Procedure : 2018/2024(BUD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0247/2018

Ingediende teksten :

A8-0247/2018

Debatten :

PV 04/07/2018 - 19
CRE 04/07/2018 - 19

Stemmingen :

PV 05/07/2018 - 6.11
CRE 05/07/2018 - 6.11
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0311

VERSLAG     
PDF 869kWORD 137k
2.7.2018
PE 623.666v02-00 A8-0000/2018

over het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2019

(2018/2024(BUD))

Begrotingscommissie

Rapporteur: Daniele Viotti

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 BIJLAGE: GEZAMENLIJKE VERKLARING OVER DE DATA VOOR DE BEGROTINGSPROCEDURE EN REGELS VOOR DE WERKING VAN HET BEMIDDELINGSCOMITÉ IN 2018
 ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken
 ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling
 ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs
 ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid
 BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE BUITENLANDSE ZAKEN
 BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE INTERNATIONALE HANDEL
 BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE BEGROTINGSCONTROLE
 BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE MILIEUBEHEER, VOLKSGEZONDHEID EN VOEDSELVEILIGHEID
 BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE INDUSTRIE, ONDERZOEK EN ENERGIE
 BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE INTERNE MARKT EN CONSUMENTENBESCHERMING
 BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE VISSERIJ
 BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE BURGERLIJKE VRIJHEDEN, JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN
 BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE CONSTITUTIONELE ZAKEN
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2019

(2018/2024(BUD))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2019, goedgekeurd door de Commissie op 23 mei 2018 (COM(2018)0600),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(1),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en de latere wijziging daarvan bij Verordening (EU, Euratom) 2017/1123 van de Raad van 20 juni 2017(3),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4),

–  gezien zijn resolutie van 15 maart 2018 over de algemene richtsnoeren voor de voorbereiding van de begroting 2019, afdeling III – Commissie(5),

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 februari 2018 over de begrotingsrichtsnoeren voor 2019 (06315/2018),

–  gezien artikel 86 bis van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8‑0247/2018),

Ontwerpbegroting 2019 – de solidariteit versterken en de weg bereiden voor een duurzame toekomst

1.  herinnert eraan dat het in zijn resolutie van 15 maart 2018 de volgende prioriteiten voor de EU-begroting voor 2019 heeft aangemerkt: duurzame groei, innovatie, concurrentievermogen, veiligheid, de strijd tegen klimaatverandering en de transitie naar hernieuwbare energie, alsook migratie; herinnert eraan dat het tevens heeft gepleit voor specifieke aandacht voor jongeren;

2.  herinnert eraan dat de onderhandelingen over de EU-begroting voor 2019 de laatste zullen zijn tijdens de huidige zittingsperiode van het Parlement en zullen samenvallen met de onderhandelingen over het volgende meerjarig financieel kader (MFK) en de hervorming van de eigen middelen van de EU; herinnert er ook aan dat het VK heeft toegezegd te zullen bijdragen en deelnemen aan de uitvoering van de jaarlijkse begrotingen van de Unie voor 2019 en 2020 alsof het na maart 2019 nog steeds lid van de Unie was;

3.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie en is van mening dat het in grote lijnen overeenkomt met de prioriteiten van het Parlement; is voornemens belangrijke programma's te versterken en dienovereenkomstig een passend niveau van financiering te waarborgen; neemt kennis van de stijging van 3,1 % in vastleggingskredieten en het lagere percentage van het bni ten opzichte van 2018 voor zowel de vastleggingskredieten (1 % tegenover 1,02 %) als de betalingskredieten (0,9 % tegenover 0,92 %);

4.  is ingenomen met de voorgestelde verhogingen voor Horizon 2020, de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF), Erasmus + en programma's die bijdragen aan meer veiligheid voor de EU-burgers; wijst er echter op dat de steun voor kmo's, die essentieel zijn om economische groei en nieuwe banen tot stand te brengen, verder moet worden verhoogd en dat er passende middelen moeten worden uitgetrokken die specifiek bestemd zijn voor de digitalisering van de industrie in de EU en de bevordering van digitale vaardigheden en digitaal ondernemerschap, alsook voor programma's ter ondersteuning van jongeren, meer bepaald ErasmusPro; herhaalt ervan overtuigd te zijn dat de begroting van Erasmus+ voor 2019 ten minste moet worden verdubbeld;

5.  betreurt dat de stijging voor het programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen (Cosme) in vergelijking met de begroting voor 2018 slechts 2,3 % bedraagt (362,2 miljoen EUR in vastleggingskredieten), en dat de voorgestelde betalingskredieten 0,6 % lager liggen; wijst erop dat het om een succesvol programma gaat waarvoor het aantal kandidaten groter is dan het aantal ontvangers van financiering; benadrukt dat kmo's een belangrijke motor voor werkgelegenheid, economische groei en concurrentievermogen in de EU zijn, de ruggengraat van de Europese economie vormen en in staat zijn groei en banen te creëren; dringt erop aan dat dit bij wijze van topprioriteit wordt weerspiegeld in de hoeveelheid middelen die wordt toegewezen aan kmo-programma's en een verdere stijging van de kredieten voor Cosme, gezien het succes van dit programma;

6.  prijst de rol van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) bij het verkleinen van de investeringskloof in de EU; dringt in het kader van een optimaal evenwicht binnen de regio's en de sectoren aan op een versterking van de sociale dimensie van het gebruik van het EFSI, onder meer op het gebied van innovatie in de gezondheidszorg en geneeskunde, sociale infrastructuur, milieubescherming, duurzaam vervoer, hernieuwbare energie en infrastructuur voor energieopslag; herhaalt zijn aloude standpunt dat alle nieuwe initiatieven binnen het MFK moeten worden gefinancierd met nieuwe kredieten en niet ten koste mogen gaan van de bestaande programma's; herhaalt tevens dat het vasthoudt aan een versterking van Horizon 2020 en de CEF, zodat de bezuinigingen op die programma's om de uitbreiding van het EFSI te financieren zoveel mogelijk worden teruggedraaid in de begroting voor 2019;

7.  neemt kennis van het engagement voor een vernieuwde defensieagenda van de EU, met name door het akkoord over een industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie (European Defence Industrial Development Programme, EDIDP), als eerste fase van het Europees Defensiefonds; is van mening dat dit gemeenschappelijk engagement zal bijdragen aan het realiseren van schaalvoordelen en een betere coördinatie tussen lidstaten en bedrijven, zodat de EU haar strategische autonomie kan behouden en een echte mondiale speler kan worden;

8.  merkt op dat de Commissie een verhoging heeft voorgesteld voor het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI) van 233 miljoen EUR, overeenkomstig de financiële programmering; herhaalt nogmaals dat het Parlement niet heeft ingestemd met enige frontloading in verband met de aanvullende middelen voor 2018-2020 als gevolg van de tussentijdse evaluatie van het MFK; blijft erbij dat de begrotingsautoriteit ten volle haar prerogatieven behoudt met betrekking tot het vaststellen van het financieringsniveau van alle programma's, met inbegrip van de programma's die aan bod zijn gekomen in de tussentijdse evaluatie van het MFK; benadrukt het belang van loyale samenwerking tussen de instellingen en verzoekt alle betrokken partijen het vertrouwen te behouden gedurende de hele begrotingsprocedure 2019;

9.  blijft zich inzetten voor de bestrijding van de werkloosheid, met name de jeugdwerkloosheid; is in verband hiermee van mening dat het YEI verder moet worden versterkt en dat dit strookt met de noodzaak om meer EU-financiering uit te trekken voor de verwezenlijking van de Europese pijler van sociale rechten, ondanks de complexiteit die gepaard gaat met een herprogrammering van de YEI- en ESF-programma's in geval van wijzigingen in de middelen voor het YEI; beseft dat de jeugdwerkloosheid niet in de hele EU adequaat is aangepakt, met een jeugdwerkloosheid die nog steeds hoger ligt dan in 2007; verzoekt de Commissie te waarborgen dat de lidstaten in hun strijd tegen de jeugdwerkloosheid hun eigen beleid en financiering niet vervangen door YEI-financiering, maar deze middelen eerder gebruiken als aanvulling; benadrukt dat zowel het beroepsonderwijs als leerlingplaatsen efficiënte praktijken zijn om de jeugdwerkloosheid aan te pakken; benadrukt dat dankzij de mobiliteit in het kader van ErasmusPro sterk wordt aangezet tot benchmarking om optimale praktijken toe te passen;

10.  benadrukt dat de cohesiebeleidsprogramma's in 2019 op kruissnelheid zullen zijn en onderstreept zijn vaste voornemen om voor gepaste kredieten voor deze programma's te zorgen; is verheugd over het feit dat bijna alle beheersautoriteiten voor de programma's van de periode 2014-2020 nu zijn aangewezen; wijst erop dat de onaanvaardbare vertragingen bij de tenuitvoerlegging van operationele programma's in grote mate te wijten waren aan de late aanwijzing van deze autoriteiten; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de tenuitvoerlegging van de programma's versneld wordt om de achterstand weg te werken en hiervoor een beroep te doen op hulp van de Commissie;

11.  neemt kennis van de verslagen over de werking van het cohesiebeleid in de Unie en de economische uitdagingen waarmee achterstandgebieden worden geconfronteerd, waarin steeds weer wordt gewezen op tekortkomingen wat de doelmatigheid en de resultaten betreft;

12.  stelt vast dat het voorstel van de Commissie het mogelijk zou maken in 2019 het streefdoel te verwezenlijken dat 20 % van de begroting wordt besteed aan klimaatgerelateerde uitgaven; betreurt evenwel dat de Commissie geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van het Parlement inzake compensatie van de lagere toewijzingen tijdens de eerste jaren van het MFK; is van mening dat dit voorstel tekortschiet, omdat in totaal slechts 19,3 % van de EU-begroting voor 2014-2020 zal worden besteed aan klimaatgerelateerde maatregelen waardoor de EU haar streefdoel niet zal halen om in de periode 2014-2020 een klimaatmainstreaming van ten minste 20 % te realiseren, temeer indien ze in 2020 opnieuw slechts 20 % van de begroting toewijst aan klimaatbescherming; betreurt dat de Commissie er niet in is geslaagd ontwerpbegrotingen voor te leggen die zijn afgestemd op de toezeggingen en streefdoelen van de Unie op dit gebied als genoemd in de conclusies van de Europese Raad van 7-8 februari 2013; is van mening dat meer moet worden ondernomen door een actieplan uit te werken binnen programma's met een groot potentieel, zoals Horizon 2020, de CEF, het ESF, het ELGF, het Elfpo, het EFMZV of LIFE+, aangezien met deze programma's met name kan worden geïnvesteerd in energie-efficiëntie en hernieuwbare energie; wijst nogmaals op de onderbouwde kritiek van de Rekenkamer met betrekking tot de door de Commissie toegepaste methodiek en vraagt om spoedige verbeteringen in dit licht en in dit verband;

13.  is ingenomen met de toezegging van de Commissie om de methode voor het traceren van biodiversiteitsgerelateerde uitgaven te verbeteren; spreekt evenwel zijn afkeuring uit over de voorgestelde verlaging van de totale bijdrage aan de bescherming van de biodiversiteit tot 8,2 %, wat in strijd is met de doelstelling om in 2020 het verlies aan biodiversiteit en ecosysteemdiensten tot staan te brengen en om te buigen;

14.  is van mening dat het waarborgen van de veiligheid van de burgers van de Unie en het aanpakken van de migratie- en vluchtelingenproblematiek de twee belangrijkste prioriteiten van de Unie blijven in 2019; acht het van cruciaal belang het niveau van de uitgaven op deze gebieden in stand te houden, zodat er voldoende middelen zijn om te beantwoorden aan de behoeften die op het Afrikaanse continent zijn ontstaan als gevolg van de migratie- en vluchtelingencrisis, met name in de Sahel, alsook in de landen van de Levant en het Middellandse Zeegebied; is van mening dat in de EU-begroting rekening moet worden gehouden met de noodzakelijke solidariteit tussen de lidstaten bij het beheer van de migratiestroom, met name zodra de herziene Dublinverordening wordt vastgesteld; neemt er nota van dat in de ontwerpbegroting 2019 de budgettaire gevolgen van het Commissievoorstel zijn opgenomen;

15.  benadrukt dat diverse belangrijke wetgevingsinitiatieven waarover wordt onderhandeld of die zich in de eerste uitvoeringsfasen bevinden, zoals de herziening van de Dublinverordening, de instelling van het inreis-uitreissysteem en het Europees systeem voor reisinformatie en -autorisatie, de modernisering van het Schengeninformatiesysteem en het initiatief inzake interoperabiliteit van de informatiesystemen van de EU voor veiligheid, grensbeheer en migratiebeheer, naar verwachting aanzienlijke budgettaire gevolgen zullen hebben voor de begroting 2019 en onderstreept dat het belangrijk is te beschikken over een passend financieringsniveau om de ambities van de Unie op deze gebieden te kunnen waarmaken; moedigt de Commissie aan om in verband met bovenstaande initiatieven een open, proactieve dialoog aan te gaan met de begrotingsautoriteit om die in staat te stellen waar nodig kredieten te wijzigen, en zonder tijdens de jaarlijkse begrotingsprocedure op de uitkomst van de lopende wetgevingsprocedures vooruit te lopen;

16.  betreurt het voorstel van de Commissie voor de financiering van de tweede tranche van de Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije (FRT); steunt de voortzetting van de FRT, maar is van mening dat, zoals eveneens werd voorgesteld door de Commissie op 14 maart 2018, de EU-begroting moet bijdragen tot de financiering hiervan tot een bedrag van 1 miljard EUR, terwijl de lidstaten moeten instaan voor 2 miljard EUR door middel van bilaterale bijdragen, zodat in de bijzondere instrumenten van het MFK toereikende marges overblijven voor onvoorziene gebeurtenissen in de laatste twee jaar van het huidige MFK en de financiering van andere prioriteiten; is voorts van mening dat de FRT moet worden gefinancierd met nieuwe kredieten, aangezien het om een nieuw initiatief binnen dit MFK gaat; betreurt dat er tot nog toe tussen het Parlement en de Raad geen onderhandelingen hebben plaatsgevonden over de financiering van de tweede tranche van de FRT, ondanks het duidelijke verzoek van het Parlement om volledig te worden betrokken bij het besluitvormingsproces inzake de uitbreiding van de faciliteit, onder andere om een herhaling van de procedure voor de instelling ervan te voorkomen; deelt de lidstaten mee dat het Parlement alle recht heeft zijn rol als tak van de begrotingsautoriteit van de Unie te vervullen en dat dit ook het geval zal zijn, zoals reeds bij eerdere gelegenheden is aangekondigd; betreurt dat de Raad er tot nu toe niet in is geslaagd om tot een gemeenschappelijk standpunt over de financiering van de FRT te komen, ondanks de humanitaire urgentie;

17.  merkt op dat in de ontwerpbegroting voor 2019 geen marge of zeer beperkte marges overblijven onder de maxima van het MFK in de rubrieken 1a, 1b, 3 en 4, als gevolg van de geringe flexibiliteit van het huidige MFK wat betreft het reageren op nieuwe uitdagingen en het onderbrengen van nieuwe initiatieven; spreekt zijn voornemen uit om in het herziene MFK meer middelen uit de flexibiliteitsbepalingen in te zetten als onderdeel van het wijzigingsproces;

18.  blijft bezorgd over een mogelijke nieuwe ophoping van onbetaalde rekeningen aan het eind van de huidige MFK-periode; wijst op de bescheiden verhoging van de betalingskredieten met 2,7 % ten opzichte van de begroting 2018, voornamelijk als gevolg van het AMIF, het ISF en de FRT; neemt kennis van de voorgestelde marge van 19,3 miljard EUR onder het maximum van de betalingskredieten; verzoekt de Commissie waakzaam te blijven ten aanzien van de ontwikkeling van de betalingen, om de begrotingsautoriteit in staat te stellen de nodige maatregelen te nemen om een abnormale achterstand tijdig te voorkomen; is ervan overtuigd dat de geloofwaardigheid van de EU voor een deel afhangt van haar capaciteit om voor een niveau van betalingskredieten in de EU-begroting te zorgen dat hoog genoeg is om haar verbintenissen na te komen;

Rubriek 1a – Concurrentievermogen voor groei en banen

19.  merkt op dat het voorstel van de Commissie voor 2019 in vergelijking met 2018 overeenkomt met een verhoging van de vastleggingskredieten in rubriek 1a met +3,9 %, tot 22 860 miljoen EUR; merkt op dat Horizon 2020, de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, grote infrastructuurprojecten en Erasmus+ goed zijn voor een belangrijk deel van deze verhoging, aangezien de vastleggingskredieten ervan respectievelijk zijn toegenomen met 8,5 %, 36,4 %, 7,8 % en 10,4 %; onderstreept evenwel dat deze verhogingen grotendeels overeenkomen met de financiële programmering en dus geen bijkomende verhogingen zijn;

20.  wijst er nogmaals op dat programma's voor onderzoek en innovatie, zoals Horizon 2020, van essentieel belang zijn voor het creëren van banen en concurrentievermogen binnen Europa; dringt er bij de Commissie op aan dit in haar prioriteiten tot uiting te laten komen; verzoekt om voldoende financiering voor programma's met betrekking tot onderzoek en innovatie; benadrukt dat vooral de lidstaten met economische en financiële moeilijkheden ondersteuning moeten krijgen op dit gebied;

21.  herinnert eraan dat nieuwe initiatieven in de afgelopen jaren, zoals het EFSI (I en II), Wifi4EU en het industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie (EDIDP), ten koste zijn gegaan van de middelen voor diverse programma's in subrubriek 1a, die zwaar getroffen zijn door herschikkingen, met name Horizon 2020, de CEF, Galileo, ITER, Copernicus en Egnos;

22.  benadrukt dat Erasmus + nog steeds het belangrijkste programma is om de mobiliteit van jongeren op alle niveaus van onderwijs en beroepsopleiding te stimuleren en jongeren aan te moedigen deel te nemen aan de Europese democratie; herinnert eraan dat er administratieve inspanningen moeten worden gedaan om de toegang tot Erasmus+ te verhogen en dat de huidige begroting bij lange na niet toereikend is om tegemoet te kunnen komen aan alle in aanmerking komende aanvragen; is daarom van mening dat de begroting voor Erasmus+ voldoende groot moet zijn om te kunnen beantwoorden aan de in aanmerking komende aanvragen voor dit programma, met name de aanvragen die betrekking hebben op een leven lang leren;

23.  neemt met bezorgdheid kennis van de discussies over de financiering van het Europees Solidariteitskorps, die de vrees van het Parlement bevestigen dat nieuwe initiatieven wellicht weer ten koste gaan van bestaande, goed functionerende programma's; neemt eveneens met bezorgdheid kennis van het precedent dat is geschapen door de uitkomst van de trialoogprocedure, die geen duidelijkheid biedt over de financieringsbronnen voor het initiatief en verdere verduidelijking hierover doorschuift naar de jaarlijkse begrotingsprocedure; rekent erop dat de Commissie het akkoord uitvoert op een wijze die volledig overeenstemt met de discussies tijdens de trialoog en met de geest van het akkoord;

24.  toont zich verheugd dat in het akkoord dat is bereikt over de financiering van het EDIDP voorzien is in veel geringere bezuinigingen in programma's binnen subrubriek 1a dan oorspronkelijk door de Commissie was voorgesteld; is echter bezorgd door het feit dat de Raad meer nadruk lijkt te leggen op het behoud van marges dan op de terbeschikkingstelling van voldoende middelen voor wat de Raad zelf aanmerkt als hoge prioriteiten;

