Procedure : 2017/2272(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0221/2018

Ingediende teksten :

A8-0221/2018

Debatten :

PV 02/07/2018 - 19
CRE 02/07/2018 - 19

Stemmingen :

PV 03/07/2018 - 11.12
CRE 03/07/2018 - 11.12
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0280

VERSLAG     
PDF 354kWORD 74k
26.6.2018
PE 616.683v02-00 A8-0221/2018

over klimaatdiplomatie

(2017/2272(INI))

Commissie buitenlandse zaken

Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

Rapporteurs: Arne Lietz, Jo Leinen

(Gezamenlijke commissieprocedure – artikel 55 van het Reglement)

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over klimaatdiplomatie

(2017/2272(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name de artikelen 21, 191, 192, 220 en 221,

–  gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) van de Verenigde Naties,

‒  gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het bijbehorend Protocol van Kyoto,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM),

–  gezien de Overeenkomst van Parijs, Besluit 1/CP.21, de 21e Conferentie van de Partijen (COP 21) bij het UNFCCC en de 11e Conferentie van de Partijen waarin de Partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP 11), die van 30 november t/m 11 december 2015 in Parijs hebben plaatsgevonden,

–  gezien de 22e Conferentie van de Partijen (COP 22) bij het UNFCCC en de 1e Conferentie van de Partijen die als vergadering van de Partijen bij de Overeenkomst van Parijs fungeert (CMA 1), die van 15 november t/m 18 november 2016 in Marrakesh, Marokko, hebben plaatsgevonden,

–  gezien zijn resolutie van 6 oktober 2016 over de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en de VN-conferentie van 2016 over klimaatverandering in Marrakesh, Marokko (COP 22)(1),

–  gezien het vijfde evaluatierapport (AR5) van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) en het samenvattend verslag ervan,

–  gezien zijn resolutie van 4 oktober 2017 over de VN-klimaatconferentie van 2017 in Bonn, Duitsland (COP23)(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 juli 2016 getiteld "Een snellere overgang van Europa naar een koolstofarme economie" (COM(2016) 500 final),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 april 2013 getiteld "Een EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering" (COM(2013) 216 final),

–  gezien het door de Raad Buitenlandse Zaken aangenomen EU-actieplan voor klimaatdiplomatie 2015,

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 6 maart 2017 en 19 juni 2017,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 22 juni 2017,

–  gezien de conclusies van de Raad van 26 februari 2018 over klimaatdiplomatie,

–  gezien de mededeling van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) van juni 2016 over een integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie en de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de EDEO van 7 juni 2017 over een strategische aanpak van weerbaarheid in het externe optreden van de EU (JOIN(2017) 21 final),

–  gezien het advies van het Europees Comité van de Regio's van 9 februari 2017 getiteld "Een geïntegreerde aanpak voor een nieuwe EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering",

‒  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 26 april 2016 getiteld "Wat na Parijs?"(3),

–  gezien zijn resolutie van 13 december 2017 over het jaarverslag over de uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid(4),

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2018 over vrouwen, gendergelijkheid en klimaatrechtvaardigheid(5),

–  gezien UNFCCC-Besluit 36/CP.7 van 9 november 2001 over het verbeteren van de participatie van vrouwen in de vertegenwoordiging van partijen in organen die zijn opgericht in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering en het Kyotoprotocol,

–  gezien de studie van 2009 uitgevoerd door de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM): "Migration, Environment and Climate Change: Assessing the Evidence" (Migratie, milieu en klimaatverandering: beoordeling van de gegevens),

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2018 over gendergelijkheid in de handelsverdragen van de EU(6),

–  gezien de encycliek "Laudato si' " van paus Franciscus over de "zorg voor het gemeenschappelijke huis",

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien de gezamenlijke vergaderingen van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0221/2018),

A.  overwegende dat de klimaatverandering almaar zwaardere gevolgen heeft voor verschillende aspecten van het menselijk leven, alsmede voor de ontwikkelingsmogelijkheden, de wereldwijde geopolitieke orde en de mondiale stabiliteit; overwegende dat diegenen die over minder middelen beschikken om zich aan de klimaatverandering aan te passen het hardst door de gevolgen van de klimaatverandering zullen worden getroffen; overwegende dat klimaatdiplomatie kan worden opgevat als een vorm van gericht buitenlands beleid ter bevordering van klimaatactie door andere actoren de hand te reiken, samen te werken aan specifieke aan het klimaat gerelateerde vraagstukken, strategische partnerschappen op te bouwen en de betrekkingen tussen overheids- en niet-overheidsactoren, waaronder belangrijke veroorzakers van wereldwijde verontreiniging, te versterken, en zo bij te dragen tot matiging van de gevolgen van de klimaatverandering evenals tot verhoogde klimaatactie en versterking van de diplomatieke betrekkingen van de Unie;

B.  overwegende dat de gevolgen van de klimaatverandering onder meer de stijging van de zeespiegel, de opwarming en verzuring van de oceanen, een verlies aan biodiversiteit en een toename van extreme klimaatverschijnselen omvatten; overwegende dat de eerste slachtoffers de kwetsbaarste landen en bevolkingsgroepen zijn, met name eilandbewoners; overwegende dat de klimaatverandering bijzonder ingrijpende sociale en culturele gevolgen heeft voor inheemse gemeenschappen, die slechts een marginale bijdrage leveren aan CO2-emissies en bovendien zelfs een actieve en essentiële rol vervullen bij de bescherming van de ecosystemen waarin zij leven en aldus de effecten van de klimaatverandering helpen beperken;

C.  overwegende dat de EU een leidende rol op het gebied van klimaatactie heeft gespeeld en heeft laten zien dat zij het voortouw neemt in de internationale klimaatonderhandelingen; overwegende dat de EU klimaatdiplomatie heeft ingezet om strategische allianties met relevante belanghebbenden tot stand te brengen in het kader van de gezamenlijke strijd tegen de klimaatverandering als essentieel aspect van duurzame ontwikkeling en preventieve maatregelen met het oog op klimaatgerelateerde bedreigingen;

D.  overwegende dat de klimaatdiplomatie van de EU heeft bijgedragen aan de sluiting van de Overeenkomst van Parijs en dat de aanpak van de EU inzake klimaatdiplomatie sindsdien is uitgebreid; overwegende dat klimaatbeleid, als onderdeel van de integrale strategie van de EU, een vast onderdeel is geworden in het buitenlands en veiligheidsbeleid, en dat de koppeling tussen energie en klimaat, veiligheid, aanpassing aan de klimaatverandering en migratie is versterkt;

E.  overwegende dat de verantwoordelijkheid voor duurzame klimaatacties op lange termijn niet bij personen en hun individuele keuzes als consumenten kan worden gelegd; overwegende dat een klimaatbeleid op basis van de mensenrechten duidelijk moet maken dat de verantwoordelijkheid voor het creëren van een duurzame maatschappij voornamelijk ligt bij politici die de mogelijkheid hebben een duurzaam klimaatbeleid te voeren;

F.  overwegende dat de klimaatverandering en veiligheidskwesties onderling verbonden en transnationaal zijn, en klimaatdiplomatie vereisen die onder meer is gericht op de volledige uitvoering van de verbintenissen in het kader van de Overeenkomst van Parijs; overwegende dat uit verscheidene studies is gebleken dat er indirecte verbanden bestaan tussen de klimaatverandering, natuurrampen en het uitbreken van gewapende conflicten, en dat de klimaatverandering als "multiplicator van bedreigingen" kan worden beschouwd die bestaande sociale spanningen kan aanwakkeren; overwegende dat de negatieve langetermijngevolgen van de klimaatverandering politieke spanningen zowel nationaal als over de grenzen heen kunnen doen toenemen en dat zij vandaar een crisiselement kunnen worden en de internationale betrekkingen als zodanig onder druk kunnen zetten;

G.  overwegende dat de klimaatverandering een direct en indirect effect heeft op migratie, waardoor steeds meer mensen ertoe worden aangezet van kwetsbare naar leefbaarder gebieden in hun land of naar het buitenland te verhuizen om daar een nieuw leven op te bouwen;

H.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 4 oktober 2017 over de VN-klimaatconferentie van 2017 in Bonn, Duitsland (COP23) heeft gevraagd klimaatgedreven ontheemding en migratie ten gevolge van rampen veroorzaakt door de opwarming van de aarde ernstig te nemen; overwegende dat volgens verschillende belangrijke en gegronde onderzoeken en verslagen, zoals die van de Internationale Organisatie voor Migratie en de Wereldbank, het aantal migranten en intern ontheemden als gevolg van milieuveranderingen als er geen ernstige inspanningen worden gedaan in het slechtste geval zou kunnen oplopen tot 200 miljoen tegen 2050, onder wie velen die nu in kustgebieden leven of interne migranten zouden kunnen worden in Afrika ten zuiden van de Sahara, Zuid-Azië en Latijns-Amerika;

