om plaatselijke en regionale handelsroutes te stimuleren en de internationalisering van kmo's te bevorderen en daarbij actief bij te dragen tot de tenuitvoerlegging van de handelsbevorderingsovereenkomst van de WTO; herhaalt dat de EIB haar activiteiten moet afstemmen op de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN;

78.  stelt vast dat de EIB in 2016 nieuwe microfinancieringsfaciliteiten heeft goedgekeurd, één voor de Caraïben, één voor de Stille Oceaan en twee voor Afrika, voor een totaalbedrag van 110 miljoen EUR, en één microfinancieringsfaciliteit voor de landen van het Zuidelijk Nabuurschap ten belope van 75 miljoen EUR; brengt in herinnering dat er via de microfinancieringsfaciliteiten en technische bijstand van de EIB 300 miljoen EUR is verstrekt aan meer dan 1,5 miljoen begunstigden; verzoekt de EIB om in haar volgende verslag een beschrijving op te nemen van de hefboomeffecten van deze faciliteiten gecombineerd met de via de financieringsinstrumenten voor externe acties toegekende middelen;

79.  neemt kennis van het feit dat in 2016 de helft van alle in het kader van het mandaat voor externe leningen door de EIB verstrekte leningen naar plaatselijke financiële tussenpersonen is gegaan, met als doel microkredieten te bevorderen; vraagt de EIB een genderbeoordeling uit te voeren van het doorlenen door financiële tussenpersonen, aangezien microkredieten meestal naar vrouwelijke ondernemers gaan;

80.  ziet dat de EIB plannen maakt om binnen de EIB-groep een ontwikkelingsfiliaal op te zetten, waarmee de bank beoogt de ontwikkelingsbank van de EU te worden; verzoekt de EIB en de Commissie op de meest transparante en inclusieve manier verder te gaan met deze voorbereidingen, onder meer door een openbare raadpleging te houden;

81.  merkt op dat de EIB door middel van haar leeninstrumenten een belangrijke hefboom kan zijn voor de nieuwe economische diplomatie van de EU; benadrukt in dit verband dat de EIB bij haar activiteiten aandacht moet besteden aan overwegingen van economische diplomatie;

82.  steunt de intensifiëring van de partnerschappen tussen de EIB en de ontwikkelingsagentschappen van de lidstaten en van de door de EIB en andere multilaterale ontwikkelingsbanken gezamenlijk geleide projecten, in het bijzonder wanneer deze projecten gericht zijn op de verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) voor 2030 van de Verenigde Naties;

83.  stelt vast dat er de voorbije jaren sprake is geweest van een gebrek aan ondersteunende operaties van buitenlandse directe investeringen (BDI) ten aanzien van Azië; benadrukt dat EU-investeerders en in het bijzonder kmo's meer aanwezig moeten zijn op de Chinese en Indiase markt en de markten van de ASEAN-landen, en van een gelijk speelveld moeten kunnen gebruikmaken; vraagt de EIB rechtstreekse financiering te verstrekken aan EU-ondernemingen ter ondersteuning van uitgaande investeringen, onder meer via het mandaat voor externe leningen;

Aanscherping van de normen van de EIB inzake corporate governance, zakelijke praktijken, transparantie en verantwoordingsplicht

84.  is van mening dat de koppeling tussen toezicht op impact en prestaties enerzijds, en meer verantwoordingsplicht en zichtbaarheid anderzijds moet worden versterkt op basis van een zekerheidsproces dat verbindend is voor alle belanghebbenden (financieel intermediairs, projectontwikkelaars en eindbegunstigden, met grondige controles van de integriteit en de "ken-uw-klant"-regels); verzoekt de EIB informatie bekend te maken over risicovolle subprojecten en opgedane ervaring te delen met andere internationale multilaterale ontwikkelingsbanken, met name door informatie uit te wisselen over de resultaten van de controles op de naleving van de zorgvuldigheidsplicht inzake bedrijfs- of fiscale aangelegenheden of van de toetsing van de "ken-uw-klant"-regel;

