Procedure : 2017/0358(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0295/2018

Ingediende teksten :

A8-0295/2018

Debatten :

PV 15/04/2019 - 20
CRE 15/04/2019 - 20

Stemmingen :

PV 16/04/2019 - 8.19
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0377

VERSLAG     ***I
PDF 987kWORD 178k
27.9.2018
PE 619.409v02-00 A8-0295/2018

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2013/36/EU en 2014/65/EU

(COM(2017)0791 – C8-0452/2017 – 2017/0358(COD))

Commissie economische en monetaire zaken

Rapporteur Markus Ferber

AMENDEMENTEN
ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES van de Commissie juridische zaken
 PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2013/36/EU en 2014/65/EU

(COM(2017)0791 – C8-0452/2017 – 2017/0358(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0791),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 53, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0452/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 22 augustus 2018(1),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 april 2018(2),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Commissie juridische zaken (A8-0295/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Amendement    1

AMENDMENTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT(3)*

op het voorstel van de Commissie

---------------------------------------------------------

2017/0358 (COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende het prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 53, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank(4),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(5),

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Robuust prudentieel toezicht maakt integrerend deel uit van de reguleringsomgeving waarbinnen financiële instellingen binnen de Unie diensten kunnen verrichten. Beleggingsondernemingen vallen, samen met kredietinstellingen, voor hun prudentiële behandeling en toezicht onder Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad(6) en Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad(7), terwijl vereisten op het gebied van vergunningverlening en van organisatie en bedrijfsvoering zijn uiteengezet in Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad(8).

(2)  Bij de prudentiële regimes zoals die momenteel op grond van Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU bestaan, gaat het steeds grotendeels om het overnemen van internationale reguleringsnormen zoals die voor grote bankengroepen zijn vastgesteld door het Bazels Comité voor bankentoezicht (BCBS) en wordt daarbij slechts gedeeltelijk ingegaan op de specifieke risico's die verbonden zijn aan de verschillende activiteiten van beleggingsondernemingen. Daarom dient er voor de specifieke kwetsbare punten en risico's die inherent zijn aan beleggingsondernemingen, een verder antwoord te komen in de vorm van doeltreffende, passende en evenredige prudentiële regelingen op Unieniveau die in de hele Unie een gelijk speelveld helpen creëren, een doeltreffend prudentieel toezicht garanderen, de nalevingskosten onder controle houden en zorgen voor voldoende kapitaal voor de risico's van de meeste beleggingsondernemingen.

(3)  Deugdelijke prudentieel toezicht dient ervoor te zorgen dat beleggingsondernemingen ordelijk en in het beste belang van hun cliënten worden beheerd. In die vereisten dient mee te wegen welke mogelijkheden beleggingsondernemingen en hun cliënten hebben om buitensporige risico's aan te gaan, en in welke mate beleggingsondernemingen risico's nemen en inhouden. Ook dient dit prudentieel toezicht in te zetten op het voorkomen van onevenredige regeldruk voor beleggingsondernemingen. Tegelijk moet dit prudentieel toezicht het mogelijk maken een evenwicht te vinden tussen het waarborgen van de veiligheid en soliditeit van beleggingsondernemingen en het vermijden van buitensporige kosten die de levensvatbaarheid van hun bedrijfsactiviteit zouden kunnen ondermijnen.

(4)  Vele vereisten die voortvloeien uit Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU zijn ontworpen om de meest gangbare risico's aan te pakken waarmee kredietinstellingen doorgaans te maken hebben. Bijgevolg zijn de bestaande vereisten grotendeels opgezet om de kredietverleningsmogelijkheden van kredietinstellingen doorheen conjunctuurcycli veilig te stellen en om depositohouders en belastingbetalers te beschermen tegen eventuele faillissementen. Zij zijn echter niet afgestemd zodanig op de verschillende risicoprofielen van beleggingsondernemingen. Beleggingsondernemingen hebben geen grote portefeuilles particuliere leningen en bedrijfsleningen, noch trekken zij deposito's aan. De kans dat hun faillissement negatief kan uitwerken op de algemene financiële stabiliteit, is kleiner dan bij kredietinstellingen, maar zij houden toch een risico in dat moet worden beheerst door middel van een robuust kader. De risico's die beleggingsondernemingen lopen en inhouden, verschillen dus aanzienlijk van de risico's die kredietinstellingen lopen en inhouden, en dat verschil dient duidelijk tot uiting te komen in het prudentiële raamwerk van de Unie.

(5)  Verschillen in de toepassing van het bestaande raamwerk tussen lidstaten zijn een bedreiging voor het gelijke speelveld voor beleggingsondernemingen in de Unie en belemmeren de toegang van beleggers tot nieuwe mogelijkheden en betere manieren om hun risico's te beheren. Die verschillen vloeien voort uit de algemene complexiteit van de toepassing van het raamwerk op verschillende beleggingsondernemingen afhankelijk van de diensten die zij verrichten, waarbij bepaalde nationale autoriteiten die toepassing in hun nationale wetgeving of in de praktijk aanpassen of stroomlijnen. Aangezien het bestaande prudentiële raamwerk niet ingaat op alle risico's die sommige soorten beleggingsondernemingen lopen en inhouden, zijn in sommige lidstaten hoge kapitaalopslagen toegepast voor bepaalde beleggingsondernemingen. Eenvormige voorschriften voor het aanpakken van die risico's dienen te worden vastgesteld om een geharmoniseerd prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen in de hele Unie te verzekeren.

(6)  Een specifiek prudentieel regime is dan ook vereist voor beleggingsondernemingen die, gelet op hun omvang en hun onderlinge verbondenheid met andere financiële en economische spelers, niet systeemrelevant zijn. Systeemrelevante beleggingsondernemingen zouden daarentegen onder het bestaande prudentiële raamwerk van Richtlijn 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 575/2013 blijven vallen. Die beleggingsondernemingen zijn een subgroep van beleggingsondernemingen waarop het in Richtlijn 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 575/2013 uitgetekende raamwerk thans van toepassing is, en genieten geen bijzondere vrijstelling van de belangrijkste eisen ervan. De grootste en onderling sterkst verbonden beleggingsondernemingen hebben bedrijfsmodellen en risicoprofielen die vergelijkbaar zijn met die van belangrijke kredietinstellingen. Zij verrichten "bankachtige" diensten en gaan op grote schaal risico's aan. Voorts zijn systeemrelevante beleggingsondernemingen groot genoeg om, en hebben zij bedrijfsmodellen en risicoprofielen die een bedreiging vormen voor de stabiele en ordelijke werking van financiële markten, waardoor zij vergelijkbaar zijn met grote kredietinstellingen. Daarom is het passend dat die beleggingsondernemingen onderworpen blijven aan de bepalingen van Richtlijn 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 575/2013.

(7)  In sommige lidstaten zijn de autoriteiten die voor het prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen bevoegd zijn, misschien niet dezelfde als de autoriteiten die met het toezicht op marktgedrag zijn belast. Daarom dient een mechanisme te worden gecreëerd voor de samenwerking en informatie-uitwisseling tussen die autoriteiten, om te zorgen voor een geharmoniseerd prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen in de hele Unie dat snel en efficiënt functioneert.

(8)  Om de harmonisering van toezichtnormen en -praktijken binnen de Unie te bevorderen, dient de Europese Bankautoriteit (EBA), in nauwe samenwerking met de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA), primair bevoegd te blijven voor de coördinatie en convergentie van toezichtpraktijken op het gebied van prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen binnen het Europees Systeem voor financieel toezicht (ESFS).

(9)  Het vereiste bedrag aan aanvangskapitaal van een beleggingsonderneming dient te zijn gebaseerd op de diensten en activiteiten welke die beleggingsonderneming gemachtigd is te verrichten, in overeenstemming met Richtlijn 2004/39/EG. De mogelijkheid die Richtlijn 2013/36/EU lidstaten bood om in specifieke omstandigheden het vereiste bedrag aan aanvangskapitaal te verlagen, gecombineerd met de situatie van ongelijkmatige uitvoering van die richtlijn, hebben geleid tot een situatie waarin de vereiste bedragen aan aanvangskapitaal sterk uiteenlopen binnen de Unie. Om aan die fragmentatie een eind te maken, dient het vereiste bedrag aan aanvangskapitaal dus te worden geharmoniseerd voor alle beleggingsondernemingen in de Unie.

(10)  Hoewel beleggingsondernemingen uit het toepassingsgebied van Richtlijn 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 575/2013 worden gelicht, moeten bepaalde concepten die in het kader van, onderscheidenlijk, Richtlijn 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 575/2013 worden gebruikt, hun inmiddels gangbare betekenis behouden. Om een coherente interpretatie van die concepten mogelijk te maken en te vergemakkelijken wanneer deze in handelingen van Unierecht met betrekking tot beleggingsondernemingen worden gebruikt, moet telkens wanneer in die Uniehandelingen sprake is van het aanvangskapitaal voor beleggingsondernemingen, de toezichtbevoegdheden van bevoegde autoriteiten voor beleggingsondernemingen, het interne beoordelingsproces van de kapitaaltoereikendheid van de beleggingsondernemingen, de toezichtprocedure voor toetsing en evaluatie van bevoegde autoriteiten voor beleggingsondernemingen, de voor beleggingsondernemingen geldende governance- en beloningsbepalingen, dit worden begrepen als verwijzingen naar de overeenkomstige bepalingen in deze richtlijn.

(11)  De goede werking van de interne markt vereist dat de verantwoordelijkheid voor het toezicht op de financiële soliditeit van een beleggingsonderneming, en met name haar solvabiliteit en haar financiële soliditeit, bij de bevoegde autoriteit van haar lidstaat van herkomst berust of, in het geval dat de lidstaat niet beschikt over een bevoegde autoriteit met de in deze richtlijn omschreven kenmerken, bij de bevoegde autoriteit die de lidstaat moet oprichten voor de toepassing van deze richtlijn. Om ook voor andere lidstaten waar beleggingsondernemingen diensten verrichten of een bijkantoor hebben, tot een doeltreffend toezicht te komen, dient te worden gezorgd voor nauwe samenwerking en uitwisseling van informatie met de bevoegde autoriteiten van die lidstaten.

(12)  Voor informatie- en toezichtdoeleinden, en met name om de stabiliteit van het financiële bestel te verzekeren, dienen bevoegde autoriteiten van lidstaten van ontvangst, per geval, controles ter plaatse te kunnen uitvoeren, de inspecties te kunnen uitvoeren van de activiteiten van bijkantoren van beleggingsondernemingen op hun grondgebied, en dienen zij over de activiteiten van die bijkantoren informatie te kunnen verlangen. Toezichtmaatregelen voor die bijkantoren dienen evenwel de verantwoordelijkheid te blijven van de lidstaat van herkomst.

(13)  Om bedrijfsgevoelige informatie te beschermen dienen bevoegde autoriteiten gebonden te zijn door regels van het beroepsgeheim wanneer zij hun toezichttaken uitvoeren en wanneer zij gevoelige informatie uitwisselen.

(14)  Ter versterking van het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en ter bescherming van de cliënten van beleggingsondernemingen dienen met de wettelijke controle van de jaarrekeningen belaste personen de bevoegde autoriteiten terstond en zo onpartijdig mogelijk in kennis stellen van de feiten die de financiële positie van een beleggingsonderneming of haar administratieve en boekhoudkundige organisatie ernstig kunnen aantasten.

(15)  De verwerking van persoonsgegevens voor de toepassing van deze richtlijn dient plaats te vinden in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad(9) en met Verordening (EU) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad(10). Met name wanneer op grond van deze richtlijn persoonsgegevens mogen worden uitgewisseld met derde landen, dienen de desbetreffende bepalingen van hoofdstuk V van Verordening (EU) nr. 2016/679 en artikel 9 van Verordening (EU) nr. 45/2001 van toepassing te zijn.

(16)  Om de inachtneming van de in deze richtlijn en in [Verordening (EU) ---/----[VBO]] bepaalde verplichtingen te verzekeren, dienen lidstaten te voorzien in bestuursrechtelijke sancties en andere bestuursrechtelijke maatregelen die doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Om te garanderen dat bestuursrechtelijke sancties een afschrikkend effect hebben, dienen zij te worden bekendgemaakt, behalve in bepaalde welomschreven omstandigheden. Om cliënten en beleggers in staat te stellen met kennis van zaken een beslissing te nemen met betrekking tot hun beleggingsopties, dienen die cliënten en beleggers toegang te hebben tot informatie over bestuursrechtelijke sancties en andere bestuursrechtelijke maatregelen die beleggingsondernemingen zijn opgelegd.

(17)  Om mogelijke inbreuken op bepalingen van nationaal recht tot omzetting van deze richtlijn en van [Verordening (EU) ---/----[VBO]] te kunnen opsporen, dienen lidstaten over de nodige onderzoeksbevoegdheden te beschikken en dienen zij doeltreffende en snelle mechanismen op te zetten om mogelijke of daadwerkelijke inbreuken te melden.

(18)  Beleggingsondernemingen dienen |▌intern kapitaal ter beschikking te hebben dat qua omvang, kwaliteit en verdeling toereikend is om de specifieke risico's te dekken waaraan zij blootgesteld zijn of kunnen worden. Bevoegde autoriteiten dienen ervoor te zorgen dat beleggingsondernemingen over afdoende strategieën en processen beschikken om de toereikendheid van hun interne kapitaal te beoordelen en te handhaven.

(19)  Bevoegdheden inzake prudentiële toetsing en evaluatie door de toezichthouder dienen een belangrijk toezichtinstrument te blijven waarmee bevoegde autoriteiten kwalitatieve elementen kunnen beoordelen, zoals onder meer interne governance en controles, risicobeheersingsprocessen en -procedures en, waar nodig, het stellen van extra eisen, met name met betrekking tot kapitaal- en liquiditeitseisen. De bevoegde autoriteiten dienen uitsluitend voor risico’s die niet of niet voldoende door het kapitaalvereiste als bepaald in deel drie van [Verordening (EU) ---/----[VBO]] worden gedekt, aanvullende kapitaalvereisten vast te stellen. De bepalingen inzake aanvullende kapitaalvereisten als bedoeld in artikel 37, lid 2, zijn uitsluitend van toepassing op ondernemingen die niet voldoen aan de criteria als bepaald in artikel 12 van [Verordening (EU) ---/----[VBO]].

(20)  Om de beloning af te stemmen op het risicoprofiel van beleggingsondernemingen en om een gelijk speelveld te garanderen, dienen voor beleggingsondernemingen duidelijke beginselen te gelden inzake corporate-governanceregelingen en beloningsregels, die genderneutraal zijn en rekening houden met de verschillen tussen kredietinstellingen en beleggingsondernemingen. Kleine en niet onderling verbonden beleggingsondernemingen dienen evenwel van die regels te worden vrijgesteld omdat de bepalingen inzake beloning en corporate governance van Richtlijn 2014/65/EU voldoende omvattend zijn voor dergelijke ondernemingen.

(21)  Evenzo is uit het verslag COM(2016) 510(11) van de Commissie gebleken dat de vereisten inzake uitstel en uitbetaling in financiële instrumenten die in Richtlijn 2013/36/EU zijn vastgesteld, niet geschikt zijn als het gaat om kleine en niet-complexe beleggingsondernemingen of voor personeelsleden van wie de beloning beperkt variabel is. Heldere, coherente en geharmoniseerde criteria om te bepalen welke beleggingsondernemingen en personen van die vereisten kunnen worden vrijgesteld, zijn noodzakelijk om voor convergentie in het toezicht te zorgen en een gelijk speelveld te garanderen. Tegelijkertijd dient de bevoegde autoriteiten echter enige flexibiliteit te worden gelaten om een strengere benadering te hanteren wanneer zij dat nodig achten.

(22)  Ook is het passend dat beleggingsondernemingen een zekere flexibiliteit wordt gelaten in de wijze waarop zij bij het betalen van variabele beloningen niet-geldelijke instrumenten gebruiken, zolang met die instrumenten daadwerkelijk de doelstelling wordt behaald van het afstemmen van het belang van personeelsleden op de belangen van diverse belanghebbenden, zoals aandeelhouders en schuldeisers, en daarmee wordt bijgedragen aan het afstemmen van de variabele beloning op het risicoprofiel van de beleggingsonderneming.

(23)  De inkomsten van beleggingsondernemingen in de vorm van vergoedingen, commissies en andere inkomsten met betrekking tot het verrichten van verschillende beleggingsdiensten, zijn bijzonder volatiel. De variabele beloningscomponent beperken tot een deel van de vaste beloningscomponent zou van invloed zijn op de mogelijkheden van de onderneming om beloningen te verlagen in tijden van verminderde inkomsten en zou tot een verhoging van de vastekostenbasis van de onderneming kunnen leiden, hetgeen dan weer risico's kan doen ontstaan voor de mogelijkheden van de onderneming om stand te houden in tijden van economische neergang of verminderde inkomsten. Om die risico's te vermijden, mag geen maximumratio tussen de variabele en de vaste onderdelen van de beloning worden opgelegd aan niet-systeemrelevante beleggingsondernemingen. In plaats daarvan dienen die beleggingsondernemingen zelf passende ratio's vast te stellen.

(24)  In reactie op de toenemende vraag vanuit het publiek naar fiscale transparantie en met het oog op het bevorderen bij beleggingsondernemingen van maatschappelijk verantwoord ondernemen, dient van beleggingsondernemingen, tenzij zij kunnen worden aangemerkt als klein en niet onderling verbonden, te worden verlangd dat zij jaarlijks bepaalde informatie openbaar maken, onder meer informatie over de winst die zij boeken, de belastingen die zij betalen en de overheidssubsidies die zij ontvangen.

(25)  Om risico's op het niveau van uitsluitend uit beleggingsondernemingen bestaande groepen aan te pakken, dient de door Verordening (EU) nr. 575/2013 voorgeschreven methode voor prudentiële consolidatie in het geval van uitsluitend uit beleggingsondernemingen bestaande groepen te worden vervangen door een groepskapitaalcriterium. Het bepalen van de groepstoezichthouder dient evenwel te zijn gebaseerd op dezelfde beginselen als die voor het toezicht op geconsolideerde basis. Met het oog op de goede samenwerking dienen kernelementen van coördinatiemaatregelen, en met name informatievoorwaarden in noodsituaties of samenwerkings- en coördinatieregelingen, gelijk te lopen met de kernelementen voor coördinatie die in het kader van het single rulebook gelden voor kredietinstellingen.

(26)  De Commissie dient aanbevelingen te kunnen indienen bij de Raad met het oog op het onderhandelen over en sluiten van overeenkomsten tussen de Unie en derde landen voor de praktische uitoefening van het toezicht op de inachtneming van het groepskapitaalcriterium voor beleggingsondernemingen waarvan de moederondernemingen in derde landen zijn gevestigd, en voor in derde landen werkzame beleggingsondernemingen waarvan de moederondernemingen in de Unie zijn gevestigd. Tegelijk dienen lidstaten en de EBA administratieve regelingen met derde landen te kunnen opzetten met het oog op de uitvoering van hun toezichttaken.

(27)  Met het oog op rechtszekerheid en om dupliceringen of overlappingen te vermijden tussen het bestaande prudentiële raamwerk dat voor zowel kredietinstellingen als beleggingsondernemingen geldt, en deze richtlijn, worden Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU gewijzigd om beleggingsondernemingen uit het toepassingsgebied van die handelingen te lichten. Evenwel dienen voor beleggingsondernemingen ▌de voor de bankgroep relevante bepalingen van Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU te blijven gelden, zoals de bepalingen inzake de intermediaire EU-moederonderneming als bedoeld in [artikel 21 ter] van Richtlijn 2013/36/EU en de regels inzake prudentiële consolidatie zoals uiteengezet in hoofdstuk 2 van titel 2 van deel één van Verordening (EU) nr. 575/2013.

(28)  Gespecificeerd dient te worden welke stappen ondernemingen moeten zetten om na te gaan of zij onder de definitie van een kredietinstelling in de zin van artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen, en of zij dus een vergunning als kredietinstelling dienen aan te vragen. Omdat bepaalde beleggingsondernemingen al de in de punten 3 en 6 van deel A van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU genoemde activiteiten verrichten, dienen er ook bepalingen te komen die duidelijkheid moeten bieden dat voor die activiteiten de vergunning blijft gelden. Het is in het bijzonder erg belangrijk dat de bevoegde autoriteiten waarborgen dat de overgang van het huidige kader naar het nieuwe kader voor beleggingsondernemingen voldoende regelgevingszekerheid biedt en hen niet minder rechten garandeert dan onder het huidige kader het geval is.

(29)  Met het oog op effectief toezicht is het van belang dat ondernemingen die aan de voorwaarden van artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen, een vergunning als kredietinstelling aanvragen. Derhalve dienen bevoegde autoriteiten de mogelijkheid te hebben om sancties op te leggen aan ondernemingen welke die vergunning niet aanvragen.

(30)  De wijziging van de definitie van "kredietinstelling" in Verordening (EU) nr. 575/2013 door [Verordening (EU)---/----[VBO]] kan, zodra deze van kracht wordt, beleggingsondernemingen in beeld brengen die al actief zijn op basis van een overeenkomstig Richtlijn 2014/65/EU afgegeven vergunning. Die ondernemingen dienen verder op grond van hun vergunning als beleggingsonderneming te kunnen blijven opereren totdat hun een vergunning als kredietinstelling is afgegeven. Die beleggingsondernemingen dienen een aanvraag voor een vergunning als kredietinstelling in te dienen uiterlijk wanneer het gemiddelde van hun totale maandelijkse activa een van de in artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde drempels overschrijdt over een periode van twaalf opeenvolgende maanden. Wanneer een beleggingsonderneming een van de drempels van artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 overschrijdt op het tijdstip dat deze richtlijn in werking treedt, dienen het gemiddelde van hun maandelijkse totale activa te worden berekend aan de hand van de twaalf opeenvolgende maanden voorafgaand aan dat tijdstip. Die beleggingsondernemingen dienen binnen één jaar en één dag na de inwerkingtreding van deze richtlijn een vergunning als kredietinstelling aan te vragen.

(31)  De wijziging van de definitie van "kredietinstelling" in Verordening (EU) nr. 575/2013 door [Verordening (EU)---/----[VBO]] kan ook van invloed zijn op ondernemingen die al een vergunning als beleggingsonderneming hebben aangevraagd op grond van Richtlijn 2014/65/EU en waarvoor de aanvraag nog in behandeling is. Die aanvragen dienen te worden overgedragen aan de op grond van Richtlijn 2013/36/EU bevoegde autoriteiten en dienen te worden behandeld volgens de in die richtlijn vastgestelde bepalingen inzake vergunningverlening indien de beoogde totale activa van de onderneming een van de drempels van artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 halen.

(32)  Voor de in artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde ondernemingen dienen ook alle vereisten te gelden inzake toegang tot de activiteit van kredietinstellingen die in titel III van Richtlijn 2013/36/EU zijn vastgesteld, met inbegrip van de bepalingen betreffende de intrekking van de vergunning in overeenstemming met artikel 18 van die richtlijn. Artikel 18 van die richtlijn dient evenwel te worden gewijzigd zodat bevoegde autoriteiten ook de vergunning mogen intrekken van ondernemingen die een vergunning als kredietinstelling hebben gekregen wanneer die kredietinstelling haar vergunning uitsluitend gebruikt om de in artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde activiteiten uit te oefenen en over een periode van vijf opeenvolgende jaren gemiddelde totale activa heeft die de drempels van artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), onderschrijden.

(33)  Overeenkomstig artikel 39 van Richtlijn 2014/65/EU zijn ondernemingen uit derde landen die in de EU financiële diensten verrichten, onderworpen aan nationale regimes waarin kan worden geëist dat een bijkantoor in een lidstaat wordt opgericht. Met het oog op de regelmatige monitoring en beoordeling van activiteiten die ondernemingen uit derde landen via bijkantoren in de Unie verrichten, dienen bevoegde autoriteiten op de hoogte te zijn van de schaal en de omvang van de diensten en activiteiten die via bijkantoren op hun grondgebied worden verricht.

(34)  De EBA heeft, in samenwerking met de ESMA, een verslag uitgebracht dat is gebaseerd op een grondige achtergrondanalyse, gegevensverzameling en raadpleging voor een prudentieel raamwerk op maat van alle niet-systeemrelevante beleggingsondernemingen, dat als basis dient voor het herziene prudentiële raamwerk voor beleggingsondernemingen.

(35)  Met het oog op de geharmoniseerde toepassing van deze richtlijn dient de EBA te worden belast met het opstellen van technische normen tot nadere invulling van de informatie die autoriteiten in de lidstaat van herkomst en van ontvangst in het kader van het toezicht dienen uit te wisselen, van de wijze waarop beleggingsondernemingen de omvang van hun activiteiten ten behoeve van interne governancevereisten dienen te beoordelen en met name de vraag of zij, naar eigen inschatting, een kleine en niet onderling verbonden onderneming zijn. Technische normen dienen ook nader aan te geven welke personeelsleden een wezenlijke invloed hebben op het risicoprofiel van ondernemingen wat betreft de beloningsbepalingen, en welke aanvullend tier 1- en tier 2-instrumenten als variabele beloning kwalificeren. Ten slotte dienen technische normen nadere invulling te geven aan de elementen om het toepassingsbereik te beoordelen van vereisten inzake interne governance, transparantie, behandeling van risico's en beloning, de toepassing van aanvullende kapitaalvereisten door bevoegde autoriteiten, en het functioneren van colleges van toezichthouders.

(36)  Met het oog op de eenvormige toepassing van deze richtlijn en om rekening te houden met ontwikkelingen op financiële markten, dient de bevoegdheid om handelingen vast te stellen in overeenstemming met artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te worden overgedragen aan de Commissie ten aanzien van de nadere invulling van de definities in deze richtlijn, van het aanvangskapitaal en de risicobeoordelingen van beleggingsondernemingen, en van de toezichtbevoegdheden inzake prudentiële toetsing en evaluatie door bevoegde autoriteiten. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen worden verricht overeenkomstig de beginselen die zijn vastgelegd in het interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen."

(37)  Om eenvormige voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van deze verordening te verzekeren, en met name ten aanzien van de vaststelling van de ontwerpen van door de EBA opgestelde technische uitvoeringsnormen ten aanzien van de vereisten inzake gegevensuitwisseling tussen bevoegde autoriteiten, en om rekening te houden met ontwikkelingen op economisch en monetair gebied met betrekking tot de voor beleggingsondernemingen vereiste bedragen aan aanvangskapitaal, dienen de Commissie uitvoeringsbevoegdheden te worden overgedragen. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(12).

