Procedure : 2016/2328(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0168/2018

Ingediende teksten :

A8-0168/2018

Debatten :

PV 29/05/2018 - 19
CRE 29/05/2018 - 19

Stemmingen :

PV 30/05/2018 - 13.13
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0229

VERSLAG     
PDF 616kWORD 74k
14.5.2018
PE 618.057v03-00 A8-0168/2018

over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten

(2016/2328(INI))

Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid

Rapporteur: Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Angelika Mlinar

(Gezamenlijke commissievergaderingen – Artikel 55 van het Reglement)

TOELICHTING – SAMENVATTING VAN DE FEITEN EN BEVINDINGEN
 ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

TOELICHTING – SAMENVATTING VAN DE FEITEN EN BEVINDINGEN

Dit verslag heeft tot doel de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten in de EU-lidstaten te evalueren. Het besteedt met name aandacht aan de samenhang, relevantie, doeltreffendheid en doelmatigheid ervan. Daarbij worden diverse aspecten van de toepassing van de richtlijn bestreken: de wettelijke omzettingsmaatregelen op het niveau van de lidstaten, de praktische uitvoering van de richtlijn in het veld, de voordelen ervan voor de slachtoffers en de problemen tijdens de uitvoering. Tot slot worden in het verslag enkele aanbevelingen gedaan aan de Commissie en de lidstaten ter bevordering van de tenuitvoerlegging van de richtlijn in de toekomst.

Het Europees Parlement speelt een belangrijke rol bij het bevorderen van verdere inspanningen op EU-niveau ter versterking van de juiste toepassing van de richtlijn door het ondersteunen en bevorderen van de rechten van slachtoffers van misdrijven in het algemeen en meer in het bijzonder door financiële steun van de EU voor een adequate justitiële opleiding.

Het Parlement dient tevens de samenhang tussen de verschillende wetgevingsinstrumenten van de EU inzake de rechten van slachtoffers te ondersteunen en te bevorderen door de aanpak beter te stroomlijnen en de samenhang van de procedure te vergroten.

De lidstaten dienden de richtlijn vóór 16 november 2015 in nationaal recht om te zetten. In november 2017 hadden 23 van de 27 lidstaten de richtlijn officieel omgezet (Denemarken wenste niet mee te doen). De Europese Commissie heeft de omzetting en tenuitvoerlegging van de richtlijn echter nog niet geëvalueerd, hoewel zij volgens artikel 29 van de richtlijn in november 2017 verslag had moeten uitbrengen.

Beide rapporteurs hebben sinds hun benoeming onder andere informatie verzameld uit en hun bevindingen gebaseerd op de volgende bronnen:

  een hoorzitting tijdens de gezamenlijke commissievergadering van LIBE en FEMM op 11 januari 2018;

  een in december 2017 gepubliceerde effectbeoordeling achteraf door de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement (EPRS);

  de uitwisseling van informatie met de desbetreffende institutionele belanghebbenden en slachtofferhulporganisaties.

EVALUATIE

Jaarlijks worden vele mensen in de EU slachtoffer van een misdrijf. Minder ernstige misdrijven niet meegerekend, wordt er elk jaar aangifte gedaan van ongeveer 30 miljoen misdrijven. Steeds meer mensen reizen naar, of wonen of studeren in het buitenland en kunnen daarbij slachtoffer worden van een misdrijf in een ander dan hun eigen land. De EU heeft tot taak ervoor te zorgen dat de burgers en buitenlanders binnen haar grenzen worden beschermd.

Slachtoffers moeten het recht hebben:

•  om te begrijpen en te worden begrepen tijdens contact met een autoriteit (bijv. gewone en eenvoudige taal);

•  om informatie te krijgen vanaf het eerste contact met een autoriteit;

•  om een officiële aangifte neer te leggen en daarvan schriftelijke bevestiging te krijgen;

•  op vertolking en vertaling (ten minste tijdens ondervragingen van het slachtoffer);

•  om informatie te ontvangen over de voortgang van de zaak;

•  op toegang tot slachtofferhulp.

Er zijn tal van factoren vastgesteld die de doeltreffendheid van de richtlijn in de praktijk kunnen ondermijnen, waaronder:

•  een gebrek aan bewustmakingsmaatregelen in verband met de uitvoering van de richtlijn;

•  een gebrek aan informatie in een taal die de slachtoffers begrijpen, waaronder goed begrijpelijke taal of gebarentaal, indien noodzakelijk;

•  een gebrek aan financiële ondersteuning voor hulpverlening en een gebrek aan coördinatie van hulporganisaties, politie, het openbaar ministerie en andere relevant actoren;

•  een gebrek aan steun onder belanghebbenden en aan opleiding van praktijkbeoefenaren.

Een van de belangrijkste onderwerpen in verband met verschillen in het nationale strafrecht inzake slachtofferbescherming houdt verband met verschillen in de manier waarop de lidstaten belangrijke begrippen definiëren; het gaat hierbij met name om verschillen in de definitie van het begrip "slachtoffer" waaruit kan worden afgeleid dat de werkingssfeer van nationale wetgeving verschilt en bijvoorbeeld ook familieleden kan omvatten (zie punt 3.4, "Definitie van slachtoffers van misdrijven"). Belaging is een ander voorbeeld van een begrip dat niet in alle lidstaten in het wetboek van strafrecht voorkomt.

Op het gebied van de individuele beoordeling (artikel 22 van de richtlijn) hebben de meeste lidstaten aanzienlijke vooruitgang geboekt, zowel op wetgevings- als op administratief niveau. Het instellen van een individuele beoordeling wanneer slachtoffers aangifte doen, is onontbeerlijk om ervoor te zorgen dat hun behoeften en wensen door praktijkbeoefenaren naar behoren worden beoordeeld. Slachtoffers kunnen niet afdoende worden geholpen als de eerstelijnsfunctionarissen (meestal de politie bij wie het slachtoffer aangifte doet) niet bekend zijn met de persoonlijke kenmerken van het slachtoffer of het soort, de aard of de omstandigheden van het strafbare feit.

Niettemin loopt de uitvoering van individuele beoordelingen in de verschillende lidstaten sterk uiteen en komt deze in bepaalde gevallen neer op het louter "afvinken van hokjes". Bovendien is de beschikbaarheid van structuren voor slachtofferhulp niet in alle lidstaten gelijk en verschilt deze soms zelfs binnen een en dezelfde lidstaat, nog afgezien van de vraag of individuele beoordelingen in de hele EU naar behoren worden uitgevoerd. Daarnaast blijft de juiste coördinatie op het niveau van de lidstaten lastig. Aanbieders van slachtofferhulp worden doorgaans aangestuurd door de overheid of door ngo's, en bestaan soms naast elkaar, waardoor vragen rijzen over de consistente financiering op lange termijn van de hulporganisaties, alsook over de verdeling van hun verantwoordelijkheden.

CONCLUSIES

De corapporteurs raden alle lidstaten ten sterkste aan de richtlijn volledig om te zetten en uit te voeren.

Zij wijzen er tevens op dat de lidstaten lacunes bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn vanwege interpretatieverschillen op nationaal niveau en verschillen in het nationale strafrecht inzake slachtofferbescherming moeten vermijden.


ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten (2016/2328(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en de artikelen 8, 10, 18, 19, 21, 79 en 82 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de artikelen 3, 6, 20, 21, 23, 24, 41 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM),

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens die in 1948 werd aangenomen door de Algemene Vergadering van de VN,

–  gezien het VN-Verdrag over de rechten van het kind van 1989,

–  gezien het VN-Verdrag van 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 29 november 1985 inzake fundamentele rechtsbeginselen voor slachtoffers van misdrijven en machtsmisbruik,

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul), en de Besluiten (EU) 2017/865(1) en (EU) 2017/866(2) van de Raad van 11 mei 2017 over de ondertekening, namens de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld,

  gezien Aanbeveling CM/Rec(2006)8 van het Comité van ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten van 14 juni 2006 over de hulp aan slachtoffers van misdrijven,

  gezien Aanbeveling CM/Rec(2010)5 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten van 31 maart 2010 inzake maatregelen ter bestrijding van discriminatie wegens seksuele geaardheid of genderidentiteit,

–  gezien het Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure,

–  gezien de conclusies van de Raad van 6 december 2013 over de bestrijding van haatmisdrijven in de EU en van 5 juni 2014 over de preventie en bestrijding van alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes, met inbegrip van vrouwelijke genitale verminking,

–  gezien Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad en tot wijziging van Besluit 2005/671/JBZ van de Raad(3),

  gezien Richtlijn (EU) 2016/800 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 606/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de wederzijdse erkenning van beschermingsmaatregelen in burgerlijke zaken(5),

–  gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ(6),

–  gezien Richtlijn 2011/99/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende het Europees beschermingsbevel(7),

–  gezien Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad(8),

  gezien Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad(9),

–  gezien zijn resolutie van 14 december 2017 over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie(10),