85.  erkent dat het belangrijk is lokale en regionale actoren bewust te maken van de beschikbaarheid van financiering en technische ondersteuning in de gehele EU, en dat daarnaast een passende mate van zichtbaarheid van de betrokkenheid van de EIB bij projectfinanciering voor verschillende belanghebbenden van cruciaal belang is om de burgers op lokaal niveau bewust te maken van hun recht om beroep aan te tekenen en een klacht in te dienen bij het klachtenmechanismebureau en de Europese Ombudsman; stelt vast dat in 2016 89 klachten geregistreerd werden, waarvan er 84 ontvankelijk waren, terwijl er dat in 2015 56 waren;

86.  uit zijn bezorgdheid over de voorgestelde herziening van het beleid met betrekking tot het klachtenmechanisme van de EIB en verzoekt de EIB er in het bijzonder voor te zorgen dat het hoofd van haar klachtenmechanismebureau alle klachten naar behoren registreert en de indieners informeert dat hun klacht is ontvangen voordat er een besluit is genomen over de ontvankelijkheid ervan, te garanderen dat het hoofd van haar klachtenmechanismebureau onafhankelijk is van alle andere delen van de bestuursstructuur van de Bank, alle besluiten met betrekking tot de ontvankelijkheid van de klacht kan nemen zonder de diensten van de EIB-groep te raadplegen en kan besluiten of een klacht in aanmerking komt voor een onderzoek/conformiteitscontrole of bemiddeling, ook als er geen overeenstemming is met de EIB-diensten, de inspecteur-generaal of de directie, de voorbeelden te volgen die door de Europese Ombudsman zijn gegeven voor de definitie van wanbeheer, zodat deze definitie vormen van slecht of falend bestuur bevat, zoals administratieve onregelmatigheden, onrechtvaardigheid, discriminatie, machtsmisbruik, nalaten om te antwoorden, weigeren van informatie en onnodige vertraging, en ervoor te zorgen dat de procedure zo transparant mogelijk is, dat het klachtenmechanismebureau proactief informatie verschaft over zijn procedures en verrichtingen en over de behandelde zaken, en dat de aanwervingsprocedures voor het hoofd en het personeel van het klachtenmechanismebureau transparanter worden;

87.  vestigt de aandacht op de punten van zorg die naar voren kwamen tijdens de openbare raadpleging met betrekking tot bepaalde voorstellen voor de herziening van het klachtenmechanismebureau van de EIB, namelijk het feit dat zaken in verband met overheidsopdrachten niet onder het klachtenmechanisme vallen, evenmin als kwesties met betrekking tot de wettigheid van het EIB-beleid, en het feit dat de onafhankelijkheid van het klachtenmechanismebureau beperkt wordt door de mogelijke vereiste om andere diensten te raadplegen voordat wordt beoordeeld of een klacht ontvankelijk is en door de inperking van het vermogen van het bureau om aanbevelingen te doen; moedigt de directie nadrukkelijk aan om aandacht te besteden aan deze punten van zorg;

88.  benadrukt dat het van belang is dat de Europese Ombudsman publieke controle uitoefent op de EIB;

89.  is ingenomen met de openbaarmaking van de notulen van de vergaderingen van de Raad van Bewind van de EIB, en beveelt de EIB ook aan te overwegen niet-vertrouwelijke informatie over de directievergaderingen openbaar te maken; herhaalt, met betrekking tot het projectniveau, zijn verzoek om systematische bekendmaking van projectvoltooiingsrapporten voor EIB-activiteiten buiten Europa, alsook van 3PA en het ReM voor EIB-projecten; is van mening dat de openbaarmaking van het scorebord van indicatoren, zoals die voor het EFSI 2.0 is voorzien, moet gelden voor alle projecten die door de EIB worden uitgevoerd;

90.   toont zich zeer bezorgd over het feit dat de directie van de Bank tot nu toe geen enkele reactie heeft gegeven op de specifieke bepalingen van paragrafen 75 en 76 van de resolutie van het Parlement over de controle op de financiële activiteiten van de EIB voor 2015 en herinnert aan de noodzaak om strengere regels inzake belangenconflicten en duidelijke, strikte en transparante criteria vast te stellen om elke vorm van corruptie te voorkomen; wijst er nogmaals op dat de EIB haar gedragscode moet herzien om te garanderen dat haar vicepresidenten niet worden belast met verrichtingen in hun lidstaten van herkomst, omdat dit een gevaar vormt voor de onafhankelijkheid van de instelling; is zeer verontrust over de geconstateerde tekortkomingen in de bestaande EIB-mechanismen om mogelijke belangenconflicten binnen haar bestuursorganen te voorkomen; verzoekt de EIB in dit verband belangenconflicten in haar bestuursorganen en potentiële "draaideurgevallen" beter te voorkomen door rekening te houden met de aanbevelingen van de Ombudsman en haar gedragscode zo snel mogelijk te herzien; roept de EIB op zich aan te sluiten bij het interinstitutioneel akkoord over het transparantieregister van de EU zodra de onderhandelingen tussen de Commissie, het Parlement en de Raad zijn afgerond;

