Procedure : 2016/0361(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0216/2018

Ingediende teksten :

A8-0216/2018

Debatten :

PV 15/04/2019 - 17
CRE 15/04/2019 - 17

Stemmingen :

PV 16/04/2019 - 8.13
CRE 16/04/2019 - 8.13

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0371

VERSLAG     ***I
PDF 547kWORD 78k
25.6.2018
PE 610.851v02-00 A8-0216/2018

over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 806/2014 met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen

(COM(2016)0851 – C8-0478/2016 – 2016/0361(COD))

Commissie economische en monetaire zaken

Rapporteur: Gunnar Hökmark

AMENDEMENTEN
ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 806/2014 met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen

(COM(2016)0851 – C8-0478/2016 – 2016/0361(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0851),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0478/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0216/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Amendement    1

AMENDEMENTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT*(1)*

op het voorstel van de Commissie

---------------------------------------------------------

2016/0361 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot wijziging van Verordening (EU) nr. 806/2014 met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank(2),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Op 9 november 2015 publiceerde de Raad voor financiële stabiliteit (Financial Stability Board, "FSB") de "Total Loss-Absorbing Capacity (TLAC) Term Sheet" (de "TLAC-norm"), die in november 2015 door de G20 werd bekrachtigd. De TLAC-norm vereist dat mondiaal systeemrelevante banken ("G-SIB's"), die in het kader van de Unie mondiaal systeemrelevante instellingen ("G-SII's") worden genoemd, een voldoende minimumbedrag aan zeer verliesabsorberende (bail-inbare) passiva aanhouden om bij afwikkeling een soepele en snelle absorptie van verliezen en herkapitalisatie te garanderen. In haar mededeling van 24 november 2015(4) verbond de Commissie zich ertoe om voor het einde van 2016 een wetgevingsvoorstel in te dienen dat zou toelaten om de TLAC-norm tegen de internationaal afgesproken deadline, zijnde 2019, te implementeren.

(2)  Bij de implementatie van de TLAC-norm in de Unie moet rekening worden gehouden met het bestaande instellingsspecifieke minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva ("minimum requirement for own funds and eligible liabilities", "MREL") die van toepassing is op alle kredietinstellingen en beleggingsondernemingen in de Unie zoals bepaald in Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad(5). Aangezien TLAC en MREL hetzelfde doel nastreven, namelijk ervoor zorgen dat instellingen in de Unie voldoende verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit hebben, moeten de twee vereisten complementaire elementen van een gemeenschappelijk kader zijn. Operationeel moet het geharmoniseerde minimumniveau van de TLAC-norm voor G-SII's ("minimale TLAC-vereiste") in de wetgeving van de Unie worden ingevoerd via wijzigingen van Verordening (EU) nr. 575/2013(6), terwijl de instellingsspecifieke verhoging voor G-SII's en het instellingsspecifieke vereiste voor niet-G-SII's, dat minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva wordt genoemd, moeten worden aangepakt via gerichte wijzigingen van Richtlijn 2014/59/EU en Verordening (EU) nr. 806/2014(7). De relevante bepalingen van deze verordening die verband houden met de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van instellingen moeten samen met die in de bovengenoemde wetteksten en in Richtlijn 2013/36/EU(8) consequent worden toegepast.

(3)  Het ontbreken van geharmoniseerde regels in de lidstaten die deelnemen aan het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme met betrekking tot de implementatie van de TLAC-norm zou zich vertalen in extra kosten en rechtsonzekerheid ▌ en zou de toepassing van het instrument van bail-in voor grensoverschrijdende instellingen bemoeilijken. Het ontbreken van geharmoniseerde regels van de Unie leidt ook tot concurrentieverstoringen op de interne markt, aangezien de kosten voor instellingen om aan de bestaande vereisten en de TLAC-norm te voldoen aanzienlijk kunnen verschillen tussen de deelnemende lidstaten. Daarom is het noodzakelijk om deze belemmeringen voor de werking van de interne markt weg te nemen en concurrentieverstoringen als gevolg van het ontbreken van geharmoniseerde regels met betrekking tot de implementatie van de TLAC-norm te vermijden. Bijgevolg is artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), zoals uitgelegd in overeenstemming met de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, de passende rechtsgrondslag voor deze Verordening.

(4)  In overeenstemming met de TLAC-norm moet Verordening (EU) nr. 806/2014 zowel de afwikkelingsstrategie "Single Point of Entry" ("SPE" – één enkel toegangspunt) als de afwikkelingsstrategie "Multiple Points of Entry" ("MPE" – meerdere toegangspunten) blijven erkennen. Bij de SPE-strategie wordt slechts één entiteit van de groep, meestal de moederonderneming, afgewikkeld terwijl andere entiteiten van de groep, meestal operationele dochterondernemingen, niet in afwikkeling worden gezet maar hun verliezen en herkapitalisatiebehoeften doorsturen naar de af te wikkelen entiteit. Bij de MPE-strategie kan meer dan één entiteit van de groep worden afgewikkeld. Een duidelijke identificatie van de af te wikkelen entiteiten ("afwikkelingsentiteiten") en dochterondernemingen die tot die entiteiten behoren ("afwikkelingsgroepen") is belangrijk om de gewenste afwikkelingsstrategie doeltreffend toe te passen. Deze identificatie is ook relevant voor het bepalen van de mate waarin financiële ondernemingen de regels inzake verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit dienen toe te passen. Het is daarom noodzakelijk om de begrippen "afwikkelingsentiteit" en "afwikkelingsgroep" te introduceren en Verordening (EU) nr. 806/2014 te wijzigen met betrekking tot de planning van de afwikkeling van een groep om de gemeenschappelijke afwikkelingsraad ("afwikkelingsraad") uitdrukkelijk te verplichten de afwikkelingsentiteiten en afwikkelingsgroepen binnen een groep te identificeren en terdege rekening te houden met de gevolgen van een voorgenomen afwikkelingsactie binnen de groep teneinde een effectieve afwikkeling van de groep te verzekeren.

(5)  De afwikkelingsraad moet ervoor zorgen dat instellingen voldoende verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit hebben om te verzekeren dat de absorptie van verliezen en herkapitalisatie bij afwikkeling soepel en snel verlopen met een minimale impact op de financiële stabiliteit en de belastingbetalers. Dit moet worden bereikt door instellingen te verplichten een instellingsspecifiek minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva na te leven, zoals bepaald in Verordening (EU) nr. 806/2014.

(6)  Om de noemers die de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van instellingen meten in overeenstemming te brengen met die welke in de TLAC-norm zijn vastgesteld, moet de MREL worden uitgedrukt als een percentage van de totale risicoposten en van de blootstellingsmaatstaf voor de berekening van de hefboomratio van de betrokken instelling.

(7)  De criteria waaraan passiva moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de MREL moeten nauw worden afgestemd op die welke in Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn vastgesteld voor de minimale TLAC-vereiste, in overeenstemming met de aanvullende aanpassingen en vereisten die in deze Verordening worden geïntroduceerd. Met name bepaalde schuldinstrumenten met een derivaatelement, zoals bepaalde "structured notes", zouden in aanmerking moeten komen voor de MREL voor zover ze een op de vervaldag terug te betalen vaste hoofdsom hebben terwijl slechts een extra rendement aan een derivaat is gekoppeld en afhankelijk is van de prestaties van een referentieactief. Gezien hun vaste hoofdsom zouden deze instrumenten bij afwikkeling zeer verliesabsorberend en gemakkelijk bail-inbaar moeten zijn.

(8)  De passiva om aan de MREL te voldoen omvatten in principe alle passiva die voortvloeien uit vorderingen resulterend uit ongedekte, niet-preferente schuldeisers (niet-achtergestelde verplichtingen), tenzij ze niet voldoen aan specifieke criteria om in aanmerking te komen die in deze Verordening zijn vastgesteld. Om de afwikkelbaarheid van instellingen te verbeteren door een effectief gebruik van het instrument van bail-in, moet de afwikkelingsraad kunnen eisen dat met achtergestelde verplichtingen aan het ondernemingsspecifieke vereiste wordt voldaan, vooral als er duidelijke aanwijzingen zijn dat bij een bail-in betrokken schuldeisers bij afwikkeling waarschijnlijk verliezen zullen leiden die groter zouden zijn dan hun potentiële verliezen bij insolventie. De verplichting om met achtergestelde verplichtingen aan de MREL te voldoen mag slechts worden opgelegd voor een niveau dat nodig is om te voorkomen dat schuldeisers bij afwikkeling meer verliezen dan wat ze bij insolventie zouden verliezen. Een door de afwikkelingsraad gevraagde achterstelling van schuldinstrumenten voor de MREL mag geen afbreuk doen aan de mogelijkheid om deels met niet-achtergestelde schuldinstrumenten aan het minimale TLAC-vereiste te voldoen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 zoals toegestaan door de TLAC-norm.

