Procedure : 2017/2209(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0144/2018

Ingediende teksten :

A8-0144/2018

Debatten :

PV 02/05/2018 - 33
CRE 02/05/2018 - 33

Stemmingen :

PV 03/05/2018 - 7.15
CRE 03/05/2018 - 7.15
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0204

VERSLAG     
PDF 540kWORD 94k
12.4.2018
PE 613.557v02-00 A8-0144/2018

over pluralisme van de media en mediavrijheid in de Europese Unie

(2017/2209(INI))

Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

Rapporteur: Barbara Spinelli

Rapporteur voor advies (*):

Curzio Maltese, Commissie cultuur en onderwijs

(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 54 van het Reglement

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 MINDERHEIDSSTANDPUNT
 ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs
 ADVIES van de Commissie juridische zaken
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over pluralisme van de media en mediavrijheid in de Europese Unie

(2017/2209(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2, 3, 6, 7, 9, 10, 11 en 49 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en de artikelen 9, 10 en 16 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM), de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en het Europees Sociaal Handvest,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, aangenomen en voor ondertekening en ratificatie opengesteld bij Resolutie nr. 2106 van de Algemene Vergadering van de VN van 21 december 1965,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie(1),

–  gezien het aan het VEU gehechte Protocol nr. 29 betreffende het openbare-omroepstelsel in de lidstaten,

–  gezien het Europees Handvest voor persvrijheid,

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld,

–  gezien de verklaringen, aanbevelingen en resoluties van het Comité van ministers en de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa en de adviezen en de checklist voor de rechtsstaat van de Commissie van Venetië,

–  gezien de studie van de Raad van Europa getiteld "Journalists under pressure – Unwarranted interference, fear and self-censorship in Europe",

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie en het Unescoverdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen,

–  gezien Algemeen Commentaar nr. 34 van het Mensenrechtencomité van de VN,

–  gezien de leidende beginselen inzake bedrijfsleven en mensenrechten van de VN,

–  gezien de relevante resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, de VN-Mensenrechtenraad en de verslagen van de speciale VN-rapporteur inzake de bevordering en bescherming van het recht op vrijheid van mening en meningsuiting,

–  gezien het actieplan van de VN inzake de veiligheid van journalisten en de kwestie van straffeloosheid,

–  gezien de werkzaamheden die de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), en met name de OVSE-vertegenwoordiger voor mediavrijheid, heeft uitgevoerd op het gebied van mediavrijheid,

–  gezien het werk van het platform van de Raad van Europa voor de bevordering van de bescherming van de journalistiek en de veiligheid van journalisten,

–  gezien de gezamenlijke verklaring over vrijheid van meningsuiting en "nepnieuws", desinformatie en propaganda, die op 3 maart 2017 werd afgelegd door de speciale VN-rapporteur inzake de bevordering en bescherming van het recht op vrijheid van mening en meningsuiting, de OVSE-vertegenwoordiger voor mediavrijheid, de speciale rapporteur van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) inzake vrijheid van meningsuiting en de speciale rapporteur van de Afrikaanse Commissie voor de rechten van de mens en volken (ACHPR) inzake vrijheid van meningsuiting en toegang tot informatie,

–  gezien de cijfers in de door Verslaggevers zonder grenzen gepubliceerde Wereldindex voor persvrijheid en die van de Monitor voor het pluralisme van de media van het Centrum voor pluralisme van de media en mediavrijheid van het Europees Universitair Instituut,

–  gezien de beleidsnota van ARTICLE 19 getiteld "Defining Defamation: Principles on Freedom of Expression and Protection of Reputation",

–  gezien zijn resolutie van 21 mei 2013 over het EU-Handvest: vaststelling van normen voor de vrijheid van de media in de gehele EU(2),

–  gezien zijn resoluties van 12 maart 2014 over het surveillanceprogramma van de NSA in de VS, toezichthoudende instanties in verschillende lidstaten en gevolgen voor de grondrechten van EU-burgers en voor de trans-Atlantische samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken(3), en van 29 oktober 2015 over de follow-up van de resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2014 over grootschalig elektronisch toezicht op EU-burgers(4),

–  gezien zijn resolutie van 16 maart 2017 over e-democratie in de Europese Unie: potentieel en uitdagingen(5),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie over de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten(6),

–  gezien zijn resoluties van 14 februari 2017 over de rol van klokkenluiders bij de bescherming van de financiële belangen van de EU(7) en van 24 oktober 2017 over legitieme maatregelen ter bescherming van klokkenluiders die handelen in het algemeen belang bij het onthullen van vertrouwelijke informatie van bedrijven en overheidsinstanties(8),

–  gezien de conclusies van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, over de vrijheid en de pluriformiteit van de media in een digitale omgeving,(9)

–  gezien de EU-richtsnoeren over mensenrechten inzake vrijheid van meningsuiting online en offline, en de richtsnoeren van de Commissie voor EU-steun aan mediavrijheid en integriteit van de media in uitbreidingslanden in de periode 2014-2020,

–  gezien het jaarlijks colloquium van de Commissie over de grondrechten van 2016 over pluralisme in de media en de democratie, en gezien de door het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten gepubliceerde relevante bijdragen,

–  gezien de deskundigengroep op hoog niveau inzake nepnieuws en onlinedesinformatie die door de Commissie is benoemd om advies te verlenen bij het peilen naar de omvang van dit verschijnsel en het afbakenen van de taken en verantwoordelijkheden van de betrokken belanghebbenden,

–  gezien Advies nr. 5/2016 van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) over de herziening van de e-privacyrichtlijn (Richtlijn 2002/58/EG),

–  gezien Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad en tot wijziging van Besluit 2005/671/JBZ van de Raad(10),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad over veiligheid en defensie van 22 juni 2017,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de adviezen van de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie juridische zaken (A8-0144/2018),

A.  overwegende dat het recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van mening fundamentele mensenrechten zijn, alsook noodzakelijke voorwaarden voor de volledige ontwikkeling van mensen en hun actieve deelname aan een democratische samenleving, voor de verwezenlijking van de beginselen van transparantie en verantwoordingsplicht en voor de vervulling van andere mensenrechten en fundamentele vrijheden;

B.  overwegende dat pluralisme onlosmakelijk verbonden is met vrijheid, democratie en de rechtsstaat;

C.  overwegende dat het recht om informatie te verstrekken en te verkrijgen deel uitmaakt van de fundamentele democratische kernwaarden die aan de grondslag van de Europese Unie liggen;

D.  overwegende dat het belang van pluralistische, onafhankelijke en betrouwbare media als hoeders en toezichthouders van de democratie en de rechtsstaat niet mag worden onderschat;

E.  overwegende dat vrijheid, pluralisme en onafhankelijkheid van de media essentiële bestanddelen zijn van het recht op vrijheid van meningsuiting; overwegende dat de media een essentiële rol in de democratische maatschappij spelen omdat ze optreden als publieke waakhond en helpen de burgers zich te informeren en hun positie te versterken, door hun begrip van het actuele politieke en maatschappelijke landschap te vergroten en te bevorderen dat zij op bewuste wijze deelnemen aan het openbare leven; overwegende dat deze rol zou moeten worden uitgebreid tot online- en burgerjournalistiek en tot het werk van bloggers, internetgebruikers, socialemedia-activisten en mensenrechtenverdedigers, om zo de hedendaagse, grondig veranderde mediarealiteit te weerspiegelen met inachtneming van het recht op privacy; overwegende dat netneutraliteit een essentieel beginsel is voor een open internet;

F.  overwegende dat nepnieuws, cyberpesten en wraakporno steeds grotere zorgpunten in onze samenlevingen vormen, met name onder jongeren;

G.  overwegende dat de verspreiding van nepnieuws en desinformatie op sociale media of zoekmachines de geloofwaardigheid van de traditionele media sterk heeft aangetast, wat vervolgens ook hun vermogen in het gedrang brengt om als waakhond op te treden;

H.  overwegende dat overheden niet alleen de plicht hebben om af te zien van maatregelen die de vrijheid van meningsuiting inperken, maar ook de positieve plicht hebben om een wettelijk en regelgevend kader tot stand te brengen dat de ontwikkeling van vrije, onafhankelijke en pluralistische media bevordert;

I.  overwegende dat krachtens artikel 2 en 4 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie en artikel 30 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens de vrijheid van meningsuiting nooit mag worden gebruikt om uitlatingen te verdedigen die een inbreuk vormen op dat verdrag en die verklaring, zoals haatzaaierij of propaganda gebaseerd op ideeën of theorieën over de superioriteit van een ras of groep mensen van een bepaalde huidskleur of etnische afkomst, of waarmee wordt getracht rassenhaat en discriminatie in welke vorm dan ook te rechtvaardigen of te bevorderen;

J.  overwegende dat overheden de plicht hebben om de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de publieke media te beschermen, met name als actoren die de democratische samenleving ten dienste staan en niet de belangen van de zittende regering behartigen;

K.  overwegende dat de overheden eveneens zich ervan moeten vergewissen dat de media de geldende wetten en voorschriften naleven;

L.  overwegende dat recente politieke ontwikkelingen in verschillende lidstaten waar nationalisme en populisme in opkomst zijn, geleid hebben tot toenemende druk op en bedreigingen van journalisten, wat erop duidt dat de Europese Unie de vrijheid en pluriformiteit van de media moet waarborgen, bevorderen en verdedigen;

M.  overwegende dat het misbruik en de misdaden die volgens de Raad van Europa door zowel overheids- als niet-overheidsactoren jegens journalisten worden begaan een ernstig en beklemmend effect hebben op de vrijheid van meningsuiting; overwegende dat het risico op en de veelvuldigheid van ongeoorloofde bemoeienis bij journalisten, burgerjournalisten, bloggers en andere informatie-actoren gevoelens van angst versterkt, wat tot een hoge graad van zelfcensuur kan leiden en het recht van burgers op informatie en participatie ondermijnt;

N.  overwegende dat de speciale VN-rapporteur inzake de bevordering en bescherming van het recht op vrijheid van mening en meningsuiting er in september 2016 aan herinnerde dat regeringen niet alleen gehouden zijn de journalistiek te respecteren, maar ook ervoor te zorgen dat journalisten en hun bronnen worden beschermd door krachtige wetten, de vervolging van daders en waar nodig uitgebreide beveiliging;

O.  overwegende dat journalisten en andere media-actoren in de Europese Unie nog steeds worden geconfronteerd met geweld, bedreigingen, intimidatie of publieke vernedering, voornamelijk vanwege onderzoeksactiviteiten waarmee zij het algemeen belang trachten te beschermen tegen machtsmisbruik, corruptie, schendingen van mensenrechten of criminele activiteiten;

P.  overwegende dat de gegarandeerde veiligheid en bescherming van journalisten en andere media-actoren een noodzakelijke voorwaarde is om ervoor te zorgen dat zij ten volle in staat zijn hun taak te vervullen om burgers naar behoren te informeren en op doeltreffende wijze deel te nemen aan het openbare debat;

Q.  overwegende dat volgens het platform van de Raad van Europa voor de bescherming van de journalistiek en de veiligheid van journalisten het misbruik jegens mediaprofessionals in meer dan de helft van de gevallen wordt begaan door overheidsactoren;

R.  overwegende dat onderzoeksjournalistiek zou moeten worden bevorderd als een vorm van maatschappelijke betrokkenheid en als een daad van voorbeeldig burgerschap en zou moeten worden ondersteund met voorlichting, leerprocessen, onderwijs en training;

S.  overwegende dat de radicale ontwikkeling van het mediasysteem, de snelle groei van de onlinedimensie van het pluralisme van de media en de opkomst van zoekmachines en socialemediaplatforms als bronnen van nieuws zowel een uitdaging als een kans vormen om de vrijheid van meningsuiting te bevorderen, om de productie van nieuws te democratiseren door burgers bij het openbaar debat te betrekken, en om steeds meer informatiegebruikers in informatieproducenten te veranderen; overwegende dat de concentratie van de macht van mediaconglomeraten, platformbeheerders en internetintermediairs, en controle over de media van ondernemingen en politieke actoren echter negatieve gevolgen kunnen hebben voor het pluralisme van het openbaar debat en voor de toegang tot informatie en een impact hebben op de vrijheid van meningsuiting, integriteit, kwaliteit en de redactionele onafhankelijkheid van de journalistiek en omroepen; overwegende dat een gelijk speelveld op Europees niveau noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat zoekmachines, socialemediaplatforms en andere hightechgiganten zich aan de regels houden van de digitale eengemaakte markt van de EU, op gebieden zoals e-privacy en mededinging;

T.  overwegende dat journalisten rechtstreekse, onmiddellijke en onbelemmerde toegang tot informatie moeten krijgen van de overheid om autoriteiten naar behoren ter verantwoording te kunnen roepen;

U.  overwegende dat inlichtingen die worden verkregen via het enquêterecht en informatie van klokkenluiders elkaar aanvullen en allebei van vitaal belang zijn om journalisten in staat te stellen om hun taken in het kader van het algemeen belang te kunnen vervullen;

V.  overwegende dat aan journalisten een zo uitgebreid mogelijke juridische bescherming moet worden geboden om dergelijke informatie van publiek belang in hun werk te gebruiken en te verspreiden;

W.  overwegende dat het recht om informatie op te vragen bij en te ontvangen van overheden in de hele Europese Unie op gefragmenteerde en onvolledige wijze is geregeld;