91.  onderstreept dat de bestrijding van alle soorten schadelijke belastingpraktijken een belangrijke prioriteit moet blijven voor de EIB; dringt er bij de EIB op aan de desbetreffende EU-wetgeving en -normen inzake belastingontwijking, belastingparadijzen en andere daarmee verband houdende kwesties, onverwijld toe te passen en van haar cliënten te eisen dat zij zich aan die regels houden; uit zijn bezorgdheid over het feit dat de EIB geen informatie openbaar maakt over de uiteindelijke begunstigden, vooral wanneer de financiering gebaseerd is op particuliere aandelenfondsen; verzoekt de EIB nadrukkelijk proactief op te treden en verscherpte due-diligencemaatregelen toe te passen wanneer EIB-projecten banden blijken te hebben met rechtsgebieden met een bedenkelijke reputatie op het gebied van belastingen;

92.  hamert erop dat de EIB een deugdelijke openbare lijst van criteria voor de selectie van financiële tussenpersonen moet opstellen, opdat de EU zich sterker kan inzetten voor de bestrijding van belastingmisbruik en het gevaar van corruptie en infiltratie door de georganiseerde misdaad en terrorisme doeltreffender kan voorkomen; onderstreept dat de criteria voor de beoordeling van projecten moeten worden verbeterd om ervoor te zorgen dat de EU-middelen niet worden geïnvesteerd via entiteiten in derde landen die niet voldoen aan de internationale belastingnormen;

93.  benadrukt dat de normen op het gebied van fiscale transparantie en goed fiscaal bestuur moeten worden aangescherpt, met name wat betreft de bepalingen inzake belastingontwijking; neemt nota van de goedkeuring eind 2017 van de EU-lijst van niet-coöperatieve fiscale rechtsgebieden; verzoekt de EIB in dit verband haar beleid inzake niet-transparante en niet-coöperatieve rechtsgebieden (NCJ-beleid) in haar lopende toetsing aan te scherpen en een breder beleid voor verantwoordelijke belastingheffing te ontwikkelen; verzoekt de EIB de haalbaarheid aan te tonen van hogere normen inzake fiscale transparantie door een beleid vast te stellen dat verder gaat dan de wettelijke minimumvereisten, waarbij de EIB een gidsrol op het gebied van eerlijke belastingheffing moet spelen; benadrukt met name dat de verstrekking van directe en indirecte leningen afhankelijk moet worden gemaakt van de bekendmaking van de belasting- en boekhoudkundige gegevens per land en van de verspreiding, zonder uitzonderingen, van de gegevens over de effectieve eigendom van de begunstigden en de financiële tussenpersonen die betrokken zijn bij de financieringsverrichtingen;

94.  is ingenomen met het belang dat de EIB hecht aan haar beleid van nultolerantie ten aanzien van fraude, corruptie en collusie; roept de EIB op alle nodige maatregelen te nemen, met inbegrip van opschorting van alle betalingen en uitbetalingen op verstrekt krediet, om de financiële belangen van de EIB en de EU te beschermen wanneer onderzoeken van OLAF of strafrechtelijke onderzoeken dit vereisen, en roept de EIB verder op haar interne regels dienovereenkomstig aan te passen; onderstreept de noodzaak om informatie over het systeem van aanbesteding en onderaanbesteding openbaar te maken om elk risico van fraude en corruptie te voorkomen; benadrukt dat er op een specifieke en zichtbare plaats op de EIB-website een lijst van uitgesloten entiteiten moet worden opgenomen, zulks vanwege de afschrikkende werking die daarvan uitgaat; onderstreept dat het van belang is dat de EIB met andere multilaterale kredietverleners "cross-debarment"-netwerken (kruisgewijze uitsluiting) opzet; dringt er bij de EIB op aan haar uitsluitingsbeleid te harmoniseren met dat van andere multilaterale kredietverleners, zoals de Wereldbank, die meer dan 800 personen en ondernemingen op de zwarte lijst heeft staan, ondanks het feit dat haar financieringsvolume slechts half zo groot is als dat van de EIB;