(9)  De MREL moet instellingen toelaten om de bij afwikkeling verwachte verliezen te absorberen en de instelling na afwikkeling te herkapitaliseren. De afwikkelingsraad moet, op basis van de door hem gekozen afwikkelingsstrategie, het opgelegde niveau van de MREL naar behoren motiveren, vooral wat betreft de noodzaak en het niveau van het vereiste als bedoeld in artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU in het herkapitalisatiebedrag. Als zodanig moet dat niveau gelijk zijn aan de som van het bedrag van de bij afwikkeling verwachte verliezen die overeenkomen met de eigenvermogensvereisten van de instelling en het herkapitalisatiebedrag dat de instelling na afwikkeling toelaat aan haar eigenvermogensvereisten te voldoen als voorwaarde om haar activiteiten onder de gekozen afwikkelingsstrategie te mogen uitoefenen. De MREL moet worden uitgedrukt als een percentage van de maatstaf voor de totale risicoblootstelling en de maatstaf voor de hefboomratio, en instellingen moeten tegelijkertijd voldoen aan de niveaus die uit de twee berekeningen voortkomen. De afwikkelingsraad moet in naar behoren gemotiveerde gevallen de herkapitalisatiebedragen kunnen aanpassen om ook toegenomen risico's die de afwikkelbaarheid beïnvloeden en voortvloeien uit het businessmodel, financieringsprofiel en algemene risicoprofiel van de afwikkelingsgroep adequaat te weerspiegelen, en moet dus in dergelijke beperkte omstandigheden kunnen eisen dat de in artikel 12 quinquies, lid 3 en lid 4, eerste alinea, genoemde herkapitalisatiebedragen worden overschreden.

(10)  Om hun afwikkelbaarheid te verbeteren, moet de raad G-SII's een instellingsspecifieke MREL kunnen opleggen naast de in Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde minimale TLAC-vereiste. Deze instellingsspecifieke MREL mag alleen worden opgelegd als het minimale TLAC-vereiste niet volstaat om verliezen te absorberen en een G-SII te herkapitaliseren onder de gekozen afwikkelingsstrategie.

(11)  Bij het bepalen van de hoogte van de MREL moet de afwikkelingsraad rekening houden met de systeemrelevantie van een instelling en de mogelijke nadelige gevolgen van haar falen voor de financiële stabiliteit. De afwikkelingsraad moet rekening houden met de noodzaak van een gelijk speelveld voor de G-SII's en andere vergelijkbare instellingen met systeemrelevantie binnen de deelnemende lidstaten. Bijgevolg mag de MREL van instellingen die niet als G-SII's zijn geïdentificeerd maar waarvan de systeemrelevantie binnen de deelnemende lidstaten vergelijkbaar is met die van G-SII's niet onevenredig afwijken van de hoogte en samenstelling van de voor G-SII's algemeen vastgestelde MREL.

(12)  Net als de bevoegdheden die door Richtlijn 2013/36/EU aan bevoegde autoriteiten worden toegekend, moet de afwikkelingsraad in staat worden gesteld hogere MREL-niveaus op te leggen en tegelijkertijd het niet bereiken van die niveaus op een flexibelere manier aan te pakken, met name door het verlichten van de automatische gevolgen daarvan in de vorm van beperkingen op de maximaal uitkeerbare bedragen. De afwikkelingsraad moet instellingen een richtlijn kunnen geven om aan extra bedragen te voldoen teneinde verliezen bij afwikkeling die boven het niveau van de in Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU vastgestelde eigenvermogensvereisten liggen te dekken en/of te verzekeren dat de markt voldoende vertrouwen heeft in de instelling na afwikkeling. Om consistentie met Richtlijn 2013/36/EU te verzekeren, mag de richtlijn om extra verliezen te dekken slechts worden gegeven als de bevoegde toezichthoudende autoriteiten de "kapitaalrichtlijn" hebben gevraagd in overeenstemming met Richtlijn 2013/36/EU en mag ze niet hoger zijn dan het in de kapitaalrichtlijn gevraagde niveau. Voor het herkapitalisatiebedrag moet het in de richtlijn gevraagde niveau om het vertrouwen van de markt te verzekeren de instelling toelaten om gedurende een passende termijn aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen, onder meer door de instelling toe te laten de kosten in verband met de herstructurering van haar activiteiten na afwikkeling te dekken. De marktvertrouwenbuffer mag niet groter zijn dan het gecombineerde-kapitaalbuffervereiste overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU, tenzij een hoger niveau noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat de entiteit na afwikkeling gedurende een passende termijn aan de voorwaarden voor haar vergunning blijft voldoen. Indien een entiteit er stelselmatig niet in slaagt extra eigen vermogen en in aanmerking komende passiva te hebben zoals verwacht overeenkomstig de richtlijn, moet de afwikkelingsraad kunnen eisen dat het bedrag van de MREL wordt opgetrokken om het bedrag van de richtlijn te dekken. Bij het bepalen of een entiteit er stelselmatig niet in slaagt extra eigen vermogen en in aanmerking komende passiva te hebben, moet de afwikkelingsraad rekening houden met de rapportage van de entiteit over de MREL, zoals door Richtlijn 2014/59/EU vereist.

(13)  In overeenstemming met Verordening nr. 575/2013 mogen instellingen die als afwikkelingsentiteiten zijn aangemerkt alleen op het geconsolideerde niveau van de afwikkelingsgroep aan de MREL worden onderworpen. Dit betekent dat afwikkelingsentiteiten moeten worden verplicht om in aanmerking komende instrumenten en items om aan de MREL te voldoen uit te geven aan externe schuldeisers die bij de bail-in betrokken zouden worden mocht de afwikkelingsentiteit in afwikkeling gaan.

(14)  Instellingen die geen afwikkelingsentiteiten zijn, moeten op individueel niveau aan het ondernemingsspecifieke vereiste voldoen. Aan de verliesabsorptie- en herkapitalisatiebehoeften van deze instellingen moet over het algemeen door hun respectieve afwikkelingsentiteiten worden voldaan via de verwerving door afwikkelingsentiteiten van in aanmerking komende passiva die door die instellingen zijn uitgegeven en hun afwaardering of omzetting in eigendomsinstrumenten wanneer die instellingen niet langer levensvatbaar zijn. Als zodanig moet de MREL die van toepassing is op instellingen die geen afwikkelingsentiteiten zijn, worden toegepast samen en in overeenstemming met de vereisten die op afwikkelingsentiteiten van toepassing zijn. Dat moet de afwikkelingsraad toelaten een afwikkelingsgroep af te wikkelen zonder bepaalde van haar dochtermaatschappijen in afwikkeling te plaatsen, waardoor potentieel verstorende effecten op de markt worden vermeden. Mits de afwikkelingsraad akkoord gaat, moet het mogelijk zijn om de uitgifte van in aanmerking komende passiva aan afwikkelingsentiteiten te vervangen door door zekerheden gedekte garanties tussen de afwikkelingsentiteit en haar dochterondernemingen, die kunnen worden geactiveerd wanneer voldaan is aan de tijdsvoorwaarden die overeenkomen met die welke de afwaardering of omzetting van in aanmerking komende passiva toelaten. De zekerheid ter dekking van de garantie moet zeer liquide zijn en een minimaal markt- en kredietrisico inhouden. De afwikkelingsraad moet ook in staat zijn volledig af te zien van de toepassing van de MREL die geldt voor instellingen die geen afwikkelingsentiteiten zijn indien zowel de afwikkelingsentiteit als haar dochterondernemingen in dezelfde deelnemende lidstaat zijn gevestigd.

(15)  De toepassing van de MREL op instellingen die geen afwikkelingsentiteiten zijn, moet in overeenstemming zijn met de gekozen afwikkelingsstrategie. Ze mag met name de eigendomsrelatie tussen instellingen en hun afwikkelingsgroep na herkapitalisatie van die instellingen niet wijzigen.

(16)  Inbreuken op het minimale TLAC-vereiste en op de MREL moeten door de bevoegde autoriteiten, de afwikkelingsautoriteiten en de afwikkelingsraad op passende wijze worden aangepakt en verholpen. Aangezien de niet-naleving van deze vereisten een belemmering kan vormen voor de afwikkelbaarheid van de instelling of groep, moeten de bestaande procedures om belemmeringen voor de afwikkelbaarheid weg te nemen worden ingekort om elke niet-naleving van die vereisten doelmatig aan te pakken. De afwikkelingsraad moet instellingen ook kunnen verplichten om de looptijdprofielen van in aanmerking komende instrumenten en items te wijzigen en om plannen voor het herstellen van het niveau van die vereisten op te stellen en uit te voeren.

