Procedure : 2017/2255(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0169/2018

Ingediende teksten :

A8-0169/2018

Debatten :

PV 13/06/2018 - 22
CRE 13/06/2018 - 22

Stemmingen :

PV 14/06/2018 - 7.4
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0262

VERSLAG     
PDF 339kWORD 69k
14.5.2018
PE 615.438v02-00 A8-0169/2018

over de structurele en financiële obstakels voor de toegang tot cultuur

(2017/2255(INI))

Commissie cultuur en onderwijs

Rapporteur: Bogdan Andrzej Zdrojewski

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de structurele en financiële obstakels voor de toegang tot cultuur

(2017/2255(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 27 van de Universele Verklaring inzake de rechten van de mens,

  gezien artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten,

  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name de artikelen 22 en 25,

–  gezien zijn resolutie van 12 mei 2011 getiteld "Het potentieel van de culturele en creatieve industrieën vrijmaken"(1),

–  gezien zijn resolutie van 12 september 2013 getiteld "Bevordering van de Europese culturele en creatieve sector als bron voor groei en banen"(2),

–  gezien zijn resolutie van 30 november 2016 over een coherent EU-beleid voor de culturele en creatieve sector(3),

–  gezien zijn resolutie van 10 april 2008 over de culturele industrieën in Europa(4),

–  gezien zijn resolutie van 7 juni 2007 over de sociale status van kunstenaars(5),

–  gezien zijn resolutie van 12 mei 2011 over de culturele dimensies van het externe optreden van de EU(6),

–  gezien zijn resolutie van 20 februari 2004 over de rol van de school en het schoolonderricht bij de toegang tot de cultuur voor een zo groot mogelijk aantal burgers(7),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 getiteld "Naar een akte voor een digitale interne markt"(8),

–  gezien zijn resolutie van 8 september 2015 getiteld "Naar een geïntegreerde aanpak van cultureel erfgoed voor Europa"(9),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 over de rol van interculturele dialoog, culturele diversiteit en onderwijs bij het uitdragen van de fundamentele waarden van de EU(10),

–  gezien zijn resolutie van 10 april 2008 over een Europese agenda voor cultuur in het licht van de mondialisering(11),

–  gezien zijn resolutie van 12 september 2013 getiteld "Bevordering van de Europese culturele en creatieve sector als bron voor groei en banen"(12),

–  gezien zijn resolutie van 13 december 2016 over een coherent EU-beleid voor de culturele en creatieve sector(13),

–  gezien zijn resolutie van 1 juni 2017 over btw-tarieven op boeken, kranten en tijdschriften(14),

–  gezien zijn resolutie van 10 april 2008 over de culturele industrieën in Europa(15),

–  gezien zijn resolutie van 5 mei 2010 getiteld "Europeana" – volgende stappen"(16),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2011 over mobiliteit en inclusie van mensen met een handicap en de Europese strategie voor mensen met een handicap 2010-2020(17),

–  gezien zijn resolutie van 30 november 2017 over de tenuitvoerlegging van de Europese strategie inzake handicaps(18),

–  gezien zijn resolutie van 2 maart 2017 over de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 1295/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van het programma Creatief Europa (2014 - 2020) en tot intrekking van de Besluiten nr. 1718/2006/EG, nr. 1855/2006/EG en nr. 1041/2009/EG(19),

  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD), met name artikel 30 over deelname aan het culturele leven, recreatie, vrijetijdsbesteding en sport,

  gezien doelstelling 11 van de in september 2015 ondertekende VN-Agenda 2030, waarin wordt voorgesteld dat steden en menselijke nederzettingen inclusief, veilig, robuust en duurzaam worden gemaakt,

–  gezien het Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen, dat op 20 oktober 2005 door de Organisatie van de Verenigde Naties voor onderwijs, wetenschap en cultuur (Unesco) is aangenomen,

–  gezien de Kaderconventie van de Raad van Europa van 27 oktober 2005 over de waarde van cultureel erfgoed voor de samenleving (Conventie van Faro),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1295/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van het programma Creatief Europa (2014-2020) en tot intrekking van de Besluiten nr. 1718/2006/EG, nr. 1855/2006/EG en nr. 1041/2009/EG(20),

–  gezien de resolutie van de Raad van 16 november 2007 over een Europese agenda voor cultuur,

–  gezien de conclusies van de Raad van 23 december 2014 over een werkplan voor cultuur (2015-2018)(21),

–  gezien het EU-werkplan voor cultuur voor de periode 2015-2018,

–  gezien de conclusies van de Raad van 27 mei 2015 over culturele en creatieve kruisbestuiving ter stimulering van innovatie, economische duurzaamheid en sociale inclusie,

–  gezien de conclusies van de Raad van 31 mei 2016 over de rol van Europeana voor de digitale toegang tot, de zichtbaarheid en het gebruik van Europees cultureel erfgoed,

–  gezien de resolutie van de Raad van 6 mei 2003 over de toegankelijkheid van de culturele infrastructuur en van culturele activiteiten voor mensen met een handicap,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie van 8 juni 2016 aan het Europees Parlement en de Raad getiteld "Naar een EU-strategie voor internationale culturele betrekkingen" (JOIN(2016)0029),

–  gezien het verslag van de Commissie over de uitvoering van de Europese agenda voor cultuur (COM(2010) 390),

–  gezien het groenboek van de Commissie van 27 april 2010 getiteld "Het potentieel van culturele en creatieve industrieën vrijmaken" (COM(2010) 183),

–  gezien het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende een Europees jaar van het cultureel erfgoed (2018) (COM(2016) 543),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 september 2012 getiteld "Steun aan culturele en creatieve sectoren ten behoeve van groei en banen in de EU" (COM(2012) 537),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 december 2012 inzake de inhoud in de interne digitale markt (COM(2012) 789),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 september 2012 getiteld "Naar een geïntegreerde aanpak van cultureel erfgoed voor Europa" (COM(2014) 477),

–  gezien het verslag van 2012 van de werkgroep van deskundigen van de EU-lidstaten inzake toegang tot cultuur,

–  gezien de resultaten van de Eurobarometerenquêtes nr. 399 over de toegang tot en de deelname aan cultuur en nr. 466 over het cultureel erfgoed,

–  gezien de resultaten van door Eurostat verrichte statistische enquêtes (cultuurstatistieken) voor 2016,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0169/2018),

A.  overwegende dat in artikel 27 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de VN wordt bepaald dat een ieder het recht heeft vrijelijk deel te nemen aan het culturele leven van de gemeenschap, te genieten van kunst en deel te hebben aan wetenschappelijke vooruitgang en de vruchten daarvan, en dat de toegang tot cultuur en mogelijkheden voor creatieve expressie van belang zijn voor het bestaan van een democratische samenleving die gebaseerd is op vrijheid van meningsuiting en gelijkheid;

B.  overwegende dat in de Conventie van Faro het recht op cultureel erfgoed wordt erkend en wordt opgeroepen tot de ontwikkeling van innovatieve wijzen om erfgoed zo te beheren dat overheidsinstanties kunnen samenwerken met andere actoren, zoals verenigingen en particulieren;

C.  overwegende dat artikel 22 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie oproept tot eerbiediging van de culturele verscheidenheid, terwijl in artikel 25 het recht van ouderen wordt erkend om deel te nemen aan het culturele leven;

