Procedure : 2017/2128(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0268/2018

Ingediende teksten :

A8-0268/2018

Debatten :

PV 13/09/2018 - 4
CRE 13/09/2018 - 4

Stemmingen :

PV 13/09/2018 - 10.14
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0356

VERSLAG     
PDF 759kWORD 77k
23.7.2018
PE 618.104v02-00 A8-0268/2018

over de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1107/2009 betreffende gewasbeschermingsmiddelen

(2017/2128(INI))

Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

Rapporteur: Pavel Poc

AMENDEMENTEN
TOELICHTING – SAMENVATTING VAN DE FEITEN EN BEVINDINGEN
 ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

TOELICHTING – SAMENVATTING VAN DE FEITEN EN BEVINDINGEN

Algemene achtergrond en overzicht van het bewijsmateriaal

In mei 2017 heeft de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (ENVI) van het Europees Parlement een verzoek ingediend om een verslag over de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1107/2009 betreffende gewasbeschermingsmiddelen, hierna "de verordening" op te stellen. Dit verslag maakt deel uit van het uitvoeringstoetsingsprogramma van de Commissie ENVI.

De afdeling Evaluatie achteraf (EVAL) van het directoraat Effectbeoordeling en Europese Meerwaarde (dat ressorteert onder het directoraat-generaal Parlementaire Onderzoeksdiensten, DG EPRS) leverde de expertise voor de tenuitvoerlegging van de verordening. Om het vereiste bewijsmateriaal te vergaren werd opdracht gegeven voor een studie waarin de tenuitvoerlegging van de verordening werd geëvalueerd. De resultaten werden geconsolideerd in een Europese uitvoeringsbeoordeling (EIA) en officieel gepubliceerd in april 2018(1).

De studie was gebaseerd op vier onderling verbonden onderzoekslijnen:

–  "Evaluatie van de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1107/2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en de gevolgen ervan. Inventarisatie van de afwijkingen die de lidstaten uit hoofde van artikel 53 van de verordening hebben toegestaan";

–  "Beoordelingscriteria en capaciteit voor betrouwbare en geharmoniseerde 'risico-identificatie' van werkzame stoffen";

–  "Beoordeling van de capaciteit van de lidstaten om te zorgen voor een betrouwbare 'toelating van gewasbeschermingsmiddelen', en de uniformiteit ervan";

–  "Inventarisatie van praktijken van wetenschappelijke (risicobeoordeling) evaluatie van werkzame stoffen die gebruikt worden in gewasbeschermingsmiddelen".

Een omvattende studie naar de impact van de verordening was nooit eerder verricht. In de EIA zijn nieuwe gegevens en bevindingen bijeengebracht. Zij is de belangrijkste informatiebron voor dit uitvoeringsverslag.

Er dient op te worden gewezen dat de Commissie in november 2016 een Routekaart inzake de REFIT-evaluatie(2) van EU-wetgeving inzake gewasbeschermingsmiddelen en bestrijdingsmiddelenresiduen heeft gepubliceerd, waarvan de resultaten begin 2019 worden verwacht.

Hoofddoel van beide evaluaties is de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1107/2009 te beoordelen. Hoewel de reikwijdte van de evaluatie door de Commissie groter is(3), zijn de evaluatiecriteria identiek.

Daarnaast is de Europese Ombudsman in februari 2016 tot een conclusie gekomen in Zaak 12/2013/MDC betreffende het handelen van de Commissie ten aanzien van de toelating en het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen. De Commissie, in haar hoedanigheid van risicobeheerder, heeft de plicht ervoor te zorgen dat de werkzame stoffen die zij goedkeurt niet schadelijk zijn voor de gezondheid van mens en dier, noch voor het milieu. De Ombudsman was van mening dat de Commissie de neiging heeft in de praktijk te soepel te zijn en onvoldoende rekening houdt met het voorzorgsbeginsel.

Er zijn ook relevante uitspraken van het Europese Hof van Justitie en andere relevante prejudiciële uitspraken waar de rapporteur rekening mee heeft gehouden.

De recente controverse over de hernieuwing van de goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat bewijst dat het vertrouwen in de toelating van gewasbeschermingsmiddelen in de EU ernstig is ondermijnd. In oktober 2017 verklaarde de Commissie het Europese burgerinitiatief "Verbied glyfosaat en bescherm mens en milieu tegen giftige gewasbeschermingsmiddelen"(4) ontvankelijk. Meer dan 1 miljoen burgers verzochten de Commissie "de lidstaten voor te stellen glyfosaat te verbieden, de toelatingsprocedure voor bestrijdingsmiddelen te hervormen en bindende EU-doelstellingen vast te leggen om het gebruik van bestrijdingsmiddelen te verminderen".

Tegen deze achtergrond besloot het Europees Parlement in februari 2018 een Bijzondere Commissie toelatingsprocedure van de Unie voor pesticiden (PEST) op te richten om de toelatingsprocedure voor bestrijdingsmiddelen in de Unie te analyseren en te beoordelen, met inbegrip van de gebruikte methodologie en de wetenschappelijke kwaliteit daarvan, de onafhankelijkheid van de procedure ten opzichte van de industrie, en de transparantie van het besluitvormingsproces en de uitkomsten daarvan.

Bovendien stelde de Europese Commissie in april 2018 als follow-up van haar antwoord aan het Europese burgerinitiatief(5) officieel een gerichte herziening van de Algemene levensmiddelenwetgeving voor en publiceerde zij een voorstel voor een verordening betreffende de transparantie en duurzaamheid van de EU-risicobeoordeling in de voedselketen(6), houdende wijziging van o.a. de verordeningen die hier worden besproken.

Dit toont aan dat het evalueren van een ingewikkeld regelgevingssysteem om het op de interne EU-markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen te harmoniseren en te monitoren, hoog op de politieke agenda staat.

Alle bovengenoemde feiten zijn verwerkt in het voorliggende verslag. De rapporteur houdt ook rekening met andere relevante studies en verslagen die zijn opgesteld door nationale autoriteiten en belanghebbenden.

De verordening in de ruimere context van het bestrijdingsmiddelenbeleid van de EU

In 2006 heeft de Europese Commissie een thematische strategie goedgekeurd voor het duurzame gebruik van bestrijdingsmiddelen in alle lidstaten. Als follow-up heeft de Commissie in 2006 een voorstel voor een verordening tot intrekking van Richtlijn 91/414/EEG ingediend. De definitieve rechtshandeling (Verordening (EG) nr. 1107/2009 die hier centraal staat) werd in 2009 gepubliceerd in het Publicatieblad.

Bij de verordening werden regels vastgesteld voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen in hun commerciële aanbiedingsvorm en voor het op de markt brengen, het gebruik en de controle ervan binnen de EU. Bij de verordening werden zowel regels voor de goedkeuring van werkzame stoffen, beschermstoffen en synergisten waaruit gewasbeschermingsmiddelen geheel of gedeeltelijk bestaan, als regels voor toevoegingsstoffen en formuleringshulpstoffen vastgesteld.

Een belangrijk nieuw element dat in de verordening werd geïntroduceerd was een aantal strikte uitsluitingscriteria(7) voor de goedkeuring van werkzame stoffen op EU-niveau. De criteria werden geïntroduceerd met de bedoeling om de meest toxische stoffen van de markt te weren. De introductie van uitsluitingscriteria houdt in dat het goedkeuringsproces wordt bepaald volgens een gevarenbeoordeling, wat niet het geval was in Richtlijn 91/414/EG van de Raad.

De gevarenbeoordeling wordt ondersteund door een ander beginsel in de milieuwetgeving van de EU: het voorzorgsbeginsel. In het bijzonder worden de lidstaten er niet van weerhouden het voorzorgsbeginsel toe te passen wanneer er wetenschappelijk gezien onzekerheid bestaat over de risico’s van gewasbeschermingsmiddelen voor de gezondheid van mens en dier of voor het milieu.

Regelgevingsprocedures voor de goedkeuring van werkzame stoffen en de toelating van gewasbeschermingsmiddelen

In de Europese Unie worden gewasbeschermingsmiddelen onderworpen aan een tweeledig goedkeuringsproces: werkzame stoffen worden goedgekeurd op EU-niveau, commerciële gewasbeschermingsmiddelen worden vervolgens toegelaten op het niveau van de lidstaten.

In de verordening staan drie belangrijke instrumenten centraal:

a)  goedkeuring van werkzame stoffen door nationale bevoegde autoriteiten, de EFSA en de Commissie in samenwerking met de deskundigen van de lidstaten (die zijn gegroepeerd in het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders/PDLD-comité)

b)  toelating van gewasbeschermingsmiddelen die goedgekeurde werkzame stoffen bevatten

c)  handhaving van regelgevingsgbesluiten die genomen zijn in het kader van goedkeuringen en toelatingen

De goedkeuringsprocedure bestaat uit verschillende stadia:

1.  Aanvraag van de goedkeuring die wordt ingediend bij een EU-lidstaat die de lidstaat-rapporteur wordt genoemd (LR);

2.  De LR controleert of de aanvraag ontvankelijk is;

3.  DE LR stelt een ontwerpbeoordelingsverslag op;

4.  De EFSA maakt haar conclusies bekend;

5.  Het PDLD-comité stemt over goedkeuring of niet-goedkeuring;

6.  Goedkeuring door de Commissie;

7.  Bekendmaking van een verordening in het Publicatieblad van de EU.

Een gewasbeschermingsmiddel bevat meestal meer dan een bestanddeel. Het werkzame bestanddeel tegen plagen en ziekten wordt de "werkzame stof" genoemd. Gewasbeschermingsmiddelen bevatten ten minste een goedgekeurde werkzame stof, en deze mag bestaan uit micro-organismen, feromonen en botanische extracten.

De controle van de op de markt gebrachte gewasbeschermingsmiddelen en het gebruik ervan wordt uitgevoerd door de lidstaten.

Belangrijkste punten van zorg

In de EIA die door de EPRS is gepubliceerd wordt een aantal punten van zorg genoemd met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de verordening. In het ontwerpverslag heeft de rapporteur vooral oog voor de aspecten die negatieve gevolgen hebben voor de verwezenlijking van de doelstellingen op het gebied van gezondheid en milieu.