(38)  Daar de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk het opzetten van een effectief en evenredig prudentieel raamwerk dat ervoor moet zorgen dat beleggingsondernemingen met een vergunning om binnen de Unie te opereren, op gezonde financiële basis actief zijn en ordelijk worden beheerd onder meer in het beste belang van hun cliënten, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen beter op het niveau van de Unie kunnen worden bereikt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken,

(39)  Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken(13) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van die stukken gerechtvaardigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

TITEL I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze richtlijn worden voorschriften vastgesteld met betrekking tot:

(a)  het aanvangskapitaal van beleggingsondernemingen;

(b)  de toezichtbevoegdheden en -instrumenten voor het prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen door de bevoegde autoriteiten;

(c)  het prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen door de bevoegde autoriteiten op een wijze die strookt met de regels die in [Verordening (EU) ---/----[VBO]] zijn vastgesteld;

(d)  bekendmakingsvereisten voor de bevoegde autoriteiten op het gebied van prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.  Deze richtlijn is van toepassing op beleggingsondernemingen waaraan vergunning is verleend en die onder toezicht staan overeenkomstig Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad(14).

Artikel 3

Definities

1.  Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

(1)  "onderneming die nevendiensten verricht": een onderneming die nevendiensten verricht in de zin van artikel 4, lid 1, punt 18, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

(2)  "vergunning": een vergunning die overeenkomstig titel II van Richtlijn 2014/65/EU aan een beleggingsonderneming is verleend;

(3)  "bijkantoor": een bijkantoor in de zin van artikel 4, lid 1, punt 30, van Richtlijn 2014/65/EU;

(4)  "nauwe banden": nauwe banden in de zin van artikel 4, lid 1, punt 35, van Richtlijn 2014/65/EU;

(5)  "bevoegde autoriteit": een overheidsinstantie of -lichaam van een lidstaat die/dat in het nationale recht officieel erkend en gemachtigd is om toezicht te houden op beleggingsondernemingen overeenkomstig deze richtlijn, in het kader van het toezichtstelsel dat in die lidstaat van kracht is;

(6)  "grondstoffenhandelaren": grondstoffenhandelaren in de zin van artikel 4, lid 1, punt 145, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

(7)  "zeggenschap": de betrekking tussen een moederonderneming en een dochteronderneming, zoals beschreven in artikel 22 van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad(15) of in de standaarden voor jaarrekeningen waaraan een beleggingsonderneming onderworpen is op grond van Verordening (EG) nr. 1606/2002(16), of een soortgelijke betrekking tussen een natuurlijke persoon of rechtspersoon en een onderneming;

(8)  "naleving van het groepskapitaalcriterium": naleving van de vereisten van artikel 7 van [Verordening (EU) ---/----[VBO]] door de moederonderneming in een groep beleggingsondernemingen;

(9)  "kredietinstelling": een kredietinstelling in de zin van artikel 4, lid 1, punt 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

(10)  "derivaten": derivaten in de zin van artikel 2, lid 1, punt 29, van Verordening (EU) nr. 600/2014(17);

(11)  "financiële instelling": een financiële instelling in de zin van artikel 4, lid 1, punt 13, van [Verordening (EU) ---/----[VBO]];

(12)  "groep": een groep in de zin van artikel 2, lid 11, van Richtlijn 2013/34/EU;

(13)  "groepstoezichthouder": een bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium door Uniemoederbeleggingsondernemingen en beleggingsondernemingen die onder zeggenschap staan van een Uniemoederbeleggingsholding of een gemengde financiële Uniemoederholding;

(14)  "lidstaat van herkomst": een lidstaat van herkomst in de zin van artikel 4, lid 1, punt 55, onder a), van Richtlijn 2014/65/EU;

(15)  "lidstaat van ontvangst": een lidstaat van ontvangst in de zin van artikel 4, lid 1, punt 56, van Richtlijn 2014/65/EU;

(16)  "aanvangskapitaal": het kapitaal dat vereist is met het oog op het verkrijgen van een vergunning als beleggingsonderneming;

(17)  "beleggingsonderneming": een beleggingsonderneming in de zin van artikel 4, lid 1, punt 1, van Richtlijn 2014/65/EU;

(18)  "groep beleggingsondernemingen": een groep beleggingsondernemingen in de zin van artikel 4, lid 1, punt 23, van [Verordening (EU) ---/----[VBO]];

(19)  "beleggingsholding": een beleggingsholding in de zin van artikel 4, lid 1, punt 21, van [Verordening (EU) ---/----[VBO]];

(20)  "beleggingsdiensten en -activiteiten": beleggingsdiensten en -activiteiten in de zin van artikel 4, lid 1, punt 2, van Richtlijn 2014/65/EU;

(21)  "leidinggevend orgaan": een leidinggevend orgaan in de zin van artikel 4, lid 1, punt 36, van Richtlijn 2014/65/EU;

(22)  "leidinggevend orgaan in zijn toezichthoudende functie": het leidinggevend orgaan ▌ in zijn toezichthoudende functie in de zin van artikel 3, lid 8, van Richtlijn 2013/36/EU;

(23)  "gemengde financiële holding": een gemengde financiële holding in de zin van artikel 2, punt 15, van Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad(18);

(24)  "directie": de directie in de zin van artikel 4, lid 1, punt 37, van Richtlijn 2014/65/EU;

(25)  "moederonderneming": een moederonderneming in de zin van artikel 4, lid 1, punt 32, van Richtlijn 2014/65/EU;

(26)  "dochteronderneming": een dochteronderneming in de zin van artikel 4, lid 1, punt 33, van Richtlijn 2014/65/EU;

(27)  "systeemrisico": systeemrisico in de zin van artikel 3, lid 1, punt 10, van Richtlijn 2013/36/EU;

(28)  "Uniemoederbeleggingsonderneming": een Uniemoederbeleggingsonderneming in de zin van artikel 4, lid 1, punt 49, van [Verordening (EU) ---/----[VBO]];

(29)  "Uniemoederbeleggingsholding": een Uniemoederbeleggingsholding in de zin van artikel 4, lid 1, punt 50, van [Verordening (EU) ---/----[VBO]];

(30)  "gemengde financiële Uniemoederholding": een gemengde financiële Uniemoederholding in de zin van artikel 4, lid 1, punt 51, van [Verordening (EU) ---/----[VBO]].

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 54 gedelegeerde handelingen vast te stellen om het volgende te verduidelijken:

(a)  de in lid 1 opgenomen definities om een eenvormige toepassing van deze richtlijn te waarborgen;

(b)  de in lid 1 opgenomen definities om bij de toepassing van deze richtlijn rekening te houden met de ontwikkelingen op de financiële markten.

TITEL II

BEVOEGDE AUTORITEITEN

Artikel 4

Aanwijzing en bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten

1.  De lidstaten wijzen één of meer bevoegde autoriteiten aan die de in deze richtlijn omschreven functies en taken vervullen. De lidstaten stellen de Commissie, de EBA en de ESMA in kennis van die aanwijzing en, ingeval er meer dan één bevoegde autoriteit is, van de functies en taken van elke bevoegde autoriteit.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten toezien op de activiteiten van beleggingsondernemingen en, in voorkomend geval, van beleggingsholdings en gemengde financiële holdings, om na te gaan of deze de vereisten van deze richtlijn en van [Verordening (EU) ---/----[VBO]] naleven.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten de nodige bevoegdheden hebben, met inbegrip van de bevoegdheid controles ter plaatse te verrichten overeenkomstig artikel 12, om de informatie te verkrijgen die nodig is om na te gaan of beleggingsondernemingen en, in voorkomend geval, beleggingsholdings en gemengde financiële holdings de vereisten van deze richtlijn en van [Verordening (EU) ---/----[VBO]] naleven, en om mogelijke inbreuken op die vereisten te onderzoeken.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten over de deskundigheid, de middelen, de operationele capaciteit, de bevoegdheden en de onafhankelijkheid beschikken die nodig zijn om de in deze richtlijn vastgelegde functies met betrekking tot het prudentieel toezicht, onderzoeken en sancties te vervullen.

5.  De lidstaten leggen beleggingsondernemingen de verplichting op hun bevoegde autoriteiten alle informatie te verstrekken die nodig is om na te gaan of zij de nationale regels tot omzetting van deze richtlijn en de bepalingen van [Verordening (EU) ---/---- [VBO]] naleven. De internecontrolemechanismen en de administratieve en boekhoudkundige organisatie van beleggingsondernemingen maken het de bevoegde autoriteiten mogelijk te allen tijde te controleren of zij die regels naleven.

6.  De lidstaten zorgen ervoor dat beleggingsondernemingen al hun onder deze richtlijn en [Verordening (EU) ---/--- [VBO] vallende transacties registreren en al hun systemen en processen documenteren op een wijze die de bevoegde autoriteiten in staat stelt te allen tijde na te gaan of de nationale regels tot omzetting van deze richtlijn en de bepalingen van [Verordening (EU) ---/---- [VBO]] worden nageleefd.

Artikel 4 bis (nieuw)

Bevoegdheid om de vereisten van Verordening (EU) nr. 575/2013 van toepassing te verklaren op bepaalde beleggingsondernemingen

De bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de geconsolideerde toezichthouders als bedoeld in artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU, mogen de vereisten van Verordening (EU) nr. 575/2013 van toepassing verklaren op een onderneming die geen kredietinstelling is in de zin van artikel 4 van die verordening, op voorwaarde dat aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

(a)  de onderneming is geen grondstoffenhandelaar, handelaar in emissierechten, instelling voor collectieve belegging of verzekeringsonderneming;

(b)  de onderneming oefent één van de in de punten 3 en 6 van deel A van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU bedoelde activiteiten uit;

(c)  de bedrijfsactiviteiten van de onderneming zijn vergelijkbaar met die welke gewoonlijk worden uitgeoefend door ondernemingen die deposito's of andere terugbetaalbare gelden van het publiek ontvangen en voor eigen rekening krediet verstrekken;

(d)  de in b) en c) van deze alinea bedoelde activiteiten worden op zodanige schaal uitgeoefend dat het falen van de onderneming een systeemrisico in de zin van punt 10 van artikel 3, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU zou kunnen vormen.

De EBA, na raadpleging van de ESMA, en rekening houdend met Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/488 van de Commissie, stelt ontwerpen van technische reguleringsnormen vast om een consistente toepassing van a) t/m d) van de eerste alinea te garanderen.

De EBA legt deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk ...[negen maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de tweede alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 t/m 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 5Samenwerking binnen een lidstaat

1.  De bevoegde autoriteiten werken nauw samen met de overheidsinstanties of -organen die in hun lidstaat verantwoordelijk zijn voor het toezicht op kredietinstellingen en financiële instellingen. De lidstaten leggen die bevoegde autoriteiten en die overheidsinstanties of -organen de verplichting op onverwijld alle informatie uit te wisselen die essentieel of dienstig is voor de uitoefening van hun functies en taken.

2.  Bevoegde autoriteiten die verschillen van die welke overeenkomstig artikel 67 van Richtlijn 2014/65/EU worden aangewezen, voeren een mechanisme in voor samenwerking met die autoriteiten, en voor de uitwisseling van alle informatie die dienstig is voor de uitoefening van hun respectieve functies en taken.

Artikel 6

Samenwerking binnen het Europees Systeem voor financieel toezicht

Bij de uitvoering van hun taken houden de bevoegde autoriteiten rekening met de convergentie van toezichtinstrumenten en toezichtpraktijken bij de toepassing van de uit hoofde van deze richtlijn vastgestelde wettelijke bepalingen en de bepalingen van [Verordening (EU) ---/----[VBO]].

De lidstaten zorgen ervoor dat:

(a)  de bevoegde autoriteiten, als partijen bij het ESFS, met vertrouwen en met het volste wederzijdse respect samenwerken, met name om te zorgen voor een passende, betrouwbare en volledige informatiestroom tussen hen en de andere partijen bij het ESFS;

(b)  de bevoegde autoriteiten deelnemen aan de activiteiten van de EBA en, in voorkomend geval, aan de colleges van toezichthouders bedoeld in artikel 44 van deze richtlijn en in artikel 116 van Richtlijn 2013/36/EU;

(c)  de bevoegde autoriteiten zich tot het uiterste inspannen om ervoor te zorgen dat de richtsnoeren en aanbevelingen die door de EBA zijn afgegeven overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad(19), worden nageleefd, en gehoor te geven aan de waarschuwingen en aanbevelingen die door het Europees Comité voor systeemrisico's (ESRB) zijn afgegeven overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad(20);

(d)  de bevoegde autoriteiten nauw samenwerken met het ESRB;

(e)  taken en bevoegdheden die aan de bevoegde autoriteiten worden toegekend, de uitvoering van hun taken als leden van de EBA of als leden van het ESRB, of uit hoofde van deze richtlijn en uit hoofde van [Verordening (EU) ---/----[VBO]] niet doorkruisen.

Artikel 7Uniedimensie van het toezicht

De bevoegde autoriteiten in elke lidstaat nemen bij de uitvoering van hun algemene taken naar behoren de gevolgen in overweging die hun besluiten, met name in noodsituaties, kunnen hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel van andere betrokken lidstaten en voor de Unie als geheel, uitgaande van de op het desbetreffende tijdstip beschikbare informatie.

TITEL IIIAANVANGSKAPITAAL

Artikel 8Aanvangskapitaal

1.  Het aanvangskapitaal waarover een beleggingsonderneming overeenkomstig artikel 15 van Richtlijn 2014/65/EU moet beschikken om een vergunning te krijgen voor het verrichten van de in de punten 3, 6, 8 of 9 van deel A van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU vermelde beleggingsdiensten en -activiteiten, is 750 000 EUR.

2.  Het aanvangskapitaal waarover een beleggingsonderneming die niet over een vergunning beschikt om geld of effecten van cliënten te houden, overeenkomstig artikel 15 van Richtlijn 2014/65/EU moet beschikken om een vergunning te krijgen voor het verrichten van de in de punten 1, 2, 4, 5 of 7 van deel A van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU vermelde beleggingsdiensten en -activiteiten, is 75 000 EUR.

3.  Het aanvangskapitaal waarover andere beleggingsondernemingen dan de in de leden 1 en 2 bedoelde beleggingsondernemingen overeenkomstig artikel 15 van Richtlijn 2014/65/EU moeten beschikken, is 150 000 EUR.

4.  De Commissie actualiseert door middel van gedelegeerde handelingen het in de leden 1 tot met 3 genoemde bedrag van het aanvangskapitaal om rekening te houden met ontwikkelingen op economisch en monetair gebied. Die gedelegeerde handelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 54 bedoelde ▌ procedure.

Artikel 8 bis

Verwijzingen naar aanvangskapitaal in Richtlijn 2013/36/EU

De verwijzingen naar de bedragen aan aanvangskapitaal zoals die in artikel 8 van deze richtlijn worden bepaald, worden, vanaf de datum van toepassing van deze richtlijn, geïnterpreteerd als vervangen zij de verwijzingen naar de in Richtlijn 2013/36/EU bepaalde bedragen aan aanvangskapitaal, als volgt:

(a)  de verwijzing naar aanvangskapitaal van beleggingsondernemingen in artikel 28 van Richtlijn 2013/36/EU wordt geïnterpreteerd als een verwijzing naar artikel 8, lid 1, van deze richtlijn;

(b)  de verwijzingen naar aanvangskapitaal van beleggingsondernemingen in de artikelen 29 en 31 van Richtlijn 2013/36/EU worden geïnterpreteerd als verwijzingen naar artikel 8, lid 2 of lid 3, van deze richtlijn, afhankelijk van het soort beleggingsdiensten en -activiteiten van de beleggingsonderneming;

(c)  de verwijzing naar aanvangskapitaal in artikel 30 van Richtlijn 2013/36/EU wordt geïnterpreteerd als een verwijzing naar artikel 8, lid 1, van deze richtlijn.

Artikel 8 ter

Schadeverzekering

Alle beleggingsondernemingen die diensten uit hoofde van deze richtlijn verlenen, moeten verplicht een beroepsaansprakelijkheidsverzekering afsluiten.

Artikel 9Samenstelling van het aanvangskapitaal

Het aanvangskapitaal van een beleggingsonderneming bestaat uit één of meer bestanddelen in de zin van artikel 9 van [Verordening (EU) ---/----[VBO]].

TITEL IVPRUDENTIEEL TOEZICHT

HOOFDSTUK 1Beginselen van prudentieel toezicht

Afdeling 1Bevoegdheden en taken van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst

Artikel 10Bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst

Het prudentieel toezicht op een beleggingsonderneming berust bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, onverminderd de bepalingen van deze richtlijn welke een bevoegdheid van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst inhouden.

Artikel 11Samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van verschillende lidstaten

1.  De bevoegde autoriteiten van verschillende lidstaten werken nauw samen met het oog op de uitvoering van hun taken uit hoofde van deze richtlijn en van [Verordening (EU) ---/----[VBO]], met name door onverwijld informatie over beleggingsondernemingen uit te wisselen, met inbegrip van het volgende:

(a)  informatie over het beheer en de eigendomsstructuur van de beleggingsonderneming;

(b)  informatie over de naleving van de kapitaalvereisten door de beleggingsonderneming;

(c)  informatie over het concentratierisico en de liquiditeit van de beleggingsonderneming;

(d)  informatie over de administratieve en boekhoudkundige organisatie en internecontrolemechanismen van de beleggingsonderneming;

(e)    alle andere relevante factoren die van invloed kunnen zijn op het risico dat de beleggingsonderneming vormt.

2.  De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst onmiddellijk in kennis van alle informatie en bevindingen over mogelijke problemen en risico's die een beleggingsonderneming vormt voor de bescherming van de cliënten of de stabiliteit van het financiële stelsel in de lidstaat van ontvangst die zij hebben vastgesteld bij het toezicht op de activiteiten van die beleggingsonderneming.

3.  De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst geven gevolg aan informatie waarvan zij door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst in kennis zijn gesteld, door alle maatregelen te nemen die nodig zijn om mogelijke problemen en risico's als bedoeld in lid 2 af te wenden of te verhelpen. Op verzoek van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst leggen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst uit hoe zij rekening hebben gehouden met de informatie en bevindingen waarvan zij door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst in kennis zijn gesteld.

4.  Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst na de mededeling van de in lid 2 bedoelde informatie en bevindingen van oordeel zijn dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst niet de in lid 3 bedoelde nodige maatregelen hebben genomen, kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de EBA daarvan in kennis te hebben gesteld, passende maatregelen nemen om de cliënten te beschermen voor wie diensten worden verricht, en om de stabiliteit van het financiële stelsel te beschermen.

5.  De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst die het niet eens zijn met de maatregelen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst, kunnen de kwestie voorleggen aan de EBA, die handelt volgens de in artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 vastgelegde procedure. Indien de EBA overeenkomstig dat artikel handelt, stelt zij binnen een termijn van één maand een besluit vast.

6.  De EBA stelt, in overleg met de ESMA, ontwerpen van technische reguleringsnormen op om de vereisten voor het soort en de aard van de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde informatie nader uit te werken.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde ontwerpen van technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

7.  De EBA stelt, in overleg met de ESMA, ontwerpen van technische uitvoeringsnormen op met het oog op de vaststelling van standaardformulieren, templates en procedures voor de informatie-uitwisselingsvereisten die het toezicht op beleggingsondernemingen kunnen vergemakkelijken.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

8.  De EBA dient de in de leden 6 en 7 bedoelde ontwerpen van technische normen uiterlijk [negen maanden vanaf de inwerkingtreding van deze richtlijn] bij de Commissie in.

Artikel 12Controle en inspectie ter plaatse van in een andere lidstaat gevestigde bijkantoren

1.  De lidstaten van ontvangst bepalen dat, indien een beleggingsonderneming waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend, haar activiteiten uitoefent via een bijkantoor, de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst daarvan in kennis te hebben gesteld, ter plaatse de in artikel 11, lid 1, bedoelde informatie kunnen controleren en dat bijkantoor kunnen inspecteren.

2.  Voor toezichtdoeleinden en indien zij dit om redenen van stabiliteit van het financiële stelsel in de lidstaat van ontvangst van belang achten, hebben de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst de bevoegdheid om, per geval, de activiteiten van bijkantoren van beleggingsondernemingen op hun grondgebied ter plaatse te controleren en er inspecties uit te voeren, en om van een bijkantoor informatie over zijn activiteiten te verlangen.

Voordat die controles en inspecties worden uitgevoerd, raadplegen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst onverwijld de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst.

Zo spoedig mogelijk na afronding van die controles en inspecties stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst in kennis van de informatie die van belang is voor de risicobeoordeling van de betrokken beleggingsonderneming.

Afdeling 2

Beroepsgeheim en verplichting tot melding

Artikel 13Beroepsgeheim en uitwisseling van vertrouwelijke informatie

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten en alle personen die met die autoriteiten geassocieerd zijn, met inbegrip van de in artikel 76, lid 1, van Richtlijn 2014/65/EU bedoelde personen, voor de toepassing van deze richtlijn en [Verordening (EU) ---/----[VBO]] aan het beroepsgeheim gebonden zijn.

De vertrouwelijke informatie waarvan deze autoriteiten en personen beroepshalve kennis krijgen, mag uitsluitend in samengevatte of geaggregeerde vorm openbaar worden gemaakt, mits individuele beleggingsondernemingen of personen niet kunnen worden geïdentificeerd, onverminderd de gevallen die onder het strafrecht vallen.

Wanneer de beleggingsonderneming failliet is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak moet worden geliquideerd, mag vertrouwelijke informatie die geen betrekking heeft op derden in het kader van civiele of handelsrechtelijke procedures openbaar worden gemaakt als dat nodig is voor de afwikkeling van die procedures.

2.  De bevoegde autoriteiten gebruiken de uit hoofde van deze richtlijn en [Verordening (EU) ---/----[VBO]] verzamelde, uitgewisselde of doorgegeven vertrouwelijke informatie alleen voor de uitvoering van hun taken, en met name voor de volgende doeleinden:

(a)  de monitoring van de in deze richtlijn en in [Verordening nr. ---/----[VBO]] vastgestelde prudentiële regels;

(b)  het opleggen van sancties;

(c)  in het kader van een administratief beroep tegen een besluit van de bevoegde autoriteiten;

(d)  bij rechtszaken die aanhangig zijn gemaakt overeenkomstig artikel 21.

3.  Natuurlijke personen en rechtspersonen of organen, andere dan de bevoegde autoriteiten, die uit hoofde van deze richtlijn en [Verordening (EU) ---/----[VBO]] vertrouwelijke informatie ontvangen, gebruiken die informatie slechts voor de doeleinden waarin de bevoegde autoriteit uitdrukkelijk voorziet of overeenkomstig de nationale wetgeving.

4.  De bevoegde autoriteiten kunnen vertrouwelijke informatie uitwisselen voor de toepassing van lid 2, kunnen uitdrukkelijk verklaren hoe de informatie moet worden behandeld en kunnen uitdrukkelijk verdere doorgifte van die informatie beperken.

5.  De in lid 1 bedoelde verplichting vormt geen beletsel voor bevoegde autoriteiten om vertrouwelijke informatie door te geven aan de Europese Commissie indien die informatie nodig is voor de uitoefening van de bevoegdheden van de Commissie.

6.  De bevoegde autoriteiten kunnen de EBA, de ESMA, het ESRB, centrale banken van de lidstaten, het ESCB en de ECB in hun hoedanigheid van monetaire autoriteiten en, in voorkomend geval, overheidsinstanties die verantwoordelijk zijn voor het toezien op betalings- en afwikkelingssystemen, van vertrouwelijke informatie in kennis stellen indien die informatie nodig is voor de uitvoering van hun taken.

Artikel 14Administratieve regelingen met derde landen voor de uitwisseling van informatie

De lidstaten, en de EBA overeenkomstig artikel 33 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, kunnen voor de uitvoering van hun toezichttaken uit hoofde van deze richtlijn en [Verordening nr. ---/----[VBO]] administratieve regelingen sluiten met de toezichthoudende autoriteiten van derde landen met het oog op de uitwisseling van informatie, onder meer met betrekking tot het volgende:

(a)  het toezicht op financiële instellingen en financiële markten;

(b)  de liquidatie en het faillissement van beleggingsondernemingen en soortgelijke procedures;

(c)  het toezien op de organen die betrokken zijn bij de liquidatie en het faillissement van beleggingsondernemingen en soortgelijke procedures;

(d)  het verrichten van wettelijke controles van financiële instellingen of instellingen die compensatiestelsels beheren;

(e)  het toezien op personen die belast zijn met de wettelijke controle van de jaarrekening van financiële instellingen;

(f)  het toezien op personen die op markten voor emissierechten actief zijn teneinde zich een totaalbeeld van de financiële markten en spotmarkten te kunnen vormen;

(g)  het toezien op personen die op markten voor landbouwgrondstoffenderivaten actief zijn teneinde zich een totaalbeeld van de financiële en spotmarkten te kunnen vormen.

Die regelingen bevatten bepalingen inzake beroepsgeheim die gelijkwaardig zijn met die welke in artikel 13 van deze richtlijn zijn vastgelegd.

Artikel 15Verplichtingen van de personen belast met de wettelijke controle van de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening

De lidstaten bepalen dat alle personen die overeenkomstig Richtlijn 2006/43/EG(21) zijn toegelaten en die bij een beleggingsonderneming de in artikel 73 van Richtlijn 2009/65/EG(22) of artikel 34 van Richtlijn 2013/34/EU beschreven taken verrichten, dan wel een andere wettelijke taak, de verplichting hebben zo snel mogelijk aan de bevoegde autoriteiten melding te doen van elk feit of besluit met betrekking tot die beleggingsonderneming, of met betrekking tot een onderneming die met die beleggingsonderneming nauwe banden heeft, en dat:

(a)  een wezenlijke inbreuk inhoudt op de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen die overeenkomstig deze richtlijn zijn vastgelegd;

(b)  de bedrijfscontinuïteit van de beleggingsonderneming kan aantasten; of

(c)  kan leiden tot een weigering van de goedkeuring van de jaarrekening of tot het uiten van voorbehoud.