D.  overwegende dat cultuur een grote impact heeft op de bevordering, het begrip en de ontwikkeling van solidariteit tussen Europese en trans-Europese gemeenschappen;

E.  overwegende dat in de grondwet van de meeste EU-lidstaten rechtstreeks of onrechtstreeks wordt verwezen naar cultuur en de toegang daartoe;

F.  overwegende dat de EU cultureel beleid kan aanvullen en aanmoedigen en dat in artikel 167 VWEU wordt bepaald dat de overheden op nationaal, regionaal en lokaal niveau de belangrijkste instanties zijn voor het cultuurbeleid in de EU, in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel;

G.  overwegende dat elke vorm van belemmering van toegang tot en volledige deelname van personen of gemeenschappen aan culturele processen en culturele ecosystemen de ontwikkeling van werkelijk democratische en inclusieve samenlevingen in de weg staat;

H.  overwegende dat cultuur Europese burgers betere mogelijkheden geeft om persoonlijke, sociale, creatieve en interculturele vaardigheden te ontwikkelen;

I.  overwegende dat volgens schattingen van de VN momenteel de helft van de wereldbevolking, oftewel 3,5 miljard mensen, in steden woont; dat in 2030 bijna 60 % van de wereldbevolking in stedelijke gebieden zal wonen; dat het daarom noodzakelijk is strategieën vast te stellen met doeltreffend beleid om de nog bestaande problemen op te lossen en ervoor te zorgen dat er voldoende tijd is om veranderingen door te voeren teneinde werkelijk inclusieve stedelijke ruimten te creëren;

J.  overwegende dat in de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren cultureel bewustzijn en culturele expressie worden gerekend tot de sleutelcompetenties die elk individu nodig heeft voor zijn zelfontplooiing en ontwikkeling, actief burgerschap, sociale integratie en werk(22);

K.  overwegende dat in de mededeling van de Commissie van 10 mei 2007 getiteld "Een Europese agenda voor cultuur in het licht van de mondialisering" (COM(2007) 42) benadrukt wordt dat het noodzakelijk is de toegang tot cultuur en culturele werken en culturele verscheidenheid te promoten;

L.  overwegende dat de toekomst van culturele innovatie in de EU staat of valt met investeringen in creatieve middelen, kennis en talent;

M.  overwegende dat in het in december 2014 door de Raad vastgestelde werkplan voor cultuur (2015-2018) toegankelijke en inclusieve cultuur en bevordering van culturele verscheidenheid als prioriteiten worden aangemerkt;

N.  overwegende dat een van de doelstellingen van de EU en haar lidstaten moet bestaan in de vermindering van de sociale en economische ongelijkheden om een inclusieve samenleving te bevorderen waaraan iedereen kan deelnemen; dat een sterke, dynamische en gediversifieerde culturele sector van fundamenteel belang is voor een inclusieve samenleving;

O.  overwegende dat deelname aan culturele activiteiten een middel is om het gevoel van deel uitmaken van een samenleving te creëren; dat het opbouwen van een sociale identiteit nauw verbonden is met culturele deelname; dat deelname aan culturele activiteiten kan bijdragen tot meer gevoel van eigenwaarde en een betere kwaliteit van het bestaan, met name voor personen die blootstaan aan enige vorm van marginalisatie als gevolg van werkloosheid of ziekte of om andere redenen;

P.  overwegende dat een culturele sector inclusief is als die iedereen dezelfde kansen biedt om deel te nemen en creatieve vaardigheden te ontwikkelen, ongeacht sociaaleconomische, culturele of religieuze achtergrond of een eventuele handicap;

Q.  overwegende dat openbare bibliotheken en culturele instellingen in veel regio's druk bezocht worden en vaak de enige toegangspunten zijn voor informatie en cultuur, vooral in afgelegen of plattelandsgebieden;

R.  overwegende dat nieuwe digitale technologieën van invloed kunnen zijn op het beheer van de culturele sector, de dialoog en het creëren van nieuwe publieksgroepen, alsook op de verspreiding van culturele activiteiten;

S.  overwegende dat nieuwe digitale technologieën en onlineplatforms cruciale kansen bieden om de participatiegraad en de cultureel scheppend werk omhoog te krijgen;

T.  overwegende dat mensen uit derde landen ondervertegenwoordigd zijn op diverse culturele gebieden in de EU; dat dit ook geldt voor personen met een handicap;

U.  overwegende dat in het verslag van de werkgroep van deskundigen van de EU-lidstaten inzake toegang tot cultuur(23) onder toegang wordt verstaan dat nieuwe publieksgroepen in de gelegenheid worden gesteld te profiteren van het beschikbare cultuuraanbod; dat dit impliceert dat er nieuwe publieksgroepen worden bereikt die zo nader kennis kunnen maken met het culturele erfgoed en andere culturele hulpbronnen;

V.  overwegende dat digitale technologieën de wijze hebben veranderd waarop mensen culturele inhoud benaderen, produceren, verspreiden en gebruiken;

W.  overwegende dat het Europeana-platform, dat in 2008 werd gestart, is uitgegroeid tot een gemeenschappelijk Europees cultureel project dat de digitale toegang tot het Europees cultureel erfgoed faciliteert;

X.  overwegende dat het programma Creatief Europa onder meer als specifieke doelstelling heeft nieuwe publieksgroepen te bereiken en de toegang tot culturele en creatieve werken in de Unie en daarbuiten te verbeteren, waarbij de inspanningen met name zijn gericht op kinderen, jongeren, personen met een handicap en ondervertegenwoordigde groepen;

Y.   overwegende dat er op communautair niveau en in de lidstaten initiatieven zijn die tot doel hebben de toegang van personen met een handicap tot de culturele infrastructuur en culturele activiteiten te verbeteren;

Z.  overwegende dat de verschillen tussen de fiscale procedures en systemen in de EU problemen opleveren voor de mobiliteit van kunstenaars en cultuurwerkers in het algemeen, doordat ze buitensporige administratieve rompslomp creëren die vaak niet in verhouding staat tot de werkelijke, bescheiden inkomsten uit hun activiteiten;

AA.  overwegende dat de ontwikkeling van betrouwbare, onderling vergelijkbare en actuele cultuurstatistieken, die de grondslag van een solide cultuurbeleid vormen, een van de transversale prioriteiten vormt van het werkplan voor cultuur 2015-2018, waarin gewezen wordt op het economisch potentieel van de culturele en creatieve sector en de impact ervan op het maatschappelijk welzijn;

AB.  overwegende dat toegang tot kwalitatief onderzoek en vergelijkende gegevensbronnen het mogelijk maakt om de culturele, economische en sociale impact van cultuurbeleid doeltreffend te meten en te analyseren;

AC.  overwegende dat cultuur bijdraagt aan de bevordering van een samenleving die gebaseerd is op kennis en het delen van ervaringen en wereldgeschiedenis;

AD.  overwegende dat er in de EU circa 8,4 miljoen mensen werkzaam zijn in de culturele sector (d.w.z. 3,7 % van de totale beroepsbevolking)(24) en dat hun potentieel in termen van economische groei nog steeds niet volledig wordt benut;

AE.  overwegende dat degenen die trachten via culturele productie bij te dragen aan het tot uiting brengen van hun identiteit en de toegang tot cultuur te verbreden en duurzaam te ontwikkelen, op moeilijkheden en uitdagingen stuiten;