Met name de toename van het aantal afwijkingen uit hoofde van artikel 53 zonder dat er een bevredigende motivering voor wordt gegeven of het feit dat een aantal cruciale aspecten onvoldoende wordt beoordeeld (bijvoorbeeld onbedoelde mengsels en combinatie-effecten, milieueffecten voor biodiversiteit, degradatie van bestrijdingsmiddelen bij lage concentraties, ontwikkelingsimmunotoxiciteit en ontwikkelingsneurotoxiciteit).

Hoewel de verordening gezorgd heeft voor een duidelijke vooruitgang in termen van een betere bescherming van de volksgezondheid en het milieu door uitsluitingscriteria in te voeren, wordt de evaluatie van de stoffen belemmerd door ontoereikende harmonisering (bijv. ecotoxicologie) en daarmee de doeltreffende tenuitvoerlegging op de relevante wetenschappelijke gebieden.

Bij de evaluatie is een aantal punten van zorg aangemerkt die verband houden met de transparantie. Bijzonder problematisch is het feit dat er geen economisch haalbare en toegankelijke alternatieven beschikbaar zijn, en het feit dat goede landbouwpraktijken op het gebied van geïntegreerde plaagbestrijding (IPM) en verhoogd gebruik en beschikbaarheid van stoffen met een laag risico, niet worden bevorderd. Het lijkt er ook op dat de doelstellingen en instrumenten van de verordening niet zijn afgestemd op het EU-beleid op het gebied van landbouw, voedselzekerheid, klimaatverandering en duurzaam gebruik van bestrijdingsmiddelen en maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in levensmiddelen en diervoeders. De handhaving van de verordening is problematisch. Er zijn aanwijzingen dat de handel in illegale en namaakgewasbeschermingsmiddelen toeneemt, wat in de afgelopen jaren is vastgesteld.

Aanbevelingen van de rapporteur

De rapporteur is ervan overtuigd dat er zowel op EU-niveau als op het niveau van de lidstaten meer moet worden gedaan om ervoor te zorgen dat de verordening doeltreffend wordt uitgevoerd. Hoewel de doelstellingen van de verordening met betrekking tot gezondheid en milieu naar verluidt zijn afgestemd op de werkelijke behoeften, laat de evaluatie zien dat deze twee doelstellingen in de praktijk niet worden verwezenlijkt. Dit is het gevolg van problemen met de praktische tenuitvoerlegging van de drie belangrijkste instrumenten van de verordening die in de EPRS-evaluatie zijn aangemerkt – (a) goedkeuring van de stoffen, (b) toelating van de gewasbeschermingsmiddelen die goedgekeurde stoffen bevatten, en (c) handhaving van regelgevingsbesluiten die genomen zijn in het kader van goedkeuringen en toelatingen.

Met betrekking tot de negatieve gevolgen voor de volksgezondheid en het milieu, is de rapporteur van mening dat verschillende aspecten van de tenuitvoerlegging bijzonder problematisch zijn. Hiertoe behoren: misbruik van de toelatingsprocedure voor noodsituaties, wat blijkt uit het toegenomen aantal afwijkingen uit hoofde van artikel 53, het frequente gebruik van de procedure waarbij er nog aanvullende gegevens (bevestigend van aard) moeten worden verstrekt, de verenigbaarheid van de verordening met het voorzorgsbeginsel, onvolledige harmonisering van gegevensvereisten en methodologieën die op sommige wetenschappelijke gebieden worden gehanteerd voor de evaluatie van stoffen aan de hand van de uitsluitingscriteria.

De rapporteur is verheugd over het recente voorstel voor een verordening betreffende de transparantie en duurzaamheid van de EU-risicobeoordeling die onder andere betrekking heeft op gewasbeschermingsmiddelen, maar wijst er tegelijkertijd op dat enkele cruciale aspecten van het besluitvormingsproces in dit voorstel onvoldoende worden behandeld en met name het risicobeheer door het PDLD-comité in de context van de goedkeuring van werkzame stoffen. Verhoogde transparantie is ook nodig met betrekking tot de toelating door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten.

Daarnaast kan een doeltreffende tenuitvoerlegging niet worden bewerkstelligd zonder een betere harmonisering met EU-beleid en zonder sterkere prikkels om alternatieve oplossingen te bevorderen.

Gebleken is dat de regelgevingsbesluiten uit hoofde van de verordening ontoereikend worden gehandhaafd is en dat betere controle op nationaal niveau noodzakelijk is.

(1)

http://www.europarl.europa.eu/thinktank/en/document.html?reference=EPRS_STU(2018)615668

(2)

https://ec.europa.eu/food/plant/pesticides/refit_en

(3)

Zij heeft betrekking op Verordening (EG) nr. 1107/2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, die centraal staat in dit uitvoeringsverslag, en op Verordening (EG) nr. 396/2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong.

(4)

http://ec.europa.eu/citizens-initiative/public/initiatives/successful/details/follow-up/2017/000002/nl?lg=nl

(5)

http://ec.europa.eu/transparency/regdoc/rep/3/2017/EN/C-2017-8414-F1-EN-MAIN-PART-1.PDF

(6)

https://ec.europa.eu/info/law/better-regulation/initiatives/com-2018-179_nl

(7)

In artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 wordt bepaald dat een werkzame stof slechts wordt goedgekeurd wanneer deze niet is ingedeeld als kankerverwekkend, mutageen, toxisch voor de voortplanting, persistent en bioaccumulerend, toxisch voor het milieu of hormoonontregelend voor mensen en niet-doelwit organismen. Dit houdt in dat als de risico-identificatie aanleiding is om de werkzame stof in te delen als een stof die voldoet aan een van de zojuist genoemde uitsluitingscriteria, de stof verboden moet worden en derhalve het gebruik ervan in gewasbeschermingsmiddelen in de Europese Unie verboden moet worden (Bozzini 2018, bijlage II bij de EIA, blz. 21).


ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1107/2009 betreffende gewasbeschermingsmiddelen

(2017/2128(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad(1),

–  gezien Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad(2),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006(3),

–  gezien Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden(4),

–  gezien zijn resolutie van 15 februari 2017 over biologische pesticiden met een laag risico(5),

–  gezien het besluit van de Europese Ombudsman van 18 februari 2016 in Zaak 12/2013/MDC betreffende het handelen van de Commissie ten aanzien van de toelating en het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (pesticiden)(6),

–  gezien de Europese uitvoeringsbeoordeling inzake Verordening (EG) nr. 1107/2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en de relevante bijlagen, die in april 2018 is gepubliceerd door de Parlementaire Onderzoeksdienst (DG EPRS)(7),

–  gezien de uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 november 2016 in de zaken C‑673/13 P (Commissie v. Stichting Greenpeace Nederland en PAN Europe) en C‑442/14 (Bayer CropScience v. College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden),

–  gezien het Commissievoorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2018 betreffende de transparantie en duurzaamheid van de EU-risicobeoordeling in de voedselketen en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 178/2002 [betreffende de algemene levensmiddelenwetgeving], Richtlijn 2001/18/EG [inzake de doelbewuste introductie van ggo's in het milieu], Verordening (EG) nr. 1829/2003 [inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders], Verordening (EG) nr. 1831/2003 [betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding], Verordening (EG) nr. 2065/2003 [inzake rookaroma's], Verordening (EG) nr. 1935/2004 [inzake materialen die met levensmiddelen in contact komen], Verordening (EG) nr. 1331/2008 [inzake de uniforme toelatingsprocedure voor levensmiddelenadditieven, voedingsenzymen en levensmiddelenaroma's], Verordening (EG) nr. 1107/2009 [betreffende gewasbeschermingsmiddelen] en Verordening (EU) 2015/2283 [betreffende nieuwe voedingsmiddelen](8),

–  gezien het mandaat en de werkzaamheden van de Bijzondere Commissie toelatingsprocedure van de Unie voor pesticiden (PEST) van het Europees Parlement,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement en artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8‑0368/2018),

A.  overwegende dat de evaluatie van de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1107/2009 (hierna de "verordening") heeft aangetoond dat de doelstellingen betreffende de bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu niet volledig worden verwezenlijkt en dat er verbeteringen kunnen worden aangebracht om alle doelstellingen van de verordening te behalen;

B.  overwegende dat de evaluatie van de tenuitvoerlegging van de verordening moet worden bekeken in combinatie met het overkoepelende bestrijdingsmiddelenbeleid van de EU, inclusief de bepalingen van Richtlijn 2009/128/EG inzake duurzaam gebruik, Verordening (EU) nr. 528/2012 betreffende biociden, Verordening (EG) nr. 396/2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen en Verordening (EG) nr. 178/2002 betreffende de algemene levensmiddelenwetgeving;

C.  overwegende dat de tenuitvoerlegging van de verordening geen voldoening schenkt en afgestemd moet zijn op gerelateerd EU-beleid, met inbegrip van het beleid op het gebied van bestrijdingsmiddelen;

D.  overwegende dat gebleken is dat de praktische tenuitvoerlegging van de drie belangrijkste instrumenten van de verordening – goedkeuringen, toelatingen en handhaving van regelgevingsbesluiten – ruimte voor verbetering laat zien en niet zorgt voor de volledige verwezenlijking van de doelstellingen van de verordening;

E.  overwegende dat sommige bepalingen van de verordening helemaal niet door de Commissie zijn toegepast, met name artikel 25 betreffende de goedkeuring van beschermstoffen en synergisten en artikel 27 betreffende een negatieve lijst van onaanvaardbare formuleringshulpstoffen;

F.  overwegende dat andere belangrijke bepalingen zoals de toepassing van de uitsluitingscriteria voor werkzame stoffen die hormoonontregelend zijn aanmerkelijke vertraging hebben opgelopen ingevolge onrechtmatig gedrag van de Commissie;

G.  overwegende dat belanghebbenden uiting hebben gegeven aan hun bezorgdheid over de benadering die bij de evaluatie wordt gevolgd, als vastgesteld bij wet, met name met betrekking tot de vraag wie het wetenschappelijk onderzoek moet uitvoeren en het bewijs moet leveren voor de evaluatie van de werkzame stof en het gebruik van de gevarenbeoordeling tijdens deze evaluatie;

H.  overwegende dat de bewijslast bij de aanvrager moet blijven, zodat wordt gegarandeerd dat overheidsgeld niet wordt besteed aan onderzoeken die uiteindelijk privébelangen dienen; overwegende dat de transparantie bij elke stap van de toelatingsprocedure gegarandeerd moet zijn en intellectuele-eigendomsrechten volledig moeten worden geëerbiedigd, en dat tegelijk moet worden gewaarborgd dat in de gehele Unie consistent goede laboratoriumbeginselen worden gehanteerd;