95.  hoopt dat de EIB naar aanleiding van de mededeling van de Commissie uit 2016 verder zal gaan met de uitvoering en verbetering van een externe strategie voor effectieve belastingheffing, waarbij de hand gehouden wordt aan internationale normen inzake fiscale transparantie en internationale verslaglegging per land wordt aangemoedigd; vraagt de EIB te zorgen voor hoogwaardige informatie over eindbegunstigden, en effectief transacties te voorkomen met financiële intermediairs die negatieve precedenten hebben wat betreft transparantie, fraude, corruptie, georganiseerde criminaliteit, witwassen van geld en negatieve invloed op sociaal en milieugebied;

96.  betreurt dat het "dieselgate"-schandaal een aantal vragen heeft opgeworpen over het feit dat Volkswagen leningen van de EIB heeft ontvangen via fraude en bedrog; verzoekt de EIB de aanbevelingen van OLAF op te volgen inzake het nemen van actieve maatregelen ter uitvoering van haar anti-fraudebeleid;

97.  wijst erop dat de langdurige corruptieonderzoeken in het schandaal rond het MOSE-systeem op 14 september 2017 zijn afgesloten met een uitspraak van de rechtbank van Venetië waarbij twee prominente personen die rechtstreeks betrokken waren bij het schandaal tot vier jaar gevangenisstraf en de inbeslagname van 9 575 000 EUR werden veroordeeld; betreurt dat de EIB tussen 2011 en 2013 voor de uitvoering van het MOSE-project drie leningen heeft uitbetaald voor een bedrag van 1,2 miljard EUR, waarvan de laatste werd toegekend nadat de nationale autoriteiten al onderzoeken hadden geopend wegens corruptie; verzoekt de EIB ervoor te zorgen dat haar nultolerantiebeleid ten aanzien van fraude zo strikt mogelijk wordt toegepast en haar financiering volledig terug te trekken uit het MOSE-project en de projecten die daarmee samenhangen via het systeem van ondernemingen en begunstigden die betrokken zijn bij de uitvoering van projecten in de regio Veneto, met name met betrekking tot het gedeelte van de autosnelweg A4, bekend als Passante di Mestre, in verband waarmee er nog steeds onderzoeken lopen wegens belastingfraude, corruptie en infiltratie door de georganiseerde misdaad, en de derde rijbaan van de snelweg A4 op het tracé tussen Venetië en Triëst; dringt er bij de EIB op aan passende interne onderzoeken te verrichten met betrekking tot de selectie van begunstigden en de uitbetaling en het beheer van haar middelen, en de resultaten daarvan openbaar te maken;

98.  is ingenomen met de regelmatige toetsing van het optimale bancaire kader en optimale praktijken binnen de EIB-groep die bedoeld is om tekortkomingen in de naleving aan het licht te brengen; is van mening dat de mandaten van de EIB en het EIF vragen om een alomvattend en continu systeem van risicobeoordeling en toezicht op het niveau van de EIB-groep waarmee de verfijning van de belangrijkste bedrijfsprocessen en de uitwisseling van informatie met betrekking tot het beheer van de mandaten cruciaal worden voor de algemene verantwoordingsplicht van de EIB;

99.  is ingenomen met de voorstellen van de Commissie ethiek en compliance van de EIB op het gebied van corporate governance en transparantie, zoals de opneming van ethische aspecten in haar taak, in aanvulling op de mechanismen ter voorkoming van belangenconflicten in haar bestuursorganen en potentiële "draaideuren", de invoering van een opschortingsprocedure voor directieleden en de oprichting van het nieuwe adviescomité dat advies zal kunnen uitbrengen voordat de directieleden officieel worden benoemd;

100.  onderstreept dat het van belang is de verplichtingen inzake integriteit na beëindiging van het dienstverband aan te scherpen en concrete sancties in te voeren voor potentiële "draaideurgevallen" tussen de leiding van de EIB en de particuliere sector; is daarom van mening dat de "afkoelingsperiode" tijdens dewelke voormalige leden van de Raad van Bewind niet mogen lobbyen bij de bestuursorganen of bij personeel van de EIB minstens twaalf maanden moet bedragen;