Afdeling 3Sancties, onderzoeksbevoegdheden en beroepsrecht

Artikel 16Administratieve sancties en andere administratieve maatregelen

1.  De lidstaten stellen regels vast inzake administratieve sancties en andere administratieve maatregelen met betrekking tot inbreuken op de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn en van [Verordening (EU) ---/----[VBO]], onder meer wanneer het volgende zich voordoet:

(a)  een beleggingsonderneming beschikt niet over interne governanceregelingen als vastgesteld in artikel 24;

(b)  een beleggingsonderneming verzuimt, in strijd met artikel 52, lid 1, onder b), [Verordening (EU) ---/----[VBO]], aan de bevoegde autoriteiten informatie te verstrekken over de naleving van de verplichting om aan de in artikel 11 van die verordening vastgestelde kapitaalvereisten te voldoen, of verstrekt onvolledige of onjuiste informatie;

(c)  een beleggingsonderneming verzuimt, in strijd met artikel 34, lid 1, van [Verordening (EU) ---/----[VBO]], aan de bevoegde autoriteiten informatie over haar concentratierisico te verstrekken, of verstrekt onvolledige of onjuiste informatie;

(d)  een beleggingsonderneming loopt een concentratierisico dat de in artikel 36 van [Verordening (EU) ---/----[VBO]] vastgestelde limieten overschrijdt, onverminderd de artikelen 37 en 38 van die verordening;

(e)  een beleggingsonderneming verzuimt, in strijd met artikel 42 van [Verordening (EU) ---/----[VBO]], herhaaldelijk of gedurig liquide activa aan te houden, onverminderd artikel 43 van die verordening;

(f)  een beleggingsonderneming verzuimt informatie openbaar te maken of verstrekt onvolledige of onjuiste informatie, in strijd met de bepalingen die in deel zes van [Verordening (EU) ---/----[VBO]] zijn vastgesteld;

(g)  een beleggingsonderneming verricht betalingen aan houders van in het eigen vermogen van de beleggingsonderneming opgenomen instrumenten, terwijl dergelijke betalingen verboden zijn op grond van de artikelen 28, 52 of 63 van Verordening (EU) nr. 575/2013;

h)  een beleggingsonderneming wordt aansprakelijk gesteld voor een ernstige inbreuk op nationale bepalingen tot omzetting van Richtlijn (EU) 2015/849(23);

(i)  een beleggingsonderneming laat één of meer personen die niet voldoen aan artikel 91 van Richtlijn 2013/36/EU toe om lid van het leidinggevend orgaan te worden of te blijven.

Lidstaten die geen regels vaststellen voor administratieve sancties vaststellen voor inbreuken waarop hun nationale strafrecht van toepassing is, delen de Commissie de toepasselijke strafrechtelijke bepalingen mee.

De administratieve sancties en andere administratieve maatregelen zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend, en de lidstaten zorgen ervoor dat zij van een vergelijkbaar niveau zijn als die van andere lidstaten.

2.  De in de eerste alinea van lid 1 bedoelde administratieve sancties en andere administratieve maatregelen omvatten het volgende:

(a)  een publieke verklaring waarin de voor de inbreuk verantwoordelijke natuurlijke persoon of rechtspersoon, beleggingsonderneming, beleggingsholding of gemengde financiële holding, alsook de aard van de inbreuk worden aangewezen;

(b)  een bevel waarin wordt geëist dat de voor de inbreuk verantwoordelijke natuurlijke persoon of rechtspersoon het gedrag staakt en niet meer herhaalt;

(c)  een tijdelijk verbod voor leden van het leidinggevend orgaan van de beleggingsonderneming of voor andere natuurlijke personen om functies in beleggingsondernemingen uit te oefenen;

(d)  indien het een rechtspersoon betreft, administratieve geldboeten die oplopen tot 10 % van de totale nettojaaromzet, met inbegrip van de bruto-inkomsten bestaande uit ontvangen rentebaten en soortgelijke baten, inkomsten uit aandelen en andere niet-vastrentende/vastrentende waardepapieren, en ontvangen provisies of vergoedingen van de onderneming in het voorgaande boekjaar;

(e)  indien het een rechtspersoon betreft, administratieve geldboeten die oplopen tot tweemaal het bedrag van de als gevolg van de inbreuk behaalde winsten of vermeden verliezen ingeval die winsten of verliezen kunnen worden bepaald;

(f)  indien het een natuurlijke persoon betreft, administratieve geldboeten die oplopen tot 5 000 000 EUR of, in de lidstaten die niet de euro als munt hebben, het overeenkomstige bedrag in de nationale valuta op [datum van inwerkingtreding van deze richtlijn].

Indien een onder d) bedoelde onderneming een dochteronderneming is, zijn de relevante bruto-inkomsten gelijk aan de bruto-inkomsten die blijken uit de geconsolideerde jaarrekening van de uiteindelijke moederonderneming in het voorgaande boekjaar.

De lidstaten zorgen ervoor dat indien een beleggingsonderneming een inbreuk pleegt op nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn of op [Verordening (EU) ---/---[VBO]], sancties kunnen worden opgelegd aan de leden van het leidinggevend orgaan en aan andere natuurlijke personen die krachtens het nationale recht voor de inbreuk verantwoordelijk zijn.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten bij het bepalen van het soort van de in lid 1 bedoelde administratieve sancties of administratieve maatregelen en van de omvang van de administratieve geldboeten alle relevante omstandigheden in aanmerking nemen, met inbegrip van, in voorkomend geval:

(a)  de ernst en de duur van de inbreuk;

(b)  de mate van verantwoordelijkheid van de voor de inbreuk verantwoordelijke natuurlijke persoon of rechtspersoon;

(c)  de financiële draagkracht van de voor de inbreuk verantwoordelijke natuurlijke persoon of rechtspersoon, met inbegrip van de totale omzet van de rechtspersoon of het jaarinkomen van de natuurlijke persoon;

(d)  de omvang van de winsten of verliezen die door de voor de inbreuk verantwoordelijke rechtspersoon zijn behaald respectievelijk vermeden;

(e)  alle verliezen die ten gevolge van de inbreuk door derden zijn geleden;

(f)  de mate van medewerking met de betrokken bevoegde autoriteiten;

(g)  eerdere inbreuken door de voor de inbreuk verantwoordelijke natuurlijke persoon of rechtspersoon;

(h)  mogelijke gevolgen van de inbreuk voor het systeem.

Artikel 17Onderzoeksbevoegdheden

De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten alle bevoegdheden op het gebied van informatieverzameling en onderzoek hebben die nodig zijn voor de uitoefening van hun functies, met inbegrip van:

(a)  de bevoegdheid om van de volgende natuurlijke personen of rechtspersonen informatie te verlangen:

(i)  beleggingsondernemingen die in de betrokken lidstaat gevestigd zijn;

(ii)  beleggingsholdings die in de betrokken lidstaat gevestigd zijn;

(iii)  gemengde financiële holdings die in de betrokken lidstaat gevestigd zijn;

(iv)  gemengde holdings die in de betrokken lidstaat gevestigd zijn;

(v)  personen die behoren tot de in de punten i) tot en met iv) bedoelde entiteiten;

(vi)  derden aan wie de in de punten i) tot en met iv) bedoelde entiteiten operationele functies of activiteiten hebben uitbesteed;

(b)  de bevoegdheid om alle nodige onderzoeken te voeren naar onder a) bedoelde personen die gevestigd zijn of zich bevinden in de betrokken lidstaat, met inbegrip van het recht:

(i)  van de onder a) bedoelde personen de overlegging van documenten te verlangen;

(ii)  de boeken en bescheiden van de onder a) bedoelde personen te onderzoeken en kopieën of uittreksels van die boeken en bescheiden te maken;

(iii)  schriftelijke of mondelinge toelichting te krijgen van de onder a) bedoelde personen of hun vertegenwoordigers of personeelsleden;

(iv)  alle andere relevante personen te horen ▌ om informatie over het onderwerp van een onderzoek te verzamelen;

(c)  de bevoegdheid om alle nodige inspecties ter plaatse te verrichten in de bedrijfsruimten van de onder a) bedoelde rechtspersonen en van alle andere ondernemingen die onder het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium vallen en waarvoor de bevoegde autoriteit de groepstoezichthouder is, na voorafgaande kennisgeving aan de andere betrokken bevoegde autoriteiten.

Artikel 18Bekendmaking van administratieve sancties en maatregelen

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten zonder onnodige vertraging op hun officiële website alle overeenkomstig artikel 16 opgelegde administratieve sancties en geldboeten waartegen geen beroep is ingesteld of niet langer beroep kan worden ingesteld, bekendmaken. Die bekendmaking omvat informatie over het soort en de aard van de inbreuk en de identiteit van de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de sanctie is opgelegd of tegen wie de maatregel is genomen. De informatie wordt pas bekendgemaakt nadat die persoon van die sancties en maatregelen in kennis is gesteld en voor zover de bekendmaking noodzakelijk en evenredig is.

2.  Wanneer de bekendmaking van overeenkomstig artikel 16 opgelegde administratieve sancties of maatregelen waartegen beroep is ingesteld, door de lidstaten is toegestaan, maken de bevoegde autoriteiten op hun officiële website ook informatie bekend over de stand van zaken en over het resultaat van het beroep.

3.  De bevoegde autoriteiten maken de overeenkomstig artikel 16 opgelegde administratieve sancties of maatregelen zonder vermelding van namen bekend in de volgende gevallen:

(a)  de sanctie is opgelegd aan een natuurlijke persoon en de bekendmaking van de persoonsgegevens van die persoon wordt onevenredig geacht;

(b)  de bekendmaking zou een lopend strafrechtelijk onderzoek ondermijnen of de stabiliteit van de financiële markten in gevaar brengen;

(c)  de bekendmaking zou onevenredige schade berokkenen aan de betrokken beleggingsondernemingen of natuurlijke personen of rechtspersonen.

4.  De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat uit hoofde van dit artikel bekendgemaakte informatie gedurende ten minste vijf jaar op hun officiële website blijft staan. Persoonsgevens mogen alleen worden bewaard op de officiële website van de bevoegde autoriteit wanneer dat toegestaan is op grond van de toepasselijke regels inzake gegevensbescherming.

Artikel 19Melding van sancties aan de EBA

De bevoegde autoriteiten stellen de EBA in kennis van de overeenkomstig artikel 16 opgelegde administratieve sancties en maatregelen, van alle beroepen tegen die sancties en maatregelen en van het resultaat daarvan. De EBA houdt, alleen voor de uitwisseling van informatie tussen bevoegde autoriteiten, een centrale databank bij van de aan haar meegedeelde administratieve sancties en maatregelen. Die databank is uitsluitend voor bevoegde autoriteiten en de ESMA toegankelijk en wordt jaarlijks bijgewerkt.

De EBA houdt een website bij met links naar de door alle bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 16 verrichte bekendmakingen van administratieve sancties en maatregelen, en vermeldt voor elke lidstaat de duur van de bekendmaking van administratieve sancties en maatregelen.

Artikel 20Melding van inbreuken

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten doeltreffende en betrouwbare mechanismen opzetten om mogelijke of feitelijke inbreuken op de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn en op [Verordening (EU) ---/----[VBO]] onverwijld te melden, met inbegrip van het volgende:

(a)  specifieke procedures voor de behandeling van meldingen van inbreuken;

(b)  een passende bescherming tegen vergelding, discriminatie of andere soorten onbillijke behandeling door de beleggingsonderneming voor werknemers van beleggingsondernemingen die inbreuken melden die binnen de beleggingsonderneming worden gepleegd;

(c)  de bescherming van de persoonsgegevens van zowel de persoon die de inbreuk meldt als de natuurlijke persoon die vermoedelijk voor die inbreuk verantwoordelijk is, overeenkomstig Richtlijn (EU) nr. 2016/679;

(d)  duidelijke regels om ervoor te zorgen dat in alle gevallen vertrouwelijkheid gegarandeerd is met betrekking tot de persoon die de binnen de beleggingsonderneming gepleegde inbreuken meldt, tenzij het nationale recht openbaarmaking voorschrijft in het kader van nader onderzoek of een daaropvolgende gerechtelijke procedure.

2.  De lidstaten leggen beleggingsondernemingen de verplichting op over passende procedures te beschikken opdat hun werknemers inbreuken intern via een specifiek en onafhankelijk kanaal kunnen melden. Die procedures mogen worden ingericht door de sociale partners, mits die procedures dezelfde bescherming bieden als de in lid 1, onder b), c) en d), bedoelde bescherming.

Artikel 21Recht van beroep

De lidstaten zorgen ervoor dat beroep openstaat tegen besluiten en maatregelen die op grond van [Verordening (EU) ---/----[VBO]] of op grond van overeenkomstig deze richtlijn vastgestelde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen zijn genomen.

HOOFDSTUK 2Toetsingsprocedure

Afdeling 1Intern beoordelingsproces van de kapitaaltoereikendheid

Artikel 22Intern kapitaal

1.  Beleggingsondernemingen beschikken over solide, doeltreffende en alomvattende strategieën en processen om doorlopend te evalueren en ervoor te zorgen dat de hoogte, de samenstelling en de verdeling van het interne kapitaal toereikend kunnen worden geacht om de aard en de omvang van de risico's te dekken waaraan zij blootstaan of kunnen worden blootgesteld.

2.  De in lid 1 bedoelde strategieën en processen worden op gezette tijden intern beoordeeld om ervoor te zorgen dat zij voldoende gedetailleerd en evenredig blijven ten opzichte van de aard, de omvang en de complexiteit van de activiteiten van de desbetreffende beleggingsonderneming.

Afdeling 2

Interne governance, transparantie, behandeling van risico's en beloning

Artikel 23Evaluatie voor de toepassing van deze afdeling

1.  Voor de toepassing van deze afdeling zorgen de lidstaten ervoor dat beleggingsondernemingen jaarlijks en in overeenstemming met de punten a) en b) evalueren of zij voldoen aan de in artikel 12, lid 1, van [Verordening (EU) ---/---- [VBO] gestelde voorwaarden, op de volgende wijze:

(a)  een beleggingsonderneming bepaalt of zij op basis van de cijfers van de periode van twee jaar die onmiddellijk voorafgaat aan een bepaald boekjaar, voldoet aan de in de punten c) tot en met g) van artikel 12, lid 1, van [Verordening (EU) ---/----[VBO] gestelde voorwaarden;

b)  een beleggingsonderneming bepaalt of zij op basis van de cijfers van dezelfde periode de in de punten a), b), h) en i) van artikel 12, lid 1, van [Verordening (EU) ---/----[VBO] bedoelde limieten gemiddeld overschrijdt.

2.  Deze afdeling is niet van toepassing wanneer een beleggingsonderneming op basis van de lid 1 bedoelde evaluatie bepaalt dat zij aan alle in artikel 12, lid 1, van [Verordening (EU) ---/----[VBO] gestelde voorwaarden voldoet.

3.  Een beleggingsonderneming die op basis van de lid 1 bedoelde evaluatie bepaalt dat zij niet aan alle in artikel 12, lid 1, van [Verordening (EU) ---/----[VBO] gestelde voorwaarden voldoet, past deze afdeling toe met ingang van het boekjaar volgend op het boekjaar waarin de evaluatie heeft plaatsgevonden.

4.  De lidstaten verzekeren dat deze afdeling wordt toegepast op beleggingsondernemingen op individuele basis en op het niveau van groepen van beleggingsondernemingen.

De lidstaten zorgen ervoor dat de beleggingsondernemingen die onder de toepassing van deze afdeling vallen, de voorschriften daarvan uitvoeren in hun dochterondernemingen die financiële ondernemingen zijn zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 13, van [Verordening (EU) ---/----[VBO], waaronder in derde landen gevestigde dochterondernemingen, tenzij de moederonderneming in de Unie tegenover de bevoegde autoriteiten kan aantonen dat de toepassing van deze afdeling onrechtmatig is volgens de wetten van het derde land waar deze dochterondernemingen zijn gevestigd.

5.  De bevoegde autoriteiten kunnen een kortere termijn stellen dan de in lid 1 van dit artikel bedoelde termijn van twee jaar wanneer aan de twee volgende voorwaarden is voldaan:

(a)  de bedrijfsactiviteiten van de beleggingsonderneming hebben een wezenlijke verandering ondergaan; en

(b)  de beleggingsonderneming voldoet ten gevolge van punt a) aan de in artikel 12, lid 1, van [Verordening (EU) ---/----[VBO] gestelde voorwaarden.

6.  De EBA stelt, in overleg met de ESMA, ontwerpen van technische reguleringsnormen op om de methode voor de berekening van het in lid 1, onder b), van dit artikel bedoelde gemiddelde vast te stellen. De EBA legt deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op [datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde ontwerpen van technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 24Interne governance

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat beleggingsondernemingen beschikken over solide governanceregelingen, die elk van de volgende elementen omvatten:

(a)  een duidelijke organisatiestructuur met nader omschreven, transparante en samenhangende verantwoordelijkheden;

(b)  effectieve procedures voor de detectie, het beheer, de bewaking en de rapportage van de risico's waaraan beleggingsondernemingen blootstaan of kunnen worden blootgesteld;

(c)  passende internecontrolemechanismen, waaronder degelijke administratieve en boekhoudkundige procedures;

(d)  een beloningsbeleid en beloningspraktijken die in overeenstemming zijn met en bijdragen tot een degelijk en doeltreffend risicobeheer.

2.  Wanneer de in lid 1 bedoelde regelingen worden opgesteld, wordt rekening gehouden met de in de artikelen 26 tot en met 31 van deze richtlijn en in artikel 9 van Richtlijn 2014/65/EU bepaalde criteria.

3.  De in lid 1 bedoelde regelingen zijn voldoende gedetailleerd en evenredig ten opzichte van de aard, de schaal en de complexiteit van de risico's die inherent zijn aan het bedrijfsmodel en de activiteiten van de beleggingsonderneming.

4.  De EBA ontwikkelt, in overleg met de ESMA, ontwerpen van technische reguleringsnormen om de inhoud te specificeren van de toepassing van de in lid 1 bedoelde governanceregelingen. De EBA legt deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk ...[twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 t/m 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 25Verslaggeving per land

1.  De lidstaten schrijven voor dat beleggingsondernemingen jaarlijks de volgende informatie bekendmaken, uitgesplitst naar lidstaat en naar derde land waarin zij beschikken over een bijkantoor of een dochteronderneming die een financiële instelling is als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 26, van Verordening (EU) nr. 575/2013:

(a)    de benaming, de aard van de activiteiten en de locatie van dochterondernemingen en bijkantoren;

(b)    de omzet;

(c)    het aantal werknemers in voltijdequivalenten;

(d)    de winst of het verlies vóór belasting;

(e)    de belasting over winst of verlies;

(f)    de ontvangen overheidssubsidies.

2.  De in lid 1 bedoelde informatie wordt gecontroleerd overeenkomstig Richtlijn 2006/43/EG en wordt, indien mogelijk, als bijlage gevoegd bij de jaarlijkse financiële overzichten of, voor zover van toepassing, als bijlage bij de geconsolideerde financiële overzichten van deze beleggingsonderneming.

Artikel 26Behandeling van risico's

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat het leidinggevend orgaan van de beleggingsonderneming zijn goedkeuring hecht aan en periodiek overgaat tot de toetsing van de strategieën en beleidslijnen inzake de risicobereidheid van de beleggingsonderneming en het beheer, de bewaking en de beperking van de risico's waaraan de beleggingsonderneming blootstaat of kan worden blootgesteld, rekening houdend met de macro-economische context en de bedrijfscyclus van de beleggingsonderneming.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat het leidinggevend orgaan voldoende tijd besteedt om de in lid 1 bedoelde risico's op gedegen wijze te bestuderen en passende middelen toewijst aan het beheer van alle wezenlijke risico's waaraan de beleggingsonderneming is blootgesteld.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat beleggingsondernemingen voorzien in rapportagelijnen met het leidinggevend orgaan voor alle wezenlijke risico's en voor alle maatregelen inzake risicobeheer en de wijzigingen daarin.

4.  De lidstaten verlangen dat alle beleggingsondernemingen die niet voldoen aan de criteria die in artikel 30, lid 4, onder a), worden vastgesteld een risicocomité instellen met leden van het leidinggevend orgaan die in de betrokken beleggingsonderneming geen enkele uitvoerende functie uitoefenen.

De leden van het in de eerste alinea bedoelde risicocomité bezitten passende kennis, vaardigheden en deskundigheid om de risicostrategie en de risicobereidheid van de beleggingsonderneming ten volle te begrijpen, te beheren en te monitoren. Zij zorgen ervoor dat het risicocomité het leidinggevend orgaan adviseert over de algemene huidige en toekomstige risicobereidheid en -strategie van de beleggingsonderneming en het leidinggevend orgaan assisteert bij het toezicht op de uitvoering van deze strategie door de directie. Het leidinggevend orgaan blijft de algehele verantwoordelijkheid dragen voor de risicostrategieën en -beleidsmaatregelen van de beleggingsonderneming.

5.  De lidstaten zorgen ervoor dat het leidinggevend orgaan in zijn toezichthoudende functie en, indien er een risicocomité is ingesteld, het risicocomité van dit leidinggevend orgaan toegang hebben tot informatie over de risico's waaraan de onderneming blootstaat of kan worden blootgesteld.

Artikel 27Risk-to-customers, risk-to-market, risk-to-firm

1.  De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat beleggingsondernemingen over solide strategieën, beleidslijnen, procedures en systemen beschikken om het volgende te detecteren, te meten, te beheren en te bewaken:

(a)  wezenlijke bronnen en effecten van risk-to-customers;

(b)  wezenlijke bronnen en effecten van risk-to-market;

(c)  risico's voor de beleggingsonderneming, met name voortvloeiend uit haar handelsactiviteiten wanneer zij voor eigen rekening handelt en met betrekking tot het concentratierisico voortvloeiend uit blootstellingen aan individuele cliënten en groepen van verbonden cliënten;

(d)  liquiditeitsrisico over een passende reeks tijdshorizonten, waaronder intra-day, teneinde ervoor te zorgen dat de beleggingsonderneming passende liquiditeitsbuffers aanhoudt.

De strategieën, beleidslijnen, procedures en systemen zijn evenredig ten opzichte van de complexiteit, het risicoprofiel, het werkterrein van de beleggingsonderneming en de door het leidinggevend orgaan vastgestelde risicotolerantie en houden rekening met het belang van de beleggingsonderneming in elke lidstaat waarin zij werkzaam is.

2.  In afwijking van artikel 23 zijn de punten a) en c) met betrekking tot het concentratierisico en punt d) van lid 1 van toepassing op beleggingsondernemingen die voldoen aan de in artikel 12, lid 1, van [Verordening (EU) ---/----[VBO] gestelde voorwaarden.

3.  De Commissie wordt gemachtigd overeenkomstig artikel 54 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot nadere bepaling van regels om ervoor te zorgen dat de strategieën, beleidslijnen, procedures en systemen van beleggingsonderneming solide zijn. De Commissie houdt daarbij rekening met ontwikkelingen op financiële markten, met name de opkomst van nieuwe financiële producten, ontwikkelingen in boekhoudnormen en ontwikkelingen die de convergentie van toezichtpraktijken bevorderen.

Artikel 28Beloningsbeleid

1.  De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat beleggingsondernemingen bij de vaststelling en de toepassing van hun beloningsbeleid voor leidinggevend personeel, risiconemende functies en personeel belast met controlefuncties en voor elke werknemer die een totale beloning ontvangt welke op zijn minst gelijk is aan de laagste beloning van leidinggevend of risiconemend personeel en die beroepswerkzaamheden vervullen welke het risicoprofiel van de beleggingsonderneming of het vermogen dat deze beheert wezenlijk beïnvloeden, de volgende beginselen nakomen:

(a)  het beloningsbeleid is duidelijk gedocumenteerd en staat in verhouding tot de omvang, de interne organisatie en de aard, alsook tot de reikwijdte en complexiteit, van de activiteiten van de beleggingsonderneming;

(a bis)  het beloningsbeleid is niet-discriminerend, in de zin dat het beginsel 'gelijk loon voor hetzelfde of vergelijkbaar werk' in acht wordt genomen, ongeacht gender;

(b)  het beloningsbeleid is in overeenstemming met en draagt bij tot een degelijk en doeltreffend risicobeheer;

(b bis)  het beloningsbeleid vormt niet alleen een afspiegeling van de winstgevendheid op de korte termijn, maar houdt ook rekening met de langetermijneffecten van de beleggingsbeslissingen die worden genomen;

(c)  het beloningsbeleid omvat maatregelen om belangenconflicten te voorkomen, zet aan tot verantwoord ondernemerschap en bevordert risicobewustzijn en verstandig risicogedrag;

(d)  het leidinggevend orgaan in zijn toezichtfunctie stelt het beloningsbeleid vast, evalueert dit periodiek en draagt de totale verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging ervan;

(e)  de tenuitvoerlegging van het beloningsbeleid wordt ten minste jaarlijks onderworpen aan een centrale en onafhankelijke interne beoordeling door controlefuncties;

(f)  personeelsleden in controlefuncties zijn onafhankelijk van de bedrijfseenheden waar ze toezicht op uitoefenen, beschikken over toereikend gezag en worden beloond naargelang van de verwezenlijking van de doelstellingen waarop hun functie gericht is, ongeacht de prestaties van de bedrijfsactiviteiten waarop ze toezicht houden;

(g)  de in artikel 31 bedoelde beloningscommissie of, indien een dergelijke commissie niet is opgericht, het leidinggevend orgaan in zijn toezichtfunctie, houdt rechtstreeks toezicht op de beloning van leidinggevende personeelsleden die risicomanagement- en compliancefuncties uitoefenen;

(h)  in het beloningsbeleid wordt, rekening houdend met nationale regels inzake loonvorming, een duidelijk onderscheid gemaakt tussen criteria die worden toegepast ter vaststelling van:

(i)   de vaste basisbeloning, die in de eerste plaats de relevante beroepservaring en organisatorische verantwoordelijkheid weerspiegelt als uiteengezet in een functieomschrijving die deel uitmaakt van de arbeidsvoorwaarden;

(ii)   de variabele beloning, die duurzame en risicogewogen prestaties van de werknemer weerspiegelt, alsmede de extra prestaties die worden geleverd buiten de functieomschrijving van de werknemer;

(i)  de vaste beloningscomponent vertegenwoordigt een voldoende hoog aandeel van de totale beloning om de werking van een volledig flexibel beleid inzake variabele beloningscomponenten mogelijk te maken, waaronder de mogelijkheid om geen variabele beloningscomponent uit te betalen.

2.  Voor de toepassing van punt i) van lid 1 zorgen de lidstaten ervoor dat beleggingsondernemingen in hun beloningsbeleid de passende verhoudingen vaststellen tussen de vaste en de variabele component van de totale beloning, rekening houdend met de bedrijfsactiviteiten van de beleggingsonderneming en de daaraan verbonden risico's, alsmede met de impact die verschillende categorieën personen als bedoeld in lid 1 hebben op het risicoprofiel van de beleggingsonderneming.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat beleggingsondernemingen de in lid 1 bedoelde beginselen op een zodanige wijze toepassen dat deze passen bij de omvang en de interne organisatie ervan en bij de aard, de reikwijdte en de complexiteit van hun activiteiten.

