Procedure : 2017/2131(INL)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0250/2018

Ingediende teksten :

A8-0250/2018

Debatten :

PV 11/09/2018 - 11
CRE 11/09/2018 - 11

Stemmingen :

PV 12/09/2018 - 6.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0340

VERSLAG     
PDF 589kWORD 124k
4.7.2018
PE 620.837v02-00 A8-0250/2018

over een voorstel houdende een verzoek aan de Raad om overeenkomstig artikel 7, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie te constateren dat er een duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending door Hongarije van de waarden waarop de Unie berust

(2017/2131(INL))

Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

Rapporteur: Judith Sargentini

(Initiatief – Artikel 45 en artikel 52 van het Reglement)

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 BIJLAGE BIJ DE ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 BIJLAGE: LIJST VAN ENTITEITEN WAARVAN OF PERSONEN VAN WIE DE RAPPORTEUR INPUT HEEFT ONTVANGEN
 MINDERHEIDSSTANDPUNT
 ADVIES van de Commissie begrotingscontrole
 ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs
 ADVIES van de Commissie constitutionele zaken
 ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over een voorstel houdende een verzoek aan de Raad om overeenkomstig artikel 7, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie te constateren dat er een duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending door Hongarije van de waarden waarop de Unie berust

(2017/2131(INL))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 2 en artikel 7, lid 1,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en de protocollen bij dit verdrag,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

–  gezien de internationale mensenrechtenverdragen van de Verenigde Naties en de Raad van Europa, zoals het Europees Sociaal Handvest en het Verdrag inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul),

–  gezien zijn resolutie van 17 mei 2017 over de situatie in Hongarije(1),

–  gezien zijn resoluties van 16 december 2015(2) en 10 juni 2015(3) over de situatie in Hongarije,

–  gezien zijn resolutie van 3 juli 2013 over de situatie op het gebied van de grondrechten: normen en praktijken in Hongarije (naar aanleiding van de resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2012)(4),

–  gezien zijn resoluties van 16 februari 2012 over de recente politieke ontwikkelingen in Hongarije(5) en van 10 maart 2011 over de mediawet in Hongarije(6),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtstaat en grondrechten(7),

–  gezien zijn resolutie van 1 april 2004 over de mededeling van de Commissie over artikel 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie: Eerbiediging en bevordering van de waarden waarop de Unie is gegrondvest(8),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 15 oktober 2003 over artikel 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie - Eerbiediging en bevordering van de waarden waarop de Unie is gegrondvest(9),

–  gezien de jaarverslagen van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF),

–  gezien de artikelen 45, 52 en 83 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de adviezen van de Commissie begrotingscontrole, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie constitutionele zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0250/2018),

A.  overwegende dat in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) is bepaald dat eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren, de waarden zijn waarop de Unie berust en dat dit in het Handvest van grondrechten van de Europese Unie wordt weerspiegeld en dat deze rechten en waarden ook zijn neergelegd in internationale mensenrechtenverdragen; overwegende dat deze waarden, die de lidstaten gemeen hebben en die zij vrijelijk hebben onderschreven, het fundament vormen van de rechten die allen die in de Unie wonen genieten;

B.  overwegende dat het bestaan van een duidelijk gevaar voor een ernstige schending van de in artikel 2 bedoelde waarden door een lidstaat niet alleen gevolgen heeft voor de lidstaat waar dit gevaar zich voordoet, maar ook gevolgen heeft voor de andere lidstaten, voor het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten, voor de Unie in haar geheel en voor de rechten van haar burgers krachtens het Unierecht;

C.  overwegende dat, zoals vermeld in de mededeling van de Commissie van 2003 over artikel 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het toepassingsgebied van artikel 7 VEU zich, anders dan dat van artikel 258 VWEU, niet beperkt tot verplichtingen uit hoofde van de Verdragen, en overwegende dat de Unie zich een oordeel mag vormen over het bestaan van een duidelijk gevaar voor een ernstige schending van de gemeenschappelijke waarden op gebieden die tot de bevoegdheden van de lidstaten behoren;

D.  overwegende dat artikel 7, lid 1, VEU voorziet in een preventieve fase, waarin de Unie de mogelijkheid heeft om in te grijpen in het geval van een duidelijk gevaar voor een ernstige schending van de gemeenschappelijke waarden; overwegende dat er in deze preventieve fase een dialoog met de betrokken lidstaat moet worden aangegaan, om het opleggen van sancties te voorkomen;

E.  overwegende dat de Hongaarse autoriteiten weliswaar te allen tijde bereid zijn gebleken om van gedachten te wisselen over de rechtmatigheid van maatregelen, maar dat de situatie niet is aangepakt en er nog altijd reden is tot bezorgdheid, en dat een en ander een negatief effect heeft op het imago van de Unie en op haar doeltreffendheid en geloofwaardigheid op het gebied van de verdediging van de grondrechten, mensenrechten en democratie in de wereld, waaruit blijkt dat gecoördineerde maatregelen van de Unie noodzakelijk zijn;

1.  deelt mee dat de punten van zorg van het Parlement betrekking hebben op:

(1) de werking van het constitutionele bestel en het kiesstelsel;

(2) de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en van andere instellingen en de rechten van rechters;

(3) corruptie en belangenconflicten;

(4) bescherming van de persoonlijke levenssfeer en gegevensbescherming;

(5) vrijheid van meningsuiting,

(6) academische vrijheid;

(7) vrijheid van godsdienst;

(8) vrijheid van vereniging;

(9) het recht op gelijke behandeling;

(10) de rechten van personen die tot minderheden behoren, waaronder de rechten van Roma en joden, en de bescherming van dergelijke minderheden tegen haatdragende uitlatingen;

(11) de fundamentele rechten van migranten, asielzoekers en vluchtelingen;

(12) economische en sociale rechten.

2.  is van oordeel dat de feiten en ontwikkelingen die in de bijlage bij deze resolutie worden genoemd, samen een systemische bedreiging vormen voor de in artikel 2 bedoelde waarden en dat er sprake is van een duidelijk gevaar voor een ernstige schending van deze waarden;

3.  neemt kennis van de uitslag van de parlementsverkiezingen in Hongarije, die op 8 april 2018 plaatsvonden; wijst erop dat de Hongaarse regering ertoe gehouden is het gevaar voor een ernstige schending van de in artikel 2 bedoelde waarden weg te nemen, ook als dit gevaar een blijvend gevolg is van beleidsbeslissingen die zijn voorgesteld of genomen door eerdere regeringen;

4  dient om die reden, overeenkomstig artikel 7, lid 1, VEU, onderhavig met redenen omkleed voorstel in bij de Raad, en verzoekt de Raad om te bepalen of er een duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending door Hongarije van de in artikel 2 bedoelde waarden, en in dit kader aan Hongarije passende aanbevelingen te doen;

5.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en het daaraan gehechte met redenen omkleed voorstel voor een besluit van de Raad te doen toekomen aan de Commissie en de Raad, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0216.

(2)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0461.

(3)

PB C 407 van 4.11.2016, blz. 46.

(4)

PB C 75 van 26.2.2016, blz. 52.

(5)

PB C 249 E van 30.8.2013, blz. 27.

(6)

PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 154.

(7)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0409.

(8)

PB C 104 E van 30.4.2004, blz. 408.

(9)

COM(2003) 0606.


BIJLAGE BIJ DE ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

Voorstel voor een

Besluit van de Raad

houdende de constatering, overeenkomstig artikel 7, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, dat er duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending door Hongarije van de waarden waarop de Unie berust

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 7, lid 1,

Gezien het met redenen omkleed voorstel van het Europees Parlement,

Gezien de goedkeuring van het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  De Unie is gegrondvest op de in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) neergelegde waarden die de lidstaten gemeen hebben, waaronder eerbied voor de democratie en de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten. In artikel 49 VEU is bepaald dat de eerbiediging en de bevordering van de in artikel 2 VEU bedoelde waarden als voorwaarden gelden voor toetreding van een staat tot de EU.

(2)  De toetreding door Hongarije tot de EU was een vrijwillige handeling op basis van een soeverein besluit waarover brede consensus bestond in het hele Hongaarse politieke spectrum.

(3)  In zijn met redenen omkleed voorstel geeft het Europees Parlement uiting aan zijn bezorgdheid over de situatie in Hongarije. Het Parlement geeft aan met name bezorgd te zijn over de werking van het constitutionele bestel, het kiesstelsel, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en van andere instellingen, de rechten van rechters, corruptie en belangenconflicten, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en gegevensbescherming, de vrijheid van meningsuiting, academische vrijheid, de vrijheid van godsdienst, de vrijheid van vereniging, het recht op gelijke behandeling, de rechten van personen die tot minderheden behoren, waaronder de rechten van Roma en joden, de bescherming van deze minderheden tegen haatdragende uitlatingen, de fundamentele rechten van migranten, asielzoekers en vluchtelingen, en economische en sociale rechten.

(4)  Daarbij wees het Europees Parlement erop dat de Hongaarse autoriteiten weliswaar te allen tijde bereid zijn gebleken om van gedachten te wisselen over de rechtmatigheid van maatregelen, maar hebben nagelaten de in eerdere resoluties van het Parlement aanbevolen maatregelen te treffen.

(5)  In zijn resolutie van 17 mei 2017 over de situatie in Hongarije stelde het Europees Parlement dat de huidige situatie in Hongarije wijst op een duidelijk gevaar voor een ernstige schending van de in artikel 2 VEU bedoelde waarden en dat inleiding van de procedure van artikel 7, lid 1, VEU gerechtvaardigd is.

(6)  In haar mededeling van 2003 over artikel 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie vermeldt de Commissie diverse informatiebronnen die in aanmerking moeten worden genomen bij het volgen van de eerbiediging en bevordering van gemeenschappelijke waarden, zoals verslagen van internationale organisaties en ngo's en uitspraken van regionale en internationale rechtbanken. Veel actoren op nationaal, Europees en internationaal niveau, zoals de instellingen en organen van de Unie, de Raad van Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), de Verenigde Naties (VN) en talloze maatschappelijke organisaties, hebben hun diepe bezorgdheid geuit over de situatie op het gebied van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten in Hongarije, maar deze uitlatingen moeten als juridisch niet bindend worden beschouwd, aangezien alleen het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd is om de bepalingen van de Verdragen uit te leggen.

De werking van het constitutionele bestel en het kiesstelsel

(7)  De Commissie van Venetië heeft diverse malen haar zorgen geuit over het grondwetgevend proces in Hongarije, zowel wat betreft de grondwet zelf als wat betreft de diverse herzieningen daarvan. Zij heeft verklaard ingenomen te zijn met het feit dat de grondwet een constitutionele orde in het leven roept die democratie, de rechtstaat en bescherming van de fundamentele rechten als onderliggende beginselen heeft, en heeft haar waardering uitgesproken voor de inspanningen van Hongarije om een constitutionele orde tot stand te brengen die overeenstemt met de gemeenschappelijke Europese democratische normen en waarden, en de grondrechten en de fundamentele vrijheden te regelen overeenkomstig bindende internationale instrumenten. Kritiek richtte zich vooral op het gebrek aan transparantie tijdens het proces, het gebrek aan betrokkenheid van maatschappelijke organisaties, het ontbreken van echte raadpleging, het onder druk staan van de scheiding der machten en de verzwakking van het systeem van "checks and balances" in het land.

(8)  De grondwetswijzigingen hebben tot gevolg dat de bevoegdheden van het Hongaarse Constitutioneel Hof zijn ingeperkt, onder meer op het gebied van de begroting, dat de actio popularis is afgeschaft, dat het Constitutioneel Hof niet langer kan verwijzen naar zijn rechtspraak die dateert van vóór 1 januari 2012 en dat de mogelijkheden van het Hof om de grondwettelijkheid van herzieningen van de grondwet te toetsen zijn ingeperkt (behalve als het gaat om kwesties van procedurele aard). De Commissie van Venetië heeft haar ernstige bezorgdheid geuit over deze beperkingen en over de procedure voor de benoeming van rechters, en heeft in haar advies inzake wet CLI van 2011 betreffende het Constitutioneel Hof van Hongarije d.d. 19 juni 2012 en haar advies over de vierde herziening van de grondwet van Hongarije d.d. 17 juni 2013 aanbevelingen aan de Hongaarse autoriteiten gedaan om te zorgen voor de nodige "checks and balances". In haar adviezen stelde de Commissie van Venetië met betrekking tot de hervormingen tevens een aantal positieve elementen vast, zoals de bepalingen over begrotingsgaranties, het verbod op herverkiezing van rechters en invoering van het recht om een ex-post toetsingsprocedure te starten voor de Hongaarse commissaris voor de grondrechten.

(9)  Het VN-Mensenrechtencomité heeft in zijn slotopmerkingen van 5 april 2018 uiting gegeven aan zijn bezorgdheid over het feit dat de huidige procedure voor grondwettelijke klachten leidt tot een beperkter toegang tot het Constitutioneel Hof, niet voorziet in een termijn voor het verrichten van een grondwettelijke toetsing en bovendien geen schorsende werking heeft, zodat de betwiste wetgeving tijdens de procedure van kracht blijft. Daarnaast gaf het VN-Mensenrechtencomité aan dat de bepalingen van de nieuwe wet betreffende het Constitutioneel Hof de ambtszekerheid van rechters aantasten en de invloed van de regering op de samenstelling en de werking van het Constitutioneel Hof vergroten, door de procedures voor de benoeming van rechters, het aantal rechters aan het Hof en de pensioengerechtigde leeftijd van rechters te wijzigen. Voorts sprak het comité zijn zorg uit over de inperking van de bevoegdheden van het Constitutioneel Hof als het gaat om toetsing van wetgeving inzake begrotingsaangelegenheden.

(10)  In haar voorlopige bevindingen en conclusies van 9 april 2018 concludeerde de beperkte verkiezingswaarnemingsmissie van het OVSE-Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten dat de technische administratie van de verkiezingen professioneel en transparant was en dat de grondrechten en fundamentele vrijheden in het algemeen werden geëerbiedigd, evenwel in een ongunstig klimaat. De verkiezingsadministratie heeft zich professioneel en op transparante wijze van haar opdracht gekweten en genoot het algemene vertrouwen van partijen. Er werd actief campagne gevoerd, maar de vijandige en intimiderende campagneretoriek waarvan sprake was liet weinig ruimte voor een daadwerkelijk inhoudelijk debat en zorgde ervoor dat het voor de kiezers moeilijk was om weloverwogen hun stem te bepalen. De financiering door de overheid van verkiezingscampagnes en de vastgestelde uitgavenmaxima waren bedoeld om gelijke kansen voor alle kandidaten te waarborgen. Het vermogen van kandidaten om op gelijke voet aan de verkiezingen deel te nemen werd echter aanzienlijk aangetast doordat de regering zeer veel geld uitgaf aan informatiecampagnes die de campagneboodschap van de regeringscoalitie ondersteunden. Ook werden zorgen geuit over de indeling van kiesdistricten met één vertegenwoordiger. Dezelfde zorgen werden geuit in het gezamenlijk advies van de Commissie van Venetië en de OVSE/ODIHR van 18 juni 2012 inzake de wet betreffende de verkiezing van de leden van het parlement van Hongarije, waarin stond dat de indeling van kiesdistricten op transparante en professionele manier moet plaatsvinden, via een eerlijk en onpartijdig proces, waarbij niet tegemoet wordt gekomen aan politieke kortetermijndoelstellingen en waarbij gerrymandering, oftewel kiesrechtgeografie, wordt vermeden.

(11)  De afgelopen jaren heeft de Hongaarse regering regelmatig nationale raadplegingen georganiseerd en daarmee de directe democratie op nationaal niveau uitgebreid. Op 27 april 2017 wees de Commissie erop dat er in het kader van de nationale raadpleging "Stop Brussel" diverse beweringen zijn gedaan en beschuldigingen zijn geuit die feitelijk onjuist en zeer misleidend waren. Daarnaast heeft de Hongaarse regering in mei 2015 een raadpleging gehouden over "immigratie en terrorisme" en in oktober 2017 een raadpleging over het zogeheten "plan-Soros". Bij die raadplegingen werden verbanden gelegd tussen terrorisme en migratie, waarmee de haat tegen migranten werd aangewakkerd, en kwamen met name George Soros en de Europese Unie onder vuur te liggen.

Onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en van andere instellingen

(12)  In 2011 werden ingrijpende wijzigingen doorgevoerd met betrekking tot het rechtskader. Daarbij kreeg de president van de nieuw opgerichte Nationale Gerechtelijke Autoriteit verregaande bevoegdheden. De Commissie van Venetië uitte in haar advies inzake wet CLXII van 2011 betreffende de wettelijke status en de bezoldiging van rechters en wet CLXI van 2011 betreffende de organisatie en het bestuur van rechtbanken in Hongarije, aangenomen op 19 maart 2012, en in haar advies inzake de kardinale wetten betreffende de rechterlijke macht, aangenomen op 15 oktober 2012, kritiek op deze verregaande bevoegdheden. Soortgelijke zorgen werden geuit door de speciaal rapporteur van de VN voor de onafhankelijkheid van rechters en advocaten (op 29 februari 2012 en 3 juli 2013), alsmede door de Groep van Staten tegen Corruptie (Greco), in haar rapport van 27 maart 2015. Al deze actoren hebben gewezen op de noodzaak om de rol van de Nationale Raad voor de Rechtspraak als collectief orgaan en toezichtsinstantie te versterken, omdat de voorzitter van de Nationale Gerechtelijke Autoriteit, die verkozen wordt door het Hongaarse parlement, niet beschouwd kan worden als orgaan van rechterlijk zelfbestuur. Na internationale aanbevelingen in die zin, werd de status van de voorzitter van de Nationale Gerechtelijke Autoriteit gewijzigd en werden de bevoegdheden van de voorzitter ingeperkt om te zorgen voor een beter evenwicht tussen de voorzitter en de Nationale Raad voor de Rechtspraak.

(13)  Hongarije heeft sinds 2012 goede stappen genomen om bepaalde functies van de voorzitter van de Nationale Gerechtelijke Autoriteit over te hevelen naar de Nationale Raad voor de Rechtspraak, om een beter evenwicht te creëren tussen deze twee organen. Er moeten echter nog meer stappen worden gezet. Greco riep in haar rapport van 27 maart 2015 op tot minimalisatie van de potentiële gevaren van discretionaire besluiten van de voorzitter van de Nationale Gerechtelijke Autoriteit. De voorzitter van de Nationale Gerechtelijke Autoriteit heeft onder meer de bevoegdheid om rechters over te plaatsen en te benoemen en speelt tevens een rol op het gebied van het tuchtrecht voor de magistratuur. De voorzitter van de Nationale Gerechtelijke Autoriteit doet tevens aanbevelingen aan de president van Hongarije betreffende de benoeming en het ontslag van presidenten van rechtbanken, waaronder de presidenten en vicepresidenten van de hoven van beroep. Greco gaf aan ingenomen te zijn met de onlangs vastgestelde gedragscode voor rechters, maar was van oordeel dat deze nog veel explicieter had kunnen zijn en dat rechters over de code bijgeschoold zouden moeten worden. In haar rapport spreekt Greco waardering uit voor de wijzigingen in de regels voor de procedures inzake de aanwerving en selectie van rechters tussen 2012 en 2014 in Hongarije, waardoor de toezichthoudende rol van de Nationale Raad voor de Rechtspraak met betrekking tot het selectieproces werd versterkt. Op 2 mei 2018 kwam de Nationale Raad voor de Rechtspraak bijeen. Tijdens die zitting werd met eenparigheid van stemmen een aantal besluiten goedgekeurd met betrekking tot de handelwijze van de voorzitter van de Nationale Gerechtelijke Autoriteit om sollicitatieoproepen voor rechterlijke posten en hoge ambten af te keuren, welke handelwijze van de voorzitter onwettig werd verklaard.

(14)  Op 29 mei 2018 presenteerde de Hongaarse regering een ontwerp zevende herziening van de grondwet (T/332). Bij deze herziening, die op 20 juni 2018 werd aangenomen, werd een nieuw systeem van administratieve rechtbanken ingevoerd.

(15)  Na de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie ("het Hof van Justitie") van 6 november 2012 in Zaak C-286/12, Commissie/Hongarije(1), waarin het Hof van Justitie oordeelde dat Hongarije, door een nationale regeling vast te stellen die rechters, officieren van justitie en notarissen die de leeftijd van 62 jaar hebben bereikt, verplicht hun ambt neer te leggen, niet had voldaan aan de krachtens het recht van de Unie op hem rustende verplichtingen, heeft het Hongaarse parlement wet XX van 2013 vastgesteld, waarin wordt bepaald dat de pensioenleeftijd over een periode van tien jaar geleidelijk wordt verlaagd en waarin de criteria zijn vastgelegd voor herstel of compensatie. Op grond van deze wet hebben gepensioneerde rechters het recht om onder dezelfde voorwaarden als die van vóór de pensioenregeling naar hun oude post terug te keren, ofwel – als ze niet willen terugkeren – recht op een forfaitaire compensatie van twaalf maanden voor gederfde bezoldiging, waarbij ze bij de rechtbank een eis voor verdere compensatie kunnen indienen. Terugkeer op belangrijke administratieve posities wordt echter niet gegarandeerd. Desondanks heeft de Commissie de maatregelen van Hongarije om zijn pensioenwetgeving in overeenstemming te brengen met het EU-recht erkend. Het mensenrechteninstituut van de International Bar Association stelde in zijn rapport van oktober 2015 dat de meerderheid van de rechters waarvan de arbeidsbetrekking was beëindigd, niet in hun ambt zijn hersteld, onder meer omdat hun post inmiddels door een ander werd bekleed. Verder staat in dit rapport dat de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het Hongaarse gerechtelijke apparaat niet kan worden gegarandeerd en dat de waarborgen voor de rechtsstaat zijn verzwakt.

(16)  In zijn arrest van 16 juli 2015 in de zaak Gazsó/Hongarije constateerde het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) schending van het recht op een eerlijk proces en van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte. Het EHRM oordeelde dat het feit dat Hongarije er bij herhaling niet voor zorgt dat procedures tot vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen binnen een redelijke tijd worden afgerond en nalaat om maatregelen vast te stellen krachtens welke genoegdoening kan worden verkregen voor buitensporig lange procedures op nationaal niveau, een dergelijke schending vormt. Aan dit arrest is nog geen uitvoering gegeven. Het nieuwe wetboek van burgerlijke rechtsvordering van Hongarije, dat in 2016 werd vastgesteld, voorziet in een snellere afwikkeling van civiele procedures door middel van opdeling van procedures in twee fasen. Hongarije heeft het Comité van Ministers van de Raad van Europa laten weten dat de nieuwe wet die op doeltreffende wijze een einde moet gaan maken aan langdurige procedures, in oktober 2018 zal worden aangenomen.