25.  is ingenomen dat voor de jaren 2019 en 2020 een bedrag van 500 miljoen EUR is toegewezen aan het EDIDP; stelt vast dat, volgens ramingen van de EPRS, het gebrek aan samenwerking tussen de nationale industrieën op dit gebied de EU 10 miljard EUR per jaar kost; is van mening dat defensie een duidelijk voorbeeld is van hoe een grotere doeltreffendheid kan worden bereikt door een aantal momenteel door de lidstaten uitgeoefende bevoegdheden en uitgevoerde acties en daarmee corresponderende kredieten aan de EU over te dragen; benadrukt dat dit een goed voorbeeld zou zijn van Europese meerwaarde en de mogelijkheid zou bieden de totale lasten van overheidsuitgaven in de EU te beperken;

26.  is verheugd over het voorstel voor de oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming Europese high-performance computing, ter bevordering van de meest recente infrastructuur voor high-performance computing en data-infrastructuur en ter ondersteuning van de ontwikkeling van de desbetreffende technologie en de toepassing ervan op een groot aantal terreinen, ten voordele van wetenschappers, industrie en overheidssector;

Rubriek 1b – Economische, sociale en territoriale samenhang

27.  merkt op dat de totale vastleggingskredieten voor subrubriek 1b 57 113,4 miljoen EUR bedragen, een stijging met 2,8 % ten opzichte van de begroting 2018; merkt bovendien op dat het voorgestelde bedrag van 47 050,8 miljoen EUR aan betalingskredieten 1,1 % hoger is dan in 2018;

28.  is tevreden met het feit dat de tenuitvoerlegging van de programma's 2014-2020 op kruissnelheid komt en herhaalt dat een "abnormale" ophoping van onbetaalde rekeningen in de toekomst moet worden voorkomen; is ook tevreden met het feit dat de overgrote meerderheid van de nationale beheersautoriteiten nu is aangewezen; verzoekt de Commissie en de lidstaten alle hangende kwesties op te lossen zodat de tenuitvoerlegging soepel kan verlopen;

29.  herinnert eraan dat, als gevolg van de herziene ramingen van de lidstaten, de betalingskredieten in subrubriek 1b met gewijzigde begroting nr. 6/2017 zijn verlaagd met 5,9 miljard EUR; hoopt oprecht dat zowel de nationale autoriteiten als de Commissie hun ramingen voor de betalingsbehoeften in de begroting 2019 hebben verbeterd en dat het voorgestelde niveau van de betalingskredieten volledig ten uitvoer zal worden gelegd;

30.  onderstreept dat in tijden van snelle technologische ontwikkeling – onder meer op domeinen als AI – de kloof tussen zich snel ontwikkelende regio's en regio's die achterblijven groter kan worden als de impact van de structuurfondsen niet wordt vergroot door het stellen van voorwaarden met betrekking tot efficiëntie;

31.  neemt kennis van het voorstel van de Commissie om het YEI te blijven financieren, alsook van de voorgestelde beschikbaarstelling van 233,3 miljoen EUR uit de overkoepelende marge voor vastleggingen; herinnert eraan dat elke verhoging in de specifieke toewijzing voor het YEI aan het overeenstemmende bedrag uit het Europees Sociaal Fonds (ESF) moet worden gekoppeld; herinnert aan de toezegging die door de Commissie is gedaan tijdens het overleg over de begroting 2018 om snel de herziening te presenteren van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen (VGR) om de verhoging van 2018 voor het YEI hierin op te nemen; onderstreept dat de Commissie haar toezegging niet is nagekomen, en verzoekt om een gedetailleerde uitleg waarin de redenen voor de vertraging die is opgelopen bij de presentatie van de VGR-herziening worden toegelicht;

32.  verbindt zich ertoe om snel de nieuwe wetgeving inzake het YEI en het ESF aan te nemen, teneinde een ambitieuze toename van de kredieten voor het YEI in 2019 te faciliteren zonder andere programma's die in het kader van het ESF in de lidstaten lopen te ondermijnen, wellicht door de lidstaten van hun verplichting te ontheffen om ESF-kredieten die zijn toegewezen aan jeugdwerkgelegenheid aan te vullen, onder de strikte voorwaarde dat de voorgestelde wijzigingen de lidstaten niet de mogelijkheid bieden om de financiële toezeggingen op dit gebied die zij reeds zijn aangegaan te ontlopen, en dat dit geen algemene daling van aan de bestrijding van jeugdwerkloosheid toegewezen EU-begrotingskredieten met zich mee zou brengen;

Rubriek 2 – Duurzame groei: natuurlijke hulpbronnen

33.  neemt kennis van de voorgestelde 59 991,1 miljoen EUR in vastleggingskredieten (+1,2 % in vergelijking met 2018) en 57 790,4 miljoen EUR in betalingskredieten (3 %) voor rubriek 2; merkt op dat de uitgaven van het ELGF voor 2019 worden geraamd op 44 162,5 miljoen EUR, hetgeen minder is dan in de begroting 2018 (‑547,9 miljoen EUR);

34.  merkt op dat de Commissie een marge van 344,9 miljoen EUR heeft gelaten onder het maximum voor rubriek 2; wijst erop dat de toegenomen volatiliteit van de landbouwmarkten die zich laat voelen sinds het Russische invoerverbod een beroep op deze marge kan verantwoorden; vraagt de Commissie zich ervan te vergewissen dat de onder de maxima voorziene marge volstaat om eventuele toekomstige crisissen het hoofd te bieden;

35.  merkt op dat sommige maatregelen in verband met het Russische invoerverbod die waren opgenomen in de begroting 2018 niet zullen worden verlengd (bv. voor groenten en fruit, waar de marktsituatie nog steeds moeilijk is), terwijl er in de zuivelsector nog steeds sprake is van een problematische marktsituatie; kijkt uit naar de nota van wijzigingen van de Commissie, die verwacht wordt in oktober en gebaseerd zou moeten zijn op geactualiseerde informatie over financiering uit het ELGF, teneinde de werkelijke behoeften in de landbouwsector te peilen; onderstreept dat de gevallen waar marktinterventie in het kader van het ELGF nodig is, beperkt blijven en slechts een relatief klein gedeelte vormen van het ELGF (ongeveer 5,9 %);

36.  benadrukt dat een deel van de oplossing voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid ligt in het verlenen van passende steun aan jongeren in plattelandsgebieden; betreurt dat de Commissie niet heeft voorgesteld de begrotingslijn voor jonge landbouwers te verhogen;

37.  benadrukt dat de uitvoering van het EFMZV in een versnelling komt en in 2019 dicht bij haar kruissnelheid moet komen, na een trage start in het begin van de programmeringsperiode; is ingenomen met de verhoging van de vastleggingskredieten voor het LIFE+-programma (+6 %), in overeenstemming met de financiële programmering; merkt op dat het Europees Milieuagentschap (EMA) in de periode 2019-2020 extra bevoegdheden zal krijgen op het gebied van milieumonitoring en ‑rapportage en de controle op CO2‑emissies van zware bedrijfsvoertuigen;

Rubriek 3 – Veiligheid en burgerschap

38.  wijst erop dat een totaalbedrag van 3 728,5 miljoen EUR aan vastleggingskredieten wordt voorgesteld voor rubriek 3, hetgeen neerkomt op een stijging van 6,7 % ten opzichte van 2018, en dat het totaal voor betalingskredieten 3 486,4 miljoen EUR bedraagt, een stijging van 17 % ten opzichte van de voorstellen van vorig jaar; onderstreept evenwel dat deze verhogingen volgen op jaren van afnemende financieringsniveaus en dat de totale financiering van diverse belangrijke gebieden, zoals migratie, grensbeheer of interne veiligheid, nog steeds slechts goed is voor 2,3 % van de totale voorgestelde EU-uitgaven in 2019; plaatst vraagtekens bij het voorgestelde bedrag van 281,2 miljoen EUR aan vastleggingen voor de ondersteuning van legale migratie naar de Unie en de bevordering van de integratie van onderdanen van derde landen en de verbetering van billijke en doeltreffende terugkeerstrategieën, hetgeen neerkomt op een daling van 14,4 % in vergelijking met 2018; verzoekt de Commissie nadere uitleg te verschaffen over de redenen voor deze besparing;

39.  merkt op dat voor het vierde opeenvolgende jaar alle marges onder het maximum van rubriek 3 uitgeput zijn, hetgeen aantoont dat de EU-begroting in zijn huidige vorm onvoldoende uitgerust is om het hoofd te bieden aan de omvang en de ernst van de huidige migratie- en veiligheidsuitdagingen waarmee de Unie geconfronteerd wordt; is in verband hiermee tevreden met het voorstel middelen uit het flexibiliteitsinstrument ter beschikking te stellen voor een bedrag van 927,5 miljoen EUR aan vastleggingskredieten;

40.  verwacht dat de druk op de migratie- en asielsystemen van sommige lidstaten net als de druk op hun grenzen in 2019 hoog zal blijven en dringt er bij de Unie op aan waakzaam te blijven met betrekking tot alle toekomstige, onvoorspelbare behoeften op dit gebied; pleit in dit verband voor een versterking van de controles aan de buitengrenzen, en daarmee samenhangend voor een passende financiering en personeelsbezetting voor de desbetreffende EU-agentschappen, en herhaalt dat het aanpakken van de onderliggende oorzaken van de migratie- en vluchtelingencrisis een duurzame oplossing op de lange termijn oplevert, samen met de stabilisatie van de buurlanden van de EU, en dat investeringen in de landen van herkomst van migranten en vluchtelingen essentieel zijn om dit doel te verwezenlijken;

41.  merkt op dat het instrument voor het verstrekken van humanitaire noodhulp binnen de Unie in maart 2019 afloopt; verzoekt de Commissie om in het licht van de aanhoudende humanitaire behoeften van vluchtelingen en asielzoekers in bepaalde lidstaten te beoordelen of het passend zou zijn dit instrument te reactiveren en aan te vullen; wijst erop dat er meer solidariteit nodig is met de landen waar de meeste aankomsten en asielzoekers zijn; onderstreept, in de tussentijd, dat het belangrijk is voortdurend financiering beschikbaar te houden via de mechanismen voor noodhulp in het kader van het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF), met name voor de voortgezette steun voor Griekenland; is van mening dat ook Italië financiële steun moet krijgen; verzoekt de Commissie daarom de redenen op te geven waarom ze heeft besloten dit niet te doen; herinnert eraan dat Italië de enige lidstaat is waar een meerderheid van de bevolking van oordeel is dat zij geen voordelen heeft gehaald uit het lidmaatschap van de Europese Unie; betreurt de drastische verlaging van vastleggingskredieten voor het tweede onderdeel van het AMIF "Ondersteuning van legale migratie naar de Unie en bevordering van de integratie van onderdanen van derde landen en billijke en doeltreffende terugkeerstrategieën";

42.  is van mening dat de EU-begroting in het kader van een hele reeks veiligheidsproblemen, waaronder veranderende vormen van radicalisering, cybercriminaliteit, geweld en terrorisme die de responscapaciteit van afzonderlijke lidstaten overstijgen, moet stimuleren tot samenwerking op veiligheidsgerelateerde gebieden met de hulp van bestaande EU-agentschappen; vraagt zich in deze context af hoe deze risicovolle veiligheidscontext te verzoenen valt met de voorgestelde aanzienlijke verlaging van de vastleggingskredieten (-26,6 %) voor het Fonds voor interne veiligheid (ISF); benadrukt dat de uitgaven op dit gebied alleen doeltreffend zijn als belemmeringen voor intra-Europese samenwerking en gerichte informatie-uitwisseling worden weggenomen, met volledige inachtneming van eventuele regels inzake gegevensbescherming overeenkomstig de EU-wetgeving; betreurt het dat de Commissie nog geen voorstel heeft ingediend waarin wordt vastgelegd dat er op EU-niveau uiting wordt gegeven aan financiële solidariteit ten aanzien van slachtoffers van terroristische daden en hun gezinsleden, en roept de Commissie ertoe op het nodige te doen om ervoor te zorgen dat deze hulp er snel komt;

43.  neemt kennis van de voorgestelde herziening van de rechtsgrondslag van het Uniemechanisme voor civiele bescherming, dat, zodra het is vastgesteld, naar verwachting een groot effect zal hebben op de begroting in de laatste twee jaar van het huidige MFK, met 256,9 miljoen EUR ten laste van rubriek 3 alleen; benadrukt dat het maar logisch is dat deze aanzienlijke opwaardering van essentieel Uniebeleid gefinancierd wordt via nieuwe en bijkomende middelen; waarschuwt voor het gebruik van herschikkingen, die duidelijk ten koste gaan van andere waardevolle, goed functionerende beleidsmaatregelen en programma's;

44.  bevestigt nogmaals dat het Parlement programma's van de Unie op het gebied van cultuur, justitie, grondrechten en burgerschap krachtig steunt; is verheugd over de voorgestelde verhoging voor het programma Creatief Europa; dringt voorts aan op voldoende financiering voor het programma Europa voor de burger en de Europese burgerinitiatieven, met name in de aanloop naar de Europese verkiezingen;

45.  wijst op de steun van het Parlement voor het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" en het programma "Justitie"; onderstreept dat de EU moet vasthouden aan haar verbintenis vrouwen- en LGBTI-rechten te versterken;

46.  is ingenomen met de verhoging van de vastleggingskredieten voor het programma "Levensmiddelen en diervoeders", dat de Unie in staat moet stellen om uitbraken van ernstige dierziekten en plantplagen, zoals de recente vogelgriepepidemie die diverse lidstaten heeft getroffen in de afgelopen jaren, doeltreffend te beheren;

47.  verzoekt de Commissie genoeg begrotingsmiddelen uit te trekken om de verkiezingen van het Europees Parlement van 2019 meer zichtbaarheid te geven en meer aan bod te laten komen in de media, met name om het concept van de "Spitzenkandidaten" – de kandidaten voor het voorzitterschap van de Commissie – meer bekendheid te geven;

Rubriek 4 – Europa als wereldspeler

48.  neemt kennis van de algemene verhoging van de voorgestelde financiering voor rubriek 4 (+13,1 % in vergelijking met de begroting 2018), goed voor een bedrag van 11 384,2 miljoen EUR aan vastleggingskredieten; merkt op dat deze verhoging voornamelijk verband houdt met de financiering van de tweede tranche van de FRT, waarvoor de Commissie voorstelt gebruik te maken van de overkoepelende marge voor vastleggingen (1 116,2 miljoen EUR); merkt op dat dit voorstel zou leiden tot het ontbreken van een marge onder het maximum van rubriek 4;

49.  verzoekt de lidstaten meer bij te dragen aan het trustfonds voor Afrika, het Madad-fonds, en het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling, teneinde stabilisatie in crisisgebieden te ondersteunen, steun te verlenen aan vluchtelingen, en de sociale en economische ontwikkeling op het Afrikaanse continent en in de landen van het Europees nabuurschapsgebied te bevorderen;

50.  blijft ervan overtuigd dat de uitdagingen waarmee de EU in haar buitenlands optreden wordt geconfronteerd langdurige financiering noodzakelijk maken op een niveau dat de huidige omvang van rubriek 4 overschrijdt; blijft erbij dat nieuwe initiatieven gefinancierd moeten worden met bijkomende kredieten en dat alle flexibiliteitsopties volledig moeten worden benut; verzet zich echter tegen de voorgestelde financiering van de uitbreiding van de FRT, omdat dit aanzienlijke beperkingen met zich mee zou brengen, zowel voor de financieringsmogelijkheden van andere prioritaire gebieden binnen rubriek 4 als voor de rol van de EU-begroting als instrument voor het bereiken van mensen in nood en het bevorderen van fundamentele waarden;

51.  is ingenomen met de verhoging voor migratiegerelateerde projecten in verband met de route door het centrale Middellandse Zeegebied, alsmede met de lichte verhoging voor de oostelijke component van het Europees nabuurschapsinstrument (ENI) en de herschikking van de prioriteiten in het kader van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) naar het Midden-Oosten; vraagt de toewijzing van voldoende financiële middelen aan de UNRWA, om te zorgen voor permanente steun voor de Palestijnse vluchtelingen in de regio, in het licht van de recente beslissing van de VS om hun bijdrage aan de organisatie in te trekken;

52.  is ingenomen met de toegenomen steun voor regionale activiteiten in de Westelijke Balkan; is evenwel van mening dat de steun voor politieke hervormingen verder moet worden opgevoerd; betreurt de grotere steun voor politieke hervormingen in Turkije (IPA II) en zet vraagtekens bij de aanpassing aan het besluit van de begrotingsautoriteit om de kredieten op dit begrotingsonderdeel voor het lopende begrotingsjaar te verlagen; herhaalt zijn standpunt waarin wordt opgeroepen om fondsen die bestemd zijn voor de Turkse autoriteiten in het kader van IPA II afhankelijk te stellen van verbeteringen op het gebied van de mensenrechten, democratie en de rechtsstaat; verzoekt de kredieten voor dit begrotingsonderdeel, indien er geen vooruitgang wordt geboekt op dit vlak en rekening houdend met de beperkte manoeuvreerruimte, volledig te heroriënteren naar het maatschappelijk middenveld met het oog op de uitvoering van maatregelen ter ondersteuning van de doelstellingen op het gebied van de rechtsstaat, de democratie, de mensenrechten en de vrijheid van de media; steunt de algemene neerwaartse trend voor politieke hervormingen in de toewijzingen voor Turkije;

53.  onderstreept de aanzienlijke daling van het bedrag dat in de begroting 2019 als voorziening moet worden opgenomen voor het garantiefonds voor operaties ten behoeve van derde landen dat wordt beheerd door de Europese Investeringsbank (EIB), alsmede de aanzienlijke vermindering van het geplande bedrag voor subsidies in het kader van macrofinanciële bijstand (MFB), als gevolg van een lager bedrag van uitstaande EIB-leningen dan eerder geraamd, alsmede van lagere uitbetalingen van MFB-leningen ten opzichte van de recentste financiële programmering;

54.  bevestigt nogmaals zich volledig aan te sluiten bij de toezeggingen die de EU heeft gedaan tijdens de conferenties over Syrië in Brussel, die een bevestiging vormen van eerdere toezeggingen; stemt in met de versterking van het ENI en van de humanitaire hulp met telkens 120 miljoen EUR om deze toezeggingen in 2019 na te komen;

55.  herhaalt zijn steun voor het toewijzen van toereikende financiële middelen voor strategische EU-communicatie die gericht is op de bestrijding van desinformatiecampagnes en cyberaanvallen, alsook op het uitdragen van een objectief beeld van de Unie buiten haar grenzen;

Rubriek 5 – Administratie

56.  merkt op dat de uitgaven van rubriek 5 worden verhoogd met 3,0 % in vergelijking met de begroting 2018, tot 9 956,9 miljoen EUR (+ 291,4 miljoen EUR) aan vastleggingskredieten; merkt op dat, net als voor het vorige begrotingsjaar, de verhoging voornamelijk het gevolg is van de ontwikkelingen van de pensioenen (+ 116,7 miljoen EUR), die goed zijn voor 20,2 % van de uitgaven van rubriek 5; merkt op dat het aandeel van de uitgaven voor administratie in de ontwerpbegroting ongewijzigd blijft op een niveau van 6,0 % aan vastleggingskredieten;

57.   merkt op dat de Commissie inspanningen heeft geleverd om alle mogelijkheden op het gebied van rationalisering en besparingen in de niet‑salarisgerelateerde uitgaven in haar eigen begroting op te nemen; merkt op dat de evolutie van de uitgaven van de Commissie (+ 2,0 %) grotendeels het gevolg is van de automatische aanpassing van de uitgaven voor salarissen en contractuele verplichtingen; neemt voorts kennis van de interne personeelsherschikking van de Commissie om uitvoering te geven aan haar nieuwe prioriteiten;