4.  De EBA stelt, in overleg met de ESMA, ontwerpen van technische reguleringsnormen op tot nadere bepaling van passende criteria om vast te stellen welke categorieën personen beroepswerkzaamheden uitoefenen die het risicoprofiel van de beleggingsonderneming wezenlijk beïnvloeden als bedoeld in lid 1. De EBA en de ESMA houden naar behoren rekening met Aanbeveling 2009/384/EG van de Commissie van 30 april 2009 over het beloningsbeleid in de financiële sector, alsook met de bestaande richtsnoeren voor beloningen in het kader van de icbe-richtlijn, de AIFM-richtlijn en MiFID II, en trachten afwijkingen van de bestaande bepalingen tot een minimum te beperken.

De EBA legt deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk [9 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 29

Beleggingsondernemingen die buitengewone openbare financiële steun genieten

De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer een beleggingsonderneming buitengewone openbare financiële steun als bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 28, van Richtlijn 2014/59/EU geniet, er geen variabele beloningen worden betaald.

Artikel 30Variabele beloning

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de variabele beloning die door een beleggingsonderneming wordt toegekend en uitgekeerd aan hogere leidinggevende medewerkers, risiconemende medewerkers, medewerkers in controlefuncties, elke werknemer wiens totale beloning binnen dezelfde beloningsschaal valt als die van hogere leidinggevende medewerkers, en risiconemende medewerkers van wie de beroepsactiviteiten een wezenlijke impact hebben op het risicoprofiel van de onderneming of van het door de onderneming beheerde vermogen, voldoet aan alle volgende vereisten:

(a)  indien de variabele beloning prestatiegerelateerd is, is het totale bedrag van de beloning gebaseerd op een combinatie van de beoordeling van de prestaties van de betrokken persoon, de betrokken bedrijfseenheid en de totale resultaten van de beleggingsonderneming;

(b)  bij de beoordeling van persoonlijke prestaties worden zowel financiële als niet-financiële criteria gehanteerd;

(c)  de onder a) bedoelde prestatiebeoordeling is gebaseerd op een periode van verschillende jaren, rekening houdend met de bedrijfscyclus van de beleggingsonderneming en haar bedrijfsrisico's;

(d)  de variabele beloning doet niet af aan de capaciteit van de beleggingsonderneming om een solide kapitaalbasis te verzekeren;

(e)  er is geen gegarandeerde variabele beloning tenzij voor nieuwe personeelsleden en alleen voor het eerste jaar dat deze nieuwe personeelsleden in dienst zijn;

(f)  de vergoedingen met betrekking tot de voortijdige beëindiging van een arbeidsovereenkomst geven de in de loop van de tijd gerealiseerde prestaties van de persoon weer en mogen falen of misdragingen niet belonen;

(g)  beloningspakketten met betrekking tot de compensatie of de afkoop van overeenkomsten in eerdere dienstbetrekkingen sluiten aan bij de langetermijnbelangen van de beleggingsonderneming;

(h)  bij de beoordeling van prestaties, als basis voor de berekening van variabele beloning, wordt rekening gehouden met alle soorten actuele en toekomstige risico's en met de kosten van het vereiste kapitaal en de vereiste liquiditeit in overeenstemming met [Verordening (EU) ---/---- [VBO];

(i)  bij de toewijzing van de variabele beloningscomponenten binnen de beleggingsonderneming wordt rekening gehouden met alle soorten actuele en toekomstige risico's;

(j)  ten minste 40 % van de variabele beloning bestaat uit de volgende instrumenten:

(1)  aandelen of, afhankelijk van de juridische structuur van de betrokken beleggingsonderneming, gelijkwaardige eigendomsbelangen;

(2)  op aandelen gebaseerde instrumenten of, afhankelijk van de juridische structuur van de betrokken beleggingsonderneming, gelijkwaardige niet-liquide instrumenten;

(3)  aanvullend-tier 1-instrumenten of tier 2-instrumenten of andere instrumenten die volledig in tier 1-kernkapitaalinstrumenten kunnen worden ongezet of kunnen worden afgewaardeerd en die de kredietkwaliteit van de beleggingsonderneming in het kader van de lopende bedrijfsuitoefening passend weergeven;

(j bis)  in afwijking van letter j) kunnen de nationale bevoegde autoriteiten, indien een beleggingsonderneming geen van de daar bedoelde instrumenten uitgeeft, toestemming geven voor het gebruik van alternatieve regelingen waarmee hetzelfde doel wordt bereikt;

(k)  ten minste 50 % van de variabele beloning wordt uitgesteld over een periode van ▌ vijf jaar indien nodig, naargelang van de bedrijfscyclus van de beleggingsonderneming, de aard van haar bedrijfsactiviteiten, de risico's daarvan en de activiteiten van de betrokken persoon, tenzij in geval van een variabele beloning met een bijzonder hoog bedrag waarin het gedeelte van de uitgestelde variabele beloning ten minste 60 % beloopt;

(l)  tot 100 % van de variabele beloning wordt verlaagd wanneer de beleggingsonderneming geringere of negatieve financiële prestaties levert, onder meer door middel van malus- of terugvorderingsregelingen volgens door de beleggingsonderneming vastgestelde criteria die met name gelden voor situaties waarin de betrokken persoon:

(i) heeft deelgenomen of verantwoordelijk was voor gedragingen die tot aanmerkelijke verliezen voor de beleggingsonderneming hebben geleid;

(ii) niet langer geschikt en correct wordt geacht;

(m)  uitkeringen uit hoofde van discretionaire pensioenen zijn in overeenstemming met de bedrijfsstrategie, de doelstellingen, de waarden en de langetermijnbelangen van de beleggingsonderneming.

2.  Voor de toepassing van lid 1 zorgen de bevoegde autoriteiten voor het volgende:

(a)  de in artikel 28, lid 1, bedoelde personen maken geen gebruik van persoonlijke hedgingstrategieën of aan beloning en aansprakelijkheid gekoppelde verzekeringen om de in lid 1 bedoelde beginselen te ondermijnen;

(b)  variabele beloningen worden niet uitgekeerd door middel van financiële vehikels of methoden die de niet-inachtneming van deze richtlijn of van [Verordening (EU) ---/---- [VBO] vergemakkelijken.

3.  Voor de toepassing van punt j) van lid 1 worden de daar bedoelde instrumenten onderworpen aan een passend retentiebeleid dat tot doel heeft de prikkels voor de persoon af te stemmen op de langetermijnbelangen van de beleggingsonderneming, haar crediteuren en cliënten. De lidstaten of hun bevoegde autoriteiten kunnen beperkingen stellen aan de soorten en vormen van deze instrumenten of het gebruik van bepaalde instrumenten voor variabele beloning verbieden.

Voor de toepassing van punt k) van lid 1 wordt het uitgestelde deel van de variabele beloning niet sneller dan op pro-ratabasis toegekend.

Voor de toepassing van punt m) van lid 1 worden uitkeringen uit hoofde van een discretionair pensioen, ingeval de werknemer de beleggingsonderneming voor de leeftijd van pensioenleeftijd verlaat, gedurende een termijn van vijf jaar door de beleggingsonderneming aangehouden in de vorm van onder j) bedoelde instrumenten. Indien een werknemer de pensioenleeftijd bereikt, worden hem de uitkeringen uit hoofde van een discretionair pensioen uitbetaald in de vorm van onder j) bedoelde instrumenten, onder voorbehoud van een retentieperiode van vijf jaar.

4.  De punten j) en k) van lid 1 en de derde alinea van lid 3 zijn niet van toepassing op:

(a)  een beleggingsonderneming waarvan de waarde van de wel en niet in de balanstelling opgenomen activa gemiddeld 100 miljoen EUR of minder bedraagt over de periode van vier jaar die onmiddellijk voorafgaat aan het betrokken boekjaar;

(b)  een persoon van wie de jaarlijkse variabele beloning niet hoger is dan 50 000 EUR en niet meer dan een vierde van zijn totale jaarlijkse beloning vertegenwoordigt.

In afwijking van punt a) kunnen de bevoegde autoriteiten besluiten dat beleggingsondernemingen waarvan de waarde van de activa lager is dan de in punt a) bedoelde drempel, niet onder de uitzondering vallen wegens de aard en de omvang van hun activiteiten, hun interne organisatie of, indien van toepassing, de kenmerken van de groep waartoe zij behoren.

In afwijking van punt b) kunnen de bevoegde autoriteiten besluiten dat personen van wie de jaarlijkse variabele vergoeding onder de drempels als bedoeld in punt b) blijft, niet onder de uitzondering vallen wegens specifieke kenmerken van de nationale markt op het gebied van beloningspraktijken of wegens de aard van de taken en het beroepsprofiel van deze personen.

5.  De lidstaten schrijven voor dat beleggingsondernemingen de in dit artikel neergelegde bepalingen toepassen op beloningen voor geleverde diensten of prestaties volgend op het boekjaar van de in artikel 23, lid 1, bedoelde evaluatie.

6.  De EBA stelt, in overleg met de ESMA, ontwerpen van technische reguleringsnormen op tot nadere bepaling van de klassen van instrumenten die aan de in lid 1, onder j), 3), gestelde voorwaarden voldoen.

De EBA legt deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk [9 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 31Beloningscommissie

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat ▌beleggingsondernemingen die niet aan de criteria als bedoeld in artikel 30, lid 4, voldoen een beloningscommissie instellen. Deze beloningscommissie is kwa gender evenwichtig samengesteld en verstrekt een kundig en onafhankelijk oordeel over het beloningsbeleid en de beloningspraktijken en de prikkels die daarvan uitgaan voor het beheer van risico, kapitaal en liquiditeit. Binnen een groep mag een beloningscommissie ook een beloningscommissie voor de hele groep zijn.

2.  De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat ▌de beloningscommissie wordt belast met de voorbereiding van beslissingen inzake beloning, inclusief beslissingen die gevolgen hebben voor de risico's en het risicobeheer van de betrokken beleggingsonderneming en die door het leidinggevend orgaan moeten worden genomen. De voorzitter en de leden van de beloningscommissie zijn leden van het leidinggevend orgaan die geen enkele uitvoerende functie in de betrokken beleggingsonderneming bekleden. Wanneer de nationale wetgeving in werknemersvertegenwoordiging in het leidinggevend orgaan voorziet, maken een of meer vertegenwoordigers van de werknemers deel uit van de beloningscommissie.

3.  Bij de voorbereiding van de in lid 2 bedoelde beslissingen houdt de beloningscommissie rekening met het openbaar belang en de langetermijnbelangen van aandeelhouders, investeerders en andere belanghebbenden van de beleggingsonderneming.

Artikel 32Toezicht op het beloningsbeleid

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten de overeenkomstig de punten c), d) en f) van artikel 51 van [Verordening (EU) ---/---- [VBO] openbaargemaakte informatie vergaren en die informatie gebruiken voor het benchmarken van ontwikkelingen en praktijken op het gebied van beloning. De bevoegde autoriteiten verstrekken deze informatie aan de EBA.

2.  De EBA gebruikt de overeenkomstig lid 1 van de bevoegde autoriteiten ontvangen informatie voor het benchmarken van ontwikkelingen en praktijken inzake beloning op het niveau van de Unie.

3.  De EBA geeft, in overleg met de ESMA, richtsnoeren af betreffende de toepassing van degelijk beloningsbeleid. In die richtsnoeren worden ten minste de vereisten van de artikelen 28 tot en met 31 en de in Aanbeveling 2009/384/EG van de Commissie(24) neergelegde beginselen van degelijk beloningsbeleid in acht genomen.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat beleggingsondernemingen de bevoegde autoriteiten op verzoek informatie verstrekken over het aantal natuurlijke personen per beleggingsonderneming die een beloning van 1 miljoen EUR of meer per boekjaar, in beloningstranches van 1 miljoen EUR, genieten, met inbegrip van informatie over hun taakomschrijving, de betrokken bedrijfssector en de voornaamste elementen van salaris, bonussen, vergoedingen op lange termijn en pensioenbijdragen. De bevoegde autoriteiten zenden deze informatie aan de EBA, die deze bekend maakt in een gemeenschappelijke rapportageformaat op een naar lidstaat van herkomst geaggregeerde grondslag. De EBA kan, in overleg met de ESMA, richtsnoeren opstellen om de toepassing van dit lid te vergemakkelijken en de consistentie van de vergaarde informatie te verzekeren.

Artikel 32 bis

EBA-verslag over MSG-risico's

De EBA stelt met het oog op het proces van toetsing en evaluatie van risico's door de toezichthouder een verslag op over de invoering van technische criteria voor blootstellingen aan activiteiten die voornamelijk met milieu-, sociale en governancedoelstellingen (MSG) verband houden, teneinde de mogelijke oorzaken en effecten van dergelijke risico's voor beleggingsondernemingen te beoordelen, rekening houdend met de MSG-taxonomie [verwijzing naar wetgeving toevoegen, indien beschikbaar].

Het in de eerste alinea bedoelde EBA-verslag omvat ten minste de volgende aspecten:

(a)  een definitie van MSG-risico's, fysieke risico's en overgangsrisico's, met inbegrip van risico's die verband houden met de waardevermindering van activa ten gevolge van wijzigingen in de regelgeving, kwalitatieve en kwantitatieve criteria en maatstaven voor het beoordelen van dergelijke risico's, alsook een methodologie om te beoordelen of dergelijke risico's zich op de korte, middellange of lange termijn kunnen voordoen, en of ze wezenlijke financiële gevolgen voor een beleggingsondernemingen kunnen hebben;

(b)  een beoordeling van de vraag of significante concentraties van specifieke activa de MSG-risico’s, fysieke risico’s en overgangsrisico’s voor een beleggingsonderneming kunnen verhogen;

(c)  een beschrijving van de processen die een beleggingsonderneming kan gebruiken om MSG-risico's, fysieke risico’s en overgangsrisico’s te bepalen, te beoordelen en te beheren;

(d)  de criteria, parameters en maatstaven die toezichthouders en instellingen kunnen gebruiken om met het oog op het proces van toetsing en evaluatie van risico's de gevolgen van MSG-risico's op de korte, middellange en lange termijn te beoordelen.

De EBA legt het verslag met haar bevindingen uiterlijk ...[twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] voor aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.

Op basis van dit verslag kan de EBA, in voorkomend geval, richtsnoeren vaststellen om criteria in te voeren die verband houden met de MSG-risico’s voor het proces van toetsing en evaluatie door de toezichthouder, waarbij rekening wordt gehouden met de bevindingen van het in dit artikel bedoelde EBA-verslag.

Afdeling 3

Procedure voor toetsing en evaluatie door de toezichthouder

Artikel 33 Toetsing en evaluatie door de toezichthouder

1.  De bevoegde autoriteiten toetsen de regelingen, strategieën, processen en mechanismen die beleggingsondernemingen met het oog op de naleving van deze richtlijn en [Verordening (EU) ---/----[VBO] hebben ingevoerd, en evalueren met het oog op een degelijk beheer en dekking van hun risico's alle volgende elementen:

(a)  de in artikel 27 bedoelde risico's;

(b)  de geografische locatie van de blootstellingen van een beleggingsonderneming;

(c)  het bedrijfsmodel van de beleggingsonderneming;

(d)  de beoordeling van systeemrisico, rekening houdend met de vaststelling en meting van systeemrisico krachtens artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 of met aanbevelingen van het ESRB;

(d bis)  de risico's voor de beveiliging van de netwerk- en informatiesystemen die de beleggingsondernemingen bij hun activiteiten gebruiken om de vertrouwelijkheid, integriteit en beschikbaarheid van hun processen en gegevens te waarborgen;

(e)    de blootstelling van beleggingsondernemingen aan het renterisico voortvloeiend uit activiteiten in de niet-handelsportefeuille;

(f)    goveranceregelingen van beleggingsondernemingen en de capaciteit van leden van het leidinggevend orgaan om hun taken te vervullen.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten de frequentie en de intensiteit van de in lid 1 bedoelde toetsing en evaluatie vaststellen rekening houdend met de omvang, de systeemrelevantie, de aard, de schaal en de complexiteit van de activiteiten van de betrokken beleggingsondernemingen, alsmede met het evenredigheidsbeginsel.

De bevoegde autoriteiten voeren de in lid 1 van dit artikel bedoelde toetsing voor beleggingsondernemingen die voldoen aan de voorwaarden in artikel 12, lid 1, van [Verordening (EU) ---/----[VBO]] alleen uit wanneer zij besluiten dat de omvang, de systeemrelevantie, de aard, de schaal en de complexiteit van de activiteiten van deze ondernemingen die toetsing noodzakelijk maken.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat indien uit een toetsing blijkt dat een beleggingsonderneming systeemrisico's kan opleveren als bedoeld in artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, de bevoegde autoriteiten de EBA onverwijld op de hoogte brengen van de resultaten van deze toetsing.

4.  De bevoegde autoriteiten nemen passende maatregelen indien uit de in punt e) van lid 1 bedoelde toetsing en evaluatie blijkt dat de economische waarde van het eigen vermogen van een beleggingsonderneming met meer dan 15 % van het tier 1-kapitaal is afgenomen als gevolg van een plotselinge en onverwachte verandering in de rentetarieven zoals gedefinieerd in een van de zes bij het toezicht op de rentetarieven toegepaste schokscenario's, nader omschreven in de [gedelegeerde verordening van de Commissie vastgesteld overeenkomstig artikel 98, lid 5, van Richtlijn 2013/36/EU].

5.  Bij het verrichten van de in punt f) van lid 1 bedoelde toetsing en evaluatie hebben de bevoegde autoriteiten toegang tot de agenda's, notulen en werkdocumenten voor vergaderingen van het leidinggevend orgaan en zijn comités, alsmede tot de resultaten van de interne of externe evaluatie van de prestaties van het leidinggevend orgaan.

6.  De Commissie wordt gemachtigd overeenkomstig artikel 54 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot nadere bepaling van regels om ervoor te zorgen dat de strategieën, beleidslijnen, procedures en mechanismen van beleggingsondernemingen een gedegen beheer en dekking van hun risico's garanderen. De Commissie houdt daarbij rekening met ontwikkelingen op financiële markten, met name de opkomst van nieuwe financiële producten, ontwikkelingen in boekhoudnormen en ontwikkelingen die de convergentie van toezichtpraktijken bevorderen.

Artikel 34Doorlopende toetsing van de toestemming om interne modellen te gebruiken

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten regelmatig en ten minste om de drie jaar toetsen of de beleggingsondernemingen voldoen aan de voorwaarden voor de toestemming om interne modellen te gebruiken als bedoeld in artikel 22 van [Verordening (EU) ---/----[VBO]. De bevoegde autoriteiten onderzoeken in het bijzonder veranderingen in de activiteiten van een beleggingsonderneming en de toepassing van deze modellen op nieuwe producten, en toetsen en evalueren of de beleggingsonderneming gebruikmaakt van goed ontwikkelde en actuele technieken en praktijken voor deze modellen. De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat wezenlijke tekortkomingen die worden vastgesteld in het ondervangen van risico's door de interne modellen van een beleggingsonderneming, worden verholpen, of nemen maatregelen om de gevolgen ervan af te zwakken, onder meer door opslagfactoren van het kapitaalvereiste of hogere vermenigvuldigingsfactoren op te leggen.

2.  Wanneer voor interne risk-to-market-modellen uit een groot aantal overschrijdingen als bedoeld in artikel 366 van Verordening (EU) nr. 575/2013 blijkt dat de modellen niet of niet langer accuraat zijn, trekken de bevoegde autoriteiten de toestemming voor het gebruik van interne modellen in of leggen zij passende maatregelen op om ervoor te zorgen dat het model onmiddellijk en binnen een vastgestelde termijn wordt verbeterd.

3.  Wanneer een beleggingsonderneming die toestemming heeft verkregen om interne modellen te gebruiken, niet langer voldoet aan de voorwaarden voor de toepassing van deze modellen, eisen de bevoegde autoriteiten het bewijs dat de gevolgen van niet-naleving te verwaarlozen zijn of de voorlegging van een plan en een termijn om aan deze voorwaarden te voldoen. De bevoegde autoriteiten verlangen verbeteringen in het voorgelegde plan indien het niet waarschijnlijk is dat dit plan zal leiden tot volledige naleving van de vereisten of indien de uiterste termijn niet passend is.

Wanneer het onwaarschijnlijk is dat de beleggingsonderneming binnen de gestelde termijn aan de voorwaarden voldoet of niet op bevredigende wijze heeft aangetoond dat de gevolgen van niet-naleving te verwaarlozen zijn, zorgen de lidstaten ervoor dat de bevoegde autoriteiten de toestemming voor het gebruik van interne modellen intrekken of beperken tot gebieden waarop naleving verzekerd is of gebieden waarop binnen een passende termijn aan de vereisten kan worden voldaan.

4.  De EBA analyseert de interne modellen van instellingen en analyseert hoe beleggingsondernemingen die interne modellen gebruiken, vergelijkbare risico's of blootstellingen behandelen.

Teneinde consistente, efficiënte en effectieve toezichtpraktijken te bevorderen, ontwikkelt de EBA op basis van die analyse overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren met benchmarks over het gebruik van interne modellen door beleggingsondernemingen en over de behandeling van vergelijkbare risico's of blootstellingen in deze interne modellen.

De lidstaten sporen de bevoegde autoriteiten ertoe aan bij de in lid 1 bedoelde toetsing rekening te houden met deze analyse en deze richtsnoeren.

Afdeling 4

Toezichtmaatregelen en -bevoegdheden

Artikel 35Toezichtmaatregelen

De bevoegde autoriteiten eisen dat beleggingsondernemingen in een vroeg stadium de nodige maatregelen nemen om de volgende problemen te verhelpen:

(a)  de beleggingsonderneming voldoet niet aan de vereisten van deze richtlijn of van [Verordening (EU) ---/----[VBO]];

(b)  de bevoegde autoriteiten beschikken over bewijzen dat de beleggingsonderneming de komende 12 maanden waarschijnlijk inbreuk zal maken op [Verordening (EU) ---/----[VBO]] of op de bepalingen tot omzetting van deze richtlijn.

Artikel 36Toezichtbevoegdheden

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten over de nodige bevoegdheden beschikken om bij de uitoefening van hun functies op evenredige wijze in te grijpen in de activiteit van beleggingsondernemingen.

2.  Voor de toepassing van artikel 33, artikel 34, lid 3, en artikel 35 en voor de toepassing van [Verordening (EU) ---/----[VBO]] beschikken de bevoegde autoriteiten over de volgende bevoegdheden:

(a)  zij kunnen eisen dat beleggingsondernemingen over extra kapitaal beschikken boven de vereisten van artikel 11 van [Verordening (EU) ---/----[VBO]], onder de voorwaarden als bepaald in artikel 37 van deze richtlijn, of het vereiste kapitaal aanpassen in geval van materiële wijzigingen in de bedrijfsactiviteit van deze beleggingsondernemingen;

(b)  zij kunnen eisen dat de overeenkomstig de artikelen 22 en 24 ingevoerde regelingen, processen, mechanismen en strategieën worden aangescherpt;

(c)  zij kunnen eisen dat beleggingsondernemingen een plan indienen om te voldoen aan de toezichtvereisten uit hoofde van deze richtlijn en van [Verordening (EU) ---/---- [VBO]] en een uiterste termijn, die niet langer is dan één jaar, vaststellen voor de uitvoering van dat plan, en verbeteringen in dat plan eisen wat toepassingsgebied en uiterste termijn betreft;

(d)  zij kunnen eisen dat beleggingsondernemingen met betrekking tot de kapitaalvereisten een specifiek voorzieningenbeleid voeren of activa op een specifieke wijze behandelen;

(e)  zij kunnen restricties of beperkingen opleggen ten aanzien van de bedrijfsactiviteiten, de transacties of het netwerk van beleggingsondernemingen of de afstoting verlangen van activiteiten die buitensporige risico's voor de financiële soliditeit van een beleggingsonderneming met zich brengen;

(f)  zij kunnen een beperking eisen van het risico dat verbonden is aan de activiteiten, producten en systemen, met inbegrip van de uitbestede activiteiten, van beleggingsondernemingen;

(g)  zij kunnen eisen dat beleggingsondernemingen de variabele beloning beperken tot een bepaald percentage van hun netto-inkomsten indien deze beloning niet verenigbaar is met de instandhouding van een solide kapitaalbasis;

(h)  zij kunnen eisen dat beleggingsondernemingen hun nettowinst gebruiken om het eigen vermogen te versterken;

(i)  zij kunnen uitkeringen of rentebetalingen door een beleggingsonderneming aan aandeelhouders, leden of houders van aanvullend tier 1-instrumenten beperken of verbieden mits het verbod geen event of default voor de beleggingsonderneming vormt;

(j)  zij kunnen aanvullende rapportagevereisten of een frequentere rapportage opleggen dan die in deze richtlijn en [Verordening (EU) ---/----[VBO]], onder meer wat de rapportage over kapitaal en liquiditeitsposities betreft;

(k)  zij kunnen specifieke liquiditeitsvereisten opleggen;

(l)  zij kunnen aanvullende openbaarmakingen ▌eisen;

(l bis)  zij kunnen eisen dat beleggingsondernemingen de risico's voor de beveiliging van hun netwerk- en informatiesystemen verminderen om de vertrouwelijkheid, integriteit en beschikbaarheid van hun processen en gegevens te waarborgen.

Voor de toepassing van punt j) mogen de bevoegde autoriteiten beleggingsondernemingen alleen aanvullende rapportagevereisten of een frequentere rapportage opleggen mits de te rapporteren informatie niet leidt tot duplicering en aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

(a)  een van de voorwaarden bedoeld in de punten a) of b) van artikel 35 is van toepassing;

(b)  de bevoegde autoriteit acht dit nodig voor het vergaren van het in artikel 35 bedoelde bewijsmateriaal;

(b bis)  de bijkomende informatie is vereist voor de duur van het in artikel 33 bedoelde proces van toetsing en evaluatie door de toezichthouder van de beleggingsonderneming.

Informatie wordt geacht tot duplicering te leiden wanneer de bevoegde autoriteit al beschikt over dezelfde of grotendeels dezelfde informatie, wanneer deze informatie door de bevoegde autoriteit kan worden geproduceerd of door dezelfde bevoegde autoriteit kan worden verkregen via andere middelen dan de beleggingsonderneming te verplichten tot het rapporteren van deze informatie. Een bevoegde autoriteit vraagt geen aanvullende informatie wanneer de informatie voor de bevoegde autoriteit beschikbaar is in een ander formaat of in een andere mate van granulariteit dan de te rapporteren aanvullende informatie en het verschil in formaat of granulariteit haar niet belet om in wezen vergelijkbare informatie te produceren.

