Procedure : 2017/2254(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0257/2018

Ingediende teksten :

A8-0257/2018

Debatten :

PV 12/09/2018 - 16
CRE 12/09/2018 - 16

Stemmingen :

PV 13/09/2018 - 10.12
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0354

VERSLAG     
PDF 552kWORD 99k
10.7.2018
PE 613.613v02-00 A8-0257/2018

over een Europees "één gezondheid"-actieplan tegen antimicrobiële resistentie (AMR)

(2017/2254(INI))

Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

Rapporteur: Karin Kadenbach

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie
 ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over een Europees "één gezondheid"-actieplan tegen antimicrobiële resistentie (AMR)

(2017/2254(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 168 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de richtsnoeren van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) van 2017 over het gebruik van medisch belangrijke antimicrobiële stoffen bij voedselproducerende dieren,

–  gezien het verslag van de Federatie van Europese Dierenartsen van 29 februari 2016 met antwoorden op de vragen van het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) over het gebruik van antimicrobiële stoffen bij voedselproducerende dieren(1),

–  gezien de conclusies van de Raad van 17 juni 2016 over de volgende stappen in het kader van de "één gezondheid"-benadering ter bestrijding van antimicrobiële resistentie ("One Health"),

–  gezien de conclusies van de Raad van 17 juni 2016 over het versterken van het evenwicht in de farmaceutische systemen in de EU en haar lidstaten,

–  gezien de conclusies van de Raad van 6 juni 2011 getiteld "Kinderimmunisatie: successen en problemen van de Europese kinderimmunisatie en de weg voorwaarts", die zijn goedgekeurd door de ministers van Volksgezondheid van de EU-lidstaten,

–  gezien de conclusies van de Raad van 6 december 2014 over vaccinaties als doeltreffend instrument voor de volksgezondheid,

–  gezien zijn resolutie van 19 mei 2015 over veiligere gezondheidszorg in Europa: verbetering van de patiëntveiligheid en bestrijding van antimicrobiële resistentie(2),

–  gezien zijn resolutie van 11 december 2012 over de microbiële uitdaging – het toenemende gevaar van antimicrobiële resistentie(3),

–  gezien Besluit nr. 1082/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 over ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid en houdende intrekking van Beschikking nr. 2119/98/EG(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 29 juni 2017 over een Europees "één gezondheid"-actieplan tegen antimicrobiële resistentie (AMR) (COM(2017)0339),

–  gezien zijn resolutie van 26 november 2015 over een nieuwe strategie voor het welzijn van dieren voor de periode 2016-2020(5),

–  gezien het wereldwijde vaccinatieplan (GVAP) van de WHO, dat in mei 2012 werd bekrachtigd door de 194 lidstaten van de Wereldgezondheidsvergadering,

–  gezien het Europees vaccinatieplan (EVAP) 2015-2020 van de WHO,

–  gezien het artikel van algemeen belang getiteld "The Role of the European Food Safety Authority (EFSA) in the Fight against Antimicrobial Resistance (AMR)", gepubliceerd in het tijdschrift Food Protection Trends in 2018,

–  gezien de routekaart van de Commissie voor een strategische benadering ten aanzien van farmaceutische producten in het milieu en het huidige ontwerp van strategische benadering(6),

–  gezien de politieke verklaring van de VN naar aanleiding van de bijeenkomst op hoog niveau van de Algemene Vergadering van 21 september 2016 over antimicrobiële resistentie,

–  gezien het rapport van de Wereldbank van maart 2017, getiteld "Drug-Resistant Infections: A Threat to Our Economic Future",

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (COM(2014)0558),

–  gezien het rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) van september 2015, getiteld "Antimicrobial Resistance in G7 Countries and Beyond: Economic Issues, Policies and Options for Action",

–  gezien het gezamenlijk wetenschappelijk advies van EMA/EFSA over de maatregelen ter vermindering van de noodzaak om antimicrobiële stoffen te gebruiken bij voedselproducerende dieren in de Europese Unie en de gevolgen daarvan voor de voedselveiligheid ("Ronafa"-advies),

–  gezien de resolutie van de zeventigste Wereldgezondheidsvergadering van 29 mei 2017 over verbetering van de preventie, diagnose en klinische behandeling van sepsis,

–  gezien het eerste gezamenlijke verslag van het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC), de EFSA en het EMA (JIACRA I), gepubliceerd in 2015, en het tweede gezamenlijke verslag (JIACRA II), gepubliceerd in 2017, over de geïntegreerde analyse van de consumptie van antimicrobiële stoffen en het voorkomen van antimicrobiële resistentie bij mensen en voedselproducerende dieren,

–  gezien zijn resolutie van 2 maart 2017 over EU-opties voor een betere toegang tot geneesmiddelen(7),

–  gezien het rapport van het ECDC uit 2016 over het toezicht op antimicrobiële resistentie in Europa,

–  gezien het samenvattend verslag van de Europese Unie over antimicrobiële resistentie bij zoönotische en indicatorbacteriën van mensen, dieren en levensmiddelen in 2016, opgesteld door het ECDC en de EFSA(8),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0257/2018),

A.  overwegende dat antimicrobiële resistentie (AMR) door het bovenmatige en onjuiste gebruik van antibiotica, in het bijzonder in de veeteelt (waar antibiotica worden gebruikt voor profylactische doeleinden en als groeibevorderaars), en slechte praktijken op het gebied van infectiebestrijding in zowel de menselijke als de diergeneeskunde geleidelijk aan een enorme bedreiging voor de gezondheid van mensen en dieren is gaan vormen;

B.  overwegende dat naar schatting 20 % of meer van de zorginfecties kan worden voorkomen door langdurige en veelzijdige programma's voor infectiepreventie en -bestrijding(9);

C.  overwegende dat verstandig gebruik van antibiotica en infectiepreventie en -bestrijding in alle sectoren van de gezondheidszorg, met inbegrip van diergezondheid, cruciaal zijn om de ontwikkeling en de overdracht van antibioticaresistente bacteriën doeltreffend te voorkomen;

D.  overwegende dat aan mensen voorgeschreven antibiotica in de helft van de gevallen niet doeltreffend zijn en dat een kwart van de antibiotica niet correct wordt toegediend aan mensen; overwegende dat drie op de tien patiënten die in een ziekenhuis worden opgenomen antibiotica toegediend krijgen, en dat vooral multiresistente bacteriën een groot risico vormen in ziekenhuizen en verpleeghuizen, en voor patiënten die hulpmiddelen als ventilatoren en bloedkatheters nodig hebben;

E.  overwegende dat antibiotica in de veeteelt nog steeds veeleer als ziektepreventie en compensatie voor slechte hygiëne worden gebruikt dan te worden voorgeschreven in noodgevallen, wat bijdraagt tot de opkomst van op de mens overdraagbare bacteriën met antimicrobiële resistentie bij dieren;

F.  overwegende dat ook de agentschappen van de EU bevestigen dat er een verband bestaat tussen antibioticaresistentie bij voedselproducerende dieren (bijv. vleeskippen) en het feit dat een groot deel van de bacteriële infecties bij de mens het gevolg zijn van de behandeling, de bereiding en de consumptie van het vlees van deze dieren(10);

G.  overwegende dat het misbruik van antibiotica de werkzaamheid ervan vermindert en leidt tot de verspreiding van microben die uiterst resistent zijn, met name tegen laatstelijnsantibiotica; overwegende dat volgens gegevens van de OESO naar schatting wereldwijd jaarlijks 700 000 sterfgevallen te wijten kunnen zijn aan AMR; overwegende dat 25 000 van deze sterfgevallen plaatsvinden in de EU en de overige buiten de EU, wat betekent dat samenwerking op het vlak van ontwikkelingsbeleid en coördinatie van en toezicht op AMR op internationaal niveau van essentieel belang zijn;

H.  overwegende dat AMR in 2050 tot wel 10 miljoen sterfgevallen per jaar kan leiden als er niets wordt ondernomen; overwegende dat naar schatting 9 miljoen van deze sterfgevallen buiten de EU zullen plaatsvinden, in ontwikkelingslanden, vooral in Azië en Afrika; overwegende dat infecties en resistente bacteriën zich gemakkelijk verspreiden, en er dus dringend behoefte is aan actie op mondiaal niveau;

I.  overwegende dat vaccinaties en snelle diagnostische hulpmiddelen (RDT’s) de potentie hebben om antibioticamisbruik te beperken; overwegende dat RDT’s gezondheidswerkers in staat stellen snel een bacteriële of virale infectie als diagnose te stellen en zodoende het misbruik van antibiotica en het risico op de ontwikkeling van resistentie te beperken(11);

J.  overwegende dat het vanwege de aanhoudende verspreiding van uiterst resistente bacteriën in de toekomst onmogelijk kan blijken om goede gezondheidszorg te bieden bij invasieve operaties of gevestigde behandelingsmethoden voor bepaalde groepen patiënten die radiotherapie, chemotherapie of transplantaties nodig hebben;

K.  overwegende dat bacteriën zich voortdurend ontwikkelen, het klimaat voor onderzoek en ontwikkeling (O&O) en de regelgevingskaders complex zijn, bepaalde specifieke infecties zeldzaam zijn, en het verwachte rendement van nieuwe antimicrobiële stoffen nog altijd gering is;

L.  overwegende dat zorginfecties te wijten zijn aan het gebrek aan preventieve maatregelen, met antibioticaresistente bacteriën en slechte hygiënische praktijken tot gevolg, in het bijzonder in ziekenhuizen; overwegende dat volgens schattingen van het ECDC jaarlijks ongeveer vier miljoen patiënten in de EU een zorginfectie oplopen en dat zo'n 37 000 sterfgevallen per jaar een rechtstreeks gevolg zijn van deze infecties; overwegende dat het aantal sterfgevallen zelfs nog wel hoger kan liggen; overwegende dat de eerdere overlijdensstatistiek van 25 000 sterfgevallen per jaar in de Unie een ernstige onderschatting bleek te zijn;

M.  overwegende dat het gebrek aan toegang tot doeltreffende antibiotica in ontwikkelingslanden nog steeds tot meer sterfgevallen leidt dan AMR; overwegende dat maatregelen om AMR aan te pakken waarin de nadruk te zeer ligt op de beperking van de toegang tot antibiotica, de nu al ernstige crisis vanwege de gebrekkige toegang tot geneesmiddelen, die momenteel leidt tot meer dan een miljoen sterfgevallen bij kinderen jonger dan vijf jaar, nog kunnen verergeren; overwegende dat maatregelen tegen AMR erop gericht moeten zijn dat iedereen constant toegang heeft tot geneesmiddelen, maar niet meer dan de benodigde hoeveelheid;

N.  overwegende dat verschillende lidstaten te kampen hebben met een snelle toename van multiresistente schimmels die tot veel langere ziekenhuisopnames en hogere sterftecijfers leiden voor de besmette patiënten; overwegende dat het American Center for Disease Control and Prevention het bewustzijn hieromtrent heeft vergroot; overwegende dat dit specifieke probleem opvallend genoeg niet in het Europese "één gezondheid"-actieplan tegen AMR voorkomt;

O.  overwegende dat is gebleken dat actieve screeningprogramma's met RDT’s aanzienlijk bijdragen tot de beheersing van zorginfecties en tot de beperking van de verspreiding daarvan in ziekenhuizen en onder patiënten(12);

P.  overwegende dat is aangetoond dat vanwege het gebruik van antibioticaverbindingen in niet-klinische consumentenproducten het risico op de ontwikkeling van geneesmiddelenresistente bacteriestammen toeneemt(13);

Q.  overwegende dat een goede handhygiëne, d.w.z. het grondig wassen en drogen van de handen, kan bijdragen aan de preventie van AMR en van de overdracht van infectieziekten;

R.  overwegende dat het gebruik van medische hulpmiddelen postoperatieve wondinfecties kan voorkomen en zodoende ook de ontwikkeling van AMR kan voorkomen en beheersen(14);

S.  overwegende dat er voorbeelden bestaan van succesvolle programma's waarmee de wereldwijde toegang tot geneesmiddelen voor hiv, tuberculose (tbc) en malaria is verbeterd;

T.  overwegende dat ziekenhuisinfecties wereldwijd een van de voornaamste bedreigingen vormen voor het handhaven en waarborgen van basisgezondheidszorg;

U.  overwegende dat, indien de huidige trend zich doorzet, AMR in 2050 een belangrijkere doodsoorzaak zou kunnen zijn dan kanker(15);

V.  overwegende dat het ECDC en de EFSA hebben herhaald dat AMR een van de grootste bedreigingen voor de volksgezondheid vormt(16);

W.  overwegende dat geneesmiddelenresistente tbc de voornaamste oorzaak is van overlijden door AMR;

X.  overwegende dat de Wereldbank er in zijn rapport van maart 2017 voor waarschuwde dat resistente infecties in 2050 wereldwijde economische schade kunnen veroorzaken op een niveau dat vergelijkbaar is met de financiële crisis van 2008;

Y.  overwegende dat AMR moet worden gezien en onderkend als een bedreiging voor de gezondheid van mensen, dieren en van de planeet, en als rechtstreekse bedreiging voor de verwezenlijking van verschillende doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG’s) die zijn vastgelegd in de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, met inbegrip van, maar niet alleen SDG1, SDG2, SDG3 en SDG6;

Z.  overwegende dat de doelstellingen van de "één gezondheid"-benadering moeten garanderen dat de behandelingen van menselijke en dierlijke infecties doeltreffend blijven, het hoofd bieden aan de opkomst en verspreiding van AMR en de ontwikkeling en beschikbaarheid van nieuwe doeltreffende antimicrobiële stoffen in de Unie en de rest van de wereld versterken;

AA.  overwegende dat de Commissie en de lidstaten in de conclusies van de Raad over de volgende stappen in het kader van de "één gezondheid"-benadering ter bestrijding van antimicrobiële resistentie ("One Health")(17) verzocht wordt de strategische onderzoeksagenda's van bestaande O&O-initiatieven van de EU in verband met nieuwe antibiotica, alternatieven en diagnostiek in het kader van een "één gezondheid"-netwerk inzake AMR op één lijn te brengen;

AB.  overwegende dat in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie het fundamentele recht van iedere burger op gezondheidszorg en op medische verzorging wordt erkend; overwegende dat het recht op gezondheid een economisch, sociaal en cultureel recht op een universele minimumstandaard van gezondheidszorg is waarop alle natuurlijke personen recht hebben;

AC.  overwegende dat een centrale pijler van alle EU-strategieën tegen AMR erin moet bestaan dat de permanente opleiding van mensen die werkzaam in de gezondheidszorg wordt gewaarborgd met betrekking tot de laatste ontwikkelingen op het gebied van onderzoek en optimale werkmethoden in verband met de preventie en verspreiding van AMR;

AD.  overwegende dat sepsis – een syndroom als reactie op infectieziekten – volgens de Wereldgezondheidsvergadering wereldwijd leidt tot ongeveer zes miljoen sterfgevallen per jaar, waarvan de meeste voorkomen kunnen worden;

AE.  overwegende dat het ECDC, de EFSA en het EMA momenteel met een gezamenlijk mandaat werken aan resultaatindicatoren voor AMR en de toediening van antimicrobiële stoffen bij voedselproducerende dieren en bij mensen;

AF.  overwegende dat de natuur voor ons een weldadige bron is van krachtige antibiotica die veel vaker kunnen worden benut dan nu het geval is;

AG.  overwegende dat uit de meest recente gegevens van het EMA blijkt dat niet in alle EU-landen in dezelfde mate actie is ondernomen om het diergeneeskundig gebruik van antimicrobiële stoffen te beperken(18); overwegende dat in sommige lidstaten het diergeneeskundig gebruik van antimicrobiële stoffen in korte tijd aanzienlijk is beperkt dankzij ambitieus nationaal beleid, zoals blijkt uit een reeks onderzoeksmissies van het directoraat Audits en analyse inzake gezondheid en voedsel van de Commissie(19);

AH.  overwegende dat AMR een grensoverschrijdende bedreiging van de gezondheid vormt, maar dat de situatie per lidstaat sterk verschilt; overwegende dat de Commissie daarom gebieden met een hoge Europese meerwaarde in kaart moet brengen en daar moet handelen, met inachtneming van de bevoegdheden van de lidstaten, die verantwoordelijk zijn voor het bepalen van hun eigen gezondheidsbeleid;

AI.  overwegende dat doeltreffend optreden tegen AMR moet worden ingepast in een breder internationaal initiatief waaraan zo veel mogelijk internationale instellingen, agentschappen en deskundigen deelnemen, evenals de particuliere sector;

AJ.  overwegende dat onder meer het ongepaste gebruik en misbruik van antimicrobiële stoffen, de zwakte van de systemen die de kwaliteit van geneesmiddelen moeten waarborgen, het gebruik van antimicrobiële stoffen bij vee om de groei te bevorderen of ziekten te voorkomen, tekortkomingen bij de preventie en bestrijding van infecties en zwaktes van de systemen voor toezicht de hoofdoorzaken van AMR zijn;

AK.  overwegende dat patiënten toegang moeten hebben tot gezondheidszorg en behandelingsopties, met inbegrip van aanvullende en alternatieve therapieën en geneesmiddelen, aan de hand van hun eigen keuzes en voorkeuren;

AL.  overwegende dat de kosten van de wereldwijde aanpak van AMR op tot wel 40 miljard USD worden geschat over een periode van tien jaar;

AM.  overwegende dat de problemen in verband met AMR de komende jaren zullen toenemen en dat doeltreffende actie afhankelijk is van doorlopende, sectoroverschrijdende overheids- en particuliere investeringen in onderzoek en innovatie, zodat betere instrumenten, producten en hulpmiddelen, nieuwe behandelingen en alternatieve benaderingen kunnen worden ontwikkeld vanuit een "één gezondheid"-benadering;

