Procedure : 2017/2211(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0184/2018

Ingediende teksten :

A8-0184/2018

Debatten :

PV 12/06/2018 - 19
CRE 12/06/2018 - 19

Stemmingen :

PV 13/06/2018 - 8.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0254

VERSLAG     
PDF 515kWORD 75k
23.5.2018
PE 619.126v03-00 A8-0184/2018

over cohesiebeleid en de circulaire economie

(2017/2211(INI))

Commissie regionale ontwikkeling

Rapporteur: Davor Škrlec

TOELICHTING – SAMENVATTING VAN DE FEITEN EN BEVINDINGEN
 ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

TOELICHTING – SAMENVATTING VAN DE FEITEN EN BEVINDINGEN

"Circulaire economie" is een nieuw Europees beleidsconcept dat een structurele hervorming van onze economie beoogt om over te stappen van een model waarbij "gewonnen, gebruikt en weggegooid" wordt op een cyclisch model dat meer aansluit bij de natuurlijke leefwereld. Om die overstap te maken en onze toekomst een andere wending te geven publiceerde de Commissie in december 2015 het actieplan voor de circulaire economie, een breed EU-beleidskader om de productie en consumptie van goederen en diensten maatschappelijk vanuit een andere invalshoek te bekijken. Het cohesiebeleid – een Europees kernbeleid – wordt als een van de belangrijkste investeringsbronnen beschouwd. Bovendien biedt het cohesiebeleid, met inachtneming van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, ook de beste instrumenten om de circulaire economie gestalte te geven. Meerlagig bestuur – de ruggengraat van het cohesiebeleid – werkt volgens hetzelfde principe. Beide beleidsterreinen berusten op dezelfde logica en moeten elkaar dan ook aanvullen bij de verwezenlijking van hun beleidsdoelen. De beleidsinstrumenten die op beide vlakken bestaan, moeten worden versterkt om het voormelde potentieel ten volle te benutten.

De rol van het cohesiebeleid bij de bevordering van de circulaire economie

Bij de voorbereiding van de programmeringsperiode 2014-2020 gold de circulaire economie nog niet als een prioritair beleidsterrein in de Europese Unie. Daarom werden na de goedkeuring van het actieplan voor de circulaire economie inspanningen geleverd om na te gaan welk relevant investeringspotentieel binnen de ESI-fondsen voorhanden was en op de tenuitvoerlegging van de circulaire economie kon worden afgestemd.

Voor een beter afvalbeheer en een klemtoon op afvalpreventie, hergebruik en recycling, zijnde de meest voorkomende afvalverwerkingsopties in de EU, bestaat er een investeringspotentieel van 5,5 miljard EUR. Voorts is er 2,3 miljard EUR voor milieuvriendelijke productieprocessen en een efficiënt gebruik van hulpbronnen in kmo's. Uit het cohesiebeleid kan ook steun worden verleend voor het hergebruik van water, aangezien 15 miljard EUR toegewezen is voor investeringen in de watersector in de periode 2014-2020. Er zijn ook belangrijke financieringsmogelijkheden op het vlak van onderzoek en innovatie voorhanden en de circulaire economie is een prioriteit in de strategieën voor slimme specialisatie waarmee die investeringen worden aangestuurd.

De circulaire economie als aanjager van duurzame en regionale ontwikkeling

Alle steden en gemeenten in de EU zullen de motor zijn achter maatregelen in verband met de circulaire economie. Lokale en regionale overheden staan het dichtst bij de burger en lokale problemen en hebben dan ook beter inzicht in de lokale uitdagingen en kansen. Daarom is het uiterst belangrijk lokale en regionale overheden voldoende functionele en financiële autonomie te bieden, met name wat hun recht betreft om eigen ontwikkelingsstrategieën op te stellen en uit te voeren in het kader van door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling (CLLD) en geïntegreerde territoriale investeringen (ITI) om plaatselijke belanghebbenden te helpen om financieringsstromen te combineren en op de circulaire economie gerichte lokale initiatieven te plannen.

Systeemdenken is een van de basisbeginselen van de circulaire economie, aangezien de overstap van het lineaire model van onze economie op een circulair model alleen te verwezenlijken valt door middel van samenwerking en de verbinding van bedrijven en productiemodellen. In het verslag wordt ook de rol van kmo's benadrukt. Die kennen de lokale markten immers beter en kunnen via samenwerking met de gemeenten positieve praktijken onder de aandacht brengen en ter plaatse waarde en duurzame banen scheppen. Via innovatie en ontwikkeling bieden kmo's de markt en de samenleving nieuwe oplossingen en circulaire bedrijfsmodellen. Hierbij bogen zij op het cohesiebeleid, en met name slimme specialisatie en synergieën met Horizon 2020, de Europese structuur- en investeringsfondsen, en investeringen onder impuls van de Europese Investeringsbank (EIB) en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO), enz. Wij moeten deze inspanningen steunen en beide beleidsterreinen daarop afstemmen, om ervoor te zorgen dat huidige innovaties morgen realiteit worden. Jammer genoeg is er nog steeds onvoldoende vraag naar circulaire producten en diensten, vaak omdat ze duurder zijn dan lineaire, terwijl de negatieve externe effecten van die laatste buiten beschouwing worden gelaten. Groene overheidsopdrachten in combinatie met circulaire aanbestedingen vormen voor overheden een geweldig instrument om circulaire markten te stimuleren.

Daarnaast is de macroregionale benadering van cruciaal belang om regionale samenwerking en coördinatie te bewerkstelligen, en biedt zij een kans om regionale markten, met name voor secundaire grondstoffen, tot stand te brengen. Daarom moeten we de totstandbrenging van gezamenlijke capaciteiten stroomlijnen, bijvoorbeeld met betrekking tot de regeneratie van afgewerkte olie en andere recyclingcapaciteiten. Programma's voor grensoverschrijdende en transnationale samenwerking zijn van cruciaal belang ter bevordering van interregionale samenwerking met het oog op een circulaire economie, industriële symbiose, bewustmaking en de uitwisseling van kennis en beste praktijken.

Al deze inspanningen moeten onze regio's en plaatselijke gemeenschappen veerkrachtiger maken en beter laten concurreren op de wereldmarkten. De circulaire economie levert lokale banen en bedrijfsmodellen op in het hart van de Europese Unie, in de regio's en gemeenten. Een van de belangrijkste voorwaarden om een volledig werkende circulaire economie tot stand te brengen is meer duurzame en lokale energieproductie, samen met een efficiënter hulpbronnengebruik en meer teruggewonnen materialen. Hernieuwbare energiebronnen zijn wezenlijke steunpilaren van de circulaire economie, behoren dan ook tot de belangrijkste indirecte investeringen in de circulaire economie, en bieden een aanzienlijk potentieel voor het stimuleren van plaatselijke groene werkgelegenheid.

Bio-economie is een gevestigd Europees beleidsterrein dat cruciale beleidsmaatregelen omvat die een aanzienlijke bijdrage kunnen leveren aan de tenuitvoerlegging van de circulaire economie. Het overstappen naar biologische grondstoffen en biologische verwerkingsmethoden kan in 2030 voor een besparing van 2,5 miljard ton CO2-equivalent per jaar zorgen en tegelijk de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen beperken, die voor de Europese Unie een cruciale uitdaging op lange termijn vormt. Biogebaseerde, biologisch afbreekbare en composteerbare materialen en duurzame materialen zijn belangrijk om een doeltreffender gebruik van de hulpbronnen te bewerkstellingen en waardevolle materialen in de kringloop te houden. Het toekomstige innovatiepotentieel ligt in de totstandbrenging van een efficiënter beheer van biogrondstoffen en de geleidelijke afschaffing van giftige stoffen in alle materialen.

