Procedure : 2016/0360A(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0242/2018

Ingediende teksten :

A8-0242/2018

Debatten :

PV 15/04/2019 - 17
CRE 15/04/2019 - 17

Stemmingen :

PV 16/04/2019 - 8.11
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0369

VERSLAG     ***I
PDF 2728kWORD 890k
28.6.2018
PE 613.409v04-00 A8-0242/2018

over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de hefboomratio, de nettostabielefinancieringsratio, vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komend vreemd vermogen, tegenpartijkredietrisico, marktrisico, blootstellingen aan centrale tegenpartijen, blootstellingen aan instellingen voor collectieve belegging, grote blootstellingen, rapportage- en openbaarmakingsvereisten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012

(COM(2016)0850 – C8-0480/2016 – 2016/0360A(COD))

Commissie economische en monetaire zaken

Rapporteur: Peter Simon

AMENDEMENTEN
ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE
 PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE

over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de hefboomratio, de nettostabielefinancieringsratio, vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komend vreemd vermogen, tegenpartijkredietrisico, marktrisico, blootstellingen aan centrale tegenpartijen, blootstellingen aan instellingen voor collectieve belegging, grote blootstellingen, rapportage- en openbaarmakingsvereisten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012

(COM(2016)0850 – C8-0480/2016 – 2016/0360A(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0850),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0480/2016),

-  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 8 november 2017(1),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 30 maart 2017(2),

–  gezien het besluit van de Conferentie van voorzitters van 18 mei 2017 om de Commissie economische en monetaire zaken toestemming te geven om het voornoemde Commissievoorstel te splitsen en op basis daarvan twee afzonderlijke wetgevingsverslagen op te stellen,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0242/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Amendement    1

AMENDMENTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT(3)*

op het voorstel van de Commissie

---------------------------------------------------------

2016/0360 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de hefboomratio, de nettostabielefinancieringsratio, vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komend vreemd vermogen, tegenpartijkredietrisico, marktrisico, blootstellingen aan centrale tegenpartijen, blootstellingen aan instellingen voor collectieve belegging, grote blootstellingen, rapportage- en openbaarmakingsvereisten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank(4),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(5),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  In de nasleep van de financiële crisis die zich in 2007-2008 afspeelde, heeft de Unie, om de veerkracht van haar financiële instellingen te versterken, een ingrijpende hervorming van het regelgevingskader voor financiële diensten doorgevoerd. Die hervorming was grotendeels gebaseerd op internationaal overeengekomen normen. Als een van de vele maatregelen bevatte dit hervormingspakket de vaststelling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad(6) en Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad(7), waarmee de prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen zijn aangescherpt.

(2)  Deze hervorming heeft er weliswaar voor gezorgd dat het financiële bestel stabieler is en beter bestand tegen diverse soorten mogelijke toekomstige schokken en crises, maar heeft niet voor alle vastgestelde problemen een antwoord geboden. Een belangrijke reden daarvoor was het feit dat internationale normerende instellingen zoals het Bazels Comité voor bankentoezicht (BCBS) en de Raad voor financiële stabiliteit (FSB) hun werkzaamheden rond internationaal overeengekomen oplossingen voor het aanpakken van die problemen, op dat moment nog niet hadden rond gekregen. Nu die werkzaamheden inzake belangrijke aanvullende hervormingen zijn afgerond, dienen de resterende problemen te worden aangepakt.

(3)  In haar mededeling van 24 november 2015 heeft de Commissie de noodzaak erkend van een verdere afbouw van risico's en heeft zij toegezegd met een wetgevingsvoorstel te komen dat op internationaal overeengekomen normen voortbouwt. De noodzaak om verdere concrete wetgevende stappen te zetten wat betreft het afbouwen van risico's in de financiële sector, is ook erkend door de Raad in zijn conclusies van 17 juni 2016 en door het Europees Parlement in zijn resolutie van 10 maart 2016(8).

(4)  Risicoverminderende maatregelen dienen niet alleen de weerbaarheid van het Europese bankenstelsel - en het vertrouwen van de markten daarin - te versterken, maar ook de grondslag te leggen voor verdere vooruitgang bij de voltooiing van de Bankenunie. Die maatregelen dienen ook te worden bezien tegen de achtergrond van ruimere uitdagingen waar de Unie-economie voor staat, met name de noodzaak om groei en banen te stimuleren in tijden van onzekere economische vooruitzichten. Binnen die context zijn diverse majeure beleidsinitiatieven, zoals het Investeringsplan voor Europa (EFSI) en de Kapitaalmarktenunie, opgetuigd om de economie van de Unie te versterken. Daarom is het van belang dat alle risicoverminderende maatregelen soepel inwerken op die beleidsinitiatieven, maar ook op ruimere recente hervormingen in de financiële sector.

(5)  De bepalingen tot wijziging van deze verordening dienen gelijkwaardig te zijn met internationaal overeengekomen normen en dienen te borgen dat Richtlijn 2013/36/EG en deze verordening gelijkwaardig blijven met het Bazel III-raamwerk. De gerichte aanpassingen om specifieke Uniekenmerken en ruimere beleidsoverwegingen tot uiting te brengen, dienen beperkt te blijven in omvang of in tijd, om de algehele soliditeit van het prudentiële raamwerk niet aan te tasten.

(6)  Bestaande risicoverminderende maatregelen en in het bijzonder rapportage- en openbaarmakingsvereisten dienen ook te worden verbeterd zodat ze evenrediger kunnen worden toegepast en geen aanleiding geven tot buitensporige regeldruk, inzonderheid voor kleinere en minder complexe instellingen.

(6 bis)  Om de toepassing van het evenredigheidsbeginsel gericht te vergemakkelijken, is een exacte definitie nodig van kleine en niet-complexe instellingen. Om een passende indeling en definitie van kleine en niet-complexe instellingen op te stellen en vast te legen, en om de risico's van deze instellingen op adequate wijze te bepalen, is het bovendien noodzakelijk dat rekening wordt gehouden met de omvang en het risicoprofiel van een kleine en niet-complexe instelling in verhouding tot de totale omvang van de economie waarin de instelling hoofdzakelijk actief is. Een eenvormige absolute drempel alleen beantwoordt niet aan deze vereisten. Het is daarom nodig dat de bevoegde toezichthouder gebruik kan maken van manoeuvreerruimte door de opname van een relatief element dat wordt berekend aan de hand van de economische prestatie van een lidstaat om de drempel in overeenstemming te brengen met nationale omstandigheden en eventueel naar beneden bij te stellen. Aangezien de omvang van een instelling alleen niet doorslaggevend is voor het risicoprofiel van een instelling, is het ook noodzakelijk om door middel van aanvullende kwalitatieve criteria te waarborgen dat een instelling pas als het aan alle relevante criteria voldoet als kleine en niet-complexe instelling wordt beschouwd en gebruik kan maken van op maat gemaakte regels voor meer evenredigheid.

(7)  Hefboomratio's dragen bij tot het behoud van financiële stabiliteit doordat ze als achtervangmechanisme dienen voor risicogebaseerde kapitaalvereisten en doordat ze de opbouw van buitensporige hefboomwerking tijdens een economische opleving inperken. Daarom dient een hefboomratiovereiste te worden geïntroduceerd als aanvulling op het bestaande stelsel voor rapportage en openbaarmaking van de hefboomratio.

(8)  Om de kredietverschaffing door instellingen aan bedrijven en particuliere huishoudens niet nodeloos te beperken en om ongewenste negatieve effecten op de marktliquiditeit te voorkomen, dient het hefboomratiovereiste te worden vastgesteld op een niveau waar het als een geloofwaardig achtervangmechanisme voor het risico op buitensporige hefboomwerking functioneert, zonder economische groei af te remmen.

(9)  In haar verslag aan de Commissie concludeerde de Europese Bankautoriteit (EBA)(9) dat een op 3 % geijkte hefboomratio voor tier 1-kapitaal voor iedere soort kredietinstelling een geloofwaardig achtervangmechanisme zou zijn. Over een hefboomratiovereiste van 3 % werd ook op internationaal niveau overeenstemming bereikt in het Bazelse Comité. Daarom dient het hefboomratiovereiste op 3 % te worden geijkt.

(10)  Een hefboomratiovereiste van 3 % zou evenwel bepaalde bedrijfsmodellen en branches meer belemmeren dan andere. De openbare kredietverstrekking via publieke ontwikkelingsbanken en exportkredieten met overheidsgarantie zou hierdoor met name onevenredig worden getroffen. Voor deze soorten blootstellingen dient de hefboomratio derhalve te worden aangepast. Bijgevolg moeten voor het helpen verifiëren van het publieke mandaat van die kredietinstellingen duidelijke criteria worden vastgesteld die betrekking hebben op aspecten zoals vestiging, soort activiteiten, doelstelling, waarborgregelingen door overheidsorganen en beperkingen van de depositoactiviteiten. De vorm en de wijze van vestiging van de bank dienen evenwel een bevoegdheid van de centrale, regionale of lokale overheid van de lidstaat te blijven, en kunnen bestaan in het opzetten van een nieuwe kredietinstelling of de verwerving of overname - door middel van onder meer concessies en in het kader van een afwikkelingsprocedure - van een bestaande entiteit door die overheidsinstanties.

(11)  Een hefboomratio mag evenmin door instellingen aan cliënten verleende centrale clearingdiensten ondermijnen. Daarom dienen de initiële marges op centraal geclearde derivatentransacties die instellingen van hun cliënten ontvangen en aan centrale tegenpartijen doorgeven, van de blootstellingsmaatstaf voor de berekening van de hefboomratio te worden uitgesloten.

(12)  Het Bazels Comité heeft de internationale norm inzake de hefboomratio herzien om bepaalde aspecten van de vormgeving van die ratio nader te specificeren. Verordening (EU) nr. 575/2013 moet worden afgestemd op de herziene norm om zodoende het gelijke speelveld voor buiten de Unie opererende EU-instellingen te verbeteren en te waarborgen dat de hefboomratio een daadwerkelijke aanvulling blijft op risicogebaseerde eigenvermogensvereisten.

(13)  Voor instellingen die op grond van hun omvang, verwevenheid, complexiteit of mondiale relevantie of omdat zij niet kunnen worden vervangen, worden aangemerkt als mondiaal systeemrelevante instelling (MSI) moet een hefboomratio-opslag worden ingevoerd, aangezien MSI's die in financiële nood verkeren het volledige financiële bestel duurzaam verzwakken en dit opnieuw zou kunnen leiden tot kredietschaarste in de Unie. Op grond van dat gevaar voor het financiële bestel en de financiering van de reële economie ontstaat als gevolg van de verwachte redding door de overheid een impliciete garantie voor MSI's. Dit kan ertoe leiden dat MSI's hun marktdiscipline verzwakken en te veel risico's aanvaarden, wat er wederom toe leidt dat het veel waarschijnlijker wordt dat een MSI in de toekomst in een noodsituatie zal terechtkomen. Om die negatieve externe effecten op doeltreffende wijze tegen te gaan, moet in de Europese wetgeving rekening worden gehouden met de reeds bestaande strengere hefboomratio's in andere rechtsgebieden. Rekening houdend met het eindresultaat van de kalibratiewerkzaamheden van het Bazelse Comité met betrekking tot de hefboomwerkingsratio, moet de hefboomratio voor MSI's daarom met 50 % van de hogere risicogewogen verliesabsorptievereisten voor MSI's worden verhoogd, in aanvulling op de minimumdrempel van 3 %.

(14)  Op 9 november 2015 heeft de FSB de modaliteiten voor de totale verliesabsorptiecapaciteit ("total loss-absorbing capacity" - TLAC) bekendgemaakt, die op de G20-top van november 2015 in Turkije zijn goedgekeurd. Volgens de TLAC-norm moeten M-SB's een voldoende groot volume sterk verliesabsorberende (bail-inbare) passiva aanhouden, om bij een afwikkeling te kunnen zorgen voor een soepele en snelle verliesabsorptie en herkapitalisatie. In haar mededeling van 24 november 2015 heeft de Commissie toegezegd om tegen eind 2016 met een wetgevingsvoorstel te komen waarmee de TLAC-norm tegen de internationaal overeengekomen termijn van 2019 kan worden geïmplementeerd.

(15)  Bij de implementatie van de TLAC-norm in de Unie dient rekening te worden gehouden met het in Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad(10) beschreven minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (MREL). Aangezien met TLAC en MREL dezelfde doelstelling wordt nagestreefd - ervoor zorgen dat instellingen voldoende verliesabsorptiecapaciteit hebben - zijn de twee vereisten complementaire onderdelen van een gemeenschappelijk raamwerk. Concreet dient het geharmoniseerde minimumniveau van de TLAC-norm in Verordening (EU) nr. 575/2013 te worden opgenomen door middel van een nieuw vereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, terwijl de ondernemingsspecifieke opslagfactor voor mondiaal systeemrelevante instellingen (MSI's) en het ondernemingsspecifieke vereiste inzake niet-MSI's dienen te worden ingevoerd via gerichte wijzigingen van Richtlijn 2014/59/EU en Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad(11). De betrokken bepalingen waarmee de TLAC-norm in deze verordening worden opgenomen, dienen te worden gelezen in samenhang met de bepalingen in de bovengenoemde wetgeving en met Richtlijn 2013/36/EU.

(16)  In overeenstemming met de TLAC-norm, die alleen op M-SB's ziet, dient het in deze verordening opgenomen minimumvereiste voor een toereikend bedrag aan eigen vermogen en sterk verliesabsorberende passiva alleen van toepassing te zijn voor MSI's. De in deze verordening opgenomen voorschriften voor in aanmerking komende passiva dienen evenwel te gelden voor alle instellingen, in overeenstemming met de complementaire aanpassingen en vereisten in Richtlijn 2014/59/EU.

(17)  In overeenstemming met de TLAC-norm dient het vereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva te gelden voor af te wikkelen entiteiten die zelf MSI's zijn of deel uitmaken van een als MSI aangemerkte groep. Het vereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva dient te gelden op individuele basis of op geconsolideerde basis, afhankelijk van de vraag of dit soort af te wikkelen entiteiten zelfstandige instellingen zonder dochterondernemingen zijn, dan wel moederondernemingen.

(18)  Richtlijn 2014/59/EU biedt de mogelijkheid om afwikkelingsinstrumenten niet alleen voor instellingen te gebruiken, maar ook voor financiële holdings en gemengde financiële holdings. Financiële moederholdings en gemengde financiële moederholdings dienen, evenals moederinstellingen, over voldoende verliesabsorptiecapaciteit te beschikken.

(19)  Om de effectiviteit van het vereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komend vreemd vermogen te borgen, is het van essentieel belang dat de instrumenten die voor het bereiken van dat vereiste worden gehouden, een hoge verliesabsorptiecapaciteit hebben. Vreemd vermogen dat van het in Richtlijn 2014/59/EU bedoelde bail-in-instrument is uitgesloten, heeft niet die capaciteit, en evenmin is dat het geval bij ander vreemd vermogen dat in beginsel misschien wel bail-inbaar is, maar problemen kan doen rijzen wanneer het in de praktijk onderdeel wordt van een bail-in. Dat vreemde vermogen dient derhalve niet te worden beschouwd als in aanmerking komend voor het vereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komend vreemd vermogen. Daartegenover staat dat kapitaalinstrumenten, evenals achtergesteld vreemd vermogen, een hoge verliesaborptiecapaciteit hebben. Ook het verliesabsorptiepotentieel van passiva met dezelfde rang als bepaalde uitgesloten passiva dient, in lijn met de TLAC-norm, tot op zekere hoogte te worden erkend.

(19 bis)  Bij de omzetting van de TLAC-norm in EU-recht moet worden gewaarborgd dat instellingen zo snel mogelijk voldoen aan de vastgestelde vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komend vreemd vermogen, om bij een afwikkeling een soepele verliesabsorptie en herkapitalisatie te kunnen verzekeren. Het is daarom noodzakelijk een clausule ter vrijwaring van verworven rechten in te voeren voor schuldinstrumenten die voldoen aan bepaalde criteria. Daarom moeten bepaalde selectiecriteria niet worden toegepast bij verplichtingen die voor [datum van de inwerkingtreding van deze verordening] zijn afgegeven. Een dergelijke clausule ter vrijwaring van verworven rechten moet gelden voor zowel verplichtingen van het achtergestelde deel van de TLAC-vereisten en van het achtergestelde deel van de MREL-vereisten overeenkomstig Richtlijn 2014/59/EU als voor het niet-achtergestelde deel van de TLAC-vereisten en het niet-achtergestelde deel van de MREL-vereisten overeenkomstig Richtlijn 2014/59/EU.

(20)  Om dubbeltelling van passiva ten behoeve van het vereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva te voorkomen, dient voor de aftrek van aangehouden in aanmerking komende passivabestanddelen te worden voorzien in voorschriften die een afspiegeling zijn van de overeenkomstige aftrekbenadering die in Verordening (EU) nr. 575/2013 al voor kapitaalinstrumenten is ontwikkeld. In die benadering worden aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten eerst afgetrokken van in aanmerking komende passiva en, voor zover er onvoldoende passiva zijn, dienen ze van tier 2-kapitaalinstrumenten te worden afgetrokken.

(21)  De TLAC-norm bevat een aantal criteria om passiva in aanmerking te nemen die strenger zijn dan de bestaande criteria om kapitaalinstrumenten in aanmerking te nemen. Met het oog op coherentie dienen criteria om kapitaalinstrumenten in aanmerking te nemen, vanaf 1 januari 2022 onderling te worden afgestemd wat betreft het niet in aanmerking nemen van via special purpose entities uitgegeven instrumenten.

(22)  Sinds de vaststelling van Verordening (EU) nr. 575/2013 is de internationale norm inzake de prudentiële behandeling van blootstellingen van instellingen aan centrale tegenpartijen (CTP's) gewijzigd om de behandeling van blootstellingen van instellingen aan gekwalificeerde CTP's (KCTP's) te verbeteren. Opvallende punten bij de herziening van die norm zijn onder meer het gebruik van één methode voor het bepalen van het eigenvermogensvereiste voor blootstellingen als gevolg van bijdragen aan een wanbetalingsfonds, een uitdrukkelijk plafond voor de op blootstellingen aan KCTP's toegepaste totale eigenvermogensvereisten, en een meer risicogevoelige benadering om de waarde van derivaten uit te drukken bij het berekenen van de hypothetische middelen van een KCTP. Tegelijkertijd bleef de behandeling van blootstellingen aan niet-gekwalificeerde CTP's ongewijzigd. Aangezien met de herziene internationale normen een behandeling is ingevoerd die binnen een context van centrale clearing beter geschikt is, dient het Unierecht te worden gewijzigd zodat die normen daarin worden opgenomen.

(23)  Om te garanderen dat instellingen hun blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in instellingen voor collectieve belegging (icb's) adequaat beheren, dienen de voorschriften voor de behandeling van die blootstellingen risicogevoelig te zijn en transparantie ten aanzien van de onderliggende blootstellingen van icb's te bevorderen. Het Bazels Comité heeft daarom zijn goedkeuring gehecht aan een herziene norm die een duidelijke hiërarchie vastlegt van benaderingen om voor die blootstellingen risicogewogen posten te berekenen. Die hiërarchie weerspiegelt de transparantiegraad van de onderliggende blootstellingen. Verordening (EU) nr. 575/2013 dient op die internationaal overeengekomen voorschriften te worden afgestemd.

(24)  Voor de berekening van de blootstellingswaarde van derivatentransacties volgens het kader voor tegenpartijkredietrisico biedt Verordening (EU) nr. 575/2013 instellingen momenteel de keuze tussen drie verschillende standaardbenaderingen: de standaardmethode (SM), de op de waardering tegen marktwaarde gebaseerde methode (WtMWM) en de oorspronkelijkeblootstellingsmethode (OBM).

(25)  In die standaardbenaderingen wordt echter onvoldoende het risicoverminderende karakter van zekerheden bij de blootstellingen erkend. De ijkpunten ervan zijn achterhaald en de tijdens de financiële crisis waargenomen grote volatiliteit komt er niet in tot uiting. Evenmin worden de voordelen van verrekening erdoor onderkend. Om die tekortkomingen te verhelpen heeft het Bazels Comité besloten om de SM en de WtMWM te vervangen door een nieuwe standaardbenadering voor het berekenen van de blootstelling van derivatenblootstellingen, de zogenoemde standaardbenadering voor tegenpartijkredietrisico (SB-TKR). Aangezien met de herziene internationale normen een nieuwe standaardbenadering is ingevoerd die binnen een context van centrale clearing beter geschikt is, dient het Unierecht te worden gewijzigd zodat die normen daarin worden opgenomen.

(26)  De SB-TKR is risicogevoeliger dan de SM en de WtMWM en dient derhalve te resulteren in eigenvermogensvereisten die de aan derivateninstellingen verbonden risico's beter tot uiting te brengen. Terzelfder tijd is de SB-TKR voor instellingen complexer om toe te passen. Voor sommige instellingen die momenteel de WtMWM gebruiken, kan de SB-TKR te complex en te lastig om toe te passen blijken te zijn. Voor ▌instellingen alsook instellingen die deel uitmaken van een geconsolideerde groep die derivatenactiviteiten van middelgrote omvang uitvoert, dient een vereenvoudigde versie van de SB-TKR te worden ingevoerd. Aangezien dit soort vereenvoudigde versie minder risicogevoelig zal zijn dan de SB-TKR, dient deze correct te zijn geijkt, om te voorkomen dat de blootstellingswaarde van derivatentransacties daarmee niet wordt onderschat.

(27)  Op dit moment gebruiken de meeste instellingen de door de SB-TKR vervangen WtMWM voor de berekening van de blootstellingswaarde van hun derivaten. De ijking van de WtMWM komt echter voort uit de in Basel I vastgestelde regelingen, is gebaseerd op de marktomstandigheden van het eind van de jaren tachtig en is niet voldoende nauwkeurig om het risico van derivatentransacties op adequate wijze weer te geven. Voor instellingen met ▌beperkte derivatenblootstellingen die momenteel de WtMWM of de OBM gebruiken, kan zowel de SB-TKR als de vereenvoudigde SB-TKR te complex zijn om toe te passen. Derhalve dient de OBM als alternatief te worden voorbehouden voor die instellingen, maar dient ze te worden herzien. Deze herziene vorm van de OBM moet een passend alternatief voor de WtMWM vormen voor die instellingen alsook instellingen die deel uitmaken van een geconsolideerde groep met beperkte derivatenactiviteiten, waarbij de tekortkomingen van deze verouderde methode zullen worden weggenomen.

(28)  Om een instelling bij haar keuze van toegestane benaderingen te begeleiden, dienen heldere criteria te worden ingevoerd. Die criteria dienen te zijn gebaseerd op de omvang van de derivatenactiviteiten van een instelling, die aangeeft welke mate van complexiteit een instelling moet aankunnen voor het berekenen van de blootstellingswaarde.

(29)  Tijdens de financiële crisis waren de verliezen op de handelsportefeuille voor sommige in de Unie gevestigde instellingen substantieel. Voor een aantal van hen bleek het voor die verliezen vereiste kapitaalniveau ontoereikend, hetgeen hen ertoe bracht om buitengewone financiële steun van de overheid te vragen. Die vaststellingen hebben het Bazels Comité ertoe gebracht om een aantal zwakke punten weg te werken in de prudentiële behandeling van posities in de handelsportefeuille, namelijk de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's.

(30)  In 2009 is een eerste reeks hervormingen op internationaal niveau afgerond en in Unierecht omgezet bij Richtlijn 2010/76/EU van het Europees Parlement en de Raad(12).

(31)  In de hervorming van 2009 kwamen de structurele zwakke punten van de eigenvermogensvereisten voor marktrisiconormen evenwel niet aan bod. Het gebrek aan duidelijkheid over de scheidingslijn tussen de handelsportefeuille en de bankportefeuille bood kansen voor reguleringsarbitrage, terwijl het door het gebrek aan risicogevoeligheid van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's niet mogelijk was het volledige scala risico's waaraan instellingen waren blootgesteld, te vatten.

(32)  Daarom heeft het Bazels Comité de grondige herziening van de handelsportefeuille (GHHP) aangevat om die zwakke punten aan te pakken. Deze werkzaamheden zijn in januari 2016 afgerond. De GHHP-normen versterken de risicogevoeligheid van het marktrisicoraamwerk door een bedrag aan eigenvermogensvereisten te bepalen dat beter in verhouding staat tot de risico's van posities in de handelsportefeuille, en ze verduidelijken de scheidingslijn tussen niet-handelsportefeuille en handelsportefeuille.

(33)  De tenuitvoerlegging van de GHHP-normen in de Unie moet het goede functioneren van financiële markten in de Unie veilig stellen. Recente studies naar de effecten van de GHHP-normen laten zien dat de verwachting is dat de tenuitvoerlegging van de GHHP-normen tot een steile toename zal leiden van het totale eigenvermogensvereiste voor marktrisico. Om een plotse krimp van handelsactiviteiten in de Unie te voorkomen, dient derhalve een infaseringsperiode te worden ingesteld zodat instellingen het totale niveau van door de omzetting van GHHP-normen gegenereerde eigenvermogensvereisten voor marktrisico's te onderkennen. Deze infaseringsperiode moet ervoor zorgen dat de vereisten van Bazel geleidelijk worden ingevoerd, om onzekerheden bij de instellingen over toekomstige eigenvermogensvereisten voor marktrisico's te beperken. Een passende infaseringsperiode moet enerzijds waarborgen dat de omzetting van de GHHP-normen niet leidt tot een abrupte toename van de totale eigenvermogensvereisten voor marktrisico's en anderzijds ook dat de infaseringsperiode niet kan leiden tot te lage eigenvermogensvereisten voor marktrisico's ten opzichte van de status quo. Bijzondere aandacht dient ook te worden besteed aan de specifieke Europese handelskenmerken en aanpassingen aan de eigenvermogensvereisten voor staats- en gedekte obligaties, en eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisaties.

(34)  Een evenredige behandeling voor marktrisico's dient ook te gelden voor instellingen met beperkte handelsportefeuilleactiviteiten, zodat meer instellingen met beperkte handelsactiviteiten over de mogelijkheid beschikken het in een herziene versie van de afwijking voor kleine handelsportefeuilleactiviteiten beschreven kredietrisicokader voor posities in de bankportefeuille toe te passen. Daarnaast dienen instellingen met een middelgrote handelsportefeuille de mogelijkheid te krijgen om voor het berekenen van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's een vereenvoudigde standaardbenadering toe te passen in lijn met de benadering zoals die thans op grond van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt gebruikt. Deze verlaagde eisen moeten ook gelden voor instellingen die onderdeel zijn van een geconsolideerde groep, mits zij aan de hierboven genoemde eisen voldoen als zelfstandig instituut.

(35)  Het kader voor grote blootstellingen dient te worden versterkt om het vermogen van instellingen om verliezen te absorberen te verbeteren en internationale normen beter na te leven. Met het oog daarop dient kapitaal van een hogere kwaliteit te worden gebruikt als kapitaalbasis voor de berekening van de limiet voor grote blootstellingen en dienen blootstellingen aan kredietderivaten te worden berekend met de SB-TKR. Voorts dient de limiet voor de eventuele blootstellingen van M-SB's op andere M-SB's te worden verlaagd door het verminderen van de aan onderlinge banden tussen grote instellingen verbonden risico's en het risico dat de wanbetaling van tegenpartijen van M-SB's op de financiële stabiliteit kan hebben.

(36)  De liquiditeitsdekkingsratio (LCR) zorgt er weliswaar voor dat kredietinstellingen en systeemrelevante beleggingsondernemingen op korte termijn zware druk kunnen doorstaan, maar waarborgt niet dat die kredietinstellingen en beleggingsondernemingen op langere termijn een stabiele financieringsstructuur zullen hebben. Zodoende is gebleken dat op EU-niveau een gedetailleerd, bindend stabielefinancieringsvereiste dient te worden ontwikkeld waaraan te allen tijde dient te worden voldaan, om zo buitensporige looptijdmismatches tussen activa en passiva en te grote afhankelijkheid van kortlopende wholesalefinanciering te voorkomen.

(37)  In overeenstemming met de normen van het Bazels Comité inzake stabiele financiering dienen dus voorschriften te worden vastgesteld om het stabielefinancieringsvereiste te bepalen als een verhouding tussen het bedrag aan beschikbare stabiele financiering van een instelling en het bedrag van haar vereiste stabiele financiering (VSF) over een periode van één jaar. Dit is de bindende netto stabiele financieringsratio (NSFR). Het aan stabiele financiering beschikbare bedrag dient te worden berekend door de verplichtingen en het toetsingsvermogen van de instelling te vermenigvuldigen met passende factoren die de mate van betrouwbaarheid van de NSFR over een periode van één jaar weergeven. Het aan stabiele financiering vereiste bedrag dient te worden berekend door de activa en de blootstellingen buiten de balanstelling van de instelling te vermenigvuldigen met passende factoren die de liquiditeitskenmerken en de resterende looptijden over een periode van één jaar voor de NSFR weergeven.

(38)  De NSFR dient te worden uitgedrukt als een percentage en dient op ten minste 100 % te worden vastgesteld, hetgeen aangeeft dat een instelling voldoende stabiele financiering aanhoudt om over een periode van één jaar zowel onder normale als onder stressomstandigheden aan haar financieringsbehoeften te voldoen. Mocht de NSFR van een instelling onder het 100 %-niveau dalen, dan dient de instelling te voldoen aan de in artikel 414 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bepaalde specifieke vereisten om haar NSFR tijdig terug op het minimumniveau te brengen. De toezichtmaatregelen in het geval van niet-naleving dienen niet automatisch te zijn, maar de bevoegde autoriteiten dienen de redenen voor niet-naleving van het NSFR-vereiste te beoordelen voordat ze eventueel toezichtmaatregelen bepalen.

(39)  In overeenstemming met de door EBA in haar in overeenstemming met artikel 510, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 opgestelde verslag van 15 december 2015 dienen de voorschriften voor het berekenen van de NSFR nauw te worden afgestemd op de normen van het Bazelse Comité, met inbegrip van ontwikkelingen in die normen met betrekking tot de behandeling van derivatentransacties. De noodzaak rekening te houden met een aantal specifieke Europese kenmerken om te voorkomen dat de NSFR een hinderpaal is voor de financiering van de Europese reële economie, rechtvaardigt evenwel dat voor het bepalen van de Europese NSFR de Bazelse NSFR op een aantal punten wordt aangepast. Die aanpassingen als gevolg van de Europese context worden aanbevolen door het door de EBA opgestelde NSFR-verslag en houden in hoofdzaak verband met specifieke behandelingen voor: i) pass-through-modellen in het algemeen en de uitgifte van gedekte obligaties in het bijzonder; ii) handelsfinancieringsactiviteiten; iii) gecentraliseerde gereglementeerde spaargelden; iv) volledig gedekte woonkredieten, en v) kredietunies. Die voorgestelde specifieke behandelingen zijn grotendeels een afspiegeling van de voorkeursbehandeling die deze activiteiten in de Europese LCR krijgen in vergelijking met de Bazelse LCR. Omdat de NSFR een aanvulling is op de LDR, dienen die beide ratio's immers coherent te zijn in hun definitie en ijking. Dit geldt met name voor op de LDR van liquide activa van hoge kwaliteit ten behoeve van de berekening van de NSFR toegepaste vereistestabielefinancieringsfactoren die een afspiegeling moeten zijn van de definities en reductiefactoren van de Europese LDR, ongeacht of de voor de LDR-berekening vastgestelde algemene en operationele vereisten die binnen het éénjaarskader van de NSFR-berekening niet passend zijn, in acht worden genomen.

(40)  Afgezien van de specifiek Europese kenmerken kan de strenge behandeling van derivatentransacties in de Bazelse NSFR belangrijke gevolgen hebben voor derivatenactiviteiten van instellingen en bijgevolg voor Europese financiële markten en de toegang tot bepaalde activiteiten voor eindgebruikers. Derivatentransacties en bepaalde daarmee verband houdende transacties, zoals clearingactiviteiten, kunnen onnodig en onevenredig worden getroffen door de invoering van de Bazelse NSFR, zonder dat deze aan uitgebreide kwantitatieve effectenstudies en openbare raadplegingen onderworpen is geweest. Het aanvullende vereiste om voor brutoverplichtingen uit hoofde van derivaten 20 % stabiele financiering aan te houden, wordt vrij algemeen gezien als een ruwe maatstaf waarmee aanvullende financieringsrisico's in verband met de potentiële toename van uit derivaten voortvloeiende verplichtingen over een periode van meer dan één jaar worden overschat. Daarom lijkt het redelijk om een alternatieve, risicogevoeligere maatstaf te kiezen om het goede functioneren van de Europese financiële markten en het verschaffen van riscoafdekkingsinstrumenten aan instellingen en eindgebruikers, zoals bedrijven, niet in het gedrang te brengen - en zo hun financiering te borgen als een doelstelling van de Kapitaalmarktenunie. Voor niet door margestortingen gedekte derivaten heeft het Bazelse Comité onlangs de bepalingen van 2014 inzake de behandeling van derivatentransacties in het kader van de NSFR herzien, waarbij het heeft erkend dat de daarin opgenomen norm ontoereikend was voor het vaststellen van de herfinancieringsbehoefte en dat de vereistestabielefinanciering (VSF) van 20 % te voorzichtig was. Het Bazelse Comité heeft afgesproken dat rechtsgebieden, gebruikmakend van hun nationale beoordelingsvrijheid, de hoogte van deze factor mogen verlagen tot een minimum van 5 %.

(41)  De Bazelse asymmetrische behandeling voor kortlopende financiering zoals retrocessietransacties (geen stabiele financiering vereist) en kortlopende kredietverlening zoals omgekeerde retrocessietransacties (enige stabiele financiering vereist - 10 % indien gedekt met zekerheden in de vorm liquide activa van hoge kwaliteit (LAHK) van niveau 1 als omschreven in de LCR en 15 % voor andere transacties) met financiële cliënten moet uitgebreide kortlopende financieringsbanden tussen financiële cliënten ontmoedigen die een bron van onderlinge verwevenheid zijn en het moeilijker maken om een bepaalde instelling af te wikkelen zonder dat bij een faillissement de rest van het financiële bestel wordt besmet. De asymmetrie is evenwel te voorzichtig geijkt en kan een ongunstige uitwerking hebben op de liquiditeit van doorgaans als zekerheden bij kortlopende transacties gebruikte effecten, met name overheidsobligaties, omdat instellingen het volume van hun activiteiten op repomarkten waarschijnlijk zullen terugdringen. De asymmetrie kan ook market-makingactiviteiten ondermijnen, omdat repomarkten het beheer van de noodzakelijke voorraad gemakkelijker maken, en zodoende in strijd zijn met de doelstellingen van de kapitaalmarktenunie. Voorts zou een en ander het moeilijker maken om deze effecten snel tegen een goede prijs te gelde te maken, hetgeen de effectiviteit van de LCR in het gedrang kan brengen, die net bedoeld is als een buffer van liquide activa die in het geval van liquiditeitsstress snel te gelde kunnen worden gemaakt. Uiteindelijk kan de ijking van deze asymmetrie een weerslag hebben op de liquiditeit van markten voor interbancaire financiering, met name met het oog op liquiditeitsbeheer, omdat het voor banken duurder zal worden om elkaar kortlopend krediet te verlenen. De asymmetrische behandeling dient behouden te blijven, maar VSF-factoren dienen te worden verlaagd tot, respectievelijk, 5 % en 10 % (in plaats van 10 % en 15 %).

(42)  Naast de herijking van de Bazelse VSF-factor voor door overheidsobligaties gedekte kortlopende omgekeerde retrocessietransacties met financiële cliënten (5 % VSF-factor in plaats van 10 %), bleek een aantal andere aanpassingen noodzakelijk om ervoor te zorgen dat de invoering van de NSFR de liquiditeit van markten voor overheidsobligaties niet belemmert. De voor LAHK van niveau 1 (zoals overheidsobligaties) geldende Bazelse VSF-factor van 5 % impliceert dat instellingen voor dat percentage langlopende ongedekte financiering beschikbaar moeten houden, ongeacht hoelang ze dit soort overheidsobligaties verwachten aan te houden. Hiermee zouden instellingen potentieel verder kunnen worden geprikkeld om contanten bij centrale banken te deponeren, in plaats van als primary dealers op te treden en liquiditeit te verschaffen op markten voor overheidsobligaties. Bovendien spoort dit niet met de LCR die de volledige liquiditeit van deze activa onderkent, zelfs in tijden van ernstige liquiditeitsstress (0 % reductiefactor). De VSF-factor van LAHK van niveau 1 als omschreven in de EU-LCR, met uitsluiting van gedekte obligaties van bijzonder hoge kwaliteit, dient derhalve te worden verlaagd van 5 % naar 0 %.

(43)  Voorts dienen alle als variatiemarges bij derivatencontracten ontvangen LAHK van niveau 1 als omschreven in de EU-LCR, met uitsluiting van gedekte obligaties van bijzonder hoge kwaliteit, activa uit hoofde van derivaten te compenseren, terwijl de Bazelse norm ter compensatie van activa uit hoofde van derivaten alleen contanten accepteert die de voorwaarden van het hefboomraamwerk in acht nemen. Deze ruimere opname van als variatiemarge ontvangen activa zal bijdragen tot de liquiditeit van markten voor overheidsobligaties, zal voorkomen dat eindgebruikers die hoge bedragen aan overheidsobligaties, maar weinig contanten aanhouden (zoals pensioenfondsen), worden benadeeld en zal voorkomen dat de vraag naar contanten op repomarkten verder onder druk komt te staan.

(44)  De NSFR dient voor instellingen zowel op individuele als op geconsolideerde basis te gelden, tenzij de bevoegde autoriteiten op individuele basis ontheffing verlenen van de toepassing van de NSFR. Dit is een duplicering van het toepassingsbereik van de LCR, waarop de NSFR een aanvulling vormt. Wanneer voor de toepassing van de NSFR op individueel niveau geen ontheffing is verleend, dienen voor transacties tussen twee tot dezelfde groep of hetzelfde institutionele protectiestelsel behorende instellingen in beginsel symmetrische factoren voor beschikbare en vereiste stabiele financiering te worden gebruikt om een verlies aan financiering op de interne markt te vermijden en om het effectieve liquiditeitsbeheer in Europese groepen waar liquiditeit centraal wordt beheerd, niet te belemmeren. Dit soort preferentiële symmetrische behandelingen mag alleen worden toegestaan voor intragroepstransacties als alle nodige waarborgen voorhanden zijn, op basis van aanvullende criteria voor grensoverschrijdende transacties, en alleen na de voorafgaande goedkeuring van de betrokken bevoegde autoriteiten, omdat niet mag worden aangenomen dat instellingen die problemen ondervinden bij het voldoen aan hun betalingsverplichtingen, steeds financieringssteun zullen krijgen van andere tot dezelfde groep of hetzelfde institutionele protectiestelsel behorende ondernemingen.

(44 bis)  Er moet bovendien worden voorzien in een mogelijkheid voor kleine en niet-complexe instellingen om een vereenvoudigde versie van de NSFR toe te passen. In het kader van een vereenvoudigde versie van de NSFR moeten op grond van een beperktere granulariteit minder meetgegevens worden verzameld, wat enerzijds weliswaar de complexiteit van de berekening beperkt voor kleine en niet-complexe instellingen met het oog op de evenredigheid, maar anderzijds door middel van een strengere ijking waarborgt dat kleine en niet-complexe instellingen desondanks een toereikende stabielefinancieringfactor aanhouden.

(45)  Bij de consolidatie van dochterondernemingen in derde landen dient terdege rekening te worden gehouden met de in die landen geldende stabielefinancieringsvereisten. Dienovereenkomstig dienen consolidatievoorschriften in de Unie er niet toe te leiden dat aan beschikbare en vereiste stabiele financiering van dochterondernemingen in derde landen een gunstigere behandeling wordt gegeven dan de behandeling waarin de nationale wetgeving van deze derde landen voorziet.

(46)  In overeenstemming met artikel 508, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 moet de Commissie verslag doen over een passende regeling voor prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen en moet zij in voorkomend geval een wetgevingsvoorstel indienen. Totdat die bepaling van kracht wordt, dienen andere dan systeemrelevante beleggingsondernemingen onderworpen te blijven aan de nationale wetgeving van lidstaten wat betreft het netto stabielefinancieringsvereiste. Evenwel dienen andere dan systeemrelevante beleggingsondernemingen, wanneer ze onderdeel zijn van bankgroepen, op geconsolideerde basis aan de in Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde NSFR onderworpen te zijn, om een passende berekening van de NSFR op geconsolideerd niveau mogelijk te maken.

(47)  Instellingen moeten worden verplicht om aan hun bevoegde autoriteiten in de rapportagevaluta de bindende gedetailleerde NSFR voor alle posten en afzonderlijk voor in elke belangrijke valuta luidende posten te rapporteren, om een passende monitoring van mogelijke valutamismatches te waarborgen. De NSFR mag voor instellingen niet leiden tot dubbele rapportagevereisten of niet met de geldende voorschriften in overeenstemming zijnde rapportagevereisten, en instellingen dienen voldoende tijd te krijgen om zich voor te bereiden op de inwerkingtreding van nieuwe rapportagevereisten.

(48)  Aangezien het aan de markt verschaffen van zinvolle en vergelijkbare informatie over gemeenschappelijke kernrisicomaatstaven van instellingen een fundamentele pijler van een gezond bankwezen is, is het van essentieel belang om de informatieasymmetrie zoveel mogelijk te beperken en de vergelijkbaarheid van risicoprofielen van kredietinstellingen binnen en tussen jurisdicties te bevorderen. Het Bazels Comité voor bankentoezicht (BCBS) heeft in januari 2015 de herziene openbaarmakingsnormen van de derde pijler bekendgemaakt met het oog op meer vergelijkbare, kwalitatieve en coherente verplichte openbaarmakingen door instellingen aan de markt. Daarom dienen de bestaande openbaarmakingsvereisten te worden aangepast om die nieuwe internationale normen te implementeren.

(49)  De respondenten van de Call for Evidence van de Commissie met betrekking tot het EU-regelgevingskader voor financiële diensten beschouwden de geldende openbaarmakingsvereisten als onevenredig en lastig voor kleinere instellingen. Afgezien van de preciezere afstemming van openbaarmakingen op internationale normen, dient van kleinere en minder complexe instellingen te worden verlangd dat ze minder vaak en minder gedetailleerde openbaarmakingen doen dan hun grotere collega's, hetgeen de regeldruk waaraan ze onderworpen zijn, verlaagt.

(50)  Financiële instellingen moeten een genderneutraal beloningsbeleid toepassen overeenkomstig het beginsel van artikel 157 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Enige verduidelijkingen dienen te worden aangebracht aan de openbaarmakingen over beloningen. De openbaarmakingsvereisten voor beloningen in deze verordening moeten in overeenstemming zijn met het doel van de beloningsvoorschriften om voor de categorieën van medewerkers wier beroepsactiviteiten een wezenlijke invloed hebben op het risicoprofiel van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, een beloningsbeleid en een beloningspraktijk vast te stellen en in stand te houden die in overeenstemming zijn met een doeltreffend risicobeheer. Voorts dient van instellingen die een afwijking genieten van bepaalde voorschriften inzake beloningen, te worden verlangd dat ze informatie over dit soort afwijking openbaar maken.

(52)  Het midden- en kleinbedrijf (mkb) vormt één van de pijlers van de economie van de Unie door de fundamentele rol die het speelt bij het creëren van economische groei en het scheppen van banen. Aangezien aan het mkb een lager systeemrisico is verbonden dan aan grotere ondernemingen, dienen de kapitaalvereisten voor het mkb lager te zijn dan voor die grote ondernemingen, om een optimale bancaire financiering van het mkb te garanderen. Momenteel geldt voor mkb-blootstellingen tot 1,5 miljoen EUR een reductie van 23,81 % van de risicogewogen post. Die drempel dient te worden verhoogd tot 3,0 miljoen EUR. De vermindering van kapitaalvereisten dient te worden uitgebreid tot mkb-blootstellingen boven de drempel van 3,0 miljoen EUR en dient voor het daar boven uitkomende deel de reductie op risicogewogen posten 15 % te bedragen.

(53)  Investeringen in infrastructuur zijn van essentieel belang om het Europese concurrentievermogen te versterken en het scheppen van banen te stimuleren. Het herstel en de toekomstige groei van de Unie-economie is grotendeels afhankelijk van de beschikbaarheid van kapitaal voor strategische investeringen van Europees belang in infrastructuur (met name in breedband- en energienetwerken), maar ook in vervoersinfrastructuur en infrastructuur voor elektromobiliteit (met name in industriële centra), in opleiding, onderzoek en innovatie, en in hernieuwbare energie en energie-efficiëntie. Het Investeringsplan voor Europa zet in op het stimuleren van aanvullende financiering voor levensvatbare infrastructuurprojecten onder meer door het mobiliseren van aanvullende financiering uit particuliere bronnen. Voor een aantal kandidaat-investeerders is het belangrijkste punt van zorg het gepercipieerde gebrek aan levensvatbare projecten en de beperkte capaciteit om risico's goed te kunnen inschatten, gezien het inherent complexe karakter van dat soort projecten.

(54)  Om particuliere en overheidsinvesteringen in infrastructuurprojecten aan te moedigen, is het dus van essentieel belang om een regelgevingsklimaat tot stand te brengen dat hoogkwalitatieve infrastructuurprojecten bevordert en risico's voor investeerders vermindert. Met name dienen kapitaalvereisten voor blootstellingen aan infrastructuurprojecten te worden verlaagd, op voorwaarde dat ze voldoen aan een samenstel van criteria waarmee het risicoprofiel ervan kan worden verlaagd en de voorspelbaarheid van kasstromen kan worden vergroot. De Commissie dient deze bepaling tegen [drie jaar na de inwerkingtreding] te herzien om na te gaan: a) de impact ervan op het volume infrastructuurinvesteringen ▌en b) de adequaatheid ervan uit prudentieel oogpunt. Ook dient de Commissie na te gaan of het toepassingsbereik ervan dient te worden uitgebreid tot infrastructuurinvesteringen door ondernemingen.

(55)  Krachtens artikel 508, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad2 moet de Commissie bij het Europees Parlement en bij de Raad een verslag indienen over een passende regeling voor het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en op de in artikel 4, lid 1, punt 2, onder b) en c), van die verordening bedoelde ondernemingen, in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel. Met dat wetgevingsvoorstel kunnen nieuwe vereisten voor die ondernemingen worden ingevoerd. Met het oog op het waarborgen van evenredigheid en om overbodige en repetitieve veranderingen in de regelgeving te vermijden, dienen niet-systeemrelevante beleggingsondernemingen derhalve te worden ontheven van de naleving van de nieuwe bepalingen tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013. Beleggingsondernemingen die hetzelfde systeemrisico inhouden als kredietinstellingen, dienen echter aan dezelfde vereisten onderworpen te blijven als die welke gelden voor kredietinstellingen.

(55 bis)  Zoals aanbevolen door de EBA, de ESMA en de ECB, vanwege hun afwijkende bedrijfsmodel, moet infrastructuur van financiële markten die wordt gevormd door centrale tegenpartijen en centrale effectenbewaarinstellingen worden vrijgesteld van de hefboomratio, het minimumvereiste inzake eigen vermogen en de nettostabielefinancieringsratio. Deze instellingen zijn enkel en alleen verplicht een bankvergunning aan te vragen om toegang te krijgen tot kortlopende faciliteiten van de centrale bank en om hun rol te kunnen vervullen als essentiële instrumenten voor de verwezenlijking van belangrijke politieke en reguleringsdoelstellingen in de financiële sector. De Commissie dient in dit verband gevolg te geven aan de aanbevelingen van de EBA, de ESMA en de ECB door de desbetreffende vrijstellingen te verlenen.

(56)  In het licht van het uit de versterking van het prudentiële regelgevingsraamwerk en de oprichting van de Bankenunie voortvloeiende versterkte groepstoezicht is het wenselijk dat instellingen steeds meer hun voordeel doen met de eengemaakte markt, onder meer met het oog op het verzekeren van doelmatig beheer van kapitaal en liquiditeitsmiddelen binnen de hele groep. Daarom dient de mogelijkheid om op individueel niveau ontheffing te verlenen voor de toepassing van vereisten voor dochter- of moederondernemingen beschikbaar te zijn voor grensoverschrijdende groepen, op voorwaarde dat er afdoende garanties in acht worden genomen die ervoor zorgen dat kapitaal en liquiditeit beschikbaar zijn voor entiteiten die de ontheffing hebben gekregen. Wanneer alle garanties zijn vervuld, is het aan de bevoegde autoriteit om te besluiten of zij deze ontheffingen verleent. Besluiten van de bevoegde autoriteiten dienen naar behoren te zijn gemotiveerd.

(56 bis)  Overeenkomstig de grondige herziening van de handelsportefeuille (GHHP) die het Bazelse Comité heeft voorgesteld om een beoordelingskader voor de modellering van risicofactoren op basis van reële prijzen in te voeren, moeten banken kunnen beoordelen of zij voldoen aan het minimumvereiste voor de toepassing van een risicofactor op basis van betrouwbare prijsinformatie die een afspiegeling vormt van de reële marktsituatie. Transactiegegevens die alleen van de bank zelf afkomstig zijn, zijn mogelijk niet toereikend om een betrouwbare risicobeoordeling uit te voeren. Deze verordening moet banken de mogelijkheid bieden programma's voor gegevensverzameling te gebruiken, die ook van derden afkomstig kunnen zijn, als een middel om reële prijzen uit verschillende markten samen te voegen of op te vragen, om de reikwijdte van de risicobeoordeling door de bank te verbreden en de betrouwbaarheid te vergroten van de gegevens die worden gebruikt om het minimumvereiste voor de risicofactor te modelleren.

(57)  Ter facilitering van de naleving van de in deze verordening en in Richtlijn 2013/36/EU vervatte voorschriften, alsmede van de technische reguleringsnormen, technische uitvoeringsnormen, richtsnoeren en templates die zijn vastgesteld ter uitvoering van die voorschriften, dient de EBA een IT-toepassing te ontwikkelen die instellingen door de naargelang hun omvang en bedrijfsmodel toepasselijke bepalingen, normen en templates loodst.

(58)  Om de vergelijkbaarheid van openbaarmakingen te bevorderen moet de EBA de opdracht krijgen gestandaardiseerde openbaarmakingstemplates te ontwikkelen die alle in Verordening (EU) nr. 575/2013 beschreven substantiële openbaarmakingsvereisten bestrijken. Bij het uitwerken van deze normen dient de EBA rekening te houden met de omvang en de complexiteit van instellingen, alsmede met de aard en risicograad van hun activiteiten.

(59)  Teneinde voor een passende definitie van bepaalde specifieke technische bepalingen van Verordening (EU) nr. 573/2013 te zorgen en rekening te houden met eventuele ontwikkelingen op internationaal niveau, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van de lijst van producten of diensten waarvan activa en passiva als onderling afhankelijk kunnen worden beschouwd, en ten aanzien van de omschrijving van de behandeling van derivaten, gedekte leningstransacties en kapitaalmarktgerelateerde transacties en ongedekte transacties van minder dan zes maanden met financiële cliënten, ten behoeve van de berekening van de NSFR.

(60)  De Commissie dient door middel van gedelegeerde handelingen in overeenstemming met artikel 290 VWEU en in overeenstemming met de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 over te gaan tot de vaststelling van ontwerpen van technische reguleringsnormen die door de EBA zijn ontwikkeld op het gebied van eigenvermogensvereisten voor marktrisico voor posities in de niet-handelsportefeuille, aan residuele risico's blootgestelde instrumenten, jump-to-defaultberekeningen, toestemming voor het gebruik van interne modellen voor marktrisico, back-testing van interne modellen, winst-en-verliestoeschrijving, niet-modelleerbare risicofactoren en wanbetalingsrisico in de internemodellenbenadering voor marktrisico. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie en de EBA dienen ervoor te zorgen dat die normen en vereisten door alle betrokken instellingen kunnen worden toegepast op een wijze die in verhouding staat tot de aard, de omvang en de complexiteit van die instellingen en hun activiteiten.

(61)  Voor de toepassing van de voorschriften voor grote blootstellingen dient de Commissie, door middel van de vaststelling van handelingen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, nader te bepalen in welke omstandigheden aan de voorwaarden voor het bestaan van een groep verbonden cliënten is voldaan, en hoe de waarde moet worden berekend van blootstellingen die voortvloeien uit in bijlage II bedoelde contracten en kredietderivaten die niet direct met een cliënt zijn aangegaan, maar die de onderliggende waarde van een door die cliënt uitgegeven schuld- of eigenvermogensinstrument vormen, en de gevallen en de tijdsspanne waarin de bevoegde autoriteiten kunnen toestaan dat de blootstellingslimiet wordt overschreden. De Commissie dient ook technische reguleringsnormen uit te vaardigen waarin het rapportageformaat en de rapportagefrequentie voor grote blootstellingen nader worden aangegeven, alsmede de criteria voor het aanmerken van schaduwbanken waarvoor de rapportageverplichtingen voor grote blootstellingen gelden.

(61 bis)  Staatsobligaties spelen een cruciale rol bij het verstrekken van hoogwaardige liquide activa aan beleggers en stabiele financieringsbronnen aan overheden. De financiële instellingen in sommige lidstaten hebben echter te veel belegd in door hun eigen overheid uitgegeven obligaties, wat een buitensporige "nationale vooringenomenheid" inhoudt; Een van de hoofddoelstellingen van de bankenunie is het verbreken van het verband tussen bank en soeverein risico, en het regelgevingskader van de Unie inzake de prudentiële behandeling van overheidsschuld moet consistent blijven met de internationale norm, maar banken moeten zich blijven inspannen voor een meer gediversifieerde portefeuille van overheidsobligaties.

(62)  Wat betreft tegenpartijrisico moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van het bepalen van aspecten die verband houden met de wezenlijke risicobepalende factor van transacties, de delta voor toezichtdoeleinden en de opslagfactor voor de risicocategorie "grondstoffenrisico".

(63)  Voordat handelingen in overeenstemming met artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie worden vastgesteld, is het van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(64)  Om doelmatiger te kunnen reageren op ontwikkelingen na verloop van tijd wat betreft openbaarmakingsnormen op internationaal niveau en Unieniveau, dient de Commissie te worden gemachtigd om de in Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde openbaarmakingsvereisten door middel van een gedelegeerde handeling te wijzigen.

(65)  De EBA dient verslag te doen over de vraag waar de evenredigheid van het Uniepakket voor rapportage aan toezichthouders kan worden verbeterd in termen van toepassingsbereik, granulariteit of frequentie, en dient ten minste concrete aanbevelingen te doen ten aanzien van de manier waarop de gemiddelde compliancekosten voor kleine instellingen met in het ideale geval 20, maar ten minste 10 procent kunnen worden verlaagd door middel van aangepaste beperkte vereisten.

(65 bis)  De EBA moet bovendien binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening en met medewerking van de overige bevoegde autoriteiten, en met name de ECB, een uitgebreid verslag opstellen over een noodzakelijke herziening van het rapportagesysteem. Dit systeem met de basis vormen voor een wetgevingsvoorstel van de Europese Commissie. Dit verslag moet tot doel hebben een geïntegreerd en eenvormig systeem voor rapportageverplichtingen in te stellen ten aanzien van statistische en prudentiële gegevens voor alle in de Unie gevestigde instellingen. In het kader van een dergelijk systeem moeten onder meer uniforme definities en normen worden gebruikt voor de gegevens die moeten worden verzameld, moet een betrouwbare en permanente uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten worden gewaarborgd, en moet een centrale entiteit voor statistische en prudentiële gegevens worden opgericht, die de verzoeken om gegevens afhandelt en de vergaarde gegevens beheert, bundelt en verdeelt. Met een dergelijke centralisering en uniformering van het verzamelen en opvragen van gegevens moet worden voorkomen dat soortgelijke of identieke gegevens dubbel door verschillende autoriteiten worden opgevraagd en kunnen aldus de administratieve en financiële kosten voor de bevoegde autoriteiten en de instellingen aanzienlijk worden beperkt.

(66)  Voor de toepassing van eigenvermogensvereisten voor blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in icb's dient de Commissie door het vaststellen van een technische reguleringsnorm nader te bepalen hoe instellingen de risicogewogen posten in de benadering op basis van het beleggingsbeleid moeten berekenen wanneer voor die berekening vereiste gegevens niet beschikbaar zijn.

(67)  Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk het versterken en het verfijnen van reeds bestaande wetgeving van de Unie om te komen tot eenvormige prudentiële vereisten die van toepassing zijn op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen in de hele Unie, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang en de gevolgen van het optreden beter op het niveau van de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in datzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken. Deze verordening mag instellingen niet verplichten om informatie te verstrekken die is gebaseerd op kaders voor financiële verslaggeving die verschillen van die welke op hen van toepassing zijn uit hoofde van andere handelingen van de Unie en de nationale wetgeving.

(67 bis)  De voltooiing van de bankenunie is een belangrijke stap voorwaarts om goed functionerende grensoverschrijdende markten tot stand te brengen en ervoor te zorgen dat bankcliënten kunnen profiteren van de positieve effecten die voortvloeien uit een geharmoniseerde en geïntegreerde Europese bankmarkt die een gelijk speelveld voor Europese banken tot stand brengt. Er is grote vooruitgang geboekt met de voltooiing van de bankenunie, maar er zijn nog enkele obstakels - zoals op het gebied van keuzemogelijkheden (OND's). De harmonisatie van de regels blijft bijzonder moeilijk op het gebied van grote grensoverschrijdende blootstellingen binnen groepen, aangezien het gemeenschappelijk toezichtmechanisme op dit gebied niet één enkele bevoegdheid heeft. Bovendien zijn grensoverschrijdende activiteiten binnen de bankenunie volledig onderworpen aan de methodologie die wordt gebruikt door het Bazels Comité voor bankentoezicht (BCBS), waardoor het voor een in een land van het eurogebied gevestigde bank minder aantrekkelijk wordt om haar activiteiten uit te breiden naar een ander land van het eurogebied dan op haar binnenlandse markt. Bijgevolg moet de Commissie, na nauw overleg met de ECB, het ECSR en de EBA, het huidige kader herzien, terwijl zij een evenwichtige en prudentieel gezonde benadering ten aanzien van de landen van herkomst en de landen van ontvangst handhaaft en rekening houdt met potentiële voordelen en risico's voor lidstaten en regio's.

(68)  Gezien de wijzigingen van de behandeling van blootstellingen van KCTP's, meer bepaald de behandeling van bijdragen van instellingen aan wanbetalingsfondsen van KCTP's, dienen ook de desbetreffende bepalingen in Verordening (EU) nr. 648/2012 welke in die verordening waren ingevoerd bij Verordening (EU) nr. 575/2013 en waarin nader is aangegeven hoe het hypothetische kapitaal van CTP's wordt berekend dat vervolgens door instellingen voor het berekenen van hun eigenvermogensvereisten wordt gebruikt, te worden gewijzigd.

(69)  Een aantal bepalingen over nieuwe vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva waarmee de TLAC-norm wordt geïmplementeerd, dienen zoals op internationaal niveau is overeengekomen vanaf 1 januari 2019 te worden toegepast.

(70)  Verordening (EU) nr. 575/2013 dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt als volgt gewijzigd:

(1)  Artikel 1 wordt vervangen door:

"Artikel 1Toepassingsgebied

In deze verordening worden uniforme regels vastgesteld betreffende algemene prudentiële vereisten waaraan instellingen, financiële holdings en gemengde financiële holdings waarop overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU toezicht wordt uitgeoefend, moeten voldoen op de volgende gebieden:

a)  eigenvermogensvereisten met betrekking tot volledig kwantificeerbare, uniforme en gestandaardiseerde elementen van kredietrisico, marktrisico, operationeel risico en afwikkelingsrisico;

b)  vereisten ter beperking van grote risicoblootstellingen;

c)  liquiditeitsvereisten met betrekking tot volledig kwantificeerbare, uniforme en gestandaardiseerde elementen van liquiditeitsrisico;

d)  rapportagevereisten met betrekking tot de punten a), b) en c) en met betrekking tot hefboomfinanciering;

e)  openbaarmakingsvereisten.

In deze verordening worden uniforme regels vastgesteld betreffende de vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva die af te wikkelen entiteiten die mondiaal systeemrelevante instellingen (MSI's) zijn of onderdeel zijn van MSI's en dochterondernemingen van wezenlijk belang van niet-EU MSI's, in acht moeten nemen.

Deze verordening is niet van toepassing op de in Richtlijn 2013/36/EU bepaalde openbaarmakingsvereisten voor bevoegde autoriteiten op het gebied van prudentiële regelgeving voor en prudentieel toezicht op de instellingen.".

(2)  Artikel 2 wordt vervangen door:

"Artikel 2Toezichtbevoegdheden

1.  Teneinde de naleving van deze verordening te waarborgen, beschikken de bevoegde autoriteiten over de bevoegdheden en volgen zij de procedures die in Richtlijn 2013/36/EU en in deze verordening zijn bepaald.

2.  Teneinde de naleving van deze verordening te waarborgen, beschikken de afwikkelingsautoriteiten over de bevoegdheden en volgen zij de procedures die in Richtlijn 2014/59/EU en in deze verordening zijn bepaald.

3.  Teneinde de naleving van de vereisten ten aanzien van eigen vermogen en in aanmerking komende passiva te waarborgen, werken de bevoegde autoriteiten en de afwikkelingsautoriteiten samen.

4.  Met het oog op het waarborgen van de naleving binnen hun respectieve bevoegdheden zorgen de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad vastgelegd in artikel 42 van Verordening (EU) nr. 806/2014, en de ECB voor een regelmatige en betrouwbare uitwisseling van relevante informatie en bieden zij elkaar toegang tot elkaars databanken.".

(3)  Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

a)  in lid 1 wordt punt (7) vervangen door:

"(7)  "instelling voor collectieve belegging" of "icb": een icbe als gedefinieerd in artikel 1, lid 2, van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad(13), of een abi als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt a), van Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad(14);";

b)  in lid 1 wordt punt (20) vervangen door:

"(20) "financiële holding": een financiële instelling waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk instellingen of financiële instellingen zijn, en die geen gemengde financiële holding is.