AN.  overwegende dat ruim één miljard EUR is geïnvesteerd in onderzoek op het gebied van AMR uit hoofde van het vijfde tot en met het zevende kaderprogramma (KP5-KP7) en dat tot dusver reeds een cumulatief budget van meer dan 650 miljoen EUR beschikbaar is gesteld in het kader van Horizon 2020; overwegende dat de Commissie toegezegd heeft meer dan 200 miljoen EUR in AMR te investeren gedurende de laatste drie jaar van Horizon 2020;

AO.  overwegende dat verschillende financieringsinstrumenten in het kader van Horizon 2020 onderzoeksresultaten op het gebied van AMR zullen opleveren, met name:

–  het initiatief innovatieve geneesmiddelen (IMI), waarin de nadruk ligt op alle aspecten van antibioticaontwikkeling, waaronder onderzoek naar AMR-mechanismen, ontdekking en ontwikkeling van geneesmiddelen, en economie en beheer, met zeven projecten die onder het overkoepelende programma ND4BB lopen, met een totaal budget van meer dan 600 miljoen EUR aan financiering van de Commissie en bijdragen in natura van ondernemingen;

–  het partnerschap voor klinische proeven tussen Europese en ontwikkelingslanden (EDCTP), waarin de nadruk ligt op de ontwikkeling van nieuwe en verbeterde geneesmiddelen, vaccins, microbiciden en diagnosetechnieken ter bestrijding van hiv/aids, tbc en malaria, met 32 projecten ter waarde van ruim 79 miljoen EUR;

–  het gezamenlijk programmeringsinitiatief inzake AMR (JPIAMR), waarin de nadruk ligt op het consolideren van nationale onderzoeksactiviteiten die anders versnipperd zouden zijn, met lopende projecten ter waarde van 55 miljoen EUR;

–  de Europese Onderzoeksraad (ERC), met door onderzoekers of van onderaf aangestuurde onderzoeksprojecten;

–  de financieringsfaciliteit besmettelijke ziekten (IDFF) in het kader van InnovFin, voor marktgerichte projecten, met zeven tot dusver verstrekte leningen voor in totaal 125 miljoen EUR;

–  het kmo-instrument en het Sneltraject voor innovatie (FTI), waarmee kmo's worden ondersteund bij de ontwikkeling van nieuwe oplossingen en instrumenten om besmettelijke ziekten te voorkomen, te diagnosticeren en te behandelen en de infectiebestrijding te verbeteren, met 36 projecten in verband met AMR en een begroting van 33 miljoen EUR;

AP.  overwegende dat er tot de jaren zestig meer dan twintig nieuwe categorieën antibiotica werden ontwikkeld, maar er sindsdien slechts één nieuwe antibioticacategorie is ontwikkeld, ondanks de verspreiding en de toename van nieuwe resistente bacteriën; overwegende dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat de bestaande groepen antibiotica resistent zijn tegen nieuwe agentia;

AQ.  overwegende dat nieuwe antimicrobiële stoffen positieve neveneffecten hebben op de volksgezondheid en de wetenschap;

AR.  overwegende dat het gebruik van antibiotica voor zoötechnische doeleinden, bijvoorbeeld als groeibevorderaar, geldt als misbruik van deze gezondheidsproducten en wordt verworpen door alle internationale gezondheidsorganisaties die aanbevelen dit gebruik te verbieden met het oog op de strijd tegen AMR; overwegende dat de toediening van antibiotica als groeibevorderaars aan voedselproducerende dieren sinds 2006 verboden is in de EU;

AS.  overwegende dat talrijke ziekten die door microben worden veroorzaakt, doeltreffend kunnen worden bestreden: niet met antibiotica, die tot resistentie leiden, maar met een vroegtijdige diagnose in combinatie met nieuwe en bestaande geneesmiddelen en andere in de EU toegestane behandelingsmethoden en -praktijken, waardoor het leven van miljoenen mensen en dieren in de EU kan worden gered;

AT.  overwegende dat de ontwikkeling van nieuwe antimicrobiële stoffen steeds meer achterblijft bij de toenemende AMR; overwegende dat geneesmiddelenresistente ziekten in 2050 wereldwijd wel tot tien miljoen sterfgevallen per jaar kunnen leiden; overwegende dat naar schatting jaarlijks ten minste 25 000 mensen in de EU sterven aan door resistente bacteriën veroorzaakte infecties, met een jaarlijks kostenplaatje van 1,5 miljard EUR, terwijl er de afgelopen veertig jaar slechts één nieuwe antibioticacategorie is ontwikkeld;

AU.  overwegende dat het gebruik van bepaalde antibiotica in de diergeneeskunde moet worden verboden teneinde uitsluitend voor menselijk gebruik voorbehouden antibiotica doeltreffend te houden en de risico's op AMR tegen deze cruciale antibiotica tot een minimum te beperken; overwegende dat de Commissie moet specificeren welke antibiotica of groepen antibiotica moeten worden voorbehouden voor de behandeling van bepaalde infecties bij de mens;

AV.  overwegende dat de politieke verklaring waarachter staatshoofden zich schaarden tijdens de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van september 2016 in New York en het Mondiaal actieplan van mei 2015 blijk geven van de mondiale toezegging om de achterliggende oorzaken van antimicrobiële resistentie middels een brede, gecoördineerde en sectoroverschrijdende benadering te zullen aanpakken;

AW.  overwegende dat het vaak geciteerde getal van 25 000 sterfgevallen in de EU per jaar als gevolg van AMR en de bijbehorende kosten van ruim 1,5 miljard EUR uit 2007 stamt en dat voortdurend bijgewerkte informatie over de werkelijke last van AMR vereist is; benadrukt dat de omvang van het probleem bewijst dat er duidelijk behoefte is aan een Europees "één gezondheid"-actieplan tegen AMR;

De EU als regio met optimale werkmethoden

1.  is van oordeel dat een centrale rol moet worden toebedeeld aan het "één gezondheid"-beginsel om voldoende stappen te zetten om AMR aan te pakken, vanuit de gedachte dat de gezondheid van mensen en dieren en het milieu met elkaar verbonden zijn, en dat ziekten worden overgedragen van mensen op dieren en omgekeerd; benadrukt dan ook dat ziekten moeten worden aangepakt bij zowel mensen als dieren, en dat er tegelijk ook speciale aandacht moet worden besteed aan de voedselketen en het milieu, die ook een bron van resistente micro-organismen kunnen zijn; onderstreept de belangrijke rol van de Commissie bij de coördinatie en de monitoring van de nationale actieplannen die door de lidstaten worden uitgevoerd en het belang van horizontale samenwerking tussen instanties;

2.  benadrukt dat er een tijdskader voor het Europese "één gezondheid"-actieplan moet worden vastgesteld; verzoekt de Commissie en de lidstaten meetbare en bindende AMR-doelstellingen met ambitieuze streefdoelen in het Europese "één gezondheid"-actieplan en in de nationale actieplannen op te nemen met het oog op benchmarking;

3.  benadrukt dat het correcte en verstandige gebruik van antimicrobiële stoffen van essentieel belang is om de opkomst van AMR in de menselijke gezondheidszorg, de veeteelt en de aquacultuur te beperken; benadrukt dat er aanzienlijke verschillen bestaan in de manier waarop de lidstaten met AMR omgaan en het probleem aanpakken, waardoor de coördinatie van de nationale plannen waarin specifieke doelstellingen zijn aangegeven cruciaal wordt; benadrukt dat de Commissie een sleutelrol speelt bij de coördinatie en de monitoring van de nationale strategieën; benadrukt dat het concept "één-gezondheid" in verschillende sectoren (met name in het volgende EU-kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, KP9) en in verschillende media moet worden ingevoerd, wat met het actieplan van de Commissie onvoldoende is gelukt; hamert erop dat het gebruik van antibiotica voor preventieve doeleinden in de diergeneeskunde strikt moet worden gereguleerd in overeenstemming met de bepalingen van de op stapel staande verordening betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik;

4.  beveelt aan dat bij het pas opgerichte "één gezondheid"-netwerk en bij de gezamenlijke EU-actie tegen antimicrobiële resistentie en zorginfecties (EU-JAMRAI) behalve de lidstaten ook andere belangrijke belanghebbenden worden betrokken;

5.  verzoekt de Commissie zowel tussentijds als achteraf een evaluatie van het "één gezondheid"-actieplan te verrichten en te publiceren, en alle relevante belanghebbenden bij de evaluatieprocedure te betrekken;

6.  benadrukt dat gezamenlijk EU-optreden voor de aanpak van de toenemende bedreiging van de gezondheid van mens en dier en van het milieu door antibioticaresistente bacteriën alleen kans van slagen heeft als deze aanpak gebaseerd is op gegevens die op gestandaardiseerde wijze zijn verzameld; verzoekt de Commissie dan ook geschikte procedures en indicatoren te ontwikkelen en voor te stellen om de voortgang van de strijd tegen AMR te meten en te vergelijken en erop toe te zien dat er gestandaardiseerde gegevens worden aangeleverd en geëvalueerd;

7.  merkt op dat de onlangs vastgestelde EU-indicatoren die de lidstaten helpen met de monitoring van hun voortgang in de strijd tegen AMR slechts het antibioticaverbruik weergeven, maar niet of er sprake is van passend gebruik; verzoekt het ECDC de EU-indicatoren dienovereenkomstig te wijzigen;

8.  verzoekt de Commissie gegevens te verzamelen over de door de fabrikanten geproduceerde hoeveelheid antibiotica en hier verslag over uit te brengen;

9.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om het toezicht, de monitoring en de verslaglegging in verband met AMR-patronen en -ziekteverwekkers op elkaar af te stemmen en deze gegevens in te voeren in het systeem voor wereldwijd toezicht op antimicrobiële resistentie (GLASS); onderstreept daarnaast dat het uitermate belangrijk is systematisch alle relevante en vergelijkbare gegevens over de verkochte hoeveelheden te verzamelen; verzoekt de Commissie in overleg met het EMA, de EFSA en het ECDC een prioriteitenlijst van ziekteverwekkers voor zowel mensen als dieren op te stellen, daarbij rekening houdend met de prioriteitenlijst van ziekteverwekkers van de WHO, en duidelijke prioriteiten voor O&O in de toekomst vast te stellen; verzoekt de Commissie daarnaast de lidstaten aan te sporen tot en te ondersteunen bij de uitvoering en de monitoring van nationale streefdoelen voor het toezicht op en de beperking van AMR/zorginfecties;

10.  verzoekt de Commissie gestandaardiseerde enquêtes te ontwikkelen om gegevens te verzamelen over zorginfecties en de risico's voor grote aantallen mensen en dieren tijdens epidemieën en pandemieën te onderzoeken;

11.  benadrukt dat een betere uitwisseling van lokale, regionale en nationale informatie en gegevens over kwesties die zich voordoen op het gebied van de gezondheid van mens en dier, en het gebruik van systemen voor vroegtijdige waarschuwing de lidstaten kunnen helpen om passende inperkingsmaatregelen te nemen en zo de verspreiding van resistente organismen te beperken;

12.  pleit voor een grotere rol en meer personeel en financiële middelen voor alle relevante agentschappen van de EU in de strijd tegen AMR en zorginfecties; is van mening dat hechte samenwerking tussen EU-agentschappen en door de EU gefinancierde projecten van het allergrootste belang is;

13.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan regelmatig accurate rapportages in te dienen over het aantal bevestigde gevallen van AMR bij mensen, alsook van correcte en geactualiseerde AMR-overlijdensstatistieken;

14.  benadrukt dat de monitoring van de veehouderij ten gunste van de landbouw en de levensmiddelenindustrie, infectiepreventie, gezondheidsvoorlichting, bioveiligheidsmaatregelen, actieve screeningprogramma's en bestrijdingspraktijken van kritiek belang zijn voor het bestrijden van alle besmettelijke micro-organismen, aangezien deze de behoefte aan antimicrobiële stoffen verlagen en micro-organismen vervolgens minder kans krijgen om resistentie te ontwikkelen en te verspreiden; benadrukt dat het verplicht moet zijn alle gevallen van patiënten die besmet blijken te zijn met, of drager blijken te zijn van uiterst resistente bacteriën, aan de volksgezondheidsautoriteiten te melden; benadrukt de behoefte aan richtsnoeren over het isoleren van dragers in ziekenhuizen, en onderstreept dat er een multidisciplinaire professionele taskforce moet worden opgericht die rechtstreeks verslag uitbrengt aan de nationale ministeries van Volksgezondheid;

15.  benadrukt dat er behoefte is aan een EU-systeem voor de verzameling van gegevens over het correcte gebruik van alle antibiotica; pleit voor Europese protocollen om antibiotica voor te schrijven en toe te dienen waarin wordt gewezen op de verantwoordelijkheid in dezen van onder meer dierenartsen en eerstelijnsartsen; pleit verder voor het verplicht verzamelen op nationaal niveau van gegevens over alle gevallen waarin antibiotica worden voorgeschreven, en op de invoering daarvan in een door infectiedeskundigen gecontroleerde en gecoördineerde gegevensbank, om kennis te verspreiden over hoe antibiotica het best kunnen worden gebruikt;

16.  betreurt het in dit kader dat de Commissie niet eerder een strategische aanpak voor waterverontreiniging door farmaceutische stoffen heeft voorgesteld, zoals vereist is door de kaderrichtlijn water(20); roept derhalve de Commissie en lidstaten met klem op vaart te zetten achter de opstelling van een EU-strategie voor de aanpak van medicijnresten in water en het milieu, met voldoende aandacht voor monitoring, gegevensverzameling en een betere analyse van de gevolgen van AMR voor waterbronnen en het aquatisch ecosysteem; wijst op het nut van een integrale ketenaanpak van medicijnresten en AMR in het milieu(21);

17.  benadrukt dat de vervuiling van water en bodem door antibioticaresiduen afkomstig van de menselijke of diergeneeskunde een toenemend probleem vormt en dat het milieu nu zelf een mogelijke bron van nieuwe resistente micro-organismen is; roept de Commissie dan ook op om in het kader van het "één gezondheid"-actieplan veel meer aandacht te besteden aan het milieuaspect;

18.  wijst erop dat het vaak geciteerde getal van 25 000 sterfgevallen in de EU per jaar als gevolg van AMR en de bijbehorende kosten van ruim 1,5 miljard EUR uit 2007 stamt en dat voortdurend bijgewerkte informatie over de werkelijke last van AMR vereist is;

19.  herinnert eraan dat gezondheid een belangrijk onderdeel van de productiviteit en het concurrentievermogen vormt, en een van de onderwerpen waar burgers het meest bezorgd over zijn;

20.  verzoekt de Commissie aanvullende financiering toe te kennen aan Eucast, dat zich bezighoudt met de technische aspecten van fenotypische in-vitrotests op antimicrobiële gevoeligheid en dat fungeert als het comité voor breekpunten van het EMA en het ECDC;

21.  verzoekt de Commissie specifieke aanvullende financiering toe te wijzen voor onderzoek naar niet-therapeutische alternatieven voor diervoer in de veeteelt in het meerjarig financieel kader (MFK) voor 2021-2027;

22.  steunt als eerste aanzet het antwoord van de Raad op het ontwerp van de Codex Alimentarius om antimicrobiële resistentie tot een minimum te beperken en onder controle te houden en de beginselen 18 en 19 daarvan over de verantwoorde en verstandige toediening van antimicrobiële stoffen;

23.  vindt dat de nadruk moet komen te liggen op de naleving van richtsnoeren voor infectiebestrijding, waarin streefcijfers voor beperking van het besmettingspercentage worden opgenomen en goede werkmethoden om bij te dragen tot een grotere patiëntveiligheid in ziekenhuizen worden ondersteund;

24.  verzoekt de Commissie, het ECDC en de lidstaten het gebruik van handdoeken voor eenmalig gebruik op hygiënegevoelige locaties zoals instellingen voor gezondheidszorg, faciliteiten voor voedselverwerking en kinderdagverblijven te bevorderen;

25.  herinnert eraan dat voeding een van de manieren is om resistente bacteriën over te dragen van dieren op mensen, en dat resistente bacteriën bovendien kunnen circuleren in groepen mensen en dieren via water en het milieu; neemt kennis van de risico's op infecties met resistente organismen via besmette gewassen die zijn behandeld met antimicrobiële stoffen, of via mest of weggesijpelde stoffen in het grondwater op boerderijen; wijst er in dit verband op dat de verspreiding van dergelijke bacteriën wordt beïnvloed door handel, reizen en migratie van mensen en dieren;

26.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om in het kader van de volksgezondheid boodschappen te verspreiden om het bewustzijn onder de bevolking te vergroten en op die manier een verandering in het gedrag te bewerkstelligen met betrekking tot het verantwoordelijke gebruik en beheer van antibiotica, met name het profylactische gebruik; benadrukt hoe belangrijk het is mensen wegwijs te maken in het gezondheidsjargon, aangezien het cruciaal is dat patiënten gezondheidsinformatie begrijpen en in staat zijn behandelingsinstructies nauwgezet op te volgen; benadrukt dat preventieve maatregelen, met inbegrip van goede hygiëne, moeten worden opgevoerd om de vraag naar antibiotica bij mensen te verlagen; benadrukt dat het bewustzijn van de gevaren van zelfmedicatie en te snel voorschrijven van antibiotica een kernelement van een preventieve strategie moet zijn;