(17)  Deze Verordening is in overeenstemming met de grondrechten en beginselen die met name in het Handvest zijn erkend, in het bijzonder het recht op eigendom en de vrijheid van ondernemerschap, en moet in overeenstemming met die rechten en beginselen worden toegepast.

(18)  Aangezien de doelstellingen van deze Verordening, namelijk de vaststelling van eenvormige regels voor het herstel- en afwikkelingskader in de Unie, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang van het optreden beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie deze Verordening vaststellen in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel zoals neergelegd in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(19)  Om voldoende tijd te laten voor de toepassing van deze verordening, moet deze verordening [18 maanden na inwerkingtreding] worden toegepast.

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.  Wijzigingen in Verordening (EU) nr. 806/2014 Artikel 3, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:

a)  de volgende punten worden ingevoegd:

"24 bis "afwikkelingsentiteit": een in de Unie gevestigde entiteit die in overeenstemming met artikel 8 door de afwikkelingsraad wordt geïdentificeerd als een entiteit waarvoor het afwikkelingsplan in een afwikkelingsmaatregel voorziet;

24 ter.  "afwikkelingsgroep":

a) een door de afwikkelingsraad in overeenstemming met artikel 8 geïdentificeerde groep entiteiten bestaande uit een afwikkelingsentiteit en haar dochterondernemingen die":

i) ▌zelf geen afwikkelingsentiteiten zijn;

ii) ▌geen dochterondernemingen van andere afwikkelingsentiteiten zijn; en

iii) geen entiteiten zijn die zijn gevestigd in een derde land en niet zijn opgenomen in de afwikkelingsgroep overeenkomstig het afwikkelingsplan, of dochterondernemingen van dergelijke entiteiten;

a bis) geen kredietinstellingen zijn die aangesloten zijn bij een centraal orgaan, het centrale orgaan en instellingen die onder controle van het centrale orgaan staan, wanneer ten minste één van die entiteiten een afwikkelingsentiteit is.";

b)  in punt 49) wordt "in aanmerking komende passiva" vervangen door "bail-inbare passiva";

c) het volgende punt 49 bis) wordt ingevoegd:

"49 bis.  "in aanmerking komende passiva": bail-inbare passiva die aan de voorwaarden van artikel 12 quater of artikel 12 nonies, lid 3, onder a), voldoen.".

2.  In artikel 7 wordt lid 3, onder d), vervangen door:

"d)  het overeenkomstig de artikelen 12 tot en met 12 duodecies vaststellen van het niveau van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva".

3.  Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 5 wordt vervangen door:

"5.  Het afwikkelingsplan beschrijft mogelijkheden voor de toepassing van de in deze verordening bedoelde afwikkelingsinstrumenten en de uitoefening van de in deze verordening bedoelde afwikkelingsbevoegdheden op de in lid 1 bedoelde entiteiten.";

b)  De eerste en tweede alinea van lid 6 worden vervangen door:

"Het afwikkelingsplan voorziet in de afwikkelingsmaatregelen die de afwikkelingsraad kan nemen indien een in lid 1 bedoelde entiteit aan de voorwaarden voor afwikkeling voldoet.

De in lid 9, onder a), bedoelde informatie wordt bekendgemaakt aan de betrokken entiteit.";

c)  lid 9, onder p) wordt vervangen door:

"p)  het minimumvereiste voor eigen vermogen en achtergestelde instrumenten krachtens artikel 12 quater en, indien van toepassing, een termijn voor het bereiken van dat niveau;";

d)  lid 10 wordt vervangen door:

"10.  Groepsafwikkelingsplannen bevatten een plan voor de afwikkeling van de in lid 1 bedoelde groep, geleid door de in een deelnemende lidstaat gevestigde EU-moederonderneming, alsmede maatregelen voor de afwikkeling van:

a)  de EU-moederonderneming;

b)  de in de Unie gevestigde dochterondernemingen die deel uitmaken van de groep;

c)  de in artikel 2, onder b), bedoelde entiteiten; en

d)  behoudens artikel 33, de buiten de Unie gevestigde dochterondernemingen die deel uitmaken van de groep.

In overeenstemming met de in de eerste alinea genoemde maatregelen identificeert het afwikkelingsplan het volgende voor elke groep:

a)  de afwikkelingsentiteiten;

b)  de afwikkelingsgroepen.";

e)  lid 11, onder a) en onder b) worden vervangen door:

''a)  beschrijft de voorziene afwikkelingsmaatregelen met betrekking tot een afwikkelingsentiteit in de scenario's als bedoeld in lid 6 en de gevolgen van die maatregelen voor andere groepsentiteiten, de moederonderneming en de dochterinstellingen als bedoeld in lid 1;

a1)   beschrijft, indien een in lid 1 bedoelde groep uit meer dan één afwikkelingsgroep bestaat, de voorziene afwikkelingsmaatregelen met betrekking tot de afwikkelingsentiteiten van elke afwikkelingsgroep en de gevolgen van die maatregelen voor zowel:

i) andere entiteiten van de groep die tot dezelfde afwikkelingsgroep behoren; als

ii) andere afwikkelingsgroepen;

b)  onderzoekt in welke mate de afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden op een gecoördineerde wijze kunnen worden toegepast respectievelijk uitgeoefend op in de Unie gevestigde afwikkelingsentiteiten, en bevat maatregelen die de overname door een derde van de groep als geheel of van afzonderlijke bedrijfsonderdelen of -activiteiten van een aantal groepsentiteiten, of bepaalde groepsentiteiten of afwikkelingsgroepen, faciliteren en identificeert mogelijke belemmeringen voor een gecoördineerde afwikkeling;".

4.  Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 4 wordt vervangen door:

"4.  Een groep wordt geacht afwikkelbaar te zijn indien het haalbaar en geloofwaardig is dat de afwikkelingsraad groepsentiteiten volgens een normale insolventieprocedure liquideert ofwel deze afwikkelt door op afwikkelingsentiteiten afwikkelingsinstrumenten toe te passen en ten aanzien van afwikkelingsentiteiten afwikkelingsbevoegdheden uit te oefenen met maximale voorkoming van belangrijke nadelige gevolgen voor financiële systemen, inclusief omstandigheden van algemenere financiële instabiliteit of systeembrede gebeurtenissen, van de lidstaten waarin de groepsentiteiten zijn gevestigd, of andere lidstaten of de Unie, en met het oog op het garanderen van de continuïteit van kritieke functies die door die groepsentiteiten worden uitgevoerd, indien deze gemakkelijk en snel kunnen worden afgesplitst of via andere middelen.

De afwikkelingsraad stelt de EBA tijdig in kennis indien een groep niet afwikkelbaar wordt geacht.

Indien een groep uit meer dan één afwikkelingsgroep bestaat, beoordeelt de afwikkelingsraad de afwikkelbaarheid van elke afwikkelingsgroep in overeenstemming met dit artikel.

De in de eerste alinea bedoelde beoordeling wordt uitgevoerd in aanvulling op de beoordeling van de afwikkelbaarheid van de hele groep";

b)  De volgende alinea wordt aan lid 7 toegevoegd:

"Indien de belemmering voor de afwikkelbaarheid van de entiteit of groep te wijten is aan een situatie als bedoeld in artikel 141 bis, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU, brengt de afwikkelingsraad zijn beoordeling van die belemmering ter kennis van de EU-moederonderneming.";

c)  De volgende alinea wordt aan lid 9 toegevoegd:

"Indien een belemmering voor de afwikkelbaarheid te wijten is aan een situatie als bedoeld in artikel 141 bis, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU, stelt de EU-moederonderneming, binnen twee weken na de datum van ontvangst van een in overeenstemming met lid 7 gedane kennisgeving, aan de afwikkelingsraad mogelijke maatregelen voor om de vastgestelde belemmering aan te pakken of weg te nemen in overeenstemming met de eerste alinea.";

d)  In lid 11, onder i) en j), wordt "artikel 12" vervangen door "artikel 12 octies en artikel 12 nonies".

e)  aan lid 11 worden de volgende punten toegevoegd:

"k)  eisen dat een entiteit een plan indient om weer te voldoen aan de artikelen 12 octies en 12 nonies en aan de in artikel 128, lid 6, van Richtlijn 2013/36/EU genoemde vereiste;

l)  eisen dat een entiteit het looptijdprofiel van items als bedoeld in artikel 12 quater en in artikel 12 nonies, lid 3, onder a) en b), wijzigt om de verdere naleving van artikel 12 octies en artikel 12 nonies te verzekeren.".