I.  overwegende dat milieumigranten geen vluchtelingenstatus hebben, noch de aan vluchtelingen verleende internationale bescherming genieten, omdat zij in het Verdrag van Genève van 1951 niet erkend worden;

J.  overwegende dat de Commissie om bij te dragen aan de totstandbrenging van een CO2-neutrale economie als doelstellingen voor het energiebeleid van de EU heeft vastgesteld dat energie-efficiëntie moet worden bevorderd en dat de EU wereldleider moet worden op het gebied van hernieuwbare energie;

K.  overwegende dat EU-klimaatdiplomatie risicobeheerprojecten moet aanmoedigen, de publieke opinie moet vormen en politieke en economische samenwerking moet aanmoedigen om de klimaatverandering tegen te gaan en een koolstofarme economie te bevorderen;

L.  overwegende dat EU-klimaatdiplomatie een model van proactieve aanpassing moet voortbrengen waarbij interactie tussen beleidsmaatregelen tegen de klimaatverandering wordt aangemoedigd; overwegende dat institutionalisering van het beleid inzake klimaatverandering tot een groter publiek bewustzijn zou leiden en zich in een duidelijkere politieke wil moet vertalen;

M.  overwegende dat door het probleem van de waterschaarste het aantal conflicten tussen gemeenschappen steeds verder oploopt; overwegende dat de watervoorraden vaak op niet-duurzame wijze worden gebruikt voor intensieve en industriële landbouw in reeds onstabiele situaties;

N.  overwegende dat de strijd tegen de klimaatverandering in alle diplomatieke dialogen en initiatieven een strategische prioriteit met een op de mensenrechten gebaseerde aanpak moet worden om de doelstellingen van die strijd te kunnen verwezenlijken; overwegende dat het Parlement een actieve bijdrage aan het proces heeft geleverd en zowel zijn wetgevende bevoegdheid als zijn politieke invloed heeft ingezet om de klimaatverandering verder te integreren in het optreden inzake ontwikkeling en de steunportefeuille, evenals in een aantal andere EU-beleidsterreinen, zoals investeringen, landbouw, visserij, energie, vervoer, onderzoek en handel;

O.  overwegende dat bronnen van discriminatie en kwetsbaarheid op basis van geslacht, ras, etniciteit, klasse, armoede, bekwaamheid, het inheems zijn, leeftijd en geografie, en traditionele en institutionele discriminatie, elkaar wederzijds versterken en de toegang verhinderen tot de middelen die nodig zijn om met dramatische veranderingen zoals de klimaatverandering te kunnen omgaan;

P.  overwegende dat er een intrinsiek verband bestaat tussen de klimaatverandering en ontbossing ten gevolge van landroof, de winning van fossiele brandstoffen en intensieve landbouw;

Q.  overwegende dat het percentage vrouwen dat bij politieke besluitvorming en diplomatie wordt betrokken, in het bijzonder bij onderhandelingen over klimaatverandering, nog steeds ontoereikend is, en dat er ter zake weinig of geen vooruitgang is geboekt; overwegende dat slechts 12 tot 15 % van de delegatiehoofden en ongeveer 30 % van de delegatieleden vrouwen zijn;

1.  herinnert eraan dat de klimaatverandering gevolgen heeft voor alle aspecten van het menselijk leven, in het bijzonder de wereldwijde hulpbronnen en ontwikkelingsmogelijkheden, evenals voor bedrijfsmodellen, handels- en regionale betrekkingen; herinnert eraan dat die gevolgen leiden tot meer voedselonzekerheid, gezondheidsbedreigingen, verlies van bestaansmiddelen, ontheemding, migratie, armoede, genderongelijkheid, mensenhandel, geweld, gebrek aan toegang tot infrastructuur en essentiële diensten, dat zij van invloed zijn op de vrede en veiligheid en in toenemende mate voelbaar zijn voor de EU-burgers, alsook een uitdaging vormen voor de internationale gemeenschap; wijst op de toenemende urgentie van klimaatactie en vestigt er de aandacht op dat de aanpak van de klimaatverandering vraagt om een​gezamenlijke inspanning op internationaal niveau; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan multilaterale gesprekken doorlopend mogelijk te maken, aangezien het gaat om een collectieve verantwoordelijkheid ten aanzien van de hele planeet, voor de huidige en toekomstige generaties; merkt op dat de strijd tegen de klimaatverandering noodzakelijk is voor de bescherming van de mensenrechten;

2.  neemt met bezorgdheid kennis van de achteruitgang van de waterbronnen en ecosystemen wereldwijd, en van de groeiende dreiging van waterschaarste, watergerelateerde risico's en extreme verschijnselen;

De uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en de Agenda 2030

3.  bevestigt andermaal de verbintenis van de EU in het kader van de Overeenkomst van Parijs en de Agenda 2030 van de VN, met inbegrip van de SDG's; benadrukt de noodzaak om de Overeenkomst van Parijs volledig en spoedig uit te voeren en de doelstellingen daarvan inzake matiging, aanpassing en herschikking van geldstromen evenals de SDG's te verwezenlijken, zowel in de EU als wereldwijd, om zo te komen tot een duurzamere economie en samenleving; bevestigt opnieuw de noodzaak van een ambitieus EU-klimaatbeleid en haar bereidheid om de op EU-niveau bestaande nationaal bepaalde bijdrage (NDC) voor 2030 aanzienlijk te verhogen, alsmede de noodzaak om tegen eind 2018 een ambitieuze en gecoördineerde langetermijnstrategie te ontwikkelen om tegen 2050 een CO2-neutrale economie tot stand te brengen, overeenkomstig de verbintenis in het kader van de Overeenkomst van Parijs om de stijging van de gemiddelde temperatuur wereldwijd in vergelijking met het pre-industriële niveau ruim beneden 2 °C te houden en de inspanningen voort te zetten om die temperatuurstijging tot 1,5 °C te beperken; verzoekt de Commissie om in deze langetermijnstrategie rekening te houden met de standpunten van alle actoren die een bijdrage kunnen leveren of de gevolgen ondervinden;

4.  onderstreept het belang van een ambitieus EU-klimaatbeleid om een verdere temperatuurstijging te voorkomen en als een geloofwaardige en betrouwbare partner tegenover derde landen te kunnen optreden; roept de Commissie en de lidstaten op om een actieve, constructieve rol te spelen in het kader van de Talanoadialoog en COP 24 in 2018, aangezien 2018 een cruciaal jaar zal zijn voor de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs; dringt er bij de EU op aan haar engagement voor een ambitieus klimaatbeleid te tonen, aangezien zij zo het goede voorbeeld kan geven en sterke verbintenissen tot matiging bij andere landen kan bepleiten;

5.  betreurt de bekendmaking van de beslissing van de president van de VS om zich terug te trekken uit de Overeenkomst van Parijs; bevestigt nogmaals dat de EU de verantwoordelijkheid én de kans heeft om het voortouw te nemen op het gebied van wereldwijde klimaatactie, om meer inspanningen te leveren inzake klimaatdiplomatie, en om een​sterke alliantie te vormen van landen en actoren die steun zullen blijven bieden en zullen blijven bijdragen aan de doelstellingen om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder de 2 °C en de inspanningen voort te zetten om die temperatuurstijging tot 1,5 °C te beperken, zoals aanbevolen door de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC); benadrukt niettemin het belang van een nauwe samenwerking met de overheid van de VS, en in het bijzonder de staten en steden van de VS;

6.  benadrukt dat de geloofwaardigheid van de EU in de strijd tegen de klimaatverandering afhankelijk is van de strikte en alomvattende uitvoering van haar eigen klimaatbeleid;

7.  benadrukt dat het buitenlands beleid van de EU mogelijkheden moet ontwikkelen om risico's op te volgen in verband met de klimaatverandering, waaronder crisispreventie en conflictgevoeligheid; is van mening dat consequente en snelle klimaatactie absoluut bijdraagt aan het voorkomen van sociale en economische risico's en veiligheidsrisico's, van conflicten en instabiliteit, en uiteindelijk van hoge politieke, sociale en economische kosten; benadrukt daarom het belang van integratie van de klimaatdiplomatie in het EU-conflictpreventiebeleid, waarbij de reikwijdte van EU-missies en -programma's in derde landen en conflictgebieden wordt verbreed en aangepast; herhaalt dat de overgang naar een circulaire, CO2-neutrale economie zowel binnen als buiten de EU zal bijdragen tot welvaart en meer gelijkheid, vrede en menselijke veiligheid, aangezien de klimaatverandering vaak nieuwe instabiliteit en conflictsituaties kan doen ontstaan of bestaande instabiliteit en conflictsituaties kan verergeren en zij bestaande ongelijkheden versterkt of tot nieuwe ongelijkheden leidt, als gevolg van de schaarste van hulpbronnen, het gebrek aan economische kansen, het verlies van grond door de stijgende zeespiegel of langdurige droogte, een zwakke bestuursstructuur, een tekort aan water of voedsel evenals een verslechtering van de levensomstandigheden;