27.  verzoekt de lidstaten om in het kader van de volksgezondheid boodschappen te verkondigen om het bewustzijn onder de bevolking te vergroten over het verband tussen infecties en persoonlijke hygiëne; benadrukt dat het om het gebruik van antimicrobiële stoffen doeltreffend te beperken eerst en vooral nodig is te verhinderen dat infecties zich verspreiden; moedigt in dit verband de bevordering van initiatieven voor zelfzorg aan;

28.  verzoekt de Commissie en de lidstaten strategieën te ontwikkelen waardoor patiënten instemmen met en zich houden aan antibiotica- of andere passende behandelingen zoals die door medisch personeel zijn voorgeschreven;

29.  dringt er bij de Commissie op aan in overeenstemming met de "één gezondheid"-aanpak richtsnoeren voor te stellen waarin optimale werkmethoden uiteengezet zijn voor de uitwerking van geharmoniseerde kwaliteitsnormen die ten uitvoer moeten worden gelegd in curricula in de hele EU om interdisciplinair onderwijs, infectiepreventie en opleidingsprogramma's voor mensen die werkzaam zijn in de gezondheidszorg te bevorderen, het juiste gedrag van gezondheidsmedewerkers en dierenartsen te waarborgen met betrekking tot het voorschrijven, doseren, toedienen en verwijderen van antimicrobiële stoffen en met AMR besmette stoffen(22), en om ervoor te zorgen dat er multidisciplinaire teams voor antibioticabeheer worden opgericht en ingezet in ziekenhuizen;

30.  benadrukt dat een derde van de antibiotica wordt voorgeschreven in de eerstelijnszorg zodat de gebruiksprotocollen prioritair op deze sector gericht moeten zijn; benadrukt dat specialisten op het gebied van besmettelijke ziekten nodig zijn om deze protocollen uit te werken, te controleren en op te volgen; verzoekt de Commissie richtsnoeren op te stellen over het gebruik van deze protocollen in de gezondheidszorg; verzoekt de lidstaten alle bestaande protocollen te herzien, in het bijzonder met betrekking tot profylactisch gebruik bij operaties; is ingenomen met op nationaal niveau lopende projecten zoals het Pirasoa-programma, als voorbeelden van goede werkmethoden voor rationeel gebruik in de eerstelijnszorg en in ziekenhuizen; steunt de ontwikkeling van mechanismen waarmee optimale werkmethoden en protocollen kunnen worden uitgewisseld;

31.  is zich ervan bewust dat zorgverleners vaak snel moeten beslissen of er sprake is van een therapeutische indicatie voor een behandeling met antibiotica; merkt op dat snelle diagnostische tests (RDT's) kunnen bijdragen aan het nemen van doeltreffende en precieze beslissingen;

32.  spoort de lidstaten aan de verspreiding van infecties door resistente bacteriën te voorkomen door actieve screeningprogramma's uit te voeren met behulp van snelle diagnostische technologieën om snel in kaart te brengen welke patiënten met multiresistente bacteriën besmet zijn en passende infectiebestrijdingsmaatregelen te treffen (zoals het isoleren van patiënten, behandeling van specifieke cohorten en verscherpte hygiënemaatregelen);

33.  is zich ervan bewust dat de kosten van RDT's hoger kunnen uitvallen dan de prijs van antibiotica; verzoekt de Commissie en de lidstaten stimulansen voor de industrie voor te stellen om doeltreffende, goedkope en efficiënte testmethodes te ontwikkelen en gebruik te maken van RTD's; benadrukt dat RTD's in slechts 40 % van de OESO-landen verkrijgbaar zijn in het gehele land; verzoekt zorgverzekeraars de extra kosten die het gebruik van RDT's met zich meebrengt te vergoeden, gezien de langetermijnvoordelen van het voorkomen van het onnodige gebruik van antibiotica;

34.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de verkoop van antibiotica door personen die werkzaam zijn in de menselijke of dierengezondheidszorg en deze antibiotica voorschrijven te beperken, en elke financiële of andere prikkel voor het voorschrijven van antibiotica weg te nemen, maar wel te blijven garanderen dat urgente diergeneesmiddelen snel genoeg beschikbaar zijn; benadrukt dat veel antimicrobiële stoffen voor zowel mensen als dieren worden gebruikt, dat sommige van deze antimicrobiële stoffen cruciaal zijn voor het voorkomen of behandelen van levensbedreigende infecties bij mensen, en dat het gebruik daarvan bij dieren dan ook moet worden verboden; benadrukt dat deze antimicrobiële stoffen voorbehouden moeten worden voor de behandeling van mensen om de doeltreffende werking bij de handeling van infecties bij mensen zo lang mogelijk te rekken; is van mening dat het de lidstaten moet worden toegestaan striktere maatregelen te nemen of te handhaven om de verkoop van antibiotica in te perken;

35.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ferme maatregelen te treffen tegen de illegale verkoop van antimicrobiële producten of de verkoop ervan zonder voorschrift van een arts of dierenarts in de EU;

36.  benadrukt de waarde van vaccinaties en diagnostische hulpmiddelen in de strijd tegen AMR en zorginfecties; pleit voor het opnemen van streefdoelen voor de levenslange vaccinatie en infectiebestrijding van de bevolking, vooral van risicogroepen, als belangrijk element van nationale actieplannen inzake AMR; benadrukt daarnaast het belang van toegankelijke informatie en bewustmaking van de bevolking om de vaccinatiegraad in de menselijke en dierengezondheidszorg te verhogen en zodoende ziekten en AMR kosteneffectief aan te pakken;

37.  benadrukt dat in het Europees "één gezondheid"-actieplan tegen AMR wordt vastgesteld dat immunisatie door vaccinatie een kosteneffectieve gezondheidsinterventie in de strijd tegen AMR is(23), dat de Commissie in het actieplan stimulansen aankondigt om het gebruik van diagnostiek, antimicrobiële alternatieven en vaccins te bevorderen(24), maar dat relatief hogere kosten van diagnostiek, antimicrobiële alternatieven en vaccinatie vergeleken bij gangbare antibiotica een belemmering vormen voor de verhoging van de vaccinatiegraad zoals in het actieplan wordt beoogd(25); benadrukt dat tal van lidstaten vaccinatie nu al als belangrijke beleidsmaatregel beschouwen, zowel om uitbraken van grensoverschrijdende dierziekten te voorkomen als verdere besmettingsrisico's voor de landbouwmarkt van de EU te beperken, en daarom een vaccinatieverplichting ingevoerd hebben;

38.  verzoekt de lidstaten hun inspanningen op te voeren om infecties die tot sepsis kunnen leiden te voorkomen en te bestrijden; verzoekt de lidstaten om in hun nationale actieplannen inzake AMR gerichte maatregelen op te nemen om de preventie, vroegtijdige detectie en diagnose en klinische beheersing van sepsis te verbeteren;

39.  verzoekt de Commissie te verkennen hoe het potentieel van de Europese referentienetwerken op het gebied van zeldzame ziekten het best kan worden benut, en de mogelijke rol van deze netwerken bij het onderzoek naar AMR te beoordelen;

40.  benadrukt dat de vervuiling van het milieu door residuen van voor mensen of dieren gebruikte antibiotica, met name in de veeteelt, in ziekenhuizen en huishoudens, een oprukkend probleem is dat samenhangende beleidsmaatregelen vereist om de verspreiding van AMR in ecosystemen en bij dieren en mensen te voorkomen; pleit ervoor nader onderzoek te verrichten naar de dynamiek van de overbrenging en de relatieve gevolgen van deze vervuiling voor AMR; ziet dan ook graag dat er synergieën tot stand worden gebracht tussen de "één gezondheid"-benadering en de bestaande monitoringgegevens over het milieu, met name in de vorm van het bijhouden van aandachtstoffenlijsten uit hoofde van de kaderrichtlijn water, om de kennis over de aanwezigheid en de verspreiding van antimicrobiële stoffen in het milieu te verbeteren;

41.  merkt op dat bacteriën die zijn blootgesteld aan herbiciden anders reageren op klinisch relevante antibiotica; wijst op de frequente veranderingen in antibioticaresistentie als gevolg van het gebruik van goedgekeurde herbiciden en antibiotica, en stelt vast dat de gevolgen van deze veranderingen aan het toezicht op de regelgeving ontsnappen;

42.  verzoekt de Commissie passende stappen te ondernemen om het vrijkomen van farmaceutische stoffen, waaronder antimicrobiële stoffen, in het milieu via afvalwater en installaties voor de behandeling van afvalwater aan te pakken als een belangrijke factor bij het ontstaan van AMR;

43.  pleit voor een evaluatie van de milieurisicobeoordelingen als onderdeel van de vergunningsprocedure voor het in de handel brengen van antimicrobiële stoffen en voor oudere producten die reeds op de markt zijn; pleit voor de strikte naleving van de goede productiepraktijken van de EU en groene aanbestedingsvoorschriften met betrekking tot de productie en de verspreiding van farmaceutische producten en het vrijkomen van antibiotica in het milieu;

44.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de snelle toename van multiresistente schimmels aan te pakken door het gebruik van fungiciden in de landbouw en industrie te evalueren;

45.  verzoekt de Commissie en de lidstaten geleidelijk een einde te maken aan het gebruik van antimicrobiële verbindingen of chemische stoffen in niet-klinisch verband, zoals alledaagse schoonmaakproducten en andere consumentenproducten;

46  onderstreept dat er dringend behoefte is aan gedegen onderzoek naar de gevolgen van de aanwezigheid van antimicrobiële stoffen in voedingsgewassen en diervoeders voor het ontstaan van AMR, en naar microbiële stoffen in de bodem;

47.  wijst er in dit kader op dat er een zorgvuldige beoordeling vooraf van de maatschappelijke kosten van een "end of pipe"-aanpak noodzakelijk is;

48.  verzoekt de Commissie en de lidstaten hun codes van goede landbouwpraktijken en de relevante beste beschikbare technieken in het kader van de richtlijn industriële emissies(26) te herzien en daar bepalingen in op te nemen voor de verwerking van mest die antibiotica/micro-organismen bevat die resistent zijn tegen antimicrobiële stoffen;

49.  roept de Commissie en lidstaten op de ontwikkeling van duurzame geneesmiddelen met een lage milieu- en waterimpact en verdere innovatie in de farmaceutische sector op dit gebied te stimuleren;

50.  benadrukt dat niet alle lidstaten over voldoende middelen beschikken om brede nationale strategieën inzake AMR te ontwikkelen en toe te passen; dringt er bij de Commissie op aan de lidstaten duidelijke informatie te verstrekken over de EU-middelen die beschikbaar zijn voor de aanpak van AMR en om voor dit doel specifiekere financiering beschikbaar te stellen;

51.  verzoekt de Commissie om de referentiedocumenten voor de beste beschikbare technieken (BREF) in het kader van de richtlijn industriële emissies die verband houden met de emissies van fabrieken die antibiotica produceren, te evalueren en te herzien;

52.  dringt er bij de Commissie op aan om de beschikbare wetgeving op alle gebieden die met AMR verband houden doeltreffend in te zetten zodat de bedreiging op alle beleidsterreinen wordt aangepakt;

53.  benadrukt het belang van een benadering op basis van een levenscyclusanalyse: van de productie en het voorschrijven van antibiotica tot het beheer van farmaceutisch afval; verzoekt de Commissie het probleem van de verwijdering van antibiotica aan te pakken, waarbij alternatieven voor verbranding moeten worden onderzocht, zoals vergassing;

54.  verzoekt de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat milieukwesties worden opgenomen in het geneesmiddelenbewakingssysteem voor geneesmiddelen voor menselijk gebruik en worden versterkt voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, met name met betrekking tot AMR;

55.  verzoekt de Commissie en de lidstaten kwaliteitsnormen (grenswaarden) of risicobeoordelingsvereisten vast te stellen om ervoor te zorgen dat mest, zuiveringsslib en irrigatiewater veilige concentraties bevatten van relevante antibiotica en micro-organismen die resistent zijn tegen antimicrobiële stoffen voordat deze kunnen worden verspreid over akkers;

56.  verzoekt de Commissie in samenwerking met de lidstaten een informatiecampagne in de hele EU te starten voor consumenten en bedrijven over aquacultuur in het algemeen en in het bijzonder over de verschillen tussen de strenge, alomvattende normen op de EU-markt en de normen die gelden voor uit derde landen ingevoerde producten, met bijzondere aandacht voor de problemen die de invoer naar de Unie van bijzonder resistente micro-organismen en AMR kunnen veroorzaken voor de voedselveiligheid en volksgezondheid;

57.  pleit voor de geleidelijke afschaffing van routinematige profylactische toediening van antimicrobiële stoffen en van de metafylactische toediening van antimicrobiële stoffen bij groepen dieren, en wil dat het gebruik van antibiotica als laatste redmiddel bij voedselproducerende dieren volledig wordt verboden; benadrukt dat goede veeteeltpraktijken, een goede hygiëne, boerderijbeheer en investeringen op deze terreinen bijdragen aan de preventie van infecties en zodoende tot een beperkter gebruik van antibiotica; dringt er bij de Commissie op aan een nieuwe EU-strategie voor dierenwelzijn voor te stellen, zoals bepleit door het Europees Parlement, om op lange termijn een wet inzake dierenwelzijn te ontwerpen; verzoekt de Commissie met klem om de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de nog openstaande punten van de EU-strategie voor de bescherming en het welzijn van dieren 2012-2015;

58.  onderstreept dat goed landbouwbeheer, goede bioveiligheid en goede veeteeltsystemen de basis vormen van de gezondheid en het welzijn van voedselproducerende dieren en dat deze elementen, wanneer ze correct worden toegepast, de vatbaarheid voor bacterieziekten en de noodzaak voor de toediening van antibiotica aan dieren tot een minimum beperken;

59.  is van mening dat toereikende financiering voor investeringen binnen landbouwbedrijven, zoals voor hoogwaardige huisvesting, ventilatie, schoonmaak, desinfectie, vaccinatie en bioveiligheid moeten worden gestimuleerd en niet mogen worden afgezwakt in het toekomstige gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB); beseft in dat opzicht hoe belangrijk het is dat leden van de landbouwgemeenschap zich bewust zijn van dierenwelzijn, dierengezondheid en voedselveiligheid; merkt op hoe belangrijk het is om optimale werkmethoden te bevorderen en te hanteren in alle stadia van de productie en de verwerking van levensmiddelen en hoe belangrijk veilig en uitgebalanceerd voer, specifieke voederstrategieën, de samenstelling van voer, voederbereidingen en voerverwerking zijn;

60.  roept de Commissie en lidstaten op om – ook in het kader van de herziening van het GLB – meer beleidssynergie en in overeenstemming met de constateringen in haar "één gezondheid"-actieplan tegen AMR doeltreffende financiële stimulansen en ondersteuning te voorzien voor dierhouders die een significante reductie van het antibioticagebruik en een hoge vaccinatiegraad van hun dieren resp. veestapel kunnen aantonen;

61.  benadrukt dat goede sanitaire voorzieningen en hygiëne in landbouwbedrijven van fundamenteel belang zijn; verzoekt de Commissie richtsnoeren op te stellen voor het gebruik van antibiotica bij dieren en voor de hygiënische omstandigheden in landbouwbedrijven; verzoekt de lidstaten specifieke plannen op te stellen en het toezicht op de sanitaire omstandigheden aan te scherpen;

62.  wijst op de preventieve maatregelen die moeten worden genomen voordat er wordt gekozen voor de antimicrobiële behandeling van hele groepen (metafylaxe) voedselproducerende dieren:

–  het gebruik van goede, gezonde fokdieren die op natuurlijke wijze groeien, met de juiste genetische verscheidenheid;

–  omstandigheden die zijn afgestemd op de ethologische behoeften van de diersoort, inclusief sociale interacties en hiërarchieën;

–  bezettingsdichtheden die het risico op ziekteoverdracht niet vergroten;

–  isoleren van zieke dieren van de rest van de groep;

–  (voor kippen en kleinere dieren) onderverdeling in kleinere, fysiek gescheiden groepen;

–  tenuitvoerlegging van bestaande regels inzake dierenwelzijn die al voldoen aan de randvoorwaarden die zijn vastgelegd in uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen (RME's) 11, 12, 13 van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1306/2013(27);

63.  is van mening dat voorschriften om op etiketten te verwijzen naar het gebruik van antibiotica kunnen leiden tot meer kennis bij de consumenten waardoor ze een beter onderbouwde keuze kunnen maken; verzoekt de Commissie een geharmoniseerd systeem voor etikettering te ontwikkelen op basis van dierenwelzijnsnormen en goede veeteeltpraktijken, zoals reeds voorzien in 2009(28);

64.  wijst tevens op recente wetenschappelijke bevindingen (februari 2018) die aantonen dat mensen slechts in beperkte mate Extended Spectrum Bèta-Lactamases (ESBL’s) krijgen via de veehouderij en het eten van vlees en dat de overdracht van ESBL's voornamelijk tussen mensen onderling geschiedt(29);

65.  wijst erop dat antibiotica in de intensieve veeteelt soms op oneigenlijke wijze en routinematig worden toegevoegd aan het voer voor (pluim)vee op boerderijen om een snellere groei te bevorderen, en dat ze ook op grote schaal voor profylactische doeleinden worden gebruikt om de verspreiding van ziekten te voorkomen die optreden als gevolg van ruimtegebrek, opsluiting en de stressvolle omstandigheden waarin de dieren worden gehouden en die hun immuunsysteem onderdrukken, alsmede om de onhygiënische omstandigheden waarin zij worden gefokt te compenseren;