X.  overwegende dat de mediasector een cruciale rol speelt in elke democratische samenleving; overwegende dat het effect van de economische crisis, in combinatie met de gelijktijdige groei van socialemediaplatforms en andere hightechgiganten en zeer selectieve advertentie-inkomsten heeft geleid tot een drastische verslechtering van de werkomstandigheden en sociale zekerheid van media-actoren, waaronder onafhankelijke journalisten, en daarmee tot een ernstige verlaging van de beroeps-, maatschappelijke en kwaliteitsnormen in de journalistiek, hetgeen negatieve gevolgen kan hebben voor de redactionele onafhankelijkheid;

Y.  overwegende dat het Europees Waarnemingscentrum voor de audiovisuele sector van de Raad van Europa ervoor heeft gewaarschuwd dat er zich een digitaal duopolie aan het ontwikkelen is waardoor Google en Facebook in 2016 goed waren voor bijna 85 % van de totale groei van de digitaleadvertentiemarkt, wat een bedreiging vormt voor de toekomst van traditionele, uit reclame-inkomsten gefinancierde mediabedrijven als commerciële televisiezenders, kranten en tijdschriften die een veel kleiner publiek bereiken;

Z.  overwegende dat de Commissie in het kader van het uitbreidingsbeleid de plicht heeft om te eisen dat de criteria van Kopenhagen, waaronder vrijheid van meningsuiting en de mediavrijheid, volledig worden nageleefd, en dat de EU daarom een voorbeeldfunctie moet vervullen door de strengste normen op dit gebied hoog te houden; overwegende dat staten, als ze eenmaal lid zijn van de EU, krachtens de EU-verdragen en het EU-Handvest van de grondrechten voortdurend en ondubbelzinnig zijn gebonden aan mensenrechtenverplichtingen, en dat hun eerbiediging van de vrije meningsuiting en de mediavrijheid aan regelmatige toetsing moet worden onderworpen; overwegende dat de EU op het wereldtoneel enkel geloofwaardig kan overkomen wanneer de pers- en mediavrijheid binnen de Unie zelf wordt gewaarborgd en geëerbiedigd;

AA.  overwegende dat uit onderzoek voortdurend blijkt dat vrouwen een minderheid vormen in alle mediasectoren, met name in creatieve functies, en dat zij zwaar ondervertegenwoordigd zijn op de hogere, leidinggevende niveaus; overwegende dat onderzoek naar de participatie van vrouwen in de journalistiek erop lijkt te wijzen dat er weliswaar een relatief goed evenwicht tussen mannen en vrouwen bestaat onder beginnende journalisten, maar dat de verdeling van de leidinggevende functies wordt gekenmerkt door verregaande genderongelijkheid;

AB.  overwegende dat de naleving van de bepalingen van het EU-Handvest van de grondrechten en van het Verdrag betreffende de Europese Unie die de eerbiediging van deze beginselen waarborgen, plaatsvindt door middel van positieve maatregelen voor de bevordering van mediavrijheid en pluralisme, alsook van de kwaliteit, toegankelijkheid en beschikbaarheid van informatie (positieve vrijheid), maar ook vereist dat overheden zich onthouden van schadelijke inmenging (negatieve vrijheid);

AC.  overwegende dat onwettig en willekeurig toezicht, in het bijzonder wanneer dit op grote schaal plaatsvindt, onverenigbaar is met mensenrechten en grondrechten waaronder vrijheid van meningsuiting, inclusief persvrijheid en de bescherming van de geheimhouding van journalistieke bronnen, en het recht op privacy en gegevensbescherming; overwegende dat het internet en sociale media een rol spelen bij de verspreiding van haatzaaiende uitlatingen en de bevordering van radicalisering wat door circulatie van verboden materiaal tot gewelddadig extremisme leidt, en vooral schadelijke invloed heeft op jongeren; overwegende dat de bestrijding van deze verschijnselen nauwe en gecoördineerde samenwerking vergt tussen alle betrokken actoren op alle bestuursniveaus (lokaal, regionaal en nationaal), alsook met maatschappelijke organisaties en de privésector; overwegende dat doeltreffende wetten en activiteiten op het gebied van veiligheid en terrorismebestrijding evenals maatregelen gericht op de bestrijding en het voorkomen van haatzaaierij en gewelddadig extremisme altijd moeten voldoen aan verplichtingen ten aanzien van de grondrechten, om elke schending van de bescherming van de vrijheid van meningsuiting te vermijden;

AD.  overwegende dat, zoals de Raad van Europa zegt, klokkenluiden een fundamenteel aspect is van de vrijheid van meningsuiting en een centrale rol speelt bij het opsporen en melden van onrechtmatige handelingen en wangedrag, en bij de versterking van democratische verantwoordingsplicht en transparantie; overwegende dat klokkenluiden een essentiële bron van informatie vormt voor het bestrijden van georganiseerde misdaad, het onderzoeken, identificeren en het bekendmaken van gevallen van corruptie in de publieke sector en de privésector en het opsporen van belastingontwijkingsconstructies die door particuliere ondernemingen zijn opgezet; overwegende dat toereikende bescherming van klokkenluiders op EU-, nationaal en internationaal niveau, alsook de bevordering van een cultuur van erkenning van de belangrijke rol die klokkenluiders in de samenleving spelen, voorwaarden zijn om de effectiviteit van die rol te waarborgen;

AE.  overwegende dat, in het kader van de bestrijding van corruptie en wanbeheer in de EU, onderzoeksjournalistiek ,als instrument dat ten dienste staat van het algemeen belang, bijzondere aandacht en financiële steun dient te krijgen;

AF.  overwegende dat volgens de bevindingen van de Monitor voor het pluralisme van de media zeggenschap over de media sterk geconcentreerd blijft, hetgeen een groot risico inhoudt voor de diversiteit van de informatie en de standpunten die in media-uitingen worden weergegeven;

AG.  overwegende dat de criteria voor pluralisme van de media en mediavrijheid in even grote mate als voor nationale berichtgeving moeten gelden voor berichtgeving over EU-aangelegenheden en activiteiten van de EU-instellingen en -agentschappen, en dat die berichten in verschillende talen moeten worden aangeboden om een zo groot mogelijk aantal EU-burgers te bereiken;

1.  verzoekt de lidstaten gepaste maatregelen te nemen, met inbegrip van het waarborgen van toereikende overheidsfinanciering, voor de bescherming en bevordering van een pluralistisch, onafhankelijk en vrij medialandschap dat ten dienste staat van de democratische samenleving, inclusief de onafhankelijkheid en houdbaarheid van de publieke en plaatselijke media, die cruciale elementen zijn van een gunstig klimaat voor de vrijheid van meningsuiting;

2.  benadrukt dat wetgevers, journalisten, uitgevers en tussenpersonen op het internet, maar ook burgers als consumenten van informatie, een gedeelde verantwoordelijkheid hebben;

3.  verzoekt de EU-instellingen om in het kader van al hun besluiten, maatregelen en beleid te zorgen voor de volledige tenuitvoerlegging van het EU-Handvest van de grondrechten, als een manier om pluralisme van de media en mediavrijheid ten volle in stand te houden en te vrijwaren tegen ongepaste inmenging door nationale overheidsinstanties; vraagt de Commissie om in dit opzicht bij wetgevingsvoorstellen een beoordeling van de effecten op de mensenrechten in te voeren en om een voorstel te doen om, in overeenstemming met de toepasselijke resolutie van het Parlement, een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten in te stellen;

4.  benadrukt dat er onafhankelijke monitoringmechanismen voorhanden moeten zijn ter beoordeling van de mediavrijheid en het pluralisme van de media in de EU, met het oog op de bevordering en bescherming van de rechten en vrijheden verankerd in artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 10 EVRM, alsook dat er onmiddellijk moet worden gereageerd op eventuele bedreigingen of schendingen van die rechten en vrijheden; verzoekt de Commissie en de lidstaten om de instrumenten die in dit verband al zijn ontwikkeld, zoals de Monitor voor het pluralisme van de media en het platform van de Raad van Europa voor de bescherming van de journalistiek en de veiligheid van journalisten, volledig te steunen en te versterken;

5.  roept de Commissie als hoedster van de Verdragen op om pogingen van regeringen van de lidstaten om de vrijheid en het pluralisme van de media aan te tasten, te behandelen als ernstig en systemisch machtsmisbruik en als inbreuk op de fundamentele waarden van de Europese Unie die zijn verankerd in artikel 2 VEU, gezien het feit dat het recht op vrijheid van mening en meningsuiting fundamentele mensenrechten zijn en dat de vrijheid, het pluralisme en de onafhankelijkheid van de media een essentiële rol spelen in een democratische samenleving, onder meer doordat zij een controlefunctie uitoefenen op de macht van de regering en de staat;

6.  verzoekt de lidstaten een onafhankelijke beoordeling uit te voeren van hun desbetreffende wetten en praktijken om de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid en het pluralisme van de media te beschermen;

7.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het misbruik, de misdaden en de dodelijke aanvallen die in de lidstaten nog steeds worden begaan jegens journalisten en medewerkers in de mediasector vanwege hun werkzaamheden; dringt er bij de lidstaten op aan al het mogelijke te doen om dergelijk geweld te voorkomen, om de verantwoordingsplicht te waarborgen en straffeloosheid te vermijden, en te garanderen dat slachtoffers en hun gezinnen toegang hebben tot passende rechtsmiddelen; verzoekt de lidstaten om in samenwerking met journalistieke organisaties een onafhankelijk orgaan in het leven te roepen voor het monitoren, documenteren en melden van geweld tegen en bedreiging van journalisten en dat zich inzet voor de bescherming en veiligheid van journalisten op nationaal niveau; doet bovendien een beroep op de lidstaten om Aanbeveling CM/Rec(2016)4 van de Raad van Europa over de bescherming van de journalistiek en over de veiligheid van journalisten en van andere media-actoren volledig ten uitvoer te leggen;

8.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de verslechterende arbeidsomstandigheden voor journalisten en de hoeveelheid psychologisch geweld waaraan journalisten worden blootgesteld; verzoekt de lidstaten derhalve om in nauwe samenwerking met journalistieke organisaties nationale actieplannen op te stellen teneinde de arbeidsomstandigheden van journalisten te verbeteren en ervoor te zorgen dat journalisten geen slachtoffer worden van psychologisch geweld;

9.  is bezorgd over de toestand van de mediavrijheid in Malta na de moord in oktober 2017 op de in corruptie gespecialiseerde journaliste Daphne Caruana Galizia, die al eerder het slachtoffer was geweest van intimidatie, onder meer in de vorm van voorlopige gerechtelijke bevelen tot bevriezing van haar banktegoeden, en bedreigingen door multinationale ondernemingen;

10.  is verheugd over de beslissing om de perszaal van het Europees Parlement te vernoemen naar de vermoorde journaliste Daphne Caruana Galizia; roept in dit verband nogmaals op tot instelling van een jaarlijkse prijs van het Europees Parlement voor onderzoeksjournalistiek die haar naam draagt;

11.  verzoekt de lidstaten om hun volledige steun te verlenen aan het initiatief van Verslaggevers zonder grenzen voor de benoeming van een speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties voor de veiligheid van journalisten;

12.  verzoekt de lidstaten om zowel wettelijk als in de praktijk een veilig klimaat voor journalisten en andere media-actoren, met inbegrip van buitenlandse journalisten die hun journalistieke werkzaamheden verrichten in de lidstaten van de EU, te scheppen en in stand te houden, waardoor de uitoefening van hun werk kan plaatsvinden in volledige onafhankelijkheid en zonder ongepaste inmenging, zoals de dreiging van geweld, intimidatie, financiële, economische en politieke druk, druk om geheime bronnen en materialen openbaar te maken en gerichte controle; benadrukt dat in verband met de bovengenoemde handelingen het noodzakelijk is dat de lidstaten de beschikbaarheid van efficiënte rechtsmiddelen waarborgen voor journalisten wiens professionele vrijheid om ongerechtvaardigde redenen wordt bedreigd, teneinde zelfcensuur te voorkomen; vraagt bijzondere aandacht voor het belang van een genderbewuste aanpak wanneer maatregelen ten behoeve van de veiligheid van journalisten worden overwogen;

13.  onderstreept het belang van het waarborgen van passende werkomstandigheden voor medewerkers in de mediasector, waarbij de vereisten van het EU-Handvest van de grondrechten en het Europees Sociaal Handvest volledig worden nageleefd, als een middel ter vermijding van ongepaste interne en externe druk, afhankelijkheid, kwetsbaarheid en instabiliteit, en dientengevolge het gevaar van zelfcensuur; benadrukt dat onafhankelijke journalistiek niet door de markt alleen kan worden gewaarborgd en bevorderd; vraagt de Commissie en de lidstaten derhalve om nieuwe sociaal duurzame economische modellen aan te moedigen en uit te werken die zijn gericht op de financiering en ondersteuning van kwaliteits- en onafhankelijke journalistiek, en ervoor te zorgen dat burgers accuraat worden geïnformeerd; vraagt de lidstaten om de financiële steun aan openbaredienstverleners en onderzoeksjournalisten op te voeren, zonder zich daarbij echter te mengen in redactionele beslissingen;