8.  stelt met bezorgdheid met name de achteruitgang vast van de ecosystemen en waterreserves overal ter wereld, evenals de toenemende bedreigingen ten gevolge van waterschaarste en watergerelateerde risico's enerzijds, en anderzijds het ontstaan van extreme klimatologische en meteorologische verschijnselen waarvan de frequentie en de verwoestende gevolgen alsmaar toenemen, wat het nodig maakt om de koppeling tussen de aanpassing aan de klimaatverandering en de beperking van het risico op rampen te versterken;

9.  constateert eveneens met bezorgdheid dat onvoldoende rekening wordt gehouden met de rol van de bodem als onderdeel van het klimaatsysteem, alsook het belang daarvan voor de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en voor de aanpassing aan de gevolgen van de klimaatverandering; roept de EU op een ambitieuze strategie te ontwikkelen die onderdeel moet worden van de klimaatdiplomatie;

10.  benadrukt dat personen die aan de kust of in kleine eilandstaten wonen in het bijzonder in gevaar zijn als gevolg van het smelten van de ijskappen en de stijging van de zeespiegel; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan die woonruimte te beschermen en te behouden door de verwezenlijking van ambitieuze doelstellingen voor de matiging van de klimaatverandering evenals multilaterale kustbeschermingsmaatregelen te bevorderen;

11.  erkent dat de klimaatverandering de omstandigheden verergert die leiden tot migratie in kwetsbare gebieden, en herinnert eraan dat migratie in de toekomst nog zal toenemen indien de negatieve gevolgen van de klimaatverandering niet adequaat worden beheerd; acht het daarom van belang te werken aan de opstelling op het niveau van de VN van een wereldwijd aanvaarde definitie van de term "klimaatvluchteling" met het oog op de opstelling van een internationaal juridisch kader voor personen die ontheemd zijn ten gevolge van de klimaatverandering, en te werken aan de goedkeuring van een gemeenschappelijke aanpak voor de bescherming van klimaatvluchtelingen; dringt erop aan dat de EU actief deelneemt aan het debat over de term "klimaatvluchteling", met inbegrip van een mogelijke juridische definitie ervan op internationaal niveau;

12.  roept de lidstaten op om progressief leiderschap te tonen bij de lopende onderhandelingen over een mondiaal pact voor veilige, ordelijke en reguliere migratie dat wordt voorbereid onder auspiciën van de Verenigde Naties en voortbouwt op de Verklaring van New York voor vluchtelingen en migranten van 2016, waarin werd erkend dat grote aantallen personen verhuizen vanwege de negatieve gevolgen van de klimaatverandering;

13.  is verheugd over de inclusiviteit van het UNFCCC-proces; meent dat voor het verzekeren van een effectieve deelname de kwestie van gevestigde of tegenstrijdige belangen moet worden aangepakt; steunt het initiatief van overheden die de meerderheid van de wereldbevolking vertegenwoordigen om een specifiek beleid inzake belangenconflicten in te voeren, en roept de Commissie op om constructief aan dat proces deel te nemen;

14.  roept de Commissie op programma's op te zetten om het bewustzijn van de EU-burgers te verhogen wat het verband betreft tussen de klimaatverandering en migratie, armoede en conflicten met betrekking tot de toegang tot hulpbronnen;

15.  onderstreept dat elk initiatief van de EU op milieugebied op de wetgevingsbevoegdheden uit hoofde van de Verdragen gestoeld moet zijn en dat de parlementaire democratie in de EU een hoofdrol moet blijven spelen bij elk voorstel voor de bevordering van internationale maatregelen ter bescherming van het milieu;

Versterking van de capaciteit van de EU op het gebied van klimaatdiplomatie

16.  stelt vast dat de EU en haar lidstaten de grootste aanbieders zijn van publieke klimaatfinanciering en dat dit een belangrijk instrument is om vertrouwen op te bouwen met het oog op de ondersteuning van de aanpassing en matiging in andere landen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om belangrijke financiële bijdragen te blijven leveren en actief steun te blijven bieden aan de mobilisering van internationale klimaatfinanciering via publieke bronnen in andere landen en via private bronnen; is verheugd over de aankondigingen op de One Planet-top van 12 december 2017;

17.  benadrukt dat voor de wereldwijde overgang naar CO2-neutrale, klimaatbestendige economieën en samenlevingen aanzienlijke transformationele investeringen nodig zijn; benadrukt dat overheden een omgeving moeten creëren die het mogelijk maakt de kapitaalstromen naar duurzame investeringen te heroriënteren en gestrande activa te voorkomen, voortbouwend op de conclusies van de deskundigengroep op hoog niveau inzake duurzame financiering en in overeenstemming met de mededeling van de Commissie over duurzame financiering (COM(2018) 97 final); meent dat het financiële stelsel moet bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de SDG's; is ervan overtuigd dat een financieel EU-stelsel dat bijdraagt aan de matiging van de klimaatverandering en investeringen in schone technologieën en duurzame oplossingen stimuleert een voorbeeld zal zijn voor andere landen en deze kan helpen gelijkaardige stelsels in te voeren;

18.  onderstreept hoe belangrijk het is dat de EU op alle internationale fora met één stem spreekt en verzoekt de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie gezamenlijke EU-inspanningen te coördineren en er zo voor te zorgen dat de EU haar verbintenis met betrekking tot de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs nakomt; spoort de EU aan om methoden te overwegen om het ambitieniveau van de Overeenkomst van Parijs verder te verhogen; benadrukt de noodzaak om een alomvattende strategie voor klimaatdiplomatie van de EU uit te stippelen en om het klimaatbeleid in alle gebieden van het externe optreden van de EU op te nemen, ook op het gebied van handel, ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp; benadrukt het belang van de versterking van de sociale dimensie, de integratie van een genderperspectief en een op de mensenrechten gebaseerde aanpak bij alle toekomstige multilaterale onderhandelingen;

19.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om het internationale bewustzijn inzake de klimaatverandering te verhogen via gecoördineerde communicatiestrategieën en activiteiten ter bevordering van publieke en politieke steun; roept in het bijzonder op tot internationaal begrip inzake de samenhang tussen de klimaatverandering en sociaal onrecht, migratie, hongersnood en armoede, en inzake de grote bijdrage die wereldwijde klimaatactie kan leveren aan het oplossen van die problemen;

20.  wijst erop dat de technologische ontwikkelingen, mits zij naar behoren worden gestimuleerd door middel van gezamenlijke politieke inspanningen, bepalend zullen zijn om de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te behalen, en dat derhalve binnen de integrale strategie voor klimaatdiplomatie ook rekening moet worden gehouden met de wetenschapsdiplomatie van de EU door onderzoek met betrekking tot de klimaatverandering te stimuleren en te financieren;

21.  herinnert eraan dat, zoals in het Groenboek van de Commissie "Aanpassing aan klimaatverandering in Europa – mogelijkheden voor EU-actie"(7) is gesteld, Zuid-Europa en het Middellandse Zeebekken, berggebieden en kustzones, dichtbevolkte rivier- en kustvlakten, Scandinavië en het Arctische gebied de gebieden in Europa zijn die het meest kwetsbaar zijn voor klimaatverandering; dringt er daarom bij de EU op aan onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma's te bevorderen waarbij de relevante lidstaten telkens worden betrokken, overeenkomstig artikel 185 VWEU;

22.  noemt nadrukkelijk als een goed voorbeeld van wetenschapsdiplomatie als bedoeld in bovenstaande paragraaf, het Prima-initiatief (partnerschap voor onderzoek en innovatie in het Middellandse Zeegebied), dat gericht is op de ontwikkeling en toepassing van innovatieve oplossingen voor de voedselproductie en de watervoorziening in het Middellandse Zeebekken; roept de Commissie op om de samenwerking te versterken, de nodige bijstand te verlenen en de continuïteit van dit initiatief en andere, soortgelijke initiatieven zeker te stellen; dringt er bij de Commissie op aan overeenkomstig artikel 185 VWEU een nieuw initiatief op te zetten dat specifiek gericht is op de verwezenlijking van de doelstellingen van de EU-klimaatdiplomatie;

23.  dringt erop aan om de actieplannen van de Unie op het gebied van energie- en waterdiplomatie af te stemmen op haar klimaatdiplomatie, door waar passend op het niveau van de Unie en de lidstaten synergieën en gezamenlijk optreden van de respectieve onderdelen te bevorderen;