66.  is van mening dat ons begrip over de overdracht van AMR van boerderijdieren naar mensen al vrij solide is en dat dit niet voldoende naar voren komt in het actieplan; merkt op dat in het actieplan uitsluitend wordt opgeroepen tot nader onderzoek en het dichten van kennisgaten op dit gebied, waardoor broodnodig optreden mogelijk wordt uitgesteld;

67.  verzoekt de Commissie en de lidstaten een onderscheid aan te brengen tussen vee en huisdieren, vooral bij de ontwikkeling van mechanismen om het gebruik van antimicrobiële stoffen in de diergeneeskunde te controleren en te beoordelen en bij het opstellen van maatregelen om het gebruik ervan aan te pakken;

68.  benadrukt dat er in de landbouw in samenwerking met dierenartsen een alomvattende methode voor de monitoring van antibiotica is ontwikkeld waarmee het gebruik van antibiotica uitgebreid in kaart wordt gebracht en de toediening ervan verder wordt verbeterd; betreurt het dat er tot nu toe voor de menselijke geneeskunde geen vergelijkbaar systeem bestaat;

69.  merkt op dat ook de agentschappen van de EU bevestigen dat er een verband bestaat tussen antibioticaresistentie bij voedselproducerende dieren (bijv. vleeskippen) en een groot deel van de bacteriële infecties bij de mens als gevolg van de behandeling, de bereiding en de consumptie van het vlees van deze dieren(30);

70.  benadrukt dat onderzoek uitwijst dat ingrepen waarmee de toediening van antibiotica aan voedselproducerende dieren aan banden wordt gelegd, in verband worden gebracht met een afname van de aanwezigheid van antibioticaresistente bacteriën bij deze dieren(31);

71.  roept de Commissie en de lidstaten vanwege dit recente onderzoek(32) op tot zorgvuldigheid en proportionaliteit bij het nemen van maatregelen, en tot een zorgvuldige beoordeling en classificering van antibiotica en antimicrobiële resistentie in alle relevante wetgeving, teneinde de beschikbaarheid van middelen ter bestrijding van bepaalde protozoa, zoals coccidia, in de Europese veeteelt niet onnodig te beperken en daardoor onbedoeld een verhoging van de risico's van besmetting van de mens met gevaarlijke bacteriën, zoals salmonella en microben uit voedsel te veroorzaken;

72.  betreurt het dat het Europese "één gezondheid"-actieplan tegen AMR geen toewijzing van middelen omvat, noch een ambitieuzer gebruik van wetgevingsinstrumenten; verzoekt de Commissie bij de ontwikkeling van actieplannen in de toekomst ambitieuzer te zijn en vastberadener inspanningen te leveren voor de volledige uitvoering van dergelijke plannen;

73.  betreurt het dat de in principe juiste strategische benadering van de Commissie te vaak beperkt blijft tot intentieverklaringen, en roept de Commissie op haar benadering nader te verklaren;

74.  verzoekt de Commissie de nationale strategieën te coördineren en te monitoren met het oog op de uitwisseling van optimale werkmethoden tussen de lidstaten;

75.  verzoekt de lidstaten ambitieuze nationale strategieën te ontwikkelen voor de strijd tegen AMR in de veeteeltsector, en daarin kwantitatieve reductiedoelstellingen voor het diergeneeskundig gebruik van antimicrobiële stoffen op te nemen waarbij rekening wordt gehouden met lokale omstandigheden; benadrukt dat alle sectoren die te maken hebben met een onderdeel van de voedselketen bij de tenuitvoerlegging van deze strategieën betrokken moeten worden;

76.  merkt op dat sommige lidstaten beschikken over wettelijk gedefinieerde, professioneel gekwalificeerde adviseurs inzake diergeneesmiddelen die door de bevoegde autoriteiten zijn gemachtigd om bepaalde geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik voor te schrijven; benadrukt dat het deze personen in de nationale actieplannen inzake AMR niet mag worden verboden om in voorkomend geval bepaalde geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik voor te schrijven en te verstrekken, gezien de essentiële rol die deze personen kunnen spelen in geïsoleerde plattelandsgemeenschappen;

77.  wijst op het belang van uitwisseling van optimale werkmethoden tussen de lidstaten en de coördinatie van deze uitwisseling door de Commissie; verwelkomt in dit kader de afname van het antibioticagebruik in de veeteelt in Nederland met 64,4 % in de periode 2009-2016 en de uitgesproken nationale ambitie om dit percentage tot 2020 nog verder terug te dringen; roept de Commissie en de lidstaten op dit voorbeeld van publiek-private samenwerking tussen de overheid, verschillende sectoren, wetenschappers en dierenartsen ook in andere delen van de Unie te volgen;

78.  dringt er bij de lidstaten op aan de invoering te overwegen van positieve fiscale stimulansen (belastingvrijstellingen voor landbouwers) en negatieve fiscale stimulansen (belastingen op de verkoop van antibiotica zoals de met succes ingevoerde belastingen in België en Denemarken) voor het gebruik voor niet-therapeutische doeleinden van antibiotica in de veeteelt;

Onderzoek, ontwikkeling en innovatie met betrekking tot AMR stimuleren

79.  wijst erop dat de EU met een investering van 1,3 miljard EUR in AMR-onderzoek leider is op dit gebied, en dat de lancering van het "New Drugs for Bad Bugs"-programma (ND4BB)(33) en het gezamenlijk programmeringsinitiatief inzake AMR (JPIAMR)(34) voorbeelden zijn van wat de EU op dit gebied heeft verwezenlijkt; beklemtoont de noodzaak van de efficiëntie en de coördinatie van onderzoeksacties; verwelkomt dan ook initiatieven zoals het ERA-NET voor het tot stand brengen van synergieën tussen het JPIAMR en Horizon 2020; benadrukt dat tot de jaren zestig meer dan twintig nieuwe antibioticacategorieën werden ontwikkeld, en stelt met bezorgdheid vast dat er de afgelopen jaren geen werkelijk nieuwe categorieën antimicrobiële stoffen zijn geïntroduceerd;

80.  dringt er bij de Commissie op aan dat zij nadenkt over een nieuw wetgevingskader om de ontwikkeling van nieuwe antimicrobiële stoffen voor mensen te stimuleren, waarom al op 10 maart 2016 werd verzocht door het Parlement in zijn amendementen op het voorstel voor een verordening betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik en in zijn resolutie van 19 mei 2015; merkt op dat de Commissie in het Europese "één gezondheid"-actieplan tegen AMR tevens toezegt "de regelgevende instrumenten en prikkels van de EU [te] analyseren – met name wetgeving rond weesgeneesmiddelen en geneesmiddelen voor kinderen – om deze te gebruiken voor vernieuwende antimicrobiële stoffen";

81.  stelt met tevredenheid vast dat de EFSA en het EMA onlangs een aantal alternatieven voor het gebruik van antimicrobiële stoffen bij voedselproducerende dieren hebben geëvalueerd en besproken, waarvan sommige tijdens experimentele studies veelbelovende resultaten hebben laten zien voor het verbeteren van de gezondheidsparameters van dieren; beveelt derhalve aan een nieuwe impuls te geven aan wetenschappelijk onderzoek naar alternatieven, en een EU-wetgevingskader te ontwerpen waardoor de ontwikkeling daarvan gestimuleerd wordt en het traject voor de goedkeuring ervan duidelijk wordt gemaakt;

82.  herinnert eraan dat de traditionele manier van het ontwikkelen van antibiotica, die stoelt op een aantal technieken voor het modificeren van uit de natuur verkregen antibiotica, uitgeput is en dat investeringen in O&O voor de ontwikkeling van een nieuwe generatie antibiotica nodig zijn om van het oude op het nieuwe model te kunnen overstappen; is ingenomen met de reeds ontwikkelde nieuwe technieken, zoals monoklonale antilichamen, die bacteriën niet doden maar de virulentie ervan reduceren, waardoor ze nutteloos worden;

83.  wijst erop dat wetenschap en onderzoek een essentiële rol spelen bij de ontwikkeling van normen in de strijd tegen AMR;

84.  is ingenomen met de recente onderzoeksprojecten naar alternatieve antibioticatherapieën zoals bacteriofaagtherapie, bijvoorbeeld het door de EU gefinancierde Phagoburn-project; merkt op dat tot dusver geen enkele vorm van bacteriofaagtherapie op EU-niveau is goedgekeurd; verzoekt de Commissie een kader voor bacteriofaagtherapie voor te stellen aan de hand van het meest recente wetenschappelijke onderzoek;

85.  wijst op recent onderzoek naar de ontwikkeling van probiotica van de volgende generatie voor gelijktijdig gebruik met een antibioticabehandeling in klinisch verband, waarvan is aangetoond dat het zorginfecties vermindert die worden veroorzaakt door zeer antibioticaresistente bacteriën(35);

86.  merkt op dat O&O op het vlak van nieuwe benaderingen van de behandeling en preventie van infecties even belangrijk zijn en dat deze benaderingen het gebruik kunnen omvatten van stoffen om de immuunreactie op een bacteriële infectie te versterken, zoals pre- en probiotica;

87.  spoort het EMA in samenwerking met de EFSA en het ECDC aan alle beschikbare informatie over de voordelen en risico's van oudere antimicrobiële agentia, waaronder een combinatie van verschillende antibiotica, te evalueren en na te gaan of er wijzigingen nodig zijn ten aanzien van de goedgekeurde gebruiksvormen ervan; benadrukt dat een vroegtijdige dialoog tussen innovatoren en regulerende instanties moet worden aangemoedigd teneinde in voorkomend geval het regelgevingskader aan te passen om prioriteit te geven aan de ontwikkeling van antimicrobiële geneesmiddelen en deze ontwikkeling te versnellen, en om snellere toegang mogelijk te maken;

88.  spoort de Commissie aan een versnelde procedure in te voeren, waarbij het gebruik van antimicrobiële stoffen die zijn goedgekeurd voor industriële of landbouwdoeleinden maar waarvan wordt gedacht dat ze ernstige negatieve gevolgen voor AMR hebben, tijdelijk kan worden verboden totdat verdere studies naar de gevolgen van de antimicrobiële stof in kwestie zijn uitgevoerd;

89.  wijst erop dat de inferieure kwaliteit van medische en diergeneeskundige producten met een lage concentratie aan werkzame stoffen en/of het langdurig gebruik ervan het ontstaan van resistente microben in de hand werkt; verzoekt de Commissie en de lidstaten dan ook wetten te verbeteren en op te stellen waarmee wordt gewaarborgd dat geneesmiddelen van hoogwaardige kwaliteit, veilig en doeltreffend zijn en dat de toediening ervan geschiedt volgens strikte beginselen;

90.  verzoekt de Commissie meer middelen uit te trekken voor vroegtijdige sectoroverschrijdende en interdisciplinaire O&I (onderzoek en innovatie) op het vlak van epidemiologie en immunologie van AMR-ziekteverwekkers en het screenen van zorginfecties, met name onderzoek naar de overbrengingsroutes tussen dieren en mensen en het milieu; verzoekt de Commissie onderzoek naar handhygiëne en de impact van verschillende methoden voor het wassen en drogen van de handen op de overbrenging van mogelijke ziekteverwekkers te ondersteunen;

91.  verzoekt de Commissie in dezelfde mate te investeren in de ontwikkeling van niet-antibiotische alternatieven voor de gezondheid van dieren waaronder groeibevorderaars als in de ontwikkeling van nieuwe moleculen voor de ontwikkeling van nieuwe antibiotica; benadrukt dat nieuwe antibiotica niet mogen worden gebruikt voor het bevorderen van de gezondheid of de groei van dieren en dat de bedrijfstakken die overheidsmiddelen ontvangen voor de ontwikkeling van nieuwe antibiotica moeten stoppen met het verstrekken en/of toedienen van antibiotica voor de bevordering van de gezondheid en groei van dieren;

92.  is verheugd over de recente grensoverschrijdende onderzoeksprojecten naar antimicrobieel beheer en de voorkoming van infecties, zoals het door de EU gefinancierde project i-4-1-Health Interreg; verzoekt de Commissie de onderzoeksfinanciering voor maatregelen ter preventie van zorginfecties te verhogen;

93.  verzoekt de Commissie inspanningen voor O&O op het gebied van AMR verder te ondersteunen, met inbegrip van wereldwijde gezondheidsinfecties zoals vastgelegd in de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, vooral resistente tbc en malaria, hiv en verwaarloosde tropische ziekten, als onderdeel van het volgende EU-kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, onder meer door een specifieke doelstelling in het programma te wijden aan de wereldwijde strijd tegen AMR;

94.  verzoekt de Commissie het vervoer van levende dieren aan banden te leggen uit gebieden waarin door het huidige monitoringsysteem antimicrobieel resistente bacteriestammen zijn ontdekt;

95.  stelt vast dat bepaalde gewasbeschermingsproducten mogelijk ook antimicrobiële eigenschappen hebben die de verspreiding van AMR kunnen beïnvloeden; pleit voor verder onderzoek naar het mogelijke verband tussen de blootstelling aan commerciële toepassingen van pesticiden en herbiciden en de ontwikkeling van AMR; onderschrijft dat herbiciden routinematig getest worden op toxiciteit maar niet op subletale effecten op microben, en benadrukt om bovengenoemde redenen hoe belangrijk het is om te overwegen deze testen routinematig uit te voeren;

96.  verzoekt de Commissie en de lidstaten een vroegtijdige en ononderbroken dialoog met alle belanghebbenden te bevorderen om passende stimulansen voor O&O op het gebied van AMR uit te werken; erkent dat er geen standaardaanpak bestaat; dringt er bij de Commissie op aan het maatschappelijk middenveld formeel bij de besprekingen over "één gezondheid" te betrekken, bijvoorbeeld door een specifiek netwerk van belanghebbenden op te zetten en te financieren;

97.  benadrukt het belang van verschillende samenwerkingsmodellen waarbij de publieke sector het voortouw neemt en waarbij ook het bedrijfsleven betrokken wordt; realiseert zich dat de capaciteiten van de industrie een sleutelrol vervullen bij O&O op het vlak van AMR; beklemtoont dat verdere prioritering en coördinatie van O&O-inspanningen door overheden ten aanzien van deze dringende kwestie desalniettemin nodig zijn; verzoekt de Commissie dan ook een openbaar platform te lanceren voor met overheidsmiddelen gefinancierde O&O-projecten inzake AMR en voor de coördinatie van alle O&O-acties;

98.  onderstreept in dit verband dat het met het huidige innovatiekader niet mogelijk is O&O op het gebied van AMR doeltreffend te stimuleren, en verzoekt om de aanpassing en harmonisering van de regeling inzake intellectuele eigendom op Europees niveau, met name om met betrekking tot het innovatieve geneesmiddel in kwestie de duur van de bescherming beter te laten samenvallen met de aangevraagde periode;

99.  is van mening dat al in veel verschillende delen van de Unie onderzoek plaatsvindt naar de bestrijding van AMR, zonder dat er tot nu toe een adequaat overzicht bestaat van de stand van het onderzoek in de EU als geheel; stelt in dit verband voor hiertoe een specifiek platform op EU-niveau op te richten, zodat de onderzoeksmiddelen in de toekomst efficiënter kunnen worden ingezet;

100.  wijst erop hoe waardevol het is coalities te smeden tussen de academische wereld en biofarmaceutische bedrijven voor de ontwikkeling van nieuwe antibiotica, snelle diagnosetechnieken en nieuwe therapieën;

101.  is verheugd over de conclusies van het gezamenlijke technische symposium van de WHO, de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom (WIPO) en de Wereldhandelsorganisatie (WTO), getiteld "Antimicrobial Resistance: how to foster innovation, access and appropriate use of antibiotics"(36), waar werd gesproken over nieuwe modellen voor het stimuleren van O&O waarbij de winstgevendheid van antibiotica wordt losgekoppeld van verkoopvolumes;

102.  brengt in herinnering dat de verordening betreffende klinische proeven(37) zal bijdragen aan het stimuleren van onderzoek naar nieuwe antimicrobiële stoffen in de EU; verzoekt de Commissie en het EMA onverwijld uitvoering te geven aan de verordening betreffende klinische proeven;

103.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ondersteuning te verlenen aan de ontwikkeling en invoering van nieuwe economische modellen, proefprojecten en push- en pullstimulansen om de ontwikkeling van nieuwe therapieën, diagnostische middelen, antibiotica, medische instrumenten, vaccins en alternatieven voor het gebruik van antimicrobiële stoffen aan te jagen; is van mening dat bovengenoemde elementen zinvol zijn wanneer ze op de lange termijn houdbaar zijn, uitgaan van bestaande behoeften en gestoeld zijn op bewijs, gericht zijn op de belangrijkste overheidsprioriteiten, en passend medisch gebruik ondersteunen;

104.  verzoekt de Commissie de efficiëntie van de huidige hygiënepraktijken en sanitaire methoden in ziekenhuizen en zorginstellingen te beoordelen; verzoekt de Commissie onderzoek te doen naar het gebruik van probiotica en andere duurzame hygiënetechnologieën als efficiënte sanitaire benaderingen voor het voorkomen en terugdringen van het aantal zorginfecties die aan AMR kunnen worden toegeschreven;

105.  spoort aan tot de invoering van kosteneffectiviteitstechnologieën waardoor de gevolgen van zorginfecties in ziekenhuizen worden beperkt en er wordt bijgedragen aan de preventie van de verspreiding van multiresistente micro-organismen; 

106.  spoort de lidstaten aan alternatieve vergoedingssystemen te bevorderen om de invoering van innovatieve technologieën in de nationale gezondheidszorgstelsels mogelijk te maken;