5.  Artikel 12 van Verordening (EU) nr. 806/2014 wordt vervangen door de volgende artikelen:

"Artikel 12Vaststelling van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

1.  De afwikkelingsraad stelt, na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de ECB, het in de artikelen 12 bis tot en met 12 decies bedoelde minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva vast, behoudens de afwaarderings- en omzettingsbevoegdheden, waaraan de in artikel 7, lid 2, bedoelde entiteiten en groepen, alsmede de in artikel 7, lid 4, onder b), en in artikel 7, lid 5, bedoelde entiteiten en groepen indien de voorwaarden voor de toepassing van deze leden zijn vervuld, te allen tijde moeten voldoen.

2.  Bij de opstelling van afwikkelingsplannen overeenkomstig artikel 9 stellen de nationale afwikkelingsautoriteiten, na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, het in de artikelen 12 bis tot en met 12 decies bedoelde minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva vast, behoudens de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden, waaraan de in artikel 7, lid 3, bedoelde entiteiten te allen tijde moeten voldoen. In dit verband is de in artikel 31 vastgestelde procedure van toepassing.

3.  De afwikkelingsraad doet elke in lid 1 bedoelde vaststelling parallel met het opstellen en bijhouden van de afwikkelingsplannen overeenkomstig artikel 8.

4.  De afwikkelingsraad brengt zijn vaststelling ter kennis van de nationale afwikkelingsautoriteiten. De nationale afwikkelingsautoriteiten voeren de instructies van de afwikkelingsraad uit in overeenstemming met artikel 29. De afwikkelingsraad eist dat de nationale afwikkelingsautoriteiten verifiëren en waarborgen dat instellingen en moederondernemingen aan het in lid 1 van dit artikel opgenomen minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva blijven voldoen.

5.  De afwikkelingsraad stelt de ECB en de EBA in kennis van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva die hij overeenkomstig lid 1 voor elke instelling en moederonderneming heeft vastgesteld.

6.  Om een doeltreffende en consequente toepassing van dit artikel te waarborgen, verstrekt de afwikkelingsraad richtsnoeren en instructies aan nationale afwikkelingsautoriteiten met betrekking tot specifieke entiteiten of groepen.

          Artikel 12 bis

Toepassing en berekening van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

1.  De afwikkelingsraad en de nationale afwikkelingsautoriteiten zorgen ervoor dat de in artikel 12, lid 1 en lid 2, bedoelde entiteiten te allen tijde voldoen aan een minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva in overeenstemming met de artikelen 12 bis tot en met 12 decies.

2.  Het in lid 1 bedoelde vereiste wordt overeenkomstig artikel 12 quinquies, lid 3 of lid 4, voor zover van toepassing, berekend als het bedrag van het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva en uitgedrukt als een percentage van:

a)  het totaal van de risicoposten van de in lid 1 bedoelde desbetreffende entiteit berekend in overeenstemming met artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013; en

b)  de blootstellingsmaatstaf voor de berekening van de hefboomratio van de in lid 1 bedoelde desbetreffende entiteit, berekend in overeenstemming met artikel 429, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

2 bis.  Instellingen en entiteiten als bedoeld in artikel 12, leden 1 en 2, mogen aan om het even welk deel van het in lid 1 van dit artikel bedoelde vereiste voldoen met tier 1-kernkapitaalinstrumenten, aanvullende-tier 1-instrumenten en tier 2-instrumenten.

          Artikel 12 ter

Vrijstelling van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

1.  Niettegenstaande artikel 12 bis stelt de afwikkelingsraad door gedekte obligaties gefinancierde instellingen voor hypothecair krediet die volgens het nationale recht geen deposito's mogen ontvangen vrij van het in artikel 12 bis, lid 1, bedoelde vereiste indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)  deze instellingen worden geliquideerd via nationale insolventieprocedures of andere, voor hen vastgestelde soorten procedures die in overeenstemming met artikel 38, 40 of 42 van Richtlijn 2014/59/EU worden uitgevoerd; en

b)  dergelijke nationale insolventieprocedures of andere soorten procedures zorgen ervoor dat schuldeisers van deze instellingen, met inbegrip van, in voorkomend geval, houders van gedekte obligaties, verliezen lijden op een wijze die in overeenstemming is met de afwikkelingsdoelstellingen.

2.  Instellingen die van het in artikel 12, lid 1, neergelegde vereiste zijn vrijgesteld, mogen geen deel uitmaken van de in artikel 12 octies, lid 1, bedoelde consolidatie.

Artikel 12 quater

In aanmerking komende passiva voor afwikkelingsentiteiten

1.  In aanmerking komende passiva worden alleen in het bedrag van het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva van afwikkelingsentiteiten opgenomen als ze aan de voorwaarden in de volgende artikelen▌ van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen:

a)  artikel 72 bis;

b)  artikel 72 ter, met uitzondering van lid 2, onder d);

c)  artikel 72 quater

1 bis.  In afwijking van lid 1 mogen vóór [datum van inwerkingtreding van deze verordening] uitgegeven verplichtingen die niet aan de voorwaarden van artikel 72 ter, lid 2, onder g) tot en met o), van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen, worden opgenomen in het bedrag aan eigen vermogen en in aanmerking komende passiva van afwikkelingsentiteiten die in de MREL zijn opgenomen.

2.  In afwijking van punt (l) van artikel 72 bis, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, worden passiva die voortvloeien uit schuldinstrumenten met derivaatelementen, zoals "structured notes", alleen in het bedrag van het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva opgenomen indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)  een bepaald bedrag van de passiva die uit het schuldinstrument voortvloeien is op het moment van uitgifte bekend, ligt vast en wordt niet door een derivaatelement beïnvloed;

b)  het schuldinstrument, met inbegrip van zijn derivaatelement, is niet onderworpen aan een verrekeningsovereenkomst en de waardering ervan is niet onderworpen aan artikel 49, lid 3;

b bis)  de entiteit heeft ten genoegen van de afwikkelingsraad aangetoond dat het instrument voldoende verliesabsorberend is en zonder onnodige complexiteit bail-inbaar kan zijn, waarbij rekening gehouden wordt met de beginselen van prudente waardering zoals vastgelegd in Richtlijn 2014/59/EU en in Verordening (EU) nr. 575/2013.

Van de in de eerste alinea bedoelde passiva wordt alleen het deel dat overeenkomt met het in de eerste alinea onder a) bedoelde bedrag in het bedrag van het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva opgenomen.

3.  De afwikkelingsraad beoordeelt en besluit op eigen initiatief na raadpleging van de nationale afwikkelingsautoriteit of op voorstel van een nationale afwikkelingsautoriteit, en na raadpleging van bevoegde autoriteiten, of en in hoeverre afwikkelingsentiteiten aan het in artikel 12 octies bedoelde vereiste voldoen met instrumenten die aan alle in artikel 72 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde voorwaarden voldoen teneinde te verzekeren dat de afwikkelingsentiteit kan worden afgewikkeld op een wijze die bijdraagt aan de verwezenlijking van de afwikkelingsdoelstellingen.

In het besluit van de afwikkelingsraad op grond van dit lid worden de redenen voor dat besluit uiteengezet. Deze redenen zijn gebaseerd op ▌ het volgende ▌:

a)  het feit dat de in de leden 1 en 2 bedoelde niet-achtergestelde verplichtingen dezelfde prioriteit in de nationale insolventiehiërarchie hebben als bepaalde verplichtingen die zijn uitgesloten van de toepassing van de afwaarderings- of omzettingsbevoegdheden overeenkomstig artikel 44, lid 2, of artikel 44, lid 3, van Richtlijn 2014/59/EU;

b)  het risico dat als gevolg van een voorgenomen toepassing van de afwaarderings- en omzettingsbevoegdheden op niet-achtergestelde verplichtingen die niet van de toepassing van de afwaarderings- of omzettingsbevoegdheid overeenkomstig artikel 44, lid 2, of artikel 44, lid 3, van Richtlijn 2014/59/EU zijn uitgesloten, schuldeisers van vorderingen die uit die verplichtingen voortvloeien grotere verliezen lijden dan de verliezen die ze bij een liquidatie in een normale insolventieprocedure zouden lijden.