Een van de eerste wetgevende stappen ter uitvoering van het pakket inzake de circulaire economie was het afvalpakket, dat veel noodzakelijke bepalingen bevatte voor een correcte afvalverwerking, wat voor gemeenten en regio's de grootste uitdaging vormt. De verwezenlijking van de doelstellingen van het afvalpakket moet financieel ondersteund worden door het cohesiebeleid. Rekening houdend met de op Europees niveau vastgestelde recyclingpercentages en de beoogde implementatietermijn moeten de investeringen op een hoger niveau van de afvalhiërarchie worden gericht om de streefdoelen te kunnen halen en langdurige technologische afhankelijkheid te voorkomen. De lidstaten moeten gebruikmaken van nationale strategieën voor de circulaire economie en nationale afvalbeheerplannen als beleidsinstrumenten voor de lange termijn om alle belanghebbenden duidelijke richtsnoeren te bieden en aan de Europese Commissie te kennen te geven dat ze op de goede weg zijn om de circulaire economie tot stand te brengen.

Voedselverspilling wordt wereldwijd erkend als een ernstig economisch en ethisch probleem dat in elk stadium van de voedselwaardeketen moet worden aangepakt. De EU verspilt momenteel ongeveer 173 kg voedsel per persoon per jaar, wat neerkomt op 20% van de jaarlijkse voedselproductie in Europa. Lokale actie is zeer doeltreffend gebleken om dit overkoepelende probleem aan te pakken, getuige enkele geslaagde verhalen en succesvol uitgevoerde projecten in heel Europa. Daarom moeten er meer financieringsmogelijkheden komen voor dit belangrijke beleidsterrein.

Ook zwerfvuil blijkt een schrijnend wereldwijd probleem te zijn dat meestal de grootste gevolgen heeft voor de plaatselijke gemeenschappen en hun levenskwaliteit. Uit ramingen blijkt dat schoonmaakacties de Europese belastingbetaler ongeveer 25 EUR per jaar kosten, terwijl de kosten in sommige lidstaten tot wel 54 EUR per jaar kunnen oplopen. De aanpak van zwerfvuil moet meer aandacht krijgen en beter worden gefinancierd door de ESI-fondsen omdat dit voordelen oplevert voor het milieu en de maatschappij. De armste lagen van de bevolking ondervinden de grootste gevolgen als er niets wordt gedaan. Bovendien staat of valt de aanpak van zwerfvuil op zee met de preventie van zwerfafval op het vasteland.

De circulaire economie in het cohesiebeleid voor de periode na 2020

Het cohesiebeleid en de circulaire economie zijn niet alleen een kwestie van infrastructuurbeleid maar ook van sociale cohesie en solidariteit. Zij bieden antwoorden op uitdagingen waarvoor plaatselijke en regionale gemeenschappen zich geplaatst zien bij de aanpak van de belangrijkste klimaatgerelateerde kwesties. Daarom wordt in dit verslag voorgesteld om in het kader van het cohesiebeleid een nieuwe ex-antevoorwaarde betreffende de verwezenlijking van de circulaire economie in te voeren om ervoor te zorgen dat nieuwe operationele programma's beter aansluiten bij de Europese beginselen. In dit verslag wordt aangedrongen op een relevante traceringsmethode om nauwkeurig te kunnen toezien op de bijdrage van het cohesiebeleid aan de verwezenlijking van een circulaire economie. Daarnaast wordt gevraagd om de uitgaven in verband met de circulaire economie en het klimaat in het cohesiebeleid voor de periode na 2020 aanzienlijk te verhogen.


ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over cohesiebeleid en de circulaire economie

(2017/2211(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), met name artikel 3, en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), met name de artikelen 4, 11, 174 tot en met 178, 191 en 349,

–  gezien de Overeenkomst van Parijs, besluit 1/CP.21 en de 21e conferentie van de partijen (COP21) bij het UNFCCC, en de 11e conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP11), die van 30 november t/m 11 december 2015 in Parijs, Frankrijk, hebben plaatsgevonden,

–  gezien artikel 7, lid 2, en artikel 11, lid 2, van de Overeenkomst van Parijs, waarin wordt gewezen op de lokale, subnationale en regionale dimensies van klimaatverandering en klimaatactie,

–  gezien de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, en met name doelstelling 7: "Zorgen voor toegang tot betaalbare, betrouwbare, duurzame en moderne energie voor iedereen" en doelstelling 11: "Steden inclusief, veilig, veerkrachtig en duurzaam maken",

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (hierna: "de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen" genoemd)(1),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling "Investeren in groei en werkgelegenheid", en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking"(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1302/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1082/2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS), wat de verduidelijking, vereenvoudiging en verbetering van de oprichting en werking van dergelijke groeperingen betreft(5),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1300/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1084/2006(6) van de Raad,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad(7),

  gezien de mededeling van de Commissie van 16 januari 2018 over een monitoringkader voor de circulaire economie (COM(2018)0029),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 januari 2017 getiteld "De rol van energiewinning uit afval in de circulaire economie" (COM(2017)0034),

–  gezien het verslag van de Commissie van 26 januari 2017 inzake de uitvoering van het actieplan voor de circulaire economie (COM(2017)0033),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 december 2015 getiteld "Investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen" (COM(2015)0639),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 december 2015 getiteld "Maak de cirkel rond – Een EU-actieplan voor de circulaire economie" (COM(2015)0614),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 juli 2014 getiteld "Naar een circulaire economie: Een afvalvrij programma voor Europa" (COM(2014)0398),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 juli 2014 getiteld "Groen actieplan voor het mkb: Het mkb in staat stellen om milieu-uitdagingen om te zetten in zakenkansen" (COM(2014)0440),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld "Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 februari 2012 getiteld "Innovatie voor duurzame groei: een bio-economie voor Europa" (COM(2012)0060),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 juli 2012 getiteld "Slimme steden en gemeenschappen – Europees Innovatiepartnerschap" (COM(2012)4701),

–  gezien de in opdracht van de Commissie uitgevoerde studie van december 2017 over de integratie van milieuaspecten in de fondsen voor het cohesiebeleid (EFRO, ESF, Cohesiefonds) – Resultaten, ontwikkeling en tendensen in drie programmeringsperioden (2000-2006, 2007-2013, 2014-2020),

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen: een evaluatie van het verslag uit hoofde van artikel 16, lid 3, van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen(8),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over Europese territoriale samenwerking – beste praktijken en innovatieve maatregelen(9),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over synergieën voor innovatie: de Europese structuur- en investeringsfondsen, Horizon 2020 en andere Europese innovatiefondsen en EU-programma's(10),

–  gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 over hulpbronnenefficiëntie: de overgang naar een circulaire economie(11),

–  gezien zijn resolutie van 19 mei 2015 over groene groeimogelijkheden voor kmo's(12),

–  gezien de verklaring over slimme eilanden van 28 maart 2017,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement alsmede artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0184/2018),

A.  overwegende dat lokale en regionale overheden het meest vertrouwd zijn met lokale en regionale aangelegenheden en niet alleen cruciale actoren zijn voor een doeltreffende tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid, maar bovendien een vooraanstaande rol vervullen bij de overgang naar een circulaire economie; overwegende dat een Europees meerlagig bestuursmodel, dat op actieve en constructieve samenwerking tussen de verschillende bestuurslagen en belanghebbenden berust, samen met adequate informatieverstrekking aan en actieve betrokkenheid van de burgers, van cruciaal belang is voor de verwezenlijking van deze transitie;

B.  overwegende dat steden slechts 3 % van het aardoppervlak beslaan, maar meer dan de helft van de wereldbevolking huisvesten en verantwoordelijk zijn voor ruim 75 % van het verbruik van de mondiale hulpbronnen en voor 60-80 % van de broeikasgasemissies, en overwegende dat tegen 2050 naar verwachting 70 % van de wereldbevolking in steden zal wonen;

C.  overwegende dat de overgang naar een sterkere, meer circulaire economie voor de EU, haar lidstaten en haar burgers een uitdaging maar ook een uitgelezen kans vormt om de Europese economie te moderniseren en om te vormen richting meer duurzaamheid; overwegende dat zij met name een kans vormt voor alle Europese regio's en voor de lokale overheden, die het bestuursniveau vormen dat het dichtst bij de plaatselijke gemeenschappen staat; overwegende dat zij groei- en ontwikkelingsmogelijkheden biedt voor de Europese regio's en hen kan helpen om een duurzaam model op te bouwen dat bijdraagt tot economische ontwikkeling, om bestaande sectoren te hervormen, om hun handelsbalans en het concurrentievermogen van hun industrie te verbeteren met een hogere productiviteit, en om nieuwe, goedbetaalde kwaliteitsbanen en nieuwe waardeketens te scheppen;