(17)  In zijn arrest van 23 juni 2016, Baka/Hongarije, oordeelde het EHRM dat er sprake was van schending van het recht op toegang tot de rechter en het recht op vrijheid van meningsuiting van András Baka, die in juni 2009 voor een termijn van zes jaar was verkozen tot president van het hooggerechtshof, maar wiens mandaat op grond van de overgangsbepalingen in de grondwet (op grond waarvan de Curia de rechtsopvolger werd van het hooggerechtshof) werd beëindigd. Aan dit arrest is nog geen uitvoering gegeven. Op 10 maart 2017 heeft het Comité van Ministers van de Raad van Europa aangedrongen op maatregelen ter voorkoming van verdere voortijdige beëindiging van het mandaat van rechters om dezelfde redenen, om misbruik ter zake te voorkomen. De Hongaarse regering is van oordeel dat dergelijke maatregelen geen verband houden met de tenuitvoerlegging van het arrest.

(18)  Op 29 september 2008 werd András Jóri voor een termijn van zes jaar benoemd tot commissaris voor gegevensbescherming. Het Hongaarse parlement besloot echter om het gegevensbeschermingssysteem per 1 januari 2012 te hervormen en de commissaris te vervangen door een nationale autoriteit voor gegevensbescherming en vrijheid van informatie. Om die reden moest dhr. Jóri voor het einde van zijn mandaat zijn functie neerleggen. Op 8 april 2014 stelde het Hof van Justitie dat de onafhankelijkheid van toezichthoudende autoriteiten noodzakelijkerwijs inhoudt dat lidstaten verplicht zijn om de duur van het mandaat van dergelijke autoriteiten te eerbiedigen en dat Hongarije in casu de krachtens Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad(2) op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen. Hongarije heeft hierop de regels inzake de benoeming van de commissaris gewijzigd, zijn excuses aangeboden en de overeengekomen compensatie betaald.

(19)  De Commissie van Venetië heeft in haar advies inzake wet CLXIII van 2011 betreffende het openbaar ministerie en wet CLXIV van 2011 betreffende de status van de procureur-generaal, openbare aanklagers en andere met vervolging belaste personen en de loopbaan bij het openbaar ministerie van Hongarije, vastgesteld op 19 juni 2012, diverse tekortkomingen geconstateerd. Greco heeft er in haar rapport van 27 maart 2015 bij de Hongaarse autoriteiten op aangedrongen meer stappen te nemen om misbruik te voorkomen en de onafhankelijkheid van het openbaar ministerie te verbeteren, onder meer door herverkiezing van de procureur-generaal onmogelijk te maken. Daarnaast heeft Greco erop aangedrongen de transparantie van tuchtrechtelijke procedures tegen aanklagers te vergroten en ervoor te zorgen dat de overdracht van zaken van de ene aanklager naar de andere aan strikte criteria en maatstaven onderworpen is. Volgens de Hongaarse regering wordt in het nalevingsrapport 2017 van Greco (dat ondanks aandringen van Greco tijdens plenaire vergaderingen nog niet door Hongarije is bekrachtigd) de vooruitgang die door Hongarije met betrekking tot openbare aanklagers is geboekt, erkend. Aan een tweede nalevingsrapport wordt momenteel gewerkt.

Corruptie en belangenconflicten

(20)  In haar rapport van 27 maart 2015 pleitte Greco voor de vaststelling van gedragscodes voor leden van het Hongaarse parlement met richtsnoeren voor de omgang met belangenconflicten. Daarnaast zouden Hongaarse parlementsleden verplicht moeten worden belangenconflicten ad hoc te melden en zouden voor hen strengere regels moeten gelden voor het indienen van vermogensaangiften. Tevens zouden regels moeten worden ingevoerd op grond waarvan sancties kunnen worden opgelegd voor het indienen van onjuiste vermogensaangiften. Bovendien moeten de vermogensaangiften online worden bekendgemaakt zodat de bevolking daadwerkelijk toezicht kan uitoefenen. Daarnaast moet er een elektronische databank worden opgericht zodat alle aangiften en wijzigingen daarvan op een transparante manier toegankelijk zijn.

(21)  In haar voorlopige bevindingen en conclusies van 9 april 2018 concludeerde de beperkte verkiezingswaarnemingsmissie van het OVSE-Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten dat het beperkte toezicht op de financiering van campagnes en het feit dat de herkomst van campagnefondsen niet degelijk wordt onderzocht de transparantie van campagnefinanciering ondermijnen, waardoor kiezers geen weloverwogen keuze kunnen maken, een en ander in strijd met in het kader van de OVSE gedane toezeggingen en internationale normen. De huidige wetgeving biedt alleen de mogelijkheid van toezicht en controle achteraf. De Hongaarse rekenkamer heeft de bevoegdheid de naleving van de wettelijke vereisten te monitoren en te controleren. De voorlopige bevindingen en conclusies hebben echter geen betrekking op het officiële controleverslag van de Hongaarse Rekenkamer over de parlementsverkiezingen van 2018, aangezien dat verslag nog niet was afgerond.

(22)  Op 7 december 2016 ontving het stuurcomité van het Open Government Partnership (OGP), waarin 75 landen en honderden maatschappelijke organisaties op vrijwillige basis samenwerken, een brief van de Hongaarse regering met daarin de mededeling dat Hongarije zich per direct uit dit partnerschap wenste terug te trekken. De regering van Hongarije had sinds juli 2015 de aandacht van het OGP omdat maatschappelijke organisaties hun zorgen hadden geuit, met name over de inperking van hun bewegingsvrijheid. Niet alle EU-lidstaten hebben zich aangesloten bij het OGP.

(23)  Hongarije ontvangt financiële middelen van Europa ten belope van 4,4 % van zijn bbp. Deze middelen zijn goed voor meer dan de helft van de overheidsinvesteringen. Het aandeel opdrachten dat werd gegund na aanbestedingsprocedures met slechts één enkele inschrijving blijft hoog: 36 % in 2016. Hongarije is het land in de Unie met het hoogste percentage financiële aanbevelingen van OLAF met betrekking tot de structuurfondsen en landbouw voor de periode 2013-2017. In 2016 rondde OLAF een onderzoek af naar een transportproject in Hongarije waarmee 1,7 miljard euro gemoeid was en waaraan diverse internationale specialistische bouwbedrijven deelnamen. Bij dit onderzoek kwamen enkel zeer ernstige onregelmatigheden aan het licht en bij de uitvoering van het project was mogelijk sprake van fraude en corruptie. In 2017 constateerde OLAF tijdens een onderzoek naar 35 contracten voor straatverlichting die gegund waren aan een onderneming die in de betreffende periode geleid werd door de schoonzoon van de Hongaarse premier "ernstige onregelmatigheden" en "belangenverstrengeling". Het rapport ter zake werd door OLAF aan het directoraat-generaal Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling van de Commissie gestuurd, met de aanbeveling om 43,7 miljoen euro terug te vorderen en met justitiële aanbevelingen aan de procureur-generaal van Hongarije. Grensoverschrijdend onderzoek, door OLAF in 2017 uitgevoerd, leidde tot beschuldigingen van potentieel misbruik van middelen van de Unie in het kader van 31 onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten. Bij dit onderzoek, dat in Hongarije, Letland en Servië werd uitgevoerd, kwam een systeem van onderaanbesteding aan het licht dat opgezet was om de kosten van projecten kunstmatig te verhogen en te verhullen dat de uiteindelijke leveranciers gelieerde bedrijven waren. OLAF sloot het onderzoek derhalve af met de aanbeveling aan de Commissie om 28,3 miljoen euro terug te vorderen en een justitiële aanbeveling aan de Hongaarse rechterlijke instanties. Hongarije heeft besloten niet deel te nemen aan de oprichting van het Europees Openbaar Ministerie dat verantwoordelijk is voor het opsporen, vervolgen en voor de rechter brengen van daders van en medeplichtigen aan strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden.

(24)  Uit het zevende verslag van de Commissie inzake economische, sociale en territoriale cohesie blijkt dat de doeltreffendheid van de overheid in Hongarije sinds 1996 achteruit is gegaan en dat Hongarije behoort tot de lidstaten met de minst effectieve overheden. Alle Hongaarse regio's liggen wat betreft de kwaliteit van de overheid ver onder het EU-gemiddelde. Volgens het corruptiebestrijdingsverslag van de EU dat in 2014 door de Commissie werd gepubliceerd wordt corruptie in Hongarije gezien als wijdverbreid (89 %). Volgens het Global Competitiveness Report 2017-2018, gepubliceerd door het Economisch Wereldforum, was de hoge graad van corruptie een van de meest problematische factoren voor het bedrijfsleven in Hongarije.

Privacy- en gegevensbescherming

(25)  In zijn arrest van 12 januari 2016, Szabó en Vissy/Hongarije, oordeelde het EHRM dat er sprake was van schending van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, omdat er onvoldoende juridische waarborgen waren tegen onrechtmatige geheime surveillance om redenen van nationale veiligheid, onder meer in verband met het gebruik van telecommunicatiediensten. De klagende partij stelde niet dat zij onderworpen was geweest aan geheime surveillancemaatregelen en daarom leek het nemen van individuele maatregelen niet noodzakelijk. Als algemene maatregel is wijziging van de betreffende wetgeving wel noodzakelijk. Momenteel worden voorstellen tot wijziging van de wet op de nationale veiligheidsdiensten besproken door deskundigen van de bevoegde Hongaarse ministeries. Aan dit arrest is dus nog niet volledig uitvoering gegeven.

(26)  Het VN-Mensenrechtencomité heeft in zijn slotopmerkingen van 5 april 2018 uiting gegeven aan zijn bezorgdheid over het feit dat het Hongaarse rechtskader inzake heimelijk toezicht om redenen van nationale veiligheid voorziet in de mogelijkheid om communicatie massaal te onderscheppen en onvoldoende waarborgen biedt tegen willekeurige inbreuken op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Het comité uitte tevens zorgen over het ontbreken van bepalingen die voorzien in doeltreffende rechtsmiddelen in gevallen van misbruik en in een zo spoedig mogelijke kennisgeving aan de betrokkene, zonder het doel van de beperking in gevaar te brengen, na de beëindiging van de toezichtmaatregel.

Vrijheid van meningsuiting

(27)  Op 22 juni 2015 stelde de Commissie van Venetië haar advies vast inzake de mediawetgeving (wet CLXXXV betreffende mediadiensten en massamedia, wet CIV betreffende persvrijheid, en de wetgeving inzake belastingheffing op advertentie-inkomsten van de massamedia) van Hongarije, waarin zij aandrong op wijziging van de perswet en de mediawet, met name wat betreft de definitie van illegale media-inhoud, onthulling van journalistieke bronnen en het opleggen van sancties aan mediakanalen. Soortgelijke zorgen werden geuit in de analyse van 28 februari 2018, uitgevoerd in opdracht van het Bureau van de OVSE-vertegenwoordiger voor de mediavrijheid, in het advies van de vorige commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa over de Hongaarse mediawetgeving in het licht van de normen voor de mediavrijheid van de Raad van Europa van 25 februari 2011, alsook in het advies van de deskundigen van de Raad van Europa van 11 mei 2012 over de Hongaarse mediawetgeving. In zijn verklaring van 29 januari 2013 gaf de secretaris-generaal van de Raad van Europa aan ingenomen te zijn met het feit dat besprekingen op het gebied van de media een aantal belangrijke veranderingen hebben teweeggebracht. De commissaris voor de rechten van de mens van de Raad van Europa wees in zijn rapport naar aanleiding van zijn bezoek aan Hongarije, gepubliceerd op 16 december 2014, echter nogmaals op de overige punten van zorg. Daarnaast vestigde hij de aandacht op de concentratie van media-eigendom en het verschijnsel zelfcensuur en gaf hij aan dat de wettelijke bepalingen waarbij smaad strafbaar wordt gesteld ingetrokken moeten worden.

(28)  In haar advies van 22 juni 2015 inzake de mediawetgeving erkende de Commissie van Venetië ook dat de Hongaarse regering door de jaren heen inspanningen heeft geleverd om de oorspronkelijke tekst van de mediawetten te verbeteren, in overeenstemming met de opmerkingen van verschillende waarnemers, waaronder de Raad van Europa, en verklaarde zij positief gestemd te zijn over de bereidheid van de Hongaarse autoriteiten om de dialoog voort te zetten. Toch wees de Commissie van Venetië op de noodzaak om de regels inzake de verkiezing van de leden van de mediaraad aldus te wijzigen dat alle belangrijke politieke groeperingen en andere maatschappelijk van belang zijnde organisaties eerlijk vertegenwoordigd worden. Voorts gaf zij aan dat de methode voor de benoeming en de positie van de voorzitter van de mediaraad of de voorzitter van de autoriteit voor de media herzien moeten worden, teneinde de concentratie van bevoegdheden te verkleinen en politieke neutraliteit te waarborgen. Op dezelfde wijze moet de raad van bestuur hervormd worden. Daarnaast deed de Commissie van Venetië de aanbeveling om het beheer van publieke omroeporganisaties te decentraliseren en ervoor te zorgen dat het nationale persagentschap niet langer de enige nieuwsleverancier is van de publieke omroeporganisaties. Soortgelijke zorgen werden geuit in de analyse van 28 februari 2018, uitgevoerd in opdracht van het Bureau van de OVSE-vertegenwoordiger voor de mediavrijheid, in het advies van de vorige commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa over de Hongaarse mediawetgeving in het licht van de normen voor de mediavrijheid van de Raad van Europa van 25 februari 2011, alsook in het advies van de deskundigen van de Raad van Europa van 11 mei 2012 over de Hongaarse mediawetgeving. In zijn verklaring van 29 januari 2013 gaf de secretaris-generaal van de Raad van Europa aan ingenomen te zijn met het feit dat besprekingen op het gebied van de media een aantal belangrijke veranderingen hebben teweeggebracht. De commissaris voor de rechten van de mens van de Raad van Europa wees in zijn rapport naar aanleiding van zijn bezoek aan Hongarije, gepubliceerd op 16 december 2014, echter nogmaals op de overige punten van zorg.

(29)  Op 18 oktober 2012 stelde de Commissie van Venetië haar advies vast inzake wet CXII van 2011 betreffende informationele privacy en vrijheid van informatie in Hongarije. Het algemene oordeel van de Commissie van Venetië was positief. Desondanks was zij van oordeel dat er nog enkele verbeteringen noodzakelijk waren. Enkele latere wijzigingen van deze wetgeving leidden er echter toe dat het recht op toegang tot regeringsinformatie aanzienlijk werd beperkt. In de analyse van maart 2016, uitgevoerd in opdracht van het Bureau van de OVSE-vertegenwoordiger voor de mediavrijheid, werd kritiek geuit op deze wetswijzigingen. Gesteld werd dat de bedragen die in rekening worden gebracht voor directe kosten redelijk lijken, maar dat het in rekening brengen van de tijd die ambtenaren spenderen aan het beantwoorden van verzoeken onredelijk is. Zoals werd opgemerkt in het landverslag 2018 van de Europese Commissie hebben de commissaris voor gegevensbescherming en de rechtbanken, waaronder het Constitutioneel Hof, met betrekking tot transparantie een progressief standpunt ingenomen.

(30)  In de voorlopige bevindingen en conclusies van 9 april 2018 concludeerde de beperkte verkiezingswaarnemingsmissie van het OVSE-Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten met betrekking tot de parlementaire verkiezingen van 2018 dat er, onder meer ten gevolge van de recente wetswijzigingen, sprake was van beperking van de toegang tot informatie, de vrijheid van de media en de vrijheid van vereniging, en dat de verslaggeving in de media over de campagne zeer uitvoerig was, maar in hoge mate gepolariseerd, en dat het ontbrak aan kritische analyses. De publieke omroep heeft zijn opdracht vervuld en de verschillende partijen gratis zendtijd geboden, maar de nieuwsuitzendingen en politieke commentaren waren duidelijk vóór de bestaande coalitie, hetgeen niet in overeenstemming is met de internationale normen. De meeste commerciële omroepen waren partijdig, hetzij voor regerings-, hetzij voor oppositiepartijen. Alleen de onlinemedia vormden een platform voor een pluralistisch thematisch politiek debat. Voorts blijkt uit de bevindingen en conclusies dat de politisering van media-eigendom, in combinatie met het restrictieve rechtskader, een negatieve invloed had op de redactionele vrijheid, waardoor de toegang van kiezers tot pluralistische informatie werd belemmerd. Daarnaast werd erop gewezen dat de wetswijzigingen hebben geleid tot onredelijke belemmeringen voor de toegang tot informatie, doordat de definitie van informatie die niet kan worden vrijgegeven werd verruimd en de kosten voor de behandeling van verzoeken om informatie werden verhoogd.

(31)  Het VN-Mensenrechtencomité heeft in zijn slotopmerkingen van 5 april 2018 uiting gegeven aan zijn bezorgdheid over de mediawetten en praktijken die de vrijheid van mening en meningsuiting beperken. Het comité maakte zich zorgen over het feit dat het huidige wetgevingskader, na een aantal opeenvolgende wetswijzigingen, geen volledige waarborgen biedt voor een ongecensureerde en ongehinderde pers. Het comité stelde met bezorgdheid vast dat de mediaraad en de autoriteit voor de media te weinig onafhankelijk zijn om hun taken naar behoren te kunnen uitoefenen, en over te ruime regelgevings- en sanctiebevoegdheden beschikken.

(32)  Op 13 april 2018 veroordeelde de OVSE-vertegenwoordiger voor de mediavrijheid met klem de bekendmaking door een Hongaars mediakanaal van een lijst met meer dan 200 namen van mensen die volgens het kanaal zouden behoren tot een groep van 2 000 mensen die actief waren om de regering ten val te brengen. De lijst werd op 11 april gepubliceerd door het Hongaarse tijdschrift Figyelő en bevatte de namen van een groot aantal journalisten en diverse andere burgers. Op 7 mei 2018 uitte de OVSE-vertegenwoordiger voor de mediavrijheid zijn ernstige bezorgdheid over de weigering van persaccreditatie aan verschillende onafhankelijke journalisten die daardoor geen verslag konden uitbrengen over de constituerende vergadering van het nieuwe Hongaarse parlement. Gesteld werd dat een dergelijke gebeurtenis niet mag worden gebruikt als instrument om de inhoud van kritische verslaggeving te beknotten en dat een dergelijke praktijk een negatief precedent schept voor de nieuwe zittingsperiode van het Hongaarse parlement.

Academische vrijheid

(33)  Op 6 oktober 2017 stelde de Commissie van Venetië haar advies vast inzake wet XXV van 4 april 2017 tot wijziging van wet CCIV van 2011 betreffende nationaal tertiair onderwijs. De commissie concludeerde dat de invoering van strengere regels zonder zeer gegronde redenen, gekoppeld aan strikte termijnen en ernstige juridische gevolgen, voor buitenlandse universiteiten die reeds in Hongarije zijn gevestigd en daar al vele jaren rechtmatig werkzaam zijn, vanuit het oogpunt van de rechtsstaat en de beginselen en waarborgen van de grondrechten zeer problematisch lijkt. Deze universiteiten en hun studenten worden beschermd door nationale en internationale regels inzake academische vrijheid, de vrijheid van meningsuiting en vergadering en het recht op en de vrijheid van onderwijs. De Commissie van Venetië heeft de Hongaarse autoriteiten met name aanbevolen erop toe te zien dat de nieuwe regels inzake de verplichting om over een werkvergunning te beschikken de academische vrijheid niet onevenredig beperken en op niet-discriminerende en flexibele wijze worden toegepast, zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit en het internationale karakter van het onderwijs dat reeds door bestaande universiteiten wordt aangeboden. De bezorgdheid over de wijziging van Wet CCIV van 2011 betreffende nationaal tertiair onderwijs wordt ook gedeeld door de speciaal rapporteurs van de VN voor de vrijheid van mening en meningsuiting, voor het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging en voor culturele rechten, wat zij hebben aangegeven in hun verklaring van 11 april 2017. In zijn slotopmerkingen van 5 april 2018 wees het VN-Mensenrechtencomité erop dat het opleggen van dergelijke beperkingen van de vrijheid van gedachte, meningsuiting en vereniging, alsook van de academische vrijheid, onvoldoende gerechtvaardigd is.

(34)  Op 17 oktober 2017 verlengde het Hongaarse parlement de termijn waarbinnen buitenlandse universiteiten die in Hongarije actief zijn aan de nieuwe criteria moeten voldoen tot 1 januari 2019, dit op verzoek van de betrokken instellingen en na de aanbeveling van het voorzitterschap van de Hongaarse conferentie van rectoren. De Commissie van Venetië was ingenomen met deze verlenging. Momenteel zijn nog onderhandelingen gaande tussen de Hongaarse regering en de betreffende instellingen voor hoger onderwijs, met name de Central European University, terwijl de juridisch onduidelijke situatie voor buitenlandse universiteiten voortduurt. De Central European University voldoet inmiddels aan de nieuwe vereisten.

(35)  Op 7 december 2017 besloot de Europese Commissie Hongarije naar het Hof van Justitie van de Europese Unie te verwijzen omdat de wijziging van wet CCIV van 2011 betreffende het nationale tertiaire onderwijs de activiteiten van universiteiten van binnen en buiten de EU onevenredig beperkt. Tevens stelde de Commissie dat de wet opnieuw in overeenstemming moet worden gebracht met het recht van de Unie. De Commissie concludeerde dat de nieuwe wetgeving een beperking inhoudt van het recht op academische vrijheid, het recht op onderwijs en de vrijheid van ondernemerschap, zoals vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het "Handvest") en zoals voortvloeiend uit de wettelijke verplichtingen van de Unie uit hoofde van het internationaal handelsrecht.

Vrijheid van godsdienst

(36)  Op 30 december 2011 nam het Hongaarse parlement wet CCVI van 2011 betreffende de vrijheid van geweten en godsdienst en de juridische status van kerken, gezindten en religieuze gemeenschappen in Hongarije aan. Deze wet trad op 1 januari 2012 in werking. De wet bracht voor een groot aantal religieuze organisaties met zich mee dat hun rechtspersoonlijkheid wijzigde en bracht het aantal wettelijk erkende kerken in Hongarije terug tot 14. In zijn brief van 16 december 2011 aan de Hongaarse autoriteiten uitte de commissaris voor de rechten van de mens van de Raad van Europa zijn zorgen over deze wet. In februari 2012 verhoogde het Hongaarse parlement onder internationale druk het aantal erkende kerken naar 31. Op 19 maart 2012 stelde de Commissie van Venetië haar advies vast inzake wet CCVI van 2011 betreffende de vrijheid van geweten en godsdienst en de juridische status van kerken, gezindten en religieuze gemeenschappen in Hongarije, waarin zij aangaf dat de wet een aantal vereisten bevat die buitensporig zijn en gebaseerd zijn op willekeurige criteria voor de erkenning van een kerk. Voorts gaf zij aan dat de wet ertoe heeft geleid dat de registratie van honderden voorheen wettelijk erkende kerken ongedaan is gemaakt en dat de wet tot op zekere hoogte leidt tot een ongelijke en zelfs discriminerende behandeling van godsdienstige overtuigingen en gemeenschappen, afhankelijk van het feit of zij al dan niet erkend zijn.