De dochterondernemingen van een financiële instelling zijn hoofdzakelijk instellingen of financiële instellingen, van welke dochterondernemingen er ten minste één een instelling is en waarvan meer dan 50 % van het eigen vermogen, de geconsolideerde activa, de inkomsten, het personeel of een andere indicator die door de bevoegde autoriteit van de financiële instelling als relevant wordt beschouwd, en verbonden is met dochterondernemingen die instellingen of financiële instellingen zijn.";

c)  in lid 1 wordt punt (26) vervangen door:

"(26) "financiële instelling": een onderneming die geen instelling en evenmin een zuiver industriële holding is en waarvan de hoofdwerkzaamheid bestaat in het verwerven van deelnemingen of in het uitoefenen van een of meer van de in de punten 2 tot en met 12 en punt 15 van bijlage I bij Richtlijn 2013/36/EU genoemde werkzaamheden, met inbegrip van een financiële holding, een gemengde financiële holding, een betalingsinstelling in de zin van Richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad(15) en een vermogensbeheerder, maar met uitsluiting van verzekeringsholdings en gemengde verzekeringsholdings als respectievelijk gedefinieerd in artikel 212, lid 1, onder f) en g), van Richtlijn 2009/138/EG;";

c bis)  in lid 1 wordt in punt (27) punt e) vervangen door:

"e) een verzekeringsonderneming uit een derde land (niet-EU);"

c ter)  in lid 1 wordt in punt (27) punt g) vervangen door:

"g) een herverzekeringsonderneming uit een derde land (niet-EU);"

c quater)  in lid 1 wordt in punt (27) de volgende alinea ingevoegd na punt l):

  "Voor de toepassing van deze verordening worden de onder d), f) en h) bedoelde ondernemingen aangemerkt als entiteit uit de financiële sector wanneer aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

  a) de aandelen van dergelijke ondernemingen staan niet genoteerd op een gereglementeerde markt in de EU;

  b) dergelijke ondernemingen oefenen hun verzekeringsactiviteiten niet uit volgens een bedrijfsmodel dat een laag financieel risico inhoudt;

  c) de instelling bezit meer dan 15 % van de stemrechten of het kapitaal van die onderneming;

  Niettegenstaande het voorgaande behouden de bevoegde autoriteiten van de lidstaten de bevoegdheid om dergelijke entiteiten aan te merken als entiteiten uit de financiële sector als zij er niet van overtuigd zijn dat de mate van risicobeheersing en de procedures voor financiële analyse die de instelling specifiek heeft vastgesteld om toezicht te houden op de belegging in de onderneming of holding volstaan.";

d)  in lid 1 wordt in punt (39) de volgende alinea ingevoegd:

"Twee of meer natuurlijke of rechtspersonen die wegens hun directe blootstelling aan dezelfde CTP in het kader van clearingactiviteiten aan de in punt a) of b) vervatte omschrijvingen beantwoorden, worden niet als een groep verbonden cliënten beschouwd.";

d bis)  Het volgende artikel 39 bis wordt ingevoegd:

  "gelieerde partij": een natuurlijke persoon, een naast familielid van die persoon, of een rechtspersoon die gelieerd is aan het leidinggevend orgaan van een instelling;

e)  in lid 1 wordt in punt (71) de inleidende zin in punt b) vervangen door:

"b) voor de toepassing van artikel 97 de som van:";

f)  in lid 1 wordt in punt (72) punt a) vervangen door:

"a) ze is een gereglementeerde markt of een markt van een derde land die geacht wordt gelijkwaardig te zijn aan een gereglementeerde markt in overeenstemming met de in artikel 25, lid 4, onder a), van Richtlijn 2014/65/EU beschreven procedure;";

g)  in lid 1 wordt punt (86) vervangen door:

"(86)"handelsportefeuille": alle posities in financiële instrumenten en grondstoffen die door een instelling worden ingenomen, hetzij met de intentie om te handelen, hetzij ter afdekking van posities die worden ingenomen met de intentie om te handelen, of de in artikel 104, lid 2, bedoelde posities, met uitsluiting van de in artikel 104, lid 3, bedoelde posities;";

h)  in lid 1 wordt punt (91) vervangen door:

"(91) "CTP-transactieblootstelling": een actuele blootstelling, met inbegrip van een door het clearinglid te ontvangen maar nog niet ontvangen variatiemarge, en een potentiële toekomstige, uit in artikel 301, lid 1, punten a), b) en c), bedoelde overeenkomsten en transacties voortvloeiende blootstelling van een clearinglid of een cliënt aan een CTP, alsmede de initiële marge;";

i)  in lid 1 wordt punt (96) vervangen door:

"(96) "interne afdekking": een positie die de risicocomponenten tussen een positie in de handelsportefeuille en een positie of reeks posities in de niet-handelsportefeuille, of tussen twee tradingafdelingen in wezenlijke mate compenseert;";

i bis  in lid 1 wordt in punt (127) punt a) vervangen door:

"a)  de instellingen vallen onder hetzelfde in artikel 113, lid 7, bedoelde institutioneel protectiestelsel of zijn blijvend in een netwerk aangesloten bij een centraal orgaan;"

j)  aan lid 1 worden de volgende punten toegevoegd:

(129) "afwikkelingsautoriteit": een afwikkelingsautoriteit als omschreven in artikel 2, lid 1, punt 18, van Richtlijn 2014/59/EU;

(130) "af te wikkelen entiteit": een af te wikkelen entiteit als omschreven in artikel 2, lid 1, punt 83 bis, van Richtlijn 2014/59/EU;

(131) "af te wikkelen groep": een af te wikkelen groep als omschreven in artikel 2, lid 1, punt 83 ter, van Richtlijn 2014/59/EU;

(132) "mondiaal systeemrelevante instelling" (M-SI): een M-SI die is geïdentificeerd in overeenstemming met artikel 131, leden 1 en 2, van Richtlijn 2013/36/EU;

(133) "niet-EU mondiaal systeemrelevante instelling" (niet-EU-M-SI): mondiaal systeemrelevante bankgroepen of banken (M-SB's) die geen M-SI's zijn en zijn opgenomen in de lijst met M-SB's die wordt bekendgemaakt door de Raad voor financiële stabiliteit, zoals regelmatig geactualiseerd;

(134) "dochteronderneming van wezenlijk belang": een dochteronderneming die op individuele of geconsolideerde basis aan één van de volgende voorwaarden voldoet:

a)  de dochteronderneming houdt meer dan 5 % van de geconsolideerde risicogewogen activa van haar moederonderneming;

b)  de dochteronderneming genereert meer dan 5 % van de totale bedrijfsopbrengsten van haar moederonderneming;

c)  de totale hefboomrisicoblootstellingsmaatstaf van de dochteronderneming bedraagt meer dan 5 % van de geconsolideerde hefboomrisicoblootstellingsmaatstaf van haar moederonderneming;

(135) "MSI-entiteit": een entiteit met rechtspersoonlijkheid die een MSI of onderdeel van een MSI of een niet-EU MSI is;

(136) "bail-in-instrument": een instrument van bail-in als omschreven in artikel 2, lid 1, punt 57, van Richtlijn 2014/59/EU;

(137) "groep": een groep van ondernemingen waarvan er ten minste één een instelling is en die bestaat uit een moederonderneming en haar dochterondernemingen, of uit ondernemingen die met elkaar verbonden zijn door een betrekking in de zin van artikel 22 van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad(16);

(138) "effectenfinancieringstransactie" of "EFT": een retrocessietransactie, een transactie met betrekking tot verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen, of een margeleningstransactie;

(139) "systeemrelevante beleggingsonderneming": een beleggingsonderneming die overeenkomstig artikel 131, lid 1, 2 of 3, van Richtlijn 2013/36/EU als MSI of A-SI is aangemerkt;

(140) "initiële marge" of "IM": zekerheden die geen variatiemarges zijn, ontvangen van of gestort bij een entiteit ter dekking van de actuele en potentiële toekomstige blootstelling van een transactie of een portefeuille transacties voor de tijd die nodig is om die transacties te liquideren of de marktrisico's ervan opnieuw af te dekken, na wanbetaling van de tegenpartij bij de transactie of portefeuille transacties;

(141) "marktrisico": het risico van verliezen als gevolg van bewegingen in marktprijzen;

(142) "wisselkoersrisico": het risico op verliezen als gevolg van bewegingen in wisselkoersen;

(143) "grondstoffenrisico": het risico op verliezen als gevolg van bewegingen in grondstoffenprijzen;

(144) "tradingafdeling": een welomschreven groep handelaren die door de instelling is opgezet om gezamenlijk een portefeuille van posities in de handelsportefeuille te beheren volgens een welomschreven en coherente bedrijfsstrategie en die functioneert onder dezelfde risicobeheersstructuur.";

(144 bis) "kleine en niet-complexe instelling": een instelling die aan alle volgende voorwaarden voldoet, op voorwaarde dat zij geen grote instelling als omschreven in punt (144 ter) is:

a)  de totale waarde van de activa van de instelling op individuele basis of, waar toepasselijk, op geconsolideerde basis overeenkomstig deze verordening en Richtlijn 2013/36/EU, is gemiddeld gelijk aan of groter dan de drempel van 5 miljard EUR over de periode van vier jaar die onmiddellijk voorafgaat aan de lopende periode voor de jaarlijkse openbaarmaking.

b)  voor de instelling gelden geen, dan wel vereenvoudigde verplichtingen met betrekking tot de herstel- en afwikkelingsplanning overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 2014/59/EU;

c)  de handelsportefeuilleactiviteiten worden overeenkomstig artikel 94 ingedeeld als gering;

d)  de totale waarde van de derivatenblootstellingen is gelijk aan of kleiner dan 2 % van de totale activa in en buiten de balanstelling, waarbij bij de berekening van de derivatenblootstellingen alleen derivaten mogen worden meegerekend die gelden als blootstellingen die worden ingenomen met de intentie om te handelen;

e)  de instelling gebruikt geen interne modellen voor de berekening van de eigenvermogensvereisten;

f)  de instelling heeft geen bezwaar gemaakt tegen de indeling als kleine en niet-complexe instelling bij de bevoegde autoriteit;

g)  de bevoegde autoriteit heeft niet besloten dat de instelling op grond van een beoordeling van de omvang, verwevenheid of complexiteit of het risicoprofiel niet kan worden aangemerkt als kleine en niet-complexe instelling.

De toezichthouder kan in afwijking van punt a, mits de toezichthouder dit noodzakelijk acht, de drempel van 5 miljard EUR naar eigen goeddunken verlagen tot 1,5 miljard of 1 % van het bruto binnenlands product van de lidstaat waarin de instelling is gevestigd, mits het bedrag dat gelijkstaat aan 1 % van het bruto binnenlands product van de desbetreffende lidstaat lager is dan 1,5 miljard EUR.

In afwijking van punt e) kan de bevoegde autoriteit een beperkt gebruik toelaten van interne modellen voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor dochteronderneming die op groepsniveau goedgekeurde interne modellen gebruiken, mits de groep onderworpen is aan de openbaarmakingsvereisten van artikel 433 bis of artikel 433 quater op geconsolideerde basis.

(144 ter) "grote instelling": een instelling die aan een van de volgende voorwaarden voldoet:

a)  de instelling is aangewezen als een mondiaal systeemrelevante instelling (MSI) overeenkomstig artikel 131, leden 1 en 2, van Richtlijn 2013/36/EU;

b)  de instelling is aangewezen als een andere systeemrelevante instelling (ASI) overeenkomstig artikel 131, leden 1 en 3, van Richtlijn 2013/36/EU;

c)  de instelling is in de lidstaat waar zij is gevestigd één van de drie grootste instellingen gerekend naar de totale waarde van de activa;

d)  de totale waarde van de activa van de instelling op basis van haar geconsolideerde situatie is gelijk aan of groter dan 30 miljard EUR;

e)  de verhouding van haar totale activa tot het bbp van de lidstaat waar zij is gevestigd, is gemiddeld gelijk aan of groter dan 20 % over de periode van vier jaar direct voorafgaand aan de huidige jaarlijkse openbaarmakingstermijn;

(144 quater) "grote dochteronderneming": een dochteronderneming die kan worden aangemerkt als een grote instelling;

(144 quinquies) "niet-beursgenoteerde instelling": een instelling die geen effecten heeft uitgegeven die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt van een lidstaat, als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 21, van Richtlijn 2014/65/EU;

(144 sexies) "centrale effectenbewaarinstelling" of "CSD": een CSD als omschreven in artikel 2, lid 1, punt 1), en waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 909/2014;

(144 septies) "CSD-bank": een kredietinstelling die in punt b) van artikel 54, lid 2, van Verordening (EU) nr. 909/2014 is aangewezen om bancaire nevendiensten te verrichten als beschreven in afdeling C van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 909/2014;

(144 octies) "financiëlemarktinfrastructuur-kredietinstelling" of "FMI-kredietinstelling": een CTP waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) nr. 648/2012, of een CSD waaraan ook een vergunning is verleend als kredietinstelling of als CSD-bank;

(144 nonies) "verkoop van grote omvang": de maatregelen die een instelling in het kader van een meerjarig programma treft met als doel het aantal blootstellingen in wanbetaling op haar balans aanzienlijk te beperken en waarvan de instelling van tevoren kennisgeving heeft gedaan aan de bevoegde autoriteit. Ze hebben betrekking op tenminste 15 % van alle waargenomen gevallen van wanbetaling in de zin van artikel 181, lid 1, onder a), gedurende de uitvoeringsperiode van het programma.".

k)  het volgende lid 4 wordt toegevoegd:

"4. De EBA stelt ontwerpen van technische reguleringsnormen op waarin nader wordt bepaald onder welke omstandigheden aan de in de punten a) of b) van de eerste alinea van punt (39) bepaalde voorwaarden is voldaan.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen bij de Commissie in binnen [één jaar na inwerkingtreding van deze verordening].

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.";

(4)  Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 1 wordt vervangen door:

"Instellingen voldoen op individuele basis aan de in de delen twee tot en met vijf en de delen zeven en acht bepaalde verplichtingen.";

b)  het volgende lid 1 bis wordt ingevoegd:

"1 bis.   In afwijking van lid 1 voldoen uitsluitend als af te wikkelen entiteiten aangemerkte instellingen die ook MSI's of deel van een MSI zijn en geen dochterondernemingen hebben, op individuele basis aan het in artikel 92 bis bepaalde vereiste.

Alleen dochterondernemingen van wezenlijk belang van een niet-EU-MSI die geen dochteronderneming zijn van een EU-moederinstelling, die geen af te wikkelen entiteiten zijn en geen dochterondernemingen hebben, voldoen op individuele basis aan artikel 92 ter.".

b bis)  lid 4 wordt vervangen door:

"4. Kredietinstellingen en beleggingsondernemingen die een vergunning hebben om de in de punten 3 en 6 van bijlage I, afdeling A, bij Richtlijn 2004/39/EG opgesomde beleggingsdiensten en -activiteiten te verstrekken, voldoen op individuele basis aan de in deel 6 bepaalde verplichtingen. FMI-kredietinstellingen die geen looptijdtransformatie van aanzienlijke omvang uitvoeren zijn niet gehouden op individuele basis te voldoen aan de verplichtingen zoals vastgesteld in artikel 413, lid 1. In afwachting van het verslag van de Commissie overeenkomstig artikel 508, lid 3, kunnen de bevoegde autoriteiten beleggingsondernemingen van de naleving van de in de deel zes bepaalde verplichtingen vrijstellen, waarbij zij rekening houden met de aard, de omvang en de complexiteit van de activiteiten van de beleggingsonderneming.";

b ter)  lid 5 wordt vervangen door:

"5. Instellingen, met uitzondering van beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 95, lid 1, en artikel 96, lid 1, en instellingen waarvoor door bevoegde autoriteiten de bij artikel 7, lid 1, of lid 3, bepaalde afwijking is toegepast, voldoen op individuele basis aan de in deel 7 bepaalde verplichtingen. FMI-kredietinstellingen zijn niet gehouden op individuele basis te voldoen aan de verplichtingen zoals vastgesteld in deel zeven."

(5)  in artikel 7 worden de leden 1 en 2 vervangen door:

"1. De bevoegde autoriteiten kunnen van de toepassing van artikel 6, lid 1, op een dochteronderneming van een instelling ontheffing verlenen wanneer zowel de dochteronderneming als de moederonderneming hun hoofdkantoor in dezelfde lidstaat hebben en de dochteronderneming betrokken is in het toezicht op geconsolideerde basis van de moederonderneming, die een instelling, een financiële holding of een gemengde financiële holding is, en met het oog op een adequate verdeling van het eigen vermogen tussen de moederonderneming en de dochteronderneming aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a)  er is geen feitelijke of juridische belemmering van wezenlijk belang aanwezig of te voorzien die een onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van vreemd vermogen door de moederonderneming aan de dochteronderneming kan verhinderen;

b)  ofwel verstrekt de moederonderneming de bevoegde autoriteit waarborgen ten aanzien van het prudente beheer van de dochteronderneming en verklaart zij, met toestemming van de bevoegde autoriteit, dat zij garant staat voor de door de dochteronderneming aangegane verplichtingen, ofwel zijn de risico's ten aanzien van de dochteronderneming verwaarloosbaar;

c)  de risicobeoordeling, meet- en controleprocedures van de moederonderneming omvatten ook de dochteronderneming;

d)  de moederonderneming bezit meer dan 50 % van de stemrechten die verbonden zijn aan aandelen in het kapitaal van de dochteronderneming of heeft het recht om het grootste deel van de leden van het leidinggevende orgaan van de dochteronderneming aan te stellen of te ontslaan.

2. Na raadpleging van de consoliderende toezichthouder kan de bevoegde autoriteit ontheffing van de toepassing van artikel 6, lid 1, verlenen voor een dochteronderneming die haar hoofdkantoor in een andere lidstaat dan het hoofdkantoor van de moederonderneming heeft en betrokken is in het toezicht op geconsolideerde basis van de moederonderneming, die een instelling, een financiële holding of een gemengde financiële holding is, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a)  de voorwaarden van lid 1, punten a) tot en met c);

a bis)  het bedrag van het eigenvermogensvereiste waarvan ontheffing wordt verleend is niet hoger dan 25 % van het minimumvereiste voor eigen vermogen;

a ter)  de moederonderneming bezit 100 % van de stemrechten die verbonden zijn aan aandelen in het kapitaal van de dochteronderneming of heeft het recht om het grootste deel van de leden van het leidinggevende orgaan van de dochteronderneming aan te stellen of te ontslaan.

b)  de instelling geeft een garantie af aan haar dochteronderneming, die te allen tijde de volgende voorwaarden vervult:

i)  de garantie wordt afgegeven voor een bedrag dat ten minste gelijkwaardig is aan het bedrag van het eigenvermogensvereiste van de dochteronderneming waarvan ontheffing wordt verleend;

ii)  de garantie wordt uitgewonnen wanneer de dochteronderneming niet in staat is haar schulden of andere verplichtingen te voldoen wanneer deze opeisbaar worden of ten aanzien van de dochteronderneming een vaststelling is gedaan in overeenstemming met artikel 59, lid 3, van Richtlijn 2014/59/EU, afhankelijk van wat het eerst gebeurt;

iii)  de garantie is voor ten minste 50 % van het volledige bedrag ervan volledig door zekerheden gedekt door middel van een financiëlezekerheidsovereenkomst als omschreven in artikel 2, lid 1, onder a), van Richtlijn 2002/47/EG van het Europees Parlement en de Raad(17);

iv)  de garantie en financiëlezekerheidsovereenkomst vallen onder de wetgeving van de lidstaat waar het hoofdkantoor van de dochteronderneming is gevestigd, tenzij anders is bepaald door de bevoegde autoriteit van de dochteronderneming;

v)  de zekerheid die de garantie dekt, is een toelaatbare zekerheid als bedoeld in artikel 197, die, na toepassing van voldoende conservatieve reductiefactoren, afdoende zijn om het in punt iii) genoemde bedrag volledig te dekken;

vi)  de zekerheid die de garantie dekt, is onbezwaard en wordt niet gebruikt als zekerheid ter dekking van een andere garantie;

vii)  er zijn geen juridische, regelgevende of operationele barrières om de zekerheid van de moederonderneming over te dragen aan de betrokken dochteronderneming.".

2 bis.  Lid 2 is niet van toepassing op een dochteronderneming die de drempel voor belang overschrijdt als omschreven in artikel 6, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1024/2013.

2 ter.  De EBA onderzoekt met medewerking van alle bevoegde autoriteiten:

a)  de mogelijkheid om de in lid 2, punt b) bedoelde drempel te verhogen en;

b)  gevolgen van de ontheffingen van de toepassing van de prudentiële vereisten op individuele basis, overeenkomstig lid 2.

Deze beoordeling omvat onder andere het volgende:

a)  mogelijke aanpassingen met het oog op de contractuele en juridische voorwaarden die de bestaande regelingen zouden kunnen verbeteren;

b)  mogelijke bestaande of toekomstige juridische, regelgevende of praktische barrières ten aanzien van de activering van de garantie en de overdracht van zekerheid van de instelling die de garantie voor de instelling of de groep instellingen afgeeft waarvoor de ontheffing geldt en die profiteren van de garantie en de eventuele corrigerende maatregelen;

c)  de behandeling van grote blootstellingen die als garantie worden afgegeven in de vorm van blootstellingen binnen de groep en die niet reeds zijn vrijgesteld van de bestaande prudentiële regels overeenkomstig artikel 400, lid 2, punt c), of artikel 493, lid 3, punt c).

De EBA brengt uiterlijk [een jaar na inwerkingtreding van deze verordening] verslag uit bij de Commissie over haar bevindingen. [NB - te lezen in samenhang met het nieuwe amendement waarin wordt bepaald dat artikel 7, lid 2, pas drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening van toepassing is]

Op basis van de bevindingen van dat verslag kan de EBA ontwerpen van technische reguleringsnormen opstellen of de Commissie aanbevelen een of meer wetgevingsvoorstellen in te dienen. De ontwerpen van technische reguleringsnormen preciseren de in artikel 7, lid 2, bedoelde voorwaarden, en met name de criteria en garanties op grond waarvan de bevoegde autoriteit een ontheffing kan verlenen.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om gedelegeerde wetgevingshandelingen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 om deze verordening te wijzigen. De Commissie kan als alternatief uiterlijk ... [drie jaar na de inwerkingtreding van het verslag] wijzigingen aanbrengen in de technische reguleringsnormen of, indien noodzakelijk, een of meer wetgevingsvoorstellen doen met het oog op de uitvoering van de aanbevelingen door de EBA.".

(6)  Artikel 8 wordt vervangen door het volgende:

"Artikel 8Ontheffing van de toepassing van liquiditeitsvereisten op individuele basis

1.  De bevoegde autoriteiten kunnen volledig of ten dele ontheffing verlenen van de toepassing van deel zes op een instelling en alle of sommige van haar dochterondernemingen die hun hoofdkantoor in dezelfde lidstaat hebben als het hoofdkantoor van de instelling, en daarop toezicht uitoefenen als op één enkele liquiditeitssubgroep, wanneer aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a)  de moederinstelling voldoet op geconsolideerde basis of een dochteronderneming op gesubconsolideerde basis aan deel zes;

b)  de moederinstelling monitort op geconsolideerde basis of een dochteronderneming op gesubconsolideerde basis voortdurend de liquiditeitsposities van alle instellingen binnen de liquiditeitssubgroep die in overeenstemming met dit lid onder de ontheffing vallen, en staat garant voor een toereikend liquiditeitsniveau van al die instellingen;

c)  de instellingen binnen de liquiditeitssubgroep zijn ten genoegen van de bevoegde autoriteiten overeenkomsten aangegaan die voorzien in het vrij verkeer van middelen tussen hen onderling, om hen in staat te stellen aan hun individuele en gezamenlijke verplichtingen te voldoen wanneer deze komen te vervallen;

d)  er is geen feitelijke of juridische belemmering van wezenlijk belang aanwezig of te voorzien die het uitvoeren van de in punt c) bedoelde overeenkomsten kan verhinderen.

2.  De bevoegde autoriteiten kunnen volledig of ten dele ontheffing verlenen van de toepassing van deel zes op een instelling en alle of sommige van haar dochterondernemingen die hun hoofdkantoor in andere lidstaten hebben dan het hoofdkantoor van de instelling, en daarop toezicht uitoefenen als op één enkele liquiditeitssubgroep, pas nadat de in artikel 21 vastgestelde procedure is gevolgd en alleen ten aanzien van instellingen waarvan de bevoegde autoriteiten over de volgende punten overeenstemming hebben bereikt:

a)  hun beoordeling van de mate waarin aan de in lid 1 genoemde voorwaarden is voldaan;

b)  hun beoordeling van de mate waarin de organisatie en de behandeling van het liquiditeitsrisico voldoen aan de in artikel 86 van Richtlijn 2013/36/EU uiteengezette criteria binnen die ene liquiditeitssubgroep;

c)  de verdeling van bedragen, locatie en eigendom van de liquide activa die binnen die ene liquiditeitssubgroep moeten worden aangehouden;

d)  de bepaling van de minimumbedragen aan liquide activa die moeten worden aangehouden door instellingen waaraan ontheffing van de toepassing van deel zes zal worden verleend;

e)  de noodzaak van strengere parameters dan die welke in deel zes zijn beschreven;

f)  onbeperkte uitwisseling van volledige informatie tussen de bevoegde autoriteiten.

g)  een volledige inschatting van de gevolgen van dit soort ontheffing.

3.  Een autoriteit die bevoegd is om op individuele basis toezicht uit te oefenen op een instelling en alle of sommige van haar dochterondernemingen die hun hoofdkantoor in andere lidstaten hebben dan het hoofdkantoor van de instelling, kan volledig of ten dele ontheffing verlenen van de toepassing van deel zes op een instelling en alle of sommige van haar dochterondernemingen en daarop toezicht uitoefenen als op één liquiditeitssubgroep, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a)  de in lid 1 en lid 2, onder b), bedoelde voorwaarden;

b)  de moederinstelling op geconsolideerde basis of een dochteronderneming op gesubconsolideerde basis geeft aan de instelling of groep van instellingen die hun hoofdkantoor in een andere lidstaat hebben, een garantie af die aan alle volgende voorwaarden voldoet:

i)  de garantie wordt afgegeven voor een bedrag dat ten minste gelijkwaardig is aan het bedrag van de nettoliquiditeitsuitstromen dat de garantie vervangt en dat in overeenstemming met Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 van de Commissie(18) wordt berekend op individuele basis voor de instelling of op gesubconsolideerde basis voor de groep van instellingen die de ontheffing hebben gekregen en de garantie genieten, zonder rekening te houden met enige preferentiële behandeling;

ii)  de garantie wordt uitgewonnen wanneer de instelling of groep van instellingen die de ontheffing hebben gekregen en de garantie genieten, niet in staat is haar of zijn schulden of andere verplichtingen te voldoen wanneer deze opeisbaar worden of ten aanzien van de instelling of groep van instellingen waaraan ontheffing is verleend, een vaststelling is gedaan in overeenstemming met artikel 59, lid 3, van Richtlijn 2014/59/EU, afhankelijk van wat het eerst gebeurt;

iii)  de garantie is volledig door zekerheden gedekt door middel van een financiëlezekerheidsovereenkomst als omschreven in artikel 2, lid 1, onder a), van Richtlijn 2002/47/EG;

iv)  de garantie en de financiëlezekerheidsovereenkomst vallen onder de wetgeving van de lidstaat waar het hoofdkantoor van de instelling of groep van instellingen die de ontheffing hebben gekregen en die de garantie genieten, is gevestigd, tenzij anders is bepaald door de bevoegde autoriteit van die instellingen;

v)  de zekerheid die de garantie dekt, komt in aanmerking als liquide actief van hoge kwaliteit als omschreven in de artikelen 10 tot en met 13 en artikel 15 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 van de Commissie en dekt, na toepassing van de in hoofdstuk 2 van Titel II van die verordening genoemde reductiefactoren, ten minste 50 % van het bedrag van de nettoliquiditeitsuitstromen dat in overeenstemming met die verordening wordt berekend op individuele basis voor de instelling of op gesubconsolideerde basis voor de groep van instellingen die de ontheffing hebben gekregen en die de garantie genieten, zonder rekening te houden met enige preferentiële behandeling;

vi)  de zekerheid die de garantie dekt, is onbezwaard en wordt niet gebruikt als zekerheid ter dekking van andere transacties;

vii)  er zijn geen feitelijke of juridische belemmeringen aanwezig of te voorzien om de zekerheid over te dragen van de instelling die de garantie toekent, aan de instelling of groep van instellingen die de ontheffing hebben gekregen en die de garantie genieten.

4.  De bevoegde autoriteiten kunnen ook de leden 1, 2 en 3 toepassen op één of sommige van de dochterondernemingen van een financiële holding of een gemengde financiële holding, en op de financiële holding of gemengde financiële holding en uitsluitend de dochteronderneming of dochterondernemingen die een ontheffing heeft of hebben gekregen, toezicht uitoefenen als op één enkele liquiditeitssubgroep. De vermeldingen in de leden 1, 2 en 3 van de moederondernemingen worden opgevat als omvattende de financiële holding of de gemengde financiële holding.

5.  De bevoegde autoriteiten kunnen de leden 1, 2 en 3 ook toepassen op instellingen die aangesloten zijn bij hetzelfde, in artikel 113, lid 7, bedoelde institutionele protectiestelsel, mits die instellingen aan alle voorwaarden daarvan voldoen, alsmede op andere instellingen waarmee een band bestaat in de zin van artikel 113, lid 6, mits die instellingen aan alle in dat artikel gestelde voorwaarden voldoen. In dat geval wijzen de bevoegde autoriteiten een van de instellingen aan als zijnde van de toepassing van deel zes ontheven op basis van de geconsolideerde situatie van alle instellingen van de ene liquiditeitssubgroep.

6.  Wanneer er uit hoofde van de leden 1 tot en met 5 ontheffing is verleend, kunnen de bevoegde autoriteiten tevens artikel 86 van Richtlijn 2013/36/EU (of delen daarvan) op het niveau van de ene liquiditeitssubgroep toepassen, en op individuele basis ontheffing van de toepassing van artikel 86 van Richtlijn 2013/36/EU (of delen daarvan) verlenen.

Wanneer er uit hoofde van de leden 1 tot en met 5 ontheffing is verleend, passen de bevoegde autoriteiten voor de onderdelen van deel zes waarvoor ontheffing is verleend, de in artikel 415 van deze verordening vastgestelde rapportageverplichtingen toe op het niveau van de ene liquiditeitssubgroep, en verlenen ze op individuele basis ontheffing van de toepassing van artikel 415.

7.  Wanneer er uit hoofde van de leden 1 tot en met 5 geen ontheffing is verleend aan instellingen waaraan voordien op individuele basis ontheffing was verleend, houden de bevoegde autoriteiten rekening met de tijd welke die instellingen nodig hebben om zich voor te bereiden op de toepassing van deel zes (of onderdelen daarvan) en voorzien ze in een passende overgangsperiode voordat ze die bepalingen op die instellingen toepassen.".

(6 bis)  Het volgende artikel 8 bis wordt ingevoegd:

"Artikel 8 bis

1. Op 31 maart van elk jaar delen de bevoegde autoriteiten de EBA mee waar zij ontheffingen hebben verleend van de toepassing van de prudentiële vereisten op individuele basis overeenkomstig artikel 7, evenals ontheffingen van de toepassing van de liquiditeitsvereisten op individuele basis overeenkomstig artikel 8, en verstrekken zij daarbij de volgende informatie:

a) de naam en/of de identificatiecode voor juridische entiteiten van de dochter- en moederonderneming die gebruikmaken van de ontheffing;

b) de lidstaat waarin de dochter- en moederonderneming zijn gevestigd;

c) de rechtsgrondslag voor de ontheffing en de datum waarop de ontheffing werd verleend;

d) de gedetailleerde prudentiële ontheffing die werd verleend en de reden dat deze werd verleend.

2. De EBA ziet toe op het gebruik en de toekenning van deze ontheffingen in de Unie en brengt hiervan uiterlijk op 1 september van elk jaar verslag uit aan de Commissie. De EBA ontwikkelt een uniforme indeling voor de rapportage van toegekende ontheffingen en de gedetailleerde informatie."

3. De Commissie brengt bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit van de toekenning van ontheffingen van prudentiële en liquiditeitsvereisten door bevoegde autoriteiten, in het bijzonder in grensoverschrijdende situaties."

(7)  Artikel 11 wordt vervangen door:

"Artikel 11Algemene behandeling

1.  Voor de toepassing van de vereisten van deze verordening op geconsolideerde basis worden met de termen "instellingen", "moederinstellingen in een lidstaat", "EU-moederinstelling" en "moederonderneming", naar gelang van het geval, ook financiële holdings en gemengde financiële holdings bedoeld die over een vergunning in overeenstemming met artikel 21 bis van Richtlijn 2013/36/EU beschikken.

2.  Moederinstellingen in een lidstaat voldoen, in de mate en op de wijze als bepaald in artikel 18, aan de in de delen twee, drie en vier en in deel zeven vastgestelde verplichtingen op basis van hun geconsolideerde situatie. De moederondernemingen en hun dochterondernemingen die onder deze verordening vallen, zetten een deugdelijke organisatiestructuur op en stellen passende mechanismen voor interne controle in om ervoor te zorgen dat de voor de consolidatie vereiste gegevens naar behoren worden verwerkt en doorgeleid. Ze dragen er meer in het bijzonder zorg voor dat niet onder deze verordening vallende dochterondernemingen regelingen, processen en mechanismen hanteren die een deugdelijke consolidatie garanderen.

3.  In afwijking van lid 2 voldoen alleen als af te wikkelen entiteiten aangemerkte moederinstellingen die ook MSI's of deel van een MSI of deel van een niet-EU MSI zijn, op geconsolideerde basis aan artikel 92 bis, in de mate en op de wijze als bepaald in artikel 18.

Alleen EU-moederondernemingen die een dochteronderneming van wezenlijk belang van niet-EU MSI's zijn en geen af te wikkelen entiteiten zijn, voldoen op geconsolideerde basis aan artikel 92 ter, in de mate en op de wijze als bepaald in artikel 18.

4.  EU-moederinstellingen voldoen op basis van hun geconsolideerde situatie aan deel zes indien de groep uit één of meer kredietinstellingen of beleggingsondernemingen bestaat waaraan een vergunning is verleend voor het verstrekken van de in de punten (3) en (6) van bijlage I, afdeling A, bij Richtlijn 2004/39/EG vermelde beleggingsdiensten en -activiteiten. In afwachting van het in artikel 508, lid 2, van deze verordening genoemde verslag van de Commissie en op voorwaarde dat de groep uitsluitend beleggingsondernemingen omvat, kunnen de bevoegde autoriteiten beleggingsondernemingen van de naleving van de in de deel zes bepaalde verplichtingen op geconsolideerde basis vrijstellen, waarbij ze rekening houden met de aard, de omvang en de complexiteit van de activiteiten van de beleggingsonderneming.

Wanneer er uit hoofde van de leden 1 tot en met 5 van artikel 8 ontheffing is verleend, voldoen de instellingen en, in voorkomend geval, de financiële holdings of gemengde financiële holdings die deel uitmaken van een liquiditeitssubgroep, op geconsolideerde basis of op de gesubconsolideerde basis van de liquiditeitssubgroep aan deel zes.

5.  Wanneer artikel 10 wordt toegepast, voldoet het in dat artikel bedoelde centrale orgaan aan de vereisten van de delen twee tot en met acht op basis van de geconsolideerde situatie van het geheel dat door het centrale orgaan en de daarbij aangesloten instellingen wordt gevormd.

6.  Naast de vereisten van de leden 1 tot en met 4, en onverminderd andere bepalingen van deze verordening en van Richtlijn 2013/36/EU, kunnen de bevoegde autoriteiten, indien zulks vanwege de specifieke kenmerken van het risico of van de kapitaalstructuur van een instelling voor toezichtdoeleinden gerechtvaardigd is of wanneer lidstaten nationale wetgeving vaststellen op grond waarvan activiteiten binnen een bankgroep structureel moeten worden gescheiden, van de instelling verlangen dat zij op gesubconsolideerde basis voldoet aan de in de delen twee, drie en vier en de delen zes, zeven en acht van deze verordening en in titel VII van Richtlijn 2013/36/EU vastgestelde verplichtingen.

De toepassing van de in de eerste alinea vervatte benadering mag geen afbreuk doen aan het effectieve toezicht op geconsolideerde basis en mag evenmin onevenredige negatieve gevolgen hebben voor het geheel of delen van het financiële stelsel van andere lidstaten of van de Unie als geheel, noch de werking van de interne markt belemmeren.

6 bis.  De bevoegde autoriteiten kunnen ontheffing van de toepassing van lid 1 en lid 3 van dit artikel, verlenen aan een moederonderneming wanneer dit een instelling betreft die tot een groep van coöperatieve kredietinstellingen behoort die blijvend zijn aangesloten bij een centraal orgaan dat voldoet aan de vereisten van artikel 113, lid 6, en indien alle voorwaarden zijn vervuld zoals vastgesteld in artikel 7, lid 3, of artikel 8, lid 1.".

(8)  artikel 12 wordt vervangen door:

"Artikel 12Geconsolideerde berekening voor MSI's met meerdere af te wikkelen entiteiten

Wanneer meer dan één tot dezelfde MSI behorende MSI-entiteit een af te wikkelen entiteit is, berekent de EU-moederinstelling van die MSI het bedrag van het in artikel 92 bis, lid 1, onder a), bedoelde bedrag aan eigen vermogen en in aanmerking komende passiva. Die berekening wordt verricht op basis van de geconsolideerde situatie van de EU-moederinstelling alsof het de enige af te wikkelen entiteit van de M-SI betrof.

Wanneer het overeenkomstig de eerste alinea berekende bedrag lager is dan de som van de in artikel 92 bis, lid 1, onder a), bedoelde bedragen aan eigen vermogen en in aanmerking komende passiva van alle tot die MSI behorende af te wikkelen entiteiten, handelen de afwikkelingsautoriteiten in overeenstemming met artikel 45 quinquies, lid 3, en artikel 45 nonies, lid 2, van Richtlijn 2014/59/EU.

Wanneer het overeenkomstig de eerste alinea berekende bedrag hoger is dan de som van de in artikel 92 bis, lid 1, onder a), bedoelde bedragen aan eigen vermogen en in aanmerking komende passiva van alle tot die MSI behorende af te wikkelen entiteiten, kunnen de afwikkelingsautoriteiten in overeenstemming met artikel 45 quinquies, lid 3, en artikel 45 nonies, lid 2, van Richtlijn 2014/59/EU handelen.".

(9)  Artikel 13 wordt vervangen door:

"Artikel 13Toepassing van openbaarmakingsvereisten op geconsolideerde basis

1.  EU-moederinstellingen voldoen op basis van hun geconsolideerde situatie aan deel acht.

Grote dochterondernemingen van EU-moederinstellingen maken de in de artikelen 437, 438, 440, 442, 450, 451, 451 bis en 453 genoemde informatie openbaar op individuele basis of, wanneer van toepassing, in overeenstemming met deze verordening en met Richtlijn 2013/36/EU, op gesubconsolideerde basis.

2.  Als af te wikkelen entiteiten geïdentificeerde instellingen die een MSI of deel van een MSI zijn, voldoen op basis van hun geconsolideerde financiële situatie aan deel acht.

3.  De eerste alinea van lid 1 is niet van toepassing op EU-moederinstellingen, financiële EU-moederholdings, gemengde financiële EU-moederholdings of af te wikkelen entiteiten voor zover zij worden betrokken bij gelijkwaardige openbaarmakingen die door een in een derde land gevestigde moederonderneming op geconsolideerde basis worden verstrekt.

De tweede alinea van lid 1 is van toepassing op dochterondernemingen van in een derde land gevestigde moederondernemingen indien die dochterondernemingen als grote dochterondernemingen worden aangemerkt.

4.  Wanneer artikel 10 wordt toegepast, voldoet het in dat artikel bedoelde centrale orgaan aan deel acht op basis van de geconsolideerde situatie van het centrale orgaan. Artikel 18, lid 1, is van toepassing op het centrale orgaan en de aangesloten instellingen worden behandeld als de dochterondernemingen van het centrale orgaan.".

(9 bis)  Artikel 14 wordt vervangen door:

"Artikel 14

Toepassing van de vereisten van artikel 5 van Verordening (EU) 2017/2410 op geconsolideerde basis

1.  Moederondernemingen en hun dochterondernemingen die onder deze verordening vallen, voldoen op geconsolideerde of gesubconsolideerde basis aan de in artikel 5 van Verordening (EU) 2017/2402 bepaalde verplichtingen, zodat hun bij deze bepalingen voorgeschreven regelingen, processen en mechanismen samenhang vertonen en goed geïntegreerd zijn, en alle gegevens en informatie die voor het toezicht van belang zijn, kunnen worden verkregen. Zij dragen er meer in het bijzonder zorg voor dat niet onder deze verordening vallende dochterondernemingen regelingen, processen en mechanismen hanteren die de inachtneming van deze bepalingen garanderen.

2.  De instellingen passen overeenkomstig artikel 207 bis een extra risicogewicht toe wanneer zij artikel 92 op een geconsolideerde of gesubconsolideerde basis toepassen als de vereisten van de artikelen 5 van Verordening (EU) 2017/2402 niet zijn nageleefd op het niveau van een in een derde land gevestigde entiteit die overeenkomstig artikel 18 in de consolidatie betrokken is, en de niet-naleving een wezenlijke invloed heeft op het algehele risicoprofiel van de groep."

(10)  artikel 18 wordt vervangen door:

Artikel 18Methoden voor prudentiële consolidatie

1.  Instellingen, financiële holdings en gemengde financiële holdings die aan de in afdeling 1 van dit hoofdstuk genoemde vereisten op basis van hun geconsolideerde situatie moeten voldoen, voeren een volledige consolidatie uit van alle instellingen en financiële instellingen die hun dochterondernemingen zijn. De leden 3 tot en met 7 van dit artikel zijn niet van toepassing als deel zes van toepassing is op de geconsolideerde situatie van een instelling, financiële holding of gemengde financiële holding of op de gesubconsolideerde basis van een liquiditeitssubgroep zoals uiteengezet in de artikelen 8 en 10.

Instellingen die op geconsolideerde basis moeten voldoen aan de in de artikelen 92 bis of 92 ter genoemde vereisten, voeren een volledige consolidatie uit van alle instellingen en financiële instellingen die hun dochterondernemingen zijn in de desbetreffende af te wikkelen groepen.

2.  Indien het toezicht op geconsolideerde basis op grond van artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU is voorgeschreven, worden de nevendiensten verrichtende ondernemingen in de consolidatie betrokken in de gevallen en volgens de methoden die in dit artikel zijn omschreven.

3.  Indien ondernemingen verbonden zijn door een betrekking in de zin van artikel 22, lid 7, van Richtlijn 2013/34/EU, bepalen de bevoegde autoriteiten hoe de consolidatie moet worden uitgevoerd.

4.  De consoliderend toezichthouder verlangt de proportionele consolidatie naargelang van het aandeel in het kapitaal van deelnemingen in instellingen en financiële instellingen welke gezamenlijk door een bij de consolidatie betrokken onderneming en een of meer daarin niet betrokken ondernemingen worden geleid, wanneer daaruit een beperking van de aansprakelijkheid van deze ondernemingen voortvloeit die afhangt van hun aandeel in het kapitaal.

5.  In het geval van deelnemingen of van andere vormen van kapitaalbinding dan bedoeld in de leden 1 en 4 bepalen de bevoegde autoriteiten of en in welke vorm consolidatie moet plaatsvinden. Ze kunnen met name de toepassing van de vermogensmutatiemethode toestaan of voorschrijven. Die methode houdt evenwel niet in dat de betrokken ondernemingen in het toezicht op geconsolideerde basis worden betrokken.

6.  De bevoegde autoriteiten bepalen in de volgende gevallen of en in welke vorm consolidatie moet plaatsvinden:

  een instelling oefent naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten een invloed van betekenis uit op een of meer instellingen of financiële instellingen, zonder daarin evenwel een deelneming te houden of daarmee andere vormen van kapitaalbinding te hebben; en

  twee of meer instellingen of financiële instellingen staan onder centrale leiding zonder dat dit in een overeenkomst of statutaire bepalingen vastgelegd hoeft te zijn.

De bevoegde autoriteiten kunnen in het bijzonder het gebruik van de in artikel 22, leden 7, 8 en 9, van Richtlijn 2013/34/EU bedoelde methode toestaan of voorschrijven. Die methode houdt evenwel niet in dat de betrokken ondernemingen in het toezicht op geconsolideerde basis worden betrokken.

7.  De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de voorwaarden waaronder consolidatie in de in de leden 2 tot en met 6 van dit artikel bedoelde gevallen wordt uitgevoerd.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 31 december 2016 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd de in de eerste alinea bedoelde ontwerpen voor technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.".

(11)  Artikel 22 wordt vervangen door:

"Artikel 22Subconsolidatie in geval van entiteiten in derde landen

1.  Instellingen die een dochteronderneming zijn, passen de vereisten van de artikelen 89, 90 en 91 en de delen drie en vier op basis van hun gesubconsolideerde situatie toe indien die instellingen in een derde land een instelling of een financiële instelling als dochteronderneming hebben of een deelneming in dit soort onderneming hebben.

2.  In afwijking van lid 1 mogen instellingen die een dochteronderneming zijn, besluiten de vereisten van de artikelen 89, 90 en 91 en de delen drie en vier niet op basis van hun gesubconsolideerde situatie toe te passen als de totale activa van hun dochteronderneming in het derde land minder dan 10 % bedragen van het totale bedrag van de actiefposten en de posten buiten de balanstelling van de instelling die een dochteronderneming is.".

(12)  De titel van deel twee wordt vervangen door:

"EIGEN VERMOGEN EN IN AANMERKING KOMEND VREEMD VERMOGEN".

(12 bis)  In artikel 26 wordt het volgende lid ingevoegd:

"3 bis) Wanneer de nieuw uit te geven tier 1-kernkapitaalinstrumenten identiek zijn (in de zin dat zij niet verschillend zijn op grond van de criteria voorzien in artikel 28 of, indien van toepassing, artikel 29) aan instrumenten die de bevoegde autoriteit reeds heeft goedgekeurd, hoeft de instelling in afwijking van lid 3 de bevoegde autoriteit slechts in kennis te stellen van haar voornemen om nieuwe tier 1-kernkapitaalinstrumenten uit te geven.

Daarnaast voorziet de instelling de bevoegde autoriteit van alle informatie die de bevoegde autoriteit nodig heeft om te beoordelen of de instrumenten door de bevoegde autoriteit werden goedgekeurd."

(12 ter)  Aan artikel 28, lid 3, wordt de volgende alinea toegevoegd:

"Aan de voorwaarde voorzien in punt h), onder v), van lid 1 wordt ook geacht te zijn voldaan als de instelling onderworpen is aan een verplichting om betalingen te verrichten aan sommige of alle houders van instrumenten, mits de instelling de mogelijkheid heeft om een onevenredige belasting van het eigen vermogen te vermijden door versterking van haar tier 1-kernkapitaal, met name door winsten te bestemmen voor fondsen voor algemene bankrisico's of toe te voegen aan de ingehouden winsten, alvorens over te gaan tot betalingen aan hun houders."

(13)  in artikel 33, lid 1, wordt punt c) vervangen door:

"c) tegen reële waarde gewaardeerde winsten en verliezen op derivatenverplichtingen van de instelling die voortvloeien uit wijzigingen aan het eigen kredietrisico van de instelling.".

(14)  artikel 36 wordt als volgt gewijzigd:

a)  In lid 1 wordt punt b) vervangen door:

"b)  immateriële activa, met uitzondering van software;

Voor de toepassing van dit artikel ontwikkelt de EBA ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de term "software". Deze definitie zorgt voor een prudentieel verantwoorde vaststelling van de omstandigheden waarin het niet aftrekken van software van tier 1-kernkapitaalbestanddelen uit prudentieel oogpunt gerechtvaardigd zou zijn, en houdt terdege rekening met het volgende:

i.  de ontwikkeling van de banksector in een nog digitalere omgeving en de kansen en bedreigingen waarmee banken in dit tijdperk van digitalisering worden geconfronteerd;

ii.  de internationale verschillen in de regelgeving voor investeringen in software waarbij software niet van het kapitaal wordt afgetrokken (bv. behandeld als materiële activa) en de verschillende prudentiële regels die van toepassing zijn op banken en verzekeringsmaatschappijen;

iii.  de diversiteit van de financiële sector in de Unie, met inbegrip van niet-gereglementeerde entiteiten zoals FinTechs;

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen binnen [zes maanden na inwerkingtreding van deze verordening] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de onder b) bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010."

b)  Punt j) wordt vervangen door:

"j) het in overeenstemming met artikel 56 van de aanvullend-tier 1-bestanddelen af te trekken bedrag aan bestanddelen dat de aanvullend-tier 1-bestanddelen van de instelling overschrijdt;".

(15)  Artikel 37 wordt als volgt gewijzigd:

a)  Punt b) wordt vervangen door:

"b) het af te trekken bedrag omvat de goodwill die vervat zit in de waardering van aanzienlijke deelnemingen van de instelling. Instellingen voegen negatieve goodwill niet weer toe aan hun tier 1-kernkapitaal."

b)  Het volgende punt c) wordt toegevoegd:

"c) het af te trekken bedrag wordt verminderd met het bedrag van de uit de consolidatie van dochterondernemingen voortvloeiende boekhoudkundige herwaardering van de immateriële activa van dochterondernemingen die kunnen worden toegerekend aan andere personen dan de ondernemingen die onder de consolidatie uit hoofde van deel een, titel II, hoofdstuk 2 vallen.".

(16)  In de eerste alinea van artikel 39, lid 2, wordt de inleidende zin vervangen door:

"Uitgestelde belastingvorderingen die niet op toekomstige winstgevendheid berusten, zijn beperkt tot uitgestelde belastingvorderingen die voortvloeien uit tijdelijke verschillen die zijn gecreëerd vóór [datum vaststelling door het College van de wijzigingsverordening], als alle volgende voorwaarden zijn vervuld: ".

(17)  In artikel 45 wordt punt i) van punt a) vervangen door:

"i) de vervaldatum van de shortpositie is dezelfde als of komt na de vervaldatum van de longpositie, of de resterende looptijd van de longpositie bedraagt ten minste 365 dagen;"

(18)  Artikel 49 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 1 wordt vervangen door:

"1. Voor het berekenen van het eigen vermogen op individuele basis, op gesubconsolideerde basis en op geconsolideerde basis, trekken instellingen, indien de bevoegde autoriteiten verlangen of toestaan dat instellingen methode 1, 2 of 3 van bijlage I bij Richtlijn 2002/87/EG toepassen, het bezit van eigenvermogensinstrumenten van een entiteit uit de financiële sector waarin de moederinstelling, de financiële moederholding of de gemengde financiële moederholding of de instelling een aanzienlijke deelneming heeft, niet af, mits er aan de voorwaarden van dit lid, onder a) tot en met d), wordt voldaan:

a) de entiteit uit de financiële sector is een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming of een verzekeringsholding;

b) die verzekeringsonderneming, herverzekeringsonderneming of verzekeringsholding:

i)  valt onder hetzelfde aanvullend toezicht uit hoofde van Richtlijn 2002/87/EG als de moederinstelling, de financiële moederholding of de gemengde financiële moederholding of de instelling die de holding bezit; of

ii)  wordt door de instelling geconsolideerd aan de hand van de nettovermogensmutatiemethode en de bevoegde autoriteiten zijn ervan overtuigd dat de mate van risicobeheersing en de procedures voor financiële analyse die de instelling specifiek heeft vastgesteld om toezicht te houden op de belegging in de onderneming of holding volstaan;

c) de bevoegde autoriteiten vergewissen zich ervan dat het geïntegreerd beheer, het risicobeheer en de interne controle van de entiteiten die onder de consolidatie uit hoofde van methode 1, 2 of 3 zouden vallen, een toereikend niveau hebben;

d) de deelnemingen in de entiteit behoren toe aan een van de volgende entiteiten:

i) de moederkredietinstelling;

ii) de financiële moederholding;

iii) de gemengde financiële moederholding;

iv) de instelling;

v) een dochteronderneming van een van de in de onder i) tot en met iv) bedoelde entiteiten, die onder de consolidatie krachtens deel 1, titel II, hoofdstuk 2, valt.

De gekozen methode wordt in de loop van de tijd consequent toegepast.

1 bis. Na 31 december 2022 en bij wijze van uitzondering op lid 1 kunnen voor het berekenen van het eigen vermogen op individuele basis, op gesubconsolideerde basis en op geconsolideerde basis, de bevoegde autoriteiten, indien zij verlangen of toestaan dat instellingen methode 1, 2 of 3 van bijlage I bij Richtlijn 2002/87/EG toepassen, die instellingen toestaan het bezit van eigenvermogensinstrumenten van een entiteit uit de financiële sector waarin de moederinstelling, de financiële moederholding of de gemengde financiële moederholding of de instelling een aanzienlijke deelneming heeft, niet af te trekken, mits er aan de voorwaarden van dit lid, onder a) tot en met c), wordt voldaan:

a) de entiteit uit de financiële sector is een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming of een verzekeringsholding;

b) die verzekeringsonderneming, herverzekeringsonderneming of verzekeringsholding valt onder hetzelfde aanvullend toezicht uit hoofde van Richtlijn 2002/87/EG als de moederinstelling, de financiële moederholding of de gemengde financiële moederholding of de instelling die de holding bezit;

c) de instelling heeft de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteiten ontvangen;

d) alvorens de onder c) bedoelde toestemming te verlenen, vergewissen de bevoegde autoriteiten zich ervan dat het geïntegreerd beheer, het risicobeheer en de interne controle van de entiteiten die onder de consolidatie uit hoofde van methode 1, 2 of 3 zouden vallen, doorlopend een toereikend niveau hebben;

e) de deelnemingen in de entiteit behoren toe aan een van de volgende entiteiten:

i) de moederkredietinstelling;

ii) de financiële moederholding;

iii) de gemengde financiële moederholding;

iv) de instelling;

v) een dochteronderneming van een van de in de onder i) tot en met iv) bedoelde entiteiten, die onder de consolidatie krachtens deel 1, titel II, hoofdstuk 2, valt.

De gekozen methode wordt in de loop van de tijd consequent toegepast."

b)  de volgende alinea wordt toegevoegd aan het eind van lid 2:

"Dit lid is niet van toepassing voor het berekenen van het eigen vermogen ten behoeve van de vereisten in de artikelen 92 bis en 92 ter.".

(19)  Artikel 52, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:

a)  punt a) wordt vervangen door:

"a) de instrumenten zijn direct uitgegeven door een instelling en volgestort;";

a bis)  in punt l) wordt subpunt i) vervangen door:

" i) zij geschieden uit uitkeerbare bestanddelen, of uit reserves opgebouwd overeenkomstig de nationale wetgeving;"

b)  punt p) wordt vervangen door:

"p) indien de uitgevende instelling in een derde land is gevestigd en overeenkomstig artikel 12 van Richtlijn 2014/59/EU is aangemerkt als deel van een af te wikkelen groep waarvan de af te wikkelen entiteit in de Unie is gevestigd, of indien de uitgevende instelling in een lidstaat is gevestigd, schrijven de voor de instrumenten geldende wetgeving of contractuele bepalingen voor dat, na een besluit van de afwikkelingsautoriteit om de in artikel 59 van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde bevoegdheid uit te oefenen, de hoofdsom van de instrumenten permanent moet worden afgewaardeerd of de instrumenten moeten worden omgezet in tier 1-kernkapitaalinstrumenten;

Indien de uitgevende instelling in een derde land is gevestigd en niet overeenkomstig artikel 12 van Richtlijn 2014/59/EU is aangemerkt als deel van een af te wikkelen groep waarvan de af te wikkelen entiteit in de Unie is gevestigd, schrijven de wetgeving of de voor de instrumenten geldende contractuele bepalingen voor dat, na een besluit van de bevoegde autoriteit van het derde land, de hoofdsom van de instrumenten permanent moet worden afgewaardeerd of de instrumenten moeten worden omgezet in tier 1-kernkapitaalinstrumenten;";

c)  ▌de volgende punten q) en r) worden toegevoegd:

"q) als de uitgevende instelling is gevestigd in een lidstaat of in een derde land en overeenkomstig artikel 12 van Richtlijn 2014/59/EU is aangemerkt als onderdeel van een afwikkelingsgroep waarvan de af te wikkelen entiteit is gevestigd in de Unie, mogen de instrumenten ▌alleen worden uitgegeven op grond van, of zijn zij anderszins onderworpen aan de wetgeving van een derde land waar, op grond van die wetten, de uitoefening van de in artikel 59 van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde afschrijvings- of omzettingsbevoegdheid rechtsgeldig en afdwingbaar is op grond van statutaire of juridisch afdwingbare contractuele bepalingen welke die afwikkelings- of andere afschrijvings- of omzettingsmaatregelen erkennen;

r) de instrumenten zijn niet onderworpen aan verrekeningsovereenkomsten of salderingsrechten die de verliesabsorptiecapacteit ervan zouden aantasten.".

(19 bis)  Aan artikel 54, lid 1, wordt het volgende punt toegevoegd:

  "d bis) indien aanvullend-tier 1-kapitaalinstrumenten door een in een derde land gevestigde dochteronderneming zijn uitgegeven, wordt het in punt a) bedoelde triggerpercentage van 5,125 % of hoger berekend volgens de wetgeving van het derde land of de voor de instrumenten geldende contractuele bepalingen, mits de bevoegde autoriteit zich er na raadpleging van de EBA van heeft vergewist dat deze bepalingen minstens evenwaardig zijn aan de in dit artikel beschreven vereisten."

(20)  In artikel 56 wordt punt e) vervangen door:

"e) het overeenkomstig artikel 66 van de aanvullend-tier 2-bestanddelen af te trekken bedrag aan bestanddelen dat de tier 2-bestanddelen van de instelling overschrijdt;".

(21)  In artikel 59 wordt punt i) van punt a) vervangen door:

"i) de vervaldatum van de shortpositie is dezelfde als of komt na de vervaldatum van de longpositie, of de resterende looptijd van de longpositie bedraagt ten minste 365 dagen;".

(22)  In artikel 62 wordt punt a) vervangen door:

"a) kapitaalinstrumenten en achtergestelde leningen, indien wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 63, en in de mate als bepaald in artikel 64;".

(23)  Artikel 63 wordt als volgt gewijzigd:

a)  punt a) wordt vervangen door:

"a) de instrumenten zijn direct uitgegeven of de achtergestelde leningen zijn direct opgenomen, naar gelang van het geval, door een instelling en volgestort;";

b)  punt d) wordt vervangen door:

"d) de vordering op de hoofdsom van de instrumenten overeenkomstig de bepalingen betreffende de instrumenten of de vordering op de hoofdsom van de achtergestelde leningen overeenkomstig de bepalingen betreffende de achtergestelde leningen, naargelang het geval, is volledig achtergesteld bij de vorderingen van alle in aanmerking komende passiva-instrumenten;";

c)  punt n) wordt vervangen door:

"p) indien de uitgevende instelling in een derde land is gevestigd en overeenkomstig artikel 12 van Richtlijn 2014/59/EU is aangemerkt als deel van een af te wikkelen groep waarvan de af te wikkelen entiteit in de Unie is gevestigd, of indien de uitgevende instelling in een lidstaat is gevestigd, schrijven de voor de instrumenten geldende wetgeving of contractuele bepalingen ▌voor dat, na een besluit van de afwikkelingsautoriteit om de in artikel 59 van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde bevoegdheid uit te oefenen, de hoofdsom van de instrumenten permanent moet worden afgewaardeerd of de instrumenten moeten worden omgezet in tier 1-kernkapitaalinstrumenten;

Indien de uitgevende instelling in een derde land is gevestigd en niet overeenkomstig artikel 12 van Richtlijn 2014/59/EU is aangemerkt als deel van een af te wikkelen groep waarvan de af te wikkelen entiteit in de Unie is gevestigd, schrijven de wetgeving of de voor de instrumenten geldende contractuele bepalingen voor dat, na een besluit van de bevoegde autoriteit van het derde land, de hoofdsom van de instrumenten permanent moet worden afgewaardeerd of de instrumenten moeten worden omgezet in tier 1-kernkapitaalinstrumenten;";

d)  de volgende punten o) en p) worden toegevoegd:

"o) als de uitgevende instelling is gevestigd in een lidstaat of in een derde land en overeenkomstig artikel 12 van Richtlijn 2014/59/EU is aangemerkt als onderdeel van een afwikkelingsgroep waarvan de af te wikkelen entiteit is gevestigd in de Unie, mogen de instrumenten ▌alleen worden uitgegeven op grond van, of zijn zij anderszins onderworpen aan de wetgeving van een derde land waar, op grond van die wetten, de uitoefening van de in artikel 59 van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde afschrijvings- of omzettingsbevoegdheid rechtsgeldig en afdwingbaar is op grond van statutaire of juridisch afdwingbare contractuele bepalingen welke die afwikkelings- of andere afschrijvings- of omzettingsmaatregelen erkennen;

p) de instrumenten zijn niet onderworpen aan verrekeningsovereenkomsten of salderingsrechten die de verliesabsorptiecapacteit ervan zouden aantasten.".

(24)  Artikel 64 wordt vervangen door:

"Artikel 64Afschrijving van tier 2-instrumenten

1.  Het volledige bedrag aan tier 2-instrumenten met een resterende looptijd van meer dan vijf jaar wordt als tier 2-bestanddelen aangemerkt.

2.  De mate waarin tier 2-instrumenten gedurende de laatste vijf jaar van de looptijd van de instrumenten als tier 2-bestanddelen worden aangemerkt, wordt berekend door het resultaat van de onder a) bedoelde berekening te vermenigvuldigen met het onder b) bedoelde cijfer:

a)  de boekwaarde van de instrumenten of achtergestelde leningen op de eerste dag van de laatste vijf jaar van hun contractuele looptijd gedeeld door het aantal kalenderdagen in die periode;

b)  het aantal resterende kalenderdagen van de contractuele looptijd van de instrumenten of achtergestelde leningen.".

(25)  In artikel 66 wordt het volgende punt e) toegevoegd:

"e) het uit hoofde van artikel 72 sexies van de in aanmerking komende passivabestanddelen af te trekken bedrag aan bestanddelen dat de in aanmerking komende passiva van de instelling overschrijdt.".

(26)  In artikel 69 wordt punt i) van punt a) vervangen door:

"i) de vervaldatum van de shortpositie is dezelfde als of komt na de vervaldatum van de longpositie, of de resterende looptijd van de longpositie bedraagt ten minste 365 dagen;".

(27)  Het volgende hoofdstuk 5 bis wordt ingevoegd na artikel 72:

"HOOFDSTUK 5 bisIn aanmerking komende passiva

Afdeling 1In aanmerking komende passivabestanddelen en -instrumenten

Artikel 72 bisIn aanmerking komende passivabestanddelen

1.  In aanmerking komende passivabestanddelen bestaan uit het volgende, tenzij ze onder één van de in lid 2 vastgestelde categorieën verplichtingen vallen:

a)  in aanmerking komende passiva-instrumenten indien de in artikel 72 ter vastgestelde voorwaarden zijn vervuld, voor zover ze niet als tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- en tier 2-bestanddelen kunnen worden aangemerkt;

b)  tier 2-instrumenten met een resterende looptijd van ten minste één jaar, voor zover deze niet als tier 2-bestanddelen kunnen worden aangemerkt in overeenstemming met artikel 64.