24.  pleit voor meer betrokkenheid van het Parlement en een jaarlijks, door de Commissie en de EDEO ingeleid en in samenwerking met de lidstaten uitgevoerd proces om de belangrijkste prioriteiten voor klimaatdiplomatie van de EU in het jaar in kwestie vast te stellen en te komen met concrete aanbevelingen voor de aanpak van lacunes in de capaciteit;

25.  verbindt zich ertoe een eigen standpunt en aanbevelingen te formuleren voor een nieuwe EU-langetermijnstrategie tegen het midden van de eeuw, die in overweging moet worden genomen door de Commissie en de Raad voordat zij aan het UNFCCC wordt voorgelegd;

26.  spreekt zijn voornemen uit een​proces op gang te brengen dat hier een bijdrage aan zal leveren door middel van periodieke verslagen over de activiteiten van de EU op het gebied van klimaatdiplomatie, evenals de resultaten en tekortkomingen daarvan; merkt op dat de periodieke verslagen duidelijke benchmarks ter zake moeten bevatten;

27.  wijst op de essentiële rol van de parlementaire diplomatie in de strijd tegen de klimaatverandering; verbindt zich ertoe om beter gebruik te maken van zijn internationale rol en zijn lidmaatschap van internationale parlementaire netwerken en om meer klimaatactiviteiten te ontplooien via de werkzaamheden van zijn delegaties, alsmede via delegatiebezoeken, en in het bijzonder die van zijn Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en zijn Commissie buitenlandse zaken, tijdens Europese en internationale interparlementaire vergaderingen en in het kader van dialoogplatforms met nationale parlementen en subnationale actoren/niet-overheidsactoren en het maatschappelijk middenveld, waarbij het er voortdurend naar zal streven om het noodzakelijke genderperspectief te integreren;

28.  dringt aan op een verhoogde toewijzing van personele en financiële middelen aan de EDEO en de Commissie, om beter aan te sluiten bij de sterke inzet voor en de grotere betrokkenheid bij klimaatdiplomatie; dringt er bij de EDEO op aan om tijdens ontmoetingen met hun collega's uit derde landen en internationale of regionale organisaties klimaatdiplomatie op de agenda van de EU-delegaties te plaatsen en om de inspanningen in het kader van klimaatdiplomatie in elke EU-delegatie af te stemmen met de vertegenwoordigingen van de lidstaten in derde landen en hier strategisch belang aan toe te kennen; dringt er dan ook op aan om in de belangrijkste EU-delegaties in derde landen een contactpunt inzake klimaatverandering in te richten en een hoger percentage klimaatdeskundigen op te nemen bij het creëren van gemengde functies in de EU-delegaties;

29.  benadrukt dat klimaatgerelateerde uitgaven uit de EU-begroting een hoge toegevoegde waarde kunnen creëren en aanzienlijk moeten worden verhoogd om het verhoogde belang en de urgentie van klimaatactie evenals de behoefte aan verdere acties inzake klimaatdiplomatie te weerspiegelen; dringt er daarom bij de Commissie en de lidstaten op aan de uitgaven op het gebied van klimaatdiplomatie te verhogen in het volgende meerjarig financieel kader (MFK), de toewijzing goed te keuren van ten minste 30 % voor klimaatgerelateerde uitgaven, zoals bepleit door het Parlement in zijn resolutie van 14 maart 2018 over het volgende MFK: voorbereiding van het standpunt van het Parlement ten aanzien van het MFK voor de periode na 2020(8), en de hele EU-begroting af te stemmen op het halen van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de SDG's om ervoor te zorgen dat de begrotingsuitgaven de klimaatinspanningen niet in de weg staan; stelt in dit verband vast dat gevoelige sectoren (zoals landbouw, industrie, energie en vervoer) met name een grotere inspanning zullen moeten leveren om de overgang naar een CO2-neutrale economie te maken; roept op tot een beter gebruik van andere EU-fondsen om middelenefficiëntie, geoptimaliseerde resultaten en een verhoogde impact van EU-acties en -initiatieven te verzekeren;

30.  roept de Commissie en de lidstaten op om in het kader van bilaterale overeenkomsten met partnerlanden samenwerking op milieugebied te ontwikkelen teneinde een duurzaam ontwikkelingsbeleid te bevorderen op basis van energie-efficiëntie en hernieuwbare energie;

31.  roept de Commissie op om ten volle uitdrukking te geven aan de wereldwijde dimensie, waaronder de EU-doelstellingen inzake klimaatdiplomatie, in haar komende mededelingen over de toekomst van het energie- en klimaatbeleid van de EU, en over de langetermijnstrategie van de EU voor de vermindering van broeikasgasemissies; verzoekt de Commissie en de EDEO ook hun langetermijnvisie verder uit te werken om binnen twaalf maanden na de goedkeuring van dit verslag een gezamenlijke mededeling te presenteren met hun visie op de klimaatdiplomatie van de EU evenals een strategische aanpak voor de activiteiten van de EU op het gebied van klimaatdiplomatie, waarbij zij rekening houden met de in deze tekst vastgelegde benadering van het Parlement;

32.  roept de EDEO en de Commissie op om hun interne coördinatie te versterken met betrekking tot klimaatontheemding, door een deskundigenpanel samen te stellen om onderzoek te doen naar de klimaatverandering en migratie, via een agentschapsoverkoepelende taskforce;

33.  onderstreept dat de emancipatie van vrouwen en hun volledige en gelijke participatie en leiderschap van levensbelang zijn voor de klimaatactie; roept de EU en de lidstaten op genderperspectieven in het klimaatbeleid te integreren en uit te gaan van een genderbewuste aanpak, aangezien de klimaatverandering ongelijkheden en de situatie van vrouwen vaak verergert, bevordert de deelname van inheemse vrouwen en verdedigers van vrouwenrechten aan het UNFCCC aangezien hun kennis van het beheer van natuurlijke hulpbronnen essentieel is in de strijd tegen de klimaatverandering;

De strijd tegen de klimaatverandering als drijvende kracht voor internationale samenwerking

34.  benadrukt dat de EU en haar lidstaten actieve partners moeten zijn in internationale organisaties en fora (zoals de VN, het UNFCCC, het politiek forum op hoog niveau voor duurzame ontwikkeling (HLPF), het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN (OHCHR), de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), de NAVO, de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO), de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), de Arctische Raad en de G7 en G20) en nauw moet samenwerken met regionale organisaties (zoals de Afrikaanse Unie (AU), de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (Ecowas), de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten (ASEAN), de staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS), Mercosur en de Samenwerkingsraad van de Golf (GCC)) om wereldwijde partnerschappen te bevorderen en de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en de SDG's te waarborgen, en daarbij de regelingen inzake multilaterale samenwerking te verdedigen, te versterken en verder te ontwikkelen;

35.  roept de EU en haar lidstaten op klimaatactie een belangrijker plaats te geven op de agenda van de G20-topontmoetingen en -vergaderingen en van bilaterale bijeenkomsten van leden van de G20, en samen te werken met ontwikkelingslanden, bijvoorbeeld met de Groep van 77 bij de Verenigde Naties (G77) en andere netwerken zoals de Alliantie van kleine eilandstaten (Aosis);

36.  verzoekt de lidstaten hun betrokkenheid in het kader van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) te versterken overeenkomstig de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs; benadrukt voorts dat de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) snel gepaste bijkomende actie moet ondernemen opdat de internationale zeevaart een eerlijke bijdrage levert aan de strijd tegen de klimaatverandering;

37.  verzoekt de Commissie om het aspect klimaatverandering op te nemen in internationale handels- en investeringsovereenkomsten en om van de ratificatie en uitvoering van de Overeenkomst van Parijs een voorwaarde te maken voor toekomstige handelsovereenkomsten; verzoekt de Commissie in dit verband in voorkomend geval de consistentie van de bestaande overeenkomsten met de Overeenkomst van Parijs uitgebreid te beoordelen; verzoekt de Commissie om financieringsinstrumenten en programma's te vereenvoudigen om zo te zorgen voor samenhang, derde landen te steunen bij de aanpak van de klimaatverandering en de doeltreffendheid van de EU-klimaatactie te verhogen; pleit voor de ontwikkeling en de systematische opneming van een verplichte fundamentele clausule inzake klimaatverandering in internationale overeenkomsten, met inbegrip van handels- en investeringsovereenkomsten, betreffende de wederzijdse verbintenis om de Overeenkomst van Parijs te ratificeren en uit te voeren, om zo het Europese en internationale decarbonisatieproces te ondersteunen;

