Procedure : 2017/2087(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0165/2018

Ingediende teksten :

A8-0165/2018

Debatten :

PV 30/05/2018 - 29
CRE 30/05/2018 - 29

Stemmingen :

PV 31/05/2018 - 7.11
CRE 31/05/2018 - 7.11
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0241

VERSLAG     
PDF 525kWORD 72k
7.5.2018
PE 616.861v02-00 A8-0165/2018

over de uitvoering van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp (2009/125/EG)

(2017/2087(INI))

Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

Rapporteur: Frédérique Ries

AMENDEMENTEN
TOELICHTING – SAMENVATTING VAN DE FEITEN EN BEVINDINGEN
 ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

TOELICHTING – SAMENVATTING VAN DE FEITEN EN BEVINDINGEN

Inleiding

De Europese Unie heeft toegezegd te werken aan de overgang naar een koolstofarme en duurzamere Europese economie. Verschillende beleidsmaatregelen en acties getuigen daarvan: leidinggevende rol bij de sluiting van de Klimaatovereenkomst van Parijs, meer dan 220 miljoen EUR van de EU-begroting wordt geïnvesteerd in groene, koolstofarme projecten, verduidelijking van de regels in verband met de etikettering van het energieverbruik en betere informatie voor de consumenten(1).

De schaalvoordelen en het beheer van onze energie en grondstoffen kunnen worden versterkt als de EU het volledige potentieel benut van het ecologisch ontwerp, dat het onderwerp vormt van dit uitvoeringsverslag en dat in artikel 2, punt 23, van Richtlijn 2009/125/EG wordt gedefinieerd als: "de integratie van milieuaspecten in het productontwerp met het doel de milieuprestaties van het product over zijn gehele levenscyclus te verbeteren."

Het is inderdaad zo dat er moet worden ingegrepen vanaf het fabricagestadium van het product, waar de technische mogelijkheden het grootst zijn. 80 % van de schadelijke effecten voor het milieu en 90 % van de kosten voor de fabrikant worden veroorzaakt tijdens de ontwerpfase van producten.

Een Europees kader dat in 2005 tot stand kwam en tot 2009 werd verlengd

De rapporteur kreeg reeds in 2005 de opdracht om voor het Europees Parlement een eerste wettelijk kader uit te werken voor het ecologisch ontwerp van energieverbruikende producten (evp)(2). Een kaderrichtlijn die geen beperkende verplichtingen schiep. Die verplichtingen vloeiden voort uit uitvoeringsmaatregelen die tijdens de comitéprocedure werden genomen voor bepaalde energieverbruikende producten zoals ketels, heetwatertoestellen, computers, lampen, tv’s enz.

In 2009 werd de oorspronkelijke richtlijn herschikt en het toepassingsgebied ervan uitgebreid naar energiegerelateerde producten (erp) teneinde het aanbod van producten die milieueffecten verminderen en energiebesparingen realiseren uit te breiden(3). Deze producten moeten voldoen aan de volgende criteria:

- er moeten jaarlijks meer dan 200 000 eenheden van worden verkocht in de Europese Unie;

- ze moeten een significant milieueffect hebben;

- ze moeten een significant potentieel voor verbetering met betrekking tot het milieueffect hebben.

Algemene doeltreffendheid van de richtlijn ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten

Er is hierbij sprake van een echte meerwaarde die zowel door de betrokken industriële sectoren als door de ngo’s en de deskundigen van de lidstaten wordt erkend.

Volgens ramingen van de Commissie(4) is dit beleid inzake ecologisch ontwerp en energie-etikettering doeltreffend en veelbelovend: het zou per jaar circa 175 Mtoe aan bespaarde primaire energie opleveren, meer dan het hele jaarlijkse primaire energieverbruik van Italië. Dit cijfer stemt ook overeen met een vermindering van de CO2-uitstoot met 320 miljoen ton op jaarbasis. Voor de consumenten vertaalt dit zich naar besparingen van 490 EUR per huishouden per jaar aan energierekeningen.

Deze cijfers stroken met de gegevens die worden verstrekt door de groep BSH Hausgeräte GmbH, de grootste fabrikant van huishoudtoestellen in Europa (gegevens van BSH, 2017).

Volgens deze bron is het energieverbruik van door de groep vervaardigde wasdrogers in de periode 2001-2016 met gemiddeld 75 % gedaald, dat van elektrische ovens ging met 43 % naar beneden, dat van koelkasten daalde met 55 %, dat van diepvriezers met 69 % en dat van wasmachines met 68 %.

De richtlijn ecologisch ontwerp krijgt echter weinig politieke erkenning, zelfs niet op het hoogste niveau van de besluitvorming. De rapporteur betreurt dat het beginsel van het ecologisch ontwerp al vaak is "gegijzeld", tijdens de campagne voor de Europese verkiezingen in mei 2014 en ook tijdens het Britse referendum van juni 2016.

Deze afwachtende houding had onmiddellijk gevolgen: sinds de uitbreiding van het toepassingsgebied naar energiegerelateerde producten (erp) in 2009 zijn de uitvoeringsmaatregelen van het ecologisch ontwerp in werkelijkheid op geen enkel van die producten toegepast.

Voor bouwmaterialen werd een follow-up van de regelgeving niet noodzakelijk geacht. Momenteel wordt nog onderzocht of ramen, kranen en douches onder de enige wetgeving inzake energie-etikettering moeten vallen. Nieuwe erp-producten worden momenteel bekeken in het kader van het laatste werkplan "2016-2019", bijvoorbeeld zonnepanelen en gebouwautomatisering en regelsystemen.

De rapporteur is in dat verband van mening dat de 29 uitvoeringsverordeningen inzake ecologisch ontwerp, waaraan nog de 16 gedelegeerde verordeningen met betrekking tot energie-etikettering en de drie vrijwillige akkoorden (complexe decodeerapparatuur, spelconsoles en beeldvormingsapparatuur) moeten worden toegevoegd, hun nut hebben bewezen en dat de aanpak inzake ecologisch ontwerp, met name innovatie ten dienste van het milieu, verder door het Europees Parlement moet worden aangemoedigd.

In een in 2015 gepubliceerde studie van de Britse overheid werd overigens geconcludeerd dat elk pond dat in ecologisch ontwerp werd geïnvesteerd 3,8 keer zoveel heeft opgeleverd voor de Britse economie en dat het hier dus gaat om een rendabel beleid(5).

Aan de andere kant valt er ook een en ander aan te merken op de procedure, aangezien de meeste marktdeelnemers, producenten en lidstaten vaststellen dat het besluitvormingsproces hardnekkige vertragingen oploopt. Daarom wordt de Commissie verzocht iets te doen aan deze stand van zaken en duidelijker uiterste termijnen en stappen vast te stellen voor de voltooiing van de uitvoeringsmaatregelen. Een voorschrift dat overigens onlangs door het Parlement en de Raad werd vastgesteld in artikel 11 van Verordening (EU) 2017/1369 inzake energie-etikettering.

Van een logica van energiebesparing naar een logica van besparingen op hulpbronnen

De rapporteur acht het noodzakelijk het potentieel van de huidige richtlijn ten volle te benutten en rekening te houden met de gehele milieudimensie van het product om het hoofd te bieden aan de nieuwe uitdagingen van de circulaire economie: samenstelling, duurzaamheid, demontage, repareerbaarheid en herbruikbaarheid.

Deze beleidsdoelstelling met het oog op de integratie van de algemene milieuprestaties van het product werd reeds herhaaldelijk door het Europees Parlement naar voren gebracht:

- verslag van Sirpa Pietikäinen, aangenomen in juli 2015, over "hulpronnenefficiëntie: de overgang naar een circulaire economie"(6);

- verslag van Pascal Durand, aangenomen in juli 2017, over "een langere levensduur voor producten: voordelen voor consumenten en bedrijven"(7).

Interessant is wel dat er zich rond ecologisch ontwerp nieuwe beroepen aftekenen: materiaalkundig ingenieur, ingenieur milieubeheer en duurzame ontwikkeling, en gespecialiseerde adviseurs – beroepen die aantonen dat ecologisch ontwerp een plaats begint te verwerven in de bedrijfswereld. Een verbintenis die ook wordt aangegaan door tal van regionale openbare lichamen, die bijvoorbeeld instaan voor de verwerking van huishoudelijk afval. Dat is voor de Europese wetgever een reden om een optimaal kader te ontwerpen voor de ontwikkeling van het ecologisch ontwerp in de Europese economie.

Hoe zit het met draagbare telefoons of smartphones?