Artikel 37Aanvullend kapitaalvereiste

1.  De bevoegde autoriteiten leggen het aanvullende kapitaalvereiste bedoeld in artikel 36, lid 2, onder a), alleen op wanneer zij op basis van de overeenkomstig de artikelen 35 en 36 uitgevoerde toetsingen vaststellen dat een beleggingsonderneming zich in een van de volgende situaties bevindt:

(a)  de beleggingsonderneming is blootgesteld aan risico's of aspecten van risico's die niet ▌voldoende worden gedekt door één van de in ▌[Verordening (EU) ---/----[VBO]] bepaalde k-factoren;

(b)  de beleggingsonderneming voldoet niet aan de vereisten van de artikelen 22 en 24 en andere administratieve maatregelen volstaan naar verwachting niet om de regelingen, processen, mechanismen en strategieën binnen een passend tijdsbestek te verbeteren;

(c)  de prudentiële waardering van de handelsportefeuille is ontoereikend om de beleggingsonderneming in staat te stellen haar posities onder normale marktomstandigheden binnen een korte termijn zonder wezenlijke verliezen te verkopen of af te dekken;

(d)  uit de overeenkomstig artikel 34 uitgevoerde evaluatie blijkt dat het niet-voldoen aan de vereisten voor de toepassing van de toegestane interne modellen wellicht zal leiden tot ontoereikende kapitaalniveaus;

(e)  de beleggingsonderneming laat herhaaldelijk na een toereikend niveau van aanvullend kapitaal als beschreven in artikel 38, lid 1, vast te stellen of te handhaven.

4.  De bevoegde autoriteiten eisen dat beleggingsondernemingen met eigen vermogen voldoen aan het in artikel 36, lid 2, onder a), bedoelde aanvullende kapitaalvereiste, onder de volgende voorwaarden:

(a)  ten minste drie vierde van het aanvullende kapitaalvereiste wordt voldaan met tier 1-kapitaal;

(b)  ten minste drie vierde van het tier 1-kapitaal bestaat uit tier 1-kernkapitaal;

(c)  dit eigen vermogen wordt niet gebruikt om te voldoen aan de in de artikel 11, onder a), b), en c), van [Verordening (EU) ---/----[VBO]] bepaalde kapitaalvereisten.

5.  De bevoegde autoriteiten motiveren schriftelijk hun besluit tot het opleggen van een aanvullend kapitaalvereiste als bedoeld in artikel 36, lid 2, onder a), door middel van een duidelijke uiteenzetting van de volledige beoordeling van de in lid 1 ▌ van dit artikel bedoelde gegevens. In het in lid 1, onder d), van dit artikel bedoelde geval omvat dit een specifieke motivering van de redenen waarom het overeenkomstig artikel 38 bepaalde niveau van kapitaal niet langer als toereikend wordt beschouwd.

6.  De EBA ontwikkelt, in overleg met de ESMA, ontwerpen van technische reguleringsnormen tot ▌ bepaling van:

(a)  de risico's en aspecten van risico's die niet worden geacht onder deze k-factoren te vallen, alsook, voor deze risico's en aspecten van risico's, indicatieve kwantitatieve maatstaven en kwalitatieve risicobeoordelingen voor gebruik door de bevoegde autoriteiten als bedoeld in [Verordening (EU) ---/---[VBO];

(b)  het begrip "niet voldoende gedekt" als bedoeld onder a) van lid 1 van dit artikel;

(c)  de gevallen waarin de bevoegde autoriteiten een aanvullendkapitaalvereiste mogen vaststellen wanneer het bedrag, het soort en de distributie van het kapitaal dat adequaat wordt geacht hoger zijn dan het kapitaalvereiste van de beleggingsonderneming als bedoeld in deel drie van [Verordening (EU) ---/---[VBO];

(d)  het maximumbedrag van het aanvullendkapitaalvereiste dat aan beleggingsondernemingen kan worden opgelegd.

De EBA zorgt ervoor dat de ontwerpen van technische reguleringsnormen evenredig zijn, rekening houdend met:

(i)  de lasten van de uitvoering voor beleggingsondernemingen en bevoegde autoriteiten;

(ii)  de mogelijkheid dat de hogere kapitaalvereisten die gelden wanneer beleggingsondernemingen geen gebruik maken van interne modellen, het opleggen van lagere kapitaalvereisten kunnen rechtvaardigen bij de beoordeling van risico's en aspecten van risico's in overeenstemming met lid 2.

De EBA legt deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk [9 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 38Aanwijzingen inzake kapitaaltoereikendheid

1.  De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat beleggingsondernemingen beschikken over een kapitaalniveau dat op basis van artikel 22 hoog genoeg ligt boven de vereisten van deel drie van [Verordening (EU) ---/----[VBO]] en van deze richtlijn, met inbegrip van de aanvullende kapitaalvereisten als bedoeld in artikel 36, lid 2, onder a), om ervoor te zorgen dat:

(a)  conjuncturele schommelingen niet leiden tot een inbreuk op deze verplichtingen;

(b)  het kapitaal van de beleggingsonderneming de bij de toezichtprocessen vastgestelde potentiële verliezen en risico's kan absorberen.

2.  De bevoegde autoriteiten toetsen regelmatig het niveau van kapitaal dat overeenkomstig lid 1 is vastgesteld door elke beleggingsonderneming en, in voorkomend geval, delen ze de conclusies van die toetsing mee aan de betrokken beleggingsonderneming met inbegrip van verwachte aanpassingen van het overeenkomstig lid 1 bepaalde kapitaalniveau. Deze mededeling bevat de datum waarop de bevoegde autoriteit verlangt dat de aanpassing is aangebracht.

Artikel 39 Samenwerking met afwikkelingsautoriteiten

1.  De bevoegde autoriteiten raadplegen de afwikkelingsautoriteiten voordat zij het op grond van artikel 36, lid 2, onder a), vereiste aanvullende kapitaal vaststellen en voordat zij beleggingsondernemingen meedelen welke aanpassingen van het kapitaalniveau als bedoeld in artikel 38, lid 2, van hen worden verwacht. Hiertoe verstrekken de bevoegde autoriteiten de afwikkelingsautoriteiten alle beschikbare informatie.

2.  De bevoegde autoriteiten informeren de desbetreffende afwikkelingsautoriteiten over het overeenkomstig artikel 36, lid 2, onder a), vereiste aanvullende kapitaal en over de in artikel 38, lid 2, bedoelde verwachte aanpassingen.

Artikel 40Openbaarmakingsvereisten

De lidstaten machtigen de bevoegde autoriteiten om:

(a)  van beleggingsondernemingen te eisen dat zij meer dan eenmaal per jaar de in artikel 45 van [Verordening (EU) ---/---- [VBO]] bedoelde informatie bekendmaken en termijnen voor die bekendmaking vaststellen;

(b)  van beleggingsondernemingen te eisen dat zij gebruikmaken van specifieke media en locaties en in het bijzonder hun internetsites voor andere bekendmakingen dan de financiële overzichten;

(c)  van moederondernemingen te eisen dat zij jaarlijks een beschrijving bekendmaken van hun juridische structuur en van de governance- en organisatiestructuur van de groep beleggingsondernemingen overeenkomstig artikel 24, lid 1, van deze richtlijn en artikel 10 van Richtlijn 2014/65/EU.

Artikel 41Verplichting om de EBA te informeren

1.  De bevoegde autoriteiten stellen de EBA in kennis van:

(a)  hun toetsings- en evaluatieproces als bedoeld in artikel 33;

(b)  de methode voor het nemen van besluiten als bedoeld in de artikelen 36, 37 en 38.

2.  De EBA beoordeelt de door de bevoegde autoriteiten verstrekte informatie om samenhang te creëren in het proces van toetsing en evaluatie door de toezichthouder. Zij kan aanvullende informatie van de bevoegde autoriteiten verlangen om haar beoordeling te voltooien, naar evenredigheid en overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

De EBA brengt verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de mate van convergentie tussen de lidstaten die bij de toepassing van dit hoofdstuk is gerealiseerd. Indien nodig voert de EBA collegiale toetsingen uit overeenkomstig artikel 30 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

De EBA stelt overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren vast voor de bevoegde autoriteiten, teneinde op een wijze die aansluit bij de omvang, de structuur en de interne organisatie van beleggingsondernemingen en bij de aard, reikwijdte en complexiteit van hun werkzaamheden, de gemeenschappelijke procedures en methodieken voor het in lid 1 bedoelde proces van toetsing en evaluatie door de toezichthouder en de beoordeling van de behandeling van de in artikel 27 bedoelde risico's nader te bepalen.

HOOFDSTUK 3

Toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium

Afdeling 1Toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium

Artikel 42Bepaling van de groepstoezichthouder

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer een beleggingsonderneming wordt geleid door een Uniemoederbeleggingsonderneming, toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium wordt uitgeoefend door de bevoegde autoriteit die aan die Uniemoederbeleggingsonderneming een vergunning heeft verleend.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer de moederonderneming van een beleggingsonderneming een Uniemoederbeleggingsholding of een gemengde financiële Uniemoederholding is, toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium wordt uitgeoefend door de bevoegde autoriteit die aan die beleggingsonderneming een vergunning heeft verleend.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer twee of meer beleggingsondernemingen met een vergunning in twee of meer lidstaten als moederonderneming dezelfde Uniemoederbeleggingsholding of dezelfde gemengde financiële Uniemoederholding hebben, toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium wordt uitgeoefend door de bevoegde autoriteit van de beleggingsonderneming waaraan een vergunning is verleend in de lidstaat waar de beleggingsholding of de gemengde financiële holding is opgericht.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer de moederondernemingen van twee of meer beleggingsondernemingen met een vergunning in twee of meer lidstaten meer dan één beleggingsholding of gemengde financiële holding met hoofdkantoor in verschillende lidstaten hebben en zich in elk van deze lidstaten een beleggingsonderneming bevindt, toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium wordt uitgeoefend door de bevoegde autoriteit van de beleggingsonderneming met het hoogste balanstotaal.

5.  De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer twee of meer beleggingsondernemingen met een vergunning in de Unie als moederonderneming dezelfde beleggingsholding of dezelfde gemengde financiële holding hebben en aan geen van deze beleggingsondernemingen een vergunning is verleend in de lidstaat waar de beleggingsholding of gemengde financiële holding is opgericht, toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium wordt uitgeoefend door de bevoegde autoriteit die een vergunning heeft afgegeven aan de beleggingsonderneming met het hoogste balanstotaal.

6.  De bevoegde autoriteiten kunnen onderling overeenkomen af te wijken van de in de leden 3, 4 en 5 bedoelde criteria wanneer de toepassing ervan niet passend zou zijn voor het effectieve toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium, waarbij ze rekening houden met de betrokken beleggingsondernemingen en het belang van hun activiteiten in de desbetreffende lidstaten, en een andere bevoegde autoriteit aan te wijzen om toezicht te houden op de naleving van het groepskapitaalcriterium. In die gevallen moeten de bevoegde autoriteiten, alvorens een dergelijk besluit vast te stellen, de Uniemoederbeleggingsholding of de gemengde financiële Uniemoederholding of de beleggingsonderneming met het hoogste balanstotaal, naargelang het geval, de gelegenheid bieden haar mening te geven over dat voorgenomen besluit. De bevoegde autoriteiten stellen de Commissie en de EBA in kennis van ieder dergelijk besluit.

Artikel 43Informatievereisten in noodsituaties

Indien zich een noodsituatie voordoet, met inbegrip van een situatie als omschreven in artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 of van ongunstige ontwikkelingen op de markten, die de liquiditeit van de markt en de stabiliteit van het financiële stelsel mogelijk in gevaar brengen in lidstaten waar entiteiten van een groep beleggingsondernemingen een vergunning hebben gekregen, stelt de overeenkomstig artikel 42 bepaalde groepstoezichthouder overeenkomstig afdeling 2, van hoofdstuk 1 van deze titel, zo spoedig mogelijk de EBA, het ESRB en andere relevante bevoegde autoriteiten op de hoogte en deelt hij alle informatie mee die noodzakelijk is voor de uitvoering van hun taken.

Artikel 44Colleges van toezichthouders

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de overeenkomstig artikel 42 bepaalde groepstoezichthouder colleges van toezichthouders opricht om de uitoefening van de in dit artikel bedoelde taken te faciliteren en te zorgen voor coördinatie en samenwerking met de relevante toezichthoudende autoriteiten van derde landen.

2.  Colleges van toezichthouders bieden een kader waarbinnen de groepstoezichthouder en de EBA en de andere betrokken bevoegde autoriteiten de volgende taken verrichten:

(a)  de in artikel 43 bedoelde taken;

(b)  de uitwisseling van informatie tussen alle bevoegde autoriteiten en met de EBA overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 en met de ESMA overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EU) nr. 1095/2010;

(c)  een akkoord bereiken over de vrijwillige delegatie van taken en verantwoordelijkheden tussen bevoegde autoriteiten, indien van toepassing;

(d)  de efficiëntie van het toezicht vergroten door te voorkomen dat tweemaal aan hetzelfde toezichtvereiste moet worden voldaan.

3.  Colleges van toezichthouders worden eveneens opgericht wanneer alle dochterondernemingen van een groep beleggingsondernemingen onder leiding van een Uniebeleggingsonderneming, een Uniebeleggingsmoederholding of gemengde financiële EU-moederholding in een derde land zijn gevestigd.

4.  De EBA neemt overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 deel aan de bijeenkomsten van de colleges van toezichthouders.

5.  De volgende autoriteiten zijn leden van het college van toezichthouders:

(a)    de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op dochterondernemingen van een groep beleggingsondernemingen onder leiding van een Uniebeleggingsonderneming, een Uniemoederbeleggingsholding of een gemengde financiële Uniemoederholding;

(b)  in voorkomend geval, de toezichthoudende autoriteiten van derde landen, met inachtneming van de vertrouwelijkheidsvereisten die volgens alle bevoegde autoriteiten gelijkwaardig zijn aan de vereisten van afdeling 2, hoofdstuk I van deze titel.

6.  De overeenkomstig artikel 42 bepaalde groepstoezichthouder zit de bijeenkomsten van het college voor en stelt besluiten vast. De groepstoezichthouder informeert alle leden van het college vooraf volledig over het beleggen van deze vergaderingen, de voornaamste agendapunten en de te onderzoeken activiteiten. De groepstoezichthouder informeert alle leden van het college tevens tijdig over de besluiten of maatregelen die op die bijeenkomsten genomen of uitgevoerd worden.

De groepstoezichthouder houdt rekening met de relevantie van de in lid 5 bedoelde te plannen of te coördineren toezichtactiviteit bij het vaststellen van besluiten.

De oprichting en werkwijze van de colleges worden schriftelijk vastgelegd.

7.  In geval van een verschil van mening over een door de groepstoezichthouder genomen besluit over de werking van colleges van toezichthouders mag iedere betrokken bevoegde autoriteit de zaak naar de EBA verwijzen en de EBA om bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Overeenkomstig artikel 19, lid 1, tweede alinea, van die verordening kan de EBA eveneens ambtshalve de bevoegde autoriteiten bijstaan in het geval van een verschil van mening over de werking van colleges van toezichthouders uit hoofde van dit artikel.

8.  De EBA stelt, in overleg met de ESMA, ontwerpen van technische reguleringsnormen vast tot nadere bepaling van de voorwaarden waaronder de colleges van toezichthouders hun in lid 1 bedoelde taken uitoefenen.

De EBA legt deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk [9 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde ontwerpen van technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 45Vereisten voor samenwerking

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de groepstoezichthouder en de in artikel 44, lid 5, bedoelde bevoegde autoriteiten elkaar alle nodige relevante informatie verstrekken, waaronder:

(a)  de identificatie van de juridische en bestuursstructuur van de groep beleggingsondernemingen, met inbegrip van zijn organisatiestructuur, die gereguleerde en niet-gereguleerde entiteiten, niet-gereguleerde dochterondernemingen en de moederondernemingen omvat, en van de bevoegde autoriteiten van de gereguleerde entiteiten in de groep beleggingsondernemingen;

(b)  de procedures voor het vergaren van informatie bij de beleggingsondernemingen in een groep beleggingsondernemingen en de procedures voor de verificatie van die informatie;

(c)  ongunstige ontwikkelingen in beleggingsondernemingen of in andere entiteiten van een groep beleggingsondernemingen die ernstige nadelige gevolgen voor deze beleggingsondernemingen zouden kunnen hebben;

(d)  belangrijke sancties en buitengewone maatregelen die de bevoegde autoriteiten hebben genomen overeenkomstig de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn;

(e)  het feit dat een specifiek kapitaalvereiste uit hoofde van artikel 36 van deze richtlijn wordt opgelegd.

2.  De bevoegde autoriteiten en de groepstoezichthouder kunnen een zaak voorleggen aan de EBA, overeenkomstig artikel 19, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1093/2010, wanneer relevante informatie niet onverwijld is meegedeeld overeenkomstig lid 1 of wanneer een verzoek om samenwerking, met name om relevante informatie uit te wisselen, is afgewezen of niet binnen een redelijke termijn is beantwoord.

De EBA kan overeenkomstig artikel 19, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1093/2010 en ambtshalve de bevoegde autoriteiten bijstaan bij het ontwikkelen van consistente samenwerkingspraktijken.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten, alvorens een besluit te nemen dat van belang kan zijn voor de toezichttaken van andere bevoegde autoriteiten, elkaar raadplegen over het volgende:

(a)  veranderingen in het aandeelhouderschap, de organisatie- of de bestuursstructuur van beleggingsondernemingen in de groep beleggingsondernemingen die goedkeuring of machtiging door de bevoegde autoriteiten eisen;

(b)  significante aan beleggingsondernemingen door bevoegde autoriteiten opgelegde sancties of andere uitzonderlijke door die autoriteiten getroffen maatregelen;

(c)  specifieke kapitaalvereisten die overeenkomstig artikel 36 worden opgelegd.

4.  De groepstoezichthouder wordt geraadpleegd wanneer door de bevoegde autoriteiten significante sancties moeten worden opgelegd of andere uitzonderlijke maatregelen moeten worden genomen als bedoeld in punt b) van lid 3.

5.  In afwijking van lid 3 is een bevoegde autoriteit niet verplicht overleg te plegen met andere bevoegde autoriteiten in noodsituaties of wanneer de besluiten daardoor hun doel kunnen missen; in dat geval stelt de bevoegde autoriteit de andere betrokken bevoegde autoriteiten onverwijld in kennis van haar besluit om geen overleg te plegen.

Artikel 46Verificatie van informatie over in andere lidstaten gevestigde entiteiten

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer de bevoegde autoriteiten in een lidstaat informatie moeten verifiëren over beleggingsondernemingen, beleggingsholdings, gemengde financiële holdings, financiële instellingen, ondernemingen die nevendiensten verrichten, gemengde holdings of dochterondernemingen die in een andere lidstaat zijn gevestigd, met inbegrip van dochterondernemingen die verzekeringsondernemingen zijn, de bevoegde autoriteiten van die andere lidstaat deze verificatie overeenkomstig lid 2 verrichten.

2.  De bevoegde autoriteiten die een verzoek overeenkomstig lid 1 hebben ontvangen, kunnen als volgt reageren:

(a)    zij verrichten de verificatie zelf in het kader van hun bevoegdheden;

(b)    zij staan de verzoekende autoriteiten toe om de verificatie te verrichten;

(c)  zij verzoeken een auditor of een deskundige om de verificatie spoedig en zo onpartijdig mogelijk te verrichten om een beoordeling van een derde partij te verkrijgen.

Voor de toepassing van de punten a) en c) is het de verzoekende autoriteiten toegestaan deel te nemen aan de verificatie.

Afdeling 2Beleggingsholdings, gemengde financiële holdings en gemengde holdings

Artikel 47

Opname van holdingondernemingen in het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium

De lidstaten zorgen ervoor dat beleggingsholdings en gemengde financiële holdings worden opgenomen in het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium.

Artikel 48Kwalificaties van bestuurders

De lidstaten eisen dat de leden van het leidinggevend orgaan van een beleggingsholding of een gemengde financiële holding als voldoende betrouwbaar bekend staan en over voldoende kennis, vaardigheden en ervaring beschikken om hun taken effectief uit te voeren.

Artikel 49Gemengde holdings

1.  De lidstaten bepalen dat, wanneer een groep beleggingsondernemingen wordt geleid door een gemengde holding, de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de beleggingsondernemingen, kunnen:

(a)    eisen dat de gemengde holding hun alle informatie verstrekt die relevant kan zijn voor het toezicht op die beleggingsonderneming;

(b)    toezicht houden op de transacties tussen de beleggingsonderneming en de gemengde holding en haar dochterondernemingen, en eisen dat de beleggingsonderneming beschikt over adequate risicobeheerprocedures en internecontrolemechanismen, met inbegrip van gedegen rapportage- en boekhoudkundige procedures om die transacties te identificeren, te meten, te monitoren en te controleren.

2.  De lidstaten bepalen dat hun bevoegde autoriteiten inspecties ter plaatse kunnen uitvoeren, of door externe controleurs kunnen laten uitvoeren, om de van de gemengde holdings en dochterondernemingen ontvangen te verifiëren.

Artikel 50Sancties

Overeenkomstig afdeling 3, hoofdstuk 2, van deze titel, zorgen de lidstaten ervoor dat aan financiële holdings, gemengde financiële holdings en gemengde holdings, of feitelijke bestuurders daarvan, die wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen tot omzetting van dit hoofdstuk overtreden, administratieve sancties of andere administratieve maatregelen kunnen worden opgelegd om vastgestelde inbreuken te beëindigen of te verminderen of de oorzaken daarvan weg te nemen.

Artikel 51Beoordeling van het toezicht door derde landen en andere toezichttechnieken

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer een beleggingsonderneming waarvan de moederonderneming haar hoofdkantoor heeft in een derde land niet onderworpen is aan effectief toezicht op groepsniveau, de bevoegde autoriteiten beoordelen of de beleggingsonderneming onderworpen is aan toezicht door de toezichthoudende autoriteit van het derde land dat gelijkwaardig is aan het toezicht uit hoofde van deze richtlijn en deel één van [Verordening (EU) ---/----[VBO]].

2.  Wanneer uit de in lid 1 bedoelde beoordeling blijkt dat geen gelijkwaardig toezicht wordt uitgeoefend, passen de lidstaten de bepalingen in deze richtlijn en [Verordening (EU) ---/----[VBO]] toe op de beleggingsonderneming of laten ze ruimte voor passende toezichtmethoden die doelstellingen voor toezicht betreffende de naleving van het groepskapitaalcriterium verwezenlijken als uiteengezet in [Verordening (EU) ---/----[VBO]]. Deze toezichttechnieken worden vastgesteld door de bevoegde autoriteit, zijnde de groepstoezichthouder indien de moederonderneming in de Unie is gevestigd, na overleg met de andere betrokken bevoegde autoriteiten. Iedere krachtens dit lid genomen maatregel wordt aan de andere betrokken bevoegde autoriteiten, aan de EBA en aan de Commissie meegedeeld.

3.  De bevoegde autoriteit, zijnde de groepstoezichthouder indien de moederonderneming in de Unie is gevestigd, kan met name eisen dat in de Unie een beleggingsholding of gemengde financiële holding wordt opgericht en artikel 7 van [Verordening (EU) ---/----[VBO]] toepassen op die beleggingsholding of gemengde financiële holding.

Artikel 52Samenwerking met toezichtautoriteiten van derde landen

De Commissie kan aanbevelingen doen aan de Raad voor onderhandelingen over overeenkomsten met één of meer derde landen over de middelen voor de uitoefening van toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium door de volgende beleggingsondernemingen:

(a)  beleggingsondernemingen waarvan de moederonderneming haar hoofdkantoor in een derde land heeft;

(b)  in derde landen gevestigde beleggingsondernemingen waarvan de moederonderneming haar hoofdkantoor in de Unie heeft.

TITEL VOPENBAARMAKING VAN INFORMATIE DOOR DE BEVOEGDE AUTORITEITEN

Artikel 53 Openbaarmakingsvereisten

1.  De bevoegde autoriteiten maken alle volgende informatie openbaar:

(a)  de tekst van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en van de overeenkomstig deze richtlijn in hun lidstaat goedgekeurde algemene richtsnoeren;

(b)  de wijze waarop gebruik wordt gemaakt van de overeenkomstig deze richtlijn en [Verordening (EU) ---/----[VBO]] beschikbare keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte;

(c)  de algemene criteria en methoden die ze hanteren bij het proces van toetsing en evaluatie door de toezichthouder als bedoeld in artikel 33;

(d)  geaggregeerde statistische gegevens over de voornaamste aspecten van de tenuitvoerlegging van deze richtlijn en van [Verordening (EU) ---/----[VBO]] in hun lidstaat, met inbegrip van het aantal en de aard van de toezichtmaatregelen die overeenkomstig artikel 36, lid 2, onder a), zijn genomen en van de administratieve sancties die overeenkomstig artikel 16 zijn opgelegd.

2.  De overeenkomstig lid 1 openbaar gemaakte informatie is voldoende nauwkeurig en volledig om een zinvolle vergelijking te kunnen maken van de toepassing van de punten b), c) en d) van lid 1 door de bevoegde autoriteiten van de verschillende lidstaten.

3.  De informatie wordt volgens een gemeenschappelijk format openbaar gemaakt en regelmatig geactualiseerd. De informatie wordt op één elektronische locatie toegankelijk gemaakt.

TITEL VIGEDELEGEERDE HANDELINGEN EN UITVOERINGSHANDELINGEN

Artikel 54 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De bevoegdheid om de in artikel 3, lid 2, artikel 8, lid 4, artikel 27, lid 3, en artikel 33, lid 6, bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt met ingang van [datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] voor een periode van vijf jaar aan de Commissie verleend.

3.  De in artikel 3, lid 2, artikel 8, lid 4, artikel 27, lid 3, en artikel 33, lid 6, bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, stelt zij het Europees Parlement en de Raad gelijktijdig daarvan in kennis.

6.  Een overeenkomstig artikel 3, lid 2, artikel 8, lid 4, artikel 27, lid 3, en artikel 33, lid 6, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van [twee maanden] na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met [twee maanden] verlengd.

Artikel 55 Uitvoeringshandelingen

Wijzigingen van het bedrag van het aanvangskapitaal als voorgeschreven in artikel 8 en artikel 11, lid 7, om rekening te houden met de ontwikkelingen op economisch en monetair gebied, worden vastgesteld met uitvoeringshandelingen overeenkomstig de in artikel 56, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 56Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het bij Besluit 2004/10/EG van de Commissie(25) ingestelde Europees Comité voor het bankwezen. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

TITEL VIIWIJZIGINGEN IN ANDERE RICHTLIJNEN

Artikel 57Wijzigingen in Richtlijn 2013/36/EG

Richtlijn 2013/36/EU wordt als volgt gewijzigd:

(1)  In de titel worden de woorden "en beleggingsondernemingen" geschrapt.