38.  ondersteunt de langdurige en actieve inzet van de EU binnen de coalitie met een hoge ambitie en met haar lidstaten om hun vastberadenheid zichtbaar te maken om te komen tot een​zinvolle uitvoering van de Overeenkomst van Parijs, door de vaststelling van een solide reglement in 2018 en een succesvolle Talanoadialoog op COP 24 die erop gericht is nog meer staten aan te sporen om zich aan te sluiten bij deze inspanningen en in de komende jaren een groep van klimaatleiders op te richten die bereid zijn hun klimaatdoelstellingen te verhogen in lijn met de Overeenkomst van Parijs, teneinde gedeeld leiderschap op te nemen om gezamenlijk het voortouw te nemen inzake de integratie van het klimaatbeleid in verschillende kwesties van buitenlands beleid, waaronder handel, de hervorming van internationale financiële instellingen en veiligheid;

39.  erkent het belang van effectieve en efficiënte adaptatiemaatregelen, -strategieën en ‑plannen, inclusief het gebruik van op ecosystemen gebaseerde oplossingen voor het versterken van de aanpassingscapaciteit en veerkracht en het verminderen van de kwetsbaarheid voor de klimaatverandering in de context van de Overeenkomst van Parijs;

40.  wijst op de bijzondere kwetsbaarheid van de ecosystemen in het noordpoolgebied voor de klimaatverandering, aangezien de afgelopen decennia de temperatuur in het noordpoolgebied ongeveer tweemaal zo snel is gestegen als het wereldgemiddelde; onderkent dat de vervuiling met gevolgen voor het klimaat in dit gebied voor het grootste gedeelte afkomstig is uit Azië, Noord-Amerika en Europa, en dat de maatregelen voor emissiereductie in de EU dan ook sterk bijdragen aan de bestrijding van de klimaatverandering in het noordpoolgebied; houdt ook rekening met de belangstelling voor het noordpoolgebied en de hulpbronnen ervan vanwege het veranderende milieu van het gebied en het toenemende geopolitieke belang van het noordpoolgebied; is van mening dat gezonde en duurzame Arctische ecosystemen, die bewoond worden door levensvatbare gemeenschappen, van strategisch belang zijn voor de politieke en economische stabiliteit van Europa en de wereld; is van mening dat de formele status van de EU als observator in de Arctische Raad eindelijk moet worden ingevoerd;

41.  wijst op de verantwoordelijkheid die ligt bij de EU en andere welvarende landen, gezien hun belangrijke historische bijdrage aan de aardopwarming, om meer solidariteit aan te dag te leggen ten aanzien van de kwetsbare landen, vooral landen in het globale Zuiden en eilanden, die het zwaarst worden getroffen door de gevolgen van de klimaatverandering, en om te zorgen voor niet-aflatende steun teneinde hun weerbaarheid te versterken, bij te dragen aan beperking van het risico op rampen, onder andere door natuurbehoud en het herstel van ecosystemen die een belangrijke rol spelen bij het regelen van het klimaat, hen te helpen herstellen van de als gevolg van de klimaatverandering geleden schade, en de adaptatiemaatregelen en weerbaarheid te verbeteren door middel van toereikende financiële steun en capaciteitsopbouw, met name via NDC-partnerschappen; merkt op dat kwetsbare landen cruciale partners zijn om te ijveren voor ambitieuze internationale klimaatactie, vanwege de existentiële dreiging die de klimaatverandering voor hen vormt;

42.  dringt er bij de EU en de lidstaten op aan steun te bieden aan minder welvarende landen bij hun inspanningen om minder afhankelijk te worden van fossiele brandstoffen en de toegang tot betaalbare hernieuwbare energie te verbeteren, onder meer door middel van programma's ter ondersteuning van de toegang tot wetenschap, technologie en innovatie overeenkomstig SDG 17, en door hen bewust te maken van de beschikbare technologieën voor de monitoring en bescherming van het milieu en de burgers, zoals het vlaggenschipruimtevaartprogramma Copernicus en de dienst ervan voor klimaatverandering; wijst op de kansen die door het EU-plan voor externe investeringen worden geboden, via het stimuleren van klimaatvriendelijke investeringen en het ondersteunen van duurzame ontwikkeling; benadrukt hoe belangrijk het is ervoor te zorgen dat humanitaire agentschappen een langetermijnperspectief ontwikkelen voor hun optreden, op basis van goed onderbouwde kennis van de klimaatgevolgen in kwetsbare gebieden; roept de Commissie voorts op een alomvattende strategie te ontwikkelen om de uitmuntendheid van de EU op het gebied van groene technologieën wereldwijd te bevorderen;

43.  wijst erop dat het EU-beleid moet worden vereenvoudigd om adequaat te kunnen reageren op situaties zoals water- of voedselschaarste, die zich in de toekomst waarschijnlijk vaker zullen voordoen; herinnert eraan dat dergelijke schaarste aan basisvoedsel op de lange termijn tot ernstige veiligheidsuitdagingen zou leiden, die mogelijk andere verwezenlijkingen van het EU-ontwikkelingsbeleid zouden tenietdoen;

44.  roept de EU op voorrang te verlenen aan steun in de vorm van subsidies en overdracht van technologie aan de armste landen om de energietransitie te realiseren;

45.  beveelt aan dat de EU haar strategische samenwerking intensiveert op staatsniveau en op andere niveaus via dialogen over koolstofvrije ontwikkeling en partnerschappen met opkomende economieën en andere landen die een grote invloed hebben op de opwarming van de aarde, maar die tevens van doorslaggevend belang zijn als het gaat om wereldwijde klimaatactie; merkt in die context op dat het klimaat een uitgangspunt kan vormen voor diplomatieke betrekkingen met partners voor wie overige agendapunten erg controversieel zijn, waardoor de mogelijkheid ontstaat de stabiliteit en vrede te versterken; roept de EU op om beleidservaringen en lering met haar partners te delen om de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs te versnellen; roept de EU op om specifieke panels op te richten om te debatteren over beleid inzake klimaat en duurzaamheid en economische en technologische dialogen tot stand te brengen over oplossingen voor de transitie en klimaatbestendigheid, onder meer tijdens ministeriële bijeenkomsten op hoog niveau; dringt er bij de EU op aan om partnerschappen aan te gaan en te ondersteunen op gebieden van gemeenschappelijk belang, waaronder routekaarten voor 2050, duurzame financieringshervorming, schoon vervoer, koolstofmarkten en andere instrumenten voor het beprijzen van koolstof buiten Europa, om de mondiale uitstoot te beperken en terzelfder tijd een gelijk speelveld tot stand te brengen voor alle economische sectoren;

46.  dringt er bij de EU op aan het voortouw te nemen bij de ontwikkeling van internationale en regionale partnerschappen op het gebied van koolstofmarkten, als bedoeld in artikel 6 van de Overeenkomst van Parijs, en haar deskundigheid inzake het oprichten, aanpassen en beheren van het EU-emissiehandelssysteem (ETS) in te zetten, evenals haar ervaring inzake het koppelen van de Zwitserse koolstofmarkt aan het ETS; roept de Commissie en de lidstaten op om de ontwikkeling van koolstofbeprijzingsmechanismen in derde landen en regio's te bevorderen en internationale samenwerking aan te moedigen om die mechanismen in ruime mate onderling verenigbaar te maken op middellange termijn en een internationale koolstofmarkt te creëren op lange termijn; wijst in dit verband op de succesvolle samenwerking gedurende de afgelopen jaren tussen de EU en China, die de lancering in december 2017 van het nationale systeem voor de handel in emissierechten in China mogelijk heeft gemaakt; kijkt uit naar de resultaten van de huidige inspanningen, die van wezenlijk belang zullen zijn voor de goede werking van het systeem; dringt er bij de EU op aan de ambitie van China op het gebied van de koolstofhandel te blijven steunen en de toekomstige samenwerking te versterken ter verwezenlijking van een gelijk speelveld in de hele wereld;

47.  dringt er bij de EU op aan om actief op internationaal niveau een proactief beleid te stimuleren ter bestrijding van broeikasgasemissies, met name door het invoeren van emissiegrenswaarden en onmiddellijke maatregelen voor emissiebeperking in de internationale maritieme sector en luchtvaartsector;

48.  meent dat meer werk nodig is voor de ontwikkeling van koolstofcorrecties aan de grenzen als hefboom voor verdere inspanningen van alle landen om de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te halen;

49.  beveelt de EU aan om samen met de VN te ijveren voor een grotere samenwerking op wereldniveau bij de aanpak van het probleem van de zandstormen, waardoor met name in het Midden-Oosten de bestaande spanningen worden aangewakkerd en nieuwe spanningen ontstaan; wijst erop dat deze stormen niet alleen ernstige schade berokkenen aan de gezondheid maar er ook toe leiden dat de toch al schaarse watervoorraden in het Midden-Oosten opdrogen; dringt er bij de EU in dit verband op aan om met de Verenigde Naties samen te werken bij de verbetering van de controle- en waarschuwingssystemen;