De Commissie erkent het potentieel van die producten voor de circulaire economie maar heeft niettemin voorgesteld om ze – wegens hun specifieke kenmerken – niet op te nemen in het werkplan inzake ecologisch ontwerp. Een Europese consument verandert gemiddeld om de twee jaar van mobiele telefoon, terwijl de Europese procedure inzake ecologisch ontwerp vier jaar bestrijkt. De economische periode valt dus niet samen met de reglementaire periode.

De rapporteur acht het dringend noodzakelijk om mobiele telefoons of smartphones op te nemen in het werkplan inzake ecologisch ontwerp om, al was het maar uit het oogpunt van de energie-efficiëntie van het product, niet alleen te werken aan de recyclebaarheid van de zeldzame metalen die bij de samenstelling van het product worden gebruikt, maar ook aan een betere groepering van de onderdelen en aan de mogelijkheid om de batterij te demonteren.

Naar schatting wordt momenteel slechts 1 tot 5 % van de zeldzame metalen die bij de fabricage van mobiele telefoons worden gebruikt, zoals wolfram, kobalt, grafiet en indium, gerecycled.

Zorgen voor een beter markttoezicht

De andere grote uitdaging voor het Europees beleid inzake ecologisch ontwerp is de vraag of men wil dat producten met ecologisch ontwerp de norm worden en of men industriëlen die zich niet aan de regels houden niet wenst te straffen. Op dit punt wordt herhaaldelijk gewezen in de EPRS-studie die heeft gediend als uitgangspunt voor de opstelling van dit uitvoeringsverslag en die eraan herinnert dat het markttoezicht een bevoegdheid van de lidstaten is(8).

Volgens de Commissie is 10 tot 25 % van de producten die onder de richtlijn vallen niet in overeenstemming met de vereisten inzake ecologisch ontwerp en energie-etikettering. Dat is onaanvaardbaar.

De rapporteur formuleert verschillende voorstellen voor een betere coördinatie van de nationale overheden voor markttoezicht:

- de "best practices" navolgen van bepaalde lidstaten die reeds resultaten van markttoezichtactiviteiten delen met behulp van het ICSMS (Informatie- en communicatiesysteem voor het markttoezicht) voor de productveiligheid en dit uitbreiden naar producten die onder de maatregelen inzake ecologisch ontwerp vallen;

- snelle opsporingsmethoden toepassen om producten te kunnen opsporen die waarschijnlijk niet in overeenstemming zijn, in samenwerking met deskundigen uit de industrie;

- ontmoedigingsmaatregelen invoeren om de overeenstemming met de regels inzake ecologisch ontwerp te verbeteren; Bijvoorbeeld, bij de toepassing van straffen voor fabrikanten die zich niet aan de regels houden, ervoor zorgen dat die straffen evenredig zijn met de gevolgen van de niet-conformiteit voor de gehele Europese markt. Tot slot voorzien in een vergoeding voor consumenten die producten hebben gekocht die niet in overeenstemming zijn met de regels inzake ecologisch ontwerp, zelfs na de wettelijke garantieperiode van twee jaar.

Ander voorstel

De kwestie van vroegtijdige veroudering van courante producten zoals een tablet, koffiezetapparaat of printer moet worden behandeld in dit evaluatierapport over de tenuitvoerlegging van de richtlijn ecologisch ontwerp.

Op 4 juli 2017 heeft het Europees Parlement er in een niet-verbindende resolutie aan herinnerd dat per productcategorie, vanaf het ontwerp, "minimale sterktecriteria" moeten worden vastgesteld. Die kunnen zich richten op de normen die de drie Europese normalisatie-instanties (CEN, CENELEC en ETSI) hebben uitgewerkt(9).

Volgens een enquête van Eurobarometer in 2014 zou 77 % van de Europese consumenten liever goederen willen repareren dan er nieuwe te kopen, maar worden ze daarin ontmoedigd door de kostprijs van reparaties. Daarom wordt aan de Commissie en de lidstaten gevraagd steun te verlenen aan fabrikanten van modulaire producten die gemakkelijk gedemonteerd en vervangen kunnen worden. Dat is in het belang van het ecologisch ontwerp, omdat de ecologische prestaties van het product daar ook baat bij hebben.

(1)

Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering en tot intrekking van Richtlijn 2010/30/EU.

(2)

Richtlijn 2005/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2005 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energieverbruikende producten.

(3)

Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten.

(4)

Werkplan inzake ecologisch ontwerp 2016-2019 COM(2016) 773 final, blz. 2.

(5)

Verslag van DEFRA (Department for Environment, Food and Rural Affairs): https://www.gov.uk/government/uploads/system/uploads/attachment_data/file/406225/defra-regulation-assessment-2015.pdf

(6)

Resolutie van het Europees Parlement van 9 juli 2015 over hulpbronnenefficiëntie: de overgang naar een circulaire economie (2014/2208(INI)).

(7)

Resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2017 over een langere levensduur voor producten: voordelen voor consumenten en bedrijven (2016/2272(INI)).

(8)

Anna Zygierewicz (coord.), "The Ecodesign Directive (2009/125/EC) European Implementation Assessment", EPRS. PE 611.015, november 2017, blz. 43-44, blz. 50, blz. 80 enz.

(9)

Resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2017 over een langere levensduur voor producten: voordelen voor consumenten en bedrijven (2016/2272(INI)).


ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de uitvoering van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp (2009/125/EG)

(2017/2087(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name artikel 114,

–  gezien Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten (hierna: "de richtlijn inzake ecologisch ontwerp") en de uitvoeringsverordeningen en vrijwillige overeenkomsten die krachtens die richtlijn zijn aangenomen(1),

–  gezien het Werkplan inzake ecologisch ontwerp 2016-2019 van de Commissie (COM(2016)0773), vastgesteld in overeenstemming met Richtlijn 2009/125/EG,

–  gezien Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2017 tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering en tot intrekking van Richtlijn 2010/30/EU(2),

–  gezien de doelstellingen van de Unie met betrekking tot broeikasgasemissiereducties en energie-efficiëntie,

  gezien het Akkoord van Parijs inzake klimaatverandering en de 21e Conferentie van de Partijen (COP21) van het UNFCCC,

–  gezien de ratificatie van het Akkoord van Parijs inzake klimaatverandering door de EU en de lidstaten,

  gezien de in dit Akkoord opgenomen langetermijndoelstelling, namelijk om de stijging van de gemiddelde mondiale temperatuur ruim onder 2 °C boven de pre-industriële niveaus te houden en via inspanningen te proberen de stijging te beperken tot 1,5 °C boven die niveaus,

–  gezien het algemeen milieuactieprogramma van de Unie voor de periode tot en met 2020 (Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013(3)),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Een EU-actieplan voor de circulaire economie" (COM(2015)0614),

  gezien de mededeling van de Commissie van 16 januari 2018 over een Europese strategie voor plastic in de circulaire economie (COM(2018)0028),

  gezien de mededeling van de Commissie alsmede het werkdocument van 16 januari 2018 over de tenuitvoerlegging van het pakket circulaire economie: opties om te werken op het snijvlak van chemicaliën-, product- en afvalwetgeving (COM(2018)0032),,

  gezien de mededeling van de Commissie van 13 september 2017 over de lijst van 2017 van voor de EU kritieke grondstoffen (COM(2017)0490),

–  gezien de conclusies van de Raad over eco-innovatie: de overgang naar een circulaire economie bewerkstelligen, zoals aangenomen op 18 december 2017(4),

  gezien het rapport over de emissiekloof 2017 dat is opgesteld door VN-Milieu in november 2017,

–  gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 over hulpbronnenefficiëntie: de overgang naar een circulaire economie(5),

  gezien de wetgeving van de EU inzake afval,

–  gezien zijn resolutie van 4 juli 2017 over een langere levensduur voor producten: voordelen voor consumenten en bedrijven(6),

–  gezien de Europese beoordeling van de uitvoering die werd opgesteld door het directoraat-generaal Parlementaire Onderzoeksdiensten van het Parlement om te worden bijgevoegd bij de toetsing van de uitvoering van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement en artikel 1, lid 1, onder e), en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8-0165/2018),

A.  overwegende dat de richtlijn inzake ecologisch ontwerp ten doel heeft de energie-efficiënte en het niveau van milieubescherming te verhogen door middel van geharmoniseerde vereisten die de werking van de interne markt waarborgen en de voortdurende vermindering van het algemene milieueffect van energiegerelateerde producten bevorderen; overwegende dat deze maatregelen ook een positieve uitwerking hebben op de energiezekerheid door de verlaging van het energiegebruik;