58.  stelt vast dat de feitelijke marge, na verrekening van 253,9 miljoen EUR voor het gebruik in 2018 van de marge voor onvoorziene uitgaven, 575,2 miljoen EUR onder het maximum bedraagt; acht de marge belangrijk in nominale termen en is van mening dat zij de inspanningen van de Commissie reflecteert, met name om de ontwikkeling van de niet-salarisgerelateerde uitgaven te bevriezen; is van mening dat een extra inspanning om de administratieve uitgaven van de Commissie te stabiliseren of te verlagen kan leiden tot uitstel van belangrijke investeringen of ten koste kan gaan van de goede werking van de administratie;

Proefprojecten – voorbereidende acties

59.  onderstreept hoe essentieel proefprojecten en voorbereidende acties zijn om politieke prioriteiten te formuleren en nieuwe initiatieven in te voeren die kunnen uitmonden in permanente EU-acties en -programma's; is van plan over te gaan tot de inventarisering van een evenwichtig pakket proefprojecten en voorbereidende acties die de politieke prioriteiten van het Parlement weerspiegelen en waarbij rekening wordt gehouden met een behoorlijk en tijdig vooronderzoek door de Commissie; merkt op dat de marge voor sommige rubrieken in het huidige voorstel beperkt of zelfs onbestaand is, en is van plan mogelijkheden te onderzoeken om ruimte te maken voor eventuele proefprojecten en voorbereidende acties zonder de middelen voor andere politieke prioriteiten te verlagen;

Agentschappen

60.  neemt kennis van de algemene verhoging in de ontwerpbegroting 2019 van de toewijzingen voor de gedecentraliseerde agentschappen met 10,8 % (zonder rekening te houden met de bestemmingsontvangsten) en 259 posten; is ingenomen met het feit dat voor het merendeel van de agentschappen de eigen begroting stijgt, terwijl de EU-bijdrage daalt; merkt in verband hiermee op dat het Parlement momenteel de mogelijkheden onderzoekt om de financiering van gedecentraliseerde agentschappen met vergoedingen verder uit te breiden; stelt met tevredenheid vast dat de agentschappen met "nieuwe taken" (ESMA, eu‑LISA en Frontex) een forse verhoging krijgen wat de kredieten en de personeelsformatie betreft; verzoekt om bijkomende financiële steun voor de agentschappen die te maken hebben met uitdagingen op het gebied van migratie en veiligheid; is van mening dat Europol en Eurojust verder moeten worden versterkt en dat het EASO toereikende financiering moet krijgen voor de transformatie van het bureau tot het Asielagentschap van de Europese Unie;

61.  herhaalt zijn standpunt dat het streefdoel van een personeelsinkrimping met 5 % is bereikt en onderstreept dat deze praktijk volgens de snelle evaluatie ("rapid case review") van de Rekenkamer niet noodzakelijkerwijs de verwachte resultaten heeft opgeleverd; is van mening dat de gedecentraliseerde agentschappen moeten worden beoordeeld aan de hand van een benadering per geval; is tevreden met de bekrachtiging door alle instellingen van de aanbevelingen van de interinstitutionele werkgroep;

62.  is ingenomen met de oprichting van twee nieuwe EU-instanties die moeten worden beschouwd als gedecentraliseerde agentschappen, het Europees Openbaar Ministerie (EOM) en de Europese Arbeidsautoriteit (ELA); merkt op dat kredieten voor de ELA in de reserve zijn geplaatst in afwachting van de afronding van de wetgevingsprocedure; merkt op dat het EOM zijn zetel in Luxemburg heeft en verzoekt het de twee takken van de begrotingsautoriteit alle informatie te verstrekken over zijn vastgoedbeleid overeenkomstig het Financieel Reglement; is van mening dat nieuwe agentschappen moeten worden opgericht door de toewijzing van nieuwe middelen en nieuwe posten, met vermijding van elke vorm van herschikking, tenzij duidelijk wordt aangetoond dat bepaalde activiteiten volledig worden overgeheveld van de Commissie of andere bestaande organen, zoals Eurojust, naar de nieuwe agentschappen; neemt er nota van dat Eurojust bevoegd blijft voor PIF-zaken, in nauwe samenwerking met het EOM, en volledig betrokken is bij het waarborgen van operationele steun aan de lidstaten in de strijd tegen georganiseerde misdaad, terrorisme, cybercriminaliteit en migrantensmokkel; herinnert aan de bepalingen van de gemeenschappelijke aanpak voor nieuwe gedecentraliseerde agentschappen;

63.  rekent erop dat de onderhandelingen over de begroting 2019 worden gebaseerd op het beginsel dat de twee takken van de begrotingsautoriteit zich verbinden om de onderhandelingen in een zo vroeg mogelijk stadium te beginnen en de tijdspanne van de hele bemiddelingsperiode volledig te benutten, en dat wordt gezorgd voor een vertegenwoordiging die groot genoeg is om een echte politieke dialoog te waarborgen;

64.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(2)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.

(3)

PB L 163 van 24.6.2017, blz. 1.

(4)

PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(5)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0089.


BIJLAGE: GEZAMENLIJKE VERKLARING OVER DE DATA VOOR DE BEGROTINGSPROCEDURE EN REGELS VOOR DE WERKING VAN HET BEMIDDELINGSCOMITÉ IN 2018

A.  Overeenkomstig deel A van de bijlage bij het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer komen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie voor de begrotingsprocedure voor 2019 de volgende belangrijke data overeen:

1.  de Commissie streeft ernaar de ontwerpraming 2019 tegen eind mei te presenteren;

2.  op 12 juli wordt in de ochtend, voorafgaand aan de vaststelling van het standpunt van de Raad, een trialoogvergadering belegd;

3.  de Raad tracht voor week 37 (derde week van september) zijn standpunt vast te stellen en aan het Europees Parlement toe te zenden, opdat tijdig een akkoord met het Europees Parlement kan worden bereikt;

4.  de Begrotingscommissie van het Europees Parlement tracht uiterlijk aan het eind van week 41 (medio oktober) amendementen op het standpunt van de Raad aan te nemen;

5.  op 18 oktober wordt na de middag, voorafgaand aan de lezing door het Europees Parlement, een trialoogvergadering belegd;

6.  het Europees Parlement stelt in week 43 (plenaire vergadering van 22-25 oktober) zijn lezing vast;

7.  de bemiddelingsperiode begint op 30 oktober. Overeenkomstig artikel 314, punt 4, onder c), van het VWEU verstrijkt de voor bemiddeling voorziene periode op 19 november 2018;

8.  het bemiddelingscomité vergadert op 7 november, na de middag, in het Europees Parlement, op 16 november in de Raad en kan, indien nodig, ook nadien nog bijeenkomen; de bijeenkomsten van het bemiddelingscomité worden voorbereid tijdens één of meerdere trialogen. Een eerste trialoog staat gepland op 7 november, voor de middag. Aanvullende trialogen kunnen plaatsvinden tijdens de bemiddelingsperiode van 21 dagen, bijvoorbeeld op 13 en 14 november (in Straatsburg).

B.  De regels voor de werking van het bemiddelingscomité staan in deel E van de bijlage bij bovengenoemd Interinstitutioneel Akkoord.


ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (19.6.2018)

aan de Begrotingscommissie

inzake het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2019

(2018/2024(BUD))

Rapporteur voor advies: Marita Ulvskog

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  benadrukt dat de begroting 2019 moet bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie op sociaal en werkgelegenheidsgebied, die het verst van verwezenlijking verwijderd zijn, en aan een succesvolle uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten, met name waar het gaat om de bestrijding van werkloosheid onder jongeren en langdurige werkloosheid, toenemende ongelijkheid, sociale uitsluiting en armoede; benadrukt in dit verband dat de begroting 2019 niet kan worden gezien buiten de context van het meerjarig financieel kader 2014-2020 (MFK);

2.  herinnert eraan dat een stevig herstel en duurzame groei van cruciaal belang zijn om fatsoenlijke banen en daarmee hoogwaardige werkgelegenheid te scheppen, de gedeelde welvaart te vergroten en de sociale convergentie te verbeteren, en dat de Europese structuur- en investeringsfondsen zich op doeltreffender wijze moeten richten op het scheppen van banen, de bevordering van inclusieve groei en sociale en territoriale cohesie, de ondersteuning van structurele hervormingen, de vermindering van ongelijkheden en de bevordering van bijscholingsmaatregelen en een leven lang leren; benadrukt het belang van onderzoek en innovatie voor het bevorderen van groei en werkgelegenheid;

3.  benadrukt dat er middelen moeten worden uitgetrokken voor de bestrijding van armoede, met name kinderarmoede, en ter ondersteuning van maatregelen die tegemoetkomen aan de basisbehoeften van kinderen, zoals voedselvoorziening, huisvesting, onderwijs en gezondheidszorg;

4.  benadrukt het belang van voldoende financiering voor de programma's en initiatieven binnen het MFK 2014-2020 die gericht zijn op de aanpak van werkloosheid, armoede en sociale uitsluiting, met name voor de programma's en initiatieven die gericht zijn op de meest achtergestelde groepen in de samenleving, zoals het Europees Sociaal Fonds (ESF), het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI), het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG), de verschillende assen van het programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI), inclusief de ondersteuning van kmo's als bron van werkgelegenheid, en het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD); dringt er daarom op aan dat de middelen voor deze programma's in de begroting 2019 in reële termen worden verhoogd, of op zijn minst worden gehandhaafd op het peil van het voorgaande jaar;

5.  benadrukt voorts dat de begrotingsonderdelen ter ondersteuning van de Europese sociale dialoog en maatregelen met betrekking tot de sociale partners van het grootste belang zijn voor het versterken van de betrokkenheid van de sociale partners, bijvoorbeeld bij het Europees semester en de tenuitvoerlegging van de Europese pijler van sociale rechten; beschouwt deze financiering daarom als essentieel;

6.  wijst erop dat het gebrek aan toekomstperspectief voor jongeren in bepaalde regio's een echte maatschappelijke noodsituatie vormt die innovatieve en gerichte oplossingen vereist, die snel moeten worden toegepast om op korte termijn concrete verbeteringen tot stand te brengen; verwacht daarom dat de begroting 2019 grote ambities op het gebied van de bestrijding van jeugdwerkloosheid blijft laten zien;

7.  verbindt zich ertoe om, teneinde een ambitieuze toename van de kredieten voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in 2019 te vergemakkelijken zonder andere programma's die in het kader van het ESF in de lidstaten lopen te ondermijnen, snel de nieuwe wetgeving inzake het YEI en het ESF aan te nemen, wellicht door de lidstaten te bevrijden van hun verplichting om ESF-kredieten met eenzelfde bedrag aan te vullen die zijn toegewezen aan jeugdwerkgelegenheid, onder de strikte voorwaarde dat de voorgestelde wijzigingen de lidstaten niet de mogelijkheid bieden om de financiële verplichtingen op dit gebied die zij reeds zijn aangegaan te ontlopen, en dat dit geen algemene daling van aan de bestrijding van jeugdwerkloosheid toegewezen EU-begrotingskredieten met zich mee zou brengen;

8.  erkent dat de Jongerengarantie een stap voorwaarts is geweest bij de bestrijding van de werkloosheid onder jongeren; wijst er evenwel op dat recent bewijs laat zien dat de Jongerengarantie op sommige gebieden niet in het verwachte tempo tot de gewenste resultaten heeft geleid, om redenen die geen verband houden met de regeling zelf, maar met de uitvoering ervan, vooral als gevolg van het ontbreken van compromisbereidheid en politieke wil bij enkele nationale regeringen, de geringe betrokkenheid van de sociale partners en regionale en lokale overheden, de twijfelachtige kwaliteit van de aanbiedingen en het mislukken van de daadwerkelijke integratie van de deelnemers in de arbeidsmarkt na afloop van de looptijd van de aanbieding;

9.  vraagt om voortzetting van de inspanningen om de uitvoering van het YEI te verbeteren, onder meer door ervoor te zorgen dat de baan-, opleidings- of trainingsaanbiedingen aansluiten op het profiel van de deelnemers en op de vraag op de arbeidsmarkt, teneinde deelnemers duurzaam aan het werk te krijgen;

10.  vraagt de Commissie een noodplan voor jeugdwerkgelegenheid te ontwikkelen dat complementair is aan het YEI, met een begroting van 500 miljoen EUR, ter ondersteuning van de uitvoering van kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheidsprogramma's waarmee het scheppen van banen en kansen voor ondernemers wordt bevorderd in de regio's van de EU waar de jeugdwerkloosheid meer dan 40 % bedraagt; benadrukt dat deze regeling moet worden gebruikt voor de financiering van innovatie, kwaliteitsvolle en goede praktijken en dat de projecten die de hoogste kwaliteit en duurzaamheid bieden bij het scheppen van banen voor personen tot dertig jaar moeten worden beloond;

11.  merkt op dat de betalingskredieten in de begroting 2018 tot nu toe voldoende zijn geweest om te voldoen aan de betalingsverzoeken van de lidstaten en volgens de prognoses van de Commissie naar verwachting zullen overeenkomen met hun behoeften voor het hele jaar, anders dan in de voorgaande jaren van de huidige programmeringsperiode, aangezien de middelen uit de structuurfondsen in die jaren minder vlug werden opgenomen dan voorzien; benadrukt dat bijgevolg voldoende betalingskredieten moeten worden opgenomen in de begroting 2019; wijst erop dat het lage absorptiepercentage deels te wijten is aan administratieve belemmeringen; dringt daarom aan op een verdere terugdringing van de administratieve rompslomp, teneinde de toegang tot financiering te verbeteren;

12.  dringt erop aan dat in de begroting 2019 voldoende vastleggingskredieten en met name betalingskredieten worden opgenomen voor het ESF, aangezien dit fonds voor een periode van intensieve tenuitvoerlegging staat en het aantal betalingsverzoeken van de lidstaten zal toenemen;

13.  herinnert eraan dat het evenredigheidsbeginsel voorop moet staan bij het beheer en de controle van structuurprogramma's; verzoekt de Commissie en de lidstaten de mogelijkheid te onderzoeken van een onlinesysteem voor het indienen van aanvragen voor projectbeheerders dat beter bijdraagt aan administratieve vereenvoudiging;

14.  verzoekt de Commissie om de financiering voor het vergroten van de arbeidsmobiliteit in het kader van het EaSI en het ESF beter in beeld te krijgen en te monitoren, de complementariteit te waarborgen en beter toe te zien op de besteding van de middelen, en derhalve op een doeltreffend en doelmatig gebruik ervan, in overeenstemming met Speciaal verslag nr. 6/2018 van de Rekenkamer;

15.  herhaalt dat proefprojecten en voorbereidende acties zeer waardevolle instrumenten zijn om nieuwe activiteiten en beleidsmaatregelen te initiëren; benadrukt dat een aantal ideeën van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken met succes als proefproject of voorbereidende actie is uitgevoerd; verzoekt de Commissie het Parlement regelmatig en uitgebreid te informeren over de diverse uitvoeringsfasen van proefprojecten en voorbereidende acties, deze projecten en acties snel uit te voeren en de inhoud ervan te eerbiedigen, zoals is overeengekomen en goedgekeurd door het Parlement en de Raad;

16.  wijst op de belangrijke bijdrage van alle agentschappen die actief zijn op het gebied van sociale zaken en werkgelegenheid (Cedefop, de ETF, Eurofound, EU-OSHA) aan een breed scala aan aangelegenheden op deze gebieden; benadrukt in het licht hiervan dat hun takenpakket voortdurend wordt uitgebreid en ze daarom moeten kunnen beschikken over de benodigde financiële en menselijke middelen om hun respectieve mandaten te kunnen vervullen en de best mogelijke resultaten te garanderen ter ondersteuning van de wetgevings- en beleidsdoelstellingen van de EU; steunt de oprichting van een Europese Arbeidsautoriteit, die naar verwachting in 2019 met haar werkzaamheden zal beginnen; onderstreept dat de oprichting van de Europese Arbeidsautoriteit aanvullende financiële middelen vereist, die niet mogen worden gevonden door ze weg te halen bij andere agentschappen die actief zijn op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken;

17.  geeft opnieuw uiting aan zijn zorgen over de negatieve budgettaire gevolgen van de stijgende coëfficiënt voor Ierland, die in toenemende mate het risico met zich meebrengt dat het financiële vermogen van Eurofound om haar mandaat te vervullen, wordt ondergraven; verwacht van de instellingen van de Unie dat ze actie ondernemen om deze gevolgen te compenseren, zoals vermeld in het kwijtingsverslag 2016 voor Eurofound; benadrukt de noodzaak van aanvullende financiering om het niveau van het door het agentschap verrichte onderzoek op peil te houden, en met name om de werkzaamheden inzake de pan-Europese enquêtes veilig te stellen.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

19.6.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

37

7

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Laura Agea, Guillaume Balas, Enrique Calvet Chambon, Ole Christensen, Michael Detjen, Lampros Fountoulis, Elena Gentile, Czesław Hoc, Rina Ronja Kari, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Kostadinka Kuneva, Jérôme Lavrilleux, Jeroen Lenaers, Verónica Lope Fontagné, Javi López, Thomas Mann, Dominique Martin, Anthea McIntyre, Miroslavs Mitrofanovs, Emilian Pavel, João Pimenta Lopes, Georgi Pirinski, Marek Plura, Dennis Radtke, Sofia Ribeiro, Robert Rochefort, Claude Rolin, Siôn Simon, Romana Tomc, Yana Toom

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Georges Bach, Heinz K. Becker, Rosa D’Amato, António Marinho e Pinto, Edouard Martin, Ivari Padar, Evelyn Regner, Anne Sander, Joachim Schuster, Michaela Šojdrová, Ivo Vajgl, Kosma Złotowski

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Malin Björk, Karoline Graswander-Hainz, Jytte Guteland, Angelika Mlinar, Keith Taylor

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

37

+

ALDE

Enrique Calvet Chambon, António Marinho e Pinto, Angelika Mlinar, Robert Rochefort, Yana Toom, Ivo Vajgl

GUE/NGL

Kostadinka Kuneva

PPE

Georges Bach, Heinz K. Becker, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Jérôme Lavrilleux, Jeroen Lenaers, Verónica Lope Fontagné, Thomas Mann, Marek Plura, Dennis Radtke, Sofia Ribeiro, Claude Rolin, Anne Sander, Michaela Šojdrová, Romana Tomc

S&D

Guillaume Balas, Ole Christensen, Michael Detjen, Elena Gentile, Karoline Graswander-Hainz, Jytte Guteland, Javi López, Edouard Martin, Ivari Padar, Emilian Pavel, Georgi Pirinski, Evelyn Regner, Joachim Schuster, Siôn Simon

VERTS/ALE

Miroslavs Mitrofanovs, Keith Taylor

7

-

ECR

Czesław Hoc, Anthea McIntyre, Kosma Złotowski

ENF

Dominique Martin

GUE/NGL

Malin Björk, Rina Ronja Kari, João Pimenta Lopes

3

0

EFDD

Laura Agea, Rosa D’Amato

NI

Lampros Fountoulis

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (21.6.2018)

aan de Begrotingscommissie

inzake het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2019

(2018/2024(BUD))

Rapporteur voor advies: Ramón Luis Valcárcel Siso

SUGGESTIES

De Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling verzoekt de bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  wijst op de belangrijke rol die zowel de landbouw als de plattelandsontwikkeling spelen bij het bereiken van een aantal EU-doelstellingen op het vlak van voedselzekerheid, duurzame economische groei, dierenwelzijn, het scheppen van werkgelegenheid, bosbouw, klimaatverandering, innovatie en ecologisch en territoriaal evenwicht; benadrukt dat landbouw- en plattelandsontwikkeling een belangrijk deel uitmaken van de totale EU-begroting, en onderstreept dat er op deze gebieden behoefte is aan duurzame financiering; brengt in herinnering dat de landbouwuitgaven zijn afgenomen en dat verlagingen van de GLB-begroting negatieve effecten zouden kunnen hebben, doordat deze het proces van toezicht en controle zullen schaden en de verwezenlijking van de doelstellingen van het GLB in gevaar zullen brengen;