50.  dringt er bij de EDEO, de Commissie en de lidstaten op aan om zich tijdens hun strategische dialogen over energie met landen in de bredere nabuurschapsomgeving van de EU die fossiele brandstoffen exporteren, te concentreren op samenwerking op het gebied van koolstofvrije energie en ontwikkelingsmodellen voor een CO2-neutrale economie, om zowel de vrede als de menselijke veiligheid en het welzijn in Europa en wereldwijd te bevorderen;

51.  roept de EDEO, de Commissie en de lidstaten op om hun internationale beleidsdialogen en samenwerking met partnerlanden volledig in overeenstemming te brengen met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en met de ambitie van de EU om wereldleider op het gebied van hernieuwbare energie te worden;

De strategische partners van de EU

52.  acht het van belang dat de EU zich blijft inzetten om de VS opnieuw te laten deelnemen aan de multilaterale samenwerking inzake klimaatactie en er bij de VS op aan te dringen de Overeenkomst van Parijs te eerbiedigen zonder het ambitieniveau daarvan in gevaar te brengen; is van mening dat parlementaire dialoog en samenwerking met lokale overheden daarvoor essentieel zijn;

53.  wijst erop dat in de brexitonderhandelingen en de toekomstige betrekkingen met het VK uitdrukking moet worden gegeven aan de noodzaak van verdere samenwerking op het gebied van klimaatdiplomatie;

54.  stelt vast dat regio's en steden een steeds belangrijkere rol spelen inzake duurzame ontwikkeling, aangezien zij rechtstreeks beïnvloed worden door de klimaatverandering, hun groei rechtstreekse gevolgen heeft voor het klimaat en zij actiever worden op het gebied van de matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering, soms ondanks het tegengestelde beleid van hun nationale overheden; herhaalt het grote belang van steden en regio's voor het invoeren van innovaties en maatregelen inzake milieubescherming, het gebruik van groene technologieën, investeringen in vaardigheden, opleiding en het verhogen van het concurrentievermogen via de ontwikkeling van zuivere technologieën op lokaal niveau; dringt er daarom bij de EU op aan om haar betrekkingen met lokale en regionale overheden en inheemse volkeren in derde landen en landen en gebieden overzee (LGO) verder te intensiveren, thematische en sectorale samenwerking tussen steden en regio's zowel binnen als buiten de EU te verbeteren, initiatieven voor aanpassing en klimaatbestendigheid te ontwikkelen, en modellen van duurzame ontwikkeling en emissiebeperkingsplannen te ontwikkelen in sleutelsectoren zoals energie, industrie, technologie, landbouw en vervoer, in zowel stedelijke als plattelandsgebieden, bijvoorbeeld via programma's voor stedenbanden, het programma voor internationale samenwerking van steden, steun van platforms zoals het Burgemeestersconvenant en de oprichting van nieuwe fora voor de uitwisseling van beste praktijken; roept de EU en de lidstaten op inspanningen te ondersteunen van regionale en lokale actoren om regionaal en lokaal bepaalde bijdragen in te voeren (analoog met de NDC's), wanneer de klimaatambitie daardoor kan worden verhoogd; wijst op de rol die EU-delegaties in derde landen op dit gebied kunnen spelen;

55.  stelt voorts vast dat de toenemende verstedelijking in vele delen van de wereld de bestaande uitdagingen inzake de klimaatverandering versterkt wegens de hogere vraag naar hulpbronnen zoals energie, land en water, en milieuproblemen zoals luchtverontreiniging en toename van de hoeveelheid afval in vele verstedelijkte gebieden binnen en buiten de EU nog verergert; merkt op dat verdere gevolgen van de klimaatverandering zoals extreme weersverschijnselen, droogte en bodemdegradatie dikwijls vooral in plattelandsgebieden worden gevoeld; is van mening dat lokale en regionale overheden speciale aandacht en steun moeten krijgen om die uitdagingen aan te pakken, meer weerbaarheid op te bouwen en bij te dragen aan mitigatie-inspanningen door nieuwe vormen van energievoorziening en vervoersconcepten uit te werken;

56.  benadrukt het belang van grensoverschrijdende samenwerking tussen de lidstaten en partnerlanden, met name bij grensoverschrijdende milieueffectbeoordelingen, in overeenstemming met de internationale normen en verdragen ter zake, in het bijzonder het Waterverdrag van de VN-ECE, het Verdrag van Aarhus en het Verdrag van Espoo;

57.  dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan om hun banden met en steun aan het maatschappelijk middenveld als actoren voor klimaatactie wereldwijd te versterken, en allianties aan te gaan en synergieën op te bouwen met de wetenschappelijke gemeenschap, niet-gouvernementele organisaties, lokale gemeenschappen, inheemse gemeenschappen en niet-traditionele actoren om de doelstellingen, ideeën en methoden van de verschillende actoren beter op een lijn te brengen en zo tot een gecoördineerde aanpak voor klimaatactie te komen; moedigt de EU en haar lidstaten aan om de dialoog met de particuliere sector aan te gaan, de samenwerking te versterken om de mogelijkheden te benutten die de transitie naar een CO2-neutrale economie biedt, exportstrategieën voor klimaattechnologieën voor landen wereldwijd te ontwikkelen en de overdracht van technologie naar en de capaciteitsopbouw in derde landen die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen aanmoedigen, te bevorderen;

58.  benadrukt het belang van wetenschappelijk onderzoek voor de politieke besluitvorming inzake het klimaat; merkt op dat grensoverschrijdende wetenschappelijke uitwisseling een fundamenteel onderdeel is van internationale samenwerking; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan wetenschappelijke organisaties te blijven steunen die werken op het gebied van klimaatrisicobeoordeling, die de gevolgen van de klimaatverandering proberen in te schatten en mogelijke adaptatiemaatregelen voorstellen aan de politieke autoriteiten; dringt er bij de EU op aan haar eigen onderzoekscapaciteit te gebruiken om bij te dragen aan de wereldwijde klimaatactie;

°

°  °

59.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden en, ter informatie, aan de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0383.

(2)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0380.

(3)

PB C 487 van 28.12.2016, blz. 24.

(4)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0493.

(5)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0005.

(6)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0066.

(7)

COM(2007) 354 definitief.

(8)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0075.


TOELICHTING

Klimaatdiplomatie als een strategische prioriteit in het buitenlands beleid van de EU

Het in 2015 in Parijs gesloten universele klimaatakkoord en de vaststelling van de Agenda 2030 – waarin de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's) centraal staan – zijn een groot succes gebleken voor de wereldwijde transformatie naar een meer duurzame en koolstofarme samenleving. Beide verwezenlijkingen kunnen worden gezien als succesvolle voorbeelden van multilateralisme. Met name de Overeenkomst van Parijs is te danken aan gezamenlijke diplomatieke actie van de EU en het Franse voorzitterschap. De uitdaging bestaat er nu in deze te vertalen in maatregelen, de regels en procedures voor dit proces tijdens de komende VN-klimaatconferenties vast te stellen en internationale verbintenissen op het gebied van klimaatactie in stand te houden.

Hieruit blijkt hoe belangrijk het is dat het klimaatvraagstuk op de agenda van instanties en actoren inzake buitenlandse zaken wordt geplaatst. De ernstige gevolgen van klimaatverandering zijn wereldwijd voelbaar en derhalve moeten ze een strategische prioriteit vormen in internationale diplomatieke betrekkingen. Gezien het feit dat klimaatgerelateerde ontwikkelingen van invloed zijn op de geopolitieke stabiliteit, voedsel- en watervoorzieningen – en daarmee op de regionale veiligheid van de getroffen bevolking – evenals op migratiestromen, moet de kwestie op alle niveaus en op alle gebieden van diplomatie inzake buitenlandse zaken worden aangepakt.

Daarom wijden de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid een gezamenlijk verslag aan dit onderwerp en doen ze aanbevelingen voor toekomstige klimaatdiplomatieke activiteiten van de EU. In dit verslag wordt het fundament gelegd voor de toekomstige rol van de commissies van het Parlement, met name van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, bij klimaatdiplomatie, en voor de aanwijzing van het Europees Parlement als een van de actoren op het gebied van buitenlandse zaken.

Teneinde bij te dragen aan het proces om de EU een passende internationale rol op het gebied van klimaatdiplomatie aan te meten, worden in dit verslag, overeenkomstig de benadering voor buitenlandse zaken zoals vastgelegd in de integrale strategie van de EU, de nodige structuren alsook de strategische partners en thematische gebieden voor de klimaatdiplomatie van de EU systematisch in kaart gebracht, waarmee de ontwikkeling van een alomvattende toekomstige strategie voor de EU wordt ondersteund.