B.  overwegende dat in de richtlijn inzake ecologisch ontwerp is voorzien in maatregelen die moeten worden genomen ter beperking van het milieueffect van energiegerelateerde producten gedurende de levenscyclus; overwegende dat besluiten op grond van de richtlijn tot nu toe grotendeels gericht waren op het beperken van het energieverbruik tijdens de gebruiksfase;

C.  overwegende dat de richtlijn een sterkere bijdrage zou kunnen leveren aan de inspanningen van de EU om de energie-efficiëntie te verbeteren en zou kunnen bijdragen aan de verwezenlijking van de klimaatactiedoelstellingen;

D.  overwegende dat de vermindering van het milieueffect van energiegerelateerde producten in de ecologisch-ontwerpfase, doordat wordt voorzien in minimumcriteria betreffende hun levensduur en verbeterbaarheid, repareerbaarheid, recycleerbaarheid en herbruikbaarheid, tot vele nieuwe banen kan leiden;

E.  overwegende dat begin 2018 29 specifieke voorschriften inzake ecologisch ontwerp van kracht waren, die betrekking hadden op verschillende productgroepen, en dat drie in het kader van de richtlijn erkende vrijwillige overeenkomsten waren aangenomen;

F.  overwegende dat vrijwillige overeenkomsten en andere zelfregulerende maatregelen in de richtlijn inzake ecologisch ontwerp gepresenteerd worden als alternatieven voor uitvoeringsbepalingen wanneer aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan; overwegende dat niet alle huidige vrijwillige overeenkomsten sneller en kostenefficiënter zijn gebleken dan regelgevingsmaatregelen;

G.  overwegende dat ecologisch ontwerp economische voordelen voor industrie en consumenten met zich meebrengt en aanzienlijk bijdraagt aan het beleid van de Unie op het gebied van klimaat, energie en de circulaire economie;

H.  overwegende dat de wetgeving inzake ecologisch ontwerp nauw verband houdt met de EU-wetgeving inzake de etikettering van het energieverbruik en dat maatregelen die uit hoofde van deze twee richtlijnen zijn aangenomen in ten laatste 2020 naar verwachting 55 miljard EUR per jaar aan extra omzet zullen genereren voor de industrie, de groothandel en de detailhandel, en naar schatting tot 2020 175 Mtoe per jaar aan besparingen op primaire energie zullen opleveren, en dus tot de helft van de energiebesparingsstreefwaarde van de Unie voor 2020 zullen realiseren, en de afhankelijkheid van energie-importen zullen reduceren; overwegende dat de wetgeving ook in belangrijke mate bijdraagt aan de verwezenlijking van de EU-klimaatdoelstellingen door de uitstoot van broeikasgassen met 320 ton CO2-equivalenten per jaar te verminderen; overwegende dat het energiebesparingspotentieel op de lange termijn zelfs nog groter is;

I.  overwegende dat consumenten volgens het boekhoudkundig verslag over de impact van ecologisch ontwerp ("Ecodesign Impact Accounting report", Europese Commissie, 2016) voor 2020 naar schatting in totaal tot 112 miljard EUR, of rond 490 EUR per jaar per huishouden, zullen besparen;

J. overwegende dat meer dan 80 % van het milieueffect van energiegerelateerde producten in de ontwerpfase wordt vastgesteld;

K.  overwegende dat voor het grootste deel van de belanghebbenden drie belangrijke belemmeringen kunnen worden aangemerkt voor de volledige tenuitvoerlegging van de wetgeving: het gebrek aan duidelijke politieke steun en een duidelijke politieke richting, het trage verloop van de regelgevingsprocessen en de ontoereikendheid van het markttoezicht in de lidstaten;

L.  overwegende dat naar schatting 10 - 25 % van de producten op de markt niet voldoet aan de richtlijnen inzake ecologisch ontwerp en de etikettering van het energieverbruik, wat leidt tot een verlies van rond 10 % van de beoogde energiebesparingen en oneerlijke concurrentie;

M.  overwegende dat, hoewel het toepassingsgebied van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp in 2009 werd uitgebreid tot alle energiegerelateerde producten (met uitzondering van vervoersmiddelen), nog geen producten die geen energie verbruiken zijn opgenomen onder de vereisten inzake ecologisch ontwerp;

N.   overwegende dat in de EU alle producten zodanig ontworpen, gefabriceerd en in de handel gebracht zouden moeten worden dat zo min mogelijk gebruik wordt gemaakt van gevaarlijke stoffen, mét waarborgen betreffende de veiligheid van de producten, zodat deze eenvoudiger gerecycleerd en opnieuw kunnen worden gebruikt, terwijl tegelijkertijd de beschermingsniveaus van de menselijke gezondheid en het milieu hoog worden gehouden;

O.  overwegende dat in de richtlijn inzake ecologisch ontwerp gesteld wordt dat haar complementariteit met de REACH-verordening inzake chemische stoffen moet bijdragen tot de verhoging van hun respectieve effect en tot de formulering van coherente, door de fabrikanten toe te passen eisen; overwegende dat de eisen in verband met het gebruik van gevaarlijke chemische stoffen en de recycling ervan tot dusverre beperkt zijn geweest;

P.  overwegende dat er in het kader van de nieuwe verordening energie-etikettering een nieuwe databank wordt ontwikkeld en dat de ICSMS markttoezichtsdatabank in sommige, maar niet in alle lidstaten wordt gebruikt;

Q.  overwegende dat het een van de hoofddoelstellingen van het algemeen milieuactieprogramma van de Unie voor de periode tot en met 2020 (7de MAP) is om de Unie te transformeren tot een hulpbronnenefficiënte, groene en concurrerende koolstofarme economie; overwegende dat in het MAP gesteld wordt dat het beleidskader van de Unie ervoor moet zorgen dat prioritaire producten die op de markt worden gebracht in de Unie een ecologisch ontwerp hebben om de hulpbronnenefficiëntie en de materiaalefficiëntie te optimaliseren;

R.  overwegende dat het EU-actieplan voor de circulaire economie het engagement omvat om aspecten van de circulaire economie te benadrukken in toekomstige productontwerpeisen in het kader van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp door stelselmatig zaken als repareerbaarheid, duurzaamheid, verbeterbaarheid en recycleerbaarheid, of de identificatie van bepaalde materialen of stoffen te analyseren;

S.  overwegende dat het Akkoord van Parijs een streefcijfer op lange termijn bevat dat strookt met de doelstelling om de wereldwijde temperatuurstijging ruim beneden 2°C boven de pre-industriële niveaus te houden, en te trachten de stijging tot 1,5°C boven de pre-industriële niveaus te beperken; overwegende dat de EU eraan hecht zijn steentje bij te dragen aan de verwezenlijking van deze doelstellingen door emissieverlagingen in alle sectoren;

T.  overwegende dat maatregelen inzake ecologisch ontwerp de gehele levenscyclus van producten moeten bestrijken teneinde de hulpbronnenefficiëntie in de Unie te verbeteren, waarbij rekening moet worden gehouden met het feit dat meer dan 80 % van het milieueffect van een product wordt bepaald in de ontwerpfase, die derhalve zeer belangrijk is voor de bevordering van circulaire economische aspecten, duurzaamheid, verbeterbaarheid, herstelbaarheid, hergebruik en recycleerbaarheid van een product;

U.  overwegende dat naast het maken van duurzamere en hulpbronnenefficiëntere producten de beginselen van de deeleconomie en de diensteneconomie moeten worden versterkt, terwijl de lidstaten bij het voorstellen van programma's om aan te sporen tot het gebruik van de meest energie-efficiënte producten en diensten bijzondere aandacht moeten besteden aan huishoudens met een laag inkomen, inclusief de huishoudens die het risico lopen in energiearmoede terecht te komen;

V.  overwegende dat de Unie partij is bij het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen (POP's) en daarom verplicht is maatregelen te nemen met het oog op het geleidelijk afbouwen van het gebruik van deze gevaarlijke stoffen, onder meer door het gebruik ervan in de ontwerpfase te beperken;

Een doeltreffend instrument om kosteneffectieve energiebesparingen te realiseren

1.  is van mening dat de richtlijn inzake ecologisch ontwerp een succesvol instrument is gebleken voor de verbetering van de energie-efficiëntie, heeft geleid tot een aanzienlijke vermindering van de broeikasgasemissies en economische voordelen voor de consumenten heeft opgeleverd;