I.  overwegende dat er bezorgdheid bestaat over de praktische tenuitvoerlegging van de vastgestelde evaluatiebenadering; overwegende dat er grote bezorgdheid bestaat over de onvolledige harmonisering van de gegevensvereisten en de gehanteerde methodologieën die het evaluatieproces kunnen belemmeren;

J.  overwegende dat er geconstateerd is dat het optreden van de nationale bevoegde autoriteiten een belangrijke factor is die van invloed is op de evaluatie van werkzame stoffen; overwegende dat er substantiële verschillen zijn tussen de lidstaten met betrekking tot aanwezige expertise en personeel; overwegende dat de verordening en de relevante ondersteunende wettelijke vereisten niet op uniforme wijze in alle lidstaten worden uitgevoerd en dat dit aanzienlijke gevolgen heeft voor de gezondheid en het milieu;

K.  overwegende dat de transparantie in alle stadia van het goedkeuringsproces moet worden verbeterd, en dat grotere transparantie het vertrouwen van het publiek in het systeem dat de bestrijdingsmiddelen reguleert zou kunnen vergroten; overwegende dat de transparantie van de aan de toelating gerelateerde activiteiten van de bevoegde autoriteiten in veel gevallen evenmin toereikend is; overwegende dat de Commissie wijzigingen aan de algemene levensmiddelenwetgeving heeft voorgesteld teneinde de bezorgdheid in verband met de tijdens het evaluatieproces verstrekte gegevens en bewijzen aan te pakken en de transparantie te vergroten;

L.  overwegende dat toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen, die uitsluitend op nationaal niveau worden verleend, vaak kampen met trage besluitvorming over het risicobeheer; overwegende dat dit in sommige gevallen leidt tot een toename van toelatingen waarbij uit hoofde van artikel 53 van de verordening een afwijking wordt toegestaan; overwegende dat er gevallen zijn waarin dergelijke afwijkingen worden gebruikt tegen de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever;

M.  overwegende dat in de verordening werd bepaald dat geïntegreerde gewasbescherming deel moet uitmaken van de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen volgens de cross-complianceregels van het gemeenschappelijk landbouwbeleid; overwegende dat dit nog moet worden gerealiseerd;

N.  overwegende dat gebleken is dat dit onderdeel van de regelgeving op EU-niveau zorgt voor een meerwaarde van de nationale inspanningen en optredens;

O.  overwegende dat alternatieven pas serieus worden overwogen nadat de wettelijke voorschriften gewijzigd zijn; overwegende dat in het geval van het uitgebreide verbod op neonicotinoïden, bijvoorbeeld, in de meest recente evaluatie (30/5/2018)(9) werd vastgesteld dat er vlot beschikbare niet-scheikundige alternatieven bestaan voor 78 % van de toepassingen van neonicotinoïden;

P.  overwegende dat er sinds 31 mei 2016 geen aanvragen voor de goedkeuring van nieuwe werkzame stoffen zijn ingediend; overwegende dat innovatie en de ontwikkeling van nieuwe producten, met name producten met een laag risico, belangrijk zijn;

Q.  overwegende dat de beschikbaarheid van namaakpesticiden op de markt een bron van reële zorg is; overwegende dat namaakpesticiden schadelijk kunnen zijn voor het milieu en ook schade toebrengen aan de doeltreffendheid van de verordening;

Belangrijkste conclusies

1.  is van mening dat de EU het passende niveau is waarop regelgevende maatregelen op het gebied van bestrijdingsmiddelen nog steeds getroffen moeten worden;

2.  wijst erop dat bij alle huidige en toekomstige acties de nadruk moet liggen op milieumaatregelen om de verspreiding van ziekteverwekkers en plagen te voorkomen, te beperken en te bestrijden;

3.  is van mening dat de vaststelling en tenuitvoerlegging van de verordening in vergelijking met vroeger een belangrijke stap voorwaarts is voor de behandeling van gewasbeschermingsmiddelen in de Europese Unie;

4.  benadrukt dat bij de ontwikkeling van nieuwe producten bijzondere aandacht moet worden besteed aan de rol van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's), aangezien kmo's vaak niet beschikken over de omvangrijke middelen die nodig zijn voor de ontwikkeling en goedkeuring van nieuwe stoffen;

5.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat de verordening niet doeltreffend wordt uitgevoerd en dat de doelstellingen met betrekking tot de landbouwproductie en innovatie daardoor in de praktijk niet worden verwezenlijkt; wijst uitdrukkelijk op het feit dat het aantal werkzame stoffen van pesticiden daalt, hetgeen deels toe te schrijven is aan een lage mate van innovatie;

6.  herinnert eraan dat er een aanzienlijke behoefte bestaat aan een integrale aanpak en dat Verordening (EG) nr. 1185/2009 betreffende statistieken over pesticiden(10) deel moet uitmaken van de beoordeling, waarbij de resultaten ervan worden gebruikt om de hoeveelheid pesticiden terug te dringen en zo hun risico's en negatieve gevolgen voor de gezondheid en het milieu tot een minimum te beperken;

7.  merkt op dat de doelstellingen en instrumenten van de verordening niet altijd voldoende in overeenstemming zijn met het EU-beleid op het gebied van landbouw, gezondheid, dierenwelzijn, voedselzekerheid, waterkwaliteit, klimaatverandering en duurzaam gebruik van bestrijdingsmiddelen en maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in levensmiddelen en diervoeders;

8.  herinnert eraan dat het voorzorgsbeginsel een algemeen beginsel van de Unie is dat is opgenomen in artikel 191 van het EU-Verdrag en dat het bedoeld is om een hoog niveau van milieubescherming te waarborgen dankzij preventieve besluiten bij risico's; herinnert eraan dat dat de toepassing van het voorzorgsbeginsel opvallend afwezig is in het algemeen kader voor risicoanalyse inzake bestrijdingsmiddelen;

9.  vindt het onaanvaardbaar dat de goedkeuringsvereisten voor beschermstoffen en synergisten nog niet zijn toegepast, hetgeen strijdig is met artikel 25 van de verordening;

10.  vindt het onaanvaardbaar dat de negatieve lijst met formuleringshulpstoffen nog niet is vastgesteld, vooral na het verbod op POE-tallowamines in combinatie met glyfosaat, waardoor het schadelijke effect van bepaalde formuleringshulpstoffen duidelijk aan het licht is gekomen;

11.  neemt nota van de lopende Refit-evaluatie door de Commissie van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en de geplande voltooiing ervan in november 2018; vertrouwt erop dat deze bevindingen een adequate basis zullen vormen voor de medewetgevers om de toekomstige ontwikkeling van de verordening te bespreken;

12.  uit zijn bezorgdheid over de gestage toename van het gebruik en het geconstateerde misbruik van afwijkingen uit hoofde van artikel 53 in sommige lidstaten; merkt op dat sommige lidstaten aanmerkelijk meer gebruik maken van artikel 53 dan andere; wijst erop dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA), in overeenstemming met artikel 53, lid 2, van de verordening, technische bijstand verleent bij het onderzoek naar het gebruik van noodtoelatingen; neemt kennis van de resultaten van het EFSA-onderzoek naar de noodtoelatingen voor drie neonicotinoïden in 2017, waaruit is gebleken dat sommige noodtoelatingen weliswaar nodig waren en voldeden aan de wettelijke vereisten, maar dat andere niet gerechtvaardigd waren; meent dat het van essentieel belang is dat de lidstaten de nodige gegevens verstrekken zodat de EFSA haar taken naar behoren kan vervullen;

13.  beklemtoont het belang van beleidsvorming die zich baseert op wetenschap, waarbij verifieerbare en herhaalbare bewijzen worden geleverd aan de hand van internationaal overeengekomen wetenschappelijke beginselen, onder meer met betrekking tot richtsnoeren, goede laboratoriumpraktijken en collegiaal getoetst onderzoek;

14.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat de onvolledige harmonisering van gegevens- en testvereisten op sommige wetenschappelijke terreinen, met ondoeltreffende werkmethoden, gebrek aan vertrouwen tussen de nationale autoriteiten en onnodige vertragingen van toelatingen als gevolg, negatieve consequenties kan hebben voor de gezondheid van mens en dier, voor het milieu en voor de landbouwproductie;

15.  betreurt dat er zo weinig publieke informatie beschikbaar is over de evaluatie- en toelatingsprocedure, en betreurt de beperkte toegang ertoe; betreurt dat het transparantieniveau in de lidstaten-rapporteur (die optreden in het kader van de goedkeuringsprocedure) laag is, meent dat de toegankelijkheid en de gebruikersvriendelijkheid van de informatie in het stadium van de EFSA kan worden verbeterd, dat er onvoldoende transparantie in het stadium van het risicobeheer lijkt te zijn en dat de transparantie ook door de belanghebbenden als problematisch wordt beschouwd; is ingenomen met de inspanningen van het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) om de transparantie en gebruikersvriendelijkheid te vergroten via zijn website en is van mening dat dit model in de toekomst kan worden gebruikt om de transparantie te verbeteren;

16.  benadrukt dat de geloofwaardigheid van het systeem voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen sterk afhangt van het publieke vertrouwen in de Europese agentschappen die de wetenschappelijke adviezen verstrekken welke de basis vormen voor goedkeuringen en risicobeheer; onderstreept dat transparantie in het proces van wetenschappelijke beoordelingen belangrijk is om het publieke vertrouwen te handhaven; roept daarom op tot adequate financiering van en voldoende personeel voor de relevante agentschappen om te garanderen dat het toelatingsproces onafhankelijk en transparant is en vlot verloopt; is in dit opzicht ingenomen met het feit dat de Commissie in haar Refit-evaluatie van de algemene levensmiddelenwetgeving tot de conclusie komt dat de EFSA zeer transparant heeft gehandeld en gegevens heeft gedeeld binnen de grenzen van de door de medewetgevers opgelegde strenge geheimhoudingsregels; is daarnaast ingenomen met de aanhoudende inspanningen die EFSA heeft geleverd om haar systeem te verbeteren en de onafhankelijkheid en het beheer van potentiële belangenconflicten te garanderen – het systeem van EFSA werd door de Rekenkamer geroemd als het meest geavanceerde systeem van de agentschappen die in 2012 aan een audit werden onderworpen en is onlangs, in juni 2017, geactualiseerd; roept de Commissie op verbeteringen voor te stellen om de transparantie van het regelgevingsproces verder te vergroten, onder meer betreffende de toegang tot gegevens van veiligheidsonderzoeken die door producenten worden ingediend als onderdeel van hun aanvragen voor vergunningen om gewasbeschermingsmiddelen in de EU in de handel te brengen; erkent dat de huidige procedure moet worden herzien om de evaluaties te verbeteren, de onafhankelijkheid van de instanties die verantwoordelijk zijn voor het uitvoeren van studies te vergroten, belangenconflicten te vermijden en de procedure transparanter te maken;