14.  veroordeelt de pogingen van regeringen om kritische media het zwijgen op te leggen en de vrijheid en het pluralisme van de media weg te vagen, ook op subtielere manieren die niet meteen de aandacht trekken van het platform van de Raad van Europa voor de bevordering van de bescherming van de journalistiek en de veiligheid van journalisten, zoals wanneer regeringsleden en hun handlangers commerciële mediakanalen opkopen en publieke media dwingen om partijdige belangen te dienen;

15.  wijst op de noodzaak om de activiteiten van het Europees Centrum voor pers- en mediavrijheid te ondersteunen en uit te breiden, met name op het gebied van juridische bijstand aan bedreigde journalisten;

16.  onderstreept dat mediaprofessionals vaak onder precaire omstandigheden moeten werken wat contracten, loon en sociale zekerheid betreft, waardoor zij hun werk niet naar behoren kunnen uitvoeren, hetgeen weer de mediavrijheid belemmert;

17.  erkent dat de vrijheid van meningsuiting kan worden onderworpen aan beperkingen in het belang van, onder meer, de bescherming van de reputatie en de rechten van anderen, op voorwaarde dat zij bij de wet zijn voorzien, een legitiem doel nastreven en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn; spreekt evenwel zijn bezorgdheid uit over de negatieve en beklemmende effecten die strafrechtelijke bepalingen tegen smaad kunnen hebben op het recht op vrijheid van meningsuiting, de persvrijheid en het openbaar debat; dringt er bij de lidstaten op aan zich te onthouden van elke vorm van misbruik van strafwetten inzake smaad door een juist evenwicht aan te brengen tussen het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven, met inbegrip van reputatie, en tegelijkertijd het recht op een doeltreffende voorziening in rechte te waarborgen en overdreven zware en onevenredige straffen en sancties te voorkomen, in overeenstemming met de criteria die zijn geformuleerd door het EHRM;

18.  verzoekt de Commissie met een voorstel te komen voor een "anti-SLAPP-richtlijn" (Strategic Lawsuit Against Public Participation – strategisch rechtsgeding tegen publieke participatie) om onafhankelijke media te beschermen tegen vexatoire rechtszaken die bedoeld zijn om hen in de EU het zwijgen op te leggen of te intimideren;

19.  is van mening dat de deelname aan democratische processen in de eerste plaats berust op daadwerkelijke en niet-discriminerende toegang tot informatie en kennis; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan gepaste beleidsmaatregelen te ontwikkelen om algehele toegang tot internet te realiseren en internettoegang, inclusief netneutraliteit, te erkennen als fundamenteel recht;

20.  betreurt het besluit van de Federal Communications Commission van de Verenigde Staten om de regels van 2015 betreffende netneutraliteit in te trekken en wijst op de negatieve gevolgen die dat besluit in een digitaal verbonden wereld kan hebben op het recht op gelijke toegang tot informatie; verzoekt de EU en de lidstaten om te streven naar versterking van het beginsel van netneutraliteit door voort te bouwen op de richtsnoeren van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (Berec) inzake de toepassing door de nationale regelgevende instanties van de Europese regels betreffende netneutraliteit, en deze verder te ontwikkelen;

21.  vraagt bijzondere aandacht voor de belangrijke rol die onafhankelijke en pluralistische media spelen in het politieke debat en bij het recht op pluralistische informatie zowel tijdens verkiezingsperiodes als in de periodes daartussen; benadrukt de noodzaak dat wordt gewaarborgd dat alle politieke actoren zich volledig kunnen uitspreken, overeenkomstig de bepalingen van het ICERD, en dat de hoeveelheid zendtijd die hen door de openbare omroep wordt gegeven gebaseerd is op journalistieke en professionele criteria en niet op de mate waarin zij instituties vertegenwoordigen of de politieke standpunten daarvan steunen;

22.  roept de lidstaten en de Commissie op geen onnodige maatregelen te treffen die zijn gericht op een arbitraire beperking van toegang tot internet en uitoefening van fundamentele mensenrechten of op beperkende regels ten aanzien van openbare communicatie, zoals het instellen van repressieve regels voor de vestiging en exploitatie van mediakanalen en/of websites, het arbitrair uitroepen van de noodtoestand, technisch beheer van digitale technologieën, d.w.z. het blokkeren, filteren, storen of sluiten van digitale ruimten, of het de facto privatiseren van beperkend beleid door intermediairs onder druk te zetten om actie te ondernemen om internetinhoud te beperken of te wissen; roept de EU en de lidstaten voorts op om te voorkomen dat private exploitanten dergelijke maatregelen nemen;

23.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te waarborgen dat zowel privébedrijven als regeringen volledig transparant te werk gaan bij het gebruik van algoritmen, kunstmatige intelligentie en geautomatiseerde besluitvorming, en meent dat deze technieken niet mogen worden toegepast en ontwikkeld op een manier of met de bedoeling om internetinhoud op willekeurige wijze te blokkeren, te filteren of te verwijderen; verzoekt de Commissie en de lidstaten eveneens te garanderen dat alle beleidsmaatregelen en strategieën van de EU op digitaal vlak worden opgesteld vanuit het oogpunt van de mensenrechten, onder vaststelling van gepaste rechtsmiddelen en waarborgen, en met volledige inachtneming van de relevante bepalingen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het EVRM;

24.  herhaalt dat cyberpesten, wraakporno en materiaal dat seksueel kindermisbruik bevat voorwerp van toenemende zorg zijn in onze samenlevingen en zeer ernstige gevolgen kunnen hebben, met name voor jongeren en kinderen, en benadrukt dat de belangen en rechten van kinderen moeten worden geëerbiedigd in de context van de massamedia; moedigt alle lidstaten aan om toekomstgerichte wetgeving op te stellen om deze verschijnselen aan te pakken, met inbegrip van bepalingen betreffende de opsporing, melding en verwijdering van inhoud die duidelijk inbreuk maakt op de menselijke waardigheid; moedigt de Commissie en de lidstaten aan hun inspanningen te verhogen om doeltreffende tegenverhalen te creëren en in duidelijke richtsnoeren te voorzien die zorgen voor rechtszekerheid en voorspelbaarheid voor gebruikers, dienstverleners en de internetsector als geheel, en tegelijkertijd de mogelijkheid van een beroep op de rechter te waarborgen, in overeenstemming met het nationale recht, teneinde te reageren op het misbruik van de sociale media voor terroristische doeleinden; benadrukt evenwel dat maatregelen die internetinhoud beperken of verwijderen alleen mogen worden genomen in gespecificeerde, uitdrukkelijke en legitieme omstandigheden en onder strikt rechterlijk toezicht, in overeenstemming met internationale normen, de jurisprudentie van het EHRM en artikel 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

25.  neemt nota van de door de Commissie aanbevolen Gedragscode voor de bestrijding van illegale haatzaaiende online uitlatingen; wijst op de grote speelruimte die aan private bedrijven is gelaten om te bepalen wat "onwettig" is en verzoekt dat deze ruimte wordt ingeperkt, om elk risico van censuur en tot arbitraire beperkingen van de vrijheid van meningsuiting te voorkomen;

26.  wijst er opnieuw op dat anonimiteit en encryptie essentiële instrumenten zijn voor de uitoefening van democratische rechten en vrijheden, voor het bevorderen van vertrouwen in de digitale infrastructuur en communicatie, en voor de bescherming van geheimhouding van journalistieke bronnen; erkent dat encryptie en anonimiteit de nodige privacy en veiligheid bieden om het recht op de vrijheid van mening en meningsuiting uit te oefenen in het digitale tijdperk, en herinnert eraan dat vrije toegang tot informatie per definitie inhoudt dat de persoonlijke informatie die burgers verstrekken bij hun onlineactiviteiten moet worden beschermd; neemt nota van het feit dat versleuteling en anonimiteit ook kunnen leiden tot misbruik en wangedrag en het moeilijk maken om criminele activiteiten te voorkomen en te onderzoeken, zoals functionarissen op het gebied van rechtshandhaving en terrorismebestrijding opmerken; herinnert eraan dat beperkingen op encryptie en anonimiteit overeenkomstig de beginselen van legaliteit, noodzakelijkheid en evenredigheid moeten worden toegepast; verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten de aanbevelingen uit het verslag van 22 mei 2015 van de speciale VN-rapporteur inzake de bevordering en bescherming van het recht op vrijheid van mening en meningsuiting betreffende het gebruik van encryptie en anonimiteit bij digitale communicatie, volledig te ondersteunen en uit te voeren;

27.  ondersteunt de ontwikkeling van gedragscodes voor journalisten en voor degenen die betrokken zijn bij het beheer van mediakanalen, teneinde de volledige onafhankelijkheid van journalisten en mediaorganen te waarborgen;

28.  benadrukt dat rechtshandhavings- en rechterlijke instanties worden geconfronteerd met een groot aantal belemmeringen bij het onderzoeken en vervolgen van onlinemisdrijven, mede ten gevolge van verschillen in de wetgeving van de EU-lidstaten;

29.  merkt op dat in het zich ontwikkelende digitale media-ecosysteem nieuwe intermediairs zijn opgestaan die online invloed en controle kunnen uitoefenen op informatie en ideeën door poortwachtersfuncties en -bevoegdheden te verwerven; onderstreept dat er voldoende onafhankelijke en autonome onlinekanalen, -diensten en -bronnen moeten zijn die een veelheid aan meningen en democratische ideeën kunnen overbrengen aan het publiek over kwesties van algemeen belang; verzoekt de lidstaten in dit verband nieuwe of bestaande nationale beleidslijnen en maatregelen uit te werken;

30.  erkent dat de nieuwe digitale omgeving het probleem van de verspreiding van desinformatie, het zogenaamde "nepnieuws", heeft vergroot; herinnert er echter aan dat dit geen nieuw verschijnsel is en zich niet alleen online voordoet; benadrukt hoe belangrijk het is om het recht op hoogwaardige informatie te waarborgen door de toegang van burgers tot betrouwbare informatie te verbeteren en tegelijkertijd de verspreiding van online- en offlinedesinformatie te voorkomen; herinnert eraan dat de term „nepnieuws” nooit mag worden gebruikt om het vertrouwen van het publiek in de media te ondermijnen en in diskrediet te brengen of kritische stemmen te criminaliseren; spreekt zijn bezorgdheid uit dat nepnieuws een mogelijke bedreiging kan vormen voor de vrijheid van meningsuiting en de onafhankelijkheid van de media, en onderstreept de negatieve gevolgen die het verspreiden van valse nieuwsberichten zou kunnen hebben voor de kwaliteit van het politieke debat en de geïnformeerde participatie van de burgers in democratische samenleving; benadrukt het belang om te zorgen voor effectieve, op de beginselen van nauwkeurigheid en transparantie gebaseerde zelfreguleringsystemen, en te voorzien in passende verplichtingen en instrumenten met betrekking tot het natrekken van bronnen en factchecking door onafhankelijke derden om de objectiviteit van informatie en de bescherming daarvan te bevorderen;

31.  spoort de socialemediabedrijven en onlineplatforms aan instrumenten te ontwikkelen die gebruikers in staat stellen om nepnieuws te melden en te markeren om onmiddellijke rectificatie te vergemakkelijken en evaluatie mogelijk te maken door onafhankelijke en onpartijdig gecertificeerde factcheckingorganisaties, die belast worden met het formuleren van nauwkeurige definities van nepnieuws en desinformatie, teneinde de discretionaire bevoegdheid die aan de actoren van de particuliere sector is overgelaten, te beperken, en informatie die bestaat uit "valse nieuwsberichten" als zodanig te blijven tonen en aanduiden, met het oog op het stimuleren van het publieke debat en te voorkomen dat dezelfde desinformatie in een andere vorm de kop opsteekt;

32.  is ingenomen met het besluit van de Commissie om een deskundigengroep op hoog niveau inzake nepnieuws en onlinedesinformatie op te richten, gevormd door vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties, socialemediaplatforms, nieuwsmedia, journalisten en de academische wereld, teneinde deze opkomende dreigingen te analyseren en praktische maatregelen voor te stellen die zowel op Europees als nationaal niveau moeten worden genomen;

33.  onderstreept de verantwoordelijkheid die onlineactoren hebben om te vermijden dat er ongecontroleerde of leugenachtige informatie wordt verspreid met als enig doel om meer internetverkeer te genereren door bijvoorbeeld zogeheten "clickbait" te gebruiken;

34.  erkent dat de rol van persuitgeverijen – evenals hun investeringen – in onderzoeksgerichte, professionele en onafhankelijke journalistiek van vitaal belang is om de verspreiding van "nepnieuws" tegen te gaan en benadrukt de noodzaak te zorgen voor de duurzaamheid van pluralistische redactionele inhoud; moedigt de Commissie en de lidstaten aan in voldoende financiële middelen voor media- en digitale geletterdheid te investeren en communicatiestrategieën te ontwikkelen, samen met internationale organisaties en het maatschappelijk middenveld, teneinde burgers en onlinegebruikers in staat te stellen bewust te zijn van twijfelachtige informatiebronnen en deze te herkennen en opzettelijk onjuiste inhoud en propaganda op te merken en aan de kaak te stellen; moedigt hiertoe de lidstaten aan om media- en informatiegeletterdheid op te nemen in hun nationale onderwijsprogramma's; verzoekt de Commissie om de beste praktijken op nationaal niveau in beschouwing te nemen om de kwaliteit van de journalistiek en de betrouwbaarheid van de gepubliceerde informatie te waarborgen;