(2)  Artikel 1 wordt vervangen door:

"Artikel 1

Onderwerp

Bij deze richtlijn worden voorschriften vastgesteld met betrekking tot:

(a)  toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen;

(b)  toezichtbevoegdheden en -instrumenten voor de uitoefening van het prudentieel toezicht op kredietinstellingen door bevoegde autoriteiten;

(c)  het prudentieel toezicht op kredietinstellingen door bevoegde autoriteiten op een wijze die strookt met de voorschriften die in Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn vastgelegd;

(d)  openbaarmakingsvereisten voor bevoegde autoriteiten op het gebied van prudentiële regelgeving voor en prudentieel toezicht op kredietinstellingen.".

(3)   Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

(a)  lid 1 wordt vervangen door:

"1.  Deze richtlijn is van toepassing op kredietinstellingen.";

(b)  de leden 2 en 3 worden geschrapt;

(c)  in lid 5 wordt punt 1) geschrapt;

(d)  lid 6 wordt vervangen door:

"6.  De entiteiten als bedoeld in lid 5, punten 3) tot en met 24), en in de gedelegeerde handelingen vastgesteld overeenkomstig de leden 5 bis en 5 ter van dit artikel worden voor de toepassing van artikel 34 en van titel VII, hoofdstuk 3, als financiële instellingen behandeld.".

(4)  Artikel 3, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:

(a)  punt 3) wordt vervangen door:

"(3)  "instelling": een instelling als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 3), van Verordening (EU) ---/----[VBO];";

(b)  punt 4) wordt geschrapt.

(5)  Artikel 5 wordt vervangen door:

"Artikel 5Coördinatie binnen de lidstaten

Lidstaten die meer dan één bevoegde autoriteit hebben voor het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en financiële instellingen, nemen de nodige maatregelen om de onderlinge coördinatie te organiseren.".

(6)   Het volgende artikel 8 bis wordt ingevoegd:

"Artikel 8 bis

Specifieke vereisten voor vergunningverlening aan kredietinstellingen als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 1), onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

1.  De lidstaten verplichten de in artikel 4, lid 1, punt 1), onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde ondernemingen die reeds een vergunning hebben verkregen overeenkomstig titel II van Richtlijn 2014/65/EU, ertoe overeenkomstig artikel 8 een vergunningaanvraag in te dienen, ten laatste op de volgende tijdstippen:

(a)  wanneer het gemiddelde van de maandelijkse totale activa, berekend over een periode van twaalf opeenvolgende maanden, hoger is dan 30 miljard EUR; of

(b)  wanneer het gemiddelde van de maandelijkse totale activa berekend over een periode van twaalf opeenvolgende maanden lager is dan 30 miljard EUR, en de onderneming deel uitmaakt van een groep waarin de gecombineerde waarde van de totale activa van alle ondernemingen in de groep die een van de in bijlage I, deel A, punten 3) en 6), van Richtlijn 2014/65/EU bedoelde activiteiten verrichten en totale activa van minder dan 30 miljard EUR hebben, berekend als gemiddelde over een periode van twaalf opeenvolgende maanden, hoger is dan 30 miljard EUR.

2.  De in lid 1 bedoelde ondernemingen mogen de in artikel 4, lid 1, punt 1), onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde activiteiten blijven uitoefenen totdat zij de in dat lid bedoelde vergunning verkrijgen.

3.   In afwijking van lid 1 dienen de in artikel 4, lid 1, punt 1), onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde ondernemingen die op [datum van inwerkingtreding van Richtlijn (EU) ---/----[RBO] - 1 dag] activiteiten uitoefenen als beleggingsonderneming waaraan overeenkomstig Richtlijn 2014/65/EU een vergunning is verleend, uiterlijk op [1 jaar + 1 dag na de inwerkingtreding van Richtlijn (EU) ---/----[RBO]] een vergunningsaanvraag in overeenkomstig artikel 8.

4.   Wanneer de bevoegde autoriteit, nadat zij de in artikel [95 bis] van Richtlijn 2014/65/EU bedoelde informatie heeft ontvangen, bepaalt dat een onderneming een vergunning als kredietinstelling overeenkomstig artikel 8 van deze richtlijn nodig heeft, stelt zij de onderneming en de in artikel 4, lid 1, punt 26), van Richtlijn 2014/65/EU bedoelde bevoegde autoriteit daarvan in kennis en neemt de vergunningsprocedure vanaf de datum van deze kennisgeving over.

4 bis.  In het geval van een hervergunning garandeert de EBA dat het proces zo gestroomlijnd mogelijk is en dat rekening wordt gehouden met de informatie van bestaande vergunningen.

5.  De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

(a)  de informatie die door de onderneming in de vergunningaanvraag aan de bevoegde autoriteiten moet worden verstrekt, met inbegrip van het in artikel 10 bedoelde programma van werkzaamheden;

(b)  de methode voor de berekening van de in lid 1 bedoelde drempels.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de onder a) en b) bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

De EBA legt die ontwerpen van technische normen uiterlijk op [1 januari 2019] voor aan de Commissie."

(7)  In artikel 18 wordt het volgende punt a bis) ingevoegd:

"a bis) haar vergunning uitsluitend gebruikt om de in artikel 4, lid 1, punt 1), onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde activiteiten uit te oefenen en gedurende een periode van vijf opeenvolgende jaren gemiddelde totale activa onder de in dat artikel bedoelde drempels heeft;".

(7 bis)  Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:

    (a) lid 2 komt als volgt te luiden:

    "2. De EBA maakt een lijst met de namen van alle kredietinstellingen waaraan vergunning is verleend bekend op haar website, en actualiseert deze lijst ten minste één keer per jaar.";

(b) het volgende lid wordt ingevoegd:

    "3 bis. De lijst in lid 2 van dit artikel bevat de naam van kredietinstellingen als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, en merkt deze kredietinstellingen als zodanig aan. De lijst geeft ook aan welke wijzigingen er zijn in vergelijking met de voorgaande versie van de lijst."

(8)  Titel IV wordt geschrapt.

(9)  In artikel 51, lid 1, wordt de eerste alinea vervangen door:

"De bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst kunnen, in gevallen waarin artikel 112, lid 1, van toepassing is, de consoliderende toezichthouder, of anders de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, verzoeken een bijkantoor van een kredietinstelling als significant aan te merken.".

(10)  In artikel 53 wordt lid 2 vervangen door:

"2.  Lid 1 belet de bevoegde autoriteiten niet om met elkaar informatie uit te wisselen of door te geven aan het ESRB, de EBA of de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten (European Securities and Markets Authority - ESMA)), opgericht bij Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad* in overeenstemming met deze richtlijn, met Verordening (EU) nr. 575/2013, met [Richtlijn (EU) ---/----[RBO] betreffende het prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen], met andere op kredietinstellingen toepasselijke richtlijnen, met artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1092/2010, met de artikelen 31, 35 en 36 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 en met de artikelen 31 en 36 van Verordening (EU) nr. 1095/2010. Deze informatie is onderworpen aan lid 1.".

______________________________________________________________

*   Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84).

(11) In artikel 66, lid 1, wordt het volgende punt a bis) ingevoegd:

"(a bis)  ten minste één van de in artikel 4, lid 1, punt 1), onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde activiteiten uitoefenen en de in dat artikel vastgestelde drempels overschrijden zonder een vergunning als kredietinstelling te hebben;".

(12) In artikel 76, lid 5, wordt de laatste zin geschrapt.

(13) In artikel 86 wordt lid 11 vervangen door:

"11.  De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat de instellingen over liquiditeitsherstelplannen met deugdelijke strategieën en uitvoeringsmaatregelen beschikken om mogelijke liquiditeitstekorten het hoofd te kunnen bieden, ook in bijkantoren die in een andere lidstaat zijn gevestigd. De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat deze plannen ten minste jaarlijks door de instellingen worden getest, worden bijgewerkt op basis van de resultaten van de in lid 8 bedoelde alternatieve scenario's en worden gemeld aan en goedgekeurd door de directie, zodat interne beleidslijnen en processen dienovereenkomstig kunnen worden aangepast. De instellingen nemen van tevoren de nodige operationele maatregelen om ervoor te zorgen dat liquiditeitsherstelplannen onmiddellijk kunnen worden uitgevoerd. Deze operationele maatregelen behelzen onder meer het aanhouden van zekerheden die onmiddellijk beschikbaar zijn voor centralebankfinanciering. Dit betekent onder meer dat, indien nodig, zekerheden worden aangehouden in de valuta van een andere lidstaat of in de valuta van een derde land waar de kredietinstelling blootstellingen heeft en, indien zulks voor operationele doeleinden noodzakelijk is, op het grondgebied van een lidstaat van ontvangst of van een derde land in de valuta waaraan zij is blootgesteld.".

(14)  In artikel 110 wordt lid 2 geschrapt.

(15)  In artikel 114 wordt lid 1 vervangen door:

"1.  Indien zich een noodsituatie voordoet, met inbegrip van een situatie als omschreven in artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, of een situatie van ongunstige ontwikkelingen op de markten, die de liquiditeit van de markt en de stabiliteit van het financiële stelsel kan ondermijnen in een van de lidstaten waar aan entiteiten van een groep vergunning is verleend of significante bijkantoren als bedoeld in artikel 51 zijn gevestigd, waarschuwt de consoliderende toezichthouder, met inachtneming van hoofdstuk 1, afdeling 2, en, indien van toepassing, titel IV, hoofdstuk I, afdeling 2, van [Richtlijn (EU) ---/----[RBO] van het Europees Parlement en de Raad]*, zo spoedig mogelijk de EBA en de in artikel 58, lid 4, en artikel 59 bedoelde autoriteiten en deelt hij alle informatie mee die voor de uitoefening van hun taken van essentieel belang is. Deze verplichtingen gelden voor alle bevoegde autoriteiten.

__________________________________________________________________

*  [Richtlijn (EU) ---/---- van het Europees Parlement en de Raad van … betreffende …..].".

(16)  Artikel 116 wordt als volgt gewijzigd:

(a)  lid 2 komt als volgt te luiden:

2.  De bevoegde autoriteiten die deelnemen aan de colleges van toezichthouders en de EBA werken nauw samen. De geheimhoudingsvereisten uit hoofde van titel VII, hoofdstuk 1, afdeling II, van deze richtlijn en, in voorkomend geval, titel IV, hoofdstuk I, afdeling 2, van [Richtlijn (EU) ---/----[RBO]] beletten de bevoegde autoriteiten niet binnen colleges van toezichthouders vertrouwelijke informatie uit te wisselen. De oprichting en de werking van colleges van toezichthouders doen geen afbreuk aan de rechten en plichten van de bevoegde autoriteiten uit hoofde van deze richtlijn en van Verordening (EU) nr. 575/2013.";

(b)  lid 6 wordt vervangen door:

"6.  De autoriteiten die bevoegd zijn voor het toezicht op dochterondernemingen van een EU-moederkredietinstelling, een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding, en de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst waar significante bijkantoren als bedoeld in artikel 51 zijn gevestigd, eventueel centrale banken van het ESCB, alsook, in voorkomend geval en onder voorbehoud van geheimhoudingsvereisten die naar het oordeel van alle bevoegde autoriteiten gelijkwaardig zijn met de vereisten in het kader van titel VII, hoofdstuk 1, afdeling II, van deze richtlijn en, in voorkomend geval, titel IV, hoofdstuk I, afdeling 2, van [Richtlijn (EU) ---/---[RBO] ], de toezichtautoriteiten van derde landen, kunnen aan de colleges van toezichthouders deelnemen.";

(c)  lid 9 wordt vervangen door:

"9.  De consoliderende toezichthouder stelt, onverminderd de geheimhoudingsvereisten in het kader van titel VII, hoofdstuk 1, afdeling II, van deze richtlijn en, in voorkomend geval, titel IV, hoofdstuk I, afdeling 2, van [Richtlijn (EU) ---/---[RBO]], de EBA in kennis van de activiteiten van het college van toezichthouders, met inbegrip van de activiteiten in noodsituaties, en deelt de EBA alle informatie mee die voor de convergentie van het toezicht van bijzonder belang is.".

(17)  Artikel 15, lid 2, wordt vervangen door:

  "2.  De binnen het kader van het toezicht op geconsolideerde basis ontvangen informatie, met name de in deze richtlijn bedoelde uitwisseling van informatie tussen bevoegde autoriteiten, is onderworpen aan vereisten inzake het beroepsgeheim die ten minste gelijkwaardig zijn aan de in artikel 53, lid 1, bedoelde vereisten voor kredietinstellingen of die uit hoofde van artikel 13 van [Richtlijn (EU) ---/----[RBO]].".

(18)  In artikel 128 wordt de tweede alinea geschrapt.

(19)  In artikel 129 worden de leden 2, 3 en 4 geschrapt.

(20)  In artikel 130 worden de leden 2, 3 en 4 geschrapt.

(21)  In artikel 143, lid 1, wordt punt d) vervangen door:

"(d)  onverminderd het bepaalde in titel VII, hoofdstuk 1, afdeling II, van deze richtlijn en, in voorkomend geval, titel IV, hoofdstuk I, afdeling 2, van [Richtlijn (EU) ---/----[RBO]], geaggregeerde statistische gegevens over de voornaamste aspecten van de tenuitvoerlegging van het prudentiële kader in elke lidstaat, met inbegrip van het aantal en de aard van de toezichtmaatregelen die overeenkomstig artikel 102, lid 1, onder a), zijn genomen, en van de administratieve sancties die overeenkomstig artikel 65 zijn opgelegd.".

Artikel 57 bis

Wijziging van Richtlijn 2014/59/EU

In artikel 2, lid 1, wordt punt 3 vervangen door:

"(3)  "beleggingsonderneming": een beleggingsonderneming als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 die onderworpen is aan het aanvangskapitaalvereiste als opgenomen in artikel 8, lid 1, van [Richtlijn (EU) ---/---- [RBO]];".

Artikel 58Wijzigingen in Richtlijn 2014/65/EG

Richtlijn 2014/65/EU wordt als volgt gewijzigd:

(1)  In artikel 8 wordt punt a) vervangen door:

"(a)  niet meer voldoet aan de voorwaarden waarop de vergunning is verleend, zoals naleving van de in [Verordening (EU) nr. ---/----[VBO]] gestelde voorwaarden;".

(2)   Artikel 15 wordt vervangen door:

"Artikel 15Aanvangskapitaal

De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten slechts een vergunning verlenen indien de beleggingsonderneming, gelet op de aard van de betrokken beleggingsdienst of -activiteit, over voldoende aanvangskapitaal beschikt overeenkomstig artikel 8 van [Richtlijn (EU) ---/----[RBO]].".

(3)  Artikel 41 wordt vervangen door:

Artikel 41

Vergunningverlening

"1.  De bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de onderneming uit een derde land een bijkantoor heeft gevestigd of voornemens is te vestigen, verleent de vergunning pas als de bevoegde autoriteit ervan overtuigd is dat:

(a)  aan de voorwaarden van artikel 39 is voldaan; en

(b)  het bijkantoor van de onderneming uit een derde land in staat zal zijn de in de leden 2 en 3 bedoelde bepalingen in acht te nemen.

De bevoegde autoriteit deelt de onderneming uit een derde land binnen zes maanden na de indiening van een volledige aanvraag mede of de vergunning toegekend dan wel geweigerd is.

2.  Het bijkantoor van de onderneming uit een derde land waaraan overeenkomstig lid 1 vergunning is verleend, voldoet aan de verplichtingen van de artikelen 16 tot en met 20, de artikelen 23, 24, 25 en 27, artikel 28, lid 1, en de artikelen 30, 31 en 32 van deze richtlijn en van de artikelen 3 tot en met 26 van Verordening (EU) nr. 600/2014 en aan de op grond daarvan vastgestelde maatregelen en staat onder toezicht van de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de vergunning is verleend.

De lidstaten leggen met betrekking tot de door deze richtlijn bestreken aangelegenheden geen aanvullende verplichtingen op ten aanzien van de organisatie en bedrijfsuitoefening van het bijkantoor en behandelen bijkantoren van ondernemingen uit derde landen niet gunstiger dan ondernemingen uit de Unie.

De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten de ESMA jaarlijks in kennis stellen van het aantal bijkantoren van ondernemingen uit derde landen die op hun grondgebied actief zijn.

3. Het bijkantoor van de onderneming uit een derde land dat overeenkomstig lid 1 een vergunning heeft verkregen, meldt de in lid 2 bedoelde bevoegde autoriteit jaarlijks de volgende informatie:

(a)  de schaal en reikwijdte van de door het bijkantoor in die lidstaat verrichte diensten en activiteiten;

(b)  de omzet en de totale waarde van de activa die overeenstemmen met de onder a) bedoelde diensten en activiteiten;

(c)  een gedetailleerde beschrijving van de voor de cliënten van het bijkantoor beschikbare beleggersbeschermingsregeling, met inbegrip van de rechten van deze cliënten die voortvloeien uit het in artikel 39, lid 2, onder f), bedoelde beleggerscompensatiestelsel;

(d)  zijn risicobeheerbeleid en -regelingen voor de onder a) bedoelde diensten en activiteiten.

  4. De in lid 2 bedoelde bevoegde autoriteiten, de bevoegde autoriteiten van entiteiten die deel uitmaken van dezelfde groep waartoe bijkantoren van ondernemingen uit derde landen met een overeenkomstig lid 1 verkregen vergunning behoren, en de ESMA en de EBA werken nauw samen om ervoor te zorgen dat alle activiteiten van die groep in de Unie worden onderworpen aan uitgebreid, consistent en doeltreffend toezicht overeenkomstig deze richtlijn, Verordening (EU) nr. 600/2014, Richtlijn 2013/36/EU, Verordening (EU) nr. 575/2013, [Richtlijn (EU) ---/---- [RBO]] en [Verordening (EU) ---/----[VBO]].

5. De ESMA stelt ontwerpen van technische reguleringsnormen op waarin de in lid 3 bedoelde informatie wordt gespecificeerd.

De ESMA dient deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op [datum invoegen] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

6. De ESMA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen ter specificering van het formaat waarin de in lid 3 bedoelde informatie aan de bevoegde nationale autoriteiten moet worden medegedeeld.

De ESMA dient deze ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op [datum invoegen] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.".

(4)  In artikel 81, lid 3, wordt punt a) vervangen door:

"(a)  om te onderzoeken of wordt voldaan aan de voorwaarden voor de toegang tot de werkzaamheden van beleggingsondernemingen en ter vergemakkelijking van het toezicht op de voorwaarden waaronder die werkzaamheden worden uitgeoefend, de administratieve en boekhoudkundige organisatie en de interne controle;".

(5)    Het volgende artikel 95 bis wordt ingevoegd:

"Artikel 95 bis

Overgangsbepaling inzake vergunningverlening aan kredietinstellingen als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 1), onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

De bevoegde autoriteiten stellen de in artikel 8 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde bevoegde autoriteit in kennis wanneer de voorziene totale activa van een onderneming die overeenkomstig titel II van deze richtlijn vóór [datum van inwerkingtreding van Richtlijn (EU) ---/--- [RBO]] een vergunning heeft aangevraagd om de in bijlage I, deel A, punten 3) en 6), bedoelde activiteiten te verrichten, hoger zijn dan 30 miljard EUR, en zij stellen de aanvrager hiervan in kennis.".

TITEL VIIIOVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 59Overgangsbepalingen

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat andere dan de in lid 2 genoemde beleggingsondernemingen die bestonden op of vóór 1 januari 20xx [datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] en wier aanvangskapitaal lager is dan de in artikel 8 genoemde bedragen, uiterlijk op [vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] aan dat artikel voldoen door een jaarlijkse verhoging met 5 000 EUR.

Wanneer de in de eerste alinea bedoelde jaarlijkse verhoging voor een beleggingsonderneming niet volstaat om aan het einde van de periode van vijf jaar het vereiste bedrag aan aanvangskapitaal te bereiken, staan de lidstaten een aanvullende overgangsperiode van maximaal vijf jaar toe. De bevoegde autoriteiten stellen de tijdens deze aanvullende overgangsperiode geldende jaarlijkse bedragen vast.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat grondstoffenhandelaren uiterlijk op [vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] aan het bepaalde in artikel 8 voldoen.

Artikel 60Evaluatie

Uiterlijk op [drie jaar na de datum van toepassing van deze richtlijn en Verordening (EU) ---/---- [VBO]] dient de Commissie, in nauwe samenwerking met de EBA en de ESMA, een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad, in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel, over:

(a)  de bepalingen inzake beloning in deze richtlijn en in Verordening (EU) ---/---- [VBO] evenals in de icbe- en AIFM-richtlijnen die zijn bedoeld om een gelijk speelveld tot stand te brengen voor alle beleggingsondernemingen die actief zijn in de Unie;

(a bis)  een beoordeling, rekening houdend met het in artikel 32 bis bedoelde EBA-verslag en de taxonomie betreffende duurzame financiën [verwijzing naar wetgeving toevoegen, indien beschikbaar], om te bepalen of:

(i)  de milieu-, sociale en governancerisico's (MSG) in overweging moeten worden genomen voor de interne governance van beleggingsondernemingen;

(ii)  de MSG-risico's in overweging moeten worden genomen voor het beloningsbeleid van beleggingsondernemingen;

(iii)  de MSG-risico's in overweging moeten worden genomen voor de behandeling van risico's; en

(iv)  de MSG-risico's in het proces van toezicht en evaluatie moeten worden opgenomen.

(b)  de doeltreffendheid van de regelingen inzake informatie-uitwisseling uit hoofde van deze richtlijn;

(c)  de samenwerking van de Unie en de lidstaten met derde landen bij de toepassing van deze richtlijn en Verordening (EU) ---/---- [VBO];

(d)  de toepassing van deze richtlijn en Verordening (EU) ---/---- [VBO] op beleggingsondernemingen op grond van hun rechtsstructuur of eigendomsmodel.

Artikel 61Omzetting

1.  Uiterlijk op [18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] stellen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen en maken deze bekend.

2.  De lidstaten passen deze bepalingen toe vanaf [datum van toepassing van Verordening (EU) nr. ---/---- [VBO]].

3.  De lidstaten delen de Commissie en de EBA de tekst van de bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Indien de stukken die door de lidstaten worden overgelegd als bijlage bij de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen, niet toereikend zijn om volledig inzicht te krijgen in de mate waarin de omzettingsbepalingen in overeenstemming zijn met bepaalde artikelen van deze richtlijn, kan de Commissie, op verzoek van de EBA met het oog op de uitvoering van haar taken uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1093/2010 of op eigen initiatief, verlangen dat de lidstaten meer gedetailleerde informatie met betrekking tot de omzetting en uitvoering van die bepalingen en deze richtlijn verstrekken.

4.  In de in lid 1 bedoelde bepalingen of bij de officiële bekendmaking daarvan wordt naar deze richtlijn verwezen.

Artikel 62Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Wat betreft toezicht op en afwikkeling van beleggingsondernemingen, gelden verwijzingen naar Richtlijn 2013/36/EU in andere handelingen van de Unie als verwijzingen naar deze richtlijn.

Artikel 63Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement  Voor de Raad

De Voorzitter  De Voorzitter

(1)

[PB C 0 van 0.0.0000, blz. 0. /Nog niet in het Publicatieblad verschenen].

(2)

[PB C 0 van 0.0.0000, blz. 0. /Nog niet in het Publicatieblad verschenen].

(3)

* Amendementen: nieuwe of vervangende tekst staat in vet en cursief, schrappingen zijn met het symbool ▐ aangegeven.

(4)

  PB C […] van […], blz. […].

(5)

  PB C […] van […], blz. […].

(6)

Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).

(7)

Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).

(8)

Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad (PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1)

(9)

Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

(10)

Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).

(11)

Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad - Beoordeling van de beloningsregels uit hoofde van Richtlijn 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 575/2013, COM(2016) 510 final.

(12)

Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(13)

PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.

(14)

Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349).

(15)

Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).

(16)

Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1).

(17)

Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 84).

(18)

Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat en tot wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG, 79/267/EEG, 92/49/EEG, 92/96/EEG, 93/6/EEG en 93/22/EEG van de Raad en van de Richtlijnen 98/78/EG en 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 35 van 11.2.2003, blz. 1).

(19)

Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).

(20)

Verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende macroprudentieel toezicht van de Europese Unie op het financiële stelsel en tot oprichting van een Europees Comité voor systeemrisico's (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 1).

(21)

Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen en tot wijziging van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad (PB L 157 van 9.6.2006, blz. 87).

(22)

Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32).

(23)

Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73).

(24)

Aanbeveling 2009/384/EG van 30 april 2009 van de Commissie over het beloningsbeleid in de financiële sector (PB L 120 van 15.5.2009, blz. 22).

(25)

Besluit 2004/10/EG van de Commissie van 5 november 2003 tot instelling van het Europees Comité voor het bankwezen (PB L 3 van 7.1.2004, blz. 36).


ADVIES van de Commissie juridische zaken (12.8.2018)

aan de Commissie economische en monetaire zaken

inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2013/36/EU en 2014/65/EU

(COM(2017)0791 – C8-0452/2017 – 2017/0358(COD))

Rapporteur voor advies: Kostas Chrysogonos

AMENDEMENTEN

De Commissie juridische zaken verzoekt de bevoegde Commissie economische en monetaire zaken onderstaande amendementen in aanmerking te nemen:

Amendement    1

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(2)  Bij de prudentiële regimes zoals die momenteel op grond van Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU bestaan, gaat het steeds grotendeels om het overnemen van internationale reguleringsnormen zoals die voor grote bankengroepen zijn vastgesteld door het Bazels Comité voor bankentoezicht (BCBS) en wordt daarbij slechts gedeeltelijk ingegaan op de specifieke risico's die verbonden zijn aan de verschillende activiteiten van beleggingsondernemingen. Daarom dient er voor de specifieke kwetsbare punten en risico's die inherent zijn aan beleggingsondernemingen, een verder antwoord te komen in de vorm van passende en evenredige prudentiële regelingen op Unieniveau.

(2)  Bij de prudentiële regimes zoals die momenteel op grond van Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU bestaan, gaat het steeds grotendeels om het overnemen van internationale reguleringsnormen zoals die voor grote bankengroepen zijn vastgesteld door het Bazels Comité voor bankentoezicht (BCBS) en wordt daarbij slechts gedeeltelijk ingegaan op de specifieke risico's die verbonden zijn aan de verschillende activiteiten van beleggingsondernemingen. Daarom dient er voor de specifieke kwetsbare punten en risico's die inherent zijn aan beleggingsondernemingen, een verder antwoord te komen in de vorm van doeltreffende, passende en evenredige prudentiële regelingen op Unieniveau die in de hele EU een gelijk speelveld helpen creëren, een doeltreffend prudentieel toezicht garanderen, de nalevingskosten onder controle houden en zorgen voor voldoende kapitaal voor de risico's van de meeste beleggingsondernemingen.