D.  overwegende dat circa 60 % van het afval in de EU momenteel niet wordt gerecycleerd en dat onderzoek naar en invoering van nieuwe, circulaire bedrijfsmodellen grote kostenvoordelen en zakelijke kansen met zich mee kunnen brengen voor kleine en middelgrote ondernemingen in de EU;

E.  overwegende dat voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs een omschakeling naar een meer circulaire economie nodig is en dat aldus een essentiële bijdrage wordt geleverd aan de ontwikkeling van een economisch model dat niet alleen op winst, maar ook op milieubescherming gericht is;

F.  overwegende dat het cohesiebeleid niet alleen investeringsmogelijkheden biedt om via de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) in te spelen op plaatselijke en regionale behoeften, maar ook een geïntegreerd beleidskader om de verschillen in ontwikkeling van de Europese regio's te verminderen, deze regio's het hoofd te helpen bieden aan de diverse uitdagingen op het gebied van hun ontwikkeling, onder meer door middel van ondersteuning van hulpbronnenefficiëntie en duurzame ontwikkeling, alsook territoriale samenwerking en capaciteitsopbouw, en particuliere investeringen aan te trekken en te bevorderen;

G.  overwegende dat de overgang naar een circulaire economie in het huidige wetgevingskader voor het cohesiebeleid niet als doelstelling is opgenomen, en dat duurzame ontwikkeling een horizontaal beginsel is voor het gebruik van de ESI-fondsen, zoals bepaald in artikel 8 van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen en in het gemeenschappelijk strategisch kader (bijlage I), dat het mogelijk zal maken de band te versterken tussen de bestaande instrumenten ter ondersteuning van op de circulaire economie gerichte projecten;

H.  overwegende dat veel van de thematische doelstellingen die aan de ESI-fondsen zijn verbonden met het oog op de uitvoering van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei, alsook de bijbehorende ex-antevoorwaarden, relevant zijn voor de doelstellingen betreffende een circulaire economie;

I.  overwegende dat artikel 6 van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen voorschrijft dat concrete acties die door de ESI-fondsen worden ondersteund, in overeenstemming moeten zijn met het toepasselijke recht van de Unie en het nationale recht betreffende de toepassing van het recht van de Unie, met inbegrip van, in het bijzonder, het milieurecht;

J.  overwegende dat een van de doelstellingen van de circulaire economie erin bestaat de hoeveelheid gestort afval te verminderen, en dat de beveiliging en sanering van legale en illegale stortplaatsen op het grondgebied van de lidstaten als een topprioriteit moet worden beschouwd;

K.  overwegende dat de invoer van plastic schroot en ongescheiden papierafval sinds 1 januari 2018 verboden is in China, en dat dit voor de Unie problemen op het gebied van recyclage zal opleveren, die op regionaal en lokaal niveau aan de orde zullen moeten worden gesteld;

De rol van het cohesiebeleid bij de bevordering van de circulaire economie

1.  is ingenomen met de inspanningen van de Commissie om het cohesiebeleid in te zetten ter ondersteuning van de circulaire economie, met name via ondersteuningsactiviteiten die erop gericht zijn om lidstaten en regio's te helpen bij het gebruik van de fondsen van het cohesiebeleid voor de circulaire economie;

2.  merkt op dat volgens het verslag van de Commissie inzake de uitvoering van het actieplan voor de circulaire economie de EU-steun voor de periode 2014-2020 voor innovatie, kleine en middelgrote ondernemingen, een koolstofarme economie en milieubescherming 150 miljard EUR bedraagt, en dat veel van deze gebieden bijdragen tot de verwezenlijking van de circulaire economie;

3.  merkt op dat bij bestudering van het resultaat van de onderhandelingen over de operationele programma's in het kader van partnerschapsovereenkomsten en het Europees Sociaal Fonds (ESF) voor de huidige programmeringsperiode is gebleken dat het ESF is ingezet ter ondersteuning van maatregelen met betrekking tot de invoering van groenere arbeidsorganisatiemodellen en maatregelen in de groene sector;

4.  merkt, zoals wordt aangestipt in een in opdracht van de Commissie uitgevoerde studie, echter op dat het cohesiebeleid in het huidige beleidskader niet ten volle kan bijdragen aan de circulaire economie; wijst er in dit verband op dat de circulaire economie als dusdanig niet is vervat in de omschrijving van de bestaande categorieën "steunverleningsgebieden" die voor financiële toewijzingen worden gebruikt;

5.  verzoekt de Commissie met klem om de geplande maatregelen ter ondersteuning van de circulaire economie ten uitvoer te leggen met inachtneming van goede praktijken op het gebied van regelgeving, en benadrukt dat de uitvoeringsmaatregelen moeten worden gemonitord;

6.  benadrukt dat de Commissie haar toezeggingen moet nakomen en een monitoringkader voor de circulaire economie(13) ten uitvoer moet leggen om de voortgang met betrekking tot de overgang naar een circulaire economie – zowel in de gehele EU als in de afzonderlijke lidstaten – te bevorderen en te beoordelen, en de administratieve lasten hierbij tot een minimum te beperken;

7.  verzoekt de Commissie buitengewone maatregelen te nemen met het oog op de sanering van gebieden die zijn gebruikt voor het illegaal storten en begraven van gevaarlijk afval, dat nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid en het economisch en maatschappelijk welzijn van de betrokken bevolking;

8.  onderstreept het belang van Horizon 2020 – het EU-kaderprogramma voor onderzoek en innovatie – en het LIFE-programma 2014-2020 voor de financiering van innovatieve projecten en voor de ondersteuning van projecten op het gebied van afvalvermindering, recyclage en hergebruik, die een rol spelen in de circulaire economie;

9.  stelt het op prijs dat verschillende regio's hun strategieën voor slimme specialisatie hebben gebruikt om prioriteiten in verband met de circulaire economie vast te stellen en hun investeringen in onderzoek en innovatie in het kader van het cohesiebeleid op die doelstelling af te stemmen, waardoor zij een belangrijke rol spelen ter ondersteuning van infrastructuur en investeringen die beantwoorden aan de behoeften van kmo's; verzoekt de regionale autoriteiten deze goede werkwijze courant te gebruiken en deze strategieën voor slimme specialisatie uit te voeren;

10.  is ingenomen met de oprichting van een Europees kenniscentrum inzake hulpbronnenefficiëntie voor kleine en middelgrote ondernemingen en van het ondersteuningsplatform voor financiering op het gebied van de circulaire economie;

11.  herhaalt zijn zienswijze dat de circulaire economie verder gaat dan afvalbeheer en ook terreinen bestrijkt als groene banen, hernieuwbare energie, hulpbronnenefficiëntie, de bio-economie, landbouw- en visserijbeleid dat erop gericht is fossiele brandstoffen via biogebaseerde industrieën te vervangen, waterbeheer, energie-efficiëntie, voedselverspilling, zwerfvuil op zee, verbetering van de luchtkwaliteit, onderzoek en ontwikkeling en innovatie op aanverwante terreinen; erkent evenwel dat afvalinfrastructuur van cruciaal belang is om lineaire productie- en consumptiepatronen terug te dringen en dat het noodzakelijk is innovatie op het vlak van ecologisch ontwerp te ondersteunen om de hoeveelheid plastic afval te verminderen;

12.  herinnert eraan dat het fundamentele probleem dat het eerst moet worden opgelost de markt voor secundaire grondstoffen is, omdat het – als grondstoffen goedkoper zijn dan gerecycleerde materialen – duidelijk is dat het streven naar een groene economie aanzienlijk wordt vertraagd en dat de middelen uit de structuurfondsen in een vicieuze cirkel verloren kunnen gaan; merkt in dit verband op dat bepaalde ad-hocwetgeving (zoals het aankomende voorstel van de Commissie inzake kunststofproducten voor eenmalig gebruik) en passende belastingheffing op Europees niveau, als deel van de eigen middelen in het kader van het volgende meerjarig financieel kader, een beslissende bijdrage kunnen leveren aan de overgang naar een circulaire economie;