–  gezien Richtlijn 2014/42/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie(11),

–  gezien Richtlijn 2004/80/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven(12),

–  gezien de studie getiteld "How can the EU and the Member States better help victims of terrorism?", die in september 2017 door de beleidsondersteunende afdeling Rechten van de burger en Constitutionele Zaken van het Parlement werd gepubliceerd,

–  gezien de enquête van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) getiteld "Tweede enquête van de Europese Unie naar minderheden en discriminatie", die in december 2017 werd gepubliceerd,

  gezien de studie van het FRA getiteld "Kindvriendelijke justitie – vooruitzichten en ervaringen van kinderen die bij gerechtelijke procedures betrokken waren als slachtoffer, getuige of partij in negen EU-lidstaten", die in februari 2017 werd gepubliceerd,

  gezien het verslag over de grondrechten 2017 van het FRA, dat in mei 2017 werd gepubliceerd,

–  gezien het verslag over de grondrechten 2016 van het FRA, dat in mei 2016 werd gepubliceerd,

–  gezien de studie van het FRA getiteld "De omvang en aard van de hulpverlening aan slachtoffers van misdrijven in de EU", die in januari 2015 werd gepubliceerd,

  gezien de studie van het FRA getiteld "Ernstige arbeidsuitbuiting: werknemers die zich binnen of naar de Europese Unie verplaatsen", die in juni 2015 werd gepubliceerd,

  gezien het verslag van het FRA getiteld "Geweld tegen vrouwen: een Europese enquête", dat in maart 2014 werd gepubliceerd,

–  gezien het verslag over project IVOR getiteld "Implementing Victim-oriented reform of the criminal justice system in the EU", dat op 6 mei 2016 werd gepubliceerd,

–  gezien het verslag van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) getiteld "An analysis of the Victims' Rights Directive from a gender perspective",

–  gezien de Jogjakarta-beginselen plus 10, die werden vastgesteld op 10 november 2017, over de beginselen en staatsverplichtingen betreffende de toepassing van het internationaal humanitair recht met betrekking tot seksuele gerichtheid, genderidentiteit, genderexpressie en geslachtskenmerken,

  gezien zijn resolutie van 12 september 2017 over het voorstel voor een besluit van de Raad over de sluiting, door de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld(13),

–  gezien de Europese uitvoeringsbeoordeling van Richtlijn 2012/29/EU, opgesteld door de afdeling Evaluatie achteraf van de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement en artikel 1, lid 1, onder e), en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het gezamenlijk overleg van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8‑0168/2018),

A.  overwegende dat Richtlijn 2012/29/EU van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten (de "richtlijn slachtofferrechten") ernaar streeft slachtoffers van misdrijven een centrale plaats te geven in het strafrechtstelsel, en tot doel heeft de rechten van slachtoffers van misdrijven te versterken zodat slachtoffers, ongeacht de lidstaat waar het misdrijf heeft plaatsgevonden, hun nationaliteit of verblijfsstatus, dezelfde rechten genieten;

B.  overwegende dat 23 van de 27 lidstaten de richtlijn slachtofferrechten met ingang van september 2017 hebben omgezet in nationale wetgeving; overwegende dat de Commissie 16 inbreukprocedures heeft ingeleid tegen lidstaten die zich in de praktijk nog steeds niet aan de regels houden; overwegende dat de richtlijn het mogelijk maakt vooruitgang te boeken bij de behandeling van slachtoffers van misdrijven in een andere lidstaat; overwegende dat er in het geval van grensoverschrijdende situaties nog steeds lacunes zijn;

C.  overwegende dat er op EU-niveau geharmoniseerde normen en instrumenten bestaan om het leven van de EU-bevolking te verbeteren, maar dat slachtoffers van misdrijven nog altijd in elk land anders worden behandeld;

D.  overwegende dat in weerwil van de vele wijzigingen die in de lidstaten zijn doorgevoerd, slachtoffers nog vaak niet op de hoogte zijn van hun rechten, waardoor de doeltreffendheid van de richtlijn slachtofferrechten in het veld onderuit wordt gehaald, met name het vereiste van toegang tot informatie;

E.  overwegende dat slachtofferhulpgroepen de behoeften van slachtoffers, naast juridische ondersteuning, in vier categorieën indelen: het recht op gerechtigheid, waardigheid, waarheid en herinnering, waarvan de laatste staat voor het onvoorwaardelijk afkeuren van terrorisme;

F.  overwegende dat in sommige lidstaten sprake is van een gebrek aan slachtofferhulpdiensten en coördinatie tussen deze diensten op lokaal, regionaal, nationaal en internationaal niveau, waardoor de toegang voor slachtoffers tot bestaande hulpdiensten wordt bemoeilijkt;

G.  overwegende dat opvangtehuizen, centra en hulplijnen voor vrouwen essentiële instanties zijn voor de ondersteuning van vrouwelijke slachtoffers van geweld en hun kinderen; overwegende dat er in Europa niet voldoende opvangtehuizen en centra voor vrouwen zijn; overwegende dat er dringend meer opvangtehuizen nodig zijn, aangezien zij veiligheid, accommodatie, psychologische begeleiding en ondersteuning bieden aan vrouwelijke slachtoffers van huiselijk geweld en hun kinderen; overwegende dat het gebrek aan opvangtehuizen voor vrouwen levens in gevaar kan brengen;

H.  overwegende dat in het geval van een terreuraanslag in een andere lidstaat dan waar het slachtoffer woont, de twee lidstaten nauw moeten samenwerken om bijstand aan het slachtoffer te faciliteren;

I.  overwegende dat een doeltreffend en beschermend optreden van overheidsinstanties en nationale instellingen ten behoeve van slachtoffers leidt tot steun en vertrouwen van de burgers jegens deze instanties, hetgeen hun reputatie ten goede komt;

J.  overwegende dat naar alle waarschijnlijkheid tal van verschillende zorgverleners in aanraking komen met slachtoffers, met name slachtoffers van gendergerelateerd geweld, en zij aanvankelijk vaak worden benaderd door het slachtoffer dat aangifte wenst te doen; overwegende dat bewijs aantoont dat werknemers in de gezondheidszorg, zoals dokters en andere clinici, slechts beperkt opleiding hebben gekregen over het effectief omgaan met gendergerelateerd geweld;

K.  overwegende dat vrouwelijke slachtoffers van gendergerelateerd geweld bijzondere bijstand en bescherming nodig hebben vanwege hun specifieke kwetsbaarheid voor secundaire en herhaalde victimisatie;

L.  overwegende dat er in de EU nog steeds stelselmatig te weinig aangifte wordt gedaan van geweldsincidenten of tegen de plegers daarvan, met name in gevallen waarbij minderheden, migranten, mensen met een afhankelijke of precaire verblijfssituatie of LGBTI-personen betrokken zijn of waarin sprake is van antisemitische misdrijven, seksueel misbruik van kinderen, huiselijk en gendergerelateerd geweld of slachtoffers van mensenhandel of dwangarbeid; overwegende dat ongeveer twee derde van de vrouwelijke slachtoffers van gendergerelateerd geweld dit niet aan de autoriteiten meldt vanwege angst voor wraak, schaamte en sociaal stigma;

M.  overwegende dat haatmisdrijven tegen LGBTI-personen overal in de EU voorkomen; overwegende dat er te weinig aangifte van deze misdrijven wordt gedaan en de rechten van slachtoffers dus niet worden geëerbiedigd;

N.  overwegende dat de studie van het FRA getiteld "Making hate crime visible in the European Union: acknowledging victims' rights" heeft uitgewezen dat een status als immigrant het risico vergroot om het slachtoffer van een misdrijf te worden, los van andere gekende risicofactoren;

O.  overwegende dat racistische haatmisdrijven tegen migranten en asielzoekers in EU‑lidstaten zijn toegenomen; overwegende dat zeer weinig plegers van deze haatmisdrijven voor de rechter worden gebracht;

P.  overwegende dat hoewel alle slachtoffers van misdrijven uit hoofde van artikel 1 van de richtlijn gelijke rechten hebben, zonder discriminatie, de meeste lidstaten in werkelijkheid geen beleidsmaatregelen of procedures hebben ingevoerd om te verzekeren dat slachtoffers zonder papieren veilig ernstige arbeidsuitbuiting, gendergerelateerd geweld en andere vormen van misbruik kunnen melden zonder risico te lopen op immigratiesancties; overwegende dat dit onevenredig zware gevolgen heeft voor vrouwen en meisjes, die ook meer worden blootgesteld aan mensenhandel en seksuele uitbuiting; overwegende dat uit de tweede enquête van de Europese Unie naar minderheden en discriminatie van het FRA blijkt dat slechts een op de acht respondenten melding heeft gemaakt van of een aanklacht heeft ingediend over hun meest recente ervaring met discriminatie als gevolg van hun etnische achtergrond of immigratiestatus;