Toegang tot en deelname aan cultuur

1.  benadrukt dat het erkent dat toegang tot cultuur een grondrecht van alle burgers is, overeenkomstig artikel 27 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, waarin deelname aan het culturele leven wordt erkend als een van de fundamentele rechten van de mens; wijst er voorts op dat dit recht is verankerd in de Conventie van Faro, waarin het recht wordt erkend om deel te nemen aan het culturele leven en de rol van cultureel erfgoed in de opbouw van een vreedzame en democratische samenlevingen wordt gepromoot; doet derhalve een beroep op de lidstaten die de conventie hebben ondertekend om meer vaart te zetten achter het ratificatieproces, en de staten die dat nog niet gedaan hebben om de conventie te ondertekenen en zo de unieke kans aan te grijpen die het Europees Jaar van het cultureel erfgoed biedt; 

2.  wijst op het belang van een integrale toepassing van het concept van toegankelijkheid en de waarde daarvan als middel om ervoor te zorgen dat in de breedste en meest volledige zin rekening wordt gehouden met iedereen die gebruik maakt van cultuur en cultuurplaatsen en -initiatieven en dat bijgevolg rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van personen met een handicap, opdat ook zij verzekerd zijn van gelijke kansen, werkelijke sociale inclusie en actieve deelname aan de samenleving;

3.   benadrukt het onmiskenbare belang van een actieve en toegankelijke culturele sector voor de ontwikkeling van een inclusieve samenleving en de versterking van een gemeenschappelijke kern van universele waarden en actief Europees burgerschap, die van fundamenteel belang zijn om burgers in staat te stellen succesvol en zinvol deel te nemen aan het openbare leven, en tegelijkertijd om het cultureel erfgoed van Europa en de ontwikkeling van de Europese culturele en taalkundige diversiteit te bevorderen; verzoekt de lidstaten en de Unie, voor zover deze bevoegd is, de noodzakelijke specifieke maatregelen te treffen om de toegang tot en de deelname aan het culturele leven te waarborgen;

4.  pleit ervoor om van inclusie en verscheidenheid een vast onderdeel te maken van de planning, organisatorische ontwikkeling en aanwerving in de culturele sector op Europees, nationaal en regionaal niveau; spoort de lidstaten ook aan om stelselmatig de maatregelen te monitoren die op de verwezenlijking van dit doel gericht zijn;

5.  herinnert aan de belangrijke rol die de EU vervult bij het bevorderen en vereenvoudigen van een betere coördinatie van het cultuurbeleid op alle niveaus; merkt op dat actoren in de gehele EU alleen op die manier alomvattend en doeltreffend beleid kunnen ontwikkelen om de toegang tot en de deelname aan cultuur te bevorderen, en om cultuur als wezenlijk element van het Europese integratieproject neer te zetten;

6.  beschouwt de toegang tot en de deelname aan cultuur als een transversaal vraagstuk en benadrukt daarom dat het van groot belang is het cultuurbeleid en andere beleidsterreinen, zoals onderwijs-, sociaal, economisch, regionaal, buitenlands, digitaal en mediabeleid, op elkaar af te stemmen;

7.  pleit ervoor dat de lidstaten een op kinderen en jongeren gerichte culturele actiestrategie ontwikkelen;

8.  erkent dat bevordering en verwezenlijking van inclusieve en zinvolle toegang tot cultuur een van de prioriteiten op de politieke agenda is en dringt aan op mainstreaming van aspecten in verband met toegankelijkheid en deelname aan cultuur in andere beleidsterreinen, aangezien dit niet alleen een positieve bijdrage levert aan deze beleidsterreinen, maar ook van invloed is op een sectoroverschrijdende en synergetische samenwerking in de geest van artikel 167 VWEU;

9.  houdt staande dat het compendium van nationaal cultuurbeleid zoals dat door de Raad van Europa en een platform van deskundigen is opgesteld en wordt beheerd, een zeer nuttig instrument is voor cultuurbeleid in Europa en daarbuiten; betreurt echter dat er sinds 2011 weinig vooruitgang is geboekt met betrekking tot het verzamelen en vooral het analyseren van gegevens en beveelt aan dat de Raad overgaat tot een herziening van de huidige inhoud en daarin ook de lokale en regionale niveaus van het cultuurbeleid opneemt;

10.  benadrukt dat er een nauw verband bestaat tussen de begrippen toegang tot en deelname aan cultuur; wijst erop dat strategieën ter versterking van de toegang tot en de deelname aan cultuur moeten worden uitgevoerd door ondervertegenwoordigde groepen in kaart te brengen en initiatieven of programma's op te zetten en uit te voeren die bedoeld zijn om hun deelname te vergroten en bestaande obstakels uit de weg te ruimen;

11.  benadrukt dat het noodzakelijk is gegevens te verzamelen over de deelname van personen met een handicap aan culturele activiteiten;

12.  betreurt dat er nog steeds financiële belemmeringen zijn die de burgers, en met name degenen die tot de meest kansarme groepen behoren, beletten ten volle gebruik te maken van hun fundamentele recht van deelname aan het culturele leven en toegang tot cultuur, en dat dit in de weg staat aan de daadwerkelijke verwezenlijking van dat grondrecht;

13.  wijst er nogmaals op dat het van belang is platforms op te zetten voor het delen en uitwisselen van ervaringen op regionaal, nationaal en Europees niveau;

14.  benadrukt dat het van belang is een hoogwaardig cultuuraanbod te waarborgen voor alle burgers, als basis voor de bevordering van een actief, democratisch en inclusief burgerschap;

Financiële obstakels

15.   benadrukt dat vaste en doorlopende overheidsfinanciering een fundamentele rol speelt bij het waarborgen van een dynamisch cultuurklimaat en een onmisbaar instrument blijft voor de ondersteuning van culturele activiteiten in de EU, zodat die hun economisch potentieel kunnen verwezenlijken, en voor de bevordering van duurzame groei en sociale cohesie en de financiering van cultuurinfrastructuur; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom om in het kader van hun respectieve bevoegdheden een passend deel van hun begroting opzij te zetten voor overheidssteun aan cultuur en hun synergie met het EFRO en andere culturele steunfondsen te versterken, met inbegrip van programma's ter bevordering van onderzoek en innovatie en van de middelen die in het kader van het cohesiebeleid beschikbaar zijn;

16.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat er niet wordt gesnoeid in overheidsfinanciering voor cultuur, ook niet als een lidstaat in de toekomst te maken zou krijgen met economische problemen;

17.   betreurt dat economische recessie doorgaans in de eerste plaats leidt tot bezuinigingen op de overheidsuitgaven voor cultuur en een negatief effect heeft op de begrotingen voor culturele activiteiten;

18.   herinnert eraan dat investeringen in de culturele en creatieve sector een middel zijn om het aanzienlijke en nog steeds ondergewaardeerde potentieel van deze sectoren om culturele diversiteit en sociale innovatie te bevorderen, te benutten en tegelijkertijd duurzame economische welvaart en kwaliteitsbanen te genereren, en wijst erop dat die investeringen ook rechtstreeks van invloed zijn op de ontwikkeling van nieuwe vaardigheden, de digitalisering, het ondernemerschap, de innovatie en de uitwerking van nieuwe bedrijfsmodellen, en dat zij het concurrentievermogen van de Europese culturele en creatieve sectoren vergroten doordat kansen worden benut en nieuwe internationale mogelijkheden, markten en publieksgroepen kunnen worden bereikt; is daarom van mening dat de particuliere sector een cruciale rol speelt als aanvulling op overheidsinvesteringen, en verzoekt de lidstaten te overwegen in hun wetgeving uitvoeringsmaatregelen vast te stellen om belastingvermindering toe te kennen aan particuliere entiteiten die geldelijke steun verlenen ter ondersteuning van cultuur;