2.  benadrukt dat het van wezenlijk belang is dat middelen die gereserveerd zijn voor onderzoek in de agrovoedingssector, met name uit de begroting voor Horizon 2020, als zodanig volledig beschikbaar blijven om innovatie in de landbouwsector te stimuleren;

3.  pleit voor stabiliteit in de landbouwbegroting en verzet zich fel tegen iedere bezuiniging in 2019, met name gezien de ernstige crises en de prijsschommelingen waar de landbouwsector de afgelopen jaren mee te kampen heeft gehad;

4.  roept de lidstaten op hun bijdragen aan de Uniebegroting te verhogen teneinde de stabiliteit te waarborgen en mogelijke toekomstige crises in de landbouwsector af te wenden;

5.  benadrukt dat rechtstreekse GLB-steun eerlijker onder landen en onder grote, kleine en middelgrote landbouwbedrijven moet worden verdeeld;

6.  merkt op dat de veelvuldige crises en de toenemende prijsschommelingen erop duiden dat de landbouwbegroting moet worden verhoogd;

7.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de schommelingen van de landbouwprijzen, die negatieve gevolgen hebben voor het inkomen van landbouwers, steeds in het oog te houden en waar nodig snel en doeltreffend in te grijpen, en daarbij de landbouwers in staat te stellen dergelijke prijsschommelingen rechtstreeks te bestrijden;

8.  onderstreept dat de langetermijntendens van dalende landbouwinkomens van de afgelopen decennia moet worden gekeerd;

9.  stelt vast dat de producenten moeite hebben met het vinden van nieuwe afzetmarkten, en is in dit bezorgd en teleurgesteld over het feit dat de Commissie heeft besloten de steunmaatregelen voor de sectoren die door het Russische veto zijn getroffen per 30 juni 2018 te beëindigen, waardoor deze sectoren in wezen worden gestraft voor gebeurtenissen waarop zij geen invloed hebben;

10.  verzoekt de Commissie met klem zich te blijven inzetten om nieuwe afzetmogelijkheden te vinden;

11.  benadrukt hoe belangrijk het is nieuwe afzetmarkten te ontsluiten om het concurrentievermogen te behouden en Europese landbouwers weerbaarder te maken tegen marktcrises, zoals die als gevolg van het Russische embargo; dringt er daarom op aan dat nieuwe marktkansen financieel worden ondersteund;

12.  verzoekt de Commissie voor de aanneming van de ontwerpbegroting 2019, of uiterlijk voor de najaarsnota van wijzigingen, een besluit aan te nemen tot verlenging van de steun in het kader van het Russische veto;

13.  maakt zich zorgen om de mogelijke gevolgen van een mislukking van de lopende onderhandelingen over de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie voor de begroting 2019;

14.  vestigt de aandacht op de omvang van de momenteel voor de Britse markt bestemde voedselinvoer die later door de interne markt zal moeten worden opgevangen;

15.  verzoekt de Commissie daarom duurzame, op de EU-markt afgestemde landbouw te ondersteunen, het gebruik van veilige en milieuvriendelijke alternatieven voor bestrijdingsmiddelen te stimuleren en in 2019 steunmaatregelen voor dergelijke alternatieven uit te breiden;

16.  plaatst andermaal vraagtekens bij het nut van de huidige crisisreserve en het mechanisme voor financiële discipline, die een louter bureaucratische last zullen vormen voor de begroting 2019; merkt op dat de Europese landbouw de afgelopen jaren steeds vaker geconfronteerd werd met crises; spoort de Commissie er daarom toe aan zich te buigen over de invoering van een reserve met een meerjarig karakter die onafhankelijk is van rechtstreekse betalingen en die het mogelijk maakt oververhitte markten en ernstige crises het hoofd te bieden;

17.  herinnert eraan dat marktregelingen een doelgerichte kwantitatieve sturing moeten waarborgen, om productieoverschotten te voorkomen;

18.  spoort de lidstaten en de Commissie ertoe aan de steunmaatregelen voor jonge landbouwers in 2019 te versterken om de generatievernieuwing te stimuleren, aangezien deze laag blijft en gevolgen op lange duur heeft voor de Europese landbouw; wijst erop dat de geringe generatievernieuwing onder meer te wijten is aan het gebrek aan billijke en rendabele opbrengsten uit landbouwactiviteiten; acht het in dit kader van belang de bureaucratische obstakels waar jongeren tegenaan lopen weg te nemen en meer bekendheid te geven aan optimale werkmethoden die in een aantal lidstaten reeds goede resultaten hebben opgeleverd en die aantoonbaar kunnen bijdragen aan generatievernieuwing;

19.  benadrukt hoe belangrijk het is te investeren in nieuwe technologieën en innovaties om de Europese landbouwsector concurrerender en duurzamer te maken; verzoekt de Commissie in dit verband een landbouwbegroting uit te werken waarin bijzondere aandacht wordt besteed aan de behoeften van landbouwers en aan beleidsdoelstellingen waarbij meer gebruik wordt gemaakt van slimme en innovatieve praktijken die de levensvatbaarheid van de EU-landbouw op lange termijn waarborgen.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

20.6.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

35

1

7

Bij de eindstemming aanwezige leden

John Stuart Agnew, Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, Richard Ashworth, José Bové, Daniel Buda, Nicola Caputo, Matt Carthy, Michel Dantin, Paolo De Castro, Albert Deß, Diane Dodds, Jørn Dohrmann, Herbert Dorfmann, Norbert Erdős, Luke Ming Flanagan, Karine Gloanec Maurin, Beata Gosiewska, Martin Häusling, Esther Herranz García, Jan Huitema, Peter Jahr, Ivan Jakovčić, Zbigniew Kuźmiuk, Norbert Lins, Philippe Loiseau, Mairead McGuinness, Giulia Moi, Ulrike Müller, Maria Noichl, Marijana Petir, Bronis Ropė, Maria Lidia Senra Rodríguez, Czesław Adam Siekierski, Marc Tarabella, Maria Gabriela Zoană, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Franc Bogovič, Karin Kadenbach, Elsi Katainen, Anthea McIntyre, Momchil Nekov, Miguel Viegas

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Krzysztof Hetman

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

35

+

ALDE

Ivan Jakovčić, Elsi Katainen, Ulrike Müller

ECR

Jørn Dohrmann, Beata Gosiewska, Zbigniew Kuźmiuk, Anthea McIntyre

ENF

Philippe Loiseau

NI

Diane Dodds

PPE

Richard Ashworth, Franc Bogovič, Daniel Buda, Michel Dantin, Albert Deß, Herbert Dorfmann, Norbert Erdős, Krzysztof Hetman, Peter Jahr, Norbert Lins, Mairead McGuinness, Marijana Petir, Czesław Adam Siekierski

S&D

Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, Nicola Caputo, Paolo De Castro, Karine Gloanec Maurin, Karin Kadenbach, Momchil Nekov, Maria Noichl, Marc Tarabella, Maria Gabriela Zoană

Verts/ALE

José Bové, Martin Häusling, Bronis Ropė

1

-

EFDD

John Stuart Agnew

7

0

ALDE

Jan Huitema

EFDD

Giulia Moi, Marco Zullo

GUE/NGL

Matt Carthy, Luke Ming Flanagan, Maria Lidia Senra Rodríguez, Miguel Viegas

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs (7.6.2018)

aan de Begrotingscommissie

inzake het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2019

(2018/2024(BUD))

Rapporteur voor advies: Morten Løkkegaard

SUGGESTIES

De Commissie cultuur en onderwijs verzoekt de bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  wijst erop dat programma's die gericht zijn op onderwijs, jongeren, cultuur en burgerschap een cruciale manier blijven om mensen bewust te maken van onze gezamenlijke Europese identiteit;

2.  maakt bij de viering van het dertigjarig bestaan van Erasmus+ van de gelegenheid gebruik om eraan te herinneren dat het programma nog steeds de belangrijkste manier is om de mobiliteit van jongeren te bevorderen, zoals wordt aangetoond door het grote aantal aanvragen dat wordt ontvangen, een aantal dat groter is dan kan worden gedekt met de beschikbare middelen; betreurt ten zeerste dat de financiering die in de ontwerpbegroting voor 2019 wordt voorgesteld voor het programma Erasmus+ ver beneden de verwachtingen van het Parlement ligt en louter overeenstemt met de piek die momenteel wordt bereikt in de financiering van Erasmus+ binnen het meerjarig financieel kader (MFK), waarbij niet eens de resterende extra financiering voor het programma in het kader van de herziening van het MFK wordt toegewezen; herhaalt met klem dat er meer middelen nodig zijn, met name wat permanente opleiding en de jeugdsector betreft, met inbegrip van niet-formeel onderwijs, en dat er moet worden gezorgd voor een grotere deelname van kwetsbare groepen, met name jongeren met een handicap; herhaalt zijn oproep om de financiering voor Erasmus+ in het volgende MFK te verdrievoudigen, vanwege de populariteit van het programma en de mogelijkheden die het tegelijkertijd biedt om een Europees saamhorigheidsgevoel te creëren en de kansen op werk te vergroten voor jongeren die aan het programma hebben deelgenomen;

3.  stelt bovendien dat het project dat vandaag bekend staat onder de naam Europees Solidariteitskorps, waarover momenteel onderhandelingen lopen, een eigen begrotingslijn en eigen middelen moet krijgen, bestaande uit de middelen die eerder waren toegewezen aan het Europees vrijwilligerswerk in het kader van Erasmus+ en andere middelen, uitsluitend afkomstig van niet-toegewezen marges;

4.  benadrukt de waarde van het programma Creatief Europa voor het ondersteunen van de audiovisuele en culturele sector in de Unie; herhaalt met klem dat de financiering moet overeenstemmen met de ambities van het programma, met name in het geval van het subprogramma Cultuur, dat chronisch ondergefinancierd is en bijgevolg moeite heeft om voldoende slaagpercentages te kunnen voorleggen, tot grote frustratie van de kandidaten; benadrukt dat lage slaagpercentages symptomatisch zijn voor ontoereikende financieringsniveaus, hetgeen niet strookt met de ambitieuze doelstellingen van het programma; is van mening dat een versterking van het sectoroverschrijdende onderdeel van het programma Creatief Europa de Commissie in staat kan stellen haar inspanningen op te voeren in de strijd tegen nepnieuws, zowel door aan een grotere mediageletterdheid te werken als door de sectorale dialoog te stimuleren; is ten slotte van mening dat de benutting van synergieën tussen het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) en de Garantiefaciliteit voor de culturele en creatieve sector moet blijven duren, onder meer om de culturele en creatieve sector in staat te stellen hun dubbele waarde volledig tot uiting te laten komen, enerzijds door het beschermen en het op de voorgrond plaatsen van de Europese culturele en taalkundige diversiteit, en anderzijds als ondersteuning voor het scheppen van kwaliteitsvolle banen, het verwezenlijken van duurzame groei en het stimuleren van innovatie en productie; staat erop dat er een substantiële financiële bijdrage uit het EFSI moet komen voor investeringen in onderwijs, opleiding en onderzoek, en dat de culturele en creatieve sector passende steun moet krijgen; benadrukt dat op maat gesneden, sectorspecifieke ondersteuning van essentieel belang is om ervoor te zorgen dat de culturele en creatieve sector baat heeft bij EFSI-leningen;

5.  neemt kennis van de aandacht die de lancering van het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed 2018 heeft gewekt; dringt daarom aan op een voortzetting van de bestuursmaatregelen en -instrumenten die verband houden met het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed na 2018, onder meer met behulp van specifieke financiering in het kader van andere meerjarige programma's, zoals de programma's voor onderzoek, extern optreden, cohesie en Erasmus+ en initiatieven voor de digitalisering van cultureel erfgoed, en door ze op te nemen in het actieplan voor digitaal onderwijs;

6.  spoort de Commissie aan om een volledige evaluatie te verrichten – en vervolgens aan het Parlement te bezorgen – van alle activiteiten die onder de begrotingslijn "multimedia-acties" vallen, om ervoor te zorgen dat de centrale doelstellingen van deze activiteiten worden bereikt en dat er in het volgende MFK een goed evenwicht wordt gevonden tussen de verschillende acties; wijst erop dat de begrotingslijn "multimedia-acties" is ingevoerd ter financiering van algemene op de burger gerichte voorlichtingsacties betreffende de Unie waarmee wordt beoogd meer zichtbaarheid te geven aan de werkzaamheden van de instellingen van de Unie, de besluitvorming en de verschillende fasen van de opbouw van Europa; spoort de Commissie bijgevolg aan de huidige activiteiten in het kader van deze begrotingslijn die andere doeleinden dienen te financieren via andere passende begrotingslijnen; dringt aan op bijkomende financiering in 2019 om het werk van Euranet Plus voor de resterende duur van het MFK veilig te stellen; benadrukt evenwel dat de huidige situatie waarbij het netwerk van dag tot dag functioneert niet vol te houden is en dringt aan op een financiële basis op lange termijn in het volgende MFK;

7.  wijst op het succes van de voorbereidende actie "Ondertiteling van Europese culturele tv-inhoud in heel Europa" die momenteel wordt uitgevoerd door ARTE Europe en na 2018 niet langer in aanmerking komt voor steun uit de EU-begroting; onderstreept dat dit project ervoor zorgt dat Europese culturele inhoud wordt uitgezonden in vijf (binnenkort zes) EU-talen en op die manier via diverse mediaplatformen zo'n 70 % van de EU-burgers bereikt in hun eigen moedertaal; is van mening dat het project uitzonderlijk goed onthaald is door het doelpubliek en in belangrijke mate bijdraagt aan een betere toegang tot Europese culturele inhoud over de grenzen heen en de bevordering van interculturele uitwisseling; dringt er bij de Commissie dan ook op aan steun te blijven uittrekken om kwaliteitsprogramma's in meerdere talen toegankelijk te maken voor een groot aantal EU-burgers door het ondertitelingsinitiatief onder te brengen in een bestaand programma of een bestaande begrotingslijn, bijvoorbeeld binnen Creatief Europa;

8.  dringt erop aan dat het voortbestaan van het Centrum voor pluralisme van de media en mediavrijheid in Florence en het Europees Centrum voor pers- en mediavrijheid in Leipzig wordt gewaarborgd voor de rest van het MFK, gezien de sterke achteruitgang van de situatie van de pers- en mediavrijheid in Europa, en dat er hiervoor in 2019 bijkomende middelen worden vrijgemaakt; merkt op dat de werkzaamheden van deze centra perfect op elkaar aansluiten en spoort de Commissie aan de centra in het volgende MFK te voorzien van een financiële basis op lange termijn, zodat ze zo onafhankelijk mogelijk kunnen uitgroeien tot doeltreffende Europese instrumenten om mediavrijheid en pluralisme van de media te waarborgen en journalisten in gevaarlijke situaties bijstand en ondersteuning op maat te bieden;

9.  benadrukt de waarde van het programma Europa voor de burger om de burgers een beter inzicht te doen krijgen in de werking van de Unie en een gevoel van burgerschap te stimuleren, en om daarnaast ook operationele steun te bieden aan Europese organisaties uit het maatschappelijk middenveld, die een centrale rol spelen in de Unie en gerichte financiële steun nodig hebben; bevestigt nogmaals vast te houden aan een betere financiering van het programma door alle beschikbare middelen te benutten om het slaagpercentage van het project te vergroten in 2019, het jaar van de verkiezingen van het Europees Parlement, en ook daarna, door een passend financieringsniveau te verzekeren; wijst erop dat de Commissie in de begroting van 2018 en ondanks bezwaren van het Parlement de middelen voor Europa voor de burger met 740 000 EUR heeft verlaagd ten opzichte van de financiële programmering om een impuls te geven aan het Europees burgerinitiatief (EBI); betreurt dan ook dat volgens de actualisering van de financiële programmering die de Commissie in januari 2018 heeft bekendgemaakt nog eens 2,5 miljoen EUR (1,1 miljoen EUR in 2019 en 1,4 miljoen EUR in 2020) zal worden afgeroomd van het programma Europa voor de burger om het vernieuwde EBI te financieren, hetgeen volgens de actualisering is bepaald in het voorstel voor de nieuwe EBI-verordening; stelt vast dat er noch in het voorstel zelf, noch in het bijbehorend financieel memorandum sprake is van enige gevolgen voor de begroting van het programma Europa voor de burger; wijst erop dat het Parlement bij het onderzoeken van wetgevingsvoorstellen moet beschikken over alle feiten en herinnert de Commissie aan haar plicht om deze feiten bekend te maken; wijst met nadruk op zijn gehechtheid aan een doeltreffend en naar behoren gefinancierd programma Europa voor de burger, zijn resoluut verzet tegen de voorgestelde verlaging van de begroting en zijn voornemen deze beknibbelingen in de begrotingsprocedures voor 2019 en 2020 terug te draaien;

10.  dringt er bij de Commissie op aan betere synergieën tot stand te brengen tussen culturele en onderwijsprogramma's en beschikbare financiering in het kader van andere programma's en instrumenten, meer bepaald de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen), het EFSI en Horizon 2020; wijst er in dit verband op dat cultuur- en onderwijsgerelateerde projecten in de programmeringsperiode 2007-2013 en 2014-2020 van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ten minste 11 miljard EUR vertegenwoordigden;

11.  benadrukt de cruciale rol van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI) in de strijd tegen jeugdwerkloosheid; onderstreept dat het YEI voldoende middelen moet krijgen om de vastgestelde doelstellingen te kunnen behalen en dat er meer synergieën tot stand moeten worden gebracht tussen het YEI, het Europees Sociaal Fonds en de nationale begrotingen van de lidstaten;

12.  verzoekt de Commissie genoeg begrotingsmiddelen uit te trekken om de verkiezingen van het Europees Parlement van 2019 meer zichtbaarheid te geven en meer aan bod te laten komen in de media, met name om het concept van de "Spitzenkandidaten" – de kandidaten voor het voorzitterschap van de Commissie – meer bekendheid te geven;

13.  wijst op het potentieel van proefprojecten en voorbereidende acties als manier om op beleidsterreinen van de Unie maatregelen uit te testen en nieuwe, innoverende initiatieven in te voeren die kunnen uitgroeien tot Uniemaatregelen op lange termijn;

14.  wijst erop dat de terugtrekking van het VK uit de Unie de Europese scholen voor bijzonder acute uitdagingen stelt, vooral gezien de omvang van de Engelse taalsectie (zo'n 21 % van alle leerlingen) en het overwicht van het Engels als tweede taal (61 % van alle leerlingen in het schooljaar 2016-2017); is ingenomen met de vooruitgang die tot nu toe is geboekt bij de onderhandelingen, met name met het voorlopig akkoord over een overgangsperiode waarbij het VK partij zou blijven bij het Verdrag van de Europese scholen tot het einde van het schooljaar 2020-2021; wijst er echter op dat er op het gebied van begroting en onderwijs nog steeds belangrijke onopgeloste zaken zijn in verband met het op lange termijn aanbieden van hoogwaardig Engels taalonderwijs en de blijvende erkenning van het Europees baccalaureaatsdiploma in de VK, ongeacht de bepalingen van artikel 120 van het ontwerpterugtrekkingsakkoord; dringt er bij de Commissie en de Raad van Bestuur op aan de Commissie cultuur en onderwijs op de hoogte te houden van de langetermijnplannen om de problemen die gepaard gaan met de brexit op te vangen;

15.  is blij met de inspanningen die de laatste jaren zijn geleverd om het probleem van betalingsachterstanden aan te pakken; wijst erop dat vertragingen bij het sluiten van contracten tussen de bevoegde instanties en de begunstigden, alsook late betalingen tot gevolg hebben dat de volledige tenuitvoerlegging van de programma's door de Commissie op de helling komt te staan; wijst erop dat een verhoging van de vastleggingskredieten vergezeld moet gaan van een dienovereenkomstige verhoging van de betalingskredieten om tijdige betalingen te waarborgen;