(37)  In februari 2013 oordeelde het Constitutioneel Hof van Hongarije dat het ongedaan maken van de registratie van erkende kerken ongrondwettelijk was. Als reactie op de uitspraak van het Constitutioneel Hof wijzigde het Hongaarse parlement in maart 2013 de grondwet. In juni en september 2013 wijzigde het Hongaarse parlement wet CCVI van 2011 waarmee een tweeledige classificatie werd ingevoerd bestaande uit "religieuze gemeenschappen" en "erkende kerken". In september 2013 voerde het Hongaarse parlement tevens een wijziging van de grondwet door en gaf zichzelf daarmee de bevoegdheid om religieuze gemeenschappen aan te wijzen voor "samenwerking" met de overheid met het oog op "activiteiten van openbaar belang". Daarmee gaf het zichzelf de discretionaire bevoegdheid om met tweederdemeerderheid een religieuze organisatie te erkennen.

(38)  In zijn uitspraak van 8 april 2014 in zaak Magyar Keresztény Mennonita Egyház e.a./Hongarije oordeelde het EHRM dat Hongarije de vrijheid van vereniging had geschonden, voor zover deze verband houdt met de vrijheid van geweten en godsdienst. Het Constitutioneel Hof van Hongarije constateerde dat bepaalde regels inzake de criteria voor de erkenning van kerken ongrondwettelijk waren en beval de wetgevende macht de betreffende regels in overeenstemming te brengen met de eisen van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De betrokken wet werd in december 2015 voorgelegd aan het parlement maar kreeg niet de nodige meerderheid. Aan dit arrest is dus nog geen uitvoering gegeven.

Vrijheid van vereniging

(39)  In zijn brief van 9 juli 2014 aan de Hongaarse autoriteiten uitte de commissaris voor de rechten van de mens van de Raad van Europa zijn bezorgdheid over de stigmatiserende uitspraken van politici die vraagtekens plaatsen bij de legitimiteit van de activiteiten van bepaalde ngo's. Aanleiding voor deze uitspraken waren de door het controlebureau van de Hongaarse overheid uitgevoerde controles van ngo's die exploitanten waren en middelen ontvingen van het ngo-fonds van de EER/Norway Grants. De Hongaarse regering heeft een overeenkomst gesloten met het fonds en ten gevolge daarvan worden nog altijd middelen uitgekeerd. De speciale VN-rapporteur voor de situatie van mensenrechtenactivisten bracht van 8 t/m 16 februari 2016 een bezoek aan Hongarije en gaf in zijn verslag hierover aan dat er sprake is van aanzienlijke problemen, voortvloeiend uit het bestaande juridisch kader voor de uitoefening van de fundamentele vrijheden, zoals de vrijheid van gedachte en meningsuiting, van vreedzame vergadering en van vereniging. Daarnaast gaf hij aan dat ook wetgeving betreffende de nationale veiligheid en migratie kan leiden tot beperkingen voor maatschappelijke organisaties.

(40)  In april 2017 werd een wetsontwerp betreffende transparantie van organisaties die steun uit het buitenland ontvangen aan het Hongaarse parlement voorgelegd, volgens de regering om eisen vast te stellen met het oog op de voorkoming van witwaspraktijken en terrorisme. De commissie van Venetië erkende in 2013 dat er uiteenlopende redenen kunnen bestaan waarom een staat buitenlandse financiering aan banden wil leggen, zoals het streven om witwaspraktijken en financiering van terroristische activiteiten te voorkomen, maar stelde daarbij dat dergelijke legitieme doelstellingen niet als voorwendsel gebruikt mogen worden om controle uit te oefenen op ngo's of om het vermogen van ngo's om hun legitieme werkzaamheden, met name de verdediging van de mensenrechten, uit te oefenen te beperken. Op 26 april 2017 stuurde de commissaris voor de rechten van de mens van de Raad van Europa een brief aan de voorzitter van de Hongaarse nationale vergadering, waarin hij wees op het feit dat het wetsontwerp was ingediend tegen de achtergrond van voortdurende opruiende uitspraken van bepaalde leden van de regeringscoalitie, die sommige ngo's vanwege hun inkomstenbronnen openbaar bestempelden als "buitenlandse agenten" en hun legitimiteit betwistten. De term "buitenlandse agenten" komt in het ontwerp evenwel niet voor. Soortgelijke zorgen werden geuit in de verklaring van 7 maart 2017 van de voorzitter van de conferentie van internationale ngo's van de Raad van Europa en de voorzitter van de raad van deskundigen inzake ngo-recht, alsmede in het advies van 24 april 2017 van de raad van deskundigen inzake ngo-recht, en in de verklaring van 15 mei 2017 van de speciale VN-rapporteurs voor de situatie van mensenrechtenactivisten en voor de bevordering en bescherming van de vrijheid van mening en meningsuiting.

(41)  Op 13 juni 2017 keurde het Hongaarse parlement het wetsontwerp met een aantal wijzigingen goed. In haar advies van 20 juni 2017 erkende de Commissie van Venetië dat de term "organisatie die steun uit het buitenland ontvangt" neutraal en beschrijvend is en dat sommige van die wijzigingen een aanzienlijke verbetering inhielden. Tegelijkertijd wees de Commissie van Venetië er echter op dat enkele andere problemen niet waren verholpen, en dat de wijzigingen onvoldoende waren om de bezorgdheid te verminderen dat de wet zou kunnen leiden tot een onevenredige en onnodige inmenging in de vrijheid van vereniging en de vrijheid van meningsuiting, het recht op privacy en het verbod op discriminatie. In zijn slotopmerkingen van 5 april 2018 wees het VN-Mensenrechtencomité erop dat ontoereikende redenen waren aangevoerd voor het opleggen van dergelijke beperkingen, die onderdeel leken te zijn van een strategie om bepaalde ngo's in diskrediet te brengen, waaronder ngo's die zich bezighielden met de bescherming van de mensenrechten in Hongarije.

(42)  Op 7 december 2017 besloot de Commissie een procedure tegen Hongarije aanhangig te maken, omdat zij van oordeel was dat Hongarije niet voldeed aan zijn verplichtingen uit hoofde van de Verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van kapitaal. De Commissie was van oordeel dat de ngo-wet bepalingen bevat die een indirecte discriminatie inhouden en donaties vanuit het buitenland aan maatschappelijke organisaties op buitensporige wijze beperken. Bovendien beweerde de Commissie dat Hongarije de vrijheid van vereniging en het recht op bescherming van privéleven en persoonsgegevens, zoals vastgelegd in het Handvest, had geschonden, een en ander bezien in samenhang met de verdragsbepalingen inzake vrij verkeer van kapitaal.

(43)  In februari 2018 presenteerde de Hongaarse regering een wetgevingspakket bestaande uit drie wetsontwerpen (T/19776, T/19775 en T/19774). Op 14 februari 2018 legden de voorzitter van de conferentie van internationale ngo's van de Raad van Europa en de voorzitter van de raad van deskundigen inzake ngo-recht een verklaring af waarin zij stelden dat het pakket in strijd is met de vrijheid van vereniging, in het bijzonder van ngo's die zich bezighouden met migranten. Soortgelijke zorgen werden op 15 februari 2018 geuit door de commissaris voor de rechten van de mens van de Raad van Europa. Op 8 maart 2018 waarschuwden de speciale VN-rapporteur inzake de bevordering en bescherming van de vrijheid van mening en meningsuiting, de speciale VN-rapporteur voor de situatie van mensenrechtenactivisten, de onafhankelijke deskundige inzake mensenrechten en internationale solidariteit, de speciale VN-rapporteur voor de mensenrechten van migranten, en de speciale VN-rapporteur voor hedendaagse vormen van racisme, rassendiscriminatie, vreemdelingenhaat en aanverwante onverdraagzaamheid dat de wet zou leiden tot onnodige beperkingen op de vrijheid van vereniging en de vrijheid van meningsuiting in Hongarije. In zijn slotopmerkingen van 5 april 2018 uitte het VN-Mensenrechtencomité zijn bezorgdheid dat door te verwijzen naar het "overleven van de natie" en de bescherming van burgers en cultuur, en door de werkzaamheden van ngo's in verband te brengen met een beweerde internationale samenzwering, het gevaar bestaat dat het pakket wetgeving zal leiden tot stigmatisering van ngo's en het beperken van hun mogelijkheden om hun belangrijke werk voor de mensenrechten, in het bijzonder de rechten van vluchtelingen, asielzoekers en migranten, uit te voeren. Daarnaast was het comité bezorgd dat het opleggen van beperkingen op buitenlandse steun aan ngo's misbruikt zou kunnen worden om onwettige druk uit te oefenen op ngo's en om hun activiteiten op ongerechtvaardigde wijze te ondermijnen. Een van de wetsontwerpen beoogt elke financiering van ngo's vanuit andere landen dan Hongarije, met inbegrip van Europese financiering, te belasten met een tarief van 25%. Daarnaast ontneemt het wetgevingspakket ngo's mogelijkheden om beroep aan te tekenen tegen willekeurige besluiten. Op 22 maart 2018 verzocht de Commissie juridische zaken en mensenrechten van de parlementaire vergadering van de Raad van Europa de Commissie van Venetië om een advies over het ontwerpwetgevingspakket.

(44)  Op 29 mei 2018 presenteerde de Hongaarse regering een wetsontwerp tot wijziging van een aantal wetten inzake maatregelen ter bestrijding van illegale immigratie (T/333). Dit ontwerp is een herziene versie van het eerdere wetgevingspakket en voorziet in strafrechtelijke sancties voor het mogelijk maken van illegale immigratie. Dezelfde dag drong het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor vluchtelingen aan op intrekking van het voorstel. Daarbij gaf hij uiting aan zijn bezorgdheid dat deze voorstellen, als ze zouden worden aangenomen, ertoe zouden leiden dat personen die gedwongen zijn om te vluchten geen beroep meer kunnen doen op belangrijke hulp en diensten, en dat het toch al zo verhitte maatschappelijk debat verder zou oplaaien en dat de xenofobie in het land verder zou toenemen. Soortgelijke zorgen werden op 1 juni 2018 geuit door de commissaris voor de rechten van de mens van de Raad van Europa. Op 31 mei 2018 verzocht de voorzitter van de Commissie juridische zaken en mensenrechten van de parlementaire vergadering van de Raad van Europa de Commissie van Venetië nogmaals om een advies over het nieuwe voorstel. Het wetsvoorstel werd op 20 juni 2018 aangenomen, voordat de Commissie van Venetië een advies had uitgebracht. Op 21 juni 2018 veroordeelde de Hoge Commissaris voor de rechten van de mens het besluit van het Hongaarse parlement. Op 22 juni 2018 gaven de Commissie van Venetië en het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten van de OVSE aan dat de bepaling inzake strafrechtelijke aansprakelijkheid een negatieve invloed kan hebben op de activiteiten van organisaties en de vrijheid van meningsuiting, en inbreuk maakt op het recht op vrijheid van vereniging en meningsuiting en om die reden ingetrokken moet worden.

Recht op gelijke behandeling

(45)  Van 17 t/m 27 mei 2016 bracht de VN-Werkgroep inzake discriminatie van vrouwen in de wet en in de praktijk een bezoek aan Hongarije. In haar verslag over dit bezoek gaf de werkgroep aan dat ijveren voor een conservatieve gezinsvorm, die bescherming geniet als essentiële voorwaarde voor het overleven van de natie, niet ten koste mag gaan van de bevordering van de politieke, economische en sociale rechten van de vrouw en de verbetering van hun positie. Tevens wees de werkgroep erop dat het recht op gelijkheid van vrouwen niet uitsluitend gezien moet worden in het licht van de bescherming van kwetsbare groepen, zoals kinderen, ouderen en gehandicapten, omdat vrouwen deel uitmaken van al die groepen. In nieuwe schoolboeken komen nog altijd genderstereotypen voor, waarbij vrouwen de rol van moeder en echtgenote vervullen en moeders soms als minder intelligent worden afgeschilderd dan vaders. Anderzijds erkende de werkgroep de inspanningen van de Hongaarse regering om het evenwicht tussen werk en gezinsleven te bevorderen door middel van de invoering van ruimhartige bepalingen inzake steunverlening aan gezinnen en inzake opvang en onderwijs voor jonge kinderen. In haar voorlopige bevindingen en conclusies van 9 april 2018 concludeerde de beperkte verkiezingswaarnemingsmissie van het OVSE-Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten met betrekking tot de parlementaire verkiezingen van 2018 in Hongarije dat vrouwen in de politiek nog altijd ondervertegenwoordigd zijn en dat er geen wettelijke bepalingen zijn ter bevordering van gendergelijkheid in de context van verkiezingen. Eén grote partij had op haar nationale kieslijst een vrouwelijke lijsttrekker en enkele partijen besteedden in hun verkiezingsprogramma aandacht aan gendergerelateerde onderwerpen, maar verder was de verbetering van de positie van vrouwen nauwelijks een onderwerp binnen de verkiezingscampagnes. Ook in de media kwam dit onderwerp nauwelijks ter sprake.

(46)  In zijn slotopmerkingen van 5 april 2018 gaf het VN-Mensenrechtencomité aan verheugd te zijn over de ondertekening van het Verdrag van Istanbul door Hongarije, maar het te betreuren dat, wat betreft de positie van vrouwen in de samenleving, patriarchale stereotypen in Hongarije nog altijd de boventoon voeren, en wees het met bezorgdheid op discriminerende opmerkingen van politici jegens vrouwen. Tevens wees het comité erop dat het Hongaarse wetboek van strafrecht geen volledige bescherming biedt voor vrouwelijke slachtoffers van huiselijk geweld. Voorts uitte het comité zijn bezorgdheid over het feit dat vrouwen in leidinggevende functies binnen de overheid, en met name binnen ministeries en het Hongaarse parlement, ondervertegenwoordigd zijn. Het Verdrag van Istanbul is nog niet geratificeerd.

(47)  De Hongaarse grondwet bevat bindende bepalingen inzake de bescherming van de banen van ouders en inzake de naleving van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Als gevolg daarvan bevat het arbeidsrecht bijzondere regels voor vrouwen en voor moeders en vaders die kinderen opvoeden. Op 27 april 2017 heeft de Commissie een met redenen omkleed advies uitgebracht waarin zij Hongarije verzoekt Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad(3) correct uit te voeren, dit naar aanleiding van het feit dat de Hongaarse wetgeving voorziet in een uitzondering op het verbod op discriminatie op grond van geslacht die veel breder is dan de uitzondering die genoemde richtlijn toestaat. Op dezelfde datum heeft de Commissie een met redenen omkleed advies uitgebracht wegens de niet-nakoming door Hongarije van Richtlijn 92/85/EG van de Raad(4), waarin wordt bepaald dat werkgevers verplicht zijn de arbeidsomstandigheden van werknemers die zwanger zijn of borstvoeding geven aan te passen om gevaren voor hun gezondheid of veiligheid te voorkomen. De Hongaarse regering heeft toegezegd de nodige bepalingen van wet CXXV van 2003 betreffende gelijke behandeling en de bevordering van gelijke kansen en wet I van 2012 inzake het arbeidsrecht te wijzigen. Op 7 juni 2018 werd deze zaak gesloten.

(48)  In zijn slotopmerkingen van 5 april 2018 uitte het VN-Mensenrechtencomité zijn bezorgdheid over het feit dat het grondwettelijk verbod op discriminatie niet uitdrukkelijk betrekking heeft op seksuele geaardheid en genderidentiteit en dat de restrictieve definitie van het begrip gezin tot discriminatie kan leiden, omdat bepaalde samenlevingsvormen, bijvoorbeeld paren van hetzelfde geslacht, niet onder die definitie vallen. Daarnaast sprak het comité zijn zorg uit het feit dat lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen en transgenders, met name op het werk en binnen het onderwijs, te maken hebben met geweld, negatieve stereotyperingen en vooroordelen.

(49)  In zijn slotopmerkingen van 5 april 2018 maakte het VN-Mensenrechtencomité eveneens melding van gedwongen opnames in medische instellingen, het isoleren en gedwongen behandelen van grote groepen mensen met geestelijke, verstandelijke of psychosociale handicaps, gevallen van geweld en wrede, onmenselijke of onterende behandeling en berichten over grote aantallen niet-onderzochte overlijdensgevallen in gesloten inrichtingen.

Rechten van personen die tot minderheden behoren, waaronder de rechten van Roma en joden, en de bescherming van dergelijke minderheden tegen haatdragende uitlatingen

(50)  De commissaris voor de rechten van de mens van de Raad van Europa gaf in zijn rapport naar aanleiding van zijn bezoek aan Hongarije, gepubliceerd op 16 december 2014, aan bezorgd te zijn over de toename van racisme en intolerantie in Hongarije, waarbij zigeunerhaat de meest flagrante vorm van intolerantie is, tot uiting komend in onder meer bijzonder hard optreden en geweld tegen Roma en paramilitaire marsen en patrouilles in dorpen waar Roma wonen. Voorts wees hij erop dat antisemitisme, ondanks het feit dat de Hongaarse autoriteiten antisemitische uitingen hebben veroordeeld, een terugkerend probleem is dat tot uiting komt in haatzaaiende taal en gevallen van geweld tegen joden of joodse eigendommen. Bovendien wees de commissaris voor de rechten van de mens van de Raad van Europa op een heropleving van xenofobie gericht tegen migranten, waaronder asielzoekers en vluchtelingen, en intolerantie jegens andere sociale groepen, zoals LGBTI's en armen en daklozen. De Commissie tegen racisme en vreemdelingenhaat (ECRI) uitte in haar rapport over Hongarije van 9 juni 2015 soortgelijke zorgen.

(51)  Het Raadgevend Comité voor het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden stelde in zijn vierde advies inzake Hongarije, vastgesteld op 25 februari 2016, dat de Roma nog altijd systematisch gediscrimineerd worden en te maken hebben met ongelijkheden op alle gebieden van het leven, zoals huisvesting, werkgelegenheid, gezondheidszorg en maatschappelijke en politieke participatie. In zijn resolutie van 5 juli 2017 heeft het Comité van Ministers van de Raad van Europa de Hongaarse autoriteiten aanbevolen duurzame en doeltreffende inspanningen te verrichten ter voorkoming, bestrijding en bestraffing van ongelijkheid en discriminatie van Roma, in nauw overleg met vertegenwoordigers van de Roma de levensomstandigheden, toegang tot gezondheidszorg en de werkgelegenheid van Roma te verbeteren, doeltreffende maatregelen te nemen om een einde te maken aan de praktijken die ten grondslag liggen aan de aanhoudende segregatie van Roma-kinderen in scholen, en de inspanningen om een einde te maken aan de problemen waar Roma-kinderen op school mee te maken hebben te verdubbelen, te waarborgen dat Roma-kinderen dezelfde kansen hebben op toegang tot goede scholing op alle onderwijsniveaus, en maatregelen te blijven nemen om te voorkomen dat kinderen ten onrechte op speciale scholen of in speciale klassen worden geplaatst. De Hongaarse regering heeft inmiddels een aantal belangrijke maatregelen getroffen om de inclusie van Roma te bevorderen. Op 4 juli 2012 werd een actieplan ter bescherming van de werkgelegenheid vastgesteld om de werkgelegenheid en banen van kansarme werknemers te beschermen en de herintreding van langdurig werklozen te bevorderen. Daarnaast werd de sectorale strategie voor gezondheidszorg "Gezond Hongarije 2014-2020" vastgesteld om de ongelijkheid in de gezondheidszorg te verminderen. In 2014 werd een strategie voor de periode 2014-2020 vastgesteld, gericht op de renovatie van krotwoningen in gesegregeerde nederzettingen. Ondanks al deze maatregelen is volgens het verslag van FRA over de grondrechten (2018) het percentage jonge Roma dat geen werk heeft en geen onderwijs of een opleiding volgt in de periode 2011 tot 2016 gestegen van 38% naar 51%.

(52)  In zijn arrest van 29 januari 2013, Horváth en Kiss/Hongarije, kwam het EHRM tot het oordeel dat de geldende Hongaarse wetgeving, zoals die in de praktijk wordt toegepast, in onvoldoende waarborgen voorziet en leidt tot oververtegenwoordiging in speciale scholen en tot segregatie van Roma-kinderen, omdat deze kinderen op grote schaal de diagnose krijgen dat zij een geestelijke achterstand hebben, hetgeen een schending inhoudt van hun recht op onderwijs zonder discriminatie. Aan dit arrest is nog geen uitvoering gegeven.

(53)  Op 26 mei 2016 stuurde de Commissie de Hongaarse overheid een ingebrekestelling met betrekking tot de Hongaarse wetgeving en de administratieve praktijk die ertoe leidt dat Roma-kinderen binnen het bijzonder onderwijs voor kinderen met een geestelijke beperking sterk oververtegenwoordigd zijn en binnen normale scholen zeer vaak gescheiden onderwijs krijgen. De Hongaarse regering is inmiddels actief in gesprek met de Commissie. De Hongaarse inclusiestrategie richt zich op de bevordering van geïntegreerd onderwijs, vermindering van segregatie, beperking van de overdracht van achterstand van de ene generatie op de andere, en de totstandbrenging van een inclusieve schoolomgeving. Daarnaast biedt de wet op het nationaal openbaar onderwijs vanaf januari 2017 aanvullende waarborgen en voerde de Hongaarse regering in 2011-2015 officiële controles in, gevolgd door maatregelen van overheidsdiensten.

(54)  In zijn arrest van 20 oktober 2015, Balázs/Hongarije, oordeelde het EHRM dat er in deze zaak, die draaide om de vraag of al dan niet rekening was gehouden met de aan een aanval ten grondslag liggende anti-Roma-motieven, sprake was van een schending van het verbod op discriminatie. In zijn arrest van 12 april 2016, R.B./Hongarije, en in zijn arrest van 17 januari 2017, Király en Dömötör/Hongarije, stelde het EHRM een schending van het recht op eerbiediging van het privéleven vast, omdat er niet naar behoren onderzoek was gedaan naar beschuldigingen van door rassenhaat ingegeven misbruik. In zijn arrest van of 31 oktober 2017, M.F./Hongarije, stelde het EHRM een schending van het verbod op discriminatie en het verbod op onmenselijke of vernederende behandeling vast, omdat de autoriteiten hadden nagelaten om in een bepaalde kwestie onderzoek te doen naar eventuele achterliggende racistische motieven. Aan deze twee arresten is nog geen uitvoering gegeven. Na de arresten Balázs/Hongarije en R.B./Hongarije zijn evenwel de bestanddelen van het strafbare feit "aanzetten tot geweld of haat tegen de gemeenschap", zoals dat in het wetboek van strafrecht is opgenomen, gewijzigd. Deze wijziging is op 28 oktober 2016 in werking getreden en diende ter uitvoering van Kaderbesluit 2008/913/JBZ(5). In 2011 werd het wetboek van strafrecht gewijzigd om campagnes van extreemrechtse paramilitaire groepen te voorkomen. Daartoe werd het concept van "misdaad in uniform" in de wet opgenomen en werd elke vorm van provocatie en asociaal gedrag die angst teweegbrengt bij leden van een nationale, etnische of religieuze groep strafbaar gesteld met een gevangenisstraf van maximaal drie jaar.