107.  wijst erop dat het gebruikelijke bedrijfsmodel voor het ontwikkelen van geneesmiddelen niet geschikt is voor de ontwikkeling van antibiotica, aangezien resistentie geleidelijk kan ontstaan en omdat ze bedoeld zijn voor tijdelijk gebruik en als uiterste redmiddel; herinnert de industrie aan haar bedrijfs- en maatschappelijke verantwoordelijkheid om samen te werken bij de aanpak van AMR door nieuwe manieren te zoeken om de levensduur van antibiotica te verlengen, en zodoende te zorgen voor een duurzaam aanbod van doeltreffende antibiotica, en pleit voor stimulansen voor dergelijk onderzoek en voor het bepalen van het regelgevingstraject;

108.  herinnert eraan dat zowel het Parlement als de Raad erop hebben aangedrongen de bestaande stimulansen (d.w.z. de stimulansen die zijn vastgelegd in de weesgeneesmiddelenverordening(38)) tegen het licht te houden, gezien het daarmee gepaard gaande wangebruik en de hoge eindprijzen; verzoekt daarom de Commissie de huidige stimuleringsmodellen voor O&O te analyseren, met inbegrip van het model voor overdraagbare marktexclusiviteiten, teneinde nieuwe modellen te ontwerpen en het regelgevingstraject vast te stellen;

109.  verzoekt de Commissie en de lidstaten in samenwerking met onderzoekers en de industrie nieuwe stimulerende modellen te ontwikkelen waarmee de betaling wordt losgekoppeld van het voorgeschreven volume, en investeringen te bevorderen in de gehele ontwikkelings- en levenscyclus van producten; beklemtoont dat het uiteindelijke doel van O&O-stimulansen het waarborgen van de betaalbaarheid van en de toegankelijkheid tot kwalitatief hoogwaardige antibiotica moet zijn;

110.  onderkent de belangrijke rol van apothekers bij de bewustmaking omtrent het gepaste gebruik van antimicrobiële stoffen en bij de preventie van AMR; spoort de lidstaten aan hun verantwoordelijkheden uit te breiden door de verstrekking van de exacte hoeveelheid toe te staan en het toedienen van bepaalde vaccins en snelle diagnostische tests in apotheken toe te staan;

111.  pleit ervoor overdraagbare marktexclusiviteiten en beloningen voor het op de markt brengen te overwegen als mogelijkheden voor duurzame stimulansen;

112.  verzoekt de Commissie mondiaal het voortouw te nemen bij het bepleiten van op bewijs gestoelde modellen voor optimale werkmethoden voor vroegtijdige diagnoses teneinde AMR aan te pakken;

De wereldwijde agenda vormgeven

113.  onderstreept dat de wereld zonder geharmoniseerd en acuut optreden op mondiale schaal afstevent op een post-antibioticatijdperk waarin veel voorkomende infecties weer dodelijk kunnen worden;

114.  brengt in herinnering dat AMR door de complexiteit van het probleem, de grensoverschrijdende dimensie ervan, de ernstige gevolgen voor het milieu, de gezondheid van mens en dier, en de hoge economische kosten dringende en gecoördineerde maatregelen vergt in de EU, wereldwijd en over de sectoren heen; verzoekt de EU en de lidstaten dan ook zich kordaat in te zetten om Europese en internationale partnerschappen op te zetten en een sectoroverschrijdende strategie te lanceren voor de bestrijding van AMR die beleidsterreinen omvat zoals internationale handel, ontwikkeling en landbouw;

115.  is ingenomen met de WHO-lijst met de twintig gevaarlijkste resistente ziekteverwekkers(39); dringt er met klem op aan O&O-projecten voor deze prioritaire resistente bacteriën op te zetten, teneinde geneesmiddelen te ontwikkelen voor het bestrijden ervan; beklemtoont evenwel dat onderzoek naar nieuwe geneesmiddelen niet de enige vereiste maatregel is, en dat ook het misbruik en het bovenmatige gebruik bij zowel mensen als dieren moet worden aangepakt;

116.  beseft dat AMR een grensoverschrijdend probleem is en dat producten vanuit de hele wereld Europa binnenkomen; verzoekt de Commissie met klem samen te werken met derden om het gebruik van antibiotica in de veeteelt en de daarmee gepaard gaande verontreiniging van het milieu te verminderen; verzoekt de Commissie bovendien gemeenschappelijke onderzoeksprogramma's met derde landen op te zetten om het overmatige gebruik van antibiotica terug te dringen; verzoekt de Commissie in het kader van vrijhandelsovereenkomsten de invoer van dierlijke levensmiddelen te verbieden wanneer de dieren niet overeenkomstig de EU-normen zijn gefokt, en met name een verbod in te stellen op het gebruik van antibiotische groeibevorderaars;

117.  neemt kennis van het rapport "Tackling drug-resistant infections globally: final report and recommendations"(40), waarin de kosten van de wereldwijde aanpak van AMR geschat worden op 40 miljard dollar over een periode van tien jaar, hetgeen in het niet valt bij de kosten van "nietsdoen" en een fractie is van het bedrag dat de landen van de G20 op dit moment uitgeven aan gezondheidszorg (ongeveer 0,05 %); verzoekt de Commissie te onderzoeken of het mogelijk is de industrie een volksgezondheidsbelasting op te leggen in het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen;

118.  stelt dat AMR in elke toekomstige handelsovereenkomst met het VK na de brexit aan de orde moet worden gesteld en dat er als voorwaarde moet worden gesteld dat het VK gelijke tred houdt met de vooruitgang die wordt geboekt dankzij de EU-maatregelen voor de aanpak van AMR, en zo de consumenten en werknemers in zowel de EU als het VK te beschermen;

119.  is ingenomen met het Mondiaal actieplan van de WHO inzake AMR, dat in mei 2015 unaniem is goedgekeurd tijdens de 68e Wereldgezondheidsvergadering; benadrukt dat de mondiale, EU- en nationale actieplannen in overeenstemming moeten zijn met het GLB;

120.  is ingenomen met de nieuwe richtsnoeren van de WHO over het gebruik van medisch belangrijke antimicrobiële stoffen bij voedselproducerende dieren(41); onderstreept dat in sommige landen naar schatting 50 tot 70 % van de medisch belangrijke antibiotica aan dieren wordt toegediend, met name vanwege hun groeibevorderende werking bij gezonde dieren; dringt er in het kader van de "één gezondheid"-benadering op aan dit onderwerp op te nemen in het handelsbeleid van de EU en mee te nemen in de onderhandelingen met internationale organisaties, zoals de WTO en geassocieerde en derde landen, om tot een wereldwijd verbod te komen op het gebruik van antibiotica voor het vetmesten van gezonde dieren;

121.  merkt op dat AMR uiterst zorgwekkend is bij veel armoedegerelateerde en verwaarloosde ziekten, waaronder hiv/aids, malaria, tbc en aan epidemieën en pandemieën gerelateerde ziekten; benadrukt dat ongeveer 29 % van de door AMR veroorzaakte sterfgevallen te wijten is aan resistente tbc; verzoekt de Commissie en de lidstaten met spoed meer steun te verlenen aan onderzoek naar en toepassing van gezondheidsinstrumenten voor armoedegerelateerde en verwaarloosde ziekten waarbij sprake is van AMR; verzoekt de Commissie en de lidstaten partnerschappen aan te gaan, naar het voorbeeld van het partnerschap voor onderzoek en innovatie in het Middellandse Zeegebied (het Prima-initiatief) en het partnerschap voor klinische proeven tussen Europese en ontwikkelingslanden (EDCTP), voor internationale O&O-projecten op het vlak van gezondheid, met partijen uit verschillende geografische regio's en voor de meest prangende gezondheidsonderwerpen, zoals AMR, vaccins, kanker en toegang tot geneesmiddelen;

122.  benadrukt het belang van EU-initiatieven zoals de ECDC-programma's voor infectieziekten, waaronder aids, tbc en malaria; stelt vast dat deze initiatieven getuigen van goede werkmethoden, waaruit blijkt dat de EU adequaat reageert op en handelt naar aanleiding van de behoefte aan nieuwe antibiotica, en is van oordeel dat het ECDC een centrale rol toekomt bij het prioriteren van hetgeen op O&O-gebied nodig is, alsook bij de coördinatie van de acties en de betrokkenheid van alle partijen bij het bevorderen van sectoroverschrijdende werkzaamheden en het opbouwen van capaciteit via O&O-netwerken;

123.  benadrukt dat het probleem de kop opsteekt van multiresistente bacteriën die tegelijkertijd tegen meerdere antibiotica resistent zijn en die uiteindelijk superbacteriën kunnen worden die resistent zijn tegen alle beschikbare antibiotica, met inbegrip van laatstelijnsantibiotica; benadrukt dat er een gevensbank nodig is van deze multiresistente bacteriën, waaronder aids, tbc, malaria, gonorroe, Escherichia coli en andere resistente bacteriën;

124.  merkt op dat voedselproducerend vee in de VS vijf keer zo veel antibiotica krijgt toegediend als boerderijdieren in het VK; onderstreept dan ook het belang van controles op vlees dat in de EU wordt ingevoerd;

125.  verzoekt de Commissie te pleiten voor EU-normen en -maatregelen voor de bestrijding van AMR en voor de passende vermelding van antibiotica in handelsovereenkomsten, en zich in het kader van de WTO in te spannen om AMR aan de orde te stellen; benadrukt dat de toediening van antibiotica als groeibevorderaars aan voedselproducerende dieren sinds 2006 verboden is in de EU, maar dat antibiotica in landen buiten de EU nog steeds in diervoeder kunnen worden verwerkt als groeibevorderaars; verzoekt de Commissie in alle vrijhandelsovereenkomsten een clausule op te nemen waarin wordt bepaald dat alle levensmiddelen die uit derde landen worden ingevoerd niet geproduceerd mogen zijn met antibiotica als groeibevorderaars, teneinde een gelijk speelveld voor de veeteelt en de aquacultuur in de EU te garanderen en AMR te beperken; verzoekt de Commissie een verbod in te stellen op de invoer uit derde landen van levensmiddelen die afkomstig zijn van dieren die zijn behandeld met antibiotica of groepen antibiotica die in de EU voorbehouden zijn voor de behandeling van bepaalde infecties bij de mens;

126.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de maatregelen ter bestrijding van illegale praktijken op het gebied van de productie van, de handel in, de toediening en de verwijdering van antimicrobiële stoffen aan te scherpen; benadrukt dat de partijen die betrokken zijn bij de levenscyclusketen van antimicrobiële stoffen verantwoordelijkheid moeten nemen voor hun acties;

127.  wijst op de gevolgen van de universaliteit, de betaalbaarheid en de goede toegankelijkheid van bestaande antibiotica; is van mening dat de gerichte behandeling met specifieke antibiotica beschikbaar moet zijn voor iedereen om het misbruik van ongeschikte antibiotica en het overmatig gebruik van breedspectrumantibiotica te voorkomen; verzoekt de Commissie en de lidstaten harder op te treden tegen de verkoop van grote partijen antimicrobiële stoffen tegen dumpprijzen, in het bijzonder kritieke antibiotica voor gebruik bij mensen;

128.  wenst dat antibioticafabrikanten grondig gecontroleerd worden zodat de afbraaktermijnen zijn afgestemd op de werkelijkheid, waarmee wordt gewaarborgd dat levensmiddelen geen antibiotica bevatten;

129.  verzoekt de Commissie te streven naar voortdurende politieke aandacht en toezeggingen op hoog niveau om maatregelen tegen AMR te nemen, waaronder op de fora van de VN, de G7 en de G20; vestigt de aandacht op de mogelijkheid voor wetenschappelijke organen van de EU, zoals het ECDC, om wereldwijd een leidende rol op zich te nemen; verzoekt de Commissie samenwerking tussen de EU en internationale organisaties, waaronder de WHO, de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN (FAO) en de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE) te bepleiten; is ingenomen met de Verklaring van Davos over het bestrijden van antimicrobiële resistentie, die is opgesteld tijdens het World Economic Forum in Davos in januari 2016, waarin de farmaceutische, de biotechnologische en de diagnostica-industrie aandringen op collectieve actie voor de totstandbrenging van een duurzame en voorspelbare markt voor antibiotica, vaccins en diagnostiek, met het oog op een betere instandhouding van nieuwe en bestaande behandelingen;

130.  pleit voor de bevordering en versterking van en de overgang naar een op agro-ecologische leest geschoeide productiewijze;

º

º  º

131.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding, het Europees Geneesmiddelenbureau, het Europees Agentschap voor chemische stoffen, de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, het Europees Milieuagentschap, de Wereldgezondheidsorganisatie en de Wereldorganisatie voor diergezondheid.

(1)

Federatie van Europese Dierenartsen, "Antimicrobial use in food-producing animals: Replies to EFSA/EMA questions on the use of antimicrobials in food-producing animals in EU and possible measures to reduce antimicrobial use", 2016.

(2)

PB C 353 van 27.9.2016, blz. 12.

(3)

PB C 434 van 23.12.2015, blz. 49.

(4)

PB L 293 van 5.11.2013, blz. 1.

(5)

PB C 366 van 27.10.2017, blz. 149.

(6)

https://ec.europa.eu/info/consultations/public-consultation-pharmaceuticals-environment_nl#add-info

(7)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0061.

(8)

http://www.efsa.europa.eu/en/press/news/180227

(9)

https://ecdc.europa.eu/sites/portal/files/media/en/publications/Publications/healthcare-associated-infections-antimicrobial-use-PPS.pdf

(10)

EFSA, ECDC, "The European Union Summary report on antimicrobial resistance in zoonotic and indicator bacteria from human, animal and food in 2014", 2016.

(11)

Wereldgezondheidsorganisatie, "Global guidelines on the prevention of surgical site infection", 2016. Zie: http://www.who.int/gpsc/ssi-guidelines/en/

(12)

Celsus Academie voor Betaalbare Zorg, "Cost-effectiveness of policies to limit antimicrobial resistance in Dutch healthcare organisations", januari 2016. Zie: https://goo.gl/wAeN3L

(13)

http://ec.europa.eu/health/ph_risk/committees/04_scenihr/docs/scenihr_o_021.pdf

(14)

Wereldgezondheidsorganisatie, "Global guidelines on the prevention of surgical site infection", 2016. Zie: http://www.who.int/gpsc/ssi-guidelines/en/

(15)

https://amr-review.org/sites/default/files/160525_Final%20paper_with%20cover.pdf

(16)

http://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.2903/j.efsa.2018.5182/epdf

(17)

http://www.consilium.europa.eu/nl/press/press-releases/2016/06/17/epsco-conclusions-antimicrobial-resistance/

(18)

http://www.ema.europa.eu/ema/index.jsp?curl=pages/news_and_events/news/2017/10/news_detail_002827.jsp&mid=WC0b01ac058004d5c1

(19)

http://ec.europa.eu/food/audits-analysis/audit_reports/index.cfm

(20)

Artikel 8, onder c), van Richtlijn 2013/39/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 augustus 2013 tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG en Richtlijn 2008/105/EG wat betreft prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid (PB L 226 van 24.8.2013, blz. 1).

(21)

Zoals ontwikkeld in Nederland door het ministerie voor I&W, het RIVM, de watersector en waterschappen.

(22)

Artikel 78 van de op stapel staande verordening betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik.

(23)

Europese Commissie, "Een Europees "één gezondheid"-actieplan tegen antimicrobiële resistentie (AMR)", juni 2017, blz. 10.

(24)

Ibid., blz. 12.

(25)

Ibid., blz. 15.

(26)

Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17).

(27)

Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549), tot toepassing van de voorschriften als vastgelegd in Richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren (PB L 221 van 8.8.1998, blz. 23); Richtlijn 91/630/EEG van de Raad van 19 november 1991 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens (PB L 340 van 11.12.1991, blz. 33); Richtlijn 91/629/EEG van de Raad van 19 november 1991 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van kalveren (PB L 340 van 11.12.1991, blz. 28).

(28)

https://ec.europa.eu/food/sites/food/files/animals/docs/aw_other_aspects_labelling_ip-09-1610_en.pdf

(29)

Mevius, D. et al., "ESBL-Attributieanalyse (ESBLAT). Op zoek naar de bronnen van antibioticaresistentie bij de mens", 2018. Zie: http://www.1health4food.nl/esblat

(30)

Het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid: https://ecdc.europa.eu/sites/portal/files/media/en/publications/Publications/antimicrobial-resistance-zoonotic-bacteria-humans-animals-food-EU-summary-report-2014.pdf

(31)

http://www.thelancet.com/pdfs/journals/lanplh/PIIS2542-5196(17)30141-9.pdf

(32)

Mevius, D. et al., "ESBL-Attributieanalyse (ESBLAT). Op zoek naar de bronnen van antibioticaresistentie bij de mens", 2018. Zie: http://www.1health4food.nl/esblat

(33)

http://www.imi.europa.eu/content/nd4bb

(34)

http://www.jpiamr.eu

(35)

Pamer, E. G., "Resurrecting the intestinal microbiota to combat antibiotic-resistant pathogens", Science, Vol. 352(6285), 2016, blz. 535-538.

(36)

http://www.wipo.int/publications/en/details.jsp?id=4197

(37)

Verordening (EU) nr. 536/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik en tot intrekking van Richtlijn 2001/20/EG (PB L 158 van 27.5.2014, blz. 1).

(38)

Verordening (EG) nr. 141/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1999 inzake weesgeneesmiddelen (PB L 18 van 22.1.2000, blz. 1).