13.  beklemtoont dat gemiddeld aan slechts 10 % van de EU-vraag naar materialen kan worden voldaan uit gerecycleerde materialen; onderkent in het licht van nieuwe ontwikkelingen op de mondiale markten, en met name het Chinese verbod op de invoer van plastic schroot en ongescheiden papierafval, dat zich voor regio's en lokale gemeenschappen nieuwe kansen aandienen om in recyclinginfrastructuur te investeren, nieuwe, groene banen te scheppen en de problemen aan te pakken waarmee de EU momenteel te maken heeft;

14.  wijst op het bestaan en het belang van de ex-antevoorwaarden met betrekking tot de ESI-fondsen, met name wat de doelstelling inzake behoud en bescherming van het milieu en bevordering van een efficiënt gebruik van hulpbronnen betreft; onderstreept in het bijzonder de voorwaarde inzake bevordering van uit economisch en ecologisch oogpunt duurzame investeringen in de afvalsector; betreurt echter de verwaarlozing van de afvalhiërarchie en het gebrek aan een degelijke milieubeoordeling van de langetermijnresultaten van investeringen in het kader van de ESI-fondsen;

15.  roept op tot coördinatie en betere samenwerking van regio's, kmo's en andere publieke/private actoren om nieuwe thematische platformen voor slimme specialisatie op te starten, met name in de levensmiddelen-, de energie- en de industriesector;

16.  benadrukt dat het belangrijk is de afvalhiërarchie toe te passen als voorwaarde om tot een circulaire economie te komen, alsook de transparantie door de toeleveringsketen heen te verbeteren, zodat producten en materialen aan het einde van de levenscyclus efficiënt gemonitord en teruggewonnen kunnen worden; erkent voorts dat de ESI-fondsen een negatieve trend van investeringen in lagere niveaus van de afvalhiërarchie te zien geven, met name biomechanische afvalverwerkingsinstallaties en verbranding, wat in een aantal gevallen tot overcapaciteit en langdurige technologische afhankelijkheid leidt en daarmee de verwezenlijking van de Europese streefcijfers voor recyclage in gevaar kan brengen; wijst erop dat er aanvullende materialen kunnen worden gegenereerd, alsmede potentiële afzetmogelijkheden met betrekking tot de productie, door bedrijven aan te sporen de hiërarchie te eerbiedigen;

17.  herinnert aan de nieuwe afvaldoelstellingen voor 2025, 2030 en 2035 die tijdens de herziening van de afvalwetgeving van de EU zijn vastgesteld, en onderstreept dat voor de verwezenlijking van deze doelstellingen politiek engagement op nationaal, regionaal en lokaal niveau alsmede economische investeringen nodig zijn; verzoekt de lidstaten ten volle gebruik te maken van de beschikbare middelen van de Unie ter ondersteuning van deze investeringen en benadrukt dat deze investeringen grote economische groei en nieuwe banen zullen opleveren;

18.  onderstreept dat regionale projecten een belangrijke rol spelen in de verwerking van volledig niet-recycleerbaar restafval met het oog op de productie van duurzame biobrandstoffen van de tweede generatie, na zorgvuldige scheiding of afzonderlijke inzameling overeenkomstig de afvalhiërarchie;

19.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat alle definities met betrekking tot afval in overeenstemming zijn met de kaderrichtlijn afvalstoffen en dat er vergelijkbare gegevens over de vooruitgang van de lidstaten en van de lokale en regionale autoriteiten beschikbaar zijn;

20.  onderstreept het belang van het initiatief inzake stedelijke innovatieve acties, in het kader waarvan voor reeds acht innovatieve projecten met betrekking tot een circulaire economie in stedelijke overheden financiering uit het EFRO beschikbaar is gesteld, en verzoekt de Commissie toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van deze projecten en deze te beoordelen om breder beleid op het gebied van de circulaire economie te kunnen ontwikkelen; 

De circulaire economie als aanjager van duurzame en regionale ontwikkeling

21.  benadrukt het belang van het partnerschapsbeginsel en de belangrijke rol van alle belanghebbenden, met name de regionale en plaatselijke overheden en de niet-gouvernementele sector, met inbegrip van kmo's en bedrijven van de sociale economie, bij het opstellen van partnerschapsovereenkomsten en operationele programma's; dringt erop aan partners daadwerkelijk bij beleidsprocessen te betrekken door horizontale partnerschappen aan te gaan, en doelstellingen in verband met de circulaire economie passend in programmeringsdocumenten te integreren; spoort de lidstaten aan om eigen nationale strategieën op dit gebied te ontwikkelen, in overeenstemming met de EU-benadering inzake de circulaire economie; wijst erop dat lokale overheden een voortrekkersrol kunnen spelen bij de verwezenlijking van de circulaire economie;

22.  wijst op de belangrijke rol van publiek-private partnerschappen bij het ontwerp en de planning van nieuwe producten en diensten waarbij rekening wordt gehouden met de levenscyclus, met het oog op de hantering van de vier ontwerpmodellen die in een circulaire economie kunnen worden gebruikt: ontwerp voor lange levensduur, ontwerp voor lease of dienstverlening, ontwerp voor hergebruik in het fabricageproces, en ontwerp voor materiaalterugwinning;

23.  onderstreept dat de huidige strategieën en marktmodellen om de overgang van de regio's naar deze meer duurzame vorm van economie te begeleiden, moeten worden gewijzigd en aangepast en dat daarbij het economische, industriële en ecologische concurrentievermogen moet worden bevorderd;

24.  dringt aan op de volledig transparante tenuitvoerlegging van de circulaire economie in het kader van een gecoördineerd meerlagig bestuur en het partnerschapsbeginsel, in samenwerking met lokale gemeenschappen, en met behulp van brede publieke deelname;

25.  benadrukt de noodzaak om nauwere samenwerking te bevorderen tussen alle belanghebbenden die betrokken zijn bij de processen van de circulaire economie;

26.  merkt op dat projecten in verband met de circulaire economie die steun hebben ontvangen in het kader van het cohesiebeleid, meer ontwikkelde regio's grotere voordelen hebben opgeleverd; onderkent de beperkte administratieve capaciteit van minder ontwikkelde regio's en verzoekt de nationale autoriteiten van de lidstaten en de Commissie daarom alle bestaande mogelijkheden te benutten om deskundige bijstand te verlenen en deze regio's meer capaciteit te geven zodat zij meer inspanningen kunnen leveren, en geschikte omstandigheden te scheppen om technologisch een sprong voorwaarts te maken door meer projecten uit te voeren die aan de beginselen van de circulaire economie voldoen, en door partnerschappen te ontwikkelen en nauwer samen te werken met belanghebbenden, zoals materiaaldeskundigen, chemici, fabrikanten en recyclingbedrijven, met name in het kader van het initiatief "Industrie 2020 in de circulaire economie";

27.  benadrukt dat de overstap naar biologische grondstoffen en verwerkingsmethoden tegen 2030 naar schatting een besparing van 2,5 miljard ton CO2-equivalent per jaar kan opleveren, wat betekent dat de markt voor biogebaseerde grondstoffen en de markt voor nieuwe consumentenproducten met een veelvoud kunnen worden vergroot; onderstreept dat duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen en het behoud van de biodiversiteit van cruciaal belang zijn bij de omzetting van hulpbronnen in biogebaseerde producten, materialen en brandstoffen;