De behoefte aan EU-leiderschap: het opstellen van een agenda inzake de klimaatdiplomatie van de EU

Geconfronteerd met een toenemende urgentie voor klimaatmaatregelen en de noodzaak van een krachtige wereldwijde uitvoering van de Overeenkomst van Parijs, moet de EU haar klimaatdiplomatieke inspanningen opvoeren. Voorvechter zijn van klimaatactie en het opnieuw bevestigen van politieke inzet is een doorlopende taak. In deze context is een krachtige leidersrol van de EU op het gebied van klimaatactie belangrijker dan ooit. Een duidelijke agenda moet aangeven hoe de samenwerking met oude en nieuwe partners kan worden verbeterd, zij het op internationale fora, met nationale overheden of niet-overheidsactoren.

De externe leidersrol moet worden aangevuld met een krachtig intern klimaatbeleid. Om uit te groeien tot een geloofwaardige speler moet de EU de Overeenkomst van Parijs op consistente wijze en met een duidelijk toetsingsmechanisme uitvoeren. Hoewel centrale EU-klimaatwetten voor het komende decennium zijn goedgekeurd, zijn er nog verdere maatregelen nodig. De EU moet goed voorbereid zijn op de 2018 Talanoadialoog en de klimaatconferentie in Katowice, Polen (COP24), ook als het gaat om concrete voorstellen over hoe de eigen klimaatinspanningen kunnen worden opgevoerd. De EU en met name haar lidstaten moeten klaar zijn om de op EU-niveau bestaande nationaal bepaalde bijdragen (NDC) voor 2030 te verbeteren en om elke vijf jaar gebruik te maken van een algemene inventarisatie om de eigen aan het klimaat gerelateerde wetgeving en maatregelen te herzien. Het huidige voorstel voor duurzame financiering, het debat over de geleidelijke afschaffing van schadelijke subsidies voor fossiele brandstoffen en de vaststelling van het volgende meerjarige financiële kader van de EU vormen extra gelegenheden voor de integratie van klimaatverbintenissen op EU-niveau.

De EU moet laten zien dat de verplichtingen die voortvloeien uit de Overeenkomst van Parijs zonder vertraging worden nagekomen. De Commissie moet derhalve het advies van het Europees Parlement en de lidstaten inwinnen met betrekking tot het uitstippelen van een herziene lage-emissiestrategie voor de EU op lange termijn, te weten halverwege deze eeuw, waarin de resultaten van het komende door de IPCC opgestelde speciale rapport zijn meegenomen.

Een gezamenlijke inspanning: de structuur van de klimaatdiplomatie van de EU verbeteren

Geconfronteerd met de toenemende complexiteit en uitdaging van wereldwijde klimaatactie, moet de klimaatdiplomatie van de EU worden geprofessionaliseerd, versterkt, en meer coherent en gecoördineerd worden. Overwegende dat het gelaagde bestuursstelsel van de EU complex is, moeten alle EU-instellingen samen met de lidstaten worden betrokken bij het ontwikkelen en bevorderen van de klimaatdiplomatie en klimaatactie van de EU.

Hoewel de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) in de afgelopen jaren belangrijke spelers op het gebied van de klimaatdiplomatie van de EU zijn geweest, moet hun coördinerende rol nog groter worden in de toekomst. De klimaatdiplomatie van de EU kan voortbouwen op de ervaring die is opgedaan met het versnellen en coördineren van diplomatieke capaciteiten in aanloop naar de klimaattop in Parijs en kan verder worden ontwikkeld in de richting van een meer strategische aanpak.

Dit betekent niet alleen dat klimaat een belangrijkere rol speelt op het gebied van buitenlandse zaken, maar ook dat ander EU-beleid met een externe dimensie, zoals handels- en investeringsbeleid evenals ontwikkelingshulp, in overeenstemming is met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en met de SDG's. Naast samenhang van het beleid zou een strategischere aanpak van klimaatdiplomatie ook betrekking moeten hebben op de samenhang van acties. De hoge vertegenwoordiger moet, samen met de Commissie, een gezamenlijke EU-inspanning coördineren om een klimaatdiplomatiestrategie van de EU te ontwikkelen door het vaststellen van prioriteiten, de belangrijkste actoren die aan bod komen en de belangrijke gebeurtenissen die gebruikt worden voor acties, of het nu gaat om congressen, ministeriële bijeenkomsten op hoog niveau of informele settings.

Teneinde een gerichte klimaatdiplomatie uit te voeren, moeten de Commissie en de EDEO met de nodige financiële en personele middelen zijn uitgerust. Lacunes in de capaciteit van het directoraat-generaal Klimaat van de Commissie (DG CLIMA) en de EDEO moeten worden geëvalueerd en dienovereenkomstig worden opgevuld. Beide teams moeten hun nauwe samenwerking voortzetten om ervoor te zorgen dat de EU op internationale fora met één stem spreekt.

Om er tegelijkertijd voor te zorgen dat de EDEO via haar delegaties in derde landen een meer coördinerende rol jegens de vertegenwoordigingen van de lidstaten op zich kan nemen, moeten meer in klimaat gespecialiseerde medewerkers en meer gemengde functies met klimaat in de bijbehorende portefeuille aan de EDEO-delegaties ter beschikking worden gesteld. Deze delegaties moeten bovendien een passend deel van hun begroting besteden aan klimaatactiviteiten zoals conferenties, onderzoeken en bewustmakingscampagnes. Regelmatige en betrouwbare coördinatie tussen de verantwoordelijke ambtenaren binnen de ministeries van de lidstaten moet de inspanningen op EU-niveau ondersteunen.

Het Europees Parlement als een diplomatisch voorstander van klimaat

Het Europees Parlement moet een actievere rol in het kader van de klimaatdiplomatie van de EU spelen en zowel via zijn politieke ideeën als zijn capaciteiten een bijdrage leveren. Het Parlement moet regelmatig aanbevelingen formuleren over strategische prioriteiten voor de klimaatdiplomatie van de EU, die door de Raad, de EDEO en de Commissie bij de ontwikkeling van de EU-strategie in aanmerking moeten worden genomen.

Bovendien is het Parlement zelf een actor op het gebied van buitenlandse zaken met zijn officiële delegaties voor de betrekkingen met derde landen en parlementaire vergaderingen. Door de commissies ondernomen missies en aangelegenheden zoals interparlementaire bijeenkomsten bieden ook een veelbelovend platform voor uitwisselingen.

Van deze capaciteiten moet doeltreffender en op gestructureerde wijze gebruikgemaakt worden. Tijdens de missies van de betrokken commissies kunnen vragen met betrekking tot de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en de SDG's als een integrerend onderdeel van hun uitwisselingen worden opgenomen. Zo zou de huidige EU-aanpak om te voldoen aan haar NDC een uitwisseling over de uitvoering van de NDC in derde landen op gang kunnen brengen. Ook zouden de financiële verbintenissen of inspanningen van de EU bij projecten in de desbetreffende landen kunnen worden besproken. Op deze manier kan de invloedssfeer van de EU worden verbreed terwijl de EU-strategie voor klimaatdiplomatie wordt gevolgd en daarmee tegenstrijdigheden in de berichtgeving worden voorkomen. Dankzij een meldsysteem worden de tijdens parlementaire missies verzamelde inzichten gestructureerd en geïntegreerd in een continue dialoog met partnerlanden.

Strategische partners van de EU op het gebied van klimaatdiplomatie

De EU is vanwege haar meerlagige structuur en instellingen een unieke actor als het gaat om buitenlands beleid, en voorbestemd om zich tot verschillende actoren op verschillende niveaus te richten. Terwijl enerzijds bestaande partnerschappen moeten worden voortgezet en versterkt, moet de EU anderzijds streven naar nieuwe partnerschappen en allianties over de hele wereld. Hoewel ambities waar mogelijk moeten worden uitgebreid, moet de aanpak worden afgestemd op de capaciteiten van de partners.

Aangezien de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en de SDG's niet alleen een politieke inspanning vergt, maar ook van groot belang is voor andere belanghebbenden, moeten de strategische partners van de EU maatschappelijke organisaties, de wetenschappelijke gemeenschap en de particuliere sector betrekken. Dit is met name zichtbaar op lokaal en regionaal niveau, waar de praktische uitvoering van klimaatmaatregelen plaatsvindt.

Het aangaan van diplomatieke betrekkingen op het gebied van klimaat kan een aanknopingspunt vormen voor gesprekken met partners met wie overige agendapunten sterk worden betwist. Daarom moeten zich onder de strategische partners van de EU ook landen bevinden voor wie klimaatdiplomatie de weg kan vrijmaken voor hechtere samenwerking en vertrouwen kan scheppen, waarbij multilateralisme bevorderd of zelfs opnieuw ingevoerd wordt als het kader voor internationale samenwerking.