(39)

http://www.who.int/mediacentre/news/releases/2017/bacteria-antibiotics-needed/en/

(40)

https://amr-review.org/sites/default/files/160518_Final%20paper_with%20cover.pdf

(41)

http://www.who.int/foodsafety/areas_work/antimicrobial-resistance/cia_guidelines/en/


TOELICHTING

Ter definitie: onder het begrip "antimicrobiële resistentie" (AMR) wordt verstaan de resistentie tegen geneesmiddelen voor de behandeling van infecties die niet alleen door bacteriën worden veroorzaakt, maar ook door andere microben zoals parasieten, virussen en schimmels.

Antibiotica hebben zich sinds de invoering van met name penicilline in de jaren veertig van de twintigste eeuw tot een van de pijlers van de moderne geneeskunde ontwikkeld. Ze vormen de basis van de behandeling van bacteriële infecties bij mens en dier. De succesvolle behandeling van bacteriële infecties wordt door resistentie echter steeds moeilijker. Wanneer wij niet snel serieuze maatregelen treffen, staat ons de terugkeer naar het "pre-antibiotica/pre-penicillinetijdperk" te wachten. Als gevolg hiervan kunnen bijvoorbeeld longontstekingen weer vaker dodelijk aflopen, worden de risico's bij routineoperaties groter en kunnen behandelingen die het immuunsysteem onderdrukken, zoals chemotherapie, te gevaarlijk worden voor patiënten. Er zouden tijdrovendere en duurdere behandelingen nodig zijn, die enorme kosten voor het gezondheidszorgsysteem met zich mee zouden brengen.

De holistische benadering op basis van het "één gezondheid"-initiatief ("One Health") moet centraal staan in de aanpak van antimicrobiële resistentie om een betere coördinatie in de openbare gezondheidszorg en diergeneeskunde te bereiken.

Hoewel AMR een verschijnsel is dat in de loop der tijd op natuurlijke wijze optreedt, wordt de ontwikkeling ervan door de volgende factoren bespoedigd:

•  oneigenlijk gebruik (misbruik en overmatig gebruik) van antibiotica, zowel in de menselijke geneeskunde (bijvoorbeeld voor de behandeling van virusinfecties, waar zij geen effect hebben) en in de diergeneeskunde (profylaxe en groei)

•  overdracht van resistente bacteriën van dier op mens door direct contact of via de voedselketen en het vrijkomen van antimicrobiële stoffen in het milieu

•  onjuiste verwijdering van ongebruikte geneesmiddelen in het grondwater

•  ontbrekende ontwikkeling van nieuwe antibiotica

Bovendien is het belangrijk de diagnose van een arts te ondersteunen met zogeheten snelle tests, die snel duidelijkheid verschaffen of de infectie een virale of bacteriële oorzaak heeft en of antibiotica wel nodig zijn. Op dit ogenblik zijn deze snelle tests echter nog in ontwikkeling en zijn ze dikwijls duurder dan veel antibiotica. Snelle tests brengen dus een last voor zorgverzekeraars met zich mee, hoewel antibioticaresistentie op de lange termijn veel duurder uitpakt voor het gezondheidszorgsysteem.

Preventie is natuurlijk beter dan behandeling met antibiotica: Voor veel microbiële ziekteverwekkers staan effectieve vaccins ter beschikking, die iedere ingeënte persoon beschermen. Omdat deze persoon ook geen overbrenger meer is, wordt niet alleen de ingeënte persoon, maar ook de maatschappij beschermd.

Door scholing en informatie moet worden gezorgd voor een doelmatig gebruik van antibiotica. Het is absoluut noodzakelijk dat er bij- en nascholing voor gezondheidswerkers wordt ontwikkeld over het zorgvuldig gebruik van antibiotica. Bovendien moet de bevolking intensiever worden geïnformeerd over de virale oorsprong van veel infectieziekten en het zorgvuldig gebruik van antibiotica.

Eveneens noodzakelijk zijn bedrijfsmodellen die stimulansen voor O&O creëren, maar waarbij er ook rekening mee wordt gehouden dat het om een kostbare aangelegenheid gaat.

Gelukkig heeft de EU tot op heden meer dan een miljard EUR uitgegeven voor onderzoek naar AMR. In het kader van het onderzoeksprogramma "Horizon 2020" worden bijvoorbeeld projecten voor nieuwe antibiotica gefinancierd, zoals ATx201. In de toekomst zijn nog meer investeringen nodig om doelmatig tegen AMR op te treden, aangezien in de EU jaarlijks 25 000 personen overlijden aan infecties die op multiresistente kiemen zijn terug te voeren. Wereldwijd zijn dit ongeveer 700 000 mensen per jaar (Review on antimicrobial resistance. Tackling drug-resistant infections globally [internet]. London: Wellcome Trust; 2014. http://www.who.int/bulletin/volumes/93/2/15-152710.pdf).


ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie (22.2.2018)

aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

inzake een Europees "één gezondheid"-actieplan tegen antimicrobiële resistentie (AMR)

(2017/2254(INI))

Rapporteur voor advies: Lieve Wierinck

SUGGESTIES

De Commissie industrie, onderzoek en energie verzoekt de bevoegde Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat antimicrobiële resistentie (AMR) kan leiden tot naar schatting wel 10 miljoen sterfgevallen per jaar in 2050 en dat meer dan 9 miljoen van die sterfgevallen zich buiten de EU zouden voordoen, vooral in Azië en Afrika;

B.  overwegende dat de kosten van het wereldwijd aanpakken van AMR op mogelijkerwijs 40 miljard USD over een periode van tien jaar worden geschat;

C.  overwegende dat de problemen in verband met AMR de komende jaren zullen toenemen en dat doeltreffende actie afhankelijk is van doorlopende, sectoroverschrijdende openbare en particuliere investeringen in onderzoek en innovatie, zodat betere instrumenten, producten en hulpmiddelen, nieuwe behandelingen en alternatieve benaderingen kunnen worden ontwikkeld vanuit een "één gezondheid"-benadering;

D.  overwegende dat ruim 1 miljard EUR is geïnvesteerd in onderzoek op het gebied van AMR uit hoofde van het vijfde tot en met het zevende kaderprogramma (KP5-KP7) en dat tot dusver reeds een cumulatief budget van meer dan 650 miljoen EUR beschikbaar is gesteld in het kader van Horizon 2020; overwegende dat de Commissie toegezegd heeft meer dan 200 miljoen EUR in AMR te investeren gedurende de laatste drie jaar van Horizon 2020;

E.  overwegende dat verschillende financieringsinstrumenten in het kader van Horizon 2020 onderzoeksresultaten op het gebied van AMR zullen opleveren, met name:- het initiatief innovatieve geneesmiddelen (IMI), waarin de nadruk ligt op alle aspecten van antibioticaontwikkeling, waaronder onderzoek naar AMR-mechanismen, ontdekking en ontwikkeling van geneesmiddelen, en economie en beheer; in het kader van het IMI lopen zeven projecten onder de paraplu van het programma ND4BB, met een totaal budget van meer dan 600 miljoen EUR aan financiering van de Commissie en bijdragen in natura van ondernemingen;

- het partnerschap voor klinische proeven tussen Europese en ontwikkelingslanden (EDCTP), waarin de nadruk ligt op de ontwikkeling van nieuwe en verbeterde geneesmiddelen, vaccins, microbiciden en diagnosetechnieken ter bestrijding van hiv/aids, tuberculose en malaria; in dit kader lopen 32 projecten ter waarde van meer dan 79 miljoen EUR;

- het gezamenlijk programmeringsinitiatief inzake AMR (JPIAMR), waarin de nadruk ligt op het consolideren van nationale onderzoeksactiviteiten die anders versnipperd zouden zijn; in dit kader lopen projecten ter waarde van 55 miljoen EUR;

- de Europese Onderzoeksraad (ERC), met zijn door onderzoekers aangestuurde of bottom-uponderzoeksprojecten;

- de financieringsfaciliteit besmettelijke ziekten (IDFF) in het kader van InnovFin, voor marktgerichte projecten, met zeven leningen voor tot dusver in totaal 125 miljoen EUR;

- het kmo-instrument en het Sneltraject voor innovatie (FTI), waarmee kmo's worden ondersteund bij de ontwikkeling van nieuwe oplossingen en instrumenten om besmettelijke ziekten te voorkomen, te diagnosticeren en te behandelen en de infectiebestrijding te verbeteren; in dit kader lopen 36 projecten met betrekking tot AMR, met een begroting van 33 miljoen EUR;

F.  overwegende dat doeltreffende actie tegen AMR afhankelijk is van het terugdringen van het overmatige en onjuiste gebruik van antibiotica bij mensen en dieren en in het milieu, dat daarom een belangrijke prioriteit op dit gebied vormt;

G.  overwegende dat de actie tegen AMR alleen doeltreffend kan zijn indien deze wordt ingepast in een breder internationaal initiatief waar zo veel mogelijk internationale instellingen, agentschappen en deskundigen aan deelnemen, alsook de particuliere sector;

H.  overwegende dat doeltreffende actie in eerste instantie afhankelijk is van betere kennis en rationeel gebruik van de bestaande antimicrobiële geneesmiddelen; overwegende dat vaccinatie een doeltreffende manier is om infecties te voorkomen die anders met antibacteriële stoffen zouden moeten worden behandeld, en het risico op het ontstaan van resistentie reduceert;

I.  overwegende dat tot de jaren zestig meer dan twintig nieuwe antibioticaklassen werden ontwikkeld, maar sindsdien slechts één nieuwe klasse van antibiotica is ontwikkeld, ondanks de verspreiding en de toename van nieuwe resistente bacteriën; overwegende dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat de bestaande klassen van antibiotica resistent zijn tegen nieuwe agentia;

J.  overwegende dat de Commissie en de lidstaten in de conclusies van de Raad over de volgende stappen in het kader van de "één gezondheid"-benadering ter bestrijding van antimicrobiële resistentie ("One Health")(1) verzocht wordt de strategische onderzoeksagenda's van bestaande O&O-initiatieven van de EU in verband met nieuwe antibiotica, alternatieven en diagnostiek in het kader van een "één gezondheid"-netwerk inzake AMR op één lijn te brengen;

K.  overwegende dat de wereld – in de door staatshoofden tijdens de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in september 2016 in New York afgelegde politieke verklaring en het Mondiaal actieplan van mei 2015– toezegt de achterliggende oorzaken van antimicrobiële resistentie middels een brede, gecoördineerde en sectoroverschrijdende benadering te zullen aanpakken;

L.  overwegende dat meer dan 100 ondernemingen in januari 2016 de Verklaring van Davos hebben ondertekend, waarin aangedrongen wordt op collectieve actie voor het tot stand brengen van een duurzame en voorspelbare markt voor antibiotica, vaccins en diagnostiek, met het oog op een betere instandhouding van nieuwe en bestaande behandelingen;

M.  overwegende dat er positieve "spill-overeffecten" van nieuwe antimicrobiële stoffen op de volksgezondheid en de wetenschap zijn;

N.  overwegende dat er voorbeelden bestaan van succesvolle programma's voor het wereldwijd verbeteren van de toegang tot geneesmiddelen voor hiv, tuberculose en malaria;

O.  overwegende dat ziekenhuisinfecties wereldwijd een van de voornaamste bedreigingen vormen voor het handhaven en waarborgen van basisgezondheidszorg;

1.  benadrukt de behoefte aan meer financiering voor onderzoek en innovatie met een sectoroverschrijdende en interdisciplinaire benadering op het gebied van epidemiologie en immunologie van antimicrobieel resistente ziekteverwekkers en zorginfecties, nieuwe mechanismen van AMR, het ontwikkelen van nieuwe snelle diagnosetechnieken en preventieve maatregelen, waaronder vaccins, en technologieën en technieken voor het toedienen van geneesmiddelen; benadrukt het belang van het beheer van antimicrobiële stoffen, om het kennisgebaseerd uitschrijven van recepten te verbeteren; pleit ervoor dat verder wordt gezocht naar wetenschappelijk bewijs van, en voorzichtig wordt gekeken naar de mogelijkheden van offlabel gebruik van geneesmiddelen en van alternatieve of aanvullende behandelingen van AMR, zoals faagtherapie;

2  onderstreept dat dringend behoefte bestaat aan gedegen onderzoek naar de gevolgen van de aanwezigheid van antimicrobiële stoffen in voedingsgewassen en diervoeders voor het ontstaan van AMR, en naar de microbiële stoffen in de bodem;

3.  onderkent de tekortkomingen en het geringe rendement van de economische modellen die de sector doorgaans hanteert bij de ontwikkeling van nieuwe antibiotica; pleit ervoor dat verschillende push- en pullstimulansen worden geboden voor de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen en medische hulpmiddelen en voor de totstandbrenging en de toepassing van nieuwe behandelingen; is van mening dat stimulansen voor de sector zinvol zijn wanneer zij op lange termijn houdbaar zijn en behoeftegeoriënteerd zijn, investeringen bevorderen in de gehele ontwikkelings- en levenscyclus van producten, gericht zijn op de belangrijkste prioriteiten op het gebied van volksgezondheid, passend geneeskundig gebruik ondersteunen en uitgaan van de beginselen van betaalbaarheid, doeltreffendheid en efficiëntie; verzoekt de Commissie om met spoed haar analyse en toetsing van de bestaande stimulansmodellen voor onderzoek en innovatie op dit gebied voor te stellen; merkt op dat de sector beter kan worden gestimuleerd door middel van overdraagbare marktexclusiviteiten en verzoekt de Commissie een effectbeoordeling van dat model uit te voeren; juicht initiatieven toe waarin alternatieve bedrijfsmodellen worden onderzocht om onderzoek en innovatie te bevorderen en te stimuleren;

4.  verklaart dat partnerschappen in de hele EU en daarbuiten dringend moeten worden bevorderd om de uitwisseling van goede praktijken te verbeteren, onder meer inzake het terugdringen van het overmatige en onjuiste gebruik van antibiotica, en om meer kennis over AMR te verwerven; benadrukt de rol van de Commissie bij de monitoring en de coördinatie van de nationale plannen en strategieën ter bestrijding van AMR;

5.  verzoekt de Commissie met klem in het toekomstige KP9 een AMR-actie op te nemen met een sectoroverschrijdende en interdisciplinaire benadering;

6.  onderkent de verschillen tussen de lidstaten inzake praktijken en gebruik van antimicrobiële geneesmiddelen; benadrukt dat bij benadering een derde van de voorschriften door eerstelijnsartsen wordt opgesteld; onderstreept daarom de behoefte aan een EU-systeem voor het verzamelen van gegevens om het juiste gebruik van alle antibiotica te ondersteunen, om de samenwerking en de uitwisseling van goede praktijken tussen de lidstaten te verbeteren, om op bewijzen gebaseerde richtsnoeren te ontwikkelen inzake het gebruik van antimicrobiële geneesmiddelen en de voorschrijving door dierenartsen en eerstelijnsartsen in het bijzonder, om overmatige toediening te bestrijden en om onderzoek naar AMR te stimuleren;

7.  onderstreept dat onvoldoende gegevens voorhanden zijn over AMR en de gezondheids- en de sociaal-economische gevolgen ervan; benadrukt dat de gegevensverzameling op systeemniveau in de gehele EU moet worden verbeterd, onder meer wat milieu- en voorschrijvingsgegevens betreft, en dat toezicht gehouden moet worden en snel gereageerd moet worden op tendensen, patronen en ontwikkelingen in verband met AMR; wijst op de meerwaarde van e-gezondheid en de ontwikkeling van gepersonaliseerde zorg, digitalisering en big data, die het mogelijk maken normen te ontwikkelen, gegevens over AMR samen te voegen en te combineren, en een holistische aanpak bij de bestrijding van AMR te bevorderen; dringt aan op verbetering van de AMR-surveillance in ontwikkelingslanden;

8.  beklemtoont de systemische aard van AMR; steunt het hernieuwde engagement van de Commissie ter bevordering van EU-acties en leiderschap op het gebied van de bestrijding van AMR, ook internationaal; benadrukt dat er behoefte is aan wereldwijde monitoring van het gebruik van antimicrobiële stoffen, in overeenstemming met het in 2015 door de Wereldgezondheidsraad ontwikkelde Mondiaal actieplan; benadrukt ook dat de samenwerking, bijvoorbeeld in het kader van de G7, de G20 en met de BRICS-landen, moet worden verbeterd, onder meer inzake onderzoek en innovatie, en benadrukt de rol van wetenschapsdiplomatie bij het bevorderen van synergieën en het optimaliseren van de toewijzing van middelen; dringt aan op een gezamenlijke inspanning voor het aanpakken van de kwestie van de toegang tot antibiotica, vergelijkbaar met de inspanningen die voor hiv, tuberculose en malaria werden geleverd;

9.  wijst op het belang van verschillende samenwerkingsmodellen die door de publieke sector worden gestimuleerd en waarbij de sector betrokken wordt; onderstreept het belang van evenwichtige publiek-private partnerschappen en nauwere samenwerking tussen de publieke sector, het bedrijfsleven, kmo's en onderzoekers in overheidsdienst, bijvoorbeeld door de oprichting van specifieke structuren binnen universiteiten en wetenschappelijke centra, om innovatie te bevorderen en de wetenschappelijke uitdagingen te overwinnen in verband met de ontwikkeling van nieuwe antibiotica, vaccins en diagnosetechnieken ter bestrijding van AMR; dringt aan op nog meer publiek-private samenwerking, naar het voorbeeld van de programma's in het kader van het IMI, het ERA-NET, EARS-Net, ESAC-Net, CAESAR, JIACRA, PIRASAO, AMC, PRND en EDCTP;

10.  beklemtoont dat het belangrijk is het bewustzijn van en de kennis over AMR te vergroten middels goede sanitaire voorzieningen, preventieve maatregelen, en onderwijs en opleiding, waaronder Europese publieke bewustmakingscampagnes en gerichte opleidingen voor professionals in de gezondheidszorg, apothekers, dierenartsen en veefokkers.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