Q.  overwegende dat in artikel 1 van de richtlijn is bepaald dat de in de richtlijn opgenomen rechten jegens slachtoffers op niet‑discriminerende wijze worden toegepast, mede wat hun verblijfsstatus betreft;

R.  overwegende dat de #MeToo-campagne aan het licht heeft gebracht dat het rechtssysteem onvoldoende gerechtigheid en bescherming biedt aan vrouwen en meisjes, en dat de slachtoffers van gendergerelateerd geweld daarom niet de nodige steun krijgen;

S.  overwegende dat de ratificering en de volledige toepassing van het Verdrag van Istanbul zorgt voor een coherent Europese rechtskader om geweld tegen vrouwen te voorkomen en bestrijden en de slachtoffers ervan te beschermen; overwegende dat de definitie van gendergerelateerd geweld gebaseerd moet zijn op het Verdrag van Istanbul en rekening moet houden met de structurele aard van geweld tegen vrouwen en andere vormen van gendergerelateerd geweld en het verband met de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen, die in onze samenleving nog steeds bestaat; overwegende dat geweld in persoonlijke relaties vanuit een genderperspectief moet worden gezien, omdat het vrouwen onevenredig zwaar treft;

T.  overwegende dat de slachtoffers van belaging meestal vrouwen zijn; overwegende dat belaging een breed voorkomende vorm van gendergerelateerd geweld is, maar in zeven lidstaten niet als afzonderlijk misdrijf in het wetboek van strafrecht voorkomt;

U.  overwegende dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de veiligheid en bescherming van vrouwelijke slachtoffers van gendergerelateerd en huiselijk geweld;

V.  overwegende dat slachtoffers maar al te vaak niet goed op de hoogte worden gehouden van gerechtelijke onderzoeken en de resultaten ervan; overwegende dat slachtoffers maar al te vaak onverhoeds uit de media of van andere externe bronnen vernemen dat een dader is vrijgelaten, en niet van de bevoegde autoriteiten;

W.  overwegende dat slachtoffers en gezinsleden onvoldoende worden geïnformeerd over hun rechten wanneer een misdrijf plaatsvindt in een andere lidstaat dan die waarin het slachtoffer verblijft; overwegende dat in de lidstaten verschillende definities van het begrip "slachtoffer" worden gehanteerd; overwegende dat de werkingssfeer van de nationale wetgeving daarom van lidstaat tot lidstaat verschilt (heeft soms bijvoorbeeld ook betrekking op gezinsleden);

X.  overwegende dat goed toegankelijke en breed kenbaar gemaakte hulplijnen voor vele vrouwen de eerste stap vormen naar de hulp en steun die zij nodig hebben wanneer zij in persoonlijke relaties met geweld worden geconfronteerd;

Y.  overwegende dat slechts 27 % van de Europeanen het voor heel Europa geldende alarmnummer 112 kent; overwegende dat nog altijd niet iedereen er toegang toe heeft;

Z.  overwegende dat het slachtoffer in een aanzienlijk aantal gevallen de belangrijkste getuige op het proces is en tegen mogelijke vergelding en dreigend gedrag van de dader moet worden beschermd, onder meer door herhaalde of secundaire victimisatie te voorkomen; overwegende dat getuigenverklaringen cruciaal zijn voor de behoorlijke werking van en het vertrouwen in het strafrechtelijk stelsel en van essentieel belang zijn voor een effectief onderzoek naar en de vervolging van georganiseerde criminele en terroristische groeperingen, met behulp waarvan zij zouden kunnen worden ontmanteld; overwegende dat de lidstaten de nodige maatregelen moeten nemen om getuigen effectief te beschermen en de uitwisseling van beste praktijken en internationale samenwerking op dit gebied te intensiveren;

AA.  overwegende dat er tekortkomingen in de tenuitvoerlegging van de richtlijn slachtofferrechten zijn gemeld, in het bijzonder met betrekking tot:

–  het verstrekken van passende diensten aan slachtoffers overeenkomstig hun specifieke behoeften;

–  het naar behoren uitvoeren van de voorschriften ter waarborging van de individuele beoordeling van slachtoffers;

–  het naar behoren vaststellen van mechanismen om de vermeende dader een kopie van de aangifte ter hand te stellen;

–  het waarborgen van gelijke toegang tot slachtofferhulporganisaties en gespecialiseerde hulpdiensten voor alle slachtoffers, met inbegrip van mensen met een handicap, LGBTI-personen, kindslachtoffers, slachtoffers van gendergerelateerd geweld, waaronder seksueel geweld, en slachtoffers van haatmisdrijven en eergerelateerde misdrijven, ongeacht hun verblijfsstatus;

–  het garanderen van snelle, doeltreffende en slachtofferbewuste procedures in strafzaken, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van de meest kwetsbare groepen personen;

–  het verzamelen van gegevens en het analyseren van de cultuur van geweld, misogynie en genderstereotypes, en het verband daarvan met haatmisdrijven;

–  het verstrekken van informatie aan slachtoffers over de strafrechtelijke en procedurele situatie van de dader;

AB.  overwegende dat slachtoffers van misdrijven vaak verklaren dat het gerechtelijk proces op zich ook een soort victimisatie vormt, een secundaire of hervictimisatie; overwegende dat hoe slachtoffers worden behandeld tijdens het proces, en de mate van controle en mogelijkheden tot participatie die zij krijgen, factoren zijn die bepalen hoe slachtoffers het systeem ervaren;

AC.  overwegende dat slachtoffers van terrorisme het slachtoffer zijn geworden van aanslagen die uiteindelijk bedoeld waren om de samenleving of een grotere groep die zij vertegenwoordigen, te schaden; overwegende dat zij bijgevolg behoefte hebben aan speciale aandacht, steun en sociale erkenning, in verband met het specifieke karakter van het misdrijf dat tegen hen is gepleegd;

AD.  overwegende dat bepaalde rechten uit hoofde van de richtlijn slachtofferrechten, zoals het recht op financiële bijstand en compensatie, niet of onvoldoende werden toegekend aan de slachtoffers van de terroristische aanslagen in Brussel in 2016;

Evaluatie van de tenuitvoerlegging van de richtlijn

1.  uit kritiek op het feit dat de Commissie in november 2017 nog geen verslag aan het Parlement en de Raad had voorgelegd over de toepassing van de richtlijn slachtofferrechten, overeenkomstig artikel 29 van de richtlijn; verzoekt de lidstaten samen te werken en alle relevante gegevens en statistieken aan de Commissie te bezorgen met het oog op de vergemakkelijking van haar beoordeling van de tenuitvoerlegging van de richtlijn;

2.  uit kritiek op het feit dat in september 2017, twee jaar nadat de omzetting had moeten plaatsvinden, slechts 23 van de 27 lidstaten de richtlijn slachtofferrechten officieel hadden omgezet, en dat sommige van deze lidstaten slechts ten dele, op bepaalde punten aan de voorschriften voldoen;

3.  wijst op de geslaagde tenuitvoerlegging door sommige lidstaten van bepaalde bepalingen van de richtlijn slachtofferrechten, te weten:

–  het recht op tolk- en vertaaldiensten,

–  het recht te worden gehoord,

–  de bescherming van kindslachtoffers,

–  de rechten van slachtoffers bij het doen van aangifte,

–  het recht op informatie bij het eerste contact met een bevoegde autoriteit;

4.  betreurt evenwel de overige belangrijke tekortkomingen in de tenuitvoerlegging van de richtlijn in vele lidstaten, met name met betrekking tot:

–  de complexe procedures om toegang te krijgen tot hulpdiensten en tekortkomingen in het systeem voor slachtofferhulp, met inbegrip van onvoldoende toegang tot juridische bijstand en compensatie, een gebrek aan financiële steun en coördinatie tussen hulpdiensten, en inconsistente verwijzingsmechanismen,

–  het feit dat er vaak slechts in één taal begrijpelijke informatie wordt verstrekt, waardoor het in de praktijk moeilijk is voor slachtoffers om bescherming te zoeken in het buitenland, in een andere lidstaat,

–  het gebrek aan juridisch houvast in grensoverschrijdende zaken en de rechten van in een andere lidstaat wonende slachtoffers, en het ontbreken van maatregelen om te verzekeren dat de afwezigheid van of onzekerheid van hun verblijfsstatus niet verhindert dat slachtoffers hun rechten uitoefenen uit hoofde van deze richtlijn;

5.  wijst erop dat het onontbeerlijk is dat het eerste contact met het slachtoffer naar behoren verloopt, met name in het geval van gendergerelateerd geweld; merkt evenwel op dat sommige van de meest kwetsbare slachtoffers, zoals minderjarigen en ongeschoolden, gehandicapten of ouderen, evenals migranten (vanwege de taal) en slachtoffers van mensenhandel, moeite hebben om de hun medegedeelde informatie te begrijpen en bijgevolg hun recht op informatie overeenkomstig artikel 4 van de richtlijn niet volledig kunnen uitoefenen, waardoor het nodig is om voor de aanwezigheid van een gekwalificeerd deskundige te zorgen om slachtoffers bij te staan; merkt op dat artikel 4 behoort tot de sterke punten van de richtlijn, aangezien dit slachtoffers helpt om hun recht op de beschikbare steun en bescherming zoals bepaald in de richtlijn uit te oefenen;