2.  In afwijking van lid 1 zijn de volgende verplichtingen uitgesloten van de in aanmerking komende passivabestanddelen:

a)  gedekte deposito's;

b)  zichtdeposito's en kortlopende deposito's met een oorspronkelijke looptijd van minder dan één jaar;

c)  het gedeelte van in aanmerking komende deposito's afkomstig van natuurlijke personen en van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen dat het in artikel 6 van Richtlijn 2014/49/EU bedoelde dekkingsniveau overschrijdt;

d)  deposito's afkomstig van natuurlijke personen en van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen die in aanmerking komende deposito's zouden zijn indien ze niet waren verricht in zich buiten de Unie bevindende bijkantoren van in de Unie gevestigde instellingen;

e)  door zekerheden gedekte verplichtingen, met inbegrip van gedekte obligaties en verplichtingen in de vorm van financiële instrumenten voor hedgingdoeleinden die integraal deel uitmaken van de dekkingspool van onderliggende activa en volgens nationaal recht op gelijke wijze als gedekte obligaties worden gedekt, op voorwaarde dat alle zekergestelde activa in verband met een dekkingspool van gedekte obligaties onaangeroerd en gescheiden blijven en over voldoende financiering blijven beschikken, met uitsluiting van die delen van door zekerheden of anderszins gedekte verplichtingen die de waarde van de activa, het pand, het pandrecht of de zakelijke zekerheid waarmee ze zijn gedekt, overschrijden;

f)  elke verplichting die ontstaat door het aanhouden van activa of geld van cliënten, met inbegrip van namens instellingen voor collectieve belegging aangehouden activa of geld van cliënten, op voorwaarde dat de cliënten in kwestie bescherming genieten uit hoofde van de toepasselijke insolventiewetgeving;

g)  elke verplichting die ontstaat doordat er een fiduciaire relatie tussen de af te wikkelen entiteit of een van haar dochterondernemingen (als vertrouwenspersoon) en een andere persoon (als begunstigde) bestaat, op voorwaarde dat de begunstigde in kwestie bescherming geniet uit hoofde van de toepasselijke insolventie- of civielrechtelijke wetgeving;

h)  verplichtingen jegens instellingen, met uitzondering van verplichtingen jegens tot dezelfde groep behorende entiteiten, met een oorspronkelijke looptijd van minder dan zeven dagen;

i)  verplichtingen met een resterende looptijd van minder dan zeven dagen jegens systemen of exploitanten van systemen aangewezen overeenkomstig Richtlijn 98/26/EG of hun deelnemers, en die uit de deelname aan dit soort systeem voortvloeien;

j)  verplichtingen ten aanzien van:

i)  werknemers, met betrekking tot hun loon, pensioenuitkeringen of andere vaste vergoedingen, met uitzondering van de niet bij collectieve arbeidsovereenkomst geregelde variabele beloningscomponent, en met uitzondering van de variabele beloningscomponent van medewerkers die wezenlijke risico's nemen als bedoeld in artikel 92, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU;

ii)  commerciële of handelscrediteuren, wanneer de verplichting voortvloeit uit de levering aan de instelling of moederonderneming van goederen of diensten die van kritiek belang zijn voor de dagelijkse bedrijfsactiviteiten van de instelling of de moederonderneming, zoals IT-diensten, nutsvoorzieningen en de huur, de exploitatie en het onderhoud van bedrijfsruimten; en de crediteur zelf geen instelling is;

iii)  belastingautoriteiten en socialezekerheidsinstanties, op voorwaarde dat het, volgens het toepasselijke recht, preferente verplichtingen betreft;

iv)  depositogarantiestelsels, wanneer de verplichting voortvloeit uit bijdragen die uit hoofde van Richtlijn 2014/49/EU verschuldigd zijn.

k)  uit derivaten voortvloeiende verplichtingen;

l)  uit schuldinstrumenten voortvloeiende verplichtingen met embedded derivaten.

l bis)  verplichtingen die overeenkomstig de relevante nationale insolventiewetgeving preferent zijn ten opzichte van concurrente crediteuren.

Met het oog op punt l) omvatten embedded derivaten geen instrumenten waarvan de bepalingen een vroegtijdige mogelijkheid tot terugkoop voor de uitgevende instelling of houder van dit instrument bevatten.

Met het oog op punt l) worden schuldinstrumenten met variabele rente die zijn afgeleid van een referentierente, zoals Euribor of Libor, niet louter vanwege dit kenmerk aangemerkt als schuldinstrumenten met embedded derivaten.

Artikel 72 terIn aanmerking komende passiva-instrumenten

1.  Verplichtingen worden als in aanmerking komende passiva-instrumenten aangemerkt, mits ze voldoen aan de voorwaarden bepaald in dit artikel en slechts in de mate als bepaald in dit artikel.

2.  Verplichtingen worden als in aanmerking komende passiva-instrumenten aangemerkt mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a)  de verplichtingen zijn direct uitgegeven of aangetrokken, naargelang het geval, door een instelling en volgestort;

b)  de verplichtingen worden niet gekocht door een van de volgende entiteiten:

i)  de instelling of een in dezelfde af te wikkelen groep opgenomen entiteit;

ii)  een onderneming waarin de instelling al dan niet middellijk een deelneming heeft in de vorm van de eigendom, rechtstreeks of door middel van een zeggenschapsrelatie, van 20 % of meer van de stemrechten of van het kapitaal van die onderneming;

iii)   niet-professionele cliënten als omschreven in punt 11) van artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2014/65/EU, tenzij aan elk van beide onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

a) zij investeren een totaalbedrag van maximaal 10 % van hun portefeuille van financiële instrumenten, en

b) het geïnvesteerde bedrag is minstens 10 000 EUR.

c)  de aankoop van de verplichtingen wordt niet direct of indirect door de af te wikkelen entiteit gefinancierd;

d)  de vordering op de hoofdsom van de verplichtingen overeenkomstig de bepalingen betreffende de instrumenten is volledig achtergesteld bij de vorderingen die uit de in artikel 72 bis, lid 2, bedoelde uitgesloten verplichtingen voortvloeien. Dit achterstellingsvereiste wordt in de volgende situaties geacht te zijn vervuld:

i)  in de voor de verplichtingen geldende contractuele bepalingen is nader bepaald dat in het geval van normale insolventieprocedures als omschreven in artikel 2, lid 1, punt 47, van Richtlijn 2014/59/EU de vordering op de hoofdsom van de instrumenten volledig is achtergesteld bij de in artikel 72 bis, lid 2, bedoelde uitgesloten verplichtingen;

ii)  in de voor de verplichtingen geldende wetgeving is nader bepaald dat in het geval van normale insolventieprocedures als omschreven in punt 47 van artikel 2, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU de vordering op de hoofdsom van de instrumenten volledig is achtergesteld bij vorderingen die voortvloeien uit de in artikel 72 bis, lid 2, bedoelde uitgesloten verplichtingen;

iii) de instrumenten zijn uitgegeven door een af te wikkelen entiteit die op haar balans geen van de in artikel 72 bis, lid 2, bedoelde uitgesloten verplichtingen heeft met eenzelfde rang als of een lagere rang dan de in aanmerking komende passiva-instrumenten;

f)  de verplichtingen zijn niet gedekt door een zekerheid of onderworpen aan een garantie of enige andere regeling die de rang van de vordering verbetert en die door een van de volgende entiteiten is verstrekt:

i)  de instelling of haar dochterondernemingen;

ii)  de moederonderneming van de instelling of haar dochterondernemingen;

iii)  een onderneming die nauwe banden heeft met de in de onder i) en ii) bedoelde entiteiten;

g)  de verplichtingen zijn niet onderworpen aan verrekeningsovereenkomsten of salderingsrechten die bij afwikkelingsoperaties de verliesabsorptiecapaciteit ervan zouden aantasten;

h)  de voor de verplichtingen geldende bepalingen bevatten geen prikkel voor het opvragen, aflossen, wederinkopen van de hoofdsom ervan vóór hun vervaldatum of de vervroegde terugbetaling door de instelling, naar gelang van het geval, met uitzondering van de situatie waarnaar wordt verwezen in artikel 72 quater, lid 2 bis;

i)  onverminderd artikel 72 quater, lid 2, kunnen de verplichtingen niet vóór de vervaldatum door de houders van de instrumenten worden wederingekocht;

j)  indien de verplichtingen één of meer callopties of opties tot vervroegde terugbetaling, naar gelang van het geval, bevatten, mogen de opties naar eigen inzicht van de uitgevende instelling worden uitgeoefend;

k)  onder voorbehoud van de leden 2 en 2 bis van artikel 72 quater mogen de verplichtingen ▌alleen worden opgevraagd, afgelost of wederingekocht of vervroegd terugbetaald indien de in de artikelen 77 en 78 bepaalde voorwaarden zijn vervuld;

m)  door de voor de verplichtingen geldende bepalingen krijgt de houder ervan niet het recht verleend de voor de toekomst geplande betaling van de rente of van de hoofdsom te versnellen, behalve bij insolventie of liquidatie van de af te wikkelen instelling;

n)  het niveau van de rentebetalingen of dividenduitkeringen, naar gelang van het geval, die uit hoofde van de verplichtingen verschuldigd is of zijn, wordt niet gewijzigd op grond van de kredietwaardigheid van de af te wikkelen entiteit of haar moederonderneming;

o)  door de toepasselijke wetgeving of door de voor de verplichtingen geldende contractuele bepalingen wordt voorgeschreven dat, wanneer de afwikkelingsautoriteit besluit om de in artikel 48 van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden uit te oefenen, de hoofdsom van de verplichtingen permanent worden afgeschreven of dat de verplichtingen worden omgezet in tier 1-kernkapitaalinstrumenten.

Voor de toepassing van punt d) worden de uit deze uitgesloten verplichtingen voortvloeiende vorderingen bij de beoordeling van de achterstelling uitgesloten wanneer sommige van de in artikel 72 bis, lid 2, bedoelde uitgesloten verplichtingen uit hoofde van het nationale insolventierecht zijn achtergesteld bij gewone ongedekte vorderingen, bijvoorbeeld omdat ze worden aangehouden door een crediteur die een speciale band heeft met de debiteur, omdat hij aandeelhouder is of is geweest, zich in een zeggenschaps- of groepsverhouding bevindt, lid is van het leidinggevende orgaan of is geweest of een band heeft of heeft gehad met een van de hierboven genoemde personen.

3.  Naast de in lid 2 bedoelde verplichtingen mag de afwikkelingsautoriteit toestaan dat verplichtingen als in aanmerking komende passiva-instrumenten worden aangemerkt tot een totaalbedrag dat niet meer bedraagt dan 3,5 % van het totaal van de risicoposten berekend in overeenstemming met artikel 92, leden 3 en 4, mits:

a)  aan alle in lid 2 vastgestelde voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarde van punt d), is voldaan;

b)  de verplichtingen dezelfde rang als de in artikel 72 bis, lid 2, bedoelde uitgesloten verplichtingen met de laagste rang hebben, met uitzondering van de uitgesloten verplichtingen die volgens de nationale insolventiewetgeving zijn achtergesteld bij gewone ongedekte vorderingen als bedoeld in de laatste alinea van lid 2, en

c)  de afwikkelingsautoriteit ervoor zorgt dat de capaciteit om verplichtingen geheel of gedeeltelijk uit te sluiten van bail-in niet leidt tot een wezenlijk risico op succesvolle juridische verzetsprocedures of geldige vorderingen tot vergoeding.

Een afwikkelingsautoriteit mag een instelling toestaan om de in de eerste alinea bedoelde verplichtingen op te nemen in de in aanmerking komende passivabestanddelen.

4.  Wanneer een afwikkelingsautoriteit een instelling toestaat om te besluiten verplichtingen te tellen als bedoeld in de tweede alinea van lid 3, worden verplichtingen als in aanmerking komende passiva-instrumenten aangemerkt naast de in lid 2 bedoelde verplichtingen, op voorwaarde dat:

a)  het besluit van de instelling om in in aanmerking komende passivabestanddelen geen van de in de eerste alinea van lid 3 bedoelde verplichtingen op te nemen, rechtsgeldig is, in overeenstemming met lid 5;

b)  aan alle in lid 2 vastgestelde voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarde van punt d) van dat lid, is voldaan;

c)  de verplichtingen dezelfde rang als of een hogere rang dan de in artikel 72 bis, lid 2, bedoelde uitgesloten verplichtingen met de laagste rang hebben, met uitzondering van de uitgesloten verplichtingen die uit hoofde van het nationale insolventierecht zijn achtergesteld bij gewone ongedekte vorderingen als bedoeld in de laatste alinea van lid 2;

d)  op de balans van de instelling het bedrag van de in artikel 72 bis, lid 2, bedoelde uitgesloten verplichtingen dat bij insolventie dezelfde rang als of een lagere rang dan die verplichtingen heeft, niet meer beloopt dan 5 % van het bedrag aan eigen vermogen en in aanmerking komende passiva van de instelling;

e)  het feit dat die verplichtingen in de in aanmerking komende passivabestanddelen worden opgenomen, geen wezenlijk ongunstig effect heeft op de afwikkelbaarheid van de instelling, zoals bevestigd door de afwikkelingsautoriteit na een beoordeling van in de punten b) en c) van artikel 45 bis, lid 3, van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde elementen.

5.  Een afwikkelingsautoriteit mag een instelling toestaan om gebruik te maken van de vrijstelling van lid 3 of 4. Een instelling mag besluiten om geen van de zowel in lid 3 als in lid 4 bedoelde verplichtingen op te nemen in de in aanmerking komende passivabestanddelen.

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het jaarverslag en wordt van kracht zes maanden na de bekendmaking van dat verslag. Het besluit blijft ten minste één jaar van kracht.

6.  De afwikkelingsautoriteit raadpleegt de bevoegde autoriteit wanneer zij onderzoekt of de voorwaarden van dit artikel zijn vervuld.

Artikel 72 quaterAfschrijving van in aanmerking komende passiva-instrumenten

1.  In aanmerking komende passiva-instrumenten met een resterende looptijd van ten minste één jaar worden volledig aangemerkt als in aanmerking komende passivabestanddelen.

In aanmerking komende passiva-instrumenten met een resterende looptijd van minder dan één jaar worden niet aangemerkt als in aanmerking komende passivabestanddelen.

2.  Voor de toepassing van lid 1 wordt, wanneer een in aanmerking komend passiva-instrument een aflossingsoptie voor de houder bevat die kan worden uitgeoefend vóór de oorspronkelijke vervaldatum van het instrument, de looptijd van het instrument bepaald als de vroegst mogelijke datum waarop de houder de aflossingsoptie kan uitoefenen en aflossing of terugbetaling van het instrument kan verlangen.

2 bis.  Voor de toepassing van lid 1 wordt, wanneer een in aanmerking komend passiva-instrument een prikkel voor de uitgevende instelling bevat om het instrument vóór zijn oorspronkelijke vervaldatum op te vragen, af te lossen, terug te betalen of weder in te kopen, de looptijd van het instrument bepaald als de vroegst mogelijke datum waarop de uitgevende instelling de aflossingsoptie kan uitoefenen en aflossing of terugbetaling van het instrument kan verlangen.

Artikel 72 quinquiesGevolgen van het niet langer voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen

Wanneer in het geval van een in aanmerking komend passiva-instrument niet langer aan de in artikel 72 ter bepaald voorwaarden is voldaan, wordende verplichtingen met onmiddellijke ingang niet langer als in aanmerking komende passiva-instrumenten.

De in artikel 72 ter, lid 2, bedoelde verplichtingen mogen verder als in aanmerking komende passiva-instrumenten worden meegeteld zolang ze op grond van artikel 72 ter, lid 3, of artikel 72 ter, lid 4, kunnen worden aangemerkt als in aanmerking komende passiva-instrumenten.

Afdeling 2Aftrekkingen van in aanmerking komende passivabestanddelen

Artikel 72 sexiesAftrekkingen van in aanmerking komende passivabestanddelen

1.  Instellingen die overeenkomstig artikel 131 van Richtlijn 2013/36 zijn geïdentificeerd, trekken het volgende af van in aanmerking komende passivabestanddelen:

a)  direct, indirect en synthetisch door de instelling aangehouden eigen in aanmerking komende passiva-instrumenten, met inbegrip van eigen passiva welke die instelling krachtens bestaande contractuele verplichtingen mogelijk moet kopen;

b)  direct, indirect en synthetisch door de instelling aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten van MSI-entiteiten waarmee de instelling wederzijdse deelnemingen heeft, die volgens de bevoegde autoriteit bedoeld zijn om de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van de af te wikkelen entiteit kunstmatig te verhogen;

c)  het in overeenstemming met artikel 72 decies bepaalde toepasselijke bedrag aan direct, indirect en synthetisch aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten van MSI-entiteiten, indien de instelling geen aanzienlijke deelneming in die entiteiten heeft;

d)  direct, indirect en synthetisch door de instelling aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten van MSI-entiteiten, indien de instelling een aanzienlijke deelneming in die entiteiten heeft, met uitsluiting van de voor minder dan vijf werkdagen ingenomen overnemingsposities.

2.  Voor de toepassing van deze afdeling worden alle instrumenten met dezelfde rang als in aanmerking komende passiva-instrumenten behandeld als in aanmerking komende passiva-instrumenten, met uitzondering van instrumenten met dezelfde rang als instrumenten die in overeenstemming met artikel 72 ter, leden 3 en 4, erkend zijn als in aanmerking komende passiva.

3.  Voor de toepassing van deze afdeling mogen instellingen het bedrag dat aan in artikel 72 ter, lid 3, bedoelde in aanmerking komende passiva-instrumenten wordt aangehouden, als volgt berekenen:

waarbij:

h  = het bedrag dat aan in artikel 72 ter, lid 3, bedoelde in aanmerking komende passiva-instrumenten wordt aangehouden;

I  = de index die de uitgevende instelling aangeeft;

Hi  = het totale bedrag dat aan in artikel 72 ter, lid 3, bedoelde in aanmerking komende passiva-instrumenten van de uitgevende instelling i wordt aangehouden;

li  = het bedrag aan verplichtingen dat in de in aanmerking komende passivabestanddelen is opgenomen door de uitgevende instelling i binnen de in artikel 72 ter, lid 3, bepaalde beperkingen volgens de recentste openbaarmakingen van de uitgevende instelling;

Li  = het totale bedrag aan uitstaande verplichtingen van de uitgevende instelling i als bedoeld in artikel 72 ter, lid 3, volgens de recentste openbaarmakingen van de uitgevende instelling.

4.  Wanneer een EU-moederinstelling of een moederinstelling in een lidstaat die onder artikel 92 bis valt, direct, indirect of synthetisch eigenvermogensinstrumenten of in aanmerking komende passiva-instrumenten aanhoudt van één of meer dochterondernemingen die niet tot dezelfde af te wikkelen groep behoren als die moederinstelling, kan de afwikkelingsautoriteit van die moederinstelling, na raadpleging van de afwikkelingsautoriteiten van de betrokken dochterondernemingen, de moederinstelling toestaan om af te wijken van lid 1, onder c), lid 1, onder d), en lid 2 door een door de afwikkelingsautoriteit van de lidstaat van herkomst bepaald lager bedrag af te trekken. Dat lagere bedrag moet ten minste gelijk zijn aan het bedrag (m), berekend als volgt:

waarbij:

I  = de index die de dochteronderneming aangeeft;

Oi   = het bedrag aan door dochteronderneming i uitgegeven eigenvermogensinstrumenten dat door de moederinstelling in het geconsolideerde eigen vermogen is opgenomen;

Pi   = het bedrag aan de door dochteronderneming i uitgegeven en door de moederinstelling aangehouden in aanmerking komende passivabestanddelen;

rRG   = de ratio die van toepassing is op dochteronderneming i op het niveau van haar af te wikkelen groep in overeenstemming met artikel 92 bis, lid 1, onder a), en artikel 45 quinquies van Richtlijn 2014/59/EU;

Ri   = het totaal van de risicoposten van de MSI-entiteit i berekend in overeenstemming met artikel 92, leden 3 en 4.

Wanneer de moederinstelling het lagere bedrag in overeenstemming met de eerste alinea mag aftrekken, wordt het verschil tussen het in overeenstemming met lid 1, onder c), lid 1, onder d), en lid 2 berekende bedrag en dit lagere bedrag door de dochteronderneming van het overeenkomstige bestanddeel van het eigen vermogen en het in aanmerking komende vreemd vermogen afgetrokken.

Artikel 72 septiesAftrekking van aangehouden eigen in aanmerking komende passiva-instrumenten

Voor de toepassing van artikel 72 sexies, lid 1, onder a), berekenen instellingen de door hen aangehouden instrumenten op basis van de bruto lange posities, onder voorbehoud van de volgende uitzonderingen:

a)  instellingen mogen het bedrag van de door hen aangehouden instrumenten berekenen op basis van de netto lange positie mits aan beide volgende voorwaarden wordt voldaan:

i)  de lange en korte posities hebben betrekking op dezelfde onderliggende blootstelling en de korte posities houden geen tegenpartijrisico in;

ii)  ofwel worden zowel de lange als de korte posities in de handelsportefeuille aangehouden, ofwel worden beide in de niet-handelsportefeuille aangehouden;

b)  instellingen bepalen het af te trekken bedrag voor direct, indirect en synthetisch aangehouden indexeffecten door de onderliggende blootstelling met betrekking tot de in die indices vervatte eigen in aanmerking komende passiva-instrumenten te berekenen;

c)  instellingen mogen bruto lange posities in eigen in aanmerking komende passiva-instrumenten die uit het aanhouden van indexeffecten voortvloeien, verrekenen met korte posities in eigen in aanmerking komende passiva-instrumenten die voortvloeien uit korte posities in onderliggende indices, ook indien die korte posities tegenpartijrisico inhouden, op voorwaarde dat aan beide volgende voorwaarden wordt voldaan:

i)  de lange en korte posities zijn in dezelfde onderliggende indices;

ii)  ofwel worden zowel de lange als de korte posities in de handelsportefeuille aangehouden, ofwel worden beide in de niet-handelsportefeuille aangehouden.

Artikel 72 octiesAftrekkingsgrondslag van in aanmerking komende passivabestanddelen

Voor de toepassing van artikel 72 sexies, lid 1, punten b), c) en d), trekken instellingen de bruto lange posities af, behoudens de in de artikel 72 nonies en artikel 72 decies bepaalde uitzonderingen.

Artikel 72 noniesAftrekking van aangehouden in aanmerking komende passiva van andere MSI-entiteiten

Instellingen die geen gebruikmaken van de in artikel 72 undecies bepaalde uitzondering, verrichten de in artikel 72 sexies, lid 1, punten c) en d), bedoelde aftrekkingen met inachtneming van het volgende:

a)  ze mogen direct, indirect en synthetisch aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten berekenen op basis van de netto lange positie in dezelfde onderliggende blootstelling mits aan beide volgende voorwaarden wordt voldaan:

i)  de looptijd van de korte positie komt overeen met de looptijd van de lange positie of heeft een resterende looptijd van ten minste één jaar;

ii)  ofwel worden zowel de lange als de korte positie in de handelsportefeuille aangehouden, ofwel worden beide in de niet-handelsportefeuille aangehouden;

b)  ze bepalen het af te trekken bedrag voor direct, indirect en synthetisch aangehouden indexeffecten door de doorkijkbenadering te hanteren voor de onderliggende blootstelling met betrekking tot de in die indices vervatte in aanmerking komende passiva-instrumenten.

Artikel 72 deciesAftrekking van in aanmerking komende passiva wanneer de instelling geen aanzienlijke deelneming in MSI-entiteiten bezit

1.  Voor de toepassing van artikel 72 sexies, lid 1, onder c), berekenen instellingen het toepasselijke af te trekken bedrag door het in punt a) van dit lid bedoelde bedrag te vermenigvuldigen met de uit de in punt b) van dit lid bedoelde berekening afgeleide factor:

a)  het totaalbedrag waarmee direct, indirect en synthetisch door de instelling aangehouden tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector en in aanmerking komende passiva-instrumenten van MSI-entiteiten waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, 10 % van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling overschrijdt, berekend na toepassing van het volgende:

i)  de artikelen 32 tot en met 35;

ii)  artikel 36, lid 1, punten a) tot en met g), punt k), onder ii) tot en met v), en punt l) met uitsluiting van het voor uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en voortvloeien uit tijdelijke verschillen, af te trekken bedrag;

iii)  de artikelen 44 en 45;

b)  het bedrag aan direct, indirect en synthetisch door de instelling aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten van MSI-entiteiten waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, gedeeld door het totaalbedrag van direct, indirect en synthetisch door de instelling aangehouden tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector en in aanmerking komende passiva-instrumenten van MSI-entiteiten waarin de af te wikkelen entiteit geen aanzienlijke deelneming heeft.

2.  Instellingen houden de voor vijf of minder werkdagen ingenomen overnemingsposities buiten het in lid 1, onder a), bedoelde bedrag en buiten de berekening van de in lid 1, onder b), bedoelde factor.

3.  Het overeenkomstig lid 1 af te trekken bedrag wordt omgeslagen over elk van de door de instelling aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten van een MSI-entiteit. Instellingen bepalen het overeenkomstig lid 1 af te trekken bedrag van elk in aanmerking komend passiva-instrument door het in dit lid, onder a), gespecificeerde bedrag te vermenigvuldigen met het in dit lid, onder b), gespecificeerde gedeelte:

a)  het overeenkomstig lid 1 af te trekken bedrag aan aangehouden instrumenten;

b)  het gedeelte van het totaalbedrag aan direct, indirect en synthetisch door de instelling aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten van MSI-entiteiten waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft dat wordt vertegenwoordigd door elk door de instelling aangehouden in aanmerking komend passiva-instrument.

4.  Het bedrag aan in artikel 72 sexies, lid 1, onder c), bedoelde aangehouden instrumenten dat gelijk is aan of minder dan 10 % van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling na toepassing van de bepalingen van lid 1, punt a), onder i), ii) en iii), wordt niet afgetrokken en is onderworpen aan de toepasselijke risicogewichten overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 2 of 3, en de in deel drie, titel IV, vastgestelde vereisten, naargelang het geval.

5.  Instellingen bepalen het overeenkomstig lid 4 af te trekken bedrag van elk in aanmerking komend passiva-instrument door het bedrag aan aangehouden instrumenten dat overeenkomstig lid 4 naar risico moet worden gewogen, te vermenigvuldigen met het uit de in lid 3, onder b), bedoelde berekening resulterende gedeelte.

Artikel 72 undeciesUitzondering voor de handelsportefeuille wat betreft aftrekkingen van in aanmerking komende passivabestanddelen

1.  Instellingen mogen besluiten om een aangegeven deel van de door hen direct, indirect en synthetisch aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten, dat in totaal en gemeten op bruto longbasis gelijk is aan of minder dan 5 % van tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling na toepassing van de artikelen 32 tot en met 36 niet af te trekken, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a)  de aangehouden instrumenten worden in de handelsportefeuille aangehouden;

b)  de in aanmerking komende passiva-instrumenten worden voor maximaal 30 werkdagen aangehouden.

2.  Voor de bedragen van de bestanddelen die overeenkomstig lid 1 niet worden afgetrokken, gelden de eigenvermogensvereisten voor bestanddelen in de handelsportefeuille.

3.  Wanneer in het geval van aangehouden bestanddelen die in overeenstemming met lid 1 worden afgetrokken, niet langer aan de in dat lid bepaalde voorwaarden wordt voldaan, worden de aangehouden bestanddelen afgetrokken in overeenstemming met artikel 72 octies, zonder toepassing van de in de artikelen 72 nonies en 72 decies bepaalde uitzonderingen.

Afdeling 3Eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

Artikel 72 duodeciesIn aanmerking komende passiva

De in aanmerking komende passiva van een instelling bestaan uit de in aanmerking komende passivabestanddelen van de instelling na de in artikel 72 sexies bedoelde aftrekkingen.

Artikel 72 terdeciesEigen vermogen en in aanmerking komende passiva

Het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva van een instelling bestaan uit de som van haar eigen vermogen en haar in aanmerking komende passiva.";

(28)  In deel twee, titel II, wordt de titel van hoofdstuk 6 vervangen door:

"Algemene vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva";

(29)  Artikel 73 wordt als volgt gewijzigd:

a)  De titel wordt vervangen door:

"Uitkeringen op instrumenten";

b)  de leden 1 tot en met 4 worden vervangen door:

"1. Kapitaalinstrumenten en verplichtingen waarvoor het volledig ter beoordeling van een instelling staat om te besluiten uitkeringen in een andere vorm uit te betalen dan in contanten of als eigenvermogensinstrumenten, kunnen alleen als tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten of in aanmerking komende passiva-instrumenten worden aangemerkt indien de instelling de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit heeft gekregen.

2. De bevoegde autoriteiten verlenen de in lid 1 bedoelde toestemming uitsluitend indien naar hun oordeel aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)  het vermogen van de instelling om uitkeringen uit hoofde van het instrument te staken, zou niet nadelig worden beïnvloed door de in lid 1 bedoelde beoordelingsbevoegdheid of door de vorm waarin de uitkeringen zouden kunnen worden gedaan;

b)  het vermogen van het instrument of van de verplichting om verliezen te absorberen zou niet nadelig worden beïnvloed door de in lid 1 bedoelde beoordelingsbevoegdheid of door de vorm waarin de uitkeringen zouden kunnen worden gedaan;

c)  de kwaliteit van het kapitaalinstrument of de verplichting zou in geen enkel ander opzicht worden beperkt door de in lid 1 bedoelde beoordelingsbevoegdheid of door de vorm waarin de uitkeringen zouden kunnen worden gedaan.

De bevoegde autoriteit raadpleegt de afwikkelingsautoriteit betreffende de naleving door een instelling van die voorwaarden voordat zij de in lid 1 bedoelde toestemming verleent.

3. Kapitaalinstrumenten en verplichtingen waarvoor het een andere rechtspersoon dan de uitgevende instelling ter beoordeling staat om te besluiten of te verlangen dat de uitkeringen op die instrumenten of passiva in een andere vorm dan in contanten of als eigenvermogensinstrumenten worden gedaan, kunnen niet als tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten of in aanmerking komende passiva-instrumenten worden aangemerkt.

4. Instellingen mogen zich voor het vaststellen van het niveau van de uitkeringen op aanvullend-tier 1-, tier 2- en in aanmerking komende passiva-instrumenten onder meer op een brede marktindex baseren.";

c)  lid 6 wordt vervangen door:

"6. Instellingen melden de brede marktindices waarop hun kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten berusten, en maken deze openbaar.".

(30)  In artikel 75 wordt de inleidende zin vervangen door:

"Aan de in artikel 45, onder a), artikel 59, onder a), artikel 69, onder a), en artikel 72 nonies, onder a), bedoelde looptijdvereisten voor korte posities wordt geacht te zijn voldaan voor aangehouden posities indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:".

(31)  in artikel 76 worden de leden 1, 2 en 3 vervangen door:

"1. Voor de toepassing van artikel 42, onder a), artikel 45, onder a), artikel 57, onder a), artikel 59, onder a), artikel 67, onder a), artikel 69, onder a), en artikel 72 nonies, onder a), mogen instellingen het bedrag van een lange positie in een kapitaalinstrument verlagen met het gedeelte van een index dat is samengesteld uit dezelfde onderliggende blootstelling die wordt afgedekt, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)  ofwel worden zowel de afgedekte lange positie als de korte positie in een index die wordt gebruikt om die lange positie af te dekken, in de handelsportefeuille aangehouden, ofwel worden beide in de niet-handelsportefeuille aangehouden;

b)  de onder a) bedoelde posities worden tegen reële waarde aangehouden op de balans van de instelling.

2. Indien de bevoegde autoriteit haar voorafgaande toestemming heeft verleend, mag een instelling uitgaan van een voorzichtige raming van haar onderliggende blootstelling met betrekking tot in indices opgenomen instrumenten in plaats van haar blootstelling aan één of meer van de in de volgende punten bedoelde bestanddelen te berekenen:

a)  in indices opgenomen eigen tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1-, tier 2- en in aanmerking komende passiva-instrumenten;

b)  in indices opgenomen tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector;

c)  in indices opgenomen in aanmerking komende passiva-instrumenten van instellingen.

"3. De bevoegde autoriteiten verlenen de in lid 2 bedoelde toestemming uitsluitend indien de instelling ten genoegen van die bevoegde autoriteiten heeft aangetoond dat het monitoren van haar onderliggende blootstelling aan de bestanddelen bedoeld in één of meer van de punten van lid 2, naargelang van het geval, voor de instelling in operationeel opzicht belastend zou zijn.".

(32)  Artikel 77 wordt vervangen door:

"Artikel 77Eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

1. Een instelling heeft de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit nodig, wil zij een van beide of elk van beide volgende handelingen doen:

a)  de door de instelling uitgegeven tier 1-kernkapitaalinstrumenten verminderen, aflossen of wederinkopen op een wijze die bij het toepasselijk nationaal recht is toegestaan;

b)  aanvullend-tier 1-instrumenten, tier 2- of in aanmerking komende vreemdvermogensinstrumenten vóór de contractuele vervaldatum opvragen, aflossen, terugbetalen of wederinkopen, naar gelang van het geval.

1 bis.  Een instelling dient de voorafgaande toestemming van de afwikkelingsautoriteit te verkrijgen om de volgende twee handelingen of een daarvan uit te voeren:

a)  in aanmerking komende passiva-instrumenten die niet onder lid 1 vallen vóór de contractuele vervaldatum opvragen, aflossen, terugbetalen of wederinkopen;

b)  opvragen, aflossen, terugbetalen of wederinkopen van instrumenten met een resterende looptijd van minder dan één jaar die voorheen werden aangemerkt als in aanmerking komende passiva-instrumenten en die niet onder lid 1 vallen, wanneer de instelling op individuele basis of de afwikkelingsgroep waarvan de instelling een dochteronderneming is op geconsolideerde basis, naar gelang van het geval, niet voldoet aan het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende vreemd vermogen.

1 ter.  De bevoegde autoriteiten kunnen het vereiste inzake voorafgaande toestemming in lid 1 vervangen door een kennisgevingsvereiste indien de vermindering van het tier 1-kernkapitaal, aanvullend-tier 1-kapitaal en tier 2-kapitaal, naar gelang van het geval, te verwaarlozen is.

1 quater.  Wanneer een instelling de bevoegde autoriteit voldoende waarborgen biedt met betrekking tot haar capaciteit om te opereren met eigen vermogen in voldoende mate boven het bedrag van de in deze verordening en in Richtlijn 2013/36/EU bepaalde vereisten, kan de instelling eender welke handeling onder lid 1 ondernemen, op voorwaarde dat:

a)  die handeling niet leidt tot een vermindering van het eigen vermogen van de instelling waardoor dat eigen vermogen lager zou uitvallen dan het bedrag vereist in deze verordening en in Richtlijn 2013/36/EU en een bijkomende marge van 2,5 % van het totaal van de risicoposten overeenkomstig artikel 92, lid 3, van deze verordening;

b)  de instelling informeert de bevoegde autoriteit over haar voornemen om een van de in lid 1 vermelde handelingen te ondernemen en verschaft alle nodige informatie om te beoordelen of aan de voorwaarden zoals vermeld in de eerste alinea van dit lid van dat lid is voldaan.

Wanneer een instelling de afwikkelingsautoriteit voldoende waarborgen biedt met betrekking tot haar capaciteit om te opereren met eigen vermogen en in aanmerking komend vreemd vermogen in voldoende mate boven het bedrag van de in deze verordening en in Richtlijn 2013/36/EU en Richtlijn 2014/59/EU bepaalde vereisten, kan de instelling eender welke handeling onder lid 1 ondernemen, op voorwaarde dat:

a)  die handeling niet leidt tot een vermindering van het eigen vermogen en in aanmerking komend vreemd vermogen van de instelling waardoor dat eigen vermogen en in aanmerking komend vreemd vermogen lager zou uitvallen dan het bedrag vereist in deze verordening, in Richtlijn 2013/36/EU, in Richtlijn 2014/59/EU en een bijkomende marge van 2,5 % van het totaal van de risicoposten overeenkomstig artikel 92, lid 3, van deze verordening;

b)  de instelling informeert de bevoegde en de afwikkelingsautoriteit over haar voornemen om een van de in lid 1 vermelde handelingen te ondernemen en verschaft alle nodige informatie om te beoordelen of aan de voorwaarden zoals vermeld in de eerste alinea van dit lid van dat lid is voldaan.".

(33)  Artikel 78 wordt vervangen door:

"Artikel 78Toestemming van de toezichthouder voor het verminderen van eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

1.  De bevoegde autoriteit verleent een instelling toestemming voor het verminderen, wederinkopen, opvragen of aflossen van tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1-, tier 2- of in aanmerking komende vreemdvermogensinstrumenten indien er aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)  vroeger dan of op hetzelfde tijdstip als de in artikel 77 bedoelde handeling vervangt de instelling de in artikel 77 bedoelde instrumenten door eigenvermogensinstrumenten van gelijke of hogere kwaliteit tegen voorwaarden die houdbaar zijn voor de inkomstencapaciteit van de instelling;

b)  de instelling heeft ten genoegen van de bevoegde autoriteit aangetoond dat het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva van de instelling na de desbetreffende handeling de in deze verordening, in Richtlijn 2013/36/EU en in Richtlijn 2014/59/EU vastgestelde vereisten zouden overschrijden met een marge die de bevoegde autoriteit noodzakelijk acht.

De bevoegde autoriteit raadpleegt de afwikkelingsautoriteit voordat zij de in lid 1 bedoelde toestemming verleent.

Wanneer een instelling voldoende waarborgen biedt met betrekking tot haar capaciteit om te opereren met eigen vermogen boven het bedrag van de in deze verordening, in Richtlijn 2013/36/EU en in Richtlijn 2014/59/EU vastgestelde vereisten, kan de afwikkelingsautoriteit, na raadpleging van de bevoegde autoriteit, die instelling een algemene voorafgaande toestemming verlenen om in aanmerking komende passiva-instrumenten op te vragen, af te lossen, terug te betalen of weder in te kopen, op voorwaarde dat criteria in acht worden genomen die waarborgen dat dit soort toekomstige maatregelen in overeenstemming is met de in de punten a) en b) van dit lid bepaalde voorwaarden. Deze algemene voorafgaande toestemming wordt alleen verleend voor een bepaalde periode, die niet meer dan één jaar bedraagt, waarna deze kan worden verlengd. De algemene voorafgaande toestemming wordt alleen verleend voor een bepaald vooraf vastgesteld bedrag, dat door de afwikkelingsautoriteit wordt bepaald. Afwikkelingsautoriteiten stellen de bevoegde autoriteiten in kennis van algemene voorafgaande toestemmingen die ze verlenen.

Wanneer een instelling voldoende waarborgen biedt met betrekking tot haar capaciteit om te opereren met eigen vermogen boven het bedrag van de in deze verordening, in Richtlijn 2013/13/EU en in Richtlijn 2014/59/EU bepaalde vereisten, kan de bevoegde autoriteit, na raadpleging van de afwikkelingsautoriteit, die instelling een algemene voorafgaande toestemming verlenen om in aanmerking komende passiva-instrumenten op te vragen, af te lossen, terug te betalen of weder in te kopen, op voorwaarde dat criteria in acht worden genomen die waarborgen dat dit soort toekomstige maatregelen in overeenstemming is met de in de punten a) en b) van dit lid bepaalde voorwaarden. Deze algemene voorafgaande toestemming wordt alleen verleend voor een bepaalde periode, die niet meer dan één jaar bedraagt, waarna deze kan worden verlengd. De algemene voorafgaande toestemming wordt verleend voor een bepaald vooraf vastgesteld bedrag, dat door de bevoegde autoriteit wordt bepaald. In het geval van tier 1-kernkapitaalinstrumenten bedraagt dat vooraf bepaalde bedrag niet meer dan 3 % van de betrokken uitgifte en niet meer dan 10 % van het bedrag waarmee het tier 1-kernkapitaal het totaal van de in deze verordening, in Richtlijn 2013/36/EU en in Richtlijn 2014/59/EU vastgestelde tier 1-kernkapitaalvereisten overschrijdt met een marge die de bevoegde autoriteit noodzakelijk acht. In het geval van aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten overschrijdt dat vooraf bepaalde bedrag niet meer dan 10 % van de betrokken uitgifte en niet meer dan 3 % van het totale bedrag van uitstaande aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten, naar gelang van het geval. In het geval van in aanmerking komende passiva-instrumenten wordt het vooraf bepaalde bedrag vastgesteld door de afwikkelingsautoriteit nadat deze de bevoegde autoriteit heeft geraadpleegd.

De bevoegde autoriteiten trekken de algemene voorafgaande toestemming in wanneer een instelling een van de ten behoeve van die toestemming vastgestelde criteria schendt.

2.  Bij het uit hoofde van lid 1, punt a), beoordelen van de houdbaarheid van de vervangingsinstrumenten voor de inkomstencapaciteit van de instelling houden de bevoegde autoriteiten rekening met de mate waarin die vervangende kapitaalinstrumenten en verplichtingen voor de instelling kostbaarder zouden zijn dan die welke ze zouden vervangen.

3.  Indien een instelling een in artikel 77, onder a), bedoelde handeling verricht en het toepasselijke nationale recht verbiedt het aflossen van de in artikel 27 bedoelde tier 1-kernkapitaalinstrumenten te weigeren, kan de bevoegde autoriteit ontheffing verlenen van de in lid 1 van dit artikel gestelde voorwaarden, op voorwaarde dat de bevoegde autoriteit van de instelling verlangt dat deze de aflossing van die instrumenten op een passende basis beperkt.

4.  De bevoegde autoriteiten kunnen instellingen toestaan om aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten op te vragen, af te lossen of weder in te kopen gedurende vijf jaar na de datum van uitgifte ervan wanneer aan de voorwaarden van lid 1 en een van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)  de indeling van die instrumenten volgens de regelgeving ondergaat een wijziging, ten gevolge waarvan ze waarschijnlijk zouden worden uitgesloten van het eigen vermogen of worden heringedeeld als eigen vermogen van lagere kwaliteit, en de beide onderstaande voorwaarden zijn vervuld:

i)  de bevoegde autoriteit acht dit soort wijziging voldoende zeker;

ii)  de instelling toont ten genoegen van de bevoegde autoriteit aan dat de herindeling van die instrumenten volgens de regelgeving redelijkerwijs niet was te voorzien op het tijdstip van uitgifte ervan;

b)  de toepasselijke fiscale behandeling van die instrumenten ondergaat een wijziging waarvan de instelling ten genoegen van de bevoegde autoriteit aantoont dat zij wezenlijk is en redelijkerwijs niet was te voorzien op het tijdstip van uitgifte van die instrumenten;

c)  op de instrumenten zijn grandfatheringbepalingen op grond van artikel 484 VKV van toepassing;

d)  vroeger dan of op hetzelfde tijdstip als de in artikel 77 bedoelde handeling vervangt de instelling de in artikel 77 bedoelde instrumenten door eigen vermogen of in aanmerking komende passiva-instrumenten van gelijke of hogere kwaliteit tegen voorwaarden die houdbaar zijn voor de inkomstencapaciteit van de instelling, en de bevoegde autoriteit heeft toestemming gegeven voor die maatregel op basis van de vaststelling dat deze uit prudentieel oogpunt gunstig zou zijn en gerechtvaardigd door uitzonderlijke omstandigheden;

e)  de aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten worden wederingekocht ten behoeve van market-makingdoelstellingen.

De bevoegde autoriteit raadpleegt de afwikkelingsautoriteit over die voorwaarden voordat zij toestemming verleent.

5.  De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van het volgende:

a)  de betekenis van "houdbaar voor de inkomstencapaciteit van de instelling";

b)  de in lid 3 bedoelde passende bases voor de beperking van aflossing;

c)  de procedures, met inbegrip van de limieten en procedures voor voorafgaande toestemming door de bevoegde autoriteiten voor het uitvoeren van een in artikel 77 vermelde handeling, en de gegevensvereisten voor een verzoek van een instelling om toestemming van de bevoegde autoriteit om de in artikel 77 vermelde handeling uit te voeren, daaronder begrepen de bij aflossing van aan leden van coöperaties uitgegeven aandelen toe te passen procedure, en de termijn voor de behandeling van een dergelijk verzoek;

d)  de in lid 4 bedoelde uitzonderlijke omstandigheden;

e)  de betekenis van het in lid 4 genoemde begrip "market making".

De EBA dient deze ontwerpen van technische reguleringsnormen binnen [drie maanden na de inwerkingtreding] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.".

(34)  Artikel 79 wordt als volgt gewijzigd:

a)  De titel wordt vervangen door:

"Tijdelijke ontheffing van de aftrekking van eigen vermogen en in aanmerking komende passiva";

b)  lid 1 wordt vervangen door:

"1. Indien een instelling tijdelijk houder is van kapitaalinstrumenten of passiva houdt of achtergestelde leningen heeft toegestaan, naar gelang van het geval, die tijdelijk als tier 1-kernkapitaal, aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten in een entiteit uit de financiële sector of als in aanmerking komende passiva-instrumenten in een instelling kwalificeren, en de bevoegde autoriteit van oordeel is dat het aanhouden van die instrumenten dient voor een financiëlebijstandsoperatie om die entiteit of instelling te saneren en te redden, kan de bevoegde autoriteit tijdelijk ontheffing verlenen van de bepalingen inzake aftrek die anders op die instrumenten van toepassing zouden zijn.".

(35)  Artikel 80 wordt als volgt gewijzigd:

a)  De titel wordt vervangen door:

"Doorlopende toetsing van de kwaliteit van eigen vermogen en in aanmerking komende passiva";

b)  lid 1 wordt vervangen door:

"1. De EBA bewaakt de kwaliteit van de eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten die door instellingen waar ook in de Unie worden uitgegeven, en stelt de Commissie onmiddellijk in kennis wanneer er significante aanwijzingen zijn dat die instrumenten niet voldoen aan de in deze verordening uiteengezette criteria om in aanmerking te komen.

De bevoegde autoriteiten doen de EBA, onverwijld en op haar verzoek, alle informatie toekomen die de EBA met betrekking tot nieuw uitgegeven kapitaalinstrumenten of nieuwe soorten verplichtingen relevant acht, teneinde de EBA in staat te stellen de kwaliteit te bewaken van de eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten die door instellingen waar ook in de Unie worden uitgegeven.";

c)  in lid 3 wordt de inleidende zin vervangen door:

"3. De EBA verstrekt de Commissie technisch advies betreffende alle belangrijke wijzigingen die volgens haar in de definitie van eigen vermogen en in aanmerking komende passiva moeten worden aangebracht naar aanleiding van een van de volgende gevallen:";

(36)  in artikel 81 wordt lid 1 vervangen door:

"1. Minderheidsbelangen omvatten de som van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van een dochteronderneming, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)  de dochteronderneming is een van de volgende entiteiten:

i)  een instelling;

ii)  een onderneming die krachtens het toepasselijke nationale recht onderworpen is aan de vereisten van deze verordening en van Richtlijn 2013/36/EU;

iii)  een financiële tussenholding in een derde land die aan prudentiële vereisten is onderworpen die even streng zijn als de vereisten die gelden voor kredietinstellingen van dat derde land en wanneer de Commissie, in overeenstemming met artikel 107, lid 4, heeft besloten dat die prudentiële vereisten ten minste gelijkwaardig zijn aan die van deze verordening;

b)  de dochteronderneming is volledig in de consolidatie betrokken overeenkomstig deel een, titel II, hoofdstuk 2;

c)  de tier 1-kernkapitaalbestanddelen als bedoeld in de inleidende zin van dit lid, zijn eigendom van andere personen dan de overeenkomstig deel een, titel II, hoofdstuk 2, in de consolidatie betrokken ondernemingen.";

(37)  Artikel 82 wordt vervangen door:

"Artikel 82In aanmerking komend aanvullend-tier 1-, tier 1- en tier 2-kapitaal en in aanmerking komend eigen vermogen

Het in aanmerking komend aanvullend-tier 1-, tier 1- en tier 2-kapitaal en het in aanmerking komend eigen vermogen omvatten het minderheidsbelang, aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten, naargelang het geval, en de daaraan gerelateerde ingehouden winsten en agiorekeningen van een dochteronderneming, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)  de dochteronderneming is een van de volgende entiteiten:

i)  een instelling;

ii)  een onderneming die krachtens het toepasselijke nationale recht onderworpen is aan de vereisten van deze verordening en van Richtlijn 2013/36/EU;

iii)  een financiële tussenholding in een derde land die aan prudentiële vereisten is onderworpen die even streng zijn als de vereisten die gelden voor kredietinstellingen van dat derde land en wanneer de Commissie, in overeenstemming met artikel 107, lid 4, heeft besloten dat die prudentiële vereisten ten minste gelijkwaardig zijn aan die van deze verordening;

b)  de dochteronderneming is volledig in de consolidatie betrokken overeenkomstig deel een, titel II, hoofdstuk 2;

c)  die instrumenten zijn eigendom van andere personen dan de overeenkomstig deel één, titel II, hoofdstuk 2, in de consolidatie betrokken ondernemingen.".

(38)  In artikel 83, lid 1, wordt de inleidende zin vervangen door:

"1. Aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten die door een special purpose-entiteit worden uitgegeven en de daaraan gerelateerde agiorekeningen worden tot en met 31 december 2021 uitsluitend in het in aanmerking komend aanvullend-tier 1-, tier 1- of tier 2-kapitaal of in aanmerking komend eigen vermogen, naargelang het geval, opgenomen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:";

(38 bis)  in artikel 85 wordt de volgende alinea toegevoegd:

"4. Indien kredietinstellingen die blijvend in een netwerk zijn aangesloten bij een centraal orgaan, alsook instellingen die deel uitmaken van een institutioneel protectiestelsel waarop de voorwaarden van artikel 113, lid 7, van toepassing zijn, een kruiselingse garantieregeling hebben ingesteld waarin geen feitelijke of juridische belemmering van wezenlijk belang aanwezig of te voorzien is om het bedrag aan eigen vermogen boven de reguleringsvereisten over te dragen van de tegenpartij naar de kredietinstelling, worden deze instellingen ontheven van de bepalingen van dit artikel betreffende aftrekkingen en kunnen zij een minderheidsbelang dat ontstaat in het kader van de kruislingse garantieregeling ten volle erkennen.

(130 ter)  in artikel 87 wordt de volgende alinea toegevoegd:

"4. Indien kredietinstellingen die blijvend in een netwerk zijn aangesloten bij een centraal orgaan, alsook instellingen die deel uitmaken van een institutioneel protectiestelsel waarop de voorwaarden van artikel 113, lid 7, van toepassing zijn, een kruiselingse garantieregeling hebben ingesteld waarin geen feitelijke of juridische belemmering van wezenlijk belang aanwezig of te voorzien is om het bedrag aan eigen vermogen boven de reguleringsvereisten over te dragen van de tegenpartij naar de kredietinstelling, worden deze instellingen ontheven van de bepalingen van dit artikel betreffende aftrekkingen en kunnen zij een minderheidsbelang dat ontstaat in het kader van de kruislingse garantieregeling ten volle erkennen.

(39)  Artikel 92 wordt als volgt gewijzigd:

a)  aan lid 1 worden de volgende punten toegevoegd:"

"d)  een hefboomratio van 3 %.".

d bis)  in afwijking van punt d) voegt elke MSI 50 % van de MSI-buffer toe aan de hefboomratio van 3 %, berekend overeenkomstig artikel 131, lid 4, van Richtlijn 2013/36/EU.".

b)  in lid 3, worden de punten b), c) en d) vervangen door:

"b)  de eigenvermogensvereisten voor de handelsportefeuilleactiviteiten van een instelling, voor het volgende:

i)  marktrisico's als bepaald overeenkomstig titel IV van dit deel;

ii)  grote blootstellingen die de in de artikelen 395 tot en met 401 bepaalde limieten overschrijden, voor zover een instelling die limieten mag overschrijden, als bepaald overeenkomstig deel vier.

c)  de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's, bepaald overeenkomstig titel IV van dit deel, voor alle bedrijfsactiviteiten die wisselkoers- of grondstoffenrisico's genereren;

d)  de eigenvermogensvereisten, bepaald overeenkomstig titel V, met uitzondering van artikel 379 voor afwikkelingsrisico.".

(40)  De volgende artikelen 92 bis en 92 ter worden ingevoegd:

"Artikel 92 bisVoor MSI's geldende vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

1.  Onverminderd de artikelen 93 en 94 en de in lid 2 van dit artikel vervatte uitzonderingen, voldoen instellingen die als af te wikkelen entiteiten zijn geïdentificeerd en die een MSI of deel van een MSI zijn, te allen tijde aan de volgende vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva:

a)  een risicogebaseerde ratio van 18 %, die het eigen vermogen en in aanmerking komend vreemd vermogen van de instelling vertegenwoordigt, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten berekend in overeenstemming met de leden 3 en 4 van artikel 92, leden 3 en 4;

b)  een niet-risicogebaseerde ratio van 6,75 %, die het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva van de instelling vertegenwoordigt, uitgedrukt als percentage van de in artikel 429, lid 4, bedoelde maatstaf voor totale blootstelling.

2.  Het in lid 1 vastgestelde vereiste geldt niet in de volgende gevallen:

a)  binnen drie jaar na de datum waarop de instelling of de groep waarvan de instelling deel uitmaakt, als MSI is aangemerkt;

b)  binnen twee jaar na de datum waarop de afwikkelingsautoriteit het bail-in-instrument in overeenstemming met Richtlijn 2014/59/EU heeft toegepast;

c)  binnen twee jaar na de datum waarop de af te wikkelen entiteit een in artikel 32, lid 1, onder b), van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde alternatieve maatregel van de particuliere sector heeft opgezet waarmee kapitaalinstrumenten en andere verplichtingen zijn afgeschreven of in tier 1-kernkapitaal omgezet, om de af te wikkelen entiteit te herkapitaliseren zonder dat afwikkelingsinstrumenten worden toegepast.

3.  Wanneer het totaal resulterend uit de toepassing van de in lid 1, onder a), vastgestelde vereisten op elke af te wikkelen entiteit van dezelfde MSI het vereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva als berekend in overeenstemming met artikel 12 overschrijdt, kan de afwikkelingsautoriteit van de EU-moederinstelling, na raadpleging van de andere betrokken afwikkelingsautoriteiten, in overeenstemming met artikel 45 quinquies, lid 3, of artikel 45 nonies, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU handelen.

Artikel 92 terVoor niet-EU MSI's geldend vereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

1. Instellingen die dochterondernemingen van wezenlijk belang van niet-EU-M-SI's zijn en die geen af te wikkelen entiteiten zijn, voldoen te allen tijde aan een vereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva tussen de 75 % en 90 % van de vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva die in artikel 92 bis zijn vastgesteld.

Ten behoeve van de naleving van lid 1 tellen aanvullend-tier 1-, tier 2- en in aanmerking komende passiva-instrumenten alleen mee wanneer ze worden aangehouden door de moederonderneming van de instelling in een derde land.

2. Het vereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva binnen het in lid 1 genoemde bereik wordt vastgesteld door de ontvangende autoriteit van de dochteronderneming van wezenlijk belang in overleg met de afwikkelingsautoriteit van het land van herkomst van de af te wikkelen groep, rekening houdend met de afwikkelingsstrategie van de groep en de gevolgen voor de financiële stabiliteit.".

(41)  Artikel 94 wordt vervangen door:

"Artikel 94Afwijking voor geringe handelsportefeuilleactiviteiten

1.  In afwijking van artikel 92, lid 3, onder b), mogen instellingen het eigenvermogensvereiste van hun handelsportefeuilleactiviteiten berekenen in overeenstemming met lid 2, op voorwaarde dat de omvang van de handelsportefeuilleactiviteiten in en buiten de balanstelling van de instelling volgens een maandelijks uitgevoerde toetsing gelijk is aan of kleiner dan beide volgende drempelwaarden, uitgaande van de gegevens per de laatste dag van de maand:

a)  5 % van de totale activa van de instelling;

b)  50 miljoen EUR.

2.  Wanneer aan de in lid 1 vermelde voorwaarden is voldaan, mogen instellingen het eigenvermogensvereiste van hun handelsportefeuilleactiviteiten als volgt berekenen:

a)  voor de in bijlage II, punt 1, vermelde contracten, contracten met betrekking tot aandelen als vermeld in bijlage II, punt 3, en kredietderivaten mogen instellingen die posities vrijstellen van het in artikel 92, lid 3, onder b), bedoelde eigenvermogensvereiste;

b)  voor andere dan de onder a) bedoelde posities in de handelsportefeuille mogen instellingen het in artikel 92, lid 3, onder b), bedoelde eigenvermogensvereiste vervangen door het in overeenstemming met artikel 92, lid 3, onder a), berekende vereiste.

3.  Voor de toepassing van lid 1 berekenen instellingen de omvang van hun handelsportefeuilleactiviteiten in en buiten de balanstelling op een gegeven datum met inachtneming van de volgende vereisten:

a)  alle aan de handelsportefeuille in overeenstemming met artikel 104 toegekende posities worden meegenomen in de berekening, met uitzondering van het volgende:

i)  posities in deviezen- en grondstoffenderivaten die zijn opgenomen als interne afdekking tegen blootstellingen aan wisselkoers- en grondstoffenrisico's buiten de handelsportefeuille;

ii)  kredietderivaten die als interne afdekking tegen blootstellingen aan kredietrisico's of tegenpartijrisico's in de niet-handelsportefeuille zijn opgenomen;

b)  alle posities worden tegen hun marktprijzen op die datum gewaardeerd. Indien de marktprijs van een positie op die datum niet beschikbaar is, nemen instellingen de meest recente marktwaarde voor de positie in kwestie;

c)  de absolute waarde van lange posities wordt samengeteld met de absolute waarde van korte posities.

3 bis.  Indien aan beide voorwaarden van artikel 94, lid 1, van deze verordening is voldaan, zijn de bepalingen van de artikelen 102, 103, 104 ter en 105, lid 3, van hoofdstuk 3, titel I, deel 3, van deze verordening niet van toepassing, ongeacht de in de artikelen 74 en 83 van Richtlijn 2013/36/EU genoemde verplichtingen.

4.  Instellingen stellen de bevoegde autoriteiten in kennis wanneer ze de eigenvermogensvereisten voor hun handelsportefeuilleactiviteiten berekenen, of niet langer berekenen, in overeenstemming met dit lid 2.

5.  Een instelling die niet langer aan de voorwaarden van lid 1 voldoet, stelt de bevoegde autoriteit onverwijld daarvan in kennis.

6.  Een instelling berekent niet langer de eigenvermogensvereisten van haar handelsportefeuilleactiviteiten overeenkomstig lid 2 binnen een termijn van drie maanden nadat zich een van de volgende situaties heeft voorgedaan:

a)  de instelling voldoet gedurende drie opeenvolgende maanden niet aan de voorwaarden van lid 1;

b)  de instelling voldoet gedurende meer dan zes maanden van de laatste twaalf maanden niet aan één van de voorwaarden van lid 1.

7.  Ingeval een instelling de eigenvermogensvereisten van haar handelsportefeuilleactiviteiten niet langer in overeenstemming met dit artikel berekent, is het haar pas toegestaan de eigenvermogensvereisten van haar handelsportefeuilleactiviteiten in overeenstemming met dit artikel te berekenen wanneer zij aan de bevoegde autoriteit aantoont dat gedurende een ononderbroken periode van één volledig jaar aan alle voorwaarden van lid 1 is voldaan.

8.  Instellingen mogen geen handelsportefeuillepositie innemen met als enig doel om tijdens de maandelijkse toetsing aan één van de voorwaarden van lid 1 te voldoen."

(42)  Artikel 99 wordt vervangen door:

"Artikel 99Rapportage inzake eigenvermogensvereisten en financiële informatie

1.  Instellingen rapporteren in overeenstemming met dit artikel aan hun bevoegde autoriteiten over de in artikel 92 vastgestelde verplichtingen.

  De rapportage door af te wikkelen entiteiten aan hun bevoegde autoriteiten inzake de in artikel 92 bis en artikel 92 ter vastgestelde verplichtingen vindt ten minste halfjaarlijks plaats.

2.  Naast de in lid 1 bedoelde eigenvermogensrapportage rapporteren instellingen financiële informatie aan hun bevoegde autoriteiten wanneer ze één van de volgende instellingen zijn:

a)  een instelling waarop artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1606/2002 van toepassing is;

b)  een kredietinstelling die haar geconsolideerde jaarrekening opstelt overeenkomstig de internationale standaarden voor jaarrekeningen volgens artikel 5, onder b), van Verordening (EG) nr. 1606/2002.

3.  De bevoegde autoriteiten kunnen kredietinstellingen die hun eigen vermogen op geconsolideerde basis volgens internationale standaarden voor jaarrekeningen bepalen, in overeenstemming met artikel 24, lid 2, van deze verordening, verplichten om financiële informatie in overeenstemming met dit artikel te rapporteren.

4.  De in overeenstemming met lid 1 vereiste rapportage wordt door kleine en niet-complexe instellingen op halfjaarlijkse basis of frequenter ingediend. De in overeenstemming met de leden 2 en 3 vereiste rapportage wordt door kleine en niet-complexe instellingen jaarlijks ingediend.

Alle overige instellingen dienen de in overeenstemming met de leden 1 tot en met 3 vereiste rapportage behoudens lid 6 op halfjaarlijkse basis of frequenter in.

5.  De in de leden 2 en 3 bedoelde rapportage over financiële informatie omvat alleen informatie die noodzakelijk is om een volledig beeld te krijgen van het risicoprofiel van de instelling en van de systeemrisico's die de instelling overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1093/2010 voor de financiële sector of de reële economie vormt.

6.  De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen tot nadere bepaling van de eenvormige formats, de rapportagefrequenties, de rapportagedata, de definities en de IT-oplossingen die voor de in de leden 1, 2 en 3 en in artikel 100 bedoelde rapportage moeten worden toegepast.

De in dit artikel vastgelegde rapportagevereisten worden evenredig op instellingen toegepast, in verhouding tot hun omvang en complexiteit en de aard van hun activiteiten en het daaraan verbonden risico.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen in overeenstemming met artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

7.  De EBA beoordeelt de financiële effecten voor instellingen van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014(19) in termen van compliancekosten en doet de Commissie uiterlijk op [31 december 2019] verslag van haar bevindingen. In dat verslag wordt met name onderzocht of de rapportagevereisten op een voldoende evenredige wijze zijn toegepast. Dit wordt met name onderzocht in het geval van kleine en niet-complexe instellingen.

