Procedure : 2017/2224(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0173/2018

Ingediende teksten :

A8-0173/2018

Debatten :

PV 11/06/2018 - 18
CRE 11/06/2018 - 18

Stemmingen :

PV 12/06/2018 - 5.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0247

VERSLAG     
PDF 502kWORD 103k
17.5.2018
PE 616.625v02-00 A8-0173/2018

over de modernisering van het onderwijs in de EU

(2017/2224(INI))

Commissie cultuur en onderwijs

Rapporteur: Krystyna Łybacka

Rapporteur voor advies (*):

Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

(*)  Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 54 van het Reglement

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken
 ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de modernisering van het onderwijs in de EU

(2017/2224(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 september 2011 getiteld "Ondersteuning van groei en werkgelegenheid – Een agenda voor de modernisering van de Europese hogeronderwijssystemen" (COM(2011)0567),

–  gezien het recht op onderwijs als gedefinieerd in artikel 14 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 mei 2014 over een doeltreffende lerarenopleiding,

–  gezien artikel 2 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 mei 2014 over kwaliteitsborging in onderwijs en opleiding(1),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren(2),

–  gezien de conclusies van de Raad van 27 mei 2015 over de rol van voor- en vroegschoolse educatie en primair onderwijs bij het bevorderen van creativiteit, innovatie en digitale competentie(3),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 juni 2016 met als titel "Een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa" (COM(2016)0381) en de resolutie van het Parlement van 14 september 2017 over een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa(4),

–  gezien artikel 2 van het Protocol bij het Verdrag van de Raad van Europa tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, over het recht op onderwijs,

–  gezien artikel 2 van Protocol nr. 1 bij het Europees Verdrag inzake de rechten van de mens,

–  gezien Resolutie 1904 (2012) van de Raad van Europa over het recht op keuzevrijheid in het onderwijs,

–  gezien het gezamenlijk verslag 2015 van de Raad en de Commissie over de uitvoering van het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET 2020) getiteld "Nieuwe prioriteiten voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding"(5),

–  Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van "Erasmus+": het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG(6),

–  gezien de Verklaring van Parijs van 17 maart 2015 over de bevordering van burgerschap en de gemeenschappelijke waarden van vrijheid, tolerantie en non‑discriminatie door middel van onderwijs,

–  gezien zijn resolutie van 28 april 2015 over de follow‑up van de tenuitvoerlegging van het Bologna-proces(7),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 juni 2016 getiteld "Een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa – Samenwerken ter versterking van het menselijk kapitaal, de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en het concurrentievermogen" (SDW(2016)0195),

–  gezien zijn resolutie van 2 februari 2017 over de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van "Erasmus+": het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG(8),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 19 december 2016 tot invoering van bijscholingstrajecten: nieuwe mogelijkheden voor volwassenen(9),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 7 december 2016 getiteld "Onderwijs verbeteren en moderniseren" (COM(2016)0941),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 30 mei 2017 getiteld "Een goede start in het leven dankzij ontwikkeling van scholen en uitstekend onderwijs" (COM(2017)0248),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 30 mei 2017 getiteld "Een nieuwe EU‑agenda voor het hoger onderwijs" (COM(2017)0247),

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een aanbeveling van de Raad van 30 mei 2017 over het volgen van afgestudeerden (COM(2017)0249),

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een aanbeveling van de Raad van 30 mei 2017 inzake een Europees kader voor hoogwaardige en doeltreffende leerlingplaatsen (SDW(2017)0322),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 30 november 2017 over de modernisering van scholen en het hoger onderwijs,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 oktober 2017 getiteld "Nieuwe Europese onderwijsstrategie",

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een aanbeveling van de Raad van 17 januari 2018 inzake de bevordering van gemeenschappelijke waarden, inclusief onderwijs en de Europese dimensie van onderwijs (COM(2018)0023),

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een aanbeveling van de Raad van 17 januari 2018 inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren (COM(2018)0024),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren(10),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 17 januari 2018 over het actieplan voor digitaal onderwijs (COM(2018)0022),

–  gezien het eindrapport van de sociale top over eerlijke werkgelegenheid en groei die op 17 november 2017 plaatsvond in Göteborg, Zweden(11),

–  gezien de conclusies van de Raad over "Opvang en onderwijs voor jonge kinderen: de beste voorbereiding van al onze kinderen op de wereld van morgen", die werden aangenomen op de 3 090e vergadering van de Raad over onderwijs, jeugd, cultuur en sport van 19 en 20 mei 2011(12),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 1984 over onderwijsvrijheid in de Europese Gemeenschap(13),

–  gezien het recht op onderwijs als gedefinieerd in artikel 14 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de conclusies van de Raad van 11 mei 2010 over de internationalisering van het hoger onderwijs(14),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie van 8 juni 2016 aan het Europees Parlement en de Raad getiteld "Naar een EU-strategie voor internationale culturele betrekkingen" (JOIN(2016)29) en de resolutie van het Europees Parlement over datzelfde onderwerp van 5 juli 2017(15),

–  gezien artikel 26 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens (UDHR),

–  gezien het Handvest van de Raad van Europa inzake onderwijs op het gebied van democratisch burgerschap en mensenrechten, aangenomen in het kader van Aanbeveling CM/Rec(2010)7,

–  gezien artikel 10 van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen van 1979,

–  gezien strategische doelstelling B van de verklaring en het actieprogramma van Peking (1995),

–  gezien de artikelen 28 en 29 van het Verdrag inzake de rechten van het kind,

–  gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, die in september 2015 werd aangenomen en die op 1 januari 2016 van kracht werd, en met name duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen 4 en 5,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8‑0173/2018),

A.  overwegende dat krachtens artikel 6, onder e), van het VWEU de bevoegdheid op het vlak van onderwijs en opleiding bij de lidstaten berust, maar dat de Europese Unie een cruciale ondersteunende rol heeft bij het formuleren van uitdagingen en doelen en bij de bevordering van het uitwisselen van optimale werkmethoden;

B.  overwegende dat het recht op onderwijs een fundamenteel mensenrecht is en dat onderwijs in alle vormen en op alle niveaus de volgende onderling samenhangende en essentiële kenmerken moet vertonen: a) beschikbaarheid, b) toegankelijkheid, c) aanvaardbaarheid en d) aanpasbaarheid;

C.  overwegende dat de Europese pijler van sociale rechten als belangrijkste prioriteit hoogwaardige en inclusieve voorzieningen voor onderwijs, opleiding en een leven lang leren heeft;

D.  overwegende dat het verwezenlijken van gelijke kansen een belangrijke functie van onderwijs is, en dat toegang tot onderwijs dan ook inclusief moet worden gemaakt; overwegende dat er daarom meer inspanningen nodig zijn om erop toe te zien dat iedereen, vooral de meest kwetsbare personen, zoals gehandicapten, mensen met speciale behoeften en kansarme groepen, dezelfde kansen hebben om onderwijs of een opleiding te volgen en te voltooien en vaardigheden op te doen op elk niveau;

E.  overwegende dat Europese onderwijssystemen een enorme rijkdom aan culturele, sociale en taalkundige verscheidenheid vertonen en dat de lidstaten gelijkaardige onderwijsdoelstellingen en -uitdagingen hebben, waaronder het garanderen van gelijke toegang tot onderwijs voor iedereen, zodat deze zaken op Europees niveau kunnen worden aangepakt;

F.  overwegende dat de mate waarin onderwijssystemen kunnen voldoen aan maatschappelijke, economische en persoonlijke behoeften afhangt van hun kwaliteit, toegankelijkheid, verscheidenheid, efficiëntie, kapitaal en de beschikbaarheid van voldoende mensen en financiële en materiële middelen;

G.  overwegende dat erop moet worden gewezen dat onderwijs, waaronder lerarenopleidingen, gebukt ging onder de economische en financiële crisis en dat overheidsfinanciering voor onderwijs van groot belang is voor de onderwijsstelsels in de EU; overwegende dat permanente en meer financiële overheidssteun voor onderwijs, zo ook voor leerkrachten en hun werkomstandigheden, alsmede voor onderzoek cruciaal is voor het waarborgen van gratis, inclusief en toegankelijk openbaar onderwijs;

H.  overwegende dat onderwijs en opleiding de persoonlijke ontwikkeling en groei van jongeren moeten bevorderen, zodat zij kunnen uitgroeien tot proactieve en verantwoordelijke burgers die graag in een technologisch geavanceerde en geglobaliseerde wereld leven en werken en zijn uitgerust met de belangrijkste competenties voor een leven lang leren, d.w.z. een combinatie van kennis, vaardigheden en gedragingen die nodig zijn voor zelfontplooiing en persoonlijke ontwikkeling, actief burgerschap en werk;

I.  overwegende dat onderwijskwaliteit een bepalende factor is voor de resultaten van leerlingen en studenten en dat daarom een krachtige ondersteuning van excellentie van onderwijs en leerkrachten een van de prioriteiten voor samenwerking op EU-niveau is op het vlak van onderwijs en opleiding;

J.  overwegende dat het recht op onderwijs ook bestaat uit de vrijheid om een onderwijsinstelling op te zetten, op basis van de nodige eerbiediging van de democratische beginselen, en uit het recht van ouders om ervoor te zorgen dat hun kinderen worden opgevoed en onderwezen volgens hun persoonlijke religieuze, filosofische en pedagogische overtuigingen;

K.  overwegende dat de open coördinatiemethode die wordt gehanteerd in het onderwijs de lidstaten in staat stelt een gemeenschappelijke strategie voor onderwijs en opleiding op te zetten en uit te voeren, waartoe ook het onlineplatform ET 2020 (Onderwijs en Opleiding 2020) behoort; overwegende dat de criteria voor deze strategie elk jaar worden geanalyseerd en geëvalueerd in de publicatie "Onderwijs- en opleidingenmonitor", zowel voor de afzonderlijke lidstaten als voor de EU als geheel;

L.  overwegende dat in de meest recente "Onderwijs- en opleidingenmonitor", die uitkwam in 2017, de Commissie inziet dat, ofschoon er voortdurend vooruitgang wordt geboekt om het aantal vroegtijdige schoolverlaters terug te dringen, dit aantal in de EU nog altijd erg hoog ligt;

M.  overwegende dat volgens de resultaten van de meest recente PISA-tests 20,6 % van de Europese leerlingen problemen heeft met het verwerven van basisvaardigheden op het vlak van lezen, rekenen en exacte vakken en dat een beduidend aantal Europese burgers een gebrekkige geletterdheid vertoont; overwegende dat dit aanleiding geeft tot ernstige zorgen op het gebied van vervolgstudies, persoonlijke ontwikkeling en een actieve deelname aan het openbare leven en op de arbeidsmarkt;

N.  overwegende dat het garanderen van toegang tot hoogwaardige diensten voor voor- en vroegschoolse educatie en opvang voor alle kinderen cruciaal is om ze een positieve start in het leven en het onderwijs te kunnen bieden;

O.  overwegende dat de kwaliteit van het personeel een essentiële factor is voor diensten voor voor- en vroegschoolse educatie en opvang;

P.  overwegende dat de bevordering van de mobiliteit van studenten en personeel een belangrijk onderdeel vormt van de Europese stelsels voor hoger onderwijs, waarmee wordt bijgedragen aan de ontwikkeling van jongeren en economische en sociale vooruitgang kan worden aangewakkerd; overwegende dat er behoefte is aan kwalitatieve verbeteringen en meer financiële steun om de mobiliteit van studenten en personeel in het kader van Erasmus+ uit te breiden;

Q.  overwegende dat methodologische en digitale innovaties als instrument kunnen dienen om de toegang tot inhoud en kennis uit te breiden, maar geen vervanging kunnen zijn voor persoonlijk contact en uitwisselingen tussen studenten onderling en studenten en leerkrachten, noch tot prioriteit mogen worden gemaakt van onderwijsstelsels;

R.  overwegende dat gendergelijkheid een grondbeginsel van de Europese Unie is dat verankerd is in de Verdragen en een vast onderdeel moet vormen van alle beleidsdomeinen van de Unie, met inbegrip van onderwijs en cultuur;

S.  overwegende dat onderwijs een krachtig middel is om genderongelijkheid en discriminatie tegen te gaan, terwijl het bestaande discriminatie vaak ook klakkeloos kan overnemen of zelfs verergeren; overwegende dat genderongelijkheid in het onderwijs zowel de persoonlijke ontwikkeling als de werkgelegenheid belemmert en invloed heeft op talrijke sociaal-culturele gebieden;

T.  overwegende dat, ondanks het feit dat vrouwen drie vijfde (57,6 %) uitmaken van alle afgestudeerden in het hoger onderwijs, de arbeidsparticipatiekloof tussen mannen en vrouwen in 2015 nog altijd 11,6 procentpunten bedroeg(16);

Kennis als belangrijk economisch middel en een bron voor het welbevinden van burgers

1.  bekrachtigt dat universeel hoogwaardig onderwijs een essentiële factor is voor persoonlijke, culturele, sociale en professionele ontwikkeling in een kennismaatschappij;

2.  is van mening dat de waarborging van gemeenschappelijke Europese waarden, de verwezenlijking van de economische en sociale doelstellingen van de EU en de bewerkstelliging van het concurrentievermogen en duurzame groei gekoppeld zijn aan hoogwaardig onderwijs door de bevordering van democratische waarden, mensenrechten, sociale cohesie, integratie en het succes van individuele personen;

3.  onderstreept hoe belangrijk onderwijs is bij de invulling van de toekomst van Europa, zowel economisch als sociaal gezien, terwijl het daarnaast voorziet in de behoeften van de Europese burgers en een gemeenschap opbouwt van burgers met een uiteenlopende achtergrond, die echter met elkaar verbonden zijn vanwege hun gemeenschappelijke kernwaarden;

4.  onderstreept dat hoogwaardige onderwijs- en opleidingsstelsels actief burgerschap en gemeenschappelijke waarden bevorderen, en zodoende bijdragen aan een open, inclusieve, pluralistische, democratische en tolerante samenleving;

5.  benadrukt de rol van onderwijs bij het helpen ontwikkelen van ethische en burgerlijke waarden en door ervoor te zorgen dat leerlingen actieve, verantwoordelijke en tolerante leden van de samenleving worden die in staat zijn hun democratische rechten en verantwoordelijkheden in de samenleving uit te oefenen en te verdedigen, diversiteit hoog in het vaandel hebben staan, een actieve rol spelen in het democratische leven en verantwoordelijkheid voor zichzelf en hun gemeenschappen nemen; benadrukt in dit verband het belang van lessen over burgerschap, moraal en milieu;

6.  benadrukt dat hoogwaardig en inclusief onderwijs jongeren de nodige kennis, vaardigheden, mediageletterdheid, kritisch en zelfstandig denken en een democratische houding moet bijbrengen zodat ze uitdagingen aan kunnen gaan, actieve Europese burgers kunnen worden en succes kunnen hebben in het leven en op de arbeidsmarkt maar ook de toekomst van de wereld kunnen vormgeven;

7.  onderstreept dat het waarborgen van gelijke toegang tot hoogwaardig inclusief onderwijs de sleutel is voor de verwezenlijking van blijvende sociale cohesie, door ten strijde te trekken tegen armoede, de sociale uitsluiting van mensen uit een kansarm of kwetsbaar milieu, en genderstereotypen, en daarom nog altijd een doorslaggevende factor is voor sociale mobiliteit;

8.  merkt op dat hoogwaardig onderwijs innovatie en onderzoek kan stimuleren met relevantie en nut voor de samenleving;

9.  beseft hoe belangrijk onderwijs is voor het ontwikkelen van culturele vaardigheden en het aanmoedigen van culturele ontwikkeling; moedigt sterkere synergieën tussen de onderwijs- en culturele sector aan, die behaald moeten worden door een actieve rol voor cultuur en kunst te ondersteunen in de context van formeel, niet-formeel en informeel onderwijs;

10.  wijst op de rol die onderwijs speelt bij de ontwikkeling van methoden om een leven lang te leren, waarmee mensen zich gemakkelijker kunnen aanpassen aan de veranderende eisen van de moderne wereld;

11.  wijst erop dat scholen en onderwijsinstellingen cruciaal zijn om een positieve houding ten opzichte van (een leven lang) leren aan te nemen en te koesteren;

De veranderende realiteit van het onderwijs en de uitdagingen die daarmee gepaard gaan

12.  is van mening dat een alomvattend onderwijsbeleid met een sterk politiek en publiek draagvlak cruciaal is voor het hervormingsproces van het onderwijs, en dat het om deze doelstellingen te halen essentieel is om de samenleving als geheel maar ook alle relevante en geïnteresseerde belanghebbenden erbij te betrekken, zo ook ouders;

13.  is van mening dat doeltreffend bestuur en toereikende financiering voor alle onderwijsomgevingen, moderne, hoogwaardige leermiddelen en lesmethoden, gemotiveerde en bekwame leraren en een leven lang leren cruciaal zijn om rechtvaardigheid, verscheidenheid en excellentie in het onderwijs te bereiken;

14.  benadrukt het potentieel van nieuwe informatie- en communicatietechnologie (ICT) en innovatie als instrumenten om nieuwe mogelijkheden aan te bieden in het onderwijs, doeltreffender tegemoet te komen aan de behoeften van afzonderlijke studenten (waaronder speciale onderwijsbehoeften), de flexibiliteit bij het leren en onderwijzen, een persoonlijke aanpak en de verantwoordelijkheid te vergroten en interactieve vormen van samenwerking en communicatie te bevorderen;

15.  benadrukt de mogelijkheden die digitalisering en nieuwe gemeenschappelijke onderwijsplatforms bieden voor modern onderwijs, vooral als het gaat om leren en onderwijs op afstand en "blended learning" (een combinatie van contact- en afstandsonderwijs), waardoor onderwijs flexibeler kan worden door het lesaanbod nauwer af te stemmen op de leefsituatie van studenten, met positieve gevolgen voor een leven lang leren, de kwaliteit van het onderwijs, toegankelijkheid en de ontwikkeling van toekomstige vaardigheden; wijst op de noodzaak van aan de leeftijd aangepaste ICT- en mediaprogramma's waarin rekening wordt gehouden met de ontwikkeling en het welzijn van kinderen, en het belang van zowel verantwoord gebruik als kritisch denken wordt benadrukt;

16.  merkt op dat doeltreffende leer- en lesmethoden waarbij gebruik wordt gemaakt van digitale technologie gelijkwaardige toegang vereisen, evenals een hoog niveau van digitale vaardigheden, kwalitatief hoogstaande leermiddelen, opleidingen in technologieaanpassingen voor pedagogische doeleinden en de bevordering van de houding en motivatie die nodig zijn voor zinvolle digitale participatie; is van mening dat digitale vaardigheden en vaardigheden in mediageletterdheid een essentieel onderdeel moeten vormen van het onderwijsbeleid en onder andere burgerschapscompetenties en kritisch denken moeten omvatten; benadrukt dat bronnen, hun betrouwbaarheid en projecten over mediageletterdheid in dit verband aan een kritische beoordeling moeten worden onderworpen;