6.  vraagt de lidstaten eenvoudige toegang tot de rechter en adequate kosteloze rechtsbijstand te bevorderen, aangezien dit een grote bijdrage levert aan de doorbreking van de stilte en de bevordering van het vertrouwen van het slachtoffer in het strafrechtstelsel, straffeloosheid helpt tegengaan en het slachtoffer in staat stelt een begin te maken met het psychologisch herstel;

7.  spoort alle lidstaten aan het in artikel 4 van de richtlijn slachtofferrechten gewaarborgde recht op informatie op doeltreffende wijze toe te passen ten behoeve van alle slachtoffers en potentiële slachtoffers; onderstreept de noodzaak om de informatiemechanismen in de lidstaten te verbeteren om ervoor te zorgen dat slachtoffers niet alleen op de hoogte zijn van hun rechten maar ook weten tot wie zij zich moeten wenden om van deze rechten gebruik te kunnen maken; herinnert eraan dat de professionals die als eersten hulp bieden aan slachtoffers tevens hun eerste contactpunt voor informatie moeten zijn wat betreft hun rechten en de programma's die zijn ontwikkeld voor situaties waarin slachtoffers zich bevinden; benadrukt dat het niet verstrekken van informatie aan slachtoffers voor, tijdens en na de strafrechtelijke procedure leidt tot een gebrekkige uitoefening van de slachtofferrechten en ontevredenheid over het rechtssysteem, en slachtoffers ontmoedigt om actief te participeren in het strafrechtelijk proces;

8.  betreurt het feit dat te veel lidstaten hebben nagelaten de individuele beoordeling van slachtoffers in hun wetgeving op te nemen, wat leidt tot ondoelmatigheid bij het achterhalen en vaststellen van hun specifieke behoeften, afdoet aan een waardige en respectvolle behandeling van de slachtoffers en belet dat slachtoffers de bescherming wordt geboden die met hun specifieke behoeften overeenkomt;

9.  merkt op dat het feit dat de richtlijn in sommige lidstaten niet is omgezet in nationale wetgeving betekent dat burgers van deze lidstaten gediscrimineerd worden wanneer het gaat om de eerbiediging van hun rechten als Europese burgers;

10.  betreurt dat de richtlijn slachtofferrechten het slachtoffer beperkt in zijn uitoefening van het recht op rechtsbijstand vanwege bepalingen op grond waarvan de lidstaten alleen verplicht zijn rechtsbijstand te verstrekken wanneer het slachtoffer juridisch partij in een strafprocedure is en waarin is vastgelegd dat de voorwaarden of procedureregels inzake de toegang van slachtoffers tot rechtsbijstand door het nationale recht worden bepaald; benadrukt dat deze beperkingen bijzonder bezwaarlijk zijn voor slachtoffers van gendergerelateerd geweld die geen aangifte doen en wier zaken nimmer door de strafrechter zullen worden behandeld;

11.  merkt op dat het bestaan van andere instrumenten die de slachtofferrechten op een soortgelijke manier aanvullen, de coherentie met de richtlijn slachtofferrechten bemoeilijkt;

12.  herinnert eraan dat onderdanen van derde landen en EU-burgers die het slachtoffer zijn geworden van een misdrijf in een andere lidstaat ook gebruik kunnen maken van de rechten, bijstand en bescherming die deze richtlijn biedt, ongeacht hun verblijfsstatus, en dat slachtoffers van een misdrijf dat is gepleegd in een andere lidstaat dan waar zij wonen aangifte kunnen doen bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van hun woonplaats; merkt evenwel op dat dit recht vaak wordt ondermijnd door onzekerheid met betrekking tot de bepalingen inzake extraterritorialiteit van de lidstaten; roept de lidstaten op te verzekeren dat verblijfsstatus geen criterium is voor de volledige uitoefening van slachtofferrechten, en hun nationale voorschriften inzake extraterritorialiteit duidelijker te formuleren; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat slachtoffers van misdrijven die in een andere lidstaat wonen toegang hebben tot hulpdiensten en informatie betreffende hun rechten, en specifieke maatregelen te nemen die in het bijzonder gericht zijn op de rechten van alle slachtoffers op vergoedingen en bij de strafprocedures; verzoekt de lidstaten in dit verband de nodige maatregelen te treffen om de samenwerking tussen hun bevoegde autoriteiten of diensten die gespecialiseerde hulp bieden, te vergemakkelijken zodat slachtoffers daadwerkelijk toegang krijgen tot deze informatie en diensten;

13.  herinnert de lidstaten eraan dat slachtoffers die zich in een irreguliere verblijfssituatie bevinden ook toegang moeten hebben tot rechten en diensten, met inbegrip van opvangtehuizen en andere gespecialiseerde diensten uit hoofde van deze richtlijn, zoals juridische bescherming en psychosociale en financiële steun van de lidstaten, zonder angst om te worden uitgezet; verzoekt de lidstaten maatregelen te nemen om te verzekeren dat deze rechten en diensten zonder discriminatie beschikbaar worden gesteld; is ingenomen met de maatregelen van sommige lidstaten om slachtoffers zonder papieren op humanitaire gronden of voor de duur van het strafproces een verblijfsvergunning toe te kennen, wat slachtoffers kan aanmoedigen misdrijven aan te geven en het klimaat van straffeloosheid tegen te gaan; moedigt de lidstaten aan om wetgeving in te voeren waardoor slachtoffers die een afhankelijke verblijfsstatus hebben een uitweg kunnen vinden uit situaties van misbruik, door hun de mogelijkheid te bieden een onafhankelijke verblijfsstatus te verkrijgen; dringt er bij de Commissie om aan om de uitwisseling en beoordeling van bestaande praktijken, die rekening houden met het standpunt van slachtoffers en maatschappelijke organisaties, in de lidstaten mogelijk te maken en te faciliteren;

Aanbevelingen

Individuele beoordeling

14.  herinnert eraan dat de richtlijn slachtofferrechten als een van de belangrijkste doelstellingen heeft de positie van slachtoffers van misdrijven in de gehele EU te verbeteren en slachtoffers een centrale plaats in het strafrechtstelsel te geven;

15.  roept de lidstaten op om de rechten van slachtoffers van haatmisdrijven, onder andere tegen LGBTI-personen of met racistische motieven, te versterken;

16.  wijst erop dat individuele beoordelingen van het grootste belang zijn omdat zij slachtoffers mondiger maken door hen erop te wijzen dat zij bepaalde rechten hebben, waaronder het recht beslissingen te nemen, in de gerechtelijke procedures waarbij zij betrokken zijn en, wanneer het kinderen betreft, het recht op toegang tot specifieke procedurele waarborgen die op hen van toepassing zijn vanaf het begin van de gerechtelijke procedure; verzoekt de lidstaten om tijdige individuele beoordelingen van de slachtoffers naar behoren in hun wetgeving op te nemen, indien nodig ook tijdens hun eerste contact met een bevoegde autoriteit, als een essentiële procedurele stap om de specifieke behoeften van een slachtoffer te erkennen en vast te stellen, om vervolgens specifieke bescherming te verlenen overeenkomstig die behoeften, en om secundaire en herhaalde victimisatie, intimidatie en vergelding te voorkomen; benadrukt dat individuele beoordelingen regelmatig moeten worden herzien om de actuele behoefte aan steun te bepalen, en dat slachtoffers een follow-upevaluatie moet worden aangeboden binnen een bepaalde termijn na het misdrijf, op basis van de bestaande kennis over reactie op trauma; benadrukt nogmaals dat individuele beoordelingen met name nodig zijn voor slachtoffers van mensenhandel en kindslachtoffers van seksueel misbruik, gezien de sociale, fysieke en psychologische effecten van deze misdrijven; herinnert eraan dat alle individuele beoordelingen gendergevoelig moeten zijn, aangezien vrouwen en LGBTI-slachtoffers van gendergerelateerd geweld bijzondere aandacht en bescherming nodig hebben vanwege een groot risico op herhaalde victimisatie, en dat er dus voor specifieke maatregelen en gespecialiseerde hulp moet worden gezorgd;