28.  acht de bio-economie van essentieel belang voor regionale en lokale ontwikkeling omdat ze voor meer samenhang tussen regio's zorgt door werkgelegenheid te creëren en groei in plattelandsgebieden te bewerkstelligen; dringt erop aan meer gebruik te maken van de ESI-fondsen voor de toepassing van bestaande innovaties, door middel van beleidsmaatregelen om belanghebbenden aan te moedigen, en tegelijk verdere innovatie te bevorderen inzake de ontwikkeling van met duurzaam beheerde biogrondstoffen geproduceerde biogebaseerde, biologisch afbreekbare, recycleerbare en composteerbare materialen; wijst erop dat een samenhangende totstandbrenging van de bio-economie ook een oplossing kan bieden voor het voedselverspillingsprobleem; dringt aan op betere samenwerking tussen nationale, regionale en lokale overheden om structuren en platformen te ontwikkelen die bedoeld zijn om verschillende actoren (voedselproducenten, transporteurs, kleinhandelaars, consumenten, de afvalsector en andere belanghebbenden) samen te brengen om zo grotere synergieën te creëren en doeltreffende oplossingen te ontwikkelen;

29.  wijst erop dat niet alleen lokale, regionale en nationale overheden, maar ook de consumenten zelf gestimuleerd moeten worden en dat zij te allen tijde op de hoogte moeten worden gesteld en moeten worden aangespoord om hun consumptiegedrag met betrekking tot afvalbeheer en -productie, recyclage en kwesties op het gebied van duurzame oplossingen in het dagelijks leven te veranderen;

30.  dringt erop aan lokale en regionale overheden beter, eenvoudiger en transparanter toegang tot financiering te verschaffen, onder meer door hun administratieve capaciteit te versterken en door nauwer samen te werken met de EIB in het kader van de Europese investeringsadvieshub, om meer investeringen in groene banen, afvalbeheer, slimme specialisatie, verdere ontwikkeling van plattelandsgebieden, met inbegrip van de nodige infrastructuur en milieuvriendelijke technologieën, de overstap van fossiele brandstoffen naar hernieuwbare energiebronnen, en de lokale energietransitie, met inbegrip van energie-efficiëntie, decentrale energiedistributie, innovatie op het gebied van schone energie, en de circulaire economie mogelijk te maken; is verheugd dat de EIB in de laatste vijf jaar ongeveer 2,4 miljard EUR aan medefinanciering ter beschikking heeft gesteld voor projecten in het kader van de circulaire economie op het vlak van afvalbeheer, waterbeheer of landbouwonderzoek en -ontwikkeling; benadrukt het belang van een betere coördinatie van de ESI-fondsen en het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) op het gebied van de circulaire economie, mede om ervoor te zorgen dat programma's een regionale aanpak omvatten en beter gebruikmaken van het regionale potentieel voor duurzame energiebronnen;

31.  verzoekt de lidstaten, regio's en lokale overheden het opzetten en ondersteunen van hergebruik- en reparatienetwerken aan te moedigen, en met name van netwerken die fungeren als ondernemingen in de sociale economie, teneinde producten dankzij hergebruik of reparatie langer te laten meegaan, door dergelijke netwerken gemakkelijker toegang te verlenen tot afvalinzamelingspunten en door het gebruik van de ESI-fondsen, economische instrumenten, aanbestedingscriteria of andere maatregelen te stimuleren;

32.  benadrukt dat de algehele duurzaamheid met betrekking tot het hergebruik en de recycling van producten tijdens de levenscyclus ook afhangt van de hoeveelheid energie die voor het vervoer van de desbetreffende producten wordt verbruikt; onderstreept dat dit met name geldt voor plattelandsgebieden, waar langere afstanden moeten worden afgelegd tussen de plaats van inzameling en de plaats van verwerking; verzoekt de Commissie, de lidstaten en de regionale autoriteiten met klem om in strategieën met betrekking tot de circulaire economie voor plattelandsgebieden rekening te houden met deze levenscyclusbenadering om negatieve gevolgen voor het milieu en het klimaat te voorkomen;

33.  wijst erop dat in het kader van een studie over de integratie van milieuaspecten in fondsen voor het cohesiebeleid een steekproef van 32 operationele programma's werd onderzocht en dat negen daarvan betrekking hadden op de circulaire economie en zes op groene banen; is ingenomen met de inspanningen die nationale en regionale overheden leveren, maar roept de lidstaten tegelijk ertoe op de circulaire economie beter te integreren in hun operationele en regionale programma's en partnerschapsovereenkomsten; dringt erop aan dat steun wordt verleend aan de regio's om te zorgen voor een zo soepel mogelijke overgang naar een circulaire economie;

34.  roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat de circulaire economie naar behoren als interdisciplinair thema wordt opgenomen in programma's voor onderwijs, beroepsopleiding en omscholing, met het oog op de ontwikkeling van nieuwe attitudes die zullen bijdragen tot het vaststellen van nieuwe bedrijfsmodellen en het scheppen van nieuwe banen;

35.  roept nationale en regionale overheden die verantwoordelijk zijn voor de voorbereiding van operationele programma's op de circulaire economie sterker te integreren in de programma's voor territoriale samenwerking, met name in programma's voor grensoverschrijdende samenwerking, met het oog op de uitvoering van grensoverschrijdende oplossingen die efficiëntere en goedkopere resultaten kunnen opleveren;

36.  is van oordeel dat de toekomstige planning van de ESI-fondsen in de volgende programmaperiode beter moet worden afgestemd op de nationale energie- en klimaatplannen voor 2030, door zo mogelijk gebruik te maken van soortgelijke indicatoren als die van de verordening inzake de governance van de energie-unie; dringt erop aan dat de lidstaten een ambitieuze en samenhangende strategie aan de dag leggen om te voldoen aan de op EU-niveau reeds bestaande bindende streefcijfers inzake beperking van de klimaatverandering;

37.  verzoekt de lidstaten de gelegenheid aan te grijpen om de circulaire economie tijdens de herzieningsperiode verder in hun huidige operationele programma's op te nemen; is van mening dat de Commissie dit proces moet vergemakkelijken en de lidstaten moet helpen bij het bestuderen van de huidige stand van zaken en van de gebieden die mogelijk met de beginselen van de circulaire economie kunnen worden verrijkt;

38.  is van mening dat de rol van Europese territoriale samenwerking (ETS) bij het aanpakken van problemen in verband met de tenuitvoerlegging van de circulaire economie verder moet worden vergroot; verzoekt de lidstaten grensoverschrijdende samenwerking te bevorderen, met name via ETS, om projecten op het gebied van de circulaire economie uit te voeren; benadrukt daarnaast dat het belangrijk is om door middel van de pretoetredingsovereenkomsten met derde landen duurzame oplossingen te vinden om de huidige problemen, met name op het gebied van luchtvervuiling, aan te pakken;

39.  benadrukt dat de lopende macroregionale strategieën nog onbenut potentieel bieden om problemen te helpen aanpakken in verband met de verwezenlijking van de circulaire economie, niet alleen in de lidstaten maar ook in derde landen die in hetzelfde geografische gebied liggen; benadrukt dat deze strategieën gericht moeten zijn op prioriteiten waarmee ondersteuning kan worden verleend voor de totstandbrenging van een markt voor secundaire grondstoffen voor de Unie; dringt aan op de ontwikkeling van initiatieven voor samenwerking tussen de EU en buurlanden;

40.  herhaalt zijn standpunt over het belang van adequate capaciteitsopbouw en capaciteitsbehoud bij lokale, regionale en nationale autoriteiten, wat ook uiterst belangrijk is voor de overgang naar een circulaire economie; wijst op de belangrijke rol die technische bijstand op dit vlak kan spelen; erkent dat regio's en stedelijke gebieden een essentiële rol vervullen bij het bevorderen van betrokkenheid bij de energietransitie van onderop en het meest geschikt zijn voor het testen en ten uitvoer leggen van geïntegreerde energieoplossingen die direct met burgers in verband staan; benadrukt de rol die "slimme steden"-initiatieven kunnen spelen in de circulaire economie door groene technologiemodellen te promoten in het kader van strategieën voor duurzame stedelijke ontwikkeling; onderstreept dat duurzame en "circulaire" steden een instrument zijn voor een doeltreffende kringloopeconomie;

41.  benadrukt het belang van groene overheidsopdrachten als drijfveer voor de circulaire economie, met een potentiële markt van naar schatting 1,8 biljoen EUR per jaar voor de uitvoering of levering van werken, goederen en diensten aan de overheid(14);