(55)  Van 29 juni t/m 1 juli 2015 bracht het OVSE-Bureau voor Democratische instellingen en Mensenrechten naar aanleiding van berichten over gedwongen uitzettingen van Roma door het plaatselijk bestuur van de stad Miskolc een bezoek aan Hongarije met het oog op het uitvoeren van een evaluatie ter plaatse. De lokale overheid aldaar had, al voor de wijziging van een plaatselijk besluit van 2014, een reeks maatregelen tegen Roma goedgekeurd en gezaghebbende personen uit de stad deden regelmatig Roma-vijandige uitspraken. Zo bleek uit berichten dat de burgemeester van Miskolc, Ákos Kriza, in februari 2013 had verklaard dat hij de stad wilde zuiveren van "antisociale, geperverteerde Roma", die, aldus de burgemeester, ten onrechte profiteerden van het Nest-programma (Fészekrakó-programma) dat voorziet in huisvestingstoelagen en huur- en onderhoudsvergoedingen voor personen die in sociale appartementen wonen. Deze woorden vormden het startschot voor een reeks uitzettingen en in de loop van die maand werden vijftig van de 273 appartementen uit de betreffende categorie afgebroken, onder meer om grond vrij te maken voor de renovatie van een stadion. Naar aanleiding van een verzoek van de verantwoordelijke overheidsdienst vernietigde het Hooggerechtshof bij besluit van 28 april 2015 de betreffende bepalingen. De commissaris voor de grondrechten en de adjunct-commissaris voor de rechten van nationale minderheden brachten op 5 juni 2015 een gezamenlijk advies uit over de schendingen van de grondrechten van de Roma in Miskolc. Aan de aanbevelingen in dat advies werd door de lokale overheid echter geen gevolg gegeven. Ook de Hongaarse autoriteit voor gelijke behandeling verrichte een onderzoek en zij nam in juli 2015 een besluit waarin zij de plaatselijke overheid verzocht te stoppen met het uitzetten van Roma en een actieplan op te stellen om Roma huisvesting te bieden in overeenstemming met de menselijke waardigheid. Op 26 januari 2016 stuurde de commissaris voor de rechten van de mens van de Raad van Europa brieven aan de regeringen van Albanië, Bulgarije, Frankrijk, Hongarije, Italië, Servië en Zweden over gedwongen uitzettingen van Roma. In de brief aan de Hongaarse autoriteiten werden zorgen geuit over de behandeling van Roma in Miskolc. Op 21 april 2016 werd er een actieplan goedgekeurd en in de tussentijd werd er ook een bureau voor sociale huisvesting opgericht. In haar besluit van 14 oktober 2016 stelde de autoriteit voor gelijke behandeling vast dat het gemeentebestuur aan zijn verplichtingen had voldaan. Desondanks stelde ECRI in haar conclusies inzake de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen aan Hongarije, gepubliceerd op 15 mei 2018, dat haar aanbevelingen, ondanks enkele positieve ontwikkelingen op het gebied van de verbetering van de woonsituatie van Roma, niet waren opgevolgd.

(56)  In zijn resolutie van 5 juli 2017 heeft het Comité van Ministers van de Raad van Europa de Hongaarse autoriteiten aanbevolen de dialoog met de joodse gemeenschap te intensiveren en te verduurzamen en de allerhoogste prioriteit te geven aan de bestrijding van antisemitisme in het openbare leven, duurzame inspanningen te verrichten om daden van antisemitisme, waaronder vandalisme en het uiten van haatzaaiende taal, om redenen van ras of etniciteit te voorkomen, vast te stellen, te onderzoeken, te vervolgen en te bestraffen, en om na te denken over een wetswijziging, teneinde een zo goed mogelijke wettelijke bescherming tegen racisme te waarborgen.

(57)  De Hongaarse regering heeft in 2012 bevolen dat de lijfrente van mensen die de holocaust hebben overleefd met 50 % werd opgetrokken, heeft in 2013 het Hongaarse holocaustherdenkingscomité voor 2014 opgericht, heeft het jaar 2014 uitgeroepen tot holocaustherdenkingsjaar, heeft renovatie- en restauratieprogramma's opgestart voor verschillende Hongaarse synagogen en joodse begraafplaatsen, en is zich momenteel aan het voorbereiden op de European Maccabi Games die in 2019 in Boedapest worden gehouden. Bij wet zijn bepaalde handelingen die verband houden met haat of het aanzetten tot haat strafbaar gesteld, zoals antisemitisme, ontkenning van de holocaust of andere denigrerende handelingen. In de periode 2015-2016 was Hongarije voorzitter van de International Holocaust Remembrance Alliance (IHRA). Ondanks dit alles hield de premier van Hongarije op 15 maart 2018 een polemische toespraak waarin hij met betrekking tot George Soros appelleerde aan antisemitische stereotypen en die als strafbare handeling aangemerkt zou kunnen worden.

(58)  In zijn slotopmerkingen van 5 april 2018 gaf het VN-Mensenrechtencomité uiting aan zijn bezorgdheid over berichten dat Roma nog altijd op grote schaal gediscrimineerd worden en het slachtoffer zijn van uitsluiting, werkloosheid en segregatie op het gebied van huisvesting en onderwijs. Het comité is met name bezorgd over het feit dat er, ondanks de wet op het openbaar onderwijs, nog altijd sprake is van segregatie op scholen, met name kerkelijke en particuliere scholen, en over het feit dat een relatief groot aantal Roma-kinderen naar scholen gaat voor kinderen met een lichte achterstand. Daarnaast uitte het comité zijn bezorgdheid over haatmisdrijven en haatzaaiende taal in de politiek, door de media en op internet, gericht tegen minderheden en dan met name Roma, moslims, migranten en vluchtelingen, onder meer in het kader van door de regering gesponsorde campagnes. Voorts gaf het comité uiting aan zijn bezorgdheid over het bestaan van antisemitische stereotypen. Het comité nam tevens met bezorgdheid nota van beweringen dat het aantal geregistreerde haatmisdrijven zeer laag is omdat de politie beschuldigingen van haatmisdrijven en strafbare uitingen van haatzaaiende taal niet onderzoekt of vervolgt. Ten slotte gaf het comité aan bezorgd te zijn over de berichten over aanhoudende raciale profilering van Roma door de politie.

(59)  In een rechtszaak met betrekking tot het dorp Gyöngyöspata, waar de plaatselijke politie uitsluitend aan Roma boetes oplegde vanwege lichte verkeersovertredingen, oordeelde de rechter in eerste aanleg dat deze handelwijze van de politie aangemerkt kon worden als intimidatie en rechtstreekse discriminatie van Roma, ook al waren de maatregelen op zich niet onrechtmatig. De rechter in tweede aanleg en het Hooggerechtshof oordeelden dat het Hongaars verbond voor burgerlijke vrijheden (Társaság a Szabadságjogokért), dat de zaak aanhangig had gemaakt, niet hard kon maken dat er daadwerkelijk sprake was van discriminatie. De zaak ligt nu bij het EHRM.

(60) Volgens de vierde herziening van de grondwet mag de vrijheid van meningsuiting niet worden uitgeoefend met de bedoeling de waardigheid van de Hongaarse natie of van een nationale, etnische, raciale of religieuze gemeenschap aan te tasten. Het aanzetten tot haat of geweld tegen een lid van de gemeenschap is in het Hongaarse wetboek van strafrecht strafbaar gesteld. De regering heeft een werkgroep tegen haatmisdrijven opgericht die scholing voor politieagenten verzorgt en slachtoffers bijstaat bij hun samenwerking met de politie en bij het melden van incidenten.

Fundamentele rechten van migranten, asielzoekers en vluchtelingen

(61)  Op 3 juli 2015 uitte Hoge Commissaris van de VN voor de vluchtelingen zijn bezorgdheid over de versnelde procedure voor de wijziging van de asielwetgeving. Op 17 september 2015 gaf de Hoge Commissaris voor de rechten van de mens aan van oordeel te zijn dat Hongarije, door de wijze waarop vluchtelingen en migranten behandeld werden, zich schuldig maakte aan schending van het internationaal recht. Op 27 november 2015 verklaarde de commissaris voor de rechten van de mens van de Raad van Europa dat de respons van Hongarije op de problemen in verband met de vluchtelingencrisis in strijd was met de mensenrechten. Op 21 december 2015 drongen de Hoge Commissaris van de VN voor de vluchtelingen, de Raad van Europa en het OVSE-Bureau voor Democratische instellingen en Mensenrechten er bij Hongarije op aan om geen beleid te voeren en zich te onthouden van praktijken die intolerantie en vrees bevorderen en tegen vluchtelingen en migranten gerichte xenofobie aanwakkeren. Op 6 juni 2016 uitte de Hoge Commissaris van de VN voor de vluchtelingen zijn zorg over de toename van het aantal meldingen van mishandeling van asielzoekers en migranten door grensautoriteiten en de toename van het aantal restrictieve maatregelen aan de grens en andere voorschriften, onder meer met betrekking tot de toegang tot asielprocedures. Op 10 april 2017 riep het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de vluchtelingen op tot onmiddellijke opschorting van de Dublinoverdrachten naar Hongarije. In 2017 werden van de 3 397 in Hongarije ingediende verzoeken om internationale bescherming 2 880 verzoeken afgewezen wat neerkomt op een zeer hoog afwijzingspercentage van 69,1 %. In 2015 waren van de 480 gerechtelijke beroepen met betrekking tot verzoeken om toekenning van internationale bescherming veertig uitspraken positief, ofwel 9 %. In 2016 waren van de 775 beroepsprocedures vijf uitspraken positief, ofwel 1 %. In 2017 waren er geen beroepsprocedures.

(62)  De grondrechtenfunctionaris van het Europees Grens- en kustwachtagentschap bracht in oktober 2016 en in maart 2017 een bezoek aan Hongarije, omdat zij bezorgd was dat het agentschap diende te werken onder omstandigheden die niet bijdragen tot de eerbiediging, bescherming en toepassing van de rechten van personen die de Hongaars-Servische grens oversteken, waardoor het agentschap in situaties moet werken die de facto schendingen vormen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De grondrechtenfunctionaris kwam in maart 2017 tot de vaststelling dat het risico van gedeelde verantwoordelijkheid van het agentschap voor schending van de grondrechten ingevolge artikel 34 van de verordening betreffende de Europese grens- en kustwacht zeer hoog blijft.

(63)  Op 3 juli 2014 gaf de VN-werkgroep inzake willekeurige detentie aan dat de situatie van asielzoekers en migranten zonder documenten grondig verbeterd en in het oog gehouden moest worden, om arbitraire vrijheidsberoving van deze groepen te voorkomen. De commissaris voor de rechten van de mens van de Raad van Europa deelt in zijn rapport naar aanleiding van zijn bezoek aan Hongarije, gepubliceerd op 16 december 2014, deze zorgen over detentie, met name van niet-begeleide minderjarigen. Van 21 t/m 27 oktober 2015 bracht het Europees Comité inzake de voorkoming van folteringen en onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen een bezoek aan Hongarije. In het verslag hierover gaf dit comité aan dat een flink aantal personen van buitenlandse afkomst (waaronder niet-begeleide minderjarigen) stelde het slachtoffer te zijn geweest van fysieke mishandeling door politieagenten en gewapende bewakers die werkten in opvangcentra en detentiecentra voor immigranten of asielzoekers. Op 7 maart 2017 uitte de Hoge Commissaris van de VN voor de vluchtelingen zijn zorg over een nieuwe wet waarover in het Hongaarse parlement was gestemd, waarin werd voorzien in verplichte detentie van alle asielzoekers, ook kinderen, tijdens de hele asielprocedure. Op 8 maart 2017 legde de commissaris voor de rechten van de mens van de Raad van Europa een verklaring af waarin ook hij zijn zorgen over deze wet uitte. Op 31 maart 2017 drong het VN-Subcomité ter preventie van foltering er bij Hongarije op aan om per direct een einde te maken aan het buitensporige gebruik van detentie en alternatieven te onderzoeken.

(64)  In zijn arrest van 5 juli 2016, O.M./Hongarije, stelde het EHRM een schending van het recht op eerbiediging van het recht op vrijheid en veiligheid vast, omdat er sprake was van willekeurige detentie. Meer precies hadden de autoriteiten in die zaak niet voldaan aan hun zorgplicht, omdat zij de gevangenschap van de betrokken persoon hadden gelast, zonder na te gaan in hoeverre kwetsbare personen (bijvoorbeeld LGBT-personen, zoals de persoon in kwestie) te midden van andere gedetineerden, waarvan velen afkomstig waren uit landen waar sprake is van vooroordelen jegens deze personen, veilig waren. Aan dit arrest is nog geen uitvoering gegeven.

(65)  Van 12 t/m 16 juni 2017 bracht de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de Raad van Europa voor migratie en vluchtelingen een bezoek aan Servië en twee transitzones in Hongarije. In zijn rapport verklaarde de speciale vertegenwoordiger dat de met geweld gepaard gaande uitzettingen van migranten en vluchtelingen uit Hongarije naar Servië niet in overeenstemming lijken te zijn met de artikelen 2 (het recht op leven) en 3 (het verbod op foltering) van het EVRM. De speciale vertegenwoordiger merkte ook op dat de belemmeringen voor asielzoekers om toegang te krijgen tot de transitzones van Röszke en Tompa ervoor zorgen dat asielzoekers vaak illegale manieren zoeken om de grens over te steken, waarbij ze een beroep moeten doen op smokkelaars en mensenhandelaars met alle risico's van dien. Hij gaf voorts aan dat de asielprocedures, zoals die worden toegepast in de transitzones, onvoldoende waarborgen bieden tegen refoulement, het terugzenden van asielzoekers naar landen waar zij het gevaar lopen behandeld te worden in strijd met de artikelen 2 en 3 van het EVRM. De speciale vertegenwoordiger was van oordeel dat de Hongaarse wetgeving en praktijken in die zin moeten worden aangepast dat zij overeenstemmen met de vereisten van het EVRM. Daarbij deed hij een aantal aanbevelingen en riep hij de Hongaarse autoriteiten op om de nodige maatregelen te nemen, waaronder het herzien van het wetgevingskader ter zake en het wijzigen van de praktijken op dit gebied, om te waarborgen dat onderdanen van derde landen die bij de grens aankomen of die op Hongaars grondgebied verblijven er niet van worden weerhouden om een verzoek om internationale bescherming in te dienen. Van 5 t/m 7 juli 2017 bracht een delegatie van het Lanzarote-Comité van de Raad van Europa (het comité van de partijen bij het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik) ook een bezoek aan twee transitzones. Dit comité deed ook een aantal aanbevelingen en drong er onder meer bij Hongarije op aan om alle personen jonger dan 18 jaar als kind te behandelen en niet op grond van leeftijd te discrimineren, om te waarborgen dat alle onder de jurisdictie van Hongarije vallende kinderen beschermd worden tegen seksuele uitbuiting en misbruik, en kinderen systematisch in gewone kinderbeschermingsinstellingen te plaatsen, om seksuele uitbuiting en seksueel misbruik van deze kinderen door volwassenen en jongeren in de transitzones te voorkomen. Van 18 t/m 20 december 2017 bracht een delegatie van de Groep van deskundigen inzake actie tegen mensenhandel (GRETA) van de Raad van Europa een bezoek aan Hongarije, onder meer aan twee transitzones, en kwam tot de vaststelling dat een transitzone, die feitelijk een plaats is waar mensen van hun vrijheid worden beroofd, niet mag worden beschouwd als een passende en veilige opvangvoorziening voor slachtoffers van mensenhandel. Zij verzocht de Hongaarse autoriteiten om een rechtskader vast te stellen aan de hand waarvan kan worden vastgesteld welke niet-legaal in het land verblijvende onderdanen van derde landen het slachtoffer van mensenhandel zijn, en hun procedures voor het identificeren van slachtoffers van mensenhandel in groepen van asielzoekers en irreguliere migranten te verbeteren. Per 1 januari 2018 werden er aanvullende regelingen ingevoerd ten behoeve van minderjarigen in het algemeen en niet-begeleide minderjarigen in het bijzonder. Zo werd onder meer een specifiek leerplan ontwikkeld voor minderjarige asielzoekers. ECRI stelde in haar conclusies inzake de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen aan Hongarije, gepubliceerd op 15 mei 2018, weliswaar in te zien dat Hongarije voor enorme uitdagingen heeft gestaan vanwege de massale instroom van migranten en vluchtelingen, maar ontzet te zijn over de maatregelen die sindsdien zijn genomen en over de enorme verslechtering van de situatie sinds haar vijfde rapport. De autoriteiten moeten per direct een einde maken aan de detentie van mensen, met name families met kinderen en niet-begeleide jongeren, in de transitzones.

(66)  In zijn arrest van 14 maart 2017, Ilias en Ahmed/ Hongarije, stelde het EHRM schending van het recht van verzoekers op vrijheid en veiligheid vast. Het EHRM oordeelde ook dat er bij de uitzetting van verzoekers naar Servië sprake was geweest van een schending van het verbod op onmenselijke of vernederende behandeling en dat er sprake was geweest van een schending van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte met betrekking tot de omstandigheden van de detentie in de transitzone van Röszke. De zaak wordt momenteel nog behandeld door de grote kamer van het EHRM.

(67)  Op 14 maart 2018 werd Ahmed H., een in Cyprus wonende Syriër die in september 2015 zijn familie had proberen te helpen om uit Syrië te vluchten en de Servisch-Hongaarse grens over te steken, door een Hongaarse rechtbank veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf en tien jaar ontzegging van de toegang tot het land vanwege "terroristische activiteiten", hetgeen vragen deed rijzen over de toepassing van de antiterrorismewetgeving en het recht op een eerlijk proces in Hongarije.

(68)  In zijn arrest van 6 september 2017 in gevoegde zaken C-643/15 en C-647/15 verwierp het Hof van Justitie van de Europese Unie het beroep dat door Slowakije en Hongarije was ingesteld tegen het voorlopige mechanisme voor de verplichte herplaatsing van asielzoekers overeenkomstig Besluit (EU) 2015/1601 volledig. Hongarije handelt echter, ook na dit arrest, niet in overeenstemming met dit besluit. Op 7 december 2017 besloot de Commissie Tsjechië, Hongarije en Polen voor het Europees Hof van Justitie te brengen wegens niet-naleving van de op hen rustende herplaatsingsverplichtingen.

(69)  Op 7 december 2017 besloot de Commissie om de inbreukprocedure tegen Hongarije wegens de asielwetgeving van het land door te zetten door een met redenen omkleed advies in te dienen. De Commissie stelde zich op het standpunt dat de Hongaarse wetgeving niet in overeenstemming is met het recht van de Unie, meer specifiek met de Richtlijnen 2013/32/EU(6), 2008/115/EG(7) en 2013/33/EU(8) van het Europees Parlement en de Raad, en niet in overeenstemming is met een aantal bepalingen van het Handvest.

(70)  In zijn slotopmerkingen van 5 april 2018 gaf het VN-Mensenrechtencomité aan bezorgd te zijn dat de in maart 2017 aangenomen wet op grond waarvan alle asielzoekers (met uitzondering van niet-begeleide minderjarigen waarvan is vastgesteld dat zij jonger zijn dan 14 jaar) tijdens hun asielprocedure in een transitzone moeten verblijven, niet in overeenstemming is met de juridische normen vanwege de lange duur van de opsluiting, het feit dat de exacte duur van de opsluiting niet vaststaat, omdat niet bij wet is bepaald dat de specifieke omstandigheden van elke betrokkene moeten worden beoordeeld en omdat er geen procedurele waarborgen zijn om de overplaatsing naar de transitzones daadwerkelijk aan te vechten. Het comité was met name bezorgd over berichten dat immigranten op grote schaal en automatisch in Hongaarse detentiecentra gevangen worden gezet en maakte zich zorgen dat deze vrijheidsbeperkingen gebruikt worden als middel om illegale binnenkomst in het land te ontmoedigen in plaats van als respons na een individuele risicobeoordeling. Daarnaast uitte het comité zijn zorg over berichten over slechte omstandigheden in bepaalde opvangcentra. Het comité wees met bezorgdheid op de "terugdrijvingswet" van juni 2016 op grond waarvan eenieder die illegaal de grens is overgestoken en in Hongarije binnen 8 kilometer van de grens (later uitgebreid tot het hele grondgebied van Hongarije) gevangen is gezet door de politie het land kan worden uitgezet, alsmede op besluit 191/2015 dat Servië aanmerkt als "veilig derde land", op grond waarvan personen uitgezet kunnen worden naar Servië. Het comité stelde met bezorgdheid vast dat deze uitzettingen zonder onderscheid des persoons plaatsvinden en dat personen die door deze maatregel getroffen worden een zeer geringe kans hebben om alsnog een asielaanvraag in te dienen of tegen de uitzetting in beroep te gaan. Het comité heeft met bezorgdheid kennisgenomen van berichten over collectieve en gewelddadige uitzettingen, waarbij onder meer hard geslagen zou zijn, waarbij personen door politiehonden gebeten zouden zijn en waarbij geschoten zou zijn met rubberen kogels, waardoor diverse asielzoekers ernstig gewond zouden zijn geraakt en ten minste één asielzoeker zou zijn overleden. Het comité was tevens bezorgd over berichten dat de leeftijdsbepaling van minderjarige asielzoekers en niet-begeleide minderjarigen in de transitzones niet goed verloopt, grotendeels gebaseerd wordt op visuele inspectie door een deskundige en onnauwkeurig is, en over berichten dat deze asielzoekers onvoldoende toegang hebben tot onderwijs, sociale en psychologische ondersteuning en rechtshulp. Overeenkomstig het nieuwe voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van Richtlijn 2013/32/EU mag leeftijdsbepaling op basis van een medisch onderzoek slechts toegepast worden als laatste redmiddel.