35.  wijst eens te meer op het recht van eenieder om over het lot van zijn persoonsgegevens te beschikken, met name het exclusieve recht op de controle over het gebruik en de bekendmaking van persoonsgegevens en het recht om te worden vergeten, oftewel de mogelijkheid om inhoud die nadelig voor zijn eigen waardigheid kan zijn, direct te laten verwijderen van sociale media en zoekmachines;

36.  erkent dat het internet, en meer in het algemeen de ontwikkeling van de digitale omgeving, heeft geleid tot een verruiming van het toepassingsgebied van diverse mensenrechten, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in zaak C-131/12, Google Spain SL en Google Inc. tegen Agencia Española de Protección de Datos (AEPD) en Mario Costeja González(11); verzoekt de EU-instellingen in dit verband om een inspraakprocedure in te leiden voor het opstellen van een Handvest van internetrechten, waarbij de beste praktijken in de lidstaten – met name de Italiaanse verklaring van internetrechten – in aanmerking moeten worden genomen als referentiepunt voor het reguleren van het digitale domein, naast de toepasselijke Europese en internationale instrumenten betreffende mensenrechten;

37.  benadrukt de vitale rol van klokkenluiders bij het beschermen van het algemeen belang en het bevorderen van een cultuur van publieke verantwoording en integriteit, zowel in openbare als in particuliere instellingen; herhaalt zijn oproep aan de Commissie en de lidstaten om een passend, geavanceerd en alomvattend kader voor een gemeenschappelijke Europese wetgeving ter bescherming van klokkenluiders te realiseren en ten uitvoer te leggen, door de aanbevelingen van de Raad van Europa en de recente resoluties van het Parlement van 14 februari 2017 en 24 oktober 2017 te onderschrijven; is van mening dat ervoor moet worden gezorgd dat meldingsmechanismen toegankelijk, veilig en goed beveiligd zijn en dat meldingen van klokkenluiders en onderzoeksjournalisten op een professionele manier worden onderzocht;

38.  beklemtoont dat de wettelijke bescherming van klokkenluiders wanneer zij informatie openbaar maken in het bijzonder gebaseerd is op het recht van het publiek deze informatie te ontvangen; onderstreept dat een persoon het recht op bescherming niet mag verliezen louter en alleen omdat hij een beoordelingsfout heeft gemaakt of het gevaar voor het algemeen belang zich uiteindelijk niet heeft geconcretiseerd, op voorwaarde dat hij op het moment van de melding redelijke gronden had om aan te nemen dat de feiten op waarheid berustten; wijst er nogmaals op dat personen die bewust onjuiste of misleidende informatie aan de bevoegde autoriteiten melden niet als klokkenluiders mogen worden beschouwd en dus niet in het genot van de beschermingsmechanismen mogen komen; benadrukt bovendien dat eenieder die is benadeeld, rechtstreeks of onrechtstreeks, door de melding of openbaarmaking van onjuiste of misleidende informatie het recht moet krijgen op een daadwerkelijke voorziening in rechte;

39.  spoort zowel de Commissie als de lidstaten aan maatregelen te nemen om de geheimhouding van de informatiebronnen te waarborgen teneinde discriminerende maatregelen of bedreigingen te voorkomen;

40.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat journalisten over de juiste instrumenten beschikken om informatie op te vragen en in te winnen bij de EU en de overheidsinstanties van de lidstaten, in overeenstemming met Verordening nr. 1049/2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten, zonder dat zij te maken krijgen met willekeurige beslissingen waarbij hun dit recht op toegang wordt ontzegd; merkt op dat de informatie die journalisten of burgers via het enquêterecht verkrijgen, met inbegrip van informatie van klokkenluiders, een aanvulling vormt op en van essentieel belang is voor de mogelijkheid van journalisten om hun taak van openbaar belang te vervullen; herhaalt dat de toegang tot openbare bronnen en evenementen afhankelijk moet zijn van objectieve, niet-discriminerende en transparante criteria;

41.  benadrukt dat persvrijheid onafhankelijkheid van politieke en economische macht vereist, wat betekent dat media gelijk moeten worden behandeld, ongeacht de redactionele lijn; wijst er opnieuw op dat het belangrijk is dat de journalistiek wordt beschermd door mechanismen die voorkomen dat media geconcentreerd raken in handen van één concern of van monopolistische of quasi-monopolistische groepen, zodat de vrije mededinging en de redactionele diversiteit gewaarborgd blijft; roept de lidstaten op om regelgeving inzake eigendom in de mediasector aan te nemen en ten uitvoer te leggen om horizontale, indirecte en diagonale concentratie van eigendom in de mediasector te voorkomen, en transparantie en openbaarmaking van de informatie over eigendom, de financieringsbronnen en het beheer van de media, en de gemakkelijke toegang van burgers tot die informatie, te waarborgen; onderstreept het belang om passende beperkingen op te leggen ten aanzien van mediaeigendom van personen die een openbaar ambt bekleden, en om te zorgen voor onafhankelijk toezicht en doeltreffende mechanismen voor de naleving om daarmee belangenconflicten en draaideurconstructies te voorkomen; acht het bestaan van onafhankelijke en onpartijdige nationale autoriteiten essentieel om een effectief toezicht op de audiovisuele mediasector te waarborgen;

42.  dringt er bij de lidstaten op aan hun eigen strategische capaciteiten te ontwikkelen en samen te werken met lokale gemeenschappen in de EU en haar nabuurschap om een pluralistisch mediaklimaat te bevorderen en het EU-beleid op een samenhangende, doeltreffende manier over te brengen;

43.  verzoekt de lidstaten om de op 7 maart 2018 vastgestelde aanbeveling van het Comité van ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten over het pluralisme van de media en de transparantie van mediaeigendom, volledig te steunen en te onderschrijven;

44.  wijst op de belangrijke rol die is weggelegd voor publieke omroepen bij de instandhouding van het pluralisme van de media, zoals benadrukt in Protocol nr. 29 bij de Verdragen; verzoekt de lidstaten om deze omroepen de gepaste financiële en technische middelen te bieden die zij nodig hebben om hun maatschappelijke functie te vervullen en het algemeen belang te dienen; verzoekt de lidstaten in dit verband om hun redactionele onafhankelijkheid te waarborgen door hen via welomschreven regelgevingskaders te behoeden voor elke vorm van bestuurlijke, politieke en commerciële inmenging en beïnvloeding, en tegelijkertijd de volledige autonomie en onafhankelijkheid van alle overheidsorganen en -entiteiten veilig te stellen die bevoegdheden hebben op het gebied van het omroepbestel en telecommunicatie;

45.  dringt er bij de lidstaten op aan om bij hun vergunningenbeleid voor nationale omroepbedrijven rekening te houden met het beginsel inzake de eerbiediging van het pluralisme van de media; merkt op dat de te betalen vergoedingen en de striktheid van de verplichtingen met betrekking tot de afgifte van de vergunningen onderworpen moeten zijn aan toezicht en de mediavrijheid niet in gevaar mogen brengen;

46.  vraagt de Commissie om na te gaan of de lidstaten uitzendvergunningen toekennen op grond van objectieve, transparante, onpartijdige en evenredige criteria;

47.  stelt voor om, met het oog op een doeltreffende bescherming van mediavrijheid en -pluralisme, de deelname aan een aanbestedingsprocedure van bedrijven waarvan de uiteindelijke eigenaar ook eigenaar is van een mediabedrijf, te verbieden of op zijn minst volledig transparant te maken; stelt voor de lidstaten ertoe te verplichten regelmatig verslag uit te brengen over alle aan mediabedrijven verstrekte overheidsfinanciering, en alle aan media-eigenaren verstrekte overheidsfinanciering regelmatig te controleren; benadrukt dat media-eigenaren niet mogen zijn veroordeeld voor of schuldig bevonden aan een strafbaar feit;

48.  benadrukt dat overheidsfinanciering aan mediaorganisaties moet worden verstrekt op basis van niet-discriminerende, objectieve en transparante criteria, die vooraf aan alle media bekend moeten worden gemaakt;

49.  herinnert eraan dat de lidstaten manieren moeten vinden om de media te ondersteunen, bijvoorbeeld door te zorgen voor btw-neutraliteit, zoals aanbevolen in zijn resolutie van 13 oktober 2011 over de toekomst van de btw(12), en door initiatieven met betrekking tot de media te steunen;

50.  verzoekt de Commissie om permanente en gepaste financiering in de EU-begroting te bestemmen voor steun aan de Monitor voor het pluralisme van de media van het Centrum voor pluralisme van de media en mediavrijheid, en een jaarlijks mechanisme te creëren voor de beoordeling van de risico's voor het pluralisme van de media in de lidstaten; benadrukt dat hetzelfde mechanisme moet worden gebruikt om het pluralisme van de media in kandidaat-lidstaten te meten, en dat de bevindingen van de Monitor voor het pluralisme van de media daadwerkelijk invloed moeten hebben op de voortgang van het onderhandelingsproces;

51.  verzoekt de Commissie om de vrijheid en het pluralisme van de media in alle lidstaten te monitoren door het verzamelen van informatie en statistische gegevens, alsook om inbreuken op de grondrechten van journalisten grondig te analyseren en daarbij het beginsel van subsidiariteit te eerbiedigen;

52.  benadrukt dat de uitwisseling van beste praktijken tussen de regelgevende instanties van de lidstaten voor de audiovisuele sector moet worden geïntensiveerd;

53.  verzoekt de Commissie om acht te slaan op de aanbevelingen die het Europees Parlement heeft gedaan in zijn resolutie van 25 oktober 2016 betreffende de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten(13); verzoekt de Commissie in dit verband om de resultaten en aanbevelingen van de Monitor voor het pluralisme van de media betreffende de risico's voor het pluralisme van de media en de mediavrijheid in de EU mee te nemen bij het opstellen van haar jaarverslag over democratie, de rechtsstaat en grondrechten (het Europees DRG-verslag);

54.  moedigt de lidstaten aan meer inspanningen te leveren om de mediageletterdheid te verhogen en opleidings- en onderwijsinitiatieven onder alle burgers te bevorderen door middel van formeel, niet-formeel en informeel onderwijs op basis van een leven lang leren, mede door bijzondere aandacht te besteden aan initiële en permanente opleiding en ondersteuning van leerkrachten, alsmede door het aanmoedigen van dialoog en samenwerking tussen de onderwijs- en opleidingssector en alle relevante belanghebbenden, waaronder mediaprofessionals, maatschappelijke organisaties en jongerenorganisaties; wijst nogmaals op de noodzaak om steun te verlenen aan op leeftijd afgestemde innovatieve instrumenten ter bevordering van empowerment en onlineveiligheid als verplichte onderdelen van het leerplan op scholen, en om de digitale kloof te overbruggen door middel van specifieke projecten op het gebied van technologische geletterdheid en door adequate investeringen in infrastructuur, teneinde universele toegang tot informatie te waarborgen;

55.  benadrukt dat het ontwikkelen van het vermogen om media-inhoud kritisch te beoordelen en te analyseren essentieel is voor het inzicht dat mensen kunnen krijgen in actuele kwesties en voor hun bijdrage aan het openbare leven, alsook voor hun kennis van zowel de vernieuwende mogelijkheden als de bedreigingen die inherent zijn aan een steeds complexere en onderling verbonden mediaomgeving; benadrukt dat mediageletterdheid een essentiële democratische vaardigheid is die de burgers mondiger maakt; roept de Commissie en de lidstaten op om specifieke maatregelen te nemen ter bevordering en ondersteuning van mediageletterdheidsprojecten, zoals het proefproject Media Literacy for All, en om een alomvattend mediageletterdheidsbeleid te ontwikkelen dat gericht is op burgers van alle leeftijdsgroepen en op alle mediatypen, als integraal onderdeel van het onderwijsbeleid van de Europese Unie, en ondersteund door de daarvoor bestemde financieringsbronnen van de EU, zoals de ESI-fondsen en Horizon 2020;

56.  stelt met bezorgdheid vast dat, zoals in de Media Pluralism Monitor 2016 wordt benadrukt, de toegang tot de media voor minderheden, lokale en regionale gemeenschappen, vrouwen en mensen met een handicap gevaar loopt; benadrukt dat inclusieve media essentieel zijn in een open, vrij en pluralistisch medialandschap, en dat alle burgers het recht hebben op toegang tot onafhankelijke informatie in hun moedertaal, ongeacht of dit de landstaal of een minderheidstaal is; benadrukt dat het belangrijk is dat Europese journalisten, met name journalisten die in minder gebruikte en minderheidstalen werken, adequate opleidings- en omscholingsmogelijkheden krijgen; dringt er daarom bij de Commissie en de lidstaten op aan om onderzoek, projecten en beleidsmaatregelen ter verbetering van de toegang tot de media aan te moedigen en te ondersteunen, alsmede relevante initiatieven ten behoeve van kwetsbare minderheidsgroepen (zoals het proefproject over stagemogelijkheden voor media in minderheidstalen) en om alle burgers mogelijkheden tot participatie en meningsuiting te bieden;

57.  moedigt de mediasector aan gendergelijkheid in de beleidsmaatregelen en praktijken van de sector te waarborgen door middel van medereguleringsmechanismen, interne gedragscodes en andere vrijwillige maatregelen;

58.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om maatschappelijke campagnes, onderwijsprogramma's en beter gerichte trainingen en bewustmakingsacties in gang te zetten (ook voor de besluitvormers in de sector) teneinde egalitaire waarden en praktijken te bevorderen door middel van financiering en stimulatie op nationaal en Europees niveau met het oog op een doeltreffende aanpak van de genderongelijkheid in de mediasector;

59.  beveelt de Commissie aan om een sectorale strategie voor de Europese mediasector te ontwikkelen op basis van innovatie en duurzaamheid; is van mening dat een dergelijke strategie de grensoverschrijdende samenwerking en coproducties tussen mediaproducenten in de EU moet versterken om hun diversiteit te benadrukken en de interculturele dialoog te bevorderen, de samenwerking met individuele nieuwsbureaus en audiovisuele diensten van alle Europese instellingen, met name die van het Europees Parlement, te verbeteren en de media-aandacht en zichtbaarheid van EU-aangelegenheden te bevorderen;

60.  benadrukt het belang van de ontwikkeling van nieuwe modellen voor de oprichting van een Europees platform voor publieke omroepen dat politieke debatten in de hele EU op basis van feiten, uiteenlopende meningen en respect bevordert, bijdraagt tot een verscheidenheid aan standpunten in de nieuwe geconvergeerde mediaomgeving en de zichtbaarheid van de EU bij haar externe betrekkingen bevordert;

61.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de vrijheid van de media en de vrijheid van meningsuiting in de hedendaagse kunst te beschermen door het creëren van kunstwerken te bevorderen die actuele maatschappelijke thema's tot onderwerp hebben, kritisch debat aanmoedigen en het naar voren brengen van andere standpunten stimuleren;

62.  benadrukt dat "geoblocking" van media-inhoud moet worden afgeschaft, zodat EU-burgers de mogelijkheid krijgen om programma's van televisiezenders uit andere EU-lidstaten online te bekijken, aan te vragen of opnieuw te bekijken;

63.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

(1)

PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.