42.  benadrukt de behoefte aan een regelgevingskader inzake energie om burgers en energiegemeenschappen aan te sporen aan de energietransitie deel te nemen door gebruik te maken van hun recht op eigen productie en consumptie, alsmede door doorlopende ondersteuningsregelingen, gewaarborgde prioritaire toegang tot het net en prioritaire dispatching voor hernieuwbare energie;

43.  moedigt regionale en lokale overheden ertoe aan verder te investeren in onderwijsprogramma's, in beroepsopleiding en de omscholing van werknemers en in campagnes om het publiek bewust te maken van de voordelen van alle maatregelen die tot doel hebben de circulaire economie in de praktijk te brengen via projecten in het kader van het cohesiebeleid, om zo de participatie van burgers te vergroten en het consumentengedrag te beïnvloeden; onderstreept in dit verband het potentieel van het ESF; benadrukt dat het jonge ondernemers moet aansporen om de overgang te maken naar de circulaire economie, met name in regio's met lage inkomens en beperkte groei; beklemtoont ook dat de circulaire economie plattelandsgebieden een kans biedt om de ontvolking tegen te gaan, hun economie te diversifiëren en hun risicobestendigheid te vergroten; wijst er in dit verband op dat plattelandsgebieden stimulansen nodig hebben voor de overgang naar duurzame waardeketens; benadrukt dat er een specifieke strategie moet worden ontwikkeld voor eilandregio's;

44.  spoort de Commissie aan om door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling (CLLD) en geïntegreerde territoriale investeringen (ITI) te stimuleren om lokale belanghebbenden te helpen financieringsstromen te combineren en lokale initiatieven in het kader van de circulaire economie te organiseren;

45.  merkt op dat 80 % van het zwerfvuil op zee van het land afkomstig is; benadrukt daarom dat het belangrijk is om vervuiling aan land en op zee aan te pakken door middel van lokale en regionale maatregelen die niet alleen het milieu, maar ook de menselijke gezondheid ten goede komen; verzoekt de lidstaten, regio's en lokale overheden zich vooral in te spannen om de productie van landvuil te voorkomen;

46.  verzoekt de Commissie in het kader van het Europees Semester voor ogen te houden welke invloed door de ESI-fondsen medegefinancierde regionale en nationale investeringen in projecten in verband met de circulaire economie hebben op de berekening van de nationale overheidstekorten;

47.  is ingenomen met het voorstel tot herziening van de drinkwaterrichtlijn (Richtlijn 98/83/EG), die de overgang naar een circulaire economie zal faciliteren door de hoeveelheid plastic afval van water in flessen te verminderen, wat aanzienlijke energiebesparingen en een efficiënt beheer van de drinkwatervoorraden zal opleveren;

De circulaire economie in het cohesiebeleid voor de periode na 2020

48.  verzoekt de Commissie, voor de volgende programmeringsperiode, een relevante traceringsmethode met geschikte indicatoren uit te werken om beter te kunnen toezien op de bijdrage van het cohesiebeleid aan de verwezenlijking van een circulaire economie zodat er een nauwkeuriger beeld kan worden geschetst van de ecologische en sociaal-economische omstandigheden;

49.  wijst erop dat ook in het kader van andere programma's, zoals LIFE, Cosme en Horizon 2020, aanzienlijke steun wordt verleend om de overgang naar een circulaire economie tot stand te brengen; benadrukt dat de synergie tussen de bovenvermelde instrumenten verbeterd moet worden om de doelstellingen van het actieplan van de Commissie voor de circulaire economie te verwezenlijken;

50.  verzoekt de Commissie om in het kader van de nieuwe wetgevingsvoorstellen met betrekking tot het toekomstige cohesiebeleidskader geschikte ex-antevoorwaarden betreffende de verwezenlijking van een circulaire economie te ontwikkelen; is van mening dat strategieën voor de circulaire economie moeten worden ontwikkeld in partnerschap met de nationale, regionale en plaatselijke overheden en de economische en sociale partners;

51.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat er in het Horizon 2020-programma nog meer aandacht en middelen worden besteed aan innovatie- en onderzoeksprojecten op het gebied van de circulaire economie;

52.  acht het belangrijk de steun voor duurzame stedelijke en plattelandsontwikkeling in het kader van het cohesiebeleid op te voeren en vraagt dat doelstellingen in verband met de circulaire economie hierbij een prominentere rol krijgen; vraagt om innovatieve acties op het gebied van duurzame stedelijke en plattelandsontwikkeling voort te zetten en verzoekt de Commissie om bij de opstelling van voorstellen voor de toekomst maximaal gebruik te maken van de ervaring die in de periode 2014-2020 is opgedaan; pleit voor een flexibele aanpak op maat bij de tenuitvoerlegging van de stedelijke agenda, waarbij stimulansen en begeleiding moeten worden geboden om het potentieel van steden voor de tenuitvoerlegging van de circulaire economie volledig te benutten;

53.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het Europees stakeholdersplatform voor de circulaire economie een omgeving is waarin beste praktijken kunnen worden uitgewisseld, zodat de middelen van het cohesiebeleid zo goed mogelijk kunnen worden ingezet ter verwezenlijking van de overgang naar een circulaire economie;

54.  benadrukt de onderlinge verwevenheid van de circulaire economie en de beperking van klimaatverandering, en dringt daarom aan op grotere uitgaven voor investeringen op het gebied van de circulaire economie en het klimaat in het cohesiebeleid voor de periode na 2020; benadrukt bovendien dat klimaatgerelateerde uitgaven in het algemeen in het volgende meerjarig financieel kader (MFK) moeten toenemen ten opzichte van het huidige MFK;

°

°  °

55.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.

(2)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289.

(3)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470.

(4)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259.

(5)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 303.

(6)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 281.

(7)

PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(8)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0053.

(9)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0321.

(10)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0311.

(11)

PB C 265 van 11.8.2017, blz. 65.

(12)

PB C 353 van 27.9.2016, blz. 27.

(13)

Mededeling van de Commissie van 16 januari 2018 over een monitoringkader voor de circulaire economie (COM(2018)0029).

(14)

"Groen kopen! - Een handboek over groene overheidsopdrachten", derde editie, Europese Commissie, 2016.


ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (27.4.2018)

aan de Commissie regionale ontwikkeling

inzake cohesiebeleid en de circulaire economie

(2017/2211(INI))

Rapporteur voor advies: Stanislav Polčák

SUGGESTIES

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de bevoegde Commissie regionale ontwikkeling onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is van mening dat de overgang van een lineair naar een circulair economisch model geen keuze is, maar een noodzaak; is van oordeel dat de overgang naar een circulaire economie nieuwe, kwalitatief hoogstaande banen en mogelijkheden voor sociale integratie oplevert en tevens zorgt voor afvalvermindering, versterking van het concurrentievermogen van kmo's, bevordering van ontwikkelingen op het gebied van schone technologieën, verbetering van de energie- en hulpbronnenefficiëntie en vermindering van het grondstoffenverbruik en van de afhankelijkheid van Europa van ingevoerde grondstoffen en energie, zoals koolwaterstoffen, maar meent dat voor deze overgang innoverende bedrijfsmodellen nodig zijn om aan de consumptiebehoeften van de mens te kunnen voldoen zonder het milieu schade toe te brengen;

2.  benadrukt het belang van de circulaire economie voor economische, sociale en territoriale cohesie; herinnert eraan dat de totstandbrenging van een maatschappij met een circulaire economie een nieuw soort kennis en handelen vereist, alsmede samenwerking tussen de verschillende betrokkenen, de ontwikkeling van een operationele omgeving en veranderingen in de manier waarop bedrijven functioneren; is van oordeel dat de middelen van het cohesiebeleid doeltreffender moeten worden ingezet voor maatregelen ter ondersteuning van de circulaire economie, onder andere op educatief gebied;

3.  pleit voor een partnerschap met meerdere belanghebbenden om te zorgen voor een goede aansluiting tussen het cohesiebeleid en de beginselen van de circulaire economie door alle actoren die bij de levenscyclus van een product betrokken zijn, namelijk overheidsinstanties, de particuliere sector, de academische wereld en ngo's, een gelijke rol te laten spelen;