Slachtofferhulpdiensten

17.  betreurt dat slachtoffers moeilijk toegang tot hulpdiensten krijgen; betreurt het feit dat in sommige lidstaten nog steeds geen slachtofferhulpdiensten zijn opgezet; benadrukt dat slachtofferhulpdiensten en slachtofferrechten moeten worden verleend aan alle slachtoffers in de hele EU en ook toegankelijk moeten zijn wanneer een persoon nog niet aangetoond heeft dat hij of zij het slachtoffer van een misdrijf is, zelfs wanneer nog geen officiële procedure werd opgestart of nog niet officieel werd opgetreden; roept de lidstaten op om te voorzien in vrouwenopvangtehuizen en vrouwencentra en hun aantal en toegankelijkheid te verbeteren, de vrouwelijke slachtoffers van alle vormen van gendergerelateerd geweld bij te staan en ervoor te zorgen dat vrouwelijke overlevers van geweld altijd een plaats krijgen; dringt erop aan dat de diensten worden uitgebreid om beter te kunnen beantwoorden aan de behoeften van alle vrouwen, in het bijzonder vrouwen met een handicap en migrantenvrouwen, met inbegrip van migrantenvrouwen zonder papieren; benadrukt dat dergelijke diensten ook niet‑residentiële gespecialiseerde steun moeten omvatten, zoals informatie en advies, begeleiding in de rechtbank en outreachdiensten; is van mening dat vrouwenopvangtehuizen alle vrouwen moeten helpen die geconfronteerd worden met geweld in persoonlijke relaties, en dat ze 24 uur op 24 en 7 dagen op 7 kosteloos beschikbaar moeten zijn voor vrouwen en hun kinderen, zodat vrouwen zich veilig kunnen voelen en gendergerelateerd kunnen melden;

18.  roept de lidstaten op bijzondere aandacht te schenken aan de individuele beoordeling van kinderen en de kindslachtoffers van elke vorm van criminaliteit, met name mensenhandel, onder meer met het oog op seksuele uitbuiting, van gendergerelateerd geweld en van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting; herinnert eraan dat kindslachtoffers altijd in aanmerking zullen komen om specifieke bescherming te krijgen vanwege hun kwetsbaarheid, zoals bepaald in artikel 22, lid 4, van de richtlijn; benadrukt dat naar behoren rekening moet worden gehouden met de kwetsbaarheid van minderjarige slachtoffers;

Opleiding

19.  benadrukt dat het waarborgen van voortgezette opleidingen op EU-niveau van zeer groot belang is voor de harmonisatie en standaardisatie van de procedures in alle lidstaten en voor het waarborgen van gelijke behandeling van alle Europese burgers;

20.  verzoekt de lidstaten om specifieke opleidingen aan te bieden aan degenen die verantwoordelijk zijn voor het verlenen van steun aan de slachtoffers van terroristische daden en daarvoor de noodzakelijke middelen te verstrekken;

21.  verzoekt de Commissie en de lidstaten genderbewuste opleidingen en richtsnoeren te verstrekken voor alle personen die beroepshalve te maken hebben met de slachtoffers van misdrijven, zoals rechtsbeoefenaren, politiefunctionarissen, openbare aanklagers, rechters, gezondheidswerkers, maatschappelijk werkers en maatschappelijke organisaties; moedigt de lidstaten aan de EU-middelen voor deze doeleinden goed te benutten; verzoekt de lidstaten in het bijzonder te verzekeren dat zij alle verplichtingen met betrekking tot opleidingen voor politieagenten nakomen, zodat zij beter en op een tijdige manier individuele beoordelingen kunnen uitvoeren wanneer er een misdrijf heeft plaatsgevonden; roept de lidstaten op verdere of secundaire victimisatie van slachtoffers van misdrijven te voorkomen en hen van informatie te voorzien over hun rechten en over de diensten en middelen waarvan zij gebruik kunnen maken, teneinde posttraumatische stress te verminderen; benadrukt dat dergelijke opleidingen ook in scholingsprogramma's moeten worden opgenomen, in samenwerking met het maatschappelijk middenveld en ngo's, en dat op gezette tijden verplichte en specifieke opleidingen kunnen worden gegeven aan alle beroepsbeoefenaren die te maken hebben met de slachtoffers van misdrijven, teneinde een benadering te ontwikkelen die aansluit bij de specifieke kenmerken en behoeften van elk type slachtoffer, en beroepsbeoefenaren te helpen geweld te voorkomen en passende steun te bieden aan kwetsbare groepen, zoals kinderen, vrouwelijke slachtoffers van gendergerelateerd geweld, de slachtoffers van mensenhandel, LGBTI-personen en mensen met een handicap; herinnert eraan dat scholing van personeel van wezenlijk belang is om de doelstellingen van de richtlijn te verwezenlijken; is van mening dat dergelijke opleidingen richtsnoeren moeten bevatten over hoe kan worden gewaarborgd dat slachtoffers worden beschermd tegen dwang, misbruik en geweld en dat hun lichamelijke en geestelijke integriteit wordt gerespecteerd; is voorts van mening dat bij alle opleidingssessies de nadruk moet liggen op het beginsel van non‑discriminatie, een hoeksteen van de richtlijn;

22.  herinnert eraan dat kindslachtoffers van misdrijven bijzonder kwetsbaar zijn en dat er bijzondere aandacht moet worden besteed aan het opleiden van beroepskrachten die omgaan met slachtoffers van misdrijven waarbij kinderen betrokken zijn, met name gevallen van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting, waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van de verschillende leeftijdsgroepen; benadrukt dat deze beroepskrachten op een kindvriendelijke manier moeten communiceren;

23.  moedigt de Commissie aan een praktische inhoud te geven aan de internationale dag voor de slachtoffers van terrorisme door ten minste tweemaal per jaar een internationale ontmoeting te organiseren die met name bedoeld is voor het uitwisselen van ervaringen en beste praktijken tussen lokale, regionale en nationale autoriteiten van de lidstaten en het verzamelen van getuigenissen van slachtoffers; is van mening dat dit moet bijdragen aan een snelle, uniforme en volledige omzetting van de richtlijn, vroegtijdige opsporing van gemeenschappelijke problemen bij de toepassing, en een procedure voor voortdurende evaluatie van het voorlichtend vermogen ervan en de mate waarin de richtlijn een operationele dimensie toevoegt aan blijken van solidariteit en institutionele en maatschappelijke steun voor slachtoffers;

24.  benadrukt het feit dat gezondheidswerkers cruciaal zijn om slachtoffers van huiselijk geweld te herkennen, aangezien geweld tegen vrouwen in persoonlijke relaties op de lange termijn vaak gevolgen heeft voor zowel de lichamelijke als de geestelijke gezondheid; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat informatie over slachtofferhulpdiensten en slachtofferrechten toegankelijk is voor gezondheidswerkers, en gerichte opleidingen te verstrekken aan een breed scala aan gezondheidswerkers, waaronder huisartsen, spoedartsen, verpleegkundigen, medisch assistenten, klinisch maatschappelijk werkers en receptiepersoneel, teneinde effectief met de slachtoffers te kunnen omgaan, met name in het geval van gendergerelateerd geweld, waardoor zij mogelijke gevallen van misbruik kunnen opsporen en vrouwelijke slachtoffers kunnen aanmoedigen om contact op te nemen met een bevoegde autoriteit;

Grensoverschrijdende dimensie

25.  roept de lidstaten op om in het geval van een ernstig misdrijf – d.w.z. wanneer het heeft geleid tot de dood of ernstige verwonding van het slachtoffer – in een andere lidstaat dan waar het slachtoffer woont financiële en rechtsbijstand te verlenen aan diens gezinsleden, met name wanneer het gezin het niet kan betalen om naar die lidstaat af te reizen om de rechtszaak bij te wonen, het slachtoffer psychologisch te laten ondersteunen of het slachtoffer naar huis te brengen;

26.  dringt er bij de lidstaten op aan dat zij vaart zetten achter de werkzaamheden en de doorgifte van veroordelingen wegens gendergerelateerd geweld in een land, vooral in het geval van internationale huwelijken, bespoedigen, zodat de autoriteiten van de landen van herkomst van de twee huwelijkspartners zo snel mogelijk in actie kunnen komen en voorkomen dat het gezag over de kinderen wordt toegekend aan een vader die in een ander land van gendergerelateerd geweld wordt beschuldigd;

27.  verzoekt de Commissie en de Raad de rechten van slachtoffers verder te ontwikkelen zodat de EU een voortrekkersrol kan spelen bij de bescherming van slachtofferrechten;

Procedurele rechten

28.  benadrukt dat het van groot belang is dat kosteloze rechtsbijstand wordt verleend en er tegelijkertijd voor wordt gezorgd dat de bureaucratische rompslomp voor het slachtoffer zoveel mogelijk wordt beperkt;

29.  roept de lidstaten in het bijzonder op vertrouwelijke en anonieme procedures op te zetten voor het melden van misdrijven, met name in het geval van seksueel misbruik en misbruik van gehandicapten en minderjarigen, teneinde het aantal aangiften te monitoren en te evalueren en ervoor te zorgen dat slachtoffers zonder papieren een klacht kunnen indienen zonder risico op immigratiegerelateerde gevolgen;