Economische en sociale rechten

(71)  Op 15 februari 2012 en op 11 december 2012 riepen de speciale rapporteur van de VN inzake extreme armoede en mensenrechten en de speciale rapporteur van de VN inzake het recht op passende huisvesting Hongarije ertoe op om de wetgeving die lokale overheden de mogelijkheid biedt om dakloosheid te bestraffen, te heroverwegen en het besluit van het Constitutioneel Hof om de strafbaarheid van dakloosheid af te schaffen, te respecteren. De commissaris voor de rechten van de mens van de Raad van Europa gaf in zijn rapport naar aanleiding van zijn bezoek aan Hongarije, gepubliceerd op 16 december 2014, aan bezorgd te zijn over maatregelen die genomen zijn om het op straat overnachten van mensen en het bouwen van hutjes of andere tijdelijke onderkomens te verbieden, omdat daardoor in de praktijk dakloosheid strafbaar wordt gesteld. De commissaris voor de rechten van de mens drong er bij de Hongaarse autoriteiten op aan om onderzoek te doen naar gemelde gevallen van gedwongen verdrijving, waarbij er voor de getroffen personen geen alternatieve oplossingen waren en naar gevallen waarin kinderen van hun familieleden werden gescheiden vanwege slechte sociaaleconomische omstandigheden. In zijn slotopmerkingen van 5 april 2018 uitte het VN-Mensenrechtencomité zijn bezorgdheid over nationale en lokale wetgeving, gebaseerd op de vierde herziening van de grondwet, op grond waarvan op veel openbare plaatsen niet meer mag worden overnacht, waardoor dakloosheid wordt bestraft. Op 20 juni 2018 nam het Hongaarse parlement de zevende herziening van de grondwet aan, op grond waarvan het hebben van een vaste verblijfplaats in de openbare ruimte verboden is. Dezelfde dag nog verklaarde de speciale rapporteur van de VN inzake het recht op passende huisvesting van oordeel te zijn dat het besluit van Hongarije om dakloosheid strafbaar te stellen een wreed besluit is, dat niet in overeenstemming is met het internationale recht inzake de mensenrechten.

(72)  In de conclusies van het Europees Comité voor sociale rechten van 2017 wordt vermeld dat Hongarije in strijd handelt met het Europees Sociaal Handvest, omdat zelfstandigen, huishoudelijk personeel en andere categorieën werknemers geen bescherming genieten op grond van wetgeving inzake de gezondheid en veiligheid op het werk, dat de maatregelen om moedersterfte te voorkomen ontoereikend zijn, dat het minimumbedrag van ouderdomspensioenen te laag ligt, dat het bedrag van de uitkering voor werkzoekenden te laag is, dat de maximale duur van de uitkering voor werkzoekenden te kort is en dat de minimumbedragen voor revalidatie- en invaliditeitsuitkeringen in bepaalde gevallen ontoereikend zijn. Het comité was voorts van oordeel dat Hongarije in strijd handelt met het Europees Sociaal Handvest omdat het niveau van de bijstand voor alleenstaanden zonder middelen, waaronder ouderen, onvoldoende is, omdat geen gelijke toegang tot sociale dienstverlening wordt gewaarborgd voor rechtmatig verblijvende onderdanen van landen die partij zijn bij het Handvest en omdat niet is vastgelegd dat er voldoende huisvestingsmogelijkheden moeten zijn voor kwetsbare gezinnen. Ten aanzien van vakbondsrechten verklaarde het comité dat het recht van werknemers op betaald verlof niet voldoende wordt gewaarborgd, dat geen enkele maatregel is genomen om het sluiten van collectieve overeenkomsten aan te moedigen – terwijl de bescherming van werknemers door dergelijke overeenkomsten zeer gering is in Hongarije – en dat in overheidsfuncties het recht om een staking op gang te brengen voorbehouden is aan de vakbonden die partij zijn bij een met de regering gesloten overeenkomst. De criteria die gelden voor het bepalen welke ambtenaren niet mogen staken, gaan volgens het comité verder dan de werkingssfeer van het Handvest. De vakbonden voor ambtenaren kunnen alleen oproepen tot staking met de goedkeuring van de meerderheid van het betrokken personeel.

(73)  Sinds december 2010, toen de regering van Victor Orban een wijziging van de stakingswet goedkeurde, zijn stakingen in Hongarije in beginsel verboden. De wetswijzigingen hielden in dat stakingen in principe slechts zijn toegestaan binnen bedrijven die via overheidsopdrachten voor diensten met de overheidsadministratie verbonden zijn. De wijziging is niet van toepassing op beroepsgroepen die eenvoudigweg geen stakingsrecht hebben, zoals treinbestuurders, politieagenten, medisch personeel en luchtverkeersleiders. Het probleem ligt ergens anders, meer bepaald in het percentage werknemers dat moet deelnemen aan het stakingsreferendum om gewicht in de schaal te leggen, namelijk 70 %. Het besluit of een staking al dan niet rechtmatig is, wordt vervolgens vastgesteld door een arbeidsrechtbank die volledig ondergeschikt is aan de staat. In 2011 werden negen stakingsaanvragen ingediend. Zeven daarvan werden zonder opgave van redenen verworpen. Twee aanvragen werden weliswaar in behandeling genomen, maar leidden niet tot een besluit.

(74)  Het VN-Comité voor de rechten van het kind uitte in zijn verslag met slotopmerkingen over het derde, vierde en vijfde periodieke verslag van Hongarije, gepubliceerd op 14 oktober 2014, zijn bezorgdheid over een toenemend aantal gevallen waarin kinderen van hun familieleden werden gescheiden vanwege slechte sociaaleconomische omstandigheden binnen het gezin. Ouders kunnen hun kind kwijtraken vanwege werkloosheid, een gebrek aan sociale huisvesting of plaatsgebrek in tijdelijke huisvestingsvoorzieningen. Uit onderzoek van het Europees Centrum voor de rechten van Roma treft dit onevenredig vaak Roma-gezinnen en -kinderen.

(75)  In haar aanbeveling van 23 mei 2018 voor een aanbeveling van de Raad over het nationale hervormingsprogramma 2018 van Hongarije en met een advies van de Raad over het convergentieprogramma 2018 van Hongarije gaf de Commissie aan dat het percentage mensen dat het risico loopt op armoede of sociale uitsluiting in 2016 was gedaald tot 26,3 %, maar nog altijd boven het EU-gemiddelde lag. Kinderen waren over het algemeen meer blootgesteld aan armoede dan andere leeftijdsgroepen. Het niveau van de uitkering voor het minimuminkomen lag in 2016 lager dan 50 % van de armoededrempel voor één enkel huishouden, en behoorde daarmee tot de laagste in de EU. De toereikendheid van de werkloosheidsuitkeringen was zeer laag: de maximale duur van drie maanden was de kortste in de EU en kwam overeen met ongeveer een kwart van de tijd die werkzoekenden gemiddeld nodig hebben om een baan te vinden. Bovendien behoorden de betalingen tot de laagste in de EU. De Commissie deed de aanbeveling aan Hongarije om de efficiëntie en de dekking van de sociale bijstand en de werkloosheidsuitkeringen te verbeteren.

(76)  Op [...] 2018 heeft de Raad Hongarije overeenkomstig artikel 7, lid 1, VEU gehoord.

(77)  Om deze redenen moet overeenkomstig artikel 7, lid 1, VEU worden geconstateerd dat er een duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending, door Hongarije, van de in artikel 2 VEU bedoelde waarden,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Er bestaat een duidelijk gevaar voor een ernstige schending, door Hongarije, van de waarden waarop de Unie berust.

Artikel 2

De Raad beveelt aan dat Hongarije binnen drie maanden na de kennisgeving van dit besluit de volgende maatregelen neemt: [...]

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de [...] dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Dit besluit is gericht tot Hongarije.

Gedaan te Brussel,

Voor de Raad

De Voorzitter

(1)

Arrest van het Hof van Justitie van 6 november 2012, Commissie/Raad, C-286/12, ECLI:EU:C:2012:687.

(2)

Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31).

(3)

Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23).

(4)

Richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (tiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG) (PB L 348 van 28.11.1992, blz. 1).

(5)

Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht (PB L 328 van 6.12.2008, blz. 55).

(6)

Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 60).

(7)

Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 98).

(8)

Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 96).


TOELICHTING

Voor het eerst in zijn bestaan heeft het Parlement besloten een verslag op te stellen over de noodzaak om een procedure krachtens artikel 7, lid 1, VEU te starten. In dit licht wil de rapporteur graag aangeven welke stappen er zijn genomen die tot de conclusie hebben geleid dat er sprake is van een duidelijk gevaar voor een ernstige schending door Hongarije van de in artikel 2 bedoelde waarden. De rapporteur hoopt hiermee toekomstige collega's te helpen die zich voor een soortgelijke taak geplaatst zien.

De waarden waarop de Unie berust, zijn eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren. Deze waarden hebben de lidstaten gemeen in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen.

Omdat we deze waarden delen, zijn we het aan onszelf verplicht ze te beschermen zodra ze worden bedreigd. De EU beschikt krachtens artikel 7 VEU over een mechanisme ter bescherming van onze gemeenschappelijke waarden. Dit artikel heeft betrekking op het recht van de Unie, maar strekt zich daarnaast uit tot gebieden waarop de lidstaten autonoom optreden.

De rapporteur heeft zich laten leiden door de mededeling van de Europese Commissie "Eerbiediging en bevordering van de waarden waarop de Unie is gegrondvest" (COM(2003)606). Daarin wordt gesteld:

"Het toepassingsgebied van artikel 7 is niet beperkt tot de werkingssfeer van het recht van de Unie. De Unie zou dus niet alleen kunnen optreden in geval van schending van de gemeenschappelijke waarden binnen dit beperkt kader, maar ook in geval van schending op een gebied dat onder de autonome actiebevoegdheid van een lidstaat valt." Verderop wordt gesteld: "De bevoegdheid om op te treden die aldus door artikel 7 aan de Unie wordt verleend, verschilt sterk van die waarover zij ten aanzien van de lidstaten beschikt om te garanderen dat deze de grondrechten respecteren bij de tenuitvoerlegging van het recht van de Unie."

De rapporteur hoopt dat hiermee wordt verduidelijkt wat het toepassingsbereik van het voorliggende verslag is, dat betrekking heeft op punten van zorg over de Hongaarse wetgeving en administratieve praktijk die niet direct of indirect verband houden met de secundaire EU-wetgeving.

Het verslag heeft ook betrekking op zaken die door de Commissie zijn behandeld in inbreukprocedures. Deze inbreukprocedures zijn weliswaar afgesloten, maar worden wel in dit verslag genoemd omdat ze hebben bijgedragen aan de algemene stemming die momenteel in het land heerst. In deze gevallen zijn individuele wetten naar de letter in overeenstemming gebracht met de Europese waarden, maar toch is er blijvende materiële schade aangericht. Een analyse aan de hand van artikel 7 moet dan ook zeker aandacht besteden aan het negatieve effect op de vrijheden in de samenleving van maatregelen die eerst worden doorgevoerd en later weer worden teruggedraaid, of die zijn voorgesteld maar (nog) niet zijn doorgevoerd.

In 2011 nam het Parlement zijn eerste resolutie aan over de grondrechten in Hongarije (die betrekking had op een nieuwe mediawet). In 2013 stemde het Parlement over een uitgebreid verslag over de situatie op het gebied van de grondrechten: normen en praktijken in Hongarije. Daarna bleef het Parlement de situatie in het oog houden. Het Parlement vroeg de Raad en de Commissie herhaaldelijk maar tevergeefs om actie ondernemen. Pas in 2014 presenteerde de Commissie een nieuw EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat. Het zou logisch zijn geweest om op basis van dit nieuwe mechanisme een dialoog met Hongarije op gang te brengen over de rechtsstaat. Omdat dit niet gebeurde gaf het Parlement de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken in mei 2017 de opdracht om dit verslag op te stellen.

Het Europees Parlement komt daarmee in actie om de rechtsstaat in Europa te beschermen. De afgelopen jaren hebben het Europees Parlement en de Europese Commissie op diverse manieren, via verschillende maatregelen en talrijke contacten met de Hongaarse autoriteiten, geprobeerd iets te doen aan de vele punten van zorg die in dit verslag aan de orde komen. Het Europees Parlement is vele malen met de Hongaarse premier, Hongaarse ministers en andere regeringsambtenaren in dialoog getreden. Hongarije heeft echter nog geen noemenswaardige wijzigingen doorgevoerd om de rechtsstaat in Hongarije te waarborgen. De rapporteur ziet derhalve geen andere mogelijkheid dan het starten van een procedure overeenkomstig artikel 7, lid 1, VEU en dient een met redenen omkleed voorstel in met het verzoek aan de Raad om te constateren dat er een duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending van de beginselen van de rechtsstaat en Hongarije aan te bevelen maatregelen te nemen. Hierbij zij opgemerkt dat deze procedure zich richt tot de Raad in zijn geheel en niet als zodanig tot de betrokken lidstaat, aangezien alle middelen en mogelijkheden om deze lidstaat tot het nemen van passende maatregelen te bewegen tot nu toe zonder succes zijn gebleken, om welke reden nu een procedure overeenkomstig artikel 7, lid 1, moet worden gestart.

Het proces van zorgvuldige bestudering van alle bovengenoemde punten en het daarbij betrekken van alle belanghebbenden kan niet van de ene dag op de andere worden afgerond. Het te snel ter stemming brengen van dit verslag zou geen recht doen aan het hele proces.

De werkzaamheden die in dit kader uitgevoerd moesten worden omvatten het organiseren van hoorzittingen voor Europese burgers om de situatie toe te lichten, het organiseren van uitgebreide vergaderingen met andere schaduwrapporteurs waarvoor externe deskundigen van internationale en Europese organisaties werden uitgenodigd, het raadplegen van verschillende belanghebbenden, het bezoeken van de desbetreffende lidstaat en het uitnodigen van andere commissies van het Parlement om aan het proces deel te nemen en hun mening te geven op basis van hun expertise.

Nadat de plenaire vergadering de rapporteur het benodigde mandaat had verleend begon zij met het uitvoeren van een grondige analyse, daarbij bovengenoemde grondige aanpak volgend. Er is gepraat met en geluisterd naar vertegenwoordigers van de Commissie, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, de commissaris van de Raad van Europa voor de rechten van de mens, de Commissie van Venetië, de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de Raad van Europa voor migratie en vluchtelingen, het Lanzarote-Comité, vertegenwoordigers van de Hongaarse regering, verschillende ngo's en academici in Brussel, Straatsburg en Boedapest. Met het oog op de transparantie heeft de rapporteur aan dit verslag een lijst toegevoegd van organisaties waar in het kader van dit onderzoek mee is gesproken. Omdat de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken geen officieel delegatiebezoek heeft afgelegd, heeft de rapporteur het land op eigen gelegenheid bezocht. Voor toekomstige procedures wordt sterk aangeraden een parlementaire delegatie naar de desbetreffende lidstaat te sturen. Het valt moeilijk aan de autoriteiten en burgers van een onderzochte lidstaat uit te leggen dat er volgens het Parlement sprake is van een duidelijk gevaar voor een ernstige schending van de Europese waarden als vastgelegd in de Verdragen, zonder dat de moeite wordt genomen het land te bezoeken.

Het opstellen van adviezen door andere parlementaire commissies zorgt ervoor dat de materie onder de aandacht wordt gebracht van een groter aantal leden van het Parlement, benadrukt de gedeelde verantwoordelijkheid en waarborgt een inclusiever proces. De rapporteur wil daarom de commissies die hebben bijgedragen aan het definitieve verslag hartelijk danken voor hun inzet.

Elke overweging in dit verslag is gebaseerd op meningen van derde partijen, vaak organen van de Raad van Europa, de Verenigde Naties, de OVSE en soms ook op uitspraken van nationale en internationale rechtbanken. De rapporteur heeft dankbaar van de input van deze instellingen gebruik gemaakt, maar wijst erop dat dit ook duidt op een tekortkoming van de EU wat betreft onderzoek, analyse en publicatie van documenten inzake de toestand van de democratie, de rechtsstaat en de eerbiediging van de fundamentele rechten in de lidstaten. De rapporteur sluit zich daarom aan bij de oproep van dit Parlement aan de Commissie om op korte termijn een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en de grondrechten in te voeren en toe te passen.

Institutionele instrumenten zijn echter vruchteloos als de politieke wil ontbreekt. Het Europese project is gegrondvest op gedeelde waarden en solidariteit. De Europese geschiedenis heeft veel geweld gekend en de rechten van het individu werden vaak met voeten getreden voor een zogenaamd hoger doel. Het is nu 73 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog en 29 jaar na het omvallen van de Berlijnse muur. Beide mijlpalen zijn in ons collectieve geheugen gegrift.

Dit historische besef vormde het uitgangspunt van deze preambule van het VEU: "geïnspireerd door de culturele, religieuze en humanistische tradities van Europa, die ten grondslag liggen aan de ontwikkeling van de universele waarden van de onschendbare en onvervreemdbare rechten van de mens en van vrijheid, democratie, gelijkheid en de rechtsstaat, herinnerend aan het historisch belang van de beëindiging van de deling van het Europese continent en de noodzaak solide grondslagen voor de opbouw van het toekomstige Europa te leggen, bevestigend hun gehechtheid aan de beginselen van vrijheid, democratie en eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en van de rechtsstaat."

Verantwoordelijke leiders erkennen dat erfgoed en laten hun handelen erdoor leiden. Goede vrienden deinzen er niet voor terug om elkaar de ongemakkelijke waarheid te vertellen.

Op basis van het hierboven aangegeven proces is de rapporteur van mening dat Raad verzocht moet worden de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat een inclusieve democratie, de rechtsstaat en de eerbiediging van de grondrechten in Hongarije weer gewaarborgd zijn.


BIJLAGE: LIJST VAN ENTITEITEN WAARVAN OF PERSONEN VAN WIE DE RAPPORTEUR INPUT HEEFT ONTVANGEN

De volgende lijst is op zuiver vrijwillige basis en onder exclusieve verantwoordelijkheid van de rapporteur opgesteld. De rapporteur heeft bij de opstelling van het ontwerpverslag informatie ontvangen van de volgende entiteiten of personen:

Entiteit en/of persoon

Amnesty International

ANKH

atlatszo.hu

A Varos Mindenkie

Centrum voor fundamentele rechten (Alapjogokért Központ)

Central European University

Civil Liberties Union for Europe

Raad van Europa, Bureau van de Hoge Commissaris voor de rechten van de mens

Raad van Europa, secretaris-generaal

Raad van Europa, speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal voor migratie en vluchtelingen

Raad van Europa, Commissie van Venetië

Raad van Europa, Lanzarote-comité

Faculty of Law - ELTE

Europese Commissie

European University Institute, School of Transnational Governance

FIDH - Ιnternationale Federatie voor de Rechten van de Mens

Freedom House

Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten

Háttér Society

Buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur/permanente vertegenwoordiging van Hongarije bij de EU

Minister van Buitenlandse Zaken van Hongarije

Staatssecretaris van Parlementaire aangelegenheden van Hongarije

Hongaarse rijksambtenaren bij de transitzone in Röszke

Hongaars verbond voor burgerlijke vrijheden (Társaság a Szabadságjogokért)

Hongaars Helsinkicomité (Magyar Helsinki Bizottság)

Vereniging Idetartozunk

K-monitor

Menedék (vereniging van migranten)

Mertek Media Monitor

Middlesex University

MigSzol Migrant Solidarity Group of Hungary

MUOSZ - nationale vereniging van Hongaarse journalisten

Nepszabadsag

OLAF - Europees Bureau voor fraudebestrijding

Open Society European Policy Institute

Political Capital Institute

Princeton University

Verslaggevers zonder Grenzen

Roma Initiatives Office - Open Society Institute

Het steunprogramma voor Roma: "lichtbrengers"

Netwerk van Roma-bemiddelaars

Roma Press Centre

RTL Group

Transparency International

Transvanilla Transgender Association

UNHCR

Universiteit van Pécs

444.hu


MINDERHEIDSSTANDPUNT

overeenkomstig artikel 52 bis, lid 4, van het Reglement

Marek Jurek, Beata Gosiewska, Mylène Troszczynski, Auke Zijlstra, Barbara Kappel

Het voorstel om tegen Hongarije een procedure in gang te zetten overeenkomstig artikel 7 is bedoeld om tweedracht binnen de Unie te zaaien en de crisis te verergeren. Politieke meningsverschillen moeten opgelost worden door middel van dialoog, niet door middel van sancties. Als dit beginsel niet wordt geëerbiedigd wordt daarmee een spaak in het wiel van de samenwerking tussen de lidstaten gestoken.

Bovenal is het echter zo dat dit voorstel niet door feiten wordt ondersteund. Op vele punten houdt het een rechtstreekse inbreuk in op democratische procedures, zoals de herziening van de grondwet en openbare raadplegingen. Er worden beschuldigingen geuit tegen Hongarije vanwege de pogingen die het land doet om de sociale problemen in het land op te lossen, zoals de integratie van de Roma-minderheid. Hongarije is niet het enige land binnen Europa met dergelijke problemen, en doet het op dit punt beter dan vele anderen.

Deze resolutie gaat volledig voorbij aan de belangrijkste reden die ten grondslag ligt aan het beleid van de Hongaarse autoriteiten: de noodzaak om de samenleving te hervormen en alle gevolgen van bijna een halve eeuw Sovjet-overheersing en de collaborerende totalitaire regeringen die het land gekend heeft, uit te wissen. In de resolutie wordt niet beweerd dat deze taak op onjuiste of te verregaande wijze wordt uitgevoerd, maar wordt volledig voorbijgegaan aan de noodzaak om deze taak uit te voeren. Daarin is de resolutie respectloos tegenover de Hongaarse samenleving en de motieven achter haar democratische besluiten.

Het verslag heeft als uitgangspunt dat Hongarije het recht niet heeft om besluiten te nemen die andere lidstaten van de Europese Unie wel hebben genomen. Dit uitgangspunt werd tijdens de werkzaamheden aan dit verslag ook expliciet zo naar voren gebracht (“we gaan de Hongaarse wetgeving niet vergelijken met de wetgeving van andere Europese landen”). Om al deze redenen zijn wij van oordeel dat deze ontwerpresolutie, en met name de belangrijkste conclusie die daarin getrokken wordt, buitengewoon schadelijk is.