101.  is ingenomen met de start van de herziening van het klokkenluidersbeleid van de EIB en de actualiseringen in verband met de toepassing van het raamwerk voor de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (AML/CFT) sinds dat in 2014 door de EIB werd vastgesteld, in nauwe samenhang met de "ken-uw-klant"-voorschriften voor lopende portefeuilles en nieuwe zakelijke activiteiten;

Opvolging van de aanbevelingen van het Parlement

102.  verzoekt de EIB nogmaals verslag uit te brengen over de stand van zaken en de status van eerdere aanbevelingen die het Parlement in zijn jaarlijkse resoluties heeft gedaan, met name met betrekking tot de impact van haar leningsactiviteiten;

o

o o

103.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Investeringsbank en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)

Aangenomen teksten, P7_TA (2014)0201.

(2)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0183.

(3)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0200.

(4)

Aangenomen teksten, P8_TA (2017)0138.

(5)

PB L 280 van 27.10.2011, blz. 1.

(6)

PB L 135 van 8.5.2014, blz. 1.

(7)

PB L 169 van 1.7.2015, blz. 1.


ADVIES van de Commissie internationale handel (20.2.2018)

aan de Commissie begrotingscontrole

inzake het jaarverslag inzake de controle van de financiële activiteiten van de EIB voor 2016

(2017/2190(INI))

Rapporteur voor advies: Sander Loones

SUGGESTIES

De Commissie internationale handel verzoekt de bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  herinnert eraan dat 10 % van de totale leenactiviteiten van de EIB bestemd is voor activiteiten buiten de Unie, en is ingenomen met het feit dat het totaalbedrag van de door de EIB aan projectontwikkelaars buiten de Europese Unie toegewezen financiële middelen is toegenomen ten opzichte van 2015; benadrukt daarom dat de EIB jaarlijks moet rapporteren over haar operaties buiten de EU wat betreft de naleving van de algemene beginselen die aan het extern optreden van de Unie ten grondslag liggen, en de rol moet spelen die voor haar is weggelegd in het kader van het hernieuwde engagement van de Unie inzake beleidscoherentie voor ontwikkeling en op basis van consistentie met andere beleidslijnen van de EU, de VN-agenda 2030 en het klimaatakkoord van Parijs, en daarbij de totstandbrenging van degelijke banen en degelijk onderwijs te ondersteunen, de volledige eerbiediging van mensenrechten, arbeids- en milieurechten te garanderen, en gendergelijkheid te stimuleren; onderstreept dat de EIB bij het ondersteunen van EU-bedrijven in het buitenland terdege rekening moet houden met de handelsstrategie van de EU, inclusief de bestaande en toekomstige handelsovereenkomsten;

2.  vraagt de EIB om in samenwerking met de EDEO en DG DEVCO van de Commissie een methode uit te werken om de impact te meten van de door de EIB buiten de EU verstrekte leningen op de globale EU-ontwikkelingssamenwerking, en met name de agenda 2030 en de mensenrechtensituatie;

3.  merkt op dat de EIB door middel van haar leeninstrumenten een belangrijke hefboom kan zijn voor de nieuwe economische diplomatie van de EU; benadrukt in dit verband dat de EIB bij haar activiteiten aandacht moet besteden aan overwegingen inzake economische diplomatie;

4.  steunt de intensifiëring van de partnerschappen tussen de EIB en de ontwikkelingsagentschappen van de lidstaten en van de door de EIB en andere multilaterale ontwikkelingsbanken gezamenlijk geleide projecten, in het bijzonder wanneer deze projecten gericht zijn op de verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen voor 2030 van de Verenigde Naties;

5.  benadrukt dat toegang tot financiering en internationalisering belangrijke obstakels vormen voor kmo's; onderstreept dat kmo's de ruggengraat van de Europese economie vormen; is van mening dat de EIB weliswaar de goede weg is ingeslagen, maar meer moet doen om ervoor te zorgen dat kmo's gemakkelijker en doeltreffender toegang hebben tot financiering zodat zij een plaats vinden in de mondiale waardeketens; merkt op dat de EIB ondersteuning moet bieden aan EU-ondernemingen die zaken willen doen in het buitenland, onder meer via de handelsfinancieringsfaciliteit;