17.  verzoekt de Commissie op Europees niveau een lijst van toepassingen vast te stellen teneinde de harmonisering van de verordening te verbeteren;

18.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat, in sommige gevallen, de gewasbeschermingsmiddelen die op de markt zijn en de manier waarop ze door de gebruikers worden gebruikt niet altijd voldoen aan de voorwaarden die gesteld worden bij de toelating ten aanzien van hun samenstelling en gebruik; beklemtoont dat niet-professioneel gebruik zo mogelijk moet worden beperkt om misbruik terug te dringen;

19.  onderstreept het belang van scholing voor professionele gebruikers om het correcte en passende gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te garanderen; is van mening dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen professionele en niet-professionele gebruikers; merkt op dat gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt in privétuinen, langs spoorwegen en in openbare parken;

20.  geeft aan dat het recht van lidstaten om toegelaten gewasbeschermingsmiddelen te weigeren onverlet blijft;

21.  benadrukt dat de verordening meer moet weerspiegelen dat landbouwpraktijken die gebaseerd zijn op geïntegreerde plaagbestrijding, inclusief het stimuleren van de ontwikkeling van stoffen met een laag risico, moeten worden bevorderd; wijst erop dat het gebrek aan beschikbare gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico een belemmering vormt voor de ontwikkeling van geïntegreerde plaagbestrijding; merkt met bezorgdheid op dat op een totaal van nagenoeg 500 op de EU-markt beschikbare stoffen slechts tien stoffen zijn goedgekeurd als gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico;

22.  beklemtoont dat de toelating en bevordering van niet-chemische pesticiden met een laag risico belangrijke maatregelen zijn voor de ondersteuning van plaagbestrijding met lage pesticideninzet; erkent dat er meer onderzoek nodig is naar deze producten aangezien de samenstelling en werking ervan grondig verschillen van die van conventionele producten; onderstreept dat dit ook betekent dat bij de EFSA en de nationale bevoegde autoriteiten meer expertise nodig is om deze biologisch werkzame stoffen te evalueren; merkt op dat biologische gewasbeschermingsmiddelen even streng moeten worden geëvalueerd als andere stoffen; vraagt de Commissie, in overeenstemming met zijn resolutie van 8 februari 2017 over biologische pesticiden met een laag risico, om voor eind 2018 een specifiek wetsvoorstel voor te leggen tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1107/2009, los van de algemene herziening in het kader van het REFIT-initiatief, met het oog op de invoering van een versnelde procedure voor de beoordeling, toelating en registratie van biologische pesticiden met een laag risico;

23.  meent dat Verordening (EG) nr. 1107/2009 eveneens moet worden aangepast om beter rekening te houden met stoffen die niet als gewasbeschermingsmiddelen worden beschouwd en die, wanneer ze worden gebruikt voor de bescherming van planten, door diezelfde verordening worden geregeld; merkt op dat die stoffen interessante alternatieven vormen als het gaat om geïntegreerde productiemethodes en bepaalde biocontroleproducten;

24.  beklemtoont dat bijzondere aandacht en ondersteuning moeten worden gegeven aan gewasbeschermingsmiddelen voor kleine toepassingen, aangezien bedrijven momenteel weinig economische prikkels krijgen om dergelijke middelen te ontwikkelen; is verheugd over de oprichting van de Coördinerende instantie voor kleine toepassingen, als forum om de coördinatie tussen lidstaten, organisaties van telers en de industrie te verbeteren ten gunste van de ontwikkeling van oplossingen voor kleine toepassingen;

25.  benadrukt dat veel toegelaten gewasbeschermingsmiddelen al meer dan 15 jaar niet geëvalueerd zijn aan de hand van de EU-normen door vertragingen in de toelatingsprocedures;

26.  benadrukt hoe belangrijk het is een innovatievriendelijk regelgevingskader te creëren waarin oudere chemicaliën kunnen worden vervangen door nieuwe en betere gewasbeschermingsmiddelen; onderstreept het belang van de beschikbaarheid van een breed scala van gewasbeschermingsmiddelen met verschillende werkingsmechanismen om de ontwikkeling van resistentie te voorkomen en de effectiviteit van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen te kunnen handhaven;

27.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat de harmonisering van de richtsnoeren nog niet geconsolideerd is;

28.  benadrukt dat ontbrekende of onvolledige richtsnoeren ernstige tekortkomingen zijn die negatieve gevolgen hebben voor de tenuitvoerlegging van de verordening en daarmee voor de verwezenlijking van de doelstellingen;

29.  benadrukt dat de beschikbare richtsnoeren niet altijd wettelijk bindend zijn, wat zorgt voor rechtsonzekerheid voor de aanvragers en de in het kader van de goedkeuringsprocedures uitgevoerde evaluaties ter discussie stelt;

30.  is ingenomen met het idee van het systeem voor toelating per zone dat ertoe moet leiden dat de toelating van gewasbeschermingsmiddelen doeltreffender verloopt; is van mening dat de procedure voor wederzijdse erkenning van cruciaal belang is om de werklast te delen en de naleving van de uiterste termijnen te bevorderen; betreurt de problemen in verband met de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning; verzoekt de Commissie zich samen met de lidstaten in te zetten om de werking van het systeem voor toelating per zone te verbeteren; onderstreept dat de volledige tenuitvoerlegging van de bestaande wetgeving als doel moet hebben dubbel werk te voorkomen en nieuwe stoffen zonder onnodige vertragingen beschikbaar te maken voor landbouwers;

31.  onderstreept dat het noodzakelijk is kennis te delen en nieuwe vaardigheden op te doen met betrekking tot alternatieven voor chemische pesticiden en geïntegreerde plantenbescherming, onder meer om een systeem van vruchtwisseling te vinden dat optimaal aansluit op de markt- en klimaatomstandigheden voor landbouwers; merkt verder op dat hierin reeds wordt voorzien in de horizontale GLB-verordening, met name ook in de vorm van bedrijfsadviesdiensten die worden gefinancierd in het kader van de plattelandsontwikkeling;

32.  toont zich bezorgd over het kleine aantal nieuwe stoffen dat is goedgekeurd, terwijl er tegelijkertijd andere stoffen van de markt zijn gehaald; benadrukt hoe belangrijk een geschikte toolkit met gewasbeschermingsmiddelen voor landbouwers is om de voedselvoorziening in de EU veilig te stellen;

33.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat het huidige, op wetenschappelijke bevindingen gebaseerde evaluatiesysteem voor gewasbeschermingsmiddelen van de EU in recente debatten steeds vaker ter discussie wordt gesteld; benadrukt het belang van handhaving en versterking van een systeem dat wetenschappelijk onderbouwd en objectief is en berust op collegiaal getoetst bewijsmateriaal, en het product is van een open, onafhankelijke en multidisciplinaire wetenschappelijke benadering bij het toelaten van een werkzame stof, overeenkomstig de door de EU gehanteerde beginselen inzake risicoanalyse en het voorzorgsbeginsel zoals neergelegd in de algemene levensmiddelenwetgeving; dringt erop aan dat in de procedure voor de hernieuwde goedkeuring van werkzame stoffen rekening moet worden gehouden met het concrete gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en met de wetenschappelijke en technologische vorderingen op dit terrein; wijst erop dat de complexiteit van het huidige systeem van evaluatie en toelating tot gevolg heeft dat termijnen niet worden gehaald en dat het systeem in het algemeen mogelijk niet naar behoren werkt; wijst dan ook op de noodzaak om het systeem te evalueren en vereenvoudigen;

34.  benadrukt de grote verschillen in het aantal aanvragen tussen lidstaten in dezelfde zone en met een vergelijkbare omvang en vergelijkbare agrarische omstandigheden;

Aanbevelingen

35.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat de verordening doeltreffend wordt uitgevoerd met betrekking tot hun specifieke rol in de goedkeurings- en toelatingsprocedures;

36.  dringt er bij de lidstaten op aan een einde te maken aan de ernstige en chronische onderbezetting bij de nationale bevoegde autoriteiten die leidt tot vertragingen bij de risico-identificatie en de eerste risicobeoordelingen van de lidstaten;

37.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan te erkennen dat de bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu de belangrijkste doelstellingen van de wetgeving zijn, en tegelijkertijd de landbouwproductie te verbeteren en het concurrentievermogen van de landbouwsector te handhaven;

38.  dringt er bij de sector op aan alle gegevens en wetenschappelijk onderzoek in een eenvormig elektronisch en machineleesbaar formaat te verstrekken aan de lidstaten-rapporteur en de EU-agentschappen; dringt er bij de Commissie op aan een geharmoniseerd model voor gegevensinvoer te ontwikkelen teneinde de uitwisseling van gegevens tussen de lidstaten in alle stadia van het proces te vergemakkelijken; erkent dat deze gegevens moeten worden behandeld volgens de voorschriften van de EU-wetgeving inzake gegevensbescherming en met inachtneming van intellectuele-eigendomsrechten;

39.  dringt er bij de lidstaten op aan artikel 9 van de verordening over de ontvankelijkheid van aanvragen strikt toe te passen en uitsluitend volledige aanvragen voor de beoordeling van werkzame stoffen te aanvaarden;

40.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat de uitsluitingscriteria volledig en uniform worden toegepast, volgens de bestaande geharmoniseerde richtsnoeren, en ervoor te zorgen dat stoffen alleen worden beoordeeld op hun risico wanneer gebleken is dat zij geen risicovolle (uitsluitende) eigenschappen hebben, zoals wordt voorgeschreven door de verordening;

41.  dringt er bij de Commissie op aan de bepalingen over formuleringshulpstoffen, beschermstoffen en synergisten eindelijk ten uitvoer te leggen, een lijst op te stellen van onaanvaardbare formuleringshulpstoffen en voorschriften vast te stellen opdat beschermstoffen en synergisten op EU-niveau worden getest, en ervoor te zorgen dat uitsluitend chemicaliën die voldoen aan de goedkeuringscriteria van de EU in de handel kunnen worden gebracht;