2.  beveelt de Commissie aan meer productgroepen onder het toepasingsgebied te laten vallen, en deze te selecteren op basis van hun ecologischontwerppotentieel, waaronder hun energie-efficiëntiepotentieel en hun materiaalefficiëntiepotentieel, alsook andere milieu-aspecten, met gebruikmaking van de methodologie als bedoeld in artikel 15 van de richtlijn, en de huidige normen voortdurend te actualiseren, teneinde ten volle de vruchten te kunnen plukken van het toepassingsgebied en de doelstellingen van de richtlijn;

3.  benadrukt dat de richtlijn inzake ecologisch ontwerp de werking van de interne markt van de EU verbetert door de vaststelling van gemeenschappelijke productnormen; benadrukt dat de continu vaststelling van geharmoniseerde productvereisten op EU-niveau bevorderend werkt voor innovatie, onderzoek en het concurrentievermogen van Europese fabrikanten, en bijdraagt aan het waarborgen van eerlijke concurrentie, zonder dat dit onnodige administratieve lasten oplevert;

4.  herinnert eraan dat de richtlijn van de Commissie vereist dat zij met uitvoeringsmaatregelen komt wanneer een product voldoet aan de criteria, d.w.z. een significant handelsvolume, significant milieu-effect en potentieel voor verbetering; benadrukt de verantwoordelijkheid die op de Commissie rust met betrekking tot de uitvoering van dit mandaat en dat zij er voor moet zorgen dat de voordelen voor consumenten, de circulaire economie en het milieu op effectieve wijze worden verwezenlijkt, in de onderkenning dat dergelijke productnormen alleen op het niveau van de EU kunnen worden toegepast en dat de lidstaten derhalve afhankelijk zijn van de Commissie voor het nemen van de nodige maatregelen;

5.  is van mening dat de coördinatie met initiatieven die verband houden met de circulaire economie de doeltreffendheid van de richtlijn verder zou vergroten; verzoekt derhalve om een ambitieus plan inzake ecologisch ontwerp en de circulaire economie, dat zowel milieuvoordelen als kansen voor duurzame groei en werkgelegenheid oplevert, waaronder in de mkb-sector, alsmede voordelen voor de consumenten; wijst er in dit verband op dat door een grotere hulpbronnenefficiëntie en het gebruik van secondaire grondstoffen bij de fabricage een grote bedrage kan worden geleverd aan de vermindering van afval en de besparing van middelen;

6.  benadrukt dat de richtlijn inzake ecologisch ontwerp deel uitmaakt van een breder instrumentarium en dat de doeltreffendheid ervan afhankelijk is van synergieën met andere instrumenten, met name inzake de etikettering van het energieverbruik; is van mening dat overlappende voorschriften moeten worden voorkomen;

Het besluitvormingsproces versterken

7.  wijst in het bijzonder op de belangrijke rol van het overlegforum bij het samenbrengen van de industrie, maatschappelijk middenveld en andere belanghebbenden in het kader van het besluitvormingsproces, en is van mening dat deze entiteit goed werkt;

8.  is bezorgd over de soms aanzienlijke vertragingen bij de ontwikkeling en de vaststelling van uitvoeringsmaatregelen, die onzekerheid voor marktdeelnemers creëren, in veel gemiste kansen op energiebesparingen voor de consumenten - en de bijbehorende broeikasgasemissieverlagingen - hebben geresulteerd, en ertoe kunnen leiden dat maatregelen achterlopen op technologische ontwikkelingen;

9.  wijst erop dat een deel van de vertragingen kan worden toegeschreven aan het feit dat er bij de Commissie beperkte middelen beschikbaar zijn; dringt erbij de Commissie op aan voldoende middelen te mobiliseren voor het eco-designproces, gezien de significante toegevoegde waarde van EU-wetgeving;

10.  verzoekt de Commissie met klem vertragingen bij de goedkeuring en de publicatie van uitvoeringsmaatregelen te voorkomen, en beveelt aan duidelijke termijnen en mijlpalen vast te stellen voor de afronding hiervan en voor de herziening van de bestaande voorschriften; onderstreept dat eco-designmaatregelen afzonderlijk moeten worden vastgesteld en onmiddellijk na de vaststelling ervan openbaar moeten worden gemaakt;

11.  benadrukt dat het tijdschema in het werkprogramma inzake ecologisch ontwerp 2016-2019 moet worden gerespecteerd;

12.  benadrukt dat eco-designvereisten gebaseerd moeten zijn op grondige technische analyses en effectbeoordelingen, waarbij de best presterende producten of technologieën op de markt en de technologische ontwikkeling in iedere sector als referentie worden gehanteerd; verzoekt de Commissie voorrang te verlenen aan de uitvoering en de herziening van maatregelen betreffende producten met het grootste potentieel voor zowel primaire-energiebesparingen, als de circulaire economie;

13.  onderkent dat in de richtlijn inzake ecologisch ontwerp ook voorzien is in het gebruik van vrijwillige overeenkomsten; beklemtoont dat vrijwillige overeenkomsten kunnen worden gebruikt in plaats van uitvoeringsmaatregelen wanneer ze verreweg de meeste producten op de markt afdekken en geacht worden ten minste een identiek milieu-effect te waarborgen, en dat ze tot een sneller besluitvormingsproces moeten leiden; is van oordeel dat de doeltreffendheid van het toezicht op vrijwillige overeenkomsten moet worden vergroot en dat voor adequate betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld moet worden gezorgd; is in dit verband verheugd over Aanbeveling van de Commissie (EU) 2016/2125 inzake richtsnoeren betreffende zelfregulering door de industrie en verzoekt de Commissie nauw toe te zien op alle vrijwillige overeenkomsten die krachtens de richtlijn inzake ecologisch ontwerp worden erkend;

14.  moedigt de integratie van technologische leercurves in de methodologie voor het ecologisch ontwerp van energiegerelateerde producten (Meerp) aan, om te anticiperen op technologische verbeteringen zodra de voorschriften in werking treden en ervoor te zorgen dat ze actueel blijven;

15.  dringt er bij de Commissie op aan in voorkomend geval beoordelingen over het vrijkomen van microplastics in het aquatisch milieu op te nemen in de ecodesign-maatregelen; dringt er bij de Commissie op aan bindende vereisten in te voeren voor microplasticfilters bij de herziening van de eco-designmaatregelen voor huishoudelijke wasmachines en drogers;

Van energiebesparingen tot hulpbronnenefficiëntie

16.  herhaalt zijn verzoek om een nieuwe impuls voor de aspecten van producten die verband houden met de circulaire economie en is van mening dat de richtlijn inzake ecologisch ontwerp een aanzienlijk potentieel biedt voor het verbeteren van de hulpbronnenefficiëntie, dat nog niet benut is;

17.  is derhalve van mening dat bij de uitvoering van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp – naast de voortdurende inspanningen ter verbetering van de energie-efficiëntie – nu de volledige levenscyclus van elke productgroep die onder het toepassingsgebied valt, moet worden aangepakt, door middel van de vaststelling van minimumcriteria voor de efficiëntie van hulpbronnen, onder andere betrekking hebbend op de houdbaarheid, robuustheid, de herstelbaarheid en de mogelijkheid tot upgraden, maar ook op het potentieel voor gezamenlijk gebruik, het hergebruik, de schaalbaarheid, de recyclebaarheid, de mogelijkheid van herfabricage, het gebruik van gerecyclede materialen of secondaire grondstoffen, en het gebruik van kritieke grondstoffen;

18.  meent dat de keuze van de criteria aangaande de circulaire economie voor elke productgroep op duidelijke en objectieve wijze moet worden gemaakt, en dat de verwezenlijking van de criteria in kwestie eenvoudig meetbaar moet zijn tegen proportionele kosten, teneinde te waarborgen dat de richtlijn toepasbaar blijft;

19.  wenst dat diepgaande beoordelingen van het potentieel op het gebied van de circulaire economie systematisch worden uitgevoerd in het kader van de voorbereidende onderzoeken voor specifieke maatregelen inzake ecologisch ontwerp voor elke productcategorie;

20.  dringt er bij de Commissie op aan tevens ethische criteria in te voeren, zoals de herkomst en de methoden van winning van de gebruikte materialen, maar ook de sociale omstandigheden van de werknemers en de lokale bevolking;

21.  benadrukt dat fabrikanten duidelijke en objectieve aanwijzingen moeten verstrekken die gebruikers en onafhankelijke reparateurs in staat stellen de producten eenvoudiger te repareren, zonder hiervoor specifiek materiaal nodig te hebben; onderstreept eveneens dat informatie moet worden verstrekt over de beschikbaarheid van losse onderdelen en de levensduur van producten indien dit mogelijk is;