Met het oog daarop wordt in het verslag:

a)  een indeling gemaakt van instellingen naar omvang en complexiteit en de aard van hun activiteiten en het daaraan verbonden risico. Het verslag bevat met name een categorie voor kleine en niet-complexe instellingen ▌;

b)  de rapportagedruk gemeten waarmee iedere categorie instellingen tijdens de betrokken periode te maken kreeg om te voldoen aan de rapportagevereisten zoals uiteengezet in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014, rekening houdende met de volgende beginselen:

i)  de rapportagedruk wordt gemeten als de verhouding tussen compliancekosten ten opzichte van de netto-inkomsten van instellingen in de betrokken periode;

ii)  de compliancekosten omvatten alle uitgaven die rechtstreeks of indirect verband houden met de implementatie en het permanente opereren van de rapportagesystemen, daaronder begrepen uitgaven voor personeel, IT-systemen, juridische diensten, boekhoudkundige diensten, audit- en consultancydiensten;

iii)  de betrokken periode is elke jaarperiode waarin instellingen compliancekosten hebben moeten maken om zich voor te bereiden op de tenuitvoerlegging van de in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 vastgestelde rapportagevereisten en de rapportagesystemen permanent te blijven opereren;

c)  nagegaan of en in welke mate compliancekosten nieuw opgerichte instellingen wezenlijk hebben belet de markt te betreden;

c bis)  de toegevoegde waarde en de noodzaak van de vergaarde en gemelde gegevens voor prudentiële doeleinden beoordeeld;

d)  nagegaan wat voor elke categorie instelling het effect is van compliancekosten, als bedoeld in punt b) ii), in termen van opportuniteitskosten, en

e)  aanbevelingen gedaan voor wijzigingen aan Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/214 om de rapportagedruk te verminderen voor instellingen of, in voorkomend geval, specifieke categorieën instellingen, rekening houdende met de doelstellingen van deze verordening en van Richtlijn 2013/36/EU, en om de rapportagefrequentie van de krachtens de artikelen 100, 394 en 430 vereiste verslagen te beperken. Daarnaast wordt in het verslag beoordeeld of vrijstelling kan worden verleend van de rapportagevereisten krachtens artikel 100 indien de activabezwaring minder is dan een bepaalde drempelwaarden en indien de bank wordt aangemerkt als klein en niet-complex. In het verslag worden ten minste aanbevelingen geformuleerd over de vraag hoe de omvang en mate van granulariteit van rapportagevereisten kunnen worden verminderd voor kleine en niet-complexe instellingen, zodat de verwachte gemiddelde compliancekosten voor kleine en niet-complexe instellingen in het ideale geval 20 % of meer maar met ten minste 10 % worden verlaagd na volledige toepassing van de beperkte rapportagevereisten.

Voortbouwend op de resultaten van dit verslag van de EBA, brengt de Commissie uiterlijk op [31 december 2020] wijzigingen aan de desbetreffende technische reguleringsnormen aan en dient zij, indien nodig, een of meerdere wetgevingsvoorstellen in voor de omzetting van deze aanbevelingen.

8.  Voor de toepassing van punt 7, onder d), wordt onder "opportuniteitskosten" verstaan: de waarde die voor instellingen als gevolg van compliancekosten verloren gaat aan niet aan cliënten verleende diensten.

9.  De bevoegde autoriteiten raadplegen de EBA over de vraag of andere dan de in de leden 2 en 3 bedoelde instellingen op geconsolideerde basis financiële informatie dienen te rapporteren in overeenstemming met lid 2, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a)  de betrokken instellingen rapporteren nog niet op geconsolideerde basis;

b)  de betrokken instellingen zijn onderworpen aan een kader voor financiële rapportage in overeenstemming met Richtlijn 86/635/EEG;

c)  financiële rapportage wordt noodzakelijk geacht om een volledig beeld te krijgen van het risicoprofiel van de activiteiten van die instellingen en van de systeemrisico's die ze voor de financiële sector of de reële economie vormen zoals uiteengezet in Verordening (EU) nr. 1093/2010.

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen tot nadere bepaling van de formats die door de in de eerste alinea bedoelde instellingen moeten worden gebruikt voor de daarin beschreven doelstellingen.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de tweede alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

10.  Indien een bevoegde autoriteit van oordeel is dat niet door de in lid 6 bedoelde technische uitvoeringsnormen bestreken informatie noodzakelijk is voor de in lid 5 bedoelde doeleinden, brengt zij de EBA en het ESRB op de hoogte van de bijkomende informatie die volgens haar in de in dat lid bedoelde technische uitvoeringsnormen moet worden opgenomen.

11.  De bevoegde autoriteiten kunnen ontheffing verlenen van de vereisten om in de in dit artikel en in de artikelen 100, 101, 394, 415 en 430 bedoelde technische uitvoeringsnormen vermelde gegevens te rapporteren, de rapportagefrequentie beperken, de instelling toestaan in een ander kader te rapporteren wanneer ten minste een van de volgende punten van toepassing is:

a)  die gegevens zijn al voor de bevoegde autoriteiten beschikbaar via andere middelen dan die gespecificeerd op grond van bovengenoemde ▌ uitvoeringsnormen, ook wanneer die informatie voor de bevoegde autoriteiten beschikbaar is in andere formats of andere niveaus van granulariteit; de bevoegde autoriteit kan de in dit lid bedoelde ontheffing slechts verlenen wanneer de gegevens die door middel van dergelijke alternatieve methoden worden verkregen, verzameld of geaggregeerd identiek zijn aan die meetgegevens die anders overeenkomstig de desbetreffende technische uitvoeringsnorm zouden moeten worden gerapporteerd;

b)  de meetgegevens of formats zijn niet binnen een passende termijn voordat de gegevens moeten worden gerapporteerd, geactualiseerd overeenkomstig de wijzigingen van deze verordening;

De bevoegde autoriteiten, de afwikkelingsautoriteiten, de aangewezen autoriteiten en de betrokken autoriteiten wisselen waar mogelijk gegevens uit om ontheffing te verlenen van de rapportagevereisten.

(43)  Artikel 100 wordt vervangen door:

"Artikel 100Rapportagevereisten over activabezwaring

1.  Instellingen rapporteren aan hun bevoegde autoriteiten over hun niveau van activabezwaring.

2.  Het in lid 1 bedoelde rapport geeft een uitsplitsing naar soort activabezwaring, zoals retrocessieovereenkomsten, effectenleningen, gesecuritiseerde blootstellingen of leningen die als zekerheid dienen voor gedekte obligaties. ".

(43 bis)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:

"Artikel 101 bis

Invoering van een uniform en geïntegreerd systeem voor de vergaring en verzameling van statistische en prudentiële gegevens

De EBA ontwikkelt een uniform en geïntegreerd systeem voor de verzameling van statistische en prudentiële gegevens en brengt uiterlijk op [31 december 2019] verslag uit aan de Commissie over haar bevindingen. Het verslag, waarbij alle bevoegde autoriteiten, de voor depositogarantiestelsels verantwoordelijke autoriteiten, de statistische autoriteiten, alle betrokken autoriteiten, met name de ECB, en haar eerdere werkzaamheden op het gebied van het verzamelen van statistische gegevens zijn betrokken, en waarin rekening is gehouden met de eerdere werkzaamheden met betrekking tot een Europees rapportagekader, is gebaseerd op een algemene baten- en kostenanalyse, onder meer met betrekking tot de oprichting van een centraal verzamelpunt, en omvat ten minste

a)  een overzicht van het aantal en de omvang van de door de bevoegde autoriteiten in hun bevoegdheidsgebied vergaarde gegevens en de herkomst en granulariteit hiervan;

b)  een evaluatie van de voltooiing van een uniform woordenboek van de te verzamelen gegevens om de convergentie van de rapportagevereisten, van zowel de gewone rapportagevereisten als van de ad hoc door de bevoegde autoriteiten van de instellingen opgevraagde informatie, te doen toenemen en overbodige verzoeken om gegevens te voorkomen;

c)  een beoordeling, rekening houdend met de bedrijfsactiviteiten van een kleine en niet-complexe instelling, van de toepasselijke datapunten die niet noodzakelijk zijn om te beoordelen of aan de prudentiële vereisten of de financiële situatie van een instelling wordt voldaan, en welke datapunten zouden kunnen worden samengevoegd

d)  een tijdschema voor een geïntegreerd uniform rapportagestelsel met een centraal verzamelpunt dat:

i) een centraal gegevensregister bijhoudt met alle vergaarde statistische en prudentiële gegevens met de vereiste granulariteit en rapportagefrequentie voor de desbetreffende instellingen en dit register volgens de vereiste termijnen actualiseert;

ii) als centraal punt dient voor de bevoegde autoriteiten door alle verzoeken om gegevens van de bevoegde autoriteiten in ontvangst te nemen, te verwerken en te bundelen, de verzoeken te vergelijken met reeds vergaarde rapportagegegevens en de bevoegde autoriteiten tijdig toegang te verlenen tot de opgevraagde informatie;

iii) als één centraal punt dient voor de onder toezicht staande instellingen, dat de verzoeken om statistische en prudentiële gegevens door de bevoegde autoriteiten doorstuurt naar de instellingen en de opgevraagde gegevens invoert in het centrale gegevensregister;

iv) een coördinerende rol heeft bij de uitwisseling van informatie en gegevens tussen de bevoegde autoriteiten;

v) ad-hocverzoeken om gegevens van de bevoegde autoriteiten pas doorstuurt naar de onder toezicht staande instellingen nadat het verzoek is vergeleken met de bestaande verzoeken en met het onder b) bedoelde uniforme woordenboek om overlappingen te voorkomen;

vi) beschikt over toereikende organisatorische, financiële en personele structuren en middelen om zijn opdracht te kunnen uitvoeren;

vii) rekening houdt met beproefde methoden en procedures van de andere bevoegde autoriteiten en deze overdraagt aan een uniform systeem.

viii) ervoor zorgt dat nieuw ingevoerde rapportageverplichtingen niet eerder dan twee jaar na hun publicatie worden toegepast en dat de definitieve rapportagemodellen ten minste één jaar vóór hun toepassingsdatum beschikbaar worden gesteld.

Uiterlijk op ... [een jaar na de indiening van het verslag] dient de Commissie, in voorkomend geval en rekening houdend met het in dit artikel bedoelde verslag, een of meer wetgevingsvoorstellen in bij het Europees Parlement en de Raad voor de invoering van een gestandaardiseerd en geïntegreerd rapportagesysteem voor rapportagevereisten.".

(44)  In artikel 101, lid 1, wordt de inleidende zin vervangen door:

"1.   Instellingen rapporteren op halfjaarlijkse basis de volgende geaggregeerde gegevens aan hun bevoegde autoriteiten voor elke nationale onroerendgoedmarkt ten aanzien waarvan ze zijn blootgesteld:";

(45)  in artikel 101 worden de leden 4 en 5 vervangen door:

"4.   De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen tot nadere bepaling van de eenvormige formats, definities, rapportagefrequenties en -data van de in lid 1 genoemde geaggregeerde data, alsmede de IT-oplossingen.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen in overeenstemming met artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

5.   In afwijking van lid 1 rapporteren kleine instellingen als omschreven in artikel 430 bis de in lid 1 bedoelde informatie op jaarbasis.".

(46)  Artikel 102 wordt als volgt gewijzigd:

a)  de leden 2, 3 en 4 worden vervangen door:

“2. De intentie om te handelen blijkt uit de strategieën, beleidslijnen en procedures die door de instelling in het leven zijn geroepen om de positie of de portefeuille in overeenstemming met artikel 103 en 104 te beheren.

3. Instellingen zorgen voor de inrichting en instandhouding van systemen en controles om hun handelsportefeuille in overeenstemming met artikel 103 te beheren.

4. Posities in de handelsportefeuille worden toegewezen aan door de instelling in overeenstemming met artikel 104 ter opgerichte tradingdesks, tenzij de instelling in aanmerking komt voor de in artikel 94 beschreven behandeling of de in artikel 104 ter, lid 3, bedoelde ontheffing."

de volgende leden 5 en 6 worden toegevoegd:

“5. Op posities in de handelsportefeuille worden de in artikel 105 bepaalde vereisten voor prudente waardering toegepast.

6. Instellingen behandelen interne afdekkingsinstrumenten in overeenstemming met artikel 106.".

(47)  Artikel 103 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 1 wordt vervangen door:

"1. Instellingen beschikken over duidelijk omschreven beleidslijnen en procedures voor het algemene beheer van de handelsportefeuille. Deze beleidslijnen en procedures regelen ten minste:

a)  welke werkzaamheden de instelling met het oog op de eigenvermogensvereisten als commercieel en deel uitmakend van de handelsportefeuilleactiviteiten beschouwt;

b)  de mate waarin een positie dagelijks tegen marktprijs kan worden gewaardeerd onder verwijzing naar een actieve, liquide vraag- en aanbodmarkt;

c)  voor naar modelprijzen gewaardeerde posities de mate waarin de instelling in staat is:

i)  alle wezenlijke risico's van de positie te bepalen;

ii)  alle wezenlijke risico's van de positie af te dekken door middel van instrumenten waarvoor een actieve, liquide vraag- en aanbodmarkt bestaat;

iii)  betrouwbare ramingen af te leiden voor de voornaamste in het model gebruikte aannames en parameters;

d)  de mate waarin een instelling in staat en verplicht is voor de positie waarderingen te produceren die extern op samenhangende wijze kunnen worden gevalideerd;

e)  de mate waarin de wettelijke beperkingen of andere operationele vereisten het vermogen van de instelling aantasten om op korte termijn liquidatie of afdekking van de positie te bewerkstelligen;

f)  de mate waarin een instelling in staat en verplicht is om de risico's van de posities in het kader van haar commerciële werkzaamheden actief te beheren;

g)  de mate waarin de instelling risico's of posities mag overdragen tussen de niet-handelsportefeuille en de handelsportefeuille, en de criteria voor die overdrachten als bedoeld in artikel 104 bis.

b)  in lid 2 wordt de inleidende zin vervangen door:

"2. Bij het beheer van haar posities of groepen van posities in de handelsportefeuille voldoet de instelling aan alle volgende vereisten:";

c)  in artikel 2 wordt punt a) vervangen door:

"a)  ten aanzien van de betrokken posities of portefeuilles in de handelsportefeuille beschikt de instelling over een helder gedocumenteerde handelsstrategie, die door de directie is goedgekeurd en de periode omvat dat ze naar verwachting zullen worden aangehouden;";

d)  in lid 2 wordt het inleidende deel van punt b) als volgt gewijzigd:

"b)  voor het actieve beheer van de posities of portefeuilles in de handelsportefeuille beschikt de instelling over duidelijk omschreven beleidslijnen en procedures. Die beleidslijnen en procedures bepalen onder meer:";

e)  lid 2, onder b) i) wordt als volgt gewijzigd:

"i) welke posities of portefeuilles van posities mogen worden ingenomen door elke tradingdesk of, naar gelang van het geval, door aangewezen handelaren;".

(48)  Artikel 104 wordt vervangen door:

"Artikel 104Opneming in de handelsportefeuille

1.  Instellingen beschikken over duidelijk omschreven beleidslijnen en procedures om te bepalen welke posities in de handelsportefeuille worden opgenomen voor de berekening van hun kapitaalvereisten, overeenkomstig de vereisten van artikel 102, en de definitie van handelsportefeuille in artikel 4, lid 1, punt 86, en het in dit artikel bepaalde, rekening houdende met de capaciteiten en de praktijk van de instelling op het gebied van risicobeheer. De naleving van deze beleidslijnen en van deze procedures wordt volledig door de instelling gedocumenteerd, wordt ten minste op jaarbasis aan een interne controle onderworpen en de uitkomsten van deze controle worden aan de bevoegde autoriteiten beschikbaar gesteld.

2.  Posities in de volgende instrumenten worden toegekend aan de handelsportefeuille:

a)  instrumenten die voldoen aan de criteria voor opneming in de correlatiehandelsportefeuille (hierna "CHP" genoemd), als bedoeld in de leden 7 tot en met 9;

b)  financiële instrumenten die worden beheerd op een in overeenstemming met artikel 104 ter opgerichte tradingdesk;

c)  financiële instrumenten die aanleiding geven tot een netto short credit-positie of een netto shortpositie in aandelen;

d)  instrumenten die voortvloeien uit overnemingsverbintenissen;

e)  als boekhoudkundige handelsactiva of -passiva aangehouden instrumenten gewaardeerd tegen reële waarde;

f)  instrumenten die voortvloeien uit market-makingactiviteiten;

g)  instellingen voor collectieve belegging, op voorwaarde dat deze voldoen aan de in lid 10 van dit artikel bepaalde voorwaarden;

h)  beursgenoteerde aandelen;

i)  handelsgerelateerde EFT's;

j)  opties met inbegrip van bifurcated embedded derivaten van instrumenten in de niet-handelsportefeuille die verband houden met krediet- of aandelenrisico.

Voor de toepassing van punt c) van dit lid heeft een instelling een netto shortpositie in aandelen wanneer een daling in een aandelenkoers resulteert in winst voor de instelling. Dienovereenkomstig heeft een instelling een netto short credit-positie wanneer een verruiming van de creditspread of een verslechtering van de kredietwaardigheid van een uitgevende instelling of groep van uitgevende instellingen voor de instelling in winst resulteert.

3.  Posities in de volgende instrumenten worden niet toegekend aan de handelsportefeuille:

a)  instrumenten aangewezen voor securitisation warehousing;

b)  vastgoedposities;

c)  retail‑ en mkb‑krediet;

d)  andere instellingen voor collectieve belegging niet zijnde die genoemd in lid 2, onder g), waarvoor de instelling niet op dagbasis de doorkijkbenadering voor het fonds kan hanteren of waar de instelling niet op dagbasis reële prijzen voor haar eigenvermogensinvestering in het fonds kan krijgen;

e)  derivatencontracten met onderliggende instrumenten als bedoeld in de punten a) tot en met d);

f)  instrumenten aangehouden om een bepaald risico af te dekken van een positie in een in de punten a) tot en met e) bedoeld instrument.

4.  Niettegenstaande lid 2 is het een instelling toegestaan een positie in een in lid 2, onder e) tot en met j), bedoeld instrument toe te wijzen aan de handelsportefeuille, wanneer die instelling ten genoegen van de bevoegde autoriteiten kan onderbouwen dat de positie niet wordt aangehouden met de intentie om te handelen of ter afdekking van posities die worden ingenomen met de intentie om te handelen.

5.  De bevoegde autoriteiten kunnen van een instelling verlangen dat zij bewijzen levert dat een niet in lid 3 bedoelde positie aan de handelsportefeuille wordt toegekend. Bij gebreke van passende bewijzen kunnen de bevoegde autoriteiten van een instelling verlangen dat zij die positie hertoewijst aan de niet-handelsportefeuille, behalve voor de in de punten a) tot en met d) van lid 2 bedoelde posities.

6.  De bevoegde autoriteiten kunnen van een instelling verlangen dat zij bewijzen levert dat een niet in de punten a) tot en met d) van lid 2 bedoelde positie aan de niet-handelsportefeuille wordt toegekend. Bij gebreke van passende bewijzen kunnen de bevoegde autoriteiten van een instelling verlangen dat zij die positie hertoewijst aan de handelsportefeuille, tenzij die positie is bedoeld in lid 3.

7.  CHP-securitisatieposities en n-th-to-default kredietderivaten die aan alle volgende criteria voldoen, worden aan de CHP toegewezen:

a)  de posities zijn noch hersecuritisatieposities, noch opties op een securitisatietranche, noch andere derivaten van securitisatieblootstellingen die geen evenredig aandeel in de opbrengsten van een securitisatietranche bieden;

b)  alle onderliggende instrumenten ervan zijn:

i)  ofwel single-name-instrumenten, met inbegrip van single-namekredietderivaten, waarvoor een liquide vraag- en aanbodmarkt bestaat;

ii)  ofwel courant verhandelde indices, gebaseerd op de in punt i) bedoelde instrumenten.

Een vraag- en aanbodmarkt wordt geacht te bestaan als er onafhankelijke aanbiedingen te goeder trouw zijn om te kopen en verkopen zodat er binnen één dag een prijs kan worden vastgesteld die redelijk gerelateerd is aan de prijs van de laatste verkoop of actuele concurrerende vraag- en aanbodnoteringen te goeder trouw, en de koop tegen die prijs binnen betrekkelijk korte tijd kan worden gesloten, overeenkomstig de handelsgebruiken.

8.  Posities met een van de volgende onderliggende instrumenten worden niet in de CHP opgenomen:

a)  tot de in de punten h) of i) van artikel 112 bedoelde blootstellingsklassen behorende onderliggende instrumenten;

b)  een vordering op een special purpose-entiteit, die direct of indirect wordt gegarandeerd door een positie die op zich geen overeenkomstig lid 6 toelaatbaar onderdeel van de CHP zou vormen.

9.  Een instelling mag in de CHP posities opnemen die geen securitisatieposities of n-th-to-default kredietderivaten zijn maar die andere posities in die portefeuille afdekken, op voorwaarde dat er voor het instrument of de onderliggende instrumenten ervan een liquide vraag- en aanbodmarkt bestaat als beschreven in de laatste alinea van lid 7.

10.  Een instelling wijst een positie in een instelling voor collectieve belegging aan de handelsportefeuille toe wanneer deze aan ten minste één van de volgende voorwaarden voldoet:

a)  de instelling kan op dagbasis de doorkijkbenadering voor de instelling voor collectieve belegging hanteren;

b)  de instelling kan op dagbasis koersen voor de instelling voor collectieve belegging krijgen.".

(49)  De volgende artikelen 104 bis en 104 ter worden ingevoegd:

"Artikel 104 bisHerindeling van een positie

1.  Instellingen beschikken over duidelijk omschreven beleidslijnen om te identificeren welke uitzonderlijke omstandigheden de herindeling rechtvaardigen van een positie in de handelsportefeuille naar een positie in de niet-handelsportefeuille of, omgekeerd, van een positie in de niet-handelsportefeuille naar positie in een handelsportefeuille, met het oog op het bepalen van hun eigenvermogensvereisten ten genoegen van de bevoegde autoriteiten. Instellingen evalueren deze beleidslijnen ten minste jaarlijks.

Een herindeling van instrumenten is slechts toegestaan onder uitzonderlijke omstandigheden. Hierbij kan het gaan om een herstructurering van een bank die ertoe leidt dat tradingdesks permanent moeten worden gesloten, en die vereist dat de zakelijke activiteit die op het instrument of de portefeuille van toepassing is wordt beëindigd of dat standaarden voor jaarrekeningen zodanig veranderen dat een post tegen reële waarde wordt gewaardeerd via winst en verlies. Marktomstandigheden, veranderingen in de liquiditeit van een financieel instrument of een verandering van de handelsdoeleinden vormen geen gerechtvaardigde redenen om een instrument in een andere portefeuille te herindelen. Een herindeling valt onder de leden 2 tot en met 5 en zorgt ervoor dat de eisen als bedoeld in artikel 104 worden nageleefd. Een herindeling van instrumenten die regelgevingsarbitrage tot doel heeft, is niet toegestaan.

2.  Afgezien van herindelingen die rechtstreeks worden afgedwongen krachtens artikel 104 verlenen de bevoegde autoriteiten ▌alleen toestemming om een positie in de handelsportefeuille her in te delen naar een positie in de niet-handelsportefeuille of, omgekeerd, een positie in de niet-handelsportefeuille naar een positie in de handelsportefeuille, met het oog op het bepalen van hun eigenvermogensvereisten, wanneer de instelling de bevoegde autoriteiten schriftelijk bewijs heeft verschaft dat haar besluit om die positie her in te delen, voortvloeit uit een uitzonderlijke omstandigheid die strookt met de door de instelling in overeenstemming met lid 1 vastgestelde beleidslijnen. Met het oog daarop verschaft de instelling voldoende bewijs dat de positie niet langer voldoet aan de voorwaarde om in overeenstemming met artikel 104 als posities in de handelsportefeuille of de niet-handelsportefeuille te worden ingedeeld.

Het in de eerste alinea bedoelde besluit wordt goedgekeurd door het leidinggevende orgaan van de instelling.

3.  Indien de bevoegde autoriteiten hun toestemming hebben verleend in overeenstemming met lid 2, gaat de instelling als volgt te werk:

a)  op de vroegste rapportagedatum maakt zij de informatie openbaar dat haar positie is heringedeeld;

b)  onverminderd de in lid 4 beschreven behandeling, bepaalt zij vanaf de vroegste rapportagedatum de eigenvermogensvereisten van de heringedeelde positie in overeenstemming met artikel 92.

4.  Indien op de vroegste rapportagedatum de nettoverandering in het bedrag van de uit de herindeling van de positie voortvloeiende eigenvermogensvereisten van de instelling resulteert in een nettoafname van eigen vermogen, houdt de instelling met dat aan deze nettoverandering gelijke aanvullende eigen vermogen rekening en maakt zij het bedrag van dat aanvullende eigen vermogen openbaar. Het bedrag van dit aanvullende eigen vermogen blijft constant totdat de positie afloopt, tenzij de bevoegde autoriteiten de instelling toestaan om dit bedrag op een vroegere datum uit te faseren.

5.  De herindeling van een positie in overeenstemming met dit artikel, met uitzondering van herindelingen die rechtstreeks worden afgedwongen krachtens artikel 104, is onherroepelijk.

Artikel 104 terVereisten voor tradingdesks

1.  Instellingen richten tradingdesks op en wijzen elk van de posities in hun handelsportefeuille toe aan een van die tradingdesks. Posities in een handelsportefeuille worden alleen aan dezelfde tradingdesk toegewezen wanneer deze aan de voor de tradingdesk overeengekomen bedrijfsstrategie voldoen en coherent worden beheerd en gemonitord in overeenstemming met lid 2.

2.  De tradingdesks van instellingen voldoen te allen tijde aan alle volgende vereisten:

a)  elke tradingdesk heeft een heldere en afgebakende bedrijfsstrategie en risicobeheersstructuur die adequaat is voor haar bedrijfsstrategie;

b)  elke tradingdesk heeft een heldere organisatiestructuur; posities in een bepaalde tradingdesk worden beheerd door aangewezen handelaren binnen de instelling; elke handelaar heeft specifieke functies binnen de tradingdesk; één handelaar wordt aan slechts één tradingdesk toegewezen; één handelaar binnen elke tradingdesk neemt een leidende rol op zich bij het toezicht op de activiteiten en de overige handelaren van de tradingdesk;

c)  positielimieten worden binnen elke tradingdesk vastgesteld overeenkomstig de bedrijfsstrategie van die tradingdesk;

d)  rapporten over de activiteiten, de winstgevendheid, het risicobeheer en de regelgevingsvereisten op het niveau van de tradingdesk worden ten minste op weekbasis opgesteld en op regelmatige basis meegedeeld aan het leidinggevende orgaan van de instelling;

e)  elke tradingdesk heeft een helder bedrijfsjaarplan met een welomschreven beloningsbeleid, gebaseerd op deugdelijke criteria voor prestatiemeting.

2 bis.  In afwijking van punt b) kan de bevoegde autoriteit toestaan dat handelaren aan meer dan één tradingdesk worden toegewezen indien de instelling een coöperatieve structuur of een structuur van een institutioneel beschermingsstelsel heeft en ten genoegen van de bevoegde autoriteit aantoont dat haar gecentraliseerde marktrisicobeheer doeltreffend is.

3.  Instellingen stellen de bevoegde autoriteiten in kennis van de wijze waarop ze lid 2 nakomen. De bevoegde autoriteiten kunnen van een instelling verlangen dat deze de structuur of organisatie van haar tradingdesks aanpast om dit artikel in acht te nemen.

4.  In afwijking van lid 1 mogen instellingen die voor het bepalen van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's gebruikmaken van de benaderingen als uiteengezet in artikel 325, lid 1, onder a) en c), om ontheffing vragen voor een deel of alle van de in dit artikel uiteengezette vereisten. De bevoegde autoriteiten kunnen ontheffing verlenen wanneer de instelling aantoont dat:

a)  niet-nakoming van lid 2 geen wezenlijk ongunstig effect zou hebben op de mogelijkheden van de instelling om de marktrisico's van de posities in haar handelsportefeuille te beheren en te bewaken;

b)  de instelling voldoet aan de algemene vereisten inzake het beheer van de handelsportefeuille zoals uiteengezet in artikel 103.".

(50)  Artikel 105 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 1 wordt vervangen door:

"1.   Op alle tegen reële waarde gewaardeerde posities in de handelsportefeuille en in de niet-handelsportefeuille worden de in dit artikel bepaalde normen voor prudente waardering toegepast. Instellingen dragen er in het bijzonder zorg voor dat de prudente waardering van hun posities in de handelsportefeuille een passende mate van zekerheid bereikt, rekening houdende met het dynamische karakter van de tegen reële waarde gewaardeerde posities van de handelsportefeuille en de niet-handelsportefeuille, de vereisten inzake prudentiële soliditeit en de werkwijze en doelstellingen van de kapitaalvereisten met betrekking tot de tegen reële waarde gewaardeerde posities van de handelsportefeuille en de niet-handelsportefeuille.";

b)  de leden 3 en 4 worden vervangen door:

"3.   Instellingen herwaarderen de posities in de handelsportefeuille tegen reële waarde ten minste op dagbasis. Veranderingen in de waardering van die posities worden opgenomen in de resultatenrekening van de instelling.

4.   Instellingen waarderen hun tegen reële waarde gewaardeerde posities in de handelsportefeuille en niet-handelsportefeuille zoveel mogelijk tegen marktwaarde, ook bij het toepassen van de desbetreffende kapitaalvereisten voor die posities.";

c)  de leden 3 en 4 worden vervangen door:

"6.   Indien waardering tegen marktwaarde niet mogelijk is, waarderen instellingen hun posities en portefeuilles op voorzichtige wijze op basis van een modellenbenadering; een en ander geldt ook voor het berekenen van eigenvermogensvereisten voor tegen reële waarde gewaardeerde posities in de handelsportefeuille en de niet-handelsportefeuille.";

d)  in lid 7 wordt de laatste alinea vervangen door:

"Voor de toepassing van punt d) wordt het model, onafhankelijk van de tradingdesks, ontwikkeld of erkend en wordt het op onafhankelijke wijze getoetst, onder meer door het valideren van de wiskundige formules, de aannames en de implementatie van de software.";

e)  in artikel 11 wordt punt a) vervangen door:

"a)  de voor het afdekken van de positie of risicobestanddelen binnen de positie bovenop de in overeenstemming met artikel 325 octoquinquagies aan de risicofactoren van de positie toegekende liquiditeitshorizonten;".

(51)  Artikel 106 wordt als volgt gewijzigd:

a)  de leden 2 en 3 worden vervangen door:

"2.   De vereisten van lid 1 zijn van toepassing onverminderd de vereisten die van toepassing zijn op de afgedekte positie in de niet-handelsportefeuille of in de handelsportefeuille, naar gelang het geval.

3.   Wanneer een instelling een kredietrisicoblootstelling of een tegenpartijrisicoblootstelling in de niet-handelsportefeuille met een in haar handelsportefeuille opgenomen kredietderivaat afdekt, wordt deze kredietderivatenpositie voor de berekening van de in artikel 92, lid 3, onder a), bedoelde risicogewogen posten als een interne afdekking van de kredietrisicoblootstelling of de tegenpartijrisicoblootstelling in de niet-handelsportefeuille opgenomen wanneer de instelling met een in aanmerking komende derde protectiegever een andere kredietderivatentransactie aangaat die aan de vereisten voor niet-volgestorte kredietprotectie in de niet-handelsportefeuille voldoet en het marktrisico van de interne afdekking volkomen compenseert.

Zowel een in overeenstemming met de eerste alinea opgenomen interne afdekking als een met de derde partij aangegaan kredietderivaat worden bij het berekenen van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's in de handelsportefeuille opgenomen.";

b)  de volgende leden 4, 5 en 6 worden toegevoegd:

"4.   Wanneer een instelling een risicoblootstelling aan aandelen met een in haar handelsportefeuille opgenomen aandelenderivaat afdekt, wordt deze aandelenderivatenpositie voor de berekening van de in artikel 92, lid 3, onder a), bedoelde risicogewogen posten als een interne afdekking van de risicoblootstelling aan aandelen in de niet-handelsportefeuille opgenomen wanneer de instelling met een in aanmerking komende derde protectiegever een andere aandelenderivatentransactie aangaat die aan de vereisten voor niet-volgestorte kredietprotectie in de niet-handelsportefeuille voldoet en het marktrisico van de interne afdekking volkomen compenseert.

Zowel een in overeenstemming met de eerste alinea opgenomen interne afdekking als een met de derde partij aangegaan aandelenderivaat worden in de handelsportefeuille opgenomen bij het berekenen van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's.

5. Wanneer een instelling een blootstelling aan renterisico in de niet-handelsportefeuille met een in haar handelsportefeuille opgenomen renterisicopositie afdekt, wordt deze positie voor de beoordeling, in overeenstemming met de artikelen 84 en 98 van Richtlijn 2013/36/EU, van het uit posities in de niet-handelsportefeuille voortvloeiende renterisico beschouwd als een interne afdekking wanneer de volgende voorwaarden zijn vervuld:

a)  de positie is toegewezen aan een in overeenstemming met artikel 104 ter opgerichte tradingdesk waarvan de bedrijfsstrategie uitsluitend bestaat uit het beheren en limiteren van het marktrisico van interne afdekkingen van blootstelling aan renterisico. Met het oog daarop mag die tradingdesk met derden of andere tradingdesks van de instelling andere renterisicoposities aangaan, zolang die andere tradingdesks het marktrisico van die andere renterisicoposities volkomen compenseren door tegengestelde renterisicoposities aan te gaan met derden;

b)  de instelling heeft volledig gedocumenteerd hoe de positie de uit posities in de niet-handelsportefeuille voortvloeiende renterisico's limiteert ten behoeve van de in de artikelen 84 en 98 van Richtlijn 2013/36/EU vastgestelde vereisten.

6. De eigenvermogensvereisten voor marktrisico's van alle posities toegewezen aan of ingenomen door de in lid 3, onder a), bedoelde tradingdesk worden op stand-alone-basis berekend als een afzonderlijke portefeuille en komen bovenop de eigenvermogensvereisten voor de andere posities in de handelsportefeuille.".

(52)  in artikel 107 wordt lid 3 vervangen door:

"3. Voor de toepassing van deze verordening worden blootstellingen met betrekking tot een beleggingsonderneming uit een derde land, een kredietinstelling uit een derde land en een effectenbeurs uit een derde land alleen als blootstellingen met betrekking tot een instelling behandeld voor zover het derde land op die entiteit toezicht- en reguleringsvereisten toepast die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke in de Unie worden toegepast.".

(52 bis)  in artikel 117 wordt lid 2 vervangen door:

"2.  Aan blootstellingen met betrekking tot de volgende multilaterale ontwikkelingsbanken wordt een risicogewicht van 0 % toegekend:

a)  de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling;

b)  de Internationale Financieringsmaatschappij;

c)  de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank;

d)  de Aziatische Ontwikkelingsbank;

e)  de Afrikaanse Ontwikkelingsbank;

f)  de Ontwikkelingsbank van de Raad van Europa;

g)  de Nordic Investment Bank;

h)  de Caraïbische Ontwikkelingsbank;

i)  de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling;

j)  de Europese Investeringsbank;

k)  het Europees Investeringsfonds;

l)  het Multilateraal Agentschap voor Investeringsgaranties;

m)  de Internationale Financieringsfaciliteit voor Inenting;

n)  de Islamitische Ontwikkelingsbank;

n bis)  de Internationale Ontwikkelingsassociatie.

Voor de toepassing van dit lid is de Commissie bevoegd overeenkomstig de artikelen 10 en 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 gedelegeerde handelingen vast te stellen om, rekening houdend met bestaande, op regelgeving gestoelde gelijkwaardigheidsbeoordelingen, te bepalen of multilaterale ontwikkelingsbanken die nog niet in de lijst van dit lid zijn opgenomen, aan de vereisten voldoen om een risicogewicht van 0 % te worden toegekend."

(52 ter)  In artikel 123 wordt een lid 3 bis ingevoegd:

"Aan blootstellingen aan kredieten die worden gedekt door uitbetalingen van loon of pensioenen en worden gegarandeerd door:

i)  een verplichte verzekering die de risico's van overlijden, arbeidsongeschiktheid of werkloosheid van de kredietnemer dekt;

ii)  rechtstreekse terugbetalingen door de werkgever of het pensioenfonds middels aftrek van het loon of pensioen van de debiteur; en

iii)  maandelijkse aflossingen die niet meer bedragen dan 35 % van het maandelijkse netto-inkomen of netto-pensioen,

wordt een risicogewicht van 35 % toegekend."

(52 quater)  Artikel 124 wordt vervangen door:

  "1.  Aan blootstellingen of delen van blootstellingen die volledig zijn gedekt door hypotheken op onroerend goed, wordt een risicogewicht van 100 % toegekend indien de voorwaarden van de artikelen 125 en 126 niet zijn vervuld, behalve voor delen van de blootstellingen die bij een andere categorie blootstellingen zijn ingedeeld. Aan het deel van de blootstelling dat de hypotheekwaarde van het goed te boven gaat, wordt het risicogewicht toegekend dat van toepassing is op de niet-gedekte blootstellingen van de betrokken tegenpartij.

Het deel van een blootstelling dat wordt behandeld als zijnde volledig door onroerend goed gedekt, is niet hoger dan het in zekerheid gegeven bedrag van de marktwaarde of, in de lidstaten die bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen strikte criteria voor de beoordeling van de hypotheekwaarde hebben vastgesteld, de hypotheekwaarde van het betrokken onroerend goed.

2.  Op basis van de overeenkomstig artikel 101 vergaarde gegevens en eventuele andere relevante indicatoren beoordelen de bevoegde autoriteiten periodiek en ten minste jaarlijks of op verzoek van de aangewezen autoriteit als bedoeld in artikel 458, lid 1, of het risicogewicht van 30 % voor de in artikel 125 bedoelde blootstellingen die gedekt zijn door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed dat op hun grondgebied is gesitueerd, en het risicogewicht van 50 % voor in artikel 126 bedoelde blootstellingen die gedekt zijn door hypotheken op zakelijk onroerend goed dat op hun grondgebied is gesitueerd, geschikt zijn op basis van:

a)  de ervaring met verliezen op blootstellingen die door onroerend goed zijn gedekt;

b)  de toekomstige ontwikkelingen op de markten voor onroerend goed;

De bevoegde autoriteiten delen de uitkomst van hun beoordeling met de aangewezen autoriteiten.

3.  Wanneer een bevoegde autoriteit op basis van de in lid 2 van dit artikel genoemde beoordeling vaststelt dat de in artikel 125, lid 2, of artikel 126, lid 2, vastgestelde risicogewichten de feitelijke risico's in verband met blootstellingen die volledig door hypotheken op in de lidstaat van de bevoegde autoriteit gesitueerd zakelijk of niet-zakelijk onroerend goed worden gedekt, niet weerspiegelen, verhoogt zij de risicogewichten die voor die blootstellingen gelden of legt zij strengere criteria dan die van artikel 125, lid 2, of artikel 126, lid 2, op.

De aangewezen autoriteit kan de bevoegde autoriteit verzoeken een beoordeling zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel uit te voeren. De aangewezen autoriteit kan een hoger risicogewicht of strengere criteria dan die van artikel 125, lid 2, en van artikel 126, lid 2, vaststellen als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)  zij heeft de bevoegde autoriteit en het ESRB over de wijzigingen geraadpleegd;

b)  zij is van oordeel dat zonder invoering van de wijzigingen wezenlijke gevolgen voor de huidige of toekomstige financiële stabiliteit in haar lidstaat zullen ontstaan. De bevoegde autoriteiten raadplegen de EBA en stellen de aangewezen autoriteit in kennis van de aanpassingen aan de risicogewichten en de toegepaste criteria.

De bevoegde en aangewezen autoriteiten stellen de EBA en het ESRB in kennis van alle aanpassingen aan de risicogewichten en de overeenkomstig dit lid toegepaste criteria.

De EBA en het ESRB publiceren de risicogewichten en criteria die door de autoriteiten voor de in de artikelen 125, 126 en 199, lid 1, onder a), bedoelde blootstellingen worden vastgesteld.

4.  Voor de toepassing van lid 3 kunnen de bevoegde en aangewezen autoriteiten de risicogewichten binnen het volgende bereik vaststellen:

a)  30 % tot 150 % voor blootstellingen die gedekt zijn door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed;

b)  50 % tot 150 % voor blootstellingen die gedekt zijn door hypotheken op zakelijk onroerend goed.

4 bis.  Wanneer een bevoegde of aangewezen autoriteit overeenkomstig lid 3 een hoger risicogewicht of strengere criteria vaststelt, beschikken de instellingen over een overgangsperiode van zes maanden om het nieuwe risicogewicht toe te passen. De instellingen passen de hogere risicogewichten of strengere criteria, naar gelang van het geval, toe op al hun betreffende blootstellingen die gedekt zijn door hypotheken op in die lidstaat gesitueerd zakelijk en niet-zakelijk onroerend goed.

4 ter.  De EBA ontwikkelt in samenwerking met het ESRB ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de strikte criteria voor het beoordelen van de in lid 1 bedoelde hypotheekwaarde en de in lid 2 bedoelde voorwaarden die de bevoegde autoriteiten in aanmerking moeten nemen bij het vaststellen van hogere risicogewichten.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 31 december 2019 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

5.  De instellingen van een lidstaat passen de door de autoriteiten van een andere lidstaat vastgestelde risicogewichten en criteria toe op blootstellingen die gedekt zijn door hypotheken op zakelijk en niet-zakelijk onroerend goed dat in die lidstaat gelegen is."

(52 quinquies)  Artikel 125 wordt vervangen door:

"Artikel 125

Blootstellingen die geheel en volledig door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed zijn gedekt

1.   Tenzij de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 124, lid 2, anders beslissen, worden blootstellingen die geheel en volledig door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed zijn gedekt, als volgt behandeld:

a)   aan blootstellingen of delen van blootstellingen die geheel en volledig zijn gedekt door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed dat wordt of zal worden bewoond of verhuurd door de eigenaar of de uiteindelijk gerechtigde in het geval van een particuliere beleggingsonderneming, wordt een risicogewicht van 30 % toegekend;

b)   aan blootstellingen ten aanzien van een huurder in het kader van leasingtransacties met betrekking tot niet-zakelijk onroerend goed, waarbij de instelling de leasegever is en de huurder een koopoptie heeft, wordt een risicogewicht van 35 % toegekend mits de blootstelling van de instelling geheel en volledig is gedekt door haar eigendom van het onroerend goed.

2.   Voor de toepassing van lid 1 beschouwen de instellingen een blootstelling of deel van een blootstelling uitsluitend als geheel en volledig gedekt indien er aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)   de waarde van het onroerend goed hangt niet in wezenlijke mate af van de kredietkwaliteit van de kredietnemer. De instellingen kunnen van de bepaling van het wezenlijke karakter van deze afhankelijkheid situaties uitsluiten waarin louter macro-economische factoren een negatief effect hebben op zowel de waarde van het onroerend goed als het betalingsgedrag van de kredietnemer;

b)   het risico van de kredietnemer hangt niet in wezenlijke mate af van het rendement van het onderliggend onroerend goed of project, maar veeleer van het onderliggende vermogen van de kredietnemer om de schuld uit andere bronnen terug te betalen, en de terugbetaling van de faciliteit hangt bijgevolg niet in wezenlijke mate af van enigerlei kasstroom die wordt gegenereerd door het onderliggend onroerend goed dat als zekerheid fungeert. Voor deze andere bronnen bepalen de instellingen in het kader van hun leningsbeleid de maximale loan-to-income ratio's en verkrijgen zij bij het verstrekken van de lening passende informatie over het betrokken inkomen;

c)  er wordt voldaan aan de vereisten van artikel 208 en aan de waarderingsregels van artikel 229, lid 1;

d)  tenzij overeenkomstig artikel 124, lid 2, anders is bepaald, bedraagt het deel van de lening waaraan het risicogewicht van 30 % is toegekend niet meer dan 75 % van de marktwaarde van het betrokken onroerend goed, of 75 % van de hypotheekwaarde van het betrokken onroerend goed, in lidstaten die bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen strenge criteria voor de beoordeling van de hypotheekwaarde hebben vastgesteld;

3.  Voor blootstellingen die geheel en volledig gedekt zijn door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed dat op het grondgebied van een lidstaat gelegen is, kunnen de instellingen afwijken van lid 2, onder b), indien de bevoegde autoriteit van die lidstaat informatie heeft gepubliceerd waaruit blijkt dat er op dat grondgebied sprake is van een goed ontwikkelde en reeds geruime tijd bestaande markt voor niet-zakelijk onroerend goed met verliescijfers die de volgende maxima niet overschrijden:

a)  verliezen die voortvloeien uit leningen die gegarandeerd worden door niet-zakelijk onroerend goed tot 80 % van de marktwaarde of tot 80 % van de hypotheekwaarde, tenzij anders bepaald overeenkomstig artikel 124, lid 2, bedragen in een gegeven jaar niet meer dan 0,3 % van de uitstaande leningen die gegarandeerd worden door niet-zakelijk onroerend goed;

b)  de totale verliezen die voortvloeien uit leningen die gegarandeerd worden door niet-zakelijk onroerend goed, bedragen in een gegeven jaar niet meer dan 0,5 % van de uitstaande leningen die gegarandeerd worden door niet-zakelijk onroerend goed.

4.   Indien in een gegeven jaar niet aan een van beide in lid 3 genoemde maxima is voldaan, kan niet langer gebruik worden gemaakt van lid 3 en geldt de in lid 2, onder b), gestelde voorwaarde totdat er in een volgend jaar aan de in lid 3 gestelde voorwaarden wordt voldaan."

(53)  In artikel 128 worden de leden 1 en 2 vervangen door:

"1. Instellingen kennen een risicogewicht van 150 % toe aan blootstellingen waaraan bijzonder hoge risico's verbonden zijn.

2. Voor de toepassing van dit artikel behandelen instellingen speculatieve financiering van onroerend goed als blootstellingen waaraan bijzonder hoge risico's verbonden zijn.".

(54)  Artikel 132 wordt vervangen door:

"Artikel 132Eigenvermogensvereisten voor blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in icb's

1.  Instellingen berekenen de risicogewogen posten voor hun blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een icb door de risicogewogen posten van de icb-blootstellingen, berekend in overeenstemming met de in de eerste alinea van lid 2 bedoelde benaderingen, te vermenigvuldigen met het percentage door die instellingen aangehouden rechten van deelneming of aandelen.

2.  Wanneer aan de voorwaarden van lid 3 is voldaan, mogen instellingen de doorkijkbenadering in overeenstemming met artikel 132 bis, lid 1, of de benadering op basis van het beleggingsbeleid in overeenstemming met artikel 132 bis, lid 2, toepassen.

Onverminderd artikel 132 ter, lid 2, kennen instellingen die de doorkijkbenadering of de benadering op basis van het beleggingsbeleid niet toepassen, een risicogewicht van 1,250 % ("fall-backbenadering") toe op hun blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een icb.

Instellingen mogen de risicogewogen posten voor hun blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een icb berekenen door de in dit lid genoemde benaderingen te combineren, mits aan de voorwaarden voor het gebruik van die benaderingen is voldaan.

3.  Instellingen mogen de risicogewogen posten van blootstellingen van een icb bepalen in overeenstemming met de in artikel 132 bis beschreven benaderingen wanneer aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a)  de icb is een van de volgende entiteiten:

i)  een onder Richtlijn 2009/65/EG vallende instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe);

ii)  een abi beheerd door een EU-abi-beheerder die overeenkomstig artikel 3, lid 3, van Richtlijn 2011/61/EU notificatie heeft gedaan;

iii)  een abi beheerd door een EU-abi-beheerder met een vergunning op grond van artikel 6 van Richtlijn 2011/61/EU;

iv)  een abi beheerd door een niet-EU-abi-beheerder met een vergunning op grond van artikel 37 van Richtlijn 2011/61/EU;

v)  een niet-EU-abi beheerd door een niet-EU-abi-beheerder en verhandeld in overeenstemming met artikel 42 van Richtlijn 2011/61/EU;

b)  het prospectus of daarmee gelijk te stellen document van de icb bevat het volgende:

i)  de categorieën activa waarin de icb mag beleggen;

ii)  indien beleggingslimieten van toepassing zijn: de geldende limieten en berekeningsmethoden;

c)  de rapportage door de icb aan de instelling voldoet aan de volgende vereisten:

i)  over de activiteiten van de icb wordt ten minste even frequent gerapporteerd als over die van de instelling;

ii)  de financiële informatie is voldoende gedetailleerd om de instelling in staat te stellen de risicogewogen posten van de icb te berekenen in overeenstemming met de door de instelling gekozen benadering;

iii)  wanneer de instelling de doorkijkbenadering hanteert, wordt de informatie over de onderliggende blootstellingen gecontroleerd door een onafhankelijke derde.

4.  Instellingen die niet over afdoende gegevens of informatie beschikken om de risicogewogen posten van de blootstellingen van een icb te berekenen in overeenstemming met de in artikel 132 bis beschreven benaderingen, mogen een beroep doen op de berekeningen van een derde, mits alle volgende voorwaarden zijn vervuld:

a)  de derde is een van de volgende entiteiten:

i)  de effectenbewaarinstelling of de financiële effectenbewaarinstelling van de icb, op voorwaarde dat de icb uitsluitend in effecten belegt en alle effecten bij die effectenbewaarinstelling of de financiële effectenbewaarinstelling in bewaring geeft;

ii)  voor niet onder punt i) vallende icb's: de icb-beheermaatschappij, op voorwaarde dat de maatschappij voldoet aan de in lid 3, onder a), genoemde criteria;

b)  de derde voert de berekening uit in overeenstemming met de benaderingen genoemd in artikel 132 bis, leden 1, 2 en 3, naar gelang van het geval;

c)  een externe accountant heeft de deugdelijkheid van de berekening van de derde bevestigd.

Instellingen die op berekeningen van derden een beroep doen, vermenigvuldigen de uit die berekeningen resulterende risicogewogen posten van de blootstellingen van een icb met een factor 1,2, op voorwaarde dat die instellingen niet over de noodzakelijke gegevens of informatie beschikken om die berekeningen over te doen.

5  Wanneer een instelling de in artikel 132 bis bedoelde benaderingen toepast voor de berekening van de risicogewogen posten van blootstellingen van een icb ("niveau 1 icb") en een van de onderliggende blootstellingen van de niveau 1 icb is een blootstelling in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een andere icb ("niveau 2 icb"), mogen de risicogewogen posten van de blootstellingen van de niveau 2 icb worden berekend door gebruik te maken van een van de drie in lid 2 beschreven benaderingen. De instelling mag de doorkijkbenadering voor het berekenen van de risicogewogen posten van blootstellingen van icb's op niveau 3 en eventuele verdere niveaus alleen gebruiken wanneer zij die benadering heeft gebruikt voor de berekening van het vorige niveau. In alle overige scenario's gebruikt zij de fall-backbenadering.

6.  De risicogewogen posten van blootstellingen van een icb berekend in overeenstemming met de doorkijkbenadering en de benadering op basis van het beleggingsbeleid worden gemaximeerd op de risicogewogen posten van de blootstellingen van die icb berekend in overeenstemming met de fall-backbenadering.

7.  In afwijking van lid 1 mogen instellingen die de doorkijkbenadering in overeenstemming met artikel 132 bis, lid 1, gebruiken, de risicogewogen posten voor hun blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een icb berekenen door de blootstellingswaarden van die blootstellingen, berekend in overeenstemming met artikel 111, te vermenigvuldigen met het risicogewicht (RWi*), berekend in overeenstemming met de formule van artikel 132 quater, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)  de instellingen berekenen de waarde van hun rechten van deelneming of aandelen in een icb tegen historische kostprijs, terwijl zij de waarde van de onderliggende activa van de icb tegen reële waarde zouden berekenen indien zij de doorkijkbenadering zouden toepassen;

b)  een verandering in de marktwaarde van de rechten van deelneming of aandelen waarvan de instellingen de waarde tegen historische kostprijs berekenen, laat het bedrag aan eigen vermogen van die instellingen en de blootstellingswaarde in verband met die rechten van deelneming of aandelen onverlet.

8.  Voor verplichtingen met een minimumwaarde buiten de belangstelling die een verplichting inhouden tot compensatie van een belegging in rechten van deelneming of aandelen van één of meer icb's indien de marktwaarde van de onderliggende vordering van de icb of icb's onder een bepaalde factor daalt, wordt een conversiefactor van 20 % toegepast om de blootstellingswaard te bepalen indien:

i)  de actuele marktwaarde van de onderliggende blootstellingen van de icb de contante waarde van de drempel dekt of overschrijdt, en

ii)  de instelling of een andere onderneming die in hetzelfde toepassingsgebied van de consolidatie is opgenomen, invloed kan uitoefenen op de samenstelling van de onderliggende blootstellingen van de icb teneinde de mogelijkheid van een verdere verlaging van de overschrijding te beperken, of in zoverre de instelling haar garantie heeft achtergesteld bij de toepassing door de icb of icb's van richtsnoeren die hetzelfde effect zullen hebben dat de mogelijkheid van een verdere verlaging van de overschrijding wordt beperkt.".

(55)  Het volgende artikel 132 bis wordt ingevoegd:

"Artikel 132 bisBenadering voor het berekenen van risicogewogen posten van icb's

1.  Wanneer de voorwaarden van artikel 132, lid 3, zijn vervuld, hanteren instellingen die voldoende informatie over de individuele onderliggende blootstellingen van een icb hebben, voor die blootstellingen de doorkijkbenadering om de risicogewogen posten van de icb te berekenen, waarbij alle onderliggende blootstellingen van de icb naar risico worden gewogen alsof ze rechtstreeks door die instellingen werden aangehouden.

2.  Wanneer de voorwaarden van artikel 132, lid 3, zijn vervuld, mogen instellingen die onvoldoende informatie hebben over de individuele onderliggende blootstellingen van een icb om de doorkijkbenadering te kunnen gebruiken, de risicogewogen posten van die blootstellingen berekenen in overeenstemming met de limieten uit het beleggingsbeleid van de icb en desbetreffende wetgeving.

Voor de toepassing van de eerste alinea voeren instellingen berekeningen uit in de aanname dat de icb binnen volgens haar beleggingsbeleid of de desbetreffende wetgeving toegestane limieten eerst blootstellingen aangaat in de blootstellingen met het hoogste eigenvermogensvereiste en vervolgens in dalende volgorde blootstellingen blijft aangaan totdat de totale maximumblootstellingslimiet is bereikt.

Instellingen voeren de in de eerste alinea bedoelde berekening uit in overeenstemming met de in dit hoofdstuk, in hoofdstuk 5 van deze titel en in de afdelingen 3, 4 of 5 van hoofdstuk 6 van deze titel uiteengezette methoden.

Bij deze berekening gaan de instellingen ervan uit dat een icb haar hefboom maximaal zal vergroten binnen volgens haar beleggingsbeleid of de desbetreffende wetgeving toegestane limieten, waar van toepassing.

3.  In afwijking van artikel 92, lid 3, onder d), mogen instellingen die de risicogewogen posten van blootstellingen van een icb in overeenstemming met de leden 1 of 2 van dit artikel berekenen, het eigenvermogensvereiste voor het risico van aanpassing van de kredietwaardering van derivatenblootstellingen van die icb vervangen door een bedrag gelijk aan 50 % van de blootstellingswaarde van die blootstellingen berekend in overeenstemming met de afdelingen 3, 4 of 5 van hoofdstuk 6 van deze titel, naar gelang van het geval.

In afwijking van de eerste alinea mag een instelling derivatenblootstellingen uitsluiten van de berekening van het eigenvermogensvereiste voor het risico van aanpassing van de kredietwaardering wanneer dat vereiste niet voor die blootstellingen zou gelden indien ze rechtstreeks door de instelling werden ingenomen.

4.  De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen om nader te bepalen hoe instellingen de in lid 2 bedoelde risicogewogen posten moeten berekenen wanneer de voor die berekening vereiste inputs niet beschikbaar zijn.

De EBA dient deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk [negen maanden na de inwerkingtreding] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen in overeenstemming met artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.".

(56)  Het volgende artikel 132 ter wordt ingevoegd:

"Artikel 132 terIn benaderingen voor het berekenen van risicogewogen posten van icb's buiten beschouwing gelaten factoren

1.  Instellingen laten bij de in artikel 132 bedoelde berekeningen door een icb aangehouden tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten die in overeenstemming met, respectievelijk, artikel 36, lid 1, artikel 56 en artikel 66 moeten worden afgetrokken, buiten beschouwing.

2.  Instellingen mogen bij de in artikel 132 bedoelde berekeningen blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in icb's in de zin van artikel 150, lid 1, onder g) en h), buiten beschouwing laten en, in plaats daarvan, de in artikel 133 beschreven behandeling op die blootstellingen toepassen.".

(56 bis)  Het volgende artikel 132 quater wordt ingevoegd:

"Artikel 132 quaterBehandeling van blootstellingen buiten de balanstelling aan icb's

Instellingen berekenen de waarde van risicogewogen posten voor hun posten buiten de balanstelling met het potentieel om te worden omgezet in blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een icb, door de blootstellingswaarden daarvan, berekend in overeenstemming met artikel 111, te vermenigvuldigen met het volgende risicogewicht (RWi*):

a)  voor alle blootstellingen waarvoor instellingen één van de in artikel 132 bis beschreven benaderingen gebruiken:

 

waarbij:

i = de index die de icb aangeeft;

RW= het bedrag dat overeenkomstig artikel 132 bis is berekend

= de waarde van de blootstellingen van icb i;

= de boekwaarde van de activa van icb i;

 

b)  voor alle overige blootstellingen, "

(57)  Artikel 152 wordt vervangen door:

"Artikel 152Behandeling van blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in icb's

1.  Instellingen berekenen de waarden van risicogewogen posten voor blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een icb door de waarde van de risicogewogen posten van de icb, berekend in overeenstemming met de in dit artikel beschreven benaderingen, te vermenigvuldigen met het percentage door die instellingen aangehouden rechten van deelneming of aandelen.

2.  Wanneer de voorwaarden van artikel 132, lid 3, zijn vervuld, hanteren instellingen die voldoende informatie over de individuele onderliggende blootstellingen van een icb hebben, voor die onderliggende blootstellingen de doorkijkbenadering om de risicogewogen posten van de icb te berekenen, waarbij alle onderliggende blootstellingen van de icb naar risico worden gewogen alsof ze rechtstreeks door de instellingen werden aangehouden.

3.  In afwijking van artikel 92, lid 3, onder d), mogen instellingen die de risicogewogen posten van blootstellingen van de icb in overeenstemming met de leden 1 of 2 van dit artikel berekenen, het eigenvermogensvereiste voor het risico van aanpassing van de kredietwaardering van derivatenblootstellingen van die icb vervangen door een bedrag gelijk aan 50 % van de blootstellingswaarde van die blootstellingen berekend in overeenstemming met de afdelingen 3, 4 of 5 van hoofdstuk 6 van deze titel, naar gelang van het geval.

In afwijking van de eerste alinea mag een instelling derivatenblootstellingen uitsluiten van de berekening van het eigenvermogensvereiste voor het risico van aanpassing van de kredietwaardering wanneer dat vereiste niet voor die blootstellingen zou gelden indien ze rechtstreeks door de instelling werden ingenomen.

4.  Instellingen die in overeenstemming met de leden 2 en 3 de doorkijkbenadering toepassen en die voldoen aan de voorwaarden voor permanent gedeeltelijk gebruik in overeenstemming met artikel 150 of die niet voldoen aan de voorwaarden om de in dit hoofdstuk beschreven methoden te gebruiken voor alle of een deel van de onderliggende blootstellingen van de icb, berekenen de risicogewogen posten en verwachte verliesposten in overeenstemming met de volgende beginselen:

a)  voor blootstellingen die onder de in artikel 147, lid 2, onder e), bedoelde categorie blootstellingen in aandelen vallen, passen instellingen de eenvoudige risicogewichtbenadering van artikel 155, lid 2, toe;

b)  voor blootstellingen die onder de categorie securitisatieblootstellingen vallen, passen instellingen de op ratings gebaseerde methode van artikel 261 toe;

c)  voor alle overige onderliggende blootstellingen passen instellingen de in hoofdstuk 2 van deze titel vastgestelde standaardbenadering toe.

Voor de toepassing van punt a) van de eerste alinea, behandelt de instelling, als zij niet in staat is om een onderscheid te maken tussen blootstellingen in niet-beursverhandelde, beursverhandelde en overige aandelen, de betrokken blootstellingen als blootstellingen in overige aandelen.

5.  Wanneer de voorwaarden van artikel 132, lid 3, zijn vervuld, mogen instellingen die onvoldoende informatie hebben over de individuele onderliggende blootstellingen van een icb, de risicogewogen posten van die blootstellingen berekenen in overeenstemming met de in artikel 132 bis, lid 2, uiteengezette benadering op basis van het beleggingsbeleid. Voor de in lid 4, onder a), b) en c), van dit artikel opgesomde blootstellingen passen instellingen evenwel de benaderingen uit die bepalingen toe.

6.  Onverminderd artikel 132 ter, lid 2, passen instellingen die geen doorkijkbenadering in overeenstemming met de leden 2 en 3 van dit artikel of geen benadering op basis van het beleggingsbeleid in overeenstemming met lid 5 van dit artikel toepassen, de in artikel 132, lid 2, bedoelde fall-backbenadering toe.

7.  Instellingen die niet over afdoende gegevens of informatie beschikken om de risicogewogen posten van een icb te berekenen in overeenstemming met de in de leden 2, 3, 4 en 5 beschreven benaderingen, mogen een beroep doen op de berekeningen van een derde, mits alle volgende voorwaarden zijn vervuld:

a)  de derde is een van de volgende entiteiten:

i)  de effectenbewaarinstelling of de financiële effectenbewaarinstelling van de icb, op voorwaarde dat de icb uitsluitend in effecten belegt en alle effecten bij die effectenbewaarinstelling of de financiële effectenbewaarinstelling in bewaring geeft;

ii)  voor niet onder punt i) vallende icb's: de icb-beheermaatschappij, op voorwaarde dat die voldoet aan de in artikel 132, lid 3, onder a), genoemde criteria;

b)  voor andere blootstellingen dan die welke in lid 4, onder a), b) en c), worden opgesomd, voert de derde de berekening uit in overeenstemming met de benadering van artikel 132 bis, lid 1;

c)  voor de blootstellingen die in lid 4, onder a), b) en c), worden opgesomd, voert de derde de berekening uit in overeenstemming met de daarin uiteengezette benadering;

d)  een externe accountant heeft de deugdelijkheid van de berekening van de derde bevestigd.

Instellingen die op berekeningen van derden een beroep doen, vermenigvuldigen de uit die berekeningen resulterende risicogewogen posten van de blootstellingen van een icb met een factor 1,2, op voorwaarde dat die instellingen niet over de noodzakelijke gegevens of informatie beschikken om die berekeningen over te doen.

8.  Voor de toepassing van dit artikel is het in artikel 132, leden 5 en 6, en artikel 132 ter bepaalde van toepassing.".

(57 bis)  in artikel 164 worden de leden 5, 6 en 7 vervangen door:

"5.  Op basis van de in het kader van artikel 101 verzamelde gegevens en van andere relevante indicatoren, en rekening houdend met toekomstgerichte ontwikkelingen op de markten voor onroerend goed, beoordelen de bevoegde autoriteiten periodiek, dat wil zeggen minstens eenmaal per jaar of op verzoek van de aangewezen autoriteit, als bedoeld in artikel 458, lid 1, of de minimumwaarden van het LGD zoals bedoeld in lid 4 en de LGD-waarden van blootstellingen met betrekking tot ondernemingen die gedekt zijn door onroerend goed, toereikend zijn voor blootstellingen die gedekt zijn door hypotheken op niet-zakelijk of zakelijk onroerend goed op hun grondgebied.