21.2.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

52

1

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Zigmantas Balčytis, Bendt Bendtsen, Xabier Benito Ziluaga, José Blanco López, Jonathan Bullock, Cristian-Silviu Buşoi, Jerzy Buzek, Angelo Ciocca, Edward Czesak, Jakop Dalunde, Christian Ehler, Fredrick Federley, Ashley Fox, Adam Gierek, Theresa Griffin, Rebecca Harms, Hans-Olaf Henkel, Eva Kaili, Kaja Kallas, Barbara Kappel, Krišjānis Kariņš, Jeppe Kofod, Peter Kouroumbashev, Zdzisław Krasnodębski, Miapetra Kumpula-Natri, Christelle Lechevalier, Paloma López Bermejo, Edouard Martin, Nadine Morano, Dan Nica, Angelika Niebler, Morten Helveg Petersen, Miroslav Poche, Paul Rübig, Massimiliano Salini, Algirdas Saudargas, Sven Schulze, Neoklis Sylikiotis, Dario Tamburrano, Evžen Tošenovský, Vladimir Urutchev, Kathleen Van Brempt, Henna Virkkunen, Martina Werner, Lieve Wierinck, Hermann Winkler, Anna Záborská, Flavio Zanonato

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Cornelia Ernst, Gerben-Jan Gerbrandy, Françoise Grossetête, Werner Langen, Luděk Niedermayer, Dominique Riquet, Davor Škrlec

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Jan Keller

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE ADVISERENDE COMMISSIE

52

+

ALDE

Fredrick Federley, Gerben-Jan Gerbrandy, Kaja Kallas, Morten Helveg Petersen, Dominique Riquet, Lieve Wierinck

ECR

Edward Czesak, Ashley Fox, Hans-Olaf Henkel, Zdzisław Krasnodębski, Evžen Tošenovský

EFDD

Dario Tamburrano

ENF

Angelo Ciocca, Barbara Kappel, Christelle Lechevalier

PPE

Bendt Bendtsen, Cristian-Silviu Buşoi, Jerzy Buzek, Christian Ehler, Françoise Grossetête, Krišjānis Kariņš, Werner Langen, Nadine Morano, Angelika Niebler, Luděk Niedermayer, Paul Rübig, Massimiliano Salini, Algirdas Saudargas, Sven Schulze, Vladimir Urutchev, Henna Virkkunen, Hermann Winkler, Anna Záborská

S&D

Zigmantas Balčytis, José Blanco López, Adam Gierek, Theresa Griffin, Eva Kaili, Jan Keller, Jeppe Kofod, Peter Kouroumbashev, Miapetra Kumpula-Natri, Edouard Martin, Dan Nica, Miroslav Poche, Kathleen Van Brempt, Martina Werner, Flavio Zanonato, Carlos Zorrinho

VERTS/ALE

Jakop Dalunde, Rebecca Harms, Davor Škrlec

1

-

EFDD

Jonathan Bullock

4

0

GUE/NGL

Xabier Benito Ziluaga, Cornelia Ernst, Paloma López Bermejo, Neoklis Sylikiotis

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

PB C 269 van 23.7.2016, blz. 26.


ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (26.4.2018)

aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

inzake een Europees "één gezondheid"-actieplan tegen antimicrobiële resistentie (AMR)

(2017/2254(INI))

Rapporteur voor advies: Matt Carthy

SUGGESTIES

De Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling verzoekt de bevoegde Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  overwegende dat de "één gezondheid"-benadering tot doel heeft de doeltreffendheid van de behandeling van infecties bij mensen en dieren te behouden, de opkomst en verspreiding van antimicrobiële resistentie (AMR) te verminderen en de ontwikkeling en beschikbaarheid van nieuwe antimicrobiële stoffen binnen en buiten de Unie te doen toenemen;

B.  overwegende dat antimicrobiële resistentie een grensoverschrijdende bedreiging van de gezondheid vormt, maar dat de situatie met betrekking tot AMR sterk verschilt per lidstaat; overwegende dat de Commissie dan ook de plicht heeft in kaart te brengen welke domeinen een sterke Europese toegevoegde waarde opleveren en haar optreden hierop te richten, met inachtneming van de bevoegdheden van de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor het bepalen van hun eigen gezondheidsbeleid;

C.  overwegende dat het milieu een rol kan spelen bij de opkomst en verspreiding van AMR bij dieren, met name als gevolg van menselijke, dierlijke en industriële afvalstromen;

1.  benadrukt dat AMR een kritiek wereldgezondheidsprobleem is waarvoor inzet en samenwerkingsbereidheid van de lidstaten binnen de EU en op internationaal niveau vereist is, door middel van proactief en gecoördineerd optreden; onderstreept het belang van een holistische aanpak bij de bestrijding van AMR via de "één gezondheid"-benadering, door te zorgen voor gelijktijdig optreden op mondiaal niveau op het vlak van de menselijke gezondheid, dierengezondheid en het milieu; onderstreept dan ook hoe belangrijk het is te beschikken over geharmoniseerde gegevens met betrekking tot het gebruik van antimicrobiële stoffen in de veehouderijsector; bekrachtigt dat er een breed, objectief en wetenschappelijk onderbouwd debat over dit onderwerp moet worden gevoerd;

2.  wijst op de recente richtsnoeren van de WHO(1) over het gebruik van medisch belangrijke antimicrobiële stoffen bij voedselproducerende dieren, waarin landbouwers en de levensmiddelenindustrie wordt aanbevolen te stoppen met het routinematige gebruik van antibiotica om de groei bij gezonde dieren te bevorderen en ziekten bij deze dieren tegen te gaan teneinde de verspreiding van AMR te voorkomen, en waarin wordt voorgesteld het gebruik van antibiotica als uiterste middel helemaal te verbieden bij dieren;

3.  onderstreept dat het routinematige gebruik van een paar van de sterkste antibiotica in een aantal ontwikkelingslanden inmiddels een gangbare landbouwpraktijk is geworden;

4.  is van mening dat ons begrip over de overdracht van AMR van boerderijdieren naar mensen al vrij solide is en dat dit niet voldoende naar voren komt in het actieplan; merkt op dat in het actieplan uitsluitend wordt opgeroepen tot nader onderzoek en het dichten van kennisgaten op dit gebied, waardoor broodnodig optreden mogelijk wordt uitgesteld;

5.  verzoekt de Commissie en de lidstaten een ambitieuze en proactieve benadering aan de dag te leggen om de in hun actieplannen opgenomen doelstellingen volledig en op doeltreffende wijze te halen en de resultaten nauwgezet bij te houden; pleit bij het opstellen van de actieplannen verder voor meetbare (duidelijk gedefinieerde kwantitatieve of kwalitatieve) doelen, benchmarks en doeltreffende maatregelen om deze doelen te halen; verzoekt de Commissie lidstaten te ondersteunen bij de ontwikkeling, beoordeling en uitvoering van nationale actieplannen tegen AMR, vooral met betrekking tot monitoring- en surveillancesystemen en met inbegrip van passende steun en stimulerende maatregelen;

6.  verzoekt de Commissie en de lidstaten een onderscheid aan te brengen tussen vee en huisdieren, vooral bij het opzetten van regelingen voor de controle op en de beoordeling van het gebruik van antimicrobiële stoffen en bij het ontwikkelen van maatregelen om het gebruik ervan aan te pakken;

7.  benadrukt dat er in de landbouw in samenwerking met dierenartsen een alomvattende methode voor de monitoring van antibiotica is ontwikkeld waarmee het gebruik van antibiotica uitgebreid in kaart wordt gebracht en de toediening ervan verder wordt verbeterd; betreurt het dat er tot nu toe voor de menselijke geneeskunde geen vergelijkbaar systeem bestaat;

8.  pleit voor nieuwe regelgevende oplossingen (basiswetgeving, secundaire wetgeving of richtsnoeren van de Unie) waarmee landbouwers het gebruik van antibiotica in de veeteelt kunnen beperken, met het oog op een verstandig en verantwoord gebruik van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik; hamert erop dat dergelijke wetgevingsoplossingen, met inbegrip van de lopende en met elkaar samenhangende werkzaamheden aan het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de productie, de afzet en het gebruik van diervoeders met medicinale werking en de intrekking van Richtlijn 90/167/EEG van de Raad (COM(2014)0556) en het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (COM(2014)0558), moeten gelden voor profylactische toediening en moeten waarborgen dat de metafylactische toediening van antimicrobiële stoffen alleen is toegestaan in zeer uitzonderlijke gevallen; benadrukt dat de administratieve rompslomp voor landbouwers tot een minimum beperkt moet blijven;

9.  is van mening dat de terugdringing van het antibioticagebruik niet alleen een doel moet zijn in de veeteelt maar ook in alle facetten van de menselijke en de diergeneeskunde; onderstreept dat, aan de hand van het wetenschappelijk advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en andere bevoegde EU-agentschappen, een van de doelstellingen in de actieplannen van alle lidstaten moet zijn om uiterst belangrijke antimicrobiële stoffen die door de WHO in kaart zijn gebracht, uitsluitend voor te behouden voor toediening bij mensen; is dan ook van mening dat de EU het diergeneeskundige gebruik van antibiotica die van kritiek belang zijn voor de menselijke geneeskunde moet verbieden; is ingenomen met het initiatief van diverse lidstaten om het gebruik van antibiotica als "uiterste middel", dat normaal wordt ingezet voor de behandeling van mensen, bij landbouwdieren te verbieden;

10.  herinnert eraan dat voeding een van de manieren is om resistente bacteriën over te dragen van dieren op mensen, en dat resistente bacteriën bovendien kunnen circuleren in groepen mensen en dieren via water en het milieu; neemt kennis van de risico's op infecties met resistente organismen via besmette gewassen die zijn behandeld met antimicrobiële stoffen, of via mest of weggesijpelde stoffen in het grondwater op boerderijen; wijst er in dit verband op dat de verspreiding van dergelijke bacteriën wordt beïnvloed door handel, reizen en migratie van mensen en dieren;

11.  is van mening dat, teneinde de verantwoorde toediening van antimicrobiële geneesmiddelen te vergemakkelijken, een snelle, betrouwbare en doeltreffende diergeneeskundige diagnostiek hard nodig is om de oorzaak van een ziekte vast te stellen en testen uit te voeren waarmee de gevoeligheid voor antibiotica kan worden vastgesteld; denkt dat het hierdoor mogelijk wordt een correcte diagnose te stellen en antimicrobiële geneesmiddelen gericht in te zetten, waarbij een zo beperkt mogelijk gebruik van uiterst belangrijke antimicrobiële geneesmiddelen wordt bevorderd om zodoende de ontwikkeling van AMR tegen te gaan;

12.  steunt als eerste aanzet het antwoord van de Raad op het ontwerp van de Codex Alimentarius om antimicrobiële resistentie tot een minimum te beperken en onder controle te houden en de beginselen 18 en 19 daarvan over de verantwoorde en verstandige toediening van antimicrobiële stoffen;

13.  wijst erop dat de inferieure kwaliteit van medische en diergeneeskundige producten met een lage concentratie aan werkzame stoffen en/of het langdurig gebruik ervan het ontstaan van resistente microben in de hand werkt; verzoekt de Commissie en de lidstaten dan ook wetten te verbeteren en op te stellen waarmee wordt gewaarborgd dat geneesmiddelen van hoogwaardige kwaliteit, veilig en doeltreffend zijn en dat de toediening ervan geschiedt volgens strikte beginselen;

14.  pleit voor nader onderzoek naar en de verdere ontwikkeling van nieuwe antimicrobiële geneesmiddelen of nieuwe alternatieven om de natuurlijke weerstand te versterken voorafgaand aan en tijdens kritieke landbouwfasen; benadrukt het belang van mondiale coördinatie en samenwerking met alle belanghebbenden om onderzoek naar nieuwe antibiotica en aanverwante alternatieven te stimuleren; moedigt daarnaast onderzoek naar andere, zo ook kostenefficiënte, alternatieven aan, op basis van de ontwikkeling van duurzamere en diervriendelijkere landbouwsystemen; stelt vast dat er aanzienlijke hoeveelheden antibiotica worden toegediend bij dieren die in te krappe ruimten en in erbarmelijke omstandigheden leven; merkt op dat onderzoek uitwijst dat dieren in minder intensieve landbouwmodellen minder stress ervaren, wat betekent dat hun immuunsysteem minder wordt aangesproken;

15.  benadrukt dat de verspreiding van antimicrobiële stoffen en de AMR in het milieu die daar het gevolg van is ook een toenemende bron van zorg is, en dat hiernaar nader onderzoek moet worden verricht; onderstreept met name dat er dringend behoefte is aan gedegen onderzoek naar de gevolgen van antimicrobiële stoffen in voedingsgewassen en diervoeders voor microbiële gemeenschappen in de bodem en in aquatische ecosystemen, en onderzoek naar de lozing van drijfmest en afvalwater;

16.  is van mening dat er, om onderzoek naar nieuwe antimicrobiële geneesmiddelen aan te moedigen, stimulerende maatregelen nodig zijn, waaronder langere beschermingstermijnen voor technische documentatie over nieuwe geneesmiddelen, de commerciële bescherming van innovatieve werkzame stoffen en de bescherming van aanzienlijke investeringen in gegevens die gegenereerd worden om een bestaand antimicrobieel product te verbeteren of op de markt te houden;

17.  onderstreept in dit verband dat het met het huidige innovatiekader niet mogelijk is O&O op het gebied van AMR doeltreffend te stimuleren, en verzoekt om de aanpassing en harmonisering van de regeling inzake intellectuele eigendom op Europees niveau, met name om met betrekking tot het innovatieve geneesmiddel in kwestie de duur van de bescherming beter te laten samenvallen met de aangevraagde periode;

18.  benadrukt dat landbouwadviesdiensten een belangrijke rol kunnen spelen bij de bevordering van duurzame landbouwbeheerpraktijken;

19.  benadrukt het belang van doeltreffende milieurisicobeoordelingen in het goedkeuringsproces voor nieuwe en bestaande geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik met antimicrobiële eigenschappen, vooral wat betreft de eindpunten van antimicrobiële stoffen in de wijdere omtrek;

20.  benadrukt hoe waardevol preventieve oplossingen zoals vaccinaties zijn in de strijd tegen AMR; merkt op dat in het Europees "één gezondheid"-actieplan tegen AMR wordt gesteld dat immunisatie door middel van vaccinatie een kosteneffectieve gezondheidsinterventie is in de strijd tegen AMR; pleit voor de integratie van streefdoelen voor levenslange vaccinatie als een element dat moet worden opgenomen in de nationale veterinaire actieplannen inzake AMR;

21.  wijst erop dat gezien de beperkte doeltreffendheid van bepaalde antibiotica snelle diagnostische testen medisch personeel kunnen helpen bij het bieden van gerichte en doeltreffende behandelopties als een haalbaar alternatief voor het voorschrijven van antibiotica aan mensen;

22.  is van mening dat voorschriften om op etiketten te verwijzen naar het gebruik van antibiotica kunnen leiden tot meer kennis bij de consumenten waardoor ze een beter onderbouwde keuze kunnen maken; merkt op dat als producten worden voorzien van het etiket "antibioticavrij" dit landbouwers kan aansporen om af te zien van een antibioticakuur als een dier die behandeling misschien wel nodig heeft, uit angst voor de economische gevolgen indien het vlees niet verkocht wordt;

23.  benadrukt dat ziektepreventie de eerste stap moet zijn voor wetgeving en andere voorstellen waarmee AMR in de landbouw wordt aangepakt, om een hoog niveau van dierenwelzijn te garanderen en minder vaak te hoeven terugvallen op antibiotica; benadrukt dat de veehouderijsector zich meer moet concentreren op ziektepreventie en dierenwelzijn door een goede hygiëne in acht te nemen, de dieren in passende omstandigheden onder te brengen, goede veeteeltpraktijken te hanteren en strenge bioveiligheidsmaatregelen te treffen; hamert erop dat antibiotica nooit mogen worden gebruikt als compensatie voor slechte hygiëne of ondermaatse veeteeltpraktijken; benadrukt hoe belangrijk de uitwisseling van beste praktijken tussen de lidstaten en de coördinatie hiervan door de Commissie is;

24.  wijst op de preventieve maatregelen die moeten worden genomen voordat er wordt gekozen voor antimicrobiële behandeling van hele groepen (metafylaxe) voedselproducerende dieren:

–  het gebruik van goede, gezonde fokdieren die op natuurlijke wijze groeien, met de juiste genetische verscheidenheid;

–  omstandigheden die zijn afgestemd op de ethologische behoeften van de diersoort, inclusief sociale interacties en hiërarchieën;

–  bezettingsdichtheden die het risico op ziekteoverdracht niet vergroten;

–  isoleren van zieke dieren van de rest van de groep;

–  (voor kippen en kleinere dieren) onderverdeling in kleinere, fysiek gescheiden groepen;

–  tenuitvoerlegging van bestaande regels inzake dierenwelzijn die al voldoen aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen (RME's) 11, 12, 13 van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1306/2013(2) gestelde randvoorwaarden;

25.  is van mening dat toereikende financiering voor investeringen binnen landbouwbedrijven, zoals voor hoogwaardige huisvesting, ventilatie, schoonmaak, desinfectie, vaccinatie en bioveiligheid moeten worden gestimuleerd en niet mogen worden afgezwakt in het toekomstige GLB; benadrukt dat doeltreffende maatregelen op het vlak van sanitaire voorzieningen, hygiëne en infectiepreventie het risico op infecties beperken; beseft in dat opzicht hoe belangrijk het is dat leden van de landbouwgemeenschap zich bewust zijn van dierenwelzijn, dierengezondheid en voedselveiligheid; merkt op hoe belangrijk het is om optimale werkmethoden te bevorderen en te hanteren in alle stadia van de productie en de verwerking van levensmiddelen;