22.  wijst op de mogelijke voordelen van het zich focussen op andere milieuaspecten dan energiegebruik, zoals het gebruik van gevaarlijke chemische stoffen, het vrijkomen van microplastics, afvalproductie en de input van grondstoffen, en dringt erop aan gebruik te maken van de instrumenten krachtens de richtlijn om de transparantie voor de consumenten te vergroten;

23.  verzoekt de Commissie bindende voorschriften vast te stellen wat betreft de beschikbaarheid van software updates voor elektronische apparaten die onder het toepassingsgebied van de richtlijn vallen;

24.  benadrukt dat de recycleerbaarheid moet worden versterkt door gebruik te maken van slechts één kunststofpolymeer of compatibele kunststofpolymeren, waardoor het gebruik van gerecyclede materialen wordt bevorderd;

25.  is van mening dat omdat meer dan 80 % van het milieu-effect van een product wordt bepaald in de ontwerpfase, het in die fase is dat, in grote mate, een zorgwekkende stof kan worden vermeden, vervangen of beperkt; benadrukt dat het gebruik van materialen en stoffen van kritiek belang, zoals zeldzame aardmetalen, of stoffen van giftige aard of zorgwekkende stoffen, zoals persistente organische verontreinigende stoffen (POP’s) en hormoonontregelaars, specifiek in ogenschouw moeten worden genomen in het kader van de uitgebreide criteria voor ecologisch ontwerp, teneinde - in voorkomend geval - het gebruik ervan te beperken of ze te vervangen, of er ten minste oor te zorgen dat deze stoffen aan het eind van de levenscyclus worden gewonnen/gescheiden, onverminderd andere op het niveau van de EU vastgestelde geharmoniseerde wettelijke vereisten voor die stoffen;

26.  dringt erop aan dat voorschriften inzake ecologisch ontwerp, in geval van energiegerelateerde producten, geen doelstellingen creëren die voor fabrikanten in de EU moeilijk kunnen worden gehaald, met name door het midden- en kleinbedrijf, wier potentieel met betrekking tot gepatenteerde technologie duidelijk geringer is dan ondernemingen die de markt domineren;

27.  is in dit opzicht ingenomen met het werkprogramma inzake ecologisch ontwerp voor de periode 2016-2019, dat toezeggingen omvat om vereisten en normen te ontwikkelen voor materiaalefficiëntie, waarbij het gebruik van secondaire grondstoffen wordt ondersteund, en dringt er bij de Commissie op aan deze werkzaamheden bij voorrang af te ronden; is van mening dat dergelijke criteria productspecifiek moeten zijn, moeten worden gebaseerd op robuuste analyses, gericht moeten zijn op gebieden waarop een duidelijk potentieel voor verbetering bestaat en moeten kunnen worden afgedwongen en gecontroleerd door instanties voor markttoezicht; is van oordeel dat bij de vaststelling van goede praktijken het gebruik van resultaten van vroegere en lopende onderzoeksactiviteiten, alsook de nieuwste innovaties in de recycling van elektrische en elektronische apparatuur moet worden bevorderd;

28.  is van mening dat de ontwikkeling van een ‘systeembenadering’ waarbij niet alleen naar het product wordt gekeken maar naar het hele systeem dat nodig om producten te laten functioneren in het ecodesign-proces een steeds zwaarder wegende succesfactor wordt op weg naar hulpbronnenefficiëntie en dringt er bij de Commissie op aan meer van deze mogelijkheden op systeemniveau op te nemen in het volgende werkprogramma voor ecologisch ontwerp; 

29.  is van mening dat er bijzondere aandacht moet worden besteed aan waterverbruikende producten waar aanzienlijke milieuvoordelen kunnen worden behaald en belangrijke besparingen voor consumenten;

30.  dringt er bij de Commissie op aan de terugwinning van kritieke grondstoffen uit mijnbouwafval aan te moedigen;

31.  neemt er nota van dat de Commissie maatregelen inzake informatie- en communicatietechnologieën (ICT), zoals mobiele telefoons en smartphones, heeft uitgesteld, in afwachting van verdere beoordelingen en gezien de snelle technologische veranderingen binnen deze productgroep; is echter van mening dat voor deze producten, die in grote aantallen worden verkocht en vaak worden vervangen, een duidelijk potentieel voor verbeteringen bestaat, met name wat de hulpbronnenefficiëntie betreft, en dat daarom criteria inzake ecologisch ontwerp op hen moeten worden toegepast en dat gewerkt moet worden aan het stroomlijnen van het regelgevingsproces; benadrukt dat zorgvuldig moet worden beoordeeld hoe het ecologisch ontwerp van productgroepen waarvoor repareerbaarheid en de vervanging van losse onderdelen belangrijke ecodesignparameters zijn, kan worden verbeterd;

32.  benadrukt dat:

(a)  de verbeterbaarheid moet worden bevorderd via de beschikbaarstelling van software-updates voor elektronische apparaten,

(b)  de herstelbaarheid moet worden bevorderd door gedurende de gehele levensduur van een product reserveonderdelen beschikbaar te stellen tegen een prijs die redelijk is ten opzichte van de totale kostprijs van het product,

(c)  de recycleerbaarheid moet worden verbeterd door slechts één kunststofpolymeer of verenigbare kunststofpolymeren te gebruiken;

33.  dringt nogmaals aan op een grondige herziening van de Uniewetgeving voor producten, teneinde hulpbronnenefficiëntie daarin een prominentere plaats te geven; verzoekt de Commissie in dit verband te onderzoeken of de bestaande ecodesignmethodologie voor andere productcategorieën kan worden gebruikt naast energiegerelateerde producten, en - in voorkomend geval - voorstellen te presenteren voor nieuwe wetgeving;

34.  benadrukt dat het gebruik van gerecycleerde/secundaire materialen alleen kan worden gegarandeerd als er hoogwaardige secundaire materialen en een goed georganiseerde markt voor secundaire materialen beschikbaar zijn en dat hiervoor moet worden gezorgd;

35.  benadrukt hoe belangrijk het is producenten verantwoordelijk te stellen en de garantietermijnen en -voorwaarden uit te breiden, waarbij fabrikanten/verkopers verplicht verantwoordelijk worden gesteld voor de volledige levenscyclus van een product, aandacht wordt besteed aan het stimuleren van herstelbaarheid, verbeterbaarheid, modulariteit en recycleerbaarheid en wordt gewaarborgd dat het beheer van grondstoffen en afval binnen de Europese Unie blijft;

36.  dringt aan op uitbreiding van minimumwaarborgen voor duurzame consumptiegoederen;

Het markttoezicht verbeteren

37.  dringt aan op versterking van het toezicht op producten die op de interne markt worden gebracht door middel van een betere samenwerking en coördinatie tussen de lidstaten en tussen de Commissie en de nationale autoriteiten, alsook door middel van de terbeschikkingstelling van passende financiële middelen aan de markttoezichtsautoriteiten;

38.  verzoekt de Commissie te bekijken of het mogelijk is een digitaal ‘productpaspoort’ te ontwikkelen, zoals geopperd in de conclusies van de Raad van 18 december 2017 over eco-innovatie, als een instrument voor het verstrekken van informatie over de materialen en stoffen die in producten worden gebruikt, hetgeen ook dienstig zou zijn in het kader van het markttoezicht;

39.  verzoekt om een coherenter en kostenefficiënter systeem voor markttoezicht in de Unie, teneinde de naleving van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp te waarborgen, en doet de volgende aanbevelingen:

–  de nationale autoriteiten moeten worden verplicht de ICSMS-databank te gebruiken om alle resultaten te delen van controles van de naleving van productvoorschriften en uitgevoerde tests voor alle producten die onder de voorschriften inzake ecologisch ontwerp vallen; deze databank moet alle informatie bevatten over conforme en niet-conforme producten om onnodige testen in een andere lidstaat te vermijden, en moet gebruiksvriendelijk en gemakkelijk toegankelijk zijn;

–  de algemene databank voor productregistratie voor producten met een energie-etiket moet worden uitgebreid tot alle producten die onder de voorschriften inzake ecologisch ontwerp vallen;

–  de nationale autoriteiten moeten specifieke plannen opstellen voor hun markttoezichtsactiviteiten op het gebied van ecologisch ontwerp, en deze moeten worden medegedeeld aan de overige lidstaten en de Commissie overeenkomstig Verordening (EG) nr. 765/2008(7); de lidstaten moeten in deze plannen ook voorzien in steekproefsgewijze inspecties;