19.  wijst erop dat versnippering, een lage toegevoegde waarde en de activiteiten van vele mannelijke en vrouwelijke zelfstandigen in de creatieve sector, activiteiten in het algemeen worden gezien als interessante bezigheden, er niet toe mogen leiden dat de culturele/creatieve industrie een model voor slecht betaald werk of werk met slechte sociale dekking wordt; stelt daarom voor deugdelijke evaluatieprocedures te ontwikkelen voor goed werk in de creatieve sector;

20.  benadrukt dat de toegang van het publiek tot culturele goederen en diensten en de ondersteuning van culturele productie en cultuuruitingen de creatieve economie versterken en aldus bijdragen aan de ontwikkeling van een land;

21.  wijst erop dat er minder gebrek zou zijn aan financiering van culturele bedrijfstakken als er gezorgd zou worden voor fiscale stimulansen voor particuliere sponsoring;

22.  vestigt de aandacht op de problemen in verband met internationale inkomstenbelasting waarmee kunstenaars in heel Europa worden geconfronteerd, en beveelt daarom een standaardmodel aan dat goed is voor werknemers en zelfstandigen en waarmee dubbele belastingheffing voorkomen wordt;

23.  verzoekt om investeringen in micro-ondernemingen om creativiteit en innovatie aan te moedigen en aldus de regionale en lokale ontwikkeling te bevorderen;

24.  benadrukt dat de hoge prijs van cultuurgoederen en -diensten een van de obstakels voor de deelname aan cultuur is die worden genoemd door respondenten van de Eurobarometer- en Eurostatenquêtes(25); beveelt in dit verband ten zeerste aan dat lidstaten en regio's acties ondernemen die gericht zijn op specifieke doelgroepen, met name studenten, grote gezinnen en ouderen, om financiële obstakels die toegang in de weg staan weg te nemen;

25.  benadrukt dat de hoge verzekeringskosten voor tentoonstellingsobjecten en -prestaties medeverantwoordelijk zijn voor de hoge entree- of ticketprijzen voor musea, theaters en kunstgalerijen en het voor kleinere structuren vaak onmogelijk maken hun programma's te ontwikkelen zoals hun publiek en zijzelf dat wensen, een situatie die leidt tot een steeds groetere kloof tussen kleinere structuren in de nabijheid van hun publiek en grotere, internationaal erkende instellingen;

26.  benadrukt de rol die passend begrotingsbeleid voor de culturele en creatieve sector kan spelen bij het verbeteren van de toegang tot en de deelname aan cultuur; merkt evenwel op dat onrechtstreekse steun voor het cultureel erfgoed door invoering van verlaagde btw-tarieven rechtstreekse subsidies niet kan vervangen; pleit voor betere coördinatie van het nationaal cultuurbeleid en de btw-tarieven als middel om deelname aan cultuur te bevorderen;

27.  herinnert eraan dat het van belang is dat de lidstaten bezien of er een coherenter fiscaal beleid kan worden gevoerd ten aanzien van de inkomsten voor cultuurwerkers en kunstenaars die korte tijd in verschillende landen doorbrengen en dus onderworpen kunnen zijn aan regels en administratieve procedures die per optreden, workshop of verblijfplaats verschillen; wijst erop dat een minimum aan harmonisatie ter ondersteuning van de mobiliteit van kunstenaars en cultuurwerkers als een prioriteit moet worden beschouwd om de diversiteit van scheppend werk en cultuur in de hele EU en daarbuiten aan te moedigen in plaats van belemmeringen te creëren in de vorm van administratieve rompslomp die niet in verhouding staat tot de werkelijke inkomsten uit cultureel werk;

28.  moedigt de lidstaten en de overheidsinstellingen aan te investeren in de decentralisatie van culturele activiteiten, hetzij door infrastructuur te bouwen in afgelegen gebieden, hetzij door verschillende tijdelijke culturele evenementen te organiseren; moedigt particuliere culturele instellingen aan ook te investeren in geografische decentralisatie;

29.  is ingenomen met het voorstel tot wijziging van de btw-richtlijn, waarmee de lidstaten in staat worden gesteld voor e-publicaties en gedrukte publicaties hetzelfde btw-tarief te hanteren; is van oordeel dat de verschillende btw-tarieven voor fysieke en elektronische publicaties niet meer van deze tijd zijn en in het digitale tijdperk niet te handhaven zijn; verzoekt de Raad om het desbetreffende voorstel van de Commissie onverwijld goed te keuren;

30.  benadrukt dat een goede balans tussen werk en privéleven belangrijk is voor de toegang tot, het genieten van en de deelname aan culturele activiteiten;

Obstakels en uitdagingen op opleidingsgebied

31.  benadrukt dat het opleidingsniveau een van de belangrijkste factoren is die de deelname aan cultuur beïnvloeden; benadrukt dat een hoger opleidingsniveau leidt tot een toename van de deelname aan culturele evenementen(26); onderstreept dat geesteswetenschappen, het leren van talen in scholen en cultureel onderwijs integraal deel uitmaken van het algemeen onderwijs omdat zij bijdragen tot een vermindering van de sociale ongelijkheid, en dat voor die vakken dus evenveel middelen moeten worden uitgetrokken als voor de exacte vakken;

32.  benadrukt dat kennis een product is van culturele interacties die invloed hebben op en beïnvloed worden door degenen die cultureel gevormd zijn;

33.  moedigt aan tot een interactieve en inclusieve gemeenschapsgerichte aanpak bij het ontwikkelen van cultureel en onderwijsbeleid teneinde de belangstelling voor en deelname aan cultuur te vergroten, het cultureel erfgoed van Europa te promoten en de Europese culturele en taalkundige verscheidenheid te ontwikkelen;

34.  merkt op dat gebrek aan belangstelling een van de obstakels is die door respondenten van de Eurostat- en Eurobarometerenquêtes het vaakst worden genoemd met betrekking tot deelname aan cultuur(27); benadrukt in dit verband dat aan het ondersteunen van de vraag, waaronder wordt begrepen het stimuleren van belangstelling voor en begrip van cultuur door middel van formeel, niet-formeel en informeel onderwijs, voorrang dient te worden gegeven met het oog op de bevordering van de toegang tot en de deelname aan cultuur;

35.  pleit ervoor dat de Europese studentenkaart algemeen wordt ingevoerd en dat gratis toegang tot culturele instellingen in de EU tot de voordelen daarvan gaat behoren;

36.  herinnert aan de fundamentele rol van school en gezin als essentiële plaatsen om jongeren in aanraking te brengen met cultuur en om culturele behoeften en vaardigheden vorm te geven; roept de lidstaten op stappen te ondernemen om culturele en artistieke vorming beter in onderwijsprogramma's te integreren, zowel in het formele als in het informele onderwijs;