17.  beseft dat er in een steeds verder geglobaliseerde en gedigitaliseerde wereld innovatieve en relevante leer-, onderwijs- en beoordelingsmethoden nodig zijn, evenals een toereikende onderwijsinfrastructuur waarmee werk in groepjes en teamonderwijs mogelijk wordt en waarmee creatief denken en oplossingsgerichtheid worden gestimuleerd, samen met andere progressieve onderwijsmethoden; benadrukt hoe belangrijk het is om studenten, leerkrachten en andere medewerkers op scholen te betrekken bij de beoordeling of en hoe de leerdoelstellingen zijn gehaald;

18.  merkt op dat er inspanningen nodig zijn om het onderwijsparadigma zodanig aan te passen dat er een evenwicht wordt bereikt tussen een op leerkracht- en op inhoud gerichte aanpak, die specifiek wordt afgestemd op individuele studenten en hun leefomstandigheden, waarbij een begripsgerichte benadering wordt gehanteerd en leermethoden worden gecombineerd die zijn aangepast aan zowel conventionele als onlineleermodellen, zodat het onderwijsproces persoonlijker wordt als gevolg waarvan het percentage leerlingen dat op school blijft en hun opleiding afmaakt stijgt;

19.  onderstreept dat onderwijssystemen interdisciplinaire, coöperatieve en creatieve benaderingen en teamwork moeten bevorderen en ontwikkelen die erop gericht zijn leerlingen en studenten niet alleen toe te rusten met kennis en vaardigheden, waaronder horizontale en zachte vaardigheden, maar ook met professionele, horizontale, sociale en burgerschapscompetenties;

20.  wijst erop dat het verzorgen van kwalitatief hoogstaand onderwijs en goede leermethoden een continu proces is waarin dialoog, het delen van ervaringen en het stellen van vragen centraal staan en waaraan prioriteit moet worden verleend bij een eventuele modernisering van het onderwijs;

21.  benadrukt dat de bevordering van gelijke toegang tot hoogwaardig, inclusief onderwijs essentieel is voor de onafhankelijkheid en de integratie in de samenleving van studenten met een handicap; verzoekt lidstaten de toegang tot regulier inclusief onderwijs van hoge kwaliteit te bevorderen, waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van alle studenten met een handicap, wat bijvoorbeeld betekent dat er wordt voorzien in tweetalig inclusief onderwijs voor dove kinderen vanwege hun specifieke taalkundige behoeften; verzoekt scholen zowel formele als informele gedifferentieerde diensten en extra begeleiding te bieden, waarbij ook het potentieel van nieuwe technologieën wordt benut zodat wordt voorzien in de individuele behoeften van alle studenten; roept de Commissie op scholen te monitoren op hun niet-afwijzingsbeleid en speciale indicatoren voor gehandicapten in de Europa 2020-strategie op te nemen;

22.  houdt vol dat het Europese onderwijs er in de eerste plaats op gericht moet zijn om argumentatievaardigheden, reflectie en wetenschappelijke nieuwsgierigheid aan te leren, dat het moet kunnen voortbouwen op de fundamenten van een kunstminnende, wetenschappelijke en technische humanistische cultuur, en dat het, uitgaande van de praktische realiteit van het lokale, regionale, nationale en Europese leven, de nodige opleiding moet bieden om nationale en Europese problemen op te lossen en bewustzijn te kweken voor de problemen die er binnen de internationale gemeenschap bestaan;

23.  ziet in dat er individuele verschillen bestaan in cognitieve vermogens en karaktereigenschappen die in contact treden met sociale en omgevingsfactoren en zo de onderwijsresultaten beïnvloeden; benadrukt in dit verband dat onderwijs efficiënter, gelijkwaardiger en eerlijker is als er rekening wordt gehouden met deze verschillen;

24.  beseft dat het in een competitieve wereld cruciaal is Europees talent zo vroeg mogelijk te spotten en te bevorderen;

25.  benadrukt dat het verbeteren van de gemiddelde onderwijsresultaten aansluit bij het stimuleren van excellentie onder getalenteerde studenten; wijst er in dit verband op dat er passende interventieprogramma's moeten worden ontworpen om karaktereigenschappen te ontplooien die relevant zijn om het potentieel van mensen volledig tot wasdom te laten komen;

26.  benadrukt dat er aandacht moet worden besteed aan visueel vermogen als een nieuwe vaardigheid om je te kunnen redden in het leven, aangezien mensen tegenwoordig veel meer communiceren met beelden dan op traditionele manieren;

27.  wijst op het voorstel voor het opzetten van een Europese onderwijsruimte, dat werd gepresenteerd tijdens de sociale top over eerlijke werkgelegenheid en groei die in 2017 plaatsvond in Göteborg; wijst erop dat dit initiatief samenwerking, wederzijdse erkenning van diploma's en kwalificaties en meer mobiliteit en groei in de hand moet werken;

28.  schaart zich achter de conclusies van de Raad van 14 december 2017 waarin werd gepleit voor een grotere studentenmobiliteit en de deelname van studenten aan onderwijs- en culturele activiteiten, onder andere via een Europese studentenkaart waarmee de erkenning van in andere lidstaten verworven universitaire punten gemakkelijker moet worden;

29.  is van mening dat het programma Erasmus+ het vlaggenschipprogramma van de EU is op het gebied van onderwijs en dat de impact en de populariteit ervan door de jaren heen onomstotelijk bewezen zijn; pleit dan ook voor een aanzienlijke verhoging van de financiering voor dit programma in het meerjarig financieel kader (MFK) voor 2021‑2027, om het toegankelijker en inclusiever te maken en meer studenten en leerkrachten te kunnen bereiken;

30.  onderstreept dat jeugdwerkloosheid overal in de Unie voorkomt en volgens de statistieken ongeveer twee keer zo hoog is als het gemiddelde algemene werkloosheidspercentage; toont zich bezorgd over de alarmerend hoge percentages in de lidstaten in het Middellandse Zeegebied, met uitschieters in Spanje (44,4 %), Italië (37,8 %), en Griekenland (47,3 % voor jeugdwerkloosheid en 30,5 % voor jongeren die geen werk hebben en evenmin onderwijs of een opleiding volgen (NEET's)), volgens Eurostat;

31.  wijst erop dat ondanks de 2 miljoen vacatures in de EU meer dan 30 % van de gekwalificeerde jongeren met een diploma werk verricht dat niet aansluit bij hun vaardigheden of ambities, terwijl 40 % van de Europese werkgevers problemen ondervindt bij het werven van mensen met de vereiste vaardigheden(17);

32.  bevestigt dat een genderperspectief voor ogen moet worden gehouden in onderwijssystemen op alle niveaus, waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van mensen die onder meervoudige vormen van discriminatie lijden, met inbegrip van personen met een handicap, personen die zichzelf tot de LGBTI's rekenen en mensen uit gemarginaliseerde gemeenschappen;

Voor- en vroegschoolse educatie en opvang

33.  benadrukt dat hoogwaardige en toegankelijke voor- en vroegschoolse educatie en opvang niet alleen het fundament vormt voor rechtvaardigere en doeltreffendere onderwijssystemen, maar ook de persoonlijke ontwikkeling, het welzijn en de doeltreffendheid van verdere scholing waarborgt;

34.  hamert op de enorme voordelen voor alle kinderen, vooral die met een kansarme achtergrond, van voor- en vroegschoolse educatie en opvang, en benadrukt in dit verband hoe belangrijk het is dat elk kind daar terecht kan; stelt in dit verband bezorgd vast dat in verscheidene lidstaten de vraag naar plaatsen in de voor- en vroegschoolse educatie en opvang het aanbod overstijgt, vooral voor jongere kinderen;

35.  onderstreept het belang van toezicht op de kwaliteit van voor- en vroegschoolse educatie en opvang om kinderen in staat te stellen hun cognitieve vaardigheden te ontwikkelen en om na te gaan of de belangen van het kind optimaal gediend worden;

Schoolonderwijs

36.  beschouwt alle scholen als autonome centra waar kritisch en creatief denken wordt gestimuleerd en democratische waarden en actief burgerschap worden bevorderd; is van mening dat scholen erop gericht moeten zijn om jongeren te helpen de vaardigheden te verwerven die nodig zijn voor een correct begrip van gebruik van de beschikbare informatie, en om ze te helpen autonome leermethodes en taalvaardigheid te ontwikkelen;

37.  wijst erop dat de specifieke behoeften van alle studenten centraal moeten staan bij het doeltreffend functioneren van scholen, waartoe gezamenlijke doelstellingen moeten worden geformuleerd, er een duidelijke agenda moet worden opgesteld voor de uitvoering ervan en alle schoolmedewerkers en belanghebbenden in voorkomend geval nauw met elkaar moeten samenwerken;

38.  is van mening dat moderne studieprogramma's moeten uitgaan van competenties, en daarnaast persoonlijke vaardigheden en het vermogen om op een gezonde en toekomstgerichte manier te leven moeten versterken en gericht moeten zijn op procesevaluaties en fysiek en emotioneel welbevinden; vindt dat elke student de mogelijkheid moet hebben om zijn of haar intellectuele potentieel te ontplooien; benadrukt dat het ontwikkelen en versterken van vaardigheden een continu proces is dat plaatsvindt op alle onderwijsniveaus en zich voortzet op de arbeidsmarkt, en dat er zowel in het onderwijsproces als bij de erkenning van onderwijskwalificaties aandacht moet zijn voor vaardigheden en competenties;

39.  onderstreept dat de verwerving van fundamentele taal- en numerieke vaardigheden essentieel is voor het verdere leerproces, de persoonlijke ontwikkeling en de verwerving van digitale competenties; benadrukt dat het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET2020) en de nieuwe agenda voor vaardigheden van de Commissie als aanvulling moeten dienen van nationale maatregelen en de lidstaten op dit vlak moeten ondersteunen; verzoekt de lidstaten en de onderwijsinstellingen om basisvaardigheden te versterken met oplossingen als projectmatig en probleemgestuurd leren;

40.  is van mening dat de lidstaten moeten garanderen dat niemand van school gaat zonder basisvaardigheden, waaronder digitale basisvaardigheden; onderstreept dat de meeste banen tegenwoordig betere taal-, reken-, digitale en andere cruciale vaardigheden vereisen, en dat moderne onderwijssystemen daarom alle acht sleutelcompetenties moeten combineren die genoemd worden in het voorstel van de Commissie voor een aanbeveling van de Raad inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren, waar ook kennis en attitudes onder vallen; is ingenomen met het feit dat in dit voorstel digitale vaardigheden worden gedefinieerd als basisvaardigheden;

41.  is van mening dat school ondanks de impact van nieuwe technologie op het onderwijs een fundamentele leeromgeving moet blijven waar potentieel wordt ontwikkeld en waar eenieder ruimte en tijd kan vinden voor persoonlijke en sociale groei;

42.  vestigt de aandacht op het feit dat een grotere autonomie van scholen op het vlak van lesprogramma's, beoordeling en financiering geleid heeft tot betere prestaties van leerlingen, mits er sprake is van doeltreffend schoolbestuur en verantwoordelijkheidsgevoel van scholen voor de leermethoden van leerlingen;

43.  benadrukt de positieve gevolgen van culturele verscheidenheid en meertaligheid op scholen voor de cognitieve en taalontwikkeling van leerlingen, en voor de bevordering van intercultureel bewustzijn, respect en pluralisme;

44.  benadrukt dat het leren van talen moet worden aangemoedigd zodat iedereen naast zijn moedertaal twee extra talen spreekt, en dat moet worden gestimuleerd dat op de middelbare school ten minste twee vakken worden aangeboden in een vreemde taal;

45.  wijst erop dat uitwisselingen van middelbare scholen zeer nuttig zijn om leerlingen aan te sporen zich de kennis, vaardigheden, houdingen en waarden eigen te maken die onlosmakelijk verbonden zijn met dynamisch Europees burgerschap en constructief en kritisch te leren denken;

46.  benadrukt dat scholen meer moeten worden opengesteld voor de erkenning van niet-formele en informele leervormen en betere doorstroommogelijkheden tussen verschillende onderwijspaden (bijv. technische en academische trajecten);

47.  onderstreept dat studenten moeten worden aangespoord om technieken voor zelfbeoordeling te hanteren om hun leervorderingen te meten; spoort onderwijsinstellingen aan erop toe te zien dat hulpmiddelen om feedback te krijgen betrouwbare informatie verschaffen door een combinatie van verschillende instrumenten te gebruiken, zoals studentenvragenlijsten, werkgroepen en ideeënbussen;

48.  benadrukt hoe belangrijk het is een actief leven te leiden door te sporten; benadrukt in dit verband dat fysieke activiteiten en lichamelijke opvoeding moeten worden bevorderd en een grotere rol moeten krijgen in onderwijscurricula op alle niveaus, met uitgebreidere mogelijkheden voor een intensievere samenwerking tussen onderwijsinstellingen en lokale sportorganisaties; moedigt tevens onderwijsinitiatieven en buitenschoolse activiteiten aan om studenten te helpen voorzien in hun persoonlijke behoeften en belangen maar daarnaast te bemiddelen met lokale gemeenschappen;

49.  onderstreept het belang van kwalitatief hoogwaardig onderwijs, beroepsopleiding en gemeenschaps- en vrijwilligersactiviteiten om bij te dragen aan een hogere status van een professionele roeping;

50.  merkt op dat een aanzienlijk aantal nieuwe banen wordt gecreëerd in bedrijfstakken die zich bezighouden met hernieuwbare energie, en dat groene sectoren en beroepen dienovereenkomstig behandeld moeten worden in schoolcurricula;

51.  benadrukt dat informatieverwerking, kritisch denkvermogen en de vaardigheid om verworven kennis toe te passen essentiële doelstellingen van academisch onderwijs zijn;

52.  wijst op de noodzaak om de kennisdriehoek te versterken en de relatie tussen onderzoek en onderwijs te verbeteren door voldoende middelen uit te trekken voor relevante programma's en door erop toe te zien dat studenten die betrokken zijn bij onderzoeksprogramma's beschikken over de financiële middelen om hun onderzoek uit te voeren;

53.  is van mening dat hogeronderwijssystemen flexibeler en opener moeten worden en dat duale opleidingstrajecten moeten worden bevorderd op universiteiten en instellingen voor een vervolgstudie, met name door stages aan te moedigen, om de erkenning van informeel en niet-formeel leren mogelijk te maken, betere doorstroommogelijkheden te garanderen tussen verschillende onderwijsniveaus, zo ook tussen beroepsonderwijs en hoger onderwijs, en verschillende uitvoeringsvormen van programma's toe te staan; benadrukt dat het bovenstaande gebaseerd moet zijn op een beter begrip van de prestaties van afgestudeerden;

Hoger onderwijs

54.  benadrukt in het kader van de totstandbrenging van een Europese onderwijsruimte hoe belangrijk het is om samenwerking te ondersteunen en voort te bouwen op het potentieel van alle Europese instellingen voor hoger onderwijs en van studenten om netwerken, internationale samenwerking en concurrentie te stimuleren;

55.  is van mening dat de Europese instellingen voor hoger onderwijs voor een groot deel gevormd moeten worden door een alomvattende benadering van internationalisering, inclusief een verbeterde mobiliteit van personeel en studenten (ook via stages en leerlingplaatsen), en een internationale dimensie van studieprogramma's, onderwijs, onderzoek, samenwerking en aanvullende activiteiten;

56.  pleit voor meer aandacht voor interdisciplinaire studieprogramma's, en is er voorstander van dat zowel de vakken wetenschap, technologie, engineering, kunst en wiskunde (STEAM) als de sociale en menswetenschappen beter onder de aandacht worden gebracht; benadrukt dat de deelname van vrouwen en andere ondervertegenwoordigde groepen aan de vakken wetenschap, technologie, engineering, kunst en wiskunde en in de desbetreffende beroepen moet worden gestimuleerd;

57.  pleit ervoor dat het hoger onderwijs midden in de samenleving moet staan om innovatieve groei en maatschappelijk welzijn te bevorderen; is van mening dat samenwerking tussen instellingen voor hoger onderwijs en externe belanghebbenden wenselijk is, aangezien laatstgenoemden met kennis en expertise een bijdrage kunnen leveren aan de opzet en uitvoering van studieprogramma's voor het hoger onderwijs; benadrukt wel dat de verantwoordelijkheid voor de besluitvorming altijd moet liggen bij de studenten en pedagogische experts;

58.  onderkent de cruciale rol die academici en studenten spelen bij de verspreiding van kennis, empirische bevindingen en feiten onder het grote publiek; moedigt in dit verband economisch en politiek onafhankelijk onderzoek aan dat relevant en nuttig is voor de samenleving;

59.  benadrukt de rol van op onderzoek gebaseerd onderwijs en pedagogisch onderzoek als middel om actief leren en de ontwikkeling van vaardigheden te bevorderen en didactische methoden te verbeteren;

60.  onderstreept dat studenten moeten worden aangespoord om technieken voor zelfbeoordeling te hanteren om hun leervorderingen te meten;

De leerkracht die garant staat voor kwaliteitsonderwijs

61.  is van mening dat leerkrachten en hun vaardigheden, toewijding en doeltreffendheid de basis vormen van het onderwijs;

62.  onderstreept de noodzaak om het beroep van leerkracht aantrekkelijk te maken voor een groter aantal gemotiveerde kandidaten met een degelijke academische of professionele achtergrond en pedagogische kwaliteiten voor het beroep van leerkracht; verzoekt om procedures die geschikt zijn voor het beoogde doel en om specifieke maatregelen en initiatieven om de beroepsstatus, opleiding, carrièremogelijkheden en arbeidsvoorwaarden, waaronder salaris, te verbeteren, om onstabiele arbeidsvormen te vermijden en sociale rechten, veiligheid en bescherming te garanderen, en om leerkrachten ondersteuning te bieden die bestaat uit mentorprogramma's, intercollegiaal leren en de uitwisseling van optimale werkmethoden; roept de Commissie op een grotere mate van gendergelijkheid in het onderwijs te bevorderen;

63.  benadrukt hoe belangrijk het is om te investeren in lerarenopleidingen en deze opnieuw vorm te geven, zowel in de beginfase als gedurende hun hele professionele ontwikkeling als leerkracht, om ze uit te rusten met solide en actuele kennis, vaardigheden en competenties die essentieel zijn voor een hoog onderwijsniveau en onder andere bestaan uit gevarieerde lesmethoden, zoals onderwijs op afstand dat mogelijk is dankzij digitale leertechnologieën; benadrukt het belang van de voortdurende professionele ontwikkeling van leerkrachten, waaronder programma's voor een leven lang leren en opfriscursussen, en van om- en bijscholingsmogelijkheden tijdens hun loopbaan, waarmee praktische oplossingen worden aangedragen voor de uitdagingen waarmee leerkrachten in de klas te maken krijgen, en mogelijkheden om deel te nemen aan internationale uitwisselingen voor leerkrachten zodat er een institutionele leercultuur wordt gecreëerd;