30.  vraagt de lidstaten meer strafprocesrechtsmaatregelen in te voeren om de bescherming van kindslachtoffers gedurende de volledige strafprocedure te waarborgen, met inbegrip van de specifieke behoeften van kindslachtoffers van gendergerelateerd geweld, met name wanneer de moeder van het kind is vermoord door hun partner, en te waarborgen dat zij daarna bijstand en sociale en psychologische ondersteuning krijgen, teneinde te voorkomen dat kindslachtoffers worden blootgesteld aan secundaire victimisatie; verzoekt de lidstaten meer specifieke maatregelen te nemen om de rol van nationale hulplijnen te verbeteren met het oog op kindslachtoffers, aangezien de aangiftecijfers door kinderen laag zijn;

31.  verzoekt de lidstaten rekening te houden met significante gevallen van gendergerelateerd geweld, met inbegrip van huiselijk geweld, bij het bepalen van gezags- en bezoekrecht, en is van mening dat de rechten en behoeften van minderjarige getuigen ook in aanmerking moeten worden genomen bij de verlening van bescherming en ondersteuning aan slachtoffers;

32.  herinnert de lidstaten aan de verplichting om kosteloos taalkundige bijstand te verlenen, en merkt op dat een gebrek aan informatie in andere talen een obstakel voor de effectieve bescherming van de slachtoffers en een vorm van discriminatie van hen kan zijn;

33.  vraagt de Commissie en de lidstaten met klem actief deel te nemen aan en nauw samen te werken bij voorlichtingscampagnes om het bewustzijn onder het grote publiek ten aanzien van de rechten van slachtoffers onder het EU-recht te vergroten, met inbegrip van de specifieke behoeften van kindslachtoffers; onderstreept dat deze voorlichtingscampagnes ook op scholen moeten worden gehouden, zodat kinderen op de hoogte zijn van hun rechten en over het nodige gereedschap beschikken om iedere vorm van criminaliteit waarvan zij mogelijk slachtoffer of getuige zijn, te herkennen; verzoekt de Commissie en de lidstaten campagnes op te zetten om vrouwen en LGBTQI-personen aan te moedigen alle vormen van gendergerelateerd geweld aan te geven, zodat zij kunnen worden beschermd en de nodige steun kunnen krijgen;

34.  roept de lidstaten op beste praktijken voor een slachtoffergerichte benadering voor politieagenten in hun dagelijkse werkzaamheden uit te wisselen;

35.  verzoekt de lidstaten actief campagnes op te zetten, zowel op regionaal als op nationaal niveau, om gendergerelateerd geweld en hervictimisatie in justitie en in de media te voorkomen, en een mentaliteitswijziging in de publieke opinie te stimuleren om te voorkomen dat de schuld bij de slachtoffers wordt gelegd, wat kan leiden tot bijkomend trauma voor de slachtoffers van specifieke misdrijven zoals gendergerelateerd geweld of seksueel misbruik; verzoekt de lidstaten de privésector, de IT-sector en de media aan te moedigen hun potentieel zo goed mogelijk te benutten en deel te nemen aan de preventie van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld;

36.  roept de lidstaten op beste praktijken uit te wisselen over het tot stand brengen van mechanismen om slachtoffers aan te moedigen aangifte te doen en het doen van aangifte te vergemakkelijken;

37.  verzoekt de lidstaten specifieke maatregelen te nemen om het in het geval van aanslagen met zeer veel slachtoffers mogelijk te maken dat grote aantallen slachtoffers deelnemen aan strafprocedures;

38.  herinnert de lidstaten eraan dat zij met name aandacht moeten schenken aan het gevaar van intimidatie en vergelding en aan de noodzaak om de waardigheid en fysieke integriteit van slachtoffers te beschermen, ook wanneer deze worden gehoord of moeten getuigen, om vast te stellen of en in hoeverre voor deze personen tijdens de strafrechtelijke procedure beschermingsmaatregelen nodig zijn;

39.  benadrukt hoe belangrijk het is dat slachtoffers op de hoogte worden gehouden van lopende strafprocedures tegen de daders van misdrijven tegen hen, met name wat betreft het opleggen of uitzitten van gevangenisstraffen;

Institutioneel perspectief

40.  verzoekt de Commissie haar rapportageverplichtingen overeenkomstig de richtlijn na te komen;

41.  benadrukt het belang van relevante uitgesplitste vergelijkbare gegevens over alle misdrijven, vooral met betrekking tot geweld tegen vrouwen en mensenhandel, teneinde een beter begrip van het probleem te verzekeren, bewustzijn te creëren en de maatregelen van lidstaten om slachtoffers te ondersteunen te beoordelen en te verbeteren;

42.  vraagt de Commissie de justitiële en praktische fouten in de tenuitvoerlegging van deze richtlijn recht te zetten door ervoor te zorgen dat de diverse EU-instrumenten voor slachtofferbescherming, zoals Richtlijn 2011/99/EU betreffende het Europees beschermingsbevel, Richtlijn 2011/36/EU inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, Richtlijn 2011/92/EU ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en Richtlijn 2014/42/EU betreffende de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie goed op elkaar aansluiten; roept alle lidstaten en de EU op om het Verdrag van Istanbul(14) van de Raad van Europa te ratificeren en volledig toe te passen om geweld tegen vrouwen en meisjes te voorkomen en te bestrijden en deze belangrijke instrumenten op coherente wijze ten uitvoer te leggen zodat slachtoffers in Europa ten volle hun rechten genieten;

43.  verzoekt de Commissie om sectorale onderzoeken op te nemen in haar monitoring en verslaglegging, en om een uniforme toepassing van de richtlijn te verzekeren om alle slachtoffers te beschermen, ongeacht de grond van de victimisatie of specifieke kenmerken, zoals ras, huidskleur, religie, geslacht, genderidentiteit, genderexpressie, seksuele geaardheid, geslachtskenmerken, handicap, migratiestatus of enige andere status;

44.  herinnert eraan dat de gezinsleden van slachtoffers onder de definitie van "slachtoffer" vallen en roept de lidstaten op de term "gezinsleden", evenals andere belangrijke termen, zoals "bijzonder kwetsbaar", ruim op te vatten, teneinde te voorkomen dat de lijst van potentiële rechthebbenden onnodig wordt beperkt;

45.  roept de lidstaten op maatregelen in te voeren om ervoor te zorgen dat de schriftelijke en mondelinge communicatie voldoet aan de normen voor eenvoudig taalgebruik, is aangepast aan minderjarigen en personen met een handicap, en is opgesteld in een taal die het slachtoffer begrijpt, zodat slachtoffers in de aanloop naar, tijdens en na afloop van de strafprocedure op een begrijpelijke, passende en gerichte wijze op de hoogte kunnen worden gehouden van hun rechten;

46.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de uitoefening van rechten is gebonden aan verjaringstermijnen, waarbij rekening wordt gehouden met vertragingen door moeilijkheden bij de vertaling en de vertolking;

47.  roept de zeven lidstaten die dat nog niet hebben gedaan op wetgeving aan te nemen teneinde belaging als misdrijf te definiëren, aangezien het een veelvoorkomende vorm van gendergerelateerd geweld is waarvoor specifieke preventiemaatregelen zijn vereist, zoals gevraagd wordt in artikel 34 van het Verdrag van Istanbul, op basis van de desbetreffende bepalingen van de richtlijn inzake het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, het recht op bescherming en in het bijzonder het recht contact met de dader – of eventueel andere mogelijke daders of handlangers – te vermijden;

48.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat slachtoffers niet ook nog eens te maken krijgen met vernedering en aantasting van hun eer door maatschappelijke groepen rond de oorspronkelijke dader; herhaalt dat dergelijke uitlatingen het slachtoffer nog verder kwetsen en niet mogen worden verdedigd met een beroep op de vrijheid van meningsuiting, zoals bepaald in artikel 10, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens(15);

49.  roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat er na een aanval een alarmnummer beschikbaar is, of – bij voorkeur – dat deze dienst in de diensten van het Europese alarmnummer 112 wordt geïntegreerd, en dat voorzieningen worden getroffen om bijstand in vreemde talen te verlenen; roept alle lidstaten derhalve op artikel 22 van de richtlijn slachtofferrechten in hun wetgeving om te zetten;

50.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat als een slachtoffer van terrorisme geen ingezetene is van de lidstaat waar de daad heeft plaatsgevonden, deze lidstaat moet samenwerken met de woonlidstaat om steun aan het slachtoffer te faciliteren;

51.  vraagt de lidstaten een nationale hulplijn op te zetten die 24 uur op 24 en 7 dagen op 7 open en gratis beschikbaar is, voor vrouwen en LGBTQI-slachtoffers van gendergerelateerd geweld;

52.  roept de lidstaten op bijstand van slachtofferhulporganisaties voor slachtoffers in de aanloop naar, tijdens en na afloop van de strafprocedure, waaronder psychologische ondersteuning te waarborgen; benadrukt dat maatschappelijke organisaties een belangrijke rol hebben bij de hulp voor slachtoffers; is niettemin van mening dat overheden niet alleen op ngo's mogen leunen om belangrijke slachtofferhulp te verlenen ("vrijwilligerswerk"); dringt erop aan dat de lidstaten ervoor zorgen dat er meer financiering en middelen worden vrijgemaakt voor ngo's die actief zijn op het gebied van vrouwen- en slachtofferrechten, en capaciteit moeten opbouwen om mechanismen voor slachtofferhulp te ontwikkelen, met de betrokkenheid van rechtshandhavingsinstanties, sociale en gezondheidsdiensten en maatschappelijke organisaties;