Het op grond van een besluit krachtens dit lid vereiste bedrag aan eigen vermogen en in aanmerking komende passiva dat moet worden gedekt door instrumenten die aan alle in artikel 72 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde voorwaarden voldoen, is niet hoger dan

a)  een risicogebaseerde ratio van 18 %, die het eigen vermogen en in aanmerking komende passiva van de instelling vertegenwoordigt, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten berekend in overeenstemming met artikel 92, leden 3 en 4 van die verordening;

b)  een niet-risicogebaseerde ratio van 6,75 %, die het eigen vermogen en in aanmerking komend vreemd vermogen van de instelling vertegenwoordigt, uitgedrukt als percentage van de in artikel 429, lid 4, van die verordening bedoelde totale risicoblootstellingsmaatstaf,

behoudens het bepaalde in artikel 72 ter, leden 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en de overgangsbepalingen opgenomen in artikel 494 van die verordening.

Behoudens het bepaalde in de derde alinea is het op grond van een besluit krachtens dit lid vereiste bedrag aan eigen vermogen en in aanmerking komende passiva voldoende om ervoor te zorgen dat de onder b) van de tweede alinea bedoelde schuldeisers geen grotere verliezen lijden dan die welke ze bij een liquidatie in een normale insolventieprocedure zouden hebben geleden.

Artikel 12 quinquies

Vaststelling van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

1.  Het in artikel 12 bis, lid 1, bedoelde vereiste van elke entiteit wordt door de afwikkelingsraad bepaald, in samenwerking met de bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de ECB, op basis van de volgende criteria:

a)  de noodzaak om ervoor te zorgen dat de afwikkelingsentiteit door toepassing van de afwikkelingsinstrumenten, indien passend met inbegrip van het instrument van bail-in, kan worden afgewikkeld op een wijze die in overeenstemming is met de afwikkelingsdoelstellingen;

b)  de noodzaak om er in passende gevallen voor te zorgen dat de afwikkelingsentiteit en haar dochterondernemingen die instellingen maar geen afwikkelingsentiteiten zijn over voldoende in aanmerking komende passiva beschikken om te verzekeren dat, indien het instrument van bail-in of de afwaarderings- en omzettingsbevoegdheid op hen zou worden toegepast, respectievelijk de verliezen kunnen worden geabsorbeerd en de kapitaalvereisten of, naargelang van het geval, de hefboomratio in de vorm van tier 1-kernkapitaal van de desbetreffende entiteiten weer op een niveau kunnen worden gebracht dat nodig is om hen in staat te stellen aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen en de activiteiten waarvoor hen overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU of Richtlijn 2014/65/EU een vergunning is verleend, verder uit te oefenen;

c)  de noodzaak om ervoor te zorgen dat, indien het afwikkelingsplan verwacht dat bepaalde klassen van in aanmerking komende passiva mogelijk van een bail-in worden uitgesloten op grond van artikel 27, lid 5, of mogelijk volledig aan een ontvanger worden overgedragen bij een gedeeltelijke overdracht, de afwikkelingsentiteit voldoende andere in aanmerking komende passiva heeft om te garanderen dat verliezen kunnen worden geabsorbeerd en de kapitaalvereisten of, in voorkomend geval, de hefboomratio in de vorm van tier 1-kernkapitaal van de afwikkelingsentiteit weer op een niveau kunnen worden gebracht dat nodig is om haar in staat te stellen aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen en de activiteiten waarvoor haar overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU of Richtlijn 2014/65/EU een vergunning is verleend, verder uit te oefenen;

d)  de grootte, het bedrijfsmodel, het financieringsmodel en het risicoprofiel van de entiteit;

f)  de mate waarin het falen van de desbetreffende entiteit nadelige gevolgen voor de financiële stabiliteit zou hebben, onder meer wegens de verwevenheid van de entiteit met andere instellingen of entiteiten of met de rest van het financiële stelsel, via besmetting van andere instellingen of entiteiten.

De afwikkelingsraad ziet erop toe dat het niveau van het vereiste als bedoeld in artikel 12 bis, lid 1, in verhouding staat tot de specifieke kenmerken van de bedrijfs- en financieringsmodellen van de afwikkelingsentiteit, waarbij rekening wordt gehouden met:

i)  de prevalentie van deposito's in de financieringsstructuur;

ii)  het gebrek aan ervaring met het uitgeven van schuldinstrumenten als gevolg van de beperkte toegang tot grensoverschrijdende en wholesale-kapitaalmarkten;

iii)  het feit dat de instelling met name zal vertrouwen op CET1- en kapitaalinstrumenten om te voldoen aan het in artikel 12 bis, lid 1, vastgelegde vereiste.

2.  Indien in het afwikkelingsplan is bepaald dat afwikkelingsmaatregelen moeten worden genomen of afwaarderings- en omzettingsbevoegdheden moeten worden uitgeoefend, is het in artikel 12 bis, lid 1, bedoelde vereiste gelijk aan een bedrag dat volstaat om te verzekeren dat:

a)  de verliezen die de entiteit naar verwachting zou kunnen oplopen volledig worden geabsorbeerd ("verliesabsorptie");

b)  de entiteit of haar dochterondernemingen die instellingen maar geen afwikkelingsentiteiten zijn, worden geherkapitaliseerd tot een niveau dat nodig is om hen in staat te stellen aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen en de activiteiten waarvoor hen overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU, Richtlijn 2014/65/EU of gelijkwaardige wetgeving een vergunning is verleend, verder uit te oefenen ("herkapitalisatie");

Indien in het afwikkelingsplan is bepaald dat de entiteit in een normale insolventieprocedure wordt geliquideerd, is het in artikel 12 bis, lid 1, bedoelde vereiste voor die entiteit niet groter dan een bedrag dat volstaat om verliezen te absorberen in overeenstemming met punt (a) van de eerste alinea.

2 bis.   De afwikkelingsraad zorgt ervoor dat het in lid 2, onder a) bedoelde verliesabsorptiebedrag niet automatisch wordt geacht groter te zijn dan of gelijk te zijn aan het reële niveau van het eigen vermogen van de entiteit.

3.  Onverminderd het bepaalde in de laatste alinea van dit lid, teneinde het in lid 2 bedoelde bedrag te bepalen voor afwikkelingsentiteiten, berekent de afwikkelingsraad het hoogste van de volgende bedragen:

a)   de som van:

i) het bij afwikkeling mogelijk te absorberen bedrag van verliezen dat overeenkomt met de in artikel 92, lid 1, onder a), b) en c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 en artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde vereisten van de afwikkelingsentiteit op het geconsolideerde niveau van de afwikkelingsgroep;

ii) een herkapitalisatiebedrag dat de uit de afwikkeling voortvloeiende afwikkelingsgroep in staat stelt het in artikel 92, lid 1, onder c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde vereiste voor totale kapitaalratio na te leven en haar in artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde vereiste op het geconsolideerde niveau van de afwikkelingsgroep te herstellen na toepassing van de voorkeursafwikkelingsmaatregel;

b)  de som van:

i) het bedrag van de bij afwikkeling te absorberen verliezen dat overeenkomt met het in artikel 92, lid 1, onder d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste van de afwikkelingsentiteit op het geconsolideerde niveau van de afwikkelingsgroep; en

ii) een herkapitalisatiebedrag dat de uit de afwikkeling voortvloeiende afwikkelingsgroep in staat stelt naleving van het in artikel 92, lid 1, onder d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde vereiste voor hefboomratio op het geconsolideerde niveau van de afwikkelingsgroep te herstellen na toepassing van de voorkeursafwikkelingsmaatregel.

Voor de toepassing van de punten a) ii), en b), ii) van de eerste alinea, wordt het herkapitalisatiebedrag tevens aangevuld met een extra bedrag dat de afwikkelingsraad nodig acht om voldoende marktvertrouwen te behouden na de afwikkeling, waarbij rekening gehouden wordt met het bedrijfsmodel, het financieringsmodel en het risicoprofiel van de afwikkelingsentiteit.

Het bedrag van de in de tweede alinea van dit lid bedoelde buffer is niet hoger dan het bedrag van het gecombineerde-buffervereiste als bedoeld in artikel 128, punt 6, van Richtlijn 2013/36/EU, met uitzondering van het in punt a) van die bepaling bedoelde vereiste, tenzij een hoger niveau noodzakelijk is om te verzekeren dat de entiteit na afwikkeling gedurende een passende termijn van maximaal één jaar aan de voorwaarden voor haar vergunning blijft voldoen.

Voor de toepassing van punt a) van artikel 12 bis, lid 2, wordt het in artikel 12 bis, lid 1, bedoelde vereiste uitgedrukt als het overeenkomstig punt a) berekende bedrag gedeeld door het totaal van de risicoposten.