37.  benadrukt dat het van belang is dat de lidstaten, in nauwe samenwerking met regionale en lokale instanties en door middel van financiering en/of subsidies, ervoor zorgen dat er muziekles wordt gegeven op openbare scholen;

38.  pleit ervoor dat de lidstaten onderwijs beschouwen als een van de belangrijkste culturele activiteiten, aangezien de bevordering ervan in de eerste plaats betekent dat mensen van de nodige vaardigheden en kennis worden voorzien om hen in staat te stellen kunst te waarderen; herinnert eraan dat belangstelling voor cultuur het doeltreffendst op jonge leeftijd kan worden gewekt en is van oordeel dat cultuur daarom een belangrijker plaats moet innemen in de schoolcurricula en dat er meer personele middelen en materiaal beschikbaar moeten worden gesteld om dit doel te bereiken; wenst dat scholen geld krijgen voor bezoeken aan musea en andere culturele instellingen, aangezien dat niet alleen bevorderlijk is voor de belangstelling van jongeren voor cultuur en de deelname daaraan, maar er ook voor zorgt dat culturele instellingen extra middelen krijgen;

39.  benadrukt het belang van het openbaar onderwijs in het vertrouwd maken van kinderen met de diversiteit van de culturele wereld, zodat wordt bijgedragen aan het ontstaan van nieuwe publieksgroepen en aan de verspreiding van cultuur; benadrukt eveneens dat het van belang is dat verschillende culturele instellingen op lokaal, regionaal en nationaal niveau partnerschappen aangaan met lokale scholen;

40.  spoort de lidstaten en de regionale en plaatselijke autoriteiten aan buitenschoolse culturele onderwijsprogramma's te ondersteunen die voor iedereen bedoeld zijn, en vooral voor kansarme kinderen en jongeren, via programma's die tot doel hebben hen kennis te laten maken met verschillende kunstuitingen of hen te helpen zich meer bewust te worden van het bestaande culturele erfgoed;

41.  benadrukt de belangrijke rol van lokale culturele instellingen, zoals cultuurcentra en bibliotheken, bij het wegnemen van de obstakels voor de toegang tot en de deelname aan cultuur; doet derhalve een beroep op de lidstaten om die cultuurinstellingen actief te ondersteunen;

42.  dringt aan op meer waardering en begrip voor de sociale rol van openbare bibliotheken en culturele gemeenschapsinstellingen, met name in landelijke en afgelegen regio's, een rol die niet alleen tot uiting moet komen in de toewijzing van meer overheidsgeld, maar ook in de vorming van partnerschappen en de verstrekking van passende ict-middelen en personeel met toegang tot opleiding, zodat zij uitgroeien tot instellingen die het leven van de mensen kunnen verbeteren en de plaatselijke ontwikkeling stimuleren;

43.  benadrukt dat de totstandbrenging van partnerschappen van essentieel belang is voor het aantrekken van potentiële publieksgroepen voor artistieke activiteiten en dat dit bijvoorbeeld kan worden bereikt door samenwerking met organisaties die studenten, migranten of mensen met een handicap vertegenwoordigen, zodat er naar behoren rekening wordt gehouden met hun belangen en behoeften;

44.  benadrukt het belang van ondersteuning van initiatieven op nationaal, regionaal en lokaal niveau die contacten, samenwerking en de uitwisseling van ervaringen tussen de traditionele kunsten, de culturele instellingen en verschillende multiculturele of minderheidsorganisaties bevorderen, alsmede tussen de professionele en niet-professionele cultuurtakken;

45.  pleit ervoor dat er een coherente strategie wordt ontwikkeld voor de ondersteuning van door culturele instellingen voorgestelde onderwijsprojecten; benadrukt dat deze projecten bijdragen tot de bewustwording, de culturele vaardigheden en de interculturele kennis, en daarmee als beginpunt fungeren voor de langdurige betrokkenheid van het publiek bij culturele activiteiten;

46.  moedigt de lidstaten aan vrijetijdsprogramma's voor jonge mensen op te zetten in culturele instellingen;

47.  verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te nemen om te zorgen voor een bredere toegang tot culturele instellingen en een alomvattende Europese strategie te ontwikkelen met betrekking tot de toegang tot openbare ruimten, met name in verband met cultuur in het bebouwde stadsmilieu, zoals musea, theaters, bioscopen, bibliotheken, concertzalen, enz.;

48.  verzoekt de lidstaten de invoering van met publieke of private onderwijsnetwerken verbonden studie- of stagebeurzen voor studenten in culturele instellingen of instellingen voor cultuurbeheer aan te moedigen;

Structurele obstakels

49.  vestigt de aandacht op het feit dat de deelname aan cultuur op het platteland om structurele redenen vaak geringer is(28) en benadrukt in dit verband de rol van kleine lokale culturele centra, de vervoersinfrastructuur en steun voor duurzaam cultuurtoerisme bij het bevorderen van de toegang tot culturele instellingen;

50.  benadrukt dat het Europees cultureel erfgoed uniek is in de wereld vanwege zijn verscheidenheid en rijkheid en benadrukt dat cultureel toerisme een enorm potentieel heeft om bij te dragen aan een duurzame economie en aan de bevordering van sociale cohesie en inclusie; verzoekt de lidstaten derhalve hun inspanningen en investeringen op te voeren om een duurzaam langetermijnbeleid op het gebied van cultureel toerisme te ontwikkelen;

51.  dringt erop aan dat er meer geïnvesteerd wordt in de culturele sector om de lokale economie te stimuleren en cultureel toerisme te bevorderen; wijst erop dat cultureel toerisme, in synergie met wetenschap, de primaire sector en ambachtelijke en industriële centra, alsook mobiliteit, doorslaggevende factoren zijn voor de opbouw van een hechter en humanistischer Europa;

52.  pleit voor meer investeringen in de toegang tot cultuur voor de ultraperifere, bergachtige en afgelegen gebieden teneinde gedecentraliseerde culturele mogelijkheden te creëren;

53.  merkt op dat verdere maatregelen nodig zijn om de toegang, zonder technologische of fysieke obstakels, voor personen met een handicap tot een culturele infrastructuurvoorziening en tot culturele activiteiten en media te verbeteren; verzoekt de lidstaten en de Commissie om in het kader van hun respectieve bevoegdheden te blijven streven naar de integratie van personen met een handicap door middel van cultuur, en zich te blijven inspannen om bestaande obstakels weg te nemen;

54.  erkent de noodzaak van participatieve methoden van beheer van cultureel erfgoed op basis van een benadering die gericht is op lokale gemeenschappen, om te weten welke vraag daar bestaat en grotere delen van het publiek te bereiken, waarbij met name rekening wordt gehouden met jongeren, personen met een handicap en ondervertegenwoordigde en achtergestelde groepen;

55.  verzoekt de lidstaten en de culturele instellingen die van hen afhankelijk zijn te zorgen voor een cultureel aanbod dat voor iedereen toegankelijk is, met specifieke maatregelen voor bepaalde bevolkingsgroepen, zoals kinderen en jongeren, ouderen, personen met een handicap, migranten, enz.;

56.  benadrukt dat er door de lidstaten meer moet worden geïnvesteerd in de toepassing van het brailleschrift in een breed scala aan culturele infrastructuurvoorzieningen en technologieën; verzoekt om meer investeringen in de productie van audioboeken, -tijdschriften en -dagbladen en het gebruik van gebarentaal in theaterproducties;