64.  is het ermee eens dat de hoogstaande pedagogische, psychologische en methodologische opleiding van schoolleerkrachten en docenten in het hoger onderwijs een cruciale voorwaarde is voor het succesvolle onderwijs aan toekomstige generaties; benadrukt in dit verband dat optimale werkmethoden moeten worden gedeeld en dat er vaardigheden en competenties worden ontwikkeld via internationale samenwerking, mobiliteitsprogramma's zoals Erasmus+ en betaalde stages in andere lidstaten;

65.  benadrukt de cruciale rol van de leerkracht bij het creëren van een inclusieve leeromgeving waarin een reeks methoden en benaderingen moet worden gehanteerd om tegemoet te komen aan uiteenlopende behoeften, zodat alle leerlingen kunnen worden betrokken bij de planning, verwezenlijking en beoordeling van hun leerresultaten; onderkent de wezenlijke taak van leerkrachten als proactieve gidsen en mentoren die laten zien hoe je informatie moet beoordelen, een ondersteunende rol op zich nemen bij moeilijkheden en leerlingen klaarstomen voor het leven;

66.  is van mening dat de betrokkenheid van leerkrachten en schooldirecteuren bij de modernisering van onderwijssystemen doorslaggevend is om hervormingsprocessen doeltreffend te laten verlopen en het onderwijzend personeel warm te maken voor verdere verbeteringen in het schoolbeleid;

67.  is van mening dat een algemeen geldend schoolbeleid doeltreffende ondersteuning moet garanderen voor leerkrachten om de verwezenlijking van onderwijsdoelen, een stimulerend schoolklimaat, een efficiënte werking en ontwikkeling van de school en coöperatief bestuur te waarborgen;

68.  is zich bewust van de belangrijke rol van leerkrachten en van samenwerking tussen ouders, leraren en schoolautoriteiten binnen het formele, niet-formele en informele onderwijs door huidige en toekomstige generaties bij te staan; juicht in dit verband intensievere samenwerking tussen alle belangrijke spelers in het formele, niet-formele en informele onderwijs toe;

69.  is van mening dat nauwere samenwerking tussen leerkrachten, onderzoekers en academici gunstig uitpakt voor alle betrokken partijen, leidt tot de verbetering en modernisering van de lessen, leermethoden en pedagogische aanpak, en innovaties, creativiteit en nieuwe vaardigheden bevordert;

Aanbevelingen

70.  is van mening dat de Europese onderwijsruimte gericht moet zijn op de verwezenlijking van gemeenschappelijke doelen, waaronder het waarborgen van goed onderwijs voor iedereen, en gevormd moet worden op basis van de afstemming op en de kritische beoordeling van bestaande beleidsmaatregelen, onderwijstrends en -statistieken zowel binnen als buiten de EU teneinde samenhang, consistentie en haalbare resultaten te garanderen, maar tegelijkertijd ook een nieuwe impuls geeft aan de ontwikkeling hiervan en de eerbiediging van de beginselen van bevoegdheidstoedeling, subsidiariteit, vrijheid en evenredigheid, en van de institutionele en didactische autonomie;

71.  vindt dat de Europese onderwijsruimte het Bolognaproces niet in gevaar mag brengen of mag vervangen en dat het Bolognaproces juist verder moet worden ontwikkeld en aangescherpt; benadrukt het belang van wederzijdse koppelingen en complementariteit tussen de Europese onderwijsruimte en de Europese ruimte voor hoger onderwijs;

72.  verzoekt de lidstaten zich te scharen achter het opzetten van een Europese onderwijsruimte en de samenwerking te intensiveren om de doelstellingen ervan uit te werken en ten uitvoer te leggen; verzoekt de Commissie in dit verband de voorwaarden te scheppen voor het uitwisselen van ideeën en optimale werkmethoden om die doelstellingen te halen;

73.  schaart zich achter een nieuw Europees netwerk van universiteiten als basis voor nauwere samenwerking waarbij instellingen voor hoger onderwijs zowel binnen als buiten de EU worden betrokken, aan de hand van een bottom-upbenadering en initiatieven van de universiteiten zelf, die er onder andere toe moeten bijdragen dat de Europese onderwijsruimte een innovatievere, vitalere en aantrekkelijkere ruimte voor onderwijs en onderzoek wordt;

74.  verzoekt de lidstaten onderwijs te erkennen als investering in menselijk kapitaal, en meer en transparante overheidsfinanciering beschikbaar te stellen voor het ontplooien van initiatieven die gericht zijn op de verbetering van de kwaliteit, inclusiviteit en gelijkwaardigheid in het onderwijs en leren;

75.  benadrukt dat grotere investeringen in onderwijs- en opleidingsstelsels, alsook de modernisering en aanpassing daarvan een cruciale voorwaarde vormen voor sociale en economische vooruitgang; benadrukt derhalve hoe belangrijk het is om te waarborgen dat sociale investeringen, met name in onderwijs en opleidingen voor iedereen, prioriteit krijgen in de volgende programmeringsperiode van het MFK voor 2020-2026;

76.  stimuleert met het oog op inclusiever onderwijs en een vrije onderwijskeuze toereikende financiële steun voor scholen van alle categorieën en niveaus, zowel openbare scholen als particuliere scholen zonder winstoogmerk, mits het aangeboden lesprogramma gebaseerd is op de beginselen die zijn vervat in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en voldoet aan de rechtssystemen en voorschriften en regelgeving over de kwaliteit van onderwijs en het gebruik van dergelijke fondsen in de lidstaat in kwestie;

77.  acht het tijd om de broodnodige investeringen te doen in onderwijsinfrastructuur in de minder ontwikkelde regio's, waarbij er altijd op moet worden gelet dat de investeringen zijn afgestemd op de specifieke regionale situatie; benadrukt dat het in dit verband met name van belang is om via de Europese Investeringsbank en de Europese fondsen meer steun uit te trekken voor regionale initiatieven om het onderwijs verder te ontwikkelen;

78.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervaringen en beste praktijken uit te wisselen op het vlak van mechanismen en methoden voor overheidsfinanciering, waaronder prestatiegebonden financiering en financiering van concurrerend onderzoek, om tot een duurzame en transparante diversifiëring van financiering te komen;

79.  pleit voor een nauwere samenwerking tussen lidstaten bij de modernisering van het onderwijs; dringt er bij de lidstaten op aan te beginnen met de tenuitvoerlegging van de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten waarmee manieren worden aangereikt om ongelijkheden in Europa terug te dringen via onderwijs, opleiding en een leven lang leren;

80.  benadrukt de rol van het Europees semester bij de bevordering van nationale hervormingen, door de landenspecifieke aanbevelingen op het gebied van onderwijs te definiëren;

81.  verwacht dat het actieplan voor digitaal onderwijs de lidstaten en onderwijsinstellingen zal ondersteunen bij het intensievere, doeltreffendere en op leeftijd en ontwikkeling afgestemde gebruik van geavanceerde technologie bij het leren, tijdens de lessen en beoordelingen, die voldoet aan de normen voor kwaliteitsborging; is van mening dat elk actieplan voor digitaal onderwijs een koppeling moet maken tussen digitale onderwijsmethoden en kwalificatiekaders op basis van leerresultaten, en die koppeling regelmatig moet beoordelen;

82.  raadt lidstaten en onderwijsinstellingen aan het gebruik van studentgerichte en geïndividualiseerde leermethoden te bevorderen, waaronder op maat gemaakte cursussen die gebaseerd zijn op en een combinatie vormen van de academische en beroepservaringen van de student en innovatieve methoden en interactie tussen de leerkrachten en de studenten, om ondersteuning te bieden bij vervolgonderwijs en het halen van de beoogde leerresultaten waarbij studenten actief invulling geven aan hun eigen leerproces;

83.  verzoekt de lidstaten een holistische aanpak van onderwijs te hanteren en studenten specifieke en flexibele leermogelijkheden te bieden waarmee ze uitgerust worden met de nodige kerncompetenties voor een succesvolle intrede op de arbeidsmarkt;

84.  pleit ervoor om onderzoekend, actief, projectmatig en probleemgestuurd leren beter te integreren in onderwijsprogramma's van alle niveaus teneinde samenwerking en teamwork te bevorderen; doet de aanbeveling dat onderwijssystemen gericht zijn op het verbeteren van horizontale, zachte en levensvaardigheden;

85.  herhaalt dat het recht op onderwijs moet worden gegarandeerd aan alle personen met een handicap, van de kleuterschool tot de universiteit, en benadrukt hoe belangrijk het is om te beschikken over het juiste lesmateriaal en technische apparatuur, beoordelingsinstrumenten en gekwalificeerd personeel zodat personen met een handicap ook daadwerkelijk gebruik kunnen maken van dit recht;

86.  steunt en stimuleert de uitvoering van maatregelen voor de ontwikkeling van mediageletterdheid en kritisch denkvermogen via onderwijs en opleiding; wijst op de op dit vlak gedane toezegging, als uiteengezet in de conclusies van de Raad van 30 mei 2016; verzoekt de Commissie in dit verband om beleidsontwikkelingen op het vlak van mediageletterdheid op EU-niveau te coördineren teneinde de meest recente kennis en beste praktijken op dit gebied te verspreiden; roept de Commissie en de lidstaten op specifieke maatregelen te nemen ter bevordering en ondersteuning van projecten voor media- en digitale geletterdheid, zoals het proefproject Mediageletterdheid voor iedereen, en om een alomvattend beleid inzake media- en digitale geletterdheid te ontwikkelen waarin schoolonderwijs centraal staat;

87.  spoort de lidstaten aan mogelijkheden te bieden om cruciale competenties te ontwikkelen teneinde vaardigheden op te doen en bij te houden, waarbij speciale aandacht wordt besteed aan basisvaardigheden, de vakken wetenschap, technologie, engineering, kunst en wiskunde, taalvaardigheid, ondernemerschapsvaardigheden, digitale competenties, creativiteit, kritisch denkvermogen en teamwork; spoort de Commissie en de lidstaten aan het gebruik van het EU-kader van kerncompetenties in alle onderwijssettings te bevorderen en dit kader ook toe te passen op formeel, niet‑formeel en informeel leren, waardoor het potentieel ervan als cruciaal hulpmiddel voor een leven lang leren optimaal wordt benut;

88.  spoort de lidstaten aan om een leven lang leren onder de aandacht van de bevolking te brengen en een genderperspectief in de ontwikkeling van de desbetreffende beleidsmaatregelen en programma's te integreren, met speciale aandacht voor laagopgeleide vrouwen, zowel in stedelijke als plattelandsgebieden, om hun de kans te geven bepaalde vaardigheden te ontwikkelen;

89.  schaart zich achter het aangescherpte EU-criterium voor deelname aan een leven lang leren; verzoekt de Commissie in dit verband voorstellen te doen voor aanbevelingen inzake optimale werkmethoden om deze ambitieuze doelstelling te halen; juicht een grotere nadruk op een leven lang leren op alle onderwijsniveaus toe; benadrukt in dit verband de rol van instellingen voor hoger onderwijs bij de verwezenlijking van een strategie voor een leven lang leren, het onderwijs aan mensen met een baan, de ontwikkeling van competenties en het creëren van een leercultuur voor mensen van alle leeftijden en met uiteenlopende achtergronden;

90.  spoort de Commissie aan de lidstaten te ondersteunen bij de ontwikkeling, bevordering en verbetering van opleidings- en onderwijsprogramma's die volwassenonderwijs en de actieve integratie van volwassenen in het onderwijssysteem mogelijk maken; wijst erop dat het volwassenonderwijs een breed scala aan leertrajecten en flexibele leermogelijkheden moet bieden, waaronder begeleiding voor mensen bij het plannen van hun trajecten voor een leven lang leren, tweedekansprogramma's voor mensen die nooit naar school zijn geweest, vroegtijdige schoolverlaters en gesjeesde leerlingen; verzoekt de Commissie haar toezeggingen na te komen, zoals de vaardighedengarantie waarover wordt gerept in de nieuwe EU-agenda voor vaardigheden, en zich in te spannen om de arbeidsmogelijkheden voor laagopgeleide volwassenen in de EU te verbeteren;

91.  verzoekt de lidstaten intergenerationele projecten op te zetten om beter te begrijpen met welke uitdagingen ouderen kampen en om deze mensen de mogelijkheid te bieden om hun vaardigheden, kennis en ervaring te delen;

92.  juicht de ontwikkeling van synergieën en samenwerkingsverbanden tussen formele, niet‑formele en informele onderwijsvormen toe; is ingenomen met de in de laatste paar jaren geboekte vooruitgang bij de tenuitvoerlegging van de aanbeveling van de Raad betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren uiterlijk in 2018; verzoekt de lidstaten echter ook na 2018 hun inspanningen voort te zetten om de tenuitvoerlegging van die aanbevelingen verder te verbeteren, relevante juridische kaders in het leven te roepen en uitvoerige validatiestrategieën op te zetten waardoor validatie mogelijk wordt; benadrukt dat de erkenning van informeel en niet‑formeel onderwijs, onder andere via gratis onlinecursussen, naadloos aansluit bij het idee om onderwijs open te stellen voor kansarme groeperingen;

93.  benadrukt de cruciale rol van ouders als onderdeel van de onderwijsdriehoek door kinderen te begeleiden bij het maken van huiswerk; wijst op de voordelen van ouders die betrokken zijn bij het onderwijs van hun kind om betere leerresultaten te bereiken, het welzijn van leerlingen te vergroten en de school in staat te stellen zich verder te ontwikkelen;

94.  verzoekt de Commissie haar steun te verlenen aan grensoverschrijdende initiatieven voor open onlineonderwijs;

95.  benadrukt dat de kwaliteit van onderwijs moet worden afgemeten aan de mate waarin een leerling niet alleen kennis en competenties heeft opgedaan maar ook heeft geleerd hoe hij of zij een leven lang kan blijven leren en creativiteit aan de dag kan leggen;

96.  staat achter de Commissie die een scorebord wil opzetten om de ontwikkeling van de belangrijkste competenties bij te houden, en zich hardmaakt voor onderwijs, leren en opleiding op basis van competenties;

97.  verzoekt de lidstaten om genderstereotypen in het onderwijs te bestrijden, opdat vrouwen dezelfde kansen en keuzevrijheid hebben bij de loopbaan die zij nastreven; is in dit verband bezorgd over de aanhoudende stereotypen in lesmaterialen in sommige lidstaten en de verschillende verwachtingen die leerkrachten hebben van het gedrag van meisjes en jongens; wijst op de noodzaak om zowel tijdens de lerarenopleiding als in bijscholingscursussen van leraren, maar ook in de lessen zelf, aandacht te schenken aan het beginsel van gendergelijkheid, om zo te waarborgen dat leerlingen ongeacht hun geslacht hun volledige potentieel kunnen benutten; verzoekt de lidstaten om bij de toepassing van gendergelijkheid in de leerplannen en programma's van regionale onderwijsstelsels bijzondere aandacht te schenken aan de ultraperifere regio's, gezien het hoge aantal gevallen van geweld tegen vrouwen aldaar; benadrukt dat in onderwijssystemen op alle niveaus een genderperspectief moet worden opgenomen, waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van mensen die het slachtoffer zijn van discriminatie;

98.  dringt er bij de lidstaten op aan de beginselen van gelijkheid en non-discriminatie in onderwijsinstellingen te bevorderen, zowel in formele als informele leervormen;

99.  stelt voor dat de Commissie en/of de lidstaten een Europese/nationale gendergelijkheidsprijs voor onderwijsinstellingen invoeren en promoten met het oog op de bevordering van goede praktijken;

100.  benadrukt dat onderwijs een belangrijk hulpmiddel is om sociale inclusie te bewerkstelligen en om het vaardigheidsniveau en de kwalificaties van zowel minderjarige als volwassen migranten en vluchtelingen te verbeteren; moedigt in deze context het uitwisselen van optimale werkmethoden toe op het vlak van integratie via onderwijs en de overdracht van gemeenschappelijke waarden, een betere en eenvoudigere erkenning van diploma's en kwalificaties, het aanbieden van beurzen, het opzetten van partnerschappen met universiteiten in de landen van herkomst en het voortbouwen op de waardevolle ervaring van de onderwijscorridors;

101.  benadrukt dat er meer moet worden gedaan om toegang te garanderen tot onderwijs en opleidingen op alle niveaus voor leerlingen die afkomstig zijn van autochtone minderheden, en om steun te bieden aan onderwijsinstellingen die diensten aanbieden in de moedertaal van autochtone etnische of taalkundige minderheden; verzoekt de Commissie programma's die gericht zijn op de uitwisseling van ervaringen en beste praktijken op het vlak van onderwijs in regionale en minderheidstalen in Europa meer onder de aandacht te brengen; spoort de lidstaten aan meer mogelijkheden te bieden voor onderwijs in de moedertaal van leerlingen en studenten;

102.  spoort de lidstaten aan taalvaardigheidsniveaus op te schroeven door goede werkmethoden te hanteren, zoals de afgifte van officiële getuigschriften van de beheersing van een vreemde taal onder een bepaalde leeftijd;

103.  verzoekt de lidstaten en de Commissie een stelsel van innovatieve en flexibele beurzen in het leven te roepen om talent en artistieke en sportieve gaven op het vlak van onderwijs en opleiding te stimuleren; ondersteunt de lidstaten die beursregelingen willen invoeren voor studenten met goede studie-, sportieve en artistieke resultaten;

104.  is in dit verband ingenomen met de mededeling van de Commissie over een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa(18), waarin oplossingen worden aangedragen voor de discrepantie tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden en het tekort aan bepaalde vaardigheden, en manieren worden voorgesteld voor het vinden van een goed systeem voor de erkenning van vaardigheden; spoort de lidstaten in dit verband aan kwalitatief hoogstaande duale onderwijssystemen op te zetten (die zeer waardevol zijn vanwege hun holistische persoonlijke aanpak en vanwege de ontwikkeling van vaardigheden voor een leven lang leren) evenals beroepsopleidingen, in samenwerking met lokale en regionale spelers, en aansluitend bij de specifieke aard van elk onderwijssysteem; wijst op de voordelen en de groeiende aantrekkingskracht van het hybride systeem voor beroepsonderwijs en -opleiding waarin in gelijke mate leertrajecten in klassenverband en op de werkplek worden gecombineerd;

105.  beveelt beter schoolkeuzeadvies aan als essentieel hulpmiddel om verschillende onderwijssystemen op flexibele wijze samen te brengen en tegelijkertijd kennis en vaardigheden uit te breiden en te actualiseren;

106.  is voorstander van en stimuleert school- en beroepskeuzeadvies als een wezenlijke onderwijstaak voor de persoonlijke en sociale ontwikkeling van de jonge generaties;

107.  is van mening dat ondernemerschap niet alleen een motor voor groei en werkgelegenheid is, maar ook een middel om economieën concurrerender en innovatiever te maken, wat bijdraagt aan de versterking van de positie van vrouwen;

108.  wijst erop dat sociaal ondernemerschap een groeiende sector is die de economie kan aanzwengelen en tegelijk ontbering, sociale uitsluiting en andere maatschappelijke problemen kan verlichten; is daarom van mening dat lessen in ondernemersvaardigheden een sociale dimensie moeten hebben en onderwerpen moeten behandelen als eerlijke handel, sociale ondernemingen, de maatschappelijke verantwoordelijkheid van ondernemingen en alternatieve ondernemingsmodellen zoals coöperaties, om te streven naar een socialere, inclusievere en duurzamere economie;