ADVIES van de Commissie begrotingscontrole (26.4.2018)

aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

inzake de situatie in Hongarije (overeenkomstig de resolutie van het Europees Parlement van 17 mei 2017)

(2017/2131(INL))

Rapporteur voor advies: Ingeborg Gräßle

(Initiatief – Artikel 45 van het Reglement)

SUGGESTIES

De Commissie begrotingscontrole verzoekt de bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

–  gezien artikel 325, lid 5, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de studie "Intensity of Competition, Corruption Risks and Price Distortion in the Hungarian Public Procurement – 2009-2016", die is vervaardigd door het Corruption Research Center Budapest,

–  gezien de Analyse van het gebruik en de impact van de fondsen van de Europese Unie in Hongarije tijdens de programmeringsperiode 2007-2013, waarvoor het kantoor van de Hongaarse premier opdracht heeft gegeven en die door KPMG Tanácsadó Ltd. en zijn onderaannemer GKI Gazdaságkutató Corp. werd voorbereid,

–  gezien zijn resoluties van 17 mei 2017 en van 10 juni en 16 december 2015 over de situatie in Hongarije(1), van 3 juli 2013 over de situatie van de grondrechten: normen en praktijken in Hongarije(2) en van 16 februari 2012 over de recente politieke ontwikkelingen in Hongarije(3),

–  gezien de Corruption Perception Index van Transparency International voor de jaren 2006-2016,

–  gezien de Global Competitiveness Index 2017-2018 van het Wereld Economisch Forum,

A.  overwegende dat fondsen van de Unie 1,9 tot 4,4 % van het Hongaarse bbp bedragen en goed zijn voor meer dan de helft van de overheidsinvesteringen;

B.  overwegende dat aan Hongarije tijdens de periode 2007-2013 25,3 miljard EUR werd toegewezen en tijdens de periode 2014-2020 25 miljard EUR in het kader van de cohesie- en structuurfondsen;

C.  overwegende dat de betalingen van de Unie aan Hongarije in het kader van het cohesiebeleid (Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), Cohesiefonds (CF) en Europees Sociaal Fonds (ESF)) tussen 2004 en 2017 30,15 miljard EUR bedroegen; overwegende dat de financiële correctie ten gevolge van de audits van de Unie tot op heden ongeveer 940 miljoen EUR bedraagt voor het EFRO, CF en ESF en naar verwachting 1 miljard EUR zal overschrijden;

D.  overwegende dat de financiële bijdrage van de Unie voor deelnemers in het kader van het zevende kaderprogramma in Hongarije 288,1 miljoen EUR is en 174,9 miljoen EUR in het kader van Horizon 2020;

E.  overwegende dat Hongarije van de lidstaten die na 2004 tot de Unie zijn toegetreden, een van de hoogste absorptiegraden van de fondsen van de Unie heeft;

F.  overwegende dat het Hongaarse bbp tussen 2004 en 2016 met 16,1 % is gestegen, slechts iets meer dan het EU-gemiddelde en aanzienlijk lager dan de groeicijfers van de andere Visegrád-landen (Polen, de Tsjechische Republiek en Slowakije);

G.  overwegende dat Hongarije sinds 2008 maar liefst 19 punten is gekelderd in de Corruption Perception Index, waarmee het een van de slechtst presterende lidstaten is geworden;

H.  overwegende dat in de wereldwijde governance-indicatoren 2016 wordt benadrukt dat Hongarije achteruit is gegaan op het vlak van doeltreffendheid van de overheid, rechtsstaat en controle van de corruptie;

I.  overwegende dat in de aanbeveling van de Raad van 11 juli 2017 over het nationale hervormingsprogramma 2017 van Hongarije en met een advies van de Raad over het convergentieprogramma 2017 van Hongarije(4) werd gewezen op de noodzaak om de overheidsfinanciën transparanter te maken, om de transparantie en de concurrentie in openbare aanbestedingen te versterken door een breed en efficiënt systeem voor elektronische aanbestedingen in te voeren, en om het kader voor corruptiebestrijding te versterken; overwegende dat volgens de landspecifieke aanbevelingen beperkte vooruitgang werd geboekt op het vlak van transparantie bij overheidsfinanciën met de aanneming van de wet inzake openbare aanbestedingen, maar dat belangrijke acties werden vertraagd, vooral op het vlak van elektronische aanbestedingen, en dat uit de indicatoren blijkt dat de concurrentie en transparantie bij overheidsopdrachten nog steeds onbevredigend zijn; overwegende dat volgens de landspecifieke aanbevelingen geen vooruitgang werd vastgesteld wat de verbetering van het kader voor corruptiebestrijding betreft en dat in het nationaal corruptiebestrijdingsprogramma geen wijzigingen zijn gepland om het doeltreffender te maken voor het voorkomen van corruptie en het toepassen van afschrikkende sancties; overwegende dat volgens de landspecifieke aanbevelingen de vervolging van corruptie op hoog niveau de uitzondering blijft;

J.  overwegende dat het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) in verband met Hongarije 57 onderzoeken heeft uitgevoerd voor de periode 2013-2016, het op een na grootste aantal in de Unie; overwegende dat 80 % van de onderzoeken werd afgesloten met gerechtelijke aanbevelingen, financiële aanbevelingen of beide;

K.  overwegende dat Hongarije de lidstaat was waar in 2016 het hoogste bedrag aan financiële correcties werd toegepast (in totaal 211 miljoen EUR);

L.  overwegende dat de OLAF-onderzoeken in verband met Hongarije op het vlak van structuurfondsen en landbouw voor de periode 2013-2016 een financiële impact van 4,16 % hadden, het hoogste percentage in de Unie;

M.  overwegende dat minder dan 10 % van de informatie die OLAF van Hongarije ontving in 2016, van openbare bronnen afkomstig was;

N.  overwegende dat de maatregelen die de Hongaarse nationale gerechtelijke instanties hebben genomen naar aanleiding van de aanbevelingen van OLAF voor de periode 2009-2016 slechts 33 % van alle aanbevelingen van OLAF betroffen;

O.  overwegende dat de Transparency Index (TI) van openbare aanbestedingen in Hongarije in de periode 2015-2016 ver onder het niveau van 2009-2010 bleef; overwegende dat door de Unie gefinancierde offertes sinds 2011 door aanzienlijk lagere TI-waarden in elk jaar worden gekenmerkt in vergelijking met offertes die niet door de Unie worden gefinancierd; overwegende dat uit de gedetailleerde analyse blijkt dat het transparantieniveau in 2016 aanzienlijk lager was dan in 2015;

P.  overwegende dat het Europees Openbaar Ministerie (EOM) in het kader van nauwere samenwerking tussen 21 lidstaten werd opgericht, maar dat Hongarije heeft besloten niet deel te nemen aan de oprichting;

Q.  overwegende dat uit schattingen blijkt dat er een zeer hoog niveau van rechtstreeks sociaal verlies in Hongarije is, dat in de periode 2009-2016 15-24 % aan totale contractwaarde bereikte, hetgeen minstens overeenstemt met 6,7 tot 10,6 miljard EUR;

R.  overwegende dat een dynamisch maatschappelijk middenveld een essentiële rol moet spelen voor de bevordering van de transparantie en verantwoordingsplicht van regeringen met betrekking tot hun financiën en hun strijd tegen corruptie;

1.  is van mening dat het huidige corruptieniveau, het gebrek aan transparantie en verantwoordingsplicht bij de overheidsfinanciën en niet-subsidiabele uitgaven of te hoge prijzen voor de gefinancierde projecten gevolgen hebben voor de in Hongarije ingezette middelen van de Unie; denkt dat dit een schending van de waarden van de in artikel 2 VEU bedoelde waarden kan inhouden, en stelt dat het gerechtvaardigd is om de procedure van artikel 7, lid 1, VEU in te leiden;

2.  herinnert aan zijn aanbeveling aan de Raad en de Commissie van 13 december 2017 naar aanleiding van het onderzoek naar witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking, waarin werd vastgesteld dat de toezichthoudende rol van de Commissie op het gebied van corruptiebestrijding gedurende het Europees semester wordt voortgezet; is van mening dat corruptiebestrijding in dit proces kan worden overschaduwd door andere economische en financiële aangelegenheden; en verzoekt de Commissie het goede voorbeeld te geven door de publicatie van het verslag te hervatten en door zich in te zetten voor een veel geloofwaardiger en omvattender strategie voor corruptiebestrijding; wijst erop dat de bestrijding van corruptie een kwestie van samenwerking tussen de politie en justitie is, een beleidsgebied waarvoor het Europees Parlement medewetgever is en volledige controlebevoegdheden heeft;

3.  herinnert aan zijn resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie voor de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en de grondrechten, waarin in het bijzonder wordt gepleit voor de instelling van een jaarverslag over democratie, de rechtsstaat en de grondrechten (een Europees DGR-verslag) met landspecifieke aanbevelingen, en tevens bijzondere aandacht wordt besteed aan corruptie;

4.  uit kritiek op de tekortkomingen in de procedures voor openbare aanbestedingen in Hongarije; stelt met bezorgdheid vast dat het aantal contracten dat is gegund na aanbestedingsprocedures waarin slechts één offerte is ontvangen in 2016 met 36 % zeer hoog blijft in Hongarije en dat dit het op een na hoogste percentage in de Unie is na Polen en Kroatië (45 %)(5); beschouwt dit als een aanwijzing dat er een groot risico van corruptie is bij openbare aanbestedingen in Hongarije; is van mening dat de Commissie een doeltreffend controle-instrument moet invoeren om praktijken in strijd met de geest van Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement de Raad(6) te vermijden en moet voorzien in de integratie in de wetgeving om de tot nog toe ondervonden tekortkomingen aan te pakken; verzoekt om informatie over de ondernemingen die fungeren als individuele bieder in Hongarije; vraagt te onderzoeken of de inschrijvingen zijn gedaan met het oog op de reservering van opdrachten voor bepaalde ondernemingen; vraagt de Hongaarse regering op haar website jaarlijks een volledige lijst te publiceren van alle contractanten aan wie ze opdrachten met een waarde van meer dan 15 000 EUR heeft gegund, met de naam en het adres van de contractant, het type en voorwerp van de opdracht, de duur en waarde ervan, de gevolgde procedure en de desbetreffende autoriteit;

5.  betreurt het dat de doeltreffendheid van de regering in Hongarije sinds 1996 is gedaald(7) en dat het een van de EU-lidstaten met de minst effectieve regering is; stelt met bezorgdheid vast dat alle Hongaarse regio's ver onder het EU-gemiddelde op het vlak van kwaliteit van de regering zitten; wijst erop dat de lage kwaliteit van de overheid in Hongarije(8) economische ontwikkeling belemmert en de impact van publieke investeringen vermindert;

6.  stelt vast dat de regionale innovatieprestatie-index(9) in de Hongaarse regio's nog steeds slechts beperkt is; stelt vast dat Hongarije de doelstelling van Europa 2020 om 3 % van het bbp in onderzoek en ontwikkeling(10) te investeren, nog steeds niet heeft bereikt; vraagt Hongarije groei en werkgelegenheid te bevorderen en fondsen van de Unie in innovatie te investeren;

7.  spoort Hongarije ertoe aan gebruik te maken van de middelen van de Unie om zijn economie te moderniseren en zijn steun aan kmo's te versterken; benadrukt dat 30,24 % van de financiële bijdrage van de Unie in het kader van Horizon 2020 in Hongarije voor de deelnemende kmo's is, terwijl het percentage van de succesvolle aanvragen van kmo's 7,26 % bedraagt, lager dan het percentage van de succesvolle aanvragen van kmo's voor EU-28; wijst er voorts op dat het succespercentage voor alle aanvragen gedaald is van 20,3 % (KP7) naar 10,8 % (Horizon 2020), waardoor Hongarije 26e is voor Horizon 2020;

8.  verzoekt de Commissie de lidstaten ertoe aan te sporen deel te nemen aan het EOM;

9.  benadrukt dat Hongarije in de Unie het hoogste percentage financiële aanbevelingen van OLAF met betrekking tot de structuurfondsen en landbouw voor de periode 2013-2016 heeft; benadrukt dat de totale financiële impact van de OLAF-zaken in Hongarije vier maal hoger is dan dat van nationale onderzoeken; vraagt de Commissie en Hongarije de nodige inspanningen te leveren om corruptie met betrekking tot EU-middelen te bestrijden;

10.  betreurt het dat de Commissie de publicatie van het corruptiebestrijdingsverslag heeft opgeschort; dringt er bij de Commissie op aan haar besluit te wijzigen en regelmatig dergelijk verslag te publiceren.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

25.4.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

12

0

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Zigmantas Balčytis, Martina Dlabajová, Luke Ming Flanagan, Ingeborg Gräßle, Cătălin Sorin Ivan, Georgi Pirinski, Petri Sarvamaa, Marco Valli, Tomáš Zdechovský

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Richard Ashworth, Péter Niedermüller, Julia Pitera

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Andrea Bocskor, Tiemo Wölken

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

12

+

ALDE

Martina Dlabajová

GUE/NGL

Luke Ming Flanagan

PPE

Richard Ashworth, Ingeborg Gräßle, Julia Pitera, Petri Sarvamaa, Tomáš Zdechovský

S&D

Zigmantas Balčytis, Cătălin Sorin Ivan, Péter Niedermüller, Georgi Pirinski, Tiemo Wölken

0

-

 

 

2

0

EFDD

Marco Valli

PPE

Andrea Bocskor

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0216, PB C 407 van 4.11.2016, blz. 46, en PB C 399 van 24.11.2017, blz. 127.

(2)

PB C 75 van 26.2.2016, blz. 52.

(3)

PB C 249 van 30.8.2013, blz. 27.

(4)

PB C 261 van 9.8.2017, blz. 71

(5)

Studie "Public procurement – a study on administrative capacity in the EU", blz. 101 en volgende.

(6)

Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).

(7)

Zie het zevende verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie, De kwaliteit van governance varieert aanzienlijk in Europa, blz. 137.

(8)

Zie het zevende verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie, kaart 6 Europese Quality of Government index, 2017.

(9)

Zie het zevende verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie, kaart 5 Regionale innovatieprestatie-index, 2017.

(10)

Zie het zevende verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie, kaart 6 Europese Quality of Government index, 2017.


ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs (17.5.2018)

aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

inzake de situatie in Hongarije (naar aanleiding van de resolutie van het Europees Parlement van 17 mei 2017)

(2017/2131(INL))

Rapporteur voor advies: Petra Kammerevert

(Initiatief – Artikel 45 van het Reglement)

SUGGESTIES

De Commissie cultuur en onderwijs verzoekt de bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

Wet tot wijziging van de nationale wet op het hoger onderwijs

1.  erkent dat bij gebrek aan gelijkgeschakelde normen of modellen van de Europese Unie op het gebied van onderwijs het vaststellen en op gezette tijden evalueren van het meest passende regelgevingskader dat van toepassing is op buitenlandse universiteiten op het grondgebied van Hongarije en het streven om dit kader te verbeteren een zaak van de Hongaarse regering zelf zijn, zoals ook wordt gesteld in de conclusies van de Commissie van Venetië; benadrukt echter dat artikel 165 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorschrijft dat de Unie bijdraagt tot de ontwikkeling van onderwijs van hoog gehalte door samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en zo nodig door hun activiteiten te ondersteunen en aan te vullen, met volledige eerbiediging van de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de inhoud van het onderwijs en de opzet van het onderwijsstelsel en van hun culturele en taalkundige verscheidenheid; benadrukt voorts dat de onderwijswetten die door de Hongaarse regering worden toegepast volledig verenigbaar moeten zijn met de vrijheden van de interne markt en met de grondrechten;

2.  wijst erop dat de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa in april 2017 naar aanleiding van het aannemen van de wet tot wijziging van de nationale wet op het hoger onderwijs een advies van de Commissie van Venetië heeft gevraagd en dat de Commissie van Venetië in haar conclusies heeft verklaard dat de invoering van strengere voorschriften, gepaard met strenge termijnen en ernstige juridische gevolgen voor buitenlandse universiteiten die reeds vele jaren in Hongarije zijn gevestigd en daar legaal actief zijn, met het oog op de beginselen en bescherming van de rechtsstaat en de grondrechten zeer problematisch is;

3.  erkent dat de Hongaarse regering enkele van de eisen van de resolutie van het Europees Parlement van 17 mei 2017 over de situatie in Hongarije heeft ingewilligd, met name wat betreft de opschorting van de termijnen in de wet tot wijziging van de nationale wet op het hoger onderwijs en het aangaan van een dialoog met de voor de Central European University verantwoordelijke Amerikaanse autoriteiten; betreurt echter dat de samenwerkingsovereenkomst tussen de Hongaarse regering en de regering van het land waar de Central European University gevestigd is, hoewel deze al sinds vorig jaar klaar is, nog steeds niet is ondertekend door de Hongaarse premier; betreurt voorts dat de Hongaarse regering de wet tot wijziging van de nationale wet op het hoger onderwijs niet heeft ingetrokken;

4.  stelt voorts vast dat het opschorten van termijnen op de lange termijn niet bevorderlijk is voor de planningszekerheid van universiteiten, hun onderwijzend personeel en studenten; is in dit verband ingenomen met het feit dat de Hongaarse autoriteiten op 13 april 2018 de Amerikaanse staat New York hebben bezocht teneinde de resterende bedenkingen van de Hongaarse regering over de Central European University te verminderen; betreurt echter dat de samenwerkingsovereenkomst tussen de Hongaarse regering en de regering van het vestigingsland van de Central European University nog niet is ondertekend en geratificeerd, hoewel de Hongaarse autoriteiten tijdens het bezoek aangaven dat de Central European University nu voldeed aan wet inzake de CEU; verzoekt de Hongaarse regering daarom de samenwerkingsovereenkomst inzake de Central European University, waarover al overeenkomst is bereikt, te deblokkeren en het afsluiten ervan met de Amerikaanse staat New York door te zetten, zodat de universiteit haar werk naar behoren kan uitvoeren;

5.  betreurt dat het geschil tussen de Commissie en de Hongaarse regering met betrekking tot de wet tot wijziging van de nationale wet op het hoger onderwijs nog niet is geschikt, wat ertoe heeft geleid dat de Commissie een procedure aanhangig heeft gemaakt bij het Hof van Justitie van de Europese Unie; benadrukt dat, hoewel Hongarije het recht heeft zijn eigen onderwijswetten te hanteren, deze wetten niet moeten indruisen tegen de interne-marktvrijheden, vooral de vrijheid van dienstverrichting en de vrijheid van vestiging, evenals het recht op academische vrijheid, het recht op onderwijs en de vrijheid van ondernemerschap, die in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn verankerd;

Segregatie van Roma-kinderen

6.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat in Hongarije en andere Europese landen meerdere vormen van dagelijkse discriminatie in het algemeen en de segregatie van Roma-kinderen in het onderwijs in het bijzonder nog steeds een structureel en wijdverbreid verschijnsel zijn dat bijdraagt aan de sociale uitsluiting van Roma en hun kansen op integratie in het onderwijsstelsel, de arbeidsmarkt en de maatschappij als geheel verkleint; wijst erop dat de segregatie van Roma onderwerp is geweest van een aantal aanbevelingen van de Commissie en verzoekt daarom de Hongaarse regering deze aanbevelingen op te volgen en effectieve maatregelen te treffen;

Mediabeleid

7.  is van mening dat de Commissie bij het onderzoek naar de mediawetgeving van 2010 niet grondig genoeg te werk is gegaan en geen rekening heeft gehouden met de in artikel 2 VWEU vastgestelde waarden; wijst erop dat de Commissie van Venetië in juni 2015 een advies over de mediawetgeving in Hongarije heeft gepubliceerd waarin zij stelde dat verschillende zaken met prioriteit moeten worden herzien als de Hongaarse autoriteiten niet alleen de situatie met betrekking tot de mediavrijheid in het land willen verbeteren, maar ook de publieke perceptie van mediavrijheid willen veranderen;

8.  is van oordeel dat de mediawet van 2010 met haar ontoereikende regels wat betreft kruislings eigendom heeft geresulteerd in een verstoring en onbalans op de mediamarkt; benadrukt dat de Hongaarse markt geconcentreerder is geworden, dat veel onafhankelijke stations zijn verdwenen en het voorheen bloeiende segment van lokale radiostations ook terrein verliest; is van mening dat het noodzakelijk is de transparantie inzake media-eigendom te vergroten, vooral wanneer het mediakanaal overheidsmiddelen heeft ontvangen;

9.  is van mening dat de mediaraad (waarvoor de leden sinds 2010 alleen door de regeringspartij kunnen worden afgevaardigd) actief heeft bijgedragen aan de herstructurering van de radiomarkt om te voldoen aan de heersende politieke behoeften; is verontwaardigd over het feit dat de mediaraad heeft nagelaten zelfs maar een minimumniveau van evenwicht in de media te waarborgen;

10.  benadrukt dat bij overheidsuitgaven voor reclame bepaalde mediaondernemingen in onevenredige mate de voorkeur krijgen boven andere; wijst erop dat de overheidsuitgaven in 2017 hoger waren dan ooit tevoren en dat opdrachten voor overheidsreclame doorgaans worden gegund aan media die trouw zijn aan de regering, die voornamelijk in handen zijn van oligarchen;

11.  wijst erop dat het parlement van Hongarije in mei 2017 een wet heeft aangenomen die de advertentiebelasting verhoogt van 5,3 % tot 7,5 %, wat aanleiding geeft tot bezorgdheid over mogelijke druk op de resterende onafhankelijke media in het land; vindt het zorgwekkend dat reclame voor politieke partijen alleen wordt toegestaan in publieke en commerciële media wanneer deze reclame gratis is, wat aanleiding heeft gegeven tot bezorgdheid over het beperken van de toegang tot informatie, aangezien commerciële media mogelijk niet bereid zijn gratis reclame uit te zenden; is van mening dat het noodzakelijk is ervoor te zorgen dat overheidsopdrachten voor reclame met alle media op een eerlijke en transparante manier worden afgesloten;

12.  benadrukt dat de zogenoemde openbare omroep (MTVA), waaronder alle openbare radio- en televisiestations vallen, kritiekloos de boodschappen van de regering verspreidt en meer bepaald onophoudelijk de door de regering gevoerde anti-vluchtelingen- of stop-Soros-campagnes weerspiegelt; benadrukt dat de publieke televisiezender M1 als 24-uurs nieuwszender meer mogelijkheden dan eerst biedt voor propaganda en het overbrengen van de boodschappen van de regering;

13.  wijst erop dat de publieke omroep niet voldoet aan de vereisten inzake transparantie, geen openbare informatie verstrekt voor het nagaan van de bestedingen van overheidsfinanciering en, in tegenstelling tot veel Europese openbare omroepen, geen jaarverslag heeft, en dat het niet bekend is hoe de omroep zijn openbare-dienstverantwoordelijkheden definieert of vervult;

14.  herinnert eraan dat mediavrijheid en pluralisme grondrechten zijn die zijn verankerd in artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de hoekstenen vormen van democratische samenlevingen; dringt er bij de Hongaarse regering op aan mediavrijheid en pluralisme te garanderen als essentiële waarden van de Unie;

15.  benadrukt met het oog op de onlangs door de Economist Intelligence Unit (EIU) gepubliceerde democratie-index 2017 en de wereldindex voor persvrijheid 2018 van Verslaggevers zonder grenzen dat pluralisme en mediavrijheid in Hongarije in de afgelopen jaren grote reden tot bezorgdheid zijn geweest vanwege ingrijpen door de staat en versterkte overheidscontrole; uit in dit verband zijn bezorgdheid over de verkoop en daaropvolgende sluiting van Népszabadság, een van de oudste en meest vooraanstaande kranten van Hongarije;

16.  benadrukt dat journalisten van onafhankelijke media vaak ernstig worden gehinderd bij het uitvoeren van hun werk, dat het journalisten regelmatig wordt verboden het parlementsgebouw te betreden en dat de ruimtes in het parlement waar journalisten vragen kunnen stellen aan politici en hen kunnen interviewen, beperkt zijn;