Voor de toepassing van punt b) van artikel 12 bis, lid 2, wordt het in artikel 12 bis, lid 1, bedoelde vereiste uitgedrukt als het overeenkomstig punt b) berekende bedrag gedeeld door de blootstellingsmaatstaf voor de berekening van de hefboomratio.

De afwikkelingsraad stelt de in de vorige alinea's bedoelde herkapitalisatiebedragen vast in overeenstemming met de in het afwikkelingsplan voorziene afwikkelingsmaatregelen en kan deze herkapitalisatiebedragen aanpassen om risico's die de afwikkelbaarheid aantasten en voortvloeien uit het bedrijfsmodel, het financieringsprofiel en het algemene risicoprofiel van de afwikkelingsgroep adequaat te weerspiegelen.

3 bis.   Indien de afwikkelingsraad van oordeel is dat een instelling zou worden geliquideerd of insolvent zou worden verklaard indien zij zou falen, mag het in artikel 12 bis, lid 1, van deze verordening bedoelde vereiste niet verder gaan dan de vereisten als bedoeld in artikel 92, lid 1, onder a), b) en c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 en artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU.

4.  Onverminderd het bepaalde in de laatste alinea van dit lid, teneinde het in lid 2 bedoelde bedrag te bepalen voor entiteiten die zelf geen afwikkelingsentiteiten zijn, berekent de afwikkelingsraad het hogere van de volgende bedragen:

a)  de som van:

i) het bedrag van de bij afwikkeling te absorberen verliezen dat overeenkomt met de in artikel 92, lid 1, onder a), b) en c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 en artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde vereisten van de entiteit, en

ii) een herkapitalisatiebedrag dat de entiteit in staat stelt haar in artikel 92, lid 1, onder c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde naleving van het vereiste van totale kapitaalratio en haar in artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde vereiste na uitoefening van de bevoegdheid om relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva af te schrijven of om te zetten in overeenstemming met artikel 21, te herstellen;

b)  de som van:

i) het bedrag van de bij afwikkeling te absorberen verliezen dat overeenkomt met het in artikel 92, lid 1, onder d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste van de entiteit; en

ii) een herkapitalisatiebedrag dat de entiteit in staat stelt opnieuw te voldoen aan haar in artikel 92, lid 1, onder d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde vereiste van hefboomratio na uitoefening van de bevoegdheid om relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva af te waarderen of om te zetten in overeenstemming met artikel 21 van deze verordening.

Voor de toepassing van de punten a), ii), en b), ii) van de eerste alinea, wordt het herkapitalisatiebedrag tevens aangevuld met een extra bedrag dat de afwikkelingsraad nodig acht om voldoende marktvertrouwen te behouden na de afwikkeling, waarbij rekening gehouden wordt met het bedrijfsmodel, het financieringsmodel en het risicoprofiel van de entiteit.

Het bedrag van de in de tweede alinea van dit lid bedoelde buffer is niet hoger dan het bedrag van het gecombineerde-buffervereiste als bedoeld in artikel 128, punt 6, van Richtlijn 2013/36/EU, met uitzondering van het in punt a) van die bepaling bedoelde vereiste, tenzij een hoger niveau noodzakelijk is om te verzekeren dat de entiteit na afwikkeling gedurende een passende termijn van maximaal één jaar aan de voorwaarden voor haar vergunning blijft voldoen.

Voor de toepassing van punt a) van artikel 12 bis, lid 2, wordt het in artikel 12 bis, lid 1, bedoelde vereiste uitgedrukt in procenten als het overeenkomstig punt a) berekende bedrag gedeeld door het totaal van de risicoposten.

Voor de toepassing van punt b) van artikel 12 bis, lid 2, wordt het in artikel 12 bis, lid 1, bedoelde vereiste in procenten uitgedrukt als het overeenkomstig punt b) berekende bedrag gedeeld door de blootstellingsmaatstaf voor de berekening van de hefboomratio.

De afwikkelingsraad stelt de in dit lid bedoelde herkapitalisatiebedragen vast in overeenstemming met de in het afwikkelingsplan voorziene afwikkelingsmaatregelen en kan deze herkapitalisatiebedragen aanpassen om risico's die gevolgen hebben voor de herkapitalisatiebehoeften en voortvloeien uit het bedrijfsmodel, het financieringsprofiel en het algemene risicoprofiel van de entiteit adequaat te weerspiegelen.

5.  Indien de afwikkelingsraad verwacht dat bepaalde klassen van in aanmerking komende passiva mogelijk van een bail-in worden uitgesloten op grond van artikel 27, lid 5, of mogelijk volledig aan een ontvanger worden overgedragen bij een gedeeltelijke overdracht, is het in artikel 12 bis, lid 1, bedoelde vereiste niet hoger dan een bedrag dat volstaat om:

a)  het bedrag van de overeenkomstig artikel 27, lid 5, geïdentificeerde uitgesloten passiva te dekken;

b)  te verzekeren dat aan de in lid 2 genoemde voorwaarden is voldaan.

6.  In het besluit van de afwikkelingsraad om op grond van dit artikel een MREL op te leggen, worden de redenen voor dat besluit uiteengezet, met inbegrip van een volledige beoordeling van de in de leden 2 tot en met 5 bedoelde elementen ▌.

7.  Voor de toepassing van de leden 3 en 4 worden de kapitaalvereisten geïnterpreteerd in overeenstemming met de toepassing door de bevoegde autoriteit van de overgangsbepalingen die zijn neergelegd in de hoofdstukken 1, 2 en 4 van titel I van deel tien van Verordening (EU) nr. 575/2013 en in de bepalingen van de nationale wetgeving waarbij de door die verordening aan de bevoegde autoriteiten verleende opties worden uitgeoefend.

Artikel 12 sexies

Vaststelling van het vereiste voor entiteiten die G-SII's zijn

1.  Het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva van een afwikkelingsentiteit die een G-SII of een deel van een G-SII is, bestaat uit:

a)  behoudens het bepaalde in artikel 72 ter, leden 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en de overgangsbepalingen in artikel 494 van die verordening, het hoogste van:

i)   een risicogebaseerde ratio van 18 %, die het eigen vermogen en in aanmerking komende passiva van de instelling vertegenwoordigt, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten berekend in overeenstemming met artikel 92, leden 3 en 4 van die verordening;

ii)  een niet-risicogebaseerde ratio van 6,75 %, die het eigen vermogen en in aanmerking komend vreemd vermogen van de instelling vertegenwoordigt, uitgedrukt als percentage van de in artikel 429, lid 4, van die verordening bedoelde totale risicoblootstellingsmaatstaf; en

b)  eventuele aanvullende vereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva die door de afwikkelingsraad specifiek voor de entiteit zijn bepaald in overeenstemming met lid 2 en waaraan moet worden voldaan met passiva die aan de voorwaarden van artikel 12 quater voldoen.

2.  De afwikkelingsraad kan het in punt b) van lid 1 bedoelde aanvullende vereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva alleen opleggen:

a)  indien het in punt a) van lid 1 bedoelde vereiste niet volstaat om aan de in artikel 12 quinquies gestelde voorwaarden te voldoen; en

b)  tot een niveau waarop het bedrag van het vereiste eigen vermogen en in aanmerking komende passiva niet hoger is dan wat nodig is om aan de voorwaarden van artikel 12 quinquies te voldoen.

3.  In het besluit van de afwikkelingsraad om op grond van punt b) van lid 1 een aanvullend vereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva op te leggen, worden de redenen voor dat besluit uiteengezet, met inbegrip van een volledige beoordeling van de in lid 2 bedoelde elementen.

Artikel 12 octies

Toepassing van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva op afwikkelingsentiteiten

1.  Afwikkelingsentiteiten moeten op geconsolideerde basis op het niveau van de afwikkelingsgroep voldoen aan de in de artikelen 12 quinquies tot en met 12 septies neergelegde vereisten.

2.  Het in artikel 12 bis, lid 1, bedoelde vereiste voor een in een deelnemende lidstaat gevestigde afwikkelingsentiteit op het geconsolideerde niveau van de afwikkelingsgroep wordt door de afwikkelingsraad bepaald, na raadpleging van de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau en de consoliderende toezichthouder, op basis van de in de artikelen 12 quinquies tot en met 12 septies neergelegde vereisten en op basis van de vraag of de in derde landen gevestigde dochterondernemingen van de groep volgens het afwikkelingsplan afzonderlijk moeten worden afgewikkeld.