16.  benadrukt het belang van inclusiviteit en vraagt dat er voor de plenaire vergaderingen van het Parlement vertolking in gebarentaal wordt ingevoerd;

17.  benadrukt het belang van de inclusie van migranten en vluchtelingen en onderstreept dat een gelijke toegang tot onderwijs, opleiding en leerlingplaatsen in hun nieuwe verblijfplaats, alsook tot de cultuur die dit land eigen is, er mee voor zorgt dat zij zich welkom voelen, integreren en hervestigen;

18.  is zich bewust van de sociale waarde van zowel het natuurlijke als het culturele erfgoed en van de voordelen die het kan opleveren als het potentieel daarvan als aanjager van de economie wordt benut;

19.  benadrukt dat sociale uitsluiting moet worden aangepakt en dat de inclusie van personen uit achterstandsmilieus belangrijk is om hen volledige en gelijke toegang te verschaffen tot cultuur en onderwijs.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

7.6.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

19

0

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Isabella Adinolfi, Dominique Bilde, Andrea Bocskor, Nikolaos Chountis, Silvia Costa, Damian Drăghici, Angel Dzhambazki, Jill Evans, María Teresa Giménez Barbat, Petra Kammerevert, Svetoslav Hristov Malinov, Rupert Matthews, Luigi Morgano, John Procter, Sabine Verheyen, Julie Ward, Bogdan Andrzej Zdrojewski

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Norbert Erdős, Sylvie Guillaume, Morten Løkkegaard, Martina Michels

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

John Flack, Gabriel Mato

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

19

+

ALDE

María Teresa Giménez Barbat, Morten Løkkegaard

EFDD

Isabella Adinolfi

GUE/NGL

Nikolaos Chountis, Martina Michels

PPE

Andrea Bocskor, Norbert Erdős, Svetoslav Hristov Malinov, Gabriel Mato, Sabine Verheyen, Bogdan Andrzej Zdrojewski

S&D

Silvia Costa, Damian Drăghici, Giorgos Grammatikakis, Sylvie Guillaume, Petra Kammerevert, Luigi Morgano, Julie Ward

Verts/ALE

Jill Evans

0

-

4

0

ECR

John Flack, Rupert Matthews, John Procter

ENF

Dominique Bilde

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (20.6.2018)

aan de Begrotingscommissie

inzake de begroting 2019 – Mandaat voor de trialoog

(2018/2024(BUD))

Rapporteur voor advies: Malin Björk

SUGGESTIES

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat de bevordering van de gelijkheid van mannen en vrouwen volgens artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie een fundamenteel beginsel van de EU is, wat betekent dat gendermainstreaming en genderbewust budgetteren belangrijke instrumenten binnen de begrotingsprocedure zijn om dit beginsel te integreren in het beleid, de maatregelen en het optreden van de EU om gelijkheid te bevorderen, discriminatie te bestrijden, en de actieve betrokkenheid van vrouwen op de arbeidsmarkt te vergroten alsook economische en sociale activiteiten te bevorderen;

B.  overwegende dat de ongelijkheid een groeiend probleem is in de EU, en overwegende dat de begroting van de Unie steeds meer moet worden opgezet om een belangrijke bijdrage te leveren aan het waarborgen en ontwikkelen van sociale rechten, toegang tot openbare zorgvoorzieningen, met name de gezondheidszorg, onderwijs, huisvesting, en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden, met specifieke aandacht voor de verbetering van de gendergelijkheid en de positie van vrouwen en meisjes;

C.  overwegende dat stereotypen nog altijd een belemmering vormen voor vrouwen, vooral op de arbeidsmarkt; overwegende dat de bevordering van het evenwicht tussen werk en privéleven zowel gunstig is voor de verbetering van de positie van vrouwen als voor de economie van de EU;

D.  overwegende dat de gelijkheid van vrouwen en mannen een ex-antevoorwaarde is van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen van het huidige meerjarig financieel kader (MFK) 2014‑2020; overwegende dat in een van de bij het MFK aangehechte interinstitutionele verklaringen wordt bevestigd dat genderelementen zullen worden opgenomen in de jaarlijkse begrotingsprocedures, waarbij rekening wordt gehouden met de wijze waarop het algemeen financieel kader van de Unie gendergelijkheid bevordert en gendermainstreaming waarborgt;

E.  overwegende dat is aangetoond dat empowerment van vrouwen zal leiden tot economische groei en dat het ondernemerspotentieel van vrouwen een onaangeboorde bron van economische ontwikkeling en te creëren banen is; overwegende dat vrouwen in plattelandsgebieden te maken hebben met speciale uitdagingen bij het opzetten van hun eigen bedrijf en dat de begroting van de Unie een aanzienlijke bijdrage moet kunnen leveren aan de verbetering van de gelijke toegang tot informatie, opleiding en financiering;

F.  overwegende dat economische onafhankelijkheid van essentieel belang is voor de emancipatie van de vrouw; overwegende dat de arbeidsparticipatie van vrouwen in de EU nog steeds onaanvaardbaar laag is en dat het potentieel van vrouwen en meisjes moet worden verhoogd, vooral op het gebied van de digitale economie en in de STEM- en de ICT-sector, teneinde werkelijke gendergelijkheid te realiseren, genderstereotypen uit te bannen en bij te dragen aan de groei en innovatie van de economie;

G.  overwegende dat er steeds minder vrouwen in de digitale sector werkzaam zijn, hoewel de vraag naar ICT-specialisten en digitale profielen stijgt(1); overwegende dat volgens de door de Commissie zelf uitgevoerde studie een groter aantal vrouwen in digitale banen voor een jaarlijkse bbp-groei van 16 miljard euro in de EU zou kunnen zorgen; overwegende dat het gebrek aan digitale vaardigheden en het ontbreken van vrouwelijke rolmodellen in de STEM-sector vrouwen en meisjes ervan weerhouden om voor de technologiesector te kiezen; overwegende dat de ICT-sector veel potentieel biedt voor het bereiken van een goed evenwicht tussen werk en privéleven doordat vrouwen in staat worden gesteld hun werk en de zorg voor de kinderen te combineren dankzij de mogelijkheden om op afstand te werken;

H.  overwegende dat circa een op de drie vrouwen sinds haar vijftiende jaar fysiek en/of seksueel geweld heeft ondergaan en dat er nog steeds stelselmatig te weinig gerapporteerd wordt over gevallen en plegers van huiselijk geweld in de EU, uit angst of uit gebrek aan informatie over de rechten van slachtoffers; overwegende dat de kosten van huiselijk geweld tegen vrouwen volgens ramingen van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) zouden kunnen oplopen tot 109 miljard euro per jaar(2); overwegende dat gendergerelateerd geweld tegen vrouwen en meisjes en tegen LGBTQI-personen een mensenrechtenschending is die in alle lagen van de samenleving voorkomt; overwegende dat het essentieel is dat bij de tenuitvoerlegging van het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" het Daphne-profiel zo zichtbaar mogelijk blijft; overwegende dat de Commissie rekening moet houden met de noodzaak om toereikende financieringsniveaus te handhaven en te zorgen voor de continuïteit van acties en de voorspelbaarheid van de financiering op alle terreinen die onder de specifieke doelstellingen vallen;

I.  overwegende dat de EU momenteel het proces van toetreding tot de Overeenkomst van Istanbul doorloopt, een noodzakelijke stap in de richting van verbetering en versterking van haar inspanningen om gendergerelateerd geweld in heel Europa uit te bannen; overwegende dat sommige lidstaten die overeenkomst evenwel niet hebben geratificeerd;

J.  overwegende dat de Unie en haar lidstaten samen 's werelds grootste donor zijn en meer dan 50 % van alle mondiale ontwikkelingshulp verstrekken; overwegende dat de vermindering van de steun van andere donoren op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en reproductieve gezondheid van vrouwen, vereist dat de Unie en haar lidstaten de huidige financiering verhogen, met name op gebieden met een bijzondere genderdimensie;

1.  benadrukt dat genderbudgettering een integraal deel moet uitmaken van alle fasen van de begrotingsprocedure en van alle begrotingslijnen, en niet alleen in programma's waarin het gendereffect het duidelijkst is, zodat de begrotingsuitgave een efficiënt instrument wordt om de gendergelijkheid te bevorderen; vraagt nogmaals om meer middelen om de rechten van vrouwen en meisjes in stand te houden, hun economische onafhankelijkheid te bevorderen en genderongelijkheid terug te dringen, onder meer door gebruik te maken van de bestaande instrumenten op het niveau van de EU en de lidstaten, zoals gendereffectbeoordelingen; dringt er bij de Commissie en de Raad op aan genderbudgettering stelselmatig toe te passen op alle overheidsuitgaven en gendermainstreaming door te voeren in alle begrotingshoofdstukken, met name bij de onderhandelingen over het volgende MFK;

2.  betreurt dat gendermainstreaming niet consequent wordt toegepast in de meeste van de bestaande programma's en financieringsinstrumenten van de EU en het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI); verzoekt de Commissie daarom om daar in de volgende programmeringsperiode verandering in te brengen om ervoor te zorgen dat er voldoende middelen worden toegewezen voor gendergelijkheid;

3.  verzoekt de lidstaten gebruik te maken van de bestaande middelen die beschikbaar zijn uit hoofde van het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), Leader+ en Horizon 2020; dringt voorts aan op meer synergieën tussen de beschikbare instrumenten om gendergelijkheid te bevorderen, het evenwicht tussen werk- en privéleven te verbeteren, en voor iedere betere leef- en arbeidsomstandigheden tot stand te brengen door middel van specifiek beleid op maat om de positie van vrouwen en meisjes te versterken en met behulp van onderwijs en gezondheidsdiensten, met name op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, met inbegrip van uitgebreide seksuele voorlichting, adviesdiensten, behandeling en zorg voor slachtoffers van gendergerelateerd en seksueel geweld, en vraagt meer geld uit te trekken voor investeringen in dergelijke hoogwaardige openbare zorgvoorzieningen;

4.  pleit ervoor dat er middelen worden toegewezen aan programma's waarmee ondernemerschap van vrouwen en de toegang van vrouwen tot de arbeidsmarkt worden ondersteund, met inbegrip van door vrouwen opgerichte en geleide kmo's, als onderdeel van het programma Cosme, en dat toegang voor vrouwen tot leningen en aandelenfinanciering wordt gewaarborgd en aangemoedigd; dringt aan op steun voor mannen en vrouwen die ondernemers zijn en zorgverantwoordelijkheden dragen, aangezien een dergelijk ondernemerschap niet alleen een voorbeeld is van het succesvol combineren van werk en gezin, maar ook bijdraagt tot het stimuleren van nieuwe banenkansen en rolmodellen die met name andere vrouwen ertoe aanmoedigen hun eigen projecten te verwezenlijken, en de economische onafhankelijkheid en emancipatie van vrouwen bevorderen;

5.  benadrukt dat er meer vrouwen en meisjes moeten worden aangetrokken in de STEM- en de ICT-sector; onderstreept dat het noodzakelijk is om programma's te financieren waarin de nadruk ligt op de uitdagingen waarmee vrouwen worden geconfronteerd bij de aanpassing aan het digitale tijdperk en op het aanpakken van de digitale kloof tussen mannen en vrouwen door de digitale vaardigheden van vrouwen te ontwikkelen, alsook op het bieden van hoogwaardige onderwijs- en opleidingsmogelijkheden aan vrouwen en meisjes en het vergroten van het bewustzijn van de mogelijkheden die de STEM- en ECT-sector bieden, als onderdeel van Horizon 2020, Erasmus+, het ESF en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

6.  herhaalt zijn verzoek om een aparte begrotingslijn voor elke specifieke doelstelling van het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap", ook met het oog op de voorbereiding van het volgende MFK, teneinde de transparantie te verhogen, te zorgen voor de nodige financiering voor elk van de specifieke doelstellingen, met name die welke betrekking hebben op de bestrijding van gendergerelateerd geweld en seksuele intimidatie, en de doelstelling van gendergelijkheid, en dringt tevens aan op een grotere zichtbaarheid van die doelstellingen, waarbij met name aandacht moet worden besteed aan het vergroten van het publieke bewustzijn, voorlichting van vrouwelijke slachtoffers over hun rechten en de beschikbare diensten, en het bieden van opleidingen aan de desbetreffende professionals; verzoekt om meer budget voor vrouwenhuizen die diensten verlenen aan vrouwen en kinderen die het slachtoffer zijn van gendergerelateerd en huiselijk geweld, zodat zij hun werkzaamheden op het gebied van slachtofferhulp, preventie en empowerment kunnen uitbreiden;

7.  hamert erop dat de verbintenissen tot uitvoering van de overeenkomst van Istanbul, met inbegrip van maatregelen om slachtoffers te beschermen, daders te vervolgen en agentschappen en instanties te ondersteunen, en maatregelen tot uitbanning van gendergebaseerd geweld tegen vrouwen en meisjes, alsook jegens LGBTQI, ongeacht hun verblijfsstatus, tot uiting moeten komen in concrete begrotingstoezeggingen en ‑aanbevelingen in de volgende EU-begroting;

8.  herinnert eraan dat er onder de vluchtelingen en asielzoekers die de EU binnenkomen zeer veel vrouwen en kinderen zijn; herinnert eraan dat gendermainstreaming tot de basisbeginselen van het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) behoort; verzoekt de EU en de lidstaten daarom concrete maatregelen te nemen en voldoende financiële middelen toe te wijzen om de bescherming van vrouwen tegen geweld tijdens de gehele asielprocedure te waarborgen door hoogwaardige gezondheidszorg, gescheiden en veilige slaapplaatsen en alleen voor vrouwen bestemde sanitaire ruimten in doorreis- en opvangfaciliteiten aan te bieden, door veilige ruimten te creëren, door te zorgen voor de aanwezigheid van een voldoende aantal vrouwelijke personeelsleden, door informatie te verstrekken over rechten en bijstandsdiensten, door specifieke opleiding inzake het herkennen en voorkomen van gendergebaseerd geweld voor personeel dat werkzaam is in doorreis- en opvangfaciliteiten, en door hervestigings- en herplaatsingsprogramma's te ondersteunen die het voor asielzoekers en vluchtelingen mogelijk maken om langs veilige en legale routes naar Europa te komen, met bijzondere aandacht voor kwetsbare groepen, zoals vrouwen, meisjes en LGBTQI;

9.  verzoekt de EU om via de ontwikkelingshulp die zij verleent vrouwenrechtenorganisaties, maatschappelijke organisaties die zich inzetten voor gendergelijkheidskwesties, vrouwenrechten, de emancipatie van meisjes en de vertegenwoordiging van vrouwen in besluitvormingsprocessen te bevorderen; wijst op de dringende behoefte om de EU-financiering voor seksuele en reproductieve gezondheid en rechten te verhogen en de lidstaten daarbij te betrekken teneinde de impact van het gat in de financiering die door de VS is ontstaan na de herinvoering en uitbreiding van hun "global gag rule", terug te dringen;

10.  verzoekt de EU om het budget voor maatschappelijke organisaties die vrouwenrechten bevorderen, te verhogen, en om de capaciteit van vrouwenrechtenverenigingen in Europa en op het zuidelijk halfrond te versterken;

11.  verzoekt de EU erop toe te zien dat haar gendermainstreamingdoelstellingen voor ontwikkelingshulp worden bereikt en ervoor te zorgen dat gendermarkers en specifieke codes in alle EU-verslagen op consequente wijze worden gebruikt, inclusief de markers en codes die worden gehanteerd door de OESO-Commissie voor ontwikkelingsbijstand (DAC), die eveneens toeziet op gendergelijkheidsdoelstellingen bij de tenuitvoerlegging van officiële ontwikkelingshulp (ODA);

12.  benadrukt de belangrijke rol van het EIGI bij en de behoefte aan een geconsolideerd budget voor het verzamelen van gegevens en het vergroten van expertise op het vlak van gendergelijkheid, waaronder de bestrijding van het geweld tegen vrouwen en meisjes; verzoekt de begroting, de personeelsformatie en de onafhankelijkheid van het EIGE ongemoeid te laten.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

20.6.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

24

5

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Daniela Aiuto, Maria Arena, Beatriz Becerra Basterrechea, Heinz K. Becker, Malin Björk, Vilija Blinkevičiūtė, Anna Hedh, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Florent Marcellesi, Angelika Mlinar, Maria Noichl, Margot Parker, Pina Picierno, João Pimenta Lopes, Terry Reintke, Liliana Rodrigues, Michaela Šojdrová, Ernest Urtasun, Jadwiga Wiśniewska, Anna Záborská, Maria Gabriela Zoană

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

José Inácio Faria, Lívia Járóka, Kostadinka Kuneva, Marc Tarabella, Mylène Troszczynski, Julie Ward

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Ivan Štefanec

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

24

+

ALDE

Beatriz Becerra Basterrechea, Angelika Mlinar

EFDD

Daniela Aiuto

GUE/NGL

Malin Björk, Kostadinka Kuneva, João Pimenta Lopes

PPE

Heinz K. Becker, José Inácio Faria, Lívia Járóka, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Ivan Štefanec

S&D

Maria Arena, Vilija Blinkevičiūtė, Anna Hedh, Maria Noichl, Pina Picierno, Liliana Rodrigues, Marc Tarabella, Julie Ward, Maria Gabriela Zoană

VERTS/ALE

Florent Marcellesi, Terry Reintke, Ernest Urtasun

5

-

ECR

Jadwiga Wiśniewska

EFDD

Margot Parker

ENF

Mylène Troszczynski

PPE

Michaela Šojdrová, Anna Záborská

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

Voor de Commissie opgestelde studie, Women in the digital age, maart 2018.

(2)

Europees Instituut voor gendergelijkheid, Estimating the costs of gender-based violence in the European Union, publicatieblad van de Europese Unie, Luxemburg, 2014.


BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE BUITENLANDSE ZAKEN

Brief d.d. 19 juni 2018 van David McAllister, voorzitter van de Commissie buitenlandse zaken, en Brando Benifei, rapporteur van de Commissie buitenlandse zaken, aan Jean Arthuis, voorzitter van de Begrotingscommissie

Vertaling

Ref.: D(2018)22136

De heer Jean Arthuis

Voorzitter

Begrotingscommissie

Betreft:  Bijdrage van de Commissie buitenlandse zaken aan het verslag over het mandaat voor de begrotingstrialoog

Geachte voorzitter,

In het licht van het verslag van uw commissie Begroting 2019 – Mandaat voor de trialoog (2018/2024(BUD)) willen wij u in kennis stellen van de prioriteiten van de Commissie buitenlandse zaken (AFET) voor de EU-begroting 2019.

Wij zijn ervan overtuigd dat de EU van voldoende middelen moet worden voorzien om volledig gebruik te kunnen maken van haar potentieel als mondiale speler. In de huidige mondiale omgeving, die wordt gekenmerkt door een hoge mate van instabiliteit en een groeiend aantal bedreigingen en uitdagingen, moeten meer middelen beschikbaar worden gesteld voor het extern optreden van de EU. Wij erkennen dat de vastleggingskredieten voor rubriek 4 zijn verhoogd, hoewel deze verhoging grotendeels te danken is aan de hogere bijdragen voor de Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije. Bovendien willen wij erop wijzen dat de ontwerpbegroting de marges voor rubriek 4 volledig uitput. Hierdoor zal de EU zeer weinig speelruimte hebben in het geval van onvoorziene externe crises. Het Parlement moet waarborgen eisen dat extra kredieten voor rubriek 4 mogelijk zullen zijn in het geval van urgente behoeften.