53.  verzoekt de lidstaten om in deskundige ondersteuning voor de slachtoffers van terrorisme te voorzien in hun noodreactieplanning zodat zowel onmiddellijk na een aanslag als op de lange termijn passende ondersteuning kan worden geboden;

54.  verzoekt de lidstaten specifieke maatregelen vast te leggen om ervoor te zorgen dat informatie wordt verstrekt aan slachtoffers die niet vast verblijven op het grondgebied van de lidstaat waar de terroristische aanslag heeft plaatsgevonden; is van oordeel dat deze maatregelen in het bijzonder aandacht moeten hebben voor de rechten van slachtoffers die in een andere lidstaat wonen bij de strafprocedures en hun recht op vergoedingen;

55.  roept alle lidstaten op straffeloosheid te allen tijde te bestrijden en ervoor te zorgen dat de daders voor het gerecht worden gebracht, zodat de slachtoffers zich beschermd kunnen voelen; roept alle lidstaten bovendien op sectoroverschrijdend te werk te gaan om de systemische factoren die bijdragen aan herhaalde victimisatie van personen in kwetsbare situaties en/of die met hoge discriminatieniveaus te maken krijgen, vast te stellen en aan te pakken, aangezien niets doen ernstige gevolgen kan hebben voor het psychologisch herstel van het slachtoffer;

56.  verzoekt de lidstaten rechtsmechanismen op te zetten voor de strafbaarstelling van de verheerlijking van een specifieke terroristische daad als deze verheerlijking de slachtoffers vernedert en kan leiden tot secundaire victimisatie door de waardigheid en het herstel van de slachtoffers te beschadigen;

57.  is van mening dat de slachtoffers van terrorisme een centrale plaats in de Europese samenleving moeten krijgen, als symbool van de verdediging van democratisch pluralisme; dringt daartoe aan op conferenties, gedenktekens en audiovisueel materiaal om de Europese burgers bewust te maken van een en ander, alsmede op een Europees register van slachtoffers, voor administratieve doeleinden;

58.  vraagt de lidstaten te zorgen voor een betere bescherming van slachtoffers van gendergerelateerd geweld, met inbegrip van seksueel geweld, als een manier om de toegang tot justitie en de doeltreffendheid van strafrechtprocedures te verbeteren;

59.  wijst op de specifieke kenmerken van de slachtoffers van terrorisme, die een aparte categorie vormen en specifieke behoeften hebben; verzoekt de Commissie een specifieke richtlijn inzake de bescherming van slachtoffers van terrorisme op te stellen;

60.  roept de lidstaten op om hulpdiensten, zoals traumazorg en counseling, en toegang tot de nodige gezondheidszorg, met inbegrip van seksuele en reproductieve gezondheidsdiensten, als onderdeel van gerichte ondersteuning voor slachtoffers met specifieke behoeften, zoals kinderen, vrouwelijke slachtoffers van gendergerelateerd geweld, slachtoffers van mensenhandel, LGBTI-mensen en personen met een handicap, te waarborgen;

61.  roept de lidstaten op passende mechanismen voor kwaliteitscontrole vast te stellen om te evalueren of zij hebben voldaan aan de voorschriften voor genderbewuste en vrouw- en kindvriendelijke normen ten aanzien van de door slachtofferhulporganisaties getroffen voorzieningen ter aanmoediging van het doen van aangifte en ter bescherming van slachtoffers;

62.  roept de lidstaten op slachtoffers bij te staan bij de afhandeling van juridische, financiële en praktische zaken en de beheersing van het risico op verdere victimisatie;

63.  verzoekt de Commissie het potentiële gebruik van het door de EU gefinancierde project "InfoVictims" te benadrukken als een instrument om slachtoffers te informeren over strafrechtprocedures door verschillende communicatiemethoden te gebruiken, zoals brochures en posters, en om hen te bereiken; is van oordeel dat dit project het delen van goede praktijken voor het informeren van de slachtoffers van misdrijven verbetert;

64.  roept de lidstaten op gecoördineerde mechanismen op te zetten voor het verzamelen van informatie over de slachtoffers van terreuraanslagen op hun grondgebied en, door het uitwerken en instellen van "één-loket"-regelingen, slachtoffers een internetportaal en een telefoonnummer of ander communicatiemiddel voor noodsituaties te bieden, zoals e-mail of multimedia-boodschappentools, die toegang geven tot veilige, persoonlijke, specifieke en relevante informatie die is afgestemd op de behoeften van slachtoffers, met een vertrouwelijke, kosteloze en laagdrempelige hulpdienst; benadrukt dat deze hulpdienst hulp en ondersteuning moet kunnen bieden aan de slachtoffers van terrorisme, al naargelang hun specifieke behoeften, zoals emotionele en psychologische steun, evenals advies en informatie over juridische, praktische en financiële kwesties, en slachtoffers moet kunnen helpen contact te leggen met de verschillende administratieve diensten en hen zo nodig hierbij te vertegenwoordigen in de onmiddellijke nasleep van de aanslag en tijdens de strafprocedure, alsook hulp moet kunnen bieden bij de nationale procedures inzake schadevergoeding;

65.  vraagt de lidstaten passende maatregelen te treffen om, voor zover mogelijk, inbreuken op het privéleven van slachtoffers en hun gezinsleden te voorkomen, in het bijzonder met betrekking tot onderzoeksactiviteiten en tijdens juridische procedures;

66.  vraagt de Commissie om het huidige e-justitieportaal om te vormen tot een gebruiksvriendelijker platform dat beknopte en gemakkelijk te begrijpen informatie verstrekt om slachtoffers te informeren over hun rechten en de door hen te volgen procedures;

67.  vraagt de lidstaten om, in volledige eerbiediging van de vrijheid van meningsuiting, contact te onderhouden met de media en journalisten om in de nasleep van een terroristische aanval maatregelen van zelfregulering aan te nemen, teneinde de bescherming van het privéleven van slachtoffers en hun gezinsleden te garanderen, en bovendien het belang te erkennen van samenwerking met gespecialiseerde diensten voor slachtofferhulp en -ondersteuning om hen te helpen omgaan met de media-aandacht die zij krijgen;

68.  roept de lidstaten op coördinatiemechanismen op te zetten om te zorgen voor een doeltreffende overgang van ondersteuning voor slachtoffers, van onmiddellijke genderbewuste zorg in de nasleep van een misdrijf naar de bijstand die zij op lange termijn nodig hebben; merkt op dat de lokale en regionale autoriteiten die normaliter de meeste diensten leveren die slachtoffers nodig hebben, in alle fasen van de planning, besluitvorming en tenuitvoerlegging moeten worden betrokken; benadrukt dat dergelijke mechanismen met name moeten waarborgen dat slachtoffers worden doorverwezen naar langdurige hulp, waarbij verschillende organisaties in de verschillende fasen ondersteuning bieden; is van mening dat deze mechanismen tevens over de landsgrenzen heen werkzaam moeten zijn om slachtofferhulp te bieden, en het recht op informatie, hulp en schadeloosstelling ten behoeve van het slachtoffer moeten waarborgen, wanneer het misdrijf heeft plaatsgevonden in een andere lidstaat dan waar het slachtoffer woont;

69.  verzoekt de lidstaten om in geval van een terroristische aanslag een coördinatiecentrum op te zetten om organisaties en deskundigen met de nodige expertise samen te brengen om informatie en steun te geven en praktische diensten te verlenen aan de slachtoffers en hun gezinnen en familieleden; benadrukt dat deze diensten vertrouwelijk, gratis en makkelijk toegankelijk voor alle slachtoffers van terrorisme moeten zijn en met name het volgende moeten omvatten:

a)  gespecialiseerde emotionele en psychologische ondersteuning, zoals traumazorg en counseling, volgens de specifieke behoeften van de slachtoffers van terrorisme;

b)  diensten voor beroepsrevalidatie om slachtoffers te helpen die letsel hebben opgelopen en nadeel ondervinden bij het zoeken naar een nieuwe baan of bij het veranderen van baan;

c)  het vergemakkelijken van veilige virtuele verbindingen tussen slachtoffers en andere slachtoffers en organisaties voor slachtofferhulp;

d)  gemeenschapsgerichte ondersteuningsdiensten;

e)  diensten om familieleden op de hoogte te brengen van de identificatie van slachtoffers en hun stoffelijk overschot, en voor de repatriëring van het stoffelijk overschot;