Amendement    2

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(3)  Deugdelijke prudentieel toezicht dient ervoor te zorgen dat beleggingsondernemingen ordelijk en in het beste belang van hun cliënten worden beheerd. In die vereisten dient mee te wegen welke mogelijkheden beleggingsondernemingen en hun cliënten hebben om buitensporige risico's aan te gaan, en in welke mate beleggingsondernemingen risico's nemen en inhouden. Ook dient dit prudentieel toezicht in te zetten op het voorkomen van buitensporige regeldruk voor beleggingsondernemingen.

(3)  Deugdelijke prudentieel toezicht dient ervoor te zorgen dat beleggingsondernemingen ordelijk en in het beste belang van hun cliënten worden beheerd. In die vereisten dient mee te wegen welke mogelijkheden beleggingsondernemingen en hun cliënten hebben om buitensporige risico's aan te gaan, en in welke mate beleggingsondernemingen risico's nemen en inhouden. Ook dient dit prudentieel toezicht in te zetten op het voorkomen van onevenredige regeldruk voor beleggingsondernemingen. Tegelijk moeten deze eisen het mogelijk maken een evenwicht te vinden tussen het waarborgen van de veiligheid en soliditeit van de verschillende beleggingsondernemingen en het vermijden van buitensporige kosten die de levensvatbaarheid van hun bedrijfsactiviteit zouden kunnen ondermijnen.

Amendement    3

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(4)  Vele vereisten die voortvloeien uit Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU zijn ontworpen om de meest gangbare risico's aan te pakken waarmee kredietinstellingen doorgaans te maken hebben. Bijgevolg zijn de bestaande vereisten grotendeels opgezet om de kredietverleningsmogelijkheden van kredietinstellingen doorheen conjunctuurcycli veilig te stellen en om depositohouders en belastingbetalers te beschermen tegen eventuele faillissementen. Zij zijn echter niet afgestemd zodanig op de verschillende risicoprofielen van beleggingsondernemingen. Beleggingsondernemingen hebben geen grote portefeuilles particuliere leningen en bedrijfsleningen, noch trekken zij deposito's aan. De kans dat hun faillissement negatief kan uitwerken op de algemene financiële stabiliteit, is kleiner dan bij kredietinstellingen. De risico's die beleggingsondernemingen lopen en inhouden, verschillen dus aanzienlijk van de risico's die kredietinstellingen lopen en inhouden, en dat verschil dient duidelijk tot uiting te komen in het prudentiële raamwerk van de Unie.

(4)  Vele vereisten die voortvloeien uit Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU zijn ontworpen om de meest gangbare risico's aan te pakken waarmee kredietinstellingen doorgaans te maken hebben. Bijgevolg zijn de bestaande vereisten grotendeels opgezet om de kredietverleningsmogelijkheden van kredietinstellingen doorheen conjunctuurcycli veilig te stellen en om depositohouders en belastingbetalers te beschermen tegen eventuele faillissementen. Zij zijn echter niet afgestemd zodanig op de verschillende risicoprofielen van beleggingsondernemingen. Beleggingsondernemingen hebben geen grote portefeuilles particuliere leningen en bedrijfsleningen, noch trekken zij deposito's aan. De kans dat hun faillissement negatief kan uitwerken op de algemene financiële stabiliteit, is kleiner dan bij kredietinstellingen, maar zij houden toch een risico in dat moet worden beheerst door middel van een robuust kader. De risico's die beleggingsondernemingen lopen en inhouden, verschillen dus aanzienlijk van de risico's die kredietinstellingen lopen en inhouden, en dat verschil dient duidelijk tot uiting te komen in het prudentiële raamwerk van de Unie.

Amendement    4

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(5)  Verschillen in de toepassing van het bestaande raamwerk tussen lidstaten zijn een bedreiging voor het gelijke speelveld voor beleggingsondernemingen in de Unie. Die verschillen vloeien voort uit de algemene complexiteit van de toepassing van het raamwerk op verschillende beleggingsondernemingen afhankelijk van de diensten die zij verrichten, waarbij bepaalde nationale autoriteiten die toepassing in hun nationale wetgeving of in de praktijk aanpassen of stroomlijnen. Aangezien het bestaande prudentiële raamwerk niet ingaat op alle risico's die sommige soorten beleggingsondernemingen lopen en inhouden, zijn in sommige lidstaten hoge kapitaalopslagen toegepast voor bepaalde beleggingsondernemingen. Eenvormige voorschriften voor het aanpakken van die risico's dienen te worden vastgesteld om een geharmoniseerd prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen in de hele Unie te verzekeren.

(5)  Verschillen in de toepassing van het bestaande raamwerk tussen lidstaten zijn een bedreiging voor het gelijke speelveld voor beleggingsondernemingen in de Unie en belemmeren de toegang van beleggers tot nieuwe mogelijkheden en betere manieren om hun risico's te beheren. Die verschillen vloeien voort uit de algemene complexiteit van de toepassing van het raamwerk op verschillende beleggingsondernemingen afhankelijk van de diensten die zij verrichten, waarbij bepaalde nationale autoriteiten die toepassing in hun nationale wetgeving of in de praktijk aanpassen of stroomlijnen. Aangezien het bestaande prudentiële raamwerk niet ingaat op alle risico's die sommige soorten beleggingsondernemingen lopen en inhouden, zijn in sommige lidstaten hoge kapitaalopslagen toegepast voor bepaalde beleggingsondernemingen. Eenvormige voorschriften voor het aanpakken van die risico's dienen te worden vastgesteld om een duidelijk, geharmoniseerd prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen in de hele Unie te verzekeren.

Amendement    5

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(7)  In sommige lidstaten zijn de autoriteiten die voor het prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen bevoegd zijn, misschien niet dezelfde als de autoriteiten die met het toezicht op marktgedrag zijn belast. Daarom dient een mechanisme te worden gecreëerd voor de samenwerking en informatie-uitwisseling tussen die autoriteiten.

(7)  In sommige lidstaten zijn de autoriteiten die voor het prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen bevoegd zijn, misschien niet dezelfde als de autoriteiten die met het toezicht op marktgedrag zijn belast. Daarom dient een mechanisme te worden gecreëerd voor de samenwerking en informatie-uitwisseling tussen die autoriteiten, om te zorgen voor een geharmoniseerd prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen in de hele Unie dat snel en efficiënt functioneert.

Amendement    6

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(9)  Het vereiste bedrag aan aanvangskapitaal van een beleggingsonderneming dient te zijn gebaseerd op de diensten en activiteiten welke die beleggingsonderneming gemachtigd is te verrichten, in overeenstemming met Richtlijn 2004/39/EG. De mogelijkheid die Richtlijn 2013/36/EU lidstaten bood om in specifieke omstandigheden het vereiste bedrag aan aanvangskapitaal te verlagen, gecombineerd met de situatie van ongelijkmatige uitvoering van die richtlijn, hebben geleid tot een situatie waarin de vereiste bedragen aan aanvangskapitaal sterk uiteenlopen binnen de Unie. Om aan die fragmentatie een eind te maken, dient het vereiste bedrag aan aanvangskapitaal te worden geharmoniseerd.

(9)  Het vereiste bedrag aan aanvangskapitaal van een beleggingsonderneming dient te zijn gebaseerd op de diensten en activiteiten welke die beleggingsonderneming gemachtigd is te verrichten, in overeenstemming met Richtlijn 2004/39/EG. De mogelijkheid die Richtlijn 2013/36/EU lidstaten bood om in specifieke omstandigheden het vereiste bedrag aan aanvangskapitaal te verlagen, gecombineerd met de situatie van ongelijkmatige uitvoering van die richtlijn, hebben geleid tot een situatie waarin de vereiste bedragen aan aanvangskapitaal sterk uiteenlopen binnen de Unie. Om aan die fragmentatie een eind te maken, dient het vereiste bedrag aan aanvangskapitaal dus te worden geharmoniseerd voor alle beleggingsondernemingen in de Unie.

Amendement    7

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 11

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(11)  De goede werking van de interne markt vereist dat de verantwoordelijkheid voor het toezicht op de financiële soliditeit van een beleggingsonderneming, en met name haar solvabiliteit, bij de bevoegde autoriteit van haar lidstaat van herkomst berust. Om ook voor andere lidstaten waar beleggingsondernemingen diensten verrichten of een bijkantoor hebben, tot een doeltreffend toezicht te komen, dient voor nauwe samenwerking te worden gezorgd met de bevoegde autoriteiten van die lidstaten.

(11)  De goede werking van de interne markt vereist dat de verantwoordelijkheid voor het toezicht op de financiële soliditeit van een beleggingsonderneming, en met name haar solvabiliteit, bij de bevoegde autoriteit van haar lidstaat van herkomst berust. Om ook voor andere lidstaten waar beleggingsondernemingen diensten verrichten of een bijkantoor hebben, tot een doeltreffend toezicht te komen, dient te worden gezorgd voor nauwe samenwerking en uitwisseling van informatie met de bevoegde autoriteiten van die lidstaten.

Amendement    8

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 12

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(12)  Voor informatie- en toezichtdoeleinden, en met name om de stabiliteit van het financiële bestel te verzekeren, dienen bevoegde autoriteiten van lidstaten van ontvangst, per geval, controles ter plaatse te kunnen uitvoeren, de inspecties te kunnen uitvoeren van de activiteiten van bijkantoren van beleggingsondernemingen op hun grondgebied, en dienen zij over de activiteiten van die bijkantoren informatie te kunnen verlangen. Toezichtmaatregelen voor die bijkantoren dienen evenwel de verantwoordelijkheid te blijven van de lidstaat van herkomst.

(12)  Voor informatie- en toezichtdoeleinden, en met name om de stabiliteit en veiligheid van het financiële bestel te verzekeren, dienen bevoegde autoriteiten van lidstaten van ontvangst, per geval, controles ter plaatse te kunnen uitvoeren, de inspecties te kunnen uitvoeren van de activiteiten van bijkantoren van beleggingsondernemingen op hun grondgebied, en dienen zij over de activiteiten van die bijkantoren informatie te kunnen verlangen. Toezichtmaatregelen voor die bijkantoren dienen evenwel de verantwoordelijkheid te blijven van de lidstaat van herkomst.

Amendement    9

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 16

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(16)  Om de inachtneming van de in deze richtlijn en in [Verordening (EU) ---/----[VBO]] bepaalde verplichtingen te verzekeren, dienen lidstaten te voorzien in bestuursrechtelijke sancties en andere bestuursrechtelijke maatregelen die doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Om te garanderen dat bestuursrechtelijke sancties een afschrikkend effect hebben, dienen zij te worden bekendgemaakt, behalve in bepaalde welomschreven omstandigheden. Om cliënten en beleggers in staat te stellen met kennis van zaken een beslissing te nemen met betrekking tot hun beleggingsopties, dienen die cliënten en beleggers toegang te hebben tot informatie over bestuursrechtelijke sancties en andere bestuursrechtelijke maatregelen die beleggingsondernemingen zijn opgelegd.

(16)  Om de inachtneming van de in deze richtlijn en in [Verordening (EU) ---/----[VBO]] bepaalde verplichtingen te verzekeren, dienen lidstaten te voorzien in bestuursrechtelijke sancties en andere bestuursrechtelijke maatregelen die doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Om te garanderen dat bestuursrechtelijke sancties een afschrikkend effect hebben, dienen zij te worden bekendgemaakt. Om cliënten en beleggers in staat te stellen met kennis van zaken een beslissing te nemen met betrekking tot hun beleggingsopties, dienen die cliënten en beleggers toegang te hebben tot informatie over bestuursrechtelijke sancties en andere bestuursrechtelijke maatregelen die beleggingsondernemingen zijn opgelegd.

Amendement    10

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 17

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(17)  Om mogelijke inbreuken op bepalingen van nationaal recht tot omzetting van deze richtlijn en van [Verordening (EU) ---/----[VBO]] te kunnen opsporen, dienen lidstaten over de nodige onderzoeksbevoegdheden te beschikken en dienen zij doeltreffende mechanismen op te zetten om mogelijke of daadwerkelijke inbreuken te melden.

(17)  Om mogelijke inbreuken op bepalingen van nationaal recht tot omzetting van deze richtlijn en van [Verordening (EU) ---/----[VBO]] te kunnen opsporen, dienen lidstaten over de nodige onderzoeksbevoegdheden te beschikken en dienen zij doeltreffende en snelle mechanismen op te zetten om mogelijke of daadwerkelijke inbreuken te melden.

Amendement    11

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 18

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(18)  Beleggingsondernemingen dienen over intern kapitaal te beschikken dat qua omvang, kwaliteit en verdeling toereikend is om de specifieke risico's te dekken waaraan zij blootgesteld zijn of kunnen worden. Bevoegde autoriteiten dienen ervoor te zorgen dat beleggingsondernemingen over afdoende strategieën en processen beschikken om de toereikendheid van hun interne kapitaal te beoordelen en te handhaven.

(18)  Beleggingsondernemingen dienen intern kapitaal ter beschikking te hebben dat qua omvang, kwaliteit en verdeling toereikend is om de specifieke risico's te dekken waaraan zij blootgesteld zijn of kunnen worden. Bevoegde autoriteiten dienen ervoor te zorgen dat beleggingsondernemingen over afdoende strategieën en processen beschikken om de toereikendheid van hun interne kapitaal te beoordelen en te handhaven.

Amendement    12

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 20

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(20)  Om de beloning af te stemmen op het risicoprofiel van beleggingsondernemingen en om een gelijk speelveld te garanderen, dienen voor beleggingsondernemingen duidelijke beginselen te gelden inzake corporate-governanceregelingen en beloningsregels, die rekening houden met de verschillen tussen kredietinstellingen en beleggingsondernemingen. Kleine en niet onderling verbonden beleggingsondernemingen dienen evenwel van die regels te worden vrijgesteld omdat de bepalingen inzake beloning en corporate governance van Richtlijn 2014/65/EU voldoende omvattend zijn voor dergelijke ondernemingen.

(20)  Om de beloning af te stemmen op het risicoprofiel van beleggingsondernemingen en om een gelijk speelveld te garanderen, dienen voor beleggingsondernemingen duidelijke beginselen te gelden inzake corporate-governanceregelingen en beloningsregels, die genderneutraal zijn en rekening houden met de verschillen tussen kredietinstellingen en beleggingsondernemingen. Kleine en niet onderling verbonden beleggingsondernemingen dienen evenwel van die regels te worden vrijgesteld omdat de bepalingen inzake beloning en corporate governance van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad1 bis voldoende omvattend zijn voor dergelijke ondernemingen.

 

______________

 

1 bis Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349).

Amendement    13

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 24

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(24)  In reactie op de toenemende vraag vanuit het publiek naar fiscale transparantie en met het oog op het bevorderen bij beleggingsondernemingen van maatschappelijk verantwoord ondernemen, dient van beleggingsondernemingen te worden verlangd dat zij bepaalde informatie openbaar maken, onder meer informatie over de winst die zij boeken, de belastingen die zij betalen en de overheidssubsidies die zij ontvangen.

(24)  In reactie op de toenemende vraag vanuit het publiek naar fiscale transparantie en met het oog op het bevorderen bij beleggingsondernemingen van maatschappelijk verantwoord ondernemen, dient van beleggingsondernemingen te worden verlangd dat zij bepaalde informatie jaarlijks openbaar maken, onder meer informatie over de winst die zij boeken, de belastingen die zij betalen en de overheidssubsidies die zij ontvangen.

Amendement    14

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  De lidstaten wijzen één of meer bevoegde autoriteiten aan die de in deze richtlijn omschreven functies en taken vervullen. De lidstaten stellen de Commissie en de EBA in kennis van die aanwijzing en, ingeval er meer dan één bevoegde autoriteit is, van de functies en taken van elke bevoegde autoriteit.

1.  De lidstaten wijzen één of meer bevoegde autoriteiten aan die de in deze richtlijn omschreven functies en taken vervullen. De lidstaten stellen de Commissie, de EBA en de ESMA in kennis van die aanwijzing en, ingeval er meer dan één bevoegde autoriteit is, van de functies en taken van elke bevoegde autoriteit.

Amendement    15

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 6 – alinea 2 – letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(a)  de bevoegde autoriteiten, als partijen bij het ESFS, met vertrouwen en met het volste wederzijdse respect samenwerken, met name om te zorgen voor een passende en betrouwbare informatiestroom tussen hen en de andere partijen bij het ESFS;

(a)  de bevoegde autoriteiten, als partijen bij het ESFS, met vertrouwen en met het volste wederzijdse respect samenwerken, met name om te zorgen voor een passende, betrouwbare en volledige informatiestroom tussen hen en de andere partijen bij het ESFS;

Amendement    16

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 6 – alinea 2 – letter c

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(c)  de bevoegde autoriteiten zich tot het uiterste inspannen om te voldoen aan de richtsnoeren en aanbevelingen die door de EBA zijn afgegeven overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad38, en gehoor te geven aan de waarschuwingen en aanbevelingen die door het Europees Comité voor systeemrisico's (ESRB) zijn afgegeven overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad39;

(c)  de bevoegde autoriteiten zich tot het uiterste inspannen om ervoor te zorgen dat de richtsnoeren en aanbevelingen die door de EBA zijn afgegeven overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad38, worden nageleefd, en om gehoor te geven aan de waarschuwingen en aanbevelingen die door het Europees Comité voor systeemrisico's (ESRB) zijn afgegeven overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad39;

__________________

__________________

38 Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).

38 Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).

39 Verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende macroprudentieel toezicht van de Europese Unie op het financiële stelsel en tot oprichting van een Europees Comité voor systeemrisico's (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 1).

39 Verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende macroprudentieel toezicht van de Europese Unie op het financiële stelsel en tot oprichting van een Europees Comité voor systeemrisico's (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 1).

Amendement    17

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 8 – lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.  De Commissie actualiseert door middel van uitvoeringshandelingen het in de leden 1 tot met 3 genoemde bedrag van het aanvangskapitaal om rekening te houden met ontwikkelingen op economisch en monetair gebied. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 56, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

4.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 54 gedelegeerde handelingen vast te stellen om het in de leden 1 tot met 3 genoemde bedrag van het aanvangskapitaal te actualiseren om rekening te houden met ontwikkelingen op economisch en monetair gebied.

Amendement    18

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 11 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst onmiddellijk in kennis van alle informatie en bevindingen over mogelijke problemen en risico's die een beleggingsonderneming vormt voor de bescherming van de cliënten of de stabiliteit van het financiële stelsel in de lidstaat van ontvangst die zij hebben vastgesteld bij het toezicht op de activiteiten van die beleggingsonderneming.

2.  De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst onmiddellijk in kennis van alle informatie en bevindingen over mogelijke problemen en risico's die een beleggingsonderneming vormt voor de bescherming van de cliënten of de stabiliteit of veiligheid van het financiële stelsel in de lidstaat van ontvangst die zij hebben vastgesteld bij het toezicht op de activiteiten van die beleggingsonderneming.

Amendement    19

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 11 – lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.  Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst na de mededeling van de in lid 2 bedoelde informatie en bevindingen van oordeel zijn dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst niet de in lid 3 bedoelde nodige maatregelen hebben genomen, kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de EBA daarvan in kennis te hebben gesteld, passende maatregelen nemen om de cliënten te beschermen voor wie diensten worden verricht, en om de stabiliteit van het financiële stelsel te beschermen.

4.  Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst na de mededeling van de in lid 2 bedoelde informatie en bevindingen van oordeel zijn dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst niet de in lid 3 bedoelde nodige maatregelen hebben genomen, kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de EBA daarvan onverwijld in kennis te hebben gesteld, passende maatregelen nemen om de cliënten te beschermen voor wie diensten worden verricht, en om de stabiliteit en veiligheid van het financiële stelsel te beschermen.

Amendement    20

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 11 – lid 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

5.  De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst die het niet eens zijn met de maatregelen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst, kunnen de kwestie voorleggen aan de EBA, die handelt volgens de in artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 vastgelegde procedure. Indien de EBA overeenkomstig dat artikel handelt, stelt zij binnen een termijn van één maand een besluit vast.

5.  De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst die het niet eens zijn met de maatregelen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst, kunnen de kwestie voorleggen aan de EBA, die handelt volgens de in artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 vastgelegde procedure. Indien de EBA overeenkomstig dat artikel handelt, stelt zij zo spoedig mogelijk en uiterlijk na één maand een besluit vast.

Amendement    21

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 11 – lid 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

8.  De EBA dient de in de leden 6 en 7 bedoelde ontwerpen van technische normen uiterlijk [negen maanden vanaf de inwerkingtreding van deze richtlijn] bij de Commissie in.

8.  De EBA dient de in de leden 6 en 7 bedoelde ontwerpen van technische normen uiterlijk [zes maanden vanaf de inwerkingtreding van deze richtlijn] bij de Commissie in.

Amendement    22

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 12 – lid 2 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Voor toezichtdoeleinden en indien zij dit om redenen van stabiliteit van het financiële stelsel in de lidstaat van ontvangst van belang achten, hebben de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst de bevoegdheid om, per geval, de activiteiten van bijkantoren van beleggingsondernemingen op hun grondgebied ter plaatse te controleren en er inspecties uit te voeren, en om van een bijkantoor informatie over zijn activiteiten te verlangen.

Voor toezichtdoeleinden en indien zij dit om redenen van stabiliteit of veiligheid van het financiële stelsel in de lidstaat van ontvangst van belang achten, hebben de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst de bevoegdheid om, per geval, de activiteiten van bijkantoren van beleggingsondernemingen op hun grondgebied ter plaatse te controleren en er inspecties uit te voeren, en om van een bijkantoor informatie over zijn activiteiten te verlangen.

Amendement    23

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 12 – lid 2 – alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Voordat die controles en inspecties worden uitgevoerd, raadplegen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst.

Voordat die controles en inspecties worden uitgevoerd, raadplegen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst onverwijld de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst.

Amendement    24

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 12 – lid 2 – alinea 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Na afronding van die controles en inspecties stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst in kennis van de informatie die van belang is voor de risicobeoordeling van de betrokken beleggingsonderneming.

Zo spoedig mogelijk na de afronding van die controles en inspecties stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst in kennis van de informatie die van belang is voor de risicobeoordeling van de betrokken beleggingsonderneming.

Amendement    25

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 13 – lid 1 – alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De vertrouwelijke informatie waarvan deze autoriteiten en personen beroepshalve kennis krijgen, mag uitsluitend in samengevatte of geaggregeerde vorm openbaar worden gemaakt, mits individuele beleggingsondernemingen of personen niet kunnen worden geïdentificeerd, onverminderd de gevallen die onder het strafrecht vallen.

De vertrouwelijke informatie waarvan deze autoriteiten en personen beroepshalve kennis krijgen, mag in samengevatte of geaggregeerde vorm openbaar worden gemaakt, mits individuele beleggingsondernemingen of personen niet kunnen worden geïdentificeerd, onverminderd de gevallen die onder het strafrecht vallen.

Amendement    26

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 13 – lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.  De bevoegde autoriteiten kunnen vertrouwelijke informatie uitwisselen voor de toepassing van lid 2, kunnen uitdrukkelijk verklaren hoe de informatie moet worden behandeld en kunnen uitdrukkelijk verdere doorgifte van die informatie beperken.

4.  De bevoegde autoriteiten kunnen vertrouwelijke informatie uitwisselen voor de toepassing van lid 2 en kunnen uitdrukkelijk verklaren hoe de informatie moet worden behandeld.

Amendement    27

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 15 – alinea 1 – inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten bepalen dat alle personen die overeenkomstig Richtlijn 2006/43/EG40 zijn toegelaten en die bij een beleggingsonderneming de in artikel 73 van Richtlijn 2009/65/EG41 of artikel 34 van Richtlijn 2013/34/EU beschreven taken verrichten, dan wel een andere wettelijke taak, de verplichting hebben terstond aan de bevoegde autoriteiten melding te doen van elk feit of besluit met betrekking tot die beleggingsonderneming, of met betrekking tot een onderneming die met die beleggingsonderneming nauwe banden heeft, en dat:

De lidstaten bepalen dat alle personen die overeenkomstig Richtlijn 2006/43/EG40 zijn toegelaten en die bij een beleggingsonderneming de in artikel 73 van Richtlijn 2009/65/EG41 of artikel 34 van Richtlijn 2013/34/EU beschreven taken verrichten, dan wel een andere wettelijke taak, de verplichting hebben zo spoedig mogelijk aan de bevoegde autoriteiten melding te doen van elk feit of besluit met betrekking tot die beleggingsonderneming, of met betrekking tot een onderneming die met die beleggingsonderneming nauwe banden heeft, en dat:

__________________

__________________

40 Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen en tot wijziging van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad (PB L 157 van 9.6.2006, blz. 87).

40 Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen en tot wijziging van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad (PB L 157 van 9.6.2006, blz. 87).

41 Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32).

41 Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32).

Amendement    28

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 16 – lid 2 – alinea 1 – letter d

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(d)  indien het een rechtspersoon betreft, administratieve geldboeten die oplopen tot 10 % van de totale nettojaaromzet, met inbegrip van de bruto-inkomsten bestaande uit ontvangen rentebaten en soortgelijke baten, inkomsten uit aandelen en andere niet-vastrentende/vastrentende waardepapieren, en ontvangen provisies of vergoedingen van de onderneming in het voorgaande boekjaar;

(d)  indien het een rechtspersoon betreft, administratieve geldboeten die oplopen tot 15 % van de totale nettojaaromzet, met inbegrip van de bruto-inkomsten bestaande uit ontvangen rentebaten en soortgelijke baten, inkomsten uit aandelen en andere niet-vastrentende/vastrentende waardepapieren, en ontvangen provisies of vergoedingen van de onderneming in het voorgaande boekjaar;

Amendement    29

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 17 – alinea 1 – letter b – punt iv

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

iv)  alle andere personen te horen die daarin toestemmen, om informatie over het onderwerp van een onderzoek te verzamelen;

iv)  alle andere relevante personen te horen, om informatie over het onderwerp van een onderzoek te verzamelen;

Amendement    30

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 18

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 18

Artikel 18

Bekendmaking van administratieve sancties en maatregelen

Bekendmaking van administratieve sancties en maatregelen

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten zonder onnodige vertraging op hun officiële website alle overeenkomstig artikel 16 opgelegde administratieve sancties en geldboeten waartegen geen beroep is ingesteld of niet langer beroep kan worden ingesteld, bekendmaken. Die bekendmaking omvat informatie over het soort en de aard van de inbreuk en de identiteit van de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de sanctie is opgelegd of tegen wie de maatregel is genomen. De informatie wordt pas bekendgemaakt nadat die persoon van die sancties en maatregelen in kennis is gesteld en voor zover de bekendmaking noodzakelijk en evenredig is.