57.  wijst erop dat de obstakels, in de eerste plaats die van fiscale aard, voor de mobiliteit van kunstenaars en andere professionele cultuurwerkers moeten worden weggenomen; benadrukt het belang van deze activiteiten voor de uitbreiding van het cultuuraanbod in Europa; is ingenomen met het programma "Creatief Europa" en de bijdrage daarvan aan de mobiliteit van cultuur en beroepsbeoefenaars in de sector en aan de verspreiding van hoogwaardige culturele evenementen en projecten;

58.  herinnert eraan dat de obstakels voor de toegang tot cultuur duidelijker zichtbaar zijn op lokaal niveau en dat er daarom meer moet worden geïnvesteerd in verschillende projecten op het gebied van culturele mobiliteit teneinde de ontwikkeling en de samenhang van de plaatselijke gemeenschappen mogelijk te maken;

59.  verzoekt de Commissie zich te buigen over de mobiliteit van kunstenaars uit Europa en uit derde landen als middel om vrede te bevorderen, visies uit te wisselen en sociale en culturele stereotypen af te breken;

60.  herinnert eraan dat taalbarrières negatieve gevolgen kunnen hebben voor de vraag naar cultuur, en roept daarom op tot meer meertaligheid in culturele producties;

61.  pleit ervoor dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om het vervoer naar en de toegang tot culturele instellingen te vergemakkelijken voor personen met een handicap of met beperkte mobiliteit;

Digitale obstakels en uitdagingen

62.   is ervan overtuigd dat digitale instrumenten, wanneer ze op de juiste wijze worden toegepast en geïmplementeerd en gepaard gaan met een consistent niveau van digitale vaardigheden, kunnen bijdragen tot het wegwerken van belemmeringen voor de toegang tot cultuur die veroorzaakt worden door factoren zoals ongunstige geografische ligging, sociale achtergrond, handicap, taal en tijd- of geldgebrek; wijst erop dat digitale instrumenten ook een middel kunnen zijn om sociale en mentale obstakels te slechten, zonder dat dit ertoe leidt dat er minder geïnvesteerd wordt in de geografische decentralisatie van culturele activiteiten; is daarom van mening dat in dit verband digitaal onderwijs al van jongs af aan deel moet uitmaken van het leerproces, teneinde voldoende kennis en vaardigheden te ontwikkelen;

63.  beveelt aan dat de Commissie een coherente digitale strategie uitwerkt met betrekking tot culturele infrastructuur en activiteiten, teneinde de capaciteiten daarvan te versterken;

64.  wijst op het probleem van digitale uitsluiting en benadrukt de noodzaak om die te bestrijden; herinnert er in dit verband aan dat digitalisering veronderstelt dat de culturele en onderwijsinstellingen en de afnemers zelf nieuwe competenties, vaardigheden en kennis verwerven; benadrukt met name de noodzaak om capaciteit op te bouwen voor het gebruik van nieuwe digitale technologie bij culturele instellingen en deze aan te passen aan de uitdagingen van technologische verandering;

65.  benadrukt dat de digitalisering en de onlinebeschikbaarheid van cultureel materiaal in Europa dient te geschieden met volledige eerbiediging van de makers en van intellectuele-eigendomsrechten; is van mening dat intellectuele-eigendomsrechten in dit verband geen belemmering mogen vormen voor het algemene openbare doel van bevordering van de toegang tot en verspreiding van creatieve inhoud, informatie en kennis; wijst voorts op de dringende noodzaak van een veilige digitale omgeving in het kader waarvan kunstenaars en ontwerpers naar behoren kunnen worden vergoed voor hun werk, en te zorgen voor een billijke vergoeding voor grensoverschrijdende toegang;

66.  verzoekt de Commissie voorrang te blijven geven aan vernieuwende benaderingen om het publiek te bereiken en te betrekken, onder andere met behulp van nieuwe technologie, in het kader van EU-programma's, in het bijzonder het programma Creatief Europa en de volgende versies daarvan;

67.  verzoekt de lidstaten in hun culturele en digitale strategieën rekening te houden met nieuwe doelgroepen en het ondersteunen van het gebruik van digitale technologieën te ondersteunen om de toegang tot culturele inhoud te vergemakkelijken;

68.  erkent de bijdrage van het Europeana-platform en de instellingen van de lidstaten aan de digitalisering en onlinetoegankelijkheid van culturele inhoud; pleit in verband met het Europees jaar van het cultureel erfgoed voor continue steun en betere middelen voor het project en de bevordering van de toegang van het publiek tot de digitale hulpbronnen en diensten in verband met het cultureel erfgoed; verzoekt om een ingrijpende herziening van de site, zodat die beter voldoet aan geavanceerde technologieën, alsook om een echt communicatiebeleid dat strookt met de rijke inhoud die op de site verzameld is;

69.  beklemtoont de noodzaak van het verzamelen en beheren van cultuurgegevens in het kader van ontvangst via digitale middelen, zodat culturele organisaties een beter inzicht krijgen in de behoeften van de ontvangers en een samenhangende aanpak kunnen ontwikkelen voor het digitale publiek;

70.  wijst erop dat culturele inhoud een sleutelrol speelt wanneer het gaat om de aanvaarding van de desbetreffende nieuwe technologieën door een breder publiek en om de ontwikkeling van de digitale vaardigheden en de mediageletterdheid van de Europese burgers;

o

o  o

71.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

PB C 377 E van 7.12.2012, blz. 142.

(2)

PB C 93 van 9.3.2016, blz. 95.

(3)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0486.

(4)

PB C 247 E van 15.10.2009, blz. 25.

(5)

PB C 125 E van 22.5.2008, blz. 223.

(6)

PB C 377 E van 7.12.2012, blz. 135.

(7)

PB C 98 E van 23.4.2004, blz. 179.

(8)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0009.

(9)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0293.

(10)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0005.

(11)

PB C 247 E van 15.10.2009, blz. 32.

(12)

PB C 93 van 9.3.2016, blz. 95.

(13)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0486.

(14)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0233.

(15)

PB C 247 E van 15.10.2009, blz. 25.

(16)

PB C 81 E van 15.3.2011, blz. 16.

(17)

Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0453.

(18)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0474.

(19)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0062.

(20)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 221.

(21)

PB C 463 van 23.12.2014, blz. 4.

(22)

PB L 394 van 30.12.2006, blz. 10.

(23)

Verslag getiteld "Policies and good practices in the public arts and cultural institutions to promote better access to and wider participation in culture", oktober 2012.

(24)

Eurostat - Culture statistics - cultural employment (2017), http://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php/Culture_statistics_-_cultural_employment

(25)

Eurobarometer 399.

(26)

Eurostat, Cultuurstatistieken, uitgave 2016, blz. 116-136; Eurostat (gegevens van EU-enquête inzake inkomen en levensomstandigheden van 2015 (EU-SILC)).

(27)

Eurobarometer nr. 399, Eurostat (gegevens van EU-enquête inzake inkomen en levensomstandigheden van 2015 (EU-SILC)).

(28)

Eurostat (gegevens van EU-enquête inzake inkomen en levensomstandigheden van 2015 (EU-SILC)).