109.  verzoekt de lidstaten om hun onderwijs te richten op ondernemerschap en financiën, vrijwilligerswerk en beheersing van vreemde talen en om ook prioriteit aan deze vaardigheden te verlenen in programma's op het gebied van beroepsonderwijs en ‑opleiding;

110.  roept de Commissie en de lidstaten op de concrete arbeidskansen van het beroepsonderwijs en -opleiding en het belang daarvan voor de arbeidsmarkt te bevorderen;

111.  verzoekt de lidstaten loopbaanbegeleiding op te zetten waarmee het gemakkelijker wordt om de vaardigheden en talenten van leerlingen en studenten in kaart te brengen en het proces van maatonderwijs te verbeteren;

112.  vestigt de aandacht op de bijzondere onderwijssituatie van kinderen en tieners van wie de ouders voor hun werk door Europa reizen, en verzoekt de Commissie een onderzoek te verrichten naar de bijzondere situatie van deze kinderen en tieners en de uitdagingen waarmee zij te maken hebben op het gebied van voorschools en schoolonderwijs;

113.  vindt dat de Commissie krachtens artikel 349 VWEU meer steun moet verlenen aan lidstaten met ultraperifere regio's om hun onderwijssystemen op alle niveaus te verbeteren;

114.  spoort de lidstaten en regionale autoriteiten aan regelmatig de relevantie van onderwijsbeleid, strategieën en programma's te beoordelen en te controleren, waarbij ook rekening wordt gehouden met de feedback van leerkrachten en leerlingen, zodat onderwijssystemen kunnen blijven voorzien in de veranderende behoeften van het land in kwestie en kunnen blijven inspelen op de plaatselijke sociaal-economische situatie; raadt aan meer dwarsverbanden tot stand te brengen tussen het onderwijsbeleid en ander beleid om de efficiëntie en resultaten van onderwijshervormingen te bevorderen en te kunnen beoordelen;

115.  wijst erop dat de prestaties en effectbeoordelingen van de EU-programma's die gericht zijn op jeugdwerkgelegenheid moeten worden bijgehouden; benadrukt het belang van doeltreffende en duurzame investeringen;

116.  waardeert de activiteiten van de Commissie ten gunste van de modernisering van onderwijssystemen en verzoekt de lidstaten in dit verband meer betrokken te zijn bij en zich meer in te zetten voor de uitvoering van voorgestelde verbeteringen;

117.  spoort de lidstaten aan om in samenwerking met de Commissie onderwijsinstellingen te ondersteunen bij hun hervormingsprocessen door gespecialiseerde contactpunten toe te wijzen op nationaal en/of regionaal niveau die relevante informatie, begeleiding en hulp aanbieden;

118.  herhaalt dat er op rechten gebaseerde en genderbewuste leeromgevingen gecreëerd moeten worden waarin studenten kunnen leren over mensenrechten, met inbegrip van vrouwen- en kinderrechten, fundamentele waarden en burgerparticipatie, de rechten en verantwoordelijkheden van burgers, democratie en de rechtsstaat en daar ook voor leren opkomen, waarbij zij vertrouwen hebben in hun eigen identiteit, weten dat hun stem wordt gehoord en zich door hun gemeenschap gewaardeerd voelen;

Voor- en vroegschoolse educatie en opvang

119.  verzoekt de lidstaten te zorgen voor gratis en eerlijke toegang tot hoogwaardige voor- en vroegschoolse educatie en opvang, en spoort ze aan om de nodige maatregelen te nemen waarmee aan de materiële en financiële voorwaarden kan worden voldaan zodat elk kind zonder discriminatie deel kan nemen aan voor- en vroegschoolse educatie, en om te zorgen voor meer plekken op crèches en kleuterscholen;

120.  verzoekt de Commissie te overwegen een gemeenschappelijk Europees kader voor voor- en vroegschoolse educatie en opvang vast te stellen, uitgaande van de beginselen die zijn voorgesteld in het kwaliteitskader; is voorstander van een Europese benchmark voor de kwaliteit van voor- en vroegschoolse educatie, die moet worden ontworpen in samenwerking met leerkrachten en in de sector werkzame personen en in overeenstemming met nationale of regionale kwaliteitsindicatoren;

121.  is van mening dat de lidstaten zich meer moeten inzetten om de bestuursorganen van instellingen voor voor- en vroegschoolse educatie aan te sporen de mogelijkheid van Europese projecten te bekijken; wijst erop dat de beroepsorganisaties op die manier in staat zullen zijn innovaties in het onderwijs bij te houden en zo voorschoolse educatie zinvoller te maken;

122.  blijft erbij dat instellingen voor voor- en vroegschoolse educatie niet mogen worden uitgesloten van de Europese onderwijsruimte; is van mening dat ook deze instellingen de uitwisseling van kennis onder de lidstaten moeten bevorderen, vooral met het oog op het delen van informatie tijdens de uitvoering van innovatieve projecten;

123.  pleit voor nauwere samenwerking tussen personeel in de voor- en vroegschoolse educatie en opvang en leerkrachten in het kleuteronderwijs, teneinde de kwaliteit van het onderwijs en de koppelingen tussen onderwijsniveaus te verbeteren, kleuters voor te bereiden op de overgang naar de basisschool en de aandacht te richten op de ontwikkeling van het kind; benadrukt hoe belangrijk de contacten zijn tussen de aanbieders van voor- en vroegschoolse educatie en opvang en de ouders of verzorgers van kinderen, tussen het schoolpersoneel en kinderen en tussen kinderen onderling;

124.  spoort de lidstaten aan de financiering voor voor- en vroegschoolse educatie en opvang te verhogen evenals de economische ondersteuning en initiatieven (zoals belastingkortingen, subsidies of vrijstelling van kosten) voor ouders en verzorgers, vooral met een sociaal-economisch kansarmere achtergrond, zodat zij ook gebruik kunnen maken van diensten voor voor- en vroegschoolse educatie en opvang en dit ook wordt aangemoedigd;

125.  verzoekt de lidstaten meer te investeren in personeel om deze loopbaan aantrekkelijker te maken voor meer mensen en zodoende de beschikbaarheid van hoog gekwalificeerd personeel in voor- en vroegschoolse educatie en opvang te garanderen;

126.  verzoekt de lidstaten hun systemen te hervormen en te verbeteren om de Barcelona-doelstelling te halen dat ten minste 33 % van de kinderen onder de drie jaar moet deelnemen aan programma's op het vlak van voor- en vroegschoolse educatie en opvang;

Schoolonderwijs

127.  pleit voor de uitvoering van een schoolomvattende aanpak om de sociale integratie, toegankelijkheid, het democratische bestuur, de kwaliteit en de diversiteit van het onderwijs te verbeteren en het aantal vroegtijdige schoolverlaters te beperken en het probleem van jongeren die geen werk hebben en evenmin onderwijs of een opleiding volgen aan te pakken, maar tegelijkertijd leerresultaten, de behoeften en het welzijn van studenten en hun betrokkenheid bij het schoolleven centraal te stellen bij alle activiteiten; pleit voor de bevordering en ondersteuning van democratische structuren voor de vertegenwoordiging van schoolleerlingen;

128.  onderstreept dat het hoge aantal jongeren dat geen werk heeft en evenmin onderwijs of een opleiding volgt – bijna 6,3 miljoen jongeren tussen de 15 en 24 jaar – teruggedrongen kan worden met maatregelen om vroegtijdig schoolverlaten te voorkomen en door scholen praktischer te maken en meer te verbinden met hun lokale omgeving, en door banden aan te gaan met lokale ondernemingen, lokale autoriteiten, maatschappelijke instellingen en ngo's; is van mening dat vroegtijdig schoolverlaten, een van de redenen dat bepaalde jongeren geen werk hebben en evenmin onderwijs of een opleiding volgen, aangepakt kan worden door armoede en sociale uitsluiting te bestrijden; acht het ook belangrijk studenten te ondersteunen bij het vinden van hun eigen leermethoden, waaronder onlinecursussen en een combinatie van blended learning; is ingenomen met de tenuitvoerlegging van relevante en aantrekkelijke onderwijsprogramma's en sterke en goed ontwikkelde begeleidingssystemen met kwalitatief hoogwaardige adviesdiensten en studieoriëntatie voor alle studenten;

129.  benadrukt dat er meer mogelijkheden en structuren moeten komen voor interne en externe samenwerkingsverbanden op schoolniveau, waaronder interdisciplinaire samenwerking, teamonderwijs, schoolclusters en de communicatie met partijen die betrokken zijn bij het ontwerp en de tenuitvoerlegging van leertrajecten, onder andere ouders; wijst op het belang van internationale uitwisselingen en partnerschappen tussen scholen door middel van programma's als Erasmus+ en e‑Twinning;

130.  benadrukt dat schoolonderwijs ook flexibeler gemaakt moet worden om beter in te kunnen spelen op de leefomstandigheden van studenten, bijv. door meer gebruik te maken van onlinediensten zodat bijvoorbeeld mogelijkheden voor blended learning kunnen worden verbeterd;

131.  is van mening dat hoe eerder mensen STEAM-vaardigheden verwerven, des te beter hun kansen zijn op toekomstig succes in onderwijs of werk; moedigt dan ook meer STEAM-initiatieven aan op scholen, en parallel daaraan de bevordering van sociale en menswetenschappen, onder andere door middel van nauwere en meer gevarieerde samenwerking met instellingen voor hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

132.  spoort de Commissie aan de ontwikkeling van taalvaardigheden bij jonge Europeanen in formele en niet-formele leeromgevingen te steunen door innovatieve, meertalige pedagogische methoden te ontwikkelen, de beste meertalige pedagogische praktijken te delen en de taalbeheersing van leerkrachten op een hoger plan te tillen;

133.  spoort de lidstaten en de Commissie aan bestaande initiatieven te ondersteunen en alomvattende beleidsmaatregelen in het leven te roepen en uit te voeren met betrekking tot inclusief onderwijs en strategieën die gericht zijn op de aanpak van specifieke behoeften, waarmee de rechten van de meest kwetsbare groepen worden bevorderd, er inclusievere leeromgevingen tot stand komen en openheid en betrokkenheid worden gestimuleerd; verzoekt de Commissie om samen met het Europees Agentschap voor bijzondere onderwijsbehoeften en inclusief onderwijs innovatieve methoden en didactische hulpmiddelen te ontwikkelen om inclusie te bevorderen en in de behoeften van elke leerling te voorzien;

134.  beveelt de lidstaten aan lessen over de EU op te nemen in het lesprogramma van middelbare scholen om leerlingen bekend te maken met de werking en de geschiedenis van de Unie en de waarden van het Europees burgerschap;

135.  benadrukt hoe belangrijk het is om kennis over de geschiedenis van vrouwenemancipatie en in het bijzonder het vrouwenkiesrecht op te nemen en te bevorderen in de curricula van scholen en de lessen, ook naar aanleiding van symbolische jubilea (bijv. 100 jaar stemrecht voor vrouwen in Polen en Duitsland in 2018), met het oog op bewustwording en daarmee de bevordering van vrouwenrechten in een onderwijscontext;

136.  benadrukt het belang van voorlichting over gezondheid en relaties, waarin kinderen en jongeren leren over relaties op basis van gelijkheid, instemming, respect en wederkerigheid, en over rechten van vrouwen en meisjes, waaronder reproductieve en seksuele rechten, als middel om stereotypen tegen te gaan, gendergerelateerd geweld te voorkomen en het welzijn te bevorderen;

137.  juicht trainingen van het Rode Kruis op scholen voor leerlingen, leerkrachten en niet-onderwijzend personeel toe, als hulpmiddel om essentiële EHBO-vaardigheden op te doen en te kunnen handelen in een noodsituatie;

138.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om een proefregeling op te zetten waarmee uitwisselingen van middelbare scholieren worden ondersteund en in het kader waarvan ze ten minste een semester in een andere lidstaat doorbrengen;

139.  verzoekt de lidstaten het gebruik van gestandaardiseerde teksten niet vaker dan nodig te gebruiken als instrumenten om het niveau van verworven kennis en vaardigheden te beoordelen;

140.  spoort de lidstaten aan te overwegen maatregelen te nemen om te erop toe te zien dat studieperioden in het buitenland die niet leiden tot een diploma of kwalificatie erkend worden; verzoekt de Commissie in dit verband richtsnoeren voor te stellen voor de erkenning van studieperioden in het buitenland, waarbij rekening wordt gehouden met de bestaande goede praktijken in de lidstaten, het beginsel van wederzijdse waardering tussen onderwijssystemen, de op sleutelcompetenties gebaseerde aanpak en de specifieke kenmerken van nationale onderwijsstelsels en culturen;

141.  verzoekt de Commissie, de lidstaten en de regionale autoriteiten de problemen pesten, cyberpesten, intimidatie, verslaving en geweld aan te pakken door op schoolniveau en in samenwerking met de rechtstreeks betrokkenen en alle belanghebbenden (vooral leerkrachten, ouderverenigingen en ngo's die op dit terrein actief zijn) preventieprogramma's en bewustmakingscampagnes over inclusie te ontwikkelen;

142.  stelt voor dat de lidstaten, hun onderwijsinstellingen en de Commissie sport op school actiever bevorderen;

Hoger onderwijs

143.  dringt erop aan bij de totstandbrenging van de Europese onderwijsruimte uit te gaan van de mogelijkheden van reeds bestaande kaders, zoals de Europese onderzoeksruimte, de Innovatie-unie en de Europese ruimte voor hoger onderwijs, op een manier dat ze elkaar kunnen versterken en aanvullen;

144.  spoort de lidstaten aan ten minste 2 % van hun bbp te investeren in hoger onderwijs en te voldoen aan de EU-benchmark om uiterlijk in 2020 3 % van het bbp van de Unie geïnvesteerd te hebben in O&O;

145.  stelt voor dat de lidstaten en regionale autoriteiten bij de besteding van nationale en regionale middelen en bij de toewijzing van de Europese structuur- en investeringsfondsen prioriteit verlenen aan onderwijsprogramma's en de bevordering van de samenwerking tussen het hoger onderwijs, de arbeidsmarkt, onderzoeksgemeenschappen en de samenleving als geheel;

146.  verzoekt de lidstaten een inclusievere en meer toegankelijke mobiliteit van studenten, stagiairs, begeleiders van leerlingplaatsen, onderzoekers en administratief personeel te bevorderen, omdat mobiliteit zowel bijdraagt tot hun persoonlijke en professionele ontwikkeling als tot een hogere kwaliteit van leren, onderwijzen, onderzoek en administratie; pleit voor de bevordering van mobiliteit voor iedereen, onder andere door middel van een soepele erkenning van in het buitenland behaalde studiepunten en academische en beroepskwalificaties, toereikende financiering en persoonlijke bijstand, garanties voor sociale rechten en in voorkomend geval de opname van mobiliteit als onderdeel van onderwijsprogramma's; wijst in dit verband op de nieuwe initiatieven van de Commissie, met inbegrip van de eCard om studentenmobiliteit over de grenzen te vergemakkelijken;

147.  is van mening dat de financiering voor de mobiliteit van onderwijzend personeel en onderzoekers moet worden verhoogd door niet alleen onkosten te vergoeden maar ook studie-/onderzoeksbeurzen te verstrekken, de duur van perioden in het buitenland te verlengen, goedkeuringsprocedures te vereenvoudigen en co-mentorschappen van leerkrachten en onderzoekers te stimuleren;

148.  verzoekt de Commissie de lidstaten aan te sporen mobiliteit in het volwassenonderwijs een impuls te geven, zoals al het geval is in het programma Erasmus+;

149.  benadrukt dat de wederzijdse grensoverschrijdende erkenning en compatibiliteit van kwalificaties en universitaire diploma's gegarandeerd moeten worden waarmee het systeem van kwaliteitsborging op EU-niveau en in alle landen die zich hebben aangesloten bij de Europese ruimte voor hoger onderwijs versterkt wordt;

150.  benadrukt dat er uitvoerige strategieën en geschikte instrumenten moeten worden ontwikkeld om de kwaliteit van nieuwe onderwijs- en leermethoden te kunnen bepalen, bijv. e-leren, open onlinecursussen voor een groot publiek (MOOC's) en vrij toegankelijke hulpbronnen; onderkent in dit verband de rol van de Europese Vereniging voor kwaliteitszorg in het hoger onderwijs (ENQA) en andere relevante Europese netwerken, gezien hun bijdrage aan de totstandbrenging van kwaliteitsborging;

151.  roept de Commissie en de lidstaten op de nieuwe EU-agenda voor het hoger onderwijs beter onder de aandacht te brengen bij instellingen voor hoger onderwijs, regionale en lokale autoriteiten en werkgevers, teneinde te voldoen aan de behoeften van instellingen voor hoger onderwijs en studenten, en de uitdagingen waarmee ze kampen het hoofd te bieden, contacten te leggen met lokale en regionale spelers, lokale gemeenschappen te bereiken, lokale en regionale ontwikkeling en innovatie te bevorderen, te werken aan inclusieve en onderling verbonden systemen voor hoger onderwijs, de samenwerking met het beroepsleven te verbeteren en in te gaan op de regionale behoeften aan vaardigheden; spoort de instellingen voor hoger onderwijs daarnaast aan meer betrokken te raken bij lokale en regionale ontwikkeling, onder andere door deel te nemen aan coöperatieve gemeenschapsprojecten;

152.  pleit voor het nakomen van de verbintenissen in de nieuwe agenda voor vaardigheden, waaronder de ondersteuning van lidstaten bij hun inspanningen om meer informatie beschikbaar te stellen over hoe afgestudeerden het doen op de arbeidsmarkt; is in dit verband ingenomen met het voorstel om uiterlijk in 2020 een Europees systeem voor het volgen van het carrièrepad van afgestudeerden op te zetten; is van mening dat informatie over het carrièrepad van afgestudeerden en de verzameling van accurate en relevante gegevens (niet alleen op nationaal maar ook op EU-niveau) essentieel is voor kwaliteitsborging en de ontwikkeling van hoogwaardig onderwijs;

153.  spoort de Commissie aan haar inspanningen op te voeren om de onderzoeks- en innovatiekloof tussen lidstaten en regio's te dichten door nieuwe initiatieven voor te stellen in het kader van de Marie Skłodowska-Curie-acties, en de combinatie van onderzoeks- en onderwijsactiviteiten te steunen voor begunstigden van de Marie Skłodowska-Curie-acties, die zich opmaken voor een academische carrière;

154.  stelt voor dat de STE(A)M-coalitie van de EU moet bestaan uit een breed scala aan disciplines om studenten voor te bereiden op het leven en een baan in een dynamisch veranderende realiteit;

155.  is het eens met de toekenning van studiepunten in het kader van het Europees puntenoverdrachtssysteem aan studenten die vrijwilligerswerk voor de gemeenschap doen, als een manier om bij te dragen aan de professionele en persoonlijke ontwikkeling van studenten;