4.  pleit voor meer aandacht voor de beperking van de klimaatverandering en voor een doeltreffendere harmonisatie van het potentieel van de bio-economie en van de circulaire economie, teneinde ook op deze wijze de levensstandaard en de bestaansmiddelen in plattelandsgebieden te verbeteren; herinnert eraan dat de overgang naar een duurzame, koolstofarme, circulaire economie kan worden versneld door de steun die tot nu toe aan fossiele producten werd toegewezen voortaan aan hernieuwbare producten en productie toe te wijzen;

5.  is van oordeel dat economische, sociale en milieuproblemen kunnen worden aangepakt door middel van betere financiering en passende instrumenten voor territoriale ontwikkeling, alsmede door ondersteuning van de circulaire economie; wijst erop dat de overgang naar een circulaire economie niet gerealiseerd kan worden zonder een langetermijnvisie en duidelijke investeringssignalen; is van mening dat de ex-antevoorwaarden hebben bijgedragen aan de tenuitvoerleggingsfase van de strategische doelstellingen van de huidige cohesiefondsen, maar dat ze voor de periode na 2020 nader kunnen worden gedefinieerd; pleit in dit verband voor eerbiediging van de afvalhiërarchie en uitwerking ervan in een reeks ex-antevoorwaarden met behulp waarvan het gebruik van fondsen beperkt wordt tot de tenuitvoerlegging van de circulaire economie met volledige inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel; pleit voor de invoering van financiële stimulansen voor afvalpreventie die volledig zijn afgestemd op de in artikel 4 van de kaderrichtlijn afvalstoffen(1) vastgelegde afvalhiërarchie; onderstreept dat ook middelen uit het Cohesiefonds die zijn uitgetrokken voor preventie, recycling en hergebruik van afval met deze hiërarchie in overeenstemming moeten zijn; verzoekt de lidstaten, die de EU-afvalhiërarchie verplicht moeten toepassen, om preventie, hergebruik, voorbereiding voor hergebruik, en recycling voorop te stellen wanneer zij in infrastructuur voor afvalbeheer investeren; benadrukt dat er regels moeten worden vastgesteld om te bepalen welke instanties verantwoordelijk zijn voor het controleren van de gegevens met betrekking tot afvalvermindering in alle facetten van de productie-, verwerkings- en consumptiefase, en welke instrumenten hiervoor worden ingezet;

6.  spreekt zijn steun uit voor strengere vereisten op het gebied van producentenverantwoordelijkheid en pleit voor een sterke vermindering van plastic in verpakkingen en voor de vaststelling van regelingen voor het gebruik van herbruikbare verpakkingen door grote winkelketens ten behoeve van afvalpreventie; benadrukt dat er aanvullende maatregelen nodig zijn om producten duurzamer te maken en hergebruik en recycling te stimuleren, waaronder de invoering van financiële sancties voor overtollige verpakkingen;

7.  herinnert aan de nieuwe afvaldoelstellingen voor 2025, 2030 en 2035 die tijdens de herziening van de afvalwetgeving van de EU zijn vastgesteld, en onderstreept dat voor de verwezenlijking van deze doelstellingen politiek engagement nodig is op nationaal, regionaal en lokaal niveau, alsmede economische investeringen; verzoekt de lidstaten ten volle gebruik te maken van de beschikbare middelen van de Unie ter ondersteuning van deze investeringen en benadrukt dat deze investeringen grote economische groei en nieuwe banen zullen opleveren;

8.  onderstreept dat bioafval afzonderlijk aan de bron moet worden ingezameld en dat er een kader moet worden vastgesteld voor het gebruik van compost uit bioafval in de landbouw en in andere sectoren; benadrukt dat een groot deel van gemengd gemeentelijk afval uit bioafval bestaat en wijst erop dat dit bioafval niet kan worden hergebruikt als compost, omdat er onvoldoende mogelijkheden bestaan voor de afzonderlijke inzameling ervan;

9.  benadrukt dat de algehele duurzaamheid met betrekking tot het hergebruik en de recycling van producten tijdens de levenscyclus ook afhangt van de hoeveelheid energie die voor het vervoer van de desbetreffende producten wordt verbruikt; onderstreept dat dit met name geldt voor plattelandsgebieden, waar langere afstanden moeten worden afgelegd tussen de plaats van inzameling en de plaats van verwerking; verzoekt de Commissie, de lidstaten en de regionale autoriteiten met klem om in strategieën met betrekking tot de circulaire economie voor plattelandsgebieden rekening te houden met deze levenscyclusbenadering om negatieve gevolgen voor het milieu en het klimaat te voorkomen;

10.  onderstreept dat regionale projecten een belangrijke rol spelen in de verwerking van niet-recyclebaar restafval met het oog op de productie van duurzame biobrandstoffen van de tweede generatie na zorgvuldige scheiding of afzonderlijke inzameling overeenkomstig de afvalhiërarchie;

11.  herinnert aan het belang van opleiding op het gebied van nieuwe banen in de groene economie: het Europees Sociaal Fonds (ESF) moet, in combinatie met investeringen uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), bijdragen aan het scheppen van nieuwe banen in het kader van de circulaire economie;

12.  merkt op dat de nieuwe, restrictieve houding van China ten opzichte van de invoer van Europees afval op korte termijn negatieve gevolgen kan hebben voor het afvalbeheer in de EU; is desondanks van mening dat deze nieuwe houding van China kansen biedt voor Europa op het gebied van afvalbeheer en verzoekt de lidstaten daarom om hun inspanningen ter vermindering van de afvalproductie te intensiveren, hun beleid inzake afvalbeheer te heroverwegen, hun hulpbronnenbeheer te verbeteren en een goed functionerende EU-infrastructuur voor recycling aan te leggen om de circulaire economie in de EU een impuls te geven; is in dit verband ingenomen met de nieuwe strategie van de Commissie inzake kunststoffen en pleit voor een grotere convergentie tussen de EU en China om het fundament te leggen voor een economie die gebaseerd is op duurzame kunststoffen, waarbinnen producten zodanig worden ontworpen en geproduceerd dat ze duurzamer zijn en tevens geschikter zijn voor hergebruik en kwalitatief hoogstaande recycling;

13.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat alle definities met betrekking tot afval in overeenstemming zijn met de kaderrichtlijn afvalstoffen en dat er vergelijkbare gegevens over de vooruitgang van de lidstaten en van de lokale en regionale autoriteiten beschikbaar zijn;

14.  verzoekt de Commissie nauwlettender toe te zien op de tenuitvoerlegging door de lidstaten om ervoor te zorgen dat de overgang naar de circulaire economie wordt verwezenlijkt;

15.  benadrukt dat de vereiste infrastructuur voor afvalbeheer in veel lidstaten nog niet is ontwikkeld; wijst erop dat het daarom van groot belang is om langetermijnbeleidsdoelstellingen vast te stellen om maatregelen en investeringen te sturen, met name door te voorkomen dat structurele overcapaciteit ontstaat voor de verwerking van restafval en dat recyclebare materialen op lagere niveaus van de afvalhiërarchie verloren gaan; merkt op dat het derhalve van wezenlijk belang is om de Europese structuur- en investeringsfondsen in te zetten voor het financieren van de ontwikkeling van de infrastructuur voor afvalbeheer die nodig is voor preventie, hergebruik en recycling;

16.  herinnert eraan dat het fundamentele probleem dat het eerst moet worden opgelost de markt voor secundaire grondstoffen is, omdat het – als grondstoffen goedkoper zijn dan gerecyclede materialen – niet vreemd is dat de ontwikkeling in de richting van een groene economie flink afgeremd wordt en dat de middelen uit de structuurfondsen in een vicieuze cirkel verspild worden; merkt in dit verband op dat bepaalde ad-hocwetgeving (zoals het aankomende voorstel van de Commissie inzake kunststofproducten voor eenmalig gebruik) en passende belastingheffing op Europees niveau, als deel van de eigen middelen in het kader van het volgende meerjarig financieel kader, een beslissende bijdrage kunnen leveren aan de overgang naar een circulaire economie;