TOELICHTING

Inleiding

Dit is het eerste uitvoerige verslag van de Commissie cultuur en onderwijs waarin rechtstreeks wordt ingegaan op vraagstukken in verband met de toegang tot cultuur. Volgens de rapporteur vormen de moeilijkheden bij de toegang tot cultuur gezien uit het oogpunt van zowel de landen als de EU als geheel het onderliggende probleem van het cultuurbeleid, en bovenal een belangrijk probleem uit het oogpunt van de burger. Onder verwijzing naar het fundamentele belang van een actieve en toegankelijke culturele sector voor de ontwikkeling van een inclusieve democratische samenleving benadrukt de rapporteur dat de toegang tot cultuur als een van de voornaamste prioriteiten op de beleidsagenda moet worden bevorderd en verbeterd, en dringt hij erop aan dat de toegang tot en de deelname aan cultuur in andere beleidsterreinen wordt geïntegreerd.

Met dit verslag wordt beoogd een sectoroverschrijdende analyse uit te voeren van de bestaande obstakels voor de toegang tot en de deelname aan cultuur. De thematische reikwijdte van het verslag is aanzienlijk ruimer dan de titel doet veronderstellen, aangezien dit niet alleen betrekking op heeft structurele en financiële obstakels voor de toegang, maar ook op sociale en digitale obstakels, en veruit het belangrijkste probleem: obstakels op opleidingsgebied. De onderzochte obstakels bestaan in meerderheid naast elkaar of zijn nauw met elkaar verbonden, wat aangeeft hoe complex het probleem van de toegang tot en de deelname aan cultuur is, en dit sterkt de rapporteur in zijn overtuiging dat dit een transversaal vraagstuk is en dat coördinatie tussen het cultuurbeleid en andere beleidsterreinen geboden is.

Toegang tot cultuur als recht en waarde

Toegang tot cultuur is een van de grondrechten die worden gewaarborgd in talloze wetsteksten: van artikel 27 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, waarin is neergelegd dat een ieder het recht heeft vrijelijk deel te nemen aan het culturele leven van de gemeenschap, te genieten van kunst en deel te hebben aan wetenschappelijke vooruitgang en de vruchten daarvan, tot de grondwet van de meeste EU-landen, waarin rechtstreeks of onrechtstreeks wordt verwezen naar cultuur en de toegang daartoe. De toegang tot en de deelname aan cultuur worden op EU-niveau als prioriteit beschouwd. In het huidige werkplan voor cultuur voor de periode 2015-2018, dat door de Raad in 2014 is aangenomen, is toegankelijke en inclusieve cultuur aangemerkt als topprioriteit.

Obstakels voor de toegang tot en de deelname aan cultuur

De rapporteur benadrukt dat er een nauw verband bestaat tussen de begrippen toegang tot en deelname aan cultuur. Hij is tevens van mening dat strategieën ter versterking van de toegang tot en de deelname aan cultuur moeten worden uitgevoerd door vaststelling van ondervertegenwoordigde groepen en uitwerking en uitvoering van initiatieven of programma's die bedoeld zijn om hun deelname te vergroten en bestaande obstakels uit de weg te ruimen. In dit verband is de rapporteur van oordeel dat het van het allergrootste belang is dat bij de beleidsvorming wordt uitgegaan van bewijsmateriaal dat is verkregen door grootschalig onderzoek naar en het verzamelen van gegevens over obstakels voor de toegang tot cultuur, de deelname aan cultuur en publieksopbouw, en de gevolgen daarvan voor het individu en de samenleving. De rapporteur spreekt zijn waardering uit voor de inspanningen van onder andere Eurostat en ESSnet-Culture op het gebied van cultuurstatistieken, maar wijst er nogmaals op dat actueel statistisch en kwalitatief onderzoek en toegang tot vergelijkende datahulpbronnen een essentiële rol blijven spelen, wil men de culturele, economische en sociale impact van het cultuurbeleid doeltreffend kunnen monitoren en analyseren.

Volgens de rapporteur vormen de bestaande obstakels voor de toegang een beginpunt voor het uitwerken van strategieën om de uitdagingen aan te pakken waarvoor culturele instellingen, de lidstaten en lokale en regionale overheden zich thans gesteld zien, die overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel grotendeels verantwoordelijk zijn voor de beleidsvorming op cultuurgebied. De rapporteur benadrukt evenwel dat de EU een essentiële rol vervult bij het bevorderen en vereenvoudigen van een betere coördinatie van het cultuurbeleid op alle niveaus. De rapporteur is in dit verband ingenomen met de activiteiten in het kader van de open coördinatiemethode (OMC), de voornaamste werkmethode voor samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van het cultuurbeleid. In de context van dit verslag beklemtoont de rapporteur de grote waarde van het verslag dat middels de open coördinatiemethode is opgesteld door de werkgroep van deskundigen van de EU-lidstaten inzake toegang tot cultuur.(1)

Financiële obstakels

De rapporteur wijst erop dat financiële overwegingen stelselmatig tot de voornaamste obstakels voor de toegang tot en de deelname aan cultuur behoren. De rapporteur merkt op dat de hoge prijs van cultuurgoederen en -diensten het op een na grootste obstakel voor de deelname aan cultuur is dat wordt genoemd door respondenten van de speciale Eurobarometer-enquête nr. 399 over de toegang tot en de deelname aan cultuur. Financiële overwegingen werden genoemd als reden voor het niet bezoeken van concerten (25 %), de bioscoop (22 %), de schouwburg (20 %) en opera-, ballet- en dansvoorstellingen (14 %).(2) De rapporteur benadrukt in dit verband dat overheidsgeld het voornaamste instrument voor de financiering van culturele activiteiten blijft en vraagt de Commissie en de lidstaten daarom om, in het kader van hun respectieve bevoegdheden, een voldoende groot deel van hun begroting vrij te maken voor overheidssteun aan cultuur. De rapporteur dringt erop aan de toegang te ondersteunen door middel van kortingen voor bepaalde groepen, maar deelt de mening dat deze maatregelen alleen effectief aan een verhoogde deelname bijdragen als ze deel uitmaken van een bredere strategie en zorgvuldig worden gecoördineerd met het nationale cultuurbeleid. Evenzo wijst de rapporteur er met betrekking tot het fiscaal beleid op dat invoering van verlaagde btw-tarieven rechtstreekse subsidies niet kan vervangen, hoewel hij erkent dat een dergelijke maatregel onmiskenbaar mogelijkheden biedt om de deelname aan en de toegang tot cultuur onrechtstreeks te stimuleren, en dringt hij aan op betere coördinatie van het nationale cultuurbeleid en de btw-tarieven die worden toegepast om de deelname aan cultuur te bevorderen.

Obstakels en uitdagingen op opleidingsgebied

De rapporteur komt tot de slotsom dat vandaag de dag niet het aanbod maar de vraag bepalend is voor de deelname aan cultuur. Volgens recente gegevens van Eurostat over de deelname aan cultuur is niet-deelname aan culturele activiteiten in bijna 40 % van de gevallen te wijten aan een gebrek aan belangstelling en dat is bijzonder verontrustend.(3) De rapporteur is van oordeel dat deze cijfers tekenend zijn voor de obstakels en uitdagingen op opleidingsgebied waarvoor we ons op het vlak van de deelname aan cultuur gesteld zien. De rapporteur beschouwt het opleidingsniveau als een van de belangrijkste factoren en is van oordeel dat dit niet alleen van invloed is op de mate van deelname aan cultuur, maar vooral ook op de kwaliteit van deze deelname. Hij is er sterk van overtuigd dat het ondersteunen van de vraag, d.w.z. het aanwakkeren van belangstelling voor en het bevorderen van begrip van cultuur door middel van onderwijs, van vooraanstaand belang is voor het vergroten van de toegang tot en de deelname aan cultuur. Hij benadrukt in dit verband de fundamentele rol van scholen bij het vormgeven van culturele behoeften en vaardigheden, evenals de essentiële rol van lokale culturele centra en bibliotheken bij het wegnemen van de obstakels voor de toegang tot en de deelname aan cultuur.