156.  benadrukt dat programma's voor internationale samenwerking, culturele diplomatie en beleidsdialogen met derde landen op het vlak van hoger onderwijs niet alleen de kennisoverdracht vergemakkelijken, maar ook bijdragen aan een betere kwaliteit en een hogere internationale status van het Europees hoger onderwijs, en daarnaast onderzoek en innovatie stimuleren, mobiliteit en de interculturele dialoog bevorderen en internationale ontwikkeling aanwakkeren in overeenstemming met de EU-doelstellingen voor extern optreden;

157.  is van mening dat toekomstbestendige onderwijssystemen ook lessen over duurzaamheid en vredesopbouw moet omvatten en deel moet uitmaken van een bredere beraadslaging over professionele geletterdheid in het kader van de toenemende digitalisering en robotisering van de Europese samenlevingen, waarbij de nadruk niet alleen op economische groei, maar ook op de persoonlijke ontwikkeling en op een betere gezondheid en een beter welzijn van studenten moet liggen;

158.  verzoekt de lidstaten de samenwerking tussen onderwijsinstellingen en het bedrijfsleven aan te wakkeren om studenten beter voor te bereiden op hun eerste schreden op de arbeidsmarkt en actie te ondernemen om de discrepantie tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden en het tekort aan bepaalde vaardigheden aan te pakken; pleit in dit opzicht voor de opname van hoogwaardige en relevante stageplaatsen, die worden erkend via ECTS-studiepunten, in programma's voor hoger onderwijs en beroepsonderwijs en -opleidingen, voor de samenwerking tussen instellingen voor hoger onderwijs, het bedrijfsleven, de onderzoekssector en lokale en regionale economische spelers voor het op poten zetten van kwalitatief hoogstaande systemen voor duaal onderwijs en duale beroepsopleidingen, loopbaanbegeleiding, leerlingplaatsen, stages evenals op de realiteit gebaseerde opleidingen, die onderdeel moeten uitmaken van de curricula in het beroeps- en hoger onderwijs; verzoekt de lidstaten daarnaast om het recht te garanderen van elke jongere in de EU op het vinden van een baan, een leerlingplaats, een aanvullende opleiding of een combinatie van werk en opleiding;

159.  is van mening dat het, om de kwaliteit van leerlingplaatsen en stages te waarborgen, van fundamenteel belang is dat er een contract wordt gesloten waarin de rollen en verantwoordelijkheid van alle betrokken partijen worden afgebakend en dat een omschrijving bevat van de duur, leerdoelen en taken die overeenkomen met duidelijk omschreven vaardigheden die verworven moeten worden, de aard van de dienstbetrekking, een toereikende vergoeding/beloning, onder andere voor overwerk, alsmede regelingen voor sociale bescherming en sociale zekerheid op grond van de geldende nationale wetgeving, de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomsten, of beide;

160.  benadrukt dat stages en leerlingplaatsen een passende leerinhoud en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden moeten omvatten, om de cruciale rol ervan voor de overgang van onderwijs naar het beroepsleven te waarborgen; benadrukt dat stages en leerlingplaatsen nooit mogen worden gebruikt als vervanging voor banen, en dat stagiairs en leerlingen nooit mogen worden behandeld als goedkope of zelfs onbetaalde werkkrachten;

161.  stelt voor dat universiteiten en opleidingscentra basisopleidingen en bijscholingscursussen verzorgen voor leerkrachten in het beroepsonderwijs, met bijdragen van experts op de werkterreinen die overeenstemmen met de vakgebieden die aan bod komen in de beroepsopleidingen;

De leerkracht die garant staat voor kwaliteitsonderwijs

162.  verzoekt de Commissie en de lidstaten leerkrachten te ondersteunen bij het integreren van innovatie en technologie in hun lessen door hun digitale vaardigheden te verbeteren, en door ze relevante hulpmiddelen en begeleiding aan te reiken, bijv. door meer opfriscursussen aan te bieden en door onlinegemeenschappen en open leermiddelen en cursussen te ontwikkelen;

163.  staat achter de oprichting van een academie voor onderwijs en leren als een aanvullende voorziening voor leerkrachten om beste praktijken op Europees niveau te oefenen en uit te wisselen, door een centrum voor online-uitwisselingen, het delen van ervaringen en van elkaar leren aan te bieden, dat tevens als locatie kan dienen voor regelmatige bijeenkomsten in de vorm van workshops, seminars en conferenties om de samenwerking tussen leerkrachten te bevorderen, de kwaliteit van de lessen te verbeteren en de professionele ontwikkelingen van leerkrachten te stimuleren; verzoekt de Commissie een project voor te stellen voor de oprichting van een dergelijke academie die ook gebaseerd moet worden op de ervaring die is opgedaan met de European Schoolnet Academy;

164.  herinnert eraan dat het belangrijk is dat docenten van instellingen voor hoger onderwijs een pedagogische opleiding volgen en dat in aanwervingsprocedures ten minste evenveel belang wordt gehecht aan pedagogische als aan onderzoeksvaardigheden; benadrukt de rol van op onderzoek gebaseerd onderwijs en pedagogisch onderzoek om een studentgerichte aanpak in het onderwijs te stimuleren, actief leren en de ontwikkeling van vaardigheden te bevorderen en didactische methoden te verbeteren;

165.  verzoekt de lidstaten stimuleringsmaatregelen te introduceren om jonge mensen en gekwalificeerde leerkrachten aan te trekken en te motiveren om aan de slag te gaan in het onderwijssysteem;

166.  benadrukt dat de professionele status van personeel in de voor- en vroegschoolse educatie en opvang moet worden erkend;

167.  verzoekt om ondersteuning voor leraren die meertalige lessen verzorgen, aangezien dit een belangrijke factor vormt voor de internationalisering van het onderwijs;

168.  benadrukt de rol van intercultureel leren als onderdeel van de lerarenopleiding om de interculturele vaardigheden van leerkrachten te verbeteren, teneinde de Europese cultuur, gemeenschappelijke waarden en een Europese onderwijsdimensie te bevorderen; merkt op dat interculturele competenties essentieel zijn om te kunnen werken in steeds diversere samenlevingen en om internationalisering op schoolniveau te stimuleren;

169.  is zich bewust van de noodzaak om synergieën te creëren tussen de kennis van leerkrachten en het technologische potentieel van leerlingen en zo de leerresultaten te optimaliseren;

170.  pleit voor de opname van lerarenstages in alle stadia van de lerarenopleiding, onder begeleiding van getrainde mentoren;

171.  spoort leerkrachten en schooldirecteuren aan om innovatie te bevorderen en het voortouw te nemen in het introduceren en ontwikkelen van innovaties in de schoolomgeving;

172.  spoort instellingen voor hoger onderwijs aan prioriteit en ondersteuning te verlenen aan de verbetering en actualisering van de pedagogische kennis van leerkrachten en onderzoekers in het hoger onderwijs en dit ook te belonen, waaronder de didactische mogelijkheden die worden geboden door moderne technologie, als een manier om studenten beter te laten presteren en de onderwijsmethoden doeltreffender te maken;

173.  schaart zich achter de ontwikkeling van nieuwe, innovatieve en ambitieuze lestechnieken en onderwijsnormen om beter in te spelen op de behoeften van studenten en instellingen voor hoger onderwijs en op de uitdagingen van een snel veranderende wereld;

174.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

PB C 183 van 14.6.2014, blz. 30.

(2)

PB C 398 van 22.12.2012, blz. 1.

(3)

PB C 172 van 27.5.2015, blz. 17.

(4)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0360.

(5)

PB C 417 van 15.12.2015, blz. 25.

(6)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 50.

(7)

PB C 346 van 21.9.2016, blz. 2.

(8)

Aangenomen teksten P8_TA(2017)0018.

(9)

PB C 484 van 24.12.2016, blz. 1.

(10)

PB C 398 van 22.12.2012, blz. 1.

(11)

http://www.socialsummit17.se/wp-content/uploads/2017/11/Concluding-report-Gothenburg-summit.pdf

(12)

https://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/en/educ/122123.pdf

(13)

PB C 104 van 16.4.1984, blz. 69.

(14)

PB C 135 van 26.5.2010, blz. 12.

(15)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0303.

(16)

http://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php/Gender_statistics

(17)

 http://www.cedefop.europa.eu/en/publications-and-resources/publications/3072, https://www.eurofound.europa.eu/sites/default/files/ef_publication/field_ef_document/ef1502en_0.pdf

(18)

Mededeling van de Commissie van 10 juni 2016 getiteld "Een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa: samenwerken ter versterking van het menselijk kapitaal, de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en het concurrentievermogen" (COM(2016)0381).


TOELICHTING

"Als we vandaag onderwijzen zoals gisteren, beroven we onze kinderen van morgen."

John Devery

We leven in een snel veranderende wereld.

Technologische ontwikkelingen en globalisering brengen nieuwe uitdagingen met zich mee, ook voor het onderwijs.

In de informatiemaatschappij heeft het onderwijs niet alleen de taak om kennis over te dragen en vaardigheden die nodig zijn voor het aanwenden van deze kennis, maar ook om mensen te leren hoe ze zelf kennis kunnen vergaren, wat een cruciaal economisch middel is en de sleutel tot concurrentievermogen en welvaart voor de gemeenschap.

De waarde van modern menselijk kapitaal is afgeleid van intellectueel potentieel, het vermogen zich aan te passen aan veranderingen in de omgeving, een positieve houding tegenover innovatie en de bereidheid om risico's te nemen. De rapporteur heeft zich in haar werk op het gebied van onderwijsmodernisering laten leiden door drie belangrijke, tot de waardeleer behorende aannames:

1.  1. De traditionele leerplaats, d.w.z. de school, wordt nu aangevuld met een groot aantal andere beschikbare informatiebronnen. Moderne technologieën hebben de grenzen van het onderwijs verlegd, mogelijkheden gecreëerd voor multidimensionale onderwijsactiviteiten en een bredere ONDERWIJSOMGEVING tot stand gebracht. De grote uitdaging is ervoor te zorgen dat scholen de interessantste plek in deze omgeving vormen.

2.  Het onderwijs heeft de taak om van een leerling een veelzijdig MENS te maken dat in staat is zichzelf te ontplooien in zijn of haar professionele, sociale, culturele en maatschappelijk leven in een diverse, mondiale omgeving.

3.  Voor menselijke ontwikkeling is niet alleen veiligheid nodig, waarvoor staten bereid zijn geld uit te geven en vredesakkoorden te sluiten. Een belangrijke voorwaarde voor succesvolle ontwikkeling is een BESCHAVINGSAKKOORD, gebaseerd op inclusieve, hoogwaardige en voldoende gefinancierde onderwijssystemen.

De rapporteur heeft het volgende verslag goedgekeurd.

Allereerst benadrukte de rapporteur het belang van onderwijs als cruciaal onderdeel van economisch potentieel en als de sleutel tot ontwikkeling in een informatiemaatschappij. Hierna onderzocht ze de veranderende realiteit van het onderwijs en noemde ze de uitdagingen die deze met zich meebrengt in bepaalde onderwijsfases. Vervolgens richtte de rapporteur zich op de leraar als belangrijkste garant voor een succesvolle modernisering van het onderwijs. Ten slotte deed de rapporteur een aantal aanbevelingen voor een doeltreffende ontwikkeling en uitvoering van het hervormingsproces van het onderwijs.

De richting waarin het onderwijs verandert, wordt bepaald door demografische en maatschappelijke uitdagingen in Europa, de behoeften van de arbeidsmarkt, nieuwe technologieën, persoonlijke voorkeuren en onderwijsbehoeften. Het is belangrijk dat onderwijssystemen rekening houden met deze factoren, teneinde niet alleen hoogwaardige kennis aan te bieden, maar ook te waarborgen dat leerlingen de juiste competenties verwerven, waaronder de belangrijkste competentie van de 21e eeuw: het vermogen om op succesvolle wijze een leven lang te leren.

Voor- en vroegschoolse educatie en opvang

De rapporteur benadrukt het belang van voor- en vroegschoolse educatie en opvang voor de algemene ontwikkeling van een kind, voor de vorming van een positieve houding tegenover onderwijs en voor de ontwikkeling van leervaardigheden. De rapporteur schenkt in dit kader bijzondere aandacht aan een betere toegang tot hoogwaardige voor- en vroegschoolse educatie en opvang voor iedereen en de noodzaak om ondersteuning te bieden aan gezinnen in een achterstandspositie, zowel qua infrastructuur als qua financiering. Ook de professionaliteit en bekwaamheid van mensen die met kinderen werken en de erkenning van hun professionele status zijn cruciaal. De rapporteur verzoekt ook om de ontwikkeling van een Europees kader voor voor- en vroegschoolse educatie en opvang dat de holistische ontwikkeling van het kind waarborgt en de kwaliteit van voor- en vroegschoolse educatie en opvang bewaakt. In de laatste fase van voor- en vroegschoolse educatie en opvang zouden de mensen die met het kind werken en de toekomstige leraren van het kind moeten samenwerken om een gepersonaliseerd onderwijsproces te ontwerpen waarmee de brede persoonlijke ontwikkeling van het kind wordt ondersteund en waarbij rekening wordt gehouden met zijn of haar vaardigheden en voorkeuren. De individualisering van het onderwijsproces, in samenhang met duidelijk omschreven leerresultaten en een motiverende leeromgeving, is volgens de rapporteur de belangrijkste uitdaging en de doelstelling van een gemoderniseerd schoolsysteem.

Onderwijsinstellingen

Een school waar een leraar fungeert als de enige vergaarbak van kennis die de leerlingen moeten verwerven behoort tot het verleden. De rapporteur ziet moderne scholen als centra waar men kritisch en creatief leert denken. Hiervoor is een paradigmaverschuiving in het onderwijs nodig. Kennis uit het hoofd leren moet worden vervangen door nadenken, begrijpen en discussiëren. Hiervoor zijn hoogwaardige curricula en bijzondere aandacht voor de verwerving van basisvaardigheden nodig. In een gemondialiseerde wereld zijn ook taalvaardigheden belangrijk.

Moderne technologieën en de mogelijkheden die zij bieden kunnen de interactie tussen leerling en leraar vergemakkelijken, onderwijsachterstanden als gevolg van omgevingsfactoren van de leerling verlichten en het leerproces doeltreffender en interessanter maken.

Naast hun onderwijzende functie hebben scholen ook een veelzijdige maatschappelijke rol te vervullen, te weten de bevordering van inclusie, gelijke onderwijskansen, teamwerk, projectwerk en maatschappelijke betrokkenheid. Scholen moeten daarnaast een veilige plek zijn voor leerlingen en leraren. De rapporteur pleit daarom voor de ontwikkeling van strategieën om geweld tegen leeftijdgenoten, online pesten, discriminatie en alle vormen van pesterijen tegen te gaan.

Dit is niet mogelijk zonder bekwaam bestuur, ondersteuning voor leraren en hiërarchische structuren op school en een schoolbrede aanpak waarin de school als geheel samenwerkt met externe belanghebbenden en de lokale gemeenschap om zo de kwaliteit van de school en de efficiëntie van al haar functies te waarborgen.

Door ervoor zorgen dat scholen sterk geworteld zijn in hun gemeenschap kan decentralisatie en meer autonomie worden bereikt. Dit is voordelig, mits scholen in staat zijn hun ontwikkeling efficiënt te plannen en vorm te geven en ze verantwoording over hun werkzaamheden afleggen aan ouders, lokale gemeenschappen en de onderwijsautoriteiten.

Hoger onderwijs

Het hoger onderwijs speelt een cruciale rol in de ontwikkeling van het potentieel en het concurrentievermogen van de Europese economie. Opleidingsniveau, sociaal ondernemerschap en een positieve houding tegenover innovatie zijn de succesfactoren van het Europese project.

De rapporteur benadrukt in dit kader de noodzaak om de "kennisdriehoek" te versterken en de relatie tussen onderzoek en onderwijs te verbeteren. De rapporteur benadrukt ook dat hogeronderwijssystemen veel flexibeler en opener moeten worden om te zorgen voor betere doorstroommogelijkheden tussen verschillende onderwijsniveaus, erkenning van informeel en niet-formeel leren en verschillende uitvoeringsvormen van de studieprogramma's, onder meer door gebruik te maken van nieuwe technologieën die het mogelijk maken de student centraal te stellen en interdisciplinaire programma's uit te voeren.

Om horizontale, sociale en burgerschapscompetenties bij studenten te ontwikkelen is het belangrijk om middels ECTS-punten erkende stages en duaal onderwijs in de studieprogramma's van het hoger onderwijs op te nemen. Daarnaast moet er rekening worden gehouden met lokale problemen en behoeften door deze te integreren in onderwijsprogramma's en onderzoeksprojecten en zodoende de ontwikkeling van slimme specialisaties te versterken.

De rapporteur is van mening dat de uitwisseling van beste praktijken en intensieve samenwerking door een verbeterde mobiliteit van studenten en personeel, een soepelere erkenning van diploma's, en een internationale dimensie in onderwijs- en onderzoeksprogramma's centraal moeten staan binnen de Europese instellingen voor hoger onderwijs.

De leraar als garant voor kwaliteitsonderwijs

Leraren en hun vaardigheden en toewijding zijn sleutelelementen voor veranderingen in het onderwijs.

De rapporteur benadrukt de noodzaak om zeer gemotiveerde kandidaten met aanleg voor lesgeven aan te nemen. Volgens de rapporteur moeten zowel het studieprogramma als de onderwijsmethoden van lerarenopleidingen worden aangepast. Gedegen academische kennis is een belangrijke voorwaarde voor de uitoefening van het beroep van leraar, maar het is ook cruciaal om met kinderen en jonge mensen te kunnen werken.

De rapporteur benadrukt in dit kader hoe belangrijk het is om een uitgebreide stagemodule op te nemen in het studieprogramma van lerarenopleidingen en leraren geavanceerde digitale vaardigheden aan te leren, teneinde de gewenste synergieën te bereiken tussen de kennis en vaardigheden van leraren en die van studenten.

De rapporteur benadrukt daarnaast dat er verbetering moet komen in de status van leraren, hun arbeidsvoorwaarden, carrièremogelijkheden en salaris, dat er moet worden geïnvesteerd in hun continue professionele ontwikkeling en dat hun deelname aan internationale uitwisselingen moet worden verhoogd.

In het licht van bovengenoemde overwegingen ondersteunt de rapporteur het idee van de Commissie om een Europese onderwijsruimte te creëren. De rapporteur benadrukt echter dat deze consistent moet zijn met hetgeen tot nu toe bereikt is door middel van de Europese ruimte voor hoger onderwijs en de Europese onderzoeksruimte. Ze is bovendien van mening dat de lidstaten sterke politieke steun moeten verlenen aan de Europese onderwijsruimte, opdat hun gezamenlijke inspanningen een nieuwe impuls zullen geven aan de ontwikkeling van het onderwijs, waarbij de beginselen van subsidiariteit, vrijheid van onderwijs en institutionele autonomie geëerbiedigd worden.