(2)

PB C 55 van 12.2.2016, blz. 33.

(3)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0230.

(4)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0388.

(5)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0095.

(6)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0409.

(7)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0022.

(8)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0402.

(9)

PB C 32 van 4.2.2014, blz. 6.

(10)

PB L 88 van 31.3.2017, blz. 6.

(11)

ECLI:EU:C:2014:317.

(12)

PB C 94 E van 3.4.2013, blz. 5.

(13)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0409.


TOELICHTING

Door het aannemen van het Verdrag van Lissabon heeft de Europese Unie laten zien dat zij een waardengemeenschap is waarvan mensenrechten de hoeksteen vormen. Vrijheid van meningsuiting en informatie wordt internationaal erkend als een van de kernelementen in het systeem van mensenrechten en fundamentele vrijheden. Zij is onder andere vervat in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het werk van verschillende internationale organisaties (de VN, de OVSE, de Raad van Europa) hebben het toepassingsgebied ervan ontwikkeld en verduidelijkt. Artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie heeft de werkingssfeer formeel verruimd door ook de vrijheid en het pluralisme van de media bescherming te bieden. Gezamenlijk vormen al deze instrumenten een versteviging van een duidelijk afgetekende verantwoordelijkheid van de lidstaten en de EU zelf om dit fundamentele mensenrecht volledig te beschermen en tegelijkertijd positieve maatregelen te treffen om de vooruitgang ervan proactief te bevorderen.

Afgezien van haar intrinsieke status als mensenrecht vervullen vrijheid van meningsuiting en pluralistische en onafhankelijke media ook een fundamentele maatschappelijke rol, waarbij de media optreden als waakhond over het publieke domein, burgers beschermen tegen misbruik als gevolg van de belangen van overheden en private partijen, en burgers in staat stellen om actief deel te nemen aan het democratische leven.

Tussen het moment waarop het Europees Parlement, op 21 mei 2013, zijn goedkeuring hechtte aan de resolutie over het EU-Handvest: vaststelling van normen voor de vrijheid van de media in de gehele EU, zijn de voorwaarden voor effectieve mediavrijheid, pluralisme en onafhankelijkheid van politieke druk en economische belangen verslechterd, zoals duidelijk blijkt uit de gegevens over 2017 van de door Verslaggevers zonder grenzen gepubliceerde wereldindex voor persvrijheid(1) en de conclusies van het beleidsrapport van het Europees Universitair Instituut van 2017(2).

De vrijheid van meningsuiting en het pluralisme van de media worden door een grote verscheidenheid aan maatregelen van zowel overheidsactoren als private partijen op vele manieren bedreigd.

Geweld jegens, bedreiging van en druk op journalisten

Zelfs in de EU-lidstaten blijven journalisten het doelwit van dodelijke aanvallen. De moord op de Maltese journaliste Daphne Caruana Galizia is in deze zin niets nieuws. De druk op journalisten kent echter verschillende en veelzijdige vormen. Deze zijn volgens het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten onder meer: bedreigingen met geweld, incidenten bij openbare bijeenkomsten, vermeende inmenging door politieke actoren, druk om geheime bronnen en materialen openbaar te maken, inmenging door veiligheids- en inlichtingendiensten, en financiële en economische druk(3). Door deze factoren krijgt, in combinatie met politieke inmenging en de hoge concentratiegraad in de mediasector, ook het fenomeen zelfcensuur een zwaarder gewicht, zoals blijkt uit een door de Raad van Europa gepubliceerde studie onder de titel "Journalists under pressure: Unwarranted interference, fear and self-censorship in Europe"(4). De verslechtering van de werkomstandigheden en de economische omstandigheden in de mediasector als gevolg van de economische crisis zorgt er samen met het verschijnen van nieuwe internationale actoren, zoals hightechreuzen of socialemediaplatformen die in staat zijn om de onlineadvertentiemarkt te beheersen, en de bezuinigingen die in sommige lidstaten jegens de publieke omroep plaatsvinden voor dat de toestand extra precair wordt en dat zelfcensuur toeneemt.

De digitale ruimte

De participatiedemocratie heeft door de digitale technologieën ongetwijfeld de beschikking gekregen over nieuwe en krachtige hervormingsinstrumenten, waardoor zij op revolutionaire wijze is vergroot en waardoor burgers het vermogen hebben gekregen om van informatiegebruikers te veranderen in informatieproducenten. Het risico van desinformatie dat ligt besloten in de virale verspreiding van internetinhoud en in de problemen om daar op tijd informatie tegenover te stellen of deze te corrigeren alsook in de censuur die door socialemediaplatformen en techreuzen zou kunnen worden toegepast, is de keerzijde van de medaille. Vanuit het perspectief van het internationaal recht moet de "nepnieuws"-kwestie echter met grote voorzichtigheid worden benaderd. Er moet worden bedacht dat de traditionele gevestigde media net zo goed de neiging hadden – en hebben – om onwaar nieuws te verspreiden, en dat het verbod op "nep" of "onwaar" nieuws vaak als instrument is gebruikt om de media aan regels te onderwerpen en de redactionele vrijheid in te perken. We weten dat leugenachtige informatie ernstige schade kan toebrengen (beschadiging van de reputatie van mensen, schending van hun privacy), maar beperkingen op "nepnieuws" zijn niet de oplossing. Beslissende "waarheid" en "objectiviteit" zijn dubbelzinnige en gevaarlijke begrippen. De roep om alleen absoluut ware rapporten te publiceren is niet alleen onrealistisch, maar ook in strijd met ideeën van vrijheid. Ook moeten we bedenken dat het in het digitale tijdperk makkelijker is geworden om feiten na te trekken dan het bij de traditionele media ooit is geweest: de manipulatie van digitaal materiaal kan worden onderzocht zo men dat wil, en het internet biedt de instrumenten en de infrastructuur om bronnen en feiten na te trekken. Als wordt toegestaan dat publieke ambtsdragers mogen beslissen wat als waar telt, komt dat er in feite op neer dat wordt aanvaard dat machthebbers het recht hebben om kritische stemmen het zwijgen op te leggen. Net als de begrippen "haatzaaiende uitlatingen" of "terrorisme" is ook "nepnieuws" te vaag om te voorkomen dat daar subjectieve en arbitraire betekenissen aan worden gegeven. Om in plaats van publieke autoriteiten private partijen als Facebook deze afwegingen te laten maken, is evenmin een geruststellende gedachte.

Nationale maatregelen en het Kopenhagendilemma

Nationale veiligheid en terrorismebestrijding beginnen voor de lidstaten de rode draad te worden bij het maken van wetten en treffen van andere maatregelen die beslist hun sporen op mensenrechten en fundamentele vrijheden zullen achterlaten, zoals wordt aangetoond door de zaak-Snowden en door de jurisprudentie van het Hof van Justitie op dit terrein. Zonder passende juridische garanties en rechtsmiddelen bestaat het gevaar dat de in de afgelopen tijd in verscheidene lidstaten aangenomen nationale wetten voor uitbreiding van de toezichthoudende bevoegdheden van de veiligheids-, politie- en inlichtingendiensten, voor het volgen van communicatie en de opslag van persoonlijke gegevens leiden tot de ondermijning van wat de essentie is van het recht op vrijheid van meningsuiting en van andere grondrechten, zoals het recht op privacy en gegevensbescherming.

Vergelijkbare maatregelen ter beperking van het genot van vrijheid van meningsuiting en informatie of van de primaire functies van vrije en onafhankelijke media, zoals de aanwezigheid van strafrechtelijke bepalingen tegen smaad, kunnen het democratische debat op dezelfde wijze aantasten.

Kandidaat-lidstaten moeten krachtens artikel 49 VEU aantonen dat zij de in artikel 2 VEU opgesomde EU-waarden eerbiedigen: een verplichting die is vervat in de criteria van Kopenhagen. Er bestaat echter geen echt EU-instrument waarmee kan worden gewaarborgd dat lidstaten mensenrechten en rechtsstaat daadwerkelijk respecteren, behalve de zogenaamde "nucleaire optie" die in artikel 7 VEU wordt geboden. De politieke inmenging die in de laatste tientallen jaren in onder andere Italië, Polen, Spanje en Hongarije heeft plaatsgevonden, toont aan dat er een passend institutioneel EU-mechanisme nodig is om toezicht te houden en in te grijpen.

Klokkenluiders

Klokkenluiden wordt breed erkend als een fundamenteel aspect van vrijheid van meningsuiting en als een essentieel instrument bij het waarborgen van de transparantie en de verantwoordingsplicht van de democratische instellingen. De behoefte aan een doeltreffende bescherming van klokkenluiders is door verschillende organisaties herhaaldelijk genoemd, zoals door de Raad van Europa, door de speciale VN-rapporteur inzake de bevordering en bescherming van het recht op vrijheid van mening en van meningsuiting, en door het Europees Parlement zelf. Er is echter nog geen gemeenschappelijk EU-kader goedgekeurd, en verscheidene lidstaten beschikken in dit opzicht niet over een toereikend systeem.

(1)

Verslaggevers zonder grenzen, Wereldindex voor persvrijheid 2017, Journalism weakened by democracy’s erosion, https://rsf.org/en/journalism-weakened-democracys-erosion

(2)

Centrum voor pluralisme van de media en mediavrijheid, Europees Universitair Instituut, Monitoring Media. Pluralism in Europe: Application of the Media Pluralism Monitor 2016 in the European Union, Montenegro and Turkey, http://cmpf.eui.eu/media-pluralism-monitor/mpm-2016-results/

(3)

Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA), Violence, threats and pressures against journalists and other media actors in the EU, bijdrage aan het tweede jaarlijks colloquium over de grondrechten, november 2016, http://fra.europa.eu/en/publication/2016/violence-threats-and-pressures-against-journalists-and-other-media-actors-european.

(4)

Marilyn Clark en Anna Grech, Journalists under pressure – Unwarranted interference, fear and self-censorship in Europe, Council of Europe Publishing, 2017.


MINDERHEIDSSTANDPUNT

ingediend overeenkomstig artikel 52 bis, lid 4, van het Reglement

Marek Jurek

In het goedgekeurde verslag wordt de kwestie van de vrijheid en de pluriformiteit van de media aan de orde gesteld, van essentieel belang voor de democratie. Het verslag laat evenwel bewust aspecten buiten beschouwing die voor de kwestie van essentieel belang zijn en die in de commissie en tijdens de onderhandelingen ter sprake zijn gekomen. Deze aspecten hebben met name betrekking op nieuwe vormen van beperking van de vrijheid van meningsuiting, zoals bijvoorbeeld de invoering in Frankrijk van gevangenisstraffen voor de "uitoefening van morele druk".

Het verslag vestigt de aandacht op de verantwoordelijkheid van de staat om de voorwaarden voor pluralisme te waarborgen, maar gaat niet in op de noodzaak om de voorwaarden voor pluralisme in samenlevingen daadwerkelijk te herstellen in samenlevingen die totalitaire onderdrukking hebben gekend. In door collaborerende communistische regimes geregeerde landen waren maatschappelijke groepen die door de autoriteiten als vijandig beschouwd werden generaties lang het slachtoffer van discriminatie en werden hun standpunten en waarden systematisch door officiële propaganda zwart gemaakt. Dat deze groepen volledig kunnen deelnemen aan het openbare leven is een duidelijke verantwoordelijkheid van elke regering en moet worden ondersteund door de Europese Unie.


ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs (Voorts bevat het verslag een niet-goedgekeurde verwijzing naar het Verdrag van Istanbul, een verdrag dat een derde van de lidstaten niet heeft geratificeerd, en roept op tot de invoering van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten, een idee dat eveneens door vele landen is afgewezen. Een verslag waarin de kwestie van pluralisme aan de orde wordt gesteld mag in ieder geval niet worden gebruikt om zulke eenzijdige ideeën op te dringen waartegen vele burgers van onze landen zich verzetten.5.3.2018)

aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

inzake pluralisme van de media en mediavrijheid in de Europese Unie

(2017/2209(INI))

Rapporteur voor advies (*): Curzio Maltese

(*) Medeverantwoordelijke commissie – artikel 54 van het Reglement

SUGGESTIES

De Commissie cultuur en onderwijs verzoekt de bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  herinnert eraan dat de vrijheid van meningsuiting en informatie, zoals vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (artikel 11), het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (artikel 19) en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, essentieel is voor de totstandbrenging van een pluralistische samenleving, zoals bedoeld in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie; benadrukt dat toegang tot kwalitatief hoogwaardige, vrije en onafhankelijke informatie een fundamenteel mensenrecht is, dat persvrijheid en pluralisme essentiële pijlers van de democratie zijn en dat het gevrijwaard blijven van de media van politieke en economische druk en ongepaste invloeden van welke aard dan ook moet worden gewaarborgd, om te voorkomen dat wordt gepoogd de redactionele inhoud te beïnvloeden door middel van intimidatiepraktijken;

2.  benadrukt dat burgers correct en volledig moeten worden geïnformeerd om op actieve en effectieve wijze te kunnen participeren in het openbare leven en te kunnen deelnemen aan politieke debatten;

3.  is van mening dat openlijk en serieus moet worden gezocht naar de redenen voor het groeiende wantrouwen van het publiek tegenover de media; herinnert eraan dat de vorming van de publieke opinie gebaseerd is op een vertrouwensrelatie tussen burgers en mediaprofessionals, die erop gericht is het publiek te informeren en een cultuur van publieke verantwoording en transparantie te bevorderen met het oog op het algemeen belang; stelt met ernstige verontrusting vast dat de financiering van de media tot tal van uitdagingen leidt, zoals de hoge concentratie van media-eigendom, die ertoe leidt dat sommige dominante spelers informatie gebruiken voor politieke en commerciële propagandadoelstellingen, waardoor het pluralisme van de media in gevaar komt en de kwaliteit, diversiteit, betrouwbaarheid en betrouwbaarheid van informatie drastisch worden aangetast en zich verschijnselen als "nepnieuws" voordoen; juicht daarom het voorstel van de Commissie toe om nieuwsuitgevers het recht te geven om de reproductie en toegankelijkheid van hun perspublicaties online toe te staan, om een evenwichtige relatie met onlinebedrijven mogelijk te maken en een billijk aandeel van inkomsten uit onlinepublicaties te bevorderen;

4.  neemt kennis van de nieuwe uitdagingen waarmee zowel de traditionele als de nieuwe media in een snel evoluerend medialandschap worden geconfronteerd als gevolg van de opkomst van technologieën en digitalisering, zoals het fenomeen van de "filterbubbel", veroorzaakt door het op grote schaal toepassen van algoritmen, en de noodzaak om het grondrecht op privacy te eerbiedigen; benadrukt met name dat het verschijnsel van zogenaamd "nepnieuws" een groeiende en zorgwekkende trend is, waarbij opzettelijk onware berichten en foute informatie worden verspreid, hetgeen sociale spanningen kan aanwakkeren en een fundamentele bedreiging voor democratieën kan vormen; wijst erop dat journalisten en mediaorganisaties een unieke verantwoordelijkheid hebben bij het vormen van opinies en het verloop van publieke debatten en dat zij moeten streven naar het leveren van op feiten gebaseerde informatie; is daarom van mening dat de media onafhankelijk en transparant moeten zijn en dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan een coherente en alomvattende strategie te ontwikkelen die enerzijds gericht is op het bevorderen van kwalitatief hoogstaande journalistiek door de financiële en juridische ondersteuning van onafhankelijk opererende media en onderzoeksjournalistiek te versterken en zich tegelijkertijd niet te bemoeien met redactionele besluiten, en anderzijds op het ondersteunen van mediageletterdheid onder alle EU-burgers;

5.  benadrukt dat de publieke media een onvervangbare rol spelen voor het pluralisme van de media en dat zij een grote verantwoordelijkheid dragen om de culturele, linguïstische, sociale, politieke en taalkundige verscheidenheid adequaat te weerspiegelen en ervoor te zorgen dat het publiek naar behoren wordt voorgelicht; beveelt de lidstaten aan om te zorgen voor passende, evenredige en stabiele financiering van de publieke media, zodat zij hun culturele, sociale en educatieve rol kunnen vervullen en kunnen bijdragen tot een inclusieve samenleving, zonder dat dit ten koste gaat van politieke inmenging of censuur en zonder dat zij worden gebruikt als middel voor propaganda en indoctrinatie;

6.  herinnert eraan dat de lidstaten manieren moeten vinden om de media te ondersteunen, bijvoorbeeld door te zorgen voor btw-neutraliteit, zoals aanbevolen in zijn resolutie van 13 oktober 2011 over de toekomst van de btw(1), en door initiatieven met betrekking tot de media te steunen;

7.  benadrukt dat het gebruik van digitale media heeft geleid tot nieuwe uitdagingen en mogelijkheden voor de vrijheid van de media en dat pluralisme in de media, ook op het gebied van internet, ernstig in gevaar wordt gebracht door de buitensporige concentratie van media-eigendom, de zich hier en daar voordoende zorgwekkende verstrengeling van de belangen van de media-industrie en de politiek en het gebrek aan naleving van de mededingings- en belastingregels door het bedrijfsleven; verzoekt de Commissie en de lidstaten tekortkomingen in de regelgeving weg te werken om juridische duidelijkheid en consistentie te scheppen teneinde werkelijke diversiteit, de toegankelijkheid van media-inhoud en de vrijheid van de media te waarborgen en de vorming van machtsposities door grote internetbedrijven te voorkomen door middel van een gemoderniseerd EU-mededingingsbeleid dat eerlijke concurrentie in de Europese mediasector waarborgt in het kader van "online convergence" en de groeiende rol van onlineplatforms, en door middel van een regelgevingskader dat het verlenen van licenties voor het commerciële gebruik van auteursrechtelijk beschermde persartikelen verplicht stelt, zodat een eerlijke behandeling wordt gewaarborgd; benadrukt in dit verband dat de eigendomsstructuren van media transparant moeten zijn en dat de nationale regelgevende instanties met name op dit aspect moeten toezien;

8.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan een voor de hele EU geldend systeem van wettelijke zelfregulering in te voeren om ervoor te zorgen dat media-actoren hun eigen ethische normen voor online-informatie opstellen, onderhandelen en invoeren zonder rechtstreekse politieke betrokkenheid;

9.  merkt op dat een groot deel van de informatie die traditionele mediakanalen produceren, nu zowel online als op traditionele platforms beschikbaar is en dat deze daarom onderworpen blijven aan de nationale media-regelgeving; wijst erop dat dit niet het geval is voor mediaplatforms die uitsluitend online bestaan, wat leidt tot oneerlijke concurrentie tussen dergelijke platforms en traditionele mediakanalen; merkt op dat voor soortgelijke diensten met vergelijkbare kenmerken ook gelijksoortige voorschriften moeten gelden; dringt erop aan dat regels en mediavoorschriften worden geharmoniseerd om gelijke concurrentievoorwaarden te waarborgen;

10.  vestigt de aandacht op het feit dat de vrijheid van meningsuiting en informatie in Europa in het gedrang komt door de toenemende intimidatie van en agressie jegens journalisten, zoals blijkt uit de recente moord op Daphne Caruana Galizia; wijst er nogmaals op dat de lidstaten het fundamentele recht van journalisten op vrijheid van meningsuiting, teneinde informatie te verstrekken, moeten waarborgen door ervoor te zorgen dat zij worden beschermd en hun werk kunnen doen, en tevens het grondrecht van het grote publiek om die informatie te ontvangen moeten waarborgen; benadrukt de bijzondere situatie van onderzoeksjournalisten en het belang van de bescherming van bronnen; roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat hun rechtskaders en wetshandhavingspraktijken de journalisten en mediaprofessionals voldoende bescherming, bijstand en ondersteuning bieden en dat daarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan de specifieke gevaren die samenhangen met gender en seksuele en etnische identiteit;

11.  onderstreept dat klokkenluiders van essentieel belang zijn voor onderzoeksjournalistiek en persvrijheid; wijst erop dat journalisten, wanneer zij in het algemeen belang informatie openbaar maken of vermeend wangedrag, overtredingen, fraude of illegale activiteiten signaleren, een grotere kans lopen op strafrechtelijke vervolging dan dat zij kunnen rekenen op wettelijke bescherming; herinnert aan zijn resolutie van 24 oktober 2017 over legitieme maatregelen ter bescherming van klokkenluiders die handelen in het algemeen belang bij het onthullen van vertrouwelijke informatie van bedrijven en overheidsinstanties(2); dringt er bij de Commissie op aan zo spoedig mogelijk een wetgevingsvoorstel in te dienen dat een hoog niveau van bescherming van klokkenluiders in de EU waarborgt;

12.  wijst op de succesvolle oprichting van het Europees Centrum voor persvrijheid en mediavrijheid (ECPMF) in het kader van een proefproject van de Europese Unie en benadrukt het belangrijke werk dat het ECPMF verricht in de strijd tegen aanvallen op de pers- en mediavrijheid door de systematische vastlegging van schendingen van de persvrijheid in Europa en door directe steun te verlenen aan journalisten en mediavrijheidactivisten die bedreigd worden en het risico lopen slachtoffer te worden van geweld; verzoekt de Commissie de nodige instrumenten te ontwikkelen en de nodige financiële middelen ter beschikking te stellen om van het ECPMF een permanente EU-structuur te maken;

13.  benadrukt dat de toename van haatzaaiende uitlatingen, misbruik en dreigingen op online platforms, waarop in de Eurobarometer-enquête van 2016 over pluralisme en democratie in de media werd gewezen, moet worden aangepakt om de vrijheid van meningsuiting en de diversiteit van meningen in online media te waarborgen; roept de Commissie op om online misbruik en de gevolgen ervan verder te onderzoeken en passende maatregelen te nemen om misbruik op doeltreffende wijze te voorkomen en tegen te gaan;

14.  benadrukt dat mediaprofessionals, met name de jongere onder hen, maar al te vaak moeten werken met onzekere arbeidscontracten, salarissen en sociale en juridische garanties, waardoor zij worden belemmerd bij de uitvoering van hun werk en de beschikbaarheid van onpartijdig en onafhankelijk nieuws en informatie in het gedrang komt, hetgeen uiteindelijk de vrijheid van de media ondermijnt; roept de lidstaten en mediaorganisaties op ervoor te zorgen dat journalisten hun werk volgens de hoogste normen kunnen uitvoeren door alle mediaprofessionals rechtvaardige en eerlijke arbeidsomstandigheden te garanderen en kwaliteit en permanente opleiding te bevorderen, zowel voor degenen die op contractbasis als voor degenen die op freelancebasis werken; moedigt de mediasector aan om gendergelijkheid in het mediabeleid en de mediapraktijk te bevorderen, bijvoorbeeld door middel van mederegulerende mechanismen en interne gedragscodes;

15.  moedigt de lidstaten aan meer inspanningen te leveren om de mediageletterdheid te verhogen en opleidings- en onderwijsinitiatieven onder alle burgers te bevorderen door middel van formeel, niet-formeel en informeel onderwijs op basis van een leven lang leren, mede door bijzondere aandacht te besteden aan initiële en permanente opleiding en ondersteuning van leerkrachten, alsmede door het aanmoedigen van dialoog en samenwerking tussen de onderwijs- en opleidingssector en alle relevante belanghebbenden, waaronder mediaprofessionals, maatschappelijke organisaties en jongerenorganisaties; wijst nogmaals op de noodzaak om steun te verlenen aan op leeftijd afgestemde innovatieve instrumenten ter bevordering van empowerment en onlineveiligheid als verplichte onderdelen van het leerplan op scholen, en om de digitale kloof te overbruggen door middel van specifieke projecten op het gebied van technologische geletterdheid en door adequate investeringen in infrastructuur, teneinde universele toegang tot informatie te waarborgen;

16.  benadrukt dat het ontwikkelen van het vermogen om media-inhoud kritisch te beoordelen en te analyseren essentieel is voor het inzicht dat mensen kunnen krijgen in actuele kwesties en voor hun bijdrage aan het openbare leven, alsook voor hun kennis van zowel de vernieuwende mogelijkheden als de bedreigingen die inherent zijn aan een steeds complexere en onderling verbonden mediaomgeving; benadrukt dat mediageletterdheid een essentiële democratische vaardigheid is die de burgers mondiger maakt; roept de Commissie en de lidstaten op om specifieke maatregelen te nemen ter bevordering en ondersteuning van mediageletterdheidsprojecten, zoals het proefproject Media Literacy for All, en om een alomvattend mediageletterdheidsbeleid te ontwikkelen dat gericht is op burgers van alle leeftijdsgroepen en op alle mediatypen, als integraal onderdeel van het onderwijsbeleid van de Europese Unie, en ondersteund door de daarvoor bestemde financieringsbronnen van de EU, zoals de ESI-fondsen en Horizon 2020;