De bevoegde autoriteiten delen de uitkomst van hun beoordeling met de aangewezen autoriteiten.

Indien een bevoegde autoriteit op basis van de in de eerste alinea bedoelde beoordeling concludeert dat de minimumwaarden van het LGD zoals bedoeld in lid 4 ontoereikend zijn of van mening is dat de LGD-waarden van blootstellingen met betrekking tot ondernemingen die gedekt zijn door onroerend goed ontoereikend zijn, legt zij hogere minimumwaarden van het LGD op voor die blootstellingen op haar grondgebied. Deze hogere minimumwaarden kunnen ook worden toegepast ten aanzien van één of meer onroerendgoedsegmenten van blootstellingen in één of meer delen van haar grondgebied.

De aangewezen autoriteit kan de bevoegde autoriteit verzoeken een beoordeling zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel uit te voeren. De aangewezen autoriteit kan hogere minimumwaarden van het LGD vaststellen indien alle volgende voorwaarden zijn vervuld:

a)  zij heeft de bevoegde autoriteit en het ESRB over de wijzigingen geraadpleegd;

b)  zij is van oordeel dat zonder invoering van de wijzigingen wezenlijke gevolgen voor de huidige of toekomstige financiële stabiliteit in haar lidstaat zullen ontstaan.

De bevoegde autoriteiten stellen de EBA en de aangewezen autoriteit in kennis van alle wijzigingen die zij overeenkomstig de tweede alinea in de minimumwaarden van het LGD aanbrengen; deze LGD-waarden worden door de EBA gepubliceerd.

De aangewezen autoriteiten stellen het ESRB in kennis van alle wijzigingen die zij overeenkomstig de tweede alinea in de minimumwaarden van het LGD aanbrengen; deze LGD-waarden worden door het ESRB gepubliceerd.

6.  De EBA ontwikkelt in samenwerking met het ESRB ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de omstandigheden waarmee de bevoegde autoriteiten rekening moeten houden bij het beoordelen van de toereikendheid van LGD-waarden in het kader van de beoordeling zoals bedoeld in lid 5.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 31 december 2019 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

7.  De instellingen van een lidstaat passen de door de autoriteiten van een andere lidstaat in overeenstemming met lid 5 bepaalde hogere minimumwaarden van het LGD toe op alle overeenkomstige blootstellingen die in die lidstaat zijn gesitueerd."

(57 ter)  In artikel 181, lid 1, wordt het volgende punt ingevoegd na punt a):

"(a bis) In aanvulling op punt a) van dit lid kan een instelling in geval van verkopen van grote omvang haar schattingen van het LGD aanpassen door het van dergelijke verkopen volledig of gedeeltelijk te verrekenen. Wanneer een instelling besluit om een dergelijke aanpassing te verzoeken, informeert zij de bevoegde autoriteit over de omvang, de samenstelling en het tijdstip van dergelijke verkopen. Wanneer de bevoegde autoriteit concludeert dat een aanpassing in de zin van dit lid geen verkoop van grote omvang is, besluit zij binnen vijf dagen na de melding dat de instelling die de melding deed de aanpassing niet mag toepassen. In een dergelijk geval stelt de bevoegde autoriteit de instelling die de melding deed, onmiddellijk in kennis van dit besluit.

Het bepaalde in de eerste alinea is van toepassing tussen 23 november 2016 en [datum van inwerkingtreding van deze verordening + 5 jaar]".

(58)  In artikel 201, lid 1, wordt punt h) vervangen door:

"h) gekwalificeerde centrale tegenpartijen.".

(59)  Het volgende artikel 204 bis wordt ingevoegd:

"Artikel 204 bisIn aanmerking komende soorten aandelenderivaten

1.  Instellingen mogen aandelenderivaten die total return swaps zijn of economisch feitelijk vergelijkbaar, alleen ten behoeve van interne afdekking als toelaatbare kredietprotectie gebruiken.

Indien een instelling kredietprotectie koopt in de vorm van een total return swap en de uit hoofde van die swap ontvangen nettobetalingen als netto-inkomsten boekt, maar nalaat de daartegenover staande waardevermindering van het door middel van verminderingen van de reële waarde of een toevoeging aan de reserves beschermde actief te boeken, wordt die kredietprotectie niet als toelaatbare kredietprotectie aangemerkt.

2.  Indien een instelling gebruikmaakt van een intern afdekkingsinstrument in de vorm van een aandelenderivaat, kan de interne afdekking voor de toepassing van dit hoofdstuk slechts als toelaatbare kredietprotectie worden aangemerkt indien het naar de handelsportefeuille overgehevelde kredietrisico aan een derde of aan derden wordt overgedragen.

Indien overeenkomstig de eerste alinea een intern afdekkingsinstrument is gebruikt en aan de vereisten van dit hoofdstuk is voldaan, passen instellingen bij aankoop van niet-volgestorte kredietprotectie de voorschriften van de afdelingen 4 tot en met 6 van dit hoofdstuk toe voor de berekening van risicogewogen posten en verwachte verliesposten.".

(60)  Artikel 223 wordt als volgt gewijzigd:

a)  in lid 3 wordt de laatste alinea vervangen door:

"In het geval van otc-derivatentransacties berekenen instellingen aan de hand van de in afdeling 6 van hoofdstuk 6 uiteengezette methode EVA als volgt:

.".

b)  In lid 5 wordt de laatste alinea vervangen door:

"In het geval van otc-derivatentransacties houden instellingen die van de in afdelingen 3, 4 en 5 van hoofdstuk 6 van deze titel vastgestelde methoden gebruikmaken, rekening met de risicolimiterende effecten van zekerheden in overeenstemming met de bepalingen van die afdelingen, naargelang het geval."

(60 bis)  in artikel 247 wordt lid 3 vervangen door:

"3.  In afwijking van lid 2 beschikken de toelaatbare verschaffers van niet-volgestorte kredietprotectie die vermeld zijn in artikel 201, lid 1, punten a) tot en met h), behalve gekwalificeerde centrale tegenpartijen, over een kredietbeoordeling door een erkende EKBI waarvoor beslist is deze onder te brengen in kredietkwaliteitscategorie 3 of hoger overeenkomstig artikel 136 en die is ondergebracht in kredietkwaliteitscategorie 2 of hoger op het moment dat de kredietprotectie voor het eerst werd erkend. Instellingen die toestemming hebben om de IRB-benadering toe te passen op een rechtstreekse blootstelling met betrekking tot de protectiegever kunnen de toelaatbaarheid overeenkomstig de eerste zin beoordelen op basis van de gelijkwaardigheid van de PD van de protectiegever met de PD die samenhangt met de in artikel 136 bedoelde kredietkwaliteitscategorieën."

(61)  In artikel 272 worden de punten 6 en 12 vervangen door:

"6) "samenstel van afdekkingsinstrumenten ("hedging set")": een tot eenzelfde netting set behorende groep transacties, waarvoor volledige of gedeeltelijke verrekening is toegestaan om de potentiële toekomstige blootstelling te bepalen volgens de in de afdeling 3 of 4 van dit hoofdstuk beschreven methoden;".

"12) "actuele marktwaarde" (current market value of "CMV"): voor de toepassing van de afdelingen 3, 4 en 5 van dit hoofdstuk, de nettomarktwaarde van alle transacties binnen een netting set, inclusief aangehouden of gestorte zekerheden, waarbij bij de berekening van de CMV zowel positieve als negatieve marktwaarden worden verrekend;".

(62)  In artikel 272 worden de volgende punten 7 bis en 12 bis ingevoegd:

"7 bis) "eenrichtingsmargeovereenkomst": een margeovereenkomst op grond waarvan een instelling aan een tegenpartij variatiemarges moet storten, maar niet gerechtigd is tot ontvangst van variatiemarge van die tegenpartij, of omgekeerd;".

"12 bis) "nettobedrag aan onafhankelijke zekerheden" ("NICA"): de som van de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van de ontvangen of gestorte nettozekerheden, naargelang het geval, van de netting set niet zijnde variatiemarge;".

(63)  Artikel 273 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 1 wordt vervangen door:

"1.  Instellingen berekenen de blootstellingswaarde voor de in bijlage II vermelde contracten op basis van een van de in afdelingen 3 tot en met 6 van dit hoofdstuk beschreven methoden, in overeenstemming met het onderhavige artikel.

Een instelling die niet aan de in artikel 273 bis, lid 2, uiteengezette voorwaarden voldoet, maakt geen gebruik van de in afdeling 4 van dit hoofdstuk beschreven methode. Een instelling die niet aan de in artikel 273 bis, lid 3, uiteengezette voorwaarden voldoet, maakt geen gebruik van de in afdeling 5 van dit hoofdstuk beschreven methode.

Voor het bepalen van de blootstellingswaarde voor de in bijlage II, punt 3, vermelde contracten maakt een instelling geen gebruik van de in afdeling 5 van dit hoofdstuk beschreven methode.

De instellingen kunnen binnen een groep de in de afdelingen 3 tot en met 6 van dit hoofdstuk beschreven methoden permanent in combinatie gebruiken. Een afzonderlijke instelling mag de in de afdelingen 3 tot en met 6 van dit hoofdstuk beschreven methoden niet permanent in combinatie gebruiken.";

b)  de leden 6 tot en met 9 worden vervangen door:

"6. In het kader van alle in de afdelingen 3 tot en met 6 van dit hoofdstuk beschreven methoden is de blootstellingswaarde voor een bepaalde tegenpartij gelijk aan de som van de voor iedere netting set met die tegenpartij berekende blootstellingswaarden.

In afwijking van de eerste alinea wordt, wanneer een margeovereenkomst van toepassing is op meerdere netting sets met die tegenpartij en de instelling voor het berekenen van de blootstellingswaarde van deze netting sets gebruikmaakt van de in afdeling 3 en afdeling 6 van dit hoofdstuk beschreven methode, de in overeenstemming met die afdeling berekende blootstellingswaarde.

Voor een bepaalde tegenpartij ligt de blootstellingswaarde voor een bepaald samenstel van verrekenbare transacties met in bijlage II vermelde otc-derivaten, berekend overeenkomstig dit hoofdstuk, tussen nul en het verschil tussen de som van de blootstellingswaarden van alle samenstellen van verrekenbare transacties met de tegenpartij en de som van de CVA voor die tegenpartij die door de instelling als een ondergane afwaardering in aanmerking wordt genomen. Bij de berekening van de aanpassingen van de kredietwaarderingen wordt geen rekening gehouden met enige compenserende aanpassing van de aan het eigen kredietrisico van de instelling toegekende schuldwaarde die reeds van het eigen vermogen is uitgesloten in overeenstemming met artikel 33, lid 1, onder c).

7. Bij de berekening van de blootstellingswaarde in overeenstemming met de in de afdelingen 3, 4 en 5 van dit hoofdstuk beschreven methoden mogen instellingen de in dezelfde verrekeningsovereenkomst opgenomen perfect matchende otc-derivatencontracten behandelen als één enkel contract waarvan de notionele hoofdsom gelijk is aan nul.

Voor de toepassing van de eerste alinea zijn twee otc-derivatencontracten perfect matchend wanneer ze aan alle volgende voorwaarden voldoen:

a)  de risicoposities ervan zijn tegengesteld;

b)  de kenmerken ervan zijn, afgezien van de transactiedatum, identiek;

c)  de kasstromen compenseren elkaar volledig.

8. Instellingen bepalen de blootstellingswaarde voor uit transacties met afwikkeling op lange termijn voortvloeiende blootstellingen door een van de in de afdelingen 3 tot en met 6 van dit hoofdstuk beschreven methoden toe te passen, ongeacht de methode die door de instelling is gekozen voor de behandeling van otc-derivaten en retrocessietransacties, transacties inzake opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen en margeleningstransacties. Bij de berekening van de eigenvermogensvereisten voor transacties met afwikkeling op lange termijn mag een instelling die de in hoofdstuk 3 beschreven benadering toepast, op permanente basis en ongeacht de materialiteit van die posities, de risicogewichten toekennen volgens de in hoofdstuk 2 beschreven benadering.

9. Voor de in de afdelingen 3 tot en met 6 van dit hoofdstuk beschreven methoden behandelen instellingen transacties waarvoor een specifiek wrongwayrisico is vastgesteld, in overeenstemming met artikel 291.".

(64)  De volgende artikelen 273 bis en 273 ter worden ingevoegd:

"Artikel 273 bisVoorwaarden voor het gebruik van vereenvoudigde methoden om de blootstellingswaarde te berekenen

1.  Een instelling mag de blootstellingswaarde van derivatenposities in overeenstemming met de in afdeling 4 beschreven methode berekenen, op voorwaarde dat de omvang van haar derivatenactiviteiten in en buiten de balanstelling volgens een maandelijks uitgevoerde toetsing gelijk is aan of kleiner dan de volgende drempelwaarden:

a)  10 % van de totale activa van de instelling;

b)  300 miljoen EUR;

2.  Een instelling mag de blootstellingswaarde van derivatenposities in overeenstemming met de in afdeling 5 beschreven methode berekenen, op voorwaarde dat de omvang van haar derivatenactiviteiten in en buiten de balanstelling volgens een maandelijks uitgevoerde toetsing gelijk is aan of kleiner dan de volgende drempelwaarden:

a)  5 % van de totale activa van de instelling;

b)  100 miljoen EUR.

3.  Voor de toepassing van de leden 1 en 2 berekenen instellingen de omvang van hun derivatenactiviteiten in en buiten de balanstelling op een gegeven datum, met inachtneming van de volgende vereisten:

a)  alle posities worden tegen hun marktprijzen op die datum gewaardeerd. Indien de marktwaarde van een positie op een gegeven datum niet beschikbaar is, nemen instellingen een reële waarde voor de positie in kwestie op die datum; Indien de reële waarde of de marktwaarde van een positie op die datum niet beschikbaar is, nemen instellingen de meest recente marktwaarde voor de positie in kwestie;

b)  de absolute waarde van lange posities wordt samengeteld met de absolute waarde van korte posities.

b bis)  alle derivatenposities worden in aanmerking genomen, met uitzondering van kredietderivaten die als interne afdekking tegen kredietrisicoblootstellingen in de niet-handelsportefeuille zijn opgenomen;

4.  Instellingen stellen de bevoegde autoriteiten in kennis van de in de afdelingen 4 of 5 van dit hoofdstuk beschreven methoden die ze gebruiken of niet langer gebruiken, naargelang het geval, om de blootstellingswaarde van hun derivatenposities te berekenen.

5.  Instellingen mogen geen derivatietransactie aangaan met als enige doel om tijdens de maandelijkse toetsing aan één van de voorwaarden van de leden 1 en 2 te voldoen.

Artikel 273 terNiet-naleving van de voorwaarden voor het gebruik van vereenvoudigde methoden ter berekening van de blootstellingswaarde van derivaten

1.  Een instelling die niet meer aan de voorwaarden van artikel 273 bis, lid 1, of 2, voldoet, stelt de bevoegde autoriteit daar onverwijld van in kennis.

2.  Een instelling past niet langer artikel 273 bis, lid 1, of 2, toe binnen drie maanden nadat zich één van de volgende situaties heeft voorgedaan:

a)  de instelling voldoet gedurende drie opeenvolgende maanden niet aan een van de voorwaarden van artikel 273 bis, lid 1, of 2;

b)  de instelling voldoet gedurende meer dan zes maanden van de laatste twaalf maanden niet aan één van de voorwaarden van artikel 273 bis, lid 1, of 2.

3.  Wanneer een instelling niet langer artikel 273 bis, lid 1, of 2, toepast, mag zij alleen de blootstellingswaarde van haar derivatenposities aan de hand van de in afdeling 4 of 5 van dit hoofdstuk, naar gelang het geval, beschreven methoden toepassen, wanneer zij aan de bevoegde autoriteit aantoont dat gedurende een ononderbroken periode van een volledig jaar aan alle in artikel 273 bis, lid 1, of 2, uiteengezette voorwaarden was voldaan.".

(65)  in deel drie, titel II, hoofdstuk 6, wordt afdeling 3 vervangen door:

"Afdeling 3Standaardbenadering voor tegenpartijkredietrisico

Artikel 274Blootstellingswaarde

1.  Een instelling mag voor alle onder een overeenkomst inzake contractuele verrekening vallende transacties één blootstellingswaarde op het niveau van de netting set berekenen indien alle volgende voorwaarden zijn vervuld:

a)  de verrekeningsovereenkomst behoort tot het in artikel 295 bedoelde soort overeenkomsten inzake contractuele verrekening;

b)  de verrekeningsovereenkomst is door de bevoegde autoriteiten erkend in overeenstemming met artikel 296;

c)  de instelling heeft ten aanzien van de verrekeningsovereenkomst de verplichtingen uit hoofde van artikel 297 vervuld.

Wanneer een van deze voorwaarden niet is vervuld, behandelt de instelling elke transactie alsof het haar eigen netting set was.

2.  Instellingen berekenen de blootstellingswaarde van een netting set volgens de standaardbenadering voor de tegenpartijkredietrisicomethode als volgt:

waarbij:

RC   =   de in overeenstemming met artikel 275 berekende vervangingswaarde;

PFE   =   de in overeenstemming met artikel 278 berekende potentiële toekomstige blootstelling;

α   =   1,4.

3.  De blootstellingswaarde van een aan een contractuele margeovereenkomst onderworpen netting set wordt gemaximeerd op de blootstellingswaarde van diezelfde netting set die niet aan enige vorm van margeovereenkomst is onderworpen.

4.  Wanneer meerdere margeovereenkomsten van toepassing zijn op dezelfde netting set, wijzen instellingen elke margeovereenkomst toe aan de groep transacties in de netting set waarop die margeovereenkomst contractueel van toepassing is, en berekenen ze voor elk van deze gegroepeerde transacties afzonderlijk een blootstellingswaarde.

5.  Instellingen mogen de blootstellingswaarde van een netting set die aan alle volgende voorwaarden voldoet, op nul stellen:

a)  de netting set bestaat uitsluitend uit verkochte opties;

b)  de actuele marktwaarde van de netting set is steeds negatief;

c)  de premie van alle in de netting set opgenomen opties is vooraf ontvangen door de instelling om de uitvoering van de contracten te garanderen;

d)  de netting set is niet aan enige margeovereenkomst onderworpen.

6.  In een netting set vervangen instellingen, met het oog op de berekening van de blootstellingswaarde van de netting set in overeenstemming met deze afdeling, een transactie die een lineaire combinatie van alle ge- of verkochte call- of putopties is, door alle individuele opties welke die lineaire combinatie, beschouwd als een individuele transactie, vormen.

Artikel 275Vervangingswaarde

1.  Instellingen berekenen de vervangingswaarde ("RC") voor netting sets die niet aan een margeovereenkomst onderworpen zijn, in overeenstemming met de volgende formule:

2.  Instellingen berekenen de vervangingswaarde voor eenzelfde aan een margeovereenkomst onderworpen netting set in overeenstemming met de volgende formule:

 

waarbij:

RC    =   de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van de op regelmatige basis ontvangen of gestorte netto variatiemarge, naar gelang het geval, om verandering in de CMV van de netting set te limiteren;  

TH    =   de uit hoofde van de margeovereenkomst op de netting set toepasselijke margedrempel waaronder de instelling geen zekerheden kan opvragen;

MTA    =  het uit hoofde van de margeovereenkomst op de netting set toepasselijke minimale overdrachtbedrag.

3.  Instellingen berekenen de vervangingswaarde voor meerdere aan een margeovereenkomst onderworpen netting sets in overeenstemming met de volgende formule:

waarbij:

i  =   de index die aangeeft dat de netting set aan de individuele margeovereenkomst onderworpen is;

CMVi  =   de CMV van de netting set "i";

VMMA   =   de som van de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van de op regelmatige basis ontvangen of gestorte zekerheden, naar gelang het geval, om veranderingen in de CMV van meervoudige netting sets te limiteren;

NICAMA  =   de som van de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van de ontvangen of gestorte zekerheden, naar gelang het geval, voor meervoudige netting sets niet zijnde VMMA.

Voor de toepassing van de eerste alinea mag NICAMA, afhankelijk van het niveau waarop de margeovereenkomst van toepassing is, worden berekend op handelsniveau, op het niveau van de netting set of op het niveau van alle netting sets waarop de margeovereenkomst van toepassing is.

Artikel 276Opname en behandeling van zekerheden

1.  Voor de toepassing van deze afdeling berekenen instellingen de bedragen aan zekerheden van VM, VMMA, NICA en NICAMA door alle volgende voorwaarden toe te passen:

a)  wanneer alle in een netting set opgenomen transacties tot de handelsportefeuille behoren, worden alleen op grond van artikel 299 in aanmerking komende zekerheden opgenomen;

b)  wanneer een netting set ten minste één transactie bevat die tot de niet-handelsportefeuille behoort, worden alleen op grond van artikel 197 toelaatbare zekerheden opgenomen;

c)  van een tegenpartij ontvangen zekerheden worden opgenomen met een positief teken, terwijl bij een tegenpartij gestorte zekerheden met een negatief teken worden opgenomen;

d)  de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van alle soorten ontvangen of gestorte zekerheden wordt berekend in overeenstemming met artikel 223. Ten behoeve van deze berekening gebruiken instellingen de in artikel 225 beschreven methode.

e)  hetzelfde zekerheidsbestanddeel wordt niet tegelijk in VM en NICA opgenomen;

f)  hetzelfde zekerheidsbestanddeel wordt niet tegelijk in VMMA en NICAMA opgenomen;

g)  aan de tegenpartij gestorte zekerheden die gescheiden zijn van de activa van die tegenpartij en, als gevolg van die scheiding, buiten het faillissement vallen in geval van wanbetaling door of insolventie van de tegenpartij, worden niet opgenomen in de berekening van NICA en NICAMA.

2.  Voor de berekening van de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van gestorte zekerheden als bedoeld in lid 1, onder d), vervangen instellingen de formule uit artikel 223, lid 2, door de volgende formule:

3.  Voor de toepassing van lid 1, onder d), stellen instellingen de voor de berekening van de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van ontvangen of gestorte zekerheden toepasselijke liquidatieperiode vast in overeenstemming met één van de volgende tijdshorizonten:

a)  voor de in artikel 276, lid 1, bedoelde netting sets is de tijdshorizon één jaar;

b)  voor de in artikel 276, leden 2 en 3, bedoelde netting sets is de tijdshorizon de margerisicoperiode als bepaald in overeenstemming met artikel 279 quinquies, lid 1, onder b).

Artikel 277Mapping van transacties naar risicocategorieën

1.  Instellingen mappen elke transactie van een netting set naar een van de volgende zes risicocategorieën om de in artikel 278 bedoelde potentiële toekomstige blootstelling van de netting set te bepalen:

a)  renterisico;

b)  wisselkoersrisico;

c)  kredietrisico;

d)  aandelenrisico;

e)  grondstoffenrisico;

f)  overige risico's.

2.  Instellingen voeren de in lid 1 bedoelde mapping uit op basis van de primaire risicodeterminant van de transactie. Voor andere transacties dan die bedoeld in lid 3, is de primaire risicodeterminant de enige substantiële risicodeterminant van een derivatenpositie.

3.  Vanaf [de toepassingsdatum van deze verordening] is voor een aan de handelsportefeuille toegewezen derivatentransactie waarvoor een instelling de in hoofdstuk 1 bis of 1 ter beschreven benaderingen hanteert om de eigenvermogensvereisten voor marktrisico te berekenen, de primaire risicodeterminant de risicofactor waaraan de hoogste absolute gevoeligheid van alle voor die transactie in overeenstemming met hoofdstuk 1 ter van titel IV berekende gevoeligheden is verbonden.

4.  Onverminderd de leden 1 en 2 passen instellingen bij de mapping van transacties naar de in lid 1 opgesomde risicocategorieën de volgende voorwaarden toe:

a)  wanneer de primaire risicodeterminant van een transactie een inflatievariabele is, mapt de instelling de transactie naar de risicocategorie "renterisico";

b)  wanneer de primaire risicodeterminant van een transactie een klimaatafhankelijke variabele is, mapt de instelling de transactie naar de risicocategorie "grondstoffenrisico".

5.  In afwijking van lid 2 mappen instellingen derivatentransacties die meer dan één substantiële risicodeterminant hebben, naar meer dan één risicocategorie. Wanneer alle substantiële risicodeterminanten van één van die transacties tot dezelfde risicocategorie behoren, wordt van instellingen alleen verlangd dat ze die transactie eenmaal naar die risicocategorie mappen op basis van de meest substantiële van die risicodeterminanten. Wanneer de substantiële risicodeterminanten van een van die transacties tot verschillende risicocategorieën behoren, mappen instellingen die transactie eenmaal naar elke risicocategorie waarvoor de transactie, op basis van de meest substantiële van die risicodeterminanten in die risicocategorie, ten minste één substantiële risicodeterminant heeft.

6.  De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

a)  een methode om de enige substantiële risicodeterminant van transacties niet zijnde die bedoeld in lid 3 te identificeren;

b)  een methode om transacties te identificeren met meer dan één substantiële risicodeterminant en om de voor de toepassing van lid 3 meest substantiële van deze risicodeterminanten te identificeren.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk [zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 277 bisHedging sets

1.  Instellingen bepalen de voor elke risicocategorie van netting sets relevante hedging sets en wijzen elk van deze transacties als volgt aan die hedging sets toe:

a)  naar de risicocategorie "renterisico" gemapte transacties worden alleen aan dezelfde hedging set toegewezen indien hun primaire risicodeterminant in dezelfde valuta luidt;

b)  naar de risicocategorie "wisselkoersrisico" gemapte transacties worden aan dezelfde hedging set toegewezen indien hun primaire risicodeterminant op hetzelfde valutapaar is gebaseerd;

c)  alle naar de risicocategorie "kredietrisico" gemapte transacties worden aan dezelfde hedging set toegewezen;

d)  alle naar de risicocategorie "aandelenrisico" gemapte transacties worden aan dezelfde hedging set toegewezen;

e)  naar de risicocategorie "grondstoffenrisico" gemapte transacties worden aan één van de volgende vijf hedging sets toegewezen op grond van de aard van hun primaire risicodeterminant:

i)  energie;

ii)  metalen;

iii)  landbouwproducten;

iv)  klimatologische omstandigheden;

v)  overige grondstoffen;

f)  naar de risicocategorie "overige risico's" gemapte transacties worden alleen aan dezelfde hedging set toegewezen indien hun primaire risicodeterminant identiek is.

Voor de toepassing van punt a) worden naar de risicocategorie "renterisico" gemapte transacties die een inflatievariabele als de primaire risicodeterminant hebben, toegewezen aan afzonderlijke hedging sets niet zijnde de hedging sets bepaald voor transacties gemapt naar de risicocategorie "renterisico" die een inflatievariabele als primaire risicodeterminant hebben. Die transacties worden alleen aan dezelfde hedging set toegewezen indien hun primaire risicodeterminant in dezelfde valuta luidt.

2.  In afwijking van lid 1 bepalen instellingen binnen elke risicocategorie afzonderlijke individuele hedging sets voor de volgende transacties:

a)  transacties waarvoor de primaire risicodeterminant ofwel de impliciete marktvolatiliteit is of de gerealiseerde volatiliteit van een risicodeterminant of de correlaties tussen beide risicodeterminanten;

b)  transacties waarvoor de primaire risicodeterminant het verschil is tussen twee risicodeterminanten die naar dezelfde risicocategorie zijn gemapt of transacties die bestaan uit twee in dezelfde valuta luidende betalingsgedeelten en waarvoor een risicodeterminant uit dezelfde risicocategorie van de primaire risicodeterminant is vervat in het andere betalingsgedeelte dan het gedeelte dat de primaire risicodeterminant bevat.

Voor de toepassing van punt a) van de eerste alinea wijzen instellingen transacties alleen aan dezelfde hedging set van de betrokken risicocategorie toe wanneer de primaire risicodeterminant ervan identiek is.

Voor de toepassing van punt b) van de eerste alinea wijzen instellingen transacties alleen aan dezelfde hedging set van de betrokken risicocategorie toe wanneer het paar van risicodeterminanten in die transacties als bedoeld in punt b) identiek is en de beide in dit paar vervatte risicodeterminanten positief gecorreleerd zijn. Anders wijzen instellingen in punt b) bedoelde transacties toe aan één van de in overeenstemming met lid 1 bepaalde hedging sets, op basis van slechts één van de beide in punt b) bedoelde risicodeterminanten.

3.  Instellingen stellen op verzoek van de bevoegde autoriteiten het aantal in overeenstemming met lid 2 voor elke risicocategorie bepaalde hedging sets beschikbaar, met de primaire risicodeterminant of het paar van risicodeterminanten van elk van deze hedging sets, en met het aantal transacties in elk van die hedging sets.

Artikel 278Potentiële toekomstige blootstelling

1.  Instellingen berekenen de potentiële toekomstige blootstelling (PFE) van een netting set als volgt:

waarbij:

a  =   de index die de in de berekening van de potentiële toekomstige blootstelling van de netting set opgenomen risicocategorieën aangeeft;

AddOn(a)  =   de opslagfactor voor risicocategorie "a" berekend in overeenstemming met de artikelen 280 bis tot en met 280 septies, naar gelang van toepassing;

multiplier  =   de multiplicatorfactor berekend in overeenstemming met de in lid 3 bedoelde formule.

Ten behoeve van deze berekening nemen instellingen de opslagfactor van een bepaalde risicocategorie op in de berekening van de potentiële toekomstige blootstelling van een netting set wanneer ten minste één transactie van de netting set naar die risicocategorie is gemapt.

2.  De potentiële toekomstige blootstelling van aan één margeovereenkomst onderworpen meervoudige netting sets, als bedoeld in artikel 275, lid 3, wordt berekend als de som van alle individuele netting sets alsof deze niet aan enige vorm van margeovereenkomst waren onderworpen.

3.  Voor de toepassing van lid 1 wordt de multiplicator als volgt berekend:

waarbij:

Floorm  =   5 %;

y     =   

z    =

NICAi  =  het nettobedrag aan onafhankelijke zekerheden berekend uitsluitend voor transacties die in de netting set 'i' zijn opgenomen; NICAi wordt berekend op handelsniveau of op het niveau van de netting set, afhankelijk van de margeovereenkomst.

Artikel 279Berekening van de risicopositie

Voor de berekening van de in de artikelen 280 bis tot en met 280 septies bedoelde opslagfactoren voor risicocategorieën berekenen instellingen de risicopositie van iedere transactie van een netting set als volgt:

waarbij:

δ    =  de delta voor toezichtdoeleinden van de transactie berekend in overeenstemming met de in artikel 279 bis bepaalde formule;

AdjNot  =  het aangepaste notionele bedrag van de transactie berekend in overeenstemming met artikel 279 ter;

MF     =  de looptijdfactor van de transactie berekend in overeenstemming met de in artikel 279 bis bepaalde formule.

Artikel 279 bisDelta voor toezichtsdoeleinden

1.  Instellingen berekenen de delta voor toezichtdoeleinden (δ) als volgt:

a)  voor call- en putopties die de optiekoper het recht geven een onderliggend instrument te kopen of verkopen voor een positieve prijs op één datum in de toekomst, behalve wanneer die opties zijn gemapt naar de risicocategorie "renterisico", gebruiken instellingen de volgende formule:

waarbij:

sign  =  -1 als de transactie een verkochte calloptie of een gekochte putoptie is

    +1 als de transactie een gekochte calloptie of een verkochte putoptie is

type  =  -1 als de transactie een putoptie is

    +1 als de transactie een calloptie is

N(x)    =  de cumulatieve distributiefunctie van een standaardnormale toevalsvariabele, d.w.z. de kans dat een normale toevalsvariabele met een gemiddelde van nul en een variantie van één kleiner is dan of gelijk aan "x";

P    =  de spot- of termijnprijs van het onderliggende instrument van de optie;

K    =  de uitoefenprijs van de optie;

T     =  de afloopdatum van de optie, die de enige datum in de toekomst is waarop de optie mag worden uitgeoefend. De afloopdatum wordt uitgedrukt in jaren, volgens de betrokken usances inzake werkdagen;

σ    =  de volatiliteit voor toezichtdoeleinden van de optie bepaald in overeenstemming met tabel 1, op basis van de risicocategorie van de transactie en de aard van het onderliggende instrument van de optie.

Tabel 1

Risicocategorie

Onderliggend instrument

Volatiliteit voor toezichtdoeleinden

Wisselkoers

Alle

15 %

Krediet

 

Single-name-instrument

100 %

Multiple-namesinstrument

80 %

Aandeel

 

Single-name-instrument

120 %

Multiple-namesinstrument

75 %

Grondstof

Elektriciteit

150 %

Andere grondstoffen (elektriciteit uitgezonderd)

70 %

Overige

Alle

150 %

De instelling die de termijnprijs van het onderliggende instrument gebruikt, zorgt ervoor dat:

i) de termijnprijs coherent is met de kenmerken van de optie;

ii) de termijnprijs wordt berekend aan de hand van een relevant rentepercentage dat op het tijdstip van de rapportage geldt;

iii) in de termijnprijs zijn de verwachte kasstromen van het onderliggende instrument vóór het aflopen van de optie verwerkt;

b)   voor tranches van een synthetische securitisatie gebruiken instellingen de volgende formule:

waarbij:

sign  =

A  =   = het attachment point van de tranche;

D  =  het detachment point van de tranche;

c)  voor niet in punt a) of b) vermelde transacties maken instellingen gebruik van de volgende delta voor toezichtdoeleinden:

2.  Voor de toepassing van deze afdeling betekent een longpositie in de primaire risicodeterminant dat de marktwaarde van de transactie toeneemt wanneer de waarde van de primaire risicodeterminant toeneemt, en betekent een shortpositie in de primaire risicodeterminant dat de marktwaarde van de transactie afneemt wanneer de waarde van de primaire risicodeterminant toeneemt.

Voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties is een longpositie een transactie waarvoor het teken van de gevoeligheid van de primaire risicodeterminant positief is, en is een shortpositie een transactie waarvoor het teken van de gevoeligheid van de primaire risicodeterminant negatief is. Voor transacties niet zijnde in artikel 227, lid 3, bedoelde transacties bepalen instellingen of die transacties long- of shortposities in de primaire risicodeterminant zijn, op basis van objectieve informatie over de structuur van die transacties of de intentie ervan.

3.  Instellingen bepalen of een transactie met meer dan één substantiële risicodeterminant een long- of shortpositie is in elk van de substantiële risicodeterminanten in overeenstemming met de op grond van lid 2 voor de primaire risicodeterminant gebruikte benadering.

4.  De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

a)  de formule die instellingen gebruiken voor het berekenen van de delta voor toezichtdoeleinden van call- en putopties die zijn gemapt naar de risicocategorie "renterisico" in overeenstemming met marktomstandigheden waarin rentepercentages negatief kunnen zijn, alsmede de volatiliteit voor toezichtdoeleinden welke voor die formule geschikt is;

b)  welke objectieve informatie over de structuur en het voornemen van een instrument instellingen moeten gebruiken om te bepalen of een niet in artikel 277, lid 2, bedoelde transactie een long- of shortpositie in haar primaire risicodeterminant is.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen binnen [zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 279 terAangepast notioneel bedrag

1.  Instellingen berekenen het aangepaste notionele bedrag als volgt:

a)  voor naar de risicocategorie "renterisico" of de risicocategorie "kredietrisico" gemapte transacties berekenen instellingen het aangepaste notionele bedrag als het product van het notionele bedrag van het derivatencontract vermenigvuldigd met de durationfactor voor toezichtdoeleinden, die als volgt wordt berekend:

waarbij:

R  =   de disconteringsvoet voor toezichtdoeleinden; R = 5 %;

S  =  de aanvangsdatum die de datum is waarop een transactie aanleiding begint te geven tot de vaststelling of het doen van betalingen niet zijnde betalingen in verband met de uitwisseling van zekerheden in het kader van een margeovereenkomst. Wanneer de transactie op de rapportagedatum al aanleiding heeft gegeven tot de vaststelling of het doen van betalingen, is de aanvangsdatum gelijk aan 0. De aanvangsdatum wordt uitgedrukt in jaren, volgens de betrokken usances inzake werkdagen.

Wanneer een transactie één of meerdere toekomstige data heeft waarop de instelling of de tegenpartij mag besluiten om de transactie vóór haar contractuele looptijd stop te zetten, is de startdatum gelijk aan de vroegste van de volgende data:

i) de datum of de vroegste van de diverse toekomstige data waarop de instelling of de tegenpartij mag besluiten om de transactie vóór haar contractuele looptijd stop te zetten;

ii) de datum waarop een transactie aanleiding begint te geven tot de vaststelling of het doen van betalingen niet zijnde betalingen in verband met de uitwisseling van zekerheden in het kader van een margeovereenkomst.

Wanneer een transactie als onderliggend instrument een financieel instrument heeft dat aanleiding kan geven tot contractuele verplichtingen bovenop die van de transactie, wordt de aanvangsdatum van de transactie bepaald op basis van de vroegste datum waarop het onderliggende instrument aanleiding begint te geven tot de vaststelling of het doen van betalingen.

E  =  de einddatum die de datum is waarop de waarde van de laatste contractuele betaling van een transactie wordt uitgewisseld tussen de instelling en de tegenpartij. De einddatum wordt uitgedrukt in jaren, volgens de betrokken usances inzake werkdagen.

Wanneer een transactie als onderliggend instrument een financieel instrument heeft dat aanleiding kan geven tot contractuele verplichtingen bovenop die van de transactie, wordt de einddatum van de transactie bepaald op basis van de laatste contractuele betaling van het onderliggende instrument van de transactie;

b)  voor naar de risicocategorie "wisselkoersrisico" gemapte transacties berekenen instellingen het aangepaste notionele bedrag als volgt:

i)  wanneer de transactie uit één betalingsgedeelte bestaat, is het aangepaste notionele bedrag het notionele bedrag van het derivatencontract;

ii)  wanneer de transactie uit twee betalingsgedeelten bestaat en het notionele bedrag van één betalingsgedeelte in de rapportagevaluta van de instelling luidt, is het aangepaste notionele bedrag het notionele bedrag van het andere betalingsgedeelte;

iii)  wanneer de transactie uit twee betalingsgedeelten bestaat en het notionele bedrag van elk betalingsgedeelte luidt in een andere valuta dan de rapportagevaluta van de instelling, is het aangepaste notionele bedrag het grootste notionele bedrag van de beide betalingsgedeelten nadat die bedragen zijn omgezet in de rapportagevaluta van de instelling tegen de geldende contante wisselkoers;

c)  voor naar de risicocategorie "aandelenrisico" of "grondstoffenrisico" gemapte transacties berekenen instellingen het aangepaste notionele bedrag als het product van de marktprijs van één eenheid van het onderliggende instrument van de transactie vermenigvuldigd met het aantal eenheden in het onderliggende instrument waarnaar de transactie verwijst.

  De instelling gebruiken het notionele bedrag als het aangepaste notionele bedrag wanneer een naar de risicocategorie "aandelenrisico" of "grondstoffenrisico" gemapte transactie contractueel als een notioneel bedrag is uitgedrukt, en niet als het aantal eenheden in het onderliggende instrument.

2.  Instellingen bepalen het notionele bedrag of het aantal eenheden van het onderliggende instrument ten behoeve van de berekening van het aangepaste notionele bedrag van een in lid 1 bedoelde transactie, als volgt:

a)  wanneer het notionele bedrag of het aantal eenheden van het onderliggende instrument van een transactie pas aan het einde van de contractuele looptijd wordt vastgesteld:

i)  voor deterministische notionele bedragen en aantallen eenheden van het onderliggende instrument is het notionele bedrag het gewogen gemiddelde van alle deterministische waarden van notionele bedragen of aantallen eenheden van het onderliggende instrument, naar gelang het geval, tot het eind van de contractuele looptijd van de transactie, waarbij de gewichten in verhouding staan tot de tijd dat elke waarde van het notionele bedrag van toepassing is;

ii)  voor stochastische notionele bedragen en aantallen van eenheden van het onderliggende instrument is het notionele bedrag het bedrag als vastgesteld door het vastleggen van actuele marktwaarden in de formule voor het berekenen van de toekomstige marktwaarden;

b)  voor binaire en digitale opties is het notionele bedrag de grootste waarde van de eventuele stadia van de uitbetaling van de optie bij het aflopen van de optie.

Onverminderd het in de eerste alinea bepaalde gebruikt de instelling, indien een eventueel stadium van de uitbetaling stochastisch is, de in punt a), onder ii) beschreven methode om de waarde van het notionele bedrag te bepalen;

c)  voor contracten met meervoudige uitwisselingen van het notionele bedrag wordt het notionele bedrag vermenigvuldigd met het aantal resterende betalingen dat overeenkomstig de contracten nog moet worden verricht;

d)  voor contracten die voorzien in een vermenigvuldiging van de kasstroombetalingen of een vermenigvuldiging van het onderliggende waarde van het contract, wordt het notionele bedrag door een instelling aangepast om rekening te houden met de gevolgen van deze vermenigvuldiging voor de risicostructuur van die contracten.

3.  Instellingen zetten het aangepaste notionele bedrag van een transactie om in hun rapportagevaluta tegen de geldende contante wisselkoers wanneer het aangepaste notionele bedrag op grond van dit artikel wordt berekend op basis van een contractueel notioneel bedrag of een marktprijs van het aantal eenheden van het in een andere valuta luidende onderliggende instrument.

Artikel 279 quaterLooptijdfactor

1.  Instellingen berekenen de looptijdfactor (MF) als volgt:

a)  voor transacties opgenomen in netting sets als bedoeld in artikel 275, lid 1, gebruiken instellingen de volgende formule:

waarbij:

M      =  de resterende looptijd van de transactie die gelijk is aan de tijd die nodig is om alle contractuele verplichtingen van de transactie te beëindigen. Met het oog daarop wordt iedere optionaliteit van een derivatencontract als een contractuele verplichting beschouwd. De resterende looptijd wordt uitgedrukt in jaren, volgens de betrokken usances inzake werkdagen.

Wanneer een transactie een ander derivatencontract als onderliggend instrument heeft dat aanleiding kan geven tot aanvullende contractuele verplichtingen bovenop de contractuele verplichtingen van de transactie, is de resterende looptijd van de transactie gelijk aan de tijd die nodig is om alle contractuele verplichtingen van het onderliggende instrument te beëindigen.

OneBusinessYear  =  één jaar uitgedrukt in werkdagen volgens de betrokken usances inzake werkdagen;

b)  voor transacties opgenomen in de netting sets als bedoeld in artikel 275, leden 2 en 3, wordt de looptijdfactor omschreven als:

waarbij:

MPOR    =   de margerisicoperiode van de netting set bepaald in overeenstemming met artikel 285, leden 2 tot en met 5.

Bij het bepalen van de margerisicioperioden voor transacties tussen een cliënt en een clearinglid vervangt een instelling die hetzij als cliënt hetzij als clearinglid handelt, de in artikel 285, lid 2, onder b), genoemde minimale periode door vijf werkdagen.

2.  Voor de toepassing van lid 1 is de resterende looptijd gelijk aan de tijd tot de volgende herzieningsdatum voor transacties die zijn gestructureerd om na gespecificeerde betalingsdata de uitstaande risicoblootstelling af te wikkelen en waarvan de voorwaarden zodanig worden herzien dat de marktwaarde van het contract op die gespecificeerde betaaldata gelijk is aan nul.

Artikel 280Factorcoëfficiënt voor toezichtdoeleinden voor hedging sets

Voor de berekening van de in de artikelen 280 bis tot en met 280 septies bedoelde opslagfactoren voor een hedging set is de factorcoëfficiënt voor toezichtdoeleinden voor hedging set 'ϵ' de volgende:

  1 voor de in overeenstemming met artikel 277 bis, lid 1, bepaalde hedging set

ϵ =  5 voor de in overeenstemming met artikel 277 bis, lid 2, punt a), bepaalde hedging set

  0,5 voor de in overeenstemming met artikel 277 bis, lid 2, punt b), bepaalde hedging set

Artikel 280 bisOpslagfactor voor de risicocategorie "renterisico"

1.  Voor de toepassing van artikel 278 berekenen instellingen de opslag voor de risicocategorie "renterisico" voor een bepaalde netting set als volgt:

waarbij:

j    = de index die alle hedging sets voor renterisico's als bepaald in overeenstemming met artikel 277 bis, lid 1, onder a), en artikel 277 bis, lid 2, voor de netting set aangeeft;

AddOnIRj  de opslagfactor van de hedging set 'j' van de risicocategorie "renterisico" berekend in overeenstemming met lid 2.

2.  De opslagfactor van de hedging set 'j' van de risicocategorie "renterisico" wordt als volgt berekend:

waarbij:

ϵj      =  de factorcoëfficiënt voor toezichtdoeleinden voor de hedging set 'j' bepaald in overeenstemming met de in artikel 280 gespecificeerde toepasselijke waarde;

SFIR       =  de factor voor toezichtdoeleinden voor de risicocategorie "renterisico" met een waarde gelijk aan 0,5 %;

EffNotIRj  =  het effectieve notionele bedrag van de hedging set 'j' berekend in overeenstemming met de leden 3 en 4.

3.  Voor de berekening van het effectieve notionele bedrag van de hedging set 'j' wijzen instellingen elke transactie van de hedging set toe aan de passende subklasse in tabel 2. Ze doen dit op basis van de einddatum van elke transactie als bepaald op grond van artikel 279 ter, lid 1, onder a).

Tabel 2

Subklasse

Einddatum

(in jaar)

1

>0 en <=1

2

>1 en <=5

3

> 5

Instellingen berekenen vervolgens het effectieve notionele bedrag van de hedging set 'j' in overeenstemming met de volgende formule:

waarbij:

l  =  de index die de risicopositie aangeeft;

Dj,k   =  het effectieve notionele bedrag van subklasse 'k' van de hedging set 'j' berekend als volgt:

Artikel 280 terOpslagfactor voor de risicocategorie "wisselkoersrisico"

1.  Voor de toepassing van artikel 278 berekenen instellingen de opslagfactor voor de risicocategorie "wisselkoersrisico" voor een bepaalde netting set als volgt:

waarbij:

j  = de index die alle hedging sets voor wisselkoersrisico als bepaald in overeenstemming met artikel 277 bis, lid 1, onder a), en artikel 277 bis, lid 2, voor de netting set aangeeft;

AddOnFXj   =  de opslagfactor van de hedging set 'j' van de risicocategorie "wisselkoersrisico" berekend in overeenstemming met lid 2.

2.  De opslagfactor van de hedging set 'j' van de risicocategorie "wisselkoersrisico" wordt als volgt berekend:

waarbij:

ϵj    =   de factorcoëfficiënt voor toezichtdoeleinden voor de hedging set 'j' berekend in overeenstemming met artikel 280;

SFFX    =   = de factor voor toezichtdoeleinden voor de risicocategorie "wisselkoersrisico" met een waarde gelijk aan 4 %;

EffNotIRj  =  het effectieve notionele bedrag van de hedging set 'j' berekend als volgt:

Artikel 280 quaterOpslagfactor risicocategorie "kredietrisico"

1.  Voor de toepassing van lid 2 bepalen instellingen de relevante kredietreferentie-entiteiten van de netting set in overeenstemming met het volgende:

a) er is één kredietreferentie-entiteit voor elke uitgevende instelling van een referentieschuldinstrument dat de onderliggende waarde van een aan de risicocategorie "kredietrisico" toegewezen single-nametransactie vormt. Single-nametransacties worden alleen aan dezelfde kredietreferentie-entiteit toegewezen indien het onderliggende referentieschuldinstrument van die transacties door dezelfde uitgevende instelling is uitgegeven.

b)  er is één kredietreferentie-entiteit voor elke groep van referentieschuldinstrumenten of single-namekredietderivaten die de onderliggende waarde van een aan de risicocategorie "kredietrisico" toegewezen multi-namestransactie vormt. Multi-namestransacties worden alleen aan dezelfde kredietreferentie-entiteit toegewezen indien de groep van onderliggende referentieschuldinstrumenten of single-namekredietderivaten van die transacties dezelfde bestanddelen heeft.

2.  Voor de toepassing van artikel 278 berekenen instellingen de opslagfactor voor de risicocategorie "renterisico" voor een bepaalde netting set als volgt:

waarbij:

j    =   de index die alle hedging sets voor kredietrisico's als bepaald in overeenstemming met artikel 277 bis, lid 1, onder c), en artikel 277 bis, lid 2, voor de netting set aangeeft;

AddOnCreditj  =  de opslagfactor voor de risicocategorie "kredietrisico" voor de hedging set 'j' berekend in overeenstemming met lid 2.

3.  Instellingen berekenen de opslagfactor van de risicocategorie "kredietrisico" voor de hedging set 'j' als volgt:

 

waarbij:

j       =  de index die de kredietreferentie-entiteiten van de in overeenstemming met lid 1 bepaalde netting set aangeeft;

ϵj      =  de factorcoëfficiënt voor toezichtdoeleinden voor de hedging set 'j' bepaald in overeenstemming met artikel 280;

AddOn(Entityj)  =  de opslagfactor voor aandelenreferentie-entiteit 'j' bepaald in overeenstemming met lid 4;

ρjCredit     =  de correlatiefactor van entiteit 'j'. Indien de kredietreferentie-entiteit 'j' in overeenstemming met lid 1, onder a), is bepaald, ρjCredit = 50 %. Indien de kredietreferentie-entiteit 'j' in overeenstemming met lid 1, onder b), is bepaald, ρjCredit = 80 %.

4.  Instellingen berekenen de opslagfactor voor kredietreferentie-entiteit 'j' als volgt:

waarbij:

EffNotCreditj   =  het effectieve notionele bedrag van kredietreferentie-entiteit 'j' berekend als volgt:

waarbij:

l    =   de index die de risicopositie aangeeft;

SFj,lCredit  =   de voor kredietreferentie-entiteit 'j' toepasselijke factor voor toezichtdoeleinden bepaald in overeenstemming met lid 5.

5.  Voor de toepassing van lid 4 berekenen instellingen de voor kredietreferentie-entiteit 'j' toepasselijke factor voor toezichtdoeleinden als volgt:

a)  Voor kredietreferentie-entiteit 'j' bepaald in overeenstemming met lid 1, onder a), wordt SFj,lCredit gemapt naar één van de zes in tabel 3 van dit artikel aangegeven factoren voor toezichtdoeleinden op basis van een externe kredietbeoordeling door een aangewezen EKBI van de overeenkomstige individuele uitgevende instelling. Voor een individuele uitgevende instelling waarvoor geen kredietbeoordeling door een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt als volgt te werk gegaan:

i)  een instelling die van de benadering in titel II, hoofdstuk 3, gebruikmaakt, mapt de interne rating van de individuele uitgevende instelling naar één van de externe kredietbeoordelingen;

ii)  een instelling die van de benadering in titel II, hoofdstuk 2, gebruikmaakt, wijst SFj,lCredit = 0,54 % aan deze kredietreferentie-entiteit toe. Indien een instelling echter voor de risicoweging van de tegenpartijkredietrisicoblootstellingen met betrekking tot deze individuele uitgevende instelling van artikel 128 gebruikmaakt, wordt SFj,lCredit = 1,6 % toegekend.

b)  Voor kredietreferentie-entiteiten 'j' bepaald in overeenstemming met lid 1, onder b), wordt als volgt te werk gegaan:

i)  indien een aan kredietreferentie-entiteit 'j' toegewezen positie 'l' een aan een erkende effectenbeurs genoteerde kredietindex is, wordt SFj,lCredit gemapt naar een van de beide in tabel 4 van dit artikel vermelde factoren voor toezichtdoeleinden op basis van de meerderheid van kredietkwaliteit van zijn individuele bestanddelen;

ii)  indien een aan kredietreferentie-entiteit 'j' toegewezen positie 'l' niet in punt i) van dit punt is bedoeld, is SFj,lCredit het gewogen gemiddelde van de naar elk van de bestanddelen in overeenstemming met de in punt a) van dit lid beschreven methode gemapte factoren voor toezichtdoeleinden, waarbij de gewichten worden bepaald door het aandeel notioneel van de bestanddelen van die positie.

Tabel 3

Kredietkwaliteitscategorie

Factor voor toezichtdoeleinden voor single-nametransacties

1

0,38 %

2

0,42 %

3

0,54 %

4

1,06 %

5

1,6 %

6

6,0 %

Tabel 4

Overheersende kredietkwaliteit

Factor voor toezichtdoeleinden voor genoteerde indices

Investeringswaardig

0,38 %

Niet-investeringswaardig

1,06 %

Artikel 280 quinquiesOpslagfactor voor de risicocategorie "aandelenrisico"

1.  Voor de toepassing van lid 2 bepalen instellingen de relevante aandelenreferentie-entiteiten van de netting set in overeenstemming met het volgende:

a)  er is één aandelenreferentie-entiteit voor elke uitgevende instelling van een referentieaandeleninstrument dat de onderliggende waarde van een aan de risicocategorie "aandelenrisico" toegewezen single-nametransactie vormt. Single-nametransacties worden alleen aan dezelfde aandelenreferentie-entiteit toegewezen indien het onderliggende referentieaandeleninstrument van die transacties door dezelfde uitgevende instelling is uitgegeven;

b)  er is één aandelenreferentie-entiteit voor elke groep van referentieaandeleninstrumenten of single-nameaandelenderivaten die de onderliggende waarde van een aan de risicocategorie "aandelenrisico" toegewezen multi-namestransactie vormt. Multi-namestransacties worden alleen aan dezelfde aandelenreferentie-entiteit toegewezen indien de groep van onderliggende referentieaandeleninstrumenten of single-nameaandelenderivaten, naar gelang het geval, van die transacties dezelfde bestanddelen heeft.

2.  Voor de toepassing van artikel 278 berekenen de instelling voor een bepaalde netting set de opslagfactor voor de risicocategorie "aandelenrisico" als volgt:

waarbij:

j    =   de index die alle hedging sets voor kredietrisico's als bepaald in overeenstemming met artikel 277 bis, lid 1, onder d), en artikel 277 bis, lid 2, voor de netting set aangeeft;

AddOnEquityj   =  de opslagfactor van de hedging set 'j' van de risicocategorie "kredietrisico" bepaald in overeenstemming met lid 3.

3.  Instellingen berekenen de opslagfactor van de risicocategorie "aandelenrisico" voor de hedging set 'j' als volgt:

 

  waarbij:

j      =  de index die de aandelenreferentie-entiteiten van de in overeenstemming met lid 1 bepaalde netting set aangeeft;

ϵj      =  de factorcoëfficiënt voor toezichtdoeleinden voor de hedging set 'j' bepaald in overeenstemming met artikel 280;

AddOn(Entityj)  =  de opslagfactor voor aandelenreferentie-entiteit 'j' bepaald in overeenstemming met lid 4;

ρjEquity    =  de correlatiefactor van entiteit 'j'. Indien de aandelenreferentie-entiteit 'j' in overeenstemming met lid 1, onder a), is bepaald, ρjEquity = 50 %. Indien de aandelenreferentie-entiteit 'j' in overeenstemming met lid 1, onder b), is bepaald, ρjEquity = 80 %.

4.  Instellingen berekenen de opslagfactor voor aandelenreferentie-entiteit 'j' als volgt:

waarbij:

SFjEquity  =  de voor aandelenreferentie-entiteit 'j' toepasselijke factor voor toezichtdoeleinden. Indien de aandelenreferentie-entiteit 'j' in overeenstemming met lid 1, onder a), is bepaald, SFjEquity = 32 %; indien de aandelenreferentie-entiteit 'j' in overeenstemming met lid 1, onder a), is bepaald, SFjEquity = 20 %.

EffNotEquity  =  het effectieve notionele bedrag van aandelenreferentie-entiteit 'j' berekend als volgt:

Artikel 280 sexiesOpslagfactor voor de risicocategorie "grondstoffenrisico"

1.  Voor de toepassing van artikel 278 berekenen instellingen de opslagfactor voor de risicocategorie "grondstoffenrisico" voor een bepaalde netting set als volgt:

j      =  de index die alle hedging sets voor grondstoffen als bepaald in overeenstemming met artikel 277 bis, lid 1, onder e), en artikel 277 bis, lid 2, voor de netting set aangeeft;

AddOnComj   de opslagfactor voor de risicocategorie "grondstoffenrisico" voor de hedging set 'j' berekend in overeenstemming met artikel 4.

2.  Voor de berekening van de opslagfactor van een hedging set voor grondstoffen van een bepaalde in overeenstemming met artikel 4 bepaalde netting set stellen instellingen voor elke hedging set de betrokken grondstoffenreferentiesoorten vast. Grondstoffenderivatentransacties worden alleen aan dezelfde grondstoffenreferentiesoort toegewezen indien het onderliggende grondstoffeninstrument van die transacties hetzelfde karakter heeft.

3.  In afwijking van lid 2 kunnen de bevoegde autoriteiten van een instelling met grote en geconcentreerde grondstoffenderivatenportefeuilles eisen dat deze nog met andere kenmerken dan de aard van het onderliggende grondstoffeninstrument rekening houdt om de grondstoffenreferentiesoort van een hedging set in overeenstemming met lid 2 te bepalen.

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen om meer in detail te bepalen wat een grote en geconcentreerde grondstoffenderivatenportefeuille als bedoeld in de eerste alinea is.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen binnen [15 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

4.  Instellingen berekenen de opslagfactor van de risicocategorie "grondstoffenrisico" voor de hedging set 'j' als volgt:

waarbij:

k      =  de index die de grondstoffenreferentiesoorten van de in overeenstemming met lid 2 bepaalde netting set aangeeft;

ϵj       =  de factorcoëfficiënt voor toezichtdoeleinden voor de hedging set 'j' berekend in overeenstemming met artikel 280;

AddOn(Typejk)  =  de opslagfactor voor grondstoffenreferentiesoort 'k' bepaald in overeenstemming met lid 5;

ρCom      =  de correlatiefactor voor de risicocategorie "grondstoffenrisico" met een waarde gelijk aan 40 %.

5.  Instellingen berekenen de opslagfactor voor grondstoffenreferentiesoort 'k' als volgt:

waarbij:

SFkCom   =  de voor grondstoffenreferentiesoort 'k' toepasselijke factor voor toezichtdoeleinden.

Indien de grondstoffenreferentiesoort 'k' overeenstemt met transacties toegewezen aan de hedging set als bedoeld in artikel 277 ter, lid 1, onder e), punt i), SFkCom = 40 %; anders, SFkCom = 18 %.

EffNotComk  =  het effectieve notionele bedrag van grondstoffenreferentiesoort 'k' berekend als volgt:

Artikel 280 septiesOpslagfactor voor de risicocategorie "overige risico's"

1.  Voor de toepassing van artikel 278 berekenen instellingen de opslagfactor voor de risicocategorie "overige risico's" voor een bepaalde netting set als volgt:

waarbij:

j    =  de index die de hedging sets voor overige risico's als bepaald in overeenstemming met artikel 277 bis, lid 1, onder f), en artikel 277 bis, lid 2, voor de netting set aangeeft;

AddOnOtherj   =  de opslagfactor voor de risicocategorie "overige risico's" voor de hedging set 'j' bepaald in overeenstemming met lid 2.

2.  Instellingen berekenen de opslagfactor van de risicocategorie "overige risico's" voor de hedging set 'j' als volgt:

waarbij:   

ϵj     =  de factorcoëfficiënt voor toezichtdoeleinden voor de hedging set 'j' berekend in overeenstemming met artikel 280;

SFOther   =  de factor voor toezichtdoeleinden voor de risicocategorie "overige risico's" met een waarde gelijk aan 8 %;

EffNotOtherj = het effectieve notionele bedrag van de hedging set 'j' berekend als volgt:

"

(66)  in deel drie, titel II, hoofdstuk 6, wordt afdeling 4 vervangen door:

"Afdeling4Vereenvoudigde standaardbenadering voor tegenpartijkredietrisico

Artikel 281Berekening van de blootstellingswaarde

1.  Instellingen berekenen één enkele blootstellingswaarde op het niveau van de netting set in overeenstemming met afdeling 3 van dit hoofdstuk, behoudens het bepaalde in lid 2.

2.  De blootstellingswaarde van een netting set wordt berekend overeenkomstig de volgende voorschriften:

a)  instellingen passen de in artikel 274, lid 6, bedoelde behandeling niet toe;

b)  in afwijking van artikel 275, lid 1, passen instellingen het volgende toe:

Voor niet in artikel 275, lid 2, bedoelde netting sets berekenen instellingen de vervangingswaarde volgens de onderstaande formule:

;

c)  in afwijking van artikel 275, lid 2, passen instellingen het volgende toe:

Voor netting sets van transacties die op een erkende beurs plaatsvinden, netting sets van transacties die centraal worden gecleard door een centrale tegenpartij waaraan overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) nr. 648/2012 vergunning is verleend of die overeenkomstig artikel 25 van Verordening (EU) nr. 648/2012 is erkend, dan wel netting sets van transacties waarvoor overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EU) nr. 648/2012 bilateraal zekerheden met de tegenpartij worden uitgewisseld, berekenen instellingen de vervangingswaarde volgens de onderstaande formule:

waarbij:

TH  =   de uit hoofde van de margeovereenkomst op de netting set toepasselijke margedrempel waaronder de instelling geen zekerheden kan opvragen;

MTA  =  het uit hoofde van de margeovereenkomst op de netting set toepasselijke minimumbedrag van de overdracht;

d)  in afwijking van artikel 275, lid 3, passen instellingen het volgende toe:

Voor aan een margeovereenkomst onderworpen netting sets waarbij de margeovereenkomst op meerdere netting sets van toepassing is, berekenen instellingen de vervangingswaarde als de som van de overeenkomstig lid 1 berekende vervangingswaarden van elke individuele netting set alsof deze niet door marges zijn gedekt;

e)  alle hedging sets worden vastgesteld in overeenstemming met artikel 277 bis, lid 1;

f)  instellingen stellen de multiplicator in de in artikel 278, lid 1, toegepaste formule voor de berekening van de potentiële toekomstige blootstelling vast op 1, wat het volgende oplevert:

;

g)  in afwijking van artikel 279 bis, lid 1, passen instellingen het volgende toe:

Voor alle transacties berekenen instellingen de delta voor toezichtdoeleinden als volgt:

;

h)  de formule die wordt toegepast voor de berekening van de durationfactor voor toezichtdoeleinden in artikel 279 ter, lid 1, onder a), luidt als volgt:

;

i)  de in artikel 279 quater, lid 1, bedoelde looptijdfactor wordt als volgt berekend:

voor transacties die deel uitmaken van de in artikel 275, lid 1, bedoelde netting sets, MF = 1;

b) voor transacties die deel uitmaken van de in artikel 275, leden 2 en 3, bedoelde netting sets, MF = 0,42;

j)  de formule die wordt toegepast voor de berekening van het effectieve notionele bedrag van hedging set 'j' in artikel 280 bis, lid 3, luidt als volgt:

k)  de formule die wordt toegepast voor de berekening van de opslagfactor voor de kredietrisicocategorie voor hedging set 'j' van de kredietrisicocategorie in artikel 280 quater, lid 3, luidt als volgt:

l)  de formule die wordt toegepast voor de berekening van de opslagfactor voor de aandelenrisicocategorie voor hedging set 'j' van de aandelenrisicocategorie in artikel 280 quinquies, lid 3, luidt als volgt:

m)  de formule die wordt toegepast voor de berekening van de opslagfactor voor de grondstoffenrisicocategorie voor hedging set 'j' van de grondstoffenrisicocategorie in artikel 280 sexies, lid 3, luidt als volgt:

"

(67)  in deel drie, titel II, hoofdstuk 6, wordt afdeling 5 vervangen door:

"Afdeling 5Oorspronkelijkeblootstellingsmethode

Artikel 282Berekening van de blootstellingswaarde

1.  Instellingen mogen één enkele blootstellingswaarde voor alle onder een contractuele verrekeningsovereenkomst vallende transacties berekenen, mits aan alle voorwaarden van artikel 274, lid 1, is voldaan. Anders berekenen instellingen een blootstellingswaarde voor elke transactie afzonderlijk, waarbij de betrokken transactie als haar eigen netting set wordt beschouwd.