De rapporteur spoort de lidstaten en regionale autoriteiten aan om meer te investeren in het onderwijs door gebruik te maken van de Europese structuur- en investeringsfondsen en om leraren en managers zowel op het gebied van moderne technologieën als bij de ontwikkeling van leerlinggerichte onderwijsmethoden te ondersteunen. Op deze manier wordt tegelijkertijd de kwaliteit van het onderwijs, die kan worden afgemeten aan de rijkdom aan overgedragen kennis en vaardigheden, creativiteit en het vermogen een leven lang te leren, gewaarborgd.

Bij de voorbereiding van dit verslag heeft de rapporteur contact gehad met een groot aantal belanghebbende vertegenwoordigers van de EU-instellingen, verschillende onderwijsniveaus en verenigingen die betrokken zijn bij het onderwijs. De rapporteur heeft ook een seminar georganiseerd over de modernisering van het onderwijs, met deelname van onder meer commissaris Tibor Navracsics, voorzitter van de Commissie cultuur en onderwijs Petra Kammerevert, leden van het Europees Parlement, vertegenwoordigers van de Commissie, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's en vertegenwoordigers van de academische wereld en verschillende organisaties en verenigingen.(1)

(1)

Panelleden van het seminar: Dr. Jan Peeters, Centre for Innovation in the Early Years; Larissa Nenning, Organising Bureau of European School Student Unions; Dr. Thomas Ekman Jørgensen, European University Association; Sarika Vij, The Guild of European Research-Intensive Universities; Asa Morberg, Association for Teacher Education in Europe; Eduardo Nadal, European Trade Union Committee for Education; Brikena Xhomaqi, Lifelong Learning Platform; Horst Dreimann, European Association of Institutes for Vocational Training.

Deelnemende organisaties (niet-uitputtende lijst): Democracy and Human Rights Education in Europe, AEGEE / European Students’ Forum, International Organization for the Development of Freedom of Education, Erasmus Student Network, European University Foundation, World Scout Bureau - European Regional Office, European Association of Service Providers for Persons with Disabilities, European Youth Forum, European Association for Quality Assurance in Higher Education, ThinkYoung, European Association of Regions and Local Authorities for Lifelong Learning, European Association of Institutions in Higher Education, The European Council for Steiner Waldorf Education Georg Jürgens, European Council of National Associations of Independent Schools, Youth for Exchange and Understanding, German Academic Exchange Service, European Educational Exchanges - Youth for Understanding, European Federation for Intercultural Learning, Association for Teacher Education in Europe, ADS Insight Sprl. Ontvangen standpuntnota's: European Parents’ Association, European Students’ Union, International Certificate Conference Languages.


ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (11.4.2018)

aan de Commissie cultuur en onderwijs

inzake de modernisering van het onderwijs in de Europese Unie

(2017/2224(INI))

Rapporteur voor advies (*): Agnieszka Kozłowska-Rajewicz

(*)  Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 54 van het Reglement

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de bevoegde Commissie cultuur en onderwijs onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  merkt op dat de EU-lidstaten zelf verantwoordelijk zijn voor hun onderwijs- en opleidingsstelsels en dat de EU hen helpt gezamenlijke doelstellingen te bepalen en goede praktijken uit te wisselen;

2.  herinnert eraan dat onderwijs, dat een kritische, analytische en onafhankelijke manier van denken moet bevorderen en gericht moet zijn op zowel culturele en maatschappelijke aspecten als de behoeften van de arbeidsmarkt, van essentieel belang is voor verantwoordelijk burgerschap gebaseerd op een cultuur van wederzijds respect en fundamentele waarden, en een fundamenteel mensenrecht vormt;

3.  herinnert er daarnaast aan dat het eerste beginsel van de Europese pijler van sociale rechten luidt dat iedereen recht heeft op hoogwaardige en inclusieve voorzieningen voor onderwijs, opleiding en een leven lang leren, teneinde de vaardigheden te verwerven en te ontwikkelen die nodig zijn om ten volle aan het maatschappelijk leven te kunnen deelnemen en veranderingen op de arbeidsmarkt met succes te kunnen opvangen;

4.  merkt in het kader van de sinds enkele jaren groeiende sociaaleconomische kloof in de Unie op dat hoogwaardig onderwijs op alle niveaus bijdraagt aan het beperken van ongelijkheden, waaronder sociaal-economische ongelijkheden tussen generaties en genderstereotypes en ‑ongelijkheden, en een belangrijke rol speelt in de bevordering van opwaartse sociale mobiliteit en convergentie;

5.  benadrukt dat de kwaliteit van leraren en hun vrijheid bij het volgen van het leerplan en het kiezen van onderwijsmethoden absolute voorwaarden zijn voor hoogwaardig onderwijs, dat het beste fundament biedt voor leerlingen om later op de arbeidsmarkt te slagen;

6.  benadrukt in dit verband met name dat alle kinderen en studenten in de EU, ook degenen met een beperking, en ongeacht de sociaaleconomische, geografische of culturele achtergrond van hun ouders, toegang tot hoogwaardig onderwijs moeten hebben; verzoekt de lidstaten derhalve te investeren in hoogwaardige onderwijs- en opleidingssystemen;

7.  is van mening dat het afronden van middelbaar onderwijs gratis en verplicht moet zijn en roept de lidstaten op zich meer in te spannen om te zorgen dat personen die het basis- of het middelbaar onderwijs niet hebben afgerond, alsnog een kans krijgen zich opnieuw in te schrijven en hun opleiding af te ronden;

8.  benadrukt de noodzaak om dicht bij huis gelegen scholen en onderwijsinstellingen in alle regio's van de EU in stand te houden, aangezien deze een onontbeerlijk fundament voor goed onderwijs en gelijke kansen vormen bij de harmonisering van leef- en arbeidsomstandigheden in Europa;

9.  wijst erop dat het geavanceerde karakter van de EU-economie en de digitalisering, automatisering en robotisering van de EU-arbeidsmarkt in het postindustriële tijdperk hebben geleid tot een toegenomen vraag naar kwalificaties en vaardigheden van hoog niveau (de snelle veranderingen in ICT-gerelateerde sectoren bijvoorbeeld zullen uiterlijk 2020 resulteren in 756 000 onvervulde vacatures voor ICT-deskundigen in de gehele EU-economie), terwijl de vraag naar kwalificaties en vaardigheden van laag niveau is afgenomen(1); verzoekt de Commissie grondig onderzoek te doen naar de effecten die digitalisering, automatisering en robotisering hebben en zullen hebben op het aantal banen en de aard daarvan;

10.  merkt op dat er vaak een discrepantie bestaat tussen de behoeften van de arbeidsmarkt en de kwalificaties van arbeidskrachten; en wijst er in dit verband op dat ondanks de grote vraag op de arbeidsmarkt naar vaardigheden van hoog niveau en de reactie van het onderwijs hierop in de vorm van de oprichting van een aanzienlijke hoeveelheid instellingen voor hoger onderwijs(2), ongeveer 20 % van de Europeanen, onder wie 1 % universitair afgestudeerden, niet beschikt over basisvaardigheden als taal- en rekenvaardigheid2, (3); herinnert er voorts aan dat 44 % van de Europeanen niet beschikt over digitale basisvaardigheden2,3, wat een ernstige belemmering vormt voor hun deelname op de technologisch geavanceerde arbeidsmarkt en hun burgerlijke en actieve deelname aan de samenleving;

11.  merkt op dat de lidstaten moeten waarborgen dat niemand van school gaat zonder basisvaardigheden, waaronder digitale basisvaardigheden; onderstreept dat de meeste banen tegenwoordig betere taal-, reken-, digitale en andere cruciale vaardigheden vereisen, en dat moderne onderwijssystemen daarom alle acht sleutelcompetenties moeten omvatten die genoemd worden in het voorstel van de Commissie voor de aanbeveling van de Raad inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren, waar ook kennis en attitudes onder vallen; is ingenomen met het feit dat in het voorstel digitale vaardigheden worden gedefinieerd als basisvaardigheden;

12.  benadrukt in dit verband hoe belangrijk het is dat in alle vormen van onderwijs optimaal gebruikgemaakt wordt van digitalisering; verzoekt de lidstaten en de regio's daarom om digitaal en gedigitaliseerd onderwijs in alle schooltypen te bevorderen;

13.  verzoekt de lidstaten in het bijzonder om de digitale vaardigheden van burgers al in een vroeg stadium te verbeteren door middel van passend onderwijs waarmee vaardigheden op het gebied van taal, logica en wiskunde alsook symbolisch denken worden ontwikkeld, en dat gebaseerd is op coderen, programmeren en hieraan gerelateerde activiteiten die belangrijk zijn voor banen in hightechsectoren en, meer in het algemeen, de gedigitaliseerde arbeidsmarkt; stelt vast dat deze vaardigheden universeel zijn en in talloze andere sectoren alsook in het dagelijks leven van nut kunnen zijn; is in dit verband ingenomen met initiatieven van de Commissie zoals de programmeerweek en de coalitie voor digitale vaardigheden en banen, en verzoekt de lidstaten om uitgebreide nationale strategieën inzake digitale vaardigheden te ontwikkelen die zowel leraren als leerlingen kunnen helpen en ondersteunen bij het verwerven van digitale vaardigheden;

14.  verzoekt de lidstaten te waarborgen dat de beheersing van basisvaardigheden een absolute voorwaarde is voor het behalen van een diploma op welke school dan ook, van basisschool tot universiteit, alsook in het volwassenenonderwijs, en verzoekt de lidstaten prioriteit te verlenen aan de bijscholing van volwassenen met een laag vaardighedenniveau; is in dit verband ingenomen met het initiatief inzake bijscholingstrajecten - een belangrijk programma in de nieuwe vaardighedenagenda voor Europa;

15.  acht het van essentieel belang dat zowel in lerarenopleidingen als in bijscholingscursussen voor leraren aandacht wordt besteed aan digitale vaardigheden;

16.  benadrukt dat er bij het aanleren van digitale basisvaardigheden en digitale geletterdheid in het onderwijs ook aandacht moet worden geschonken aan het gematigd gebruik van elektronische apparaten, teneinde overmatig gebruik van computers, internet of mobiele telefoons te voorkomen en kinderen te behoeden voor gewoonteverslavingen aan online games en sociale media;

17.  benadrukt het belang van levenslange loopbaanbegeleiding om te waarborgen dat mensen geschikte, flexibele en hoogwaardige opleidings- en carrièrepaden volgen; benadrukt dat de mogelijkheden voor leerlingplaatsen en opleidingen gepromoot moeten worden door meer bekendheid te geven aan initiatieven voor studenten, hun ouders, lerende volwassenen, onderwijs- en opleidingsaanbieders, werkgevers en openbare diensten voor arbeidsvoorziening;

18.  herinnert aan het belang van een leven lang leren door bij- en omscholing, de totstandbrenging van nieuwe mogelijkheden voor actieve inclusie en de ontwikkeling van vaardigheden en kwalificaties, met name voor laagopgeleiden, langdurig werklozen, personen met een speciale behoefte, oudere generaties en migranten; benadrukt dat er moet worden gestreefd naar een persoonlijke benadering van loopbaanplanning en permanente educatie en opleiding; moedigt de Commissie aan de lidstaten te ondersteunen bij de ontwikkeling van opleidings- en onderwijsprogramma's die de actieve inclusie en herintegratie van volwassenen die terugkeren op de arbeidsmarkt bevorderen;

19.  roept de lidstaten op actief bekendheid te geven aan en informatie te verspreiden over de mogelijkheden voor laagopgeleide volwassenen om hun vaardigheden te verbeteren, met inbegrip van toegang tot diensten voor begeleiding en loopbaanadvies; benadrukt dat dergelijke informatie toegankelijk en gebruikersvriendelijk moet zijn;

20.  wijst erop dat ondanks de 2 miljoen vacatures in de EU meer dan 30 % van de gekwalificeerde jongeren met een diploma werk verricht dat niet in overeenstemming is met hun vaardigheden of ambities, terwijl 40 % van de Europese werkgevers problemen ondervindt bij het werven van mensen met de vereiste vaardigheden(4);

21.  merkt op dat de discrepantie in vaardigheden niet alleen te wijten is aan inadequate kwalificaties, maar ook aan onder- of overkwalificatie;

22.  benadrukt dat de discrepantie tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden en het tekort aan gekwalificeerde arbeidskrachten op de arbeidsmarkt significante factoren zijn voor zowel werkloosheid als onvervulde vacatures(5); is van mening dat deze zorgwekkende fenomenen aangepakt moeten worden, onder andere door:

– het onderwijs nauwer te laten samenwerken met zakelijke en sociale partners, zoals werkgeversorganisaties en vakbonden, bijvoorbeeld door beroepsbeoefenaars te vragen een rol te spelen in het creëren van leerlingplaatsen en stages met een werkelijk educatieve waarde;

– de mobiliteit in grensoverschrijdende regio's te verbeteren, onder meer door het uitwisselen van expertise op het hoogste politieke niveau; en door

– te focussen op de holistische ontwikkeling van studenten, dus niet alleen op hun inzetbaarheid, maar ook op hun sociale en burgerschapsvaardigheden; moedigt lidstaten in dit verband aan meer aandacht te schenken aan horizontale en zachte vaardigheden, interculturele vaardigheden, kritisch en creatief denken, probleemoplossingsvermogen en ondernemerschap: allemaal vaardigheden die op de arbeidsmarkt vereist worden;

23.  stelt vast dat verschillende banen dezelfde vaardigheden kunnen vereisen en opgebouwd kunnen zijn uit dezelfde taken; is daarom van mening dat onderwijsstelsels gericht moeten zijn op vaardigheden en taken om snelle baanwisselingen mogelijk te maken; benadrukt in het kader van de ontwikkeling van de samenleving en de arbeidsmarkt dat het onderwijs studenten moet voorzien van de juiste vaardigheden, competenties en kennis om actieve Europese burgers te worden en succes te hebben op de arbeidsmarkt; benadrukt dat het ontwikkelen en aanscherpen van vaardigheden een continu proces is, dat uitstijgt boven alle onderwijsniveaus en zich voortzet op de arbeidsmarkt; is van mening dat zowel in het onderwijsproces als bij de erkenning van opleidingen en kwalificaties aandacht moet komen voor vaardigheden en competenties door middel van een systeem van "micro-credentials" – korte, gecertificeerde cursussen;

24.  is in dit verband ingenomen met de mededeling van de Commissie over een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa(6), waarin oplossingen worden voorgesteld voor de discrepantie tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden en het tekort aan gekwalificeerde arbeidskrachten en voor het vinden van een goed systeem voor de erkenning van vaardigheden; herinnert aan het belang van de tien acties die als onderdeel van deze agenda zijn ondernomen om ervoor te zorgen dat elke EU-burger een passende opleiding kan volgen en wordt ondersteund bij de verwerving van vaardigheden; is van mening dat inzicht in trends en patronen in de vraag naar vaardigheden en banen mensen in staat stelt betere loopbaankeuzes te maken, hoogwaardig werk te vinden en hun kansen in het leven te verbeteren; verzoekt daarom om nadere prognoses van vaardigheden;

25.  merkt verder op dat de prognoses van het Europees Centrum voor ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop) wijzen op een parallelle stijging van de vaardigheden aan vraag- en aanbodzijde tot 2025 en dat de vraag naar vaardigheden van hoog niveau op de arbeidsmarkt het aanbod van het onderwijs aan het overstijgen is; herinnert er in het bijzonder aan dat in de STEM-sectoren in de EU tegen 2020 een tekort aan ruim 200 000 werknemers wordt verwacht; dringt aan op betere samenwerking met maatschappelijke partners om rekening te houden met de behoeften van de arbeidsmarkt, en verzoekt om nadere prognoses van vaardigheden voor de ontwikkeling van de arbeidsmarkt; is ingenomen met het feit dat gebruikers van het toekomstige Europass-platform worden voorzien van informatie over vaardigheden om hen te begeleiden bij hun studie- en carrièrekeuzen;

26.  merkt op dat een aanzienlijk aantal nieuwe banen wordt gecreëerd in bedrijfstakken die zich bezighouden met hernieuwbare energie, en dat groene sectoren en beroepen dienovereenkomstig behandeld moeten worden in het schoolcurriculum;

27.  onderstreept dat het hoge aantal NEET's – bijna 6,3 miljoen jongeren tussen de 15 en 24 jaar die werkloos zijn en geen onderwijs of opleiding volgen – teruggedrongen kan worden door vroegtijdig schoolverlaten te voorkomen en door scholen praktischer te maken en meer te verbinden met hun lokale omgeving, door banden aan te gaan met lokale ondernemingen, lokale autoriteiten, maatschappelijke instellingen en ngo's; is van mening dat vroegtijdig schoolverlaten, een van de redenen dat jongeren NEET's worden, aangepakt kan worden door armoede en sociale uitsluiting te bestrijden; acht het ook belangrijk studenten te ondersteunen bij het zoeken naar hun eigen leermethoden, waaronder online cursussen en "blended learning"; is ingenomen met de tenuitvoerlegging van relevante en aantrekkelijke onderwijsprogramma's en sterke en goed ontwikkelde begeleidingssystemen met kwalitatief hoogwaardige adviseringsdiensten en studieoriëntering voor alle studenten;

28.  wijst op de noodzaak om de vaardigheids- en kwalificatieniveaus onder migranten en vluchtelingen op te schroeven; benadrukt dat er op zowel nationaal als EU-niveau actie nodig is om bij te dragen aan een doeltreffende integratie op de arbeidsmarkt, en dat de arbeidsmarkt moet worden hervormd om beter gebruik te maken van bestaande vaardigheden, kennis en kwalificaties; herinnert eraan dat de systemen voor erkenning en validatie van vaardigheden en kwalificaties, waaronder vaardigheden en kwalificaties die buiten de EU zijn verworven, verbeterd moeten worden;

29.  is zeer verheugd over het feit dat de Commissie, als onderdeel van de inspanningen om het schoolonderwijs in de EU te moderniseren, specifiek wijst op het belang van de bevordering van inclusief onderwijs door het uitwisselen van beste praktijken inzake integratie van migrantenleerlingen en het overbrengen van gemeenschappelijke waarden;

30.  benadrukt dat herscholing en overige maatregelen voor beroepsonderwijs en ‑opleiding voor vluchtelingen en migranten verder moeten worden aangemoedigd;

31.  vestigt de aandacht op de bijzondere onderwijsomstandigheden van kinderen en jongeren wiens ouders voor hun werk in Europa reizen en verzoekt de Commissie een onderzoek te starten naar hun bijzondere situatie en de uitdagingen waarmee zij te maken hebben op het gebied van voorschools en schoolonderwijs;

32.  is van oordeel dat scholen moeten voorzien in ondersteuning en inclusief onderwijs voor alle leerlingen, met name voor degenen met een handicap; benadrukt dat gehandicapte kinderen/leerlingen moeten worden opgenomen in het onderwijs zodat ze een onafhankelijk leven kunnen leiden en volledig kunnen worden geïntegreerd in de samenleving als actieve deelnemers die een volwaardige bijdrage leveren; is van mening dat leerlingen met een handicap als gevolg van de huidige technologische ontwikkelingen makkelijker toegang hebben tot onderwijs dankzij formele en niet‑formele leermethoden; verzoekt lidstaten de toegang tot regulier inclusief onderwijs van hoge kwaliteit te bevorderen, waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van alle studenten met een handicap, wat bijvoorbeeld betekent dat er wordt voorzien in tweetalig inclusief onderwijs voor dove kinderen met het oog op hun specifieke taalkundige behoeften; verzoekt de lidstaten scholen te monitoren op hun niet‑afwijzingsbeleid;