Wij blijven grote waarde hechten aan het uitbreidingsproces en de daaraan verbonden financiële steun aan (potentiële) kandidaat-lidstaten via het instrument voor pretoetredingssteun (IPA II). Wij benadrukken vooral de noodzaak van voldoende financiering om het Actieplan 2018-2020 van de strategie voor de Westelijke Balkan uit te voeren, waarbij prioriteit wordt gegeven aan steun voor de rechtsstaat en regionale integratie. In dit verband is het teleurstellend dat de Commissie voorstelt de toekenning voor politieke hervormingen in de Westelijke Balkan met 10 miljoen EUR te verlagen. Aan de andere kant is de aanzienlijke verhoging van de vastleggingskredieten voor regionale acties in de Westelijke Balkan een positieve stap richting het behalen van de doelstellingen van de strategie voor de Westelijke Balkan.

Met het oog op de voortdurende terugval op het gebied van rechtsstaat, democratie en grondrechten, steunen wij in overeenstemming met het conditionaliteitsbeginsel de overeenkomstige vermindering van het bedrag dat wordt toegewezen aan Turkije voor maatregelen met betrekking tot economische, sociale en territoriale ontwikkeling en de heroriëntering richting het maatschappelijk middenveld en grondrechten.

Wat betreft de financiering van de tweede tranche van de Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije, moet het Parlement aandringen op het aanhouden van de huidige bijdrageverhouding (2 miljard EUR van de lidstaten, 1 miljard EUR uit de EU-begroting), zoals beoogd in het voorstel van de Commissie van 14 maart 2018. De voorgestelde toewijzing in de ontwerpbegroting moet daarom worden aangepast om de totale bijdrage van de EU te verlagen tot 1 miljard EUR (waarbij rekening moet worden gehouden met de middelen die beschikbaar zijn gesteld in de begroting voor 2018). Bovendien moet worden gewaarborgd dat de bijdragen uit rubriek 4 aan de Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije niet leiden tot een vermindering van de middelen die beschikbaar zijn voor de bestaande programma's. Bovendien onderstreept het Parlement dat het gebruik van de middelen van de Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije en de volledige overeenstemming van de betalingen met de rechtsgrond daarvan nauwlettend moeten worden gemonitord.

Een andere belangrijke prioriteit voor AFET is het garanderen van ondersteuning voor de landen van het Oostelijk en het Zuidelijk Nabuurschap, wat van enorm strategisch belang is voor de EU. Wij zijn bezorgd over het feit dat de begroting van het Europees nabuurschapsinstrument (ENI) in 2019 onder aanzienlijke druk zal blijven staan. Deze druk wordt verergerd door het gebruik van ENI-middelen om de toezegging te financieren die tijdens de conferentie Brussel II is gedaan voor de crisis in Syrië en de door het conflict getroffen landen, en een aanvullende 100 miljoen EUR voor migratiegerelateerde projecten in het kader van het EU-noodtrustfonds voor Afrika (EUTF). Wij staan volledig achter de toezegging voor Syrië en de maatregelen om de onderliggende oorzaken van migratie aan te pakken, maar dit mag niet ten koste gaan van andere prioriteiten in het nabuurschap. Helaas worden deze nieuwe vastleggingen slechts gedeeltelijk gecompenseerd door verhogingen, wat leidt tot een vermindering van de middelen die overblijven voor de kernactiviteiten van het ENI. We verzoeken de Begrotingscommissie dit probleem in de begrotingsonderhandelingen aan de orde te stellen.

AFET is ingenomen met het voornemen van de Commissie om verhoogde steun te blijven verlenen aan Oekraïne en Tunesië. Hiernaast moet gezien de recente politieke ontwikkelingen financiering ter ondersteuning van de stabilisering van Libië worden overwogen. We benadrukken voorts de noodzaak de politieke hervormingen in Moldavië en Georgië te steunen. Uiteraard dringen wij erop aan dat de uitvoering en de voortgang van de hervormingen in de desbetreffende partnerlanden naar behoren worden gemonitord. Bovendien is het van essentieel belang dat de EU-steun voor het vredesproces in het Midden-Oosten, de Palestijnse Autoriteit en UNRWA wordt versterkt, ook met het oog op de verslechterende situatie ter plekke en het besluit van de VS om hun betrokkenheid drastisch te verminderen.

Wat betreft het Europees instrument voor democratie en mensenrechten moeten meer middelen worden uitgetrokken voor de bescherming van mensenrechtenverdedigers die gevaar lopen, onder meer door middel van het mechanisme voor mensenrechtenverdedigers (ProtectDefenders.eu), dat op een voorspelbare wijze moet kunnen functioneren. Hiernaast zouden wij graag meer financiële bijstand voor parlementen in derde landen zien, met het oog op de actieve ondersteuning van de ontwikkeling van interne expertise op het gebied van mensenrechten. Bovendien moet worden gezorgd voor voldoende financiering voor de verkiezingswaarnemingsmissies van de EU.

De begroting voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) blijft onder grote druk staan, en het gevaar bestaat dat dit probleem in 2019 wordt verergerd door de uitbreiding van een aantal missies in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB). Hiernaast wordt de begrotingslijn voor noodmaatregelen met meer dan een derde verminderd (10,1 miljoen EUR), wat zou leiden tot minder flexibiliteit bij het aanpakken van onverwachte crises. Daarom moet deze bezuiniging ongedaan worden gemaakt en de begroting voor het GBVB evenredig worden verhoogd.

Voorts benadrukken we hoe belangrijk het is de tenuitvoerlegging van de koppeling tussen ontwikkeling en veiligheid in het instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede voort te zetten, en we verzoeken daarom om aanvullende middelen die in het kader van de bestaande IcSP-onderdelen worden besteed.

Ten slotte zijn we verheugd dat het industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie in de ontwerpbegroting voor 2019 is opgenomen. We benadrukken dat de EU-lidstaten voor bijkomende taken moeten voorzien in passende aanvullende financiële middelen voor de begroting van de Unie en dat deze taken niet mogen worden gefinancierd via begrotingstoewijzingen van andere beleidsgebieden. Dit programma is samen met de voorbereidende actie voor Europees defensieonderzoek van vitaal belang voor het bevorderen van samenwerkingsgerichte vermogensontwikkeling en de consolidering van de Europese defensie-industrie. Voorts herhalen wij ons verzoek om de administratieve en beleidsuitgaven van het Europees Defensieagentschap (EDA) en de permanente gestructureerde samenwerking (PESCO) door de begroting van de Unie te dekken.

Wij zouden het zeer op prijs stellen als de suggesties van onze commissie in aanmerking werden genomen in de begrotingsonderhandelingen.

Hoogachtend,

David McAllister  Brando Benifei

Kopie:  De heer Daniele Viotti, rapporteur voor de EU-begroting 2019


BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE INTERNATIONALE HANDEL

Commissie internationale handel

De voorzitter

EXPO-COM-INTA D (2018) 24544

De heer Daniele Viotti

Rapporteur voor de begroting 2019

Begrotingscommissie

Betreft:  Mandaat voor de trialoog over de begroting 2019

Geachte heer Viotti,

Als voorzitter van de Commissie internationale handel (INTA) wil ik u in kennis stellen van de prioriteiten van INTA voor de begroting 2019, zoals overeengekomen door de coördinatoren van INTA op 20 juni 2018.

In de eerste plaats is INTA van mening dat de begroting van de Europese Unie met voldoende financiële middelen het feit moet ondersteunen dat de Commissie handel als een van de belangrijkste prioriteiten in haar werkprogramma vaststelt. Handel is niet alleen een krachtig instrument om groei en werkgelegenheid in Europa te creëren, maar ook een belangrijk instrument van het buitenlands beleid, dat Europese waarden in de rest van de wereld bevordert. Handel is ook een instrument om de geopolitieke situatie te stabiliseren in dichtbij gelegen landen, door het creëren van betere vooruitzichten voor de toekomst, nieuwe markten voor lokale producenten en een bron van directe buitenlandse investeringen.

Handelsgerelateerde bijstand - de EU biedt handelsgerelateerde bijstand aan de partnerlanden, zoals de steun voor de "Hulp voor handel"-regeling. De ervaring leert dat geen enkel land erin is geslaagd om economische groei op lange termijn te bereiken zonder deel te nemen aan de regionale en mondiale markten. Intensievere handel draagt bij tot een efficiëntere productie door middel van specialisatie en participatie in regionale en mondiale waardeketens. Op de juiste wijze uitgevoerd kan handelsgerelateerde bijstand bijdragen tot de versterking van de onderhandelingscapaciteit en de capaciteit om een regelgevend kader tot stand te brengen dat handel faciliteert. De handelsgerelateerde bijstand van de Unie legt een sterkere nadruk op de ondersteuning van meer intraregionale handel in onze partnerregio's.

Kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) - kmo's zijn de ruggengraat van de Europese economie, zorgen voor 85 % van alle nieuwe banen, en zijn een essentieel instrument om de sociale cohesie binnen de EU te bevorderen. In de begroting moet de nadruk liggen op steun aan kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) door ten volle van de beschikbare middelen ter ondersteuning van internationalisering gebruik te maken.

Het is bekend dat kmo's de leiders zijn van de economie en niet de volgers. Het zijn ook voor een groot deel de kmo's die in groei en innovatie voorzien. Deze bijdrage moet in de EU‑begroting worden erkend.

Handelsovereenkomsten - De huidige agenda van de EU voor handelsbesprekingen is ambitieuzer dan ooit. Recentelijk heeft de EU onderhandelingen afgerond met Japan, Mexico, Singapore, Vietnam en zijn er onderhandelingen gaande met, onder meer, de Mercosur-landen, Chili, Indonesië, Australië, Nieuw-Zeeland en Tunesië. Om deze agenda tot een succes te maken moeten daaraan adequate middelen worden gekoppeld voor tussentijdse evaluaties en ex-postevaluaties van de naleving door derde landen van hun verbintenissen jegens de EU met betrekking tot andere beleidskwesties in verband met handelsovereenkomsten, zoals de inachtneming van mensen- en arbeidsrechten en milieunormen. De eisen van het maatschappelijk middenveld voor meer transparantie moeten meer in aanmerking worden genomen en voldoende middelen moeten worden toegewezen aan analyse en dialoog met belanghebbenden.

Een op waarden gebaseerde handelsbeleid - Hoewel internationaal handelsbeleid voornamelijk dient om wederzijds voordelige economische groei te bevorderen is het ook een instrument ter bevordering van andere waarden die de Europese Unie op het multilaterale toneel nastreeft, zoals de eerbiediging van de mensenrechten, met inbegrip van gelijke rechten voor vrouwen en mannen, de rechtsstaat, de uitvoering van internationale arbeidsnormen en de bescherming van het milieu. De hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling moeten volledig bindend en afdwingbaar zijn en de verbintenissen van derde landen in het kader van het stelsel van algemene preferenties vereisen voldoende middelen voor de monitoring, de dialoog en de samenwerking over deze kwesties.

Het vullen van het gat dat de brexit achterlaat - wanneer het VK de EU verlaat, zal het VK voor het komende meerjarig financieel kader niet meer als lidstaat bijdragen aan de EU-begroting; De toekomstige financiële bijdragen van het VK in verband met zijn samenwerking met de EU moeten nog worden vastgesteld. De brexit zal in ieder geval een aanzienlijk verlies aan inkomsten tot gevolg hebben. Met het oog op een soepele transitie van het huidige EU-beleid naar het volgende meerjarig financieel kader, moet in de begroting voor 2019 met de voorbereiding op het inkomstenverlies rekening worden gehouden. Hopelijk sluit de EU een goede handelsovereenkomst met het VK. Beide partners zullen bij een dergelijke oplossing baat hebben.

Met de meeste hoogachting,

Bernd Lange


BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE BEGROTINGSCONTROLE

Brief d.d. 31 mei 2018 van Ingeborg Gräßle, voorzitter van de Commissie Begrotingscontrole, en Joachim Zeller, lid van de Commissie Begrotingscontrole, aan Jean Arthuis, voorzitter van de Begrotingscommissie

Vertaling

Betreft:  Bijdrage namens de Commissie Begrotingscontrole met betrekking tot het mandaat voor de begrotingstrialoog voor de begroting 2019

Geachte heer Arthuis,

De Commissie begrotingscontrole verzoekt de bevoegde Begrotingscommissie in haar mandaat voor de trialoog over de begroting rekening te houden met de volgende punten:

1.  Net als in voorgaande jaren maakt onze commissie zich grote zorgen over het recordniveau van nog betaalbaar te stellen vastleggingen. De nog betaalbaar te stellen vastleggingen bereikten eind 2016 een recordhoogte van 238 miljard EUR, 72 % meer dan in 2007, en equivalent aan 2,9 jaar aan betalingen tegenover 2,2 jaar in 2007. Onze commissie benadrukt dat de definitieve nog betaalbaar te stellen vastleggingen op 31 december 2017 266,8 miljard EUR bedroegen en dat de stijging in 2017 groter was dan verwacht en 28,8 miljard EUR bedroeg;

2.   Onze commissie wijst erop dat met name de vertragingen bij de uitvoering van programma's in de eerste drie jaar van het huidige MFK hebben geleid tot de overdracht van vastleggingskredieten van 2014 naar voornamelijk 2015 en 2016, en tot weinig betalingen in 2016 (en een uitvoering van de EU-begroting van 7 % in de periode 2014-2016 van het huidige MFK). We wijzen er echter op dat de uitvoering van de ESIF-programma's in 2017 is versneld. We verwachten dat deze trend zich in 2018 en 2019 zal voortzetten. Onze commissie is van mening dat moet worden voorzien in voldoende middelen om een soepele uitvoering mogelijk te maken;

3.   Onze commissie vreest dat er tegen het einde van het huidige MFK en in de eerste jaren van het volgende MFK een achterstand in de betalingen kan ontstaan. We zijn van mening dat voor de financiering van het nieuwe MFK realistische begrotingskredieten nodig zijn om de verwachte nog betaalbaar te stellen vastleggingen te dekken;

4.   Onze commissie wijst erop dat middelen van de Unie een belangrijk deel van de overheidsuitgaven van sommige lidstaten vertegenwoordigen, en dat met name in negen lidstaten (Litouwen, Bulgarije, Letland, Roemenië, Hongarije, Polen, Kroatië, Estland en Slowakije) nog betaalbaar te stellen vastleggingen uit de ESI-fondsen een hoeveelheid financiële steun van meer dan 15 % van de algemene overheidsuitgaven vertegenwoordigen;

5.   Onze commissie betreurt dat de algehele financiële blootstelling van de begroting van de Unie is toegenomen, met aanzienlijke schulden, garanties en juridische verbintenissen op lange termijn. Deze verbintenissen moeten in de toekomst zorgvuldig worden beheerd;

6.   Onze commissie vreest dat, ondanks het uitgebreide gebruik van speciale instrumenten (de reserve voor noodhulp, het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering en het flexibiliteitsinstrument) en de marges, er wellicht onvoldoende kredieten op de begrotingslijnen overblijven om onvoorziene gebeurtenissen te financieren die zich nog vóór 2020 voordoen;

7.   Onze commissie wijst erop dat de Commissie diverse middelen heeft gemobiliseerd om het hoofd te bieden aan de vluchtelingen- en migratiecrisis, maar betreurt dat de Commissie geen rapportagestructuur heeft ingevoerd om uitgebreid te kunnen rapporteren over de gebruikmaking van de middelen op dat gebied. We betreuren dat het momenteel onmogelijk is vast te stellen hoeveel geld voor iedere migrant of vluchteling is uitgegeven;

8.   Onze commissie dringt erop aan dat het Europees Openbaar Ministerie (EPPO) voldoende wordt gefinancierd en van voldoende personeel wordt voorzien; stelt vast dat de bijdrage van de Unie in de ontwerpbegroting voor 2019 in totaal 4 911 000 EUR bedraagt; wijst erop dat dit krediet dient ter dekking van de personeelsuitgaven van het EPPO, de infrastructuur- en huishoudelijke uitgaven en de beleidsuitgaven, om een begin te maken met de ontwikkeling van het EPPO-systeem voor het beheer van zaken; betreurt het dat slechts 35 posten in het personeelsbestand zijn voorzien, hetgeen betekent dat na aftrek van de posten van (23) plaatsvervangend openbaar aanklagers slechts 12 posten zijn voorzien voor administratieve taken; acht dit niet realistisch;

9.  Onze commissie herinnert er tevens aan dat de Unie in toenemende mate gebruik maakt van financiële instrumenten en betreurt verder dat de oprichting van het EFSI nieuwe governancesystemen in het leven roept waarvoor het niveau van publieke controle ontoereikend blijft, en er dus meer zorgvuldige bewaking van het Europees Parlement nodig is;

10.  Onze commissie verzoekt de Commissie daarom:

a)  maatregelen te nemen met het oog op de strikte naleving van de regels en tijdschema's betreffende nog betaalbaar te stellen vastleggingen;

b)  lidstaten die moeilijkheden ondervinden bij het tijdig en soepel absorberen van beschikbare Unie-financiering bij te staan door op initiatief van de Commissie gebruik te maken van de beschikbare middelen voor technische bijstand;

c)  voor beheer- en rapportagedoeleinden een manier te vinden om begrotingsuitgaven van de Unie zodanig te registreren dat alle financiering met betrekking tot de vluchtelingen- en migratiecrisis kan worden gerapporteerd;

11.  Onze commissie herinnert er tot slot aan dat de Commissie overeenkomstig artikel 247 van het ontwerp voor een herzien Financieel Reglement verplicht zal zijn om het Europees Parlement en de Raad uiterlijk op 31 juli van het volgende begrotingsjaar een geïntegreerde reeks financiële en verantwoordingsverslagen voor te leggen, waarin met name een langetermijnprognose van de toekomstige in- en uitstroom voor de komende vijf jaar is opgenomen.

Met de meeste hoogachting,

Ingeborg Gräβle     Joachim Zeller

Voorzitter CONT    Rapporteur voor de kwijting van de Commissie


BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE MILIEUBEHEER, VOLKSGEZONDHEID EN VOEDSELVEILIGHEID

D(2018) 22301

Daniele VIOTTI

Algemeen rapporteur voor de begroting 2019

Begrotingscommissie

ASP 15G217

Geachte heer Viotti,

Overeenkomstig het besluit van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (ENVI) van 20 maart 2018 wil ik u, in mijn hoedanigheid van voorzitter van de commissie ENVI en van vaste rapporteur voor de begroting, onze aanbevelingen doen toekomen inzake het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2019.

In het algemeen wil ik eens te meer benadrukken dat de commissie ENVI er stellig van overtuigd is dat de integratie van klimaatbescherming en hulpbronnenefficiëntie in al het beleid van de EU van groot belang is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie. De EU-begroting moet de ondersteuning bieden die nodig is om internationale toezeggingen gestand te kunnen doen, waaronder de tenuitvoerlegging van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling en de uitvoering van de overeenkomst van Parijs. Alleen voldoende financiële steun kan de klimaatverandering matigen en de overgang naar een circulaire, koolstofarme economie een impuls geven. Voorts mogen door de EU gefinancierde projecten geen negatieve uitwerking hebben op deze overgang. In dit verband maken wij ons ernstig zorgen over het risico dat het uitgavenstreefcijfer van ten minste 20 % van de EU-begroting aan klimaatgerelateerde actie tussen 2014 en 2020 niet wordt gehaald. Daarom wil ik benadrukken dat de grootst mogelijke inspanningen moeten worden geleverd om de relevante toewijzingen in de ontwerpbegroting 2019 op een niveau te brengen waarmee de algehele EU-begrotingsdoelstelling gegarandeerd vóór het einde van 2020 gehaald wordt. Tevens wil ik onderstrepen dat wij met belangstelling kennis hebben genomen van de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van groene en duurzame financiering. Investeringen in de koolstofarme, hulpbronnenefficiënte en circulaire economie kunnen door deze ontwikkelingen worden gestimuleerd. Een evenwichtige definitie van 'duurzame activa' is in dit verband belangrijk.