17.  stelt met bezorgdheid vast dat, zoals in de Media Pluralism Monitor 2016 wordt benadrukt, de toegang tot de media voor minderheden, lokale en regionale gemeenschappen, vrouwen en mensen met een handicap gevaar loopt; benadrukt dat inclusieve media essentieel zijn in een open, vrij en pluralistisch medialandschap, en dat alle burgers het recht hebben op toegang tot onafhankelijke informatie in hun moedertaal, ongeacht of dit de landstaal of een minderheidstaal is; benadrukt dat het belangrijk is dat Europese journalisten, met name journalisten die in minder gebruikte en minderheidstalen werken, adequate opleidings- en omscholingsmogelijkheden krijgen; dringt er daarom bij de Commissie en de lidstaten op aan om onderzoek, projecten en beleidsmaatregelen ter verbetering van de toegang tot de media aan te moedigen en te ondersteunen, alsmede relevante initiatieven ten behoeve van kwetsbare minderheidsgroepen (zoals het proefproject over stagemogelijkheden voor media in minderheidstalen) en om alle burgers mogelijkheden tot participatie en meningsuiting te bieden;

18.  beveelt de Commissie aan om een sectorale strategie voor de Europese mediasector te ontwikkelen op basis van innovatie en duurzaamheid; is van mening dat een dergelijke strategie de grensoverschrijdende samenwerking en coproducties tussen mediaproducenten in de EU moet versterken om hun diversiteit te benadrukken en de interculturele dialoog te bevorderen, de samenwerking met individuele nieuwsbureaus en audiovisuele diensten van alle Europese instellingen, met name die van het Europees Parlement, te verbeteren en de media-aandacht en zichtbaarheid van EU-aangelegenheden te bevorderen;

19.  herinnert eraan dat de EU vastbesloten is de vrijheid van meningsuiting en informatie in de hele EU en daarbuiten te waarborgen en te bevorderen; benadrukt dat de beginselen van mediavrijheid, vrijheid van meningsuiting en pluralisme van de media net zo relevant zijn voor de pretoetredingslanden en de Europese buurlanden als voor de lidstaten; dringt er bij de Commissie op aan te waarborgen dat nauwlettend wordt toegezien op de naleving van deze beginselen en dat steunprogramma's worden uitgevoerd in kandidaat-lidstaten, buurlanden en derde landen;

20.  benadrukt dat een grotere pluralistische berichtgeving over EU-nieuws, waarbij de culturele diversiteit van de afzonderlijke lidstaten wordt gerespecteerd en waarbij gebruik wordt gemaakt van instrumenten als communicatie, media, sociale media en interactieve platforms, ertoe zal bijdragen dat EU-burgers dichter bij de EU komen te staan en beter op de hoogte zullen zijn van EU-aangelegenheden, door mensen meer in staat te stellen om hun mening te vormen en te delen, met kennis van zaken besluiten te nemen en een bijdrage te leveren door zich op kritische wijze in te zetten voor de verdere hervorming en ontwikkeling van de EU;

21.  bevestigt nogmaals dat het noodzakelijk is de situatie met betrekking tot de vrijheid en het pluralisme van de media in de EU onafhankelijk te volgen en verzoekt de Commissie daarom de Media Pluralism Monitor te blijven steunen en de verdere ontwikkeling ervan aan te moedigen om een alomvattende en nauwkeurige beoordeling van de risico's voor het pluralisme van de media in de EU mogelijk te maken; moedigt de Commissie, de lidstaten en alle relevante belanghebbenden aan om de gesignaleerde risico's onmiddellijk aan te pakken door passende maatregelen te nemen;

22.  benadrukt het belang van de ontwikkeling van nieuwe modellen voor de oprichting van een Europees platform voor publieke omroepen dat politieke debatten in de hele EU op basis van feiten, uiteenlopende meningen en respect bevordert, bijdraagt tot een verscheidenheid aan standpunten in de nieuwe geconvergeerde mediaomgeving en de zichtbaarheid van de EU bij haar externe betrekkingen bevordert;

23.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de vrijheid van de media en de vrijheid van meningsuiting in de hedendaagse kunst te beschermen door het creëren van kunstwerken te bevorderen die actuele maatschappelijke thema's tot onderwerp hebben, kritisch debat aanmoedigen en het naar voren brengen van andere standpunten stimuleren.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

21.2.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

22

0

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Isabella Adinolfi, Dominique Bilde, Andrea Bocskor, Nikolaos Chountis, Silvia Costa, Mircea Diaconu, Damian Drăghici, María Teresa Giménez Barbat, Giorgos Grammatikakis, Petra Kammerevert, Svetoslav Hristov Malinov, Curzio Maltese, Stefano Maullu, Luigi Morgano, Momchil Nekov, Michaela Šojdrová, Yana Toom, Helga Trüpel, Julie Ward, Bogdan Brunon Wenta, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Milan Zver, Krystyna Łybacka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Francis Zammit Dimech

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

22

+

ALDE

Mircea Diaconu, María Teresa Giménez Barbat, Yana Toom

GUE/NGL

Nikolaos Chountis, Curzio Maltese

PPE

Andrea Bocskor, Svetoslav Hristov Malinov, Stefano Maullu, Bogdan Brunon Wenta, Francis Zammit Dimech, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Milan Zver, Michaela Šojdrová

S&D

Silvia Costa, Damian Drăghici, Giorgos Grammatikakis, Petra Kammerevert, Luigi Morgano, Momchil Nekov, Julie Ward, Krystyna Łybacka

Verts/ALE

Helga Trüpel

0

-

2

0

EFDD

Isabella Adinolfi

ENF

Dominique Bilde

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

PB C 94 E van 3.4.2013, blz. 5.

(2)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0402.


ADVIES van de Commissie juridische zaken (1.3.2018)

aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

inzake pluralisme van de media en mediavrijheid in de Europese Unie

(2017/2209(INI))

Rapporteur voor advies: Heidi Hautala

SUGGESTIES

De Commissie juridische zaken verzoekt de bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  benadrukt dat het pluralisme van de media vele aspecten omvat, met inbegrip van regels inzake concentratiecontrole, inhoudsvereisten voor licentiesystemen in de omroepsector, transparantie en beperkte concentratie van media-eigendom, de vaststelling van redactionele vrijheden, de onafhankelijkheid en status van publieke omroepen, de beroepssituatie van journalisten, de betrekkingen tussen de media en politieke en economische actoren, de toegang van vrouwen en minderheden tot media-inhoud, verscheidenheid van meningen enz.;

2.  herinnert eraan dat de vrijheid van meningsuiting en informatie een grondrecht is overeenkomstig artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, en een van de meest fundamentele waarden is voor de bescherming van de democratie en de versterking van onze Europese identiteit; benadrukt dat mediavrijheid en pluralisme van de media zijn verankerd in het grondrecht van de vrijheid van meningsuiting, dat een van de hoekstenen van de democratie vormt, en actief moeten worden ondersteund door de politiek; wijst erop dat de vrijheid van meningsuiting ook bescherming kan bieden aan het recht van de samenleving als geheel om informatie te ontvangen over alle kwesties die haar aangaan; verzoekt de Commissie en de lidstaten passende maatregelen te nemen om pluralistische, onafhankelijke en vrije media te waarborgen en te bevorderen, teneinde de vrijheid van meningsuiting en democratie te garanderen;

3.  verzoekt de Commissie toe te zien op en informatie en statistische gegevens te verzamelen over mediavrijheid en pluralisme van de media in alle lidstaten, en inbreuken op het fundamentele recht op vrijheid van meningsuiting en de grondrechten van journalisten en andere mediaprofessionals te analyseren en daarbij het subsidiariteitsbeginsel te eerbiedigen; verzoekt de Commissie maatregelen voor te stellen om gevolg te geven aan de uitkomst van deze evaluaties;

4.  benadrukt dat burgers in een pluralistische en democratische samenleving naar behoren en volledig moeten worden geïnformeerd om actief en daadwerkelijk te kunnen deelnemen aan het openbare leven en aan politieke debatten; verzoekt de Commissie en de lidstaten een gezond politiek debat te bevorderen, evenals niet-aflatende politieke inzet voor de eerbiediging van de fundamentele mensenrechten middels mediageletterdheid en -pluralisme en ethiek; merkt met bezorgdheid op dat beknotting van de mediavrijheid en het pluralisme van de media tot een democratisch tekort leiden, en dat een democratisch tekort in één lidstaat gevolgen kan hebben voor de hele Europese Unie, met name wanneer de onafhankelijkheid van publieke media in het gedrang dreigt te komen door de invloed van een regerende meerderheid; wijst erop dat dergelijke invloed kan worden gecompenseerd met voldoende toegeruste, gefinancierde en onafhankelijke publieke media die weerstand kunnen bieden aan inmenging van de staat en een verscheidenheid aan politieke standpunten kunnen presenteren; pleit voor de vaststelling van degelijke wettelijke bepalingen en goede administratieve praktijken op het gebied van publieke media, ook met betrekking tot staatssteun en overheidsfinanciering, met het oog op het versterken van hun onafhankelijkheid en hun vermogen om hun taak te vervullen in het algemeen openbaar belang;

5.  betreurt te moeten vaststellen dat er onvoldoende aandacht is besteed aan de mate waarin media-eigendom is geconcentreerd in de lidstaten en op EU-niveau; benadrukt dat de EU-mededingingsregels een belangrijke rol spelen bij het voorkomen van de totstandkoming of misbruik van dominante posities, en dringt er in dit verband bij de Commissie en de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat deze regels naar behoren en op doeltreffende wijze worden uitgevoerd; roept de lidstaten op via hun nationale regelgevende instanties toezicht te houden op de concentratie van media en eenvoudig toegankelijke en volledig transparante informatie te verstrekken over media-eigendom, onder meer over uiteindelijke begunstigden en economische invloed op en financiële steun voor het medialandschap, met inbegrip van online media; beveelt aan deze informatie openbaar toegankelijk te maken in alle lidstaten, teneinde mogelijke bronnen van controle en invloed op de media te identificeren, de verantwoordingsplicht van de media te versterken, redactionele en journalistieke onafhankelijkheid te garanderen en de rol van de media als waakhond over het publieke domein te waarborgen;

6.  is ernstig bezorgd over de wetgevende en administratieve maatregelen die bepaalde lidstaten nemen om hun media rechtstreeks of niet-rechtstreeks aan banden te leggen of te controleren, met name publieke media, of op basis waarvan mediapluralisme niet wordt ondersteund; benadrukt dat de lidstaten de positieve plicht hebben het pluralisme van de media te waarborgen en te zorgen voor een omgeving waarin burgers kunnen deelnemen aan het openbare debat en zonder angst ideeën en meningen kunnen uiten; benadrukt dat het fundamentele beginsel van redactionele onafhankelijkheid ten opzichte van overheden en/of politieke of commerciële belangen, maar ook ten opzichte van particuliere belangen die een bedreiging kunnen vormen voor het pluralisme en de vrijheid van de media, moet worden beschermd en gewaarborgd; benadrukt dat berichtgeving over verkiezingscampagnes en andere belangrijke gebeurtenissen, vooral wanneer zij het openbare leven en de publieke opinie wezenlijk beïnvloeden, eerlijk, evenwichtig en onpartijdig moet zijn; dringt er bij de lidstaten op aan zich te houden aan de aanbevelingen en resoluties van de Raad van Europa op het gebied van de onafhankelijkheid van publieke media, en herinnert aan de Europese normen die in dit verband in de Verdragen zijn vastgelegd; benadrukt dat het toezicht op publieke media moet worden uitgeoefend door onafhankelijke instanties en niet rechtstreeks door politieke instellingen, zoals overheden; benadrukt voorts dat in gevallen van door de staat gefinancierde publieke media de redactionele onafhankelijkheid moet worden gewaarborgd;

7.  verzoekt de Commissie en de lidstaten nieuwe, maatschappelijk houdbare economische modellen te bevorderen en te ontwikkelen die gericht zijn op de financiering en ondersteuning van kwaliteits- en onafhankelijke journalistiek en de versterking van de houdbaarheid van de publieke media, zonder welke een pluralistisch mediastelsel niet mogelijk is;

8.  stelt voor om, met het oog op een doeltreffende bescherming van mediavrijheid en -pluralisme, de deelname aan een aanbestedingsprocedure van bedrijven waarvan de uiteindelijke eigenaar ook eigenaar is van een mediabedrijf te verbieden of op zijn minst volledig transparant te maken; stelt voor de lidstaten ertoe te verplichten regelmatig verslag uit te brengen over alle aan mediaondernemingen verstrekte overheidsfinanciering, en alle aan media-eigenaren verstrekte overheidsfinanciering regelmatig te controleren; benadrukt dat media-eigenaren niet mogen zijn veroordeeld voor of schuldig bevonden aan een strafbaar feit;

9.  benadrukt dat overheidsfinanciering aan mediaorganisaties moet worden verstrekt op basis van niet-discriminerende, objectieve en transparante criteria, die vooraf aan alle media bekend moeten worden gemaakt;