17.  is bezorgd over het feit dat, nadat de laatste onafhankelijke regionale kranten van Hongarije door aan de regering gelieerde oligarchen zijn overgenomen, de Hongaarse regering haar controle over de media onlangs heeft uitgebreid en de mediaconcentratie volgens Verslaggevers zonder grenzen een grotesk niveau heeft bereikt dat zijn weerga niet kent; is van mening dat het noodzakelijk is de transparantie inzake media-eigendom te vergroten, vooral als aan de desbetreffende ondernemer overheidsopdrachten zijn toegekend;

18.  betreurt dat de regeringsgezinde nieuwswebsite 888.hu onlangs een zwarte lijst heeft gepubliceerd van journalisten die voor buitenlandse media werken en als "buitenlandse propagandisten van Soros" worden aangeduid, en dat dit duidelijk indruist tegen het beginsel van mediavrijheid;

Niet-gouvernementele organisaties

19.  is ernstig bezorgd over de steeds kleiner wordende ruimte voor het maatschappelijk middenveld in Hongarije; betreurt in dit verband de pogingen van de Hongaarse regering om controle uit te oefenen op ngo's en de mogelijkheden voor de uitvoering van hun legitieme werkzaamheden te beperken, met name door middel van ngo-wet en de wet "Stop Soros";

20.  wijst erop dat de ngo-wet – een wet over met buitenlands kapitaal gefinancierde ngo's – een onterechte inbreuk vormt op de grondrechten die zijn verankerd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name het recht op vrijheid van vereniging, en ongerechtvaardigde en onevenredige beperkingen invoert op het vrij verkeer van kapitaal, en reden tot bezorgdheid vormt wat betreft de eerbiediging van het recht op de bescherming van het privéleven en persoonsgegevens; benadrukt dat de Commissie daarom een procedure heeft moeten aanspannen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie met betrekking tot de ngo-wet; betreurt ten zeerste dat de Hongaarse regering, hoewel er een procedure bij het Hof van Justitie van de Europese Unie loopt met betrekking tot de ngo-wet, in februari 2018 nog een andere wet heeft ingevoerd, de zogenoemde wet "Stop Soros", die is bedoeld om het recht op vereniging en de werkzaamheden van ngo's verder te beperken; betreurt in dit verband de intentie van de Hongaarse regering om alle door Soros gefinancierde ngo's tot sluiten te dwingen en van andere ngo's te verlangen dat zij een vergunning van de staat bemachtigen voordat zij op het gebied van migratie kunnen werken; vreest ten zeerste dat de voorgestelde wetten binnen de Unie kunnen dienen als model dat de waardevolle werkzaamheden ondermijnt van maatschappelijke organisaties die zich inzetten voor de eerbiediging van de mensenrechten, een gevaar dat onlangs is benadrukt door het EU-Bureau voor de grondrechten; vestigt voorts de aandacht op het feit dat de regeringspartij een netwerk heeft opgezet van door de overheid georganiseerde ngo's die met overheidsmiddelen worden gefinancierd en wier taak het is de boodschappen van de regering te herhalen en demonstraties voor de regering te organiseren;

Algemeen

21.  is van mening dat de situatie op het gebied van hoger onderwijs, onderwijs aan Roma-kinderen, mediavrijheid en pluralisme en de situatie van ngo's in Hongarije een duidelijk gevaar vormt voor de in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) bedoelde waarden; verzoekt de Commissie daarom alle middelen in blijven te zetten die haar op grond van de Verdragen ter beschikking staan;

22.  is in dit verband van mening dat het gerechtvaardigd is om de procedure van artikel 7 VEU in te leiden om de gemeenschappelijke waarden van de Unie te handhaven en de rechtsstaat te garanderen;

23.  verzoekt de Commissie het lopende wetgevingsproces nauwlettend te blijven volgen, evenals de mate waarin de voorstellen in strijd zijn met de Uniewetgeving, met inbegrip van de grondrechten, en om elk onderzoek direct openbaar beschikbaar te maken;

24.  verzoekt de OVSE/ODIHR een follow-upproces op te starten binnen het kader van de activiteiten in verband met de verkiezingswaarnemingsmissie na het resultaat van de parlementaire verkiezingen in Hongarije, en nauwlettend toezicht te houden op het misbruik van de vrijheid van meningsuiting en het misbruik van administratieve middelen;

25.  verzoekt de Commissie om de financiering voor onafhankelijke projecten op het gebied van mediavrijheid en pluralisme te verhogen, zoals onder andere de Monitor voor het pluralisme van de media, het in kaart brengen van schendingen van de mediavrijheid en het ondersteunen van bedreigde journalisten.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

16.5.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

13

4

8

Bij de eindstemming aanwezige leden

Isabella Adinolfi, Dominique Bilde, Andrea Bocskor, Nikolaos Chountis, Silvia Costa, Damian Drăghici, Jill Evans, María Teresa Giménez Barbat, Giorgos Grammatikakis, Petra Kammerevert, Svetoslav Hristov Malinov, Curzio Maltese, Luigi Morgano, John Procter, Michaela Šojdrová, Helga Trüpel, Sabine Verheyen, Julie Ward, Bogdan Brunon Wenta, Theodoros Zagorakis, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Milan Zver, Krystyna Łybacka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Algirdas Saudargas

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

António Marinho e Pinto

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

13

+

ALDE

María Teresa Giménez Barbat, António Marinho e Pinto

GUE/NGL

Nikolaos Chountis, Curzio Maltese

S&D

Silvia Costa, Damian Drăghici, Giorgos Grammatikakis, Petra Kammerevert, Krystyna Łybacka, Luigi Morgano, Julie Ward

Verts/ALE

Jill Evans, Helga Trüpel

4

-

ENF

Dominique Bilde

PPE

Andrea Bocskor, Michaela Šojdrová, Milan Zver

8

0

ECR

John Procter

EFDD

Isabella Adinolfi

PPE

Svetoslav Hristov Malinov, Algirdas Saudargas, Sabine Verheyen, Bogdan Brunon Wenta, Theodoros Zagorakis, Bogdan Andrzej Zdrojewski

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie constitutionele zaken (26.3.2018)

aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

inzake de situatie in Hongarije (overeenkomstig de resolutie van het Europees Parlement van 17 mei 2017)

(2017/2131(INL))

Rapporteur voor advies: Maite Pagazaurtundúa Ruiz

(Initiatief – artikel 45 van het Reglement)

SUGGESTIES

De Commissie constitutionele zaken verzoekt de bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat de Europese Unie berust op de waarden eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren (artikel 2 VEU), en overwegende dat deze waarden universeel zijn en dat de lidstaten deze gemeen hebben;

B.  overwegende dat de vrije deelname van een volledig ontwikkeld maatschappelijk middenveld een essentieel onderdeel is van een democratisch besluitvormingsproces;

C.  overwegende dat de wetgeving van de Unie het resultaat is van collectieve besluitvorming waaraan alle lidstaten deelnemen;

D.  overwegende dat een persoon die de nationaliteit van een lidstaat bezit volgens artikel 9 VEU en artikel 20 VWEU een burger van de Unie is; overwegende dat het EU-burgerschap een aanvulling op het nationale burgerschap vormt, maar niet in de plaats daarvan komt;

E.  overwegende dat AFCO in november 2016 aan Hongarije een bezoek heeft gebracht;

1.  benadrukt met klem dat alle lidstaten de in artikel 2 VEU verankerde waarden delen en moeten beschermen, aangezien deze waarden de hoeksteen van de Europese Unie vormen;

2.  herinnert eraan dat de inhoud van artikel 2 VEU bindende en gevestigde beginselen van internationaal recht weergeeft die door alle lidstaten zijn onderschreven; benadrukt daarom dat de volledige eerbiediging, bescherming en bevordering van de rechtsstaat, democratie en mensenrechten ook een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid vormen en een verplichting die voortvloeit uit het louter feit tot de internationale gemeenschap te behoren;

3.  herinnert eraan dat de kandidaat-lidstaten volgens artikel 49 VEU moeten aantonen dat zij voldoen aan de criteria van Kopenhagen met het oog op de toetreding tot de Europese Unie en dat de Commissie de plicht heeft om volledige naleving ervan te eisen; beklemtoont dat de lidstaten zodra ze lid zijn van de Unie, een overeenkomstige verplichting hebben het beginsel van de rechtsstaat en de constitutieve onderdelen ervan te eerbiedigen en te beschermen, en dat het beginsel van wederzijds vertrouwen dat in het Unierecht verankerd is hen niet ontslaat van de verplichting de naleving door de andere lidstaten van het Unierecht en met name de in het recht van de Unie erkende grondrechten, te evalueren;

4.  herinnert eraan dat de in artikel 2 VEU verankerde waarden worden beschermd door de procedure vastgelegd in artikel 7, maar is van mening dat de Unie moet worden uitgerust met een aanvullend en meer gestructureerd kader voor het monitoren en beoordelen van de eerbiediging en bevordering van de beginselen in artikel 2 VEU;

5.  herhaalt zijn oproep aan de Commissie om ten volle gebruik te maken van de expertise van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) in het toezicht op de situatie van de grondrechten in de Unie door voor te stellen de oprichtingsverordening van het FRA te herzien en het FRA ruimere en onafhankelijkere bevoegdheden te verlenen alsook meer personele en financiële middelen toe te wijzen;

6.  herinnert eraan dat de Commissie van Venetië de volgende essentiële kenmerken van de rechtsstaat heeft onderscheiden: wettigheid, rechtszekerheid, een verbod op willekeur, toegang tot de rechter, eerbiediging van de mensenrechten, non-discriminatie en gelijkheid voor de wet; deelt de bezwaren die de Commissie van Venetië sinds 2011 in haar adviezen over de Hongaarse wetgeving uitdrukt, met inbegrip van de adviezen over de grondwet en de wijzigingen daarvan; herinnert eraan dat de Commissie van Venetië in haar advies over de vierde en meest actuele wijziging van de grondwet van Hongarije op 17 juni 2013 heeft geoordeeld dat de genomen maatregelen een bedreiging inhouden voor de constitutionele rechtspraak en voor de suprematie van de fundamentele beginselen in de grondwet van Hongarije; herinnert eraan dat Hongarije de Commissie van Venetië erkent sinds zijn toetreding tot de Raad van Europa in 1990;

7.  wijst erop dat de Commissie van Venetië in haar advies over Wet XXV van 4 april 2017 houdende wijziging van wet CCIV van 2011 betreffende het nationale tertiaire onderwijs stelde dat deze zeer problematisch lijkt vanuit het oogpunt van rechtsstatelijkheid, de grondrechten en garanties voor buitenlandse universiteiten die al in Hongarije zijn gevestigd en daar reeds vele jaren rechtmatig werkzaam zijn; herinnert er voorts aan dat de Europese Commissie besloten heeft Hongarije naar het Hof van Justitie van de Europese Unie te verwijzen omdat de wet betreffende het nationale tertiaire onderwijs zoals gewijzigd op 4 april 2017 EU- en niet-EU-universiteiten onevenredig beperkt in hun activiteiten en opnieuw in overeenstemming moet worden gebracht met het recht van de Unie;

8.  spreekt nogmaals zijn grote bezorgdheid uit over de recente ontwikkelingen in Hongarije die de rechtsstaat in gevaar brengen en de toepassing van de in artikel 2 VWEU genoemde beginselen bemoeilijken, zoals onder meer die in verband met de werking van het constitutionele bestel, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en andere instellingen en de stelselmatige afschaffing van checks-and-balances, vrijheid van meningsuiting, persvrijheid, academische vrijheid, de mensenrechten van migranten, asielzoekers en vluchtelingen, vrijheid van vergadering en vereniging, het recht op gelijke behandeling, sociale rechten, de verdediging van organisaties van het maatschappelijk middenveld, de rechten van personen die tot een minderheid behoren, waaronder Roma, Joden en LGBTI’s;

9.  merkt op dat het begrip burgerschap zelf een duidelijke politieke wil impliceert om de gelijkheid van personen te respecteren; onderstreept dat de waarden en beginselen waarop de Unie gebaseerd is, een sfeer bepalen waarmee elke Europese burger zich kan identificeren, ongeacht de politieke of culturele verschillen die aan de nationale identiteit verbonden zijn; is bezorgd over het openbaar gebruik door Hongaarse ambtenaren van nationalistische ideeën die gebaseerd zijn op exclusieve identiteiten;

10.  merkt op dat de Commissie van Venetië heeft gesteld dat de beperking van de rol van het Constitutioneel Hof van Hongarije het risico inhoudt dat zij een negatief effect kan hebben op de scheiding der machten, de bescherming van de mensenrechten en de rechtsstaat; is met name bezorgd over de herinvoering van bepalingen op grondwettelijk niveau die tot het toepassingsgebied van het gemene recht zouden moeten behoren en reeds ongrondwettig werden bevonden, teneinde een constitutionele toetsing te vermijden; beveelt aan de werking en de bevoegdheden van de Nationale Raad voor Justitie te herzien om ervoor te zorgen dat deze zijn taak als Hongarijes onafhankelijk orgaan van rechterlijk zelfbestuur kan vervullen, en verzoekt het volledige herstel van de rechtsmacht van het Constitutioneel Hof;

11.  is bezorgd over de steeds kleinere ruimte voor het maatschappelijk middenveld, de pogingen om op ngo's controle uit te oefenen en de mogelijkheden om de uitvoering van hun legitieme werkzaamheden te beperken, zoals de vaststelling van het zogeheten "Stop Soros"-wetgevingspakket; herinnert eraan dat de Commissie van Venetië in haar "advies over het ontwerp voor een wet inzake de transparantie van organisaties die steun ontvangen uit het buitenland" (goedgekeurd op 17 juni 2017) stelde dat dergelijke wetgeving zou leiden tot een onevenredige en onnodige inmenging in de vrijheid van vereniging en de vrijheid van meningsuiting, het recht op privacy en het verbod op discriminatie;

12.  betreurt ten zeerste de vijandige en misleidende retoriek die soms wordt gebezigd door de Hongaarse instellingen als ze naar de Europese Unie verwijzen en de bewuste keuze van de autoriteiten om wetgeving in te voeren die de waarden van de Unie rechtstreeks schendt; wijst op de doelstellingen die zijn verwoord in artikel 3, leden 1 en 2 VEU welke Hongarije aanvaard heeft toen het land in 2004 toetrad tot de Unie; herinnert eraan dat de toetreding tot de Europese Unie een vrijwillige handeling was op basis van de nationale soevereiniteit met een brede consensus van het hele Hongaarse politieke spectrum;

13.  wijst erop dat de inbreukprocedure zijn beperkingen heeft getoond voor de aanpak van systematische schendingen van de waarden van de Unie, omdat de inbreukprocedure voornamelijk op technische kwesties focust, waardoor overheden formele rechtsmiddelen kunnen voorstellen en tegelijkertijd de geldende wetgeving van de Unie schenden; is van mening dat in geval van schending van het beginsel van loyale samenwerking, zoals neergelegd in artikel 4 VEU, er geen enkel juridisch beletsel is voor de Commissie om voort te bouwen op inbreukprocedures en een patroon vast te stellen dat leidt tot een schending van artikel 2 VEU;

14.  is van oordeel dat indien een ernstige en voortdurende schending van de beginselen van de rechtsstaat door een lidstaat wordt vastgesteld, de Commissie alle instrumenten te harer beschikking moet gebruiken ter verdediging van de fundamentele waarden waarop de Unie is gegrondvest, met inbegrip van de inwerkingstelling van artikel 7 VEU; wijst erop dat in de resolutie van het Parlement van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie over de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten(1) de Commissie werd verzocht om uiterlijk in september 2017 een voorstel in te dienen voor de sluiting van een EU-Pact voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten (EU-Pact voor DRG); betreurt het dat dit voorstel nog op zich laat wachten en benadrukt dat er hoognodig een efficiënt mechanisme ter bescherming van de fundamentele waarden van de Unie moet worden opgericht, aangezien er een discrepantie is tussen de verplichtingen waaraan kandidaat-landen op grond van de criteria van Kopenhagen moeten voldoen en de toepassing van deze criteria door de lidstaten na de toetreding tot de Unie; benadrukt dat een passende reactie op de schending van de fundamentele waarden van de Unie een combinatie van passende juridische instrumenten en politieke wil vergt;

15.  is van mening dat er, gezien de huidige situatie in Hongarije, een duidelijk risico bestaat op ernstige schendingen van de in artikel 2 VEU bedoelde waarden, en stelt dat het gerechtvaardigd is om de procedure van artikel 7, lid 1, VEU in te leiden.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

21.3.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

15

4

5

Bij de eindstemming aanwezige leden

Gerolf Annemans, Michał Boni, Mercedes Bresso, Elmar Brok, Fabio Massimo Castaldo, Pascal Durand, Esteban González Pons, Danuta Maria Hübner, Alain Lamassoure, Jo Leinen, Morten Messerschmidt, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Markus Pieper, Paulo Rangel, Helmut Scholz, György Schöpflin, Pedro Silva Pereira, Barbara Spinelli, Claudia Țapardel, Kazimierz Michał Ujazdowski

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Max Andersson, Pervenche Berès, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Jérôme Lavrilleux, Cristian Dan Preda, Jasenko Selimovic, Rainer Wieland

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

15

+

ALDE

Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Jasenko Selimovic

EFDD

Fabio Massimo Castaldo

GUE/NGL

Helmut Scholz, Barbara Spinelli

PPE

Michał Boni, Danuta Maria Hübner

S&D

Pervenche Berès, Mercedes Bresso, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Jo Leinen, Pedro Silva Pereira, Claudia Țapardel

VERTS/ALE

Max Andersson, Pascal Durand

4

-

ECR

Morten Messerschmidt, Kazimierz Michał Ujazdowski

ENF

Gerolf Annemans

PPE

György Schöpflin

5

0

PPE

Elmar Brok, Esteban González Pons, Alain Lamassoure, Markus Pieper, Paulo Rangel

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0409.


ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (17.5.2018)

aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

inzake de situatie in Hongarije (naar aanleiding van de resolutie van het Europees Parlement van 17 mei 2017)

(2017/2131(INL))

Rapporteur voor advies: Maria Noichl

(Initiatief – artikel 45 van het Reglement)

SUGGESTIES

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

–  gezien het rapport van de VN-werkgroep inzake discriminatie van vrouwen in de wet en in de praktijk(1) van 27 mei 2016,

–  gezien de met redenen omklede adviezen van de Commissie over de EU-wetgeving op het gebied van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (richtlijn gelijke behandeling, Richtlijn 2006/54/EG) en moederschapsverlof (Richtlijn 92/85/EEG van de Raad) van 27 april 2017,

A.  overwegende dat in artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is bepaald dat gelijkheid van mannen en vrouwen een van de fundamentele beginselen van de Unie is en dat dit dus ook een kernwaarde voor alle lidstaten moet zijn;

B.  overwegende dat de Europese Unie gestoeld is op de waarden van eerbiediging van de rechtsstaat en de mensenrechten, waaronder gendergelijkheid en de rechten van personen die tot minderheden behoren, en overwegende dat die waarden universeel zijn en dat de lidstaten deze gemeen hebben (artikel 2 VEU);

C.  overwegende dat Hongarije met 50,8 punten de op een na laatste plaats inneemt in de Europese vergelijking van de gendergelijkheidsindex 2017 van het Europees Instituut voor gendergelijkheid en zelfs 1,6 punten minder heeft dan in 2010;

D.  overwegende dat het legitiem is te verlangen dat ngo's een transparante financiële achtergrond hebben;

E.  overwegende dat Hongarije door meerdere internationale mensenrechtenorganisaties sterk is bekritiseerd in verband met de verslechterde mensenrechtensituatie en de beperkingen die aan de werking van het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van vrouwenrechtenorganisaties, zijn opgelegd; overwegende dat de hieronder beschreven invoering van restrictieve regelgeving en beleidsmaatregelen een grote belemmering vormt voor het werk van vrouwenrechtenorganisaties die unieke diensten aanbieden aan slachtoffers van gendergerelateerd geweld en huiselijk geweld, en dat deze organisaties daardoor het risico lopen niet langer voor fiscale en andere voordelen in aanmerking te komen;

F.  overwegende dat Hongarije tot de landen behoort waar binnen de Unie de meeste slachtoffers van mensenhandel vandaan komen;

G.  overwegende dat Hongarije een sterk nationaal zorgstelsel en een robuust ziektekostensysteem heeft, maar dat de kosten van moderne anticonceptie – ondanks de aanbevelingen van diverse toezichthoudende organen van de VN – geheel en al zijn uitgesloten van het Hongaarse zorgstelsel en dat dus geen enkel anticonceptiemiddel wordt vergoed, hetgeen een belemmering vormt voor moderne gezinsplanning, en overwegende dat Hongarije een van de weinige lidstaten is waar voor alle vormen van noodanticonceptie of de morning-afterpil een recept nodig is, in weerwil van de aanbeveling van de Commissie van 2015 dat deze vorm van noodanticonceptie zonder doktersvoorschrift verkrijgbaar moeten zijn; overwegende dat migrantenvrouwen zonder papieren geen recht hebben op gezondheidszorg, behalve noodhulp, wat betekent dat zij ook geen recht hebben op prenatale zorg; overwegende dat ondanks de zorgen van de Commissie voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen van de Verenigde Naties (CEDAW), die de regering van Hongarije had verzocht de toegang tot veilige abortus te waarborgen zonder de verplichting voor vrouwen zich te laten adviseren en zonder de medisch gezien onnodige wachttijd, die eisen onverminderd van kracht zijn en medische abortus nog steeds niet mogelijk is, waardoor de toegang van vrouwen tot dergelijke gezondheidszorg bemoeilijkt en gestigmatiseerd wordt;

H.  overwegende dat de definitie van gezin in de Hongaarse grondwet als "huwelijk en partner-kindrelaties" achterhaald is en stoelt op conservatieve overtuigingen; overwegende dat huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht verboden zijn; overwegende dat bijna 70 % van de personen die deelnamen aan de in 2014 gehouden LGBT-enquête van het Agentschap voor Grondrechten aangaf bepaalde locaties of plaatsen te mijden uit angst om als LGBTI geïntimideerd of aangevallen te worden;

I.  overwegende dat van de 47 leden van de Raad van Europa tot nu toe slechts 30 leden het Verdrag van Istanbul hebben geratificeerd en dat nog eens 15 andere leden, waaronder Hongarije, dit verdrag wel hebben ondertekend, maar niet geratificeerd; overwegende dat het proces van ratificering in Hongarije sinds februari 2017 stil ligt; overwegende dat, hoewel in 2013 wetgeving werd ingevoerd op grond waarvan huiselijk geweld strafbaar is, de toepassing ervan problematisch is en de definitie van huiselijk geweld geen betrekking heeft op seksueel geweld; overwegende dat Hongarije daarnaast geen alomvattende strategie of een actieplan voor het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen heeft; overwegende dat uit het meest recente onderzoek van het Agentschap voor Grondrechten van de Europese Unie blijkt dat gendergerelateerd geweld in Hongarije veel voorkomt: volgens gegevens van het Europees Instituut voor gendergelijkheid uit 2015 heeft 27,7 % van de vrouwen van 15 jaar en ouder in Hongarije met lichamelijk en/of seksueel geweld te maken gehad, komen er elk jaar ten minste 50 vrouwen om door toedoen van hun familieleden of partner en worden honderdduizenden vrouwen regelmatig in familiale kring misbruikt; overwegende dat volgens vrouwenrechtenorganisaties de dader in 95 % van de gewelddelicten een man is, en het slachtoffer een vrouw of een meisje, en overwegende dat veel vrouwen ervoor terugschrikken misbruik te melden omdat ze op politiebureaus en in rechtbanken op vijandigheid stuiten; overwegende dat politie en justitie nauwelijks succesvol zijn bij het oppakken en vervolgen van de daders, hetgeen slachtoffers van geweld er nog eens extra van weerhoudt aangifte te doen en leidt tot wantrouwen ten aanzien van de autoriteiten; overwegende dat zowel de autoriteiten als de sociale omgeving in het algemeen vaak de schuld bij de slachtoffers leggen;