17.  is ingenomen met het voorstel tot herziening van de drinkwaterrichtlijn (Richtlijn 98/83/EG), waarmee onder andere aan de hand van doeltreffend beheer van de drinkwatervoorraden wordt bijgedragen aan de overgang naar een circulaire economie door vermindering van de hoeveelheid van waterflessen afkomstig plastic afval, wat naar verwachting tevens aanzienlijke energiebesparingen zal opleveren;

18.  spreekt zijn steun uit voor regionale projecten op het gebied van innovatieve mestverwerking en de sluiting van de dierlijke-mineralenkringloop, die bijdragen aan de vermindering van broeikasgasemissies en nitraatuitspoeling, en aan de productie van groene bio-energie;

19.  verzoekt de Commissie met klem om de geplande maatregelen ter ondersteuning van de circulaire economie ten uitvoer te leggen met inachtneming van goede praktijken op het gebied van regelgeving, en benadrukt dat de uitvoeringsmaatregelen moeten worden gemonitord;

20.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de onderlinge aansluiting van regionale projecten in het kader van de circulaire economie op het gebied van biologische meststoffen, zoals uit mestverwerking verkregen minerale concentraten van hoge kwaliteit, en EU-wetgevingskaders te bevorderen door onder meer minerale concentraten toe te staan als groene alternatieven voor kunstmest, onder de voorwaarde dat de beschikbaarheidscoëfficiënt van deze concentraten voldoende hoog is en dat deze concentraten derhalve kunnen bijdragen aan de verbetering van de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater; verzoekt de Commissie en de lidstaten met klem om een einde te maken aan de juridische discriminatie van duurzame biologische meststoffen van dierlijke oorsprong ten opzichte van gangbare minerale kunstmest en om de EU-wetgeving en -definities dienovereenkomstig aan te passen;

21.  acht het nodig dat de lidstaten bij het ontwikkelen van hun nationale strategieën voor afvalbeheer en bij het plannen van investeringen in infrastructuur voor afvalbeheer en de circulaire economie, terdege gebruikmaken van de Europese structuur- en investeringsfondsen door overeenkomstig de afvalhiërarchie in de eerste plaats preventie en hergebruik, alsmede recycling te bevorderen; is van mening dat de Commissie overeenkomstig de afvalhiërarchie moet zorgen voor een betere aansluiting tussen het Horizon 2020-programma en de Europese structuur- en investeringsfondsen, teneinde een doeltreffend financieel kader te ontwikkelen waarbinnen lokale autoriteiten worden geholpen bij de tenuitvoerlegging van de voorschriften van de EU-afvalwetgeving en bij de financiering van de invoering van innovatieve technologieën en werkwijzen op het gebied van afvalbeheer;

22.  benadrukt dat de Commissie haar toezeggingen moet nakomen en een monitoringkader voor de circulaire economie ten uitvoer moet leggen om de geboekte voortgang met betrekking tot de overgang naar een circulaire economie – zowel in de gehele EU als in de afzonderlijke lidstaten – te bevorderen en te beoordelen, en de administratieve lasten hierbij tot een minimum te beperken;

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

25.4.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

59

1

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marco Affronte, Margrete Auken, Pilar Ayuso, Zoltán Balczó, Biljana Borzan, Lynn Boylan, Nessa Childers, Birgit Collin-Langen, Miriam Dalli, Seb Dance, Angélique Delahaye, Stefan Eck, Bas Eickhout, José Inácio Faria, Francesc Gambús, Elisabetta Gardini, Gerben-Jan Gerbrandy, Jens Gieseke, Julie Girling, Sylvie Goddyn, Françoise Grossetête, Andrzej Grzyb, Jytte Guteland, Anneli Jäätteenmäki, Benedek Jávor, Karin Kadenbach, Kateřina Konečná, Urszula Krupa, Giovanni La Via, Peter Liese, Joëlle Mélin, Susanne Melior, Miroslav Mikolášik, Rory Palmer, Massimo Paolucci, Piernicola Pedicini, Bolesław G. Piecha, Pavel Poc, Julia Reid, Frédérique Ries, Michèle Rivasi, Davor Škrlec, Renate Sommer, Estefanía Torres Martínez, Adina-Ioana Vălean, Jadwiga Wiśniewska, Damiano Zoffoli

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Nikos Androulakis, Cristian-Silviu Buşoi, Caterina Chinnici, Fredrick Federley, Anja Hazekamp, Norbert Lins, Rupert Matthews, Alojz Peterle, Stanislav Polčák, Carolina Punset, Christel Schaldemose

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Jude Kirton-Darling, Jeroen Lenaers, Mylène Troszczynski

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

59

+

ALDE

Fredrick Federley, Gerben-Jan Gerbrandy, Anneli Jäätteenmäki, Carolina Punset, Frédérique Ries

ECR

Urszula Krupa, Rupert Matthews, Bolesław G. Piecha, Jadwiga Wiśniewska

EFDD

Piernicola Pedicini

ENF

Sylvie Goddyn, Joëlle Mélin, Mylène Troszczynski

GUE/NGL

Lynn Boylan, Stefan Eck, Anja Hazekamp, Kateřina Konečná, Estefanía Torres Martínez

PPE

Pilar Ayuso, Cristian-Silviu Buşoi, Birgit Collin-Langen, Angélique Delahaye, José Inácio Faria, Francesc Gambús, Elisabetta Gardini, Jens Gieseke, Julie Girling, Françoise Grossetête, Andrzej Grzyb, Giovanni La Via, Jeroen Lenaers, Peter Liese, Norbert Lins, Miroslav Mikolášik, Alojz Peterle, Stanislav Polčák, Renate Sommer, Adina-Ioana Vălean

S&D

Nikos Androulakis, Biljana Borzan, Nessa Childers, Caterina Chinnici, Miriam Dalli, Seb Dance, Jytte Guteland, Karin Kadenbach, Jude Kirton-Darling, Susanne Melior, Rory Palmer, Massimo Paolucci, Pavel Poc, Christel Schaldemose, Damiano Zoffoli

VERTS/ALE

Marco Affronte, Margrete Auken, Bas Eickhout, Benedek Jávor, Michèle Rivasi, Davor Škrlec

1

-

EFDD

Julia Reid

1

0

NI

Zoltán Balczó

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

15.5.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

31

3

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Pascal Arimont, Franc Bogovič, Mercedes Bresso, Steeve Briois, Andrea Cozzolino, Rosa D’Amato, Aleksander Gabelic, Ivan Jakovčić, Constanze Krehl, Sławomir Kłosowski, Louis-Joseph Manscour, Iskra Mihaylova, Andrey Novakov, Paul Nuttall, Younous Omarjee, Konstantinos Papadakis, Stanislav Polčák, Liliana Rodrigues, Fernando Ruas, Maria Spyraki, Ruža Tomašić, Ramón Luis Valcárcel Siso, Matthijs van Miltenburg, Kerstin Westphal, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Isabella Adinolfi, John Howarth, Ivana Maletić, Miroslav Mikolášik, Bronis Ropė, Davor Škrlec, Damiano Zoffoli

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Dariusz Rosati, Boris Zala


HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

31

+

ALDE

Ivan Jakovčić, Iskra Mihaylova, Matthijs van Miltenburg

ECR

Sławomir Kłosowski, Ruža Tomašić

EFDD

Isabella Adinolfi, Rosa D'Amato

GUE/NGL

Younous Omarjee

PPE

Pascal Arimont, Franc Bogovič, Ivana Maletić, Miroslav Mikolášik, Andrey Novakov, Stanislav Polčák, Dariusz Rosati, Fernando Ruas, Maria Spyraki, Ramón Luis Valcárcel Siso, Joachim Zeller

S&D

Mercedes Bresso, Andrea Cozzolino, Aleksander Gabelic, John Howarth, Constanze Krehl, Louis-Joseph Manscour, Liliana Rodrigues, Kerstin Westphal, Boris Zala, Damiano Zoffoli

VERTS/ALE

Bronis Ropė, Davor Škrlec

3

-

EFDD

Paul Nuttall

ENF

Steeve Briois

NI

Konstantinos Papadakis

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 1 juni 2018Juridische mededeling