42.  is ingenomen met de interpretatie die de Commissie in de Refit-evaluatie van de algemene levensmiddelenwetgeving(11) geeft aan het voorzorgsbeginsel, namelijk dat dit beginsel geen alternatief vormt voor een benadering op basis van risicobeheersing, maar juist een specifieke vorm van risicobeheersing is; herinnert eraan dat dit standpunt ook wordt onderschreven in uitspraken van het Hof van Justitie van de EU(12); roept de Commissie op te beoordelen of de cut-off-criteria die zijn opgenomen in de verordening in dit opzicht beantwoorden aan hun doel;

43.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om, als risicobeheerders in de goedkeurings- en toelatingsprocedures, het voorzorgsbeginsel naar behoren toe te passen en bijzondere aandacht te schenken aan de bescherming van kwetsbare bevolkingsgroepen als bedoeld in artikel 3, lid 14, van de verordening;

44.  dringt er bij de Commissie, de agentschappen en de bevoegde autoriteiten op aan hun communicatie over risicobeoordelingsprocedures en besluitvorming over het risicobeheer te herzien en te verbeteren om het vertrouwen van het publiek in het toelatingssysteem te versterken;

45.  dringt er bij de lidstaten op aan de toelatingsprocedures op nationaal niveau beter ten uitvoer te leggen teneinde de afwijkingen en verlengingen die worden toegestaan uit hoofde van artikel 53 van de verordening te beperken tot echte noodsituaties; dringt er bij de Commissie op aan haar controlerechten uit hoofde van artikel 53, leden 2 en 3, ten volle te benutten; dringt er voorts bij de lidstaten op aan volledig te voldoen aan de informatieplicht ten aanzien van de andere lidstaten en de Commissie zoals vastgesteld in artikel 53, lid 1, met name betreffende maatregelen die zijn genomen om de veiligheid van gebruikers, kwetsbare groepen en consumenten te garanderen;

46.  dringt er bij de Commissie op aan methoden te ontwikkelen om te bepalen wanneer bepaalde afwijkingen moeten worden toegestaan, met name met betrekking tot "verwaarloosbare blootstelling" of "ernstig fytosanitair gevaar", zonder dat daarbij wordt geraakt aan de letter of de geest van de wet; waarschuwt de Commissie dat elke nieuwe interpretatie van de uitdrukking "verwaarloosbare blootstelling" als "verwaarloosbaar risico" tegen de letter en de geest van de wet zou indruisen;

47.  dringt bij de Commissie en de lidstaten aan op meer investeringen om stimulansen te geven aan onderzoeksinitiatieven betreffende werkzame stoffen, met inbegrip van biologische stoffen met een laag risico, en gewasbeschermingsmiddelen binnen Horizon Europa en het meerjarig financieel kader 2021-2027; onderstreept het belang van een regelgevingskader voor gewasbeschermingsmiddelen op EU-niveau dat het milieu en de volksgezondheid beschermt en daarnaast onderzoek en innovatie stimuleert met het oog op de ontwikkeling van doeltreffende en veilige gewasbeschermingsmiddelen, en tegelijkertijd duurzame landbouwpraktijken en geïntegreerde plantenbescherming garandeert; wijst erop dat er een grote variëteit aan veilige en doeltreffende instrumenten nodig is om de gezondheid van planten te beschermen; wijst op het potentieel van precisielandbouwtechnieken en technologische innovatie om Europese landbouwers te helpen plagen op een meer gerichte en duurzame wijze optimaal te bestrijden;

48.  dringt er bij de Commissie op aan het gebruik van de procedure voor aanvullende gegevens strikt te beperken tot het doel dat daarvoor is vastgesteld in artikel 6, onder f), van de verordening, namelijk wanneer tijdens de beoordelingsprocedure of naar aanleiding van nieuwe wetenschappelijke en technische kennis nieuwe eisen worden vastgesteld; onderstreept dat volledige dossiers belangrijk zijn voor de goedkeuring van werkzame stoffen; betreurt dat de afwijking met gebruik van de procedure waarbij er nog bevestigende gegevens moeten worden verstrekt, ertoe heeft geleid dat bepaalde gewasbestrijdingsmiddelen die anders verboden zouden zijn, voor langere tijd op de markt zijn gehouden;

49.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de transparantie van de procedures te verhogen, onder meer door uitvoerige notulen te verstrekken over de comitologiebesprekingen en de respectieve standpunten, met name door toelichting te geven bij en verantwoording af te leggen over de besluiten van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders;

50.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan te zorgen voor een betere samenhang tussen de verordening en haar tenuitvoerlegging en de gerelateerde EU-wetgeving en het gerelateerde EU-beleid, met name de richtlijn betreffende een duurzaam gebruik van pesticiden, en te voorzien in prikkels, onder meer het ter beschikking stellen van toereikende middelen die op korte termijn de ontwikkeling en het gebruik van veilige en niet-giftige alternatieven voor gewasbeschermingsmiddelen bevorderen en stimuleren; wijst erop dat in het regelgevingskader geen rekening wordt gehouden met de onvermijdelijke effecten op niet-doelsoorten, met name bijen en andere bestuivers en andere insecten die gunstig zijn voor de landbouw zoals predatoren van schadelijke organismen; wijst op het recente wetenschappelijke onderzoek waarin wordt gewezen op de "insectenapocalyps": het regionaal uitsterven van 75 % van de gevleugelde insecten in Duitsland, zelfs in natuurreservaten waar geen pesticiden werden gebruikt voor de landbouw; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om de samenhang tussen het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de wetgeving inzake gewasbeschermingsmiddelen te verzekeren, met name door de verplichtingen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en Richtlijn 2009/128/EG te behouden op de lijst met uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen (RBE's 12 en 13), zoals door de Commissie voorgesteld in het voorstel voor een verordening inzake de strategische GLB-plannen(13);

51.  dringt er bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat de verordening doeltreffend wordt gehandhaafd, met name met betrekking tot de controle van gewasbeschermingsmiddelen die in de EU op de markt worden gebracht, ongeacht of zij geproduceerd zijn in de EU of worden ingevoerd uit derde landen;

°

°  °

52.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(2)

PB L 70 van 16.03.2005, blz. 1.

(3)

PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1.

(4)

PB L 309 van 24.11.2009, blz. 71.

(5)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0042.

(6)

https://www.ombudsman.europa.eu/en/cases/decision.faces;jsessionid=414F07CA7B69C35675EE16710B5AB5AC

(7)

http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2018/615668/EPRS_STU(2018)615668_EN.pdf

(8)

COM(2018)0179.

(9)

ANSES - Agence nationale de sécurité sanitaire de l’alimentation, de l’environnement et du travail (Frankrijk) - Conclusies, 2018.

(10)

PB L 324 van 10.12.2009, blz. 1.

(11)

SWD(2018)0038.

(12)

Bv. Arrest van het Gerecht van 9 september 2011, Frankrijk v. Commissie, T-257/07, ECLI:EU:T:2011:444.

(13)

Voorstel voor een verordening inzake strategische GLB-plannen, COM(2018) 0392.


ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (22.6.2018)

aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

inzake de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1107/2009 betreffende gewasbeschermingsmiddelen

(2017/2128(INI))

Rapporteur voor advies: Peter Jahr

SUGGESTIES

De Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling verzoekt de bevoegde Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  benadrukt het belang van een regelgevingskader dat concurrentievermogen aanmoedigt, onderzoek en innovatie stimuleert en faciliteert om betere en veiligere gewasbeschermingsmiddelen (PPP's) te ontwikkelen en dat tegelijkertijd de beschikbaarheid garandeert van een breed scala van gewasbeschermingsmiddelen; is van mening dat toekomstige herzieningen van het regelgevingskader tot toelating van PPP's zouden moeten leiden die verenigbaar met duurzame landbouwsystemen, milieuvriendelijk, effectief en betaalbaar zijn, en rekening houden met de effecten op niet-doelsoorten, met name bijen en andere bestuivers en andere insecten die gunstig zijn voor de landbouw, zoals natuurlijke predatoren van schadelijke organismen;

2.  merkt op dat het EU-goedkeuringsproces voor PPP's een van de strengste ter wereld is en dat het momenteel meer dan 11 jaar duurt, gemiddeld meer dan 200 wetenschappelijke onderzoeken vereist en meer dan 220 miljoen EUR kost om een product op de markt te brengen; benadrukt ervan overtuigd te zijn dat de reeks in de verordening opgenomen streefwaarden het best kunnen worden bereikt indien landbouwers en producenten, ongeacht de lidstaten waar zij actief zijn, toegang hebben tot een breed scala van werkzame stoffen en PPP's waarmee zij efficiënt korte metten kunnen maken met plagen; benadrukt dat de beschikbaarheid van een breed scala van PPP's de basis vormt voor elke zinvolle reductiestrategie, omdat landbouwers anders afhankelijk zijn van minder gerichte en dus minder efficiënte PPP's, hetgeen zou leiden tot een hoger verbruik; toont zich dan ook bezorgd over het geringe aantal nieuwe werkzame stoffen dat is goedgekeurd sinds de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1107/2009; wijst erop dat er, sinds de huidige wetgeving geldt, slechts acht nieuwe werkzame stoffen zijn toegelaten tot de gemeenschappelijke markt; benadrukt dat duurzame PPP'S met een laag risico (en de werkzame stoffen in deze) hierbij een cruciale rol spelen; benadrukt dat landbouwers, als zij geen PPP's tot hun beschikking hebben, de ontwikkeling van bepaalde natuurlijke pathogenen die aanwezig zijn in gewassen niet kunnen voorkomen, hetgeen onze voedselzekerheid in gevaar zou brengen;

3.  wijst erop dat deze verordening deel uitmaakt van de bredere EU-regeling inzake PPP's, die tevens de richtlijn inzake duurzaam gebruik (Sustainable Use Directive – SUD), de verordening over maximumresidugehalten (Maximum Residue Levels – MRL) en de verordening betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels omvat, en dat deze vier onderdelen tezamen moeten worden beoordeeld om te bepalen of zij aan hun doel beantwoorden, ook wat betreft het streven naar vermindering van de totale hoeveelheid PPP's, met name door het garanderen van de toepassing van geïntegreerde gewasbescherming (IPM) door de lidstaten en de Commissie en aanmoediging van het gebruik van pesticiden met een laag risico evenals de toepassing van agronomische praktijken; herinnert eraan dat er grote behoefte bestaat aan een integrale aanpak en dat rekening moet worden gehouden met Verordening (EG) nr. 1185/2009 betreffende statistieken over pesticiden;