Voorts verzoek ik u in de begroting van 2019 adequate financiering toe te wijzen ten behoeve van de langetermijnbescherming van de biodiversiteit in de hele EU. Het tegengaan van het verlies van biodiversiteit is een van onze grootste prioriteiten die intrinsiek verbonden is met matiging van de klimaatverandering. Het is daarom belangrijk dat bezorgdheid over de biodiversiteit in andere beleidsterreinen tot uitdrukking komt. In het kader van de financiering van Natura 2000 moeten voldoende middelen beschikbaar worden gesteld voor de diverse projecten, en daarbij moet gebruikgemaakt worden van synergieën tussen de verschillende financieringsbronnen. Daarnaast is de methode voor het traceren van de uitgaven voor biodiversiteit voor verbetering vatbaar. In het bijzonder moeten negatieve uitgaven die natuurbescherming tegenwerken, worden getraceerd.

Bij hun inspanningen ter bevordering van economisch herstel moeten de lidstaten milieu- en klimaatvriendelijk beleid opvatten als een kans om de volksgezondheid te verbeteren, meer banen te scheppen en economische groei bij kmo's te bevorderen.

Gezondheid is een waarde op zich en een voorwaarde voor het stimuleren van groei in de hele EU. Het is dan ook van wezenlijk belang dat het gezondheidsprogramma binnen het nieuwe meerjarig financieel kader weer als zelfstandig programma gaat functioneren. Volksgezondheid is een prioriteit voor de commissie ENVI. Daarom moet, in het licht van de lopende werkzaamheden op het gebied van onder meer antimicrobiële resistentie en evaluatie van gezondheidstechnologie, de financiering toereikend zijn om een ambitieus EU-gezondheidsbeleid te kunnen waarborgen dat aanvullende maatregelen op het niveau van de lidstaten stimuleert en aanvult.

Het milieu, klimaatverandering, volksgezondheid, civiele bescherming, consumentenbescherming en levensmiddelen en diervoeder zijn alle van cruciaal belang voor de burgers van de EU. Daarom wil ik namens de commissie ENVI benadrukken dat de in het meerjarig financieel kader overeengekomen plafonds volledig in acht genomen moeten worden en dat elke wijziging die de begrotingsprogrammering voor deze begrotingslijnen beperkt, resoluut verworpen moeten worden. Tevens benadruk ik hoe belangrijk de programma's LIFE en Gezondheid voor groei zijn, alsook het Uniemechanisme voor civiele bescherming, en dat deze programma's in de toekomst behouden moeten blijven. Voorts mogen kleinere programma's niet gemarginaliseerd worden door programma's die meer aandacht van publiek en politiek genereren. De nieuwe, in de begroting van 2018 opgenomen pilotprojecten en voorbereidende acties op het gebied van milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid moeten een vervolg krijgen in de vorm van vastleggingskredieten in de begroting 2019, zodat de volledige tenuitvoerlegging ervan gegarandeerd kan worden.

Bovendien wil ik benadrukken dat wij ons ernstig zorgen maken over de begrotingsbeperkingen die gevolgen hebben voor de gedecentraliseerde EU-agentschappen die onder onze commissie ressorteren. De taken en verplichtingen van deze agentschappen breiden voortdurend uit, maar toch hebben de meeste van deze agentschappen de afgelopen jaren te maken gekregen met aanzienlijke personeelsinkrimpingen, waarbij hun werklast buiten beschouwing werd gelaten. Ik ben van mening dat deze agentschappen waar nodig meer financiële en personele middelen moeten krijgen om hun mandaat te kunnen uitvoeren en hun taken te vervullen, en om een wetenschappelijk gefundeerde aanpak in de Unie te bevorderen. Daarom spreken wij onze krachtige steun uit voor een aanpak waarbij de individuele behoeften van gedecentraliseerde agentschappen van geval tot geval worden beoordeeld.

Ten slotte wil ik vooruitlopen op de gevolgen die de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de EU voor de begroting heeft, niet alleen voor de agentschappen die in dit land gevestigd zijn (met name het Europees Geneesmiddelenbureau), maar ook voor de EU-financiering en programma's op het gebied van milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid. Wij verlangen versterking en waarborging van deze financiering.

Een brief van soortgelijke strekking is verstuurd aan Jean Arthuis, voorzitter van de Begrotingscommissie.

Met de meeste hoogachting,

Adina-Ioana Vălean


BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE INDUSTRIE, ONDERZOEK EN ENERGIE

De heer Jean ARTHUIS

Voorzitter

Begrotingscommissie (BUDG)

Europees Parlement

D(2018)21285

AA/ge

Straatsburg,

Betreft:  Prioriteiten van ITRE inzake het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2019

Geachte voorzitter van de Begrotingscommissie, geachte heer Arthuis,

Als rapporteur van ITRE voor de begroting 2019 en in het licht van de komende begrotingstrialoog wil ik u met deze brief in kennis stellen van de prioriteiten van ITRE voor de begroting 2019.

Allereerst danken wij de rapporteur voor de begroting 2019, de heer Daniele Viotti, namens de ITRE-leden voor de inzichtelijke gedachtewisseling met de commissie ITRE op 24 april 2018, alsook voor de nuttige informatie over procedurele aangelegenheden, die we hebben ontvangen van het secretariaat van de Begrotingscommissie.

Op 15 maart 2017 heeft het Europees Parlement zijn resolutie over de algemene richtsnoeren voor de voorbereiding van de begroting 2019 aangenomen (2017/2286(BUD)). Wij hebben deze richtsnoeren namens de commissie ITRE geanalyseerd. Wij zijn verheugd dat veel van onze belangrijkste prioriteiten voor de begroting 2019, die wij ook benadrukt hebben tijdens onze gedachtewisseling in maart met de heer Viotti, reeds zijn opgenomen in de resolutie van de Begrotingscommissie.

Wij waarderen het dat de belangrijkste punten van zorg van ITRE, zoals groei, onderzoek en innovatie, concurrentievermogen, digitalisering, de bestrijding van klimaatverandering en de overgang naar hernieuwbare energie in overeenstemming met de verbintenissen van de EU in het kader van de Overeenkomst van Parijs, als prioriteiten zijn vastgesteld voor de begroting 2019, en zijn het eens met de Begrotingscommissie dat de EU-begroting een cruciaal instrument is om op deze uitdagingen naar behoren te reageren. De commissie ITRE herhaalt dus het verzoek van de commissie BUDG om een verhoging van de begroting voor rubriek 1a, en met name voor relevante programma's en begrotingslijnen, die wij hieronder nader toelichten. Dit is van bijzonder belang vanwege de zware bezuinigingen van de Raad op deze rubriek voor de begroting 2018.

Onderzoek en innovatie zijn essentiële instrumenten om duurzame groei, kwaliteitsbanen en concurrentiekracht op de wereldmarkt te verwezenlijken voor een toekomstgerichte industriële basis. De Europese Unie moet daarom streven naar de ontwikkeling van leiderschap op het gebied van innovatie en baanbrekende technologieën in alle Europese regio's, iets waarin zij momenteel achterblijft. In dit verband is het verontrustend dat slechts 25 % van de ingediende voorstellen van hoge kwaliteit geselecteerd zijn voor financiering in het kader van Horizon 2020, wat zeer lage slagingspercentages tot gevolg heeft. Dit is een teken dat dit succesvolle programma sterk wordt ondergefinancierd. De laagste slagingspercentages in het kader van het programma zijn te vinden in "Toekomstige en opkomende technologieën", het kmo-instrument, "Europa in een veranderende wereld - inclusieve, innovatieve en reflexieve samenlevingen" en "Toegang tot risicofinanciering", allemaal programma's die van het grootste belang zijn om leiderschap te verkrijgen in innovatie, innovatie in de onderzoeksfase om te zetten in commerciële toepassingen en het hoofd te bieden aan de bovengenoemde uitdagingen. De commissie ITRE zou dan ook een verhoging van de respectieve begrotingslijnen voor begroting 2019 bijzonder op prijs stellen.

Wij delen het standpunt van de Begrotingscommissie dat kmo's de ruggengraat vormen van de Europese economie. Zij zijn ook een belangrijke bron van hoogwaardige en duurzame banen en kunnen samen met start-ups, scale-ups en midcaps aanjagers van innovatie, zoals eco-innovaties, zijn. Wij steunen daarom uw verzoek voor het creëren van een gunstig klimaat voor innovatie en onderzoek, met bijzondere aandacht voor kmo's, alsmede de toename van de Cosme-kredieten voor dat doel.

De commissie ITRE is ook verheugd over uw aandacht voor de jongere generatie en de steun voor ondernemerschap van vrouwen, teneinde duurzame werkgelegenheid voor alle delen van de samenleving te creëren. Wij vinden dit belangrijk om ten volle gebruik te maken van de mogelijkheden in de Europese Unie, en verzoeken de Commissie derhalve om meer steun te verlenen aan jonge en vrouwelijke onderzoekers en ondernemers door middel van programma's zoals Horizon 2020 en Cosme.

Op het gebied van het energiebeleid beklemtoont de commissie ITRE het belang van de voltooiing van de interne energiemarkt en de interconnectie en het koolstofvrij maken van onze energiesystemen. Wij zien derhalve de noodzaak om prioriteit te geven aan de gebieden die tot dat doel leiden, met name door te voorzien in voldoende middelen voor projecten op het gebied van hernieuwbare energie, energie-efficiëntie, emissiereductie, sectorale koppeling, slimme netwerken en de aanpak van energiearmoede door middel van bijvoorbeeld de technische bijstand van het EFSI en Horizon 2020. Voorts, ter ondersteuning van de interconnectiviteit van de elektriciteits- en gasnetwerken en de diversificatie van de energiebronnen om te komen tot schone, betaalbare en veilige energie voor alle Europeanen, onderstreept de commissie ITRE het belang van voldoende financiering voor de projecten van gemeenschappelijk belang, alsook het verstrekken van aanvullende middelen voor technische bijstand van het EFSI, teneinde projecten samen te voegen en te genereren op het gebied van slimme netwerken, energie-efficiëntie en hernieuwbare energie. De commissie ITRE benadrukt tevens het belang van financiering van energieprojecten die van belang zijn voor de energie-unie (renewables projects of Energy Union interest – RPEI's).

Om die reden, en ook om de koppeling van onze energie-, vervoers- en digitale netwerken te bevorderen, onderstreept ITRE het belang van de CEF, en is zij bijgevolg ingenomen met de verhoging van het budget daarvoor in 2019.

Zoals de Begrotingscommissie heeft beklemtoond is de bestrijding van klimaatverandering en het koolstofvrij maken van onze economie van cruciaal belang, aangezien de EU ernaar streeft haar klimaatdoelstellingen en de duurzaamheidsdoelstellingen van de VN te verwezenlijken, en de Overeenkomst van Parijs na te leven. De commissie ITRE waardeert dan ook het verzoek van de Begrotingscommissie om de klimaatmainstreamingmechanismen te optimaliseren. Wij herhalen dat het streefcijfer voor uitgaven op het gebied van duurzame ontwikkeling en klimaatveranderingsmaatregelen nog niet is bereikt en dat wij bijgevolg het verzoek van de Begrotingscommissie steunen om ten minste 20 % van de EU-begroting te besteden aan doeleinden op het gebied van klimaat en het koolstofvrij maken. Er moet ook gezorgd worden voor voldoende financiering voor de rechtvaardige transitie van steenkool- en koolstofintensieve regio's.

Wij erkennen het belang en het nut van het EFSI en de uitbreiding daarvan en onderschrijven uw verklaring dat er gewerkt moet worden aan een betere geografische dekking teneinde ontwikkeling in alle regio's te bevorderen. Niettemin stelt de commissie ITRE voor om de begrotingslijnen voor Horizon 2020 en de CEF te herstellen, waarop vanwege het EFSI-garantiefonds bezuinigd was, gezien het feit dat deze programma's cruciale instrumenten zijn om de prioriteiten van de EU te verwezenlijken. Dit kan worden bereikt door gebruik te maken van alle financiële middelen die beschikbaar zijn uit hoofde van de huidige MFK-verordening. In dit verband wijst de commissie ITRE op de verbintenis die het Parlement tijdens de onderhandelingen over het EFSI is aangegaan om de negatieve gevolgen voor deze twee programma's tot een minimum te beperken. We benadrukken het algemene standpunt van de commissie BUDG dat nieuwe prioriteiten moeten worden gefinancierd met nieuwe kredieten.

In verband hiermee nemen wij nota van de veiligheidsuitdagingen waarvoor de Europese Unie staat en van het ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie-industrie (EDIDP) dat door het Parlement is aangenomen. Wij juichen het standpunt van de Begrotingscommissie toe om dit programma uitsluitend door middel van niet-toegewezen marges of met speciale instrumenten te financieren en wij wijzen er nogmaals op dat bestaande programma's niet in het gedrang mogen komen door het EDIDP.

Voorts is digitalisering een belangrijk thema voor de commissie ITRE teneinde onze samenleving en economie geschikt voor de toekomst te maken. Daarvoor is het van belang de laatste hand te leggen aan de eengemaakte digitale markt. De commissie ITRE verzoekt om voldoende financiële middelen voor het WIFI4EU-initiatief en dringt erop aan de verbintenis tot betaling van 120 miljoen EUR tussen 2017 en 2019 voor dit initiatief, na te komen.

De commissie ITRE is net als u bezorgd of de agentschappen in voldoende mate gefinancierd worden om de wetgevingsprioriteiten van de EU naar behoren te kunnen uitvoeren. Wij onderstrepen tevens dat de personeelsinkrimping van 5 % en de herindelingspool met deze begroting worden beëindigd. De commissie ITRE steunt het standpunt dat niet meer wordt bezuinigd op de middelen voor de agentschappen. Bovendien wijzen we op ons standpunt dat de personele en financiële middelen van de agentschappen die met meer of nieuwe taken worden geconfronteerd dienovereenkomstig verhoogd moeten worden. Aangezien er wetgeving op komst is die meer taken toekent aan ACER en Enisa en het waarschijnlijk is dat Berec-Bureau meer taken krijgen, zijn wij voorstander van meer personele en begrotingsmiddelen voor deze agentschappen. De commissie ITRE heeft herhaaldelijk gewezen op de noodzaak uitbreiding van takenpakketten te vergezellen van een passende verhoging van de middelen. Een aanhoudend gebrek aan middelen zorgt voor een ernstige ondermijning van de capaciteit van agentschappen om hun wettelijke opdrachten te vervullen. Aangezien het GNSS-Agentschap wordt geconfronteerd met de toenemende uitdaging om de cyberbeveiliging te waarborgen, en uitbesteding op dit gevoelige terrein waarschijnlijk tot belangenconflicten zal leiden, is de commissie ITRE zich ook bewust van de noodzaak om aan dit agentschap meer personele en financiële middelen toe te kennen.

Voorts is de commissie ITRE verheugd dat het Verenigd Koninkrijk zal bijdragen en deelnemen aan de begrotingen voor 2019 en 2020, alsof het EU-lid was gebleven. Wij zijn dan ook van mening dat de brexit geen rechtstreekse gevolgen heeft voor de begroting 2019 en dus ook niet voor de programma's die onder de bevoegdheid van ITRE vallen.

Ten slotte is de commissie ITRE het eens met de Commissie BUDG over het feit dat de noodzaak van adequate financiële middelen toeneemt en cruciaal is, aangezien we bijna aan het einde zijn van het huidige MFK en de uitvoering van de meerjarenprogramma's met rasse schreden nadert.

We zouden het zeer op prijs stellen als de Begrotingscommissie onze prioriteiten en zorgen in overweging neemt bij de opstelling van haar verslag over het mandaat voor de trialoog. Wij zien uit naar verdere samenwerking tussen onze commissies gedurende de hele begrotingscyclus van 2019 en daarna.

Met de meeste hoogachting,

Jerzy Buzek            Jens Geier  

Voorzitter van ITRE          Rapporteur van ITRE voor

              de begroting 2019

cc: Daniele Viotti, rapporteur voor de begroting 2019


BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE INTERNE MARKT EN CONSUMENTENBESCHERMING

CM/ds

D(2018)19768

De heer Jean Arthuis

Voorzitter van de Begrotingscommissie

WIC M02024

Betreft:   Brief - advies inzake het mandaat voor de trialoog van juli

Geachte voorzitter,

De Commissie interne markt en consumentenbescherming (IMCO) verzoekt de Begrotingscommissie onderstaande suggesties op te nemen in haar ontwerpresolutie over het mandaat voor de onderhandelingen over de begroting 2019:

IMCO wenst eraan te herinneren dat een goed werkende interne markt met onbelemmerd vrij verkeer van goederen, diensten, personen en kapitaal een essentieel element is dat zorgt voor economische groei in de EU, het concurrentievermogen van haar industrie bevordert, het scheppen van hoogwaardige banen ondersteunt en de levensstandaard van haar burgers verhoogt. Nog steeds beperken onnodige belemmeringen van de vrije uitwisseling van producten en diensten, een ontoereikende handhaving van de bestaande regels, lage niveaus van grensoverschrijdende openbare aanbestedingen en onvoldoende politieke steun voor structurele hervormingen, de mogelijkheden voor ondernemingen (met name kmo's) en burgers, met minder banen en onnodig hoge prijzen tot gevolg.

IMCO is derhalve van mening dat het van kapitaal belang is dat een adequaat niveau van de Uniebegroting aangewend wordt voor de voltooiing van een goed functionerende eengemaakte markt en een efficiënte consumentenbescherming, met name in de huidige context van de transformatie van economische activiteiten in het digitale tijdperk. In overeenstemming met de strategie van de Commissie voor de eengemaakte markt en de strategie voor een digitale eengemaakte markt, verzoekt IMCO om een passende financiering van de volgende belangrijke elementen in de begroting van 2019:

1 – Consumentenbescherming

Een gezond consumentenklimaat is een belangrijke factor voor de voltooiing van de eengemaakte markt en voor de economische groei in heel Europa. De EU-wetgeving inzake consumentenbescherming heeft burgers en bedrijven voorspelbaarheid en vertrouwen gegeven op vele gebieden, zoals passagiersrechten, consumentenrechten, de bestrijding van oneerlijke handelspraktijken en oneerlijke bedingen, namaak van producten, en wisselende productkwaliteit.

Het consumentenbeleid kent echter nog steeds uitdagingen, zowel in de digitale als in de fysieke sfeer. Onveilige en niet-conforme producten zijn nog steeds aanwezig op de Europese markt, hetgeen vraagt om verbeterde coördinatie en effectiviteit van het markttoezicht. In verband met de digitale eengemaakte markt is meer scholing en meer bewustwording van de gemiddelde consument, net zoals de aanpassing van de consumentenrechten aan de technologische veranderingen, van kapitaal belang. IMCO wil derhalve ervoor zorgen dat voldoende middelen worden uitgetrokken voor consumentenbescherming in de begroting voor het jaar 2019, waarbij in aanmerking wordt genomen dat in 2018 en 2019 naar verwachting belangrijke wetgeving op dat gebied in werking zal treden, zoals:

●  "Richtlijn overeenkomsten voor verkoop van goederen COM(2015)0635COM(2017)0637 2015/0288 (COD) IMCO/8/05564";

●  "Richtlijn betreffende overeenkomsten voor de levering van digitale inhoud COM(2015)0635COM(2015)0634 2015/0287 (COD) IMCO/8/06371";

●  "Verordening betreffende de oprichting van één digitale toegangspoort voor informatie, procedures en diensten voor ondersteuning en probleemoplossing en houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 – COM(2017)256 final – 2017/0086(COD) – IMCO/8/09874";

●  "Verordening inzake een kader voor het vrije verkeer van niet-persoonsgebonden gegevens in de Europese Unie – COM(2017) 495 final; 2017/0228 (COD) IMCO/8/11036";

●  "Richtlijn betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten COM(2018)0184 – 2018/0089 (COD) IMCO/8/12818";

●  "Richtlijn wat betreft betere handhaving en modernisering van de regels voor consumentenbescherming in de EU COM(2018)0185 – 2018/0090 (COD) IMCO/8/12813";

●  "Verordening inzake de aanpak van geoblocking en andere vormen van discriminatie van klanten op basis van nationaliteit, verblijfplaats of plaats van vestiging in de interne markt" COM (2016)0289 – 2016/0152 (COD) IMCO/8/06772

●  "Verordening van het Europees Parlement en de Raad vaststelling van voorschriften en procedures voor de naleving en de handhaving van de harmonisatiewetgeving van de Unie inzake producten COM (2017)0795 – 2017(0353) COD".