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten zonder onnodige vertraging op hun officiële website alle overeenkomstig artikel 16 opgelegde administratieve sancties en geldboeten waartegen geen beroep is ingesteld of niet langer beroep kan worden ingesteld, bekendmaken. Die bekendmaking omvat informatie over het soort en de aard van de inbreuk en de identiteit van de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de sanctie is opgelegd of tegen wie de maatregel is genomen. De informatie wordt pas bekendgemaakt nadat die persoon van die sancties en maatregelen in kennis is gesteld en voor zover de bekendmaking noodzakelijk en evenredig is. De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat dezelfde informatie wordt gepubliceerd op de officiële website van de beleggingsonderneming in kwestie.

2.  Wanneer de bekendmaking van overeenkomstig artikel 16 opgelegde administratieve sancties of maatregelen waartegen beroep is ingesteld, door de lidstaten is toegestaan, maken de bevoegde autoriteiten op hun officiële website ook informatie bekend over de stand van zaken en over het resultaat van het beroep.

2.  Wanneer de bekendmaking van overeenkomstig artikel 16 opgelegde administratieve sancties of maatregelen waartegen beroep is ingesteld, door de lidstaten is toegestaan, maken de bevoegde autoriteiten op hun officiële website ook informatie bekend over de stand van zaken en over het resultaat van het beroep. De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat dezelfde informatie wordt gepubliceerd op de officiële website van de beleggingsonderneming in kwestie.

3.  De bevoegde autoriteiten maken de overeenkomstig artikel 16 opgelegde administratieve sancties of maatregelen zonder vermelding van namen bekend in de volgende gevallen:

3.  De bevoegde autoriteiten maken de overeenkomstig artikel 16 opgelegde administratieve sancties of maatregelen zonder vermelding van namen bekend in de volgende gevallen:

(a) de sanctie is opgelegd aan een natuurlijke persoon en de bekendmaking van de persoonsgegevens van die persoon wordt onevenredig geacht;

(a) de sanctie is opgelegd aan een natuurlijke persoon en de bekendmaking van de persoonsgegevens van die persoon wordt onevenredig geacht;

(b) de bekendmaking zou een lopend strafrechtelijk onderzoek ondermijnen of de stabiliteit van de financiële markten in gevaar brengen;

(b) de bekendmaking zou een lopend strafrechtelijk onderzoek ondermijnen of de stabiliteit van de financiële markten in gevaar brengen;

(c) de bekendmaking zou onevenredige schade berokkenen aan de betrokken beleggingsondernemingen of natuurlijke personen of rechtspersonen.

(c) de bekendmaking zou onevenredige schade berokkenen aan de betrokken beleggingsondernemingen of natuurlijke personen of rechtspersonen.

4.   De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat uit hoofde van dit artikel bekendgemaakte informatie gedurende ten minste vijf jaar op hun officiële website blijft staan. Persoonsgegevens mogen alleen worden bewaard op de officiële website van de bevoegde autoriteit wanneer dat toegestaan is op grond van de toepasselijke regels inzake gegevensbescherming.

4.   De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat uit hoofde van dit artikel bekendgemaakte informatie gedurende ten minste vijf jaar op hun officiële website blijft staan. Persoonsgegevens mogen alleen worden bewaard op de officiële website van de bevoegde autoriteit wanneer dat toegestaan is op grond van de toepasselijke regels inzake gegevensbescherming.

Amendement    31

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 19 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De bevoegde autoriteiten stellen de EBA in kennis van de overeenkomstig artikel 16 opgelegde administratieve sancties en maatregelen, van alle beroepen tegen die sancties en maatregelen en van het resultaat daarvan. De EBA houdt, alleen voor de uitwisseling van informatie tussen bevoegde autoriteiten, een centrale databank bij van de aan haar meegedeelde administratieve sancties en maatregelen. Die databank is uitsluitend voor bevoegde autoriteiten toegankelijk en wordt regelmatig bijgewerkt.

De bevoegde autoriteiten stellen de EBA in kennis van de overeenkomstig artikel 16 opgelegde administratieve sancties en maatregelen, van alle beroepen tegen die sancties en maatregelen en van het resultaat daarvan. De EBA houdt, alleen voor de uitwisseling van informatie tussen bevoegde autoriteiten, een centrale databank bij van de aan haar meegedeelde administratieve sancties en maatregelen. Die databank is voor bevoegde autoriteiten en de ESMA toegankelijk en wordt regelmatig bijgewerkt, ten minste elk kwartaal.

Amendement    32

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 23 – lid 4 – alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten zorgen ervoor dat de beleggingsondernemingen die onder de toepassing van deze afdeling vallen, de voorschriften daarvan uitvoeren in hun dochterondernemingen die financiële ondernemingen zijn zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 13, van [Verordening (EU) ---/----[VBO], waaronder in derde landen gevestigde dochterondernemingen, tenzij de moederonderneming in de Unie tegenover de bevoegde autoriteiten kan aantonen dat de toepassing van deze afdeling onrechtmatig is volgens de wetten van het derde land waar deze dochterondernemingen zijn gevestigd.

De lidstaten zorgen ervoor dat de beleggingsondernemingen die onder de toepassing van deze afdeling vallen, de voorschriften daarvan uitvoeren in hun dochterondernemingen die financiële ondernemingen zijn zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 13, van [Verordening (EU) ---/----[VBO], waaronder in derde landen gevestigde dochterondernemingen, tenzij de moederonderneming in de Unie tegenover de bevoegde autoriteiten aantoont dat de toepassing van deze afdeling onrechtmatig is volgens de wetten van het derde land waar deze dochterondernemingen zijn gevestigd.

Amendement    33

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 28 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat beleggingsondernemingen de in lid 1 bedoelde beginselen op een zodanige wijze toepassen dat deze passen bij de omvang en de interne organisatie ervan en bij de aard, de reikwijdte en de complexiteit van hun activiteiten.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat beleggingsondernemingen de in lid 1 bedoelde beginselen toepassen op een wijze die evenredig is en past bij de omvang en de interne organisatie ervan en bij de aard, de reikwijdte en de complexiteit van hun activiteiten.

Amendement    34

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 29 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer een beleggingsonderneming buitengewone openbare financiële steun als bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 28, van Richtlijn 2014/59/EU geniet, de volgende vereisten van toepassing zijn:

De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer een beleggingsonderneming buitengewone openbare financiële steun als bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 28, van Richtlijn 2014/59/EU geniet, er geen variabele beloningen worden betaald.

(a)  indien variabele beloning niet zou stroken met de handhaving van een solide kapitaalbasis van een beleggingsonderneming en een tijdige beëindiging van de buitengewone openbare financiële steun, is de variabele beloning van alle personeelsleden beperkt tot een percentage van de nettowinsten;

 

(b)  de beleggingsondernemingen begrenzen de beloning van de leden van het leidinggevend orgaan van de onderneming;

 

(c)  de beleggingsonderneming betaalt alleen variabele beloning aan leden van het leidinggevend orgaan van de beleggingsonderneming indien deze beloning door de bevoegde autoriteiten is goedgekeurd.

 

Amendement    35

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 30 – lid 1 – letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(a)  indien de variabele beloning prestatiegerelateerd is, is het totale bedrag van de beloning gebaseerd op een combinatie van de beoordeling van de prestaties van de betrokken persoon, de betrokken bedrijfseenheid en de totale resultaten van de beleggingsonderneming;

(a)  indien de variabele beloning prestatiegerelateerd is, is het totale bedrag van de beloning gebaseerd op een combinatie van de beoordeling van de prestaties van de betrokken persoon, ongeacht diens geslacht, de betrokken bedrijfseenheid en de totale resultaten van de beleggingsonderneming;

Amendement    36

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 30 – lid 1 – letter j – inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(j)  ten minste 50 % van de variabele beloning bestaat uit de volgende instrumenten:

(j)  ten minste 60 % van de variabele beloning bestaat uit de volgende instrumenten:

Amendement    37

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 30 – lid 1 – letter j bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(j bis)  in afwijking van letter j) kunnen de nationale bevoegde autoriteiten, indien een beleggingsonderneming geen van deze instrumenten uitgeeft, toestemming geven voor het gebruik van alternatieve regelingen waarmee hetzelfde doel wordt bereikt;

Amendement    38

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 30 – lid 1 – letter k

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(k)  ten minste 40 % van de variabele beloning wordt uitgesteld over een periode van drie tot vijf jaar indien nodig, naargelang van de bedrijfscyclus van de beleggingsonderneming, de aard van haar bedrijfsactiviteiten, de risico's daarvan en de activiteiten van de betrokken persoon, tenzij in geval van een variabele beloning met een bijzonder hoog bedrag waarin het gedeelte van de uitgestelde variabele beloning ten minste 60 % beloopt;

(k)  ten minste 50 % van de variabele beloning wordt uitgesteld over een periode van drie tot vijf jaar indien nodig, naargelang van de bedrijfscyclus van de beleggingsonderneming, de aard van haar bedrijfsactiviteiten, de risico's daarvan en de activiteiten van de betrokken persoon, tenzij in geval van een variabele beloning met een bijzonder hoog bedrag waarin het gedeelte van de uitgestelde variabele beloning ten minste 70 % beloopt;

Amendement    39

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 30 – lid 1 – letter l – inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(l)  tot 100 % van de variabele beloning wordt verlaagd wanneer de beleggingsonderneming geringere of negatieve financiële prestaties levert, onder meer door middel van malus- of terugvorderingsregelingen volgens door de beleggingsonderneming vastgestelde criteria die met name gelden voor situaties waarin de betrokken persoon:

(l)  100 % van de variabele beloning wordt verlaagd wanneer de beleggingsonderneming geringere of negatieve financiële prestaties levert, onder meer door middel van malus- of terugvorderingsregelingen volgens door de beleggingsonderneming vastgestelde criteria die met name gelden voor situaties waarin de betrokken persoon:

Amendement    40

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 30 – lid 4 – alinea 1 – letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(a)  een beleggingsonderneming waarvan de waarde van de activa gemiddeld 100 miljoen EUR of minder bedraagt over de periode van vier jaar die onmiddellijk voorafgaat aan het betrokken boekjaar;

(a)  een beleggingsonderneming waarvan de waarde van de activa gemiddeld 50 miljoen EUR of minder bedraagt over de periode van vier jaar die onmiddellijk voorafgaat aan het betrokken boekjaar;

Amendement    41

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 31 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten over de nodige bevoegdheden beschikken om te verzekeren dat beleggingsondernemingen die als significant zijn aangewezen in overeenstemming met artikel 26, lid 4, een beloningscommissie instellen. Deze beloningscommissie verstrekt een kundig en onafhankelijk oordeel over het beloningsbeleid en de beloningspraktijken en de prikkels die daarvan uitgaan voor het beheer van risico, kapitaal en liquiditeit.

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten over de nodige bevoegdheden beschikken om te verzekeren dat beleggingsondernemingen die niet voldoen aan de criteria in artikel 30, lid 4, eerste alinea, onder a), een beloningscommissie instellen. Deze beloningscommissie verstrekt een kundig en onafhankelijk oordeel over het beloningsbeleid en de beloningspraktijken en de prikkels die daarvan uitgaan voor het beheer van risico, kapitaal en liquiditeit. Binnen een groep kan een beloningscommissie ook een beloningscommissie voor de hele groep zijn.

Motivering

Met dit amendement wordt beoogd het kader te vereenvoudigen: indien dit amendement wordt aanvaard, is er slechts één mogelijke onderverdeling van klasse 2 (drempel van een balans van 100 miljoen EUR). Voorts moet het de speelruimte voor nationale autoriteiten beperken en daardoor een gelijk speelveld en juridische zekerheid bieden.

Amendement    42

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 31 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten over de nodige bevoegdheden beschikken om te verzekeren dat de beloningscommissie wordt belast met de voorbereiding van beslissingen inzake beloning, inclusief beslissingen die gevolgen hebben voor de risico's en het risicobeheer van de betrokken beleggingsonderneming en die door het leidinggevend orgaan moeten worden genomen. De voorzitter en de leden van de beloningscommissie zijn leden van het leidinggevend orgaan die geen enkele uitvoerende functie in de betrokken beleggingsonderneming bekleden. Wanneer de nationale wetgeving in werknemersvertegenwoordiging in het leidinggevend orgaan voorziet, maken een of meer vertegenwoordigers van de werknemers deel uit van de beloningscommissie.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten over de nodige bevoegdheden beschikken om te verzekeren dat de beloningscommissie wordt belast met de voorbereiding van beslissingen inzake beloning, inclusief beslissingen die gevolgen hebben voor de risico's en het risicobeheer van de betrokken beleggingsonderneming en die door het leidinggevend orgaan moeten worden genomen. De voorzitter en de leden van de beloningscommissie zijn leden van het leidinggevend orgaan die geen enkele uitvoerende functie in de betrokken beleggingsonderneming bekleden. Wanneer de nationale wetgeving in werknemersvertegenwoordiging in het leidinggevend orgaan voorziet, maken een of meer vertegenwoordigers van de werknemers deel uit van de beloningscommissie. Beleggingsondernemingen streven in hun beloningscommissie naar een genderevenwicht.

Amendement    43

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 32 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten de overeenkomstig de punten c), d) en f) van artikel 51 van [Verordening (EU) ---/---- [VBO] openbaargemaakte informatie vergaren en die informatie gebruiken voor het benchmarken van ontwikkelingen en praktijken op het gebied van beloning. De bevoegde autoriteiten verstrekken deze informatie aan de EBA.

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten de overeenkomstig de punten a), b), b bis), c), d) en f) van artikel 51 van [Verordening (EU) ---/---- [VBO]] openbaargemaakte informatie vergaren en die informatie gebruiken voor het benchmarken van ontwikkelingen en praktijken op het gebied van beloning. De bevoegde autoriteiten verstrekken deze informatie aan de EBA en de ESMA. De EBA publiceert een jaarverslag over deze ontwikkelingen en praktijken.

Amendement    44

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 32 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.  De EBA geeft, in overleg met de ESMA, richtsnoeren af betreffende de toepassing van degelijk beloningsbeleid. In die richtsnoeren worden ten minste de vereisten van de artikelen 28 tot en met 31 en de in Aanbeveling 2009/384/EG43 van de Commissie neergelegde beginselen van degelijk beloningsbeleid in acht genomen.

3.  De EBA geeft, in overleg met de ESMA, richtsnoeren af betreffende de toepassing van degelijk en genderneutraal beloningsbeleid. In die richtsnoeren worden ten minste de vereisten van de artikelen 28 tot en met 31 en de in Aanbeveling 2009/384/EG43 van de Commissie neergelegde beginselen van degelijk beloningsbeleid in acht genomen.

_________________

_________________

43 Aanbeveling 2009/384/EG van 30 april 2009 van de Commissie over het beloningsbeleid in de financiële sector (PB L 120 van 15.5.2009, blz. 22).

43 Aanbeveling 2009/384/EG van 30 april 2009 van de Commissie over het beloningsbeleid in de financiële sector (PB L 120 van 15.5.2009, blz. 22).

Amendement    45

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 32 – lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat beleggingsondernemingen de bevoegde autoriteiten op verzoek informatie verstrekken over het aantal natuurlijke personen per beleggingsonderneming die een beloning van 1 miljoen EUR of meer per boekjaar, in beloningstranches van 1 miljoen EUR, genieten, met inbegrip van informatie over hun taakomschrijving, de betrokken bedrijfssector en de voornaamste elementen van salaris, bonussen, vergoedingen op lange termijn en pensioenbijdragen. De bevoegde autoriteiten zenden deze informatie aan de EBA, die deze bekend maakt in een gemeenschappelijke rapportageformaat op een naar lidstaat van herkomst geaggregeerde grondslag. De EBA kan, in overleg met de ESMA, richtsnoeren opstellen om de toepassing van dit lid te vergemakkelijken en de consistentie van de vergaarde informatie te verzekeren.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat beleggingsondernemingen de bevoegde autoriteiten op verzoek informatie verstrekken over het aantal natuurlijke personen per beleggingsonderneming die een beloning van 500 000 EUR of meer per boekjaar, in beloningstranches van 500 000 EUR, genieten, met inbegrip van informatie over hun taakomschrijving, de betrokken bedrijfssector en het salaris, de bonussen, de vergoedingen op lange termijn en de pensioenbijdragen. De bevoegde autoriteiten zenden deze informatie aan de EBA, die deze bekend maakt in een gemeenschappelijke rapportageformaat op een naar lidstaat van herkomst/lidstaat van ontvangst uitgesplitste grondslag. De EBA stelt, in overleg met de ESMA, richtsnoeren op om de toepassing van dit lid te vergemakkelijken en de consistentie van de vergaarde informatie te verzekeren.

Amendement    46

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 33 – lid 1 – letter f bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(f bis)  de inclusieve inachtneming van risico's die verband houden met milieu-, sociale en governancefactoren in de risicobeperkende regelingen van de beleggingsondernemingen.

Amendement    47

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 36 – lid 2 – alinea 1 – letter g

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(g)  zij kunnen eisen dat beleggingsondernemingen de variabele beloning beperken tot een bepaald percentage van hun netto-inkomsten indien deze beloning niet verenigbaar is met de instandhouding van een solide kapitaalbasis;

(g)  zij kunnen eisen dat beleggingsondernemingen de variabele beloning opschorten indien deze beloning niet verenigbaar is met de instandhouding van een solide kapitaalbasis;

Amendement    48

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 36 – lid 2 – alinea 1 – letter l bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(l bis)  zij kunnen eisen dat beleggingsondernemingen het risico voor de beveiliging van hun netwerk- en informatiesystemen verminderen om de vertrouwelijkheid, integriteit en beschikbaarheid van de processen en gegevens te waarborgen;

Amendement    49

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 37 – lid 1 – letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(a)  de beleggingsonderneming is blootgesteld aan risico's of aspecten van risico's die niet of niet voldoende worden gedekt door het kapitaalvereiste als bepaald in deel drie van [Verordening (EU) ---/----[VBO]];

(a)  de beleggingsonderneming is blootgesteld aan risico's of aspecten van risico's die niet of niet voldoende worden gedekt door het kapitaalvereiste als bepaald in deel drie van [Verordening (EU) ---/----[VBO]], waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met risico's die verband houden met milieu, sociale en governancefactoren;

Amendement    50

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 43 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Indien zich een noodsituatie voordoet, met inbegrip van een situatie als omschreven in artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 of van ongunstige ontwikkelingen op de markten, die de liquiditeit van de markt en de stabiliteit van het financiële stelsel mogelijk in gevaar brengen in lidstaten waar entiteiten van een groep beleggingsondernemingen een vergunning hebben gekregen, stelt de overeenkomstig artikel 42 bepaalde groepstoezichthouder overeenkomstig afdeling 2, van hoofdstuk 1 van deze titel, zo spoedig mogelijk de EBA, het ESRB en andere relevante bevoegde autoriteiten op de hoogte en deelt hij alle informatie mee die noodzakelijk is voor de uitvoering van hun taken.

Indien zich een noodsituatie voordoet, met inbegrip van een situatie als omschreven in artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 of van ongunstige ontwikkelingen op de markten, die de liquiditeit van de markt en de stabiliteit of veiligheid van het financiële stelsel mogelijk in gevaar brengen in lidstaten waar entiteiten van een groep beleggingsondernemingen een vergunning hebben gekregen, stelt de overeenkomstig artikel 42 bepaalde groepstoezichthouder overeenkomstig afdeling 2, van hoofdstuk 1 van deze titel, zo spoedig mogelijk de EBA, het ESRB en andere relevante bevoegde autoriteiten op de hoogte en deelt hij alle informatie mee die noodzakelijk is voor de uitvoering van hun taken.

Amendement    51

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 54

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 54

Artikel 54

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel opgenomen voorwaarden.

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel opgenomen voorwaarden.

2.  De bevoegdheid om de in artikel 3, lid 2, artikel 27, lid 3, en artikel 33, lid 6, bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt met ingang van [datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] voor onbepaalde tijd aan de Commissie verleend.

2.  De bevoegdheid om de in artikel 3, lid 2, artikel 8, lid 4, artikel 27, lid 3, en artikel 33, lid 6, bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt voor een termijn vijf jaar met ingang van [datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] aan de Commissie verleend.

3.  De in artikel 3, lid 2, artikel 27, lid 3, en artikel 33, lid 6, bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

3.  De in artikel 3, lid 2, artikel 8, lid 4, artikel 27, lid 3, en artikel 33, lid 6, bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, stelt zij het Europees Parlement en de Raad gelijktijdig daarvan in kennis.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, stelt zij het Europees Parlement en de Raad gelijktijdig daarvan in kennis.

6.  Een overeenkomstig artikel 3, lid 2, artikel 27, lid 3, en artikel 33, lid 6, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van [twee maanden] na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met [twee maanden] verlengd.

6.  Een overeenkomstig artikel 3, lid 2, artikel 8, lid 4, artikel 27, lid 3, en artikel 33, lid 6, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van [twee maanden] na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met [twee maanden] verlengd.

Amendement    52

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 58 bis (nieuw)

Richtlijn 2014/59/EU

Artikel 2 – lid 1 – punt 3

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 58 bis

 

Wijziging van Richtlijn 2014/59/EU

 

Richtlijn 2014/59/EU wordt als volgt gewijzigd:

 

in artikel 2, lid 1, wordt punt 3 vervangen door: 

 

"3. 'beleggingsonderneming': een beleggingsonderneming als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 die onderworpen is aan het aanvangskapitaalvereiste als opgenomen in artikel 8, lid 1, van [Richtlijn (EU) ---/---- [RBO]];". 

Motivering

Dit amendement is noodzakelijk om de verwijzing te wijzigen die wordt gebruikt in de richtlijn herstel en afwikkeling van banken, om het toepassingsgebied te definiëren van de ondernemingen waarvoor de richtlijn geldt, omdat de verwijzing naar de RKV, die momenteel wordt gebruikt, door de RBO zal worden geschrapt.

Amendement    53

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 60 – alinea 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Uiterlijk [vijf jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] en daarna om de drie jaar dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn en de effecten ervan.

PROCEDURE VAN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Titel

Prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen

Document- en procedurenummers

COM(2017)0791 – C8-0452/2017 – 2017/0358(COD)

Bevoegde commissie

       Datum bekendmaking

ECON

18.1.2018

 

 

 

Advies uitgebracht door

       Datum bekendmaking

JURI

18.1.2018

Rapporteur voor advies

       Datum benoeming

Kostas Chrysogonos

24.1.2018

Behandeling in de commissie

15.5.2018

 

 

 

Datum goedkeuring

10.7.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

18

1

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Max Andersson, Joëlle Bergeron, Marie-Christine Boutonnet, Jean-Marie Cavada, Kostas Chrysogonos, Rosa Estaràs Ferragut, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Gilles Lebreton, António Marinho e Pinto, Emil Radev, Pavel Svoboda, Axel Voss, Francis Zammit Dimech, Tadeusz Zwiefka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Pascal Durand, Angel Dzhambazki, Evelyne Gebhardt, Răzvan Popa

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

18

+

ALDE

EFDD

ENF

GUE/NGL

PPE

S&D

VERTS/ALE

Jean-Marie Cavada, António Marinho e Pinto

Joëlle Bergeron

Marie-Christine Boutonnet, Gilles Lebreton

Kostas Chrysogonos

Rosa Estaràs Ferragut, Emil Radev, Pavel Svoboda, Axel Voss, Francis Zammit Dimech, Tadeusz Zwiefka

Evelyne Gebhardt, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Razvan Popa

Max Andersson, Pascal Durand

1

-

ECR

Angel Dzhambazki

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Titel

Prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen

Document- en procedurenummers

COM(2017)0791 – C8-0452/2017 – 2017/0358(COD)

Datum indiening bij EP

20.12.2017

 

 

 

Bevoegde commissie

       Datum bekendmaking

ECON

18.1.2018

 

 

 

Medeadviserende commissies

       Datum bekendmaking

DEVE

18.1.2018

ITRE

18.1.2018

JURI

18.1.2018

 

Geen advies

       Datum besluit

DEVE

31.1.2018

ITRE

23.1.2018

 

 

Rapporteurs

       Datum benoeming

Markus Ferber

23.1.2018

 

 

 

Behandeling in de commissie

16.5.2018

19.6.2018

 

 

Datum goedkeuring

24.9.2018

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

35

9

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Pervenche Berès, Markus Ferber, Jonás Fernández, Giuseppe Ferrandino, Sven Giegold, Roberto Gualtieri, Brian Hayes, Gunnar Hökmark, Barbara Kappel, Philippe Lamberts, Werner Langen, Sander Loones, Bernd Lucke, Olle Ludvigsson, Ivana Maletić, Marisa Matias, Gabriel Mato, Bernard Monot, Luděk Niedermayer, Stanisław Ożóg, Anne Sander, Martin Schirdewan, Molly Scott Cato, Pedro Silva Pereira, Ernest Urtasun, Marco Valli, Tom Vandenkendelaere, Miguel Viegas, Steven Woolfe, Marco Zanni, Esther de Lange

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Doru-Claudian Frunzulică, Ramón Jáuregui Atondo, Rina Ronja Kari, Jeppe Kofod, Marcus Pretzell, Romana Tomc, Lieve Wierinck, Roberts Zīle, Sophia in ‘t Veld

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Jo Leinen, Julia Pitera, Virginie Rozière, Sabine Verheyen

Datum indiening

27.9.2018


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE BEVOEGDE COMMISSIE

35

+

ALDE

Lieve Wierinck, Sophia in 't Veld

ECR

Sander Loones, Bernd Lucke, Stanisław Ożóg, Roberts Zīle

ENF

Barbara Kappel

PPE

Markus Ferber, Brian Hayes, Gunnar Hökmark, Werner Langen, Ivana Maletić, Gabriel Mato, Luděk Niedermayer, Julia Pitera, Anne Sander, Romana Tomc, Tom Vandenkendelaere, Sabine Verheyen, Esther de Lange

S&D

Pervenche Berès, Jonás Fernández, Giuseppe Ferrandino, Doru-Claudian Frunzulică, Roberto Gualtieri, Ramón Jáuregui Atondo, Jeppe Kofod, Jo Leinen, Olle Ludvigsson, Virginie Rozière, Pedro Silva Pereira

Verts/ALE

Sven Giegold, Philippe Lamberts, Molly Scott Cato, Ernest Urtasun

9

-

EFDD

Bernard Monot, Marco Valli

ENF

Marcus Pretzell, Marco Zanni

GUE/NGL

Rina Ronja Kari, Marisa Matias, Martin Schirdewan, Miguel Viegas

NI

Steven Woolfe

0

    0

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 10 oktober 2018Juridische mededeling