–  er moeten snelle screeningsmethoden worden toegepast om producten die niet voldoen aan de voorschriften op te sporen, en deze moeten worden uitgewerkt in samenwerking met deskundigen uit de industrie en ze moeten worden gedeeld met het publiek;

–  de Commissie moet overwegen een minimumpercentage vast te stellen van te testen producten op de markt, alsook een mandaat ontwikkelen voor haar eigen onafhankelijke markttoezicht en - in voorkomend geval - voorstellen presenteren;

–  er moeten afschrikkende maatregelen worden aangenomen, waaronder: sancties voor fabrikanten die de regels niet naleven die in verhouding staan tot de impact van de niet-naleving op de gehele Europese markt en compensaties voor consumenten die niet-conforme producten hebben gekocht, zelfs na de wettelijke garantieperiode, waaronder collectieve rechtsmiddelen;

–  er moet bijzondere aandacht worden besteed aan online verkochte producten en invoer uit niet-EU-landen;

–  er moet voor samenhang worden gezorgd met het voorstel van de Commissie voor een verordening tot vaststelling van voorschriften en procedures voor de naleving en de handhaving van de harmonisatiewetgeving van de Unie inzake producten (COM(2017)0795), waarvan het toepassingsgebied ook producten omvat die onder de richtlijn inzake ecologisch ontwerp vallen; ondersteunt in dit verband de facilitering op het niveau van de EU van gezamenlijke tests;

40.  wijst op het belang van passende en duidelijk gedefinieerde geharmoniseerde normen voor tests, en benadrukt dat testprotocollen moeten worden ontwikkeld die zo veel mogelijk overeenkomen met de werkelijke omstandigheden; benadrukt dat de testmethoden robuust moeten zijn, en zodanig ontworpen en toegepast moeten worden dat manipulatie en opzettelijke of onopzettelijke verbetering van de resultaten uitgesloten is; is van oordeel dat de tests geen onredelijke lasten moeten opleveren voor bedrijven, en in het bijzonder kmo’s, die niet over dezelfde capaciteiten beschikken als hun grotere concurrenten; is verheugd over Verordening (EU) nr. 2016/2282 van de Commissie wat betreft het gebruik van toleranties in controleprocedures;

41.  verzoekt de Commissie de lidstaten te ondersteunen bij hun handhavingswerkzaamheden en nauwer met hen samen te werken wanneer een product niet conform blijkt; benadrukt dat de fabrikanten en importeurs behoefte hebben aan richtsnoeren inzake de gedetailleerde vereisten voor de documenten die de markttoezichtautoriteiten verlangen;

Andere aanbevelingen

42.  wijst erop dat het noodzakelijk is te zorgen voor consistentie en convergentie tussen de voorschriften inzake ecologisch ontwerp en horizontale voorschriften, zoals de Uniewetgeving inzake chemicaliën en afval, waaronder REACH en de AEEA- en BGGS-richtlijnen, en benadrukt de noodzaak om de synergieën met groene overheidsopdrachten en de EU-milieukeur te versterken;

43.  benadrukt de koppeling tussen de richtlijn inzake ecologisch ontwerp en de richtlijn energieprestatie van gebouwen; dringt er bij de lidstaten op aan de acceptatie door de markt van efficiënte producten en diensten te bevorderen, en hun inspanningen op de gebieden inspecties en advisering op te voeren; is van mening dat de verbetering van het ecologisch ontwerp van energiegerelateerde producten eveneens een positieve impact op de energieprestatie van gebouwen kan hebben;

44.  benadrukt dat het noodzakelijk is het publiek en met name de media voorafgaand aan de invoering van een maatregel duidelijke informatie te verstrekken over de voordelen van ecologisch ontwerp, en moedigt de Commissie en de lidstaten aan proactief te communiceren over de voordelen van maatregelen inzake ecologisch ontwerp die een integrerend onderdeel vormen van het proces voor de vaststelling van deze maatregelen en actiever met belanghebbenden in verbinding te treden om te zorgen dat het publiek de wetgeving beter begrijpt;

45.  benadrukt dat de overgang naar een duurzame en circulaire economie niet alleen veel kansen zal bieden maar ook sociale uitdagingen met zich zal brengen; wijst er - omdat niemand aan zijn lot mag worden overgelaten - op dat de Commissie en de lidstaten in hun voorstellen voor programma's die aansporen tot het gebruik van de meest energie-efficiënte producten bijzondere aandacht moeten besteden aan huishoudens met een laag inkomen die het risico lopen in energiearmoede terecht te komen; is van oordeel dat de programma's in kwestie geen obstakel mogen vormen voor innovatie, maar de fabrikanten onverminderd in staat moeten stellen de consumenten een brede waaier aan kwaliteitsproducten aan te bieden, en dat ze ook de marktpenetratie moeten bevorderen van energiegerelateerde en waterverbruikende producten die een grotere hulpbronnenefficiëntie aan de dag leggen en besparingen voor de consumenten kunnen opleveren;

46.  dringt er bij de EU-instellingen en de lidstaten op aan om het goede voorbeeld te geven door de strategieën voor de circulaire economie en voor groene overheidsopdrachten (GPP) vast te stellen en deze volledig te benutten, zodat bij alle investeringen voorrang wordt gegeven aan bewezen duurzame producten, zoals producten met een ecologisch ontwerp, en wordt gezorgd voor de hoogste normen inzake hulpbronnenefficiëntie, en om ervoor te zorgen dat groene aanbestedingsprocedures ook in de particuliere sector steeds meer tot een gangbare praktijk gaan behoren;

º

º  º

47.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)

PB L 285 van 31.10.2009, blz. 10.

(2)

PB L 198 van 28.7.2017, blz. 1.

(3)

PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171.

(4)

http://www.consilium.europa.eu/media/32274/eco-innovation-conclusions.pdf

(5)

PB C 265 van 11.8.2017, blz. 65.

(6)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0287.

(7)

Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten.


ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie (22.3.2018)

aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

inzake de uitvoering van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp (2009/125/EG)

(2017/2087(INI))

Rapporteur voor advies: Michèle Rivasi

SUGGESTIES

De Commissie industrie, onderzoek en energie verzoekt de bevoegde Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat ecologisch ontwerp economische voordelen voor industrie en consumenten met zich meebrengt en aanzienlijk bijdraagt aan het beleid van de Unie op het gebied van klimaat, energie en de circulaire economie;

B.  overwegende dat de richtlijn ecologisch ontwerp en de verordening energie-etikettering volgens schattingen van de Commissie gezamenlijk bijdragen aan circa de helft van de energiebesparingsstreefwaarde voor 2020 en op de langere termijn een nog groter potentieel hebben, en dat de afhankelijkheid van de invoer van fossiele brandstof als gevolg van beide rechtshandelingen met 23 % zou moeten dalen voor aardgas en met 37 % voor kolen, terwijl deze rechtshandelingen eveneens zouden moeten bijdragen tot de verwezenlijking van onze klimaatdoelstellingen door de CO2 -emissies ieder jaar met 320 miljoen ton te verminderen;

C.  overwegende dat de geschatte energiebesparing die wordt verwezenlijkt middels het kader voor energie-etikettering en ecologisch ontwerp ook kan resulteren in een jaarlijkse besparing van 490 euro op de energierekening van ieder huishouding, de industrie en de groot- en detailhandel jaarlijks 55 miljard EUR aan bijkomende inkomsten zal opleveren en mogelijk 800 000 nieuwe directe arbeidsplaatsen zal creëren in deze sectoren;

D.  overwegende dat maatregelen inzake ecologisch ontwerp de gehele levenscyclus van producten moeten bestrijken teneinde de hulpbronnenefficiëntie in de Unie te verbeteren, waarbij rekening moet worden gehouden met het feit dat meer dan 80 % van het milieueffect van een product wordt bepaald in de ontwerpfase, die derhalve zeer belangrijk is voor de bevordering van circulaire economische aspecten, duurzaamheid, verbeterbaarheid, herstelbaarheid, hergebruik en recycleerbaarheid van een product;

E.  overwegende dat naast het maken van duurzamere en hulpbronnenefficiëntere producten de beginselen van de deeleconomie en de diensteneconomie moeten worden versterkt, terwijl de lidstaten bij het voorstellen van programma's om aan te sporen tot het gebruik van de meest energie-efficiënte producten en diensten bijzondere aandacht moeten besteden aan huishoudens met een laag inkomen, inclusief de huishoudens die het risico lopen in energiearmoede terecht te komen;