2 – Douanebeleid

Het douanebeleid zou een wezenlijk voorbeeld van een beleidsgebied moeten zijn waarop overheidsuitgaven het potentieel hebben verbeteringen op te starten die ten goede komen van de economie als geheel, alsmede van elke lidstaat, elk bedrijf of individu dat handelsactiviteiten wenst te verrichten. De douane biedt bescherming aan de interne markt en de gezondheid en veiligheid van de burgers. Het douanewetboek van de Unie biedt het regelgevingskader voor het douanegebied. Er zij aan herinnerd dat het douanewetboek van de Unie alleen volledig zijn vruchten afwerpt als alle transacties elektronisch worden verwerkt.

Om dit te bereiken moet de algemene strategie op douanegebied coherent en ambitieus zijn en doeltreffend ten uitvoer worden gelegd. De vereenvoudiging van de procedures en hun doeltreffende handhaving zijn cruciaal om fraude te bestrijden en concurrentie te bevorderen.

Het is nodig een billijk evenwicht te handhaven tussen de inspanningen van de lidstaten en die van de Uniebegroting, en opnieuw te beoordelen of het uitgavenniveau op dit gebied moeten worden verhoogd teneinde de snelle ontwikkeling van interoperabele IT-systemen te cofinancieren. Een volledige elektronische omgeving voor douane-activiteiten zou zogenaamde "port shopping"-praktijken van exporteurs naar de Unie ontmoedigen en naar behoren elke mogelijke onderwaardering van invoer opsporen en zo de passende inning van de eigen middelen van de Unie waarborgen. Dit is met name relevant in het kader van de mogelijke inwerkingtreding in 2019 van het voorstel tot wijziging van artikel 278 van het douanewetboek van de Unie tot verlenging van het tijdelijke gebruik van andere middelen dan de elektronische gegevensverwerkingstechnieken (COM(2018) 85 final – 2018/0040 (COD) IMCO/8/12381), dat de periode verlengt waarin de relatief minder doeltreffende papieren procedures kunnen worden gebruikt totdat de nieuwe elektronische systemen operationeel zijn.

Adequate uitgaven in de komende jaren op dit beleidsterrein betalen zich in de toekomst terug, en zijn daarmee een voorbeeld zijn van betere EU-bestedingen. Om de soepele overgang naar een doeltreffende e-douane-omgeving te waarborgen is het nodig dat de Commissie op dit gebied over voldoende personeel beschikt.

3 – kmo's en micro-ondernemingen

Kmo's en micro-ondernemingen zijn belangrijke elementen van de Europese economie. IMCO acht het van het grootste belang dat zij van de informatie en ondersteunende diensten zoals SOLVIT of Uw Europa gebruik kunnen blijven maken en in het algemeen van de Europese wetgeving die van toepassing is op hun activiteiten, om hen meer ondersteuning te bieden bij het betreden van zich openstellende buitenlandse markten en hen te helpen de digitale transformatie te omarmen en bedrijfsmodellen van de circulaire economie te gebruiken. Voldoende kapitaal kan hun capaciteit bevorderen om het hoofd te bieden aan de uitdagingen van de economie en de transformatie naar digitale handel. Daarom wordt het belang benadrukt van een passende begrotingstoewijzing aan Cosme.

4 – Normalisatie-activiteiten

Ten slotte is het van het grootste belang om de normalisatiewerkzaamheden van de Europese normalisatieorganisaties voldoende te blijven financieren. Normen zijn de hoeksteen van de eengemaakte markt en leggen de basis voor het concurrentievermogen van de Europese industrie. Consumenten en belanghebbenden moeten deel uitmaken van het vaststellingsproces van normen, zoals bepaald in het EU-recht.

Met de meeste hoogachting,

Anneleen Van Bossuyt

CC: De heer Daniele Viotti


BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE VISSERIJ

Brief d.d. 11 april 2018 van Alain Cadec, voorzitter van de Commissie visserij, aan Daniele Viotti, algemeen rapporteur voor de begroting 2019

Vertaling

Betreft:  Prioriteiten van de Commissie PECH voor de begroting van de Commissie voor 2019

Geachte collega,

De Commissie visserij heeft besloten de Begrotingscommissie haar prioriteiten voor de begroting van de Commissie voor 2019 mee te delen via een schriftelijke procedure en in de vorm van een brief die haar coördinatoren op 28 maart 2018 hebben goedgekeurd.

De Commissie visserij heeft daarom besloten dat de volgende prioriteiten moeten worden opgenomen in het mandaat voor de trialoog:

De financiële middelen van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) zijn ondergebracht onder afdeling III, titel 11 "Maritieme zaken en visserij", het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) en de verplichte bijdragen aan regionale organisaties voor visserijbeheer en duurzame visserijovereenkomsten.

1.  Er zijn voldoende en toegankelijke visserijfondsen nodig om het GVB ten uitvoer te leggen, de duurzaamheid van de Europese aquacultuur en visserij te waarborgen, de financiële lasten van de aanlandingsverplichting op te vangen en de doelstelling inzake maximale duurzame opbrengst (MDO) te verwezenlijken;

2.  De Europese Unie is 's werelds belangrijkste importeur van visserijproducten; meer dan 60 % van de in de EU toegeleverde visserijproducten is afkomstig uit internationale wateren en de exclusieve economische zones van derde landen. In de begroting voor 2019 moeten passende en betrouwbaar berekende middelen worden opgenomen, met name in verband met de verlenging van de protocollen met Mauritanië en Senegal;

3.  De Commissie visserij benadrukt dat het noodzakelijk is voldoende financiële middelen voor gecofinancierde activiteiten te behouden om kustvloten en ambachtelijke vloten in staat te stellen financiering te krijgen; zij erkent dat de lidstaten, op grond van het door het EFMZV geboden algemene kader, hun financieringsprioriteiten moeten bepalen om een antwoord te bieden op de specifieke problemen van dit segment;

4.  De Commissie visserij wijst erop dat alle operationele programma's inzake visserij door de lidstaten zijn vastgesteld en dat de Commissie en de nationale overheden bij het opstellen van de begroting voor 2019 dus haast moeten maken met maatregelen om de tijdige tenuitvoerlegging van de betrokken projecten te waarborgen;

5.  De Commissie visserij benadrukt dat het uitvoeringsniveau van het EFMZV voor de periode 2014-2020 vier jaar na de goedkeuring van het fonds op 15 mei 2014 te wensen overlaat, aangezien in maart 2018 slechts 3,5 % van de 6,4 miljard EUR van het fonds was besteed; zij hoopt dat het uitvoeringsniveau van het EFMZV uiteindelijk zal verbeteren; zij wijst erop dat het lage uitvoeringsniveau grotendeels te wijten is aan bureaucratische rompslomp op nationaal niveau;

6.  De Commissie visserij vraagt meer flexibiliteit bij de toewijzing van de kredieten en vraagt met name dat door de lidstaten niet benutte financiering in verband met gegevens kan worden overgedragen naar onderzoeksinstellingen en, voor controledoeleinden, naar het Europees Bureau voor visserijcontrole (EFCA);

7.  De Commissie visserij wijst op de kwaliteit en het belang van de samenwerking van het Bureau met het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid en Frontex in het kader van een gezamenlijk proefproject voor de oprichting van een kustwacht; zij herinnert de Commissie er echter aan dat het Bureau moet worden voorzien van voldoende middelen om dit soort projecten of andere toekomstige projecten uit te voeren;

8.  De Commissie visserij onderstreept het uitstekende uitvoeringspercentage van de vastleggingskredieten (99,6 %), dat gestegen is ten opzichte van het vorige begrotingsjaar, en dat van de betalingskredieten (88,5 %);

9.  De Commissie visserij benadrukt dat het belangrijk is de financiële middelen voor onderzoek op maritiem en visserijgebied minstens op hetzelfde niveau te behouden om de maximale duurzame opbrengst te bereiken en het herstel van uitgeputte bestanden te consolideren;

10.  De Commissie visserij herinnert eraan dat het verzamelen van wetenschappelijke gegevens moet worden verbeterd, dat betere toegang tot deze gegevens moet worden gegarandeerd en dat samenwerking en uitwisseling van gegevens tussen de maritieme en de visserijsector enerzijds en de wetenschappelijke wereld anderzijds moet worden bevorderd;

11.  De Commissie visserij onderstreept het belang van visserijcontrole en de verzameling van wetenschappelijke gegevens, die pijlers zijn van het GVB; zij is van mening dat deze activiteiten financiering van de Unie moeten blijven krijgen en dat de lidstaten meer inspanningen moeten leveren om de middelen in kwestie meer te benutten.

Met vriendelijke groeten,

Alain CADEC


BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE BURGERLIJKE VRIJHEDEN, JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN

IPOL-COM-LIBE D(2018)16301

De heer Jean ARTHUIS

Voorzitter van de Begrotingscommissie

ASP 09G205

Brussel

Betreft:  Prioriteiten van de commissie LIBE voor de ontwerpbegroting 2019

Geachte voorzitter,

Ik doe u dit schrijven toekomen om de prioriteiten van LIBE voor de ontwerpbegroting 2019 toe te lichten.

De commissie verwacht dat het niveau van de financiële middelen die in het meerjarig financieel kader (MFK) voor 2019 voor justitie en binnenlandse zaken zijn uitgetrokken, met inbegrip van de "top-up" die is overeengekomen voor rubriek III (Veiligheid en burgerschap) in het kader van de herziening halverwege de looptijd in 2017, volledig in de begroting zal zijn opgenomen. Wat betreft humanitaire noodhulp binnen de Unie verwacht ik ook van de Commissie dat het volledige bedrag van 650 miljoen EUR dat is toegekend voor de periode 2016-2018, zoals gepland eind 2018 zal zijn uitgegeven.

Gezien de aanhoudende uitdagingen in verband met het toegenomen aantal migranten dat aan de EU-grenzen aankomt, is het van het allergrootste belang de nodige financiële middelen te verstrekken om het Europees Ondersteuningsbureau voor Asielzaken (EASO) om te vormen tot een volwaardig Europees agentschap voor asielzaken dat de monitoring en de eerbiediging van de procedurele rechten van alle aanvragers garandeert, zorgt voor adequate opvangfaciliteiten en maatregelen neemt ter ondersteuning van de integratie van migranten. De commissie LIBE verzoekt de Commissie ook de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat er voldoende geld wordt toegewezen aan asielzaken als er dit jaar belangrijke dossiers op asielgebied worden afgerond. In dit verband is het ook belangrijk Frontex van voldoende financiële middelen te voorzien om het in staat te stellen zijn mandaat doeltreffend te vervullen en uitdagingen aan de buitengrenzen van de EU het hoofd te bieden.

Wat het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) en het Fonds voor interne veiligheid (ISF) betreft, rekent de commissie erop dat de Commissie in 2018 nauw met de lidstaten zal samenwerken om ervoor te zorgen dat zij de maatregelen nemen die nodig zijn om de beschikbare financiering uit het AMIF en het ISF in 2019 te kunnen absorberen. De situatie eind 2017 die leidde tot de hertoewijzing van 275 miljoen EUR aan betalingskredieten van de AMIF vanwege de gebrekkige absorptiecapaciteit van sommige lidstaten moet in de toekomst worden voorkomen. In dit verband wil de commissie zijn verzoek handhaven om één begrotingslijn vast te stellen voor elk van zijn doelstellingen (4 in plaats van 2 begrotingslijnen), zodat de commissie LIBE haar controletaak kan vervullen en de transparantie van de EU-financiering kan vergroten. De huidige verdeling van de begrotingslijnen in AMIF is zeer onbevredigend voor de commissie LIBE, zoals blijkt uit de begrotingsamendementen die vorig jaar op commissieniveau zijn goedgekeurd. Er moet ook een specifieke begrotingslijn worden gecreëerd voor de financiële ondersteuning van opsporings- en reddingsoperaties op zee door de lidstaten of door sommige in aanmerking komende particuliere actoren.

Wat de bescherming van de grondrechten betreft, zou de commissie willen wijzen op het belang van de financiering van adequate toezichtmechanismen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken. Aangezien het duidelijk is dat de grondrechten in de Europese Unie onder druk staan, beveelt de commissie aan om de budgetten van het Bureau voor de grondrechten (FRA) en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) op passende wijze te verhogen. In dit verband moet ook de financiële steun aan mensenrechten- en gelijkheidsorganen adequaat worden gefinancierd. Het is ook van essentieel belang dat het EU-LISA in 2019 over voldoende middelen beschikt om het personeel en de deskundigheid te kunnen aanwerven die het nodig heeft om de extra taken uit te voeren waarmee het is belast.

Wat het Fonds voor interne veiligheid betreft, wil de commissie erop wijzen dat de versterking van de politiële en justitiële samenwerking met het oog op de bestrijding van terrorisme, andere ernstige grensoverschrijdende criminaliteit en cybercriminaliteit een prioriteit is. Ook de bestrijding van milieudelicten en mensenhandel moet in 2019 naar behoren worden gefinancierd. Aangezien dergelijke activiteiten in de gehele Europese Unie aanzienlijk zijn toegenomen, moet de begroting van Eurojust voldoende worden gefinancierd om zijn rol bij de coördinatie van onderzoeken en vervolgingen tussen de bevoegde autoriteiten in de lidstaten te verbeteren, met name door de uitvoering van internationale wederzijdse rechtshulp en de uitvoering van uitleveringsverzoeken te vergemakkelijken. De commissie dringt er ook op aan dat er zo snel mogelijk voldoende middelen worden vrijgemaakt voor de oprichting van het EPPO. Gezien zijn belangrijke rol in de bestrijding van de verschillende soorten criminaliteit en zijn toenemende samenwerking met derde landen, zal ook Europol adequate financiering ontvangen.

Voorts moet de financiering van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (EWDD) worden verhoogd om het in staat te stellen zijn kerntaak, namelijk het verstrekken van degelijke en vergelijkbare informatie over drugs in Europa, effectief te vervullen en de infrastructuur en instrumenten te ontwikkelen die nodig zijn om op geharmoniseerde en optimale wijze landengegevens te verzamelen. Dit is belangrijk gezien de toename van de drugshandel, die ook een belangrijke rol speelt in de financiering van het wereldwijde terrorisme en in de toename van het aantal sterfgevallen door overdoses als gevolg van opioïden in de Europese Unie.

De herziening van het mandaat van het Bureau voor netwerk- en informatiebeveiliging (ENISA) van de Europese Unie is volgens de commissie van cruciaal belang om de strijd tegen cybercriminaliteit te verbeteren, de bescherming van kritieke infrastructuur te verbeteren en de grondrechten online te beschermen door betere IT-beveiligingsnormen. In dit verband moet de implementatie van de herziening van het ENISA-mandaat in 2019 naar behoren worden gefinancierd.

Met de meeste hoogachting,

Claude MORAES


BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE CONSTITUTIONELE ZAKEN

Commissie constitutionele zaken

De voorzitter

Ref.: D(2018)18206

De heer Jean Arthuis

Voorzitter van de Begrotingscommissie

Altiero Spinelli-gebouw

ASP 09G205

B-1047 Brussel

Betreft:  Prioriteiten van AFCO inzake het mandaat voor de trialoog over de begroting 2019

Geachte voorzitter,

Gezien het zeer krappe tijdschema voor de goedkeuring van uw verslag over het mandaat voor de trialoog over de begroting 2019, heb ik als rapporteur voor het AFCO-advies over de begroting 2019 de opdracht gekregen om onze bijdrage aan dit ontwerpverslag te leveren in de vorm van een brief waarin de prioriteiten van AFCO voor de begroting voor het volgende jaar worden uiteengezet.

De Commissie constitutionele zaken zou dan ook graag uw aandacht willen vestigen op de volgende prioritaire gebieden die dit jaar tijdens de begrotingsonderhandelingen zouden moeten worden aangepakt:

- AFCO acht het, net als in voorgaande jaren, van groot belang dat er voldoende financiering beschikbaar wordt gesteld voor het programma Europa voor de burger en voor het Europees burgerinitiatief (EBI). Wij zijn van oordeel dat deze twee programma's complementair zijn, maar onafhankelijk van elkaar gefinancierd moeten worden, omdat zij elk op hun eigen manier belangrijk zijn als het gaat om de betrokkenheid van de burgers.

- zoals u wellicht weet, buigen wij ons momenteel over het ontwerpvoorstel van de Commissie tot herziening van het EBI. In dat kader pleiten wij ten sterkste voor een financiële scheiding tussen het Europees burgerinitiatief en het programma Europa voor de burger. Wij achten het zeer belangrijk dat er met betrekking tot de financiering van de twee programma's volledige transparantie wordt bereikt en vinden daarom dat de begrotingsmiddelen gestroomlijnd moeten worden en bovendien gemakkelijk traceerbaar moeten zijn.

- daarnaast is het voor AFCO prioriteit om ervoor te zorgen dat er - met het oog op de Europese verkiezingen van 2019 en het begin van een nieuwe zittingsperiode - voldoende middelen beschikbaar worden gesteld voor de communicatie met de burgers. Ook zouden wij graag zien dat het debat over de toekomst van Europa wordt versterkt. In dat kader zouden we graag onderzoeken of er mogelijkheden zijn om de zogeheten "burgerraadplegingen" uit de EU-begroting te financieren.

Ik vertrouw erop dat de Begrotingscommissie bij de voorbereiding van het mandaat voor de trialoog over de begroting 2019 onze suggesties in aanmerking zal nemen.

Met de meeste hoogachting,

Prof. Danuta Hübner

CC:  Daniele Viotti, BUDG-rapporteur voor de begroting 2019 - Afdeling III - Commissie

  Paul Rübig, BUDG-rapporteur voor de begroting 2018 - Overige afdelingen


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

28.6.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

20

4

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jean Arthuis, Richard Ashworth, Gérard Deprez, Manuel dos Santos, André Elissen, José Manuel Fernandes, Eider Gardiazabal Rubial, Esteban González Pons, Ingeborg Gräßle, Monika Hohlmeier, John Howarth, Vladimír Maňka, Siegfried Mureşan, Urmas Paet, Paul Rübig, Eleftherios Synadinos, Indrek Tarand, Isabelle Thomas, Inese Vaidere, Daniele Viotti, Tiemo Wölken

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Jonathan Bullock, David Coburn, Thomas Waitz, Bogdan Brunon Wenta


HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

20

+

ALDE

Jean Arthuis, Gérard Deprez, Urmas Paet

PPE

Richard Ashworth, José Manuel Fernandes, Esteban González Pons, Ingeborg Gräßle, Monika Hohlmeier, Siegfried Mureşan, Paul Rübig, Inese Vaidere, Bogdan Brunon Wenta

S&D

Eider Gardiazabal Rubial, John Howarth, Vladimír Maňka, Manuel dos Santos, Isabelle Thomas, Daniele Viotti, Tiemo Wölken

VERTS/ALE

Indrek Tarand

4

-

EFDD

Jonathan Bullock, David Coburn

ENF

André Elissen

NI

Eleftherios Synadinos

1

0

VERTS/ALE

Thomas Waitz

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 4 juii 2018Juridische mededeling