10.  stelt voor dat overheidsfinanciering ten behoeve van mediakanalen alleen beschikbaar mag zijn voor mediaorganisaties die een gedragscode publiceren die gemakkelijk toegankelijk is voor het publiek;

11.  acht het zorgwekkend dat machtige commerciële entiteiten gebruikmaken van SLAPP-praktijken (Strategic Lawsuit Against Public Participation) in pogingen om journalisten het zwijgen op te leggen, te verhinderen dat zij hun werk doen of zich anderszins met de inhoud van hun werk te bemoeien; verzoekt de Commissie kennis te nemen van deze trend en wetgeving voor te stellen om deze onrechtmatige praktijken terug te dringen;

12.  is bezorgd over de vele journalisten en andere mediaprofessionals in Europa die steeds vaker bedreigd, geïntimideerd, onderworpen aan toezicht, fysiek aangevallen of zelfs vermoord worden vanwege hun onderzoekswerk en berichtgeving over machtsmisbruik, corruptie, mensenrechtenschendingen en criminele activiteiten; betreurt het dat slechts een klein percentage van de bedreigingen en incidenten in verband met intimidatie van journalisten bij de politie wordt gemeld; verzoekt de lidstaten zich in te zetten voor de bescherming van de journalistiek en de veiligheid van journalisten en andere mediaprofessionals door te zorgen voor deugdelijke handhaving van de toepasselijke wetgeving en toezicht te houden op en melding te maken van bedreigingen en intimidatie;

13.  herhaalt dat journalisten en andere mediaprofessionals goede werkomstandigheden en veiligheid en beveiliging nodig hebben om hun taak om burgers voor te lichten over zaken van openbaar belang te kunnen vervullen; verzoekt de lidstaten en mediaorganisaties daarom te zorgen voor billijke werkomstandigheden voor journalisten en andere mediaprofessionals;

14.  verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat zij gevolg geven aan de verklaring van het Comité van Ministers van de Raad van Europa over de bescherming van de journalistiek en de veiligheid van journalisten en andere media-actoren;

15.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat journalisten over de juiste instrumenten beschikken om informatie op te vragen en in te winnen bij de EU en de overheidsinstanties van de lidstaten, in overeenstemming met Verordening nr. 1049/2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten, zonder dat zij te maken krijgen met willekeurige beslissingen waarbij hun dit recht op toegang wordt ontzegd; merkt op dat de informatie die journalisten of burgers via het enquêterecht verkrijgen, met inbegrip van informatie van klokkenluiders, een aanvulling vormt op en van essentieel belang is voor de mogelijkheid van journalisten om hun taak van openbaar belang te vervullen; herhaalt dat de toegang tot openbare bronnen en evenementen afhankelijk moet zijn van objectieve, niet-discriminerende en transparante criteria;

16.  merkt op dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat er geschikte instrumenten worden ingevoerd om personen te identificeren die anderen schade toebrengen via de media, zelfs in de online-omgeving, met volledige eerbiediging van de grondrechten;

17.  erkent dat journalisten een zo uitgebreid mogelijke juridische bescherming moet worden geboden om dergelijke informatie van algemeen belang in hun werk te gebruiken en te verspreiden;

18.  erkent het meldingsrecht in alle gevallen waarbij informatie te goeder trouw en duidelijk in het algemeen belang openbaar wordt gemaakt, bijvoorbeeld in geval van schending van de grondrechten of het strafrecht, met inbegrip van actieve of passieve corruptie, of waar het feiten betreft die een bedreiging voor de veiligheid, de gezondheid of het milieu aan het licht brengen;

19.  merkt op dat klokkenluiders die op redelijke gronden handelen een cruciale bron voor onderzoeksjournalisten kunnen zijn en zo een bijdrage kunnen leveren aan een onafhankelijke pers; verzoekt de Commissie daarom EU-brede bescherming te bieden, in overeenstemming met de Verdragen en de doelstellingen van de Unie op het gebied van democratie, pluriformiteit van meningen en vrijheid van meningsuiting; benadrukt dat de bescherming van klokkenluiders hand in hand gaat met de vertrouwelijkheid van journalistieke bronnen, afgewogen tegen de grondrechten van de beschuldigde natuurlijke en rechtspersonen;

20.  benadrukt dat valse beschuldigingen of misleidende informatie verreikende gevolgen kunnen hebben voor mensen en bedrijven; brengt in herinnering dat in het geval van valse beschuldigingen de verantwoordelijken rekenschap moeten afleggen voor hun handelen en niet de bescherming genieten die aan klokkenluiders wordt verleend; benadrukt dat eenieder die wordt belasterd door onjuiste of misleidende informatie toegang moet krijgen tot doeltreffende verhaalmechanismen;

21.  benadrukt dat opzettelijk misleidende informatie die wordt gecreëerd of verspreid voor financieel of politiek gewin, zogenaamd "nepnieuws", de vertrouwensband tussen de media en de burgers schendt en liberale democratieën in gevaar kan brengen, alsook onze democratische waarden – zoals de vrijheid van meningsuiting en de rechtsstaat – kan ondermijnen; benadrukt dat er, aangezien dergelijk nepnieuws veel eenvoudiger kan worden verspreid via sociale media dan via traditionele media, oplossingen moeten worden gevonden om de auteurs van nepnieuws ter verantwoording te roepen voor hun handelen in de digitale media, zoals het geval is in de offlinewereld; benadrukt dat strikte regulering of censuur van gedachten en standpunten niet het antwoord kan zijn, maar dat de oplossing om desinformatie en propaganda aan te pakken deels ligt in het waarborgen van de betrouwbaarheid van informatie en de opleiding van kritisch denkende, mediageletterde burgers; roept de lidstaten en de EU-instellingen op voldoende middelen uit te trekken voor de aanpak van desinformatie en gecoördineerde maatregelen te nemen tegen uitgevers en verspreiders van opzettelijk vervalst nieuws; benadrukt in dit verband dat mediaconsumenten onderscheid moeten kunnen maken tussen feiten en zuivere meningen; benadrukt dat de inspanningen van de afdeling Strategische Communicatie van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), en met name de huidige taskforce East StratCom, om een actieve bijdrage te leveren aan de ontwikkeling en uitvoering van een strategie tegen de verspreiding van nepnieuws moeten worden opgevoerd, en dat er meer middelen nodig zijn voor de doeltreffende tenuitvoerlegging van haar taken; wijst erop dat de lidstaten de inspanningen van de EU om nepnieuws tegen te gaan moeten aanvullen en zich op alle niveaus, onder andere in samenwerking met de buurlanden van de EU, moeten inzetten om een pluralistisch mediaklimaat te bevorderen waarbinnen het EU-beleid op een waarheidsgetrouwe, samenhangende en volledige manier wordt overgebracht; is ingenomen met de aankondiging van de Commissie dat zij bezig is met een strategie ter bestrijding van nepnieuws, die te zijner tijd zal worden gepubliceerd;

22.  wijst erop dat nieuwe technologieën het bedrijfsmodel van de traditionele pers ingrijpend hebben veranderd; is echter van mening dat de digitalisering, in combinatie met een samenhangend rechtskader, de concurrentie tussen media-actoren kan bevorderen en de toegang tot en het creëren van informatie en inhoud kan democratiseren;

23.  merkt op dat in het zich ontwikkelende digitale media-ecosysteem nieuwe intermediairs zijn opgestaan die online invloed en controle kunnen uitoefenen op informatie en ideeën door poortwachtersfuncties en -bevoegdheden te verwerven; onderstreept dat er voldoende onafhankelijke en autonome onlinekanalen, -diensten en -bronnen moeten zijn die een veelheid aan meningen en democratische ideeën kunnen overbrengen aan het publiek over kwesties van algemeen belang; verzoekt de lidstaten in dit verband nieuwe of bestaande nationale beleidslijnen en maatregelen uit te werken;

24.  benadrukt dat de onafhankelijkheid van de pers zowel de publieke als de commerciële media bestrijkt; benadrukt in dit verband het belang van ethische codes voor journalisten en uitgevers; benadrukt dat in dergelijke ethische codes de verplichting moet worden opgenomen om informatie en bronnen te verifiëren; benadrukt dat bij online verspreiding van inhoud dezelfde zorgvuldigheid in acht moet worden genomen als bij offline verspreiding; vindt het in dit verband zorgwekkend dat de normen lijken te zijn verlaagd in een snel veranderende online-omgeving waar kwantiteit, snelheid en clickbait belangrijker lijken te zijn dan nauwkeurigheid;

25.  is ingenomen met de focus van het jaarlijks colloquium over de grondrechten 2016 op pluralisme van de media en democratie, en de aanbevelingen van de groep op hoog niveau inzake mediavrijheid en -pluralisme; herhaalt zijn verzoek om wetgevingsmaatregelen om ervoor te zorgen dat er op Europees niveau normen voor mediapluralisme worden ingevoerd voor gedrukte media, pamfletten, de concentratie en de transparantie van media-eigendom enz.; stelt dat de gemeenschappelijke maatschappelijke en politieke ruimte mediavrijheid en -pluralisme nodig heeft om een goede werking van de democratie te kunnen garanderen;

26.  benadrukt dat de beginselen van mediavrijheid, vrijheid van meningsuiting en mediapluralisme net zo relevant zijn voor de pretoetredingslanden en de Europese buurlanden als voor de lidstaten; verzoekt de Commissie te waarborgen dat deze beginselen worden versterkt en naar behoren worden gemonitord in deze landen en dat ondersteunende programma's afhankelijk worden gemaakt van de naleving van deze beginselen.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

22.2.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

21

0

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Max Andersson, Joëlle Bergeron, Marie-Christine Boutonnet, Jean-Marie Cavada, Kostas Chrysogonos, Mady Delvaux, Rosa Estaràs Ferragut, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Gilles Lebreton, António Marinho e Pinto, Emil Radev, Evelyn Regner, Francis Zammit Dimech, Tadeusz Zwiefka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Daniel Buda, Angel Dzhambazki, Evelyne Gebhardt, Jytte Guteland, Heidi Hautala, Kosma Złotowski

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Norbert Erdős, Michaela Šojdrová

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

21

+

ALDE

EFDD

ENF

GUE/NGL

PPE

S&D

Verts/ALE

Jean-Marie Cavada, António Marinho e Pinto

Joëlle Bergeron

Marie-Christine Boutonnet, Gilles Lebreton

Kostas Chrysogonos

Daniel Buda, Norbert Erdős, Rosa Estaràs Ferragut, Emil Radev, Michaela Šojdrová, Francis Zammit Dimech, Tadeusz Zwiefka

Mady Delvaux, Evelyne Gebhardt, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Jytte Guteland, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Evelyn Regner

Max Andersson, Heidi Hautala

0

-

 

 

2

0

ECR

Angel Dzhambazki, Kosma Złotowski

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

27.3.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

44

3

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Asim Ademov, Jan Philipp Albrecht, Heinz K. Becker, Monika Beňová, Caterina Chinnici, Rachida Dati, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Tanja Fajon, Laura Ferrara, Ana Gomes, Sylvie Guillaume, Jussi Halla-aho, Cécile Kashetu Kyenge, Juan Fernando López Aguilar, Monica Macovei, Roberta Metsola, Claude Moraes, Ivari Padar, Judith Sargentini, Branislav Škripek, Csaba Sógor, Sergei Stanishev, Helga Stevens, Traian Ungureanu, Bodil Valero, Marie-Christine Vergiat, Harald Vilimsky, Udo Voigt, Josef Weidenholzer, Cecilia Wikström

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Carlos Coelho, Anna Maria Corazza Bildt, Ignazio Corrao, Gérard Deprez, Maria Grapini, Marek Jurek, Miltiadis Kyrkos, Nuno Melo, Angelika Mlinar, Nadine Morano, Emilian Pavel, Morten Helveg Petersen, Petri Sarvamaa, Elly Schlein, Barbara Spinelli

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

André Elissen, Marc Joulaud, Christelle Lechevalier, Martina Michels, Liadh Ní Riada, Anna Záborská


HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

44

+

ALDE

Gérard Deprez, Angelika Mlinar, Morten Helveg Petersen, Cecilia Wikström

ECR

Monica Macovei, Helga Stevens

EFDD

Ignazio Corrao, Laura Ferrara

GUE/NGL

Martina Michels, Liadh Ní Riada, Barbara Spinelli, Marie-Christine Vergiat

PPE

Asim Ademov, Heinz K. Becker, Carlos Coelho, Anna Maria Corazza Bildt, Rachida Dati, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Marc Joulaud, Nuno Melo, Roberta Metsola, Nadine Morano, Petri Sarvamaa, Csaba Sógor, Traian Ungureanu, Anna Záborská

S&D

Monika Beňová, Caterina Chinnici, Tanja Fajon, Ana Gomes, Maria Grapini, Sylvie Guillaume, Cécile Kashetu Kyenge, Miltiadis Kyrkos, Juan Fernando López Aguilar, Claude Moraes, Ivari Padar, Emilian Pavel, Elly Schlein, Sergei Stanishev, Josef Weidenholzer

VERTS/ALE

Jan Philipp Albrecht, Judith Sargentini, Bodil Valero

3

-

ENF

André Elissen, Christelle Lechevalier

NI

Udo Voigt

4

0

ECR

Jussi Halla-aho, Marek Jurek, Branislav Škripek

ENF

Harald Vilimsky

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 26 april 2018Juridische mededeling