4.  merkt op dat voor juist en adequaat gebruik van gewasbeschermingsmiddelen moet worden voldaan aan de bepalingen van Richtlijn 2009/128/EG en in het bijzonder aan de algemene beginselen van IPM en de daarmee gepaard gaande holistische benadering; betreurt dat het potentieel van deze beginselen in de lidstaten niet volledig wordt benut en dat de ontwikkeling van IPM wordt belemmerd door de beperkte beschikbaarheid van niet-chemische pesticiden met een laag risico, met inbegrip van alternatieve gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico; merkt op dat resistentie biologisch gezien onvermijdelijk is bij plagen en ziekten die zich snel reproduceren; benadrukt dat gebruik van IPM een manier is om resistentie te voorkomen en onderstreept dat uniforme behandelingen (die vaak plaatsvinden wanneer er nog niet eens een plaag is gedetecteerd) moeten worden voorkomen;

5.  benadrukt het belang van permanente opleiding en scholing voor landbouwers in het juiste en adequate gebruik van gewasbeschermingsmiddelen; dringt er bij de lidstaten en bevoegde autoriteiten op aan beter gebruik te maken van alle beschikbare maatregelen om het veilige gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te bevorderen en de negatieve gevolgen voor het milieu te verminderen; wijst op de noodzaak om een onderscheid te maken tussen professioneel en particulier gebruik van PPP's, gelet op het feit dat deze twee niet aan dezelfde verplichtingen zijn onderworpen, en verzoekt de Commissie en de lidstaten deze twee soorten gebruik duidelijk te onderscheiden en de regels dienovereenkomstig aan te passen; benadrukt dat PPP's niet alleen worden gebruikt in de landbouw, maar ook voor de bestrijding van onkruid en plagen in stedelijke gebieden, zoals openbare parken en spoorwegen; benadrukt dat professionele en niet-professionele gebruikers van PPP's adequate training moeten krijgen;

6.  wijst op het potentieel van precisielandbouwtechnieken en technologische innovatie om Europese landbouwers te helpen plagen op een meer gerichte en duurzame wijze optimaal te bestrijden overeenkomstig de beginselen van Richtlijn 2009/128/EG; benadrukt de potentiële efficiëntieverbeteringen die op het gebied van gewasbescherming zouden kunnen worden gerealiseerd door het gebruik van technologie voor precisielandbouw, waardoor de hoeveelheid gebruikte PPP's aanzienlijk zou dalen en de impact op het milieu eveneens zou afnemen; roept de Commissie op deze vorm van wetenschappelijke en technologische vooruitgang volledig te omarmen en te garanderen dat landbouwers, consumenten en het milieu ervan profiteren;

7.  merkt op dat het voor de werking van sommige van de hulpmiddelen in de "toolkit", bijvoorbeeld biologische bestrijdingsmiddelen als natuurlijke predatoren van plagen of hun parasieten of parasitoïden, belangrijk is dat het gebruik van niet-gerichte, breedwerkende pesticiden wordt voorkomen en deze alleen als laatste redmiddel worden ingezet;

8.  benadrukt de belangrijke rol die PPP's spelen door ervoor te zorgen dat er tijdens de teelt en oogst minder gewassen verloren gaan door ziekten en plagen, waardoor de kwaliteit van de oogst en het plattelandsinkomen verbeteren;

9.  merkt op dat PPP's voor landbouwers binnen hun gewasproductiesystemen een aanzienlijke kostenpost vormen;

10.  onderstreept dat het noodzakelijk is kennis te delen en nieuwe vaardigheden op te doen met betrekking tot alternatieven voor chemische pesticiden en IPM, onder meer om een systeem van vruchtwisseling te vinden dat optimaal aansluit op de markt- en klimaatomstandigheden voor landbouwers; merkt verder op dat hierin reeds wordt voorzien in de horizontale GLB-verordening, met name ook in de vorm van bedrijfsadviesdiensten die worden gefinancierd in het kader van de plattelandsontwikkeling;

11.  wijst erop dat de toelating van PPP's met een laag risico een belangrijke bijdrage zou leveren aan een duurzame landbouwsector in de EU, dat de beschikbaarheid van dergelijke PPP's moet worden gewaarborgd en dat deze een belangrijke rol kunnen spelen in een brede strategie voor geïntegreerde gewasbescherming; merkt op dat moet worden bijgedragen aan een beter functionerend agrarisch ecosysteem en een duurzame landbouwsector, waarbij niet mag worden vergeten dat het gebrek aan beschikbare PPP's de diversificatie van de landbouw in gevaar kan brengen en ertoe kan leiden dat schadelijke organismen resistent worden voor PPP's; is in dit verband van mening dat er een evaluatie moet worden uitgevoerd van de efficiëntie en risico's van deze middelen, evenals van de vraag of zij beantwoorden aan de behoeften van de landbouw op het gebied van milieu, gezondheid en economie, teneinde de acceptatie ervan te vergroten en een brede inzet in de gewasbeschermingsstrategie van landbouwers te faciliteren; moedigt de ontwikkeling aan van PPP's met een laag risico; merkt op dat voor natuurlijke stoffen en producten waarvan bekend is dat zij minder risico's meebrengen, geen lange goedkeuringsprocedures zouden moeten gelden; verzoekt dan ook om invoering van een versnelde ('fast track'-)procedure voor de beoordeling, toelating en registratie van biologische gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico;

12.  toont zich bezorgd over het kleine aantal nieuwe stoffen dat is goedgekeurd, terwijl er tegelijkertijd andere stoffen van de markt zijn gehaald; benadrukt hoe belangrijk een geschikte toolkit met gewasbeschermingsmiddelen voor landbouwers is om de voedselvoorziening in de EU veilig te stellen;

13.  is ingenomen met het feit dat er een verslag over de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1107/2009 betreffende gewasbeschermingsmiddelen wordt opgesteld met het doel voedselveiligheid en milieubescherming te waarborgen alsmede een hoog beschermingsniveau voor de gezondheid van mens, dier en plant; benadrukt dat tegelijkertijd het concurrentievermogen van de landbouwsector in de EU moet worden behouden door gelijke concurrentievoorwaarden te creëren door landbouwers en producenten, ongeacht de lidstaat waar zij actief zijn, toegang te bieden tot een breed scala van werkzame stoffen en PPP's tegen redelijke prijzen; herinnert aan overweging 8 van Verordening (EG) nr. 1107/2009, waarin duidelijk wordt benadrukt dat de bescherming van kwetsbare bevolkingsgroepen bijzondere aandacht verdient en dat het voorzorgsbeginsel dient te worden toegepast; uit in dit verband zijn bezorgdheid dat sommige lidstaten niet voldoende zijn toegerust om illegale en vervalste gewasbeschermingsmiddelen aan te pakken;

14.  neemt nota van de lopende Refit-evaluatie door de Commissie van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en de geplande voltooiing ervan in november 2018; vertrouwt erop dat deze bevindingen een adequate basis zullen vormen voor de medewetgevers om de toekomstige ontwikkeling van Verordening (EG) nr. 1107/2009 te bespreken;

15.  wijst erop dat het aantal toegelaten werkzame stoffen in pesticiden tussen 1993 en 2009 met 70 % daalde, terwijl het aantal uitbraken van plagen in de EU in diezelfde periode steeg;

16.  erkent dat PPP's een aanzienlijke rol hebben gespeeld in het verbeteren van het vermogen van de landbouwsector om tegemoet te komen aan de mondiale voedselbehoefte, hetgeen heeft bijgedragen aan een daling van het percentage van de wereldbevolking dat ondervoed is van 18,6 % in 1990-1992 tot ongeveer 10,9 % in 2014-2016, aldus de FAO(1); is derhalve van mening dat het huidige systeem moet worden verbeterd door meer te doen om de schadelijke effecten weg te nemen en het gebruik van deze middelen niet moet worden gestopt zonder dat er alternatieven voorhanden zijn die even goed in staat zijn het huidige niveau van voedselvoorziening te handhaven of verhogen;

17.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat het huidige, op wetenschappelijke bevindingen gebaseerde evaluatiesysteem voor PPP's van de Europese Unie in recente debatten steeds vaker ter discussie wordt gesteld; benadrukt het belang van handhaving en versterking van een systeem dat wetenschappelijk onderbouwd en objectief is en berust op collegiaal getoetst bewijsmateriaal, en het product is van een open, onafhankelijke en multidisciplinaire wetenschappelijke benadering bij het toelaten van een werkzame stof, overeenkomstig de door de EU gehanteerde beginselen inzake risicoanalyse en het voorzorgsbeginsel zoals neergelegd in de algemene levensmiddelenwetgeving (Verordening (EG) nr. 178/2002); dringt erop aan dat in de procedure voor de hernieuwde goedkeuring van werkzame stoffen rekening moet worden gehouden met het concrete gebruik van PPP's en met de wetenschappelijke en technologische vorderingen op dit terrein; wijst erop dat de complexiteit van het huidige systeem van evaluatie en toelating tot gevolg heeft dat termijnen niet worden gehaald en dat het systeem in het algemeen mogelijk niet naar behoren werkt; wijst dan ook op de noodzaak om het systeem te evalueren en vereenvoudigen;

18.  is ingenomen met de door de Commissie in de Refit-evaluatie van de algemene levensmiddelenwetgeving(2) verschafte uitleg van het voorzorgsbeginsel, waarin zij aangeeft dat dit beginsel geen alternatief vormt voor een benadering op basis van risicobeheersing, maar juist een specifieke vorm van risicobeheersing is; herinnert eraan dat dit standpunt ook wordt onderschreven in uitspraken van het Hof van Justitie van de EU(3); roept de Commissie op te beoordelen of de cut-off-criteria die zijn opgenomen in Verordening (EG) nr. 1107/2009 in dit opzicht beantwoorden aan hun doel;

19.  wijst erop dat de lidstaat-rapporteur een verslag opstelt en indient bij de Commissie, met kopie aan de Autoriteit ("ontwerpbeoordelingsverslag" genoemd), waarin wordt beoordeeld of de werkzame stof naar verwachting beantwoordt aan de in artikel 4 vastgestelde goedkeuringscriteria; benadrukt dat de lidstaat-rapporteur op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis een onafhankelijke, objectieve en transparante beoordeling moet uitvoeren;