Structurele obstakels

Wat de structurele obstakels betreft, vestigt de rapporteur allereerst de aandacht op een obstakel van geografische aard, namelijk de afstand tot centra van het culturele leven, zoals schouwburgen, musea, bibliotheken, culturele centra en bioscopen. Uit Eurobarometer nr. 399 komt naar voren dat mensen die op het platteland of op grote afstand van stedelijke centra wonen minder geneigd zijn deel te nemen aan het culturele leven, in de eerste plaats vanwege een gebrek aan culturele activiteiten en pas daarna vanwege de kosten. Interessant genoeg is het gebrek aan belangstelling voor cultuur onder mensen die op het platteland en in kleine steden wonen vergelijkbaar (38 % respectievelijk 37 %), en verschilt dit niet zo heel erg van het percentage onder mensen die in grote steden wonen (32 %).(4) De rapporteur benadrukt in dit verband dat het belangrijk is de vervoersinfrastructuur en steun voor het cultuurtoerisme te verbeteren ter bevordering van de toegang tot culturele instellingen. De rapporteur is zich tevens bewust van de uitdagingen waarvoor we zijn gesteld wat de verbetering betreft van de toegang van mensen met een handicap tot de culturele infrastructuur, culturele activiteiten en de media. Hij wijst er bovendien op dat we niet voldoende gegevens hebben over de toegang van mensen met een handicap tot culturele instellingen. Noch in Eurobarometer nr. 345 over toegankelijkheid in ruime zin noch in Eurobarometer nr. 399 wordt uitvoerig op dit aspect ingegaan. Wat de uitbreiding van het cultuuraanbod betreft, zij gewezen op de bestaande obstakels voor de mobiliteit van kunstenaars en andere beroepsbeoefenaren op cultureel gebied zelf in Europa.

Digitale obstakels en uitdagingen

De rapporteur benadrukt het belang van direct contact met cultuur en is van oordeel dat digitalisering en onlinetoegang tot culturele inhoud van het allergrootste belang zijn, willen meer mensen toegang hebben tot cultuur en kennis. Hij wijst er tevens op dat door het gebruik van nieuwe technologie voor culturele doeleinden nieuwe, lastig te bereiken of niet-traditionele doelgroepen kunnen worden bereikt. Er zij in dit verband aan herinnerd dat er nieuwe vormen van toegang tot en deelname aan cultuur via internet zijn ontwikkeld, deels als gevolg van het toenemende aantal huishoudens met internettoegang, gezien het feit dat tussen 2010 en 2015 het aandeel EU-huishoudens met internettoegang van 70 % tot 83 % is gestegen.(5) De rapporteur wijst er evenwel op dat deze grote toename tevens onrechtstreeks de aandacht vestigt op het probleem van digitale uitsluiting, dat ook een obstakel vormt voor de toegang tot en de deelname aan cultuur. De rapporteur wijst er in dit verband op dat digitalisering veronderstelt dat de culturele en onderwijsinstellingen en de afnemers zelf nieuwe vaardigheden en kennis verwerven. De rapporteur vestigt met name de aandacht op de noodzaak om het potentieel van nieuwe technologie en digitale mogelijkheden bij culturele instellingen te ontwikkelen en deze aan te passen aan de uitdagingen van technologische verandering. Tot slot benadrukt de rapporteur, in het kader van alle activiteiten in verband met de digitalisering en onlinebeschikbaarheid van cultureel materiaal, dat de rechten van scheppende kunstenaars ten volle geëerbiedigd moeten worden en dat er tegelijkertijd naar moet worden gestreefd dat zo veel mogelijk mensen toegang hebben tot culturele inhoud.

Conclusies

De rapporteur is van oordeel dat vaststelling van en onderzoek naar de hierboven beschreven obstakels van het allergrootste belang zijn voor de vergroting van de toegang tot en de deelname aan cultuur. De rapporteur erkent weliswaar het belang van creativiteit en innovatie als aan cultuur inherente aspecten, maar wijst er tevens op dat het verrichten van artistieke activiteiten door de kunstenaars zelf moet worden vergemakkelijkt en dat burgers toegang moet worden verschaft tot de voortbrengselen van de culturele en creatieve sector. De rapporteur legt sterk de nadruk op het transversale karakter van culturele vraagstukken en hun impact op andere aspecten van het maatschappelijk leven, waaronder het belang van cultuur voor de economische groei. De rapporteur onderkent in dit verband met name dat de nationale overheden van de lidstaten moeten zorgen voor een passende opleiding van kunstenaars en publiek, en de artistieke infrastructuur en het tastbaar cultureel erfgoed moeten beschermen. Door verwezenlijking van de omschreven doelstellingen zal het op lange termijn mogelijk zijn een inclusieve samenleving te ontwikkelen en het actief Europees burgerschap te versterken.

(1)

Verslag met de titel "Policies and good practices in the public arts and cultural institutions to promote better access to and wider participation in culture", oktober 2012.

(2)

Eurobarometer nr. 399.

(3)

Eurostat (gegevens van EU-enquête inzake inkomen en levensomstandigheden van 2015 (EU-SILC)).

(4)

Eurobarometer nr. 399.

(5)

Cultuurstatistieken Eurostat van 2016.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

25.4.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

27

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Isabella Adinolfi, Dominique Bilde, Andrea Bocskor, Angel Dzhambazki, Jill Evans, María Teresa Giménez Barbat, Petra Kammerevert, Curzio Maltese, Stefano Maullu, Momchil Nekov, Yana Toom, Sabine Verheyen, Julie Ward, Bogdan Brunon Wenta, Theodoros Zagorakis, Francis Zammit Dimech, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Milan Zver, Krystyna Łybacka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Eider Gardiazabal Rubial, Elena Gentile, Sylvie Guillaume, Emma McClarkin, Martina Michels, Michel Reimon, Liliana Rodrigues, Remo Sernagiotto


HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

27

+

ALDE

María Teresa Giménez Barbat, Yana Toom

ECR

Angel Dzhambazki, Emma McClarkin, Remo Sernagiotto

EFDD

Isabella Adinolfi

ENF

Dominique Bilde

GUE/NGL

Curzio Maltese, Martina Michels

PPE

Andrea Bocskor, Stefano Maullu, Sabine Verheyen, Bogdan Brunon Wenta, Theodoros Zagorakis, Francis Zammit Dimech, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Milan Zver

S&D

Eider Gardiazabal Rubial, Elena Gentile, Sylvie Guillaume, Petra Kammerevert, Krystyna Łybacka, Momchil Nekov, Liliana Rodrigues, Julie Ward

VERTS/ALE

Jill Evans, Michel Reimon

0

-

 

 

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 30 mei 2018Juridische mededeling