J.  overwegende dat de CEDAW Hongarije in haar slotopmerkingen van 2013 onder andere verzoekt zijn beleid ten aanzien van gezinnen en gendergelijkheid te herzien zodat vrouwen volledig gebruik kunnen maken van hun recht op non-discriminatie en gelijkheid, erop toe te zien dat slachtoffers van meervoudige discriminatie over passende rechtsmiddelen kunnen beschikken, bestaande en voorgestelde wetgeving stelselmatig aan gendereffectbeoordelingen te onderwerpen en erop toe te zien dat het nieuwe wettelijke kader niet tot een verslechtering van de situatie op dit gebied leidt; overwegende dat geen enkele Hongaarse regering deze aanbevelingen tot nu toe heeft opgevolgd; overwegende dat er voor deze aanbevelingen ook geen uitvoeringsplan is opgesteld;

K.  overwegende dat schadelijke genderstereotypes en aannames over de rol van de vrouw in de samenleving in Hongarije veel voorkomen, inclusief discriminatie op grond van geslacht; overwegende dat de Hongaarse regering een regressieve benadering van genderkwesties hanteert en in het kader van de gewenste demografische toename "gezinsmainstreaming" – in plaats van gendermainstreaming – bevordert, en de concepten "gender" en "gendergelijkheid" verkeerd interpreteert en gebruikt;

L.  overwegende dat de arbeidsparticipatie van vrouwen in Hongarije sinds 2010 significant is toegenomen;

1.  wijst op de inspanningen van de afgelopen jaren voor een beter evenwicht tussen werk en privéleven; wijst op het in april 2017 ingediende voorstel van de Commissie voor een richtlijn betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers(2), en spoort de Hongaarse regering aan bij te dragen aan de snelle goedkeuring daarvan;

2.  juicht het toe dat het aantal beschikbare plaatsen in crèches tussen 2010 en 2016 met ongeveer 23 % is toegenomen, en dat Hongarije in 2017 een nieuw en flexibeler crèchesysteem heeft ingevoerd dat beter aansluit bij de plaatselijke omstandigheden en het vrouwen gemakkelijker maakt om weer te gaan werken;

3.  betreurt het desondanks dat Hongarije de Barcelona-doelstellingen van de Unie nog altijd niet heeft verwezenlijkt, en roept de Hongaarse regering op prioriteit te geven aan deze doelstellingen en haar gezinsbeleid af te stemmen op de behoeften van de meest kwetsbare leden van de samenleving;

4.  betreurt de herinterpretatie en de beperking van het beleid inzake gendergelijkheid tot gezinsbeleid en wijst op de Nationale Strategie voor de bevordering van gendergelijkheid – Doelen en doelstellingen 2010-2021, die Hongarije nog niet ten uitvoer heeft gelegd; geeft aan dat een verkeerde interpretatie van het concept "gender" het maatschappelijk debat in Hongarije heeft bepaald en betreurt de opzettelijke misinterpretatie van de begrippen "gender" en "gendergelijkheid"; beklemtoont dat het doel van het gendergelijkheidsbeleid moet zijn om erop toe te zien dat op alle maatschappelijke terreinen niemand op grond van geslacht wordt gediscrimineerd, ieders rechten worden gewaarborgd en dat de betrokkenheid van vrouwen en mannen op alle niveaus van het maatschappelijke leven op voet van gelijkheid wordt gegarandeerd; roept er dan ook toe op terug te keren naar het concept "gendermainstreaming" als instrument voor analyse en beleidsvorming, en de nationale strategie met die doelstellingen uit te voeren op alle gebieden; verzoekt de Hongaarse regering onverwijld uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de CEDAW van 2013 en haar geblokkeerde Nationale Strategie nieuw leven in te blazen en te actualiseren, of te vervangen door een nieuwe gendergelijkheidsstrategie met concrete deadlines en verantwoordelijke actoren, en te zorgen voor financiering en toezichtsmechanismen met het oog op een doeltreffende tenuitvoerlegging, en daarnaast gedurende het hele proces overleg te plegen met vrouwenrechtenorganisaties;

5.  betreurt de enge definitie van gezin, die neerkomt op discriminatie van samenwonende personen en van stellen van hetzelfde geslacht; herinnert Hongarije eraan dat discriminatie op grond van seksuele gerichtheid verboden is;

6.  wijst op het belang van vrouwenemancipatie, met name wat betreft hun politieke, economische en sociale rechten, als een voorwaarde voor een omgeving waarin gezinnen kunnen floreren;

7.  betreurt het zeer lage aantal vrouwen in politieke besluitvormingsposities en het daarmee samenhangende feit dat tot nu toe slechts 10 % van alle afgevaardigden in het Hongaarse parlement vrouw is, het laagste percentage van alle lidstaten, en dat de nationale regering van Hongarije niet één vrouwelijke minister telt; beklemtoont dat vrouwen met het oog op de goede werking van de democratie in gelijke mate posities in de politieke besluitvorming moeten bekleden; herinnert aan de aanbevelingen van de CEDAW en van de OVSE om wettelijke quota op te leggen voor landelijke verkiezingen; benadrukt dat de politieke partijen wat betreft gelijke kansen en genderevenwicht het goede voorbeeld moeten geven en doeltreffende wetgevingsmaatregelen moeten invoeren om de participatie van vrouwen in het politieke leven en besluitvormingsprocessen te vergroten; geeft aan dat een beter evenwicht tussen werk en gezin, en een gedeelde verantwoordelijkheid van ouders belangrijke stappen zijn in de richting van een betere vertegenwoordiging van vrouwen in het politieke besluitvormingsproces op alle niveaus;

8.  stelt vast dat het huidige percentage werkenden onder vrouwen 61,2 % bedraagt, terwijl de grootste verbetering in de werkgelegenheid van vrouwen optreedt in de groep vrouwen die kinderen van jonger dan zes jaar grootbrengen, als gevolg van de positieve maatregelen die de Hongaarse regering sinds 2010 heeft genomen voor hulp aan gezinnen en vrouwen met kinderen, zoals de extra vergoeding voor kinderopvang en het nieuwe systeem voor dagopvang;

9.  juicht het toe dat de Hongaarse regering sinds 2010 een aantal sociale maatregelen, maatregelen op het vlak van sociale integratie, gezinsbeleid, gezondheidsbeleid en onderwijs heeft genomen, onder andere voor Roma, zoals het gezondheidsprogramma "moeder-kind" voor Roma, de opleiding van Roma-gezondheidsinspecteurs en -gezondheidsvertegenwoordigers, alsook programma's voor de ontwikkeling gedurende de eerste levensjaren van het kind; spoort de Hongaarse regering aan door te gaan met de uitvoering van dit beleid en deze maatregelen en zo snel mogelijk met bewijzen te komen over de effecten daarvan op Roma-vrouwen;

10.  is bezorgd over de kleiner wordende ruimte voor het maatschappelijk middenveld en over de pogingen om controle uit te oefenen op non-gouvernementele organisaties door ze te beperken in hun legitieme werkzaamheden; maakt zich zorgen over de gevolgen van de Hongaarse wet inzake de transparantie van organisaties die steun ontvangen uit het buitenland, voor organisaties uit het maatschappelijk middenveld die financiering ontvangen van de Unie, de EER en derde landen, alsook over de invoering van het zogenaamde "Stop Soros"-wetgevingspakket; beklemtoont dat die ontwikkelingen een negatieve impact hebben op het functioneren van non-gouvernementele organisaties, waaronder veel organisaties voor de rechten van vrouwen, LGBTI's, personen met een handicap, etnische en religieuze minderheden, migranten, vluchtelingen, asielzoekers en andere groepen in een kwetsbare positie, die cruciaal zijn voor de bescherming van de fundamentele mensenrechten en de werking en de vooruitgang van de samenleving, aangezien zij diensten verlenen, bewustmakingscampagnes organiseren voor beroepsgroepen en het grote publiek, aan capaciteitsopbouw doen, en zich inzetten voor en bijdragen aan wetgevings- en beleidsveranderingen die gericht zijn op het vergroten van de gendergelijkheid; neemt bezorgd kennis van de maatschappelijke stemming die grimmiger is geworden als gevolg van het beleid van de afgelopen jaren, en veroordeelt het wantrouwen en de vijandigheid waarmee veel activisten voor vrouwenrechten en vrouwelijke wetenschappers op grond van hun inzet tegemoet worden getreden; spoort de Hongaarse regering aan kwesties op het gebied van democratie en mensenrechten bespreekbaar te maken en te verbeteren en de wetten in te trekken waarmee de organisaties die buitenlandse financiering ontvangen, gestigmatiseerd worden; verzoekt de regering in plaats daarvan de expertise en ervaring van vrouwenrechtenorganisaties te gebruiken wanneer ze wetgevings- en beleidsmaatregelen op het gebied van gendergelijkheid en vrouwenrechten opstelt en uitvoert, en in dit verband passend gebruik te maken van de bestaande overlegfora;

11.  stelt voor een door de Commissie te beheren Europees Fonds voor democratie in het leven te roepen voor versterkte ondersteuning van het maatschappelijk middenveld en ngo's die actief zijn op het gebied van democratie en mensenrechten, ter versterking van bepaalde actoren in het maatschappelijk middenveld zoals organisaties voor de rechten van vrouwen en meisjes;

12.  betreurt het dat de ontwikkelingen in Hongarije de afgelopen paar jaar tot een aanzienlijke verslechtering van de rechtsstaat hebben geleid, en wijst erop dat zonder een goed functionerende rechtsstaat de rechten van vrouwen, waaronder Roma-vrouwen, migrantenvrouwen en LBT-vrouwen, niet voldoende kunnen worden gewaarborgd op non-discriminerende wijze;

13.  maakt zich zorgen over het vijandige klimaat ten aanzien van migranten en vluchtelingen in Hongarije; veroordeelt de haatuitingen van overheids- en regeringsfunctionarissen; verzoekt de Hongaarse regering toe te zien op de verbetering van de mensenrechtensituatie van migranten en vluchtelingen;

14.  wijst erop dat geweld tegen vrouwen in Hongarije, net als in alle andere lidstaten, een aanhoudende en structurele schending van de mensenrechten vormt; roept de Hongaarse regering op het Verdrag van Istanbul zonder enig voorbehoud en zo spoedig mogelijk ratificeren en toe te zeggen de bepalingen ervan in de nationale wetgeving te zullen integreren, wat een belangrijke stap zou zijn in de richting van een verandering van de culturele norm van huiselijk geweld en van bescherming van vrouwen en meisjes die het slachtoffer van geweld zijn; veroordeelt het dat huiselijk geweld in Hongarije pas na twee incidenten als strafbaar feit geldt; roept ertoe op financiering te blijven uittrekken voor organisaties die zich bezighouden met voorlichting, advisering en bijstand om vrouwen doeltreffende bescherming en veiligheid te kunnen bieden; verzoekt de Commissie om, in samenwerking met de Raad van Europa, de dialoog met de Hongaarse regering voort te zetten en haar zorgen voor het voetlicht te blijven brengen, en in het bijzonder misleidende interpretaties van het Verdrag van Istanbul, in concreto de definitie van gendergerelateerd geweld en van gender in artikel 3, onder c) en d), die momenteel een alomvattende benadering van het Verdrag verhinderen, te verduidelijken, aansluitend bij de algemene opmerkingen van de Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa;

15.  verzoekt de Hongaarse regering het wetboek van strafrecht zo te wijzigen dat de definitie van huiselijk geweld alle vormen van lichamelijk geweld omvat, waaronder het toebrengen van fysieke schade, lichamelijk letsel of aanranding, seksueel geweld, stalking en intimidatie, bedreiging met het toebrengen van fysieke schade, lichamelijk letsel of aanranding, en het uitoefenen van dwang, d.w.z. psychologisch en economisch geweld als onderdeel van overheersing middels intimidatie, isolatie, degradatie en onthouding, alsook fysiek geweld; verzoekt de Hongaarse regering bovendien de wet op straatverboden te wijzigen teneinde de definitie van slachtoffer van huiselijk geweld uit te breiden met het oog op de bescherming van alle slachtoffers, zo ook degenen die niet met de geweldpleger samenwonen en geen gemeenschappelijke kinderen met die persoon hebben, of niet als verwanten (d.w.z. intieme partners) worden beschouwd, en teneinde de duur van het contactverbod te verlengen voor zolang als dat noodzakelijk is; verzoekt de Hongaarse regering ten slotte het nationale procesrecht te wijzigen om te waarborgen dat huiselijk geweld een misdrijf is en vervolgbaar en strafbaar is;

16.  beveelt met klem aan wetshandhavers en justitie te trainen in optimale werkmethoden op het gebied van reacties op huiselijk geweld, in samenwerking met slachtofferorganisaties en in overeenstemming met de internationale mensenrechtennormen; beveelt daarnaast sterk aan adequate opleidingen aan te bieden, terdege aandacht te besteden aan de rol van medisch personeel op het gebied van de preventie van en de respons op huiselijk geweld, en daartoe de capaciteit van het personeel in de gezondheidszorg te vergroten;

17.  is zich bewust van de inspanningen die ondernomen zijn in de wetgeving ter bestrijding van mensenhandel en spoort de regering aan het systeem voor het verzamelen van gegevens te blijven verbeteren, de dienstverlening aan de slachtoffers van mensenhandel naar een hoger plan te tillen en de vraag aan te pakken door het afnemen van diensten die de slachtoffers van mensenhandel aanbieden, waaronder seksuele diensten, strafbaar te stellen;

18.  benadrukt hoe belangrijk het recht op zelfbeschikking van vrouwen en in dit verband de eerbiediging van hun seksuele en reproductieve rechten is, waaronder de toegang tot vlugge abortuszorg, door te waarborgen dat noodanticonceptie laagdrempelig is en dat het recht van patiënten op een veilige, niet-gewelddadige en vrouwvriendelijke bevalling wordt geëerbiedigd; dringt er bij de Hongaarse regering op aan de toegang tot betaalbare anticonceptiemiddelen te waarborgen door de kosten van moderne anticonceptiemiddelen via de ziektekostenverzekering geheel of gedeeltelijk te vergoeden en de toegang tot noodanticonceptie te verbeteren door uitsluitend op doktersvoorschrift plaatsvindende verstrekking af te schaffen; verzoekt de Hongaarse regering de belemmeringen voor de toegang tot veilige abortusdiensten, zoals het feit dat medische abortus niet wordt aangeboden, subjectieve voorlichting en de verplichte wachtperiode weg te nemen;

19.  veroordeelt in dit verband de mishandeling en discriminatie van minderheden, en dan vooral Roma-vrouwen, bijv. bij de toegang tot gezondheidszorg, ten stelligste; verwijst naar de aan het licht gekomen gevallen van gedwongen sterilisatie, die een onaanvaardbare schending van de mensenrechten van de vrouwen in kwestie vormen; veroordeelt de buitengewoon schadelijke beperkingen voor migrantenvrouwen zonder papieren die zijn uitgesloten van medische zorg, afgezien van noodhulp;

20.  onderkent dat er in het kader van de nieuwe programma's die gericht zijn op meer onderwijs en meer banen voor Roma-vrouwen, opleidingen zullen worden verzorgd voor maatschappelijk werkers, verpleegsters en medewerkers in instellingen voor maatschappelijke dienstverlening, kinderwelzijn, kinderbescherming en onderwijs, en dat de staat, kerkelijke organisaties en stichtingen subsidies zullen ontvangen voor het aannemen van Roma-vrouwen; verzoekt de Hongaarse regering informatie en statistieken te verschaffen over de concrete impact van die programma's;

21.  is ingenomen met de oprichting van de presidentiële commissie Vrouwen in onderzoeksloopbanen binnen de Hongaarse Academie der Wetenschappen, waarmee wordt beoogd het aandeel vrouwen onder professoren en doctoren van de Hongaarse Academie der Wetenschappen te vergroten, alsook de belangstelling onder meisjes te wekken voor het onderwijs in natuurwetenschappen;

22.  veroordeelt de aanvallen op vrij onderwijs en onderzoek, vooral op het vlak van genderstudies, waarvan het doel is machtsverhoudingen, discriminatie en de verhoudingen tussen de geslachten in de samenleving te analyseren en oplossingen voor ongelijkheid aan te dragen, en die het doelwit zijn geworden van lastercampagnes; dringt erop aan het fundamentele democratische beginsel van onderwijsvrijheid volledig te herstellen en te beschermen;

23.  beklemtoont het belang van opvoeding en onderwijs zonder vooroordelen en stereotypes; verlangt dat hiermee bij de uitwerking van een nieuw nationaal curriculum rekening wordt gehouden om in de toekomst onderwijs te kunnen garanderen zonder stereotypering of een negatieve beeldvorming van meisjes en vrouwen, maar ook van jongens en mannen;

24.  maakt zich zorgen over het beleid van de afgelopen jaren en over de retoriek en symboliek van het zich steeds verder in de samenleving verankerende beeld waarmee vrouwen worden gereduceerd tot hun rol van moeder en alleen in die hoedanigheid worden gerespecteerd; geeft aan dat dit zowel vrouwen als mannen in hun ontplooiings- en beslissingsmogelijkheden beperkt, en resulteert in minder rechten voor vrouwen;

25.  beklemtoont dat vrouwenrechten en gelijke kansen gemeenschappelijke Europese fundamentele waarden zijn; betreurt het dat Hongarije zich meer en meer van die waarden afkeert en dat het land zich daarmee steeds verder isoleert;

26.  is van mening dat er, gezien de huidige situatie in Hongarije, een duidelijk risico bestaat op ernstige schendingen van de in artikel 2 VEU bedoelde waarden, en stelt dat het gerechtvaardigd is om de procedure van artikel 7, lid 1, VEU in te leiden.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

15.5.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

18

5

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Beatriz Becerra Basterrechea, Malin Björk, Vilija Blinkevičiūtė, Anna Maria Corazza Bildt, Iratxe García Pérez, Arne Gericke, Anna Hedh, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Florent Marcellesi, Angelika Mlinar, Krisztina Morvai, Maria Noichl, Marijana Petir, Pina Picierno, Elissavet Vozemberg-Vrionidi, Anna Záborská, Maria Gabriela Zoană

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Mylène Troszczynski, Julie Ward

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

José Blanco López, Benedek Jávor, Merja Kyllönen, Ulrike Müller, Julia Reda, Barbara Spinelli

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

18

+

ALDE

Beatriz Becerra Basterrechea, Angelika Mlinar, Ulrike Müller

GUE/NGL

Malin Björk, Merja Kyllönen, Barbara Spinelli

PPE

Anna Maria Corazza Bildt

S&D

José Blanco López, Vilija Blinkevičiūtė, Iratxe García Pérez, Anna Hedh, Maria Noichl, Pina Picierno, Julie Ward, Maria Gabriela Zoană

VERTS/ALE

Benedek Jávor, Florent Marcellesi, Julia Reda

5

-

ECR

Arne Gericke

ENF

Mylène Troszczynski

NI

Krisztina Morvai

PPE

Marijana Petir, Anna Záborská

3

0

PPE

Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Elissavet Vozemberg-Vrionidi

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

http://www.ohchr.org/EN/NewsEvents/Pages/DisplayNews.aspx?NewsID=20027&LangID=E

(2)

COM(2017)0253.


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

25.6.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

37

19

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Asim Ademov, Jan Philipp Albrecht, Gerard Batten, Malin Björk, Michał Boni, Daniel Dalton, Frank Engel, Kinga Gál, Ana Gomes, Brice Hortefeux, Sophia in ‘t Veld, Dietmar Köster, Cécile Kashetu Kyenge, Roberta Metsola, Claude Moraes, Judith Sargentini, Birgit Sippel, Sergei Stanishev, Marie-Christine Vergiat, Udo Voigt, Josef Weidenholzer, Kristina Winberg, Tomáš Zdechovský, Auke Zijlstra

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Carlos Coelho, Gérard Deprez, Maria Grapini, Lívia Járóka, Marek Jurek, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Jean Lambert, Jeroen Lenaers, Andrejs Mamikins, Angelika Mlinar, Christine Revault d’Allonnes Bonnefoy, Barbara Spinelli, Jaromír Štětina, Axel Voss

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

John Stuart Agnew, Goffredo Maria Bettini, Andrea Bocskor, Norbert Erdős, Beata Gosiewska, György Hölvényi, Agnes Jongerius, Barbara Kappel, Arndt Kohn, Ádám Kósa, Julia Pitera, Evelyn Regner, Dominique Riquet, Bart Staes, Lola Sánchez Caldentey, Mylène Troszczynski, Lieve Wierinck, Marco Zullo


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

37

+

ALDE

Gérard Deprez, Sophia in 't Veld, Angelika Mlinar, Dominique Riquet, Lieve Wierinck

EFDD

Marco Zullo

GUE/NGL

Malin Björk, Lola Sánchez Caldentey, Barbara Spinelli, Marie-Christine Vergiat

PPE

Michał Boni, Carlos Coelho, Frank Engel, Jeroen Lenaers, Roberta Metsola, Julia Pitera, Jaromír Štětina, Axel Voss

S&D

Goffredo Maria Bettini, Ana Gomes, Maria Grapini, Agnes Jongerius, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Arndt Kohn, Dietmar Köster, Cécile Kashetu Kyenge, Andrejs Mamikins, Claude Moraes, Evelyn Regner, Christine Revault d'Allonnes Bonnefoy, Birgit Sippel, Sergei Stanishev, Josef Weidenholzer

VERTS/ALE

Jan Philipp Albrecht, Jean Lambert, Judith Sargentini, Bart Staes

19

-

ECR

Daniel Dalton, Beata Gosiewska, Marek Jurek

EFDD

John Stuart Agnew, Gerard Batten, Kristina Winberg

ENF

Barbara Kappel, Mylène Troszczynski, Auke Zijlstra

NI

Udo Voigt

PPE

Asim Ademov, Andrea Bocskor, Norbert Erdős, Kinga Gál, György Hölvényi, Brice Hortefeux, Lívia Járóka, Ádám Kósa, Tomáš Zdechovský

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 29 augustus 2018Juridische mededeling