F.  overwegende dat de Unie partij is bij het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen (POP's) en daarom verplicht is maatregelen te nemen met het oog op het geleidelijk afbouwen van het gebruik van deze gevaarlijke stoffen, onder meer door het gebruik ervan in de ontwerpfase te beperken;

G.  overwegende dat het Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité, net als belanghebbenden op het gebied van consumentenbescherming, de wetenschappelijke wereld en een brede waaier van maatschappelijke organisaties, meermaals hebben verzocht om een uitbreiding van het toepassingsgebied van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp;

1.  beveelt aan meer consumentenartikelen op te nemen in het toepassingsgebied van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp (2009/125/EG); benadrukt dat prioriteit moet worden verleend aan ICT-producten, die in groten getale worden verkocht en vaak worden vervangen; benadrukt dat de Commissie zorgvuldig moet beoordelen en evalueren hoe de duurzaamheid van dergelijke productgroepen, met name mobiele telefoons en smartphones, kan worden verbeterd en gecontroleerd, waarbij reserveonderdelen, batterijen en toebehoren van deze producten gemakkelijk vervangbaar en universeel zouden moeten zijn;

2.  is zich ervan bewust dat de technologie van ICT-producten razendsnel evolueert, waardoor wetgeving met betrekking tot deze producten soms al achterhaald is op het moment dat ze daadwerkelijk in werking treedt; dringt er daarom bij de Commissie op aan om de regelgevingsprocessen inzake ecologisch ontwerp voor ICT-producten te versnellen en op zoek te gaan naar alternatieven, als mogelijke aanvulling op maatregelen inzake ecologisch ontwerp, om de hulpbronnenefficiëntie van producten te kunnen controleren wanneer ze reeds in gebruik zijn, bijvoorbeeld met behulp van bigdatatechnieken;

3.  is van mening dat de richtlijn inzake ecologisch ontwerp een belangrijke rol heeft gespeeld bij het verbeteren van de energie-efficiëntie van producten en is ervan overtuigd dat de energie-efficiëntie verder kan worden verbeterd indien in de toekomst wordt gezorgd voor afstemming op initiatieven in verband met de circulaire economie; dringt daarom aan op een ambitieus plan dat ecologisch ontwerp en de circulaire economie omvat, hetgeen niet alleen milieuvoordelen maar ook een unieke kans voor het scheppen van banen zou opleveren;

4.  benadrukt dat er meetbare en afdwingbare productvereisten moeten worden vastgesteld die volledig zijn geharmoniseerd op Unieniveau, zodat de werking van de interne markt niet in het gedrang komt, innovatie, onderzoek en het concurrentievermogen van Europese fabrikanten worden bevorderd en eerlijke concurrentie wordt gewaarborgd, zonder dat dit onnodige administratieve lasten oplevert;

5.  dringt erop aan de criteria voor ecologisch ontwerp te verbreden zodat hierin ook hulpbronnenefficiëntie, de circulaire economie en gezondheidsaspecten van producten worden opgenomen; acht het noodzakelijk om hulpbronnenefficiëntie en circulariteit van materialen te combineren met voortdurende energiebesparingen, waarbij rekening wordt gehouden met de vooruitgang die door de jaren heen is geboekt bij het vaststellen van nieuwe vereisten; benadrukt dat energie, en met name hernieuwbare energie, als cruciaal moet worden beschouwd en dat producten zowel wat de energie- en waterconsumptie als het materiaalgebruik betreft, moeten worden geoptimaliseerd vanuit een levenscyclusperspectief; is van mening dat duurzaamheid, verbeterbaarheid, herstelbaarheid en recycleerbaarheid tevens de ontwikkeling van werkgelegenheid kunnen ondersteunen;

6.  dringt aan op de invoering van ethische criteria die met name verband houden met de herkomst en de winning van de gebruikte materialen, maar ook met de sociale omstandigheden van de werknemers en de lokale bevolking;

7.  betreurt dat er weinig vooruitgang is geboekt wat betreft de opname van aspecten van de circulaire economie in de evaluatie van bestaande productspecifieke maatregelen en nieuwe productgroepen; wijst erop dat, ondanks de veelbelovende specifieke aandacht voor aspecten van de circulaire economie in het werkplan inzake ecologisch ontwerp 2016-2019, het pakket circulaire economie van de Commissie en het belang van dit onderwerp, de inspanningen op dit gebied teleurstellend zijn gebleken; spoort de Commissie daarom aan spoedig werk te maken van maatregelen om ervoor te zorgen dat de richtlijn inzake ecologisch ontwerp een aanzienlijke bijdrage levert aan de circulaire economie;

8.  benadrukt dat:

(a)  de verbeterbaarheid moet worden bevorderd via de beschikbaarstelling van software-updates voor elektronische apparaten,

(b)  de herstelbaarheid moet worden bevorderd door gedurende de gehele levensduur van een product reserveonderdelen beschikbaar te stellen tegen een prijs die redelijk is ten opzichte van de totale kostprijs van het product,

(c)  de recycleerbaarheid moet worden verbeterd door slechts één kunststofpolymeer of verenigbare kunststofpolymeren te gebruiken;

9.  benadrukt dat er niet alleen moet worden gezorgd voor recycleerbaarheid, maar dat ook het daadwerkelijk gebruik van gerecycleerde materialen moet worden bevorderd; is van mening dat recycleerbaarheid en eenvoudige demontage van producten enerzijds deel moeten uitmaken van de ontwerpfase, zodat afgedankte producten kunnen worden omgevormd tot hoogwaardige secundaire grondstoffen, en dat anderzijds moet worden bevorderd en ondersteund dat deze secundaire grondstoffen daadwerkelijk worden hergebruikt in nieuwe producten, bijvoorbeeld door een verplicht minimumpercentage vast te stellen voor in nieuwe producten te gebruiken gerecycleerde materialen;

10.  benadrukt dat het gebruik van gerecycleerde/secundaire materialen alleen kan worden gegarandeerd als er hoogwaardige secundaire materialen en een goed georganiseerde markt voor secundaire materialen beschikbaar zijn en dat hiervoor moet worden gezorgd;

11.  benadrukt hoe belangrijk het is producenten verantwoordelijk te stellen en de garantietermijnen en -voorwaarden uit te breiden, waarbij fabrikanten/verkopers verplicht verantwoordelijk worden gesteld voor de volledige levenscyclus van een product, aandacht wordt besteed aan het stimuleren van herstelbaarheid, verbeterbaarheid, modulariteit en recycleerbaarheid en wordt gewaarborgd dat het beheer van grondstoffen en afval binnen de Europese Unie blijft;

12.  benadrukt dat het gebruik van materialen en stoffen van kritiek belang, zoals zeldzame aardmetalen, of stoffen van giftige aard of zorgwekkende stoffen, zoals persistente organische verontreinigende stoffen (POP’s) en hormoonontregelaars, specifiek in ogenschouw wordt genomen in het kader van de uitgebreide criteria voor ecologisch ontwerp om het te beperken of ten minste ervoor te zorgen dat deze stoffen aan het eind van de levensduur worden gewonnen/gescheiden;

13.  benadrukt dat het besluitvormingsproces moet worden geoptimaliseerd en gewaarborgd; onderstreept dat maatregelen ten aanzien van ecologisch ontwerp afzonderlijk en binnen vastgestelde en bekend gemaakte termijnen moeten worden vastgesteld, en onverwijld ten uitvoer moeten worden gelegd; dringt er bij de Commissie op aan de noodzakelijke financiële middelen uit te trekken voor de tenuitvoerlegging;

14.  wijst er nogmaals op dat het markttoezicht op producten die op de markt worden gebracht, moet worden geoptimaliseerd door middel van betere samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten en tussen de lidstaten onderling; pleit voor een door de Commissie geleide EU-brede coördinatie tussen de nationale markttoezichtautoriteiten;

15.  benadrukt dat testprotocollen beter moeten aansluiten op de omstandigheden in de praktijk, d.w.z. dat zij moeten worden ontwikkeld onder omstandigheden en in een omgeving die het gebruik door de gemiddelde consument zo dicht mogelijk benaderen; verlangt dat de testmethoden van zowel leveranciers als markttoezichtautoriteiten zodanig moeten worden opgesteld en uitgevoerd dat eventuele opzettelijke of onopzettelijke manipulatie of verbetering van de testresultaten kan worden opgespoord en verwijderd, en dat de toegestane afwijking tussen de geteste en aangegeven resultaten binnen de grenzen van de statistische foutmarge van de meetapparatuur moet liggen;