20.  toont zich bezorgd dat Verordening (EG) nr. 834/2007 geen gelijkwaardig, wetenschappelijk robuust en degelijk stelsel biedt voor de beoordeling van de effecten op de gezondheid van mens en dier en op het milieu bij de toelating van stoffen voor gewasbescherming voor biologische productie; merkt op dat het beginsel van de scheiding tussen risicobeoordeling en risicobeheer in die verordening niet wordt toegepast;

21.  toont zich bezorgd over de systematische vertraging bij de toelatingsprocedures en het toenemende gebruik van afwijkingen zoals neergelegd in artikel 53 van Verordening (EG) nr. 1107/2009; merkt op dat deze vertraging het in de handel brengen van efficiënte en veiligere innoverende producten sterk belemmert en ook leidt tot een toename van het aantal noodtoelatingen, waarmee hogere milieulasten zijn gemoeid; onderstreept dat lidstaten zich aan de wettelijk voorgeschreven termijnen moeten houden zodat de voorspelbaarheid voor aanvragers gewaarborgd is en het op de markt brengen van innoverende PPP's die aan strengere vereisten voldoen, vergemakkelijkt wordt; meent daarnaast dat elke afwijking naar behoren moet worden gerechtvaardigd en op regelmatige tijdstippen herzien; herinnert aan overweging 10 van Verordening (EG) nr. 1107/2009, waarin duidelijk wordt benadrukt dat gewasbeschermingsmiddelen uitsluitend stoffen mogen bevatten waarvan is aangetoond dat zij een duidelijk voordeel inhouden voor de teelt van planten en waarvan niet wordt verwacht dat zij een schadelijke uitwerking op de gezondheid van mens en dier of onaanvaardbare effecten voor het milieu hebben; onderstreept dat uit een door de Commissie in 2016 en 2017 in zeven lidstaten uitgevoerde audit naar voren kwam dat de meerderheid van de lidstaten die aan de audit waren onderworpen, niet het juiste systeem had om te garanderen dat de aanvragen binnen de wettelijke termijn van maximaal 120 dagen werden afgehandeld;

22.  hekelt de eenzijdige beslissingen van lidstaten die door andere lidstaten goedgekeurde producten kunnen verbieden of het gebruik ervan beperken, evenals het gebrek aan harmonisering van de behandelingstermijnen van toelatingsaanvragen, waardoor concurrentievervalsing ontstaat op de interne markt en landbouwers in een technische impasse terechtkomen die schadelijk is voor het milieu en contraproductief voor het concurrentievermogen van de landbouwondernemingen;

23.  benadrukt dat de geloofwaardigheid van het systeem voor de toelating van PPP's sterk afhangt van het publieke vertrouwen in de Europese agentschappen die de wetenschappelijke adviezen verstrekken welke de basis vormen voor goedkeuringen en risicobeheer; onderstreept dat transparantie in het proces van wetenschappelijke beoordelingen belangrijk is om het publieke vertrouwen te handhaven; roept daarom op tot adequate financiering van en voldoende personeel voor de relevante agentschappen om te garanderen dat het toelatingsproces onafhankelijk en transparant is en vlot verloopt; is in dit opzicht ingenomen met het feit dat de Commissie in haar Refit-evaluatie van de algemene levensmiddelenwetgeving(4) tot de conclusie komt dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) zeer transparant heeft gehandeld en gegevens heeft gedeeld binnen de grenzen van de door de medewetgevers opgelegde strenge geheimhoudingsregels; is daarnaast ingenomen met de aanhoudende inspanningen die EFSA heeft geleverd om haar systeem te verbeteren en zo de onafhankelijkheid en het beheer van potentiële belangenconflicten te garanderen – het systeem van EFSA werd door de Rekenkamer geroemd als het meest geavanceerde systeem van de agentschappen die in 2012 aan een audit werden onderworpen(5) en is onlangs, in juni 2017, geactualiseerd(6); roept de Commissie op verbeteringen voor te stellen om de transparantie van het regelgevingsproces verder te vergroten, onder meer betreffende de toegang tot gegevens van veiligheidsonderzoeken die door producenten worden ingediend als onderdeel van hun aanvragen voor vergunningen om PPP's in de EU in de handel te brengen; erkent dat de huidige procedure moet worden herzien om de evaluaties te verbeteren, de onafhankelijkheid van de instanties die verantwoordelijk zijn voor het uitvoeren van studies te vergroten, belangenconflicten te vermijden en de procedure transparanter te maken;

24.  benadrukt de grote verschillen in het aantal aanvragen tussen lidstaten in dezelfde zone en met een vergelijkbare omvang en agrarische omstandigheden;

25.  benadrukt dat het verdelen van de taken en de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten moeten worden aangemoedigd door de beschikbaarheid en het gebruik van geharmoniseerde methodes en modellen voor het uitvoeren van evaluaties te bevorderen en onnodige bijkomende nationale vereisten te beperken, teneinde de interne markt optimaal te laten functioneren; geeft aan dat de specifieke vereisten die elke lidstaat stelt en het gebrek aan harmonisering van de methodes die worden toegepast bij de evaluaties de belangrijkste oorzaken zijn van het gebrek aan vertrouwen tussen lidstaten en het feit dat zij ervoor kiezen een hernieuwde evaluatie uit te voeren op basis van hun eigen nationale modellen; onderstreept de rol van de lidstaten in de effectieve tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1107/2009; benadrukt de voordelen van een efficiënt toelatingsproces, waardoor onder andere sneller toegang kan worden verkregen tot PPP's, met inbegrip van alternatieven met een laag risico; meent dat de harmonisering van de wetgeving inzake het in de handel brengen van PPP's in de EU dringend moet worden verbeterd, om concurrentievervalsing bij de productie te vermijden; onderstreept dat de volledige tenuitvoerlegging van de bestaande wetgeving als doel moet hebben dubbel werk te voorkomen en nieuwe stoffen zonder onnodige vertraging beschikbaar te maken voor landbouwers;

26.  is ingenomen met het idee en de streefwaarden van het systeem voor toelating per zone, maar erkent dat deze streefwaarden wellicht op efficiëntere wijze kunnen worden gerealiseerd door middel van één enkel toelatingssysteem op Unieniveau; vraagt de Commissie te evalueren hoe het toelatingsproces sneller en kostenefficiënter kan worden uitgevoerd: door het huidige systeem te verbeteren (bijv. door de harmonisering van methodes, modellen en toepassingsvereisten te versterken, en/of door toelating in de hele zone verplicht te stellen na een positieve evaluatie door de rapporteur-lidstaat van die zone), of door één enkel toelatingssysteem voor de hele Unie op te zetten;

27.  is ingenomen met het idee en de streefwaarden van het systeem van toelating per zone en herinnert eraan dat dit systeem er in principe toe moet leiden dat de toelating van PPP's vlotter en kostenefficiënter verloopt voor alle betrokken partijen; wijst erop dat het streven naar evaluatie per zone van de toepassing van PPP's, die aanvragers de mogelijkheid biedt om een rapporteur-lidstaat per zone (zonal Rapporteur Member State – zRMS) voor te stellen voor het uitvoeren van de evaluatie, ertoe moet leiden dat de desbetreffende lidstaten in onderlinge samenwerking binnen de maximale termijn van 120 dagen na de publicatie van het registratieverslag door de zRMS een besluit treffen; toont zich bezorgd dat deze voordelen in de praktijk nauwelijks zijn gerealiseerd, hetgeen leidt tot systematische vertragingen in het toelatingsproces en een toename van het aantal noodtoelatingen; dringt er bij de lidstaten op aan volledig gebruik te maken van de mogelijkheid die het toelatingssysteem per zone biedt om de werklast te verdelen, en moedigt de Commissie en bevoegde autoriteiten aan de lidstaten hierbij te ondersteunen;

28.  wijst erop dat de procedure inzake wederzijdse erkenning door de lidstaten behorende tot een specifiek geografisch gebied, in het kader van de eengemaakte markt tot doel had de procedures te vereenvoudigen en het vertrouwen tussen de lidstaten te vergroten; beschouwt de toepassing van de procedure voor wederzijdse erkenning als een belangrijk instrument voor het verdelen van taken en waarborgen dat termijnen in acht worden genomen en tegelijk optimale bescherming voor gebruikers te garanderen, daar deze procedure aanvragers in staat stelt om toelating te verzoeken in een andere lidstaat waar het product in kwestie op dezelfde wijze wordt gebruikt voor dezelfde landbouwmethodes, op basis van de evaluatie die is uitgevoerd voor de toelating in de oorspronkelijke lidstaat die, op zijn beurt, te allen tijde de verantwoordelijkheid draagt voor de afgegeven evaluatie tegenover de lidstaten die wederzijdse erkenning toepassen;

29.  meent dat gezien de uiteenlopende praktijken van de lidstaten en de lijst van daadwerkelijk toegelaten producten, die doelstellingen niet zijn verwezenlijkt; wijst erop dat, indien de belangrijke verschillen tussen de lidstaten met betrekking tot de toegelaten PPP's en het wantrouwen tussen de lidstaten blijven bestaan, het beginsel van wederzijdse erkenning niet op doeltreffende wijze kan worden toegepast; spoort de Commissie dan ook aan om de werking van het systeem van wederzijdse erkenning te verbeteren en daartoe in twee fasen te werk te gaan door:

a)  de procedure voor wederzijdse erkenning te herzien om de efficiëntie ervan te vergroten en de uitvoering ervan, het nakomen van de termijnen en het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten te verbeteren;

b)  een effectbeoordeling uit te voeren om de haalbaarheid te beoordelen van de invoering van een toelatingsprocedure voor PPP's, eventueel op Europees niveau en met coördinatie door de Commissie, rekening houdend met de geografische bijzonderheden, teneinde de regels tussen de lidstaten te harmoniseren, de kosten drastisch te verminderen en de termijnen drastisch te verkorten, en de problemen inzake oneerlijke concurrentie op te lossen door de interne markt voor PPP's te versterken, rekening houdend met het feit dat een dergelijke Europese toelatingsprocedure niet mogelijk is zonder voldoende begrotingsmiddelen en expertise van de lidstaten;

30.  verwacht dat deze effectbeoordeling aantoont of de oprichting van één enkele autoriteit op EU-niveau die verantwoordelijk is voor alle aspecten die verband houden met de evaluatie en toelating van werkzame stoffen dubbel werk zou voorkomen, de kosten en administratieve lasten aanzienlijk zou verminderen en een hoog en uniform niveau van bescherming van het milieu en de menselijke gezondheid zou garanderen en dat een dergelijke autoriteit eveneens zou kunnen fungeren als enkel loket voor de evaluatie en registratie van werkzame stoffen;