6.  stelt vast dat er de voorbije jaren sprake is geweest van een gebrek aan ondersteunende operaties van buitenlandse directe investeringen ten aanzien van Azië; benadrukt dat EU-investeerders en in het bijzonder kmo's meer aanwezig moeten zijn op de Chinese en Indiase markt en de markten van de ASEAN-landen, en van een gelijk speelveld moeten kunnen gebruikmaken; vraagt de EIB rechtstreekse financiering te verstrekken aan EU-ondernemingen ter ondersteuning van uitgaande investeringen, onder meer via het mandaat voor externe leningen;

7.  herhaalt dat de EIB haar investeringsprojecten in de eerste plaats op de Europese buurlanden en de ACS-landen moet richten; betreurt in dit verband dat Afrika in 2016 minder financiële middelen heeft ontvangen dan de andere wereldregio's; vraagt dat deze tendens de komende jaren wordt omgekeerd;

8.  onderstreept de doeltreffendheid van de in 2003 in het kader van de overeenkomst van Cotonou gelanceerde Investeringsfaciliteit, en vraagt dat een dergelijk instrument na de heronderhandeling in 2020 van de overeenkomsten tussen de EU en haar ACS-partners blijft bestaan;

9.  is ingenomen met de rol van de EIB bij de ontwikkeling van de lokale particuliere sector en haar steun voor microkredieten en erkent dat haar activiteiten nieuwe economische en commerciële mogelijkheden bieden; benadrukt de noodzaak van een daadwerkelijke en doeltreffende aanpassing van de activiteiten van de EIB aan de huidige internationale uitdagingen; pleit ervoor het mandaat voor externe leningen van de EIB uit te breiden teneinde haar rol voor het bereiken van duurzame ontwikkeling te versterken en een strategisch antwoord te bieden voor het aanpakken van de onderliggende oorzaken van migratie, en pleit ervoor dat de EIB actiever deelneemt aan de nieuwe strategie voor de particuliere sector; verzoekt de EIB in dit verband om meer betrokkenheid bij projecten betreffende de infrastructuur, het vervoer en de digitalisering die nodig zijn om plaatselijke en regionale handelsroutes te stimuleren en de internationalisering van kmo's te bevorderen en daarbij actief bij te dragen tot de tenuitvoerlegging van de handelsbevorderingsovereenkomst van de WTO; herhaalt dat de EIB haar activiteiten moet afstemmen op de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN;

10.  stelt vast dat de EIB in 2016 nieuwe microfinancieringsfaciliteiten heeft goedgekeurd, één voor de Caraïben, één voor de Stille Oceaan en twee voor Afrika, ter hoogte van een totaalbedrag van 110 miljoen EUR, en één microfinancieringsfaciliteit voor de landen van het Zuidelijk Nabuurschap ter hoogte van 75 miljoen EUR; brengt in herinnering dat er via de microfinancieringsfaciliteiten en technische bijstand van de EIB 300 miljoen EUR is verstrekt aan meer dan 1,5 miljoen begunstigden; verzoekt de EIB om in haar volgende verslag een beschrijving op te nemen van de hefboomeffecten van deze faciliteiten gecombineerd met de via de financieringsinstrumenten voor externe acties toegekende middelen;

11.  neemt kennis van het feit dat de helft van alle in het kader van het mandaat voor externe leningen door de EIB verstrekte leningen naar plaatselijke financiële tussenpersonen is gegaan, met als doel microkredieten te bevorderen; vraagt de EIB een genderbeoordeling uit te voeren van het doorlenen door financiële tussenpersonen, aangezien microkredieten meestal naar vrouwelijke ondernemers gaan;

12.  acht het essentieel dat de EIB haar capaciteit om risico's te dragen en te garanderen vergroot, in het bijzonder met betrekking tot projecten ter ontwikkeling en versterking van de privésector en projecten in het kader van het initiatief voor economische veerkracht;

13.  vraagt de EIB de toegang tot informatie met betrekking tot het systeem van contracten en subcontracten en de financiële gegevens over door de EIB gefinancierde projecten alsook de overeenstemming van deze projecten met de duurzameontwikkelingsdoelstellingen te verbeteren; vraagt de EIB specifiek om met name aan het Europees Parlement betere en systematischere informatie te verstrekken met betrekking tot het doorlenen door haar financiële tussenpersonen, met als doel de doeltreffendheid van het parlementaire toezicht te vergroten en voor meer transparantie te zorgen; benadrukt het belang van een inclusief besluitvormingsproces, waaraan wordt deelgenomen door de relevante belanghebbenden en door maatschappelijke organisaties.