33.  wijst erop dat het tempo waarin de arbeidsmarkt verandert, de diversiteit van onderwijsstelsels, de toenemende mobiliteit onder werknemers en de stijgende migratieniveaus erom vragen dat werkgevers en onderwijsaanbieders ook kwalificaties, vaardigheden en competenties erkennen die zijn verworven tijdens niet-formele en informele leerprocessen(7), op grond van een vergelijkbaar beoordelingssysteem en puttend uit de beste praktijken van lidstaten die reeds dergelijke middelen hebben ingevoerd; benadrukt in dit opzicht het belang van een beleidsrespons gericht op kwetsbare groepen die zijn uitgesloten van de arbeidsmarkt;

34.  brengt in herinnering dat in de aanbeveling van de Raad uit 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren(8) de lidstaten wordt verzocht uiterlijk 2018 regelingen te hebben getroffen voor de validatie van niet-formeel en informeel leren;

35.  wijst nogmaals op het belang van de verbetering of invoering van procedures voor de erkenning van informeel en niet-formeel onderwijs(9), daarbij puttend uit de beste praktijken van lidstaten die reeds dergelijke middelen hebben ingevoerd;

36.  verzoekt de Commissie en de lidstaten zich te blijven inzetten voor de erkenning en validatie van niet-formeel en informeel leren en verzoekt de lidstaten het belang en nut van micro-credentials te erkennen; is ingenomen met de ontwikkeling van MOOC's (massive open online courses), die het onderwijs toegankelijker maken voor kansarme groepen en voor diegenen die door omstandigheden niet kunnen deelnemen aan klassikaal onderwijs, en derhalve hun kans op een betere baan en een beter leven vergroten en zodoende een middel zijn om de werkloosheid, met name onder jongeren, aan te pakken;

37.  verzoekt de lidstaten hun onderwijssystemen internationaler te maken en de mobiliteitsprogramma's uit te breiden om studenten beter voor te bereiden op de EU‑arbeidsmarkt, waar een gebrek aan vaardigheden op het gebied van vreemde talen en culturen de eerste belemmering voor mobiliteit vormt; benadrukt dat mobiliteitsprogramma's voor studenten hebben bijgedragen aan de Europese integratie en een positief effect hebben op de werkgelegenheid voor jongeren; vraagt in dit verband ook speciale aandacht voor het grensoverschrijdende aspect van onderwijs, bijvoorbeeld door het bevorderen van buurtaalonderwijs, en verzoekt in het bijzonder om nieuwe academische prioriteiten op dit gebied te integreren in zowel het hoger als het beroepsonderwijs; acht het van groot belang dat ervoor wordt gezorgd dat hierbij alle schooltypen en alle onderwijsniveaus worden betrokken, zodat de arbeidsmarkt van de EU bereikbaar wordt voor afgestudeerden uit zowel het hoger als het beroepsonderwijs;

38.  verzoekt de Commissie met een voorstel te komen om te waarborgen dat mobiliteitsprogramma's als Erasmus+ wederzijds worden erkend door de lidstaten, en verzoekt de Commissie in te staan voor grotere investeringen in Erasmus+ en voor financiële en individuele steun; erkent dat in 2016 725 000 Europeanen dankzij mobilititeitsbeurzen van Erasmus+ de kans kregen in het buitenland te studeren, een opleiding te volgen, les te geven, te werken of vrijwilligerswerk te doen en dat het programma goed op weg is om te voldoen aan de doelstelling om 3,7 % van de jongeren in de EU tussen 2014 en 2020 te ondersteunen;

39.  stelt voor dat de Commissie in de volgende financieringsperiode (na 2020) ondernemerschapsonderwijs als een van de prioriteiten voor een nieuw Erasmus+-programma handhaaft in al haar acties, met inbegrip van acties gericht op mobiliteit;

40.  betreurt in het kader van de groeiende vraag naar competenties en vaardigheden van hoog niveau dat de aanzienlijke ontwikkeling van het hoger onderwijs mettertijd zal leiden tot een inflatie van diploma's en tegelijkertijd tot een groeiend tekort aan beroepsvaardigheden en -kwalificaties, hetgeen zal resulteren in ongelijkheden op de arbeidsmarkt;

41.  pleit met het oog hierop voor de ontwikkeling van meer op de arbeidsmarkt gerichte vaardigheden en voor veel meer praktijkgerichte opleidingen; verzoekt de lidstaten in het bijzonder om meer tertiair beroepsonderwijs te ontwikkelen, teneinde studenten in de gelegenheid te stellen hoogwaardige kwalificaties te behalen met betrekking tot praktische vaardigheden en opleidingen; benadrukt in dit verband het belang van doorstroommogelijkheden tussen verschillende onderwijssystemen;

42.  constateert dat, ongeacht het toenemende aantal studenten, het aandeel afgestudeerden met vaardigheden van hoog niveau in de lidstaten zeer uiteenloopt, en dat het aantal afgestudeerden in de EU met vaardigheden van zeer laag niveau varieert van 10 % tot ruim 50 %; benadrukt dat het beleid van instellingen voor hoger onderwijs ook kwalitatieve evaluatiecriteria moet bevatten: een benchmark voor lidstaten om het aantal studenten uit te breiden(10) moet bijvoorbeeld gericht zijn op het werkelijke vaardighedenniveau en niet alleen op het aantal diploma's;

43.  roept de Commissie en de lidstaten op de nieuwe EU-agenda voor het hoger onderwijs beter onder de aandacht te brengen bij de instellingen voor hoger onderwijs, regionale en lokale autoriteiten en werkgevers, teneinde te voldoen aan de behoeften van instellingen voor hoger onderwijs en studenten en in te gaan op de uitdagingen waarmee zij te maken hebben, door banden aan te gaan met lokale en regionale actoren, een handreiking te doen naar lokale gemeenschappen, lokale en regionale ontwikkeling en innovatie te bevorderen, te werken aan inclusieve en onderling verbonden instellingen voor hoger onderwijs, de samenwerking met de beroepspraktijk te verbeteren en in te gaan op regionale behoeften aan vaardigheden;

44.  onderstreept daarnaast het gebrek aan inclusieve en hoogwaardige loopbaanbegeleiding in de lidstaten en is van mening dat alleen aantrekkelijke beroepsonderwijsprogramma's waar een grote vraag naar is en die in samenwerking met maatschappelijke partners zijn ontworpen ervoor kunnen zorgen dat studenten voor deze richting kiezen;

45.  benadrukt daarom dat de kwaliteit van de loopbaanbegeleiding in scholen moet worden verbeterd en dat het verstrekken van persoonlijk studiekeuzeadvies en persoonlijke studieondersteuning in alle onderwijs- en opleidingsstadia de toegang tot de arbeidsmarkt kan verbeteren;

46.  roept de Commissie en de lidstaten op de concrete arbeidskansen met betrekking tot het beroepsonderwijs en het belang van beroepsonderwijs voor de arbeidsmarkt te promoten;

47.  verzoekt de Commissie en de lidstaten school- en beroepsopleidingen zichtbaarder te maken door platforms als Eures te promoten, te zorgen dat deze opleidingen toegankelijk voor iedereen, genderevenwichtig en niet-discriminerend zijn, te waarborgen dat ze voldoende financiering ontvangen, de kwaliteit en aantrekkelijkheid ervan te verhogen en duaal onderwijs, werkplekleren en werkelijkheidsnabij onderwijs op elk niveau en in elke onderwijsvorm, waaronder in het hoger onderwijs, te bevorderen, teneinde de banden tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt aan te halen en te zorgen voor doorstroommogelijkheden tussen de verschillende onderwijstypen; onderstreept in dit verband dat de onderwijslocaties met moderne, technische apparatuur moeten worden uitgerust en op de vereiste digitale infrastructuur moeten worden aangesloten; pleit voor de ontwikkeling en versterking van het beleid ter bevordering van leerlingplaatsen en ondernemerschap voor jongeren om ervoor te zorgen dat hun toetreding tot de arbeidsmarkt soepeler verloopt;

48.  is van mening dat het, om de kwaliteit van leerlingplaatsen en stages te waarborgen, van fundamenteel belang is dat er een contract wordt gesloten waarin de rollen en verantwoordelijkheid van alle betrokken partijen worden afgebakend en dat een omschrijving bevat van de duur, leerdoelen en taken die overeenkomen met duidelijk omschreven te verwerven vaardigheden, de aard van de dienstbetrekking, een toereikende vergoeding/beloning, met inbegrip van overwerk, alsook regelingen voor sociale bescherming en sociale zekerheid op grond van de nationale wetgeving, de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomsten, of beide;

49.  benadrukt dat stages en leerlingplaatsen een passende leerinhoud en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden moeten omvatten, om de cruciale rol ervan voor de overgang van onderwijs naar het beroepsleven te waarborgen; benadrukt dat stages en leerlingplaatsen nooit mogen worden gebruikt als vervanging voor banen, en dat stagiairs en leerlingen nooit mogen worden beschouwd als goedkope of zelfs onbetaalde werkkrachten;

50.  brengt in herinnering dat excellent onderwijs vandaag de dag een werkelijke integratie van school en werk vereist en dat een dergelijke integratie bevorderend werkt voor de kwaliteit van de reken- en taalvaardigheid die kinderen opdoen en de professionele vaardigheden die zij zich eigen moeten maken; is in dat opzicht ingenomen met duaal onderwijs en werkelijkheidsnabij onderwijs – een innovatieve aanpak waarbij scholen echte bedrijven runnen die echte producten en diensten aanbieden en deelnemen aan de arbeidsmarkt;

51.  is van mening dat het volgen van de loopbaan van afgestudeerden en het verzamelen van nauwkeurige en relevante gegevens (niet alleen op nationaal maar ook op Europees niveau) van groot belang is voor kwaliteitsborging en de ontwikkeling van kwalitatief onderwijs dat inhoudelijk is en beantwoordt aan de behoeften van de arbeidsmarkt, en voor de hervorming van onderwijsstelsels, zodat deze flexibeler en inclusiever worden;

52.  zorgt ervoor dat het loopbaanvolgsysteem waarmee de werkgelegenheidscijfers en andere loopbaanindicatoren van afgestudeerden worden gemonitord ook wordt gebruikt voor de evaluatie van schoolcurricula en de organisatie daarvan: niet alleen om de kansen van afgestudeerden op de arbeidsmarkt te vergroten, maar ook om hun positie te versterken en hun invloed op de ontwikkeling van de economie en het creëren van nieuwe banen te vergroten;

53.  pleit voor het verzamelen van naar geslacht uitgesplitste gegevens over de resultaten van afgestudeerden van tertiair onderwijs en beroepsonderwijs, teneinde het potentiële gebruik van deze gegevens in de context van werkgelegenheid voor afgestudeerden te verbeteren en de kwaliteit van onderwijs vanuit een gendergebaseerd gezichtspunt te beoordelen;

54.  benadrukt dat grotere investeringen in onderwijs- en opleidingsstelsels, alsook de modernisering en aanpassing daarvan, een cruciale voorwaarde vormen voor sociale en economische vooruitgang; benadrukt derhalve hoe belangrijk het is om te waarborgen dat sociale investeringen, met name in onderwijs en opleidingen voor iedereen, prioriteit krijgen in de nieuwe programmeringsperiode van het meerjarig financieel kader voor 2020-2026;

55.  verzoekt de Commissie haar inspanningen aan de hand van het ESF en het Europees Semester te vergroten om alomvattende overheidsbeleidsmaatregelen in de lidstaten te ondersteunen die gericht zijn op een vlottere overgang van onderwijs en (langdurige) werkloosheid naar arbeid, en met name de volledige tenuitvoerlegging van de maatregelen op nationaal niveau die worden geschetst in de aanbeveling van de Raad betreffende de integratie van langdurig werklozen op de arbeidsmarkt;

56.  herinnert aan het belang om de prestaties en effectbeoordelingen van de EU‑programma's gericht op jeugdwerkgelegenheid te monitoren; wijst op het belang van doeltreffende en duurzame investeringen.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

27.3.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

26

22

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Guillaume Balas, Tiziana Beghin, Brando Benifei, Mara Bizzotto, Enrique Calvet Chambon, David Casa, Michael Detjen, Lampros Fountoulis, Elena Gentile, Arne Gericke, Marian Harkin, Czesław Hoc, Agnes Jongerius, Ádám Kósa, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Patrick Le Hyaric, Jeroen Lenaers, Thomas Mann, Dominique Martin, Miroslavs Mitrofanovs, Emilian Pavel, João Pimenta Lopes, Georgi Pirinski, Marek Plura, Sofia Ribeiro, Robert Rochefort, Claude Rolin, Siôn Simon, Romana Tomc, Ulrike Trebesius, Marita Ulvskog, Renate Weber

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Georges Bach, Amjad Bashir, Heinz K. Becker, Karima Delli, Tania González Peñas, Ivari Padar, Anne Sander, Sven Schulze, Jasenko Selimovic, Csaba Sógor, Neoklis Sylikiotis, Ivo Vajgl

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Jude Kirton-Darling, Ana Miranda, James Nicholson, Massimo Paolucci

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

26

+

ALDE

Enrique Calvet Chambon, Marian Harkin, Robert Rochefort, Jasenko Selimovic, Ivo Vajgl, Renate Weber

ECR

Amjad Bashir, Arne Gericke, Czesław Hoc, James Nicholson, Ulrike Trebesius

PPE

Georges Bach, Heinz K. Becker, David Casa, Ádám Kósa, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Jeroen Lenaers, Thomas Mann, Marek Plura, Sofia Ribeiro, Claude Rolin, Anne Sander, Sven Schulze, Csaba Sógor, Romana Tomc

S&D

Siôn Simon

22

-

EFDD

Tiziana Beghin

ENF

Mara Bizzotto, Dominique Martin

GUE/NGL

Tania González Peñas, Patrick Le Hyaric, João Pimenta Lopes, Neoklis Sylikiotis

NI

Lampros Fountoulis

S&D

Guillaume Balas, Brando Benifei, Michael Detjen, Elena Gentile, Agnes Jongerius, Jude Kirton-Darling, Ivari Padar, Massimo Paolucci, Emilian Pavel, Georgi Pirinski, Marita Ulvskog

VERTS/ALE

Karima Delli, Ana Miranda, Miroslavs Mitrofanovs

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

http://ec.europa.eu/social/main.jsp?catId=738&langId=en&pubId=7711.

(2)

2 Bron: Onderwijs- en opleidingenmonitor 2017; OECD Survey of Adult Skills 2016 (OESO-enquête over de vaardigheden van volwassenen).

(3)

3 http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2016/587312/IPOL_STU%282016%29587312_EN.pdf, https://www.oecd.org/skills/piaac/Skills_Matter_Further_Results_from_the_Survey_of_Adult_Skills.pdf [Annex A, table A3.3(L), A 3.3(N)].

(4)

4.http://www.cedefop.europa.eu/en/publications-and-resources/publications/3072, https://www.eurofound.europa.eu/sites/default/files/ef_publication/field_ef_document/ef1502en_0.pdf.

(5)

5 http://www.cedefop.europa.eu/en/events-and-projects/projects/assisting-eu-countries-skills-matching.

(6)

6 Mededeling van de Commissie van 10 juni 2016 getiteld "Een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa: samenwerken ter versterking van het menselijk kapitaal, de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en het concurrentievermogen" (COM(2016)0381).

(7)

7 Zie Resolutie van het Europees Parlement van 14 september 2017 over een nieuwe digitale agenda voor Europa. Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0360.

(8)

8 PB C 398 van 22.12.2012, blz. 1.

(9)

9 Resolutie van het Europees Parlement van 14 september 2017 over een nieuwe digitale agenda voor Europa.

(10)

10 Onderwijs- en opleidingenmonitor 2017.


ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (4.4.2018)

aan de Commissie cultuur en onderwijs

inzake de modernisering van het onderwijs in de EU

(2017/2224(INI))

Rapporteur voor advies: Michaela Šojdrová

SUGGESTIES

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de bevoegde Commissie cultuur en onderwijs onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat, hoewel het besluit om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren bij de lidstaten ligt, de EU op basis van de artikelen 165 en 167 van het VWEU een belangrijke ondersteunende rol heeft bij het opstellen van gezamenlijke doelstellingen en het bevorderen van de uitwisseling van goede praktijken;

B.  overwegende dat gendergelijkheid een grondbeginsel van de Europese Unie is dat verankerd is in de Verdragen en een vast onderdeel moet vormen van alle beleidsdomeinen van de Unie, met inbegrip van onderwijs en cultuur;

C.  overwegende dat het onderwijs een unieke kans biedt om meisjes en vrouwen mondiger te maken en alle vormen van discriminatie en stereotypen aan te pakken, maar dat deze kans binnen de Europese Unie nog niet volledig is benut; overwegende dat volgens de gegevens van Eurostat uit 2014 meer vrouwen dan mannen (42,3 % versus 33,6 %) hoger onderwijs volgen, maar dat vrouwen in groteren getale voor de geesteswetenschappen kiezen dan voor de natuurwetenschappen; overwegende dat onder studenten in het hoger onderwijs slechts 9,6 % van de vrouwelijke studenten een ict-gerelateerde opleiding volgt, tegenover 30,6 % van de mannelijke studenten; overwegende dat genderstereotypen in onderwijs en opleiding bepalend kunnen zijn voor de keuzes die later in het leven worden gemaakt, wat weer gevolgen heeft voor de arbeidsmarkt, waar vrouwen te maken hebben met zowel horizontale als verticale segregatie; overwegende dat vrouwen vaak te maken hebben met geweld, wat bestreden kan worden door middel van onderwijs; overwegende dat vrouwen nog altijd fors ondervertegenwoordigd zijn bij initiatieven die gericht zijn op de verdere bevordering van digitaal onderwijs en digitale vaardigheden, zoals de EU-programmeerweek, ICT for Better Education, de Startup Europe Leaders Club en de Grote Coalitie voor digitale banen;

D.  overwegende dat toegang tot hoogwaardig onderwijs essentieel is voor het vermogen tot zelfverwezenlijking en voor verantwoordelijk burgerschap, bijdraagt aan de ontwikkeling van inzicht in en eerbiediging van mensenrechten en gemeenschappelijke fundamentele waarden, sociale cohesie waarborgt en sociaaleconomische ongelijkheden, genderongelijkheden, genderstereotypen en geweld bestrijdt; overwegende dat onderwijs een krachtig middel is om diepgewortelde gendergerelateerde stereotypen en discriminatie tegen te gaan; overwegende dat onderwijssystemen niet alleen gericht zouden moeten zijn op de arbeidsmarkt, maar ook op menselijke, maatschappelijke en culturele behoeften; overwegende dat hoogwaardig onderwijs toegankelijk moet zijn voor alle kinderen, zonder enige vorm van discriminatie; overwegende dat de sociaaleconomische kloof in Europa de afgelopen decennia is gegroeid en dat ongelijkheid sterk verbonden is met werkgelegenheidskansen en baantypen; overwegende dat toegang tot onderwijs een fundamenteel mensenrecht is en dat het derhalve van groot belang is dat onderwijs permanent voldoende overheidssteun ontvangt; overwegende dat leerkrachten een belangrijke rol spelen bij de persoonlijke, maatschappelijke en burgerschapsvorming van de leerlingen, ook op het gebied van genderkwesties en sociale ongelijkheden;