31.  meent dat een op Europees niveau geharmoniseerde toelatingsprocedure voor PPP's gemeenschappelijke oplossingen zou kunnen bieden voor kleine bedrijven, die zich momenteel in een technische impasse bevinden vanwege de kosten van de toelatingsprocedure en het gebrek aan investeringen en onderzoek door particuliere en publieke belanghebbenden;

32.  wijst erop dat het gebrek aan coördinatie tussen de lidstaten leidt tot dubbel werk, waardoor de uitgaven en administratieve lasten onnodig hoog worden;

33.  merkt bezorgd op dat landbouwers minder instrumenten tot hun beschikking hebben als gevolg van het geringe aantal nieuwe werkzame stoffen dat sinds de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1107/2009 is goedgekeurd; wijst de Commissie en de lidstaten op het belang van de financiering van onderzoek en innovatie, met name via publiek-private partnerschappen, bedoeld om alternatieve oplossingen voor gewasbescherming te vinden die levensvatbaar zijn in termen van milieu, gezondheid en economie, en wijst op de noodzaak om landbouwers te begeleiden bij het uitvoeren van die alternatieve oplossingen, zodat ze hun gebruik van PPP's kunnen verminderen en om enerzijds te kunnen garanderen dat duurzame landbouw tegemoetkomt aan de vraag van een groeiende wereldbevolking en anderzijds dat er aandacht is voor punten van zorg op het gebied van milieu en gezondheid; benadrukt op dat onderzoek en technologie een belangrijke rol kunnen spelen bij het vergroten van het aantal instrumenten dat beschikbaar is om de huidige en toekomstige uitdagingen voor de landbouw, zoals het tegengaan van resistentie, het hoofd te bieden;

34.  is tevreden met de inspanningen van de Commissie wat betreft de ontwikkeling van het coördinatie-instrument voor de goedkeuring van gewasbeschermingsmiddelen voor kleine toepassingen, maar benadrukt dat er meer werkzame stoffen voor deze doeleinden beschikbaar moeten komen en herinnert eraan dat kleine toepassingen voor veel lidstaten een grote meerderheid van de gewassen vertegenwoordigen;

35.  meent dat Verordening (EG) nr. 1107/2009 eveneens moet worden aangepast om beter rekening te houden met stoffen die niet als PPP's worden beschouwd en die, wanneer ze worden gebruikt voor de bescherming van planten, door diezelfde verordening worden geregeld; die stoffen vormen namelijk interessante alternatieven als het gaat om geïntegreerde productiemethodes en bepaalde biocontroleproducten;

36.  is verheugd over de oprichting van de Coördinerende instantie voor kleine toepassingen, als forum om de coördinatie tussen lidstaten, organisaties van telers en de industrie te verbeteren ten gunste van de ontwikkeling van oplossingen voor kleine toepassingen; benadrukt dat het noodzakelijk is deze instantie langdurig en duurzaam te financieren;

37.  nodigt de lidstaten uit tot uitwisseling van de informatie en de goede praktijken afkomstig van de onderzoeksresultaten inzake de bestrijding van voor de teelt schadelijke organismen, om te komen tot alternatieve oplossingen die levensvatbaar zijn in termen van milieu, gezondheid en economie;

38.  benadrukt dat bij de ontwikkeling van nieuwe producten bijzondere aandacht moet worden besteed aan de rol van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's), aangezien kmo's vaak niet beschikken over de omvangrijke middelen die nodig zijn voor de ontwikkeling en goedkeuring van nieuwe stoffen;

39.  roept de Commissie op ervoor te zorgen dat lidstaten de verzameling van gegevens, in het bijzonder met betrekking tot reststoffen, beter coördineren;

40.  is van mening dat producten die uit landen buiten de EU worden ingevoerd en zijn geteeld met gebruikmaking van PPP's moeten onderworpen aan dezelfde strikte criteria als producten die binnen de EU worden geproduceerd; is bezorgd dat PPP's die niet in de EU zijn geregistreerd, mogelijk wel worden gebruikt in de productie van geïmporteerde producten;

41.  roept de Commissie op een pan-Europees systeem voor toelating voor kleine toepassingen en speciale gewassen voor te stellen, evenals een gemeenschappelijke lijst van grote/kleine gewassen voor toepassing op EU-niveau;

42.  is van mening dat pesticiden met een laag risico een belangrijke rol kunnen spelen in IPM en roept op tot een versneld toelatingsproces voor deze stoffen om hun opname in strategieën voor gewasbescherming te faciliteren.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

20.6.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

32

11

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

John Stuart Agnew, Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, Richard Ashworth, José Bové, Daniel Buda, Nicola Caputo, Matt Carthy, Michel Dantin, Paolo De Castro, Albert Deß, Diane Dodds, Jørn Dohrmann, Herbert Dorfmann, Norbert Erdős, Luke Ming Flanagan, Karine Gloanec Maurin, Beata Gosiewska, Martin Häusling, Esther Herranz García, Jan Huitema, Peter Jahr, Ivan Jakovčić, Zbigniew Kuźmiuk, Norbert Lins, Philippe Loiseau, Mairead McGuinness, Giulia Moi, Ulrike Müller, Maria Noichl, Marijana Petir, Bronis Ropė, Maria Lidia Senra Rodríguez, Czesław Adam Siekierski, Marc Tarabella, Maria Gabriela Zoană, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Franc Bogovič, Karin Kadenbach, Elsi Katainen, Anthea McIntyre, Momchil Nekov, Miguel Viegas

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Krzysztof Hetman

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

32

+

ALDE

Jan Huitema, Ivan Jakovčić, Elsi Katainen, Ulrike Müller

ECR

Jørn Dohrmann, Beata Gosiewska, Zbigniew Kuźmiuk, Anthea McIntyre

NI

Diane Dodds

PPE

Richard Ashworth, Franc Bogovič, Daniel Buda, Michel Dantin, Albert Deß, Herbert Dorfmann, Norbert Erdős, Esther Herranz García, Krzysztof Hetman, Peter Jahr, Norbert Lins, Mairead McGuinness, Marijana Petir, Czesław Adam Siekierski

S&D

Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, Nicola Caputo, Paolo De Castro, Karine Gloanec Maurin, Karin Kadenbach, Momchil Nekov, Maria Noichl, Maria Gabriela Zoană

11

-

EFDD

John Stuart Agnew, Giulia Moi, Marco Zullo

ENF

Philippe Loiseau

GUE/NGL

Matt Carthy, Luke Ming Flanagan, Maria Lidia Senra Rodríguez, Miguel Viegas

VERTS/ALE

José Bové, Martin Häusling, Bronis Ropė

1

0

S&D

Marc Tarabella

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

zie FAO (2015): The State of Food Security in the World; http://www.fao.org/3/a-i4646e.pdf

(2)

SWD(2018)0038.

(3)

Bijvoorbeeld het arrest van het Gerecht van 9 september 2011 in de zaak Frankrijk/Commissie, T-257/07, ECLI:EU:T:2011:444.

(4)

SWD(2018)0038.

(5)

https://www.eca.europa.eu/Lists/News/NEWS1210_11/NEWS1210_11_EN.PDF

(6)

https://www.efsa.europa.eu/sites/default/files/corporate_publications/files/policy_independence.pdf


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

10.7.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

48

2

8

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marco Affronte, Margrete Auken, Pilar Ayuso, Zoltán Balczó, Catherine Bearder, Ivo Belet, Biljana Borzan, Paul Brannen, Soledad Cabezón Ruiz, Nessa Childers, Birgit Collin-Langen, Miriam Dalli, Seb Dance, Mark Demesmaeker, Stefan Eck, Bas Eickhout, Karl-Heinz Florenz, Francesc Gambús, Arne Gericke, Jens Gieseke, Julie Girling, Sylvie Goddyn, Françoise Grossetête, Andrzej Grzyb, Jytte Guteland, György Hölvényi, Anneli Jäätteenmäki, Karin Kadenbach, Urszula Krupa, Giovanni La Via, Jo Leinen, Peter Liese, Valentinas Mazuronis, Susanne Melior, Miroslav Mikolášik, Rory Palmer, Massimo Paolucci, Piernicola Pedicini, Bolesław G. Piecha, Pavel Poc, John Procter, Julia Reid, Frédérique Ries, Daciana Octavia Sârbu, Annie Schreijer-Pierik, Davor Škrlec, Renate Sommer, Adina-Ioana Vălean, Damiano Zoffoli

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Guillaume Balas, Anja Hazekamp, Jan Huitema, Merja Kyllönen, Alojz Peterle, Christel Schaldemose, Keith Taylor

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Marc Joulaud, Stanisław Ożóg


HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

48

+

ALDE

Catherine Bearder, Jan Huitema, Anneli Jäätteenmäki, Valentinas Mazuronis, Frédérique Ries

ECR

Mark Demesmaeker

EFDD

Piernicola Pedicini

ENF

Sylvie Goddyn

GUE/NGL

Stefan Eck, Anja Hazekamp, Merja Kyllönen

NI

Zoltán Balczó

PPE

Pilar Ayuso, Ivo Belet, Birgit Collin-Langen, Francesc Gambús, Jens Gieseke, Françoise Grossetête, Andrzej Grzyb, Marc Joulaud, Giovanni La Via, Peter Liese, Miroslav Mikolášik, Alojz Peterle, Annie Schreijer-Pierik, Adina-Ioana Vălean

S&D

Guillaume Balas, Biljana Borzan, Paul Brannen, Soledad Cabezón Ruiz, Nessa Childers, Miriam Dalli, Seb Dance, Jytte Guteland, Karin Kadenbach, Jo Leinen, Susanne Melior, Rory Palmer, Massimo Paolucci, Pavel Poc, Christel Schaldemose, Daciana Octavia Sârbu, Damiano Zoffoli

VERTS/ALE

Marco Affronte, Margrete Auken, Bas Eickhout, Davor Škrlec, Keith Taylor

2

-

EFDD

Julie Reid

PPE

Julie Girling

8

0

ECR

Arne Gericke, Urszula Krupa, Stanisław Ożóg, Bolesław G. Piecha, John Procter

PPE

Karl-Heinz Florenz, György Hölvényi, Renate Sommer

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 13 september 2018Juridische mededeling