14.  roept de EIB ertoe op de financiering te bevorderen van projecten die in overeenstemming zijn met haar nieuwe klimaatstrategie en de klimaatovereenkomst van Parijs en daarbij de steun voor fossiele brandstoffen geleidelijk af te schaffen om te evolueren tot een sleutelinstrument van de EU in het kader van de wereldwijde gemeenschappelijke inspanningen om de klimaatverandering tegen te gaan en duurzame ontwikkeling te ondersteunen en met het oog op de verwezenlijking van een concurrerender, zekerder en duurzamer energiesysteem dat aansluit bij de energiestrategie voor 2030; vraagt de EIB hiertoe geen projecten te financieren waarbij zwaar vervuilende en verouderde technologie wordt gebruikt, in het bijzonder wanneer zij investeringen in de energiesector stimuleert; roept de EIB ertoe op meer kredieten te verstrekken aan openbare-infrastructuurprojecten die de gevolgen van de klimaatverandering, zoals overstromingen, verzachten, en aan kleinschalige projecten inzake hernieuwbare energie.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

20.2.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

31

2

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Laima Liucija Andrikienė, David Campbell Bannerman, Daniel Caspary, Salvatore Cicu, Santiago Fisas Ayxelà, Christofer Fjellner, Karoline Graswander-Hainz, Heidi Hautala, Nadja Hirsch, Patricia Lalonde, Bernd Lange, David Martin, Anne-Marie Mineur, Sorin Moisă, Alessia Maria Mosca, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Viviane Reding, Tokia Saïfi, Marietje Schaake, Helmut Scholz, Joachim Schuster, Joachim Starbatty, Adam Szejnfeld, Hannu Takkula, Iuliu Winkler, Jan Zahradil

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Bendt Bendtsen, Klaus Buchner, Nicola Danti, Agnes Jongerius, Sajjad Karim, Jarosław Wałęsa

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Mario Borghezio, Jacques Colombier

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

31

+

ALDE

Nadja Hirsch, Patricia Lalonde, Marietje Schaake, Hannu Takkula

ECR

David Campbell Bannerman, Sajjad Karim, Joachim Starbatty, Jan Zahradil

GUE/NGL

Helmut Scholz

PPE

Laima Liucija Andrikienė, Bendt Bendtsen, Daniel Caspary, Salvatore Cicu, Santiago Fisas Ayxelà, Christofer Fjellner, Sorin Moisă, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Viviane Reding, Tokia Saïfi, Adam Szejnfeld, Jarosław Wałęsa, Iuliu Winkler

S&D

Nicola Danti, Karoline Graswander-Hainz, Agnes Jongerius, Bernd Lange, David Martin, Alessia Maria Mosca, Joachim Schuster

VERTS/ALE

Klaus Buchner, Heidi Hautala

2

-

ENF

Mario Borghezio, Jacques Colombier

1

0

GUE/NGL

Anne-Marie Mineur

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

26.3.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

20

0

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Inés Ayala Sender, Ryszard Czarnecki, Martina Dlabajová, Raffaele Fitto, Luke Ming Flanagan, Ingeborg Gräßle, Jean-François Jalkh, Wolf Klinz, Arndt Kohn, Gilles Pargneaux, Georgi Pirinski, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Claudia Schmidt, Bart Staes, Indrek Tarand, Marco Valli, Derek Vaughan, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Andrey Novakov, Patricija Šulin

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Laura Ferrara, Norbert Lins, Lieve Wierinck


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

20

+

ALDE

Martina Dlabajová, Wolf Klinz, Lieve Wierinck

ECR

Ryszard Czarnecki

EFDD

Laura Ferrara, Marco Valli

PPE

Ingeborg Gräßle, Norbert Lins, Andrey Novakov, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Claudia Schmidt, Patricija Šulin, Joachim Zeller

S&D

Inés Ayala Sender, Arndt Kohn, Gilles Pargneaux, Georgi Pirinski, Derek Vaughan

VERTS/ALE

Bart Staes, Indrek Tarand

0

-

 

 

3

0

ECR

Raffaele Fitto

ENF

Jean-François Jalkh

GUE/NGL

Luke Ming Flanagan

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 11 april 2018Juridische mededeling