2.  De blootstellingswaarde van een netting set of van een transactie is gelijk aan de uitkomst van 1,4 maal de som van de actuele vervangingswaarde en de potentiële toekomstige blootstelling.

3.  De in lid 2 bedoelde actuele vervangingswaarde wordt als volgt bepaald:

a)  voor netting sets van transacties die op een erkende beurs plaatsvinden, netting sets van transacties die centraal worden gecleard door een centrale tegenpartij waaraan overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) nr. 648/2012 vergunning is verleend of die overeenkomstig artikel 25 van Verordening (EU) nr. 648/2012 is erkend, dan wel netting sets van transacties waarvoor overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EU) nr. 648/2012 bilateraal zekerheden met de tegenpartij worden uitgewisseld, berekenen instellingen de in lid 2 bedoelde actuele vervangingswaarde volgens de onderstaande formule:

waarbij:

TH  =   de uit hoofde van de margeovereenkomst op de netting set toepasselijke margedrempel waaronder de instelling geen zekerheden kan opvragen;

MTA  =  het uit hoofde van de margeovereenkomst op de netting set toepasselijke minimumbedrag van de overdracht;

b)  voor alle overige netting sets of individuele transacties berekenen instellingen de in lid 2 bedoelde actuele vervangingswaarde als volgt:

Met het oog op de berekening van de actuele vervangingswaarde werken instellingen de actuele marktwaarden ten minste maandelijks bij.

4.  Instellingen berekenen de in lid 2 bedoelde potentiële toekomstige blootstelling als volgt:

a)  de potentiële toekomstige blootstelling van een netting set is de som van de potentiële toekomstige blootstelling van alle van de netting set deel uitmakende transacties, als berekend in overeenstemming met punt b);

b)  de potentiële toekomstige blootstelling van één enkele transactie is het notionele bedrag ervan vermenigvuldigd met:

i)  de uitkomst van 0,5 % vermenigvuldigd met de resterende looptijd van de transactie voor derivatencontracten op basis van rente;

i bis)  de uitkomst van 6 % vermenigvuldigd met de resterende looptijd van de transactie voor derivatencontracten op basis van kredietinstrumenten;

ii)  4 % voor contracten die betrekking hebben op derivatencontracten;

iii)  18 % voor derivatencontracten op basis van alle grondstoffenposities, met uitzondering van elektriciteit;

iii bis) 40 % voor derivatencontracten op basis van elektriciteit;

iii ter) 32 % voor derivatencontracten op basis van participaties;

c)  het onder b) bedoelde notionele bedrag wordt bepaald in overeenstemming met artikel 279 ter, lid 1, onder a), b) en c), of met artikel 279 ter, leden 2 en 3, naar gelang van het geval;

d)  de potentiële toekomstige blootstelling van in lid 3, onder a), bedoelde netting sets wordt vermenigvuldigd met 0,42.

Voor de berekening van de potentiële blootstellingswaarde van rentecontracten in overeenstemming met punt b), onder ii), mag een instelling ervoor kiezen de oorspronkelijke looptijd in plaats van de resterende looptijd van de contracten te gebruiken.";

(68)  in artikel 283 wordt lid 4 vervangen door:

"4. Voor alle otc-derivatentransacties en transacties met afwikkeling op lange termijn waarvoor een instelling niet overeenkomstig lid 1 toestemming heeft gekregen om de IMM toe te passen, past zij de in afdeling 3 of de in afdeling 5 beschreven methode toe. Die methoden kunnen binnen een groep permanent in combinatie worden toegepast.";

(69)  Artikel 298 wordt vervangen door het volgende:

"Artikel 298Impact van de inaanmerkingneming van verrekening als risicoverminderend

Verrekening in de zin van de afdelingen 3 tot en met 6 wordt in aanmerking genomen als beschreven in genoemde afdelingen.";

(70)  in artikel 299, lid 2, wordt punt a) geschrapt;

(71)  Artikel 300 wordt als volgt gewijzigd:

a)  de aanhef wordt vervangen door:

"Voor de toepassing van deze afdeling en van deel zeven wordt verstaan onder:";

b)  de volgende punten 5) tot en met 11) worden toegevoegd:

"(5) "contante transacties": transacties in contanten, schuldinstrumenten en aandelen, alsook contante deviezen- en grondstoffentransacties; retrocessietransacties en transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen zijn geen contante transacties;

(6) "indirecte clearingregeling": regeling die voldoet aan de voorwaarden van artikel 4, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 648/2012;

(7) "meerlagige cliëntstructuur": indirecte clearingregeling waarbij clearingdiensten voor een instelling worden verricht door een entiteit die geen clearinglid is, maar die zelf een cliënt is van een clearinglid of van een cliënt van hoger niveau;

(8) "cliënt van hoger niveau": entiteit die clearingdiensten voor een cliënt van lager niveau verricht;

(9) "cliënt van lager niveau": entiteit die via een cliënt van hoger niveau toegang heeft tot de diensten van een CTP;

(10) "niet-volgestorte bijdrage aan een wanbetalingsfonds": bijdrage die een als clearinglid optredende instelling contractueel heeft toegezegd aan een CTP te zullen verstrekken nadat de CTP haar wanbetalingsfonds heeft uitgeput, en die is bedoeld om de verliezen te dekken die de CTP heeft geleden als gevolg van de wanbetaling door een of meer van haar clearingleden;

(11) "volledig gedekte transactie inzake een verstrekte of opgenomen depositolening": een volledig met zekerheden gedekte geldmarkttransactie waarbij twee tegenpartijen deposito's uitwisselen en een CTP zich tussen beide tegenpartijen plaatst om de nakoming van de betalingsverplichtingen van die tegenpartijen te garanderen.";

(72)  Artikel 301 wordt vervangen door het volgende:

"Artikel 301Materieel toepassingsgebied

1.  Deze afdeling is van toepassing op de volgende contracten en transacties zolang zij bij een CTP uitstaan:

a)  de in bijlage II vermelde contracten en kredietderivaten;

b)  SFT's en volledig gegarandeerde transacties inzake het in leen geven of ontvangen van deposito's;

c)  transacties met afwikkeling op lange termijn.

Deze afdeling is niet van toepassing op blootstellingen die uit de afwikkeling van contante transacties voortvloeien. Instellingen passen de in titel V van dit deel beschreven behandeling toe op transactieblootstellingen die uit dergelijke transacties voortvloeien en een risicogewicht van 0% op bijdragen aan een wanbetalingsfonds dat alleen dergelijke transacties dekt. Instellingen passen de in artikel 307 beschreven behandeling toe op bijdragen aan een wanbetalingsfonds dat naast contante transacties ook in de eerste alinea genoemde transacties dekt.

2.  Voor de toepassing van deze afdeling geldt het volgende:

a)  de initiële marge omvat geen bijdragen aan een CTP voor regelingen voor het onderling delen van verliezen;

b)  de initiële marge omvat zekerheden die door een als clearinglid optredende instelling of door een cliënt zijn gedeponeerd boven het minimumbedrag dat wordt vereist door respectievelijk de CTP of de als clearinglid optredende instelling, op voorwaarde dat de CTP of de als clearinglid optredende instelling, indien nodig, respectievelijk de als clearinglid optredende instelling of de cliënt kan beletten deze te veel gestorte zekerheden in te trekken;

c)  indien een CTP de initiële marge gebruikt voor het onderling delen van verliezen tussen haar clearingleden, behandelen als clearingleden optredende instellingen de gebruikte initiële marge als een bijdrage aan een wanbetalingsfonds.";

(73)  in artikel 302 wordt lid 2 vervangen door:

"2. Instellingen beoordelen door middel van passende scenarioanalyses en stresstests of het niveau van het eigen vermogen dat wordt aangehouden voor de blootstellingen ten aanzien van een CTP, met inbegrip van mogelijke toekomstige of voorwaardelijke kredietblootstellingen, blootstellingen die het gevolg zijn van bijdragen aan een wanbetalingsfonds en, als de instelling als clearinglid optreedt, blootstellingen die het gevolg zijn van contractuele regelingen als bepaald in artikel 304, in een goede verhouding staat tot de aan die blootstellingen verbonden risico's.";

(74)  Artikel 303 wordt vervangen door het volgende:

"Artikel 303Behandeling van blootstellingen van clearingleden ten aanzien van CTP's

1.  Een instelling die als clearinglid optreedt, hetzij voor eigen doeleinden, hetzij als financieel tussenpersoon tussen een cliënt en een CTP, berekent de eigenvermogensvereisten voor haar blootstellingen ten aanzien van een CTP als volgt:

a)  zij past de in artikel 306 beschreven behandeling toe op haar transactieblootstellingen ten aanzien van de CTP;

b)  zij past de in artikel 307 beschreven behandeling toe op haar aan de CTP gestorte bijdragen aan een wanbetalingsfonds.

2.  Voor de toepassing van lid 1 is de som van de eigenvermogensvereisten van een instelling voor haar blootstellingen ten aanzien van een gCTP wegens transactieblootstellingen en bijdragen aan een wanbetalingsfonds begrensd tot de som van de eigenvermogensvereisten die op dezelfde blootstellingen zouden zijn toegepast indien de CTP een niet-kwalificerende CTP was geweest.";

(75)  artikel 304 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 1 wordt vervangen door:

"1. Een instelling die als clearinglid optreedt en die in die hoedanigheid als financieel tussenpersoon tussen een cliënt en een CTP optreedt, berekent de eigenvermogensvereisten voor haar CTP-gerelateerde transacties met de cliënt overeenkomstig de afdelingen 1 tot en met 8 van dit hoofdstuk, hoofdstuk 4, afdeling 4, van deze titel of titel VI van dit deel, naar gelang van het geval.";

b)  de leden 3, 4 en 5 worden vervangen door:

"3. Indien een als clearinglid optredende instelling van de in de afdelingen 3 of 6 van dit hoofdstuk beschreven methoden gebruikmaakt om het eigenvermogensvereiste voor haar blootstellingen te berekenen, is het volgende van toepassing:

a)  in afwijking van artikel 285, lid 2, mag de instelling voor haar blootstellingen ten aanzien van een cliënt een margerisicoperiode van ten minste vijf werkdagen hanteren;

b)  voor haar blootstellingen ten aanzien van een CTP past de instelling een margerisicoperiode van ten minste 10 werkdagen toe;

c)  in afwijking van artikel 285, lid 3, geldt dat indien een in de berekening opgenomen netting set aan de voorwaarde van punt a) van genoemd lid voldoet, de instelling de in genoemd punt vastgestelde limiet mag negeren, mits de betrokken netting set niet aan de voorwaarde van punt b) van genoemd lid voldoet en geen betwiste transacties omvat;

d)  indien een CTP een variatiemarge ten aanzien van een transactie aanhoudt en de zekerheden van de instelling niet tegen de insolventie van de CTP zijn beschermd, past de instelling een margerisicoperiode toe van ofwel een jaar, ofwel de resterende looptijd van de transactie, al naargelang welke periode het kortst is, met dien verstande dat een minimumperiode van 10 werkdagen geldt.

4. In afwijking van artikel 281, lid 2, onder h), geldt dat indien een als clearinglid optredende instelling van de in de afdeling 4 van dit hoofdstuk beschreven methode gebruikmaakt om het eigenvermogensvereiste voor haar blootstellingen ten aanzien van een cliënt te berekenen, zij voor haar berekening een looptijdfactor van 0,21 mag hanteren.

5. In afwijking van artikel 282, lid 4, onder d), geldt dat indien een als clearinglid optredende instelling van de in de afdeling 5 van dit hoofdstuk beschreven methode gebruikmaakt om het eigenvermogensvereiste voor haar blootstellingen ten aanzien van een cliënt te berekenen, zij voor die berekening een looptijdfactor van 0,21 mag hanteren.";

c)  de volgende leden 6 en 7 worden toegevoegd:

"6. Een als clearinglid optredende instelling mag van de uit de berekeningen in de leden 3, 4 en 5 resulterende verminderde blootstelling bij wanbetaling gebruikmaken om in overeenstemming met titel VI haar eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico te berekenen.

7. Een als clearinglid optredende instelling die bij een cliënt zekerheden voor een CTP-gerelateerde transactie opvraagt en de zekerheden aan de CTP doorgeeft, mag die zekerheden in aanmerking nemen om haar blootstelling ten aanzien van de cliënt voor die CTP-gerelateerde transactie te verminderen.

Bij een meerlagige cliëntstructuur mag de in de eerste alinea beschreven behandeling op elk niveau van die structuur worden toegepast.";

(76)  artikel 305 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 1 wordt vervangen door:

"1. Een instelling die een cliënt is, berekent de eigenvermogensvereisten voor haar CTP-gerelateerde transacties met haar clearinglid overeenkomstig de afdelingen 1 tot en met 8 van dit hoofdstuk, hoofdstuk 4, afdeling 4, van deze titel, of titel VI van dit deel, naar gelang van het geval.";

b)  lid 2, onder c), wordt vervangen door:

"c) de cliënt heeft voldoende grondig juridisch onderzoek gedaan, dat hij actueel heeft gehouden en dat aantoont dat de regelingen die ervoor zorgen dat de voorwaarde van punt b) is vervuld, wettelijk, geldig, bindend en afdwingbaar zijn uit hoofde van de desbetreffende wetten van het rechtsgebied of de rechtsgebieden in kwestie;";

c)  aan lid 2 wordt de volgende alinea toegevoegd:

"Bij de beoordeling van haar naleving van de voorwaarde van de eerste alinea, onder b), mag een instelling rekening houden met duidelijke precedenten van overboekingen van posities van cliënten en van de bijbehorende zekerheden bij een CTP, alsook met een eventueel voornemen van de sector om deze praktijk voort te zetten.";

d)  de leden 3 en 4 worden vervangen door:

"3. In afwijking van lid 2 van dit artikel geldt dat indien een instelling die een cliënt is, niet aan de voorwaarde van punt a) van genoemd lid voldoet omdat zij bij gezamenlijke wanbetaling door het clearinglid en een andere cliënt van het clearinglid niet tegen verliezen is beschermd, maar alle andere voorwaarden van punt a) van genoemd lid en van de andere punten van dat lid zijn vervuld, de instelling de eigenvermogensvereisten voor haar blootstellingen met betrekking tot CTP-gerelateerde transacties met haar clearinglid mag berekenen overeenkomstig artikel 306, mits het risicogewicht van 2 % in artikel 306, lid 1, onder a), wordt vervangen door een risicogewicht van 4 %.

4. Bij een meerlagige cliëntstructuur mag een instelling die een cliënt van lager niveau is die via een cliënt van hoger niveau tot de diensten van een CTP toegang heeft, de in de leden 2 of 3 beschreven behandeling slechts toepassen als op elk niveau van die structuur aan de in genoemde leden gestelde voorwaarden is voldaan.";

(77)  artikel 306 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 1, onder c), wordt vervangen door:

"c) indien de instelling als financieel tussenpersoon tussen een cliënt en een CTP optreedt en in de voorwaarden van de CTP-gerelateerde transactie is bepaald dat de instelling bij wanbetaling van de CTP niet verplicht is de cliënt te vergoeden voor eventuele verliezen ten gevolge van veranderingen in de waarde van die transactie, dan mag zij de blootstellingswaarde van de transactie met de CTP die met die CTP-gerelateerde transactie overeenstemt, gelijkstellen aan nul;";

b)  aan lid 1 wordt het volgende punt d) toegevoegd:

"d) indien een instelling als financieel tussenpersoon tussen een cliënt en een CTP optreedt en in de voorwaarden van de CTP-gerelateerde transactie is bepaald dat de instelling bij wanbetaling van de CTP verplicht is de cliënt te vergoeden voor eventuele verliezen ten gevolge van veranderingen in de waarde van die transactie, dan past zij, naar gelang van het geval, de onder a) of de onder b) beschreven behandeling toe op de blootstellingswaarde van de transactie met de CTP die met die CTP-gerelateerde transactie overeenstemt.";

c)  de leden 2 en 3 worden vervangen door:

"2. In afwijking van lid 1 mag een instelling, indien de activa die als zekerheid bij een CTP of een clearinglid zijn gestort buiten het faillissement vallen ingeval de CTP, het clearinglid of een of meer van de andere cliënten van het clearinglid insolvent worden, een blootstellingswaarde van nul toekennen aan de blootstellingen aan tegenpartijkredietrisico voor die activa.

3. Een instelling berekent de blootstellingswaarden van haar CTP-transactieblootstellingen overeenkomstig de afdelingen 1 tot en met 8 van dit hoofdstuk of hoofdstuk 4, afdeling 4, van deze titel, naar gelang van het geval.";

(78)  artikel 307 wordt vervangen door het volgende:

"Artikel 307Eigenvermogensvereisten voor bijdragen aan het wanbetalingsfonds van een CTP

Een als clearinglid optredende instelling past de volgende behandeling toe op de blootstellingen die voortvloeien uit haar bijdragen aan het wanbetalingsfonds van een CTP:

a)  zij berekent de eigenvermogensvereisten voor haar voorgefinancierde bijdragen aan het wanbetalingsfonds van een gCTP overeenkomstig de benadering van artikel 308;

b)  zij berekent de eigenvermogensvereisten voor haar voorgefinancierde en niet-volgestorte bijdragen aan het wanbetalingsfonds van een niet-kwalificerende CTP overeenkomstig de benadering van artikel 309;

c)  zij berekent de eigenvermogensvereisten voor haar niet-volgestorte bijdragen aan het wanbetalingsfonds van een gCTP overeenkomstig de in artikel 310 beschreven behandeling.";

(79)  artikel 308 wordt als volgt gewijzigd:

a)  de leden 2 en 3 worden vervangen door:

"2. Een instelling berekent het eigenvermogensvereiste (Ki) om de uit haar voorgefinancierde bijdrage (DFi) voortvloeiende blootstelling te dekken als volgt:

 

waarbij:

i =  de index die het clearinglid aangeeft;

KCCP  = het overeenkomstig artikel 50 quater van Verordening (EU) nr. 648/2012 door de gCTP aan de instelling meegedeelde hypothetische kapitaal van de gCTP;

DFCM   = de overeenkomstig artikel 50 quater van Verordening (EU) nr. 648/2012 door de gCTP aan de instelling meegedeelde som van de voorgefinancierde bijdragen van alle clearingleden van de gCTP;

DFCCP  = de overeenkomstig artikel 50 quater van Verordening (EU) nr. 648/2012 door de CTP aan de instelling meegedeelde voorgefinancierde financiële middelen van de CTP.

3. Een instelling berekent de risicogewogen posten voor blootstellingen die voortvloeien uit de voorgefinancierde bijdrage van de instelling aan het wanbetalingsfonds van een gCTP voor de toepassing van artikel 92, lid 3, als de overeenkomstig lid 2 bepaalde eigenvermogensvereisten (KCMi), vermenigvuldigd met 12,5.";

b)  de leden 4 en 5 worden geschrapt;

(80)  artikel 309 wordt vervangen door het volgende:

"Artikel 309Eigenvermogensvereisten voor voorgefinancierde bijdragen aan het wanbetalingsfonds van een niet-gekwalificeerde CTP en voor niet-volgestorte bijdragen aan een niet-gekwalificeerde CTP

1.  Een instelling past de onderstaande formule toe voor de berekening van de eigenvermogensvereisten (K) voor de blootstellingen die voortvloeien uit haar voorgefinancierde bijdragen aan het wanbetalingsfonds van een niet-kwalificerende CTP (DF) en uit niet-volgestorte bijdragen (UC) aan een dergelijke CTP:

 

2.  Een instelling berekent de risicogewogen posten voor blootstellingen die voortvloeien uit een bijdrage van een instelling aan het wanbetalingsfonds van een niet-kwalificerende CTP voor de toepassing van artikel 92, lid 3, als de overeenkomstig lid 1 bepaalde eigenvermogensvereisten (K), vermenigvuldigd met 12,5.";

(81)  artikel 310 wordt vervangen door het volgende:

"Artikel 310Eigenvermogensvereisten voor niet-volgestorte bijdragen aan het wanbetalingsfonds van een gCTP

Een instelling past een risicogewicht van 0% toe op haar niet-volgestorte bijdragen aan het wanbetalingsfonds van een gCTP.";

(82)  Artikel 311 wordt vervangen door het volgende:

"Artikel 311Eigenvermogensvereisten voor niet-volgestorte bijdragen aan het wanbetalingsfonds van een gCTP

1.  Instellingen passen de in dit artikel beschreven behandeling toe indien het hun, na een openbare aankondiging of kennisgeving van de bevoegde autoriteit van een CTP die door die instellingen wordt gebruikt, dan wel van die CTP zelf, bekend is dat de betrokken CTP niet langer zal voldoen aan de vergunnings- of erkenningsvoorwaarden, naar gelang van het geval.

2.  Indien de voorwaarde van lid 1 is vervuld, doen instellingen binnen drie maanden nadat de in dat lid bedoelde omstandigheid zich heeft voorgedaan, of eerder indien de bevoegde autoriteiten van die instellingen dat verlangen, het volgende met betrekking tot hun blootstellingen ten aanzien van die CTP:

a)  zij passen de behandeling van artikel 306, lid 1, onder b), toe op hun transactieblootstellingen ten aanzien van die CTP;

b)  zij passen de behandeling van artikel 309 toe op hun voorgefinancierde bijdragen aan het wanbetalingsfonds van die CTP en op hun niet-volgestorte bijdragen aan die CTP;

c)  zij behandelen hun andere blootstellingen ten aanzien van die CTP dan de onder a) en b) van dit lid vermelde blootstellingen als blootstellingen ten aanzien van een onderneming in overeenstemming met de in hoofdstuk 2 van deze titel beschreven standaardbenadering voor het kredietrisico.";

(82 bis)  aan artikel 316, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd:

"In afwijking van de eerste alinea kunnen instellingen ervoor kiezen om de boekhoudkundige rubrieken voor de winst- en verliesrekening van artikel 27 van Richtlijn 86/635/EEG niet toe te passen op financiële en operationele leases voor het berekenen van de relevante indicator, en in plaats daarvan:

a) rentebaten van financiële en operationele leases, alsmede winsten van geleasede activa op te nemen in de categorie bedoeld onder punt 1 van tabel 1;

b) rentelasten van financiële en operationele leases, verliezen, depreciatie en bijzondere waardevermindering van geleasede operationele activa op te nemen in de categorie bedoeld onder punt 2 van tabel 1.";

(83)  in deel drie, titel IV, wordt hoofdstuk 1 vervangen door:

"Hoofdstuk 1Algemene bepalingen

Artikel 325Benaderingen voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's

1.  Een instelling berekent de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's van alle handelsportefeuilleposities en niet-handelsportefeuilleposities waaraan een wisselkoersrisico of een grondstoffenrisico verbonden is, volgens de volgende benaderingen:

a)  vanaf 1 januari 2022, de in hoofdstuk 1 bis van deze titel beschreven standaardbenadering;

b)  vanaf 1 januari 2022, de in hoofdstuk 1 ter van deze titel beschreven internemodellenbenadering, maar alleen voor de posities die zijn toegewezen aan tradingdesks waarvoor de bevoegde autoriteiten de instelling overeenkomstig artikel 325 quaterquinquagies toestemming hebben verleend om van die benadering gebruik te maken;

c)  na 1 januari 2022 mogen alleen instellingen die aan de voorwaarden van artikel 325 bis, lid 1, voldoen van de in lid 4 bedoelde vereenvoudigde standaardbenadering gebruikmaken om hun eigenvermogensvereisten voor marktrisico's te bepalen;

d)  tot 1 januari 2022, de in hoofdstuk 5 van deze titel beschreven vereenvoudigde internemodellenbenadering voor de risicocategorieën waarvoor de instelling overeenkomstig artikel 363 toestemming heeft gekregen om van die benadering gebruik te maken. Na [de toepassingsdatum van deze verordening] mogen instellingen geen gebruik meer maken van de in hoofdstuk 5 beschreven vereenvoudigde internemodellenbenadering om de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's te bepalen.

2.  Onder de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's, berekend volgens de in lid 1, onder c), bedoelde vereenvoudigde standaardbenadering, wordt de som verstaan van de volgende eigenvermogensvereisten, naar gelang van het geval:

a)  de eigenvermogensvereisten voor positierisico's als bedoeld in hoofdstuk 2 van deze titel;

b)  de eigenvermogensvereisten voor wisselkoersrisico's als bedoeld in hoofdstuk 3 van deze titel;

c)  de eigenvermogensvereisten voor grondstoffenrisico's als bedoeld in hoofdstuk 4 van deze titel.

3.  Een instelling mag de in lid 1, onder a) en b), genoemde benaderingen permanent binnen een groep combineren, op voorwaarde dat de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's, berekend volgens de onder a) genoemde benadering, niet meer dan 90% van de totale eigenvermogensvereisten voor marktrisico's uitmaken. Anders volgt de instelling de in lid 1, onder a), genoemde benadering voor alle posities die onder de vermogensvereisten voor marktrisico's vallen.

Uitgaande van de door de instelling gekozen benadering voor vergelijkbare desks kan de bevoegde autoriteit besluiten om desks aan te wijzen als vallende binnen de werkingssfeer van de in lid 1, onder b), bedoelde benadering.

4.  Een instelling mag de in lid 1, onder c) en d), genoemde benaderingen permanent binnen een groep combineren in overeenstemming met artikel 363.

5.  Een instelling mag geen van de in lid 1, onder a) en b), genoemde benaderingen combineren met de in lid 1, onder c), genoemde benadering.

6.  Een instelling mag geen gebruik maken van de in lid 1, onder b), genoemde benadering voor instrumenten in de handelsportefeuille die ofwel securitisatieposities zijn, ofwel van de correlatiehandelsportefeuille (CHP) deel uitmakende posities zijn als bedoeld in artikel 104, leden 7, 8 en 9.

7.  Voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor CVA-risico's met behulp van de in artikel 383 beschreven geavanceerde methode mogen instellingen na [de toepassingsdatum van deze verordening] gebruik blijven maken van de in hoofdstuk 5 van deze titel beschreven vereenvoudigde internemodellenbenadering, maar vanaf die datum maken zij geen gebruik meer van die benadering om de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's te berekenen.

8.  De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de wijze waarop instellingen volgens de in lid 1, onder a) en b), genoemde benaderingen de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's moeten bepalen van niet-handelsportefeuilleposities waaraan een wisselkoersrisico of een grondstoffenrisico verbonden is.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen binnen [zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde ontwerpen van technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 325 bisVoorwaarden voor het gebruiken van de vereenvoudigde standaardbenadering

1.  Een instelling mag de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's met behulp van de in artikel 325, lid 1, onder c), genoemde benadering berekenen, mits de omvang van de activiteiten van de instelling binnen en buiten de balanstelling waaraan marktrisico's verbonden zijn, volgens een maandelijks uitgevoerde toetsing ten hoogste gelijk is aan de volgende drempelwaarden:

a)  10 % van de totale activa van de instelling;

b)  300 miljoen EUR.

Op verzoek van een instelling kan de bevoegde autoriteit de individuele instelling toestaan om de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's te berekenen volgens de benadering van artikel 325, lid 1, onder c), mits de omvang van de activiteiten van de instelling binnen en buiten de balanstelling waaraan marktrisico's verbonden zijn, volgens een maandelijks uitgevoerde toetsing niet meer dan 500 miljoen EUR bedraagt.

2.  Instellingen berekenen de omvang op een gegeven datum van hun activiteiten binnen en buiten de balanstelling waaraan marktrisico's verbonden zijn, met inachtneming van de volgende vereisten:

a)  alle aan de handelsportefeuille toegewezen posities worden in aanmerking genomen▌;

b)  alle niet-handelsportefeuilleposities waaraan wisselkoers- en grondstoffenrisico's verbonden zijn, worden in aanmerking genomen;

c)  alle posities worden tegen hun marktprijzen op die datum gewaardeerd, met uitzondering van de onder b) bedoelde posities. Indien de marktprijs van een positie op een gegeven datum niet beschikbaar is, maken instellingen gebruik van de meest recente marktwaarde voor de positie in kwestie;

d)  alle niet-handelsportefeuilleposities waaraan grondstoffenrisico's verbonden zijn, worden als een totale netto grondstoffenpositie beschouwd en overeenkomstig artikel 352 gewaardeerd;

e)  alle niet-handelsportefeuilleposities waaraan grondstoffenrisico's verbonden zijn, worden gewaardeerd op basis van het bepaalde in artikel 357 en 358;

f)  de absolute waarde van longposities wordt samengeteld met de absolute waarde van shortposities.

3.  Instellingen stellen de bevoegde autoriteiten ervan in kennis wanneer zij hun eigenvermogensvereisten voor marktrisico's berekenen, of niet langer berekenen, in overeenstemming met dit artikel.

4.  Een instelling die niet meer aan de voorwaarden van lid 1 voldoet, stelt de bevoegde autoriteit daar onverwijld van in kennis.

5.  Instellingen berekenen de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's niet langer in overeenstemming met lid 1 binnen een termijn van drie maanden nadat zich één van de volgende situaties heeft voorgedaan:

a)  de instelling voldoet gedurende drie opeenvolgende maanden niet aan de voorwaarden van lid 1;

b)  de instelling voldoet gedurende meer dan 6 maanden van de laatste 12 maanden niet aan de voorwaarden van lid 1.

6.  Ingeval een instelling de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's niet langer in overeenstemming met lid 1 berekent, is het haar pas wederom toegestaan de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's in overeenstemming met lid 1 te berekenen wanneer zij ten genoegen van de bevoegde autoriteit aantoont dat gedurende een ononderbroken periode van een volledig jaar aan alle voorwaarden van lid 1 was voldaan.

7.  Instellingen mogen geen positie innemen met als enig doel om tijdens de maandelijkse toetsing aan één van de voorwaarden van lid 1 te voldoen.

Artikel 325 terTegemoetkomingen voor geconsolideerde vereisten

1.  Met inachtneming van lid 2 en uitsluitend voor de berekening van nettoposities en eigenvermogensvereisten op geconsolideerde basis overeenkomstig deze titel mogen instellingen posities in een instelling of onderneming gebruiken om posities in een andere instelling of onderneming te compenseren.

2.  Instellingen mogen lid 1 uitsluitend toepassen met toestemming van de bevoegde autoriteiten, die wordt verleend indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a)  binnen de groep is er sprake van een adequate toewijzing van eigen vermogen;

b)  het reglementaire, juridische of contractuele kader waarbinnen de instellingen werken, waarborgt wederzijdse financiële ondersteuning binnen de groep.

3.  Indien er in derde landen gevestigde ondernemingen zijn, wordt er behalve aan de in lid 2 genoemde voorwaarden, ook aan elk van de volgende voorwaarden voldaan:

a)  aan die ondernemingen is vergunning verleend in een derde land en zij beantwoorden aan de definitie van kredietinstelling of zijn erkende beleggingsondernemingen uit een derde land;

b)  die ondernemingen voldoen op niet-geconsolideerde basis aan eigenvermogensvereisten die gelijkwaardig zijn aan de in deze verordening vastgestelde vereisten;

c)  in de betrokken derde landen bestaan geen voorschriften met aanzienlijke gevolgen voor de overdracht van middelen binnen de groep.

Artikel 325 quaterStructurele afdekking van het wisselkoersrisico

1.  De bevoegde autoriteiten kunnen een instelling toestaan om bij de berekening van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's bepaalde wisselkoersrisicoposities die zij doelbewust heeft ingenomen om de ongunstige effecten van wisselkoersen op haar in artikel 92, lid 1, genoemde ratio's af te dekken, ▌buiten beschouwing te laten, op voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten daarvoor toestemming hebben verleend en mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)  de uitsluiting is beperkt tot het grootste van de volgende bedragen:

i)  het in vreemde valuta's luidende bedrag van de investeringen in verbonden entiteiten die echter niet met de instelling zijn geconsolideerd;

ii)  het in vreemde valuta's luidende bedrag van de investeringen in geconsolideerde dochterondernemingen;

b)  de uitsluiting van de berekening van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's duurt ten minste zes maanden;

c)  de instelling heeft de bevoegde autoriteiten nadere gegevens over die positie verstrekt, aangetoond dat die positie is ingenomen om de ongunstige effecten van de wisselkoers op haar in artikel 92, lid 1, genoemde ratio's geheel of gedeeltelijk af te dekken, en de onder a) bedoelde bedragen van die positie meegedeeld die van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's zijn uitgesloten.

2.  Elke uitsluiting van posities van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's in overeenstemming met lid 1 wordt consequent toegepast en blijft gelden tijdens de levensduur van de activa of andere posten.

3.  De bevoegde autoriteiten hechten hun goedkeuring aan alle latere wijzigingen door de instelling in de bedragen die overeenkomstig lid 1 van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's zijn uitgesloten.";

(84)  in deel drie, titel IV, worden de volgende hoofdstukken 1 bis en 1 ter ingevoegd:

"Hoofdstuk 1 bisDe standaardbenadering

Afdeling 1Algemene bepalingen

Artikel 325 quinquiesWerkingssfeer en structuur van de standaardbenadering

Een instelling berekent de eigenvermogensvereisten voor het marktrisico met behulp van de standaardbenadering voor een portefeuille van handelsportefeuilleposities of niet-handelsportefeuilleposities waaraan wisselkoers- en grondstoffenrisico's verbonden zijn, als de som van de volgende drie componenten:

a)  het in afdeling 2 van dit hoofdstuk beschreven eigenvermogensvereiste volgens de op gevoeligheden gebaseerde methode;

b)  het in afdeling 5 van dit hoofdstuk beschreven eigenvermogensvereiste voor het wanbetalingsrisico, dat alleen van toepassing is op de in die afdeling genoemde handelsportefeuilleposities;

c)  het in afdeling 4 van dit hoofdstuk beschreven eigenvermogensvereiste voor restrisico's, dat alleen van toepassing is op de in die afdeling genoemde handelsportefeuilleposities.

Afdeling 2Eigenvermogensvereiste volgens de op gevoeligheden gebaseerde methode

Artikel 325 sexiesDefinities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

(1) "risicoklasse": één van de volgende zeven categorieën: i) algemeen renterisico; ii) niet met securitisatie samenhangend creditspreadrisico; iii) met securitisatie samenhangend creditspreadrisico (niet-CHP); iv) met securitisatie samenhangend creditspreadrisico (CHP); v) aandelenrisico; vi) grondstoffenrisico; en vii) wisselkoersrisico;

(2) "gevoeligheid": de relatieve verandering in de waarde van een positie, berekend met behulp van het prijsmodel van de instelling, als gevolg van een verandering in de waarde van één van de relevante risicofactoren van de positie;

(3) "subklasse": een subcategorie van posities binnen een risicoklasse met eenzelfde risicoprofiel waaraan een risicogewicht is toegewezen als omschreven in afdeling 3, onderafdeling 1, van dit hoofdstuk.

Artikel 325 septiesComponenten van de op gevoeligheden gebaseerde methode

1.  Instellingen berekenen de eigenvermogensvereisten voor het marktrisico volgens de op gevoeligheden gebaseerde methode door de volgende drie eigenvermogensvereisten overeenkomstig artikel 325 decies te aggregeren:

a)  eigenvermogensvereisten voor het deltarisico, dat het risico van veranderingen in de waarde van een instrument weergeeft die toe te schrijven zijn aan bewegingen in de niet-volatiliteitsgerelateerde risicofactoren ervan, waarbij van een lineaire prijsfunctie wordt uitgegaan;

b)  eigenvermogensvereisten voor het vegarisico, dat het risico van veranderingen in de waarde van een instrument weergeeft die toe te schrijven zijn aan bewegingen in de volatiliteitsgerelateerde risicofactoren ervan;

c)  eigenvermogensvereisten voor het curvatuurrisico, dat het risico van veranderingen in de waarde van een instrument weergeeft die toe te schrijven zijn aan bewegingen in de belangrijkste niet-volatiliteitsgerelateerde risicofactoren welke niet door het deltarisico worden weergegeven.

2.  Voor de in lid 1 bedoelde berekening geldt het volgende:

d)  alle posities in instrumenten met optionaliteit zijn onderworpen aan de in lid 1, onder a), b) en c), genoemde eigenvermogensvereisten;

e)  alle posities in instrumenten zonder optionaliteit zijn alleen onderworpen aan de in lid 1, onder a), genoemde eigenvermogensvereisten.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk omvatten instrumenten met optionaliteit onder meer: callopties, putopties, caps, floors, swaptions, barrieropties en exotische opties. Voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's worden ingebouwde opties, zoals opties tot vervroegde aflossing of gedragsopties, als op zichzelf staande posities in opties beschouwd.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden instrumenten waarvan de kasstromen als een lineaire functie van de notionele waarde van de onderliggende waarde kunnen worden uitgedrukt, als instrumenten zonder optionaliteit beschouwd.

Artikel 325 octies Eigenvermogensvereisten voor het delta- en het vegarisico

1.  Instellingen passen de in afdeling 3, onderafdeling 1, van dit hoofdstuk beschreven delta- en vegarisicofactoren toe voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het delta- en het vegarisico.

2.  Instellingen passen het in de leden 3 tot en met 8 beschreven proces toe voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het delta- en het vegarisico.

3.  Voor elke risicoklasse wordt de gevoeligheid van alle onder de eigenvermogensvereisten voor het delta- en het vegarisico vallende instrumenten voor elk van de bij de betrokken risicoklasse behorende, toepasselijke delta- of vegarisicofactoren berekend met behulp van de overeenkomstige formules in afdeling 3, onderafdeling 2, van dit hoofdstuk. Indien de waarde van een instrument van meerdere risicofactoren afhankelijk is, wordt de gevoeligheid voor elke risicofactor afzonderlijk bepaald.

4.  Gevoeligheden worden aan één van de subklassen "b" binnen elke risicoklasse toegewezen.

5.  Binnen elke subklasse "b" worden de positieve en negatieve gevoeligheden voor dezelfde risicofactor verrekend, wat in nettogevoeligheden ( voor elke riscofactor k binnen een subklasse resulteert.

6.  De nettogevoeligheden voor elke risicofactor () binnen elke subklasse worden volgens de onderstaande formule met de in afdeling 6 voorgeschreven overeenkomstige risicogewichten (RWk) vermenigvuldigd, wat in gewogen gevoeligheden (WSk) voor elke risicofactor binnen die subklasse resulteert:

7.  De gewogen gevoeligheden voor de verschillende risicofactoren binnen elke subklasse worden geaggregeerd volgens de onderstaande formule, waarbij de laagste waarde binnen de vierkantswortelfunctie op nul is vastgesteld, wat in de subklassespecifieke gevoeligheid (Kb) resulteert. Er wordt gebruikgemaakt van de overeenkomstige correlaties voor gewogen gevoeligheden binnen dezelfde subklasse () welke in afdeling 6 zijn vastgelegd.

8.  Overeenkomstig de leden 5, 6 en 7 wordt voor elke subklasse binnen een risicoklasse de subklassespecifieke gevoeligheid (Kb) berekend. Wanneer voor alle subklassen de subklassespecifieke gevoeligheid is berekend, worden de gewogen gevoeligheden voor alle risicofactoren van alle subklassen volgens de onderstaande formule geaggregeerd, met gebruikmaking van de overeenkomstige correlaties γbc voor de gewogen gevoeligheden in de verschillende subklassen welke in afdeling 6 zijn vastgelegd, wat in het risicoklassespecifieke eigenvermogensvereiste voor het delta- of het vegarisico resulteert:

waarbij voor alle risicofactoren van subklasse b en voor alle risicofactoren van subklasse c. Ingeval deze waarden voor en voor de totale som van een negatieve waarde opleveren, berekent de instelling de risicoklassespecifieke eigenvermogensvereisten voor het delta- of het vegarisico met behulp van een alternatieve specificatie waarbij voor alle risicofactoren van subklasse b en voor alle risicofactoren van subklasse c.

Voor elke risicoklasse worden de risicoklassespecifieke eigenvermogensvereisten voor het delta- of het vegarisico berekend in overeenstemming met de leden 1 tot en met 8.

Artikel 325 noniesEigenvermogensvereisten voor het curvatuurrisico

1.  Instellingen passen het in de leden 2 tot en met 6 beschreven proces toe voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het curvatuurrisico.

2.  Met behulp van de overeenkomstig artikel 325 octies, lid 4, berekende gevoeligheden voor elke risicoklasse wordt volgens de onderstaande formule een nettovereiste voor het curvatuurrisico voor elke risicofactor (k) van die risicoklasse berekend.

waarbij:

i = de index die een instrument aangeeft dat onderhevig is aan curvatuurrisico's die met risicofactor k samenhangen;

= het actuele niveau van risicofactor k;

= de waarde van een instrument i zoals geraamd aan de hand van het prijsmodel van de instelling met behulp van de actuele waarde van risicofactor k;

en = de waarde van een instrument i nadat respectievelijk opwaarts en neerwaarts is bijgesteld in overeenstemming met de overeenkomstige risicogewichten;

= het overeenkomstig afdeling 6 bepaalde risicogewicht voor curvatuurrisicofactor k voor instrument i.

= de deltagevoeligheid van instrument i met betrekking tot de deltarisicofactor die met curvatuurrisicofactor k overeenstemt.

3.  Voor elke risicoklasse worden de overeenkomstig lid 2 berekende nettovereisten voor het curvatuurrisico toegewezen aan één van de subklassen (b) binnen die risicoklasse.

4.  Alle nettovereisten voor het curvatuurrisico binnen elke subklasse (b) worden volgens de onderstaande formule geaggregeerd, waarbij van de overeenkomstige voorgeschreven correlaties rkl tussen de paren van risicofactoren k, l binnen elke subklasse wordt gebruikgemaakt, wat in de subklassespecifieke eigenvermogensvereisten voor het curvatuurrisico resulteert:

  

waarbij:

y = een functie waarvan de waarde 0 is als en allebei een negatief teken hebben. In alle andere gevallen is de waarde van ygelijk aan 1.

5.  De netto eigenvermogensvereisten voor het curvatuurrisico van alle subklassen binnen elke risicoklasse worden volgens de onderstaande formule geaggregeerd, waarbij wordt gebruikgemaakt van de overeenkomstige voorgeschreven correlaties γbc voor reeksen van nettovereisten voor het curvatuurrisico die bij de verschillende subklassen behoren. Dit resulteert in de risicoklassespecifieke eigenvermogensvereisten voor het curvatuurrisico.

  

waarbij:

voor alle risicofactoren van subklasse b, en voor alle risicofactoren van subklasse c;

= een functie waarvan de waarde 0 is als en allebei een negatief teken hebben. In alle andere gevallen is de waarde van gelijk aan 1.

Ingeval deze waarden voor en voor de totale som van een negatieve waarde opleveren,

berekent de instelling de eigenvermogensvereisten voor het curvatuurrisico met behulp van een alternatieve specificatie waarbij voor alle risicofactoren van subklasse b en voor alle risicofactoren van subklasse c.

6.  Voor elke risicoklasse worden de risicoklassespecifieke eigenvermogensvereisten voor het curvatuurrisico berekend in overeenstemming met de leden 2 tot en met 5.

Artikel 325 deciesAggregatie van risicoklassespecifieke eigenvermogensvereisten voor het delta-, het vega- en het curvatuurrisico

1.  Instellingen aggregeren de risicoklassespecifieke eigenvermogensvereisten voor het delta-, het vega- en het curvatuurrisico volgens het in de leden 2 en 3 beschreven proces.

2.  Het in de artikelen 325 octies en 325 nonies beschreven proces voor de berekening van de risicoklassespecifieke eigenvermogensvereisten voor het delta-, het vega- en het curvatuurrisico wordt drie keer uitgevoerd per risicoklasse, waarbij telkens een verschillende reeks correlatieparameters (correlatie tussen risicofactoren binnen een subklasse) en (correlatie tussen subklassen binnen een risicoklasse) wordt gehanteerd. Elk van deze drie reeksen stemt overeen met één van de volgende verschillende scenario's:

a)  het "mediumcorrelaties"-scenario, waarbij de correlatieparameters en ongewijzigd blijven ten opzichte van die welke in afdeling 6 zijn vermeld;

b)  het "hoge correlaties"-scenario, waarbij de in afdeling 6 vermelde correlatieparameters en allemaal met 1,25 worden vermenigvuldigd, waarbij voor en een limiet van 100% geldt;

c)  het "lage correlaties"-scenario, waarbij de overeenkomstige voorgeschreven correlaties die in afdeling 6 zijn vermeld, allemaal met 0,75 worden vermenigvuldigd.

3.  Voor elk scenario stelt de instelling een scenariospecifiek eigenvermogensvereiste op portefeuilleniveau vast. Het scenariospecifieke eigenvermogensvereiste op portefeuilleniveau wordt berekend als de som van de risicoklassespecifieke eigenvermogensvereisten voor dit scenario.

4.  De uiteindelijke eigenvermogensvereisten voor de portefeuille zijn de hoogste van de overeenkomstig lid 3 berekende drie scenariospecifieke eigenvermogensvereisten op portefeuilleniveau.

Artikel 325 undeciesBehandeling van indexinstrumenten en opties met meerdere onderliggende waarden

1.  Instellingen maken gebruik van een doorkijkbenadering voor indexinstrumenten en opties met meerdere onderliggende waarden wanneer de deltarisicogevoeligheden van alle bestanddelen van de index of de optie hetzelfde teken hebben. De gevoeligheden voor samenstellende risicofactoren van indexinstrumenten en opties met meerdere onderliggende waarden mogen zonder enige beperking worden verrekend met gevoeligheden voor single-name-instrumenten, met uitzondering van posities in de CHP.

2.  Opties met meerdere onderliggende waarden welke door deltarisicogevoeligheden met verschillende tekens worden gekenmerkt, zijn van het delta- en het vegarisico vrijgesteld, maar worden onderworpen aan de in afdeling 4 van dit hoofdstuk bedoelde opslagfactor voor het restrisico.

Artikel 325 duodeciesBehandeling van instellingen voor collectieve belegging

1.  Instellingen berekenen de eigenvermogensvereisten voor het marktrisico van een positie op een instelling voor collectieve belegging ("icb") aan de hand van één van de volgende benaderingen:

a)  een instelling die de onderliggende beleggingen van de icb of het indexinstrument dagelijks kan identificeren, past de doorkijkbenadering toe om met deze onderliggende beleggingen rekening te houden en berekent de eigenvermogensvereisten voor het marktrisico van deze positie volgens de in artikel 325 undecies beschreven benadering;

b)  indien de dagkoersen voor de icb kunnen worden verkregen, maar een instelling op de hoogte is van het mandaat van de icb, beschouwt de instelling de icb-positie als een aandeleninstrument voor de toepassing van de op gevoeligheden gebaseerde methode;

c)  indien de dagkoersen voor de icb kunnen worden verkregen, maar een instelling niet op de hoogte is van het mandaat van de icb, beschouwt de instelling de icb-positie als een aandeleninstrument voor de toepassing van de op gevoeligheden gebaseerde methode en wijst zij aan die icb-positie het risicogewicht van de subklasse "andere sector" van het aandelenrisico toe.

2.  Instellingen mogen een beroep doen op de volgende derde partijen om hun eigenvermogensvereisten voor het marktrisico met betrekking tot posities op icb's conform de in dit hoofdstuk beschreven methoden te berekenen en te rapporteren:

a)  de effectenbewaarinstelling van de icb, mits de icb uitsluitend in effecten belegt en al deze effecten bij die instelling in bewaring geeft;

b)  voor andere icb's, de beheermaatschappij van de icb, mits deze maatschappij voldoet aan de in artikel 132, lid 3, onder a), beschreven criteria.

3.  De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de risicogewichten die aan de in lid 1, onder b), bedoelde posities op de icb moeten worden toegewezen.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen binnen [vijftien maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde ontwerpen van technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 325 terdeciesOvernemingsposities

1.  Instellingen mogen van het in dit artikel beschreven proces gebruikmaken voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's van overnemingsposities in schuld- of aandeleninstrumenten.

2.  Instellingen passen één van de in tabel 1 vermelde passende vermenigvuldigingsfactoren toe op de nettogevoeligheden van alle overnemingsposities op elke individuele uitgevende instelling, met uitzondering van de op grond van formele overeenkomsten bij derde partijen geplaatste of door derde partijen herovergenomen overnemingsposities, en berekenen de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's conform de in dit hoofdstuk beschreven benadering op basis van de aangepaste nettogevoeligheden.

Tabel 1

werkdag 0

%

werkdag 1

10 %

werkdagen 2 en 3

25 %

werkdag 4

50 %

werkdag 5

75 %

na werkdag 5

100 %

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "werkdag 0" het volgende verstaan: de werkdag waarop de instelling een onherroepelijke verbintenis is aangegaan tot aanvaarding van een bekende hoeveelheid effecten tegen een overeengekomen prijs.

3.  Instellingen stellen de bevoegde autoriteiten in kennis van de toepassing van het in dit artikel beschreven proces.

Afdeling 3Definities van risicofactoren en gevoeligheden

Onderafdeling 1Definities van risicofactoren

Artikel 325 quaterdeciesAlgemene-renterisicofactoren

1.  Voor alle algemene-renterisicofactoren, met inbegrip van het inflatierisico en het cross-currencybasisrisico, is er één subklasse per valuta die verschillende soorten risicofactoren omvat.

De op rentegevoelige instrumenten toepasselijke algemene-rentedeltarisicofactoren zijn de desbetreffende risicovrije rentes per valuta voor elk van de volgende looptijden: 0,25 jaar, 0,5 jaar, 1 jaar, 2 jaar, 3 jaar, 5 jaar, 10 jaar, 15 jaar, 20 jaar en 30 jaar. Instellingen wijzen risicofactoren aan de gespecificeerde punten toe door middel van lineaire interpolatie of met behulp van een methode die het meest consistent is met de prijsfuncties die door de onafhankelijke risicocontrolefunctie van de instelling worden gehanteerd om marktrisico's of winsten en verliezen aan de directie te rapporteren.

2.  Instellingen verkrijgen de risicovrije rentes per valuta van de in de handelsportefeuille van de instelling aangehouden geldmarktinstrumenten met het laagste kredietrisico, zoals overnight index swaps.

3.  Indien instellingen de in lid 2 beschreven benadering niet kunnen toepassen, worden de risicovrije rentes gebaseerd op één of meer marktimpliciete swapcurves die door de instelling worden gebruikt voor de waardering van posities tegen marktwaarde, zoals de swapcurves voor de interbankenrente.

Indien de gegevens over de in lid 2 en in de eerste alinea van dit lid beschreven marktimpliciete swapcurves ontoereikend zijn, mogen de risicovrije rentes worden afgeleid van de meest geschikte staatsobligatiecurve voor een gegeven valuta.

Indien instellingen gebruikmaken van de risicofactoren die volgens de procedure van de tweede alinea van dit lid van staatsschuldinstrumenten zijn afgeleid, is het staatsschuldinstrument in kwestie niet van de eigenvermogensvereisten voor het creditspreadrisico vrijgesteld. In de gevallen waarin de risicovrije rente niet van de creditspreadcomponent kan worden losgekoppeld, wordt de gevoeligheid voor deze risicofactor zowel aan de algemene-renterisicoklasse als aan de creditspreadrisicoklasse toegewezen.

4.  In het geval van algemene-renterisicofactoren vormt elke valuta een afzonderlijke subklasse. Instellingen wijzen aan risicofactoren binnen dezelfde subklasse maar met verschillende looptijden overeenkomstig afdeling 6 een verschillend risicogewicht toe.

Instellingen passen additionele risicofactoren voor het inflatierisico toe op schuldinstrumenten waarvan de kasstromen functioneel afhankelijk zijn van inflatiepercentages. Deze additionele risicofactoren bestaan uit één vector van marktimpliciete inflatiepercentages voor de verschillende looptijden per valuta. Voor elk instrument omvat de vector evenveel componenten als er inflatiepercentages zijn die door het prijsmodel van de instelling voor dat instrument als variabelen worden gebruikt.

5.  Instellingen berekenen de gevoeligheid van het instrument voor de in lid 4 bedoelde additionele risicofactor voor het inflatierisico als de uit een bijstelling van elk van de componenten van de vector met 1 basispunt voortvloeiende verandering in de waarde van het instrument volgens het prijsmodel voor dat instrument. Elke valuta vormt een afzonderlijke subklasse. Binnen elke subklasse behandelen instellingen inflatie als één enkele risicofactor, ongeacht het aantal componenten van elke vector. Instellingen verrekenen alle op de bovenbeschreven wijze berekende gevoeligheden voor inflatie binnen een subklasse om één enkele nettogevoeligheid per subklasse te verkrijgen.

6.  Aan schuldinstrumenten waarbij van betalingen in verschillende valuta's sprake is, is ook een cross-currencybasisrisico tussen die valuta's verbonden. Voor de toepassing van de op gevoeligheden gebaseerde methode zijn de door instellingen toe te passen risicofactoren het cross-currencybasisrisico van elke valuta, waarbij ofwel de USD, ofwel de EUR als basis fungeren. Cross-currencybases waarbij noch de USD, noch de EUR als basis fungeren, worden door de instellingen berekend met ofwel de USD, ofwel de EUR als basis.

Elke cross-currencybasisrisicofactor bestaat uit één vector voor de cross-currencybasis voor de verschillende looptijden per valuta. Voor elk instrument omvat de vector evenveel componenten als er cross-currencybases zijn die door het prijsmodel van de instelling voor dat instrument als variabelen worden gebruikt. Elke valuta vormt een verschillende subklasse.

Instellingen berekenen de gevoeligheid van het instrument voor deze risicofactor als de uit een bijstelling van elk van de componenten van de vector met 1 basispunt voortvloeiende verandering in de waarde van het instrument volgens het prijsmodel voor dat instrument. Elke valuta vormt een afzonderlijke subklasse. Binnen elke subklasse zijn er twee mogelijke onderscheiden risicofactoren: de EUR-basis en de USD-basis, ongeacht hoeveel componenten elke cross-currencybasisvector omvat. Het maximumaantal nettogevoeligheden per subklasse is gelijk aan twee.

7.  De algemene-rentevegarisicofactoren die van toepassing zijn op opties met onderliggende waarden die gevoelig zijn voor de algemene rente, zijn de impliciete volatiliteiten van de in de leden 2 en 3 beschreven desbetreffende risicovrije rentes, die naar gelang van de valuta aan subklassen worden toegewezen en die binnen elke subklasse naar de volgende looptijden worden gemapt: 0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar. Er is één subklasse per valuta.

Voor verrekeningsdoeleinden beschouwen instellingen impliciete volatiliteiten die met dezelfde risicovrije rentes verband houden en die naar dezelfde looptijden zijn gemapt, als dezelfde risicofactor.

Indien instellingen impliciete volatiliteiten naar de in dit lid genoemde looptijden mappen, is het volgende van toepassing:

a)  indien de looptijd van de optie met de looptijd van de onderliggende waarde overeenstemt, wordt één enkele risicofactor in aanmerking genomen, die conform die looptijd wordt gemapt;

b)  indien de looptijd van de optie korter is dan de looptijd van de onderliggende waarde, dan worden de volgende risicofactoren als volgt in aanmerking genomen:

i)  de eerste risicofactor wordt gemapt conform de looptijd van de optie;

ii)  de tweede risicofactor wordt gemapt conform de resterende looptijd van de onderliggende waarde van de optie op de vervaldatum van de optie.

8.  De door instellingen toe te passen algemene-rentecurvatuurrisicofactoren bestaan uit één vector van risicovrije rentes die een specifieke risicovrije rendementscurve per valuta weergeven. Elke valuta vormt een verschillende subklasse. Voor elk instrument omvat de vector evenveel componenten als er verschillende looptijden van risicovrije rentes zijn die door het prijsmodel van de instelling voor dat instrument als variabelen worden gebruikt.

9.  Instellingen berekenen de gevoeligheid van het instrument voor elke risicofactor die in de formule voor het curvatuurrisico wordt gebruikt in overeenstemming met artikel 325 nonies. Voor de doeleinden van het curvatuurrisico beschouwen instellingen met verschillende rendementscurves overeenstemmende en uit een verschillend aantal componenten bestaande vectoren als dezelfde risicofactor, op voorwaarde dat die vectoren op dezelfde valuta betrekking hebben. Instellingen verrekenen gevoeligheden voor dezelfde risicofactor. Er is slechts één nettogevoeligheid per subklasse.

Er is geen eigenvermogensvereiste voor het curvatuurrisico voor het inflatie- en het cross-currencybasisrisico.

Artikel 325 quindeciesCreditspreadrisicofactoren voor niet-securitisatie

1.  De creditspread-deltarisicofactoren die instellingen moeten toepassen op niet-securitisatie-instrumenten die gevoelig zijn voor de creditspread, zijn de creditspreads voor de uitgevende instellingen ervan; deze worden van de desbetreffende schuldinstrumenten en kredietverzuimswaps afgeleid en naar elk van de volgende looptijden gemapt: 0,25 jaar, 0,5 jaar, 1 jaar, 2 jaar, 3 jaar, 5 jaar, 10 jaar, 15 jaar, 20 jaar en 30 jaar. Instellingen passen één risicofactor per uitgevende instelling en per looptijd toe, ongeacht of de desbetreffende creditspreads voor de uitgevende instelling van schuldinstrumenten of van kredietverzuimswaps zijn afgeleid. De subklassen zijn de in afdeling 6 genoemde sectorale subklassen, en elke subklasse omvat alle risicofactoren die aan de desbetreffende sector zijn toegewezen.

2.  De vegarisicofactoren voor de creditspread die instellingen moeten toepassen op opties met onderliggende waarden die niet-securitisatie-instrumenten zijn die gevoelig zijn voor de creditspread, zijn de impliciete volatiliteiten van de overeenkomstig lid 1 afgeleide creditspreads voor de uitgevende instellingen; deze worden naar de volgende looptijden gemapt volgens de looptijd van de optie die aan eigenvermogensvereisten onderworpen is: 0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar. Er wordt van dezelfde subklassen gebruikgemaakt als bij het creditspread-deltarisico voor niet-securitisatie.

3.  De creditspreadcurvatuurrisicofactoren die instellingen op niet-securitisatie-instrumenten moeten toepassen, bestaan uit één vector van creditspreads die een specifieke creditspreadcurve voor een uitgevende instelling weergeven. Voor elk instrument omvat de vector evenveel componenten als er verschillende looptijden van creditspreads zijn die door het prijsmodel van de instelling voor dat instrument als variabelen worden gebruikt. Er wordt van dezelfde subklassen gebruikgemaakt als bij het creditspread-deltarisico voor niet-securitisatie.

4.  Instellingen berekenen de gevoeligheid van het instrument voor elke risicofactor die in de formule voor het curvatuurrisico wordt gebruikt in overeenstemming met artikel 325 nonies. Voor de doeleinden van het curvatuurrisico beschouwen instellingen vectoren die ofwel van desbetreffende schuldinstrumenten, ofwel van desbetreffende kredietverzuimswaps zijn afgeleid en die uit een verschillend aantal componenten bestaan, als dezelfde risicofactor, op voorwaarde dat die vectoren op dezelfde uitgevende instelling betrekking hebben.

Artikel 325 sexdeciesCreditspreadrisicofactoren voor securitisatie

1.  Instellingen passen de in lid 3 genoemde creditspreadrisicofactoren voor CHP-securitisaties toe op tot de CHP behorende securitisatieposities, als bedoeld in artikel 104, leden 7, 8 en 9.

Instellingen passen de in lid 5 genoemde creditspreadrisicofactoren voor niet-CHP-securitisaties toe op niet tot de CHP behorende securitisatieposities, als bedoeld in artikel 104, leden 7, 8 en 9.

2.  Op het creditspreadrisico van tot de CHP behorende securitisatieposities zijn dezelfde subklassen van toepassing als de in afdeling 6 genoemde subklassen die op het creditspreadrisico van niet-securitisaties van toepassing zijn.

Op het creditspreadrisico van niet tot de CHP behorende securitisatieposities zijn de specifieke subklassen voor deze risicoklasse van toepassing die in afdeling 6 worden genoemd.

3.  Op de tot de CHP behorende securitisatieposities passen instellingen de volgende creditspreadrisicofactoren toe:

a)  de deltarisicofactoren zijn alle desbetreffende creditspreads voor de uitgevende instellingen van de onderliggende blootstellingen van de securitisatiepositie; deze worden van de desbetreffende schuldinstrumenten en kredietverzuimswaps en voor elk van de volgende looptijden afgeleid: 0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar.

b)  de vegarisicofactoren die van toepassing zijn op opties met tot de CHP behorende securitisatieposities als onderliggende waarden zijn de impliciete volatiliteiten van de creditspreads voor de uitgevende instellingen van de onderliggende blootstellingen van de securitisatiepositie; deze worden overeenkomstig punt a) van dit lid afgeleid en naar de volgende looptijden gemapt volgens de looptijd van de overeenkomstige optie die aan eigenvermogensvereisten onderworpen is: 0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar.

c)  de curvatuurrisicofactoren zijn de desbetreffende rendementscurves van de creditspreads voor de uitgevende instellingen van de onderliggende blootstellingen van de securitisatiepositie, uitgedrukt als een vector van de creditspreads voor verschillende looptijden, zoals afgeleid als is aangegeven in punt a) van dit lid. Voor elk instrument omvat de vector evenveel componenten als er verschillende looptijden van creditspreads zijn die door het prijsmodel van de instelling voor dat instrument als variabelen worden gebruikt.

4.  Instellingen berekenen de gevoeligheid van de securitisatiepositie voor elke risicofactor die in de formule voor het curvatuurrisico wordt gebruikt in overeenstemming met artikel 325 nonies. Voor de doeleinden van het curvatuurrisico beschouwen instellingen vectoren die ofwel van desbetreffende schuldinstrumenten, ofwel van desbetreffende kredietverzuimswaps zijn afgeleid en die uit een verschillend aantal componenten bestaan, als dezelfde risicofactor, op voorwaarde dat die vectoren op dezelfde uitgevende instelling betrekking hebben.