De EU moet een actieve speler blijven en de agenda van internationale organisaties blijven bepalen. Kaders zoals de G7 en de G20 moeten steeds meer worden ingezet om gemeenschappelijke klimaatverbintenissen te formuleren en internationale leidende beginselen te ontwikkelen. De EU moet klimaatallianties, zoals de coalitie met hoge ambitie, nieuw leven inblazen en op touw zetten, en gezamenlijke aankondigingen van concrete klimaattoezeggingen en -maatregelen in gang zetten. De EU-partnerschappen met ACS, AU, Ecowas, ASEAN en Mercosur moeten in dit verband worden versterkt. Bilaterale betrekkingen met opkomende economieën, ontwikkelingslanden en kwetsbare landen moeten een andere prioriteit van de gerichte klimaatdiplomatie van de EU vormen.

Strategische prioriteiten van de EU-agenda voor klimaatdiplomatie

De klimaatdiplomatie van de EU moet thematische prioriteiten vaststellen waarbinnen samenwerking en diplomatieke inspanningen met name zinvol of veelbelovend zijn en waarin de EU expertise en kennis van zaken heeft opgedaan.

De klimaatverandering heeft ernstige gevolgen voor de leefomgeving van de mens en de natuur. Ze vormt bovendien een steeds grotere bedreiging voor de vrede en stabiliteit, aangezien er vaak een multiplicatoreffect optreedt en bestaande conflicten worden verergerd. Met betrekking tot de klimaatdiplomatie van de EU moeten de inspanningen worden gericht op de verbanden tussen migratie en klimaatverandering, die in toenemende mate een bedreiging vormen voor de veiligheid en stabiliteit zowel binnen als buiten de EU. Met het oog op de toekomst van de agenda voor klimaatdiplomatie van de EU moeten preventieve maatregelen en een betere risicobeoordeling integrerend onderdeel uitmaken van de gezamenlijke inspanning van de EU-instellingen en de lidstaten. Dit zal bijdragen tot conflictpreventiekaders in het kader van het buitenlands beleid van de EU en de lidstaten.

Naast de veiligheidsdimensie zouden partnerschappen voor klimaatgerelateerde thema's, zoals CO2-heffing, klimaatfinanciering, de geleidelijke afbouw van de subsidiëring van fossiele brandstoffen en schone technologieën, mogelijke prioriteiten kunnen vormen. Het inzicht van de EU in het opzetten, aanpassen en runnen van haar koolstofmarkt wordt aangevuld met haar ervaring op grond van de overeenkomst om emissiehandelsregelingen van de EU en Zwitserland te koppelen en andere internationale samenwerkingsprojecten. Dit zijn zeer goede voorwaarden voor de EU om een voortrekkersrol te vervullen als het gaat om de bevordering van de inspanningen van derde landen ten aanzien van prijsbepalingsmechanismen voor koolstof, en om zich daarnaast meer bezig te houden met de internationale coördinatie van koolstofmarkten met als doel ze op de middellange termijn beter op elkaar af te stemmen en op de lange termijn een internationale koolstofmarkt tot stand te brengen.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

20.6.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

90

19

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Michèle Alliot-Marie, Francisco Assis, Margrete Auken, Petras Auštrevičius, Amjad Bashir, Bas Belder, Ivo Belet, Goffredo Maria Bettini, Simona Bonafè, Mario Borghezio, Biljana Borzan, Victor Boştinaru, Paul Brannen, Elmar Brok, Klaus Buchner, Soledad Cabezón Ruiz, James Carver, Fabio Massimo Castaldo, Aymeric Chauprade, Nessa Childers, Birgit Collin-Langen, Javier Couso Permuy, Miriam Dalli, Arnaud Danjean, Stefan Eck, Bas Eickhout, Georgios Epitideios, José Inácio Faria, Knut Fleckenstein, Anna Elżbieta Fotyga, Eugen Freund, Michael Gahler, Francesc Gambús, Elisabetta Gardini, Gerben-Jan Gerbrandy, Jens Gieseke, Sylvie Goddyn, Françoise Grossetête, Andrzej Grzyb, Jytte Guteland, György Hölvényi, Anneli Jäätteenmäki, Jean-François Jalkh, Sandra Kalniete, Tunne Kelam, Wajid Khan, Urszula Krupa, Eduard Kukan, Giovanni La Via, Jo Leinen, Peter Liese, Arne Lietz, Barbara Lochbihler, Sabine Lösing, Lukas Mandl, Ramona Nicole Mănescu, Valentinas Mazuronis, David McAllister, Joëlle Mélin, Susanne Melior, Tamás Meszerics, Miroslav Mikolášik, Francisco José Millán Mon, Clare Moody, Pier Antonio Panzeri, Massimo Paolucci, Ioan Mircea Paşcu, Piernicola Pedicini, Alojz Peterle, Bolesław G. Piecha, Pavel Poc, Cristian Dan Preda, John Procter, Michel Reimon, Frédérique Ries, Sofia Sakorafa, Annie Schreijer-Pierik, Alyn Smith, Jordi Solé, Dobromir Sośnierz, Jaromír Štětina, Dubravka Šuica, Charles Tannock, Ivica Tolić, Estefanía Torres Martínez, Nils Torvalds, Miguel Urbán Crespo, Ivo Vajgl, Elena Valenciano, Hilde Vautmans, Anders Primdahl Vistisen, Jadwiga Wiśniewska, Damiano Zoffoli

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Asim Ademov, Andrea Bocskor, Reinhard Bütikofer, Jakop Dalunde, Eleonora Forenza, Ana Gomes, Rupert Matthews, Urmas Paet, Tokia Saïfi, Christel Schaldemose, Igor Šoltes, Bart Staes, Mirja Vehkaperä, Željana Zovko

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Isabella De Monte, Emilian Pavel, Monika Smolková, Josef Weidenholzer


HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

90

+

ALDE

Petras Auštrevičius, Gerben-Jan Gerbrandy, Anneli Jäätteenmäki, Valentinas Mazuronis, Urmas Paet, Frédérique Ries, Nils Torvalds, Ivo Vajgl, Hilde Vautmans, Mirja Vehkaperä

EFDD

Fabio Massimo Castaldo, Aymeric Chauprade, Piernicola Pedicini

GUE/NGL

Javier Couso Permuy, Stefan Eck, Eleonora Forenza, Sabine Lösing, Sofia Sakorafa, Estefanía Torres Martínez, Miguel Urbán Crespo

PPE

Asim Ademov, Michèle Alliot-Marie, Ivo Belet, Elmar Brok, Birgit Collin-Langen, Arnaud Danjean, José Inácio Faria, Michael Gahler, Francesc Gambús, Elisabetta Gardini, Jens Gieseke Françoise Grossetête, Andrzej Grzyb, Sandra Kalniete, Tunne Kelam, Eduard Kukan, Giovanni La Via, Peter Liese, Lukas Mandl, David McAllister, Miroslav Mikolášik, Francisco José Millán Mon, Ramona Nicole Mănescu, Alojz Peterle, Tokia Saïfi, Annie Schreijer-Pierik, Ivica Tolić, Željana Zovko, Dubravka Šuica

S&D

Francisco Assis, Goffredo Maria Bettini, Simona Bonafè, Biljana Borzan, Victor Boştinaru, Paul Brannen, Soledad Cabezón Ruiz, Nessa Childers, Miriam Dalli, Isabella De Monte, Knut Fleckenstein, Eugen Freund, Ana Gomes, Jytte Guteland, Wajid Khan, Jo Leinen, Arne Lietz, Susanne Melior, Clare Moody, Pier Antonio Panzeri, Massimo Paolucci, Emilian Pavel, Ioan Mircea Paşcu, Pavel Poc, Christel Schaldemose, Monika Smolková, Elena Valenciano, Josef Weidenholzer, Damiano Zoffoli

VERTS/ALE

Margrete Auken, Klaus Buchner, Reinhard Bütikofer, Jakop Dalunde, Bas Eickhout, Barbara Lochbihler, Tamás Meszerics, Michel Reimon, Alyn Smith, Jordi Solé, Bart Staes, Igor Šoltes

19

-

ECR

Amjad Bashir, Bas Belder, Anna Elżbieta Fotyga, Urszula Krupa, Rupert Matthews, Bolesław G. Piecha, John Procter, Charles Tannock, Anders Primdahl Vistisen, Jadwiga Wiśniewska

ENF

Mario Borghezio, Sylvie Goddyn, Jean-François Jalkh, Joëlle Mélin

NI

James Carver, Georgios Epitideios, Dobromir Sośnierz

PPE

Cristian Dan Preda, Jaromír Štětina

2

0

PPE

Andrea Bocskor, György Hölvényi

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 28 juni 2018Juridische mededeling