26.  stelt vast dat bepaalde gewasbeschermingsproducten mogelijk ook antimicrobiële eigenschappen hebben die de verspreiding van AMR kunnen beïnvloeden; pleit voor verder onderzoek naar het mogelijke verband tussen de blootstelling aan commerciële toepassingen van pesticiden en de ontwikkeling van antimicrobiële resistentie;

27.  benadrukt dat studies erop wijzen(3) dat pathogene bacteriën tolerantie voor antibiotica kunnen ontwikkelen door blootstelling aan herbiciden en hun commerciële toepassingen bij concentraties die vergelijkbaar zijn met de op landbouwakkers gebruikelijke dosering;

28.  onderschrijft dat herbiciden routinematig getest worden op toxiciteit maar niet op subletale effecten op microben, en benadrukt om bovengenoemde redenen hoe belangrijk het is om te overwegen deze testen routinematig uit te voeren;

29.  stelt voor dat, op grond van aanwijzingen van een verband tussen het gebruik van herbiciden en AMR, bij elke vergunning voor herbicideresistente genetisch gemodificeerde gewassen (die vermoedelijk behandeld zijn met een herbicide waartegen zij resistent zijn) het voorzorgsbeginsel ten volle wordt toegepast, en dat voor het afgeven van een dergelijke vergunning sluitende wetenschappelijke bewijzen moeten worden geleverd dat het risico op een dergelijk verband kan worden uitgesloten;

30.  verzoekt de Commissie het vervoer van levende dieren aan banden te leggen uit gebieden waar door het huidige monitoringsysteem antimicrobieel resistente bacteriestammen zijn ontdekt;

31.  benadrukt dat AMR een probleem is met veel aspecten, en verzoekt de Commissie en de lidstaten de samenwerking tussen dierenartsen, belanghebbenden in de landbouwsector en andere gezondheidswerkers in de strijd tegen AMR te bevorderen; wijst op de cruciale rol van onderwijs, opleidingsprogramma's en bewustmakingscampagnes, op basis van de meest recente wetenschappelijke ontwikkelingen, om bij landbouwers, dierenartsen, deskundigen, mensen met huisdieren en alle personen die betrokken zijn bij de veeteelt te attenderen op de gevaren van AMR; pleit ervoor dat er financiering beschikbaar wordt gesteld om bij landbouwers en andere belanghebbenden in de veeteelt bewustzijn te kweken over AMR en het verstandige gebruik van antimicrobiële geneesmiddelen in de veterinaire geneeskunde zodat zij antimicrobiële middelen alleen toedienen als het echt noodzakelijk is in plaats van daar stelselmatig preventief gebruik van te maken; benadrukt hoe belangrijk de expertise van dierenartsen is omdat daarmee wordt bijgedragen aan een groter bewustzijn over AMR;

32.  merkt op dat ook de agentschappen van de EU bevestigen dat er een verband bestaat tussen antibioticaresistentie bij voedselproducerende dieren (bijv. vleeskippen) en een groot deel van de bacteriële infecties bij de mens als gevolg van de behandeling, de bereiding en de consumptie van het vlees van deze dieren(4);

33.  benadrukt dat onderzoek uitwijst dat ingrepen waarmee de toediening van antibiotica aan voedselproducerende dieren aan banden wordt gelegd, in verband worden gebracht met een afname van de aanwezigheid van antibioticaresistente bacteriën bij deze dieren(5);

34.  onderstreept dat de bedrijfscultuur van sommige producenten van veterinaire geneesmiddelen moet worden veranderd en dat er nauwe banden moeten worden aangeknoopt met alle belanghebbenden, onder wie producenten van veterinaire geneesmiddelen om het verantwoorde gebruik van antibiotica of alternatieven voor antimicrobiële stoffen (zoals probiotica of vaccins) in de veeteelt aan te moedigen en te bevorderen; benadrukt tevens dat dierenartsen niet gestimuleerd mogen worden om bepaalde geneesmiddelen voor te schrijven, aan te prijzen of te leveren; benadrukt dat het succes in grote mate afhangt van de verantwoordingsplicht van beroepsbeoefenaars in diverse sectoren, van de samenwerking tussen dierenartsen en veehouders, en van de omstandigheid dat antibiotica alleen op recept mogen worden verstrekt;

35.  verzoekt de Commissie met name regels te ontwikkelen voor een geharmoniseerde controle op de verkoop van veterinaire antimicrobiële geneesmiddelen en de toediening daarvan aan huisdieren, waarmee de lidstaten worden verplicht relevante en vergelijkbare gegevens over de verkoop en de toediening van antimicrobiële veterinaire geneesmiddelen door te geven aan het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) om vergelijkingen tussen landen mogelijk te maken en te kunnen bepalen wat de beste werkmethoden op nationaal niveau zijn; is van mening dat er regelmatig evaluaties moeten worden uitgevoerd om de doeltreffendheid te controleren; benadrukt dat er moet worden nagedacht over de aanpak van de illegale verkoop van antimicrobiële geneesmiddelen en dat het bewustzijn over de gevolgen van dit probleem voor de volksgezondheid moet worden aangewakkerd;

36.  benadrukt de noodzakelijke synergie tussen de "één gezondheid"-benadering en de bestaande monitoringgegevens met betrekking tot het milieu, met name de gegevens die zijn verkregen op basis van de aandachtstoffenlijst uit de kaderrichtlijn water, om de beschikbare kennis over de aanwezigheid en de verspreiding van antimicrobiële stoffen in het milieu te verbeteren;

37.  benadrukt dat de toediening van antibiotica als groeibevorderaars aan voedselproducerende dieren sinds 2006 verboden is in de EU; verzoekt de Commissie dit verbod als voorwaarde op te leggen voor alle levensmiddelen die via vrijhandelsovereenkomsten uit derde landen worden geïmporteerd om te zorgen voor een gelijk speelveld; verzoekt om een uitbreiding en omzetting van dit verbod naar alle internationale rechtshandelingen die mogelijk betrekking hebben op het gebruik van antibiotica bij dieren (in het kader van de Codex Alimentarius, de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE), de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO), enz.); verzoekt de Commissie daarnaast partners aan te sporen hun AMR-doelstellingen onderling af te stemmen en in de EU gehanteerde optimale werkmethoden over te nemen op hun eigen grondgebied, onder andere door wederkerigheidsclausules op te nemen in handelsovereenkomsten;

38.  dringt er bij de gezondheidsautoriteiten op aan grondige controles uit te voeren om illegaal antibioticagebruik in de EU te voorkomen;

39.  stelt dat deze kwestie in elke toekomstige handelsovereenkomst met het VK na de brexit aan de orde moet worden gesteld en als voorwaarde moet worden gesteld van het akkoord dat eventuele vooruitgang die wordt geboekt met de EU-maatregelen voor de aanpak van AMR wordt opgevolgd door het VK om de consumenten en werknemers in zowel de EU als het VK te beschermen;

40.  merkt op dat voedselproducerend vee in de VS vijf keer zo veel antibiotica krijgt toegediend als boerderijdieren in het VK; onderstreept dan ook het belang van controles op vlees dat in de EU wordt ingevoerd;

41.  verzoekt de Commissie en de lidstaten kwesties in verband met AMR op het hoogste politieke niveau onder de aandacht te brengen, zo ook op alle relevante VN- en andere internationale fora, en dat daarbij moet worden gestreefd naar ambitieuze resultaten; benadrukt dat internationale samenwerking in het kader waarvan informatie, kennis en optimale werkmethoden op het vlak van de aanpak van AMR gedeeld worden in de context van de "één gezondheid"-benadering cruciaal zijn voor de gezondheid van mensen en dieren wereldwijd, en dat doortastende maatregelen en alomvattende wetgeving het evenwicht tussen de gezondheid van mensen, dieren en het milieu moeten waarborgen; is ingenomen met het opzetten van het "één gezondheid"-netwerk voor AMR dat bedoeld is om de grensoverschrijdende uitwisseling van goede praktijken tussen de sectoren menselijke en dierengezondheidszorg van de lidstaten te vergemakkelijken waarmee het delen van innovatieve ideeën mogelijk wordt en er op nationaal niveau meer wordt gedaan aan de aanpak van AMR;

42.  verwijst naar het mondiale actieplan tegen antimicrobiële resistentie, dat is goedgekeurd door de Wereldgezondheidsvergadering tijdens haar 68e vergadering in mei 2015, om antimicrobiële resistentie aan te pakken, met inbegrip van antibioticaresistentie (WHA68/2015/REC/1, bijlage 3);

43.  wenst dat antibioticafabrikanten grondig gecontroleerd worden zodat de afbraaktermijnen zijn afgestemd op de werkelijkheid, waarmee wordt gewaarborgd dat levensmiddelen geen antibiotica bevatten;

44.  merkt op dat antibioticaresistente genen op de hele wereld in het milieu worden aangetroffen: in de bodem, het water en afzettingen; benadrukt dat installaties voor de behandeling van afvalwater een belangrijke bron zijn voor antibioticaresistente genen in het milieu vanwege het antibiotica-afval dat afkomstig is uit huishoudens, ziekenhuizen en de industrie; pleit voor een stelselmatig toezicht op antibiotica en antibioticaresistente genen in installaties voor de behandeling van afvalwater en voor meer investeringen in filtersystemen;

45.  wijst erop dat antibiotica in de intensieve veeteelt soms op oneigenlijke wijze en routinematig worden toegevoegd aan het voer voor (pluim)vee op boerderijen om een snellere groei te bevorderen, en ook algemeen voor profylactische doeleinden worden gebruikt om de verspreiding van ziekten te voorkomen die optreden als gevolg van ruimtegebrek, opsluiting en de stressvolle omstandigheden waarin de dieren worden gehouden en die hun immuunsysteem onderdrukken, alsook om de onhygiënische omstandigheden waarin zij worden gefokt te compenseren;

46.  onderstreept dat volgens het gezamenlijk wetenschappelijk advies van het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) en de EFSA over de maatregelen ter verlaging van het gebruik van antimicrobiële stoffen en van de noodzaak om antimicrobiële stoffen te gebruiken bij voedselproducerende dieren in de Europese Unie en de gevolgen daarvan voor de voedselveiligheid (Ronafa)(6) veilig en uitgebalanceerd voer een doeltreffende preventieve maatregel vormt om dieren te helpen ziekteverwekkers de baas te zijn door de dierengezondheid en het dierenwelzijn in het algemeen te bevorderen met behulp van specifieke voederstrategieën, de samenstelling van voer, voederbereidingen en voerverwerking;

47.  pleit voor de bevordering en versterking van en de overgang naar een op agro-ecologie gebaseerde productiewijze;

48.  onderstreept dat de wereld zonder geharmoniseerd en acuut optreden op mondiale schaal afstevent op een post-antibioticatijdperk waarin veel voorkomende infecties weer dodelijk kunnen worden.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

24.4.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

40

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Eric Andrieu, Daniel Buda, Nicola Caputo, Matt Carthy, Jacques Colombier, Michel Dantin, Paolo De Castro, Jean-Paul Denanot, Albert Deß, Jørn Dohrmann, Herbert Dorfmann, Norbert Erdős, Luke Ming Flanagan, Martin Häusling, Esther Herranz García, Ivan Jakovčić, Jarosław Kalinowski, Zbigniew Kuźmiuk, Norbert Lins, Philippe Loiseau, Mairead McGuinness, Giulia Moi, Ulrike Müller, Maria Noichl, Stanisław Ożóg, Laurenţiu Rebega, Bronis Ropė, Maria Lidia Senra Rodríguez, Czesław Adam Siekierski, Tibor Szanyi, Marc Tarabella, Maria Gabriela Zoană, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Bas Belder, Franc Bogovič, Jens Gieseke, Karin Kadenbach, Elsi Katainen, Momchil Nekov, Ivari Padar, Tom Vandenkendelaere, Thomas Waitz

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

40

+

ALDE

Ivan Jakovčić, Elsi Katainen, Ulrike Müller

ECR

Jørn Dohrmann, Zbigniew Kuźmiuk, Stanisław Ożóg, Laurenţiu Rebega

EFDD

Giulia Moi, Marco Zullo

ENF

Jacques Colombier, Philippe Loiseau

GUE/NGL

Matt Carthy, Luke Ming Flanagan, Maria Lidia Senra Rodríguez

PPE

Franc Bogovič, Daniel Buda, Michel Dantin, Albert Deß, Herbert Dorfmann, Norbert Erdős, Jens Gieseke, Esther Herranz García, Jarosław Kalinowski, Norbert Lins, Mairead McGuinness, Czesław Adam Siekierski, Tom Vandenkendelaere

S&D

Eric Andrieu, Nicola Caputo, Paolo De Castro, Karin Kadenbach, Momchil Nekov, Maria Noichl, Ivari Padar, Tibor Szanyi, Marc Tarabella, Maria Gabriela Zoană

VERTS/ALE

Martin Häusling, Bronis Ropė, Thomas Waitz

0

-

0

0

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

WHO guidelines on use of medically important antimicrobials in food-producing animals, ISBN 978-92-4-155013-0.

(2)

Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549), tot toepassing van de voorschriften als vastgelegd in Richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren (PB L 221 van 8.8.1998, blz. 23); Richtlijn 91/630/EEG van de Raad van 19 november 1991 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens (PB L 340 van 11.12.1991, blz. 33); Richtlijn 91/629/EEG van de Raad van 19 november 1991 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van kalveren (PB L 340 van 11.12.1991, blz. 28).

(3)

Kurenbach, B. et al., mBio, vol. 6, nr. 2, 2015: Sublethal Exposure to Commercial Formulations of the Herbicides Dicamba, 2,4-Dichlorophenoxyacetic Acid, and Glyphosate Cause Changes in Antibiotic Susceptibility in Escherichia coli and Salmonella enterica serovar Typhimurium.

(4)

Het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid: https://ecdc.europa.eu/sites/portal/files/media/en/publications/Publications/antimicrobial-resistance-zoonotic-bacteria-humans-animals-food-EU-summary-report-2014.pdf

(5)

http://www.thelancet.com/pdf/journals/lanplh/PIIS2542-5196(17)30141-9pdf

(6)

http://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/4666


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

20.6.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

62

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marco Affronte, Margrete Auken, Pilar Ayuso, Zoltán Balczó, Simona Bonafè, Biljana Borzan, Paul Brannen, Soledad Cabezón Ruiz, Nessa Childers, Birgit Collin-Langen, Miriam Dalli, Mark Demesmaeker, Stefan Eck, Bas Eickhout, José Inácio Faria, Francesc Gambús, Elisabetta Gardini, Gerben-Jan Gerbrandy, Arne Gericke, Jens Gieseke, Julie Girling, Sylvie Goddyn, Françoise Grossetête, Andrzej Grzyb, Jytte Guteland, György Hölvényi, Anneli Jäätteenmäki, Jean-François Jalkh, Benedek Jávor, Karin Kadenbach, Kateřina Konečná, Urszula Krupa, Giovanni La Via, Peter Liese, Lukas Mandl, Valentinas Mazuronis, Joëlle Mélin, Susanne Melior, Miroslav Mikolášik, Massimo Paolucci, Bolesław G. Piecha, Pavel Poc, John Procter, Frédérique Ries, Annie Schreijer-Pierik, Renate Sommer, Claudiu Ciprian Tănăsescu, Ivica Tolić, Estefanía Torres Martínez, Adina-Ioana Vălean, Jadwiga Wiśniewska, Damiano Zoffoli

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Herbert Dorfmann, Eleonora Evi, Eleonora Forenza, Jan Huitema, Peter Jahr, Norbert Lins, Christel Schaldemose, Bart Staes

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Clare Moody, Thomas Waitz


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

62

+

ALDE

Gerben-Jan Gerbrandy, Jan Huitema, Anneli Jäätteenmäki, Valentinas Mazuronis, Frédérique Ries

ECR

Mark Demesmaeker, Arne Gericke, Urszula Krupa, Bolesław G. Piecha, John Procter, Jadwiga Wiśniewska

EFDD

Eleonora Evi

ENF :

Sylvie Goddyn, Jean-François Jalkh, Joëlle Mélin

GUE/NGL

Stefan Eck, Eleonora Forenza, Kateřina Konečná, Estefanía Torres Martínez

NI 

Zoltán Balczó

PPE

Pilar Ayuso, Birgit Collin-Langen, Herbert Dorfmann, José Inácio Faria, Francesc Gambús, Elisabetta Gardini, Jens Gieseke, Julie Girling, Françoise Grossetête, Andrzej Grzyb, György Hölvényi, Peter Jahr, Giovanni La Via, Peter Liese, Norbert Lins, Lukas Mandl, Miroslav Mikolášik, Annie Schreijer-Pierik, Renate Sommer, Ivica Tolić, Adina-Ioana Vălean

S&D

Simona Bonafè, Biljana Borzan, Paul Brannen, Soledad Cabezón Ruiz, Nessa Childers, Miriam Dalli, Jytte Guteland, Karin Kadenbach, Susanne Melior, Clare Moody, Massimo Paolucci, Pavel Poc, Christel Schaldemose, Claudiu Ciprian Tănăsescu, Damiano Zoffoli

VERTS/ALE

Marco Affronte, Margrete Auken, Bas Eickhout, Benedek Jávor, Bart Staes, Thomas Waitz

0

-

 

 

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 29 augustus 2018Juridische mededeling