Artikel 12 nonies

Toepassing van het vereiste op entiteiten die zelf geen afwikkelingsentiteiten zijn

1.  Instellingen die dochterondernemingen van een afwikkelingsentiteit zijn maar zelf geen afwikkelingsentiteiten zijn, moeten op individuele basis aan de in de artikelen 12 quinquies tot en met 12 septies neergelegde vereisten voldoen.

De afwikkelingsraad kan, na raadpleging van de bevoegde autoriteiten en de ECB, besluiten om het in dit artikel neergelegde vereiste toe te passen op een in artikel 1, lid 1, onder b), c) of d), van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde entiteit die een dochteronderneming van een afwikkelingsentiteit is maar zelf geen afwikkelingsentiteit is.

2.  Het in artikel 12 bis, lid 1, bedoelde vereiste voor de in de eerste alinea bedoelde entiteiten is onderworpen aan de volgende voorwaarden:

a)  de afwikkelingsentiteit voldoet aan de in artikel 12 octies gestelde geconsolideerde vereiste;

b)  de som van alle op de dochterondernemingen van de afwikkelingsgroep toe te passen vereisten wordt gedekt door en is niet hoger dan de in artikel 12 octies bedoelde geconsolideerde vereiste, tenzij dit uitsluitend toe te schrijven is aan de gevolgen van de consolidatie op het niveau van de afwikkelingsgroep in overeenstemming met artikel 12 octies, lid 1;

c)  ze voldoet aan de in lid 3 vastgestelde criteria om in aanmerking te komen;

d)  het wordt vastgesteld op 75 % tot 90 % van het berekende vereiste in overeenstemming met artikel 12 bis, lid 1, en is niet hoger dan de bijdrage van de dochteronderneming aan de in artikel 45 septies, lid 1, bedoelde geconsolideerde vereiste.

3.  Aan het in artikel 12 bis, lid 1, bedoelde vereiste wordt voldaan met een of meer van de volgende:

a)  passiva die:

i) zijn uitgegeven aan en gekocht door de af te wikkelen entiteit, direct of indirect via andere entiteiten in dezelfde afwikkelingsgroep die de passiva heeft gekocht van de entiteit die onder dit artikel valt, of door een bestaande aandeelhouder die niet tot dezelfde af te wikkelen groep behoort, voor zover de uitoefening van de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheid vermeld in artikel 21 geen invloed heeft op de zeggenschap van de af te wikkelen entiteit over de dochteronderneming;

ii) voldoen aan de in artikel 72 bis genoemde criteria om in aanmerking te komen, met uitzondering van artikel 72 ter, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

iii) in een normale insolventieprocedure van lagere rang zijn dan andere passiva dan die welke in aanmerking komen voor eigenvermogensvereisten en zijn uitgegeven aan en gekocht door andere entiteiten dan de afwikkelingsentiteit;

iv) onderworpen zijn aan de afwaarderings- of omzettingsbevoegdheid overeenkomstig artikel 21 die in overeenstemming is met de afwikkelingsstrategie van de afwikkelingsgroep, met name door de zeggenschap van de afwikkelingsentiteit over de dochteronderneming niet te beïnvloeden.

b)  in aanmerking komende eigenvermogensinstrumenten die zijn uitgegeven aan en gekocht door andere entiteiten dan de afwikkelingsentiteit wanneer de uitoefening van de afwaarderings- of omzettingsbevoegdheid overeenkomstig artikel 21 geen invloed heeft op de zeggenschap van de afwikkelingsentiteit over de dochteronderneming.

3 bis.  In afwijking van het bepaalde in lid 3, onder a), ii), van dit artikel kunnen passiva die zijn uitgegeven vóór ... [datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] die niet aan de voorwaarden van artikel 72 ter, lid 2, onder g) tot en met o), van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen, worden meegerekend in het bedrag aan eigen vermogen en in aanmerking komende passiva.

3 ter.  De afwikkelingsraad, in zijn rol van afwikkelingsautoriteit van een entiteit van de afwikkelingsgroep, overweegt de toepassing van de leden 1 tot en met 5 op die entiteit, en kan vervolgens daarvan geheel of gedeeltelijk afzien, wanneer aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a) de afwikkelingsentiteit van de afwikkelingsgroep is het centrale orgaan van een netwerk of een coöperatieve groep;

b) de entiteit is een kredietinstelling die blijvend aangesloten is bij dat centrale orgaan;

c) de leden van het netwerk zijn onderworpen aan een juridisch geregeld intern solidariteitsmechanisme.

Artikel 12 decies

Ontheffing van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva die geldt voor entiteiten die zelf geen afwikkelingsentiteiten zijn

De afwikkelingsraad kan volledig afzien van de toepassing van artikel 12 nonies voor een dochteronderneming van een in een deelnemende lidstaat gevestigde afwikkelingsentiteit indien:

a)  zowel de dochteronderneming als de afwikkelingsentiteit in deelnemende lidstaten zijn gelegen;

b)  de afwikkelingsentiteit aan het in artikel 12 octies bedoelde vereiste voldoet;

c)  er geen bestaande of te voorziene materiële, feitelijke of juridische belemmering is voor de onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of onmiddellijke terugbetaling van passiva door de afwikkelingsentiteit aan de dochteronderneming waarvoor een vaststelling is gedaan overeenkomstig artikel 21, lid 3, in het bijzonder wanneer ten aanzien van de afwikkelingsentiteit afwikkelingsmaatregelen worden genomen.

Artikel 12 undecies

Breaches of the requirement

1.  Elke schending van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva door een entiteit wordt door de afwikkelingsraad en andere bevoegde autoriteiten aangepakt via ten minste één van de volgende middelen:

a)  bevoegdheden om belemmeringen voor de afwikkelbaarheid aan te pakken of weg te nemen overeenkomstig artikel 10;

b)  de in artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EG bedoelde maatregelen;

c)  vroegtijdige-interventiemaatregelen in overeenstemming met artikel 13;

d)  administratieve sancties en andere administratieve maatregelen in overeenstemming met artikel 110 en artikel 111 van Richtlijn 2014/59/EU".

1 bis.  De afwikkelingsraad en de andere afwikkelingsautoriteiten controleren elk kwartaal de naleving van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva en informeren de bevoegde autoriteit van elke schending of andere relevante gebeurtenissen die een invloed kunnen uitoefenen op de naleving van het vereiste.

2.  De afwikkelingsraad, de afwikkelingsautoriteiten en de bevoegde autoriteiten van deelnemende lidstaten raadplegen elkaar wanneer ze hun respectieve in lid 1, onder a) tot en met d), bedoelde bevoegdheden uitoefenen."

2 bis.  In afwijking van artikel 141 bis, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU, wordt een instelling niet geacht niet aan het gecombineerde-buffervereiste voor de toepassing van artikel 141 van die richtlijn te voldoen wanneer die instelling voldoet aan de voorwaarden van artikel 141 bis, lid 2, onder a) en b) van die richtlijn, wanneer uitsluitend niet wordt voldaan aan het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, zoals uiteengezet in de artikelen 12 quinquies en 12 sexies, van deze richtlijn, en wanneer niet langer dan 12 maanden aan dit vereiste niet wordt voldaan.

Artikel 12 undecies bis

Overgangsregelingen en regelingen na afwikkeling

In afwijking van artikel 12, lid 1, bepaalt de afwikkelingsraad een geschikte overgangsperiode voor een instelling of een entiteit als bedoeld in artikel 2, onder b) en c), om te voldoen aan de vereisten in de artikelen 12 octies, 12 nonies, of 12 decies, of een vereiste dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 45 ter, lid 3, naargelang het geval. De uiterste datum om te voldoen aan de in de artikelen 12 octies en 12 nonies, opgenomen vereisten, of een vereiste dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 12 quater, lid 3, is 1 januari 2024.

De afwikkelingsraad stelt een tussentijds streefbedrag vast voor de in de artikelen 12 octies en 12 nonies, opgenomen vereisten, of voor een vereiste dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 12 quater, lid 3, naargelang het geval. Een instelling of een entiteit als bedoeld in artikel 2, onder b) en c), voldoet aan dit tussentijdse streefbedrag op 1 januari 2022. Dat tussentijdse streefbedrag zorgt voor een lineaire opbouw van in aanmerking komende passiva en eigen vermogen naar de naleving van het vereiste toe.