5.  De creditspreadrisicofactoren die instellingen op niet tot de CHP behorende securitisatieposities moeten toepassen, hebben betrekking op de spread van de tranche in plaats van op de spread van de onderliggende instrumenten en zijn de volgende:

a)  de deltarisicofactoren zijn de creditspreads voor de desbetreffende tranche die volgens de looptijd van de tranche naar de volgende looptijden worden gemapt: 0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar.

b)  de vegarisicofactoren die van toepassing zijn op opties met niet tot de CHP behorende securitisatieposities als onderliggende waarden zijn de impliciete volatiliteiten van de creditspreads van de tranches; deze worden naar de volgende looptijden gemapt volgens de looptijd van de overeenkomstige optie die aan eigenvermogensvereisten onderworpen is: 0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar.

c)  de curvatuurrisicofactoren zijn die welke in punt a) van deze alinea worden beschreven. Voor al deze risicofactoren wordt een gemeenschappelijk risicogewicht toegepast, als bedoeld in afdeling 6.

Artikel 325 septdecies Aandelenrisicofactoren

1.  De subklassen voor alle aandelenrisicofactoren zijn de in afdeling 6 genoemde sectorale subklassen.

2.  De door instellingen toe te passen aandelendeltarisicofactoren zijn alle contante aandelenkoersen en alle tarieven van op aandelen betrekking hebbende retrocessieovereenkomsten of aandelenrepo's

Voor de doeleinden van het aandelenrisico vormt een specifieke aandelenrepocurve één enkele risicofactor, die wordt uitgedrukt als een vector van repotarieven voor verschillende looptijden. Voor elk instrument omvat de vector evenveel componenten als er verschillende looptijden van repotarieven zijn die door het prijsmodel van de instelling voor dat instrument als variabelen worden gebruikt.

Instellingen berekenen de gevoeligheid van het instrument voor deze risicofactor als de uit een bijstelling van elk van de componenten van de vector met 1 basispunt voortvloeiende verandering in de waarde van het instrument volgens het prijsmodel voor dat instrument. Instellingen verrekenen gevoeligheden voor de repotariefrisicofactor van hetzelfde aandeel, ongeacht het aantal componenten van elke vector.

3.  De aandelenvegarisicofactoren die instellingen moeten toepassen op opties met onderliggende waarden die gevoelig zijn voor aandelen, zijn de impliciete volatiliteiten van de contante aandelenkoersen; deze worden naar de volgende looptijden gemapt volgens de looptijden van de overeenkomstige opties die aan eigenvermogensvereisten onderworpen zijn: 0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar. Er is geen eigenvermogensvereiste voor het vegarisico voor aandelenrepotarieven.

4.  De aandelencurvatuurrisicofactoren die instellingen moeten toepassen op opties met onderliggende waarden die gevoelig zijn voor aandelen, zijn alle contante aandelenkoersen, ongeacht de looptijd van de overeenkomstige opties. Er is geen eigenvermogensvereiste voor het curvatuurrisico voor aandelenrepotarieven.

Artikel 325 octodeciesGrondstoffenrisicofactoren

1.  De subklassen voor alle grondstoffenrisicofactoren zijn de in afdeling 6 genoemde sectorale subklassen.

2.  De grondstoffendeltarisicofactoren die instellingen op voor grondstoffen gevoelige instrumenten moeten toepassen, zijn alle contante grondstoffenprijzen per type grondstof en per kwaliteitsniveau. Instellingen nemen slechts twee grondstoffenprijzen voor hetzelfde type grondstof met dezelfde looptijd en met hetzelfde type leverbare kwaliteit in aanmerking om dezelfde risicofactor te vormen wanneer de reeks wettelijke voorwaarden betreffende de leveringsplaats identiek zijn.

3.  De grondstoffenvegarisicofactoren die instellingen moeten toepassen op opties met onderliggende waarden die gevoelig zijn voor grondstoffen, zijn de impliciete volatiliteiten van de grondstoffenprijzen per type grondstof; deze worden naar de volgende looptijden gemapt volgens de looptijden van de overeenkomstige opties die aan eigenvermogensvereisten onderworpen zijn: 0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar. Instellingen beschouwen gevoeligheden voor hetzelfde type grondstof die aan dezelfde looptijd zijn toegewezen, als één enkele risicofactor, die instellingen vervolgens verrekenen.

4.  De grondstoffencurvatuurrisicofactoren die instellingen moeten toepassen op opties met onderliggende waarden die gevoelig zijn voor grondstoffen, zijn één reeks grondstoffenprijzen met verschillende looptijden per type grondstof, uitgedrukt als een vector. Voor elk instrument omvat de vector evenveel componenten als er prijzen van die grondstof zijn die door het prijsmodel van de instelling voor dat instrument als variabelen worden gebruikt. Instellingen maken geen verschil tussen grondstoffenprijzen naar gelang van de kwaliteit of de leveringsplaats.

De gevoeligheid van het instrument voor elke risicofactor die in de formule voor het curvatuurrisico wordt gebruikt, wordt berekend in overeenstemming met artikel 325 nonies. Voor de doeleinden van het curvatuurrisico beschouwen instellingen uit een verschillend aantal componenten bestaande vectoren als dezelfde risicofactor, op voorwaarde dat die vectoren op hetzelfde type grondstof betrekking hebben.

Artikel 325 novodeciesWisselkoersrisicofactoren

1.  De wisselkoersdeltarisicofactoren die instellingen moeten toepassen op instrumenten die gevoelig zijn voor wisselkoersen, zijn alle contante wisselkoersen tussen de valuta waarin een instrument luidt, en de rapportagevaluta van de instelling. Er is één subklasse per valutapaar; deze subklasse bevat één enkele risicofactor en één enkele nettogevoeligheid.

2.  De wisselkoersvegarisicofactoren die instellingen moeten toepassen op opties met onderliggende waarden die gevoelig zijn voor wisselkoersen, zijn de impliciete volatiliteiten van wisselkoersen tussen de in lid 1 bedoelde valutaparen. Deze impliciete volatiliteiten van wisselkoersen worden naar de volgende looptijden gemapt volgens de looptijden van de overeenkomstige opties die aan eigenvermogensvereisten onderworpen zijn: 0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar.

3.  De wisselkoerscurvatuurrisicofactoren die instellingen moeten toepassen op opties met onderliggende waarden die gevoelig zijn voor wisselkoersen, zijn dezelfde als die welke in lid 1 zijn bedoeld.

4.  Voor alle wisselkoersdelta-, wisselkoersvega- en wisselkoerscurvatuurrisicofactoren zijn instellingen niet verplicht onderscheid te maken tussen onshore- en offshorevarianten van een valuta.

Onderafdeling 2 Definities van gevoeligheden

Artikel 325 viciesDeltarisicogevoeligheden

1.  Instellingen berekenen de algemene-rentedeltarisicogevoeligheden als volgt:

a)  de gevoeligheden voor risicofactoren bestaande uit risicovrije rentes worden als volgt berekend:

 

waarbij:

= de rente van een risicovrije curve k met looptijd t;

Vi (.) = de prijsfunctie van instrument i;

x, y = andere variabelen in de prijsfunctie.

b)  de gevoeligheden voor risicofactoren bestaande uit het inflatierisico en de cross-currencybasis () worden als volgt berekend:

 

waarbij:

= een vector van m componenten die de impliciete inflatiecurve of de cross-currencybasiscurve voor een gegeven valuta j weergeven, waarbij m gelijk is aan het aantal met inflatie of cross-currencybasis samenhangende variabelen dat in het prijsmodel van instrument i wordt gebruikt;

= de eenheidsmatrix van dimensie (1 x m);

Vi (.) = de prijsfunctie van het instrument i;

y, z = andere variabelen in het prijsmodel.

2.  Instellingen berekenen de creditspread-deltarisicogevoeligheden voor alle securitisatie- en niet-securitisatieposities ()als volgt:

waarbij:

= de waarde van de creditspread van een uitgevende instelling j voor looptijd t;

Vi (.) = de prijsfunctie van instrument i;

x, y = andere variabelen in de prijsfunctie.

3.  Instellingen berekenen de aandelendeltarisicogevoeligheden als volgt:

a)  de gevoeligheden voor de risicofactoren k (sk) bestaande uit contante aandelenkoersen worden als volgt berekend:

waarbij:

k = een specifiek aandeel;

EQk = de waarde van de contante koers van dat aandeel; en

Vi (.) = de prijsfunctie van instrument i;

x, y = andere variabelen in het prijsmodel;

b)  de gevoeligheden voor risicofactoren bestaande uit aandelenrepotarieven worden als volgt berekend:

 

waarbij:

k = de index die het aandeel aangeeft;

= een vector van m componenten die de looptijdstructuur van de repo voor een specifiek aandeel k weergeven, waarbij m gelijk is aan het met verschillende looptijden overeenstemmende aantal repotarieven dat in het prijsmodel van instrument i wordt gebruikt;

= de eenheidsmatrix van dimensie (1 x m);

Vi (.) = de prijsfunctie van het instrument i;

y, z = andere variabelen in het prijsmodel van instrument i.

4.  Instellingen berekenen de grondstoffendeltarisicogevoeligheden voor elke risicofactor k (sk) als volgt:

waarbij:

k = een gegeven grondstoffenrisicofactor;

CTYk = de waarde van risicofactor k;

Vi (.) = de marktwaarde van instrument i als functie van risicofactor k.

5.  Instellingen berekenen de wisselkoersdeltarisicogevoeligheden voor elke wisselkoersrisicofactor k (sk) als volgt:

waarbij:

k = een gegeven wisselkoersrisicofactor;

FXk = de waarde van de risicofactor;

Vi (.) = de marktwaarde van instrument i als functie van de risicofactor k.

Artikel 325 unviciesVegarisicogevoeligheden

1.  Instellingen berekenen de vegarisicogevoeligheid van een optie voor een gegeven risicofactor k (sk) als volgt:

waarbij:

k = een specifieke vegarisicofactor, bestaande uit een impliciete volatiliteit;

= de waarde van die risicofactor, die als een percentage moet worden uitgedrukt;

x, y = andere variabelen in de prijsfunctie.

2.  Bij risicoklassen waarbij vegarisicofactoren een looptijddimensie hebben, maar waarbij de regels voor de mapping van de risicofactoren niet toepasselijk zijn omdat de opties geen looptijd hebben, mappen instellingen deze risicofactoren naar de langste voorgeschreven looptijd. Deze opties zijn onderworpen aan de opslagfactor voor het restrisico.

3.  Bij opties die geen strike of barrier hebben en opties die meerdere strikes of barriers hebben, passen instellingen de mapping toe op de strikes en de looptijd die intern door de instelling worden gebruikt om de prijs van de optie te bepalen. Deze opties zijn ook onderworpen aan de opslagfactor voor het restrisico.

4.  Instellingen berekenen het vegarisico niet voor in artikel 104, leden 7, 8 en 9, bedoelde securitisatietranches die in de correlatiehandelsportefeuille zijn opgenomen en die geen impliciete volatiliteit hebben. Voor dergelijke securitisatietranches worden eigenvermogensvereisten voor het delta- en het curvatuurrisico berekend.

Artikel 325 duoviciesVereisten voor gevoeligheidsberekeningen

1.  Instellingen leiden, met behulp van de in deze onderafdeling vastgestelde formules, gevoeligheden af van de prijsmodellen van de instelling die als basis dienen om winsten en verliezen aan de directie te rapporteren.

In afwijking van de eerste alinea kunnen de bevoegde autoriteiten verlangen dat een instelling waaraan toestemming is verleend om gebruik te maken van de in hoofdstuk 1 ter van deze titel beschreven internemodellenbenadering, bij de berekening van de gevoeligheden overeenkomstig dit hoofdstuk gebruik maakt van de prijsmodellen van het risicometingsmodel van haar internemodellenbenadering voor de overeenkomstig artikel 325 quaterquinquagies, lid 2, onder b), vereiste berekening en rapportage van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's.

2.  Bij de berekening van de deltarisicogevoeligheden voor instrumenten met optionaliteit nemen instellingen aan dat de impliciete volatiliteit constant blijft.

3.  Bij de berekening van een algemene-rente- of creditspreadvegarisicogevoeligheid nemen instellingen aan dat de onderliggende waarde van de optie ofwel een lognormale, ofwel een normale distributie volgt in de prijsmodellen waarvan de gevoeligheden worden afgeleid. Bij de berekening van een aandelen- grondstoffen- of wisselkoersvegarisicogevoeligheid nemen instellingen aan dat de onderliggende waarde ofwel een lognormale, ofwel een normale distributie volgt in de prijsmodellen waarvan de gevoeligheden worden afgeleid.

4.  Instellingen berekenen alle gevoeligheden zonder met aanpassingen van de kredietwaarderingen rekening te houden.

4 bis.  In afwijking van lid 1 kan een instelling, op voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten daarvoor toestemming hebben verleend, bij de berekening van de eigenvermogensvereisten voor een positie in de handelsportefeuille overeenkomstig dit hoofdstuk gebruik maken van alternatieve definities van deltarisicogevoeligheden, indien de instelling aan alle volgende voorwaarden voldoet:

  a)  deze alternatieve definities worden door een onafhankelijke afdeling risicobeheersing binnen de instelling gebruikt voor doeleinden van intern risicobeheer en om winsten en verliezen aan de directie te rapporteren;

  b)  de instelling toont aan dat deze alternatieve definities beter geschikt zijn om de desbetreffende gevoeligheden voor de positie te vatten dan de in deze onderafdeling beschreven formules en dat de daaruit resulterende gevoeligheden niet wezenlijk verschillen van die van de formules.

4 ter.  In afwijking van lid 1 kan een instelling, op voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten daarvoor toestemming hebben verleend, bij de berekening van de eigenvermogensvereisten voor een positie in de handelsportefeuille overeenkomstig dit hoofdstuk de vegarisicogevoeligheden berekenen op basis van een lineaire transformatie van alternatieve definities van gevoeligheden, indien de instelling aan alle volgende voorwaarden voldoet:

  a)  deze alternatieve definities worden door een onafhankelijke afdeling risicobeheersing binnen de instelling gebruikt voor doeleinden van intern risicobeheer en om winsten en verliezen aan de directie te rapporteren;

  b)  de instelling toont aan dat deze alternatieve definities beter geschikt zijn om de gevoeligheden voor de positie te vatten dan de in deze onderafdeling beschreven formules en dat de in de eerste alinea bedoelde lineaire transformatie een vegarisicogevoeligheid weergeeft.

Afdeling 4De opslagfactor voor het restrisico

Artikel 325 terviciesEigenvermogensvereisten voor restrisico's

1.  Naast de in afdeling 2 van dit hoofdstuk beschreven eigenvermogensvereisten voor het marktrisico passen instellingen overeenkomstig dit artikel additionele eigenvermogensvereisten toe op instrumenten die aan restrisico's zijn blootgesteld.

2.  Instrumenten zijn aan restrisico's blootgesteld als zij aan één van de volgende voorwaarden voldoen:

a)  het instrument heeft betrekking op een exotische onderliggende waarde;

  Instrumenten met een exotische onderliggende waarde zijn instrumenten in een handelsportefeuille met een onderliggende blootstelling die noch onder de werkingssfeer van delta-, vega- of curvatuurrisicoblootstellingen in het kader van de in afdeling 2 beschreven op gevoeligheden gebaseerde methode, noch onder de in afdeling 5 beschreven eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico vallen.

  Exotische onderliggende blootstellingen omvatten: langlevenrisico, weer, natuurrampen en toekomstige gerealiseerde volatiliteit;

b)  het instrument is aan andere restrisico's onderhevig.

  Instrumenten die aan andere restrisico's onderhevig zijn, zijn instrumenten die aan de volgende criteria voldoen:

  i)  een instrument is onderworpen aan eigenvermogensvereisten voor het vega- en het curvatuurrisico in het kader van de in afdeling 2 beschreven op gevoeligheden gebaseerde methode en genereert uitbetalingen die niet als een eindige lineaire combinatie van gewone opties kunnen worden gereproduceerd met één onderliggende aandelenkoers, grondstoffenprijs, wisselkoers, obligatiekoers, kredietverzuimswapprijs of renteswap; of

  ii)  een instrument is een tot de correlatiehandelsportefeuille behorende securitisatiepositie als bedoeld in artikel 104, leden 7, 8 en 9. Niet-securitisatieafdekkingen die tot de CHP behoren, worden niet in aanmerking genomen.

3.  Instellingen berekenen de in lid 1 bedoelde additionele eigenvermogensvereisten als de som van de notionele brutobedragen van de in lid 2 bedoelde instrumenten, vermenigvuldigd met de volgende risicogewichten:

a)  1,0 % in het geval van de in lid 2, onder a), bedoelde instrumenten;

b)  0,1 % in het geval van de in lid 2, onder b), bedoelde instrumenten.

4.  In afwijking van lid 1 passen instellingen het eigenvermogensvereiste voor restrisico's niet toe op een instrument dat aan één van de volgende voorwaarden voldoet:

a)  het instrument is aan een erkende beurs genoteerd;

b)  het instrument komt overeenkomstig Verordening (EU) nr. 648/2012 voor centrale clearing in aanmerking;

c)  het instrument compenseert perfect de marktrisico's van een andere handelsportefeuillepositie, in welk geval beide perfect overeenstemmende handelsportefeuilleposities van het eigenvermogensvereiste voor restrisico's zijn vrijgesteld.

5.  De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van wat voor de toepassing van lid 2 onder een exotische onderliggende waarde en onder aan andere restrisico's onderhevige instrumenten moet worden verstaan.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen binnen [vijftien maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde ontwerpen van technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Afdeling 5De eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico

Artikel 325 terviciesDefinities en algemene bepalingen

1.  De eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico zijn van toepassing op schuld- en aandeleninstrumenten, op derivaten die de eerder genoemde instrumenten als onderliggende waarde hebben, en op derivaten waarvan de uitbetalingen of reële waarde worden beïnvloed door het in gebreke blijven van een andere debiteur dan de tegenpartij van het derivaat zelf. Instellingen gaan voor elk van de volgende typen instrumenten over tot de afzonderlijke berekening van de eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico: niet-securitisaties, niet tot de CHP behorende securitisaties en tot de CHP behorende securitisaties. De uiteindelijke eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico van een instelling zijn de som van deze drie componenten.

2.  Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

a)  "shortblootstelling": blootstelling waarbij de wanbetaling van een uitgevende instelling of groep van uitgevende instellingen in een winst voor de instelling resulteert, ongeacht het type instrument of transactie dat tot het ontstaan van de blootstelling aanleiding geeft;

b)  "longblootstelling": blootstelling waarbij de wanbetaling van een uitgevende instelling of groep van uitgevende instellingen in een verlies voor de instelling resulteert, ongeacht het type instrument of transactie dat tot het ontstaan van de blootstelling aanleiding geeft;

c)  bruto "jump to default"-bedrag (bruto JTD-bedrag): de geraamde omvang van de op een bepaalde blootstelling behaalde winst of het op een bepaalde blootstelling geleden verlies waartoe de wanbetaling van de debiteur aanleiding zou geven;

d)  netto "jump to default"-bedrag (netto JTD-bedrag): de geraamde omvang van de winst of het verlies waartoe de wanbetaling van de debiteur voor een bepaalde instelling aanleiding zou geven nadat de bruto JTD-bedragen met elkaar zijn verrekend;

e)  LGD: het verlies bij wanbetaling van de debiteur op een door deze debiteur uitgegeven instrument, uitgedrukt als percentage van de notionele waarde van het instrument;

f)  wanbetalingsrisicogewicht: het percentage dat de geraamde kans op wanbetaling van elke debiteur volgens de kredietwaardigheid van die debiteur weergeeft.

Onderafdeling 1Eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico voor niet-securitisaties

Artikel 325 quinviciesBruto "jump to default"-bedragen

1.  Instellingen berekenen de bruto JTD-bedragen voor elke longblootstelling in de vorm van schuldinstrumenten volgens de onderstaande formule:

JTDlong = max{LGD · Vnotional + P&Llong + Adjustmentlong; 0}

waarbij:

Vnotional = de notionele waarde van het instrument;

P&Llong = een term die voorziet in een aanpassing voor de winsten of verliezen die de instelling reeds in aanmerking heeft genomen en die toe te schrijven zijn aan veranderingen in de reële waarde van het instrument dat tot het ontstaan van de longblootstelling aanleiding heeft gegeven. Winsten worden met een positief teken in de formule opgenomen en verliezen met een negatief teken;

Adjustmentlong = het bedrag waarmee het verlies van de instelling in geval van wanbetaling, wegens de structuur van het derivaat, zou worden verhoogd of verlaagd ten opzichte van het volledige verlies op het onderliggende instrument. Verhogingen worden met een positief teken in een Adjustmentlong-term opgenomen en verlagingen met een negatief teken.

2.  Instellingen berekenen de bruto JTD-bedragen voor elke shortblootstelling in de vorm van schuldinstrumenten volgens de onderstaande formule:

JTDshort = min{LGD · Vnotional + P&Lshort + Adjustmentshort; 0}

waarbij:

Vnotional = de notionele waarde van het instrument die met een negatief teken in de formule wordt opgenomen;

P&Lshort = een term die voorziet in een aanpassing voor de winsten of verliezen die de instelling reeds in aanmerking heeft genomen en die toe te schrijven zijn aan veranderingen in de reële waarde van het instrument dat tot het ontstaan van de shortblootstelling aanleiding heeft gegeven. Winsten worden met een positief teken in de formule opgenomen en verliezen met een negatief teken;

Adjustmentshort = het bedrag waarmee de winst van de instelling in geval van wanbetaling, wegens de structuur van het derivaat, zou worden verhoogd of verlaagd ten opzichte van het volledige verlies op het onderliggende instrument. Verlagingen worden met een positief teken in een Adjustmentshort-term opgenomen en verhogingen met een negatief teken.

3.  Voor de in de leden 1 en 2 beschreven berekening passen instellingen de volgende LGD voor schuldinstrumenten toe:

a)  aan blootstellingen in de vorm van achtergestelde schuldinstrumenten wordt een LGD van 100 % toegekend;

b)  aan blootstellingen in de vorm van niet-achtergestelde schuldinstrumenten wordt een LGD van 75 % toegekend;

c)  aan blootstellingen in de vorm van gedekte obligaties wordt een LGD van 25 % toegekend.

4.  Voor de in de leden 1 en 2 beschreven berekeningen is de notionele waarde in geval van een schuldinstrument de nominale waarde van het schuldinstrument. Voor de in de leden 1 en 2 beschreven berekeningen is de notionele waarde in geval van een derivaat of een onderliggende schuldtitel de nominale waarde van het onderliggende schuldinstrument.

5.  Voor blootstellingen in de vorm van aandeleninstrumenten berekenen instellingen de bruto JTD-bedragen als volgt, in plaats van op de in de leden 1 en 2 beschreven manieren:

 

waarbij:

V = de reële waarde van het aandeel of, in geval van aandelenderivaten, de reële waarde van het onderliggende aandeel van het derivaat.

6.  Voor de in lid 6 beschreven berekening kennen instellingen aan aandeleninstrumenten een LGD van 100% toe.

7.  Bij blootstellingen aan wanbetalingsrisico die voortvloeien uit derivaten waarvan de uitbetalingen in geval van wanbetaling van de debiteur geen verband houden met de notionele waarde van een specifiek instrument dat door deze debiteur is uitgegeven, dan wel met de LGD van de debiteur of van een door deze debiteur uitgegeven instrument, passen instellingen alternatieve methoden toe voor de raming van de bruto JTD-bedragen, die aan de in artikel 325 quatervicies, lid 2, vervatte definitie van bruto JTD-bedrag beantwoorden.

8.  De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de wijze waarop instellingen JTD-bedragen voor verschillende typen instrumenten in overeenstemming met dit artikel berekenen, alsook van de alternatieve methoden die instellingen moeten hanteren voor de in lid 7 bedoelde raming van de bruto JTD-bedragen.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen binnen [vijftien maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde ontwerpen van technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 325 sexvicies

Netto"jump to default"-bedragen

1.  Instellingen berekenen de netto JTD-bedragen door de bruto JTD-bedragen van short- en longblootstellingen met elkaar te verrekenen. Verrekening is alleen mogelijk tussen blootstellingen met betrekking tot dezelfde debiteur, waarbij de shortblootstellingen van dezelfde of een lagere rang zijn dan de longblootstellingen.

2.  Er is sprake van ofwel volledige, ofwel gedeeltelijke verrekening naar gelang van de looptijden van de te verrekenen blootstellingen:

a)  er is sprake van volledige verrekening ingeval alle te verrekenen blootstellingen een looptijd van één jaar of meer hebben;

b)  er is sprake van gedeeltelijke verrekening wanneer ten minste één van de te verrekenen blootstellingen een looptijd van minder dan één jaar heeft, in welk geval de omvang van het JTD-bedrag van elke blootstelling met een looptijd van minder dan één jaar neerwaarts wordt bijgesteld door het te vermenigvuldigen met het verhoudingsgetal tussen de looptijd van de blootstelling en één jaar.

3.  Ingeval geen verrekening mogelijk is, zijn bij blootstellingen met looptijden van ten minste een jaar de bruto JTD-bedragen gelijk aan de netto JTD-bedragen. Bruto JTD-bedragen met looptijden van minder dan een jaar worden neerwaarts bijgesteld voor de berekening van de netto JTD-bedragen.

De voor de neerwaartse bijstelling van dergelijke blootstellingen gehanteerde factor is het verhoudingsgetal tussen de looptijd van de blootstelling en één jaar, waarbij een minimumlooptijd van 3 maanden geldt.

4.  Voor de toepassing van de leden 2 en 3 worden de looptijden van de derivatencontracten, en niet die van de onderliggende waarden ervan, in aanmerking genomen. Aan blootstellingen met betrekking tot contante aandelenkoersen wordt een looptijd van ofwel een jaar, ofwel drie maanden toegewezen, naar eigen inzicht van de instelling.

Artikel 325 septvicies Berekening van het eigenvermogensvereiste voor het wanbetalingsrisico

1.  Netto JTD-bedragen, ongeacht het type tegenpartij, worden naar gelang van de kredietkwaliteit ervan vermenigvuldigd met de overeenkomstige wanbetalingsrisicogewichten, zoals vermeld in tabel 2.

Tabel 2

Kredietkwaliteitscategorie

Wanbetalingsrisicogewicht

Kredietkwaliteitscategorie 1

0,5 %

Kredietkwaliteitscategorie 2

3 %

Kredietkwaliteitscategorie 3

6 %

Kredietkwaliteitscategorie 4

15 %

Kredietkwaliteitscategorie 5

30 %

Kredietkwaliteitscategorie 6

50 %

Zonder rating

15 %

Bij wanbetaling

100 %

2.  Aan blootstellingen waaraan volgens de in deel drie, titel II, hoofdstuk 2, beschreven standaardbenadering voor het kredietrisico een risicogewicht van 0 % zou worden toegekend, wordt voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico een wanbetalingsrisicogewicht van 0 % toegekend.

3.  De gewogen netto JTD-bedragen worden aan de volgende subklassen toegewezen: ondernemingen, staten en lokale overheden/gemeenten.

4.  De gewogen netto JTD-bedragen worden binnen elke subklasse geaggregeerd volgens de onderstaande formule:

waarbij:

i = de index die een instrument aangeeft dat tot subklasse b behoort;

= het eigenvermogensvereiste voor het wanbetalingsrisico voor subklasse b;

= een ratio die een voordeel voor afdekkingsrelaties binnen een subklasse weergeeft en die als volgt wordt berekend:

 

De optelling van long- en shortposities voor de toepassing van het en de wordt voor alle posities binnen een subklasse verricht, ongeacht de kredietkwaliteitscategorie waaraan deze posities zijn toegewezen, hetgeen in de subklassespecifieke eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico resulteert.

5.  Het uiteindelijke eigenvermogensvereiste voor het wanbetalingsrisico voor niet-securitisaties wordt berekend als de eenvoudige som van de eigenvermogensvereisten op het niveau van de subklassen.

Onderafdeling 2Eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico voor securitisaties (niet-CHP)

Artikel 325 octovicies"Jump to default"-bedragen

1.  De bruto JTD-bedragen voor securitisatieblootstellingen zijn de reële waarden van de securitisatieblootstellingen.

2.  De netto JTD-bedragen worden bepaald door de bruto JTD-bedragen voor longblootstellingen en de bruto JTD-bedragen voor shortblootstellingen te verrekenen. Verrekening is alleen mogelijk tussen securitisatieblootstellingen die dezelfde pool van onderliggende activa hebben en die tot dezelfde tranche behoren. Verrekening tussen securitisatieblootstellingen met verschillende pools van onderliggende activa is niet toegestaan, zelfs als er sprake is van dezelfde attachment en detachment points.

3.  Indien door het splitsen of combineren van bestaande securitisatieposities andere bestaande securitisatieposities perfect kunnen worden gereproduceerd, op de looptijd na, mogen voor de verrekening de uit de splitsing of combinatie resulterende blootstellingen in plaats van de oorspronkelijke blootstellingen worden gebruikt.

4.  Indien door het splitsen of combineren van bestaande securitisatieposities in onderliggende namen de gehele tranchestructuur van een bestaande securitisatieblootstelling perfect kan worden gereproduceerd, mogen voor de verrekening de uit de splitsing of combinatie resulterende blootstellingen worden gebruikt. Ingeval op deze wijze van onderliggende namen wordt gebruikgemaakt, worden deze niet meer in aanmerking genomen bij de behandeling van het wanbetalingsrisico voor niet-securitisaties.

5.  Artikel 325 sexvicies is van toepassing op zowel originele als gereproduceerde securitisatieblootstellingen. De desbetreffende looptijden zijn die van de securitisatietranches.

Artikel 325 novoviciesBerekening van het eigenvermogensvereiste voor het wanbetalingsrisico voor securitisaties

1.  De netto JTD-bedragen van securitisatieblootstellingen worden vermenigvuldigd met 8% van het risicogewicht dat op de desbetreffende securitisatieblootstelling, met inbegrip van STS-securitisaties, in de niet-handelsportefeuille van toepassing is, in overeenstemming met de in titel II, hoofdstuk 5, afdeling 3, beschreven rangorde van benaderingen en ongeacht het type tegenpartij.

2.  Ingeval de risicogewichten volgens de SEC-IRBA en de SEC-ERBA worden berekend, wordt op alle tranches een looptijd van één jaar toegepast.

3.  De risicogewogen JTD-bedragen voor individuele contante securitisatieblootstellingen worden begrensd op de reële waarde van de positie.

4.  De risicogewogen netto JTD-bedragen worden aan de volgende subklassen toegewezen:

a)  één gemeenschappelijke subklasse voor alle ondernemingen, ongeacht de regio;

b)  44 verschillende subklassen die overeenstemmen met 1 subklasse per regio voor elk van de elf gedefinieerde activaklassen. De elf activaklassen zijn: ABCP, autoleningen/leases, RMBS, kredietkaarten, CMBS, Collateralised Loan Obligations, CDO-squared, kleine en middelgrote ondernemingen, studentenleningen, overige retail en overige wholesale. De 4 regio's zijn Azië, Europa, Noord-Amerika en overige regio's.

5.  Om een securitisatiepositie aan een subklasse toe te wijzen, maken instellingen gebruik van een gewoonlijk op de markt gehanteerde classificatie. Instellingen wijzen elke securitisatieblootstelling enkel aan één van de bovengenoemde subklassen toe. Elke securitisatieblootstelling die een instelling niet aan een type onderliggende waarde of aan een regio van de onderliggende waarde kan toewijzen, wordt aan respectievelijk de subklassen "overige retail", "overige wholesale" of "overige regio's" toegewezen.

6.  Gewogen netto JTD-bedragen worden op dezelfde wijze als bij het wanbetalingsrisico van niet-securitisatieposities binnen elke subklasse geaggregeerd met gebruikmaking van de in artikel 325 septvicies, lid 4, vervatte formule, hetgeen in het eigenvermogensvereiste voor het wanbetalingsrisico voor elke subklasse resulteert.

7.  Het uiteindelijke eigenvermogensvereiste voor het wanbetalingsrisico voor niet-securitisaties wordt berekend als de eenvoudige som van de eigenvermogensvereisten op het niveau van de subklassen.

Onderafdeling 3Eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico voor securitisaties (CHP)

Artikel 325 triciesWerkingssfeer

1.  Voor de CHP omvat het kapitaalvereiste het wanbetalingsrisico voor securitisatieblootstellingen en voor niet-securitisatieafdekkingen. Deze afdekkingen worden niet meer in aanmerking genomen bij de berekeningen van het wanbetalingsrisico voor niet-securitisaties. Er is geen sprake van een diversificatievoordeel tussen het eigenvermogensvereiste voor het wanbetalingsrisico voor niet-securitisaties, het eigenvermogensvereiste voor het wanbetalingsrisico voor securitisaties (niet-CHP) en het eigenvermogensvereiste voor het wanbetalingsrisico voor securitisaties (CHP).

2.  Bij verhandelde krediet- en aandelenderivaten die niet-securitisatie-instrumenten zijn, worden de JTD-bedragen per betrokken individuele uitgevende instelling die een rechtspersoon is, bepaald door een doorkijkbenadering toe te passen.

Artikel 325 untricies"Jump to default"-bedragen voor de CHP

1.  De bruto JTD-bedragen voor securitisatieblootstellingen en niet-securitisatieblootstellingen in de CHP zijn de reële waarden van die blootstellingen.

2.  "Nth-to-default"-producten worden als in tranches verdeelde producten behandeld met de volgende attachment en detachment points:

a)  attachment point = (N – 1) / Total Names

b)  detachment point = N / Total Names

waarbij "Total Names" het totale aantal namen in de onderliggende basket of pool is.

3.  De netto JTD-bedragen worden bepaald door de bruto JTD-bedragen voor longblootstellingen en de bruto JTD-bedragen voor shortblootstellingen te verrekenen. Verrekening is enkel mogelijk tussen blootstellingen die op de looptijd na anderszins identiek zijn. Verrekening is enkel mogelijk in de volgende gevallen:

a)  voor indexproducten is verrekening over looptijden heen mogelijk tussen dezelfde indexfamilie, -reeks en -tranche, met inachtneming van het bepaalde in artikel 325 sexvicies voor looptijden van minder dan een jaar. Bruto JTD-bedragen voor longblootstellingen en bruto JTD-bedragen voor shortblootstellingen die perfect met elkaar overeenstemmen, mogen worden verrekend via de splitsing ervan in equivalente single-nameblootstellingen met behulp van een waarderingsmodel. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder splitsing met behulp van een waarderingsmodel verstaan dat een van een securitisatie deel uitmakende single name wordt gewaardeerd als het verschil tussen de onvoorwaardelijke waarde van de securitisatie en de voorwaardelijke waarde van de securitisatie in de veronderstelling dat de single name in gebreke blijft met een LGD van 100%. In dergelijke gevallen is de som van de bruto JTD-bedragen van via splitsing verkregen equivalente single-nameblootstellingen gelijk aan het bruto JTD-bedrag van de niet-gesplitste blootstelling;

b)  verrekening via splitsing als beschreven onder a) is niet toegestaan voor hersecuritisaties;

c)  voor indexen en indextranches is verrekening over looptijden heen mogelijk tussen dezelfde indexfamilie, -reeks en -tranche via reproductie of splitsing. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

i)  reproductie: individuele securitisatie-indextranches zodanig combineren dat een andere tranche van dezelfde indexreeks of een niet in tranches verdeelde positie in de indexreeks wordt gereproduceerd;

ii)  splitsing: een index reproduceren door middel van een securitisatie waarvan de onderliggende blootstellingen in de pool identiek zijn aan de single-nameblootstellingen waaruit de index is samengesteld.

Indien long- en shortblootstellingen op een restcomponent na volledig equivalent zijn, is verrekening toegestaan en geeft het netto JTD-bedrag de resterende blootstelling weer;

d)  verschillende tranches van dezelfde indexreeks, verschillende reeksen van dezelfde index en verschillende indexfamilies mogen niet met elkaar worden verrekend.

Artikel 325 duotriciesBerekening van het eigenvermogensvereiste voor het wanbetalingsrisico voor de CHP

1.  De netto JTD-bedragen worden vermenigvuldigd met:

a)  voor in tranches verdeelde producten, de wanbetalingsrisicogewichten die met de in artikel 325 septvicies, leden 1 en 2, vermelde kredietkwaliteit ervan overeenstemmen;

b)  voor niet in tranches verdeelde producten, de in artikel 325 novovicies, lid 1, vermelde wanbetalingsrisicogewichten.

2.  De risicogewogen netto JTD-bedragen worden toegewezen aan subklassen die met een index overeenstemmen.

3.  De gewogen netto JTD-bedragen worden binnen elke subklasse geaggregeerd volgens de onderstaande formule:

waarbij:

i = een instrument dat tot subklasse b behoort;

= het eigenvermogensvereiste voor het wanbetalingsrisico voor subklasse b;

ctp = de ratio die een voordeel voor afdekkingsrelaties binnen een subklasse weergeeft en die volgens de in artikel 325 septvicies, lid 4, beschreven -formule wordt berekend, maar met gebruikmaking van de long- en shortposities van de gehele CHP en niet enkel van de posities in de specifieke subklasse.

4.  Instellingen berekenen de eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico van de CHP (DRCCTP) met behulp van de onderstaande formule:

  

Afdeling 6Risicogewichten en correlaties

Onderafdeling 1Deltarisicogewichten en -correlaties

Artikel 325 tertriciesRisicogewichten voor het algemene-renterisico

1.  Voor valuta's die niet tot de in artikel 325 octoquinquagies, lid 5, onder b), bedoelde subcategorie van meest liquide valutaparen behoren, gelden de volgende risicogewichten van de risicovrije renterisicofactoren:

Tabel 3

Looptijd

0,25 jaar

0,5 jaar

1 jaar

2 jaar

3 jaar

Risicogewicht (procentpunten)

2,4 %

2,4 %

2,25 %

1,88 %

1,73 %

Looptijd

5 jaar

10 jaar

15 jaar

20 jaar

30 jaar

Risicogewicht (procentpunten)

1,5 %

1,5 %

1,5 %

1,5 %

1,5 %

2.  Voor alle inflatie- en cross-currencybasisrisicofactoren wordt een gemeenschappelijk risicogewicht van 2,25 % vastgesteld.

3.  Voor valuta's die tot de in artikel 325 octoquinquagies, lid 7, onder b), bedoelde subcategorie van meest liquide valuta's behoren, alsook voor de nationale valuta van de instelling, zijn de risicogewichten van de risicovrije renterisicofactoren de in tabel 3 van dit artikel vermelde risicogewichten, gedeeld door .

Artikel 325 quatertriciesCorrelaties binnen subklassen voor het algemene-renterisico

1.  Tussen renterisicofactoren die tot dezelfde subklasse behoren en die dezelfde toegewezen looptijd hebben maar die met verschillende curves overeenstemmen, wordt de correlatie rkl vastgesteld op 99,90 %.

2.  Tussen renterisicofactoren die tot dezelfde subklasse behoren en die met dezelfde curve overeenstemmen maar die verschillende looptijden hebben, wordt de correlatie vastgesteld volgens de onderstaande formule:

waarbij:

(respectievelijk ) = de looptijd die met de risicovrije rente samenhangt;

=

3.  Tussen renterisicofactoren die tot dezelfde subklasse behoren, die met verschillende curves overeenstemmen en die verschillende looptijden hebben, is de correlatie rkl gelijk aan de in lid 2 gespecificeerde correlatieparameter, vermenigvuldigd met 99,90 %.

4.  De correlatie tussen risicovrije renterisicofactoren en inflatierisicofactoren wordt vastgesteld op 40 %.

5.  De correlatie tussen cross-currencybasisrisicofactoren en alle andere algemene-renterisicofactoren, met inbegrip van een andere cross-currencybasisrisicofactor, wordt vastgesteld op 0 %.

Artikel 325 quintriciesCorrelaties tussen subklassen voor het algemene-renterisico

1. Voor de aggregatie van tot verschillende subklassen behorende risicofactoren wordt de parameter γbc = 50 % gebruikt.

2. Voor de aggregatie van tot verschillende subklassen van artikel 325 quinquagies, lid 2, onder a), behorende risicofactoren wordt de parameter γbc = 80 % gebruikt.

Artikel 325 sextriciesRisicogewichten voor het creditspreadrisico (niet-securitisaties)

1.  De risicogewichten zijn gelijk voor alle looptijden (0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar) binnen elke subklasse.

Tabel 4

Num-mer sub-klasse

Krediet-kwaliteit

Sector

Risico-gewicht (procent-punten)

 

1

Alle

Centrale overheid, met inbegrip van centrale banken, van een lidstaat

0,50 %

2

Krediet-kwaliteits-categorie 1, 2 en 3

Centrale overheid, met inbegrip van centrale banken, van een derde land en in artikel 117, lid 2, en artikel 118 genoemde multilaterale ontwikkelingsbanken en internationale organisaties

0,5 %

3

Regionale of lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen

1,0 %

4

Entiteiten uit de financiële sector, met inbegrip van kredietinstellingen die rechtsgeldig zijn opgericht door een centrale overheid, een regionale overheid of een lokale autoriteit, en verstrekkers van stimuleringsleningen

5,0 %

5

Basismaterialen, energie, industrie, landbouw, be- en verwerkende industrie, winning van delfstoffen

3,0 %

6

Consumentengoederen en ‑diensten, vervoer en opslag, administratieve en ondersteunende diensten

3,0 %

7

Technologie, telecommunicatie

2,0 %

8

Gezondheidszorg, nutsvoorzieningen, professionele en technische activiteiten

1,5 %

9

Gedekte obligaties uitgegeven door kredietinstellingen in lidstaten

1,0 %

10

Gedekte obligaties uitgegeven door kredietinstellingen in derde landen

4,0 %

11

Krediet-kwaliteits-categorie 4, 5 en 6

Centrale overheid, met inbegrip van centrale banken, van een derde land en in artikel 117, lid 2, en artikel 118 genoemde multilaterale ontwikkelingsbanken en internationale organisaties

3,0 %

12

Regionale of lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen

4,0 %

13

Entiteiten uit de financiële sector, met inbegrip van kredietinstellingen die rechtsgeldig zijn opgericht door een centrale overheid, een regionale overheid of een lokale autoriteit, en verstrekkers van stimuleringsleningen

12,0 %

14

Basismaterialen, energie, industrie, landbouw, be- en verwerkende industrie, winning van delfstoffen

7,0 %

15

Consumentengoederen en ‑diensten, vervoer en opslag, administratieve en ondersteunende diensten

8,5 %

16

Technologie, telecommunicatie

5,5 %

17

Gezondheidszorg, nutsvoorzieningen, professionele en technische activiteiten

5,0 %

18

Andere sector

12,0 %

2.  Om een risicoblootstelling aan een sector toe te wijzen, maken kredietinstellingen gebruik van een gewoonlijk op de markt gehanteerde classificatie voor het groeperen van uitgevende instellingen per bedrijfstak. Kredietinstellingen wijzen elke uitgevende instelling slechts aan één van de in de tabel in lid 1 vermelde sectorale subklassen toe. Risicoposities van een uitgevende instelling die een kredietinstelling niet op deze wijze aan een sector kan toewijzen, worden aan subklasse 18 toegewezen.

Artikel 325 septtriciesCorrelaties binnen subklassen voor het creditspreadrisico (niet-securitisaties)

1.  Tussen twee gevoeligheden WSk en WSl binnen dezelfde subklasse wordt de correlatieparameter ρkl vastgesteld als volgt:

ρkl= ρkl (name) ⋅ ρkl (tenor) ⋅ ρkl (basis)

waarbij:

ρkl (name) gelijk is aan 1 als de twee namen van de gevoeligheden k en l identiek zijn, en anders aan 35 %;

ρkl (tenor) gelijk is aan 1 als de twee punten van de gevoeligheden k en l identiek zijn, en anders aan 65 %;

ρkl (basis) gelijk is aan 1 als de twee gevoeligheden met dezelfde curves verband houden, en anders aan 99,90 %.

2.  Bovenstaande correlaties zijn niet van toepassing op de in artikel 325 sextricies, lid 1, genoemde subklasse 18. Het kapitaalvereiste voor de formule voor de aggregatie van het deltarisico binnen subklasse 18 is gelijk aan de som van de absolute waarden van de aan subklasse 18 toegewezen gewogen nettogevoeligheden:

  

Artikel 325 octotriciesCorrelaties tussen subklassen voor het creditspreadrisico (niet-securitisaties)

1.  De correlatieparameter γbc die op de aggregatie van gevoeligheden tussen verschillende subklassen van toepassing is, wordt als volgt vastgesteld:

γbcbc(rating) ⋅ γbc(sector)

waarbij:

γbc(rating) gelijk is aan 1 als de twee subklassen van dezelfde kredietkwaliteitscategorie zijn (ofwel kredietkwaliteitscategorie 1,2 of 3, ofwel kredietkwaliteitscategorie 4, 5 of 6), en anders aan 50 %. Voor deze berekening wordt subklasse 1 geacht van dezelfde kredietkwaliteitscategorie te zijn als subklassen met kredietkwaliteitscategorie 1, 2 of 3;

γbc(sector) gelijk is aan 1 als de twee subklassen dezelfde sector hebben, en anders aan de onderstaande percentages:

Tabel 5

Subklasse

1, 2 en 11

3 en 12

4 en 13

5 en 14

6 en 15

7 en 16

8 en 17

9 en 10

1, 2 en 11

 

75 %

10 %

20 %

25 %

20 %

15 %

10 %

3 en 12

 

 

5 %

15 %

20 %

15 %

10 %

10 %

4 en 13

 

 

 

5 %

15 %

20 %

5 %

20 %

5 en 14

 

 

 

 

20 %

25 %

5 %

5 %

6 en 15

 

 

 

 

 

25 %

5 %

15 %

7 en 16

 

 

 

 

 

 

5 %

20 %

8 en 17

 

 

 

 

 

 

 

5 %

9 en 10

 

 

 

 

 

 

 

 

2.  Het kapitaalvereiste voor subklasse 18 wordt bij het totale kapitaal op het niveau van de risicoklasse opgeteld, zonder dat met diversificatie- of afdekkingseffecten ten opzichte van een andere subklasse rekening wordt gehouden.

Artikel 325 novotriciesRisicogewichten voor het creditspreadrisico voor securitisaties (CHP)

De risicogewichten zijn gelijk voor alle looptijden (0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar) binnen elke subklasse.

Tabel 6

Num-mer sub-klasse

Krediet-kwaliteit

Sector

Risico-gewicht (procent-punten)

 

1

Alle

Centrale overheid, met inbegrip van centrale banken, van lidstaten van de Unie

4 %

2

Krediet-kwaliteits-categorie 1, 2 en 3

Centrale overheid, met inbegrip van centrale banken, van een derde land en in artikel 117, lid 2, en artikel 118 genoemde multilaterale ontwikkelingsbanken en internationale organisaties

4 %

3

Regionale of lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen

4 %

4

Entiteiten uit de financiële sector, met inbegrip van kredietinstellingen die rechtsgeldig zijn opgericht door een centrale overheid, een regionale overheid of een lokale autoriteit, en verstrekkers van stimuleringsleningen

8 %

5

Basismaterialen, energie, industrie, landbouw, be- en verwerkende industrie, winning van delfstoffen

5 %

6

Consumentengoederen en ‑diensten, vervoer en opslag, administratieve en ondersteunende diensten

4 %

7

Technologie, telecommunicatie

3 %

8

Gezondheidszorg, nutsvoorzieningen, professionele en technische activiteiten

2 %

9

Gedekte obligaties uitgegeven door in lidstaten van de Unie gevestigde kredietinstellingen

3 %

10

Gedekte obligaties uitgegeven door kredietinstellingen in derde landen

6 %

11

Krediet-kwaliteits-categorie 4, 5 en 6

Centrale overheid, met inbegrip van centrale banken, van een derde land en in artikel 117, lid 2, en artikel 118 genoemde multilaterale ontwikkelingsbanken en internationale organisaties

13 %

12

Regionale of lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen

13 %

13

Entiteiten uit de financiële sector, met inbegrip van kredietinstellingen die rechtsgeldig zijn opgericht door een centrale overheid, een regionale overheid of een lokale autoriteit, en verstrekkers van stimuleringsleningen

16 %

14

Basismaterialen, energie, industrie, landbouw, be- en verwerkende industrie, winning van delfstoffen

10 %

15

Consumentengoederen en ‑diensten, vervoer en opslag, administratieve en ondersteunende diensten

12 %

16

Technologie, telecommunicatie

12 %

17

Gezondheidszorg, nutsvoorzieningen, professionele en technische activiteiten

12 %

18

Andere sector

13 %

Artikel 325 quadragiesCorrelaties voor het creditspreadrisico voor securitisaties (CHP)

1.  De deltarisicocorrelatie ρkl wordt overeenkomstig artikel 325 septtricies afgeleid, met dien verstande dat voor de toepassing van dit lid, ρkl (basis) gelijk is aan 1 als beide gevoeligheden met dezelfde curves verband houden, en anders aan 99,00 %.

2.  De correlatie γbc wordt overeenkomstig artikel 325 octotricies afgeleid.

Artikel 325 unquadragiesRisicogewichten voor het creditspreadrisico voor securitisaties (niet-CHP)

1.  De risicogewichten zijn gelijk voor alle looptijden (0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar) binnen elke subklasse.

Tabel 7

Nummer subklasse

Kredietkwaliteit

Sector

Risicogewicht (procentpunten)

 

1

Niet-achtergesteld & kredietkwaliteitscategorie 1, 2 en 3

RMBS - Prime

0,9 %

2

RMBS - Mid-Prime

1,5 %

3

RMBS - Sub-Prime

2,0 %

4

CMBS

2,0 %

5

ABS - Studentenleningen

0,8 %

6

ABS - Kredietkaarten

1,2 %

7

ABS - Autoleningen

1,2 %

8

CLO niet-CHP

1,4 %

9

Achtergesteld & kredietkwaliteitscategorieën 1, 2 en 3

RMBS - Prime

1,125 %

10

RMBS - Mid-Prime

1,875 %

11

RMBS - Sub-Prime

2,5 %

12

CMBS

2,5 %

13

ABS - Studentenleningen

1 %

14

ABS - Kredietkaarten

1,5 %

15

ABS - Autoleningen

1,5 %

16

CLO niet-CHP

1,75 %

17

Kredietkwaliteitscategorie 4, 5 en 6

RMBS - Prime

1,575 %

18

RMBS - Mid-Prime

2,625 %

19

RMBS - Sub-Prime

3,5 %

20

CMBS

3,5 %

21

ABS - Studentenleningen

1,4 %

22

ABS - Kredietkaarten

2,1 %

23

ABS - Autoleningen

2,1 %

24

CLO niet-CHP

2,45 %

25

Andere sector

3,5 %

2.  Om een risicoblootstelling aan een sector toe te wijzen, maken kredietinstellingen gebruik van een gewoonlijk op de markt gehanteerde classificatie voor het groeperen van uitgevende instellingen per bedrijfstak. Kredietinstellingen wijzen elke tranche aan één van de in de tabel in lid 1 vermelde sectorale subklassen toe. Risicoposities van een tranche die een kredietinstelling niet op deze wijze aan een sector kan toewijzen, worden aan subklasse 25 toegewezen.

Artikel 325 duoquadragiesCorrelaties binnen subklassen voor het creditspreadrisico voor securitisaties (niet-CHP)

1.  Tussen twee gevoeligheden WSk en WSl binnen dezelfde subklasse wordt de correlatieparameter ρkl vastgesteld als volgt:

ρkl= ρkl (tranche) ⋅ ρkl (tenor) ⋅ ρkl (basis)

waarbij:

ρkl (tranche) gelijk is aan 1 als de twee namen van de gevoeligheden k en l tot dezelfde subklasse behoren en met dezelfde securitisatietranche verband houden (een overlapping van meer dan 80 % in notionele termen), en anders aan 40 %;

ρkl (tenor) gelijk is aan 1 als de twee punten van de gevoeligheden k en l identiek zijn, en anders aan 80%;

ρkl (basis) gelijk is aan 1 als de twee gevoeligheden met dezelfde curves verband houden, en anders aan 99,90 %.

2.  Bovenstaande correlaties zijn niet van toepassing op subklasse 25. Het kapitaalvereiste voor de formule voor de aggregatie van het deltarisico binnen subklasse 25 is gelijk aan de som van de absolute waarden van de aan die subklasse toegewezen gewogen nettogevoeligheden:

Artikel 325 terquadragiesCorrelaties tussen subklassen voor het creditspreadrisico voor securitisaties (niet-CHP)

1.  De correlatieparameter γbc is van toepassing op de aggregatie van gevoeligheden tussen verschillende subklassen en bedraagt 0 %.

2.  Het kapitaalvereiste voor subklasse 25 wordt bij het totale kapitaal op het niveau van de risicoklasse opgeteld, zonder dat met diversificatie- of afdekkingseffecten ten opzichte van een andere subklasse rekening wordt gehouden.

Artikel 325 quaterquadragiesRisicogewichten voor het aandelenrisico

1.  De risicogewichten voor de gevoeligheden voor aandelen en aandelenrepotarieven zijn vermeld in de onderstaande tabel.

Tabel 8

Nummer subklasse

Markt-kapi-talis-atie

Economie

Sector

Risico-gewicht voor contante aandelen-koers(procent-punten)

 

Risico-gewicht voor aandelen-repotarief (procent-punten)

 

1

Groot

Opko-mende markt-economie

Consumentengoe-deren en ‑diensten, vervoer en opslag, administratieve en ondersteunende diensten, gezondheidszorg, nutsvoorzieningen

55 %

0,55 %

2

Telecommunicatie, industrie

60 %

0,60 %

3

Basismaterialen, energie, landbouw, be- en verwerkende industrie, winning van delfstoffen

45 %

0,45 %

4

Financiële instellingen, met inbegrip van door de overheid gesteunde financiële instellingen, vastgoedactiviteiten, technologie

55 %

0,55 %

5

Geavan-ceerde economie

Consumentengoe-deren en ‑diensten, vervoer en opslag, administratieve en ondersteunende diensten, gezondheidszorg, nutsvoorzieningen

30 %

0,30 %

6

Telecommunicatie, industrie

35 %

0,35 %

7

Basismaterialen, energie, landbouw, be- en verwerkende industrie, winning van delfstoffen

40 %

0,40 %

8

Financiële instellingen, met inbegrip van door de overheid gesteunde financiële instellingen, vastgoedactiviteiten, technologie

50 %

0,50%

9

Klein

Opko-mende markt-economie

Alle onder de subklassen met nummer 1, 2, 3 en 4 beschreven sectoren

70 %

0,70 %

10

Geavan-ceerde economie

Alle onder de subklassen met nummer 5, 6, 7 en 8 beschreven sectoren

50 %

0,50 %

11

Andere sector

70 %

0,70 %

2.  Onder een grote marktkapitalisatie wordt een marktkapitalisatie verstaan die groter is dan of gelijk is aan 1,75 miljard EUR en onder een kleine marktkapitalisatie wordt een marktkapitalisatie verstaan die kleiner is dan 1,75 miljard EUR.

3.  De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van wat onder opkomende markt en geavanceerde economie in de zin van dit artikel moet worden verstaan.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen binnen [vijftien maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd de in de eerste alinea bedoelde ontwerpen voor technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

4.  Bij het toewijzen van een risicoblootstelling aan een sector maken kredietinstellingen gebruik van een gewoonlijk op de markt gehanteerde classificatie voor het groeperen van uitgevende instellingen per bedrijfstak. Kredietinstellingen wijzen elke uitgevende instelling aan één van de in de tabel in lid 1 vermelde sectorale subklassen toe en wijzen alle uitgevende instellingen van dezelfde bedrijfstak aan dezelfde sector toe. Risicoposities van een uitgevende instelling die een kredietinstelling niet op deze wijze aan een sector kan toewijzen, worden aan subklasse 11 toegewezen. Multinationale of in meerdere sectoren actief zijnde uitgevende instellingen van aandelen worden op basis van de belangrijkste regio en sector waarin de uitgevende instelling van aandelen opereert, aan een bepaalde subklasse toegewezen.

Artikel 325 quiquadragiesCorrelaties binnen subklassen voor het aandelenrisico

1.  De correlatieparameter voor het deltarisico ρkl wordt vastgesteld op 99,90 % tussen twee gevoeligheden WSk en WSl binnen dezelfde subklasse als de ene een gevoeligheid voor een contante aandelenkoers en de andere een gevoeligheid voor een aandelenrepotarief is, en beide op dezelfde naam van de uitgevende instelling van het aandeel betrekking hebben.

2.  In andere dan de in lid 1 bedoelde gevallen wordt de correlatieparameter ρkl tussen twee gevoeligheden WSk en WSl voor een contante aandelenkoers binnen dezelfde subklasse vastgesteld als volgt:

a)  15 % tussen twee gevoeligheden binnen dezelfde subklasse die onder grote marktkapitalisatie, opkomende markteconomie vallen (subklasse nummer 1, 2, 3 of 4);

b)  25 % tussen twee gevoeligheden binnen dezelfde subklasse die onder grote marktkapitalisatie, geavanceerde economie vallen (subklasse nummer 5, 6, 7 of 8);

c)  7,5 % tussen twee gevoeligheden binnen dezelfde subklasse die onder kleine marktkapitalisatie, opkomende markteconomie vallen (subklasse nummer 9);

d)  12,5 % tussen twee gevoeligheden binnen dezelfde subklasse die onder kleine marktkapitalisatie, geavanceerde economie vallen (subklasse nummer 10).

3.  De correlatieparameter ρkl tussen twee gevoeligheden WSk en WSl voor het aandelenrepotarief binnen dezelfde subklasse wordt overeenkomstig lid 2 vastgesteld.

4.  Tussen twee gevoeligheden WSk en WSl binnen dezelfde subklasse, waarbij de ene een gevoeligheid voor een contante aandelenkoers en de andere een gevoeligheid voor een aandelenrepotarief is, en beide gevoeligheden met een verschillende naam van de uitgevende instelling van het aandeel verband houden, wordt de correlatieparameter ρkl vastgesteld op de in lid 2 vermelde correlaties, vermenigvuldigd met 99,90 %.

5.  Bovenstaande correlaties zijn niet van toepassing op subklasse 11. Het kapitaalvereiste voor de formule voor de aggregatie van het deltarisico binnen subklasse 11 is gelijk aan de som van de absolute waarden van de aan die subklasse toegewezen gewogen nettogevoeligheden:

Artikel 325 sexquadragiesCorrelaties tussen subklassen voor het aandelenrisico

1.  De correlatieparameter γbc is van toepassing op de aggregatie van gevoeligheden tussen verschillende subklassen. 15 % als beide subklassen onder de subklassen 1 tot en met 10 vallen;

2.  Dit kapitaalvereiste voor subklasse 11 wordt bij het totale kapitaal op het niveau van de risicoklasse opgeteld, zonder dat met diversificatie- of afdekkingseffecten ten opzichte van een andere subklasse rekening wordt gehouden.

Artikel 325 septquadragiesRisicogewichten voor het grondstoffenrisico

De risicogewichten voor de gevoeligheden voor grondstoffen zijn vermeld in de onderstaande tabel.

Tabel 9

Nummer subklasse

Naam subklasse

Risicogewicht (procentpunten)

 

1

Energie - Vaste brandstoffen

30 %

2

Energie - Vloeibare brandstoffen

35 %

3

Energie - Handel in elektriciteit en koolstofemissierechten

60 %

4

Goederenvervoer

80 %

5

Niet-edele metalen

40 %

6

Gasvormige brandstoffen

45 %

7

Edele metalen (met inbegrip van goud)

20 %

8

Granen & oliehoudende zaden

35 %

9

Vee & zuivel

25 %

10

Zachte en andere landbouwgrondstoffen

35 %

11

Andere grondstof

50 %

Artikel 325 octoquadragiesCorrelaties binnen subklassen voor het grondstoffenrisico

1.  Voor de inaanmerkingneming van correlaties worden twee grondstoffen als onderscheiden grondstoffen beschouwd wanneer er op de markt twee contracten bestaan die enkel qua op grond van elk contract te leveren onderliggende grondstof van elkaar verschillen.

2.  Tussen twee gevoeligheden WSk en WSl binnen dezelfde subklasse wordt de correlatieparameter ρkl vastgesteld als volgt:

ρkl= ρkl (commodity) ⋅ ρkl (tenor) ⋅ ρkl (basis)

waarbij:

ρkl (commodity) gelijk is aan 1 als de twee grondstoffen van gevoeligheden k en l identiek zijn, en anders aan de correlaties binnen de subklasse zoals weergegeven in de tabel van lid 3;

ρkl (tenor) gelijk is aan 1 als de twee punten van de gevoeligheden k en l identiek zijn, en anders aan 99%;

ρkl (basis) gelijk is aan 1 als de twee gevoeligheden identiek zijn, zowel wat betreft i) de leverbare kwaliteit van de grondstof, als ii) de leveringsplaats van de grondstof, en anders aan 99,90 %.

3.  De correlaties ρkl (commodity) binnen de subklasse zijn:

Tabel 10

Nummer subklasse

Naam subklasse

Correlatie (ρcommodity)

1

Energie - Vaste brandstoffen

55 %

2

Energie - Vloeibare brandstoffen

95 %

3

Energie - Handel in elektriciteit en koolstofemissierechten

40 %

4

Goederenvervoer

80 %

5

Niet-edele metalen

60 %

6

Gasvormige brandstoffen

65 %

7

Edele metalen (met inbegrip van goud)

55 %

8

Granen & oliehoudende zaden

45 %

9

Vee & zuivel

15 %

10

Zachte en andere landbouwgrondstoffen

40 %

11

Andere grondstof

15 %

Artikel 325 novoquadragiesCorrelaties tussen subklassen voor het grondstoffenrisico

De correlatieparameter γbc die op de aggregatie van gevoeligheden tussen verschillende subklassen van toepassing is, wordt als volgt vastgesteld:

a)  20 % als beide subklassen onder de subklassen 1 tot en met 10 vallen;

b)  0 % als één van beide subklassen subklasse nummer 11 is.

Artikel 325 quinquagiesRisicogewichten voor het wisselkoersrisico

1.  Op alle gevoeligheden voor wisselkoersen is een risicogewicht van 30 % van toepassing.

2.  Het risicogewicht van de wisselkoersrisicofactoren met betrekking tot valutaparen die zijn samengesteld uit de euro en de valuta van een lidstaat die aan de tweede fase van de economische en monetaire unie deelneemt, is een van de volgende:

a)  het in lid 1 vermelde risicogewicht, gedeeld door 3;

b)  de maximale fluctuatie binnen de formeel door de lidstaat en de ECB overeengekomen fluctuatiemarge indien deze kleiner is dan de fluctuatiemarge die in het kader van de tweede fase van de economische en monetaire unie (ERM II) is overeengekomen.