E.  overwegende dat bezuinigingsmaatregelen en forse besnoeiingen op de overheidsuitgaven het budget voor openbaar onderwijs in het algemeen hebben verlaagd, wat een negatief effect heeft gehad op jongeren en studenten en met name op vrouwen en meisjes;

F.  overwegende dat ondernemerschap vaak wordt geassocieerd met vaardigheden die samenhangen met proactief projectmanagement, onderhandelen en doortastendheid; overwegende dat deze vaardigheden aangemoedigd en bevorderd moeten worden;

G.  overwegende dat de digitalisering de manier waarop mensen informatie verkrijgen en verspreiden op revolutionaire en radicale wijze heeft veranderd, wat een enorm potentieel biedt op het gebied van onderwijs, onder meer wat betreft onderwijskansen voor vrouwen en meisjes; overwegende dat er sprake is van een aanzienlijke genderkloof wat betreft de toegang tot arbeids- en onderwijskansen op het gebied van informatie- en communicatietechnologie (ict) en digitale geletterdheid;

H.  overwegende dat slechts 20 % van de wetenschappers en 27 % van de ingenieurs vrouw is(1); overwegende dat slechts 29 op de 1 000 vrouwelijke afgestudeerden tegenover 95 op de 1 000 mannelijke een bachelordiploma in de ict behalen, dat slechts 3 % van alle vrouwelijke afgestudeerden een diploma in deze studierichting behaalt (vergeleken met bijna 10 % van de mannelijke), en dat slechts 4 op de 1 000 vrouwen uiteindelijk in de ict-sector gaan werken; overwegende dat een toename van het aantal vrouwen in de ict-sector (een van de sectoren met de best betaalde banen), hoofdzakelijk door vakken en universitaire studies op het gebied van ict, wetenschap, technologie, engineering en wiskunde toegankelijker voor vrouwen te maken, kan bijdragen aan de versterking van hun financiële positie en zelfstandigheid, waardoor de totale loonkloof tussen mannen en vrouwen kleiner wordt; overwegende dat 60 % van de scholieren in de EU nooit gebruikmaakt van digitale apparatuur in de klas; overwegende dat slechts een gering aantal vrouwen een leidinggevende positie bekleedt in de wetenschap en de technologiesector; overwegende dat er behoefte is aan meer vrouwelijke rolmodellen in vakgebieden die traditioneel door mannen worden gedomineerd;

I.  overwegende dat permanente educatie een belangrijke rol speelt in het vergroten van de concurrentiepositie en inzetbaarheid van vrouwen op de arbeidsmarkt; overwegende dat slechts 15 %(2) van de laagopgeleide vrouwen permanente educatie volgt; overwegende dat dit percentage moet worden verhoogd om vrouwen in staat te stellen de moeilijkheden te overwinnen waarmee zij geconfronteerd worden bij het ontwikkelen van de benodigde vaardigheden voor de veranderende arbeidsmarkt;

J.  overwegende dat een onevenredige oververtegenwoordiging van vrouwen in bepaalde beroepen, zoals dat van docent, mogelijk negatieve gevolgen heeft voor de status en het loon van dat beroep;

K.  overwegende dat de nationale overheden de gelijkheid van mannen en vrouwen binnen onderwijsinstellingen op alle mogelijke manieren moeten bevorderen en dat genderonderricht een horizontaal onderdeel moet uitmaken van de leer- en schoolprogramma's; overwegende dat de Europese en nationale autoriteiten ervoor moeten zorgen dat leermiddelen geen discriminerende inhoud bevatten;

L.  overwegende dat een groot aantal meisjes en jongens uit kansarme sociaaleconomische milieus vanwege een lage levensstandaard geen toegang heeft tot gelijkwaardig onderwijs;

M.  overwegende dat ouders een belangrijke rol in de opleiding van hun kinderen spelen, en daarom actief betrokken moeten worden bij alle inspanningen en beleidsmaatregelen die gericht zijn op de modernisering van het onderwijs;

N.  overwegende dat het noodzakelijk is om lokale scholen en onderwijsinstellingen in alle regio's van de EU te behouden, aangezien deze de basis vormen voor goed onderwijs en gelijke kansen voor meisjes;

1.  moedigt de lidstaten aan gelijke kansen voor alle studenten in hun onderwijssysteem te waarborgen, met name voor degenen uit een kansarm sociaaleconomisch milieu, en ervoor te waken dat zij gelijke toegang tot hoogwaardig onderwijs hebben; is van mening dat toegang tot onderwijs, soms ook in fysieke en geografische zin, tot een van de mogelijkheden behoort om genderongelijkheid in het onderwijs aan te pakken; benadrukt dat er rekening moet worden gehouden met bredere sociale factoren om de situatie van gemarginaliseerde meisjes in de EU te verbeteren; herinnert eraan dat een groot aantal leerlingen uit gemarginaliseerde bevolkingsgroepen van school gaan voordat ze hun opleiding hebben voltooid en/of naar gesegregeerde scholen gaan; is van mening dat onderwijs voor gemarginaliseerde kinderen de enige manier is om aan armoede en uitsluiting te ontkomen; herinnert eraan dat armoede en een lage economische status een grote impact hebben op gendergelijkheid in het onderwijs, wat ook negatieve gevolgen heeft voor de toegang van meisjes tot scholen en universiteiten; moedigt bijgevolg initiatieven van de lidstaten aan die erop gericht zijn de rechtstreekse en onrechtstreekse onderwijskosten voor behoeftige gezinnen te beperken; is zeer te spreken over de bevordering van inclusief onderwijs door het uitwisselen van beste praktijken met betrekking tot de integratie van leerlingen met een migratieachtergrond en het delen van informatie om gemeenschappelijke waarden vast te stellen;

2.  wijst erop dat de lage participatiegraad van vrouwen en meisjes in ict-gerelateerd onderwijs en later op de arbeidsmarkt het resultaat is van de complexe wisselwerking tussen genderstereotypen die al vroeg in het leven en in het onderwijs ontstaat en die voortduurt op de werkvloer; moedigt de Commissie en de lidstaten aan genderstereotypen te bestrijden en gendergelijkheid op alle onderwijsniveaus te bevorderen, ook in verband met gendergerelateerde studie- en carrièrekeuzes, overeenkomstig de prioriteiten zoals vastgelegd in het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding ("ET 2020");

3.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan om binnen het kader "ET 2020" op open wijze samen te werken om oplossingen te vinden en beste praktijken uit te wisselen met betrekking tot het voor meisjes toegankelijk maken van vroegtijds digitaal onderwijs, waaronder digitale vaardigheden en programmeren, en in latere stadia met betrekking tot programma's die gericht zijn op het vergroten van het aantal vrouwen dat voor een opleiding op het gebied van wetenschap, technologie, engineering of wiskunde kiest en hierin afstudeert;

4.  wijst erop dat het belangrijk is om de digitale geletterdheid en de deelname van vrouwen en meisjes aan ict-onderwijs en -opleidingen te waarborgen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om meer nadruk te leggen op het bieden van onderwijs- en opleidingsmogelijkheden voor meisjes op het gebied van wetenschap, technologie, engineering, wiskunde en ict, alsook op het aanpakken van de genderkloof op digitaal gebied door de digitale vaardigheden van meisjes te verbeteren door programmeervakken en nieuwe media en technologieën op te nemen in onderwijsprogramma's op alle niveaus, ook voor onderwijspersoneel, teneinde de kloof in digitale vaardigheden te verkleinen en te overbruggen; moedigt de lidstaten aan om vanaf de vroegste schoolstadia op leeftijd afgestemd ict-onderwijs in te voeren, met speciale nadruk op het motiveren van meisjes om op digitaal gebied interesses en talenten te ontwikkelen, aangezien meisjes zich tijdens hun onderwijsloopbaan eerder afkeren van onderwijs op het gebied van wetenschap, technologie, engineering en wiskunde vanwege de genderstereotypen die ermee samenhangen, een gebrek aan rolmodellen en verschillen in activiteiten en speelgoed; dringt er bij alle lidstaten op aan om consequent te investeren in informatie-, bewustmakings- en voorlichtingscampagnes en om de beroepskeuzebegeleiding voor jongens en meisjes te verbeteren door stereotiepe opvattingen over genderrollen te doorbreken en een einde te maken aan stereotiepe ideeën over studie- en beroepskeuze, vooral als het gaat om wetenschap, engineering en nieuwe technologieën; wijst erop dat dit kan bijdragen tot de vermindering van gendersegregatie op de arbeidsmarkt en de versterking van de positie van vrouwen, en er tegelijkertijd voor zorgt dat het menselijk kapitaal dat meisjes en vrouwen vertegenwoordigen in de EU ten volle kan worden benut;

5.  verzoekt de lidstaten om genderstereotypen in het onderwijs te bestrijden, opdat vrouwen dezelfde kansen en keuzevrijheid hebben wat betreft de loopbaan die zij nastreven; is in dit verband bezorgd over de aanhoudende stereotypen in lesmaterialen in sommige lidstaten en de verschillende verwachtingen die leerkrachten hebben van het gedrag van meisjes en jongens; wijst op de noodzaak om zowel tijdens de lerarenopleiding als in bijscholingscursussen van leraren, alsook in lessen zelf, aandacht te schenken aan het beginsel van gendergelijkheid, om zo te waarborgen dat leerlingen ongeacht hun geslacht hun volledige potentieel kunnen benutten; verzoekt de lidstaten om bij de toepassing van gendergelijkheid in de leerplannen en programma's van de regionale onderwijsstelsels bijzondere aandacht te schenken aan de ultraperifere regio's, gezien het hoge aantal gevallen van geweld tegen vrouwen aldaar; benadrukt dat in onderwijssystemen op alle niveaus een genderperspectief moet worden opgenomen, waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van mensen die het slachtoffer zijn van discriminatie;

6.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te waarborgen dat het engagement op het gebied van gendergelijkheid niet beperkt blijft tot beginselverklaringen en politieke intenties en dat de inspanningen op dit vlak worden geïntensiveerd en er meer middelen worden ingezet, in het besef dat onderwijs van essentieel belang is voor het verwezenlijken van een cultuuromslag; verzoekt de Commissie en de lidstaten om alle vormen van discriminatie en intimidatie in onderwijssettings te bestrijden; verzoekt de lidstaten om steun te verlenen aan scholen die objectieve informatie over LGBTI-onderwerpen in hun curricula opnemen;

7.  beveelt de lidstaten en de onderwijsinstellingen aan preventieve maatregelen te nemen tegen gendergerelateerd geweld; benadrukt het belang van preventief optreden, met name in het hoger onderwijs, tegen seksuele intimidatie;

8.  benadrukt het positieve effect dat seksuele en relationele voorlichting heeft op de gezondheid en het welzijn van jongeren, alsook op de verwezenlijking van gendergelijkheid en de empowerment van meisjes; verzoekt de lidstaten om uitgebreide seksuele voorlichting op te nemen in de onderwijsprogramma's, waarbij onder meer aandacht wordt besteed aan seksisme, genderrollen en de concepten instemming, respect en wederkerigheid;

9.  benadrukt het belang van hoogwaardige voorschoolse educatie en kinderopvang en verklaart nogmaals dat die voor iedereen toegankelijk moeten zijn omwille van een betere combinatie van werk en gezin, vooral voor vrouwen en moeders; herinnert eraan dat voorschoolse educatie en kinderopvang essentieel zijn om kinderen goed voor te bereiden op de basisschool;

10.  onderstreept het belang van kindvriendelijk, aan de leeftijd aangepast onderwijs en staat kritisch tegenover elke vorm van onaangepaste vroegtijdige seksuele voorlichting in kinderdagverblijven, kleuterscholen of basisscholen;

11.  wijst erop dat de rol en prestaties van vrouwen op het gebied van onder meer geschiedenis en wetenschap niet altijd voldoende tot uiting komen en belicht worden in onderwijscurricula en -programma's; onderstreept dat de lidstaten samen met de Commissie op de betreffende terreinen actie moeten ondernemen om vrouwen op een meer zichtbare en evenwichtige manier een plaats te geven in de inhoud van het onderwijs; verzoekt de lidstaten en de Commissie in dezelfde geest om activiteiten, waaronder campagnes, te organiseren, teneinde kennis over vrouwen uit onder meer de geschiedenis en wetenschap te verspreiden en daarnaast vrouwelijke rolmodellen voor vrouwen en meisjes op alle onderwijsniveaus te promoten;

12.  wijst erop hoe belangrijk het is om kennis over de geschiedenis van vrouwenemancipatie en in het bijzonder het vrouwenkiesrecht op te nemen en te bevorderen in de curricula van scholen en de inhoud van het onderwijs, ook naar aanleiding van symbolische jubilea (bijv. 100 jaar stemrecht voor vrouwen in Polen en Duitsland in 2018), met het oog op bewustwording en daarmee de bevordering van vrouwenrechten binnen het kader van het onderwijs;

13.  is van mening dat ondernemerschap niet alleen een motor voor groei en werkgelegenheid is, maar ook een middel om economieën concurrerender en innovatiever te maken, wat bijdraagt aan de versterking van de positie van vrouwen;

14.  herinnert eraan dat in het kader van de modernisering van het hoger onderwijs in de EU een nauwere samenwerking tussen instellingen voor hoger onderwijs, bedrijven en andere belanghebbenden tot stand moet worden gebracht, met name op het gebied van regionale innovatie, om gendergelijkheid in het ondernemersvak te verbeteren;

15.  moedigt de lidstaten aan om een leven lang leren onder de aandacht van de bevolking te brengen en een genderperspectief in de ontwikkeling van de betreffende beleidsmaatregelen en programma's te integreren, met speciale aandacht voor laagopgeleide vrouwen, zowel in stedelijke als plattelandsgebieden, om hun de kans te geven hun vaardigheden te ontwikkelen;

16.  verzoekt de lidstaten om hun onderwijs te richten op ondernemerschap en financiën, vrijwilligerswerk en beheersing van vreemde talen en om prioriteit aan deze vaardigheden te verlenen in programma's op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding;

17.  verzoekt de lidstaten en onderwijsinstellingen te zorgen voor een grotere vertegenwoordiging van vrouwen in de raden van bestuur van scholen, universiteiten en onderzoeksinstituten, waarin zij fors zijn ondervertegenwoordigd, alsook binnen alle task forces die betrokken zijn bij de uitvoering van hervormingen van onderwijssystemen;

18.  verzoekt de lidstaten steun te verlenen aan onderwijsinstellingen die alle documenten en communicatiekanalen ontdoen van op genderstereotypen gebaseerd taalgebruik dat genderongelijkheid in de hand kan werken;

19.  roept de lidstaten op nationale wetgeving te ontwikkelen of bestaande wetgeving aan te scherpen om de negatieve gevolgen aan te pakken van stereotiepe genderrollen die voortvloeien uit waarden die worden overgedragen door de media en via reclame en die veel te vaak het werk dat door scholen op dit gebied wordt verricht ongedaan maken;

20.  beveelt de Commissie en/of de lidstaten aan een Europese /nationale gendergelijkheidsprijs voor onderwijsinstellingen in te voeren en te promoten met het oog op de bevordering van goede praktijken.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

27.3.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

24

2

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Daniela Aiuto, Heinz K. Becker, Malin Björk, Vilija Blinkevičiūtė, Anna Maria Corazza Bildt, Iratxe García Pérez, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Florent Marcellesi, Angelika Mlinar, Angelika Niebler, Margot Parker, Marijana Petir, Terry Reintke, Liliana Rodrigues, Michaela Šojdrová, Ernest Urtasun, Jadwiga Wiśniewska, Anna Záborská, Maria Gabriela Zoană

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Stefan Eck, Urszula Krupa, Branislav Škripek, Dubravka Šuica, Mylène Troszczynski, Julie Ward, Josef Weidenholzer

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

John Howarth, Arne Lietz, Francis Zammit Dimech

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

24

+

ALDE

Angelika Mlinar

ECR

Urszula Krupa, Branislav Škripek, Jadwiga Wiśniewska

EFDD

Daniela Aiuto

GUE/NGL

Malin Björk, Stefan Eck

PPE

Heinz K. Becker, Anna Maria Corazza Bildt, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Angelika Niebler, Dubravka Šuica, Francis Zammit Dimech

S&D

Vilija Blinkevičiūtė, Iratxe García Pérez, John Howarth, Arne Lietz, Liliana Rodrigues, Julie Ward, Josef Weidenholzer, Maria Gabriela Zoană

Verts/ALE

Florent Marcellesi, Terry Reintke, Ernest Urtasun

2

-

EFDD

Margot Parker

ENF

Mylène Troszczynski

3

0

PPE

Marijana Petir, Michaela Šojdrová, Anna Záborská

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

Europese Commissie: The Education and Training Monitor 2017, beschikbaar op https://ec.europa.eu/education/sites/education/files/monitor2017_en.pdf

(2)

EIGE, gendergelijkheidsindex 2017.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

25.4.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

27

1

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Isabella Adinolfi, Dominique Bilde, Andrea Bocskor, Angel Dzhambazki, Jill Evans, María Teresa Giménez Barbat, Petra Kammerevert, Svetoslav Hristov Malinov, Curzio Maltese, Stefano Maullu, Momchil Nekov, Yana Toom, Sabine Verheyen, Julie Ward, Bogdan Brunon Wenta, Theodoros Zagorakis, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Milan Zver, Krystyna Łybacka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Eider Gardiazabal Rubial, Elena Gentile, Sylvie Guillaume, Emma McClarkin, Martina Michels, Michel Reimon, Liliana Rodrigues, Remo Sernagiotto, Francis Zammit Dimech


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

27

+

ALDE

María Teresa Giménez Barbat, Yana Toom

ECR

Angel Dzhambazki, Emma McClarkin, Remo Sernagiotto

EFDD

Isabella Adinolfi

GUE/NGL

Curzio Maltese, Martina Michels

PPE

Andrea Bocskor, Svetoslav Hristov Malinov, Stefano Maullu, Sabine Verheyen, Bogdan Brunon Wenta, Theodoros Zagorakis, Francis Zammit Dimech, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Milan Zver

S&D

Eider Gardiazabal Rubial, Elena Gentile, Sylvie Guillaume, Petra Kammerevert, Krystyna Łybacka, Momchil Nekov, Liliana Rodrigues, Julie Ward

Verts/ALE

Jill Evans, Michel Reimon

1

-

ENF

Dominique Bilde

0

0

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 4 juni 2018Juridische mededeling