6.  Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 2 wordt vervangen door:

"2. De afwikkelingsraad neemt een afwikkelingsmaatregel ten aanzien van een in artikel 2, onder b), bedoelde moederonderneming indien aan de in artikel 18, lid 1, gestelde voorwaarden is voldaan.";

b)   lid 3 wordt vervangen door:

"3. Niettegenstaande het feit dat een moederonderneming niet aan de in artikel 18, lid 1, gestelde voorwaarden voldoet, kan de afwikkelingsraad een besluit over afwikkelingsmaatregelen ten aanzien van die moederonderneming nemen indien ze een afwikkelingsentiteit is en indien een of meer van haar dochterondernemingen die instellingen maar geen afwikkelingsentiteiten zijn aan de in artikel 18, lid 1, gestelde voorwaarden voldoen en hun activa en passiva van dien aard zijn dat hun falen een bedreiging vormt voor een instelling of de groep als geheel en afwikkelingsmaatregelen ten aanzien van die moederonderneming noodzakelijk zijn voor de afwikkeling van die dochterondernemingen die instellingen zijn of voor de afwikkeling van de groep als geheel.".

7.  "Relevante kapitaalinstrumenten" in artikel 18, lid 1, onder b), wordt vervangen door "relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva".

8.  Artikel 20, lid 5, onder c), wordt vervangen door:

"c)  wanneer de bevoegdheid tot afwaardering of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva overeenkomstig artikel 21, lid 7, wordt uitgeoefend, als onderbouwing te dienen voor het besluit over de omvang van de intrekking of verwatering van eigendomsinstrumenten, en de omvang van de afwaardering of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva;".

9.  Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

a)  de titel wordt vervangen door:

"Afwaardering en omzetting van kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva";

b)  "kapitaalinstrumenten" in de eerste zin van lid 1 wordt vervangen door "kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva";

c)  "kapitaalinstrumenten" in lid 1, onder b), wordt vervangen door "kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva";

d)  "kapitaalinstrumenten" in lid 3, onder b), wordt vervangen door "kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva";

e)  "kapitaalinstrumenten" in de tweede alinea van lid 8 wordt vervangen door "kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva";

f)  lid 7 wordt vervangen door:

"7.  Indien aan een of meer van de in lid 1 gestelde voorwaarden is voldaan, bepaalt de afwikkelingsraad, handelend overeenkomstig de in artikel 18 vastgestelde procedure, of de bevoegdheden om relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva af te waarderen of om te zetten afzonderlijk moeten worden uitgeoefend of, in overeenstemming met de in artikel 18 beschreven procedure, in combinatie met een afwikkelingsmaatregel.

De bevoegdheid om in aanmerking komende passiva onafhankelijk van afwikkelingsmaatregelen af te waarderen of om te zetten kan alleen worden uitgeoefend met betrekking tot in aanmerking komende passiva die aan de in artikel 12, lid 3, onder a), gestelde voorwaarden voldoen, met uitzondering van de voorwaarde die betrekking heeft op de resterende looptijd van passiva.";

g)  aan lid 10 wordt het volgende punt toegevoegd:

"d)  de hoofdsom van de in lid 7 bedoelde in aanmerking komende passiva wordt afgewaardeerd en/of omgezet in tier 1-kernkapitaalinstrumenten voor zover dat nodig is om de in artikel 14 uiteengezette afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken of tot de volledige omvang van de desbetreffende in aanmerking komende passiva indien die lager is.".

9 bis.  In artikel 27 wordt lid 3 bis ingevoegd:

"3 bis.  De lidstaten zorgen ervoor dat de in artikel 1, lid 1, onder b), c) of d), bedoelde instellingen of entiteiten zich onthouden van elke suggestie, mededeling of voorstelling als zouden andere passiva dan de in lid 2, onder a) tot en met g), van dit artikel genoemde passiva niet aan afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden onderworpen zijn. Elke schending van dit verbod leidt tot sancties overeenkomstig hoofdstuk 6."

9 ter.   aan artikel 38, lid 2, wordt het volgende punt c bis) toegevoegd:

"c bis wanneer zij de suggestie wekken, een mededeling doen of een voorstelling van zaken geven als zouden andere passiva dan de in lid 27, onder a) tot en met g), van dit artikel genoemde passiva niet aan afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden onderworpen zijn, waarmee zij inbreuk maken op lid 3 bis van dat artikel."

Artickel 6Inwerkingtreding

1.  Deze wijzigingsverordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.  Deze verordening is van toepassing binnen 18 maanden na de datum waarop ze in werking treedt.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement      Voor de Raad

De Voorzitter      De Voorzitter

(1)

*Amendementen: nieuwe of vervangende tekst staat in vet en cursief, schrappingen zijn met het symbool ▐ aangegeven.

(2)

PB C […] van […], blz. […].

(3)

PB C […] van […], blz. […].

(4)

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, de Europese Centrale Bank, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's "Naar de voltooiing van de bankenunie", 24.11.2015, COM(2015) 587 final.

(5)

Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190.

(6)

Verordening (EU) 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffendeprudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012, PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1.

(7)

Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010, PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1.

(8)

Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG, PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338.


PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Titel

verliesabsorberende en herkapitaliseringscapaciteit voor kredietinstellingen en beleggingsmaatschappijen

Document- en procedurenummers

COM(2016)0851 – C8-0478/2016 – 2016/0361(COD)

Datum indiening bij EP

23.11.2016

 

 

 

Bevoegde commissie

       Datum bekendmaking

ECON

1.2.2017

 

 

 

Medeadviserende commissies

       Datum bekendmaking

JURI

1.2.2017

AFCO

1.2.2017

 

 

Geen advies

       Datum besluit

JURI

25.1.2017

AFCO

30.1.2017

 

 

Rapporteurs

       Datum benoeming

Gunnar Hökmark

24.11.2016

 

 

 

Behandeling in de commissie

28.2.2017

25.4.2017

3.5.2017

11.12.2017

 

22.2.2018

 

 

 

Datum goedkeuring

19.6.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

38

8

11

Bij de eindstemming aanwezige leden

Gerolf Annemans, Burkhard Balz, Hugues Bayet, Pervenche Berès, David Coburn, Thierry Cornillet, Esther de Lange, Markus Ferber, Jonás Fernández, Sven Giegold, Neena Gill, Roberto Gualtieri, Brian Hayes, Gunnar Hökmark, Cătălin Sorin Ivan, Barbara Kappel, Wolf Klinz, Georgios Kyrtsos, Philippe Lamberts, Werner Langen, Olle Ludvigsson, Ivana Maletić, Fulvio Martusciello, Marisa Matias, Gabriel Mato, Alex Mayer, Bernard Monot, Caroline Nagtegaal, Luděk Niedermayer, Stanisław Ożóg, Sirpa Pietikäinen, Anne Sander, Alfred Sant, Martin Schirdewan, Pedro Silva Pereira, Peter Simon, Theodor Dumitru Stolojan, Kay Swinburne, Paul Tang, Ramon Tremosa i Balcells, Ernest Urtasun, Marco Valli, Miguel Viegas, Jakob von Weizsäcker, Marco Zanni

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Andrea Cozzolino, Ashley Fox, Doru-Claudian Frunzulică, Syed Kamall, Alain Lamassoure, Thomas Mann, Luigi Morgano, Michel Reimon, Joachim Starbatty

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Christofer Fjellner, Petr Ježek, Wolf Klinz, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz

Datum indiening

25.6.2018


HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

38

+

ALDE

Thierry Cornillet, Petr Ježek, Wolf Klinz, Ramon Tremosa i Balcells

ENF

Barbara Kappel

PPE

Burkhard Balz, Markus Ferber, Christofer Fjellner, Brian Hayes, Gunnar Hökmark, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Georgios Kyrtsos, Alain Lamassoure, Esther de Lange, Werner Langen, Ivana Maletić, Thomas Mann, Fulvio Martusciello, Gabriel Mato, Luděk Niedermayer, Sirpa Pietikäinen, Anne Sander, Theodor Dumitru Stolojan

S&D

Pervenche Berès, Andrea Cozzolino, Jonás Fernández, Doru-Claudian Frunzulică, Neena Gill, Roberto Gualtieri, Cătălin Sorin Ivan, Olle Ludvigsson, Alex Mayer, Luigi Morgano, Alfred Sant, Pedro Silva Pereira, Peter Simon, Paul Tang, Jakob von Weizsäcker

8

-

EFDD

David Coburn, Bernard Monot, Marco Valli

ENF

Gerolf Annemans, Marco Zanni

GUE/NGL

Marisa Matias, Martin Schirdewan, Miguel Viegas

11

0

ALDE

Caroline Nagtegaal

ECR

Ashley Fox, Syed Kamall, Stanisław Ożóg, Joachim Starbatty, Kay Swinburne

S&D

Hugues Bayet

VERTS/ALE

Sven Giegold, Philippe Lamberts, Michel Reimon, Ernest Urtasun

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 9 juli 2018Juridische mededeling