70.  betreurt het feit dat het toepassingsgebied van de richtlijn slachtofferrechten, in vergelijking met het Verdrag van Istanbul, beperkter is wat betreft de bescherming van slachtoffers van gendergerelateerd geweld (met inbegrip van mensen die getroffen worden door vrouwelijke genitale verminking); verwelkomt evenwel het sterkere verantwoordingsmechanisme van de richtlijn en benadrukt dat de twee instrumenten samen gepromoot moeten worden om de bescherming van de slachtoffers van gendergerelateerd geweld te maximaliseren;

71.  moedigt de lidstaten aan te voorzien in passend informatiemateriaal en kosteloze juridische bijstand voor de slachtoffers van terrorisme die tevens partij zijn bij strafrechtprocedures, zodat zij een beslissing inzake compensatie kunnen verkrijgen;

72.  verzoekt de Commissie een voorstel voor te leggen voor de oprichting van een Europees fonds voor hulp aan de slachtoffers van terreurdaden;

73.  verzoekt de lidstaten om:

a)  met spoed een vaste, speciale website beschikbaar te stellen waarop alle openbare informatie over de hulpdiensten die beschikbaar zijn na terroristische aanslagen in die lidstaat kan worden geraadpleegd, en die de volgende informatie moet bevatten: de contactgegevens van organisaties die na een terroristische aanslag ondersteuning en informatie bieden aan slachtoffers, familieleden en leden van het publiek, en informatie over de aanslag en de maatregelen die in reactie hierop zijn vastgesteld, waaronder informatie over de zoektocht naar of het in contact komen met vermiste slachtoffers en maatregelen om slachtoffers te helpen naar huis terug te keren, met inbegrip van:

i.  hoe eventuele bij de aanslag verloren eigendom kan worden teruggekregen;

ii.  normale psychologische reacties van slachtoffers op een aanslag en begeleiding van slachtoffers om eventuele negatieve gevolgen te verzachten, en informatie over mogelijk onzichtbaar letsel zoals gehoorverlies;

iii.  informatie over hoe identiteitsdocumenten kunnen worden vervangen;

iv.  informatie over hoe financiële bijstand, vergoedingen of door de regering verstrekte voordelen kunnen worden verkregen;

v.  informatie over de specifieke rechten van de slachtoffers van terrorisme en hun gezinsleden, met inbegrip van rechten binnen strafrechtelijke procedures, als bepaald in de richtlijn slachtofferrechten;

vi.  alle andere informatie die nodig wordt geacht om slachtoffers te kunnen informeren over hun rechten, hun veiligheid of de diensten waarop zij een beroep kunnen doen;

b)  een website waartoe alleen de slachtoffers van terroristische aanslagen en hun familieleden toegang hebben, waarop zij informatie kunnen raadplegen die niet openbaar beschikbaar is;

c)  planning over de wijze van informeren van gezinsleden over de situatie van de slachtoffers;

d)  uniforme verzameling van informatie over slachtoffers bij alle overheden en organisaties die verantwoordelijk zijn voor de ontvangst, behandeling en ondersteuning van slachtoffers; de informatie moet worden verzameld in overeenstemming met de behoeften van alle organisaties die betrokken zijn bij de reactie op een terroristische aanslag en bij de ondersteuning van de slachtoffers en hun gezinnen;

74.  verzoekt de lidstaten een nationaal netwerk van slachtofferhulpdiensten op te zetten om de samenwerking tussen deze organisaties te verbeteren, en werkgroepen te lanceren om goede praktijken te delen, opleidingen te ontwikkelen en de communicatie tussen de autoriteiten en de slachtoffers van misdrijven te verbeteren;

75.  verzoekt de Commissie een dialoog met de lidstaten aan te gaan met het doel de duidelijke verschillen(16) weg te werken tussen de financiële schadevergoedingen die de afzonderlijke lidstaten aan slachtoffers van terroristische aanslagen toekennen;

76.  benadrukt dat het essentieel is dat de lidstaten op een respectvolle, gevoelige en professionele manier omgaan met slachtoffers van een misdrijf, teneinde hen aan te moedigen om bij rechtshandhavingsinstanties of medisch personeel aangifte te doen;

77.  verzoekt de lidstaten met klem ervoor te zorgen dat het alarmnummer 112 volledig toegankelijk is voor personen met een handicap en dat er campagnes worden opgezet om de bekendheid van het nummer te vergroten;

78.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om zo snel mogelijk een Europese strategie voor te stellen om alle vormen van gendergerelateerd geweld te voorkomen en te bestrijden, met inbegrip van een bindende rechtshandeling die de lidstaten helpt bij de preventie en uitbanning van alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes en van gendergerelateerd geweld; herhaalt zijn verzoek aan de Raad om de overbruggingsclausule toe te passen door een unaniem besluit aan te nemen waarmee geweld tegen vrouwen en meisjes (alsook andere vormen van gendergerelateerd geweld) wordt aangemerkt als een strafbaar feit uit hoofde van artikel 83, lid 1, VWEU;

79.  vraagt de lidstaten om mechanismen op te zetten om een toereikende compensatie van daders te vorderen;

80.  roept de lidstaten op alle bepalingen van de richtlijn slachtofferrechten op doeltreffende wijze, met voldoende economische en financiële middelen en in nauwe samenwerking met de Commissie en andere relevante partijen, met inbegrip van maatschappelijke organisaties, ten uitvoer te leggen;

81.  verzoekt de Commissie het waarborgen van de persoonlijke veiligheid en de bescherming van alle personen tegen gendergerelateerd en persoonlijk geweld als prioriteit op de Europese veiligheidsagenda te plaatsen;

o

o    o

82.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1)

PB L 131 van 20.5.2017, blz. 11.

(2)

PB L 131 van 20.5.2017, blz. 13.

(3)

PB L 88 van 31.3.2017, blz. 6.

(4)

PB L 132 van 21.5.2016, blz. 1.

(5)

PB L 181 van 29.6.2013, blz. 4.

(6)

PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57.

(7)

PB L 338 van 21.12.2011, blz. 2.

(8)

PB L 101 van 15.4.2011, blz. 1.

(9)

PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1.

(10)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0501.

(11)

PB L 127 van 29.4.2014, blz. 39.

(12)

PB L 261 van 6.8.2004, blz. 15.

(13)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0329.

(14)

Zie de resolutie van het Parlement van 12 september 2017 over de sluiting van het Verdrag van Istanbul.

(15)

Arrest van de Kamer van 16 juli 2009, Féret/België, C-573.

(16)

De financiële schadevergoeding in de diverse lidstaten loopt van het symbolische bedrag van één euro tot 250 000 EUR of meer.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

26.4.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

42

4

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Asim Ademov, Jan Philipp Albrecht, Beatriz Becerra Basterrechea, Malin Björk, Vilija Blinkevičiūtė, Michał Boni, Caterina Chinnici, Anna Maria Corazza Bildt, Rachida Dati, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Cornelia Ernst, Tanja Fajon, Nathalie Griesbeck, Sylvie Guillaume, Monika Hohlmeier, Sophia in ‘t Veld, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Eva Joly, Dietmar Köster, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Barbara Kudrycka, Florent Marcellesi, Louis Michel, Angelika Mlinar, Claude Moraes, Maria Noichl, Ivari Padar, Marijana Petir, Pina Picierno, Judith Sargentini, Branislav Škripek, Michaela Šojdrová, Helga Stevens, Ernest Urtasun, Udo Voigt, Josef Weidenholzer, Kristina Winberg, Anna Záborská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Carlos Coelho, Andrejs Mamikins, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Evelyn Regner, Elissavet Vozemberg-Vrionidi, Julie Ward

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Francisco Assis, Esther Herranz García, Verónica Lope Fontagné, Patricija Šulin


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

42

+

ALDE

Beatriz Becerra Basterrechea, Nathalie Griesbeck, Sophia in 't Veld, Louis Michel, Angelika Mlinar, Maite Pagazaurtundúa Ruiz

EFDD

Kristina Winberg

GUE/NGL

Malin Björk, Cornelia Ernst

PPE

Asim Ademov, Michał Boni, Carlos Coelho, Anna Maria Corazza Bildt, Rachida Dati, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Esther Herranz García, Monika Hohlmeier, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Barbara Kudrycka, Verónica Lope Fontagné, Patricija Šulin, Elissavet Vozemberg-Vrionidi

S&D

Francisco Assis, Vilija Blinkevičiūtė, Caterina Chinnici, Tanja Fajon, Sylvie Guillaume, Dietmar Köster, Andrejs Mamikins, Claude Moraes, Maria Noichl, Ivari Padar, Pina Picierno, Evelyn Regner, Julie Ward, Josef Weidenholzer

VERTS/ALE

Jan Philipp Albrecht, Eva Joly, Florent Marcellesi, Judith Sargentini, Ernest Urtasun

4

-

ECR

Branislav Škripek

PPE

Marijana Petir, Michaela Šojdrová, Anna Záborská

2

0

ECR

Helga Stevens

NI

Udo Voigt

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 22 mei 2018Juridische mededeling