3.  Het risicogewicht van de wisselkoersrisicofactoren die tot de in artikel 325 octoquinquagies, lid 7, onder c), bedoelde subklasse van meest liquide valutaparen behoren, is het in lid 1 vermelde risicogewicht, gedeeld door

Artikel 325 unquinquagiesRisicogewichten voor het wisselkoersrisico

Er is een uniforme correlatieparameter γbc, gelijk aan 60 %, van toepassing op de aggregatie van gevoeligheden voor wisselkoersen.

Onderafdeling 2Vega- en curvatuurrisicogewichten en -correlaties

Artikel 325 duoquinquagiesVega- en curvatuurrisicogewichten

1.  De in onderafdeling 1 vermelde deltasubklassen worden op de vegarisicofactoren toegepast.

2.  Het risicogewicht van een gegeven vegarisicofactor wordt bepaald als het deel van de actuele waarde van die risicofactor k dat de impliciete volatiliteit van een onderliggende waarde weergeeft, zoals beschreven in afdeling 3.

3.  Het in lid 2 bedoelde deel wordt afhankelijk gesteld van de veronderstelde liquiditeit van elk type risicofactor volgens de onderstaande formule:

waarbij:

wordt vastgesteld op 55 %;

de wettelijke liquiditeitshorizon is die moet worden voorgeschreven voor de bepaling van elke vegarisicofactor . wordt vastgesteld in overeenstemming met de volgende tabel:

Tabel 11

Risicoklasse

 

Algemeen renterisico

60

Creditspreadrisico voor niet-securitisaties

120

Creditspreadrisico voor securitisaties (CHP)

120

Creditspreadrisico voor securitisaties (niet-CHP)

120

Aandelen (grote kapitalisatie)

20

Aandelen (kleine kapitalisatie)

60

Grondstof

120

Wisselkoersen

40

4.  In de context van het deltarisico in onderafdeling 1 gehanteerde subklassen worden ook in de context van het curvatuurrisico gebruikt, tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald.

5.  Voor de wisselkoerscurvatuurrisicofactoren zijn de gewichten voor het curvatuurrisico relatieve bijstellingen die gelijk zijn aan de in onderafdeling 1 vermelde deltarisicogewichten.

6.  Voor de algemene-rente-, creditspread- en grondstoffencurvatuurrisicofactoren is het curvatuurrisicogewicht de parallelle verschuiving van alle punten van elke curve op basis van het hoogste deltarisicogewicht dat in onderafdeling 1 voor elke risicoklasse is voorgeschreven.

Artikel 325 terquinquagiesVega- en curvatuurrisicocorrelaties

7.  Tussen vegarisicogevoeligheden binnen dezelfde subklasse van de algemene-renterisicoklasse wordt de correlatieparameter rkl als volgt vastgesteld:

  

waarbij:

gelijk is aan als op 1% wordt vastgesteld, en en de in aantal jaren uitgedrukte looptijden zijn van de opties waarvoor de vegagevoeligheden worden afgeleid;

gelijk is aan , als op 1% wordt vastgesteld, en en de in aantal jaren uitgedrukte looptijden zijn van de onderliggende waarden van de opties waarvoor de vegarisicogevoeligheden worden afgeleid, min de in beide gevallen in aantal jaren uitgedrukte looptijden van de overeenkomstige opties.

8.  Tussen vegarisicogevoeligheden binnen een subklasse van de andere risicoklassen wordt de correlatieparameter rkl als volgt vastgesteld:

waarbij:

gelijk is aan de deltacorrelatie binnen de subklasse welke overeenstemt met de subklassen waaraan de vegarisicofactoren k en l zouden worden toegewezen.

is gedefinieerd als in lid 1.

9.  Wat vegarisicogevoeligheden tussen subklassen binnen een risicoklasse (algemene-renterisicoklasse en andere klassen dan de algemene-renterisicoklasse) betreft, worden in de context van het vegarisico voor γbc dezelfde correlatieparameters gehanteerd als die welke in afdeling 4 voor deltacorrelaties zijn vermeld.

10.  In de standaardbenadering wordt tussen vega- en deltarisicofactoren geen diversificatie- of afdekkingsvoordeel in aanmerking genomen. De eigenvermogensvereisten voor het vega- en het deltarisico worden door middel van gewone optelling geaggregeerd.

11.  De curvatuurrisicocorrelaties zijn het kwadraat van de in onderafdeling 1 vermelde overeenkomstige deltarisicocorrelaties ρkl en γbc.

Hoofdstuk 1 terDe internemodellenbenadering

AFDELING 1TOESTEMMING EN EIGENVERMOGENSVEREISTEN

Artikel 325 quaterquinquagiesToestemming voor het gebruik van interne modellen

1.  Nadat zij hebben gecontroleerd of instellingen aan de vereisten van de artikelen 325 duosexagies, 325 tersexagies en 325 quatersexagies voldoen, verlenen de bevoegde autoriteiten instellingen toestemming om hun eigenvermogensvereisten overeenkomstig artikel 325 quinquinquagies met behulp van hun interne modellen te berekenen voor de portefeuille van alle posities die zijn toegeschreven aan tradingdesks die aan de volgende vereisten voldoen:

a)  de tradingdesks zijn overeenkomstig artikel 104 ter opgericht;

b)  de bevoegde autoriteit beoordeelt het resultaat van de in artikel 325 unsexagies vastgestelde beoordeling met betrekking tot de toeschrijving van winsten en verliezen (P&L) van de tradingdesk in de afgelopen 12 maanden als bevredigend;

c)  de tradingdesks hebben gedurende de 250 onmiddellijk voorafgaande werkdagen aan de in artikel 325 sexagies, lid 1, bedoelde back-testingvereisten voldaan;

d)  tradingdesks waaraan ten minste één van de in artikel 325 sexsexagies bedoelde handelsportefeuilleposities is toegewezen, voldoen aan de vereisten van artikel 325 septsexagies voor het interne wanbetalingsrisicomodel.

2.  Instellingen waaraan voor een of meer tradingdesks de in lid 1 bedoelde toestemming is verleend om hun interne modellen te gebruiken, rapporteren het volgende aan de bevoegde autoriteiten:

a)  de wekelijkse "unconstrained expected shortfall"-maatstaf UESt, berekend in overeenstemming met lid 5, voor alle posities in de tradingdesk, die maandelijks aan de bevoegde autoriteiten wordt gerapporteerd;

b)  voor elke tradingdesk waarvoor toestemming is verleend, de overeenkomstig hoofdstuk 1 bis van deze titel berekende maandelijkse eigenvermogensvereisten voor marktrisico's alsof de in lid 1 bedoelde toestemming niet aan de instelling is verleend en waarbij alle aan de tradingdesk toegeschreven posities op zichzelf als een afzonderlijke portefeuille worden beschouwd. Deze berekeningen worden maandelijks aan de bevoegde autoriteiten gerapporteerd.

b bis)  de overeenkomstig hoofdstuk 1 bis van deze titel berekende maandelijkse eigenvermogensvereisten voor marktrisico's voor de volledige portefeuille van de instelling, die worden berekend alsof de instelling geen toestemming heeft gekregen overeenkomstig lid 1. Deze berekeningen worden maandelijks aan de bevoegde autoriteiten gerapporteerd.

3.  Een instelling waaraan de in lid 1 bedoelde toestemming is verleend, stelt haar bevoegde autoriteiten er onmiddellijk van in kennis wanneer één van haar tradingdesks niet meer aan de vereisten van lid 1 voldoet. Die instelling mag dit hoofdstuk niet meer op aan die tradingdesk toegeschreven posities toepassen en berekent de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's voor alle aan die tradingdesk toegeschreven posities op de eerstvolgende rapportagedatum volgens de in hoofdstuk 1 bis beschreven benadering en blijft dit doen totdat de instelling aan de bevoegde autoriteiten aantoont dat de tradingdesk wederom aan alle vereisten van lid 1 voldoet.

4.  In afwijking van lid 3 kunnen bevoegde autoriteiten in buitengewone omstandigheden toestaan dat een instelling haar interne modellen blijft gebruiken voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's van een tradingdesk die niet meer aan de voorwaarden van lid 1, onder b) of c), voldoet, indien ten minste 10 % van de geaggregeerde eigenvermogensvereisten voor marktrisico's resulteren uit blootstellingen van tradingdesks die in aanmerking komen voor de interne benadering voor marktrisico's. Deze uitzonderlijke omstandigheden kunnen bijvoorbeeld ontstaan tijdens aanzienlijke grensoverschrijdende stressperioden op de financiële markten of wanneer banken te maken krijgen met een aanzienlijke systemische verschuiving. Wanneer de bevoegde autoriteiten deze bevoegdheid uitoefenen, stellen zij de EBA daarvan in kennis en motiveren zij hun besluit.

5.  Bij posities toegeschreven aan tradingdesks waarvoor geen in lid 1 bedoelde toestemming aan de instelling is verleend, worden de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's door deze instelling berekend in overeenstemming met hoofdstuk 1 bis van deze titel. Voor het uitvoeren van die berekening worden al deze posities op zichzelf als een afzonderlijke portefeuille beschouwd.

6.  Voor een gegeven tradingdesk wordt onder de in lid 2, onder a), bedoelde "unconstrained expected shortfall"-maatstaf het volgende verstaan: de overeenkomstig artikel 325 sexquinquagies berekende "unconstrained expected shortfall"-maatstaf voor alle aan die tradingdesk toegewezen posities die op zichzelf als een afzonderlijke portefeuille worden beschouwd. In afwijking van artikel 325 septquinquagies voldoen instellingen aan de volgende voorwaarden wanneer zij de "unconstrained expected shortfall"-maatstaf voor elke tradingdesk berekenen:

a)  de stressperiode die bij de berekening van de waarde van de partial expected shortfall PEStFC voor een gegeven tradingdesk wordt gehanteerd, is de overeenkomstig artikel 325 septquinquagies, lid 1, onder c), vastgestelde stressperiode voor de bepaling van PEStFC voor alle tradingdesks waarvoor aan instellingen de in lid 1 bedoelde toestemming is verleend;

b)  bij de berekening van de waarden van de partial expected shortfall PEStRS en PEStRC voor een gegeven tradingdesk worden de scenario's van toekomstige schokken enkel toegepast op de modelleerbare risicofactoren van aan de tradingdesk toegewezen posities welke zijn opgenomen in de subset van modelleerbare risicofactoren die de instelling overeenkomstig artikel 325 septquinquagies, lid 1, onder a), heeft gekozen voor de bepaling van PEStRS voor alle tradingdesks waarvoor aan instellingen de in lid 1 bedoelde toestemming is verleend.

7.  Voor wezenlijke veranderingen in het gebruik van interne modellen voor het gebruik waarvan een instelling toestemming heeft gekregen, voor de uitbreiding van het gebruik van interne modellen voor het gebruik waarvan de instelling toestemming heeft gekregen, en voor wezenlijke veranderingen in de keuze van de subset van in artikel 325 septquinquagies, lid 2, bedoelde modelleerbare risicofactoren is een afzonderlijke toestemming van haar bevoegde autoriteiten vereist.

Instellingen stellen de bevoegde autoriteiten in kennis van alle andere uitbreidingen en veranderingen in het gebruik van de interne modellen voor het gebruik waarvan de instelling toestemming heeft gekregen.

8.  De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van het volgende:

a)  de voorwaarden voor het beoordelen van het wezenlijke karakter van de uitbreidingen en veranderingen in het gebruik van interne modellen, en van de veranderingen in de subset van in artikel 325 septquinquagies bedoelde modelleerbare risicofactoren;

b)  de beoordelingsmethode op basis waarvan de bevoegde autoriteiten controleren of een instelling aan de vereisten van de artikelen 325 duosexagies tot en met 370 voldoet;

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen binnen [twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 325 quinquinquagiesEigenvermogensvereisten bij gebruik van interne modellen

1.  Een instelling die een intern model gebruikt, berekent de eigenvermogensvereisten voor de portefeuille van alle posities die worden toegeschreven aan tradingdesks waarvoor aan de instelling de in artikel 325 quaterquinquagies bedoelde toestemming is verleend, als de som van het volgende:

a)  de hoogste waarde van:

i)  de overeenkomstig artikel 325 sexquinquagies berekende "expected shortfall"-risicomaatstaf van de instelling van de dag voordien (ESt-1);

ii)  een gemiddelde van de overeenkomstig artikel 325 sexquinquagies berekende dagelijkse "expected shortfall"-risicomaatstaf voor elk van de voorgaande zestig werkdagen (ESavg), vermenigvuldigd met de vermenigvuldigingsfactor (mc) in overeenstemming met artikel 325 sexagies;

b)  de hoogste waarde van:

i)  de overeenkomstig afdeling 5 van deze titel berekende stressscenariorisicomaatstaf van de instelling (SSt-1);

ii)  een gemiddelde van de overeenkomstig afdeling 5 van deze titel berekende dagelijkse stressscenariorisicomaatstaf voor elk van de voorgaande zestig werkdagen (SSavg).

2.  Instellingen met posities in verhandelde schuld- en aandeleninstrumenten die onder de werkingssfeer van het interne wanbetalingsrisicomodel vallen en die aan in lid 1 bedoelde tradingdesks zijn toegeschreven, voldoen aan additionele eigenvermogensvereisten die zijn uitgedrukt als de hoogste waarde van:

a)  het meest recente eigenvermogensvereiste voor het wanbetalingsrisico, berekend overeenkomstig afdeling 3;

b)  het gemiddelde van de onder a) bedoelde waarde over de voorgaande twaalf weken.

Afdeling 2Algemene vereisten

Artikel 325 sexquinquagiesDe expected shortfall-risicomaatstaf

1.  Instellingen berekenen de in artikel 325 quinquinquagies, lid 1, onder a), bedoelde "expected shortfall"-risicomaatstaf "ESt" voor een gegeven datum "t" en voor een gegeven portefeuille van handelsportefeuilleposities als volgt:

waarbij:

i  =   de index die de in de eerste kolom van tabel 13 van artikel 325 octoquinquagies vermelde vijf brede risicofactorcategorieën aangeeft;

UESt    =  de als volgt berekende "unconstrained expected shortfall"-maatstaf:

UESti   =   de als volgt berekende "unconstrained expected shortfall"-maatstaf voor de brede risicofactorcategorie "i":

ρ     =  de correlatiefactor voor toezichtdoeleinden tussen brede risicocategorieën; ρ = 50 %;

PEStRS  =  de waarde van de partial expected shortfall die overeenkomstig artikel 325 septquinquagies, lid 2, voor alle portefeuilleposities wordt berekend;

PEStRC   =  de waarde van de partial expected shortfall die overeenkomstig artikel 325 septquinquagies, lid 3, voor alle portefeuilleposities wordt berekend;

PEStFC   =  de waarde van de partial expected shortfall die overeenkomstig artikel 325 septquinquagies, lid 4, voor alle portefeuilleposities wordt berekend;

PEStRS,i   =  de waarde van de partial expected shortfall voor de brede risicocategorie "i" die overeenkomstig artikel 325 septquinquagies, lid 2, voor alle portefeuilleposities wordt berekend;

PEStRC,i   =  de waarde van de partial expected shortfall voor de brede risicocategorie "i" die overeenkomstig artikel 325 septquinquagies, lid 3, voor alle portefeuilleposities wordt berekend;

PEStFC,i   =  de waarde van de partial expected shortfall voor de brede risicocategorie "i" die overeenkomstig artikel 325 septquinquagies, lid 4, voor alle portefeuilleposities wordt berekend.

2.  Bij de bepaling van elke waarde van de partial expected shortfall voor de berekening van de "expected shortfall"-risicomaatstaf in overeenstemming met lid 1 passen instellingen enkel scenario's van toekomstige schokken toe op de specifieke set van modelleerbare risicofactoren die van toepassing zijn op elke waarde van de partial expected shortfall, zoals beschreven in artikel 325 septquinquagies.

3.  Indien ten minste één transactie van de portefeuille ten minste één modelleerbare risicofactor heeft die overeenkomstig artikel 325 octoquinquagies naar de brede risicocategorie "i" is gemapt, berekenen instellingen de "unconstrained expected shortfall"-maatstaf voor de brede risicofactorcategorie "i" en nemen zij deze op in de in lid 2 vermelde formule.

Artikel 325 septquinquagiesBerekeningen van de partial expected shortfall

1.  Instellingen berekenen alle in artikel 325 sexquinquagies, lid 1, bedoelde waarden van de partial expected shortfall als volgt:

a)  dagelijkse berekeningen van de waarden van de partial expected shortfall;

b)  een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval van 97,5 %;

c)  voor een gegeven portefeuille van handelsportefeuilleposities berekenen instellingen de waarde van de partial expected shortfall op het tijdstip "t" volgens de onderstaande formule: waarbij:

j      =   de index die de in de eerste kolom van tabel 1 vermelde vijf liquiditeitshorizons aangeeft;

LHj      =  de duur van de liquiditeitshorizons j, zoals uitgedrukt in dagen in tabel 1;

T      =  de basistijdshorizon, waarbij T = 10 dagen;

PESt(T)  =  de waarde van de partial expected shortfall die wordt bepaald door enkel op de specifieke set van modelleerbare risicofactoren van de in de leden 2, 3 en 4 beschreven portefeuilleposities voor elke in artikel 325 sexquinquagies, lid 2, bedoelde waarde van de partial expected shortfall scenario's van toekomstige schokken met een tijdshorizon van 10 dagen toe te passen;

PESt(T, j)   =  de waarde van de partial expected shortfall die wordt bepaald door enkel op de specifieke set van modelleerbare risicofactoren van de in de leden 2, 3 en 4 beschreven portefeuilleposities voor elke in artikel 325 sexquinquagies, lid 2, bedoelde waarde van de partial expected shortfall waarvan de overeenkomstig artikel 325 octoquinquagies bepaalde effectieve liquiditeitshorizon ten minste gelijk is aan LHj, scenario's van toekomstige schokken met een tijdshorizon van 10 dagen toe te passen.

Tabel 1

Liquiditeitshorizons

j

Duur van liquiditeitshorizon j

(in dagen)

1

10

2

20

3

40

4

60

5

120

2.  Bij de berekening van de in artikel 325 sexquinquagies, lid 2, bedoelde waarden van de partial expected shortfall PEStRS en PEStRS,i voldoen instellingen niet alleen aan de vereisten van lid 1, maar ook aan de volgende vereisten:

a)  bij de berekening van PEStRS passen instellingen enkel scenario's van toekomstige schokken toe op een subset van modelleerbare risicofactoren van portefeuilleposities die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten zodanig door de instelling zijn gekozen dat op het tijdstip t aan de volgende voorwaarde is voldaan, waarbij de som betrekking heeft op de voorgaande 60 werkdagen:

Een instelling die niet meer aan het vereiste van de eerste alinea van dit punt voldoet, stelt de bevoegde autoriteiten daarvan onmiddellijk in kennis en actualiseert de subset van modelleerbare risicofactoren binnen de twee weken om aan dat vereiste te voldoen. Indien de instelling na twee weken niet aan dat vereiste voldoet, grijpt zij terug op de in hoofdstuk 1 bis beschreven benadering om voor sommige tradingdesks de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's te berekenen, totdat zij aan de bevoegde autoriteit kan aantonen dat zij aan het vereiste van de eerste alinea van dit punt voldoet;

b)  bij de berekening van PEStRS,i passen instellingen enkel scenario's van toekomstige schokken toe op de subset van modelleerbare risicofactoren van portefeuilleposities die de instelling voor de toepassing van punt a) heeft gekozen en die overeenkomstig artikel 325 octoquinquagies naar de brede risicofactorcategorie i zijn gemapt;

c)  de gebruikte gegevensinputs voor het bepalen van de scenario's van toekomstige schokken die op de modelleerbare risicofactoren als bedoeld onder a) en b) worden toegepast, zijn geijkt aan de hand van historische gegevens uit een ononderbroken periode van twaalf maanden van financiële spanningen die zodanig door de instelling wordt gekozen dat de waarde van PEStRS maximaal is. De keuze van deze stressperiode wordt ten minste eenmaal per maand getoetst door de instelling, die het resultaat van deze toetsing ter kennis brengt van de bevoegde autoriteiten.Met het oog op het kiezen van die stressperiode maken instellingen ten genoegen van de bevoegde autoriteiten gebruik van een waarnemingsperiode die ten minste vanaf 1 januari 2007 aanvangt;

d)  de modelinputs van PEStRS,i zijn geijkt aan de hand van de stressperiode van twaalf maanden die de instelling voor de toepassing van punt c) heeft gekozen.

3.  Bij de berekening van de in artikel 325 sexquinquagies, lid 2, bedoelde waarden van de partial expected shortfall PEStRC en PEStRC,i voldoen instellingen niet alleen aan de vereisten van lid 1, maar ook aan de volgende vereisten:

a)  bij de berekening van PEStRC passen instellingen enkel scenario's van toekomstige schokken toe op de subset van modelleerbare risicofactoren van portefeuilleposities als bedoeld in lid 3, onder a);

b)  bij de berekening van PEStRC,i passen instellingen enkel scenario's van toekomstige schokken toe op de subset van modelleerbare risicofactoren van portefeuilleposities als bedoeld in lid 3, onder b);

c)  de gebruikte gegevensinputs voor het bepalen van de scenario's van toekomstige schokken die op de modelleerbare risicofactoren als bedoeld onder a) en b) worden toegepast, zijn geijkt aan de hand van historische gegevens uit de voorgaande periode van twaalf maanden. Deze gegevens worden ten minste maandelijks geactualiseerd.

4.  Bij de berekening van de in artikel 325 sexquinquagies, lid 2, bedoelde waarden van de partial expected shortfall PEStFC en PEStFC,i voldoen instellingen niet alleen aan de vereisten van lid 1, maar ook aan de volgende vereisten:

a)  bij de berekening van PEStFC passen instellingen scenario's van toekomstige schokken toe op alle modelleerbare risicofactoren van portefeuilleposities;

b)  bij de berekening van PEStFC,i passen instellingen scenario's van toekomstige schokken toe op alle modelleerbare risicofactoren van portefeuilleposities die overeenkomstig artikel 325 octoquinquagies naar de brede risicofactorcategorie i zijn gemapt;

c)  de gebruikte gegevensinputs voor het bepalen van de scenario's van toekomstige schokken die op de modelleerbare risicofactoren als bedoeld onder a) en b) worden toegepast, zijn geijkt aan de hand van historische gegevens uit de voorgaande periode van twaalf maanden. Deze gegevens worden ten minste maandelijks geactualiseerd. Wanneer er zich een significante toename voordoet van de prijsvolatiliteit van een wezenlijk aantal modelleerbare risicofactoren van een portefeuille van een instelling die niet tot subset van risicofactoren als bedoeld in lid 2, onder a), behoren, kunnen de bevoegde autoriteiten van een instelling verlangen dat deze historische gegevens uit een kortere periode dan de voorgaande twaalf maanden hanteert, maar deze kortere periode is niet korter dan de voorgaande periode van zes maanden. De bevoegde autoriteiten stellen de EBA in kennis van elk besluit waarbij zij van een instelling verlangen dat deze historische gegevens uit een kortere periode dan twaalf maanden hanteert, en motiveren dit besluit.

5.  Bij de berekening van een in artikel 325 sexquinquagies, lid 2, bedoelde gegeven waarde van de partial expected shortfall handhaven instellingen de waarden van de modelleerbare risicofactoren waarvoor zij er niet op grond van de leden 2, 3 en 4 toe zijn verplicht scenario's van toekomstige schokken voor de desbetreffende waarde van de partial expected shortfall toe te passen.

6.  In afwijking van lid 1, onder a), kunnen instellingen besluiten de waarden van de partial expected shortfall PEStRS,i, PEStRC,i en PEStFC,i wekelijks te berekenen.

Artikel 325 octoquinquagiesLiquiditeitshorizonten

1.  Instellingen mappen elke risicofactor van aan tradingdesks toegeschreven posities waarvoor hun de in artikel 325 quaterquinquagies, lid 1, bedoelde toestemming is of zal worden verleend, zowel naar één van de in tabel 2 vermelde brede risicofactorcategorieën, als naar één van de in genoemde tabel vermelde brede risicofactorsubcategorieën.

2.  De liquiditeitshorizon van een risicofactor van de in lid 1 bedoelde posities is de liquiditeitshorizon van de overeenkomstige brede risicofactorsubcategorieën waarnaar deze factor is gemapt.

3.  In afwijking van lid 1 mag een instelling voor een gegeven tradingdesk besluiten de liquiditeitshorizon van een in tabel 2 vermelde brede risicofactorsubcategorie te vervangen door een van de in tabel 1 vermelde langere liquiditeitshorizons. Wanneer een instelling een dergelijk besluit neemt, is de langere liquiditeitshorizon van toepassing op alle modelleerbare risicofactoren van de aan deze tradingdesk toegeschreven posities die naar deze brede risicofactorsubcategorie zijn gemapt voor de berekening van de waarden van de partial expected shortfall in overeenstemming met artikel 325 septquinquagies, lid 1, onder c).

Een instelling stelt de bevoegde autoriteiten in kennis van de tradingdesks en de brede risicofactorsubcategorieën waarop zij heeft besloten de in de eerste alinea beschreven behandeling toe te passen.

4.  Voor de berekening van de waarden van de partial expected shortfall in overeenstemming met artikel 325 septquinquagies, lid 1, onder c), wordt de effectieve liquiditeitshorizon "EffectiveLH" van een gegeven modelleerbare risicofactor van een gegeven handelsportefeuillepositie als volgt berekend:

 

waarbij:

Mat        =  de looptijd van de handelsportefeuillepositie;

SubCatLH      =  de overeenkomstig lid 1 bepaalde duur van de liquiditeitshorizon van de modelleerbare risicofactor;

minj {LHj/LHj ≥ Mat}  =  de duur van één van de in tabel ... vermelde liquiditeitshorizons die het dichtst boven de looptijd van de handelsportefeuillepositie ligt.

5.  Valutaparen die zijn samengesteld uit de euro en de valuta van een lidstaat die aan de tweede fase van de economische en monetaire unie deelneemt, worden in de subcategorie van meest liquide valutaparen van de brede wisselkoersrisicofactorcategorie van tabel 2 opgenomen.

6.  Een instelling controleert ten minste maandelijks de adequaatheid van de in lid 1 bedoelde mapping.

7.  De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

a)  de wijze waarop instellingen handelsportefeuilleposities naar brede risicofactorcategorieën en brede risicofactorsubcategorieën mappen voor de toepassing van lid 1;

b)  de valuta's waaruit de subcategorie van meest liquide valuta's in de brede renterisicofactorcategorie van tabel 2 is samengesteld;

c)  de valutaparen waaruit de subcategorie van meest liquide valutaparen in de brede wisselkoersrisicofactorcategorie van tabel 2 is samengesteld;

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen binnen [zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd de in de eerste alinea bedoelde ontwerpen voor technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Tabel 2

Brede risicofactor-categorieën

Brede risicofactorsub-categorieën

Liquiditeits-hori-zons

Duur van de liquidi-teitshori-zon (in dagen)

Rente

Meest liquide valuta's en nationale valuta

1

10

Andere valuta's (met uitzondering van de meest liquide valuta's)

2

20

Volatiliteit

4

60

Andere soorten

4

60

Creditspread

Centrale overheid, met inbegrip van centrale banken, van lidstaten van de Unie

2

20

Gedekte obligaties uitgegeven door in lidstaten van de Unie gevestigde kredietinstel-lingen (investerings-waardig)

2

20

Staat (investerings-waardig)

2

20

Staat (hoog rendement)

3

40

Onderneming (investerings-waardig)

3

40

Onderneming (hoog rendement)

4

60

Volatiliteit

5

120

Andere soorten

5

120

Aandeel

Aandelenkoers (grote kapitalisatie)

1

10

Aandelenkoers (kleine kapitalisatie)

2

20

Volatiliteit (grote kapitalisatie)

2

20

Volatiliteit (kleine kapitalisatie)

4

60

Andere soorten

4

60

Wisselkoers

Meest liquide valutaparen

1

10

Andere valutaparen (met uitzondering van meest liquide valutaparen)

2

20

Volatiliteit

3

40

Andere soorten

3

40

Grondstof

Energieprijs en prijs van koolstofemissie-rechten

2

20

Prijs van edele metalen en prijs van non-ferrometalen

2

20

Andere grondstoffenprijzen (exclusief energieprijs, prijs van koolstofemissie-rechten, prijs van edele metalen en prijs van non-ferrometalen)

4

60

Volatiliteit van energie en volatiliteit van koolstofemissie-rechten

4

60

Volatiliteit van edele metalen en volatiliteit van non-ferrometalen

4

60

Volatiliteit van andere grondstoffen (exclusief volatiliteit van energie, volatiliteit van koolstofemissie-rechten, volatiliteit van edele metalen en volatiliteit van non-ferrometalen)

5

120

Andere soorten

5

120

Artikel 325 novoquinquagiesBeoordeling van de modelleerbaarheid van risicofactoren

1.  Instellingen beoordelen maandelijks de modelleerbaarheid van alle risicofactoren van aan tradingdesks toegeschreven posities waarvoor hun de in artikel 325 quaterquinquagies, lid 1, bedoelde toestemming is of zal worden verleend.

2.  Een instelling beschouwt een risicofactor van een handelsportefeuillepositie als modelleerbaar als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a)  de instelling heeft tijdens de voorgaande periode van twaalf maanden ten minste 24 controleerbare prijzen geïdentificeerd die deze risicofactor bevatten;

b)  er is niet meer dan een maand verlopen tussen de data van twee achtereenvolgende waarnemingen van de overeenkomstig punt a) door de instelling geïdentificeerde controleerbare prijzen;

c)  er bestaat een duidelijk en klaarblijkelijk verband tussen de waarde van de risicofactor en elke overeenkomstig punt a) door de instelling geïdentificeerde controleerbare prijs, dat wil zeggen dat elke controleerbare prijs die voor een transactie wordt waargenomen, als waarneming voor alle betrokken risicofactoren moet worden beschouwd.

3.  Voor de toepassing van lid 2 wordt onder een controleerbare prijs het volgende verstaan:

a)  ofwel de marktprijs van een werkelijke transactie waarbij de instelling één van de partijen was;

b)  ofwel de marktprijs van een werkelijke transactie die door derde partijen is gesloten en waarvan de prijs en transactiedatum publiekelijk beschikbaar zijn of door een derde partij zijn verstrekt;

c)  ofwel de prijs die op basis van een bindende notering van een derde partij is verkregen.

4.  Voor de toepassing van lid 3, onder b) en c), mogen instellingen een prijs of een bindende notering die door een derde partij is verstrekt, als een controleerbare prijs aanmerken, op voorwaarde dat de betrokken derde partij ermee instemt op verzoek bewijsstukken van de transactie of van een bindende notering aan de bevoegde autoriteiten te verstrekken.

Als bewijsstukken verstrekt de derde partij details van het transactiebedrag (nodig om te controleren of het niet om een verwaarloosbaar bedrag ging) en de transactieprijs (om de "echtheid" van de transactie te beoordelen).

5.  Voor de toepassing van lid 2, onder a), mag een instelling een controleerbare prijs voor meer dan één risicofactor gebruiken.

6.  Risicofactoren die van een combinatie van modelleerbare risicofactoren zijn afgeleid, worden door instellingen als modelleerbaar aangemerkt.

7.  Ingeval een instelling een risicofactor overeenkomstig lid 1 als modelleerbaar aanmerkt, mag de instelling andere gegevens gebruiken dan de controleerbare prijzen die zij heeft gehanteerd om overeenkomstig lid 2 aan te tonen dat de risicofactor modelleerbaar is, teneinde de scenario's van toekomstige schokken te berekenen die op die risicofactor worden toegepast met het oog op de berekening van de in artikel 365 bedoelde partial expected shortfall, mits die gegevensinputs aan de desbetreffende vereisten van artikel 325 septquinquagies voldoen.

8.  Instellingen merken een risicofactor die niet aan alle voorwaarden van lid 2 voldoet, aan als niet-modelleerbaar en berekenen de eigenvermogensvereisten voor die risicofactor in overeenstemming met artikel 325 quinsexagies.

9.  Risicofactoren die van een combinatie van modelleerbare en niet-modelleerbare risicofactoren zijn afgeleid, worden door instellingen als niet-modelleerbaar aangemerkt.

Instellingen kunnen modelleerbare risicofactoren toevoegen en niet-modelleerbare risicofactoren vervangen door een basis tussen deze aanvullende modelleerbare risicofactoren en deze niet-modelleerbare risicofactoren. Deze basis wordt dan als niet-modelleerbare risicofactor beschouwd.

10.  In afwijking van lid 2 kunnen de bevoegde autoriteiten een instelling toestaan een aan alle voorwaarden van lid 2 voldoende risicofactor voor een periode van minder dan een jaar als niet-modelleerbaar aan te merken.

Artikel 325 sexagiesWettelijke back-testingvereisten en vermenigvuldigingsfactoren

1.  Op elke gegeven datum voldoet een tradingdesk van een instelling aan de in artikel 325 quaterquinquagies, lid 1, bedoelde back-testingvereisten wanneer het aantal overschrijdingen als bedoeld in lid 2 dat gedurende de laatste 250 werkdagen voor die tradingdesk heeft plaatsgevonden, niet groter is dan:

a)  12 overschrijdingen voor de VaR-waarde, berekend op basis van een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval van 99 % door middel van back-testing op hypothetische veranderingen in de waarde van de portefeuille;

b)  12 overschrijdingen voor de VaR-waarde, berekend op basis van een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval van 99 % door middel van back-testing op werkelijke veranderingen in de waarde van de portefeuille;

c)  30 overschrijdingen voor de VaR-waarde, berekend op basis van een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval van 97,5 % door middel van back-testing op hypothetische veranderingen in de waarde van de portefeuille;

d)  30 overschrijdingen voor de VaR-waarde, berekend op basis van een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval van 97,5 % door middel van back-testing op werkelijke veranderingen in de waarde van de portefeuille.

2.  Voor de toepassing van lid 1 tellen instellingen de dagelijkse overschrijdingen door middel van back-testing op hypothetische en werkelijke veranderingen in de waarde van de portefeuille die uit alle aan de tradingdesk toegeschreven posities is samengesteld. Een overschrijding is een eendagsverandering in de waarde van die portefeuille die meer bedraagt dan de gerelateerde VaR-waarde die met inachtneming van de volgende vereisten aan de hand van het interne model van de instelling is berekend:

a)  er is een aanhoudingsperiode van één dag;

b)  er zijn scenario's van toekomstige schokken van toepassing op de in artikel 325 unsexagies, lid 3, bedoelde risicofactoren van de posities van de tradingdesk welke overeenkomstig artikel 325 novoquinquagies als modelleerbaar worden aangemerkt;

c)  de gebruikte gegevensinputs voor het bepalen van de scenario's van toekomstige schokken die op de modelleerbare risicofactoren worden toegepast, zijn geijkt aan de hand van historische gegevens uit de voorgaande periode van twaalf maanden. Deze gegevens worden ten minste maandelijks geactualiseerd;

d)  tenzij in dit artikel anders is bepaald, is het interne model van de instelling gebaseerd op dezelfde modelleringaannames als die welke voor de berekening van de in artikel 325 quinquinquagies, lid 1, onder a), bedoelde "expected shortfall"-risicomaatstaf worden gehanteerd.

3.  Instellingen tellen de in lid 2 bedoelde dagelijkse overschrijdingen in overeenstemming met het volgende:

a)  de back-testing op hypothetische veranderingen in de waarde van de portefeuille wordt gebaseerd op een vergelijking tussen de eindedagswaarde van de portefeuille en, uitgaande van ongewijzigde posities, de waarde van de portefeuille aan het einde van de daaropvolgende dag;

b)  de back-testing op werkelijke veranderingen in de waarde van de portefeuille wordt gebaseerd op een vergelijking tussen de eindedagswaarde van de portefeuille en de werkelijke waarde van de portefeuille aan het einde van de daaropvolgende dag, exclusief vergoedingen, commissies en nettorentebaten;

c)  voor elke dag waarop de instelling niet in staat is de waarde van de portefeuille te beoordelen of de in lid 1 bedoelde VaR-waarde te berekenen, wordt een overschrijding geteld.

4.  De in artikel 325 quinquinquagies bedoelde vermenigvuldigingsfactor (mc) wordt overeenkomstig de leden 5 en 6 door een instelling berekend voor de portefeuille van alle posities die zijn toegeschreven aan tradingdesks waarvoor haar de in artikel 325 quaterquinquagies, lid 1, bedoelde toestemming is verleend. Deze berekening wordt ten minste maandelijks geactualiseerd.

5.  De vermenigvuldigingsfactor (mc) is gelijk aan de som van 1,5 en een opslagfactor tussen 0 en 0,5 overeenkomstig tabel 3. Voor de in lid 4 bedoelde portefeuille wordt deze opslagfactor berekend op basis van het aantal overschrijdingen gedurende de laatste 250 werkdagen dat de instelling bij de back-testing van de overeenkomstig punt a) van dit lid berekende VaR-waarde heeft geconstateerd, met inachtneming van het volgende:

a)  een overschrijding is een eendagsverandering in de waarde van de portefeuille die meer bedraagt dan de gerelateerde VaR-waarde die met inachtneming van de volgende vereisten aan de hand van het interne model van de instelling is berekend:

i)  er is een aanhoudingsperiode van één dag;

ii)  er is een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval van 99 %;

iii)  er zijn scenario's van toekomstige schokken van toepassing op de in artikel 325 unsexagies, lid 3, bedoelde risicofactoren van de posities van de tradingdesks welke overeenkomstig artikel 325 novoquinquagies als modelleerbaar worden aangemerkt;

iv)  de gebruikte gegevensinputs voor het bepalen van de scenario's van toekomstige schokken die op de modelleerbare risicofactoren worden toegepast, zijn geijkt aan de hand van historische gegevens uit de voorgaande periode van twaalf maanden. Deze gegevens worden ten minste maandelijks geactualiseerd;

v)  tenzij in dit artikel anders is bepaald, is het interne model van de instelling gebaseerd op dezelfde modelleringaannames als die welke voor de berekening van de in artikel 325 quinquinquagies, lid 1, onder a), bedoelde "expected shortfall"-risicomaatstaf worden gehanteerd;

b)  het aantal overschrijdingen is gelijk aan het aantal overschrijdingen bij hypothetische of het aantal overschrijdingen bij werkelijke veranderingen in de waarde van de portefeuille, waarbij het hoogste aantal in aanmerking wordt genomen;

c)  bij de telling van de dagelijkse overschrijdingen passen instellingen het bepaalde in lid 3 toe.

Tabel 3

Aantal overschrijdingen

Opslagfactor

Minder dan 5

0,00

5

0,20

6

0,26

7

0,33

8

0,38

9

0,42

Meer dan 9

0,50

7.  De bevoegde autoriteiten monitoren de geschiktheid van de in lid 4 bedoelde vermenigvuldigingsfactor of de inachtneming door een tradingdesk van de in lid 1 bedoelde back-testingvereisten. Instellingen stellen de bevoegde autoriteiten terstond, en in ieder geval binnen vijf werkdagen na het plaatsvinden van een overschrijding, in kennis van de uit hun back-testingprogramma resulterende overschrijdingen en leggen uit waarom deze overschrijdingen hebben plaatsgevonden.

8.  In afwijking van de leden 2 en 5 kunnen de bevoegde autoriteiten een instelling toestaan een overschrijding niet mee te tellen wanneer een eendagsverandering in de waarde van haar portefeuille meer bedraagt dan de gerelateerde, aan de hand van het interne model van de instelling berekende VaR-waarde en aan een niet-modelleerbare risicofactor is toe te schrijven. Daartoe toont de instelling aan de bevoegde autoriteiten aan dat de overeenkomstig 325 quinsexagies berekende stressscenariorisicomaatstaf voor deze niet-modelleerbare risicofactor hoger is dan het positieve verschil tussen de waarde van de portefeuille van de instelling en de gerelateerde VaR-waarde.

9.  De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de technische elementen die voor de toepassing van dit artikel in de werkelijke en hypothetische veranderingen in de waarde van de portefeuille van een instelling moeten worden opgenomen.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen binnen [zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd de in de eerste alinea bedoelde ontwerpen voor technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 325 unsexagiesVereiste inzake de toeschrijving van winsten en verliezen

1.  Voor een gegeven maand voldoet een tradingdesk van een instelling aan de vereisten inzake de P&L-toeschrijving voor de toepassing van artikel 325 quaterquinquagies, lid 1, wanneer de betrokken tradingdesk aan de vereisten van dit artikel voldoet.

2.  Het vereiste inzake de P&L-toeschrijving zorgt ervoor dat de op basis van het risicometingsmodel van de instelling bepaalde theoretische veranderingen in de waarde van een portefeuille van een tradingdesk dicht genoeg in de buurt liggen van de op basis van het prijsmodel van de instelling bepaalde hypothetische veranderingen in de waarde van de portefeuille van de tradingdesk.

3.  Wanneer een instelling aan het vereiste inzake de P&L-toeschrijving voldoet, leidt dit voor elke positie van een gegeven tradingdesk tot de vaststelling van een nauwkeurige lijst van risicofactoren die geschikt worden geacht voor de verificatie van de inachtneming door de instelling van het in artikel 325 sexagies neergelegde back-testingvereiste.

4.  De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

a)  de technische criteria die, in het licht van de internationale regelgevingsontwikkelingen, waarborgen dat de theoretische veranderingen in de waarde van een portefeuille van een tradingdesk dicht genoeg in de buurt liggen van de hypothetische veranderingen in de waarde van de portefeuille van de tradingdesk voor de toepassing van lid 2;

b)  de technische elementen die voor de toepassing van dit artikel in de theoretische en hypothetische veranderingen in de waarde van een portefeuille van een tradingdesk moeten worden opgenomen.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen binnen [zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd de in de eerste alinea bedoelde ontwerpen voor technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 325 duosexagiesVereisten inzake risicometing

1.  Instellingen die overeenkomstig artikel 325 quinquinquagies van een intern risicometingsmodel gebruikmaken om de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's te berekenen, zorgen ervoor dat dat model aan alle volgende vereisten voldoet:

a)  het interne risicometingsmodel bestrijkt een voldoende aantal risicofactoren, die ten minste de in hoofdstuk 1 bis, afdeling 3, onderafdeling 1, vermelde risicofactoren omvatten, tenzij de instelling aan de bevoegde autoriteiten kan aantonen dat het buiten beschouwing laten van deze risicofactoren geen wezenlijk effect heeft op de resultaten van het in artikel 325 unsexagies bedoelde vereiste inzake de P&L-toeschrijving. Een instelling kan aan de bevoegde autoriteiten uitleggen waarom zij wel in haar prijsmodel maar niet in haar interne risicometingsmodel een risicofactor heeft verwerkt;

b)  het interne risicometingsmodel bestrijkt zowel de niet-lineariteit van opties en andere producten als het correlatierisico en het basisrisico. De vervangende maatstaven die voor risicofactoren worden gehanteerd, hebben in het verleden bewezen adequaat te zijn voor de werkelijk aangehouden positie;

c)  het interne risicometingsmodel omvat een set van risicofactoren die corresponderen met de rentes voor elk van de valuta's waarin de instelling renterisicogevoelige posities binnen of buiten de balanstelling inneemt. De instelling modelleert de rendementscurves door middel van een van de algemeen aanvaarde benaderingen. Voor wezenlijke blootstellingen aan renterisico in de voornaamste valuta's en markten wordt de rendementscurve in ten minste zes looptijdsegmenten verdeeld om de variaties van de rentevolatiliteit in de rendementscurve weer te geven; het aantal risicofactoren dat wordt gehanteerd om de rendementscurve te modelleren, staat in verhouding tot de aard en complexiteit van de handelsstrategieën van de instelling.

d)  het interne risicometingsmodel omvat risicofactoren die corresponderen met goud en met de afzonderlijke vreemde valuta's waarin de posities van de instelling luiden. Voor icb's worden de werkelijke deviezenposities van de icb in aanmerking genomen. Instellingen mogen zich baseren op de rapportage van een derde partij over de deviezenposities van de icb, mits de deugdelijkheid van die rapportage naar behoren is aangetoond. Deviezenposities van een icb waarvan een instelling niet op de hoogte is, worden bij de interne modellenbenadering buiten beschouwing gelaten en overeenkomstig hoofdstuk 1 bis van deze titel behandeld;

e)  het interne risicometingsmodel gebruikt een afzonderlijke risicofactor voor ten minste elke aandelenmarkt waarop de instelling significante posities inneemt. De geavanceerdheid van de modelleringstechniek staat in verhouding tot de materialiteit van de activiteiten van de instellingen op de aandelenmarkten. Het model omvat ten minste één risicofactor die systemische bewegingen in aandelenkoersen en de afhankelijkheid van die risicofactor ten opzichte van de individuele risicofactoren voor elke aandelenmarkt weergeeft. Voor wezenlijke blootstellingen ten aanzien van aandelenmarkten omvat het model ten minste één idiosyncratische risicofactor voor elke blootstelling in de vorm van aandelen;

f)  het interne risicometingsmodel gebruikt een afzonderlijke risicofactor voor ten minste elke grondstof waarin de instelling significante posities inneemt, tenzij de instelling een kleine geaggregeerde grondstoffenpositie heeft in vergelijking met al haar handelsactiviteiten; in dat geval is een afzonderlijke risicofactor voor elk breed type grondstof aanvaardbaar. Voor wezenlijke blootstellingen met betrekking tot grondstoffenmarkten bestrijkt het model het risico van niet-perfect gecorreleerde bewegingen van vergelijkbare, doch niet identieke grondstoffen, de blootstelling aan uit looptijdmismatches voortvloeiende veranderingen in termijnkoersen en de convenience yield tussen derivaten en contante posities;

g)  vervangende gegevens zijn voldoende conservatief en worden, ook tijdens de stressperiode, alleen gebruikt als de beschikbare gegevens ontoereikend zijn;

h)  voor wezenlijke blootstellingen aan volatiliteitsrisico's verbonden aan instrumenten met optionaliteit geeft het interne risicometingsmodel de afhankelijkheid van impliciete volatiliteiten tussen uitoefenprijzen en looptijden van opties weer.

2.  Instellingen mogen binnen brede risicofactorcategorieën en, voor de berekening van de in artikel 325 sexquinquagies, lid 1, bedoelde "unconstrained expected shortfall"-maatstaf , tussen brede risicofactorcategorieën empirische correlaties hanteren, doch uitsluitend indien de door de instelling gevolgde benadering voor het meten van de correlaties solide is, consistent is met de toepasselijke liquiditeitshorizons en op deugdelijke wijze wordt toegepast.

Artikel 325 tersexagiesKwalitatieve vereisten

1.  De voor de toepassing van dit hoofdstuk gebruikte interne risicometingsmodellen zijn solide qua concept, worden op deugdelijke wijze toegepast en voldoen aan elk van de volgende kwalitatieve vereisten:

a)  interne risicometingsmodellen die voor de berekening van de kapitaalvereisten voor marktrisico's worden gebruikt, zijn in hoge mate geïntegreerd in het dagelijkse risicobeheerproces van de instelling en dienen als basis voor het rapporteren van risicoblootstellingen aan de directie;

b)  een instelling heeft een afdeling risicobeheersing, die onafhankelijk is van de handelsafdelingen en die rechtstreeks rapporteert aan de directie. Deze afdeling is belast met het ontwerpen en implementeren van alle interne risicometingsmodellen. Deze afdeling verricht de initiële en voortdurende validatie van de voor de toepassing van dit hoofdstuk gebruikte interne modellen en is verantwoordelijk voor het algemene risicobeheersysteem. Deze afdeling produceert en analyseert dagelijks rapporten over de output van de voor de berekening van de kapitaalvereisten voor marktrisico's gehanteerde interne modellen en over de inzake transactielimieten te nemen passende maatregelen;

c)  het leidinggevend orgaan en de directie van de instelling zijn actief bij het risicobeheersingsproces betrokken; de door de afdeling risicobeheersing opgestelde dagelijkse rapporten worden getoetst door een directie-echelon dat voldoende gezag heeft om zowel verminderingen van de door individuele handelaren ingenomen posities als verminderingen in de totale risicoblootstelling van de instelling af te dwingen;

d)  de instelling beschikt over voldoende personeel waarvan het opleidingsniveau aansluit bij de geavanceerdheid van de interne risicometingsmodellen, en dat onderlegd is op de gebieden handel, risicobeheersing, accountantscontrole en administratieve verwerking;

e)  de instelling beschikt over een in documentatie vastgelegde reeks interne beleidslijnen, procedures en controles voor het bewaken en waarborgen van de overeenstemming van alle interne risicometingsmodellen met de algemene activiteiten;

f)  de interne risicometingsmodellen zijn in het verleden redelijk accuraat gebleken bij het meten van risico's;

g)  de instelling voert frequent een stringent programma van stresstests uit, met inbegrip van reverse stresstests, dat ook alle interne risicometingsmodellen omvat. De uitkomsten van deze stresstests worden ten minste maandelijks door de directie getoetst en stroken met de beleidslijnen en limieten die door het leidinggevend orgaan van de instelling zijn goedgekeurd. De instelling neemt passende maatregelen wanneer de resultaten van deze stresstests duiden op buitensporige verliezen die onder bepaalde omstandigheden uit de handelsactiviteiten van de instelling voortvloeien;

h)  de instelling verricht ten genoegen van de bevoegde autoriteiten een onafhankelijke toetsing van alle interne risicometingsmodellen, ofwel als onderdeel van haar periodieke interne auditproces, ofwel door een derde onderneming opdracht te geven die toetsing te verrichten.

Voor de toepassing van punt h) wordt onder derde onderneming een onderneming verstaan die audit- of adviesdiensten ten behoeve van instellingen verricht en die beschikt over personeel dat voldoende gekwalificeerd is op het gebied van de marktrisico's die aan handelsactiviteiten verbonden zijn.

2.  De in lid 1, punt h), bedoelde toetsing heeft betrekking op zowel de activiteiten van de handelsafdelingen als de activiteiten van de onafhankelijke afdeling risicobeheersing. Ten minste eenmaal per jaar verricht de instelling een toetsing van haar algehele risicobeheerproces. Bij deze toetsing worden de volgende elementen beoordeeld:

a)  de adequaatheid van de documentatie over het risicobeheersysteem en -proces en van de organisatie van de afdeling risicobeheersing;

b)  de integratie van risicomaatstaven in het dagelijkse risicobeheer en de deugdelijkheid van het beheersinformatiesysteem;

c)  de processen die de instelling toepast voor het fiatteren van de risicowaarderingsmodellen en waarderingssystemen die door het personeel in de handelsafdelingen en de afdeling administratieve verwerking worden gebruikt;

d)  de omvang van de risico's die door het model worden bestreken, de nauwkeurigheid en adequaatheid van het risicometingssysteem, en de validering van significante veranderingen in het interne risicometingsmodel;

e)  de juistheid en volledigheid van positiegegevens, de juistheid en adequaatheid van aannames over volatiliteit en correlaties, de juistheid van waarderings- en risicogevoeligheidsberekeningen en de nauwkeurigheid en geschiktheid voor het genereren van vervangende gegevens ingeval de beschikbare gegevens niet volstaan om aan de in dit hoofdstuk vastgelegde vereisten te voldoen;

f)  het verificatieproces dat de instelling hanteert ter beoordeling van de consistentie, tijdigheid en betrouwbaarheid van de gegevensbronnen die voor haar interne risicometingsmodellen worden gebruikt, alsmede van de onafhankelijkheid van deze gegevensbronnen;

g)  het verificatieproces dat de instelling hanteert ter beoordeling van de back-testingvereisten en van het vereiste inzake de P&L-toeschrijving teneinde de nauwkeurigheid van de interne risicometingsmodellen te toetsen;

h)  ingeval de toetsing overeenkomstig lid 1, onder h), door een derde onderneming wordt verricht, de verificatie of het in artikel 325 quatersexagies beschreven interne validatieproces zijn doelstellingen realiseert.

3.  Instellingen actualiseren de technieken en praktijken die zij voor de voor de toepassing van dit hoofdstuk gehanteerde interne risicometingsmodellen gebruiken om deze in overeenstemming te brengen met de evolutie van nieuwe technieken en beste praktijken die zich met betrekking tot deze interne risicometingsmodellen ontwikkelen.

Artikel 325 quatersexagiesInterne validatie

1.  Instellingen beschikken over processen om te waarborgen dat alle interne risicometingsmodellen die voor de toepassing van dit hoofdstuk worden gebruikt, op adequate wijze zijn gevalideerd door voldoende gekwalificeerde partijen die niet bij het ontwikkelingsproces betrokken zijn geweest, zodat dergelijke modellen solide zijn qua concept en op adequate wijze met alle wezenlijke risico's rekening houden.

2.  Instellingen verrichten de in lid 1 bedoelde validatie in de volgende omstandigheden:

a)  wanneer een intern risicometingsmodel voor het eerst wordt ontwikkeld en wanneer er significante veranderingen in het model worden aangebracht;

b)  periodiek en vooral wanneer de markt significante structurele veranderingen of de samenstelling van de portefeuille veranderingen heeft ondergaan die ertoe kunnen leiden dat het interne risicometingsmodel niet langer adequaat is.

3.  De validatie van een intern risicometingsmodel van een instelling blijft niet beperkt tot de back-testingvereisten en de vereisten inzake de P&L-toeschrijving, maar omvat ten minste ook de volgende aspecten:

a)  tests om na te gaan of de in het kader van het interne model gehanteerde aannames passend zijn en het risico niet onder- of overschatten;

b) eigen tests voor de validatie van het interne model, met inbegrip van back-testing naast de wettelijk vereiste back-testingprogramma's, die betrekking hebben op de risico’s en structuur van hun portefeuilles;

c)  gebruik van hypothetische portefeuilles om er zeker van te zijn dat het interne risicometingsmodel in staat is rekening te houden met welbepaalde structurele kenmerken die zich kunnen voordoen, zoals wezenlijke basisrisico’s en concentratierisico of de risico's die aan het gebruik van vervangende gegevens verbonden zijn.

Artikel 325 quinsexagiesBerekening van de stressscenariorisicomaatstaf

1.  Op het tijdstip t berekent een instelling de stressscenariorisicomaatstaf voor alle niet-modelleerbare risicofactoren van de handelsportefeuilleposities van een gegeven portefeuille als volgt:

waarbij:

m    =  de index die alle niet-modelleerbare risicofactoren aangeeft van de

portefeuilleposities waaraan een idiosyncratisch risico verbonden is dat overeenkomstig artikel 325 octoquinquagies, lid 1, naar de brede creditspreadrisicofactorcategorie is gemapt en waarvoor de instelling ten genoegen van de bevoegde autoriteiten heeft aangetoond dat deze risicofactoren niet gecorreleerd zijn;

l    =  de index die alle andere niet-modelleerbare risicofactoren van de portefeuilleposities aangeeft dan die welke door de index "m" worden aangegeven;

ICSStm   =   de overeenkomstig de leden 2 en 3 bepaalde stressscenariorisicomaatstaf van de niet-modelleerbare risicofactor "l";

SStl    =  de overeenkomstig de leden 2 en 3 bepaalde stressscenariorisicomaatstaf van de niet-modelleerbare risicofactor "l";

2.  De stressscenariorisicomaatstaf van een gegeven niet-modelleerbare risicofactor is het verlies dat wordt geleden op alle handelsportefeuilleposities van de portefeuille die deze niet-modelleerbare risicofactor omvat, wanneer op die risicofactor een extreem scenario van toekomstige schokken wordt toegepast.

3.  Instellingen bepalen ten genoegen van de bevoegde autoriteiten passende extreme scenario's van toekomstige schokken voor alle niet-modelleerbare risicofactoren.

4.  De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

a)  de wijze waarop instellingen het op niet-modelleerbare risicofactoren extreme scenario van toekomstige schokken moeten bepalen en de wijze waarop zij dat extreme scenario van toekomstige schokken op deze risicofactoren moeten toepassen;

b)  een wettelijk extreem scenario van toekomstige schokken voor elke in tabel 2 van artikel 325 octoquinquagies vermelde brede risicofactorsubcategorie, dat instellingen mogen gebruiken wanneer zij geen extreem scenario van toekomstige schokken kunnen bepalen in overeenstemming met punt a), of dat de bevoegde autoriteiten instellingen kunnen verplichten toe te passen wanneer zij niet tevreden zijn met het door de instelling bepaalde extreme scenario van toekomstige schokken.

Bij de ontwikkeling van die ontwerpen van technische reguleringsnormen houdt de EBA ermee rekening dat het niveau van de eigenvermogensvereisten voor het marktrisico van een niet-modelleerbare risicofactor als beschreven in dit artikel, even hoog moet zijn als het niveau van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's die overeenkomstig dit hoofdstuk zouden zijn berekend, mocht deze risicofactor modelleerbaar zijn geweest.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen binnen [zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd de in de eerste alinea bedoelde ontwerpen voor technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Afdeling 2INTERN WANBETALINGSRISICOMODEL

Artikel 325 sexsexagiesWerkingssfeer van het interne wanbetalingsrisicomodel

5.  Voor alle posities van de instelling die zijn toegeschreven aan tradingdesks waarvoor aan de instelling de in artikel 325 quaterquinquagies, lid 1, bedoelde toestemming is verleend, geldt een eigenvermogensvereiste voor het wanbetalingsrisico ingeval de posities overeenkomstig artikel 325 octoquinquagies, lid 1, ten minste naar één van de brede risicocategorieën "aandelen" of "creditspread" zijn gemapt. Dat eigenvermogensvereiste, dat bovenop het in artikel 325 quinquinquagies, lid 1, bedoelde eigenvermogensvereiste komt, wordt berekend met behulp van het interne wanbetalingsrisicomodel dat aan de vereisten van deze afdeling voldoet.

6.  Voor elk van de in lid 1 bedoelde posities is er één uitgevende instelling van verhandelbare schuld- of aandeleninstrumenten waarop ten minste één risicofactor betrekking heeft.

Artikel 325 septsexagiesToestemming voor het gebruiken van een intern wanbetalingsrisicomodel

1.  De bevoegde autoriteiten verlenen een instelling toestemming voor het gebruiken van een intern wanbetalingsrisicomodel om de in artikel 325 quinquinquagies, lid2, bedoelde eigenvermogensvereisten te berekenen voor alle in artikel 325 sexsexagies bedoelde handelsportefeuilleposities die aan een gegeven tradingdesk zijn toegewezen, mits het interne wanbetalingsrisicomodel voor die tradingdesk aan de artikelen 325 octosexagies, 325 novosexagies, 325 septuagies, 325 tersexagies en 325 quatersexagies voldoet.

2.  Binnen [twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening] vaardigt de EBA richtsnoeren uit betreffende de vereisten van de artikelen 325 octosexagies, 325 novosexagies en 325 septuagies.

3.  Indien de tradingdesk van een instelling waaraan ten minste één van de in artikel 325 sexsexagies bedoelde handelsportefeuilleposities is toegewezen, niet aan de vereisten van lid 1 voldoet, worden de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's van alle posities van deze tradingdesk berekend volgens de in hoofdstuk 1 bis beschreven benadering.

Artikel 325 octosexagiesEigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico volgens een intern wanbetalingsrisicomodel

1.  Voor de portefeuille van alle in artikel 325 sexsexagies bedoelde posities berekenen instellingen op de volgende wijze de eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico met behulp van een intern wanbetalingsrisicomodel:

a)  de eigenvermogensvereisten zijn gelijk aan een VaR-waarde die potentiële verliezen in de marktwaarde van de portefeuille meet die zijn veroorzaakt door het in gebreke blijven van de uitgevende instellingen waarop deze posities betrekking hebben, met een betrouwbaarheidsinterval van 99,9 % over een tijdshorizon van één jaar;

b)  het onder a) bedoelde potentiële verlies is een direct of indirect verlies op de marktwaarde van een positie dat wordt veroorzaakt door het in gebreke blijven van de uitgevende instellingen, en dat bovenop de verliezen komt waarmee reeds bij de actuele waardering van de positie rekening is gehouden. De wanbetaling van de uitgevende instellingen van aandelenposities wordt weergegeven door het dalen van de aandelenkoersen van de uitgevende instellingen tot nul;

c)  instellingen bepalen wanbetalingscorrelaties tussen verschillende uitgevende instellingen op basis van een conceptueel solide methode en aan de hand van objectieve historische gegevens van marktconforme creditspreads en aandelenkoersen die betrekking hebben op een periode van ten minste 10 jaar die ook de overeenkomstig artikel 325 septquinquagies, lid 2, door de instelling bepaalde stressperiode omvat. De berekening van wanbetalingscorrelaties tussen verschillende uitgevende instellingen is geijkt aan de hand van een tijdshorizon van één jaar;

d)  het interne wanbetalingsrisicomodel is gebaseerd op de aanname dat de positie over de tijdshorizon van één jaar constant blijft.

2.  Instellingen berekenen ten minste wekelijks het eigenvermogensvereiste voor het wanbetalingsrisico met behulp van een in lid 1 bedoeld intern wanbetalingsrisicomodel.

3.  In afwijking van lid 1, onder a) en c), mag een instelling voor de berekening van het wanbetalingsrisico van aandelenposities de tijdshorizon van een jaar vervangen door een tijdshorizon van zestig dagen; in dat geval is de berekening van de wanbetalingscorrelaties tussen aandelenkoersen en van de kansen op wanbetaling consistent met een tijdshorizon van zestig dagen en is de berekening van de wanbetalingscorrelaties tussen aandelenkoersen en obligatiekoersen consistent met een tijdshorizon van een jaar.

Artikel 325 novosexagiesInaanmerkingneming van afdekkingen in een intern wanbetalingsrisicomodel

1.  Instellingen mogen afdekkingen in hun interne wanbetalingsriscomodel verwerken en zij mogen posities verrekenen als de long- en shortposities op hetzelfde financiële instrument betrekking hebben.

2.  Instellingen mogen in hun interne wanbetalingsrisicomodel enkel rekening houden met de impact van afdekking of diversificatie in verband met long- en shortposities die op verschillende instrumenten of verschillende effecten van dezelfde debiteur betrekking hebben, dan wel in verband met long- en shortposities ten aanzien van verschillende uitgevende instellingen, door de bruto long- en shortposities in de verschillende instrumenten uitdrukkelijk te modelleren, waarbij ook de basisrisico's tussen verschillende uitgevende instellingen worden gemodelleerd.

3.  Instellingen geven in hun interne wanbetalingsrisicomodel wezenlijke risico's weer die zich tussen de vervaldag van het afdekkingsinstrument en het einde van de tijdshorizon van één jaar zouden kunnen voordoen, alsook de kans op significante basisrisico's in de afdekkingsstrategieën, naar product, rangorde in de kapitaalstructuur, interne of externe rating, looptijd, emissiedatum en andere verschillen in hun instrumenten. Instellingen nemen een afdekkingsinstrument alleen in aanmerking voor zover het ook kan worden aangehouden als een met de debiteur verband houdende krediet- of andere gebeurtenis nadert.

Artikel 325 septuagiesBijzondere vereisten voor een intern wanbetalingsrisicomodel

1.  Met behulp van het in artikel 325 septsexagies, lid 1, bedoelde interne wanbetalingsrisicomodel kan zowel de wanbetaling van individuele uitgevende instellingen als de gelijktijdige wanbeta