16.  wijst op de schattingen van de Commissie dat 10 tot 25 % van de producten op de markt niet voldoet aan de eisen van ecologisch ontwerp en energie-etikettering, waardoor rond de 10 % van de verwachte energiebesparingen verloren gaat; dringt aan op beter toezicht op de naleving; benadrukt de enorme mogelijkheden van snelle screeningmethoden om producten en producttypen die naar alle waarschijnlijkheid niet in overeenstemming zijn met de richtlijn inzake ecologisch ontwerp op te sporen;

17.  verzoekt te zorgen voor meer coherentie en synergieën met andere sectorspecifieke wetgeving en Europese instrumenten, meer bepaald de criteria inzake verantwoorde overheidsaankopen, het milieukeurmerk of een gezamenlijk gebruik van de databank voor de registratie van producten die tot stand is gebracht bij Verordening (EU) 2017/1369 tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering;

18.  dringt aan op deugdelijke financiering om de Unie en de lidstaten in staat te stellen adequaat toezicht op de beleidsontwikkeling te garanderen, markttoezicht te realiseren, nieuwe bedrijfsmogelijkheden te creëren, op nationaal niveau raadplegingen te houden voordat de lidstaten stemmen over de uitvoeringsmaatregelen, en proactieve communicatiestrategieën te ontwerpen; verzoekt de Commissie de verwachte voordelen van de maatregelen inzake ecologisch ontwerp proactief aan de Europese burgers te communiceren, als integraal onderdeel van het proces voor het vaststellen van deze maatregelen;

19.  dringt er bij de EU-instellingen en de lidstaten op aan om het goede voorbeeld te geven door de strategieën voor de circulaire economie en voor groene overheidsopdrachten (GPP) vast te stellen en deze volledig te benutten, zodat bij alle investeringen voorrang wordt gegeven aan bewezen duurzame producten, zoals producten met een ecologisch ontwerp, en wordt gezorgd voor de hoogste normen inzake hulpbronnenefficiëntie, en om ervoor te zorgen dat groene aanbestedingsprocedures ook in de particuliere sector steeds meer tot een gangbare praktijk gaan behoren.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

21.3.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

58

3

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Zigmantas Balčytis, Bendt Bendtsen, Xabier Benito Ziluaga, José Blanco López, Jonathan Bullock, Cristian-Silviu Buşoi, Reinhard Bütikofer, Jerzy Buzek, Angelo Ciocca, Edward Czesak, Jakop Dalunde, Pilar del Castillo Vera, Ashley Fox, Adam Gierek, Theresa Griffin, Rebecca Harms, Hans-Olaf Henkel, Eva Kaili, Kaja Kallas, Krišjānis Kariņš, Seán Kelly, Jeppe Kofod, Jaromír Kohlíček, Peter Kouroumbashev, Zdzisław Krasnodębski, Miapetra Kumpula-Natri, Christelle Lechevalier, Janusz Lewandowski, Paloma López Bermejo, Edouard Martin, Angelika Mlinar, Nadine Morano, Dan Nica, Angelika Niebler, Morten Helveg Petersen, Miroslav Poche, Julia Reda, Paul Rübig, Massimiliano Salini, Algirdas Saudargas, Sven Schulze, Neoklis Sylikiotis, Dario Tamburrano, Patrizia Toia, Evžen Tošenovský, Claude Turmes, Vladimir Urutchev, Kathleen Van Brempt, Henna Virkkunen, Martina Werner, Hermann Winkler, Anna Záborská, Flavio Zanonato, Carlos Zorrinho

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Jakop Dalunde, Luděk Niedermayer, Dennis Radtke, Dominique Riquet, Pavel Telička

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Gerolf Annemans, Rosa D’Amato, Emilian Pavel

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

58

+

ALDE

Kaja Kallas, Angelika Mlinar, Morten Helveg Petersen, Dominique Riquet, Pavel Telička

ECR

Edward Czesak, Ashley Fox, Hans-Olaf Henkel, Zdzisław Krasnodębski, Evžen Tošenovský

EFDD

Rosa D'Amato, Dario Tamburrano

ENF

Christelle Lechevalier

GUE/NGL

Xabier Benito Ziluaga, Jaromír Kohlíček, Paloma López Bermejo, Neoklis Sylikiotis

PPE

Bendt Bendtsen, Cristian-Silviu Buşoi, Jerzy Buzek, Pilar del Castillo Vera, Gunnar Hökmark, Krišjānis Kariņš, Seán Kelly, Janusz Lewandowski, Nadine Morano, Angelika Niebler, Luděk Niedermayer, Dennis Radtke, Paul Rübig, Massimiliano Salini, Algirdas Saudargas, Sven Schulze, Vladimir Urutchev, Henna Virkkunen, Anna Záborská

S&D

Zigmantas Balčytis, José Blanco López, Adam Gierek, Theresa Griffin, Eva Kaili, Jeppe Kofod, Peter Kouroumbashev, Miapetra Kumpula-Natri, Edouard Martin, Dan Nica, Emilian Pavel, Miroslav Poche, Patrizia Toia, Kathleen Van Brempt, Martina Werner, Flavio Zanonato, Carlos Zorrinho

VERTS/ALE

Reinhard Bütikofer, Jakop Dalunde, Rebecca Harms, Julia Reda, Claude Turmes

3

-

EFDD

Jonathan Bullock

ENF

Angelo Ciocca

PPE

Hermann Winkler

1

0

ENF

Gerolf Annemans

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

25.4.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

59

1

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marco Affronte, Margrete Auken, Pilar Ayuso, Zoltán Balczó, Biljana Borzan, Lynn Boylan, Nessa Childers, Birgit Collin-Langen, Miriam Dalli, Seb Dance, Angélique Delahaye, Stefan Eck, Bas Eickhout, José Inácio Faria, Francesc Gambús, Elisabetta Gardini, Gerben-Jan Gerbrandy, Jens Gieseke, Julie Girling, Sylvie Goddyn, Françoise Grossetête, Andrzej Grzyb, Jytte Guteland, Anneli Jäätteenmäki, Benedek Jávor, Karin Kadenbach, Kateřina Konečná, Urszula Krupa, Giovanni La Via, Peter Liese, Joëlle Mélin, Susanne Melior, Miroslav Mikolášik, Rory Palmer, Massimo Paolucci, Piernicola Pedicini, Bolesław G. Piecha, Pavel Poc, Julia Reid, Frédérique Ries, Michèle Rivasi, Davor Škrlec, Renate Sommer, Estefanía Torres Martínez, Adina-Ioana Vălean, Jadwiga Wiśniewska, Damiano Zoffoli

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Nikos Androulakis, Cristian-Silviu Buşoi, Caterina Chinnici, Fredrick Federley, Anja Hazekamp, Norbert Lins, Rupert Matthews, Alojz Peterle, Stanislav Polčák, Carolina Punset, Christel Schaldemose

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Jude Kirton-Darling, Jeroen Lenaers, Mylène Troszczynski


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

59

+

ALDE

Fredrick Federley, Gerben-Jan Gerbrandy, Anneli Jäätteenmäki, Carolina Punset, Frédérique Ries

ECR

Urszula Krupa, Rupert Matthews, Bolesław G. Piecha, Jadwiga Wiśniewska

EFDD

Piernicola Pedicini

ENF

Sylvie Goddyn, Joëlle Mélin, Mylène Troszczynski

GUE/NGL

Lynn Boylan, Stefan Eck, Anja Hazekamp, Kateřina Konečná, Estefanía Torres Martínez

NI

Zoltán Balczó

PPE

Pilar Ayuso, Cristian-Silviu Buşoi, Birgit Collin-Langen, Angélique Delahaye, José Inácio Faria, Francesc Gambús, Elisabetta Gardini, Jens Gieseke, Julie Girling, Françoise Grossetête, Andrzej Grzyb, Giovanni La Via, Jeroen Lenaers, Peter Liese, Norbert Lins, Miroslav Mikolášik, Alojz Peterle, Stanislav Polčák, Adina-Ioana Vălean

S&D

Nikos Androulakis, Biljana Borzan, Nessa Childers, Caterina Chinnici, Miriam Dalli, Seb Dance, Jytte Guteland, Karin Kadenbach, Jude Kirton-Darling, Susanne Melior, Rory Palmer, Massimo Paolucci, Pavel Poc, Christel Schaldemose, Damiano Zoffoli

Verts/ALE

Marco Affronte, Margrete Auken, Bas Eickhout, Benedek Jávor, Michèle Rivasi, Davor Škrlec

1

-

EFDD

Julia Reid

1

0

PPE

Renate Sommer

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 22 mei 2018Juridische mededeling